Pleasure Tendency - De stompzinnigheid van cynisme

Uit Anarchief
Versie door JJ (Overleg | bijdragen) op 4 mrt 2019 om 15:56

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken


DE STOMPZINNIGHEID VAN CYNISME.

‘THE PLEASURE TENDENCY’


Eerst verschenen in ‘Anarchy’ #41.


1.

Op het ogenblik dat mensen overal worden ingepakt door de leugens en afleidingen die de media hun voorschotelen, stellen we tegelijk vast dat die mensen hun cynisme verdedigen –hun zelfbenoemde versie van wat er ‘echt aan de hand is’.

Dit cynisme dringt door tot in alle uithoeken van de samenleving Het verzadigt gesprekken op het werk, elke discussie over politiek of over het persoonlijke en dwingt daarbij iedereen de indruk te geven dat ‘we wel weten welke spelletjes er worden gespeeld en wat politiekers echt van plan zijn…’ “Niemand houdt mij voor de gek.”

Cynisme is een klucht (…) We worden allemaal aangemoedigd om hard te lachen over hoe verneukt en corrupt de situatie is. Geforceerde controversen leiden ons tot niets anders dan meegaandheid. Ze zijn niets anders dan een stilzwijgende overeenkomst te vermijden dat wat dan ook serieus in vraag zou worden gesteld. (…) Door cynisme als een noodzakelijke optie voor te stellen, door elke controle over ons lot uit handen te geven, erkennen we onszelf als slachtoffer. Door een erkenning van onderdrukking te veranderen in het aanvaarden van ‘de wereld zoals die is’ schuiven we de verantwoordelijkheid van ons af: uitroepen dat het spel doorgestoken kaart is zo reden genoeg voor ons om verder te spelen!

Natuurlijk zijn er gegronde en reële redenen genoeg voor dit cynisch bewustzijn, maar dat maakt het nog niet juist. Net zoals er reële redenen kunnen zijn voor de opkomst van extreemrechts onder het hedendaags proletariaat, dat zich vastklampt aan de eenvoudigste oplossingen. Maar armoede maakt fascisme niet juist. Dat heeft het nooit gedaan. De redenen voor een geloof rechtvaardigen het geloof niet. Het zijn de verwezenlijkingen van dat geloof die uiteindelijk tellen.

Cynisme heeft in het leven van alledag het karakter van een preventieve contra-revolutie, die de wil om weerstand te bieden of terug te vechten ondergraaft. De vijand wordt iets universeel en onaanraakbaar eerder dan iets specifiek. De ‘alwetenden’ gebruiken de notie van een almachtige en altijd aanwezige onderdrukking om hun eigen angst te verbergen. Als we echt alles zouden weten dat we moeten weten zouden we weten hoe de wereld werkt en waar we de verantwoordelijkheid moeten leggen voor onze onwillige gehoorzaamheid, dan zouden we niet in de stront zitten waar we nu in zitten. De revolutie zou haar grootste obstakel overwonnen hebben, maar het obstakel wordt netjes op zijn plaats gezet en gehouden door dat cynisme zelf.


2.

Cynisme is een overgave; een overeenkomst om je vrije wil niet te gebruiken. Het sluit elke mogelijkheid uit tot ontsnappen van het ondraaglijke door de hoop op te geven –‘Que sera, sera’.

Door de poses en de taal van cynisme doen we het voorkomen dat we alles uitgepluisd hebben; dat we weten hoe het allemaal in elkaar zit. Sommigen onder ons zouden alles liever doen dan gewoon toe te geven dat we niet het minste een idee hebben van wat er aan de hand is.

De cynicus is de ‘defaitist’ die zichzelf heeft ingesloten in een graf van zelfrechtvaardigende excuses die bewust vergeet dat er altijd hoop is geweest en vergeet dat hij heeft gekozen te vergeten.

Een cynicus is iemand die niet wil worden verstoord door de kennis van de realiteit en haar mogelijkheden en die eerder bereid is levend begraven te worden uit angst dat hij zal moeten toegeven het slachtoffer te zijn geworden van een pathetische fraude.

Cynisme is de naar buiten gerichte vorm van zelfmoord. Het ontkent dat de wereld kan veranderen, maar verandert die zelf.


3.

Cynisme vind je in alle vormen en maten. Van de arrogantie van een journalist tot de bitterheid van ontmoedigde idealisten die al hun idee bij het groot huisvuil hebben gezet, te moe om hun vergissingen op te sporen en toe te geven dat ze gewoon een paar dingen fout hebben gedaan.

Het is de religie van het alledaagse leven –‘wees realistisch- eis het onontkoombare’. Cynisme verhindert mensen dingen te doen die ze anders misschien wel zouden overwegen te doen, zelfs al schrijft het mensen niet letterlijk voor hoe ze moeten leven. Het schrapt opties, verklaart gevechten verloren nog voor de krachten zijn verzameld; het verklaart beslissende zaken ‘de moeite niet waard’. Op talrijke manieren demoraliseert het ons, geniepig de kracht van de actie ondermijnend.

De sociale voorwaarden voor het cynisme kunnen overal worden gevonden. De fundamenten ervan zitten in onze omgeving die schreeuwt ‘Dat is hoe het altijd was en dit is hoe jij bent’. Cynisme ‘begrijpt’ dit allemaal, met de arrogantie zichzelf als wijsheid te zien, maar ziet de soliditeit van onze omgeving als een teken van haar onveranderbaarheid.

Gewoonlijk verwarren we de redens om regels te gehoorzamen met de redens waarom bepaalde regels worden opgelegd. We behandelen ze alsof het natuurwetten zouden zijn. De woorden van de cynicus spuiten ontkrachting, net zo efficiënt als een machinegeweer in de handen van een flik.

Cynisme is het tegenovergestelde van vandalisme. In plaats van muren te bekladden of fysieke dingen kapot te maken bouwt het ondoordringbare psychische muren waarop het bordjes hangt: ‘het heeft geen zin met je kop tegen een stenen muur te lopen’. De schade die cynisme toebrengt is veel groter dan de zichtbaarder gevolgen van vandalisme.


4.

Een ander aspect van de cynische fraude is dat er een verschil lijkt te zijn tussen een ware cynicus (een idealist die ontnuchterende lessen heeft geleerd door de harde werkelijkheid) en een stomme naäper (die veel lawaai maakt om de indruk te geven iets van het leven hebben gezien).

Er is echter geen verschil. Cynische citaten uit een boek copiëren is niet kunstmatiger dan de persoon die ze geschreven heeft. Cynisme is bedoeld om gemakkelijk imiteerbaar te zijn. Wat de cynicus zegt te ‘weten’ is wat elke gek kan zeggen.

De primaire functie van cynisme is kennis voor te zijn, kortsluiting te veroorzaken in het leerproces (de cynicus ‘weet alles al’). Het is altijd modieus omdat het een perfecte dekmantel is voor stommiteiten en afhaken.


5.

Cynisme onder revolutionairen voorziet in hun uiteindelijk nederlaag. Ze hebben hun excuses al op voorhand door ‘het systeem’ de schuld te geven van al het onverantwoordelijk gedrag dat cynisme onvermijdelijk maakt.

Voor de meeste mensen is cynisme een zenuwinzinking. De cynici zijn lafhartig in de weigering het feit onder ogen te zien dat de wereld van geen kanten zo hopeloos is als zijn willen denken. Cynisme rationaliseert lafheid tot ‘realisme’, het idee ontkennend dat er vele dingen zijn die kunnen gebeuren die moed en waarachtigheid terug op de agenda kunnen worden gezet.

Cynici buigen voor de noodzaak vanuit morele noden te handelen, net als ze spugen op praktische voorstellen die zij ‘nutteloos’ zouden noemen simpelweg omdat ze tegen de stroom in gaan. Cynisme is veralgemeend conformisme.

Cynisme is een voorraad excuses, gaande van ‘je kunt de menselijke natuur niet veranderen’ of ‘mensen zijn in de grond egoïsten’ tot mooi verwoorde verontschuldigingen als ‘ik heb een gezin om aan te denken’ en ‘ het is mij mijn job niet waard’. De taal van cynisme is de retoriek van angstige bureaucraten die zichzelf voor de gek houden door te geloven dat ze de risico’s van het breken van de regels serieus hebben afgewogen terwijl ze nooit de bedoeling hadden dat echt als een praktische optie te beschouwen.

Er is geen ‘menselijke natuur’ die men de schuld kan geven van het banale feit van egoïsme. Achter de cynische veralgemeningen, morele lafheid en koppige weigering z’n intelligentie of verbeelding te gebruiken kan op geen enkele manier worden teruggebracht tot ‘menselijke’ of ‘natuurlijke’ oorzaken.


6.

Misschien het meest groteske aspect van cynisme is haar pure onverantwoordelijkheid. Net als haar overdreven negativisme eerlijk is, garandeert haar oversimplificatie van wat dan ook dat niets als praktisch kan worden beschouwd.

Het geloof in je eigen onmacht (alsof het de schuld van de wereld zou zijn dat ze niet rijp genoeg is voor een radiale verandering) brengt de verzekering van eeuwige onverantwoordelijkheid. Terwijl de praktijk wordt overgelaten aan electorale cariëristen en andere professionele cynici.

Cynisme drijft op de kern van sociale bewegingen die van zichzelf alternatieve subculturen maken, of zelfs deelstrijden. Het doet dat door een welbepaald ‘ander’ te definiëren als de onderdrukker en de bron van alle problemen. Wat de cynicus op rekening zal schrijven van ‘de wereld’ of ‘de menselijke natuur’ zal de radicale minderheid op de rug van haar zondebok schuiven (‘alle mannen zijn verkrachters’, ‘alle mensen zijn onderdrukkers van dieren’,…)


7.

Cynisme is gewoon één van de vele kant en klare ideologieën. Het is gemaakt om zo goed te passen dat je niet eens door hebt dat je het draagt. Het is het bewustzijn van het onbewust zijn.

Dat bewustzijn wordt geproduceerd en gereproduceerd. De cultuur van cynisme is het alledaagse lawaai –het onophoudelijke geblaf van dove honden, die klagen dat het een hondenleven is maar te goed getraind zijn om de hand te bijten die hen aan de lijband legt.


8.

Wat is het dat cynisme overeind houdt? Wat laat ons toe dat wat gebeurt te reduceren tot iets almachtigs? Cynisme drijft op het ‘reduceren’ van alles in kant en klare rechtvaardigingen. Als zulke ‘reducties’ zo populair zijn moeten we ons afvragen waartoe dingen ‘gereduceerd’ worden.

Er is, zoals het er nu voor staat, in de samenleving slechts één realiteit waartoe dingen kunnen worden ‘gereduceerd’ (en dat is omdat alles ernaar wordt gereduceerd en erdoor wordt geproduceerd). Het is iets waarvan de mondaine vertrouwdheid niet enkel de cynicus voor de gek houdt, maar ons allen doet denken dat we het moeten begrijpen.

Dat ‘ding’ –dat geen ding is- waarvan we allemaal denken alles te weten, is geld.

We behandelen het als de essentie van het wereldlijke, en toch is het de cultus waarvoor we willen aanvaarden dat miljoenen levens routinematig worden opgeofferd. In de weigering iets mysterieus te zien in geld, zijn de cynicus en de idealist samen.

We ‘weten’ dat we werken voor geld en we ‘weten’ dat dat zowat is wat erover te zeggen valt. Er is, zo lijkt het, niets speciaals aan de relatie van mensen en hun gedrag tegenover gebruiksvoorwerpen en geld? ‘Dat is niets nieuws, wel?’

Het tegegif voor cynisme is het overstijgen van het Realisme (‘Dat is zoals het is’) dat het cynische beest voedt dat we moeten doden. Onze blik wordt weggeleid van de wereld zoals die zou kunnen zijn en het bloeien van onze mogelijkheden. De mogelijkheid van overstijgen ligt in de reealiteit zelf. Moed, opoffering, vertrouwen, vrijgevigheid,… zijn getuigen van de manier waarop mensen zich werkelijk gedragen hoog uitstijgt boven de kreupele noties die cynici voor realiteit laten doorgaan.

De wereld is in sommige opzichten zelfs slechter dan de cynici zeggen. In Andere opzichten biedt de wereld veel meer mogelijkheden voor waar geluk zowel als meer feitelijk geluk dan zelfs de optimisten willen ervaren. Dit zijn geen twee losstaande dingen. De taak goed van kwaad te scheiden zou aardig verlicht worden als we zouden ophouden met over ‘de wereld’ te lullen.

Waar we mee om moeten gaan is de samenleving waarin we wonen. Niet één of andere filosofisch begrip van de wereld als een geheel. Deze samenleving is niet homogener dat ‘de wereld’. En als er een orde, een patroon, een ‘systeem’ aan het werk is in de samenleving, dan zal het een historisch specifiek zijn en niet een tijdloze, almachtige abstractie.

Cynisme verdient het doelwit te worden van zijn eigen meedogenloze onderzoek; het moet gedwongen worden vrij te geven wat het wil onderdrukken. In het licht van kritiek staat cynisme te kijk als de ziekte zelf waarvan het de diagnose zegt te zijn.


“Het is onmogelijk voor een volk om boven de eigen betrachtigngen uit te stijgen. Als we denken niet te kunnen winnen, kunnen we dat inderdaad niet. Onze grootste vijand is onze ‘defaitistische’ houding. Het sterkste wapen van onze onderdrukkers is het psychologisch systeem waarmee ze ons volk een ‘defaitistisch’ complex opdringt.”