Sinclair, Upton - No pasaran

Uit Anarchief
Versie door Doe Roetie (Overleg | bijdragen) op 3 feb 2020 om 17:25

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken


http://anarchief.org/w/images/f/f7/Sinclair%2C_Upton_-_No_Passaran_text.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Sinclair,_Upton_-_No_Pasaran_(1937)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Sinclair,_Upton_-_No_Pasaran_(1937).epub

Een historische roman van Upton Sinclair over de Spaanse Burgeroorlog.

Uitgegeven door Vereniging Anarchistische Uitgeverij (VAU), Amsterdam, 1937


Upton Sinclair
No Pasaran (Zij zullen er niet doorkomen)

Geautoriseerde Vertaling van J.G. Schoup
Vereniging Anarchistische Uitgeverij
Amsterdam - 1937.
Oorspronkelijke titel: No Pasaran

I. Nachtgelegenheid.

I.

De muziek was in het oerwoud begonnen, maar had intusschen een omweg gemaakt. Het was een muziek met omwegen, vol vreemde rhythmiek en gewrongen; zij kromp in elkaar en werd klagelijk, zij sprong op en steigerde, kortom zij deed alles, behalve datgene, wat je kon voorzien. De zangwijzen in de muziek waren onzeker, het rijm in de woorden was verborgen, het rijm zwierf als een verstrooid mensch in een droom. Het was negermuziek, maar niet van negers uit het oerwoud of van plantagenegers; het was muziek van negers in bordeelen, aanvaard door een krampachtige wereld en opgevoerd tot uitersten van vervalsching. Die muziek drukte de kwellingen uit van onbevredigde lusten en de genietingen van lusten, die werden botgevierd. Zij werd gespeeld door chocoladekleurige mannen in roode en gouden uniformen, wier breede grijnslach gewetenlooze vleeschelijke belustheid uitdrukte. Zij speelden onder leiding van een lange slanke jongen, wiens stuiptrekkingen de muziek deed zien.
Boven dit alles hing een groote schaal in goud en rood, die straalde in vele lichtpunten. Lichtvlekken speelden hier en daar op den gepolijsten vloer, op het lage podium met de muzikanten en over de ruimte vooraan, waar dansers en zangers naar voren kwamen en weer verdwenen. Alles was mondain en luxueus, laatste mode in overdreven aankleeding; opvallend, maar ongetwijfeld toch duur. Je betaalt daar een flinke prijs voor een “couvert” en voor flesschen, die, zelfs nadat ze leeg zijn, op de tafel worden gelaten als bewijs van je overvloed en als aansporing voor anderen. Het was een heete zomer, maar het nachtleven in New York had nog niet opgehouden. Er waren rijke menschen om een of andere reden in de stad en die moesten zich kunnen amuseeren. Je kon er bekende gezichten zien. Daarom kon je zeggen, dat “iedereen” er was en zes of zeven millioen arme, onbekende menschen over het hoofd zien. Terwijl de muzikanten op adem kwamen, wees de conférencier de een of andere uitgaande millionair aan met zijn actrice; de zoeklichten werden dan op hen gericht, zij bogen en glimlachten. Daarna kwam de een of andere industriemagnaat aan de beurt met een dame, die niet genoemd werd; of het was de beurt van een beroemd journalist, of van een ontdekkingsreiziger, zoo juist uit de ijsgebieden teruggekeerd of van een vliegenier, die pas een vlucht rond de wereld had gemaakt. “Beroemdheden” kwamen daar om onder elkaar te zijn en would-be beroemdheden om de gezegenden aan te gapen.
De muziek begon opnieuw en volmaakt gekleede heeren leidden hun uitgekozen partners naar den dansvloer; dames met haar gladde rug naakt tot aan het middel en zorgvuldig uitgestalde blanke boezems; glinsterende juweelen, waarvan er vele echt waren, andere namaak, die hun dienst deden, omdat men wist, dat de echte juweelen in banksafes gedeponeerd waren. Sommige jonge gasten dansten levendig, maar nu het al tegen de kleine ochtenduren liep, de tafels overladen waren met leege flesschen, stelden de meesten zich tevreden met een voorzichtige dans. De slag van den drummer oefende een hypnotischen invloed uit; lange heeren lieten het hoofd rusten op de schouders van kleine dames; kleine heeren legden hun wangen op de boezems van lange dames en zij, die door Bacchus en Venus vereenigd waren, schommelden zachtjes op maat, kwamen met vaste, stramme stappen verder als automaten, door een beweeglijk net van andere, in verrukking gebrachte paren.

II.

Rudy Messer was jong. Snel bewoog het leven zich in hem. De kleine blonde schoonheid, die bij hem was, kende de laatste ingewikkelde steps en beiden voelden zich volkomen thuis op onverschillig welken dansvloer. Zij waren toevallig dol op elkaar en gaven er niets om het aan de wereld te vertellen. Zij kusten elkaar en minnekoosden terwijl zij over den dansvloer gleden. “Een uitdagende kleine danseres”, zoo was de meening van een toeschouwer en hij bedoelde te zeggen, dat het meisje elken duim van haarzelf zoo dicht bij haar partner hield als de natuurwet het maar eenigszins toestond. Andere wetten hadden niets in te brengen om twee uur s morgens in de “Golden Shell Night Club”. Rudy smolt weg in hemelsche zaligheid en elke prikkeling zijner zinnen werd gretig beantwoord. Zij fluisterden zoete woorden; in dergelijke omstandigheden zijn vrijwel alle woorden goed. “Ohs” en “ahs” zijn welsprekend en “O, kind, wat ben ik gelukkig” is van een peillooze diepte.
“Als ik nog een zorg in de wereld zou hebben, zou ik ze onder mijn hoed kunnen vangen,” zoo zei Rudy. “Ga zonder hoed naar huis”, zei Mary. Dat was grappig.
Zij kenden de woorden van de zangwijzen, woorden van zwerven en veelsoortige verlangens. Zij neurieden een paar zinnen, droevig en vroolijk – alle emoties waren dezelfde.
“Lieveling – zoete lieve jongen – ’t is heerlijk zoo te spelen – het leven is een dans –” het eene lied smolt weg in een volgend en het ging weer over dezelfde verlangens en zaligheden, altijd weer nieuw. Verder en verder – rond en rond – o, zoo gelukkig, maar toch ook weer angstig, want aan dansen komt een einde, zooals aan liederen en aan alle dingen.
Een van Rudy’s handen hield de hand vast van zijn speelmeisje, terwijl hij met de andere haar rug vasthield en haar hielp zich te houden aan de natuurwet. Zijn oogen keken diep in haar halfnaakte boezem en zijn geheugen wist het overige; want hij had haar lieflijkheid den vorigen nacht genoten en wilde haar weer vannacht genieten, beter gezegd vanmorgen. Muziek, dans, zang; dat alles was een voorspel van de beloofde verrukking. Hij ademde in haar gouden haar – “O, wat een heerlijk haar!”
Nu en dan drukte hij zijn lippen op haar voorhoofd en dan fluisterde hij “prachtig” of misschien was het “kostbaar”. Steeds weer opnieuw bracht zij een andere betoovering met haar handen en er kwam in hun dansen een nieuw beweeg met een nieuwe prikkeling voor hun bloed.
Tot zij tenslotte het pijnlijk verlangen niet meer konden verdragen, wegliepen van den dansvloer en vluchtten in een taxi. Hij noemde een der voorname hotels en toen lagen zijn lippen op de hare. Taxi-chauffeurs in New-York zijn gewoon aan zwoele dingen in de kleine morgenuren; het is een oud gezegde, dat de jeugd toch op haar kosten komt en dit wordt niet verhinderd door de uitvinding van benzinemotors en gestroomlijnde taxis.
Het voertuig stopte aan den ingang van het hotel en de man in het goud betreste uniform opende de deur. Het meisje stapte uit en Rudy, nog steeds in de taxi, beval: “Verder”. “Waar naar toe?” vroeg de chauffeur en hij glimlachte toen hij het antwoord kreeg: “Stop bij het volgende huizenblok”. Dat was zulk een oude gescheidenis, dat hij er niet genoeg belangstelling voor had, nadat zijn passagier was uitgestapt en betaald had, om te kijken en Rudy naar het hotel te zien terugkeeren.

III.

De jonge man had zorgvuldig van tevoren bepaald wat hij doen zou en zijn plan in den vorigen nacht op de proef gesteld. Hij ging behoedzaam een der zijgangen van het hotel binnen, schoof in een der talrijke liften en zei, nonchalant: “Twaalfde verdieping.” Toen hij uitstapte, keek hij niet om zich heen, maar slenterde over de verlaten gang op een manier, alsof hij daar zijn heele leven gewoond had. Sommige groote hotels specialiseeren in familie-cliënten en hebben een beambte op elke verdieping, die er toezicht op houdt, dat de families gescheiden blijven, maar andere hotels bemoeien zich daar niet mee en hotelgasten kennen het verschil.
Rudy bleef staan voor kamer 1237 en klopte niet op de deur, maar draaide zachtjes aan den knop. Hij mocht aannemen, dat de knip zoo geplaatst was, dat hij kon binnenkomen, maar toen de deur niet meegaf, was hij ontstemd, keek opnieuw naar het kamer-nummer en klopte toen zachtjes aan. De deur werd juist ver genoeg geopend, dat het meisje hem kon zien en dat hij in de kamer kon kijken over haar schouder heen. Een andere deur, die uitgaf op de kamer van haar begeleidster, werd vlug geopend en hij zag vagelijk een grijs hoofd en een blauwe peignoir. Hij wist, dat de oude dame hem gezien had.
“Nee, Rudy, ’t is te laat en ik ben moe,” zei het meisje en zij sloot de deur.
Omdat het zoo heet was, stond de tweede deur open, de kamerdeur had maar een paneel. Hij hoorde haar plotseling verzonnen uitvlucht: “Hij wou me meenemen naar de koffiekamer, maar ’t is te laat.” En dan: “Een oproep uit Denver, zou er iemand ziek zijn?”
Rudy begreep wat er gebeurd was. Een telefonische oproep. Hij wist waar het toestel stond, op een klein tafeltje aan het hoofdeinde van het bed. Hij hoorde het meisje praten met de telefoonjuffrouw en wachtte, want hij wist, dat begeleidsters vroeg of laat toch weer naar bed gaan, soms wordt haar zelfs bevolen te gaan. Onze tijd is moeilijk voor begeleidsters. Met smart zien zij hun prestige en hun macht verminderen.
Rudy luisterde terwijl Marie Prince sprak:
“Ben jij daar, Blake?” Hij was er niet zeker van, dat hij “Blake” hoorde zeggen, maar het was toch zoo iets. “In Gods naam, weet jij niet hoe laat het is in New York? Ja, ik ben net thuis. Je dacht toch niet, dat ik naar een klooster was gegaan, is ’t wel? Ja, lieveling, natuurlijk hou ik van je. Dat wil zeggen, ik hou van je als jij je goed gedraagt. Nee, alles is nog hetzelfde als toen ik wegging. Nee, schat, wees nou niet flauw. Ja, natuurlijk” – en toen klonk haar lach op, die Rudy –want hij was jong– vergeleken had met de muziek van een beek. Hij had allerlei gezegd over de lieflijkheid van haar stem en over de zachtheid van de keel, waar zij uit opklonk, gezwegen nog van het zonnelicht van heur haar en van den perzikbloesem harer wangen – allerlei, wat geliefden sedert eeuwen zeggen en waarvan Rudy dacht, dat hij dit alles in een uur van betoovering uitvond.
Hij stond daar nu met het oor gedrukt tegen het paneel van de deur en luisterde hoe Marie deze lieflijkheden over een man in Denver uitstortte. Een wonderbaarlijke prestatie. De uitvinder van de telefoon zou er trotsch op geweest zijn als hij getuige had kunnen zijn van het voorval, hoe een meisje in een taxi zich kon overgeven aan de omhelzing van een minnaar en hem doortrillen kon met zuchten van extase om vijf minuten later dezelfde invloed uit te oefenen op een anderen man, die twee duizend mijlen verwijderd was, ongerekend een mijl hooger op bij den hemel.
Maar Rudy had geen waardeering voor dit succes van de beschaving. Wel mompelde hij in zichzelf: “Wat een slet!” Hij hoorde nog meer en het scheen, dat zij het telefoontoestel kuste. “Ja, lieveling, natuurlijk, echt van jou. Ja, kom, ik zal op je wachten. Neem het vliegtuig. Wij dineeren vanavond samen.”
Eerder op dien avond had zij een woordspeling gemaakt op den naam van haar minnaar: “Rudy, wees niet grof!” Maar nu, in een uitdaging van dat bevel, klopte hij op de deur met zijn knokkels en toen er geen antwoord kwam, sloeg hij met de vuist. Hij hoorde het meisje zeggen: “Wacht even.”
Zij kwam bij de deur. Zij was verstandig genoeg ze niet open te maken.
“Rudy,” zoo zei ze, “ga weg, doe niet zoo flauw.”
“Jij kleine hoer!” siste hij.
Brandden haar ooren terwijl zij weer naar het toestel ging? Hij kon het niet zien, hij kon alleen hooren hoe het vrijen en koozen weer verder ging tot den prijs van een paar dollar per minuut.
Zij daagde hem uit, natuurlijk, zij strafte hem. Hij had een aandrang om zijn voet op te tillen en te probeeren of hij hem door het paneel van de deur kon trappen. Maar nee, dat ging niet. Marie Prince was een vriendin van zijn nichtje, hij had haar ontmoet in het huis van zijn oom. Wist hij dan niet, dat de tegenwoordige meisjes zoo waren? Daar moest je maar genoegen mee nemen. Plotseling draaide hij zich om, stapte trotsch de gang door, belde voor de lift en verliet het hotel.

IV.

Het is een wet van de natuur, dat actie en reactie aan elkaar gelijk zijn. Rudy Messer had vele uren besteed om verlangens in zijn hart op te roepen en had nu evenveel uren noodig om ze weer te sussen. Hij liep door de eenzame straten der stad, blindelings, onverschillig waarheen en onder het loopen dacht hij over het leven na en over de duivelsche streken, die het een mensch toebrengt.
Eerst schold hij op het kleine blonde meisje, gaf haar vele namen, de slechtste die hij maar bedenken kon, die verband hielden met dieren en met smerige dingen en met vrouwen, die haar lichaam verkoopen. Maar zelfs op het toppunt van zijn razernij, kwam de herinnering aan haar lieflijkheid over hem, hij schommelde weer met haar op de muziek, haar parfum was weer in zijn neus en hij voelde weer heur adem op zijn wangen. Zijn begeerige zinnen herhaalden de tooneeltjes van den nacht die hij met haar had doorgebracht; hij kuste haar wangen, haar hals, haar borsten; hij voelde de warmte en de zachtheid van haar vleesch en hij drukte zijn nagels in de handpalmen. Zijn smart werd zoo hevig, dat hij terug wilde gaan en weer op haar deur wilde kloppen en haar om vergeving vragen. Maar nee, het moest maar een ander meisje zijn, haar had hij een te ruwe naam gegeven.
Zijn verstand debatteerde met zijn razernij. Zij had die scheldwoorden niet verdiend; zij had geen geld van hem aangenomen – slechts de prijs van een couvert en van een souper, cocktails en wijn en een paar ritten in een taxi. Dat was de prijs voor die moderne meisjes, een avond vol pret en ze lagen in je armen – voor een avond. Maar verwacht niets van haar, stel je niet aan met oude begrippen over liefde, trouw, oprechtheid. De gedachte aan zijn nichtje Anna kwam in hem op, de koele, evenwichtige, harde Anna, die hem toelachte en hem over het leven vertelde. “Als je er goed uitziet, Rudy, dan zijn ze gemakkelijk te krijgen, maar met geld alleen kan je ze houden.” Rudy had geen geld, naar Anna’s maatstaf en die van haar vriendinnen. De “lieveling” in Denver had ongetwijfeld meer.
Hij begon te filosofeeren, vergat de pijn in zijn lichaam door den arbeid van zijn geest. Geld verklaarde alles; tegenwoordig hadden de meisjes het en ze konden doen wat ze wilden; ze konden naar New-York komen en een begeleidster meebrengen, die eigenlijk een gehuurd iemand was, een namaak begeleidster. En in New-York wilden ze alles zien. Zij konden er niet alleen op uitgaan en het gezelschap van haar begeleidster zou een vernedering en een verveling geweest zijn. Zij wilden een knappe, spraakzame jonge man hebben, die de juiste kleeding droeg en als hij dan nog van haar ging houden, waarom niet? Gevolgen moesten er immers niet meer gevreesd worden, want veiligheid was te koop in elke drogisterij op elken hoek.
Vrouwenstemmen debatteerden met Rudy:
“Zoo, zoo, waarom niet? Vroeger waren de mannen het, die de eerste viool speelden. Nu wij geld hebben, is het onze beurt, dat is eerlijk, is ’t niet?” Rudy had wel eens gehoord van dien zeeman met een meisje in elke haven; tegenwoordig was het de jonge vrouw met een minnaar in elke stad, waar er nachtgelegenheden waren en theaters en speelzalen en andere vormen van luxueuze verstrooiing.
Goed, als dat de regels zijn van het spel, leer ze dan en maak jezelf toch niets wijs. Rudy zou zijn verdriet wel kwijtraken, er waren meisjes genoeg, die wisten wat er te koop is in de drogisterij op den hoek. De zangers in de nachtgelegenheden zongen vele liederen over bijen en vlinders, die van bloem naar bloem vlogen, over trams die achter elkaar aankwamen, en over taxis, die, nauwelijks vrij, weer bezet werden.
Maar toch, terwijl hij die cynische dingen in zichzelf zeide, wist Rudy Messer, dat hij niet aan zijn geluk werkte. Hij had gedacht, dat hij van Marie hield. Arme dwaas, hij had zich verbeeld, dat zij voor altijd in die verrukkingen konden deelen – zelfs al woonde zij in Denver en al was hij aan een betrekking in New-York gebonden! Zelfs al was zij in staat elken avond geld uit te geven, terwijl hij dat alleen eens of een paar keer in de maand kon doen! Hij had haar zijn vurige liefde in het oor gefluisterd, zijn rauwe ongeschoolde dichtkunst. Kwelling en razernij kwamen weer in hem op en hij vergat het plan van een andere vrouw te gaan zoeken; hij zag de heimelijke vrouwen niet die langs hem heengingen en hoorde haar gemompelde woorden van nagebootst verlangen niet.

II. Posten.

I.

Wanneer je doelloos ronddwaalt door de straten van New-York, terwijl je geheel opgaat in wijsgeerige overdenkingen, dan kom je door allerlei soorten wijken: winkels, warenhuizen, kazernewoningen en voorname hotels en pensions, volgepropte kleine winkels ten dienste van de armen. Er zijn altijd enkele menschen op straat, zelfs in de kleine uren van den ochtend, en soms kijken zij met op roof beluste oogen naar een jongen man, die zwarte lakschoenen draagt, een zwarte broek aan de zijkanten afgebiesd, een witlinnen smoking naar de laatste mode en een wit strikje, het mystieke symbool van voornaamheid.
Maar niemand deed Rudy kwaad. Hij liep tot de eerste tinten van den morgen aan de lucht stonden en de melkbezorgers hun bakken vol flesschen deden rinkelen. Toen was hij aan het einde van zijn weg. Daar lag de rivier en aan den overkant van een breeden weg waren gaten als tunnels, die naar lange pieren leidden. De meesten dezer tunnels waren donker, maar een ervan was helder verlicht en langszij stak de boeg van een schip naar boven. Het verkeer ging dien tunnel binnen. Het was duidelijk, dat er daar een schip werd geladen om vroeg in den morgen te vertrekken.
Rudy bleef stilstaan en terwijl hij overdacht of hij naar links of naar rechts zou gaan, hoorde hij schoten opklinken van deze pier vandaan. Hij hoorde rumoer en geschreeuw en gillen als van pijn. Eerst dacht hij “een brand?” en dan “een ongeluk?”. Hij ging in de richting van het geluid met rustige stap zonder te loopen. Als je hart geheel gebroken werd, dan kan je niet zoo spoedig weer belangstelling hebben voor het leven. Toen hij bij den ingang van de pier gekomen was, stormden twee mannen er uit en aan hem voorbij, zoodat hij zich afvroeg of er een aanval was gepleegd. Maar het lawaai hield aan en op de overdekte pier onder de sterke lampen van het gewelf zag hij een menigte menschen, die op en neer liepen, schreeuwden en boven hun hoofden vlaggen en spandoeken zwaaiden. Terwijl hij nader kwam, viel de menigte uit elkaar en een half dozijn mannen en twee of drie vrouwen kwamen in zijn richting geloopen, politieagenten zaten achter hen aan en sloegen met ploertendooders.
Rudy bleef staan kijken, terwijl de vluchtende menschen aan hem voorbijliepen. Toen kwam er een bleeke, magere, slecht gekleede jonge mem aangeloopen. Er lag angst in zijn oogen en vlak achter hem kwam er een stoere politieagent, die hem inhaalde. Vlak voor Rudy zwaaide de agent zijn ploertendooder en gaf den kleinen man een klap op het hoofd en een stomp, die hem tot een hoopje in elkaar deed zinken.
De politieagent hield op en keek naar Rudy. Dat was een lastig moment, terwijl hij die nieuwe verschijning opnam. Het was gelukkig voor Rudy, dat zijn avondkleeding onberispelijk zat, hij zag er uit alsof hij zoo juist uit een taxi gestapt was of uit een advertentie van een tijdschrift. Hij liep bovendien niet weg, integendeel, hij maakte een gebaar met een vinger, een soort van groet. “Morgen, chef.” De politieagent bleef niet staan om te antwoorden, maar keerde zich om en liep terug naar de herrie.

II.

Rudy ging naar den gevallen man en boog zich over hem neer. Bloed stroomde uit een gapende wonde in den schedel en hij kreunde zacht. Rudy begon met zijn hoofd op te tillen – een onvoorzichtige daad, want bloedvlekken kan je niet wegwasschen en witte smokings moeten vlekkeloos schoon zijn. Toch trachtte Rudy te helpen en toen hij zag, dat de arme jongen in zwijm lag en niet kon opstaan, nam hij hem bij de schouders en sleepte hem aan den kant uit den weg van een nieuwe groep vluchtelingen. Rudy nam zijn schoone zakdoek en bond hem rond het hoofd van het slachtoffer; maar hij zag, dat dit niet voldoende was, stak zijn hand onder zijn overhemd, maakte de knoopen los van zijn nethemd en slaagde erin er een stuk af te scheuren, dat beter voor een verband kon dienen.
Intusschen waren de oproermakers, wie zij ook mochten zijn, uit elkaar gedreven geworden, hun vaandels en spandoeken waren gebroken en in de rivier gesmeten en het half dozijn politieagenten hield de wacht bij het schip. Rudy’s patiënt was nog duizelig en half blind door het bloed, dat in zijn oogen geloopen was. Rudy wilde een verband wagen doen komen, maar de jongen fluisterde: “Asjeblief niet, niet.” Even daarna was hij in staat deze verklaring te geven: “De politie brengt me dan naar de gevangenis en daar word je geslagen.”
Rudy bleef dus zitten en even daarna hielp hij den jongen overeind komen en geleidde hem naar de straat. Een paar politieagenten stonden op wacht bij den ingang, maar zij schenen geen verdere belangstelling te hebben voor het slachtoffer van hun ploertendooders. Misschien dachten zij wel, dat Rudy in zijn witte jas een verpleger was of een hofmeester van het schip. Hun taak was menschen buiten te houden, niet binnen.

III.

De twee jonge mannen staken de straat over, Rudy keek uit naar een taxi. Maar taxis zijn niet zoo gemakkelijk te krijgen bij de dokken om vijf uur in den morgen. De gewonde jongen voelde zich niet al te best en zij gingen een poosje op den stoep van een huis zitten. Het daglicht breidde zich uit en Rudy kon nu zijn beschermeling eens goed aankijken. Hij was niet ouder dan achttien jaar en het was duidelijk te zien, dat hij een Jood was. Hij zag er niet al te best gevoed uit en zijn kleeren waren afgedragen, door hemzelf of door een vroegeren eigenaar. Zijn gekreukt overhemd had geen das om den hals; en besmeurd met al het bloed, was hij een weinig innemende beschermeling. Rudy zag de bloedvlekken op zijn eigen smoking en hij begreep, dat dit avontuur de kosten van zijn uitgaan nog zou verhoogen.
De kleine Jood was nu in staat tot spreken en begon de voorouders van politieagenten te belasteren. Rudy wilde weten wat de betoogers getracht hadden te doen en kreeg te hooren, dat zij geprobeerd hadden de lading van het schip stop te zetten.
“Bedoel je een staking?” vroeg hij.
“Wij probeerden de stouwers over te halen het werk neer te leggen. Zie je, zij laden munitie voor de Spaansche opstandelingen.”
Die woorden zeiden Rudy Messert niet veel. Hij had gelezen, dat er oorlog in Spanje was uitgebroken; hij wist, dat er een regeering was, die anderen trachtten omver te werpen; maar dat gebeurde steeds in Spaansche landen en elders en wat had iemand in New-York daarmee te maken? Hij stelde deze vraag en het antwoord kwam:
“Wij probeeren een volksregeering te helpen.”
“Ben jij een Spanjaard?” vroeg Rudy en de ander antwoordde, dat hij een socialist was; maar zelfs die verklaring maakte een Amerikaansche jongen, die de helft van zijn universiteitsstudie had afgelegd, niets wijzer.
“Is dat een socialistische regeering?”
“Nee, geen socialistische, maar een volksregeering, een democratische regeering, wij kunnen ze door de fascisten niet laten vernietigen.”
“Ik ben misschien wel een stommerik,” zei Rudy, “maar hoe denk je de Spaansche regeering te kunnen helpen door je kop te laten inslaan in New-York?”
“De arbeiders moeten protesteeren, over de heele wereld doen ze hetzelfde.”
“Maar wat voor nut heeft het?”
“Het toont aan andere arbeiders wat er gaande is en wat het wil zeggen. D’r zit propaganda in.”
“Maar als je dan toch propaganda wil maken, waarom ben je niet blijven staan om je te laten arresteeren?”
Een wreede vraag, alhoewel Rudy het zoo niet bedoelde in zijn onschuld.
“Ik was de kluts kwijt,” zei de jonge kerel. “Ik schaam me voor mezelf.”
“Bedoel je, dat je had moeten blijven staan en je door de politie had moeten laten doodslaan?” Rudy stond werkelijk verbluft.
“Worden de arbeiders in Spanje niet gedood?” antwoordde de andere. “En zij loopen niet weg.”
“Soms doen ze het wel,” zei Rudy, “tenminste, dat heb ik in de kranten gelezen.”
“Goed dan, soms wel misschien, maar dan komen ze terug en vechten den volgenden dag.”
Hij begon op te staan alsof hij weer terug wilde naar de pier. Rudy kon zijn lachen niet inhouden.
“Wacht,” zei hij, terwijl hij den ander bij zijn mouw vasthield “Er komen nog veel meer dagen. Laat nu maar eerst je hoofd verzorgen.”

IV.

“Waar woon je?” zei de jonge man met de smoking na een poos; de jonge man met de voddige jas gaf een adres op in een krottenbuurt, niet ver daar vandaan, “Ik geloof, dat ik nu wel kan loopen,” zei hij, maar Rudy antwoordde:
“Onzin! Je moet je hoofd laten verzorgen. Met zulk een wonde kan je ernstig ziek worden.”
Hij had besloten de taak te beëindigen, die hij op zich genomen had. Er was iets vreemd aantrekkelijks in deze kleine “mozes”, zooals Rudy hem in zichzelf noemde. Zijn naam was Izzy Bloch, zoo vertelde hij en hij had geen werk; hij kreeg ongeveer drie dollar per week en de huur van den steun en woonde in twee kamers met zijn ouden vader, een werklooze knoopsgatenmaker, ook een steuntrekker. En toch koesterde hij de gedachte, dat het zijn plicht was de geschiedenis der wereld te veranderen!
Toen Rudy hierover zijn verwondering uitsprak, keek de andere beleedigd en zei: “Je moet idealen hebben.” “Moet dat werkelijk?” zei Rudy. Later dacht hij hierover na en was niet zeker hoe hij zijn idealen, zoo hij er al had, zou kunnen uitdrukken. Hij wilde een goed leventje hebben en dat wilde natuurlijk zeggen: schoon gewasschen zijn, goed gekleed en jezelf aangenaam maken; dat wilde zeggen, dat je met het goede soort menschen moest omgaan en dat zij van je hielden. Verder op den achtergrond was er nog de bedoeling om eens een heele boel geld te verdienen, alhoewel hij er nu nog niet achter was, hoe dat moest gebeuren. Hij had vast en zeker nooit het ideaal gehad de geschiedenis der wereld te veranderen of een van de vele wan-toestanden in de wereld op te heffen.
Rudy Messer, blond, groot, knap exemplaar van het Noordsche ras, keek op die kleine “Jid” –in een variatie van den naam, die hij hem in zichzelf gaf– neer als op een soort eigenaardig specimen uit een museum. Er bestond een sterk vooroordeel tegen Joden in de kringen, waar Rudy verkeerde en hij had dat ook overgenomen zonder er bij stil te staan. Nu stelde hij er belang in deze Jood uit te hooren om te zien, wat hij eigenlijk wel was.
Daar zaten zij in het vroege morgenlicht, aangekeken door arbeiders die naar hun werk gingen en onverschillig voor den indruk, die hun niet bij elkaar passende en met bloed besmeurde kleeding maakte. Rudy vroeg aan den jongen of alle socialisten geloofden in datgene, wat Izzy had gezegd, of dat dit maar een idee was van hemzelf. Izzy legde uit, dat al kon één arbeider niets doen, allen tezamen onverschillig welken oorlog konden stopzetten en de wereld konden hervormen volgens een ideaal van recht.
“Bedoel je zooals ze in Rusland deden?” zei Rudy en hij was verwonderd, dat Izzy Rusland niet bewonderde, ten minste niet in alles. Izzy bleek moeilijk te voldoen te zijn; hij maakte bezwaren tegen de dictatuur en tegen beperkingen der vrijheid; hij wilde de wereld veranderen door de beleefdste en tegemoetkomendste methode toe te passen. Rudy dacht en hij aarzelde niet het te zeggen, dat als hij in Izzy’s plaats was, zonder werk en met een inkomen van drie dollar per week, dat hij de dingen zou willen veranderen op onverschillig welke manier, als het maar snel ging.
Hetzelfde daglicht, dat Riudy in staat stelde het ondervoede lichaam van Izzy en zijn versleten kleeding nauwkeurig te bekijken, stelde Izzy in staat Rudy’s onberispelijke avondkleeding, zijn blozende wangen en delicate handen te zien. Hij zei:
“Zoo spreken de rijken allemaal. Jullie zijn er aan gewoon je zin te krijgen.”
“Ik ben niet rijk,” zoo haastte Rudy zich hem te verzekeren en de andere antwoordde:
“Ook dat zeggen ze allemaal. Natuurlijk, ze kunnen allemaal nog rijker worden.”
“De kleine mozes is listig,” dacht Rudy in zichzelf en zijn gedachten grepen de woorden aan: “Zoo zijn ze allemaal. Zoo moeten ze zijn, want anders bleven ze niet in leven.”
“Als er een rijke kerel in de radicale beweging komt,” zoo ging de voddige wijsgeer verder, “dan wordt hij meestal uiterst linksch. Hij kan gewoonweg het wachten niet verdragen.”
“Zou je graag zien, dat ik in de radicale beweging kwam?” vroeg de jonge uitgaande man in een stille pret. De ander antwoordde: “Dat zou best kunnen, als je wist wat er op het oogenblik gebeurt.”
“Waarom denk je dat?”
“Afgaande op de manier, waarop je tegen die politie-agenten optrad,” zei Izzy, “en de manier, waarop je hier nu met mij zoo zit te praten.”
“Het is beter, dat we opschieten en dat ik een taxi haal,” lachte de uitgaande jonge man.

V.

Een drogisterij op een hoek opende en Rudy ging naar de telefoon en bestelde een taxi. Hij bracht zijn beschermling naar den dichtsbijzijnden arts, waar de wonde genaaid werd. Daarna bracht hij hem naar huis en hielp hem de vele trappen op naar een kale, donkere kamer zonder vloerkleed en met slechts een half dozijn meubelen.
De oude Bloch lag op een bed. Hij was een vroegtijdig ouwe man, klaarblijkelijk in het laatste stadium van een ongeneeslijke ziekte. Hij gaf een schreeuw toen hij zijn zoon zag en kwam moeilijk recht in een zittende houding. Izzy zei snel: “Alles is best, Paps, de politie-mannen hebben me verwond, maar het is niet erg.”
Om dat te bewijzen ging hij zonder Rudy’s hulp tot dichtbij den ouwen man, ging op den bedrand zitten en vertelde hem wat er gebeurd was.
Beiden waren diep ontroerd. De tranen vloeiden over de wangen van den ouwen man voor de jongen zijn verhaal had uitverteld. Rudy herinnerde zich wat hij wel eens ergens gehoord had, dat die Joden een sterk familiegevoel hadden.
“Ik denk, dat zij, elkaar wel moeten helpen,” zoo overdacht hij. “Ze hebben een verduveld hard leven.”
Nu stortte de ouwe man zijn dankbaarheid uit over Rudy s vriendelijkheid en Rudy was verlegen met dien lof, grooter dan hij verdiend had. Hij ontdekte, dat deze werklooze knoopsgatenmaker een gevoelsmensch was. Zijn overspannen en vervallen gelaat deed hem er uitzien als een soort heilige. De woorden, die hij gebruikte, alhoewel met een vreemd accent uitgesproken, maakten den indruk van die van een geleerd man. Je kon wel zien waar Izzy zijn idealen vandaan had. Rudy hield vol, dat het niet heel veel was wat hij had gedaan maar de andere zag het bloed op zijn kleeren en had hierover evenveel verdriet als over de wonde van zijn zoon. Hij zei, dat zij iets hadden waar de vlekken mee uitgingen en wilde het dadelijk gebruiken. Hij liet Rudy zijn jas uittrekken en, hoe ziek hij ook was en hoe zwaar hij ook hoestte, hij ging rechtop zitten, werkte met het reinigingsmiddel en voelde zich ongelukkig, omdat het geen volkomen resultaat gaf.
Izzy vertelde, dat Rudy den strijd, die nu in Spanje gaande was, niet begreep, evenmin het posten, dat de socialisten hadden gedaan. Dit bracht “Paps” tot een verklaring. Hij was een ouwe “kameraad” zoo zei hij en had voor den oorlog in Polen in de gevangenis gezeten, bloedige koppen waren voor hem geen nieuw verschijnsel. In de partij in New-York had hij een werkzaam aandeel gehad toen hij nog gezond was. Zijn goedheid en tact alleen weerhielden hem van een volledige uiteenzetting van de klassenstrijdtheorie voor zijn jonge bezoeker.
Met moeite kon Rudy een groote geeuw onderdrukken en alhoewel hij zijn hand beleefd voor den mond hield, zag de ouwe man het toch.
“Je bent moe”, riep hij uit.
“Het is al meer dan vier en twintig uur geleden, dat ik heb geslapen”, zoo verklaarde de andere. “Ik moet naar huis”. Maar zijn huis was daar vèr vandaan en hij dacht er plotseling aan, dat zijn avondkleeding wel wat dwaas zou staan in het volle daglicht.
“Ik zal maar weer een taxi zien te krijgen,” zei hij. “Waarom slaap je niet hier?” zoo stelde Izzy verlegen voor. “In de andere kamer staat er een groot bed. Het ziet er niet zoo goed uit, maar er zitten geen luizen in.”
Rudy onderzocht het bed, dat in een donkere kamer stond –donker in den waren zin des woords– want zij had geen raam. De jonge man was niet vertrouwd met woningstatistieken en wist niet, dat er twee honderd duizend van dat soort kamers waren in New-Yorksche huurhuizen. Izzy stak het gaslicht aan en hij zag, dat er geen lakens op het bed lagen, slechts een paar vuile grijze dekens, die jarenlang gebruikt waren zonder te zijn gewasschen. Dat was niet aanlokkelijk, maar hij was werkelijk moe en ook beleefd, daarom zei hij:
“Je hebt evenveel rust noodig als ik. Ik zal op den eenen kant slapen en jij op den anderen.” En zoo werd het geregeld. Rudy was jong en hij was er al in geslaagd Marie Prince uit zijn gedachten en verlangens te zetten. Hij deed zijn lakschoenen uit en zijn zwarte broek met de biezen aan beide kanten en binnen een paar minuten was hij dood voor de wereld.

VI.

Hij had een dwaas gevoel toen hij zijn oogen opende in dat donkere gat met een bedompte lucht en iemand naast hem, die zenuwachtig trok en kreunde. Hij had een minuut noodig om zich te kunnen herinneren wat er gebeurd was. Toen bleef hij naar Izzy liggen luisteren, die een nachtmerrie had. Hij probeerde op te staan zonder zijn vriend te verstoren, maar de andere ontwaakte met een gil, want hij werd achtervolgd door een heele patrouille van de New-York City stormbrigade, waarvan alle mannen een ploertendooder in de eene hand en een revolver in de andere hadden.
Voor Izzy en zijn wonde was het de pijnlijke morgen na de daad, de tijd, die een beproeving is voor helden en slachtoffers. De jonge man kreunde veel en de ouwe Joseph, zijn vader, was bevreesd en klaagde doorloopend. Rudy begreep, dat hij| onder menschen was, die hun gevoelens uitdrukken; zijn arische opvattingen van waardigheid en zelfbeheersching werd geweld aangedaan en toch stelde hij belang in het geval, dat hem tevens amuseerde. Er waren zoowat twee millioen Joden in New-York en het was de moeite waard iets van hen te weten te komen.
De WC was buiten in de hall en ook het fonteintje met stroomend water. Rudy stond er op een emmer te halen, daar zijn twee gastheeren ongeschikt waren om iets te doen. Toen hij ontdekte, dat er geen melk was voor de koffie, deed hij zijn avondkleeding aan en ging naar beneden en kwam terug met kruideniers-waren, voldoende om twee halfverhongerde steuntrekkers een week lang te voeden. Kortom, hij speelde de rol van van Bibber tot het einde van het hoofdstuk toe en de dankbaarheid van zijn nieuwe vrienden klonk als een psalm van David.
Het hoopje patat frites, dat een deel was van het ontbijt, was verpakt in een klein doosje van geolied papier waar op gedrukt stond “Messer and Sons Products”. Daar wees Rudy op en zei met een glimlach:
“We dragen iets bij aan de familiezaak.”
Hij vertelde, dat Messer zijn oom was en dat de zonen zijn twee neven waren.
“Ik werk voor de firma en op die manier verdien ik mijn brood in de zomermaanden.”
“Vandaag werk je niet hard,” zei Izzy, die zijn wantrouwen voor de leegloopende rijken niet kon verbergen, zelfs terwijl hij hun patat frites at.
“Da s in orde”, glimlachte de andere. “Ik werk op provisie, als ik niets uitvoer, is het mijn eigen ondergang. Ik was stom genoeg om belang te stellen in een meisje en gisteravond heb ik zooveel uitgegeven, dat ik een maand lang op de keien moet zitten.” Hij zou niet over zijn privé aangelegenheden hebben gesproken als de twee anderen het slechte voorbeeld niet gegeven hadden.
“Kan je zooveel verdienen met patat frites te verkoopen?” vroeg de ouwe Joseph met een lichte zweem van hoop in zijn stem.
“Ze maken allerlei soorten van levensmiddelen”, antwoordde Rudy. “Zij hebben een groote fabriek in Yorkville – waar de echte Duitschers wonen en zij maken alles, wat echte Duitschers eten.”
“O, dan verdienen zij veel geld.”
“Er is een groot verschil tusschen de kosten van de grondstoffen en de prijzen, die je voor hun producten betaalt; maar dat is niet alles winst, op geen stukken na. Er is veel concurrentie in die branche en er wordt veel geld uitgegeven aan reclame en aan verkoops-kosten. Zij hebben een dozijn reizigers, die per auto de klanten bezoeken en er voor zorgen, dat de firma niet vergeten wordt.”
“O, de verspilling in het kapitalisme!” riep de oudere Jood uit. “Dat zal alles ophouden te bestaan zoodra de productie en de distributie georganiseerd zullen zijn.”
“In ’s hemelsnaam, organiseer mij niet!” antwoordde Rudy.
“Hoe zou mijn oom mij anders een gemakkelijke manier aan de hand kunnen doen om in de zomervacantie geld te verdienen?”

III. De familie.

I.

Rudy nam een taxi en kwam veilig in de kleine flat, die hij deelde met een collega-student. Deze was buiten de stad aan het werk en trachtte de boerenvrouwen over te halen tot het koopen van een stel “Beroemde Amerikaansche Redevoeringen”, prachtig gebonden in roode of groene band, naar smaak. Rudy behoefde dus niets uit te leggen, hij nam een bad, schoor zich en trok een schoon linnen pak aan. Hij was uitgenoodigd om dien avond bij zijn oom Hermann te komen dineeren. Het huis van de familie Messer stond in een van de Tachtigste straten in het Oosten, een buurt die deftig was geweest ongeveer een generatie geleden, maar sindsdien aan de mindere stand was overgelaten. Naast het huis van de Messers woonde aan den eenen kant een kleermaker en aan den anderen kant was er een geheime kroeg geweest, die nu een café was. Maar de ouwe Hermann was koppig; zijn huis was zeer geschikt voor zijn zaak; het was ruim en al zijn bezittingen waren van toen hij een jongen was, op dezelfde plaats gebleven; zijn vrienden wisten waar hij was en ook wie hij was.
Elken Donderdag kwam de familie voor een diner bij elkaar. Daarna gingen de mannen naar de bibliotheek, rookten en bespraken zakenkwesties; den stand van de rekening van Heinzelmann, de mogelijkheden van een nieuwe pickles samenstelling, den eisch tot loonsverhooging van de mannen in de pakkamer. Deze bijeenkomst stond bekend onder den naam “de conferentie”, de ouwe man hechtte er groote waarde aan en in den loop der jaren was zij een soort ritus geworden. Rudy was een van de drie neven, die aanwezig waren en hij werd verondersteld dit als een plicht en als een eer te beschouwen. Hij bracht verslag uit over de klanten, gaf nieuwe ideeën aan als hij er enkele had opgevangen en hij bereidde zichzelf voor tot de verantwoordelijkheid van een leidende positie, die hij zou krijgen zoodra hij aan de Columbia Universiteit klaar was.
Papa Messer zat aan het hoofd van de tafel en stelde er prijs op, dat hij volgens oud gebruik voorsneed en bediende, als hij er iets aan doen kon dan kwamen er geen dwaze nieuwigheden in zijn familie. Het voedsel was in groote schalen op de tafel geplaatst, die de gasten aan elkaar doorgaven; er was overvloedig voedsel, stevig en krachtig Duitsch eten, zoete en zure sausen, gerookt en ingemaakt vleesch, worsten – alles producten van Messer and Sons, die wisten wat zij aan de markt brachten en hun eigen vertrouwen bewezen in hun artikelen. Er waren dikke knoedels, visch en gefarceerd gevogelte, veel wijn en bier om alles weg te spoelen.
Het gevolg van dat dieet was, dat de ouwe Hermann zwaar en dik was; zijn wangen begonnen neer te hangen, zijn haar begon uit te vallen, maar zijn eetlust ontbrak nooit. Hij sprak veel over eten en drong het ijverig op aan zijn gasten met vele moppen, die zijn familie van buiten kende. Wanneer zijn gasten Duitschers waren, dan moedigde hij hen aan de eer van het Vaderland te verdedigen; waren zij Amerikanan, dan zei hij, dat de Duitschers de wereld gingen overwinnen door hun uitstekende eetlust.
Aan de rechterzijde van Hermann zat de oudste zoon, Friedrich, Fritz genaamd. Hij was zes jaar ouder dan zijn neef Rudy en was reeds getrouwd. Hij had drie nieuwe leden toegevoegd aan het blonde arische ras. Zijn gezin bevond zich in de Catskills en Fritz kwam verschillende malen per week over voor zaken. Hij was iemand met een practische geest en wist wat hij over alles moest denken. In de eerste plaats had hij het volste vertrouwen in de zaken van de firma Messer en langzamerhand nam hij de leiding van zijn vader over. De jongere broer, Ernie, zat tegenover hem. Hij was de sportieve jongen van de familie geweest, was lid van de kegelclub en ook van het Schuetzenverein; nu ging hij geheel op in wat er in Duitschland gaande was en was lid geworden van het plaatselijke Bruine Huis om de zaak van zijn voorouders te helpen. Ernie was vliegenier, had zijn eigen vliegtuig en wanneer hij naar de conferentie kwam dan kon het zijn vanuit Bar Harbor of van de Thousand Islands, of van onverschillig welke plaats vandaan, waar zijn verloofde op bezoek was.
Rudy zat naast Ernie, tegenover hem zat Anna, de dochter van het gezin. Evenals alle Messers zag zij er goed uit, met een heldere gelaatskleur en blauwe oogen. Heur haar had de kleur van versch gedistilleerde melasrhum. Zij was een jaar jonger dan Rudy, maar beschouwde zichzelf veel wijzer in levenskwesties en gaf hem moederlijken raad. Zij was koel en buitengewoon met zich zelf ingenomen. Ze wist, dat de mannen dol op haar waren en liet ze hun gang gaan.

II.

“Zoo, Rudy!” zei nicht Anna, “Je bent niet ver gekomen met Marie Prince!” Dat was Weer een van die opmerkingen van Anna, meer niet; niets meer dan haar rustige glimlach, spottend, maar toch niet te onvriendelijk; een wereldwijze, subtiele glimlach, die het aan Rudy overliet eruit op te maken wat hij kon. Marie had haar zeker iets verteld, maar had zij haar alles verteld? Best mogelijk, met deze moderne meisjes was je nooit zeker. Zij hadden een bondgenootschap gesloten tegen de mannen – een bondgenootschap van gouddelvers.
“Weet je nog wat ik je heb gezegd, Rudy? Er goed uitzien is prachtig om ze te krijgen, maar er is geld noodig om ze te houden!” Ja, Rudy wist het nog; maar hij voelde iets aanvallends in de manier, waarop dat nu werd vermeld. Het was erg genoeg, dat Marie een “slet” was, maar het was erger, dat zij alles aan zijn nicht had verteld en dat beiden er een grap van maakten.
Hoeveel ervaring stak er achter die beleefde valschheid van zijn nicht? Hoever ging zij, met de rijke jonge knullen, die haar mee uit namen? Dat was een van de dingen, die Rudy maar raden moest. Anna was verloofd met een Duitsch ambtenaar, die op bezoek was in Amerika, een man met een monocle in één oog, een mensursnee op zijn wang en een “von” voor zijn naam. Nu zou ze zich ongetwijfeld op haar best gedragen en meer dan ooit alles voor zichzelf houden.
“Heeft Rudy zijn hart weer eens gebroken?” vroeg Ernie. Allen lachten op hun luide, hartelijke manier. Zij bedoelden er niets onvriendelijks mee, althans niets zeer onvriendelijks; het kwam alleen voort uit ongevoeligheid en duidde niet op een bizondere kwaadaardigheid. Rudy had dit al lang geleden leeren inzien en hield er rekening mee.
“De meisjes vinden er een genoegen in te denken, dat het hart van een man gebroken is,” zei hij onverschillig en keek naar zijn nicht Anna, gaf haar daarbij een koele glimlach terug. Ziezoo, daar kon zij nu eens over nadenken en het gaan bespreken met haar vroolijke kleine vriendin Marie!
“Ach, jullie jonge menschen, wat jullie toch allemaal over liefde zeggen!” zoo riep tante Gretchen uit. Zij zat beneden aan de tafel achter een groote schotel met stoomende noedelen. Rudy wisselde weer een glimlach met zijn nichtje, maar nu was het een glimlach van begrijpen. De ouwerwetsche en trouwe huismoeder der familie Messer was wel de laatste om te kunnen raden waar zij over spraken. Als de jongens en meisjes elkaar niet meer begrepen, de ouderen en de jongeren deden het zeker niet!

III.

Rudy’s vader was de jongste broer geweest van Hermann Messer. Hij was gestorven gedurende de influenza epidemie, die op den wereldoorlog was gevolgd. Hermann was executeur geweest van den boedel – die niet erg groot was, maar nog verminderde door de inflatie in Duitschland en door twee crisisperioden in de Vereenigde Staten. De ouwe Hermann had zijn best gedaan, maar dat had niet veel geholpen. Een paar aandeelen in de familiezaak brachten voldoende op om Rudy te laten afstudeeren.
Tien jaar nadat zij weduwe geworden was, had de moeder het plan opgevat opnieuw te gaan trouwen. Op een avond was zij met haar verloofde uit rijden, de auto reed van den weg af en beiden werden gedood. Daarna had Rudy bij zijn familie gewoond tot hij aan de Columbia Universiteit was gaan studeeren en kamers had betrokken vlak bij dat gebouw.
Voor zoover hij zich herinneren kon was Rudy altijd het arme familielid geweest en dit had veel meer voor hem beteekend dan een van zijn familieleden ooit zou begrijpen. De Messers waren vrijgevig en goed op hun ruwe manier. Wanneer zij hem kwetsten, dan gebeurde dit zonder dat zij die bedoeling hadden of onbewust. Het feit, dat hij geen geld had plaatste Rudy vanzelfsprekend in een andere positie en maakte een ander leven noodzakelijk, het kon niet anders of hij moest dat inzien. Fritz en Ernie en Anna konden autos bezitten al waren ze nog zoo jong, maar Rudy moest een van hun autos leenen – tenminste tot hij er een voor de zaak noodig had en toen beschouwden zij hem verkwistend wanneer hij er voor zijn plezier mee uit rijden ging. Ernie kon een eigen sportvliegtuig houden, maar Rudy kon niet eens leeren het te besturen.
Je kon best luxe dingen missen, maar er waren andere dingen die je niet zoo gemakkelijk verdragen kon. Het feit, dat je arm was zette een listig merk van minderwaardigheid op je, dat menschen als de Messers, die zooveel waarde hechtten aan geld, goed konden lezen. Het gaf hun het recht kritiek op je uit te oefenen en voorstellen te doen, die bijna bevelen waren. Als Ernie een pak kocht en dan tot het inzicht kwam, dat hij niet van het dessin hield, dan gaf hij het aan Rudy en het zou een groote beleediging geweest zijn als Rudy ook niet van het dessin had gehouden. Rudy werd gevraagd op een uitstapje, omdat hij een familielid was, maar dan verwachtte men van hem, dat hij boodschappen deed en hem werd gezegd, wat hij te doen had. Hij werd voor een danspartij uitgenoodigd, ook al weer uit familiesolidariteit, maar dan verwachtte men, dat hij betaalde door met een meisje te dansen, dat te dik of te vervelend was voor de anderen.
Er waren een groot aantal Messer ooms, tantes en neven en het kwam Rudy voor, dat zij allen hetzelfde waren. Zij waren hartelijk en dom, ze leefden allen in materieele dingen. Goed eten en drinken, goede huizen en goede bankrekeningen, daar gaven zij om, daar spraken zij over. Als je die dingen had, dan was je een belangrijk iemand en had je ze niet, dan was je een voorwerp van liefdadigheid. Zij waren vriendelijk voor Rudy, maar dat was omdat hij, jong was en omdat zij van hem verwachtten, dat hij vooruit zou komen en zoo spoedig mogelijk succes zou hebben.
Messer and Sons was een vesting van dit materialisme, een goede zaak –daar waren zij het allen over eens– en tegen haar eigenaars keek men op met een gemengd gevoel van eerbied en naijver. Moeilijke tijden hadden de zaak geschokt, maar niet vernietigd. De menschen moesten toch altijd eten en de Duitschers van Yorkville en van Jersey City, van Hoboken en van Weehawken aten juist dat soort artikelen, die Messer and Sons konden fabriceeren.
Zij hadden een gesmeerd loopende organisatie om hun artikelen aan de markt te brengen en geld te innen en zij controleerden haar met nooit verslappende aandacht. Zij hielden van alles, dat met de zaak verband hield en betoonden de juiste en verschuldigde eerbied aan iedereen, die tot haar welvaart bijdroeg. Ieder van de employés werd eens per jaar uitgenoodigd te komen dineeren. Het kwam er niet op aan hoe vervelend zijn vrouw was en hoe wreed zij naderhand werd uitgelachen; de groote klanten werden gevleid en hun omgang werd gezocht. De arbeiders kregen met Kerstmis een graificatie en elk jaar op den 4. Juli<ref>Nationale feestdag in de U.S.A. (Noot van Vertaler).</ref> een uitstapje. De kleinste bizonderheid in die zaak was belangrijk. Mixed Pickles, varkenspootjes, zuurkool, ansjovis, aardappelensla, haringen, beschuit, waren niet slechts dingen om te eten, maar dingen om over te praten en ernstig op te nemen.

IV.

Anna Messer was één en twintig, mooi en blozend, een der goede partijen van de Duitsche kolonie. Zij stelde zich aan als een prinses, maar was zij werkelijk minder materialistisch dan haar dikke, grove ouwe vader? Rudy had haar eerste partij meegemaakt, voorbereidingen, de teere en de groote doorzichtige japonnen die op het bed lagen uitgespreid, de massa kas-bloemen, de ladingen voedsel, de bel die den heelen dag ging en de bedienden die ronddraafden. Hield Anna wel eens ooit op te bedenken, dat het de Messer and Sons artikelen waren, die deze heele glorie mogelijk maakten? Voorzeker nee en wanneer zij goeden raad gaf aan haar arme neef, dan was het, dat hij zijn goed postuur moest gebruiken om een vrouw te krijgen, die ook eens zoo’n familievesting zou bezitten en hem in staat zou stellen ook aan zijn dochters een dergelijke partij te geven. Wanneer Anna hem een dienst wilde bewijzen dan stelde zij hem aan dat soort meisjes voor en plaatste hem in een daglicht, dat zijn toestand als wees niet te sterk deed uitkomen.
Rudy had geen van deze gedachten ooit gevormd. Zij lagen diep opgesloten in zijn geest en waren eigenlijk meer gevoelens dan gedachten. Zij waren oorzaak geweest, dat hij er reeds lang geleden mee opgehouden had gunsten aan zijn neven te vragen en dat hij hen nooit liet merken, dat zij hem in zijn gevoelens kwetsten. Hjj, wist, dat zijn familie nooit zou veranderen, zij waren als een leger, dat zijn vesting tegen elken aanval verdedigde. Hij had geleerd beleefd en vriendelijk te zijn en zijn zorgen voor zichzelf te houden.
Hij ging naar de Universiteit en leerde daar iets over andere dingen dan levensmiddelen en hun verkoop. Oom Hermann had van zijn standpunt gezien gelijk, toen hij aan zijn neef zeide, dat het hem geen goed zou doen vier jaar aan de Columbia Universiteit door te brengen; maar Rudy had gesmeekt en had aangehouden en had zijn zin gekregen, met het gevolg, dat hij half zonder het te weten zijn gevoel van eenheid met de zaak kwijtraakte.
Het werd steeds moeilijker voor hem belangstelling te hebben voor wat de klanten zeiden, hetzij dat het klachten of tevredenheidsbetuigingen waren. Hij overlegde in gedachten of hij advocaat zou worden of journalist of misschien ontdekkingsreiziger – of een van die interessante beroepen, waarover hij in boeken las. Misschien zou het meisje, dat hij zelf zou uitzoeken, geen levensmiddelenfabriek bezitten, ook geen brouwerij of geen warenhuis, maar een “slet” zou ze toch niet moeten zijn!

V.

Dat was dus de familie, veilig in haar vesting, genietend van de ontspanning en van comfort; etend in volle overgave, terwijl zij haar tevredenheid uitdrukte en dingen zei, die niets meer waren dan brommen van voldaanheid. Maar laat er eens iets gebeuren, dat hun gevoel van bezit verstoort en de maaltijd geluid en veranderen van toon en inhoud.
Fritz had met een van de bazen gesproken, die iets verteld had van de geestesgesteldheid der arbeiders. Er was een presidentsverkiezing op komst en reeds op het einde van Augustus was de verkiezingscampagne ingezet. Iedereen sprak over politiek in plaats van aan eigen zaken te denken. Een verstoorder van den vrede, Franklin D. Roosevelt genaamd, had de massas wakker geschud door bedreigingen tegen de eigendomsbelangen van het land. De baas had verteld, dat de mannen en ook de vrouwen voor vijf en zeventig percent voor dezen gevaarlijken president waren en ondanks het feit, dat zij voor het meerendeel goede Duitschers waren, dus ook republikeinen.
“Er zijn geen goede Duitschers meer in Amerika,” zei de ouwe Hermann spijtig.
“Wat kun je verwachten onder een communistische president?” vroeg Anna.
“Het is duidelijk bewezen,” zei Emie, “dat hij een werktuig is in handen van de Joodsche zwijnen.”
In weerwil van het feit, dat kwaadheid een overvloedig aantal roode deeltjes door den bloedstroom jaagt en de spijsvertering aanmerkelijk vertraagt, gingen zij door met den oproermakenden voornaamsten ambtenaar van hun aangenomen vaderland te bespreken. Zij haatten hem en zij drukten hun haat in levendige taal uit. Hij was een socialist, een bolsjewiek, een anarchist, alles bij elkaar; hij was een godloochenaar, een Judas, hij hield van de negers en heulde met de Joden. Zij beschuldigden hem van overspel en de mannen zinspeelden op nog meer duistere dingen, die in tegenwoordigheid van dames niet genoemd mochten worden. De Messerfamilie was in dit alles niet uitzonderlijk; zij waren eenvoudig de rijken van Amerika en spraken zooals de rijken van Amerika spraken in den herfst van 1936.
De baas had de vraag aan de orde gesteld, wat zij gingen doen om de politieke houding van hun arbeiders te controleeren. Dit onderwerp zou de gedachten van Messer and Sons wekenlang bezig houden. Het was duidelijk, dat zij hun stemmen niet op Roosevelt mochten uitbrengen; de arbeiders moesten inzien, dat, als hij opnieuw gekozen werd, er voor niemand in Amerika meer werk zou zijn.
“Maar wij moeten voorzichtig zijn,” zei de wijze ouwe Hermann. “Zij dreigen de werkgevers te zullen vervolgen, die de kiezers bang maken.”
Rudy wist niet veel van politiek af; hij vond het een vervelend onderwerp, waarvan ouderen bereid waren den last te dragen en hij was volkomen bereid dit aan hen over te laten. Maar je kon er niets aan doen, dat de geest van de verkiezingscampagne je als ’t ware doordrong. Rudy had den indruk gekregen, dat F.D.R. (Franklin D. Roosevelt) voor de werkloozen zorgde en wat wilden de rijken? Moesten de arme duivels van honger omkomen? Zeker, Roosevelt had een prettige glimlach en het was aangenamer hem door de radio te hooren dan de meesten van zijn tegenstanders. Maar Rudy zou dergelijke verraderlijke gedachten nooit uitgesproken hebben aan tafel bij zijn familie!

IV. De vergadering.

I.

Rudy leidde twee dagen lang een voorbeeldig leven. Zijn geweten plaagde hem evenals zijn portemonnaie. Den heelen dag door reed hij van de eene buitenwijk naar de andere, zong den lof der Messer producten en wanneer hij ’s avonds thuis kwam dan las hij een sensatieroman uit de leesbibliotheek tegen den prijs van drie cents per dag. Literatuur is een goedkoope manier van ontspanning, gezegend zijn zij, die geleerd hebben ervan te genieten.
Maar de Zondag is een zware dag voor een jonge man in den zomer, wanneer al zijn vrienden uit de stad zijn. Rudy had zijn kamergenoot terug verwacht, maar deze kwam niet; het raadsel in de roman was opgelost en de leesbibliotheek was gesloten. Tegen den avond betrapte Rudy er zichzelf op, dat hij aan de meisjes dacht, die hij kende. De eene was te spraakzaam, de andere te stil; de eene was te gemakkelijk, de andere te moeilijk. In werkelijkheid hield hij, van de herinnering aan Marie, terwijl hij haar haatte en de wonde aan zijn trots toegebracht wilde maar niet genezen.
De telefoon ging. Een aarzelende stem met een klein vreemd accent zei: “Goeien avond, meneer Messer.”
“Goeien avond. Wie is daar?”
“Ik ben het – Izzy Bloch.”
“O, Izzy. Hoe gaat het met je?”
“Het gaat best met mijn hoofd, meneer Messer.”
“Meneer toch niet zoo, Izzy. Mijn naam is. Rudy.”
“Dank je. Ik heb je opgebeld, kameraad Rudy, om je te zeggen, dat er vanavond vergadering is.”
“Wie houdt die vergadering?”
“De partij, kameraad Rudy. Er zullen sprekers zijn, die vertellen wat er in Spanje gaande is. Ik dacht, dat je misschien graag wou komen.”
Als Izzy vijf minuten later opgebeld had, dan zou Rudy zijn gedachten misschien geconcentreerd hebben op een van die meisjes, ergens buiten de stad. Nu echter dacht hij, dat het misschien toch niet al te vervelend zou zijn iets over Spanje te hooren en ook tevens eens te zien wat een socialistische vergadering was.
“Goed,” zei hij. “Ik zal vroeg komen en dan kunnen wij samen wat eten.”
“Daar hou ik niet van, kameraad Rudy, je hebt al veel te veel uitgegeven aan voedsel voor ons.”
“Dat is in orde, Izzy; als jij niet opgebeld had, dan zou ik meer hebben uitgegeven voor iemand, die niet zooveel waard is.”
“Nou, als het maar niet in een dure gelegenheid is –”.
“Nee, het zal niet in de Golden Shell Night Club zijn en je moet geen witte das aandoen, als je daar soms over piekert.”
“Ik heb heelemaaal geen das, kameraad Rudy.”

II.

De vergadering werd gehouden in een kleine zaal vlak bij Union Square. Twee tot drie honderd menschen ongeveer waren er aanwezig, de meesten waren arbeiders in werkkleeding. Zij zagen er volkomen gewoon uit, maar het achterdochtig oog van Rudy werd getroffen door verschillende typen, die hij kende uit caricaturen in de “Saturday Evening Post”; ernstig kijkende jonge mannen met hoornomrande brillen en lang haar, vergezeld van meisjes, die ook een bril droegen en kort haar; een of twee ongeschoren ouwere mannen en ernstige dames met schoenen met vierkante neuzen. Die typen waren voor hem het geheele gehoor en hij vormde de meening, dat het geen prettig gehoor was, maar saai en drukkend.
De jonge voorzitter was een onderwijzer, ernstig en geleerd, die lange zinnen gebruikte, wat Rudy nog nooit had gehoord. Maar hij leidde een scheepsmachinist in, wiens schip in Barcelona was geweest bij het uitbreken der revolutie en die een belangwekkend verhaal gaf van de gebeurtenissen. De leiders van den opstand waren legerofficieren, zoo zei hij en hun soldaten hadden hen gevolgd, want om te volgen worden soldaten eigenlijk opgeleid. Op een teeken stonden zij overal in Spanje op en maakten zich meester van de arsenalen, van de munitiefabrieken en van de regeeringsgebouwen. In Barcelona hadden zij geen succes, want die stad is een industriecentrum en toen het alarmsein gegeven werd, liepen de arbeiders weg uit de fabrieken en wierpen barricaden op in de straten. Zij waren vrijwel zonder wapens, zij hadden slechts enkele revolvers en geweren en voor het overige hun werktuigen, die zij bij hun arbeid gebruiken – bijlen, koevoeten, schoppen, zeisen, sikkels, messen, stokken en straatsteenen. Aldus bewapend bestormden zij de machinegeweren en wat meer zegt, zij veroverden ze en richtten ze op den vijand. Binnen een paar uur was de stad in handen van de arbeidersorganisaties, de soldaten werden in de kazernes opgesloten en vele officieren waren gedood. De spreker gaf toe, dat er wreedheden bedreven waren; dat was steeds het geval in burgeroorlogen, vooral nadat vele generaties eeuwenlang in de verdrukking hebben geleefd. Toen de opstandelingen Badajoz innamen, sloten zij vijftien honderd arbeiders en hun leiders in de arena op en maaiden ze neer met machine-geweren. In Barcelona werden de officieren, die den opstand hadden geleid als ratten opgejaagd van huis tot huis en neergeschoten, waar men ze vond.
Maar de wreedheden door de arbeiders bedreven waren door de kapitalistische pers overal ter wereld overdreven geworden; dit gebeurde ook steeds als het volk bezig was zich te verdedigen. Het was niet waar, zoo verklaarde de spreker, dat nonnen en priesters in massa werden vermoord. Waar kerken afgebrand werden, gebeurde dit omdat zij tot arsenalen waren gemaakt en gebruikt werden als vestingen. Het verhaal, dat in Amerika veel in omloop was, dat nonnen in de straten van Barcelona naakt waren uitgekleed, kwam in de wereld door een verkeerde vertaling van het bericht, dat de nonnen gefouilleerd waren geworden. Er was reden te over om dit te doen, want vele priesters en nonnen waren wandelende brandkasten met papiergeld en juweelen verstopt in hun rokken. De bisschop van Jaen was betrapt geworden op zijn vlucht naar het buitenland met verschillende millioenen pesetas in staatsobligaties, die natuurlijk in Parijs verkocht zouden zijn geworden om met het geld munitie voor de fascisten te koopen.

II.

Deze spreker had niet alleen het uitbreken van den opstand bij gewoond, maar had ook de oorzaken ervan bestudeerd en wilde deze nu verklaren. Om een dergelijke strijd te kunnen begrijpen moest je de economische krachten kennen, die er aan ten grondslag liggen. Bijna de helft van den grond in Spanje was eigendom van de katholieke kerk en de opbrengst hiervan werd gebruikt om er een bende parasieten van te onderhouden, die aan vrouwen en kinderen bijgeloof leerden en die Spanje een achterlijk land hadden doen zijn sedert de dagen van de Inquisitie. De overige grond was eigendom van landheeren, die meestal buiten het land woonden en leefden van het zweet der landbouwers. Landbouwarbeiders kregen een loon, dat negen cents per dag bedroeg en de arbeiders in de steden waren er bijna even slecht aan toe – spreker had drie getrouwde paren gezien, die woonden in één kamer van nog geen tien vierkante voet.
Eeuwenlang had het volk tegen dergelijke toestanden gevochten. In de laatste jaren hadden zij gedaan, wat de Amerikaansche conservatieven altijd aanbevelen; zij hadden hun vertrouwen gesteld in de evolutie, niet in de revolutie; in stembiljetten, niet in kogels; hun politieke partijen hadden zich vereenigd en een meerderheid in het parlement veroverd. Het was onjuist te zeggen, zooals de meeste krantenverslagen deden, dat de regeering in Spanje een roode regeering was; in die regeering zat geen enkele communist of socialist; zij had hetzelfde willen doen wat Roosevelt in Amerika wilde en hadden getracht vrijwel dezelfde maatregelen te nemen.
Maar de landeigenaars en aristocraten in Spanje en de hoogwaardigheidsbekleeders der kerk konden niet verdragen, dat de macht aan hun handen ontglipte; zij waren evenmin bereid hun voorrechten af te staan als gevolg van wetgevende arbeid als zij bereid geweest zouden zijn dit te doen als gevolg van geweldsdaden. Gevolg hiervan was de poging tot contra revolutie, gesteund door alle reactionnaire elementen in het land en nu ook gesteund door alle reactionnaire elementen over de geheele wereld. Het volk in Spanje stond aan de zijde der regeering en niemand wist dat beter dan de fascistische leiders; dit was de reden waarom zij vertrouwden op Moorsche huurlingen. De Christelijke godsdienst verdedigd en gehandhaafd door Mohamedanen!

IV.

De volgende spreker was een vrouwelijke beambte van een kleedingarbeidsters-vakvereeniging. De taak, die haar door den voorzitter werd opgedragen was de verklaring van de beteekenis van dezen oorlog voor de wereld. Geen gemakkelijke taak voor een kleine vrouw. Zij zag er bleek uit, keek ernstig, droeg een bril en had niet het minste sex appeal. Dat maakte Rudy uit. Zij sprak nuchter zakelijk, zonder eenige oratorische versierselen; maar hij werd er weldra toe gebracht te erkennen, dat zij haar zaakjes kende.
De concurrentie was een systeem, waarbij de grooten de kleinen opaten. Het lag voor de hand, zoo zei de vrouw, dat dit systeem in elkaar moest storten zoodra de laatste kleine opgegeten was. De rijken kregen nu zooveel en de armen zoo weinig, dat de laatsten niet langer de artikelen der productie konden koopen en zoo ontstond de crisis. Groote handelsfirmas werden gedwongen om in het buitenland een arbeidsveld te vinden en dat deed de oorlogen ontstaan in de moderne wereld.
Maar ook fascisme, zoo stelde het de spreekster, het laatste stadium van het kapitalisme vooraleer het in elkaar stortte onder zijn innerlijke tegenstellingen. Zoodra de kapitalisten niet langer werk konden geven aan de arbeiders en zagen, dat deze op het punt waren tot revolutie over te gaan en zich van de productiemiddelen meester te maken, schaften zij de democratie af en stelden de dictatuur in om de arbeiders in eigen land te onderdrukken, koloniën te veroveren en handelsvoordeelen in het buitenland. Fascisme had men wel omschreven als “kapitalisme plus moord”.
De fascistische dictaturen hadden een werkwijze toegepast, die nu duidelijk aan hun daden te onderkennen viel. Zij begonnen propaganda te maken in andere lande, voorzagen fascistische groepen van geld en ideeën, dan werd er een opstand uitgelokt, wapens en vrijwilligers gezonden om een nieuwe fascistische staat op te richten. Dat was het geval in Spanje en zoodra men daar geslaagd was zou die werkwijze toegepast worden in Tsjecho Slowakije. Daarna kwamen België, Frankrijk, Nederland, Zwitserland aan de beurt. Een voor een zouden de democratische landen ondermijnd worden.
De spreekster hield vol, dat fascisme roofzuchtig moest zijn uit zijn eigen aard, evenzeer als een Bengaalsche tijger; het had geen andere manier om in het leven te blijven. In Duitschland, Italië en Japan ging het geheele batige saldo van het budget naar oorlogsvoorbereiding; op die manier hadden zij hun werkloosheidsvraagstuk opgelost en zoodra zij met bewapenen ophielden, moest er verhongering en ontreddering komen. Alleen reeds het feit der bewapening maakte den oorlog onvermijdelijk; want er komt een oogenblik, dat je klaar bent en dan moet je vechten. Zooniet, dan ga je den berg af – want er is niets dat zoo spoedig veroudert als een vliegtuig of een tank. Den oorlog uitstellen beteekende de mislukking van je programma aanvaarden.

V.

De ijverige, kleine propagandist Izzy Bloch had zijn vriend hierheen gebracht om hem te bekeeren. Rudy, die dat wist, had er pret in. Gedurende de redevoeringen had de kleine Jood op het randje van zijn stoel gezeten vol ongeduld; hij klapte in de handen bij elke geschikte gelegenheid, nu en dan stootte hij Rudy met den elleboog aan en fluisterde:
“Zie je wel!” of “Da’s waar!” Soms was het waar, maar Rudy wenschte, dat Izzy het aan hem overliet dit zelf te ontdekken.
De voorzitter deelde aan de vergadering mede, dat de sprekers gaarne vragen wilden beantwoorden. Dit was iets nieuws voor Rudy en deed hem opnieuw belang stellen juist toen hij op het punt stond door de vele nieuwe en verstorende gedachten, het vervelend te vinden. Om zich bereid te verklaren alle vragen, die gesteld konden worden te zullen beantwoorden, moesten de sprekers wel zeker van hun zaak zijn. Hij was benieuwd hoe dit ging afloopen.
Er werden vele vragen gesteld en vlot beantwoord. Belangwekkende besprekingen volgden; klaarblijkelijk waren er verschillende meeningen bij het gehoor. Het bleek duidelijk, dat Sowjet Rusland het onderwerp was van vinnige tegenspraak. De een wilde weten welke rol Rusland speelde in den strijd in Spanje, een ander vroeg of Rusland geen dictatuur was en of dit iets beter was dan Duitschland en Italië? Er werd gelachen en geapplaudisseerd en er was gemompel over onsympathieke vragen.
Dit duurde langer dan een uur en Rudy vond de vergadering niet saai meer en drukkend. Hij draaide zich om en keek iedere vrouw of man aan, die opstond om te spreken. Hij was verwonderd, dat arme, gewoon uitziende menschen een bekendheid met ingewikkelde vragen van de wereldgebeurtenissen aan den dag legden, waarvan hij veronderstelde, dat slechts professoren iets van wisten. Hij kon begrijpen, dat twee arbeiders met een buitengewoon verstand begaafd, in staat waren een spreekbeurt te vervullen nadat hun rede misschien van buiten hadden geleerd; maar dat een vergadering over dergelijke onderwerpen kon debatteeren, die ontdekking bewerkte een kleine revolutie in den geest van een jongen meneer, die in Columbia studeerde.
Het was beschamend te moeten vaststellen hoeveel meer zij wisten dan hij! Zoo bijvoorbeeld aardrijkskunde. Rudy was als jongen altijd zwak geweest in dit vak en had sindsdien zijn kennis nooit opgehaald. In de geschiedenis- en literatuurcolleges hoorde hij spreken over honderden namen van plaatsen, rivieren, steden, bergen, veldslagen en vredesconferenties, maar het was nooit in hem opgekomen die plaatsen op een landkaart na te kijken. Hij wist, dat Spanje als een puist aan den voet van Europa uitstak; maar Barcelona bijvoorbeeld, lag dat aan de Middellandsche Zee of aan de Noordzee? Hij zou geen antwoord hebben kunnen geven. Marokko? Hij had er een vaag idee van, dat dit land ergens in de buurt van het Suezkanaal lag. Al had hij hier graag willen spreken, hij zou het niet gedurfd hebben.

VI.

Aan den anderen kant van het middenpad naast Rudy zat een aardige jonge kerel met golvend zwart haar, roode lippen en wangen en een warm gezicht, vol uitdrukking. Hij stelde een vraag over de verschillende politieke partijen en de houding die zij in de crisis in Barcelona hadden aangenomen. De scheepsmachinist erkende, dat hij het niet wist en toen gaf de vrager zelf enkele inlichtingen.
“Dat is Giuseppe Daniele”, fluisterde Izzy en aannemende, dat zijn vriend hiermede nog niet veel meer wist, voegde hij er aan toe: “Hij is een anarchist.”
Rudy’s belangstelling was gewekt. Hij was den leeftijd voorbij, waarop hij het vanzelfsprekend vond, dat alle anarchisten bommen werpen; maar hij dacht toch, dat zij allen geweldsmenschen waren en gevaarlijk, ook dat zij veel haar op hun gelaat lieten groeien. Het gezicht van dezen jongen Italiaan was glad, hij had een vurige blik alsof hij een dichter of een schilder was. Hij was vergezeld van een zacht lieflijk vrouwtje, dat Rudy al had opgemerkt voor zij haar zitplaats innam. Hij vroeg zich af of zij ook anarchiste was. Hij vroeg zich vele dingen af over al deze menschen, de eene na den anderen; welke levens zij leidden en hoe zij zooveel hadden kunnen leeren? De meesten waren socialisten en van deze menschen wist hij wel iets af. De oude meening, dat socialisten alles wilden verdeelen, had hij losgelaten; maar wel wist hij, dat zij wilden, dat de regeering alles in handen had en alles zou leiden. Wat zou dat een fijne janboel worden!
Maar één ding stond vast in zijn hoofd. Socialisten waren kankeraars en mislukkelingen. Zij waren geslagen geworden in den strijd om het bestaan en nu wilden zij het spel bederven en opnieuw beginnen, nadat zij de spelregels in hun eigen voordeel hadden veranderd. Het spreekt vanzelf, dat zij hierin nooit zouden slagen. Het was dwaas hen daarin aan te moedigen en je tijd aan hen te verdoen; ze waren beter dood dan levend en hoe spoediger de natuur haar werk deed, des te beter.
Dat was aan Rudy op de middelbare school en aan de universiteit geleerd geworden, niet in dergelijke rauwe bewoordingen, maar door aanduiding, door de sfeer en door den toon, die het geheele onderwijs bederven, niet alleen in vakken als politiek en economie, maar ook in geschiedenis, literatuur, ethiek, in alles wat met het leven verband houdt. Er bestaat een hoogere klasse en krachtens het feit, dat je aan de universiteit ingeschreven staat, behoor je ertoe. Je moet goed zijn en het kan je spijten voor anderen, maar je moet begrijpen, dat natuurwetten evenmin als die van de menschelijke natuur veranderd kunnen worden. De sterksten blijven bestaan, dat moet en dat zal; het economisch leven wordt beheerscht door de wet van vraag en aanbod, politiek en geschiedenis worden beheerscht door de universeele zelfzucht van het dierlijke in den mensch – het wilde dier vreet het wilde dier op en de duivel krijgt de rest. Dat is niet alleen het geval aan de beurs, maar ook in de raadzalen, waar de regeeringen vergaderen, ook op de slagvelden, waar geschillen uiteindelijk worden geregeld.
Dat was Rudys opleiding en zoo was zijn geest. En nu drong het tot hem door, dat hij een dwaze daad beging door aan zichzelf toe te staan belang te stellen in socialisten. Niet alleen, dat hij er niets beter van kon worden en misschien een stel parasieten aan zijn bestaan ging verbinden. Maar hij zou valsche hoop aanmoedigen, arme duivels misleiden te gelooven, dat zij er in konden slagen den aard der wereld te veranderen. De wereld was onvolmaakt in velerlei opzicht en het was gemakkelijk voor droomers en idealisten verbeteringen voor te stellen, maar als je die toch niet met succes kon toepassen, waarom zou je dan tevergeefs pogen? Als iemand een mislukking en een verongelukte was, waarom kon je zoo iemand dan niet rustig van het levenstooneel laten verdwijnen, in plaats van hem aan je te binden door sympathie en vriendschapspogingen? Aldus Rudy Messer, in den geest van een Columbia Universiteits Vereeniging – terwijl hij terzelf der tijd gedwongen werd de scherpte van geest der beide sprekers en de verstandig schijnende dingen, die zij zeiden, te bewonderen.

VII.

De vergadering liep ten einde en dadelijk wilde Izzy, de ijveraar, weten welke vooruitgang hij met zijn zieltjeswinnerij had gemaakt. Voor ze nog van hun zitplaatsen waren opgestaan, begon hij: “Nou, wat dacht je er van?” Rudy, die zijn bezwaard geweten wilde doen zwijgen, antwoordde met een glimlach: “Er is heel wat, waar we over te praten zullen hebben”, en stond op om weg te gaan.
Op hetzelfde oogenblik kwam de jonge anarchist in den doorgang. Zoo stonden zij tegenover elkaar en de Italiaan glimlachte vriendelijk alsof hij Rudy had bekeken en wist, dat Rudy naar hem gekeken had. Achter Rudy aan kwam de spraakzame Izzy, die zei: “Allo, kameraad Giuseppe.” En zonder zich ervan te overtuigen of zijn vriend van de wereld er op gesteld was de kennismaking voort te zetten, zei hij:
“Kameraad Giuseppe, dit is mijn vriend, meneer Messer.”
“Aangenaam, meneer Messer,” zei de andere. Hij stak zijn hand uit en drukte die van Rudy op een wijze, die scheen te willen zeggen: “Welkom in de radicale beweging!”
De voorvaderen van Rudy waren uit het noordelijk gedeelte van Europa gekomen, waar diepe wouden zijn en zware mist, waar zonneschijn een zeldzaamheid is; daarom was zijn huid blank, waren zijn oogen licht en was zijn haar goudblond. De voorvaderen van Giuseppe waren van de andere zijde der Alpen gekomen, waar de zon vurig brandt; daarom waren zijn oogen en haar zwart en zijn huid was olijf achtig bruin. Er waren oorlogen geweest tuschen deze twee rassen, maar nu ontmoetten zij elkaar in een neutraal land en terwijl zij elkaar goed aankeken, zagen zij gezondheid, oprechtheid en teekenen van verstand en beiden waren verheugd.
“Mag ik U mijn vrouw Teresa voorstellen?” zei Giuseppe.
Zoo zoo, dus anarchisten trouwen, was de vlugge gedachte van Rudy. Toen vroeg hij zich af of de vrouwen van anarchisten iemand een hand gaven als zij werden voorgesteld.
“Hoe gaat het met U, meneer Messer?” zei het vrouwtje verlegen en Rudy ontdekte, dat vrouwen van Italiaansche anarchisten hetzelfde waren als andere Italiaansche vrouwen. Zij zeiden niet veel, maar lieten hun groote en prachtige echtgenooten schitteren.
“Een interessante vergadering, vind U niet?” zei Giuseppe Daniele.
“Dat meen ik ook”, erkende Rudy.
“Ik heb hem meegebracht in de hoop een socialist van hem te maken”, zoo viel Izzy in.
“Ben je d’r in geslaagd?”
“Ik weet het nog niet. Hij moet het me nog zeggen.”
“Nou, nadat jij een eerlijke kans hebt gehad, geef mij er dan ook een, dan zal ik zien of ik een anarchist van hem kan maken.”
Rudy dacht, zeer verwonderd: “Zij noemen zichzelf anarchisten!” Voor hem was dat woord een term van verwijt geweest en het was moeilijk te begrijpen, dat een man kon zeggen: “Ik ben een anarchist”, even onverschillig als Rudy gezegd zou hebben “Ik ben een eerstejaars student in Columbia”.
Zij liepen door den middengang naar buiten tusschen de andere bezoekers.
“Ik zie je morgen, Giuseppe,” zei Izzy en verklaarde toen voor Rudy:
“Wij zijn beiden afgevaardigden in het Arbeiders Comité tegen het Fascisme”.
“Ik dacht, dat anarchisten en socialisten het niet met elkaar eens waren”, waagde Rudy te zeggen steunend op zijn begrensde kennis.
“Er is veel tusschen ons om over te twisten”, zei de kleine Jood, “maar niet over fascisme en niet over Spanje. Wij hebben nu een verbonden front.”
“Breng meneer Messer mee naar de bespreking”, zei de Italiaan. “Dan zal hij zien hoe de arbeiders geleerd hebben samen te werken. Zou U graag willen komen, kameraad Messer?”
“Misschien wel”, zei Rudy en vroeg zich af of hij eraan zou toevoegen “kameraad Giuseppe”. Nou, ze liepen hard van stapel! De anarchisten waren al even erg als de socialisten; beiden waren er volkomen van overtuigd, dat zij het ware evangelie hadden.
Volgens het onderwijs in Columbia moest Rudy ervan overtuigd zijn, dat beiden het slachtoffer waren van begoocheling; ook, dat zij mislukkelingen, kankeraars en misbaksels waren. Izzy Bloch, die van den steun leefde kon in deze indeeling passen, maar het scheen toch niet op te gaan voor Giuseppe of voor zijn aardig vrouwtje. De jonge man droeg een soepel grijs hemd, open aan den hals en zonder das; maar Rudy had den indruk, dat dit als uitdaging bedoeld was of als hygiëne, in geen geval het gevolg van armoede. Giuseppe was een georganiseerde drukker, zoo vertelde Izzy en zeer zeker, hij maakte den indruk alsof hij wist wat hij uit het leven wilde halen en er ook iets uit haalde.
Zij waren aan de poort van de zaal gekomen, zij moesten andere richtingen uit.
“Ik hoop U nog eens te zien, meneer Messer.” zei Giuseppe. Hij gaf Izzy een warme handdruk, alsof dit de vergoeding was voor jaren van tegenstand. Of vormden zij misschien een vereenigd front tegen hun pas gevonden slachtoffer?!
Rudy, Amerikaan van de gegoede klasse, jong en oneerbiedig, zat altijd vol moppen en nu kwam deze in zijn hoofd op: “Giuseppe en Jewizzy!” zoo dacht hij.<ref>Jewizzy is een woordspeling op “Jew” d.i. Jood in het Engelsch. (Noot van Vert.).</ref> Hij had er pret in, maar sprak het niet uit, want hij was er niet zeker van hoe het zou worden opgevat. Hij moest de Joden nog beter leeren kennen voor hij kon leeren inzien, dat zij meer moppen tappen over zichzelf dan alle andere rassen ter wereld tezamen.

V. Spionnage.

I.

In den laten middag van den volgenden dag kwam Rudy op het kantoor van Messer and Sons om verslag uit te brengen en vond een boodschap van Ernie. Of hij voor een belangrijke kwestie in de Athletische Club wilde komen? Hij begroette zijn neef en was verwonderd, dat deze hem naar een aparte kamer bracht. Ernie zei geen woord voor zij alleen waren en de deur dicht was. Hij had ook het raam gesloten, omdat dit op een terras uitgaf.
“Kijk eens hier, Rudy,” zoo begon de neef, “dit kan alles vervelend en onnoodig zijn – het is misschien een kwestie van persoonsverwisseling. Als dat het geval is, dan kan jij er met één woord een eind aan maken.”
“Waar gaat het over, Ernie?”
“Was jij gisteravond op een socialistische vergadering?”
Rudy staarde een oogenblik voor zich uit, begon toen te lachen:
“Wel, heb ik van m’n leven!”
“Zooals ik gezegd heb, als het een vergissing is….”
“Heb jij een spionnagedienst, Ernie?”
“In ’s hemelsnaam, draai er toch niet om heen! Was je daar of was je daar niet?”
“En als ik er geweest ben, Ernie?”
Ernst Messer was een paar duim grooter dan zijn neef en een beetje slanker; hij had een lang gezicht met een eenigszins vooruitstekende neus en buitengewoon heldere blauwe oogen. Zijn maïskleurig haar was kort geknipt als dat van een Pruissisch officier; hij hield zich alsof hij Pruisisch officier was en nam die houding aan terwijl hij strak in het gezicht van zijn neef keek.
“Ik verzoek je, Rudy, geef mij een rechtuit antwoord.”
“Goed, ik was op een socialistische vergadering. Heb je me laten bespionneeren?”
“Dat is nooit in me opgekomen. Maar wij houden die ratten in de gaten – je weet toch wel, dat wij hen niet toestaan ons te vernietigen zonder strijd? En toen een lid van onze familie op een dergelijke vergadering gezien werd, bracht men mij natuurlijk dat nieuws.”
Rudy had willen zeggen: “Je bedoelt mijn gangen te controleeren en het soort menschen met wie ik omga?” Maar hij had de gewoonte aangenomen discussies te vermijden, zijn hoofd in den schoot te leggen en er de storm overheen te laten gaan. Hij glimlachte en zei: “Wind je niet op, Ernie, het heeft werkelijk niets te beteekenen. Ik zal je de geschiedenis vertellen. Ga zitten.”
Ernie schoof zijn stoel dichter bij en keek naar de deur als om er zich van te overtuigen, dat niemand hem bespionneerde. Rudy stak een sigaret op om hem te helpen kalm te blijven en zei toen:
“Herinner jij je dat meisje, Marie Prince, die thuis op bezoek was. Ik ben met haar gaan dansen en ze behandelde me slecht, naar mijn meening. (Ik had verdriet en maakte een lange wandeling om er overheen te komen. Ik kwam aan een pier, waar men een schip aan het laden was. Daar zag ik enkele menschen, die het met de politie aan den stok hadden. Ik zag, dat een kleine Jood geslagen werd. Hij is amper achttien jaar en ik had meelij met hem – ik bracht hem naar een dokter en daarna bracht ik hem naar huis in een taxi. Hij leeft van den steun.”
“Hij heet Isidore Bloch en hij is een gevaarlijk agitator,” bracht Ernie ertusschen in.
“Een agitator is hij zeker, maar of hij gevaarlijk is, is een andere vraag.”
“En voelde jij je verplicht om met hem naar een openbare vergadering te gaan?”
“Toen ik hem voor het eerst ontmoette, had ik er geen idee van waar het om ging. Hij vertelde mij, dat hij socialist was en dat zij probeerden een staking uit te lokken aan boord van een schip, dat munitie inlaadde voor de opstandelingen in Spanje.”
“Je bedoelt de nationalisten, Rudy.”
“Elke naam, die je wil. Ik zei aan Izzy, dat ik er niets van begreep en gisteren heeft hij me opgebeld en zei, dat er een vergadering gehouden werd, waar de oorlog zou worden besproken en of ik zin had mee te gaan. Ik stelde er belang in te hooren wat zij zouden zeggen en dus ben ik gegaan.”
“En in het openbaar heb je de hand gedrukt van een anarchist Daniele.”
“Ik had nooit eerder een anarchist ontmoet en ik dacht, dat het wel interessant was. Is hij ook gevaarlijk, Ernie? Want zie je, Ernie, ik heb geen spionnagedienst om mij op de hoogte te houden.”

II.

Naar het evangelie van Karl Marx wordt er een klassestrijd uitgevochten in de wereld en die strijd wordt voortdurend heviger, bereikt een hoogtepunt en dwingt de menschen partij te kiezen. Niemand kan aan beide kanten tegelijk staan. Nu ging het er op lijken, dat Karl Marx werkelijk een profeet was; want hier zat Rudy Messer, die het vanzelfsprekend had gevonden, dat hij een uitgaande jonge man kon zijn, lid van een studentenvereeniging, lid van een welvarende en ge-ëerbiedigde familie en tezelfdertijd zich aan de ontspanning kon overgeven socialisten en anarchisten te ontmoeten. Daar zat zijn neef, actief lid van een antiroode groep, die vast besloten was hem te doen inzien, dat die idee misdadige dwaasheid was.
Deze twee menschen hadden met elkaar gespeeld in hun prille jeugd en hielden oprecht van elkaar. Rudy had een zekere ervaring in het vermijden van ruzie en Ernie, heethoofdig en dogmatisch, wilde eigenlijk geen ruzie maken. Zij hadden dus een lange, ernstige bespreking. Zelfs wanneer wij toegeven, dat je weten moet wat die roode rakkers gelooven en verkondigen, zoo zei Ernie, dan kan je dit alles te weten komen in boeken en dan behoef je de goede naam van een eerbare familie niet te compromitteeren door openbare vergaderingen te bezoeken en aanleiding te geven tot een schandaal.
“In Gods naam, Rudy, word toch wakker!” zoo pleitte hij. “Er is een oorlog gaande. Menschen offeren hun leven om de menschheid te verdedigen tegen die moordenaars van priesters en nonnenroovers”.
“Dat weet ik, Ernie, maar de nationalisten, zooals jij ze noemt, hebben ook wreedheden bedreven, zij hebben hun gevangenen bij duizenden vermoord.”
“Wie zou een dergelijk vergif niet vermoorden? Zij zijn als modder uit een goot, Rudy – schepselen, die een aanfluiting zijn van den naam menschheid.”
“Dat kan waar zijn, Ernie – maar hoe weet je dat zeker? Heb je ooit met een dier menschen gesproken.”
“Ik denk er niet aan mijn tijd te verknoeien. Ik weet wat iedereen van hen weet. Kijk maar eens naar de slachting, die zij in Rusland hebben aangericht en naar den chaos en de vernieling, die daar nu heerschen.”
“Maar Ernie, ik heb gelezen, dat zij daar nu flink aan het opbouwen zijn.”
“Laat je toch niets door hun propaganda wijs maken. Zij zijn bezig haat en opstandigheid te kweeken in elk land van de wereld, zij geven vermogens uit voor het verspreiden van leugens.”
Rudy wilde zeggen: “Hoe kunnen zij vermogens uitgeven, als zij toch niets anders hebben dan chaos en vernieling?” Maar hij wist, dat dit als een uitdaging zou worden opgevat.
“Probeer mij te begrijpen, Ernie”, zoo pleitte hij “Er is propaganda aan beide kanten, zonder twijfel; zij willen ons doen gelooven wat in hun kraam te pas komt. Als ik een politieke meening moet hebben, dan zal ik haar steunen op feiten.”
“Dat spreekt toch vanzelf, Rudy.” Er was een oogenblik stilte en de neef vroeg op een toon, die bedoeld was vleiend te zijn:
“Waarom moet je dat onderwerp juist nu behandelen? Ik wist niet, dat jij je om politiek bekommerde.”
“Ik ben er onverwacht in terecht gekomen. Ik hoor de menschen met elkaar debatteeren en ik kan niet nalaten mezelf af te vragen wat waarheid is. Het kwam niet in mijn hoofd op te denken, dat het een misdaad was te hooren wat de socialisten wel te beweren hadden. Jij noemt ze ratten, maar ik vond het fatsoenlijke kerels, allen die ik heb ontmoet.”
“Jij ging daarheen met een kleine schreeuwer –een kerel, die gearresteerd werd omdat hij herrie geschopt had op het kantoor van de arbeidsbeurs–.”
“Dat verwondert me niet. Ik veronderstel, dat zij probeerden meer geld te krijgen. Ik zou niet graag van drie dollars per week moeten leven en jij ook niet.”
“De regeering verplicht ons belasting te betalen om dat kruipend vergif eten te geven. Weet jij heelemaal niet wat die Joodsche samenzweerders uitvoeren? Heb jij nooit van de protocollen van Zion gehoord?”
“Daar weet ik niets van, Ernie. Ik kan alleen een mensch onderscheiden wanneer ik hem ontmoet. Izzy Bloch is een eigenaardige kleine idealist, die droomt van een wereld, waar geen wreedheid en geen oorlog zullen zijn.”
“Neem me niet kwalijk,” zij de neef, “maar je maakt me misselijk. Weet je nu nog niet, dat die kerels wolven zijn in een schapenvacht? Zij houden er een manier van spreken op na, die je op een dwaalspoor brengt en achter je rug lachen ze je uit. Zij zullen zich aan je vasthechten als bloedzuigers en je bloed drinken.
Hebben ze al geld van je gehad?”
“Alleen maar een beetje eten, Ernie.”
“Eten is munitie voor hun oorlog tegen de maatschappij. Zij maken er een specialiteit van menschen met geld naar zich toe te trekken; dat is een van de grootste oplichtersmethoden tegenwoordig in Amerika.”

III.

Het gevolg van dit gesprek was, dat Rudy’s nieuwsgierigheid werd geprikkeld. Dingen, die vroeger vervelend voor hem waren kregen nu een geheimzinnige beteekenis. Menschen, die saai en drukkend waren in zijn oogen werden nu melodramatisch als de personen in een detectieveverhaal. Ook een verschijnsel uit de dierenwereld intrigeerde hem. Schepselen, die tegelijkertijd bloedzuigers, vergif, ratten en wolven in schapenvacht waren. “Jij weet het beter dan ik, Ernie” zei hij. “Jij weet meer van die kwesties dan ik.”
“Da s mijn schuld niet,” antwoordde de neef. “Al meer dan een jaar geleden heb ik je gevraagd naar het Bruine Huis te komen en belang te stellen in ons werk.”
“Ik ben nooit zoozeer Duitscher geweest als jij het bent, Ernie.”
“Duitscher, wees wijzer. Dit is geen Duitsche strijd, dit is een strijd om beschaving. Een bende ontaarde wezens zijn uit hom riolen gekropen en hebben de macht gegrepen in een natie. Zij spannen samen om de macht over de heele wereld in handen te krijgen. Iedereen, die een klein stukje bezit heeft moet er toe bijdragen ze te vernietigen.”
Rudy stond op het punt te zeggen: “Mijn bezit is niet groot genoeg om me daarover bezorgd te maken.” Maar hij beheerschte zich opnieuw. Dit was een ernstige kwestie voor zijn neef.
Aldus Ernie: “Toevallig ligt Duitschland vlak naast Rusland en het is het volgende land, dat zij in hun macht willen krijgen. Duitschland moet leven in de schaduw van deze Aziatische bedreiging. Weet je niet hoe sterk de communisten in Duitschland waren geworden? Weet je niet dat zij de Rijksdag in brand hebben gestoken? Zij zijn maniakken belust op menschenmoord en alleen de Duitsche geest en de Duitsche discipline kunnen hen uit Europa verdrijven. Hoe kan iemand van Duitschen bloede onverschillig staan tegenover een dergelijke strijd?”
Rudy deed geen poging om die vraag te bespreken. Hij was door zijn moeder opgevoed, die Amerikaansche was en Duitschland alleen van haar huwelijksreis kende. Hij was een kind toen de wereldoorlog uitbrak en kon zich er niets meer van herinneren. Hij wist, dat Duitschland slecht behandeld was geworden, omdat al zijn familieleden dit zeiden. Duitschland was omringd geweest door vijanden en verslagen door het perfiede Albion; Duitschland was verdrukt geworden door een verraderlijk vredesverdrag; Duitschland alleen onder alle groote landen, was ontbloot van koloniën en aan Duitschland was het recht van uitbreiding ontzegd. Rudy had sinds zijn prille jeugd in contact geleefd met deze stemming van grieven en protesten.
Hij zei gemoedelijk:
“Maak je over mij niet bezorgd, Ernie. Ik zal geen opinie vormen zonder alles eerst grondig te hebben bekeken en ik zal aan niemand toestaan een zwijn van mij te maken.”
“Wat jij te doen hebt,” zoo hield de andere aan, “is, dat je op onze vergaderingen moet komen, onze geschriften moet lezen en de waarheid leeren kennen.”
“Goed, dat neem ik aan. Laat mij maar weten wanneer er vergadering is.”

IV.

Op die manier waren zij weer neven en broeders in den geest. Ernie vertelde bizonderheden over de rooden en wat zij deden – gaf het laatste nieuws van een goed georganiseerde spionnage-afdeeling. Hij noemde leiders van de bolsjewistisch-joodsche samenzwering in New York en zei hoe zij aan geld kwamen. Hij vertelde van hun mantelorganisaties – een werkelijk verbazing-wekkend net, dat over alle groepen in de geweldige wereldstad was gespannen. De rooden droegen verschillende etiketten en in geval van nood kwamen zij er mee voor den dag, maar in hun hart waren zij allen hetzelfde. Zij vormden wat zij noemden een “eenheidsfront.”
“Misschien heb je ze daar wel over hooren spreken?” vroeg Ernie en Rudy gaf toe, dat dit zoo was.
“Ze hebben allen slechts een doel”, verklaarde de andere, “zij willen de productiemiddelen in handen krijgen en het bezit – niet om ze te verdeelen, maar om het gebruik ervan te verdeelen; zij willen de arbeiders aan het hoofd van de productie stellen. Stel je eens voor, dat onze arbeiders onze zaak zouden overnemen en zouden beslissen welke soort pickles er gemaakt moeten worden.”
Rudy glimlachte. Hij was aanwezig geweest op “conferenties” waar over het lot van pickles beslist was geworden en had meer dan eens dingen gehoord om over te glimlachen.
“Wat ben je van plan te doen om ze tegen te houden?” vroeg hij.
“Wij zullen vechten. Het volk slaapt en wil zichzelf niet beschermen en deze regeering is verkocht aan de Rooden, dat weet je. Maar de Fuehrer heeft de weg gewezen en wij moeten dit duidelijk maken aan de Amerikanen; wij moeten de Duitsche gedachte verdedigen tegen de leugens en den laster van de Rooden.”
“Organiseeren jullie militaire afdeelingen?”
“Wij zijn met twintig duizend man in onze orde-afdeeling; velen hebben die militaire ervaring.”
“Is dat om Duitschland te helpen of om in dit land op te treden?”
“Het een of het ander, wat noodig zal blijken te zijn. Ik weet wel, dat het een hopelooze poging schijnt te zijn met een volk, dat zoo slecht ingelicht is en met alle vooroordeelen tegen ons. Maar de Rooden werken in ons voordeel, zij zullen den strijd uitlokken en iedereen zal het dan duidelijk gaan inzien. Zij hebben dat in Spanje gedaan en het zal niet lang meer duren of zij doen dat ook in Frankrijk. Kijk maar eens hoe zij daar de fabrieken bezetten en hun eigen socialistische regeering uitdagen! Kan iemand verwachten, dat die dwaasheid voortduurt? Er werd een eind aan gemaakt in Italië, daarna in Duitschland – en geloof me, onze menschen weten heel goed hoe zij er hier een eind aan moeten maken en als de tijd rijp is, dan zijn wij paraat met de organisatie en met het programma.”
De intens blauwe oogen van Ernie waren hoopvol gericht op zijn neef, die nu zoo geheel ontvankelijk was voor overreding.
“Kijk eens, Rudy,” zoo begon hij, “ik heb een idee! Het kan nog goede gevolgen hebben, dat jij met die schooiers in contact bent gekomen. Wat zou je d’r van denken als je eens voortging ze te ontmoeten en dan aan mij verslag uitbracht?”
“Je bedoelt, dat ik ze zou bespionneeren, Ernie?”
“Het is toch niet noodig onaangename woorden te gebruiken. Wij noemen dat inlichtingendienst. Dat is zeer belangrijk in oorlogstijd – en dit is een oorlog, al werd hij dan ook nog niet verklaard.”
“Ik geloof niet, dat dit soort werk voor mij geschikt is, Ernie. Ik ben niet in staat mijn gevoelens te verbergen. Als ik er toe zou komen die kerels te verachten, dan zouden zij het dadelijk merken. Aan den anderen kant, als zij oprecht zouden lijken te zijn, dan zou ik niet in staat zijn ze te verraden.”
“Ik geef toe, dat er sommigen bij zijn, die eerlijke fanatiekelingen zijn,” zei de ander, zijn ongeduld bedwingend. “Maar dat is zeker niet het geval bij de leiders – zelfzuchtige bandieten, die streven naar wereldmacht.”
“Wat zij ook mogen zijn,” zoo verklaarde Rudy, “ik wil ze openlijk bevechten als ik ze bevechten wil. Ik kan nou eenmaal niets verbergen.”
“Dat kan ik me begrijpen”, erkende de neef met tegenzin. “Dat is altijd de moeilijkheid met den inlichtingen-dienst. Zij, die den vijand om den tuin leiden zijn er evenzeer toe in staat zich tegen hun eigen partij te keeren. Je bent er nooit zeker van voor welken kant een spion werkt. Wij hebben in onze eigen organisatie een paar rooden betrapt.”
“Wat hebben jullie met ze gedaan?”
Ernie glimlachte.
“Wij hebben er voor gezorgd, dat zij nooit terug zouden komen.” Een oogenblik stilte, toen ging hij verder: “En nou, beste kerel, nou moet je mij één ding beloven – je moet niets meer met die schooiers te maken willen hebben.”
Rudy dacht een oogenblik na, toen zei hij:
“Een dergelijke belofte doe ik niet. Ik vind niet, dat het eerlijk is dit van mij te eischen.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik, zooals ik je heb verklaard, beide zijden wil hooren.”
“Maar Rudy, dat is een prachtig idee! Wat moet ik aan mijn vrienden zeggen als ze mij vragen of het waar is, dat mijn neef Rudy met de Rooden omgaat?”
“Zeg de waarheid, zooals ik ze jou heb verteld – dat ik student ben en dat ik tracht uit te visschen wat er aan de hand is. Zeg hun, dat een van mijn professoren mij opgedragen heeft uit te vinden wat socialisme eigenlijk is. Want dat is inderdaad het geval.”
“Zoo!” riep Ernie uit. “Zoo zoo, je hebt daar dus één van die rose-roode professoren. Je bent met je voeten in een spinneweb terecht gekomen!”

VI. Nazi Amerika.

I.

Om de ziel van Rudy Messer werd er strijd gevoerd: de machten van hemel en hel worstelden met elkaar en zooals weleens in menschelijke zaken gebeurt, het voorwerp van de worsteling kon maar niet besluiten welke machten van den hemel en welke machten van de hel waren.
Izzy Bloch was denzelfden avond aan de telefoon: “Morgen avond hebben wij een vergadering van onze partijafdeeling, kameraad Rudy.”
“Nee,” was het antwoord. “Ik geloof, dat het beter is, dat ik niet kom.”
“Heb je geen belangstelling meer, kameraad Rudy?”
Dit werd op spijtigen toon gezegd.
“Ik heb belangstelling, maar er zijn andere oorzaken. Het is beter, dat ik niet naar openbare vergaderingen ga.”
“Ik raad het al, kameraad Rudy. De nazis hebben je ontdekt, is ’t niet? Ze zouden de familiezaak wel eens kunnen boycotten, is ’t niet?”
“Die slimme kleine duvel!” dacht Rudy en hardop zei hij: “Ik wil daar aan de telefoon niet over spreken. Ik zal je wel spoedig zien.”
“O, asjeblief, asjeblief, kameraad Rudy!” zoo pleitte de kleine duvel. “Wij houen van je, Paps en ik, en wij hadden gehoopt, dat jij je bij de beweging zou aansluiten.” (Zij zullen zich aan je vasthechten als bloedzuigers, had Ernie gezegd).
“Vergeet niet, kameraad Rudy, dat wij allemaal offers moeten brengen. Voor een arbeider kost het ook iets opstandeling te zijn.”
“Ik kom je bezoeken, Izzy, werkelijk. Ik ben de brochure aan ’t lezen, die je mij hebt gegeven.”

Den volgenden morgen, vroeg al, voor Rudy aan het werk ging toog Ernie ten aanval.
“Ik hou je aan je woord, jongen.” Hij was drie jaar ouder dan zijn neef. “Er is Zondag aanstaande een picnic van de Vrienden van Nieuw Duitschland. Ik neem je met me mee en ik zal een paar van onze officieren uitnoodigen om met ons mee te gaan. Dan krijg je gelegenheid kennis te maken. Is dat goed?”
“Da’s afgesproken,” zei Rudy en voegde er aan toe: “Je stelt er misschien belang in te weten, dat ik zoo juist een uitnoodiging heb afgeslagen om een socialistische vergadering bij te wonen.”
“Da’s goed van je!” zoo riep de neef uit. “Ik wist wel, dat je weer verstandig zou worden.”

II.

Ja, dat was uitstekend, maar ’s avonds kwam Rudy thuis en hield zijn belofte aan Izzy, dat hij de brochure zou lezen, die de kleine Jood voor hem gekocht had tegen den prijs van tien cents. Rudy had dit steeds avond na avond uitgesteld uit een algemeen vooroordeel tegen brochures. Als een schrijver iets belangrijks te zeggen had, dan moest hij het maar in een boek neerschrijven. Dan zou het den naam dragen van den een of anderen gevestigden uitgever en dan zou het voorgeschreven literatuur worden in het vak Economie 17a. Maar een goedkoope brochure, door een onbekend iemand geschreven en rondgedeeld door vriendelijke droomers! Of waren het wolven in schapenvacht? In elk geval, het was een vervelend vooruitzicht.
Rudy had een goed verstand, maar had het maar zelden gebruikt, behalve vlak voor de examens en dan nog juist voldoende om een 6 te halen. Nu legde hij zich toe op de brochure en was verbaasd een heldere verklaring te vinden van crises en hun oorzaken. Het scheen te mooi om waar te zijn – dat de veelomvattende en algemeene ellende van de wereld zoo eenvoudig kon worden aangetoond en zoo duidelijk gemaakt kon worden, zelfs voor een beginneling als hij. De grootste staatslieden en publicisten werden door dit vraagstuk in de war gebracht en hier werd een oplossing aan de hand gedaan door een onbekende socialist, ongetwijfeld de een of andere arbeider als die scheepsmachinist, die Rudy had gehoord of als die vakvereenigingsleidster. Het scheen absoluut onwaarschijnlijk, dat zij gelijk konden hebben en hij wenschte, dat zijn professor in economie in de stad was, dan kon hij hem hierover iets vragen. Het was ontstellend het voor jezelf te moeten uitdenken!
Nochtans, er zat niets anders op dien avond en daarom ging Rudy een eind terug en herlas enkele gedeelten van de bewijsvoering. Zeker, het was waar, dat de machines de macht der menschen om goederen voort te brengen aanmerkelijk hadden verhoogd. Het was ook waar, dat in de dagen voor de invoering der machines, de arbeiders erin slaagden genoeg te krijgen om in het leven te blijven en dat zij tegenwoordig met alle machines nog geen streep verder waren gekomen op den weg naar economische veiligheid. De brochure bewees dit met regeeringsstatistieken.
Het was ook waar, dat de rijken geweldige winsten maakten, dat deze weer opnieuw werden belegd om nieuwe machines te maken. De brochure betoogde, dat dit door zou gaan tot het land de middelen zou hebben om veel meer goederen te maken dan de volksmassa geld zou hebben om ze te koopen. Wanneer dat punt bereikt werd, dan werd er niet meer belegd, de winsten zouden verdwijnen en arbeiders werden werkloos. Dit was de val, waar het winstsysteem maar steeds opnieuw in viel en de moeilijkheden werden grooter naarmate de productiemiddelen vermeerderden.
Kapitalisme kon produceeren, dat stond vast, maar het kon niet verdeelen.
Hoezeer hij zich ook verzette, Rudy kon het niet helpen, dat hij onder den indruk kwam van dit helder betoog en tevens van de voorgestelde oplossing. Hij trachtte zich alle misvattingen van het socialisme, die door zijn professoren waren verteld, te herinneren. (Het was absoluut niet waar, wat Ernie gezegd had, dat er rose-rooden onder zijn professoren waren). Hij wenschte, dat hij meer aandacht aan hun colleges gegeven had, dan zou hij zich nu niet zoo hulpeloos hebben gevoeld. Hij wond zich zoo op, dat hij een opwelling kreeg naar Izzy en zijn vader te gaan en dit alles met hen te bespreken. Maar nee, het was verstandiger te wachten en te vernemen wat Ernie en zijn vrienden te zeggen hadden en dan te beslissen of Izzy en Joseph idealisten waren of…. bloedzuigers, ratten, vergif en wolven in schapenvacht!

III.

Op Zondag morgen kwam Ernie tamelijk laat in zijn mooie nieuwe wagen, steeds van het laatste model. Hijzelf was gekleed in een strandpak, geschikt voor den dag die beloofde snikheet te zullen worden; maar de twee vrienden, die met hem meekwamen waren opgedirkt in een volledig uniform van de Nazi stormafdeeling. Zwarte lederen rijlaarzen, zwarte rijbroek met lederen gordelriemen, militaire petten met zwarte klep en bruine hemden met armbanden, waarop het hakenkruis stond; alles blinkend en piekfijn – als tooneel-dilettanten, oordeelde Rudy.
Zij waren twee jonge Duitsch-Amerikanen, de eene een meubelhandelaar, beter gezegd zijn vader was dat en hij werkte bij hem in de zaak; de andere was eigenaar van een kleine verzekeringszaak. Beiden woonden in dat deel van New York, dat vroeger het dorp York-ville was, de Tachtigste straten in het Oosten, vlakbij de Tweede en Derde en de Lexington Avenues. Dat deel van New York was begonnen als een Duitsche nederzetting en had dit karakter nooit verloren. De meerderheid der zakenmenschen, allerlei soorten kooplieden, hadden in hun étalages plakkaten, als aanduiding, dat zij lid waren van den Bond van Vrienden van Nieuw Duitschland of van een andere organisatie, de Amerikaansche Nationale Arbeiders Partij. Rudy had deze dingen als reeds eerder opgemerkt; het was niet noodig geweest, dat Izzy hem duidelijk maakte, waarom Messer and Sons wel op vriendschappelijken voet moest staan met de nieuwe Duitsche beweging. De twee officieren waren meegebracht om Rudy iets te leeren over de idealen van het nationaal socialisme. Blijkbaar had Ernie dit niet gezegd, want zij spraken over hun zaken, de zaken van de beweging en over de verschillende personen, die er een werkzaam aandeel in hadden. Dit was erg jammer, gezien van het standpunt van Rudy’s noodzakelijke bekeering, maar de kameraden Schmidt en Rollentafel hadden er geen flauw idee van, dat het noodig kon zijn iets te verbergen voor een lid van de Messer familie.
Het bleek, dat er twee concurreerende organisaties waren en dat Ernie en zijn vrienden de andere groep in hooge mate wantrouwden. Zij liepen de zakenmenschen af en trachtten bijdragen te krijgen door met boycot en geweld te dreigen; zij kregen geld uit Duitschland en verteerden dat op een manier, waar niemand kon achterkomen; kortom zij werkten een oplichterij uit in echten Amerikaanschen bendestijl.
Juist nu hadden zij de organisatie van Ernie belasterd en deze ervan beschuldigd, dat zij hetzelfde deed. Naarmate de rit duurde, kreeg Rudy den indruk, dat zij misschien niet heelemaal ongelijk hadden. Want volgens Schmidt en Rollentafel waren er menschen in hun eigen organisatie, die onder sterke verdenking stonden. Zij hadden groote bedragen opgehaald, die zij nooit hadden afgedragen, maar zij hadden geloofs-brieven uit het Vaderland. Wat kon men dan tegen hen beginnen? Het bleek, dat er in het moederland een zekere verwarring bestond, chantage en vreesaanjaging kwamen daar veelvuldig voor en menschen, die iets te verbergen hadden werden naar Amerika ingescheept alsof dit land een soort strafkolonie was.
Dit alles verhoogde de moeilijkheden om het Amerikaansche volk voor de nazi beweging te winnen. Het eene schandaal was gevolgd op het andere en de eene groep propagandisten na de andere had Duitschland moeten terugroepen. De “Weckruf und Beobachter” het orgaan van de Vrienden van Nieuw Duitschland werd openlijk belasterd door de “National American”, het orgaan van de Amerikaansche Nationale Arbeiders Partij. Er was een groot proces gevoerd over het eerste dagblad en er dreigde weer een nieuw proces. Heinz Rollentafel had enkele onsmakelijke bizonderheden vernomen en wilde deze aan Ernie, die hij blijkbaar als zijn chef beschouwde, mededeelen; maar Ernie zei tactvol:
“Op kantoor wil ik dat alles wel hooren, Heinz. Vandaag gaan wij naar een picnic.”
En zoodoende hoorde Rudy verder niets.

IV.

Het excercitieveld van de Vrienden van Nieuw Duitschland bevindt zich in Yaphank, Long Island, daar, waar vroeger een opleidingskamp was van het Amerikaansche leger. Het heet nu Siegfried Kamp, naar de Arische held. Elken Zondag zien de bewoners van den weg 25A vrachtwagens en autos vol met geüniformeerde mannen, motorbrigades en estafette rijders met standaards, waar het hakenkruis op staat. Amerika is een vrij land en iedereen heeft het recht te zeggen wat hij wil en zich met andere menschen aaneen te sluiten met onverschillig welk doel – blijkbaar ook met het doel de vrijheid te vernietigen.
Rudy zag tien of twintig duizend Duitschers opgesteld in een veld. Sommigen onder hen waren even blond als Hitler, even slank als Goering en even knap als Goebbels. De zon brandde op het naakte veld en iedereen zweette geweldig en ademde wolken stof in; maar ze waren daar voor de eer van het Vaderland en de mannen zagen er vastberaden en krijgshaftig uit, de vrouwen trotsch en gelukkig. Er lagen vaten met het beste Munchener bier naast elkaar in de schaduw en een groote hoeveelheid broodjes en leverworst en Zwitsersche kaas – iets wat zeker niet onaangenaam was voor de vertegenwoordigers van Messer and Sons.
Er waren muziekkorpsen en wanneer het eene ophield met spelen begon er een ander. De menigte zong vol ijver alle Duitsche vaderlandsche liederen: “Die Wacht am Rhein” en “Deutschland ueber Alles” en de nieuwe nazi liederen. Zij hadden het “Horst Wessel Lied” tot nationaal volkslied verheven; een strijdlied, dat de krijgers oproept het vaandel hoog te houden, de rangen te sluiten, met fermen stap te marcheeren en het roode front neer te schieten, de straten schoon te vegen voor de bruine bataljons, den dag voor te bereiden, dat de Hitler vaandels over alle straten zouden wapperen en dat de slavernij, ten einde zou zijn. Zij zongen ook liederen van verguizing op de nakomelingen van Mozes, Abraham, David, Jezus, Johannes en Paulus:

Als het Joodsche bloed van den dolk druipt,

Dan is alles goed, dan is alles goed.

Rudy zag vijf of zes duizend stormafdeelings-mannen urenlang excerceeren, over het veld marcheeren in ingewikkelde formaties. Zij stonden niet stil om het zweet van het voorhoofd te vegen of om het stof uit hun oogen te wrijven; hun gezichten waren doodstrak gespannen en in hun zielen was het vizioen van De Dag “de dag van vrijheid en brood”. Zij staken hun kin op en trokken den buik in, strekten hun beenen met stramme knieën, sloegen de hakken neer met een forsche klap op den harden grond. De bevelen werden uitgeblaft op dien schellen toon, die een militaire ziel verheugt en zij waren in goed Duitsch.

V.

Daarna kwamen de redevoeringen. Er werd een podium op het veld gedragen en met behulp van een luidsprekerssysteem vertelde een spreker in het Engelsch, daarna een in het Duitsch waarom er gemarcheerd was en wat de plicht was van waarachtige Duitschers in de crisis, die over het Arische ras was gekomen. Dit was het gedeelte van de vertooning, waar Rudy voor gekomen was; hij wilde feiten hooren en betoogen, die er op steunden.
Het feit, waar alle betoogen van deze sprekers op steunden, was, dat het Duitsche ras, anders genoemd het arische, het eenige edele en groote ras, de bron was van alle beschaving en vooruitgang. Amerika had de beschaving, die het bezat te danken aan zijn burgers van Duitsche afkomst. Aldus de spreker: “De Duitsche uitvindersgeest, de Duitsche industrie, de Duitsche volharding, de Duitsche taaiheid hebben dit land groot gemaakt. Duitsche vroomheid, Duitsche muziek, Duitsche sport, hebben een vruchtbaren invloed gehad op het Amerikaansche leven. Overal zijn wij de zaaiers geweest van de cultuur, de pioniers, die den weg hebben aangegeven.”
Op deze lyrische wijze ging de spreker nog een tijdlang voort en nadat hij er zijn hoorders van overtuigd had, dat zij, ieder afzonderlijk, dragers waren van Duitsche cultuur en Duitsche eer, het heilige vat vol van den geest der komende tijden – begon hij voor hen de verraderlijke pogingen af te schilderen, die gedaan werden om dit vat te verstoren en te vernielen; de duistere samenzwering van bolsjewistische duivels en joodsche zwijnen om alles wat goed en heilig is in de moderne wereld te vernietigen. “Verdedig jezelf, Germania!” zoo schreeuwde hij op een toon, die de luidsprekers deed schetteren. “Duitschers, weest de hamer en niet het aambeeld! Laat niet me je sollen en je vertrappen, maar steun op jezelf!” Uit de menigte steeg een gebrul op, dat de ooren van den Fuehrer ver weg overzee bereikt kon hebben.
Daarna kwam de Duitsche spreker en hij was nog hartstochtelijker. Rudy hoorde hem in een adem zeggen, dat Duitschland de eenige vredelievende natie was in de wereld en in een volgende adem, dat het bestaan van Duitschland van zijn uitbreiding afhankelijk was. Dit recht op uitbreiding werd aan Duitschland ontzegd door een smerige bende, de bolsjewistisch joodsche bende, die Duitschland met vijanden omringd had; maar die ring zou verbroken worden met het goede zwaard Nothung van den arischen held Siegfried. De spreker wachtte en van ergens achterin klonk het zwaardmotief uit de opera van Wagner, gespeeld op een hoorn. Al deze goede Duitschers waren tot in het diepste van hun ziel bewogen.
Wie waren die vijanden, die aan het Vaderland het recht op koloniën en levensvoorwaarden ontzegden? De spreker ging voort ze te noemen. Ten eerste, de communisten; vernielers van den eigendom, van fatsoen, van de geheele erfenis der menschheid; godloochenaars, vrijdenkers, verraders, moordenaars, benden van Attila en van Genghis Khan – de spreker goot een stroom van scheldwoorden uit, die de voorraad in de Duitsche taal uitputte.
“Kijk maar naar Spanje!” zoo schreeuwde hij. “Zij hebben de regeering in handen genomen. Zij pogen een vesting op te richten voor de poort der Middellandsche Zee. Het Spaansche volk heeft die regeering niet gekozen, het was Moscou. Nu is het weer Moscou, dat wapens zendt – maar Hitler zal de Spanjaarden ontwapenen. Dat is de taak van het Nieuwe Duitschland – ervoor te waken, dat het bolsjewisme geen vasten voet krijgt in de Westersche wereld!”
En dan die kinderen van Satan, dat verrotte ras, dragers van syphilis en van alle ziekten, de ritueele moordenaars, de slachters van Christenen, de Judische Schweinerei!"
“Wij worden ervan beschuldigd, dat wij rassenvooroordeelen aankweeken”, schreeuwde de spreker. “Luistert, goede Duitschers, wij hopen, dat dit vooroordeel tegen Joden bij de Christenen spoedig een dergelijke hoogte zal hebben bereikt, dat geen enkel wezen van dit smerige ras meer in leven zal zijn.”
En eindelijk nog een vijand, niet minder gevaarlijk, niet meer te sparen; die geboren Duitschers, die verraders of zoo goed als verraders waren van het Vaderland en van zijn traditie; de plichtverzakers, die lafaards, die buitenstaanders en lijntrekkers – kortom, die zakenmenschen, die bezoek kregen van vertegenwoordigers der Vrienden van Nieuw Duitschland, weigerden de plakkaten in hun étalages te plaatsen, een bijdrage te storten en in de kranten van de partij te adverteeren. “Boycot ze, maakt ze beschaamd, straft ze!” zoo schreeuwde de spreker. “Geef mij de namen van die verraders en ik zal ze weten te straffen! Ik zal hun de zwaarte van rassenbeleediging doen gevoelen, de ontevredenheid en den toorn van een trotsch en edel volk, dat bedreigd wordt in de veiligheid van zijn haard en huis! Ik zal hun namen naar Duitschland zenden en wij zullen zien of zij familie en vrienden hebben, die geleerd kunnen worden in te zien wat Duitsche loyaliteit en Duitsche eer zijn en willen zijn. De wraak van den Fuehrer zal zijn als een bliksemschicht, die tot in de uiterste hoeken der aarde flikkert en hun hoofden vernietigt!”

VI.

Het was een namiddag vol indrukken. Toen alles gedaan was en de menigte zich verspreidde, zei Ernie tot zijn neef: “Nou, wat dacht je er van?”
“Wat wil je, dat ik zeggen zal?” antwoordde Rudy; “Ik heb niet gekregen, waarvoor ik ben gekomen.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik heb geen enkel bewijs gehoord. Slechts een heele boel beweringen en veel scheldwoorden.”
“Chut!” zei Ernie, terwijl hij om zich heen keek met een zekere angst. Hij zei verder niets tot zij in den auto zaten en op den weg waren.
De twee officieren van den ordedienst gingen met hun kameraden naar een leidersvergadering; dus waren Ernie en zijn neef alleen en beiden begonen een vinnig gesprek. Rudy bleef bij zijn meening, dat hij geen woord gehoord had om iemand te kunnen overtuigen, die al niet reeds van tevoren overtuigd was. Als je van te voren geloofde, dat het Duitsche nationalisme de eenige reddende kracht was in de wereld en dat het slechts behouden kon worden door bewapening en door het land van andere naties af te nemen; dan was het inderdaad juist, dan deden deze Duitschers werkelijk het beste wat zij konden doen.
“Maar zie je, ik geloof dat niet en dan geeft het niets, als je van een spreker hoort, dat ik, omdat ik dit niet geloof, een roode ben en een Joodsch zwijn en een verrader van mijn Vaderland!”
“Ik vrees, dat je bezig bent dat alles te worden!” zei Ernie norsch.

VII. Kooi met wilde dieren.

Toen Rudy dien Zondagavond thuis kwam vond hij zijn kamergenoot, die terug was van een campagne op het land. Hij heette Burnside Cobb, maar die naam was af gekort geworden tot Burns, wat beter paste bij zijn roodachtig haar en bij zijn blozend uiterlijk. Hij was een groote kerel, athletisch en trotsch op zijn gestalte, waarvan iemand gezegd had, dat het de gestalte was van den Griek Hermes. Burns wist niet veel van Hermes af, maar het klonk wel aardig en hij weidde er steeds over uit terwijl hij zijn behaarde borst na een douche afdroogde.
Hij was een man van deze wereld, voorbestemd voor de hoogste rangen, zoo verkondigde hij; zijn doel was een vooraanstaand iemand te worden met een salaris van vijftig duizend per jaar zoodra hij klaar was aan de universiteit. Hij had niets van datgene, wat men gewoon is “ziel” te noemen en bespotte alles wat geen contante waarde had. Om geld te hebben teneinde met de rijke studenten te kunnen omgaan, trok hij er in de zomermaanden op uit en plunderde de vrouwen van hardwerkende boeren, gebruikte daarbij trucjes die hij uit een boek over psychologie had geleerd om haar te doen inteekenen op de “Beroemde Amerikaansche Redevoeringen” tegen elf dollar vijf en negentig met een contante betaling van slechts twee dollar.
Burns kwam steeds thuis vol grappen over de pogingen van zijn slachtoffers om aan zijn psychologische valletjes te ontsnappen en veronderstellingen omtrent het aantal vrouwenranselingen, dat hij op zijn geweten had. Als Rudy hem zijn harteloosheid verweet, dan vroeg hij plechtig wat de vrouw van een boer voor nuttigers kon koopen dan een stel oratorische juweelen van ons land? Ieder van die vrouwen kon de moeder worden van een genie en het lezen van die boeken kon best bijdragen tot de toekomst van een Daniël Webster of van een Demosthenes. Burns wist alles van Demosthenes af uit een brochure, die behoorde bij de raadgevingen voor den verkoop, gratis aan de agenten van de redevoeringen verstrekt.
De jonge verkooper had er plezier in zijn kamergenoot te plagen, omdat hij in Rudy’s karakter een neiging tot eigen onderzoek en kritiek had opgemerkt.
“Dat is de manier niet om vooruit te komen in de wereld, maat. Dit is een taaie wereld en als jij je eigen hoorn niet blaast, dan blijft alles zwijgen.” Burns was in de kamer gekomen en had op Rudy’s bed twee exemplaren van twee verschillende socialistische kranten gevonden, erger nog, een open brochure met potlood aanteekeningen in de marge, waaruit bleek, dat Rudy onder den indruk was gekomen van het betoog, dat stelde hoe het winstsysteem de beste karakter-trekken in de menschelijke natuur vernietigde.
“Goeie god, makker, wat is dat?” zoo zei hij. “Ben je gek aan ’t worden?”
“Ik heb zoo juist een tegengif gehad,” zei Rudy met een glimlach en trok uit zijn zak een exemplaar van de “Deutscher Weckruf und Beobachter” en verschillende brochures en boekjes over nationaal socialisme, die hij gekocht had om zijn neef plezier te doen. Maar dat maakte niets uit voor Burns, die het verschil niet wist tusschen nationaal socialisme en welke andere beweging ook. Hij zou niet minder verbaasd hebben gestaan als zijn vriend literatuur van Brigham Young<ref>Voorganger en oprichter der Mormonengroep in Amerika. (Vert.)</ref> of van den Dalai Lama uit Tibet, had meegebracht.
Rudy wist, dat het geen zin had te trachten dezen boekverkooper op te voeden; Burns bezocht de universiteit niet om opgevoed te worden, maar alleen om de zonen van groote zakenmenschen te leeren kennen en bij hen thuis te worden uitgenoodigd om hun dochters te ontmoeten. Rudy lachte dus en zei, dat hij een discussie had met Ernie over de oorzaken van den Spaanschen burgeroorlog en het fijne ervan wilde weten. Om van onderwerp te veranderen vertelde hij zijn vriend hoe Marie Prince hem behandeld had; hiervoor had de andere wel belangstelling en dit bracht hem tot een preek om vooral de vrouwen toch niet ernstig te nemen. Zij hadden de neiging om het zelf wel te doen en daar moet een man zich scherp tegen verzetten. Als reizend boekverkooper op het platte land, ontmoette Burns vele boerendochters, die er lief uitzagen en die hun kijk op de wereld wilden verruimen. “Je moet leeren je eigen waarde te bepalen, jonge man, en niet meer te geven dan je krijgt.”
Daarna hadden zij een prettige avond, het evenbeeld van Hermes, de verkooper van Demosthenes vertelde van zijn avonturen met meisjes en Rudy luisterde met gemengde gevoelens. De socialistische lectuur werd in een la gelegd om daar te blijven tot den volgenden avond, wanneer Burns weer op een nieuwe campagne en Rudy alleen zou zijn met zijn twijfel aangaande het winstsysteem.

II.

Over geheel Spanje laaiden de vlammen van den burgeroorlog en de rest van de wereld keek naar het buitengewone schouwspel. Rudy was gegrepen door de algemeene belangstelling, hij las alles in zijn ochtendblad en weer opnieuw in zijn avondblad. Soms kocht hij een extra editie, wanneer zij met belangwekkende opschriften uitkwam. ’s Morgens las hij over mijnwerkers, die een stad Oviedo genaamd belegerden, die dynamietlonten aan zichzelf vastbonden en zich uit elkaar lieten barsten onder de muren der gebouwen; ’s avonds las hij over arbeiders, die samenstroomden om een positie ergens in het Guadarrama gebergte te verdedigen, er was maar één geweer per man, als er een man werd gedood, dan kon de tweede doorgaan met vechten.
Het was niet slechts een Spaansche oorlog, maar dreigde een oorlog te worden tusschen een half dozijn groote naties, uitgevochten op Spaanschen grond. Dit was iets nieuws in de geschiedenis en de rest van de wereld hield den adem in, vroeg zich verbaasd af, wat toch de regels waren van dit soort strijd en hoe lang de oorlog beperkt zou kunnen worden tot het uitgekozen veld.
De groote naties, tot de tanden bewapend, deden je denken aan wilde dieren in een kooi van het circus, die door een temmer werden opgezweept. Je weet hoe zij hèr en dèr rondzwerven en loeren, kruipen, met hun staart zwiepen en hun klauwen uitslaan; je kent die schorre, diepe snauwen van de groote katten, die je keel dichtknijpen, de grond doen trillen en je hart doen stilstaan. Hun spieren trillen van spanning en elk oogenblik verwacht je, dat ze zullen springen. Maar nee, ze staan op en gaan weg tot er weer een nieuwe aanval is en je een nieuwe combinatie van beangstigende geluiden kunt verwachten.
De Duitsche tijger raast en tiert, zoo lenig, dat zijn ribben uitsteken; hij zal gauw moeten vechten of zal heelemaal niet meer tot vechten in staat zijn. De Russische beer heeft zich in zijn eigen hoek teruggetrokken met een groote voorraad vleesch; hij wil alleen maar, dat men hem met rust laat met zijn vleesch; maar de tijger ruikt het bloed en wordt gek van onbevredigd verlangen. De Italiaansche luipaard in een andere hoek, heeft zoo juist doodslag gepleegd en is pas begonnen zijn prooi te verwerken; maar hij is zoo gulzig, dat hij de anderen niet met rust kan laten. De Fransche panter voelt zich niet goed en zou er de voorkeur aan geven zich terug te trekken, maar in het midden van de kooi wordt hij ontdekt en hij draait rond en rond, niet wetend wie van zijn vijanden hij het meest moet vreezen. In den hoek aan den overkant zijn twee Spaansche wilde katten bezig elkaar aan stukken te rijten; de andere beesten hopen hun krengen te kunnen grijpen, maar elk is bang zich te bewegen uit vrees voor de anderen. De grootste van allen, de Britsche leeuw, ligt in elkaar in zijn eigen hoek en houdt de anderen koest door elk op zijn beurt te bedreigen. Allen vreezen hem; maar ze weten, dat hij oud is en er wordt verondersteld, dat zijn tanden niet meer zoo best zijn.
Hier en daar in de kooi gluipen er een groot aantal andere wezens –wolven, hyena’s, jakhalzen– kleiner dan de anderen, maar niet minder wreed, klaar om met de winnende partij mee te doen. Welke partij zal winnen? Het is zonder twijfel de sensationeelste wilde beestenvertooning in de wereld; kolossaal, overweldigend, alle circus benamingen ten volle waardig! Toegang is vrij tot de strijd begint; dan is de prijs de dood voor de beesten, voor de temmers en voor de toeschouwers.
De zaak is ingewikkeld tengevolge van het feit, dat menschelijke beesten onbetrouwbaarder zijn dan die van het oerwoud. Er is gezegd, dat de luipaard zijn vlekken niet kan veranderen; maar een roode natie kan veranderd worden in een witte door een interne revolutie in één nacht. Sommigen dezer naties hebben in het verleden bewezen, dat zij tot elk verraad in staat zijn; een stukje vleesch kan oorzaak zijn, dat zij zich tegen hun bondgenooten keeren en voor degene, die de overwinnaar in dezen oorlog vooruit weten kan, zullen er groote krengen te verslinden vallen.

III.

Rudy wist, dat de familie Bloch geen telefoon had. Rudy kon Izzy niet opbellen en wanneer Izzy telefoneerde, dan wilde dit zeggen, dat hij zijn avondbrood of iets anders had moeten missen. Daarom hield Rudy er niet van te dikwijls nee te zeggen. De volgende maal, dat zijn vriend opbelde, zei hij:
“Allo, ik heb een boel van jullie kranten gelezen!”
“Werkelijk, kameraad Rudy?” Er was vreugde in den toon, alsof de eigenaar van een verloren schaap gewaar wordt, dat het weer op den terugkeer is naar de kudde.
“Ik moet je enkele vragen stellen. Ben je thuis vanavond?”
“Natuurlijk. Kom je?”
Rudy reed dus naar een dichtbevolkt kwartier in den warmen avond en vond een plaats om zijn auto te parkeeren en daarna een plaats, waar hij drie flesschen ijskoud bier kocht en eenige Messer artikelen. Toen hij met dit alles voor den dag kwam, protesteerden zijn vrienden, maar Rudy zei, dat hij vergeten had te soupeeren en dat hij het noodig had. Dit was toevallig gelogen, want Rudy was te gezond om ooit een maaltijd over te slaan; maar het stelde de Blochs op hun gemak en maakte verdere verklaringen overbodig.
De ouwe Joseph zag er vermoeid en bleek uit; hij lag daar, dag in dag uit, snakkend in de warmte, maar hij klaagde nooit, omdat Izzy partijwerk deed en niet in huis gehouden moest worden om een zieke man te verplegen. Hij had een schoon wit hemd aangedaan ter eere van zijn gast en kon zijn genoegen niet heelemaal verbergen bij het zien van die koude flesschen met dauwdruppels op den buitenkant. Zij dronken het bier vlug op om niets van de heerlijke koelte verloren te laten gaan; daarna kauwden zij op patat frites, aten kaas en olijven en Rudy vertelde wat hij gezien en gehoord had in naziland.
Nee, zoo haastte hij zich den bevreesden Izzy te verzekeren, hij had het niet prettig gevonden; hij had den indruk gekregen, dat het een ruwe en wreede beweging was. De vruchten van hebzucht en haat waren reeds aan het rijpen en waren bitter volgens Rudy’s smaak. Hij vertelde wat hij gelezen had in de kranten, die hij had gekocht in de kiosken van Yorkville. De oprichter van de Amerikaansche Nationale Arbeiders Partij beschreef den leider van de Gestapo of nazi geheime politie in Amerika, als een halsafsnijder en een leugenaar; de vrienden van dezen meneer antwoordden door zijn tegenstander het hoofd van een bende roovers te noemen. Aldus Rudy:
“Het eenige, waarover zij het eens schijnen te zijn is, dat Joseph en Izzy Bloch joodsche zwijnen zijn.”
De ouwe man zei droevig:
“Zij moesten dien naam veranderen in joodsche bokken; want wij zijn de zondebokken van vele naties geweest vele eeuwen lang.”
“Zij geven jullie de schuld van den diefstal van Lindberghs baby,” zoo ging Rudy voort. “Het schijnt, dat de terechtstelling van Hauptmann het gevolg was van een joodsch complot tegen een burger van het Nieuwe Duitschland.”
“Dat is een ouwe geschiedenis voor ons,” zei Joseph. “Heb je gehoord, dat ze het voorstel hebben besproken –zij overwegen het nu op dit oogenblik misschien nog wel– om van Joodsche en communistische voormannen te beweren, dat zij allen syphilislijders zijn en dus te kunnen zeggen, dat hun gedachten ontspruiten aan degeneratie van hun hersens?”
“Je moest eens in de kranten lezen,” zoo viel Izzy in, “wat het Congres Comité aan het licht bracht in de lente van dit jaar, dat zij twee en dertig millioen dollar tot hiertoe hebben uitgegeven voor dat soort van propaganda in Amerika.” Izzy had natuurlijk geen geld voor propaganda, maar hij liep de openbare leeszalen af en las ijverig, hield notities en maakte dan van zichzelf een luidspreker – en nog wel een, die je niet kon afzetten door aan een knopje te draaien. “Ze hebben wat ze noemen het Duitsche Spoorwegen Inlichtingen Bureau, dat verondersteld wordt reisinlichtingen te verstrekken. Door middel van die instelling hebben ze reeds meer dan vijf millioen exemplaren nazi literatuur verspreid.”
“Nou,” zei Rudy, “Ik kan hun wel vertellen, dat zij hun geld hebben verknoeid als ze niets beters te zeggen hebben dan wat zij mij zeiden.”
Izzy glunderde, maar de ouwe Joseph weigerde gerust gesteld te zijn. Hij zei:
“Er is een brief openbaar gemaakt van een dier nazi leiders, waarin stond, dat het kinderspel is om van de Amerikanen antisemieten te maken en ik vrees, dat dit de waarheid is. Het kapitalistisch systeem wankelt en het volk moet ontzettende ellende verdragen. Het volk begrijpt dat niet en daarom is het gemakkelijk het ervan te overtuigen, dat er een duivelsche samenzwering bestaat onder menschen, die er anders uitzien en die zijn woorden niet volkomen juist uitspreken.” (De ouwe Joseph zelf zei “voorden” en hij legde de klemtoon altijd verkeerd).
“Dat is een heel oude truc,” zoo viel Izzy in. Hij was een gretig spreker, maar wachtte eerbiedig zoolang zijn vader aan het woord was. Wanneer de ouwe man uit zwakheid niet verder kon, dan ging Izzy met het betoog verder.
“Dat is de manier, waarop zij het Russische volk in slavernij hielden door alle moeilijkheden aan de Joden toe te schrijven. De tsaristische reactionnairen organiseerden de ‘Zwarte Honderdtallen’, die volkomen hetzelfde waren als die stormafdeelingen van de nazis.”
“Je moet weten,” zoo begon de ouwe man opnieuw, “dat ik in mijn jeugd pogroms heb meegemaakt.” Hij legde bij dit woord den klemtoon ook verkeerd, op Russische manier, met een lange “o”.
“Het is iets vreeselijks als die woestelingen, bewapend met stokken, gasbuizen en messen, de huizen van hulpelooze en onschuldige menschen komen binnenstormen, hen op den grond slaan en hen doodtrappen of doodsteken. Ik heb voor mijn oogen mijn eigen oom bewusteloos zien slaan; hij lag maandenlang te sterven en heeft nooit meer gesproken. Daarom kan je begrijpen hoezeer ik bevreesd ben wanneer ik die propaganda van haat en leugens over een land zie verspreiden, dat ik dacht vrij en gelukkig te zijn en een veilige woonplaats voor hardwerkende Joden.”

IV.

Rudy vertelde hoezeer zijn onderzoekingen naar het socialisme zijn neef hadden gehinderd en enkele dingen, die volgens Ernie verkeerd waren in de socialisten, bijvoorbeeld, dat zij mislukkelingen en misbaksels waren en dat, als er iemand bij de socialisten een millioen dollar zou krijgen, hij onmiddellijk alle belangstelling voor de verdrukten en onteigenden zou verliezen.
“Maar je neef weet niet wat het socialisme leert!” riep de ongeduldige Izzy uit. Als hij dien Ernie maar eens te pakken kon krijgen en het hem eens duidelijk kon maken!
“Wij aanvaarden het feit, dat de menschen den invloed van hun bezit ondergaan. Als een socialist een millioen dollar zou krijgen en zich uit de beweging zou terugtrekken, dan zouden wij dat jammer vinden, maar wij zouden ons niet verbazen. Wij zouden voortgaan met te trachten die arbeiders op te voeden, die hun millioen dollar nog niet gekregen hebben en die dat waarschijnlijk nooit zullen krijgen.”
Aldus de ouwere man, op aangenamen toon:
“Ik weet, dat socialisten mislukkingen genoemd worden en natuurlijk, als je aan je neef iets over Izzy en over mij zou vertellen, dan zou hij een bewijs te meer hebben voor die stelling. Maar eerst en vooral is het noodig, dat wij elkaar verstaan omtrent datgene, wat wij succes noemen. Ik, bijvoorbeeld, ik ben altijd een werker geweest, een harde werker en als ik al mijn gedachten op geld gezet zou hebben, dan zeg ik niet te veel, dat ik een eigen baas had kunnen worden in de knoopsgaten industrie en nu een huis zou hebben in de Bronx en misschien een auto. Als ik dan je neef ontmoette, dan zou hij mij een succes noemen. Misschien als de nazis Amerika in hun macht krijgen en een jodenvervolging beginnen, dan zou ik zelfs een zoo groot man geweest zijn om van mij een honoraire ariër te maken. Is dat niet juist, kameraad Rudy?”
“Messer and Sons hebben vele joodsche klanten, die prompt betalen en die met eerbied worden behandeld.”
“Maar kijk eens hier, kameraad Rudy. Wanneer ik mijn lange uren in de fabriek achter den rug had, dan ging ik naar het partijlokaal en deed partijwerk. Ik schreef redevoeringen en organiseerde de fabrieksmakkers en daarom verloor ik het vertrouwen van den baas. Als er bijdragen noodig waren, dan droeg ik mijn steentje bij, zelfs als ik het uit mijn mond moest sparen. En zoo zie je me nu als een ouwe man, ouder dan ik eigenlijk moest zijn, ziek, alleen en levend van de openbare liefdadigheid. Maar toch weet ik, dat er honderden werkers zijn die dingen weten, waarvan ze nooit iets gehoord zouden hebben als ik geen partijwerk had gedaan en de dag komt, dat zij vrije mannen zullen zijn als gevolg van de dingen, die zij, weten. Daarom heb ik niet het gevoel, dat ik heelemaal een mislukkeling ben geweest.”

V.

Dit was het langste gesprek, dat Rudy ooit van den ouwen man had gehoord en het liep er op uit, dat hij terugviel op zijn bed in een kwaaie hoestbui en het gesprek voor een poosje aan zijn zoon overliet.
“Er zijn zoovele oorzaken van mislukking, kameraad Rudy, maar ook van succes en je moet iedereen afzonderlijk kennen. Ik ben een mislukkeling omdat ik boodschappen doe voor de partij en niet voor een baas. Neem bijvoorbeeld mijn oom Jake, die ook een mislukkeling is en als je hem ontmoet, dan denk je misschien dat dit komt, omdat hij drinkt; maar eigenlijk komt het van zijn dienst in den wereldoorlog, waar zijn gezondheid werd geknakt.”
“Waar is je oom Jake?” vroeg Rudy.
“Hij is taxichauffeur; dus nu is hij een succes, maar niemand weet wanneer hij weer opnieuw zal gaan drinken en weer een mislukkeling zal worden. Neem bijvoorbeeld ook mijn zuster Rosé. Als je haar ontmoet, dan zal je zeker denken, dat zij een succes is, want zij heeft blozende wangen, ziet er goed uit en draagt een bont rond haar hals, zelfs in den zomer. Maar dan zal je eerst moeten hooren, dat dit komt doordat zij bij een zakenman in den smaak viel. Zelfs als ze daar niet in geslaagd was, dan zou ze nooit socialist zijn geworden, want het zit niet in d’r.”
“Laat ons daar niet over spreken,” viel de ouwe Joseph in de rede en Rudy, die de pijn van zijn gezicht kon aflezen, zei: “Toen ik met mijn neef discussieerde, sprak ik hem over Giuseppe Daniele. Ik heb gehoord, dat hij werk heeft en hij ziet er uit, alsof hij zichzelf toch wel verzorgt en ook zijn vrouw.”
“Hij heeft geluk,” zei de ouwe man. “Hij heeft een baas, die er ook naar streeft, dat zijn arbeiders vrije menschen worden en zij mogen doen en zeggen wat zij willen, zoolang zij hun werk doen. Hij is een brave kerel, al ga ik niet met zijn ideeën accoord. Het zal lang duren voor alle menschen goed genoeg zijn om anarchisten te worden.”
Dat was een sombere opmerking, dacht Rudy, maar hij liet niets merken van zijn onwetendheid.
“Ik hield wel van zijn manier van optreden,” zei hij. “Hij heeft over jou hetzelfde gezegd,” bracht Izzy in het midden met een glimlach.
“Is dat waar? Ik zou hem graag weer eens ontmoeten.”
“Dat zei hij ook van jou.”
“Waar kan ik hem treffen?”
“Er is een telefoon in het huis waar hij woont.” Izzy haalde een versleten notitieboekje uit zijn zak. “Ik heb het nummer, want wij zitten samen in hetzelfde comité.” Met een stomp potlood schreef hij het telefoonnummer van den jongen drukker op een stukje papier.
“Zie je,” zoo zei hij, terwijl hij het aan Rudy gaf, “voor jou ben ik niet bang. Ik heb vertrouwen in je Amerikaansch gezond verstand.”
Rudy, die hem zijn glimlach weergaf, dacht weer opnieuw: “Die kleine joden zijn slim als duvels.”

VIII. Fascismo.

I.

Er was iemand, die den strijd in Spanje een kleine wereldoorlog had genoemd en deze zin was zoo toepasselijk, dat dit de algemeene naam werd. De volkeren, die den oorlog haatten en vreesden, volgden den strijd met verbazing en angst, terwijl de groote mogendheden, de eene zoowel als de andere, verklaarden, dat zij geen oorlog wilden, maar voortgingen met er een te laten voortduren op den grond van een ander volk.
Izzy had aan Rudy gezegd, dat landen ten oorlog trekken omdat zij iets willen wat niet zonder oorlog te krijgen is. Wanneer datgene, wat zij willen, iets wordt, waar zij niet langer buiten kunnen, dan wordt de oorlog onvermijdelijk. Het werd elken dag duidelijker, dat de overwinning in Spanje van vitaal belang was voor de fascisten van Italië en voor de nazis van Duitschland, maar evenzeer voor de communisten van Rusland en voor liberale democraten van Frankrijk. Hun prestige was er niet alleen mee gemoeid, maar ook vitale strategische belangen.
Het Amerikaansche volk, dat zooveel levens had verspild en zooveel schatten in een waanzinnige wereldoorlog, verafschuwde de gedachte aan een nieuwe wereldoorlog. Er werd geschreeuwd om een neutraliteitsverklaring, die aan Amerikanen zou verbieden oorlogsmateriaal aan onverschillig welke partij te verkoopen. Laat anderen zich erin mengen als zij dat willen, maar laten wij, het duidelijk maken, dat zij onze hulp niet krijgen.
Rudy Messer las deze beschouwingen in zijn ochtendblad en dacht, dat zij juist waren; maar ’s avonds las hij de socialistische krant en bevond, dat zijn roode vrienden hun gewone handigheid gebruikten om dat alles verkeerd te doen lijken. Het zou, zoo verklaarde dit dagblad de eerste maal in de geschiedenis zijn, dat aan een wettige regeering, die zichzelf tegen opstand verdedigde, het recht werd ontzegd van andere landen de middelen te koopen voor haar eigen verdediging. Als voorbeeld gaf men den Amerikaanschen burgeroorlog. Als Groot Brittanië toen een dergelijke bepaling tegen de regeering van de Unie had uitgevaardigd, dan zou de opstand geslaagd zijn en wat zouden wij dan gescholden hebben op het Britsche volk!
De groote mogendheden hadden een niet-inmengingsovereenkomst geteekend. Groot Brittanië en Frankrijk hielden er zich aan, maar de wijsbegeerte van Italië en Duitschland beschouwde dit niet als goede trouw tusschen landen onderling. Bij het uitbreken van Franco’s opstand, had Mussolini een escadrille bombardements-vliegtuigen gezonden; twee daarvan waren gedwongen in Fransch Marokko te landen, dus dit feit kon niemand tegenspreken. Il Duce zond nu vliegtuigen, tanks, allerlei wapens en schepen vol troepen onder den naam “vrijwilligers”. Hij had zich meester gemaakt van de Balearische eilanden, had de arbeidersleiders neergeschoten en daar een fascistisch regiem ingesteld.

II.

Rudy las deze verhalen en dacht er over na terwijl hij voor zaken door de stad reed. ‘s Avonds wenschte hij dan met iemand te kunnen spreken, die hem iets over de Italiaansche zaken kon zeggen. Hij dacht aan den anarchistischen drukker en op een avond belde hij hem op en zei: “Izzy Bloch zei me, dat ik U wel eens kon komen bezoeken.”
“Natuurlijk,” zei Giuseppe. “Wij zullen het fijn vinden.” Hij was zeer vormelijk en beleefd in zijn taal. Dus reed Rudy naar de wijk, die “Klein Italië” wordt genoemd en zei tegen zichzelf onderweg: “Ik veronderstel, dat alle anarchisten aanstellers zijn, maar ik vraag me af van welk soort.”
Hij zag, dat Giuseppe en Teresa in een huis woonden, dat een mooi gebouw geweest moest zijn voor den burgeroorlog. Zij bewoonden de ruimte, die het salon van het huis geweest moest zijn, met een hoog plafond, versierd met cupidos en hoorns van overvloed. In den laatsten tijd was het gebruikt geweest als speelzaal of iets anders onwettigs, te oordeelen naar de geweldige knippen, die nog aan den binnenkant van de deur zaten. Het jonge paar had de kamer ingericht met schermen, zoodat een gedeelte de keuken was, een ander deel de slaapkamer en het overige was woonkamer, naaikamer, kantoor en studeerkamer.
Het naaien was het werk van Teresa. Hier en daar lagen er helgekleurde dingen en zij zat in een ouwerwetsche schommelstoel en haakte een klein kleedingstuk. “Teresa heeft zoo juist gemerkt, dat zij een baby verwacht,” zoo verklaarde de jonge echtgenoot, “daarom is ze maar direct met dat werk begonnen.” De vrouw toonde geenszins de gebruikelijke verlegenheid bij deze mededeeling en Rudy was niet in zijn arisch instinct van achterbakschheid getroffen.
Het kantoorwerk was in handen van een andere jonge vrouw, die aan een tafel zat, circulaires vouwde en ze in enveloppen deed.
“Mijn schoonzuster, Portia,” zei Giuseppe en Rudy was verbaasd, daar hij verondersteld had, dat de eenige Portia drie of vier eeuwen geleden in Venetië had gewoond. Hij zag een rustig, jong, lief meisje, met frissche wangen en donkere oogen en schitterende tanden, wanneer zij glimlachte.
“Hoe gaat het, kameraad?” zei ze, ging dadelijk weer zitten en begon circulaires te vouwen. “Werk voor ons anti-fascistisch comité,” zoo verklaarde Giuseppe.
Het studeerkamergedeelte was klaarblijkelijk voor hem. Daar lagen stapels boeken en tijdschriften met roode kaften en een kleine krant met een breede kop ’La Battaglia’. Rudy zag het en vroeg: “Wil dat zeggen ‘De Strijd’?”
“Een moreele strijd,” antwoordde de andere met een glimlach. "Je weet toch, wat William Blake geschreven heeft:

“Ik zal niet afhouden van den moreelen strijd

En mijn zwaard zal niet rusten in mijn hand.”

Rudy wist niets van William Blake af, maar veronderstelde, dat hij ook een “kameraad” was.
“Ik ben blij, dat ik nu eens gelegenheid heb met U te praten, ik heb nog nooit een anarchist ontmoet.”
“Vermoedelijk zijn zij zeldzaam in Uw deel van de wereld,” antwoordde de andere. “Ik werd onder hen grootgebracht, dus vind ik anarchisten tamelijk vanzelfsprekend.”
“Ik ken ook vrijwel geen Italianen,” voegde Rudy er aan toe. “Ik ontmoet er enkelen als klant, maar ik ken ze niet goed. Mijn vader was een Duitscher.”
“Nou, Uw volk en het mijne komen dichter tot elkaar, kameraad Rudy.” (Zij wilden hem allen persé in hun beweging trekken!)
“U weet, dat Mussolini geheele vloten vliegtuigen zendt om de Spaansche opstandelingen te helpen en Hitler zendt scheepsladingen oorlogsmateriaal via Portugal. Maar ik zou den Fuehrer niet aanraden al te veel op Il Duce te rekenen; wij, Italianen, wij kennen hem maar al te goed.”
“U bewondert hem zeker niet, is ’t wel?”
“Wij hebben geen woorden, noch in het Engelsch, noch in het Italiaansch om uit te drukken wat wij van hem denken. Ziet U, hij is een verrader, hij was een der vurigste revolutionnairen en hij gebruikte tegen ons wat hij van ons had geleerd.”
Rudy was verwonderd dit te hooren.
“Dat gebeurde toen ik een kind was, zoo verklaarde hij,”en ik weet er vrijwel niets van. Ik zie zijn foto in de krant. Hij schijnt steeds meer opgeblazen te zijn en op het punt te staan uit elkaar te barsten."
Giuseppe lachte en zijn rustig klein vrouwtje en haar zuster lachten mee – dat was haar eenig aandeel in het gesprek.
“Die twee vrouwen houden niet van hem”, zei de echtgenoot, “omdat hij hun vader in een concentratie-kamp heeft opgesloten. Hij heeft de grootste geesten van Italië in de gevangenis gezet. Maar wij hopen, dat dit Spaansche avontuur voor hem het einde zal zijn. Hij moet maar eens leeren inzien, wat vrije mannen doen kunnen om hun vrijheid te verdedigen. Alleen al in Catalonië zijn er zoowat een half millioen anarchisten, ieder van hen zal hij moeten dooden – en ieder van hen zal hem een boel geld kosten.”

III.

Giuseppe nam zijn gast mee naar een der twee groote ramen van de kamer, die open stonden en een briesje wind binnenlieten. Daar zaten ze eigenlijk op straat; er waren menschen op de stoep vlakbij en een menigte kinderen speelden en schreeuwden. Gemengde geuren werden ook door dat briesje naar binnen gedragen. Maar de jonge drukker scheen voor dat alles onverschillig te zijn; niemand nam notitie van hen beiden en weldra had Rudy alleen nog maar aandacht voor datgene, wat Giuseppe zei.
De lantaarns van de straat schenen op het gelaat van den jongen drukker, een intellectueel gelaat met een hoog voorhoofd, smal boven de slapen en naar boven breed uitloopend, waar het gegolfde zwarte haar in dikke lagen uitstak – vooral wanneer Giuseppe er met zijn vingers doorging onder het gesprek. Zijn kaakbeenen waren groot en uitstekend, zijn tanden gelijk en blank en zijn neus was recht en smal, alsof een beeldhouwer hem juist had uitgehouwen. Giuseppe was naar Amerika gebracht toen hij nog zeer jong was, zoo vernam Rudy; zijn vader was dokter geweest, die te veel belangstelling voor de armen had getoond, jong gestorven was en weinig had nagelaten. (“Weer een mislukking!” zoo dacht Rudy, die altijd in den geest aan het debatteeren was met zijn familie, terwijl hij met deze proletariërs sprak).
“Dus,” verklaarde Giuseppe, “was ik niet in staat mijn vader in zijn beroep op te volgen. Maar het is beter zoo, ik ben nu in staat de arbeiders op een manier te helpen, die beter is dan hun gezondheid te verzorgen. Het kapitalistische systeem brengt meer ziekte voort en vernietigt meer levens dan alle dokters ter wereld in staat zijn te genezen of te voorkomen.”
Aldus Rudy: “Mij is geleerd, dat het kapitalistische systeem een voorwaarde is van den vooruitgang, dat het massa productie en distributie mogelijk maakt.”
“Het is ongetwijfeld een vooruitgang vergeleken bij het feodalisme,” antwoordde de andere. “Maar het heeft zijn eigen levenscyclus. Het doet een dergelijke concentratie van welvaart in enkele handen ontstaan, dat het niet langer meer distribueeren kan wat het produceert en dan kan het niet langer meer produceeren. Dat hebt U in de laatste zeven jaar kunnen opmerken.”
“Ik begin de gedachte te begrijpen,” erkende Rudy. “Wij, arbeiders, zijn degenen, die onder het kapitalisme lijden en wij weigeren met dit stelsel onder te gaan. Wij stellen het zoo, dat wanneer de kapitalisten niet langer de machines kunnen doen loopen, het tijd is voor ons om ze te nemen en ze te doen loopen ten bate van allen.”
“Dat klinkt alles zeer redelijk,” erkende de jonge verkooper, “maar hebben de arbeiders hier verstand van, zijn ze hiertoe bekwaam?”
“Nee, nog geen van beiden. Zij moeten opgevoed en georganiseerd worden. Er is heel veel verwarring en er bestaan vele verschillende meeningen omtrent de beste manier om de productiemiddelen over te nemen. Dat vertraagt de verandering en maakt de overwinning langzamer. Maar de arbeiders kunnen het niet opgeven – om de eenvoudige reden, dat mislukken voor hen zeggen wil: sterven.”

IV.

Dit was, dat wist Rudy, de leerstelling van alle rooden. Hij begreep de verschillen niet, die hen verdeelden, maar hij was niet gekomen om dat te vragen. Hij wilde het Italiaansche fascisme leeren kennen, waarom het zich met Spanje bemoeide en wat het hoopte daar te kunnen winnen.
Hij vroeg en Giuseppe vertelde de geschiedenis hoe het fascisme in zijn land was gekomen. In de ontreddering en in de ellende na den wereldoorlog, hadden de arbeiders vele fabrieken bezet; maar zij konden deze niet beheeren, omdat zij afhankelijk waren van Britsche kolen en natuurlijk, de Britsche kapitalisten of anderen gaven hun geen crediet. De bezittende klassen in Italië keken uit naar een redder en hij werd hun gezonden.
“Ik weet niet,” zoo zei Giuseppe, “of het U bekend is, dat wij onzen schitterenden Duce aan jullie, Amerikanen, te danken hebben?”
“Hoe is dat mogelijk?”
“Uw edele president Harding had als gezant naar Italië gezonden een literaire kampioen van de groote zakenwereld, een zekere meneer Richard Washburn Child. Later keerde deze meneer naar Amerika terug en gaf hoog op over datgene, wat hij had gedaan, dus dit is de zuivere waarheid. Mussolini, revolutionnair redenaar en publicist werd patriot en vertelde hem zijn plan om een zwarthemden leger op te richten teneinde de orde te herstellen. Als dit niet gebeurde, dan zou het geld, dat aan Amerikaansche bankiers verschuldigd was, voor altijd verloren zijn. Zouden de bankiers niet bereid zijn hun oude leeningen door een nieuwe te redden? Meneer Child besprak de zaak met het huis Morgan en een leening van twee honderd millioen werd aan het zwarthemden regiem verstrekt. Nu is de Duce aan de regeering – maar U kunt zien, dat de Amerikaansche bankiers het billioen, dat zij voor den wereldoorlog hebben voorgeschoten niet ontvangen, evenmin als de twee millioen, die zij daarna hebben verstrekt.”
“Zoo, zoo, is dat de manier waarop regeeringen worden gevormd!” riep Rudy uit.
“Tegenwoordig worden regeeringen gekocht als staalfabrieken of spoorwegen. Hetzelfde gebeurde in Duitschland – Hitler kreeg het geld voor zijn bruinhemden van den Duitschen staalkoning en van de leiders van den electriciteitstrust; die het op hun beurt van het huis Morgan kregen. Nu ziet U het volgende bedrijf in Spanje. Mussolini en Hitler, die nu hun eigen regeering hebben, kunnen niet alleen geld en voorraden zenden, maar ook hun slaven om op het slagveld te worden afgeslacht.”
“Weet U,” zei Rudy “als ik naar U zou luisteren, dan geloof ik dat ik een roode zou worden.”
“Maar dat spreekt vanzelf,” antwoordde de jonge Italiaan. “Dat is het geval met negentig percent van het Amerikaansche volk. Groote zaken hebben U in hun macht – hoe noemt U toch die dingen waardoor de paarden niets zien van wat hen kan doen schrikken?”
“Ooglappen.”
“Er zijn ooglappen aan het volk gegeven, zoodat zij alleen het werk kunnen zien, dat zij dag in dag uit moeten doen. Natuurlijk, als het volk er achter komt hoe het geplunderd wordt, dan zal het in opstand komen; dat is de reden, waarom datgene, wat roode propaganda genoemd wordt, in elk land ter wereld wordt gestraft – soms door het hoofd met een ploertendooder te bewerken, soms door het gewoonweg af te slaan.”

V.

De jonge vrouw van het gezin had haar haakwerk neergelegd en haalde nu vanachter een der schermen een flesch wijn en enkele sneden cake te voorschijn. Rudy vond het pijnlijk, voedsel van deze menschen, die er hard voor moesten werken, aan te nemen; maar hij begreep, dat gastvrijheid hun trots was en dat een weigering beleedigend voor hen zou zijn. Hij stelde zich tevreden met een glas wijn en een stukje cake. Hij had werkelijk niet veel eetlust, want Giuseppe besprak onderwijl de bizonderheden van de vernietiging der beweging van het Italiaansche volk.
“U denkt, dat de arbeiders dom en ongeorganiseerd zijn, maar de arbeiders in mijn land hadden een uitstekend systeem van coöperatie. Zij hadden onderlinge steunfondsen, scholen, kranten, over geheel Italië. Dat werd alles weggevaagd door een brutale reactie, bewapend met moderne moordmachines. Tienduizenden arbeiders en hun leiders werden gedwongen castorolie te drinken. In Amerika werd dat voorgesteld als iets grappigs. Wij denken dan aan iemand, die zoowat honderd keer naar een zekere plaats moet en het wordt een vulgaire mop. Maar in werkelijkheid is het een wreede en vreeselijke manier om iemand te vergeven. Honderden sterven er aan en niemand wordt daarna weer gezond; zijn gestel is ondermijnd en hij is een wrak. Hij is eens en voor altijd zijn sexueele potentie kwijt en dit is voor een Italiaan zeer vernederend. Vergeet ook de duizenden niet, die doodgeslagen werden. Kent U den naam Matteoti?”
“Ik geloof niet, dat ik hem ooit heb gehoord.”
“Ja, de Amerikaansche kranten hebben daar voor gezorgd. Matteoti was een jonge socialistische leider, een der dappersten in ons parlement. Ik ben het niet met de socialisten eens, ik ben van meening, dat, als zij hun zin kregen, wij een nieuwe bureaucratie zouden hebben; maar ik heb eerbied voor een edel mensch en dat was Matteoti. Mussolini liet hem door zijn woestelingen oppakken en doodslaan, daarna wierpen zij het lichaam in een greppel. Ziet U, kameraad Rudy, wat het eigenlijk zijn? Het zijn bandieten, die een natie hebben overweldigd alsof Al Capone heer en meester geworden zou zijn in Amerika.”
“Die vergelijking maakt het me duidelijker,” erkende Rudy.
“Geheel Italië is een vesting of een kazerne geworden. Overal zijn er spionnen, overal is er angst; de hersens en het geweten van het land verrotten in gevangenkampen op naakte eilanden. De arbeiders zien hun loonen steeds minder worden en de prijzen maar steeds stijgen; de werkelijke loonen zijn practisch tot de helft teruggebracht sedert de Duce aan het bewind is. Daarom maakte hij zich meester van Abyssinië om de gedachten van het volk af te leiden; nu is hij Spanje binnengetrokken – maar daar zal hij van een koue kermis thuiskomen. De Spanjaarden zijn vrije menschen en zij, zullen vechten. Zij zullen ook van buitenaf geholpen worden.”
“Ik vraag me af, of dat wel het geval zal zijn?” vroeg de andere.
“Vele Italianen leven in ballingschap, enkelen ontsnapten aan de gevangenis op de eilanden. Zij hebben maar één wensch meer in dit leven, dat is om den tyran te straffen. Nu na veertien jaar is hun kans gekomen. Zij willen Italië in Spanje redden en anderen zullen Duitschland in Spanje redden. Franschen zullen de Croix de Feu in Spanje bevechten. De arbeiders over de geheele wereld zullen dat te weten komen, geloof me, deze oorlog zal niet spoedig gedaan zijn. Het is de val, waar de wereldreactie zal inloopen.”
De jonge drukker zat daar met zijn handen gevouwen, uit zijn gelaat in het licht van den straatlantaarn stroomde een religieuse vroomheid. “Als ik geen vrouw had en als wij geen baby verwachtten, dan was ik nu aan boord van een schip, kameraad Rudy.”
Er trilde iets in Rudy, heel diep in hem, iets wat hij nog nooit eerder had gevoeld. Toen Izzy, de arme kleine “mozes” gezegd had: “iemand moet idealen hebben,” toen had Rudy dat curieus gevonden, om meelij mee te hebben. Maar tegen dezen jongen Italiaanschen idealist zei hij:
“Ik begrijp wat je bedoelt. Als ik Italiaan was, dan zou ik me aanbieden om met je mee te gaan.”
“Maar je bent Duitscher,” zei Giuseppe, “en de bandieten van Hitler zijn daar en vermoorden Spaansche arbeiders.”
Rudy dacht aan menschen, die hun leven veil hadden voor een zaak, waarin zij geloofden. Door de heele geschiedenis waren er dergelijke menschen geweest en nu waren er zulke weer. Hij, Rudy Messer, die zichzelf zoo eenigszins als het zout der aarde had beschouwd, dacht diep na en het drong tot hem door, dat hij zijn tijd besteedde aan het verkoopen van pickles en zuurkool om een bestaan te kunnen verdienen en dan, als hij geld had, het uit te geven voor kleine sletten!

IX. Ruzie in de familie.

I.

Izzy Bloch belde weer op. Een nieuw gevormde organisatie van vrienden der Spaansche democratie zou een massavergadering houden. De spreker zou een bekende schrijver zijn, die in Spanje had gewoond en de toestanden kende, die er voor den opstand hadden bestaan. Wilde kameraad Rudy komen en hooren wat hij te zeggen had?
Kameraad Rudy antwoordde dadelijk, dat hij zou komen. Kameraad Rudy bleek een ontvankelijke jonge man te zijn, die aan den drang om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen niet kon weerstaan, zelfs wanneer zijn gezond verstand hem zeide van de bekoring weg te blijven. Kameraad Rudy was als een hert in het woud, dat een tak hoort kraken en met grooten spoed zou moeten wegspringen; maar in plaats daarvan blijft staan, zijn ooren opzet, het onbekende ding strak aankijkt en zelfs een paar sierlijke stappen naar het gevaar doet. Rudy luisterde naar de woorden van een man, die als eerloos werd beschouwd en die de eeuwenlange verdrukking van boeren en arbeiders in Spanje beschreef. Menschen vechten niet tegen machinegeweren met stokken en zeisen, vrouwen verdedigen geen barricaden met keukenmessen, tenzij er een lange geschiedenis van lijden en ellende achter hen ligt. Het oude Spanje van kerk en troon was aan het sterven in een serie van stuiptrekkingen, waar de spreker de geschiedenis van kende, waar hij verschillende fasen van had gezien.
Hij had de noordelijke provincies, de Asturische provincies genaamd, bezocht, waar de mijnwerkers zichzelf nu tot menschelijke torpedos hadden opgemaakt, waar zij de stad Oviedo met dynamiet vernielden. De kameraden van deze mannen waren twee jaar geleden in massa afgeslacht geworden en het was dezelfde slachter, die zij probeerden in de stad te vangen. Op dezelfde manier, over geheel Spanje, was de eeuwenoude ongerechtigheid bezig haar bittere vruchten af te werpen.
De spreker beantwoordde gedurende geruimen tijd vele vragen, die niet alleen zijn kennis van een land, maar ook van geheel Europa, op een zware proef stelden. Hij scheen den achtergrond van vele belangrijke gebeurtenissen te kennen. Hij, maakte het duidelijk hoe de strijd in Spanje eigenlijk ging tusschen de wereldmachten van dezen tijd, de macht van de groote zakenwereld tegen den arbeid. Franco’s opstand was gefinancierd geworden door de Standard Oil en door de Koninklijke Hollandsche Shellgroep, elke groep had hem vijftien millioen dollar gegeven. Hij was belust op den buit van achthonderd millioen dollar, de goudreserve van de Spaansche regeering in Madrid.
Opnieuw luisterde Rudy naar de debatten, was verwonderd, dat arbeiders zooveel gelezen hadden en zooveel hadden nagedacht, en hij voelde zich beschaamd, dat hij zoo slecht was uitgerust. Hij kende nu wel de verschillende richtingen bij de rooden en hij zag van tijd tot tijd hier en daar geschilpunten opkomen. Dat alles vermaakte en prikkelde hem. Zoo nu en dan, verbaasd over een standpunt, dat hij niet thuis kon brengen, boog hij, zich voorover naar Izzy en fluisterde hij een vraag.
Wat was een Trotskyist, waarom waren zij in Spanje en wat deden ze daar? Wat was het verschil tusschen een socialist, die tegen kapitalistische oorlogen was, en een pacifist, die tegen elken oorlog was?
Het was een groote vergadering. Er waren vele goedgekleede menschen. Rudy merkte aan vele dingen, dat zij even rood waren als de arbeiders. Hij bekeek hen met de oogen van zijn neef en vroeg zich af, wat er verkeerd aan hen was. Hij voelde, dat hij iets gedurfds deed, iets gevaarlijks door in dergelijk gezelschap te zijn.

II.

Deze zucht naar avontuur werd nog door iets verhoogd, dat op den volgenden dag gebeurde. Gewoonlijk telefoneerde Rudy naar kantoor de bestellingen, die hij geboekt had; maar soms, wanneer hij dicht bij de fabriek was, dan ging hij, binnen en gaf de bestellingen op en besprak het aanstaande werk met zijn chef. Toen hij nu het kantoor verliet, –het was sluitingstijd en vele arbeiders stroomden door de fabriekspoorten naar buiten, met hun jas op den arm en etensblikken in de handen,– kwam er een jonge, verstandig uitziende arbeider naar hem toe.
“Meneer Messer,” zei hij, “mag ik U even spreken?”
“Welzeker,” antwoordde Rudy.
“Ik zou U graag willen zeggen hoezeer sommigen van ons waardeeren wat U doet.”
“Wat doe ik dan?” vroeg de andere verbaasd.
“Ik bedoel de houding, die U tegenover de nazis hebt aangenomen.”
“Maar,” zei Rudy, “ik heb geen enkele houding aangenomen.”
De man glimlachte.
“U neemt een houding aan wanneer U tracht de waarheid te vinden. Dat is alles, wat wij, anti-nazis, verlangen.”
“Werkelijk, ik wist niet, dat er iemand wist wat ik denk of dat er iemand zich om bekommerde.”
De glimlach van den jongen arbeider werd breeder.
“Ik verzeker U, dat wij het weten, meneer Messer. In de geheele fabriek wordt er over gesproken.”
“U verbaast mij!” Rudy vond deze onverwachte belangstelling niet prettig.
“Een paar van onze kameraden waren op die Spaansche vergadering gisteravond. Ik wilde, dat ik er iets van geweten had, dan was ik ook gegaan.”
“Het was een belangrijke vergadering,” erkende Rudy.
“Maar ik wist niet, dat ik eenige aandacht trok.”
“Er is strijd aan den gang, meneer Messer, en je kan niemandsland niet overloopen zonder te worden gezien.”
Zij waren onder het gesprek verder gegaan en gekomen bij de plaats waar Rudy’s auto geparkeerd stond. Toen zij daar bleven staan, verzamelde de jonge arbeider al zijn moed en zei:
“Ik vraag me af, of U wel eens danst, meneer Messer?”
“Natuurlijk,” antwoordde Rudy. “Ik heb alles niet opgegeven voor de politiek.”
“Wij trachten opvoeding en vermaak te doen samengaan,” zoo verklaarde de andere. Hij had een ernstig, nadenkend gelaat en Rudy voelde zich tot hem aangetrokken. “De vereeniging van Duitsche arbeiders organiseert een danspartij morgenavond en ik vraag me af of U een uitnoodiging van mij zou willen aanvaarden.”
“Dank U wel,” zei Rudy. “Ik kom misschien wel als ik niet moet werken.” Hij wist, dat hij niet moest werken, maar zijn instinct van zelfverdediging was gewekt. “In elk geval, ik zal een kaartje koopen.”
“Zooals U wilt. Het kost maar vijftig cents en is geldig voor heer en dame. De ontvangsten gaan naar de goeie zaak.”
“Dat is nogal goedkoop. Ik zal twee kaartjes nemen en als ik komen kan, dan breng ik nog een ander paar mee.” Een plotselinge gedachte was in hem opgekomen, uit, hij wist niet welke, diepte van zijn onderbewustzijn. Die twee aardige Italiaansche vrouwtjes, die hij ontmoet had, misschien konden zij wel goed dansen!

III.

Daar het Dinsdagavond was, de avond voor een “conferentie”, reed Rudy naar het huis van zijn oom. Aan tafel maakte hij, enkele opmerkingen over het weer –het was juist begonnen te regenen– en prees de Apfelstrudel; maar toen de familie over den politieken verkiezingsstrijd begon en over de talrijke misdaden van Roosevelt, zei hij geen woord meer. Was zijn gevoel juist, dat er een zekere terughoudendheid lag in de houding van de familie tegenover hem? Was het juist, dat zijn nicht Anna hem met wantrouwende oogen aankeek, wanneer ze dacht, dat hij het niet zag?
De mannen trokken zich terug in de bibliotheek van oom Hermann. Die kamer werd zoo genoemd, alhoewel er maar weinig boeken waren die nog zelden werden aangeroerd. De ouwe man nam zuchtend plaats in den grooten leunstoel. Hij zag er moe en bezorgd uit en Rudy vond iets ziekelijks in de manier, waarop hij zijn beetje haar had geborsteld over zijn kalen roodachtigen schedel.
Fritz ging ook in een grooten stoel zitten – hij werd dikker en zijn geest was langzaam en zwaar als die van zijn vader. Ernie zat stijf rechtop, zooals altijd, alsof hij een van die Pruissische uniformen met stijf boord droeg. De andere neven waren uit de stad, dus er was gelegenheid om belangrijker zaken te bespreken dan den stand van de Heinzelmann rekening en het succes of de mislukking van het nieuwe merk pickles. De ouwe Hermann aarzelde, daarna schraapte hij zijn keel, weifelde weer opnieuw.
“Rudy”, zoo zei hij tenslotte, “er is iets, waarover ik je wil spreken.”
“Ja, oom Hermann?” Rudy was in een gemakkelijke stoel gaan zitten, maar kwam nu wat rechter om beleefd te zijn tegenover zijn voogd.
“Ik wil niet, dat je denkt, dat ik inlichtingen heb gevraagd over je particuliere zaken, maar Muhlhausen heeft mij een verslag uitgebracht, dat mij verontrust.”
Muhlhausen was de opzichter in de fabriek, die belast was met de taak de arbeiders ervan te overtuigen, dat zij op Landon in plaats van op Roosevelt moesten stemmen.
“Hij vertelt mij, dat er in de fabriek heel veel geroddeld wordt over het feit, dat jij met bekende rooden omgaat.”
“Ja, oom Hermann,” zoo erkende Rudy. “Een van de arbeiders zei het me daarstraks.”
De ouwe heer schraapte opnieuw zijn keel.
“Kijk eens, Rudy, ik wil jou je vrijheid niet ontzeggen, maar ik moet de kwestie als iets zakelijks zien. Wij leven in een troebelen tijd en wij hebben het niet gemakkelijk gehad om onze zaak staande te houden. Jij bent aandeelhouder, al is het dan ook maar een klein aandeel, het is alles wat je bezit en je kunt je niet veroorloven daar schade aan toe te brengen door een onverantwoordelijk gedrag.”
“U bedoelt, oom Hermann, dat onze klanten ons zouden boycotten als zij wisten, dat ik enkele socialistische vrienden heb?”
“Hoe kan je denken, dat ze dat niet zouden doen, Rudy?”
“Dat pleit niet erg voor onze klanten,” zoo waagde de jonge man te zeggen.
De ouwe heer wachtte met zijn antwoord en Fritz nam de gelegenheid waar om iets te zeggen:
“Het is overbodig daar nader op in te gaan, Rudy. Wanneer je zaken doet, dan moet je de klanten nemen zooals ze zijn en geen ruzie met hen zoeken. Wij zenden je uit als vertegenwoordiger van de firma.”
“Dat is inderdaad juist,” zoo gaf Rudy dadelijk toe. “Maar ik moet volgende week weer in Columbia beginnen, dus kan je vertellen, dat ik geen relaties meer heb met de zaak. En wat mijn aandeel betreft, dat risico wil ik wel loopen. Als het jullie verveelt, dat ik dat aandeel bezit, dan ben ik bereid het te verkoopen en zal ik jullie niet overvragen.”
Zij keken hem verschrikt aan.
“Dan hebben die rooden je inderdaad te pakken, Rudy!” zoo riep Fritz eindelijk uit.
“Ze hebben mij in zooverre te pakken, Fritz, dat ik van plan ben het verstand, dat ik heb, te gaan gebruiken en mezelf niet op te sluiten in een donkere kamer. Ik word verondersteld een universitaire opleiding te genieten en mijn professoren hebben mij geleerd belangstelling te hebben voor alles wat er gaande is en mijn geest wakker te houden.”
“Ach, du lieber Gott!” zoo klaagde de ouwe Hermann. “Ik heb je altijd gezegd, dat die heele universiteit niet veel goeds kon opleveren.”

IV.

Ernie had zijn mond nog niet opengedaan. Maar Rudy begreep wel wie deze conversatie op touw had gezet. Hij was dan ook niet verbaasd toen Ernie zich in het gesprek mengde:
“Ik weet, dat je nooit veel sympathie voor Duitschland hebt gehad, Rudy. Maar vind je niet, dat jij rekening moet houden met onze gevoelens voor het Vaderland?”
“Ik kan niet inzien hoe Duitschland en het feit, dat jullie Duitschers zijn hier in de verste verte iets mee te maken hebben, Ernie. Ik heb niets anders gedaan dan trachten uit te vinden wat de oorlog in Spanje beteekent, wat de oorzaak ervan is.”
“Maar je weet toch, dat er Duitsche troepen in Spanje aan het vechten zijn!”
“Dat heb ik gelezen, maar ik kan niet inzien waarom ze daar moeten zijn.”
“Omdat je al een rooie bent geworden! Jij maakt je er niet bezorgd over als de communistische bedreiging vasten voet krijgt in het Westen van Europa!”
“Kalm aan, Ernie!” zoo protesteerde de vader.
Maar Ernie had het onderwerp aangesneden, dat een soort obsessie voor hem was – de bolsjewistisch joodsche samenzwering. “Ze hebben een goed georganiseerde tactiek uitgevonden! Ze besteden vermogens aan de propaganda, dan doen zij een opstand uitbreken en geven geld en munitie en maken zich meester van het land.”
“Da s vreemd,” zoo deed Rudy opmerken. “Dat zijn dezelfde woorden, die ik de socialisten heb hooren gebruiken – een goed georganiseerde tactiek, alleen is het een tactiek van de fascisten zooals zij het beweren. En zeer zeker hebben die dat gedaan.”
“Goed dan, maar wij moeten den duivel met vuur bestrijden”, gaf de neef toe. Iedereen weet wie die moeilijkheden in Spanje is begonnen."
“Ik dacht, dat het Franco was, die tegen de regeering opstond.”
“Maar wat voor een regeering was dat? Eenvoudig een bolsjewistisch-joodsche samenzwering! Het was een communistische regeering, die met Russisch goud aan het bewind was gebracht.”
“Ik weet er niet zoo heel veel van, Ernie, maar mij is gezegd, dat het een democratisch gekozen regeering was en dat er geen enkele communist of socialist zitting in had.”
“Natuurlijk, ze vullen jou op met leugens! Daarom is het zoo dwaas van je, dat je naar hun geraaskal luistert.”
“Maar dat kunnen we toch gemakkelijk nagaan, Ernie – hoe die regeering samengesteld was. Zij kwam in het begin van dit jaar aan het bewind. Ben je d’r wel zoo zeker van, dat het een communistische regeering was?”
“Ik weet niet hoe zij zichzelf noemde; waarschijnlijk vermomde zij zich onder een andere naam – die rooien zien er geen been in van etiket te veranderen als ze maar krijgen wat ze willen.”
Rudy wist, dat het onbegonnen werk was met dezen neef te redetwisten; maar zoo gaat het altijd met ruzies in families, de menschen weten niet van uitscheiden als ze eenmaal op gang zijn.
Aldus Rudy:
“Als je die regeering communistisch noemt, bedoel je dan in denzelfden zin als je de Roosevelt regeering communistisch zou noemen?”
“Waar wil je nou naar toe?” wierp de andere driftig tegen.
“Ik wil duidelijk en klaar trachten te stellen wat je bedoelt. Veronderstel nu eens –bij wijze van spreken– dat Roosevelt opnieuw wordt verkozen en zijn New Deal doorzet – zou je dat dan een onderdeel noemen van de bolsjewistisch-joodsche samenzwering?”
“Je weet wat ik daar over denk, Rudy. Kijk eens naar al die joden in de regeering! Kijk eens naar Frankfurter en naar al die omkoopbare ambtenaren!”
“Goed, goed, dat doe ik al. En veronderstel nu eens, dat de een of andere Franco in Amerika opstaat om al die ambtenaren eruit te trappen – zou die beweging dan je sympathie en je steun hebben?”
“Wij weten immers wel, dat het daar nooit toe komen zal, Rudy,” onderbrak zijn oom.
“Daar kan je op wedden!” riep Ernie uit. “Wij zullen Roosevelt op straat zetten.”
“Maar veronderstel nou eens –het is maar een bloote veronderstelling– dat je daar niet in slaagt. Wie zal je dan steunen. Franco of Frankfurter?”
De ouwe Hermann hield niet van de wending, die het gesprek had genomen en trachtte er weer een eind aan te maken.
“Ik weet zeker, Rudy, dat Ernie nooit aan een dergelijken afloop heeft gedacht.”
“Maar dat kan best gebeuren en spoedig ook, oom Hermann. En daarom vraag ik, als dat gebeurt, welke houding zullen de Duitschers dan aannemen? Zal de Fuehrer dan munitie zenden om de New Deal te verslaan? Zal Mussolini dan bombardementsvliegtuigen zenden en Washington vernielen?”
Ernie zat stijver dan ooit in zijn stoel, zijn koude, blauwe oogen werden kleiner en zijn lippen krulden om.
“Ik denk, dat het beter is de kwestie af te maken waar wij mee begonnen zijn, Rudy. Ben je al of niet van plan ons te dwingen je als een lid van onze familie te verstooten?”

V.

De Marxistische leer van den klassenstrijd werd weer eens te meer bewaarheid. Twee legers stonden tegenover elkaar voor den strijd opgesteld en zooals de jonge arbeider van Messer and Sons het gezegd had, je kon niet over niemandsland gaan zonder te worden gezien en zonder dat men op je schoot. Oom Hermann ouwerwetsch en goedhartig, wilde geen geweld; hij probeerde den zoon van zijn broer te overtuigen, die zoo goed als een eigen zoon was geweest jaren geleden. Het was toch onmogelijk, dat deze jonge man bereid was met zijn familie te breken om een politieke kwestie! De ouwe man probeerde te betoogen, maar hij kon het niet met eenig resultaat doen, want hij kende de feiten niet. Zooals iedereen stond hij hulpeloos in den greep der machten, die de moderne wereld verscheuren. Hij kon er alleen voor pleiten, dat de menschen toch niet zoo opvliegend moesten zijn, zij moesten zich toch niet zoo opwinden en zulke afschuwelijke dingen zeggen. Arbeiders moesten geen ruzie maken met hun werkgevers, Amerikanen moesten geen ruzie maken met Duitschers.
“Oom Hermann,” zei Rudy. “Ik weet, dat U in Uw binnenste dat geweldsregiem, dat de macht heeft gegrepen in Uw geboorteland, niet kunt goedkeuren.”
“Maar wat kan ik er aan doen, Rudy? Het Duitsche volk wil het.”
“Dat ontken ik, oom Hermann. Het Duitsche volk werd belogen en verraden. Het werd in den waan gebracht door die komedie van den brand van het Rijksdaggebouw –”
“Goeie God!” viel Ernie in. “Hij gelooft die krankzinnige rooie leugen!”
“Het kan zijn, dat ik een rooie leugen geloof, Ernie, het kan ook zijn, dat jij een witte leugen gelooft. Het eenige wat ik kan zeggen is dit: Ik geloof in wat voor mij de waarheid schijnt te zijn en in iets anders kan ik niet gelooven.” En hij wendde zich verder tot zijn oom:
“Ernie vroeg mij met hem mee te gaan om enkele van zijn nazis te ontmoeten. Ik heb dat gedaan. Ik bevond, dat het menschen zijn, die ik niet kon uitstaan. Ik geloof niet, dat zij de waarheid zoeken of dat zij zich om de waarheid bezorgd maken. Maar Ernie heeft mijn vrienden niet ontmoet en ik weet, dat het tijdverlies zou zijn het hem te vragen.”
“Dat is tenminste een ding, waarin je gelijk hebt!” snauwde de neef.
“Ziet U wel. Ik ben bereid beide partijen te hooren, maar Ernie wil dat niet. Hij wil, dat ik beide partijen niet hoor en ik wil daar niet mee ophouden.”
“Bedoel je, dat je dat zou weigeren te doen als vader het je verbood?”
“Hij heeft het me niet verboden en ik geloof niet, dat hij dat doen zal. Hij is daar te eerlijk voor. Hij heeft me gezegd, dat mijn houding schade kan berokkenen aan de zaak en ik heb gezegd, dat, als dit zoo is, ik bereid ben mij uit de zaak terug te trekken. Dat is absoluut eerlijk en ik word er op die manier niet uitgezet.”
Er was een poos stilte. Ernie keek zijn vader aan, wachtte of hij nog iets zou zeggen, maar de ouwe man bleef zwijgen.
Eindelijk zei Fritz:
“Je maakt het voor ons vreeselijk moeilijk, Rudy. Wil je, dat wij aan de klanten zeggen, dat je met ons gebroken hebt?”
“Wel zeker, Fritz. Zeg hun wat je denkt noodzakelijk te zijn om de zaak te beschermen. Jullie hebben geen sympathie voor mijn gedachten en waarom zou ik erover ontstemd zijn, dat jullie dat vertellen? Ik wil op eigen beenen staan, niet op die van jullie. Ik wil jullie niet kwetsen en ik wil jullie ook geen pijn doen. Ik wil alleen vrij zijn te denken wat mij juist schijnt en daarnaar wil ik handelen.”

X. Stormtroepen.

I.

Rudy kwam dien avond thuis en voelde zich bedroefd en eenzaam. Nu had hij een ideaal en hij zou moeten leeren dit in de plaats te stellen van familie, van herinneringen en van relaties uit zijn vroeger leven. Hij zou moeten worden als een slang, die haar huid afwerpt of als de nautilus in een kamer, waar de dichter van zong: “Bouw nu maar groote kasteelen!”
Alleen in zijn kleine kamer, nam hij de telefoon en belde het eenige rooie huis op, waarvan hij wist dat het een telefoon had. Een vrouwenstem antwoordde en hij vroeg:
“Is Giuseppe thuis?”
“Nee, hij is naar een comité vergadering.”
“Wie is daar?”
“Portia.”
“Hoe gaat het met je Portia? Je spreekt met Rudy Messer. Zeg, dansen anarchisten wel eens.”
“Waarom, ja – waarom niet, kameraad Rudy?”
“Ik wist niet of dit anti-revolutionnair was. Dans jij, Portia?”
“Ik dans als ik kan.”
“Wat bedoel je met kunnen?”
“Als de een of andere aardige jonge man het mij vraagt.”
“Ben ik een aardige jonge man, Portia?”
“O, de aardigste, kameraad Rudy.”
“Nou dan, wil jij met mij Zaterdagavond gaan dansen?”
“O, kameraad Rudy, hoe lief van je! Ik weet niet wat ik daar op moet zeggen.”
“Danst Giuseppe ook?”
“Niet dikwijls – hij heeft geen tijd.”
“Maar hij kan toch dansen?”
“Zoo’n beetje.”
“Ik heb twee kaarten voor een danspartij van de –laat eens kijken, wat is het ook weer? De Duitsche Arbeiders Vereeniging–. Op elke kaart hebben een heer en een dame toegang, dat staat er op gedrukt. De ontvangsten zijn voor de anti-nazi beweging, dus zal Giuseppe het wel goed vinden.”
“O, zeker; hij zal het fijn vinden.”
“Danst Teresa ook?”
“Een beetje. De dokter zegt, dat zij elken dag een beetje beweging moet nemen, maar zich niet mag vermoeien.”
Rudy merkte op, dat de vrouwen zoowel als de mannen van het Daniele gezin het zwangerschap-verschijnsel als vanzelfsprekend opvatten.
“Nou dan, Portia, wat zou je d’r van zeggen, als wij met z’n vieren Zaterdagavond eens naar die danspartij gingen?”
“O, ik weet zeker, dat dit heerlijk zou zijn!”
“Het begint om acht uur. Ik denk, dat het verstandig zal zijn als wij vroeger weggaan. Ik zal jullie komen halen om half acht.”
“Fijn, kameraad Rudy.”
“Ik kom jullie met mijn auto halen.”
“Werkelijk? Dat zal de eerste keer zijn, dat ik in een auto rijd!”
“Dat is toch zeker niet waar, Portia?”
“Waarom zou dat niet waar zijn? Dacht je dan, dat wij een auto konden houden?”
“Ik dacht, dat soms een vriend….”
“Jij bent de eerste vriend van ons, die een auto bezit, kameraad Rudy; het zal een groote gebeurtenis zijn in mijn leven.”

II.

Overeenkomstig zijn belofte onthield Rudy zich den volgenden dag ervan verdere nadeelen aan de firma Messer and Sons toe te brengen. Hij bleef op zijn kamer en las socialistische tijdschriften en brochures. Daarna ging hij naar de universiteit om alles voor zijn inschrijving te regelen en bleef een poosje buiten zitten om het collegerooster in te kijken. Hij was nu vast besloten verdere belangstelling voor Spanje aan den dag te leggen. Zou hij de colleges volgen over Spaansche literatuur of over Spaansche geschiedenis? Hij wilde ook het college volgen over moderne arbeidsproblemen, om te weten te komen, wat de professoren over socialisme te zeggen hadden. Maar hij was hier niet meer zoo nieuwsgierig naar als vroeger, want hij was op een punt gekomen, waar hij zonder het zelf te weten, bijna eigen meeningen vormde en zelfs een debat met een professor zou hebben aangedurfd.
Hij ging naar de bibliotheek en nam een paar boeken over het moderne socialisme. Nu hij daar toch eenmaal was, deed hij iets zeer ongewoons voor hem – hij zocht naar een inlichting zonder hiervoor van den een of anderen professor een aanwijzing te hebben gekregen en zonder dat ze nodig was voor een college.
Hij dacht aan de bewering van Ernie, dat de Spaansche regeering bij het uitbreken van den opstand een rooie regeering was geweest. Hij raadpleegde de New-York Times en las in de editie van 20 Februari 1936 het artikel over de vorming van de nieuwe regeering, onmiddellijk na de overwinning van het volksfront bij de verkiezingen.
Izzy Bloch had gelijk en Ernie had ongelijk. In die regeering was er geen enkele socialist noch communist opgenomen. De eerste minister was Azaña, een linksch republikein, die vroeger reeds eerste minister was geweest en die met groote gestrengheid een arbeidersopstand had onderdrukt. De socialisten hadden een zetel in de nieuwe regeering geweigerd, omdat zij hem wantrouwden als mensch en als politicus. De regeering, waar de fascisten hun opstand tegen begonnen waren en waar zij vijf maanden later tegen vochten was een soort van “New Deal” regeering en stond ongetwijfeld onder den invloed van Roosevelts voorbeeld. De familieruzie had Rudy’s geest zoo sterk in haar greep, dat hij in gedachten wel een dozijn keer op dien dag deze feiten aan zijn neef Ernie mededeelde en bijna even veel keeren aan zijn oom en verschillende malen aan Fritz en Anna – dit alles in een denkbeeldige uitbreiding van hun discussie.

III.

Rudy reed dien zelfden namiddag naar de benedenstad om te vernemen hoe de familie Bloch het maakte en ook om aan Izzy het bericht mee te deelen, dat de bibliotheek van de Columbia Universiteit zijn lezing van de Spaansche geschiedenis bevestigde. Nadat Rudy de trappen van de sombere, ouwe huurkazerne was opgeklommen en op het punt stond aan de deur te kloppen, hoorde hij gepraat in de kamer en vond de familie Bloch bij elkaar.
Oom Jake, de taxichauffeur, had Rosé naar huis gebracht –zij was de voorspoedige dochter van het gezin– om te zien hoe de ouwe man het maakte. Oom Jake had een gezicht als dat van een volle maan met een melancholische uitdrukking. Hij was bijna veertig jaar oud en zijn haar vertoonde hier en daar grijze streepen. Hij had het zwart geverfd, ongetwijfeld om een betrekking te krijgen; maar nu hij er een had, was hij zorgeloos geworden met het gevolg dat er grijze plekken aan de haarwortels zaten. Het bleek dat hij ondanks zijn bezorgd uiterlijk, gevoel voor humor had en als hij lachte dan kwamen er vele rimpels in zijn rond gelaat.
“Het is die verdomde oorlog, die alle ellende voor mij heeft gebracht,” zoo deed hij in den loop van het gesprek opmerken.
“Ik heb oom Jake over den oorlog in Spanje verteld,” verklaarde Izzy, “maar ik kan zijn belangstelling hiervoor niet opwekken.
”Ik?" zoo zei Jake. “Elken keer, als ik jarig ben, zeg ik dat er weer minder kans is, dat ze mij in hun volgenden oorlog zullen krijgen.”
Rosé was het elegante lid van de familie; zij had wat haar oom noemde “pesoonlijkheid”. Haar kleeding was nieuw en vroolijk en zij droeg, zooals Izzy het beschreven had, een bont om haar hals, zelfs in den zomer. Zij had haar bont afgelegd, maar niet de juweelen, die zij aan hals en polsen droeg. Het was haar hoogst aangenaam den keurigen meneer Messer te ontmoeten en zij sprak in hoofdzaak voor hem. Den vorigen avond was zij naar wat zij een “tiater” noemde, geweest en ze had een fijn stuk gezien over fijne menschen. Zij vertelde het verhaal. Zij vond het vervelend, dat Paps er niet goed uitzag en ze had zoo graag gewild, dat zij hem naar buiten kon zenden in de heete dagen.
Rudy hield zich op zijn best tot oom Jake ten slotte zei: “Ik moet ’m smeren, Rosie. Als ik niets in mijn taxi krijg, dan krijg ik van de maatschappij op mijn kop.” Het bleek dat hij, wanneer hij zijn nicht naar haar familie reed, het vlaggetje “Vrij” liet opstaan, zoodat de rit niet op den meter werd aangeteekend. Rosé hield zich dan achter in den taxi verscholen en Jake reed hard om de passagiers-sollicitanten, die hem een teeken gaven, niet te zien.
Zij vertrokken en Izzy verontschuldigde zich bij zijn vriend over dat gezellig half uurtje. Zijn zuster woonde met een ouwen handelaar in bont, die goede zaken deed en die haar best behandelde. Paps wilde geen geld van haar aannemen, maar zij bracht vaak voedsel, liet dit achter en dat kon hij toch niet weigeren te aanvaarden. Omdat zij socialisten waren, zoo verklaarde Izzy, maakten zij geen ruzie met zijn zuster omdat zij met een getrouwden man leefde. Er waren vele menschen ongelukkig getrouwd en wat zij daar aan deden, dat was hun eigen zaak. Maar, waar Izzy zich voor zijn zuster over verontschuldigde, was, dat zij geen idealisme had; de beweging beteekende niets voor haar, ze had eenvoudig niet genoeg verstand om te begrijpen waar het om ging.
De ouwe Joseph, zwak en moeilijk van adem, lag stil en rustig, terwijl zijn zoon dat harde oordeel over zijn dochter uitsprak. De arme Joseph zag er ziek uit en Rudy vond dat hij elken keer, als hij hier kwam er nog slechter uitzag. Rudy leerde inzien hoe onbescheiden het is met de armen kennis te maken, je gevoelens te doen uitgaan naar hen, die op den ondersten trap staan en die door de maatschappij tot ondergang zijn gedoemd, onverschillig of deze langzaam en pijnlijk komt, of snel en genadig.

IV.

Op Zaterdagavond, stipt om half acht, hield de kleine auto van Rudy stil voor het voormalige heerenhuis van het gezin Daniele. Daar wasi Giuseppe met een nieuwe roode das en de twee vrouwen, Teresa in een crême japon, Portia in een paarse. Zij zagen er fijn uit en waren zeer opgewekt, omdat de knappe jonge Amerikaan hen in zijn auto kwam halen.
“Ze staan al een half uur te wachten!” verklaarde Giuseppe en hij voegde er onhoffelijk aan toe: “Als zij met mij uit moeten, dan zijn zij een half uur te laat.” Zij kibbelden over de plaatsen in den auto. Rudy, jonge aristocraat en gemakkelijk met geld, meende, dat zij in zijn tweezitter ongemakkelijk zouden zitten; haar japonnen zouden gekreukt worden en daarom stelde hij voor een taxi te nemen. Maar haar zuinige Italiaansche zielen verzetten zich daartegen en zij beweerden, dat het prettiger was in Rudy’s eigen auto te rijden. Dus stapten zij in en Portia werd naast hem geperst met den gangwissel en de rem tusschen haar knieën. Giuseppe stapte in en nam zijn vrouw op zijn schoot. Zij zaten gepakt als sardines in een blik.
Maar wat vonden zij het prettig! Rudy ontdekte, dat Italiaansche vrouwen niet altijd zwijgen terwijl haar belangrijke mannen maar steeds aan het woord zijn. Een danspartij was iets voor haar en zij babbelden en gichelden evenals alle andere jonge vrouwen. Natuurlijk liep er een rooie draad door haar grappen. Rudy vertegenwoordigde de bourgeoisie, omdat hij een auto had en Giuseppe was het proletariaat, omdat hij alleen zijn arbeidskracht kon verkoopen. Wanneer zij er over kibbelden of Giuseppe de benzine mocht betalen, was dit een stukje klassenstrijd en toen Rudy het beter vond den noordkant van Park Avenue te nemen terwijl Giuseppe meende dat Second Avenue beter zou zijn, besloten zij Lexington Avenue te nemen, wat een compromis was en door Portia dialectiek werd genoemd.
Dat was werkelijk heel knap van haar, zoo dacht Rudy en hij zei dat zij, een juridischen aanleg had en deze ongetwijfeld had geërfd van haar beroemde naamgenoot. Hij verwachtte, dat zij zou vragen wat hij hier mee bedoelde, want hij kon niet veronderstellen, dat een dochter van Klein Italië iets van den “Koopman van Venetië” zou afweten. Maar Portia zei, dat zij geen nakomelinge van deze advocate was, slechts een naamgenoote en toen Rudy haar plaagde met haar juridischen aanleg, antwoordde zij:
“Als je een naam hebt waar de menschen grappen over maken, dan kan je er zeker van zijn, dat je ze allemaal al voor je zeventiende jaar hebt gehoord.”

V.

Ze kwamen in Yorkville aan en vonden het lokaal, boven een rij winkels. Verschillende jonge kerels stonden bij den ingang en toen zij naar boven gingen zagen zij, dat er al vele menschen waren. Er was een groote dansvloer met stoelen aan beide kanten. Achter in de zaal was er een podium voor de muzikanten en ook een toonbank met ververschingen. Rudy had aan Giuseppe gevraagd hoe hij zich voor deze gelegenheid moest kleeden en Giuseppe had geantwoord: “Doe een schoon hemd aan.” Het was een bijeenkomst van proletariërs en al droegen de vrouwen haar beste japonnen, de meeste mannen waren in overhemd zonder jas, zooals het radicalen past op een warmen avond. De man die aan Rudy de kaarten had verkocht kwam naar voren en stelde zich voor, Laurence Adams. Rudy stelde zijn vrienden voor en Adams bracht hen nog met eenige anderen in kennis. Het waren allen Duitschers, behalve Adams. Zoo onder het gesprek door, vertelde hij, dat hij communist was en dit bracht Rudy eenigszins in verbazing, want hij had niet gedacht, dat er een van deze vreeselijke kerels bij Messer and Sons zou werken.
“Wel ja,” zei Adams, “we hebben daar een cel. Ik zelf zal er waarschijnlijk niet lang meer blijven. Om de paar maanden moet ik opkrassen als de patroons mij ontdekken, maar ik laat overal goed ingelichte arbeiders achter en ik blijf met hen in contact.”
“Goeie God!” dacht Rudy. “Waar ben ik aangeland?” Hij had genoeg over communisten gelezen om te weten hoe zij werkten; zij vormden wat zij noemden “eenheids-front-organisaties”, wat hun vijanden noemden “clubs voor onnoozelaards” om niet-communistische arbeiders over te halen zich bij hen aan te sluiten. Dat was ongetwijfeld ook weer het doel van deze danspartij – en Rudy Messer was een van die onnoozelaards!
“Kameraad Daniele is een anarchist,” zei Rudy en Adams antwoordde: “Wij weten wie hij is en wij zijn blij jullie beiden te mogen verwelkomen. Weet je, kameraad Daniele, de Italiaansche en de Duitsche kapitalisten vormen hun fascistisch front in Spanje en de Italiaansche en Duitsche arbeiders moeten ook hun front vormen.”
“Juist,” zoo viel Giuseppe bij. “En het zal voor iets belangrijkers moeten zijn dan om te dansen.”

VI.

De muzikanten kwamen binnen en namen hun plaatsen in op het podium.
“Wij hebben altijd veel menschen op avonden als deze” zei de jonge organisator, “maar zij hebben altijd tijd noodig om op dreef te komen”.
Hij draaide zich om en stelde een nieuwe jonge man voor, die pas binnen gekomen was. Rudy herkende hem. Hij was ook een arbeider in de fabriek van zijn oom. Maar voor zijn naam nog uitgesproken was, sloeg de bliksem in. Luide kreten, geschreeuw, stegen van beneden op; een tumult van verwarring en plotseling sprong er een man de deur in in militair uniform, hetzelfde uniform, dat Rudy gezien had bij de nazi-picnic en wat hem had doen denken aan een operette – bruin hemd, zwarte rijbroek, zwarte lederen rijlaarzen, een militaire pet met zwarte klep en armband met het hakenkruis.
Er volgde een tweede, dan een derde, dan een dozijn, die zich naar binnen stortten. Zij waren gewapend met stokken, stukken zware buizen, lederen stangen met lood verzwaard, die als zwartjannen bekend staan. Zij spraken geen woord, noch gaven de minste waarschuwing. Ieder van hen zocht zijn tegenstander uit en viel hem met zijn wapen aan.
De arbeiders, verzameld in een danslokaal met vrouwen en meisjes, waren natuurlijk totaal onverwacht overrompeld. Vrouwen gilden en vluchten weg naar links en rechts. Rudy hoorde de slagen neerkomen en zag zijn vriend Giuseppe wankelen. Het bloed stroomde uit een wonde boven zijn oog. Hij zag Lawrence Adams op den grond smijten. Toen viel een man naar Rudy uit om hem te grijpen, maar Rudy draaide zich om en liep weg.
Er was maar één verdedigingsmiddel in het lokaal: de stoelen. Rudy liep naar de dichtsbije, greep er een, maar hij had geen tijd om hem te zwaaien en toe te slaan. Hij kon slechts met den stoel stooten. Hij had ergens gelezen, dat dierentemmers het stooten met een of ander voorwerp een uitstekend afweermiddel vinden tegen leeuwen en tijgers, het was vermoedelijk dus ook wel goed tegen een nazi van de stormafdeeling. Hij raakte den man in zijn maagstreek en deed hem wijken. Dat gaf Rudy gelegenheid om terzijde te springen en met den rug tegen den muur te gaan staan. Hij zwaaide met zijn stoel, de man zwaaide met zijn stok en beide wapens kwamen terzelfder tijd neer.
Rudy’s was het grootste en zijn stoel kwam neer op het hoofd en op de schouders van den man en vloerde hem. De stoel was weliswaar gebroken, maar er waren er nog meer. Rudy nam een andere stoel en snelde zijn vrienden te hulp. Het danslokaal was een hel. Geschreeuw van woede en van pijn. Mannen, die naar elkaar sloegen en zelfs enkele vrouwen, die naar de stoelen grepen en er mee zwaaiden zooals haar Teutonische voorouders gedaan hadden in de donkere Germaansche wouden.
Blijkbaar lag het niet in de bedoeling der aanvallers de vesting te houden, maar zooveel mogelijk schade aan te brengen als zij maar eenigszins konden om daarna te verdwijnen. In een paar minuten waren zij uit het danslokaal verdwenen, zelfs droegen zij twee of drie gewonden mee. Een half dozijn verdedigers lagen op den vloer – Giuseppe was onder hen, half bewusteloos, zijn gelaat was vol bloed. Teresa hield hem vast en huilde. Portia leunde tegen Rudy aan, snikte en was doodangstig.
Voor de tweede maal in zijn loopbaan van “rooie” moest Rudy een stuk van zijn ondergoed afscheuren om een noodverband te leggen. Giuseppe had een akelige wonde, maar was in staat tot zuchten en tot het maken van geluiden. Daarom kon Rudy, steunend op zijn begrensde medische kennis, aan de vrouwen de verzekering geven, dat zijn schedel niet gebroken kon zijn. Rudy had een forsche slag op zijn onderarm gekregen en kon nu zijn arm moeilijk gebruiken; maar zijn medische kennis overtuigde hem er van, dat, als hij gebroken was hij hem heelemaal niet zou kunnen gebruiken.
Hij was bezig met verbinden toen er een nieuw rumoer van beneden kwam en een nieuwe golf van angst over de vrouwen. De nazis hadden versterking gehaald en kwamen terug – nu was het een heele bende, terwijl zij eerst maar met een dozijn waren. Zij stormden de trappen weer op, maar ditmaal wisten de mannen in het danslokaal wat hen te wachten stond en hielden hun stoelen gereed ter verdediging. Ook een volle bierflesch, zelfs een siphon, is een goed vervangingsmiddel voor een handgranaat en de vijand werd ontvangen met een stortvloed van deze voorwerpen. Het tweede gevecht duurde niet langer dan het eerste en opnieuw liepen de bruinhemden den trap af, hielpen hun gewonden en zongen het Horst Wessel lied, dat verhaalt, dat er spoedig niemand meer in de stad op straat zal zijn om hen te weerstaan:

Die Strasse frei den braunen Battalionen,

Die Strasse frei dem Sturm Abteilung Mann!

XI. Het besluit.

I.

Rudy en zijn vrienden dansten heelemaal niet dien avond. In plaats daarvan brachten zij Giuseppe naar een dokter en lieten zijn hoofd naaien. De dokter zei, dat het niet ernstig was, maar raadde hen toch aan, den patiënt thuis te brengen en hem rust te geven. Zij reden dus naar huis en ditmaal hield Teresa haar man in de armen. Zoo nu en dan kreunde hij en dan zuchtte zij: “O, die hatelijke mannen! Die hatelijke mannen!”
“Zie je, kameraad Rudy” merkte zij op “ze gedragen zich op dezelfde manier als zij dat in Duitschland en in Italië deden. Nu zijn ze klaar om in Amerika naar de macht te grijpen!”
“Met die tactiek zullen zij toch niet vèr komen,” antwoordde Rudy. “De politie zal daar wel een eind aan maken.”
“De politie!” riep Teresa uit. “Jij bent geen arbeider, daarom kan je dat zeggen.”
“Bedoel je, dat de politie er geen eind aan maken wil?”
“De politie is altijd tegen de arbeiders. Daar zijn ze voor. Zij zijn de kapitalistische staat.”
Rudy was er nog verre van verwijderd een “rooie” te zijn en wanneer hij dergelijke meeningen hoorde dan werd hij wrevelig en stuitten zij hem tegen de borst. Hij kon begrijpen, dat vreemdelingen er zoo over dachten, want zij waren gewoon aan tyrannie en onderdrukking; maar in ons democratisch land, het land van vrijheid en het land der dapperheid, was de politie de dienares van het algemeen belang en zou zeker menschen, die zich aan de wetten hielden, tegen geweld beschermen.
Maar Rudy zei dit niet aan Teresa. Hij wist, dat zij niet in een ontvankelijke stemming was. Hij hielp haar lijdende echtgenoot uit den auto en naar boven, daarna hielp hij hem bij het uitkleeden en naar bed. Rudy had weer zijn kleeding met bloedvlekken bedorven, maar ditmaal was het proletarische kleeding. Hij stroopte zijn mouw op en liet Portia met wat olie zijn arm wrijven. De dokter had Giuseppe een slaappoeder gegeven en zoodra dit begon te werken, fluisterde Rudy de vrouwen goeien nacht toe en reed zelf naar huis.

II.

Het eerste wat hij deed op zijn kamer was de telefoon opnemen en het huis van zijn oom opbellen om naar zijn neef te vragen.
“Zoo, Ernie!” zei hij. “Was die vertooning ter mijner eer in elkaar gezet?”
“Wat bedoel je?” vroeg de andere.
“Hebben je vrienden je niets verteld over hun plannen voor vanavond?”
“Ik weet niets af van welke plannen dan ook, Rudy. Wat is er gebeurd?”
“Ik ben blij je dat te hooren zeggen. Ik dacht, dat het in elkaar gezet was om mij op te voeden.”
“Waar praat je toch over?”
“O, over een kleine worsteling waar ik bij betrokken was. Een paar van je nazivrienden hadden het in hun hoofd gezet een danspartij van arbeiders te overvallen en enkele onschuldige en weerlooze menschen af te ranselen.”
“Maar wat deed jij in ’s hemelsnaam op een dergelijke plaats?”
“Ik was er met een paar vrienden, twee allerliefste anarchistische vrouwtjes.”
“Je maakt zeker gekheid. Ben je gewond, Rudy?”
“Nee, maar twee van mijn vrienden zijn er tamelijk erg aan toe. En ook mijn gevoelens. Ik vind, dat het iets afschuwelijks was en het heeft mij versterkt in mijn meening over die woestelingen, die jullie opleiden en uitrusten.”
“Je bereikt er niets mee door dergelijke taal tegen mij te gebruiken,” zei Ernie op kouden snerpenden toon.
“Ik weet zeker, dat als de daad werd bedreven door onzen Ordedienst….”
“Ze droegen allen jullie mooie uniformen, Ernie,”
“Goed, maar ik weet niet of zij niet uitgedaagd zijn geworden en ik kan niet anders zeggen dan dat ik er niets van geweten heb. Niemand in onze organisatie heeft daartoe opdracht gegeven en dergelijke daden worden door niemand in onze organisatie gesanctionneerd.”
“Ik geloof, dat ik een paar van je vrienden heb herkend – die ik op die picnic heb gezien. Heeft jullie spionnagedienst niet bericht, dat ik kaarten voor die danspartij had gekocht?”
“Ik heb al gezegd, dat ik er absoluut niets van wist.”
“Ja, maar je hebt me gezegd, dat jullie spionnagedienst zoo goed werkt en daarom dacht ik, dat de overval ter mijner eere was geweest. Maar vertel je vrienden maar, dat ze mij niet bang kunnen maken – evenmin kunnen zij mij van hen doen houden.”
“Je bent natuurlijk overspannen, Rudy, en in geen toestand om een oordeel te vormen. De rooien hebben in deze stad heel wat gewelddaden gepleegd en als onze menschen uitgedaagd zijn geworden om terug te slaan, dan is dat gemakelijk te begrijpen – natuurlijk is dat niet goed te praten en zij zullen er zeker voor gestraft worden.”
“Dank je wel, Ernie, zei de andere.”Ik weet hoeveel jullie, nazis, houden van wettelijkheid en orde en hoe jullie verdraagzaamheid en een ruim inzicht prediken. Ik heb hun lied gehoord over het rooie front, dat neergeschoten moet worden." Hij hing den haak op.

III.

Rudy was zoo woest, dat hij nauwelijks kon slapen; waarbij de felle pijn in zijn arm hem ook wakker hield. ’s Morgens zag hij een groote zwarte en blauwe plek aan den onderkant van zijn arm, op de plaats waar hij een nazi zwartjan had tegengehouden. Hij zou nu een tijdlang zijn auto met een hand moeten besturen en zijn rechterhand hoogst zelden mogen gebruiken. De ochtendbladen brachten een uitvoerig en over het geheel genomen vrij juist verslag van den overval; dit bevestigde zijn meening, dat de georganiseerde maatschappij een einde zou maken aan den Horst Wessel droom omtrent de New Yorksche straten. Hij belde Teresa op en vernam, dat Giuseppe er niet slechter aan toe was dan verwacht kon worden. Daarna belde hij het huis op van Lawrence Adams en hoorde, dat hij met een gebroken halsbeen te bed lag en met andere verwondingen. Het was Zondagmorgen en Rudy zei, dat hij den patiënt zou komen bezoeken.
Hij had reeds verschillende soorten “rooien” ontmoet, maar nog geen communisten en hij was nieuwsgierig te vernemen, wat deze groep te beweren had. Uit de kranten had Rudy de meening opgedaan, dat het communisme een buitenlandsche beweging was. Daarom was hij zoo verwonderd toen hij in een huur étage in Yorkville drie jonge mannen vond, alle partijgenooten, waarvan de eene de zoon was van een huizenmakelaar in Denver, de andere uit een familie van graanhandelaren in Arkansas stamde en de derde, Adams, zijn neef, vijf maal door een president van de Vereenigde Staten was overgeplaatst en vier maal door een andere. De familie van Lawrence Adams was geruïneerd geworden door een van de vele crises – hij dacht in 1893. Sommige familieleden waren geholpen en waren weer opgeklommen, maar zijn vader was een aardige maar ijdele droomer geweest en de jongen had een ongelukkig tehuis verlaten en was voor zichzelf aan het werk gegaan. Hij had over heel Amerika gezworven en een aantal beroepen gehad voor hij volwassen was.
“Ik veronderstel, dat het dat opstandige bloed in mij is”, zoo zei hij. “Ik zal vader worden van eenige dochters van een nieuwe Amerikaansche revolutie.”
“Larry”, zooals hij Rudy verzocht hem te noemen, was er slecht aan toe, maar hij bleef er opgewekt onder. Dat waren de oorlogskansen, zoo beweerde hij. Zooals alle andere “rooien” het om beurten deden, bekeek hij dezen goed uitzienden telg van de Messer familie met gretige oogen als een mogelijke bekeerling tot zijn speciale schakeering rood. Hij drong er bij Rudy op aan een poosje te blijven praten, want de twee anderen moesten er op uit. Zondag is een drukke dag voor partijwerk, want dan zijn alle arbeiders vrij en worden er veel vergaderingen en bijeenkomsten gehouden – picnics, danspartijen, meetings, besprekingen van ’s morgens vroeg tot ’s nachts.
Zij bespraken het voorval van den vorigen avond en Rudy vernam, dat het volkomen paste in de beschouwingen van de communisten. Hij kwam er nadien achter, dat alles in hun beschouwingen paste. De klassestrijd werd heviger overal in de wereld als gevolg van het verscherpen der tegenstellingen in het kapitalisme. Het was communisme tegen fascisme; beide partijen zagen dat in en beiden bereidden zich voor op datgene, wat de Internationale noemde “het laatste conflict”.
Evenals de nazis spionnen hadden onder de rooien, zoo hadden de rooien ook spionnen onder de nazis. Larry Adams kende de namen van hun leiders en de rol, die zij in Duitschland hadden gespeeld en de rol, die zij nu in Amerika speelden. Hij wist hoeveel geld er uit Duitschland kwam en wie het beheerde. Blijkbaar wist hij alles, wat Ernie Messer wist – en hij kon Rudy heel wat mededeelen over het doen en laten van zijn neef. Hun Ordedienst terroriseerde de Duitsche bevolking in Amerika zooals zij het drie of vier jaar geleden de bevolking van Duitschland hadden gedaan.
Het bleek, dat Larry het met Teresa volkomen eens was, de politie zou slechts een schijnactie betreffende den overval voeren. De vooraanstaande politici hier in Yorkville stonden onder den invloed van de nazis en zij konden niet blijven bestaan wanneer zij zich niet aan de orders der bruinhemden onderwierpen.
“Als je geld hebt dan kun je in Amerika altijd je zin krijgen,” zei de jonge communist. “Wij kennen verschillende mannen, die bij den overval waren. Wij zullen onzen eed afleggen en een aanklacht tegen hen indienen uit een oogpunt van propaganda, maar zij komen toch niet in de gevangenis.”
Rudy volgde het verdere verloop en het deed hem leed te zien, dat zijn rooie vriend hierin gelijk had. Een der mannen van de stormafdeeling werd vervolgd, hij was een bediende van een meubelzaak in Yorkville. Zijn werkgever was de vader van den nazi officier, Schmidt, die in den auto van Ernie naar de oefening was gereden. Hij kwam voor de rechtbank en zwoer, dat zijn zaak den geheelen Zaterdagavond geopend was en dat zijn bediende dien heelen tijd op zijn post was geweest. Iedereen kon begrijpen hoe dit mogelijk was, want de eed, die de nazis afleggen, wanneer zij in de beweging komen, omvat een volledige verklaring van trouw aan het leidersprincipe – dit komt in de practijk hier op neer, dat zij elke misdaad begaan en elke leugen bezweren wanneer hun leiders het hun bevelen.

IV.

Nu had Rudy drie leden van de bezitlooze klasse om voor te zorgen. Hiertoe behoorde de ouwe Joseph Bloch, die er zoo slecht aan toe was, dat Rudy er op aangedrongen had een dokter voor zijn kosten te laten komen. Wanneer een jonge man besloten heeft het onrecht in de wereld goed te maken, dan is er geen grens aan het bedrag, dat hij kan uitgeven, behalve natuurlijk het bedrag, dat de jongeman bezit. De dokter was een eerlijk iemand. Hij zei tegen Rudy, dat hij elken dag kon komen en aldus een hooge rekening kon maken als hij dat wilde, maar dat hij niets voor den patiënt kon doen, want die was versleten, niet door de jaren, maar door het lijden en de ontberingen. Hij zou niet lang meer te lijden hebben. De natuur is milder dan het hart der menschen. Zij voorziet alle menschen van een veilig onderdak tegen toekomstige zorgen, de bedreigingen van tyrannen en de bloedige eischen van parasieten inbegrepen.
Toen Rudy op een avond thuis kwam van een vergadering was hij niet verbaasd Izzy aan de telefoon te hooren met tranen in zijn stem:
“O, Rudy, Paps is in een verschrikkelijken toestand. Ik vrees, dat dit het einde is. Ik zou je hier eigenlijk niet mee lastig mogen vallen.”
“Maar natuurlijk!” zoo riep de andere uit. “Ik kom dadelijk.”
Hij nam den ondergrondschen spoorweg, omdat dit sneller ging en er niet veel drukte was op dit uur. Hij had tijd om zijn gedachten te ordenen. Het speet hem niet zoozeer voor den armen ouden knoopsgatenmaker, voor wie het leven niets anders dan ellende was geworden; maar de arme Izzy had medeleven noodig – hij had van dien ouwen man veel gehouden, niet alleen als vader, maar ook als leeraar en als held.

Zoodra Rudy de deur opendeed, zag hij wat gebeurd was. Joseph lag op het bed, bleek en rustig en zijn zoon lag geknield aan de bedsponde met het gelaat in de handen, Rudy ging naar hem toe, nam plaats in een stoel naast hem, legde zijn hand op zijn schouder en fluisterde: “Wat spijt me dat.”
De kleine kerel huilde zachtjes. Ze bleven een tijd lang zitten zonder een woord te spreken. Toen werd de deur geopend, Rosé kwam binnen, want zij was ook gewaarschuwd. Haar manier van bedroefd te zijn was geheel anders. Ze gaf een luide schreeuw, liep naar het bed en toen zij haar vaders rustig gelaat zag, wierp zij zich zelf op den grond en begon te trappen en te krijschen.
Rudy vroeg zich af of het niet beleefder zou zijn, zich terug te trekken en de familie intiem onder elkaar te laten. Maar dat zou alles voor Rosé hebben bedorven. Zij had iemand noodig om haar te troosten, zoodat zij kon weigeren om getroost te worden. Zij maakte van zichzelf een klaagmuur, juist daar in die huurkamer, waarvan de steun de huur betaalde; zij krijschte en huilde en hield niet op voor er een driftige slag op den muur werd gehoord en een harde mannenstem, die beval: “Houen jullie je smoel, verdomde schreeuwers!”
Rosé was dien avond met haar vriend uit geweest, ze was dus gauw vermoeid. Rudy en Izzy overreden haar in de kleine alkoof op bed te gaan liggen. Daar huilde zij zichzelf in slaap. Zoo werd het mogelijk voor de twee jongens rustig bij elkaar te zitten en over den dood te spreken en hoe vreemd die toch was. De kleine socialist had een eigen levensbeschouwing. Hij had geen recht energie te verspillen aan verdriet, die noodig was voor de goeie zaak. Iedereen moest sterven en arbeiders sterven nu eenmaal vroegtijdig, millioenen arbeiders, voordat zij erin zouden slagen dat beloofde land te bereiken, dat de nieuwe godsdienst van het Marxisme aan het menschelijk ras beloofde.
Joseph had verdriet uitgebannen evenals medelijden met zichzelf, zelfzucht en andere zwakheden van de menschelijke natuur. Het leven was voor de levenden en het leven van socialisten moest voor de beweging zijn.
“Hij was een groot mensch, kameraad Rudy,” zei Izzy. “Je kon dit pas begrijpen door jarenlang met hem te leven. Dergelijke schatten van goedheid liggen opgesloten in de harten van arme menschen, maar wij vinden er niet altijd den sleutel van.”

V.

Rudy had een beetje geld op de bank. Hij vond het zijn plicht de kosten van de begrafenis van dezen modernen profeet te betalen. Maar Izzy weigerde, hij was ervan overtuigd, dat Joseph dit niet zou hebben goedgekeurd. Doode lichamen zijn klei en de vereering ervan is bijgeloof. Dit is een der vele manieren waarop de armen hun inkomen verspillen. Zij betalen aan begrafenisondernemers het geld, waarvoor zij kennis kunnen koopen.
“Als jij geld te veel hebt, geef het dan aan de beweging, kameraad Rudy. De steun heeft mijn vader laten sterven, zij moeten nu ook maar voor zijn begrafenis zorgen.”
Nadat Izzy nog even had nagedacht voegde hij eraan toe:
“Ik veronderstel, dat Rosé ook wel iets te zeggen zal hebben. Zij zal het geld van haar vriend krijgen en zal de opwinding van een begrafenis willen hebben. Het is de moeite niet waard om erover te praten. Blijf jij er maar buiten, kameraad Rudy.”
“Nu zal je wel zeer eenzaam worden,” merkte de andere op.
“Dat weet ik. Maar ik ga verder met het werk. Er is heel veel te doen.”
“Maar hoe ga je nu leven?”
“Dat weet ik niet. Ik veronderstel, dat ze mijn huur nog wel zullen betalen.”
Ze zaten een poosje zwijgend bij elkaar en plotseling zei Rudy:
“Izzy, wat zou je d’r van denken als je eens een reisje ging maken?”
“Jij en ik?”
“Misschien nog enkele anderen ook.”
“Waar naar toe?”
“Naar Spanje.”
De kleine idealist sprong op.
“Bedoel je om te gaan vechten?”
“Juist.”
Een lange stilte.
“Jezus, Rudy, dat beneemt mij den adem!”
“Maakt het je bang?”
“Wel een beetje. Zie je, ik heb nog nooit gevochten.”
“Ik ook niet.”
“Ik ben niet zoo sterk, weet je.”
“Het militaire leven zal je goed doen. Het leven in de frissche open lucht.”
“Denk je dat werkelijk, kameraad?”
“Tenminste, als je niet sneuvelt, dat spreekt vanzelf.”
“Jezus!” riep de kleine achterbuurtbewoner opnieuw uit. “Meen je het werkelijk?”
“Vast en zeker.”
“Heb jij er lang over nagedacht?”
“Nee. Ik heb er nooit eerder aan gedacht.”
“Kwam het zoo maar ineens in je op?”
“Ik denk, dat de idee in mijn geest al dien tijd heeft gewerkt. Die kerel, die mij met zijn zwartjan heeft geslagen gaf mij een gevoel van vechten. En ik geloof, dat ik boos ben op mijn neef. Ik hou niet van kerels, die op hun vette bankrekening zitten, geld uitgeven voor uniformen voor woestelingen, hen dan opleiden en trainen om de arbeiders den kop te gaan inslaan.”
“Ja, dat maakt iemand woest,” erkende Izzy.
“En dan, het bloed dat ik zag op het gezicht van Giuseppe; je vader die daar dood ligt…. Er is geen enkele reden meer voor jou om hier te blijven. Ik wil tegen Hitler vechten, Izzy!”
“Ik dacht dat ik bezig was tegen hem in New York te vechten.”
“Dat is alles goed en wel, maar Spanje is de juiste plaats. Als wij het daar een jaar kunnen uithouden, dan zullen wij hem dood doen bloeden. De fatsoenlijke menschen in de wereld zullen wakker worden en zullen gaan begrijpen, wat er gebeurt. De Britsche arbeiders zullen klaar gaan zien en hun reactionaire regeering afdanken.”
“Ik weet het, Rudy. Je hebt gelijk, dat is het wat wij moeten doen. En dat is het wat Paps zou willen. Maar hoe komen wij daar?”
“Ik heb een beetje geld en het zal niet zooveel kosten. Wij kunnen derde klas reizen en doen alsof we in de loopgraven zitten.”
“Meen je het werkelijk? Zal je niet van gedachten veranderen?”
“Mijn hand erop.”
“Prachtig!” zei Izzy. “Da’s afgesproken.” Toen voegde hij er aan toe met zachte stem:
“Vertel het niet aan Rose, want anders gaat ze weer naar den klaagmuur!”

XII. Vrijwilligers.

I.

Rudy ging naar huis, sliep enkele uren en ging toen naar het gezin Daniele. Hij vernam, dat Giuseppe een rustigen nacht had gehad. Wonden genezen snel als je jong bent. Maar er was een wonde aan de ziel toegebracht, die, zoo leerde hij inzien, niet zoo eenvoudig was. Er lag een plechtige sfeer over het gezin.
“Ga zitten, Rudy,” zei de jonge drukker. “Ik moet je iets vertellen.”
“Ja, Giuseppe.”
“Ik heb over die bruinhemden nagedacht, een vreeselijke bedreiging – en het zal nog erger worden. De politie zal niets doen om er een eind aan te maken.”
“Dat zegt Adams ook.”
“Het zullen de arbeiders moeten zijn, die er een eind aan maken. En dat kan niet in New York geschieden. Het nationaal socialisme is een belangrijke kwestie.”
“Ik vrees, dat de arbeiders in Duitschland niet veel kunnen doen.”
“Het land, waar er een eind aan gemaakt moet worden, is Spanje. Ik moet het je zeggen, Rudy, ik ben al geruimen tijd een ongelukkig mensch, want mijn kameraden vechten daar voor hun leven en het is niet eerlijk hen zonder hulp te laten. Gisteravond heb ik het besluit genomen, dat ik gaan zal om hen te helpen.”
“Werkelijk, Giuseppe?”
“Je kent mijn standpunt. Ik hoef je dat niet meer te verklaren. Ik wil Mussolini evengoed als Hitler bevechten. Zijn zwarthemden hebben ook in New York de Italiaansche bevolking geterroriseerd. Wanneer Il Duce ten oorlog trekt, dan willen zij de Italianen naar Italië sleepen en wanneer zij niet vrijwillig meegaan of geld sturen dan worden hun verwanten in Italië vervolgd, bestolen en als zij protesteeren, dan worden zij naar een concentratiekamp gebracht zooals mijn schoonvader.”
“Wanneer ga je, Giuseppe?”
“Op den eersten dag, dat ik mij goed genoeg voel om te reizen. Ik ga naar Catalonië, waar de anarchisten voor het eerst een kans hebben een beschaving op te bouwen.”
De jonge vrouw stond naast het bed met de handen op den boezem gevouwen en een gespannen uitdrukking op haar gelaat. Rudy wendde zich tot haar:
“Vertel me eens, Teresa, hoe denk jij er over?”
“Als hij meent, dat het zijn plicht is, dan mag ik hem daarbij niet in den weg staan.” Haar stem was zacht en trilde.
“Hoe zal jij je er doorheen slaan, Teresa?”
“Zij heeft een tante, bij wie zij kan gaan wonen,” antwoordde Giuseppe. “Wij hebben wat geld gespaard. Zij zal ook wel werk vinden – onze groep zal haar daarbij helpen.”
“Weet jij iets van vechten af, Giuseppe?”
“Niet het minst. Ik ben altijd een anti-militarist geweest. Ik dacht altijd, dat vechten de grootste misdaad was. Maar dit is een ander geval.”
“Wij zullen onszelf moeten trainen,” zei Rudy met een glimlach. “Gelukkig was ik een paar jaar geleden op een militaire school en kan ik nog zeggen:”Schouder het geweer!" Maar wat nog veel meer waard is, mijn neven en ik, wij gingen regelmatig elke week naar de schietbaan. Ik kan jullie wel het een en ander leeren aan boord.
“Jij?” riep Giuseppe. “Wil jij gaan?”
“Het is zeker een geval van gedachtenoverbrenging,” zoo lachte Rudy. “Izzy en ik hebben op denzelfden tijd als jij ons besluit genomen.”
Wat waren zij gelukkig! De tranen stroomden over de wangen van Giuseppe, hij wilde uit het bed springen ondanks zijn verbonden hoofd. De twee vrouwen vergaten hun smart – tenminste voor dat oogenblik. Als die knappe jonge Amerikaan meeging, dan zou Giuseppe veilig zijn!
Maar voor Rudy wegging, dacht Portia aan een lastig geval. “Kameraad Rudy!” riep zij uit. “Wij hebben nog niet gedanst!”
Rudy keek haar aan. Zij was een vrouw en toch een kind; snelle gevoelens kwamen in haar op, deden haar hart kloppen en het bloed haar wangen kleuren. Aldus Rudy:
“Deze expeditie vertrekt niet, Portia, voordat wij, jij en ik, met elkaar hebben gedanst!”

II.

Rudy ging Larry Adams opzoeken. Het was niet noodig vooruit te telefoneeren, hij moest toch thuis blijven. Had de telepathie ook bij hem gewerkt? Maar nee. Larry was een economische determinist, een dialectische materialist; voor hem was gedachtenoverbrenging mystiek, erger nog een uitgesproken zijdelingsche afwijking. Larry dacht alleen aan het bewijs, dat hij tegen die bruinhemden zou kunnen aanvoeren en hoe hij druk op de politie kon uitoefenen – om dan een artikel te kunnen schrijven in de “Daily Worker” als zij weigerden op te treden. Hij had het telefoontoestel naast zijn bed geplaatst, om zoodoende op den wijkcommissaris druk te kunnen uitoefenen zonder dit op zijn gebroken halsbeen te moeten doen.
Maar toen Rudy hem vertelde wat hij en Izzy en Giuseppe besloten hadden, spreidde zich een licht over zijn gelaat uit –niets mystieks, natuurlijk– zuiver dialectisch. De nazis trokken aan een kant, Rudy en zijn vrienden zouden aan den anderen trekken en uit den strijd der krachten moest een nieuwe maatschappij in Spanje worden geboren.
“Goeie God, Rudy,” riep de neef van den ouden John Adams uit, “Ik dacht niet, dat het in je zat!”
“Ik ook niet,” erkende Rudy. “Ik weet niet of het in me zit, maar ik tracht te doen alsof dat zoo is.”
“Een paar dagen geleden nog sprak ik in onze afdeelingsvergadering en zei, dat onze partij zich te schande zou maken als wij niet een paar Amerikaansche vrijwilligers in Spanje hadden – en dat wel spoedig ook.”
“Waarom ga jij niet mee?” vroeg Rudy.
“Goeie God, ik zou niets beters vragen!” Rudy vond het grappig, dat zijn vriend maar steeds een hemelsche autoriteit noemde, die door de stellingen der partij nadrukkelijk werd verworpen.
“Wij hebben een socialist en een anarchist en een onafhankelijke. Wij zijn niet volledig zonder den een of anderen communist. Misschien kunnen wij nog een Trotzkyist meekrijgen.” Er was systeem in de plagerij van Rudy. Larry trok een leelijk gezicht.
“Wacht,” zei hij; “Ik zal zien of ik toestemming kan krijgen.”
“Moet je toestemming hebben?”
“Natuurlijk, ik ben partijlid.”
“Giuseppe en ik hebben zoo juist bepaald, dat wij ons aan militaire discipline zullen moeten onderwerpen. In dat opzicht kan je ons helpen.” Rudy zou naar Spanje gaan met die rooien en zijn leven voor hen wagen, maar hij zou het genoegen niet opgeven ze te plagen. Waarvoor diende het een Amerikaan te zijn als je niet over alles kon lachen, wat je ontmoette?
Larry had dit prettige kenmerk van zijn landgenooten niet meer. Hij glimlachte beleefd over de grappen van Rudy, maar het ging niet van harte en zoo spoedig mogelijk dacht hij weer aan zijn werk voor de partij. Er was zooveel te doen en er waren zooveel menschen die leden – Larry hoorde hun stemmen hem maar steeds aanroepen. De jongens en meisjes, die hij op zijn zwerftochten had ontmoet in de vreeselijke crisisjaren; jongens en meisjes, die her en der werden gedreven door de kracht van den honger en door de stokken en geweren van politie, rechercheurs, maatschappij bewakers en “stillen”; jonge meisjes, kinderen nog, gedwongen om zich over te geven aan den eersten den besten man, blij zich te kunnen overgeven voor den prijs van een belegd broodje; jongens weggevoerd door handelaren in mannelijke genotsslaven –Larry had hen bloedend en huilend in de bosschen gezien, hen later weer ontmoet, oud, ziek en gedegenereerd– hoe kon iemand verdomme nogantoe, in een dergelijke wereld lachen?"
“Ik kan nuttig zijn voor jullie groep,” zoo zei hij “want ik ken een beetje Spaansch. Ik heb aan den weg gewerkt in Mexico en ik heb geleerd mij in het Spaansch verstaanbaar te maken. Ken jij wat Spaansch?”
“Ik ken mañana en adios en tamale – is dat Spaansch?”<ref>- morgen - vaarwel - ook. (Vert.)</ref>
“Je moet maar dadelijk een woordenboek koopen en ik zal je leeren hoe je het moet uitspreken. Daarna kun je zelf studeeren. Dat is belangrijk – je kunt moeilijkheden krijgen.”

III.

Een donderbui was losgebroken, maar Rudy had aan Izzy beloofd, dat hij hem zou komen opzoeken, hij reed dus weer naar de benedenstad in zijn auto. Het lichaam van Joseph was naar een lijkkamer van den begrafenisondernemer gebracht – zooals Izzy had gezegd, hield Rosé voet bij stuk en wilde een echte plechtigheid op den volgenden dag.
“Enkele fabrieksmakkers en partij vrienden zullen komen,” zei de zoon. “Maar jij hoeft niet te komen – het zou maar tijdverlies voor je zijp. Het is beter, dat je Rosé niet ontmoet, zij is boos op je en ze zal een nieuwe aanval van hysteria krijgen.”
“Wil ze niet, dat jij naar den oorlog gaat?”
“Zij vindt, dat ik dwaas ben; ze denkt, dat jij ouder bent en dat je mij op den slechten weg brengt.”
“Ze zou moeten bedenken, dat jij het bent geweest, die mijn volmaakt tevreden burgerlijke levenshouding heeft gebroken.”
“Zij kan niet denken, Rudy – arme ziel, ze zegt, dat zij haar vader heeft verloren en dat zij nu haar broeder zal verliezen. Ik zou het haar niet verteld hebben, maar ze hoorde, dat oom Jake en ik er over praatten.”
“En wat zegt oom Jake?”
“O, hij heeft me een heele boel over den oorlog verteld – dit was den eersten keer, dat ik hem er toe kon brengen iets over oorlog te vertellen. Hij denkt, dat hij, me zoo bang kan maken, dat ik niet zal gaan.”
“Kan hij dat?”
“Jezus, zeker, hij kan me bang maken, Rudy, je moest hem maar eens hooren! Maar ik ga, ik heb mijn hand erop gegeven.”
“Daarom moet je niet gaan, Izzy, je moet jezelf niet laten meesleepen.”
De kleine kerel zei:
“Ik heb bij mijn ouwe arme Paps gezeten nadat jij weg was en het was net alsof ik hem iets vragen kon. Wij laten zijn lichaam hier op een Joodsch kerkhof achter – Rosé is nu den grond gaan koopen. Maar zijn ziel gaat met jou en mij naar Spanje.”
“Met jou, met mij en met Giuseppe,” zei Rudy en hij vertelde het besluit van den jongen drukker. “Giuseppe en Jewizzy!” zoo voegde hij er aan toe, wetend, dat hij hen nu wel genoeg kende om een grap te kunnen maken. “Jewizzy” lachte zoo, dat hij zoowel zijn smart als zijn angst vergat.

IV.

Jake, de taxichauffeur, kwam binnen voor Rudy wegging. Hij had de gelukkige bewegingsvrijheid van zijn beroep, maar was altijd angstig als een man, die zijn auto te lang ergens heeft geparkeerd. De maatschappij had spionnen en het verhaal van een gestorven zwager had vroeger al dikwijls dienst gedaan.
Jake was werkelijk een goeie kerel en had evenals Rudy het gezonde New Yorksche gevoel voor humor.
“Kijk eens hier, baas,” zoo zei hij. “Ik ben oud genoeg om je vader te zijn en als hij hier was, dan zou hij je hetzelfde zeggen. Jij moet niet naar Spanje gaan om zooveel oorlog te krijgen als je maar wilt.”
“Wat is eigenlijk je bedoeling?”
“Kom eens hier, ik zal het je wijzen.” De taxichauffeur met het droevige vollemaan gezicht bracht hem bij het raam. De regen viel nog steeds in stroomen.
“Kijk,” zei hij. “Daar beneden achter op die binnenplaats ligt een heele boel vuil. Dat is even goed voor je doel als welk vuil ook in Spanje. Jij en Izzy nemen een houweel en een schop, gaan daar naar beneden en graven een groot gat, ongeveer vijf voet diep. Het vuil stapelen jullie aan den voorkant op. Dat zal zacht en kleverig worden terwijl jullie graven en spoedig zal het gat met water volloopen. Als je klaar bent dan blijf je d’r in staan en als je moe word dan ga je d’r in liggen. Je blijft er dag en nacht en elken dag breng ik jullie een bus fijn gekookt vleesch met een laag koud vet en wat beschuiten – het komt er niet op aan van welk merk ze zijn, want als ze doorweekt worden hebben ze toch allemaal denzelfden smaak. Snap je?”
“Wel zeker,” zei Rudy, grimmig.
“Geloof me, zeun – ik ben er in geweest. Ik heb mijn papieren om het te bewijzen en ergens op den bodem van mijn ouwe kist met de knoopen van mijn kraag en Fransche briefkaarten heb ik nog een medalje.”
“Ik geloof je op je woord, oom Jake.”
“Ik weet, wat jullie je voorstellen – over al die sensaties, die jullie in Spanje gaan beleven. Maar, jullie kunnen dat hier evengoed hebben. Als ik boven op het dak ga staan en den heelen nacht steenen naar jullie gooi, als ik jullie raak, dan zijn jullie dood en jullie hebben verder geen zorgen. Als ik jullie mis, dan zijn jullie helden en krijgen jullie mijn medalje. Is dat niet eerlijk?”
“Zeer vrijgevig, oom Jake, maar er is maar een ding fout – het zouden nazis moeten zijn, die steenen gooien en wij moesten er dan teruggooien.”
“Dat weet ik,” zei Jake met een hopelooze smart op zijn gelaat, “je bent jong en dus ben je een verdomde dwaas. Niemand kan je iets leeren, je moet het maar zelf ondervinden en maar gebroken worden zooals ik.”

V.

Maar het ergste voor Rudy was het gesprek met zijn kamergenoot. Burnside Cobb kwam thuis van zijn laatste campagne bij de boeren, zijn geest vol gedachten over zijn toekomstge carrière, over de juiste houding om invloedrijke vrienden te maken.
Maar in plaats van bij Rudy Messer steun te vinden om aan de touwtjes te trekken, kreeg hij de mededeeling te verwerken, dat zijn vriend de studie opgaf en naar Spanje ging vertrekken om voor het socialisme te vechten.
De uitval van Burns zou niet afgedrukt kunnen worden in het fatsoenlijkste en duurste moderne tijdschrift.
“Jezus, maat, ben je heelemaal gek geworden. Waarom ga je geen riolen schoonmaken bij de Hottentotten? Of mest scheppen voor die rickshawkoelies in Shanghai? Waarom” – hier hield hij op om adem te scheppen. Het was onmogelijk iets dwazer te bedenken dan datgene, wat zijn vriend van plan was.
“Kijk, Rudy, ik weet niet wie je in je macht heeft gekregen of wat ze in je hebben gepompt, maar je moet heusch toch een beetje aan je toekomst denken. Wie zal er nog ooit iets met je te doen willen hebben als die geschiedenis bekend wordt?”
“Zal jij niet willen, Burns?”
Zijn vriend keek hem strak aan, hij trachtte te denken en ernstig te antwoorden:
“Uit de goedheid van mijn hart zou ik kunnen probeeren je in een sanatorium geplaatst te krijgen, waar ze je op de juiste manier kunnen behandelen. Maar denk toch eens na, kerel, wat er met je gebeuren zal. Je oogen kunnen uitgeschoten worden of je beenen kunnen afgeschoten worden – en zullen die arme luizen daar, je onderhouden voor de rest van je leven? Of wil je terugkomen naar huis en in een van die rolstoelen gaan zitten om mee door de straten te rijden en potlooden te verkoopen? ‘Oudstrijder uit den Spaanschen oorlog’ – en ze zullen denken, dat je San Juan Hill bedoelt en Teddy Roosevelt<ref>bedoeld wordt den Amerikaansch-Spaanschen oorlog van 1898. (Vert.).</ref> en ze zullen je als een bedrieger beschouwen omdat je veertig jaar te jong bent.”
“Dat is een kans, die ik moet loopen, Burns. Je zal het me niet kwalijk mogen nemen, maar het is moeilijk te begrijpen – ik ben onder den invloed gekomen van datgene, wat men een ideaal noemt.”
Het was werkelijk roerend. Rudy had in zijn hart uitgemaakt, dat Burns een veel te ruwe kerel was en hij had alle belangstelling voor den boekverkooper en zijn ruwe ambities verloren. Maar nu bleek, dat die kerel aan Rudy gehecht was en dat hij door zijn plan volkomen uit zijn evenwicht was gebracht.
Hij liep op en neer, betoogde, schold en toen hij zag, dat hij niets bereikte, kwamen de tranen in zijn oogen.
“Het spijt mij verschrikkelijk, ouwe jongen,” zei Rudy, “ik weet, dat het je plannen geheel in de war stuurt. Maar er is iets gebeurd, ik ben anders geworden dan ik vroeger was.”
De andere ging vlak voor hem zitten, keek hem strak aan alsof hij op zijn gelaat de verklaring kon vinden.
“Zeg me in ’s hemelsnaam wat het is, maat.”
“Het is eenvoudig, dat ik de gebeurtenissen in Spanje ben gaan begrijpen. Menschen vechten daar voor een principe en ik ontdekte plotseling, dat ik geen belang stelde in de dingen die ik deed. Ik geef er geen sikkepit om welke kerel carrière maakt en wannneer ik eraan denk college te volgen in Spaansche geschiedenis, dan zeg ik tot mij zelf, waarom ga je niet naar Spanje en maak de geschiedenis zelf mee?”

VI.

Rudy schreef een brief aan zijn oom Hermann, waarin hij hem zijn besluit mededeelde. Hij schreef vriendelijk, want hij wist dat er bij hem oprechte genegenheid bestond en dat er oprecht verdriet zou zijn. Ik kom niet om afscheid te nemen, zoo schreef hij, want ik weet dat het voor ons beiden smartelijk zou zijn. U zou trachten mij er van af te brengen en daar ik er niet van afgebracht wil worden, kan het voor geen van ons beiden goed zijn.
Vroeg in den volgenden ochtend ging de telefoon. De oude heer begon te smeeken, te betoogen en eindelijk te bevelen. Hij was Rudy s voogd, zoo zei hij en hij verbood hem te gaan; hij was zelfs bereid zoo noodig de rechtbank erin te mengen. Maar Rudy wist dat zijn oom niet langer voogd was, daar hij meerderjarig was.
Hij zei dit vriendelijk, maar beslist.
Het was inderdaad vreeselijk, de ouwe Hermann begon te snikken:
“Rudy, je weet niet wat je me aandoet. Kom toch naar me toe.”
“Ik zal komen, oom Hermann, op voorwaarde dat U belooft niet te probeeren mij ervan af te brengen.”
Dit kon oom Hermann natuurlijk niet beloven.
“Rudy, ik geloof dat je krankzinnig bent!” zoo riep hij uit. “De een of andere ellendeling heeft je in zijn macht!”
De dubbele oorzaak voor het verdriet van den ouden man werd plotseling duidelijk, toen Ernie de telefoon van zijn vader afnam.
“Rudy,” zei hij met zijn grimmigste stem, “ik veronderstel, dat deze daad van jou bedoeld is als een slag in mijn gezicht.”
“Je vergist je, Ernie. Ik ben belang gaan stellen in een beweging.”
“Zoo? Nou dan, toevallig stel ik ook belang in een beweging. Dat weet je, is ’t niet?”
“Ik wil je het plezier doen dat te gelooven.”
“En jij en je rooie vrienden zijn van plan mijn beweging te vernielen. Maar jullie krijgen je zin niet!”
“Wat ben je van plan te doen, Ernie?”
“Hoeveel krijgers gaan er aan jullie kant? Mag ik dat ook weten?”
“Drie tot hiertoe. Maar er kunnen er meer komen.”
“Zoo, als jij gaat, dan ga ik ook en ik zal er evenveel meenemen als jij en even goede.”
Het duurde even voor Rudy op adem kwam.
“Meen je dat, Ernie?”
“Je bent van plan den naam Messer rood te verven. Nou dan, ik zal voor witte verf zorgen.”
“Dat is natuurlijk je goed recht. Ik wensch geen ruzie met je te maken.”
“Je liegt en je weet dat je liegt. Je maakt nu reeds ruzie met mij, maar ik sta er op, dat je inziet, dat ik het laatste woord heb en ik zal het houden ook. Ik ben vliegenier en ik zal niet alleen zelf gaan, maar ook mijn vliegtuig meenemen. Voor iederen verdediger van menschelijk fatsoen, die jullie in Spanje vermoorden zal ik een dozijn van jullie communistische ratten dooden. Ik zal aan de wereld vertellen wat ik doe. Ik heb geld en ik ben bereid het uit te geven als het noodig is. Jij en je rooie vergif zullen voelen, dat je de wereld niet in je macht kunt krijgen. Er zijn krachten in de christelijke beschaving, die zullen opstaan en jullie tegen zullen houden.”
“Moorsche krachten, Ernie?” zoo vroeg de neef op zacht spottenden toon.
“Goede Duitsche krachten, Rudy.”
“Ja, die ken ik – Thor en Wodan, de donderaar!”
Rudy had over de nieuwe arische godsdienst gelezen. Jammer, dat hij niet meer had geleerd, anders had hij de nieuwe Italiaansche heiligen erbij kunnen betrekken – Romulus en Remus, en Julius Cesar, en Scipio, die de Romeinsche adelaars naar Spanje had gebracht!
“Adieu, ouwe jongen!” zei hij. “Ik zie je wel op het slagveld!”
Het was een profetie.

XIII. Oorlogsbruid.

I.

Larry Adams telefoneerde. De partij gaf hem niet slechts toestemming naar Spanje te gaan, maar zij zond ook nog een anderen kameraad die zich aangeboden had: Peter Howatt, lid van de communistische jongeren federatie, die pas de middelbare school had beëindigd en vol was met die gevaarlijke hoedanigheid, die men ijver noemt. Dat is prachtig, zei Rudy en vertelde zijn gesprek met zijn neef. Larry zei, dat als men die geschiedenis in de Messer fabriek te weten zou komen er zeker nog wel een of twee kerels zouden zijn die ook wilden meegaan. De arbeiders hadden een hekel aan Ernie en noemden hem “Der Junker”. Dat had Rudy nooit gehoord en hij vroeg zich af of Ernie dit wist. Vlak daarop telefoneerde Izzy om te zeggen, dat de begrafenis voorbij was. Hij wenschte Larry Adams te ontmoeten en daarom zei Rudy hem dadelijk de ondergrondsche te nemen en naar hem toe te komen. Burns Cobb was in de kamer toen de kleine socialist binnen kwam en die ontmoeting kittelde den grappigen aard van Rudy. Het was alsof een groote bloedhond en een straatpoes gedwongen werden beleefd te zijn tegen elkaar.
“Dus je gaat naar den oorlog!” zei de Angelsakser met het blozend gelaat. Jewizzy had graag geantwoord: “Ja, groot stuk aangekleed ossenvleesch”; maar inplaats daarvan zei hij vriendelijk, “Rudy was zoo vriendelijk mij uit te noodigen.”
De ontmoeting met Larry had ook een grappigen kant. Die twee mannen zouden loopgraafgenooten worden en het doel van de bijeenkomst was om over de plaatsen aan boord en de passage, regenjassen, plunjezakken, het kaliber van vuurwapens en de uitspraak van Spaansche woorden te praten; maar het duurde nog geen tien minuten of Larry en Izzy zaten in een discussie over partijtactiek en over bizonderheden van de marxistische leer.
Rudy begon deze dingen nu wel in zijn hoofd te ordenen en de toestand werkte op zijn zeer ontwikkeld gevoel voor humor. Tot voor enkele jaren waren de communisten de vertegenwoordigers geweest van den zuiversten en meest onvervalschten klassenstrijd en hadden alle andere soorten van socialisten voor “sociaalfascisten” uitgescholden. Maar toen had Hitler getoond, wat de reactie aan een volk kan toebrengen; de Russen, bedreigd met een naderenden oorlog, hadden hun partijtactiek omgeschakeld en waren nu geheel gewonnen voor de democratie en voor de herbewapening van Frankrijk en van Tsjecho-Slowakije. Daarop waren de socialisten in het revolutionnaire luchtledige overgegaan. Izzy Bloch beschuldigde Larry Adams ervan, dat hij een schipperaar en een politieke opportunist was en Larry noemde Izzy een “impossibilist” en een “ideoloog van den linkervleugel.”
Rudy luisterde, verkneukelde zich, maar toen hij bemerkte, dat zij het niet spoedig eens werden, kwam hij tusschen beiden.
“Kijk eens, vrienden, terwijl jullie met elkaar discusseeren zal Franco heel Spanje overrompelen.”
Zij waren het dadelijk eens. De leiding van hun beider partijen had bepaald, dat er een vereenigd front moest zijn tegenover den vijand; maar het menschelijk vleesch is zwak en de menschelijke geest is dat ook.
“Het is moeilijk om van gedachten te veranderen!” zei Izzy doodernstig en Larry beantwoordde dit vredesaanbod met te zeggen, dat hij discusseerde op de wijze, die hij voor discussies geschikt achtte, maar dat hij werkelijk wel eens graag op een andere manier wilde debatteeren.
“Als wij ten oorlog trekken,” zei Rudy, “dan zullen wij alle discussies over leerstellingen moeten achterwege laten.”
“Dat denk ik ook,” zoo erkende de communist.
“Wij moeten een leider kiezen,” verklaarde de socialist.
“Hoe eerder wij er ons aan gewoon maken bevelen op te volgen, hoe beter het is. Ik stem voor Rudy. Hij is dit begonnen, hij is op een militaire school geweest en weet wat schieten is.”
“Daar ga ik mee accoord,” zei de andere. “Ik geloof, dat het iemand moet zijn, die buiten de partijen staat, want wij hebben elkaar zoo lang bevochten.”

II.

Rudy las in de partijbladen, dat de organisatie der jonge socialisten een dansavond hield in een lokaal vlak bij Union Square. Hij telefoneerde om te vragen of Portia er met hem heen wilde. Zonder een oogenblik te aarzelen nam zij de uitnoodiging aan. Teresa moest bij Giuseppe blijven, die zoo nu en dan nog wel eens bewusteloos werd. Er was dus ruimte genoeg in den tweezitter en Portia reed voor den tweeden keer in een auto ditmaal zonder haar paarsche japon te kreuken.
Het lokaal was prettig versierd met roode guirlandes en vlaggendoek, vele vrouwen droegen roode strikken en roode anjelieren. De muzikanten speelden oude en nieuwe danswijzen; over een regenboog, die op je schouder schijnt en een nog ouder lied over de muziek, die zoo droomerig is, als perziken en slagroom, laat mijn voeten den grond niet raken!
Portia was een levendige danseres en o, wat was ze gelukkig. Haar donkere oogen schitterden en dan schenen ze weer weg te smelten in zaligheid.
Ze kenden niemand in het danslokaal en ze wilden dat ook niet; zij waren tevreden, dat zij met elkaar konden dansen en naast elkaar konden zitten in de korte pauzes en met elkaar konden babbelen over alle dingen, die zoo maar in hun hoofd opkwamen. Rudy ontdekte, dat alle meisjes hetzelfde zijn. Als zij met iemand dansten, dien zij graag mochten, dan dreven ze weg naar een land van bekoring en ze beefden zoozeer van genoegen, dat je meelij kreeg met die naïve jonge dingen.
En toch was er verschil. Den laatsten keer, dat Rudy gedanst had was het met Marie Prince, die kleine slet. Portia was voorzeker heel anders. Zij was lief en onbaatzuchtig; gewoon te werken, waar ze trotsch op was; ze stond heel vèr van die genotzuchtige meisjes, die de jonge mannen in de wereld van Rudy zoo goed hadden leeren kennen. Zij had ook gezond verstand, want ze zei rake, onverwachte dingen; ze had geluisterd naar wat oudere menschen zeiden en had nagedacht over datgene, wat zij had gehoord. Rudy danste bescheiden en was zeer voorzichtig in zijn gedrag.
Hij kon er natuurlijk niets aan doen, dat hij wist hoe knap hij er uit zag, de meisjes hadden hem dat genoeg laten voelen. Zij werden altijd gemakkelijk op hem verliefd en hij ondervond, dat Portia niet anders was in dit opzicht dan de bourgeois meisjes. Er was een strijd in haar ziel, die hij vermoedde en waar hij over glimlachte. Hij, was een “rijke” jongen, hij had een auto en studeerde aan de universiteit. Met zoo iemand had zij nog nooit kennis gemaakt. Volgens alle wetten van klassebewustzijn moest zij op al deze kwaliteiten neerzien en hem wantrouwen, iets wat zij dan ook deed. Maar toch bewonderde zij hem zeer, ze vond, dat hij knap en wonderbaarlijk was. Beide gevoelens werkten terzelfdertijd in haar hart en naïvelijk bracht zij deze in een en denzelfden zin tot uiting. Het was iets als de houding van de Russen tegenover de Amerikaansche techniek en het Amerikaansche tempo.

III.

Rudy had aan Terasa beloofd, dat zij niet lang zouden uitblijven. Hij wilde zijn woord houden en stelde om half elf voor, dat zij nu genoeg gedanst hadden. Portia, gelukkig kind, zei “Nog een enkele dans!” Daarna werd zij weer het bescheiden en plichtsgetrouwe dametje en vroeg niet meer om een volgende. Zij stapten in den auto en reden langzaam in de richting van de beneden-stad naar Klein Italië.
De afstand was te kort geweest toen zij nog slechts een paar huizenblokken van haar huis waren gekomen.
Portia zei:
“Laat ons een paar minuten stil staan, Rudy. Ik moet je iets zeggen.” Haar stem was zacht en klonk een beetje schor.
Rudy stuurde den auto naar de eerste de beste vrije plaats langs het trottoir. Het toeval wilde dat er daar niet veel licht was – zooals gewoonlijk in dat arme gedeelte der stad.
“Nou, Portia?” zei hij.
Het scheen niet gemakkelijk voor haar te zijn om te beginnen.
“Rudy, je vertrekt!” zoo zei ze tenslotte.
“Ja, dat is zoo.”
“En het kan zijn, dat ik je nooit meer zie!”
“Dat is juist.”
“Als dat er niet was, zou ik wachten. Misschien zou je het dan zelf wel merken, op een behoorlijke manier. Maar er is geen tijd te verliezen, jij vertrekt en je zal nog veel te doen hebben voor je weggaat.”
“Wat is er toch, Portia?”
“Rudy, ik hou van je!”
Hij was niet verbaasd, hij had dit onder het dansen voelen aankomen. Maar het verbaasde hem, dat het hem zoo direct en zoo eenvoudig werd gezegd. Zoo had nog nooit een meisje met hem gesproken.
“Is dat waar, Portia?” fluisterde hij.
“Ik hou dolveel van je, Rudy. Ik ben zoo bedroefd, omdat jij vertrekt. Ik moest het je zeggen!”
“Maar je deed goed het mij te zeggen, Portia. Je hoeft je niet te verontschuldigen.”
“Hou jij een heel klein beetje van me, Rudy?”
“Ik vind je een heel lief meisje.”
“Maar je houd niet van me – je voelt hoegenaamd geen liefde voor mij!”
“Dat zou heel goed mogelijk zijn, lieve, maar ik heb er niet aan gedacht. Je weet hoe het met mij gesteld is, ik heb veel nagedacht over Spanje en over den oorlog, de nazis en de fascisten, socialisme, anarchisme, communisme. Ik heb aan een opvoeding gewerkt, die ik al veel vroeger had moeten hebben. Ik heb in een heele lange tijd niet aan liefde gedacht.”
“Ik zou willen, dat je er wel aan gedacht had – al was het maar voor een paar minuten, Rudy. Het beteekent zooveel voor mij.”
“Goed, lieve, ik zal het doen.”

IV.

En zij dachten aan liefde. Rudy vertelde, dat hij van andere meisjes had gehouden, maar dat hij nooit lang gelukkig was geweest met haar – er was zooveel ongelukkige liefde in de wereld, naar het scheen, en zijn gedachten waren zeer onzeker op dat gebied. Misschien moest hij in dit verband nog vele nieuwe dingen leeren, zooals op het gebied der politiek en der economie.
“Hoe denken de anarchisten over liefde?” zoo vroeg hij.
“Anarchisten gelooven, dat liefde iets belangrijks is” zei het ernstige kind – voor hem althans zag zij er zoo uit. “In de bourgeois wereld is liefde of spel of verspilling of verkwanselen van bezit en wij gelooven aan geen van alle. Wij gelooven, dat liefde een kwestie is tusschen man en vrouw, die niemand anders aangaat, een kwestie van persoonlijke goede trouw. Anarchisten gelooven in de liefde, maar gelooven niet in het huwelijk.”
“Maar Giuseppe en Teresa zijn toch getrouwd, is ’t niet?”
“Zij noemen zichzelf man en vrouw en al hun vrienden beschouwen hen als zoodanig; maar zij hebben zich nooit voor de wet laten trouwen. Zij gelooven niet aan den kapitalistischen staat en zij willen er niets mee te maken hebben als zij er buiten kunnen.”
“Dat begrijp ik,” zei Rudy.
“Stuit je dat tegen de borst?”
“Heelemaal niet. De idee is iets nieuws voor mij. Ik kom zooveel nieuwe dingen tegen in de radicale beweging, dat ik er steeds even bij stilstaan moet en er over nadenken. Ik zie niet in waarom menschen hun eigen huwelijk niet zouden kunnen sluiten, als ze elkaar vertrouwen.”
“Als ze elkaar niet vertrouwen,” zei het wijsgeerige meisje, “wie kan hen dan vertrouwen waardig maken?”
“Het ligt voor de hand, dat je zeer goed moet wezen om anarchist te zijn!” meesmuilde Rudy.
“Of zeer goed of zeer slecht,” zoo verklaarde Portia. “Er zijn menschen, die misbruik maken van onze leer.”
“Ik veronderstel, dat het bij jullie is zooals met den godsdienst,” zei Rudy. Maar hij zag, dat dit niet erg in den smaak viel van zijn jonge leerares; zij wilde niet, dat er iets in haar nieuwe en volmaakte godsdienst zou zijn dat overeenkwam met iets uit den ouden en onvolmaakten godsdienst van het verleden. De menschheid moest nog één keer een poging doen om volmaakt te worden en ditmaal zou zij er in slagen, omdat hun werkwijze steunde op wetenschap en niet op bijgeloof. Daar zaten dus die twee jonge menschen en discusseerden plechtig de ernstigste problemen van de menschelijke ziel; den aard der zedelijkheid, het verband tusschen gezag en de onafhankelijkheid van het individu, de juiste grondslag der maatschappij orde. Rudy kon zich niet weerhouden in den loop van dit gesprek te glimlachen, dit was wel de nieuwste en de eigenaardigste manier van vrijen, die hij ooit had meegemaakt in zijn tamelijk rijke ervaring. De gedachte kwam in hem op, dat hij Burns Cobb, een deskundige op dit gebied, hierover eens moest raadplegen om te weten of hij misschien ooit iets dergelijks had meegemaakt.

V.

“Ik weet precies hoe jij over mij denkt,” zoo zei Portia. “Ik ben een arm meisje, een meisje, dat werkt….”
“O, zeg dat toch niet!” riep hij uit. “Wat er ook gebeurt, ik zal nooit een verrader worden. Ik zal nooit gelukkig kunnen worden met een vrouw, die geen kameraad is.”
“Dat kan ik me voorstellen. Maar ik ben een vreemdelinge….”
“Ik ben een halve Duitscher, Portia. Ik geef daar hoegenaamd niets om. Zooveel anarchist ben ik al wel. Ik beoordeel de menschen naar wat ze zijn.”
“Ik beweer niet, dat ik de juiste vrouw voor jou ben, Rudy. Ik weet niet veel, ik heb jou voorrechten niet gehad. Maar je gaat naar den oorlog en dat maakt alles anders. Als je gewond wordt, dan zou ik je van dienst kunnen zijn, ik zou je kunnen verplegen. Ik ben gewoon hard te werken en niet gewend aan een lui leventje.”
“Daar zit iets in,” zei Rudy ernstig. Hij dacht weer aan Burns en aan zijn voorspelling.
“En bovendien, ik denk er aan, dat het mogelijk is, dat je nooit terugkomt, Rudy. Dan zou ik er steeds voor de rest van mijn leven zoo over denken:”Ik had zijn kind kunnen hebben, maar ik was er te laf voor!"
De jonge man glimlachte niet meer.
“Zijn dat werkelijk je gevoelens, Portia?”
“Dat is het wat ik je zeggen wilde.”
“Je wil de mijne zijn voor ik vertrek en trachten een kind te krijgen?”
“Tenzij jij niets om me geeft, Rudy.”
“Lieve Portia! Het valt een man niet moeilijk van een lief meisje te houden. Maar – we zullen eerst moeten trouwen.”
“Waarom? Dat heeft voor mij en voor mijn vrienden heelemaal geen waarde.”
“Zou jij kunnen werken en voor een kind en jezelf zorgen?”
“Ik zou er wel iets op vinden. Ik heb altijd geweten, dat ik werken moet.”
Rudy nam haar handen in de zijne, bereidwillige handen, klein, maar toch stevig en sterk. Zij waren warm en beefden lichtelijk.
“Luister, lieve” zei hij. “Dit is alles gloednieuw voor mij. Ik heb nooit anarchisten ontmoet en ik ben nooit naar een oorlog gegaan. Ik ben bezig hardop te denken. Ik heb een klein bezit – het schijnt niet veel te zijn in de oogen van mijn familie en van mijn vrienden, maar voor jou zal het wel veel lijken.”
“Ik verlang jouw bezit niet, Rudy. Dat zou vreeselijk voor me zijn!”
“Als jij een kind zou krijgen, dan was het wel dwaas het niet te willen. Je zou dan toch wel eenigszins aan mijn gewetensrust moeten denken. Als ik in den oorlog sneuvel, dan zou ik toch wel wenschen, dat mijn kind krijgt wat ik bezit.”
“Dat is zeker. Daar heb ik niet aan gedacht.”
“Ik bezit enkele aandeelen in de zaak van mijn oom. Honderden arbeiders werken daar en de winst op hun arbeid gaat naar ons, aandeelhouders. Ik kan dat niet veranderen; als ik het geld niet aanneem dan krijgt een ander het toch. Ik heb geprobeerd een middel te vinden om het zoo te veranderen, dat het geld naar de beweging zou gaan. Ik zou een testament kunnen maken, maar ik weet zeker, dat mijn familie dan probeeren zal het ongeldig te laten verklaren – niets zou hen zooveel plezier doen als wanneer zij dat geld konden krijgen om het aan de nazis te geven. En dat is toch geen oplossing, wel?”
“Natuurlijk niet.”
“Maar als ik getrouwd ben, dan is de kwestie automatisch geregeld. Dan erft mijn vrouw wat ik bezit en dan is er geen testament noodig. Eigenlijk” –Rudy dacht nog steeds hardop– “zou het de eenvoudigste zaak ter wereld zijn, dat ik die aandeelen aan jou overdraag, dan kan jij het geld ontvangen en mij zenden wat ik noodig heb, de rest kan je opsparen tot je merkt, dat je een kind moet krijgen. Is dat niet verstandig?”
“Ja, Rudy, – als jij me zoozeer vertrouwt.”
“Als ik je mijn geld niet toevertrouwen kan, lieve, hoe zou ik je dan mijn kind kunnen toevertrouwen?”
“Dat is waar,” erkende het meisje, deskundige in ethiek.

VI.

Daar zaten ze nu en bespraken practische vraagstukken tot er stilte kwam en plotseling fluisterde Portia heel zacht:
“Er is nog iets, Rudy.”
“Wat dan, lieve?”
“Als je genoeg vertrouwen in me stelt om met me te trouwen, dan kan je toch ook genoeg vertrouwen in me hebben om me te kussen.”
Dat voorstel beviel hem. Hij legde zijn armen om haar heen, zij legde haar lippen op de zijne en ze omhelsden elkaar lang – iets wat bekend genoeg was voor de weinige voorbijgangers in de straat om hun aandacht niet te trekken. Het was dat soort omhelzing, waarover Rudy gelezen had in de literatuurles op de middelbare school: “Zoo paren tortels, die nooit van elkaar willen gaan.” Hij had dit nooit begrepen, want hij zag niets aantrekkelijks in het liefdeleven van tortels en niemand had hem ooit verteld, dat de dichter een paar duiven had bedoeld.
Nochtans, hij ging in den oorlog, waar kennis van Shakespeariaansche schriftverklaring geen waarde had. Daar alle moreele kwesties geregeld waren, kwam hij tot het inzicht, dat het zeer gemakkelijk voor hem was dit vurig en aanbiddelijk kind te beminnen. Hij had gezworen nooit meer opnieuw een vrouw te vertrouwen en nu was hij bezig tot over zijn ooren verliefd te worden! Hij drukte kussen op haar lippen, haar wangen, haar hals en zij, dicht tegen hem aan, fluisterde dan:
“O, lieve Rudy! Onze tijd is zoo kort!”
“Ja, lieve, onze tijd is kort!”
“Laat ons vanavond niet van elkaar weggaan, Rudy.”
“Maar wat kunnen we anders doen?”
“Neem mij ergens met je mee.”
“Maar – wat zullen Giuseppe en Teresa denken als jij niet thuis komt?”
“Ik zal telefoneeren en het uitleggen.”
“En zullen zij er niet boos om zijn?”
“Natuurlijk zullen zij verwonderd zijn, maar als ik het ze duidelijk maak, dan zullen zij begrijpen.”
Rudy dacht een oogenblik na.
“Uitstekend,” zei hij. “Dat is afgesproken.” Hij kuste haar nog eens en zette den motor aan. Zij reden naar een drogisterij ergens op een hoek en Portia ging naar binnen om te telefoneeren. Hoe lief zag zij er uit toen zij weer buiten naar hem toe kwam, een blozende bruid – die gesterkt was geworden door een van die warme Zuidelijke grappen, die de wangen kleuren! Zij reden weer weg en bespraken vele problemen, fluisterden ook woorden van zaligheid en van vrees, zooals er gesproken worden door mannen en vrouwen, die weten dat oorlog, misschien wel de dood, hen spoedig zal scheiden.
Rudy reed naar huis. Hij gaf den lift jongen een dollar, wat een voldoende verklaring was. Als er een kink in de kabel kwam, dan was dat toch niet voor morgen. Dan zou er een huwelijksvergunning zijn of een trouwbewijs om over te leggen.
Hij en Burns hadden elk een kamer en Burns, evenals Giuseppe en Teresa, kon men doen begrijpen. Toevallig was Burns nog niet thuis en Rudy nam Portia mee naar zijn eigen kamer, liet haar daar achter, ging toen terug naar de huiskamer van de kleine flat –die hij met Burns deelde–. Hij schreef een paar woorden op een velletje papier, legde het op tafel onder de lamp, waar zijn vriend het zeker zou zien zoodra hij binnenkwam:

Niet storen.

Mijn vrouw is bij me.

En dan, na een korte overpeinzing, gedreven door zijn Amerikaansch gevoel voor humor, schreef hij er nog dit bij:

OORLOGSBRUID!

XIV. De Amerikaanse expeditie.

I.

Het waren drukke dagen voor den leider van het nieuwe overzeesche leger. Hij was hoofdkwartier, generaal intendant en inlichtingdienst alles in één – en bovendien had hij nog de taak van zijn huwelijk. Hij en zijn bruid moesten naar het raadhuis gaan en een vergunning koopen. Rudolph Hermann Messer en Portia Vanzetti Daniele – schilderachtige namen! Zij moesten twee getuigen hebben bij hun huwelijk en Giuseppe zei, dat hij niet ontbreken wilde zelfs al zou hij er op een draagbaar heengebracht moeten worden. Ze persten zich alle vier weer in Rudy’s kleinen auto dachten daarbij aan den laatsten rit, dien zij daarin deden, maar hoopten dit keer op meer geluk.
Het nieuws was spoedig overal bekend en verschillende Italaansche kameraden kwamen naar hun huis, gavan Rudy een klap op zijn rug en boden aan, de bruid te kussen. Natuurlijk moest er een klein feest zijn, enkel voor intieme vrienden. Portia, trotsch op haar wonderbaarlijken Amerikaanschen man, maakte zich graag verdienstelijk met het dragen van pakjes, telefoneeren, onverschillig wat. Het eene oogenblik was ze in den zevenden hemel, het volgende moment was ze doodbedroefd; verrukking en angst saamgekoppeld in een meisjesziel.
Rudy nam haar mee naar zijn bank en gaf haar volmacht over zijn rekening. Hij liet zijn aandeelenbezit op haar naam overschrijven, legde haar de bizonderheden uit van die kapitalistische instelling, waarbij de vruchten van den arbeid der werkers verdeeld worden onder parasieten. “Bezit is diefstal”<ref>Proudhon. “La propriété, c’est le vol.” (Vert.).</ref>, schreef een hunner anarchistische wijsgeeren en nu zou Portia een heler zijn van gestolen goederen!
Rudy legde haar uit wat dividenden waren en wat zij doen moest. Zij moest een notitieboekje nemen en alle instructies, adressen en verdere inlichtingen opschrijven. Daarna liet hij haar zweren bij de baarden van Bakoenine, Kropotkine en Johann Most<ref>Beroemde anarchisten. (Vert.).</ref>, dat zij de pogingen van welbespraakte jonge mannen zou weerstaan, die haar zouden komen lastig vallen met aanbiedingen van stofzuigers, electrische koelkasten, aandeelen in petroleummaatschappijen en in goudmijnen en van de “Groote Amerikaansche Redevoeringen” gebonden in rood of groen linnen.
Hij schreef aan zijn oom, deelde hem zijn huwelijk mede en zijn zakelijke regelingen. Hij kwam met den eigenaar van de drukkerij, waar Giuseppe werkte overeen, dat deze een telegramadres bij de kabelmaatschappij zou nemen, zoodat de krijgers goedkoope verbinding zouden hebben met het moederland. Hij regelde den verkoop van zijn auto om deze af te doen halen na zijn vertrek en nam maatregelen voor het opbergen van zijn andere bezittingen. Hij werd ingeënt met typhus serum, wat hem erg ziek maakte en weinig oorlogszuchtig gedurende een paar dagen. Daar hij vernomen had, dat hij, om in Spanje te komen, geloofsbrieven zou moeten kunnen overleggen van een arbeidersgroep, sprak hij met zijn vriend Izzy af, die hem een aanvraag voor het lidmaatschap van de socialistische partij liet teekenen en korten tijd daarna ontving hij een mooie rooie kaart met bijbehoorende stempels.

II.

Door al deze beslommeringen vergat Izzy zijn verdriet en zijn angst. Op den avond, dat Rudy zich een oorlogsbruid nam, woonde Izzy een vergadering bij van zijn afdeeling en vertelde over de expeditie en won een nieuwe vrijwilliger. Hij zei, dat zij er nog veel meer konden krijgen als zij een paar weken wilden wachten. De partij vloeide over van opwinding in verband met den toestand in Spanje. Nieuwsberichten kwamen binnen over Diuitsche en Italiaansche hulp aan Franco en over de medeplichtigheid van het Britsche kapitalisme in de fascistische knoeierijen.
De nieuwe vrijwilliger, Donald Bainbridge, was evenals Rudy student aan de universiteit en ontevreden met zijn studie. Hij had schrijver willen worden. Hij was een slanke, intelligente jonge man, uit New England afkomstig en Izzy zei, dat dit goed was; er moest tenminste een echte Amerikaan zijn om de socialisten op deze expeditie te vertegenwoordigen.
“Misschien kan Giuseppe een Amerikaanschen anarchist vinden,” stelde Rudy voor met een glimlach.
“Dat zal niet zoo gemakkelijk gaan,” antwoordde de andere. “En hoe dit ook zij, wij moeten er ook weer niet te veel van hebben. Iederen anarchist, dien ik ooit heb gekend, was er een van de vijf kwijt.”
“Slaat dat ook op mijn nieuwen zwager?”
“Ik ken hem niet genoeg, Rudy. Ik zeg je alleen wat ik er in de beweging van gezien heb. Het is mogelijk, dat wij, socialisten, niet met anderen kunnen werken, maar anarchisten kunnen niet eens onder elkaar werken.”
“Ik heb gehoord, dat wij er een heele boel in Spanje zullen ontmoeten.”
“Nou, dan zal je merken, dat ze of den oorlog verliezen of bevelen gehoorzamen en met de regeering samen werken en als ze dat doen, dan zijn het toch geen anarchisten meer, wel?”
Rudy kon het niet nalaten zijn ernstigen vriend te plagen. “Luister, jij zuivere, eenvoudige partijman, waarom wil je de eenheidsfrontgedachte niet in de practijk brengen? Trek er op uit en zoek een Trotzkyist en een aanhanger van de Amerikaansche Arbeiders Partij, die Roosevelt steunt – het is toch pas een paar jaar geleden, dat zij zich van jullie hebben afgescheiden, is ’t niet? En rond het heele geval dan af met een lid van de Amerikaansche Arbeids Partij….”
“Daar zijn er niet genoeg van,” zei Izzy, die ondanks zichzelf moest lachen. “Zij kunnen geen geheel lid missen.”

III.

De zes vrijwilligers hielden een vergadering om hun plannen te bespreken. De Geheime Zes, zoo noemden zij zichzelf en ze kregen een bizondere sensatie door de artikelen in de kranten, waarin gezegd werd, dat de regeering van plan was de neutraliteitsbepalingen streng te doen handhaven en aan Amerikanen niet toe te staan aan den Spaanschen burgeroorlog deel te nemen onverschillig aan welken kant. Een oude bepaling uit de grondwet werd naar voren gehaald, waardoor aan iedereen, die in de Vereenigde Staten personen recruteerde om voor een vreemde regeering te gaan vechten, drie jaar gevangenisstraf en een boete van duizend dollars werden opgelegd. Er zouden geen Lafayettes of Steubens of Kosciuszkos<ref>Fransche, Duitsche en Poolsche generaals, die vrijwillig streden in den Amerikaanschen bevrijdingsoorlog. (Vert.)</ref> zijn, die van kapitalistisch Amerika uit de Spaansche arbeiders ter hulp zouden komen zoolang een kapitalistische regeering en een kapitalistische procureur generaal het konden voorkomen!
Om deze reden besloten de Geheime Zes niet te wachten om hun aantal te verhoogen; zij wilden die taak aan hun partij-organisaties overlaten. Zij benoemden Rudy Messer tot leider en besloten, dat zij hun geld aan hem zouden overdragen en zij gaven hem toestemming passage te boeken op de eerste boot, die naar Havre of Cherbourg vertrok. Zij wilden derde klas reizen, wat met hun proletarische doelstelling overeenstemde. Ieder betaalde zijn eigen kosten en niemand zou met de groep vertrekken, die niet genoeg geld had om tenminste Barcelona te bereiken. Zij zouden aan reporters niets vertellen en alles achterwege laten om niet het risico te loopen, dat de autoriteiten hen tegenhielden.
Larry Adams zei: “Men zegt er niets van, dat de Nankingregeering aan de kapitalistische machten wordt overgeleverd en vliegtuigen en vliegeniers vraagt om de communisten in West-China te vernietigen. Wij hebben hen graag vijftig millioen dollar geleend en hen hun vliegtuigen in ons land laten koopen. Wij hebben zelfs instructeurs gezonden om jonge Chineezen te leeren hoe zij vliegtuigen moeten gebruiken om arbeiders te dooden en boeren, die zich poogden te bevrijden van het juk der landheeren en woekeraars – dat was alles volkomen neutraal! Maar wanneer een arbeidersregeering zich verdedigt tegen een fascistische revolutie, dan moeten wij over wapens, die wij hebben, zwijgen en de wet toepassen op iedereen, die wil helpen!”
De rooien zeiden altijd dergelijke dingen, bitter en cynisch, maar toch steeds goed gedocumenteerd! Die gewoonte had Rudy vaak gehinderd, maar dat was nu minder het geval. Het was een bevestiging van het bijbelsche woord, dat slechte mededeelingen goede manieren bederven.
Larry was gekomen met zijn schouder en armen in het verband; maar hij kon best meereizen, zoo zei hij, want voor zij in Spanje zouden zijn, was hij wel in orde. Pete Howatt, de man, dien hij meebracht, had voetbal gespeeld en zag er gezond en sterk uit. Beiden legden zich volkomen neer bij de solidariteit der arbeiders zonder eenig gezeur. Zij waren gekomen om te vechten en niet om te debatteeren over dictatuur of sowjets of een ander punt van hun leer.

IV.

Twee dagen later ging er een boot, de plaatsen werden besproken en het geld was betaald. Zij hadden allen handen vol werk; paspoorten en fotos, trenchcoats en duffelsche zakken, dekens, chocolade, revolvers, Spaansche zakboekjes! Het was een moeilijke kwestie om te beslissen wat je in je plunjezak moest meenemen en wat je achter kon laten. Iedere man zou niets meer dan een zak meenemen. Het was nutteloos naar den oorlog te gaan met valiezen en draagbare schrijf-machines.
Burns Cobb was zeer meegaande geweest en was in de laatste paar dagen steeds afwezig, zoodat hij de kleine flat vrijliet voor het bruidspaar. Maar de galante vertegenwoordiger van Noordsche meerderheid dorst niet naar het schip te gaan om van zijn rooie vriend, die naar den oorlog ging, afscheid te nemen. Er zouden wel eens reporters kunnen zijn, zei hij, en dat kon hem in zijn loopbaan schade berokkenen. Bovendien had hij het druk met de verkiezingen voor de klassevoorzitter en iedereen weet wat dat beteekent.
Rudy en Portia brachten hun laatsten nacht samen door. “Belle nuit, o nuit d’amour, souris à nos ivresses!” Zij waren vol vervoering en zoo nu en dan huilden zij een beetje; daar tusschendoor bespraken zij de mogelijkheid, dat het groote natuurwonder zich in Portia zou kunnen voltrekken – dat wonder, waar vele Amerikaansche dames bezwaren tegen hebben. “De laatste kans!” zei Rudy tegen moeder natuur; zooals gewoonlijk hield zij haar lippen gesloten. Ter zijner tijd zou zij van zich laten hooren.
De boot vertrok s avonds. Oom Jake stond er op het uitgeleide te geven. Eerst haalde hij Rose en Izzy op, zette ze af bij de pier en ging dan Rudy en Giuseppe en hun zuster-vrouwen halen. Die twee vrouwtjes zagen er uit als christen-martelaren op weg naar de arena der leeuwen; maar zij konden toch een paar tranen niet wegdrukken en ieder werd stevig in de armen van haar man vastgehouden.
Tenminste, dat was het geval tot Rudy tot de ontdekking kwam, dat oom Jake om de ontroering weg te spoelen te veel aan Bacchus had geofferd. De taxi miste een verkeerspaal op een zeventiende deel van een duim en Rudy sprong over de duffelsche zakken, zette de motor af en dwong Jake het stuur aan hem over te laten voor het overige van den rit. Zij waren bereid te sneuvelen op de slagvelden in Spanje, maar niet in het verkeer van West Broadway!
Arme oom Jake. Zijn slappe, ronde wangen trilden van vernedering en van verdriet en van het geheele mengsel gevoelens, die alcohol in de zielen giet, zoowel van Noordsche als van Joodsche drinkers.
“Ik heb het je nog zoo gevraagd niet naar die verdomde oorlog te gaan!” zuchtte hij. “Ik heb je toch gezegd, dat er geen goed uit voorkomt! Nu ben ik weer aan ’t zuipen geslagen, ben dronken en ik zal m’n baan kwijtraken.” Rudy verzekerde hem, dat het niet zoo erg was zijn baan kwijt te raken dan naar Sing Sing<ref>Staatsgevangenis in den Staat New York voor geheel Amerika. (Vert.)</ref> te worden gezonden wegens doodslag.
Bij het schip stond zuster Rose, niet dronken voor zoover men dat kon zien, maar vastgekleefd aan den armen Izzy. Zij trachtte hem nog op het laatste oogenblik te overtuigen, dat het beter was dit dwaze avontuur op te geven. Zij maakte een klaagmuur van de verschansing van de boot. Ze schreeuwde het uit, dat dit een militaire expeditie was, die tegen de grondwet van de Vereenigde Staten indruischte. Zij smeekte de scheeps-officieren in blauw uniform, zelfs de hofmeesters in wit uniform haar broeder te weerhouden van verminking of van den dood in dezen kleinen wereldoorlog.
In werkelijkheid vertelde Rose niets nieuws. Het geval was op de een of andere manier uitgelekt – propagandisten kunnen moeilijk een geheim bewaren. Er waren reporters en fotografen met magnesium licht, alsof er filmsterren op reis gingen in luxe hutten van het groote schip in plaats van proletariërs, die tusschendeks reisden. Zij werden op een rij geplaatst, met z’n zevenen – want op het laatste moment was er nog een vertegenwoordiger van de Arbeidspartij bijgekomen, een jonge machinist, Collins genaamd. Izzy was verheugd – de zuivere Noorderlingen waren nu in de meerderheid, als Franco dus verslagen werd, dan kon niemand de schuld ervan aan de joden geven!

V.

Het leven op de oceaangolven. De ouwe Boreas<ref>De God van den wind. (Vert.)</ref> was hun vriendelijk gezind en blaasde zacht; zij hadden zindelijke kribben en goed, maar eenvoudig voedsel en niets anders te doen dan zich op den oorlog voor te bereiden.
De arbeidersklasse der wereld verlangt er naar de wereld in haar macht te krijgen. Dat is een geweldige taak en zij, die tot de arbeidersklasse behooren moeten elke gelegenheid aangrijpen om zich te bekwamen tot het nemen van de leiding en het betoonen van initiatief. Daar had je Rudy Messer, die van tevoren nooit iets belangrijkers had geleid dan een basket-bal ploeg. Nu had hij de leiding van een ploeg, die op het punt stond naar het slagveld te gaan met slechts een paar weken om klaar te zijn voor die beproeving.
Hem was gezegd de leiding te nemen en hij nam ze. In de eerste plaats was er de kwestie van lichamelijke geschiktheid. Zij hadden geen geweren en geen plaats om te oefenen op de laagste dekken van een schip; maar zij konden zich wel oefenen in buigen en knielen. Rudy zette hen driemaal per dag aan dat werk. Zij konden ook marcheeren. Hij mat den afstand en zij kwamen overeen, dat zij vijftien mijl per dag zouden marcheeren. Als iemand dat te veel vond om mee te beginnen, dan kreeg hij ten antwoord, dat hij er misschien wel veertig zou moeten marcheeren op zijn eersten dag in het leger.
Zij moesten ook studeeren. Het roode leger van de Sowjet Unie is een reusachtige school, waar millioenen jonge werkers niet alleen leeren lezen en schrijven, maar waar zij ook leeren het kapitalisme te begrijpen en de intriges der werelddiplomatie. Hetzelfde gebeurde ongetwijfeld in Spanje in de lange rustpoozen, die het onromantische deel zijn van den oorlog. Goed dan, in de rust tusschen de oefeningen, lazen zij hardop een boekje over militaire training, dat Rudy hen had bezorgd. Zij bestudeerden de aardrijkskunde van den Spaanschen oorlog en de uitspraak van de Spaansche taal.
Larry Adams, die de taal eenigszins in New Mexico had geleerd, fungeerde als leeraar. Agua, water; pan, brood; die woorden kon je den eersten den besten dag moeten gebruiken. Salud, gezondheid; dat was de gebruikelijke groet. Compañero dat was de manier om kameraad te zeggen en je zou het dikwijls moeten zeggen. Trabajo was arbeid en je moest leeren zeggen “boven” hiermee en “neer” met Franco. Je moest den oorlogskreet van dezen oorlog leeren, die van de Franschen in Verdun was geleend. “Passeront pas!” zoo had een heel leger twintig jaar geleden geroepen – “Zij zullen er niet doorkomen!” In het Spaansch was dat “No pasaran!” – met alle a’s vol uitgesproken en den klemtoon op de laatste lettergreep.

VI.

Op den eersten dag, dat zij op zee waren kwam er een eigenaardig nieuwtje: Er was nog een andere militaire groep aan boord. Ongezien en onvermoed had Ernie zijn Duitschers op het zelfde schip gebracht! Was dit toeval of opzet? Rudy heeft het nooit geweten, maar het scheen wel, dat de inlichtingsdienst van den neef aan het werk was geweest, want zij had hetzelfde aantal mannen meegenomen. Zes sterke, blauwoogige Noorderlingen, barstend van rassentrots – geen enkele Jood noch bolsjewiek onder hen! Ernie zelf reisde eerste klas en zijn mannen tweede. Elken dag ging de leider naar beneden naar hun dek en deed hen hetzelfde aantal mijlen marcheeren als de mannen van Rudy.
Een stoomschip is een van de vele plaatsen, waar niet gepoogd wordt de klasseindeeling der maatschappij te verbergen. Iedereen mag wandelen in de straten van een stad, maar alleen de eerste klas passagiers mogen overal op het schip komen, terwijl de tusschendeks –tegenwoordig beleefd genoemd derde klas of toeristen-klas– beneden moeten blijven dicht bij het water. De eerste klasse passagiers en de officieren zijn voor Franco – met uitzondering van een toevallige dwaas of verrader. Wat het tusschendek betreft, wat daar wordt gedacht heeft nog nooit veel uitgemaakt voor wie dan ook.
Maar hier speelde zich een drama af aan boord. Twee militaire groepen, die naar Spanje gingen om tegen elkaar te vechten. Intusschen trainden zij op de dekken. Het was een schandaal en het bracht den klassestrijd op onaangename manier naar voren. De officieren trachtten Rudy en zijn groep over te halen hun marcheeren te staken, maar de jonge rooien vonden, dat zij het recht daartoe hadden en stonden er op dat recht te gebruiken. Zou een stoomvaartmaatschappij haar passagiers in ijzers durven slaan omdat zij beweging namen in de frissche lucht? De stoomvaart-maatschappij deed het niet.

VII.

Op den laatsten dag van de reis ontving Rudy een briefje: of hij in de hut van zijn neef wilde komen? Dat briefje bleek een speciale vergunning te zijn voor een derde klas passagier. Hij ging, maar hij zorgde ervoor zijn vrienden te waarschuwen, dat, als hij binnen het half uur niet terug was, zij hem moesten zoeken in weerwil van de regels van het schip.
Maar Ernie had niets anders op het oog dan een laatste beroep op gezond verstand en familigevoel. Het was krankzinnig wat zij beiden aan het doen waren en het was nog niet te laat om terug te gaan. Als Rudy met de boot terug wou gaan, dan zou Ernie met hem meegaan en dan konden zij denken, dat zij een prettige zeereis hadden gemaakt.
“Wacht even voor je antwoordt,” zei hij, met zooveel gesmeek in zijn stem als hij er in leggen kon. “Het kan niet anders of jij moet toch op sommige momenten inzien, dat dit avontuur dwaasheid is.”
“Heb jij wel eens momenten, Ernie, dat je inziet, dat Hitler een dwaas is en dat hij omringd is door gewetenloozen en lakeien?”
“Wij hebben het nou niet over den Fuehrer, Rudy.”
“Maar wij hebben het juist wel over hem. Wij zijn aan het beslissen of hij koper en ijzererts uit Spanje zal krijgen en die zal gebruiken om de democratische landen te overweldigen. Ik onder anderen voel er niets voor om dan nog te leven.”
“Is dat je eenige antwoord?”
“Absoluut. Maar wij moeten er geen persoonlijke ruzie van maken, Ernie.”
“Wel zeker, dat doen we – juist wel! Ik wil mezelf niet om den tuin leiden met sentimenteele beschouwingen.” Ernie stak in zijn opwinding zijn wijsvinger bijna in het gezicht van zijn neef en dwong hem aldus achteruit te gaan. “Ik wil, dat je weet, dat je smerig bolsjewistisch verraad je verdomd weinig zal baten! Jij gaat naar de Internationale Brigade – de joodsche zwijnen en de rooien, die denken Franco buiten Madrid te kunnen houden. Nou, begrijp me goed, ik zal daar eerder zijn dan jij! Ik heb mijn vliegtuig hier aan boord; ik zend mijn mannen langs den Westelijken weg – je weet, dat wij Irun hebben ingenomen en in het bezit zijn van dien weg.”
“Ja, dat heb ik gelezen.”
“Jullie zullen over den Oostelijken weg moeten gaan en wij zullen er eerder zijn dan jullie. Wij zullen weten waar de Internationale Brigade is en wij zullen er voor zorgen daar ook te zijn.”
“Uitstekend, Ernie, we zien elkaar vóór Madrid.”
Zij namen afscheid van elkaar zonder een groet. Op weg naar zijn eigen afdeeling aan boord, speelde er een liedje door Rudy’s hoofd, dat hij en zijn neef als kinderen hadden gezongen. Hij veranderde de woorden om overeen te komen met de nieuwe aardrijkskunde:

“O, jij neemt den Oostelijken weg

En ik neem den Westelijken
En ik zal voor jou in Madrid zijn!”

XV. Het Roode Front.

I.

Terwijl de Amerikaansche Expeditie zich in New York gereed maakte stonden de kranten vol over de inneming van Toledo door het fascistische leger. Het was een roemrijke gebeurtenis in de geschiedenis, het ontzet van het Alcazar, waarin ongeveer duizend kadetten en andere opstandelingen gedurende vele weken door de rooien vastgehouden werden; zoo zeiden alle correspondenten, maar slechts weinigen vermeldden de massaslachting onder de arbeiders der ingenomen stad. Dit soort nieuws werd in New York niet gevraagd en het was gevaarlijk het uit de oorlogszone te verzenden. De Vereenigde Pers erkende in een brief, dat zij zich bij Franco’s bevel had neergelegd en dat iedere correspondent, die over zijn troepen als “opstandelingen” zou spreken, gestraft zou worden.
De eerste gedachte van de vrijwilligers toen zij in Frankrijk aan wal gingen was een Engelsche krant te koopen om te zien hoe de zaken nu stonden. Franco was weer in den aanval, hij was nog slechts vijf en twintig mijlen van Madrid verwijderd. Men scheen hem niet meer tegen te kunnen houden. Wanneer hij tegenstand ontmoette van barrikaden, dan marcheerde hij er eenvoudig om heen en de arbeiderslegers moesten terugtrekken, verloren weer materiaal en weer manschappen. Zij waren dilettanten en konden geen standhouden tegenover die vreeselijke Mooren, die met moderne geweren en machinegeweren waren gewapend en getraind waren in het gebruik ervan.
Rudy kende wat school-Fransch, evenals de socialist Donald Bainbridge. In den trein naar Parijs lazen zij het slechte nieuws en de opgetogenheid der Fransche bladen. Zij kenden deze kranten niet en konden dus niet opmaken tot welke partij zij behoorden. Met uitzondering van een avondblad, dat de regeering Blum steunde, waren alle kapitalistische kranten van Frankrijk voor Franco, de meesten waren gekocht en betaald lang van tevoren. Het was niet gemakkelijk hun geweldstaal en hun wraakgierigheid te volgen. Zij verheugden zich allen over de zekerheid, dat er nog slechts enkele dagen zouden verloopen voor Madrid genomen zou worden – en wat een schoonmaak zou er dan onder het rooie vergif worden gehouden!

II.

Parijs was prachtig in den warmen zonneschijn van October. Allen hadden romantische ideëen over die groote stad, vooral over haar slechtheid. Maar zij zouden er wel niets van merken – tenminste niet voor den oorlog ten einde was. Zij zagen de breede boulevards, waar zij met hun taxis doorreden; zij keken naar een paar prachtige gebouwen en vroegen aan den chauffeur wat het waren, maar konden niet altijd het antwoord verstaan. Zij moesten naar het hoofdkwartier van hun partij om zich aan te melden en inlichtingen te krijgen over de manier, waarop zij in Spanje konden komen.
De arbeiders van Frankrijk hadden hun eenheidsfront gevormd en een socialistische regeering gekozen. Deze regeering bevond zich in een tragische positie. Er werd een moord bedreven in het huis van den buurman – zou zij er zich in mengen om het slachtoffer te redden en het risico loopen, dat de moordenaars haar eigen huis zouden binnendringen? Frankrijk alleen kon niet tegen de dictators vechten en zou Groot Brittanië helpen? Groot Brittanië liet maar al te duidelijk merken, dat, als Frankrijk oorlog zou voeren voor het “rooie” Spanje, Groot Brittanië langs de lijnen zou blijven staan. De Britsche regeering was in handen van conservatieve heeren, die zich ondubbelzinnig voor “niet-inmenging” verklaarden, maar terzelfder tijd aan hun vazalstaat Portugal toelieten een ontvangststation te zijn voor tanks, vliegtuigen, bommen, munitie en “vrijwilligers” afkomstig uit Hitlers rijksweer.
Frankrijk kon zelfs niet eens op de Sowjet Unie rekenen in deze crisis. De Russen waren het socialisme in een land aan het opbouwen en hun eerste wensch was buiten den oorlog te blijven, elke dag van vrede was buitengewoon kostbaar voor hen. De Trotzkyisten en de andere uiterst linksche groepen bedekten Parijs met plakkaten, die aankondigden, dat Stalin Spanje verraden had. In de voorsteden werden er elken avond vergaderingen gehouden, waar de arbeiders zongen: “Des avions pour l’Espagne!”, “Vliegtuigen voor Spanje!” De ministerpresident Blum debatteerde en pleitte met de wild geworden machten van het fascisme; hij sloot overeenkomsten en hield zich er aan, terwijl zij achter hun zwarte en bruine hemden hem uitlachten en Franco met zijn dertig duizend Mooren en evenveel Duitsche en Italiaansche “vrijwilligers” marcheerde op naar Madrid.
Razernij bij de Fransche arbeiders – en een toevloed van werkelijke vrijwilligers naar de partijcentra in Parijs. Als de regeering niet hielp, dan zouden de arbeiders zelf optreden; er zou geld worden ingezameld en Franschen zouden vertrekken – velen, die jarenlang tegen de Rif Mooren in Marokko gevochten hadden en veel beter waren dan welk zwart- of bruinhemd dan ook. Toen zeven jonge Amerikanen zich aanmeldden en naar den kortsten weg naar Spanje vroegen, werden zij door de arbeiders met “vives” –(“lang zullen zij leven”)– ontvangen, men klopte hen op den rug, kuste hen op beide wangen, iets wat de Amerikanen verlegen maakte.
Denzelfden avond was er een sneltrein en de expeditie ging er mee weg uit Parijs. Den volgenden ochtend waren zij in het Zuiden van Frankrijk, een warm en prachtig land, verzorgd met toewijding duizend jaar lang. Een groote verrukking, het eerste zicht op de Middellandsche Zee; “Mare nostrum” –onze zee– maar wie zijn “wij?” Die vraag was nooit minder beantwoord. Daar lag ze dan met rookende trampbooten en vele kleine visschersbooten met rood gekleurde zeilen. Daarachter waren bergen, die naar de zee afliepen en eindelijk liep de weg door een donkeren tunnel en daar was de Spaansche grens. De trein stopte en iedereen moest uitstappen om een anderen trein te nemen.
Zij waren in het kleine visschersdorp Port-Bou, dat nu belangrijk was geworden door den oorlog. Hier waren de ambtenaren van de arbeidersregeering met roode banden op de mouwen, belast met de plechtige taak spionnen en provocateurs uit het land te weren. Toen zij de roode kaarten van de Amerikanen zagen, wonden zij zich op en riepen een van hen, die Engelsch sprak. Toen hij vertelde, dat zij arbeiders uit Amerika waren en gekomen om hen te helpen, werd er niets verder meer gedaan om den trein op gang te krijgen. Wat een verwelkoming, wat een vreugde! De leden van de expeditie probeerden hun pas verworven taal-kennis te gebruiken, zij wisten niet, dat deze menschen Catalanen waren, die een eigen taal spraken en deze de mooiste taal in de wereld vonden!
“Salud!” schreeuwden de Amerikanen en staken hun gesloten vuisten op in den groet van de rooien. “Arriba trabajo!”<ref>Hoog den arbeid!</ref> riepen zij en dan al hun moed verzamelend:
“Abajo Franco!”<ref>Weg met Franco! (Vert.).</ref> De kameraden van Port-Bou kenden wel zooveel Spaansch om dit te verstaan en veronderstelden, dat als iemand dat kon zeggen hij ook alles zeggen kon. Zij begonnen te praten en te betoogen, maar helaas, alles wat de expeditie kon vóórt-brengen was nog een van haar weinige zinnen: “No comprendo!”<ref>Ik versta het niet! (Vert.).</ref>

III.

Eindelijk kwam de trein op gang, een armzalige, langzame trein, vol boeren, die levensmiddelen bij zich hadden. Maar het was een trein van arbeiders. Zoowel de lococomotief als de waggons waren met leuzen beschilderd. Door de ramen zagen de passagiers Spanje, een heet en jammer genoeg voor het grootste deel een onvruchtbaar land, waar menschen met de wanhoop moeten vechten om te kunnen bestaan. Door de eeuwen heen hebben zij dit gedaan – en meestal werd het van hen af genomen. De “grandes” van Spanje waren nooit zeer groot, volgens de normen van Amerikaansche geldmagnaten, maar wat er ook was, zij zorgden, dat zij het kregen. De boeren, die in dezen trein reden hadden het land genomen en om zeker te zijn van hun bezit hadden zij de eigendomspapieren in de steden verbrand.
Treinen zijn maar zelden snel in oorlogstijd en het was zonsondergang voor zij in Barcelona aankwamen. Een groote stad – drie kwart millioen inwoners, zoo zeiden de gidsboekjes. Een stad van arbeiders – dit vermeldden de gidsboekjes niet, maar de kranten hadden het hun gezegd. Iemand had vanuit Port-Bou getelegrafeerd en er was een deputatie van arbeiders om de zeven Amerikanen te verwelkomen; ook een journalist – hoe was het mogelijk, in het door den oorlog uiteengereten Spanje! En menschen liepen over en weer en schreeuwden: “Los Americanos! Los camarados Americanos!” Weer een gelegenheid om “Salud!” te roepen en de gebalde vuist op te steken.
Wat de Amerikanen het meest trof was de volmaakte orde in deze groote stad. De oorlog had haar niet geraakt, alleen de revolutie en die was in veertig uur gedaan geweest. Het was een industriestad; de vakvereenigingen noemden zich anarcho-syndicalistisch, daar zij geloofden aan de vrije coöperatie der arbeiders in de leiding en het op gang houden der fabrieken. Het waren deze goed opgevoede arbeiders en hun vrouwen, die tegen machinegeweren hadden gevochten met dolken en stukken planken, waar spijkers uit staken. Nu hadden zij de leiding over een stad; zij hadden hun boeien geslaakt en de wereld veroverd.
De Amerikaansche expeditie werd op een vrachtauto geladen en voor een rit over een breeden boulevard meegenomen, waar een laan midden doorliep met een dubbele rij boomen en caféterrassen zooals je overal in de warme streken van Europa aantreft. Arbeiders wandelden daar met hun meisjes – allen blootshoofds, want hoeden waren fascistisch! Uniformen, roode armbanden en geweldige plakkaten vertelden je, dat deze nieuwe maatschappijvorm in oorlog was. De uniformen bestonden meerendeels uit blauwe overalls en een pet met een rooden kwast. Vrouwen zoowel als mannen droegen overalls en wapens. Luidsprekers blèrden jazz-muziek en dan weer politieke propaganda.
Een groot deel van Barcelona was blijkbaar in optocht op dezen boulevard, want optochten zijn een belangrijk ding in een arbeidersbeweging, een goedkoope en gemakkelijke manier om de menschen op te voeden. Toen de vrachtauto voorbijkwam met een Amerikaansch vlaggetje en een groep jonge mannen met Amerikaansche gezichten, was dat ook een betooging. De golven van geluiden waren voldoende om het geheele Amerikaansche leger te verwelkomen.
Een kleine man in khaki uniform sprong naar voren uit de menigte en greep zich vast aan den achterkant van den vrachtauto, stak zijn bruin gelaat met een breeden glimlach naar boven en riep: “Allo, jongens! Hoe staan de zaken in het goeie ouwe New York?” Rudy stak zijn hand uit en trok hem op. Hij, drukte de handen van de heele groep en in een overvloed van vreugde kuste hij de dichtsbijen. Hij was een Provençaal, maar had vele jaren in Christoper Street gewoond en kende Brooklyn Bridge en het Vrijheids-beeld. Hij bestuurde nu een vrachtauto van het hoofdkwartier en bood zijn vrienden het Oostelijk deel van Spanje aan en daarbij nog al datgene wat ze van Franco konden afnemen. Kortom, een echte New Yorksche kerel en omdat hij alles wist en alles aan de anderen kon uitleggen, werd hij als gids voor den avond aangenomen. Jammer genoeg was er niemand bij de expeditie, die zijn broer kende, Jean Dijon, van Greenwich Village. Zij kenden geen van de talrijke familieleden der Catalanen, die zij ontmoetten, neven, ooms en tantes verdeeld over Portland, Maine en Portland, Oregon. Maar zij beloofden, hen te gaan opzoeken zoodra de oorlog gedaan was.

IV.

Dijon vertelde, dat er reeds zoowat een dozijn Amerikanen in de Internationale Brigade waren, maar die waren een voor een gekomen; dit was de eerste echte expeditie. Dit werd beschouwd als een goed voorteeken en gebruikt voor de propaganda. De zeven mannen werden naar een van de groote cafés gebracht, waar leden van de verschillende partijen en van de vakvereenigingen hen kwamen verwelkomen. Er waren verschillende tafels en de bezoekers werden aan het hoofd van elke tafel geplaatst, bediend met een overvloed van paardenvleesch, visch, groenten, brood en boter en goede landwijn. Ze werden ook met vragen overstelpt en volgestopt met inlichtingen door middel van vrijwillige tolken.
Deze arbeiders, die lachten en zongen en op de tafels sloegen, waren de mannen, die drie maanden geleden geschiedenis hadden gemaakt, toen door de radio, door de telefoon en door stoomfluiten de mare was verkondigd, dat de troepen uit hun kazernes waren gekomen. Deze arbeiders waren de straat opgegaan, omdat zij heel goed wisten wat fascisme was en wat er tegen de arbeidersregeering was ondernomen. Zij hadden de barrikaden bestormd, de arsenalen en de kazernes overrompeld. Er was verwoed gevochten op dien breeden boulevard, Las Ramblas, en zestien honderd dooden waren er gevallen.
De gastheeren vertelden, dat er kerken waren, die men gebruikt had voor voorraadkamers van wapens en die verdedigd werden als vestingen. Kon iemand het hun kwalijk nemen, dat zij deze kerken hadden platgebrand? Wanneer zij goud en juweelen ergens vonden hadden zij alles aan de arbeidersregeering afgedragen; tachtig millioen pesetas in goud in het paleis van den aarts-bisschop terwijl het volk verhongerde! Wanneer zij dingen vonden, die als kunstvoorwerpen konden worden beschouwd, dan plaatsten zij ze in musea; maar dingen van bijgeloof hadden zij verbrand en dat hadden ze dan nog eerbiedig gedaan terwille van een ruime opvatting. Dat verzekerde een kleine ambtenaar van de leder-arbeiders-vakvereeniging aan Rudy met een waarachtige godsdienstige vroomheid.
Anderen vertelden van de gruwelen in andere plaatsen, waaruit zij waren ontsnapt. Generaal Queipo de Llano, de fascistische bevelhebber, had Sevilla genomen; zijn Mooren hadden de arbeiderswijk omsingeld, olie in de huizen gegoten en ze in brand gestoken. Daarna schoten ze iedereen neer, die trachtte te ontvluchten. Maar er waren drie millioen rooie ratten, die men op die manier zou moeten behandelen, zoo zei hij dag en nacht voor de radio en gebruikte daarbij de smerigste taal, die fatsoenlijke Spaansche mannen onder elkaar niet zouden gebruiken. De Mooren folterden hun gevangenen met schrikwekkende wreedheid en wanneer ergens een nieuwe wijk werd veroverd, dan was er een algemeene slachting onder de arbeiders, boeren, intellectueelen en protestanten – onder alles, wat niet feodaal was.

V.

De stad van deze arbeiders lag in een industrieele provincie, Catalonië, die eeuwenlang voor haar onafhankelijkheid gestreden had tegen de reactionnaire monarchie van Spanje. Nu hadden zij hun eigen regeering, maar zij werden gedwongen te erkennen, dat zij niet konden bestaan als de fascisten het overige van het land namen. Daarom stonden zij voor de vraag om samen te werken met Madrid en voor de vraag tusschen de verschillende partijen en groepen der arbeiders te schipperen. Dit was iets waarnaar de bezoekers gretig vroegen. Socialisten, communisten, syndicalisten, anarchisten, en alle schakeeringen hiervan – hoe handhaafden zij hun eenheidsfront tegenover de verwoede vijanden? Rudy hoorde in dit café dezelfde debatten, die hem geamuseerd en veel geleerd hadden in de huizen van Izzy Bloch, Giuseppe Daniele en Larry Adams. De communisten volgden hier dezelfde partij tactiek als in Moscou en New York. De eerste taak was het fascisme te vernietigen en hiervoor moesten alle vrienden der democratie worden saamgebracht. Zij drongen er bij de arbeiders op aan langzaam, maar zeker te handelen in hun hervormingen, alle discussies te staken, niet alleen over inbeslagname, maar ook over socialisatie en de democratie in Spanje te handhaven. Op deze manier zouden zij de sympathie winnen van Frankrijk, van Groot Brittanië en van Amerika, die alleen Hitler en Mussolini konden klein krijgen.
Hiervoor werden de “Stalinisten” en de “Trotskyisten” voor verraders uitgescholden, in Barcelona als in Parijs en in New York. Zij werden verraders genoemd van de leer van Lenin – dezelfde Lenin, die de NEP had ingevoerd met hetzelfde doel om het socialisme te laten voortbestaan in Rusland. De Trotzkyisten waren in Spanje een sterke groep voor het uitbreken van den oorlog, nu wilden zij de vakvereenigingen ertoe brengen een programma van volledig bolsjewisme voor Spanje in te voeren.
In den beginne was er heel wat gesocialiseerd in Barcelona, omdat de eigenaars weggeloopen waren tezamen met de fascistische officieren en hun aanhangers. Maar nu waren er velen teruggekeerd, die hun fabrieken bestuurden als goede patriotten. De arbeiders waren tevreden met hooger loon, kortere arbeidsuren, de afschaffing van kinderarbeid en sociale verzekeringen – kortom, alles wat Amerikaansche arbeiders kregen of dachten te krijgen door de politiek van Roosevelt.
Maar de kranten en de radio waren in handen der arbeiders en ook de openbare diensten. Als je in een tram reed, dan was je toevertrouwd aan de zorgen der vakvereeniging van transportarbeiders. Als je een taxi nam, dan vertrouwde je jezelf toe aan de organisatie der chauffeurs. Zoo was het ook in theaters, hotels, cafés. Dit uitstekende diner werd opgediend door de vakvereeniging van koks en kellners. Alle fooien waren afgeschaft en je betaalde met een handdruk de kameraden, die je hadden bediend of misschien door op de gezondheid te drinken van den C.N.T. wat beteekende de “Confederacion Nacional del Trabajo” (Nationale Vereeniging van den Arbeid) of misschien kon het zijn de F.A.I. dat beteekende de “Federacion Anarchisto de Iberia” (Anarchistische Vereeniging van Iberië). De voorletters en de leuzen van deze groepen bevonden zich onder de versierselen op alle openbare plaatsen en waren ruw geschilderd op trams, taxis en vrachtautos. Geweldige roode en zwarte banieren hingen voor de hotels en voor de kantoorgebouwen.
De Amerikanen waren den Oceaan overgestoken om de regeering der arbeiders te verdedigen. Zij stonden op en dronken op haar toekomst, zij gingen weer zitten en luisterden naar vurige redevoeringen in het Catalaansch. Zij stonden weer op en zeiden enkele woorden in het Engelsch, die zij lieten volgen door de Spaansche leuzen, die zij hadden geleerd. Zij zongen, ieder in zijn eigen taal het lied van de arbeiders der wereld, dat begint door verworpenen der aarde op te roepen en eindigt met hun te beloven dat het internationale leger het menschenras zal zijn.

VI.

Zij werden voor den nacht in een der hotels ondergebracht, dat voor de komende vrijwilligers was gereserveerd. Het was er propvol mannen uit alle hoeken van Europa. Waggonladingen gedeeltelijk uitgeruste vechters werden nu elken dag voor de verdediging van Madrid uitgezonden. Dit was een onderdeel van de afspraak tusschen de arbeidersregeering van Barcelona en de regeering van het overige Spanje, die men hier beschouwde als “bourgeois” zonder rekening te houden met wat de buitenwereld er over dacht.
De Amerikanen waren zoo opgewonden door alles wat zij gezien en gehoord hadden, dat het moeilijk voor hen was in slaap te komen. Zij zaten op hun bedden en vertelden elkaar opnieuw de verhalen die voor hen vertaald waren geworden. Izzy deed aan Giuseppe opmerken –het was juist zoo uitgekomen als Izzy het voorspeld had– dat de anarchisten genoodzaakt waren geworden de onvermijdelijkheid van een regeering te erkennen en zichzelf hadden vernederd door twee of drie leden naar de Catalaansche regeering af te vaardigen. Rudy herinnerde Izzy eraan, dat hij zich niet hield aan hun afspraak om geen debat over leerstellingen te zullen voeren.
Zij werden ’s morgens naar een trein gebracht die voor Valencia bestemd was, een stad verder bij de kust. Nu leerde Rudy aardrijkskunde, hij leerde zelfs de namen kennen van de visschersdorpen van Catalonië. Hij zag de boeren op het veld werken en dacht aan alles wat hij gehoord had over de pogingen om landcoöperaties te vormen, iets wat zoo uiterst moeilijk was bij deze individualistische menschen. “Wij moeten de ongebondenheid organiseeren!” verkondigde een plakkaat, die de anarchisten in Barcelona hadden aangeplakt, maar helaas zij ondervonden, dat Franco den dood voor hen organiseerde.
Valencia was een vroolijke en mooie stad. Toen zij er dicht bij kwamen zagen zij een schip op zee en hoorden het geluid van geschut. Vliegtuigen vlogen naar het schip toe en zij, begrepen, dat dit voor hen het eerste schouwspel van den oorlog was. Voor zij het spoorwegstation bereikten reden zij aan een brandend huis voorbij en vernamen later, dat er een beschieting was geweest. Je kon nooit zeggen welk schip geschoten had, maar de granaatscherven droegen altijd Italiaansche of Duitsche merken.
Zij hadden geen tijd om Valencia te bezichtigen. Zij zagen slechts een boulevard en een geweldig groot plein vol duiven, dan weer een restaurant, waar een groote menigte hen opnieuw verwelkomde. Er was weer geschreeuw, er werden weer redevoeringen gehouden, leuzen gezegd en zij werden weer gekust door mannen en meisjes, proletarische meisjes, die meegevochten hadden en zich op nieuwe gevechten voorbereidden. Het was onmogelijk aan de geestdrift van deze kameraden te weerstaan die Spanje ten behoeve van het volk gingen bevrijden of in die poging ondergaan. Zij zeiden dit met vurige oogen en keelen, die schor waren van het geschreeuw; zij zeiden dit met roode rozen die zij in de knoopsgaten der Amerikaansche kameraden staken; zij zeiden dit met kransen van vuurroode lauweren, die zij hun om den hals legden. Rudy had van Valencia gehoord als de stad waar in den zomer sinaasappellen vandaan komen, nu zou hij steeds aan die stad denken als een stad waar blozende werkende meisjes, blootshoofds, japonnen dragen met roode en zwarte strikken, in de straten dansten en vrijheidsliederen zongen en liederen van liefde en dankbaarheid voor jonge Amerikaansche helden.

XVI. De Internationale Brigade.

I.

Den volgenden ochtend werd de expeditie in een autobus geladen tezamen met vreesachtige oude boeren-vrouwen waren en vermoeide arbeiders, die zeer beleefd waren tegenover de Amerikanen, maar niet konden begrijpen, dat er menschen waren die doodeenvoudige dingen gezegd in het Spaansch, niet konden verstaan. In elk dorp was de weg versperd. Soldaten stonden op wacht, meestal boerenjongens met zwarte truien en zwarte berets. Zij controleerden plechtig de papieren van de reizigers, alhoewel het vaak te zien was, dat zij niet konden lezen. De chauffeur van de bus zei dan gewoonlijk “Companeros Americanos”. Dan werden ze een en al glimlach en drukten de handen der Amerikanen.
De expeditie werd naar een stad gezonden, ongeveer honderd mijl naar het binnenland, Albacete. De menschen spraken de twee laatste lettergrepen “thay-tay” uit en Bainbridge, de geleerde van de groep vertelde, dat er eens een koning was geweest in Spanje, die een spraakgebrek had. Alle hovelingen deden hem na en nu drie of vier honderd jaar later deden alle Spanjaarden het nog. “Daar zit conservatisme in!” meenden de jonge radicalen.
Albathaytay bleek een vrij moderne stad voor Spanje te zijn, slechts ongeveer honderd jaar oud. Er werden lucifers gemaakt en ook dolken – die, eigenaardig genoeg, in den oorlog nog gebruikt konden worden. De boeren in de omgeving teelden saffraan en veedrijvers kwamen naar de stad van de naakte heuvelen.
In Albacete lag het eigenaardigste leger, dat ooit verzameld werd in de lange geschiedenis van menschenmoord. Ondergebracht in de stad, in tenten of in haastig gebouwde barakken, was dit een leger van idealisten en droomers over de toekomst, bijeen gekomen uit alle landen der wereld, waar de boodschap der moderne wetenschap was doorgedrongen. Niemand had hen gezonden, velen hadden aan de politie moeten ontkomen om te kunnen vertrekken.
Zij waren aangetast geworden door een nieuw soort hartstocht. Nadat zij gelezen hadden, dat het fascisme met wapens werd bevochten, verlieten zij hun huis en haard en betrekking, vertrokken per vliegtuig, per stoomschip of per trein, ja zelfs te paard. Zij kwamen aan in het kamp met gebalde vuist hoog opgeheven, roepend: “Heil, anti Hitler!”.
Een paar duizend man werden daar getraind. De helft ongeveer waren Franschen, de besten, omdat zij een militaire opleiding hadden. Er waren eenige honderden Duitschers, onder wie vele Joden, sommigen waren in concentratiekampen gefolterd; eenige honderden Italianen – dien dag kwamen er juist drie binnen, die uit de gevangenis op het eiland Lipari ontsnapt waren; zij werden ontvangen met wilde uitgelatenheid, door hun kameraden opgetild en opgegooid. Er waren ongeveer honderd Bulgaarsche houthakkers, die er in geslaagd waren op de een of andere ondenkbare manier geheel Europa door te komen. Er waren Cubanen, mannen uit Porto Rico, Mexikanen – eenige andere vertegenwoordigers van elke natie van Latijnsch Amerika. Er waren Portugeezen, Belgen, Zwitsers, Hollanders, Tsjechen, Polen – heel Europa. Er waren ongeveer honderd Engelschen en Britten uit de koloniën en een dozijn Amerikanen, die blij waren versterking te krijgen om een eigen sectie te kunnen vormen.
Geen enkele sectie, geen enkele compagnie noch bataljon was tevreden met een nummer. Elke afdeeling wilde een naam hebben en koos dien zelf. Zoo hadden de Duitschers hun “Thaelmann compagnie” aldus genaamd naar den communistischen leider, die in Hitler’s kerker zat; de Italianen hadden hun “Garibaldi bataljon” en de Franschen hun “Marty Bataljon”. De Amerikanen besloten, dat hun sectie genoemd zou worden met de namen van Sacco en Vanzetti.
De taal in deze Internationale Brigade was Fransch, geen Spaansch. Je hoorde vreemde verhalen van mannen, die in tegenovergestelde loopgraven hadden gestaan in den wereldoorlog en nu broeders waren in de wereldrevolutie. Vermoedelijk was zij de meest literaire brigade in de oorlogsgeschiednis. Schrijvers en would be schrijvers waren gekomen om hun boeken te beleven, journalisten om hun nieuwsberichten te maken. Een der vliegeniers was André Malraux, de Fransche romancier. Een van de artillerieofficieren was de Duitsche schrijver Ludwig Renn. Een kapitein bij de Italianen was Umberto Galleani een socialistisch redacteur uit New York. De commandant van de Britsche compagnie was Ralph Fox, een gelukkig lachende jongen, die spoedig in het hart zou worden geschoten. Een specialist in de verdediging met gas was Ralph Bates, schrijver van “The Olive Field”. Hij was opgewekt en hartelijk een arbeider, die zichzelf had opgewerkt en leefde voor de zaak der arbeiders en daar hij in den wereldoorlog geweest was, kon hij zich nu nuttig maken.<ref>De Nederlandsche dichter en schrijver Jef Last is kapitein in deze brigade. (Vert.)</ref>

II.

Nadat de Amerikanen verwelkomd waren werden zij naar een hoek van de loods gebracht, waar zij hun plunjezakken konden neerleggen. Zij kregen pakken stroo, waar zij hun dekens over uitspreiden konden. Daarna maakten zij kennis met de Spaansche vloo, die inniger dan een broeder zich aan hen vasthechtte tot de dood hen zou scheiden. Zij zouden vrijwel alles moeten ontberen, want dit was een onverwachte oorlog en de regeering evenals de intendance waren idealisten en dilettanten als de vrijwilligers.
Er was geen plaats meer in de kantine, dus moesten de Amerikanen ergens in de stad gaan eten. Hadden zij daar geld voor? De geregelde troepen in dezen oorlog kregen in theorie tien pesetas per dag, maar de Internationale Brigade, terwille van de goede zaak, aanvaardde slechts drie pesetas, wat overeen kwam met twee en veertig Amerikaansche cents per dag; maar zij kregen die soldij slechts zeer ongeregeld. De regeering van idealisten en dilettanten had acht honderd millioen dollar in goud geërfd, maar had deze verzonden naar banken in Parijs en in Barcelona en gebruikte ze om vliegtuigen en munitie te koopen.
De nieuwe vrijwilligers moesten naar buiten en trainen. De toestand was hopeloos, Franco kwam vooruit enkele mijlen per dag en stond reeds op een afstand van een geweerschot bij de buitenwijken van Madrid. Ieder oogenblik kon de brigade bevel krijgen te vertrekken en wat zij niet dadelijk leerden, zouden zij misschien nooit meer leeren. Er werden hun geweren gegeven en een Engelsch sergeant, socialist alhoewel beroepsonderofficier, nam hen mee naar een rotsachtig veld en legde hun uit, in zijn beste Londensch accent, hoe zij in gesloten en uitgespreide tirailleurslinie moesten vechten. Hogg, die Hoag werd genoemd, had gediend in de Noordwestelijke provincies van India en wist wat het was tusschen de rotsen te liggen in de brandende zon en in de bittere koude ’s nachts en te schieten op donkerhuidige rassen, die hij “ellendelingen” noemde. De Mooren waren een ander soort “ellendelingen”, maar zij waren allemaal Mohamedanen en tegenover het geweer waren zij allen dezelfde; vreeselijke vechters, wier levensvreugde bestond in het dooden van Spanjaarden en in het sterven voor Allah om naar den hemel te gaan vol houris. Je moet dekking nemen, nog niet schieten “geregeld vuur” zoo luidde de term – en mikken voor je schiet. Jammer genoeg hadden zij geen munitie om te gebruiken bij de oefening. Je leerde de theorie van het schieten en hoe je het vizier moest stellen, maar je kon geen schot afvuren voor je in het eigenlijke gevecht was.
Wat deze biggen moesten leeren was, hoe zij zich over een veld moesten verspreiden en er doorheen komen zonder het contact met elkaar te verliezen; tien of twintig voet uit elkaar te blijven, neer vallen op bevel, weer opstaan, naar rechts of links zwenken en toch in sectie blijven, een sectie van dertig man, deel van een compagnie van honderd twintig man. Hun kennis van het geweermanual moest oppervlakkig blijven, want dat was parade werk; zij hadden terreintactiek noodig. Bij gebrek aan terreintactiek aan den kant van de regeeringstroepen en arbeiders had Franco een paar honderd mijl kunnen opmarcheeren, zijn troepen kenden de tactiek en bleven met elkaar in contact, terwijl de idealisten en dilettanten uit elkaar werden geslagen en wanneer zij te moedig waren om weg te loopen, dan werden zij afgesneden van hun troep, gevangen genomen, wat niets beter was.
Sectie, voorwaarts marsch. In tirailleurs, richt op rechts, marsch. Rechts uit de flank, marsch. In looppas. Sectie halt. Knielen. Liggen. Laden. Klaar. Vizierkorrel stellen. Neem afstand. Vuur.r.r.r. – dit alles maar steeds weer opnieuw. Rudy wist wat het was, omdat hij voetbal gespeeld had en hier was een trainer aan het werk, die een groep biggen onder handen nam voor het belangrijkste werk; hij dreef hen aan, maakte misbruik van hen, bracht ze tot zweet en afmatting – maar hij maakte een geheel van die mannen, bracht hun een gevoel bij van saamhoorigheid en eenheid, maakte ze klaar om te sterven voor de goede zaak.
Nu waren ze blij, dat zij lichaamsoefeningen aan boord hadden gedaan en vijftien mijl per dag hadden gemarscheerd. Ze waren zoo vermoeid toen zij weer naar hun loods gingen, dat ze zich nauwelijks naar de stad konden sleepen om iets te eten. De arme Izzy zei, dat hij zijn eetlust had verloren, maar Rudy bracht hem een broodje belegd met het taaie vleesch van dit veeland, een hand vol prei en een prachtige tros druiven, die groeiden in de vallei van de Balazote rivier.

III.

’s Avonds kregen zij een ander soort lessen. Hoe zij een geweer uit elkaar moest moesten nemen, smeren en schoonmaken; hoe een machinegeweer uit elkaar moest worden genomen – jammer genoeg waren er verschillende typen in gebruik bij dit saamgeraapte leger. Alle bizonderheden van het soldatenleven; het gebruik van de verbandtrommel als je d’r een kon krijgen, de verzorging van de voeten, als je ooit tijd kreeg om je schoenen uit te trekken; een landkaart van de stad die je ging verdedigen, als zij nog niet genomen was voor je d’r kwam. Hoe je loopgraven moest graven, wat je doen moest bij een vliegtuigaanval – je begon in te zien, dat dit toch werkelijk oorlog was en je was blij de andere kerels naast je te hebben om niet te wenschen, dat je weer thuis was.
Voor ze in slaap vielen hielden zij gesprekken met de andere Amerikanen, die zij tot een sectie waren komen aanvullen. Dat was ook een soort van onderwijs. De jonge journalist, die sergeant was, had in een der “ijzeren compagniën” gevochten, die naar boven in de Guadarrama bergen waren gezonden ten Noordwesten van Madrid om den eersten aanval van de fascisten op de hoofdstad af te slaan. De soldaten van deze groepen hadden gezworen nooit te zullen terugtrekken en een eed van trouw aan de democratische vrijheid af gelegd. Er waren er vier honderd vertrokken en slechts tachtig teruggekeerd, de meesten nog gewond. Zij hadden hun eerste les gehad in het werpen met zeer gevaarlijke handgranaten in een vrachtauto, die hen met een snelheid van veertig mijlen per uur naar het gevechtsgebied bracht.
Wonderlijke avonturen hadden zij meegemaakt in dat ruwe gebergte! De sergeant, Frost, samen met een Engelschen journalist, Frank Pitcairn, lagen verscholen achter de rotsen en luisterden naar de mitrailleurskogels, die rondom hen heenspatten. Na een paar dagen had een Spaansch sergeant, een buitengewone waaghals, zes en een halve voet groot, vijftien vrijwilligers gevraagd om de vijandelijke positie in te nemen. De Amerikaan en de Engelschman hadden zich aangemeld en de vijftien man liepen van rots naar rots in het gezicht van den vijand. En het bleek, dat de vijand meer angst had dan de vijftien man, want hij hield op met schieten en toen zij aan zijn stellingen kwamen, namen zij verschillende uitstekende moderne geweren met het Krupp merk en een heele boel zijden fantasie hemden, die aan een fascistisch officier hadden behoord! De Spanjaard is moedig, zei sergeant Frost, maar hij mist militaire training en ervaring. Het is de taak der internationale brigade om hen den modernen oorlog te leeren. De kameraden van deze brigade zaten op spelden, wachtend op het bevel om Madrid ter hulp te snellen. De kleine krant, die in Albacete werd verspreid, berichtte, dat de fascisten al in de buitenwijken van de hoofdstad waren. “Waar wachten we nog op?”

IV.

Vier dagen exerceeren en marcheer en op de velden en toen kwam den volgenden ochtend het bevel tot pakken. Zij hadden maar een paar minuten noodig om hun boeltje in de zakken te pakken. Toen kwam sergeant Frost vertellen, dat hem bevolen was te blijven, om binnenkomende vrijwilligers op te leiden. De andere leden van de Sacco Vanzetti sectie hadden Rudy Messer door zijn groep hooren prijzen om zijn militaire training en omdat hij schieten kon en dus werd hij tot sergeant gekozen in Frost’s plaats.
Ook Larry Adams maakte promotie. Om zijn ervaring als organisator werd hij tot “politieke bevelhebber” benoemd van de sectie. Elke eenheid had twee bevelhebbers, de eene voor het vechten, de andere belast met het moreel van den troep. Iedere vrijwilliger moest leiding hebben, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Hij, moest weten waarvoor hij vocht en moest dat kunnen uitleggen aan iedereen, met wie hij in aanraking kwam – zelfs aan vijanden, wanneer de loopgraven dichtbij waren, beroepen konden worden en de tegenstanders konden worden overgehaald om te deserteeren.
“Sluit aan!” klonk het bevel. De Amerikaansche sectie nam haar plaats in bij de Britsche compagnie, die weer onderdeel was van het Fransche bataljon. Er werden kogels uitgereikt en voedsel voor den heelen dag en negentien honderd man stapten opgewekt naar het station, waar drie lange treinen klaar stonden om hen te vervoeren. Een groote menigte stedelingen en boeren was daar verzameld. Vrouwen, die kosteloos de wasch voor de brigade hadden gedaan huilden, ze kusten die moedige vreemde jongens alsof zij haar eigen zonen waren. Kleine dreumessen liepen overal rond, pikten sigaretteneindjes op en maakten komische buitelingen. Zij maakten een teeken met den vinger langs hun hals en zeiden: “Zoo, Franco?” Meisjes staken roode bloemen in de geweerloopen, riepen: “Salud!” en “Victoria!” Iedereen zong de Internationale en toen ze even ophielden begonnen ze weer opnieuw.
De mannen werden geperst in reizigers-compartimenten, in goederenwagens en in open waggons. De treinen vertrokken de een na de andere. Zij moesten zoowat honderd vijftig mijl reizen, wat het grootste deel van den dag zou duren. Tot driemaal toe gedurende de reis verschenen er bombardeervliegtuigen boven de treinen. Huilende geluiden van vallende bommen klonken op, donderende ontploffingen en het stof spoot op als een fontein naast de treinen. Verschillende mannen werden getroffen door granaatscherven, toen verschenen de regeeringsvliegtuigen en een luchtgevecht begon. Roemrijke sensatie voor jonge kruisvaarders, die uitgetrokken waren om de wereld te redden; minder gevaarlijk dan autorijden in Amerika, zoo zeiden zij wijsgeerig tegen elkaar. “Deze kleine wereldoorlog” was nog zoo slecht niet!

V.

Er was eens een Spaansche koning, zoo verhaalt de geschiedenis, die een horizontale streep en een verticale streep trok door het midden van zijn gebied en op het punt, waar beide strepen elkaar raakten had hij bevolen, dat zijn hoofdstad zou zijn. Vroeger was dat punt een boerendorp geweest in een zandachtige vlakte, waarlangs een kleine rivier, de Manzanarès stroomt. De oude stad bestaat nog met drie poorten, die men “puertas” noemt. Daar om heen waren er moderne wijken gegroeid en Madrid telde nu een millioen menschen, had een ondergrondschen spoorweg en een wolkenkrabber, het Telefoongebouw; Madrid had ook paleizen, kunstgalerijen, parken, alles wat in een hoofdstad te vinden is.
Het geluid van geschut klonk reeds meer dan een uur voor zij aan het doel waren van hun reis. Het leek op een donderbui, die lang aanhoudt. De treinen reden langs een gebied, dat de vijand misschien in handen had. De mannen van de brigade hadden hun geweren geladen, klaar om te schieten. Enkele schutters schoten op de waggons, dat was alles. Zij kwamen in de Gare du Midi aan en stelden zich weer op buiten het station, waar zij naar enkele woorden van den bevelvoerenden generaal luisterden.
Emil Kleber was Oostenrijker van geboorte, maar nu een Canadeesch burger. Hij had met de Russen tegen de witte legers gevochten en met de Chineezen tegen de Japanneezen. Hij was een man van middelbaren leeftijd, stevig gebouwd, met rustige manieren. Hij droeg een hemd zonder das ten teeken, dat hij in den oorlog was en niet op parade. Hij sprak langzaam in het Fransch en wachtte na elken zin om aan tolken gelegenheid te geven zijn woorden te vertalen.
“Kameraden van het Internationale Bataljon! De onoverwinnelijkheid van de Mooren en van het Internationale Legioen der Fascisten is tot een legende geworden, wij zijn hierheen gekomen om dat praatje den kop in te drukken. Wij zullen de Mooren en de Fascisten in het zand doen bijten. Wij zullen de wereld overtuigen, dat wij de overwinning kunnen behalen. Wij zullen niet retireeren. Madrid zal niet genomen worden. Ik vraag u uw gebalde vuist op te steken tot den groet van de arbeiders en mij te beloven, dat gij de stellingen zult houden, die u worden aangewezen. De zegepraal is aan de zaak van het volk over de geheele wereld! Passeront pas! No pasaran! Nicht durchgehen! They shall not pass!”
Zij zullen er niet doorkomen.

VI.

Langs de breede Calle de Atocha liep het volk te roepen en te schreeuwen. Rozen, rozen overal langs den weg, mirt overal langs de baan. Als er rondom de Mooren een legende was ontstaan, rondom de Internationale Brigade groeide er een andere. Hier waren zij eindelijk en Madrid was gered! De menschen, met wanhoop geslagen, hadden dien dag verschillende goede berichten ontvangen; er waren vijf duizend Catalaansche militiesoldaten aangekomen; Russische bombardeervliegtuigen waren eindelijk dan toch in het gevecht gebracht tegen die van Hitler en van Mussolini. Russische tanks waren op het gevechtsterrein om de tanks tegen te houden, die over de stellingen van de regeeringsgetrouwen waren gegaan den heelen langen weg van Badajoz tot voor de poorten van Madrid.
Dankbaarheid en liefde voor de buitenlandsche verdedigers – maar ook haat en gevaar. Vliegtuigen cirkelden hoog in de lucht en plotseling een verblindende witte vlam in de straat, een snerpend, rijtend geluid alsof de bliksem vlakbij was ingeslagen. Wolken zwarte rook en toen deze eenigszins wegtrokken, zag men stukken van menschelijke lichamen op straat liggen, een stuk been met een eindje broek er omheen, gutsend van bloed. Een kleine ezel droeg twee zakken vol meloenen en nu maakten het bloed van de ezel en het gele vleesch der meloenen de straat glad voor de marcheerende troepen.
“Voorwaarts!” bevalen de officieren en zij gingen verder. Weer een ontploffing, ditmaal naast de kolonne. De gevel van een groot flatgebouw stortte naar voren en viel voorover in de straat – steenen en cement, staal en hout, een ijzeren bed en een overtrokken sofa. Je moest snel wegspringen om onder deze plotselinge lawine van materiaal uit te komen.
“Iemand heeft zeker verraden, dat onze brigade aangekomen is,” beweerde sergeant Rudy Messer en de anderen waren het daar mee eens. Zij hadden gehoord van fascisten, de vijfde kolonne zooals de inwoners van Madrid ze noemden, die in de stad waren en van wie men zei, dat zij georganiseerd waren om bij het eerste teeken van zwakte aan den kant der verdedigers, in te grijpen.

De Duitsche en Italiaansche bommenwerpers waren hun pogingen begonnen om de burgerbevolking angst aan te jagen. Hier en daar waren gaten in het wegdek van de straat, etalageruiten versplinterd, huizen zonder een enkele ruit. Toch schenen de menschen allen hun dagtaak te vervullen – behalve wanneer zij bleven staan om de buitenlandsche verdedigers te begroeten. Menschelijke wezens kunnen verdragen wat zij te dragen krijgen en zouden verwonderd zijn, wanneer zij vooruit wisten hoeveel zij verdragen kunnen.
Zij waren nu niet meer in het roode Catalonië, maar in een land met een bourgeois regeering. De roode en zwarte vlaggen waren zeldzamer, maar overal zag men de roode, gele en purperen vlag van de volksrepubliek. Particuliere belangen waren ongemoeid gelaten, behalve waar oorlogsnoodzaak bestond. De taak voedsel te verstrekken aan een millioen menschen met alle spoorwegen en landwegen dagelijksch onder beschieting, was wel eens te groot voor welke groep idealisten en dilettanten ook.
De bewoners van Madrid hadden een week lang het geluid gehoord van ononderbroken kanonvuur. Er was een onophoudelijk gevecht aan den gang, aan den west-kant van de stad – en de Internationale Brigade ging er heen in een snelheid van vier mijl per uur. Elke stap dien zij deden bracht het geluid nader; de menschen riepen, dat de militietroepen weer retireerden. Bij elken hoek van een straat waren er barrikaden waar zij overheen moesten klauteren en loopgraven – meneer Franco zou een duren prijs voor Madrid moeten betalen.

VII.

De rivier Manzanarès stroomt aan de westelijke grens van de stad. Zij is een rustige, zandachtige stroom, behalve in de vroege lente. Kleine kinderen laten er speelgoedbootjes in varen en visschen er naar voorntjes. Er waren drie bruggen over de rivier en waar zij, door de stad stroomt was zij gekanaliseerd, binnen steenen en betonnen muren van drie tot vier voet hoogte. Zij beschermden de stad tegen overstrooming en de vroede vaderen hadden ze aantrekkelijk gemaakt met gras en bloemen. Misschien hadden zij er nooit aan gedacht, dat zij nog veel meer bescherming zouden bieden dan in dit opzicht, omdat zij voor tanks te hoog waren om er over heen te komen – of als die er over heen kwamen zouden zij er niet meer tegen op kunnen.
Op den oever, die het dichtst bij de stad ligt, moest de Internationale Brigade stelling nemen. Loopgraven waren daar gemaakt, zeer goede, die genoeg ruimte boden om er in te staan met zandzakken als wering en tusschen de zakken ruimten voor de geweren. De vrouwen van Madrid hadden dit graafwerk gedaan en waren nu bezig de laatste hand te leggen aan haar werk. Zij bloosden van inspanning, rustten lang genoeg op hun schoppen om de aankomende helden te begroeten. Iedere vrouw had het een of andere wapen, al was het maar een dolk, om zich tegen de Mooren te kunnen verdedigen.
De negentien honderd mannen van generaal Kleber bezetten iets meer dan een mijl van het noordelijk deel der Manzanarès linie. Dat kwam neer op ongeveer een man per vier voet. Een bereden officier kwam langs, wees de stellingen aan. De mannen gingen in de loopgraven, legden hun pakken af en gingen voor de schietgaten staan op den uitkijk naar een Moor.
Aan den anderen kant van de rivier, achter een park, lagen gebouwen en daarachter was er een gevecht aan den gang. Men hoorde het geratel van geweren en het getik van machinegeweren. Huizen brandden en een wolk rook hing over het landschap. Kogels floten over de hoofden van de nieuw aangekomenen als vliegende krekels; schriller, scherper steeds, nog onaangenamer dan het voor Amerikaansche motorrijders zoo bekende geluid van de sirene, die je aan den kant van den weg doet stilhouden om een strenge stem te hooren zeggen: “Wat is er aan de hand – rij je naar een brand?”
Groepen mannen kwamen uit de huizen, sommige liepen, anderen hinkten, sommigen werden door hun kameraden geholpen; militiemannen in blauwe overalls, die alpinomutsen droegen en sandalen met canvaspunten en hennepen zoolen. Zij droegen roode sterren op hun berets en vaak rood bloed op hun lichaam en kleeding; kruitteekens op hun gelaat, of vuil, maar ook angst. Zij waadden door de kleine rivier, soms schepten zij een handvol water, wierpen het in den mond of waschten er het zweet mee uit hun oogen. Soms liepen zij als dwazen, lieten hun geweren vallen, sprongen over de borstwering, hijgden als honden en schreeuwden: “Los Moros!”
Een dergelijke angst is besmettelijk.
“Nou, kerels!” riep sergeant Rudy Messer. “Daar zijn wij voor gekomen.” Je zou gedacht hebben, dat hij reeds in de wieg troepen had gecommandeerd. “Denk aan de orders. Niemand mag schieten voor het gecommandeerd wordt. Niet voor zij op den rand van den oever zijn, klaar om naar beneden te springen. Wanneer je ze ziet komen, steek een sigaret op en doe een trekje. No pasaran!”

XVII. De slag.

I.

De zon stond laag achter de rivier Manzanarès, scheen in de oogen van de verdedigers – dat was niet zoo goed. Zou de vijand nu aanvallen of zou hij wachten tot het donker was – nog slechter. De Amerikanen bespraken dit op zachten toon. De zwermen vluchtende militiemannen kwamen niet meer uit de gebouwen van den anderen oever; de vijand had dat terrein nu bezet en kogels –goed gemikt– ketsten tegen de borstwering.
“Bukken, mannen!” beval sergeant Rudy Messer. “Het is genoeg als één uitkijkt.” Hij voegde er aan toe, geruststellend, steunend op zijn groote militaire ervaring: “Zij komen toch niet voor ze tijd hebben gehad om zich te formeeren.”
In de lucht hing er een zwerm vliegtuigen. Zij vlogen laag, er waren er zeer veel, niet in V formatie, maar achter elkaar, over de loopgraaf. “Oorlogsvogels” zoo werden zij genoemd en je kon zien hoe zij hun eieren lieten vallen, een lang donker voorwerp, dat neerkwam met een fluitend geluid, waar een zware ontploffing op volgde. Boem - boem - boem, steeds maar dichter bij de linie, steeds maar op je afkomend.
Er was niets aan te doen, je moest wachten; niets anders dan een open loopgraaf, geen schuilplaats, geen dekking. Het was alsof je op een rotspunt stond met bliksemschichten, die rondom je in het water vielen; maar in den bliksem zit geen kwaad en hij verspreidt ook geen duizenden splinters staal.
Als ze je raakten, nou dan was het ook maar ineens uit met de zorg; wacht dus maar en neem het luchtig op. Het is beter je buurman niet aan te kijken, anders zou hij iets in je oogen kunnen lezen; het is beter hem niet aan te kijken om het beven van zijn lippen niet te zien. Druk je schouders in, een reflexbeweging, eeuwen geleden reeds geleerd toen vijanden nog niet zoo machtig waren en hun slagen nog niet zoo doodelijk. Fijn als je nou kon bidden of op een konijnenpoot kon vertrouwen, maar je deed het toch niet. Maar verdomme nogantoe, waar bleven de vliegtuigen van de regeering? Waar bleven de Russische bombardeervliegtuigen waar de menschen over spraken?
Ban - bang - ban - bang. Geschreeuw daar beneden in de linie. Blijkbaar was de loopgraaf geraakt. Weer eens b.a.a.n.g – die was in de rivier neergekomen, slechts vijftig voet hier vandaan, maar toch vèr genoeg. B.a.n.g – dat was achteraan, op het plein achter het park; granaatscherven sloegen tegen de borstwering en vielen op je neer. Kijk uit, ze zijn brandend heet. B.a.n.g – die is raak, die heeft iemand getroffen. Zeven oorlogsvogels, groote vogels, alle smijten ze heel veel eieren. Een overweldigend geluid, een vreeselijke slag vlak op den hoek van de volgepropte loopgraaf, vlak tegen de bovenste zandbakken. Het zand spuit weg met een hevigheid, die iemand blind zou maken als je de oogen niet gesloten hield. Er was iets geraakt – maar dat ding was niet ontploft. Ze stonden bedwelmd, maar na een oogenblik keken zij op en zagen uit de gehavende borstwering de stalen staart van een bom steken met vier schachten als de bevedering van een pijl om hem recht te laten neerkomen. Beneden in het zand zat het geladen gedeelte. Een slaper!
Later, in een pauze van den strijd, groeven zij hem op. De mannen droegen hem weg en op een veilige plaats werd de bom open gemaakt door een deskundige. Binnenin vonden zij een briefje: “Jullie Italiaansche arbeiders-broeders willen jullie niet dooden.” Dat verhaal liep langs de linie van de Internationale Brigade, het hield slechts op, nadat het de wereld was rondgegaan en de harten van vrijheidslievenden had verwarmd.

II.

“Zoo, hier zijn we doorheen,” zeiden de Amerikanen en wischten het zand weg, dat op hun voorhoofd was gespoten.
“Die kerels hadden bericht gekregen van onze komst,” zei Rudy.
“Ze hebben het den heelen dag op ons gemunt gehad.” “Daar zeg je zoo iets,” fluisterde Larry Adams, die belast was met het moreel der troepen. “Denk je, dat Collins daar iets mee te maken heeft?”
“Goeie God!” riep Rudy uit. “Daar heb ik nooit aan gedacht, maar dan ook geen oogenblik.” Collins was de man van de arbeiderspartij, die op het laatste moment nog mee was gegaan. Hij was gedurende de heele reis stil en rustig geweest, hij scheen niet veel van de radicale beweging te weten, maar was bekwaam en voldeed, behalve dat hij een neiging had om te drinken, iets wat in de Internationale Brigade streng werd gestraft. Hij was nog bij hen toen zij in den trein stapten te Albacete, maar in de verwarring van de aankomst in Madrid was hij verdwenen en niemand had hem sindsdien meer gezien.
“Dat zou ik toch willen weten,” zei Rudy en werkte in zijn geest alles uit, wat hem over Collins te binnen schoot. De man had besloten op het laatste oogenblik te komen om mee te gaan. Eigenaardig, dat hij binnen zulk een korten tijd een paspoort had kunnen krijgen. Hij had bewijzen, dat hij lid was van een absoluut betrouwbare vakvereenigig, maar dat beteekende niets, want de groote detective-bureaux hadden in alle vakvereenigingen een aantal spionnen. Het zou voor Ernst Messer eenvoudig geweest zijn aan zijn nazi inlichtings-dienst op te dragen een geroutineerden kerel mee te zenden met die rooie groep!
“Wij zullen weten waar de Internationale Brigade is!” had Ernie gewaarschuwd en hij had zijn belofte gehouden. Hoe een spion erin geslaagd was een inlichting te zenden van Albacete naar Franco’s hoofdkwartier in het Westen, dat zou nog eens de moeite waard zijn om uit te visschen! Kon het niet zijn, dat er onder die vriendelijke boeren, die in het kamp kwamen en wijn, olijven, rapen, meloenen en druiven ten geschenke aanboden, er een vrome was, die postduiven hield voor de edele heeren, die de Heilige Maagd verdedigden? Of al die waschvrouwen, die hun diensten aanboden, al die eigenaars van cafés en wijnkroegen – wat hadden zij een kansen om inlichtingen te verzamelen! En wat een vermogen zat er niet in het geld, dat Franco betaalde voor inlichtingen over de troepenbewegingen! Goed, als Collins een spion was, dan liep hij vrij rond in Madrid. Hij had ongetwijfeld een adres, waar hij kon heengaan en de leden van de vijfde kolonne, de vrienden van den vijand in de stad, zouden wel voor hem weten te zorgen.
“Wij zullen hem wel niet meer zien,” zei Rudy en dat kwam uit.

III.

Ze hadden gehoopt, dat de luchtaanvallen gedaan zouden zijn; maar de oorlogsvogels maakten een bocht en kwamen terug. Ze vlogen ditmaal nog lager. Geronk van motoren en doodelijke geluiden, als riveerpistolen, maar sneller; zeven keer harder, ze maakten een helsch lawaai en schoten met machinegeweren op de loopgraven.
Het was een zware beproeving om daarin te staan. Je wist, dat de hagel van kogels komen ging en je kon niets doen – je kon nergens naar toe loopen. Je had zelfs geen helm om je hoofd te beschermen. Een uitdaging van het geheele instinct van den mensch, stilstaan en niets doen. Maar de ziel van den mensch dwingt hem vaak aan zijn instinct het zwijgen op te leggen.
“Houd stand, kerels! Ga niet liggen, dan maak je een schijf van jezelf.”
“Zullen wij erop schieten, Rudy?” vroeg Izzy, die zoo opgewonden was, dat zijn tanden klapperden zoodat hij de woorden nauwelijks kon vormen.
“Het heeft geen doel, je kunt den afstand niet bepalen.” “Maar ze schieten allemaal, Rudy,” – De geweren werden afgeschoten over de geheele linie.
“Zij schieten in den wilde weg. De vliegtuigen zijn kogelvrij, als je de schroef niet raakt, dan heeft het geen doel.”
“Probeer het eens, Rudy.”
Naarmate de hagel van den dood nader kwam, zette Rudy zijn vizier op twee honderd el. Als hij nog langer wachtte dan zou hij op het onderste deel van het vliegtuig mikken. Hij schoot, op elk vliegtuig een schot – nam geen tijd om den afstand te veranderen. Het eerste vliegtuig was weer boven hen; niet daaraan denken – mikken en schieten. Geschreeuw langs de linie, enkele snerpende geluiden, huilen vlakbij, maar geen tijd om te kijken – mikken en schieten.
De laatste van de vliegtuigen, kleiner dan de anderen, vermoedelijk niet zoo zwaar bepantserd; nu nog eens, goed mikken, den afstand goed schatten; alsof je op eenden schoot die op je af komen. Maar dan had je hagel, hier slechts een kogel.
Vuur! En plotseling maakte het vliegtuig een afwijkende beweging, het dook, gleed af, draaide half op den kop en stortte neer op een hut vlak achter de loopgraaf. Er was een geluid van dingen die scheurden, dan een ontploffing, een vlam schoot op en zette uit tot groote hoogte, alles omvattend, de hut en het vliegtuig.

Natuurlijk kon Rudy niet met zekerhheid zeggen of het zijn schot was, dat geraakt had. Een dozijn mannen had geschoten, maar hij zou altijd gelooven, dat het zijn schot was, omdat hij goed gerekend had en wist te mikken. Zijn vrienden zouden het tot in hun stervensuur gelooven – wat in sommige gevallen niet zoo veraf meer was. Een waanzinnig geroep van vreugde klonk langs de geheele linie op uit alle richtingen. Mannen wierpen hun mutsen in de hoogte, staken hun gebalde vuisten uit naar de wegtrekkende vliegtuigen en schreeuwden: “Neem dat mee terug naar Franco!”

IV.

Het lichaam van Don Bainbridge lag beneden in de loopgraaf met het gezicht op den grond. Zij keerden het om en zagen een trek van zachte verbazing op het magere, geleerde gezicht. Een kogel had hem boven in het hoofd geraakt en was doorgedrongen, niemand kon zeggen hoe ver. Zijn hersens waren gevuld geweest met allerlei kennis, vele eigenaardige dingen, waarmee hij hen in verloren uurtjes geamuseerd had; nu was daarbinnen alles door elkaar gemengd en waarheen waren kennis en gedachten gegaan? Wel, iemand die daar een antwoord op geven kon, zou de hoofdprijzen kunnen verdienen van de radio in New York.
Giuseppe Daniele leunde tegen den wand van de loopgraaf. Hij zag zeer bleek en hield zijn schouder vast, waaruit bloed vloeide tusschen zijn vingers door. “Het is maar een huidwond,” zei hij, “heelemaal niet ernstig.” Hij had een noodverband in zijn zak en een van de mannen begon hem te verbinden, maar daar was zelfs geen tijd voor. Door de loopgraaf heen werd er geroepen: “Ils viennent!” “They are coming!” (Zij komen!).
“Bukken!” schreeuwde Rudy. “Het is niet noodig meer dan één paar oogen aan het gevaar bloot te stellen!” Het gesuis van de kogels gaf een voortdurend en onophoudelijk geluid, hun tikken op de borstwering deed denken aan hagel. De Mooren schoten om de eerste aanvallers te beschermen en zij schoten goed. Rudy stak zijn hoed op zijn geweer, hield het net boven de borstwering uit en ze begonnen er gaten in te schieten, terwijl hij door de opening tusschen de zandzakken toekeek. Over de geheele linie van de lange loopgraaf werd er teruggeschoten, maar de Amerikanen wachtten op bevelen.
Rudy schreeuwde: “Houd je hoofden laag. Zij komen door het park. Niet schieten zonder te mikken. Denk eraan, dat je laag mikt. Als je ze in de beenen raakt, dan hou je ze tegen; maar als je over de koppen schiet, dan maak je ze niet eens bang. Zoek voor elk schot je man uit. Vooruit nu. Klaar!”
De eerste rij der aanvallers had den rand van den oever bereikt. De Mooren stonden op tien voet afstand van elkaar; groote mannen met zwarte baarden, met bruine uniformen en witte tulbanden om hun hoofd. “Mikken. Vuu.r.r.r!” commandeerde Rudy en een salvo spoot vooruit. De vijandelijke linie ging neer – in den beginne kon je niet zien of ze neervielen of in de bedding van de rivier sprongen. Maar dan wist je ’t wel, want velen bleven liggen, terwijl anderen door de ondiepe rivier kwamen aangewaad.

V.

Gedurende enkele jaren was Rudy eens of twee keer in de maand met zijn neven naar een schietbaan geweest, waar zij een groote vaardigheid hadden opgedaan in het schieten met geweer en revolver. Rudy en Anna, milder gestemd, hadden er de voorkeur aan gegeven op imitatie kalkoenen te mikken; maar Fritz en Ernie schoten op witte harten, geschilderd op menschelijke figuren, en hadden daarbij gedacht aan roovers en bandieten, aan toekomstige oorlogen tegen bruine en gele rassen. Zij hadden allen Kipling gelezen en waren ijverige bewonderaars van de Britsche militaire kaste.
In overleg met zijn vrienden had Rudy nu bepaald, dat de riemgesp van een Moor het beste mikpunt was. Hij had ook tot in bizonderheden bepaald hoe hij zou te werk gaan. Hij zou het feit, dat er op hem geschoten werd, volkomen vergeten en doen alsof hij met zijn neven op de schietbaan was en kijken hoeveel riemgespen hij kon raken met den inhoud van een geweermagazijn.
Nu deed hij wat hij zich voorgenomen had en om zijn resultaat te verhoogen, zocht hij de vijanden uit, die het dichtst bij, de loopgraaf waren. Toen hij zijn geweer had leeggeschoten, trok hij zijn eigen 38 Colt, waarmee hij duizenden malen had geschoten en dien hij door Frankrijk had weten te smokkelen. Hij had een zak vol kogels voor dezen revolver en had hem haastig weer geladen. Er was geen tijd om het geweer te laden, want de Mooren liepen uit de rivierbedding en hier en daar waren er al een paar op de zandzakken van de borstwering.
Zij waren ongetwijfeld moedige vechters; de militietroepen der arbeiders hadden reden te over om bang voor hen te zijn. Zij kwamen rij na rij – er scheen geen eind aan te komen, evenmin als aan den hagel van kogels, die uit de gebouwen van den achtergrond kwam. Zij bleven in formatie, liepen als duivels – en duizenden onder hen sliepen dien nacht met Mohamedaansche houris in plaats van bij Spaansche arbeidersmeisjes.
Temidden van dit lawaai kwamen de bommenvliegtuigen terug. Nu waren er een dozijn om het moreel der verdedigerstroepen te breken. Maar nu verschenen als bij tooverslag die Russische bommenwerpers, waar de Madrileensche bevolking om geroepen had. De piloten der Capronis, Junkers en Heinkels leerden iets in dien November schemeravond, dat zij lang zouden onthouden; het bericht ervan bereikte snel als het licht de machtigen in Berlijn en in Rome en had tot resultaat, dat de nieuwe wereldoorlog een of twee jaar werd uitgesteld, misschien wel voor altijd. De Sowjets waren de meerderen in de lucht!
Arbeiderswetenschap en arbeidersgeestdrift hadden dat bereikt, de vaste wil der arbeiders “imperialistische zwijnen ervan te weerhouden hun snuiten in de aardappelbrei van de Sowjets te steken”. De Russische vliegtuigen waren tweemotorige bommenwerpers, zoo bewapend, dat zij als vliegende vestingen waren, maar ook weer zoo snel, dat zij geen convooi-vliegtuigen noodig hadden. Bovendien konden de Russische piloten hiermee vliegen en vechten en hoe!?
Nadat drie Italiaansche en Duitsche vliegtuigen in de straten en parken van Madrid waren neergeschoten, trokken de fascisten zich terug en nu waren het hun troepen, die een tijdlang onder den hagel stonden van machinegeweerkogels, die op hun hoofden neerkwamen.

VI.

Arme Izzy Bloch. Hij was in een vreeslijken toestand van angst toen hij de loopgraaf inging. Hij was een man voor den vrede, een aardige baas, die leefde in zijn eigen geesteswereld. Er waren zooveel zachte deden aan zijn lichaam en hij haatte de idee, dat er een kogel doorheen zou gaan. Maar hij had in zijn binnenste een oorlog uitgevochten voor de eer van de goede zaak en van zijn ras. Voor de vijand tot den aanval overging had hij zijn sergeant toegefluisterd: “Zoo is het goed, Rudy. Ik zal het hun inpeperen.”
Hij stond vlak naast zijn vriend en had naar zijn beste weten goed geschoten. Toen hoorde Rudy hem klagen en had juist tijd hem even aan te kijken, zag hem toen op zijn kniëen zinken met het bloed, dat uit zijn nek stroomde. Er zijn niet veel plaatsen in den nek van een mensch, waar een kogel doorheen kan gaan zonder schade te berokkenen. Izzy friemelde aan een noodverband, trachtte het goed aan te leggen. Rudy moest doorgaan met schieten op de riemgespen van de Mooren en zijn vriend trachtte weer recht te komen om dit ook te doen, maar het ging niet. Een Spaansche militieman nam zijn geweer en begon het te gebruiken. Toen de eerste aanval was af geslagen, boog Rudy zich voorover naar den kleinen socialist en zag, dat hij akelig bleek was en amper in staat te fluisteren: “Zijn ze tegengehouden?” Toen Rudy zei, dat dit het geval was, zei de andere zacht: “Wij hebben daartoe bijgedragen, Rudy.”
“En jij hebt je plicht gedaan. Ik ben trotsch op je.”
“Werkelijk, Rudy?” Er kwam een licht in de oogen van den jongen; hy was van den wonderbaarlijken Rudy Messer meer gaan houden dan van iemand anders in de wereld. “Zeg aan de kameraden, Rudy, dat een Jood kan vechten.”
“Natuurlijk, Izzy – als hij maar iets heeft, dat de moeite waard is om voor te vechten. Joden hebben te veel verstand voor de meeste vechtpartijen in deze wereld.”
Er kwam een vredige glimlach op het gelaat van den kleinen idealist. Meer dan iets anders in zijn brave ziel, verlangde hij, dat Joden door Christenen, vooral door Amerikaansche Christenen, gewaardeerd zouden worden. Hij begon naar adem te snakken en sprak nooit meer.
Rudy maakte een geweldige reactie door op al die vreeselijkheid. Hij had een kleine snee achter in zijn hoofd, vermoedelijk van een granaatscherf en zijn nek voelde slijmerig aan als hij hem aanraakte. Hij werd duizelig en dacht, dat hij zou moeten overgeven. Hij moest plotseling gaan zitten op het lichaam van Don Bainbridge, dat zij nog niet uit de loopgraaf hadden kunnen verwijderen. Zijn tanden klapperden en als de Mooren op dat moment waren gekomen, dan zou zijn trefkans ver beneden normaal geweest zijn.
Maar dien nacht kwamen zij niet meer; zij wierpen zoeklichten om te zien wat er gebeurde, wat bewees, dat zij een tegenaanval vreesden. Zij bleven den heelen nacht met schieten doorgaan en ze waren zeker verwonderd, dat er geen antwoord gegeven werd. De militiemannen, zenuwachtig en onervaren, hadden steeds dergelijk geschut beantwoord, maar Kleber had zijn mannen bevolen alleen op een bepaald doel te schieten. Rudy sliep heel weinig dien nacht. Hij vreesde toch nog een overval en liep op en neer in de loopgraaf om zeker te zijn, dat de schildwachten wakker bleven. De dooden en gewonden werden weggedragen, munitie werd aangevoerd, water en voedsel gehaald en nieuwe mannen kwamen de gevallenen vervangen.
Vlak na het ochtendgloren kwam een der koeriers, een Engelschman, naar Rudy toe. Ze kenden allen de geschiedenis met zijn neef. Hij reikte hem een gouden horloge over.
“Ken je dat?” zei hij en Rudy behoefde het niet eens nauwkeurig te bekijken.
“Gevonden tusschen de overblijfselen van dat vliegtuig?” zei hij. “Ik wist, dat het mijn neef was. Weet je, ik had in dat vliegtuig gevlogen.”
Rudy vroeg het horloge te mogen houden. Als hij het er levend afbracht, dan zou hij het aan oom Hermann terugzenden. Hij wilde niet aan zijn neef denken. Ernie had gekregen wat hij had gevraagd.
Dien heelen Novembernacht door had hij geluisterd naar het geluid van gewonde en stervende mannen, die in het zand lagen op de oevers der Manzanarès rivier; iets waar je aan gewoon moest raken, want het was een wreede oorlog. De fascisten namen geen gevangenen en de rooien stelden hun leven niet in gevaar om Mooren te verzorgen. Arme duivels – zij waren boeren in de wilde bergen van het Rifgebied, blij welk soort Spanjaarden dan ook te dooden, zelfs ten gunste van andere Spanjaarden. Blanke aristocraten, militaire snobs hadden hen getraind en hen hierheen gebracht – en zij waren de werkelijke duivels in de moderne wereld.

VII.

De vijand had artillerie in stelling gebracht en begon de loopgraven te beschieten in den ochtend. Geweren antwoordden vanuit de straten achter de verdedigers – het was een tweegevecht, dat maandenlang zou duren. Zij schoten shrapnells en je kon je meestal dekken door goed te bukken. Maar het is niet gemakkelijk den heelen dag gebukt te blijven zitten. Vliegtuigen kwamen den heelen dag door en den heelen nacht en lucht-gevechten waren even gewoon als het fluiten der kogels en het snelle tikken van machinegeweren.
Op dien dag viel de vijand driemaal aan; twee keer waren het de Mooren, een keer was het de vreemdelingen brigade – die fascistische vrijwilligers, waar de Internationale Brigade graag eens tegen van leer zou trekken. Rudy schoot tot zijn geweerloop brandde en zijn revolver defect was. Hij at en dronk verschrikkelijke dingen tot hij dacht, dat hij het niet langer meer kon uithouden. Maar hij verdroeg, wat moest worden verdragen en de anderen deden hetzelfde. Zij vroolijkten elkaar op, spraken tot zichzelf, vloekten, mopperden en gromden als verdwaasden, gedroegen zich alsof zij een nachtmerrie doormaakten.
In den loop van dien dag gebeurde er iets met sergeant Messer. Het was als een draver, die nieuwen adem krijgt. Hij voelde zich onverwacht en zonder ooit iets van een dergelijk verschijnsel te hebben gehoord, op geheven in een toestand van verrukking, waar hem niets meer deerde. Hij had den angst overwonnen, hij had de belangstelling voor zichzelf verloren, hij was vergeten, dat hij een lichaam had; hij had iets in zijn ziel ontdekt, dat grooter was dan zijn eigen leven, iets wat eigenlijk zijn leven kon wegwerpen. Zijn vleesch kon gefolterd worden of in stukken geschoten, maar het ras zou blijven bestaan, de geest van de menschheid zou blijven leven.
Het was voor een deel haat tegen de fascisten en hun onoprechte bedoelingen; voor een deel een glimps van de waarheid, die toch moest overwinnen; voor een deel liefde voor deze brave kerels, met wie hij angst overwonnen had. Hij hield van het werk, dat zij nu deden; o, een grootsch werk, waar de menschen door alle tijden heen over spreken zouden! Zij waren bezig het fascisme tegen te houden! Zij hielden het tegen! Rudy was geheel in voor dit vreeselijke spel, stond weer op het voetbalveld, moedige zijn elftal aan, dat op de tegenstanders afstormde.
“No pasaran!”
“Vandaag is er iets in Franco’s linie ingeschoten,” kabelde een Amerikaansch journalist naar huis. Ja en deze jonge kameraden in de loopgraven wisten wat het was. Menschelijk fatsoen was dien dag op Franco’s linie ingeschoten; het zedelijke gevoel der menschheid had die linie geraakt; gerechtigheid had haar geraakt, wetenschap en de toekomst van het menschenras. Jonge idealisten met poëzie en muziek en kunst in het hart, grimmig en vastbesloten, weerstonden kogels en granaten en foltering, gereed om te sterven of om uit elkaar te worden gescheurd of gebroken, maar zij weigerden een voet grond af te staan aan de reactie en daagden de tirannie uit. Jonge opstandigen uit honderden landen schreeuwden het uit: “No pasaran!”

VIII.

Sergeant Messer en politieke bevelhebber Daniele stonden veertien dagen lang in de loopgraaf in de bruine klei tezamen met de mannen, die van hun Amerikaansche sectie en van hun Britsche compagnie waren overgebleven. De regen kwam en veranderde haar in een stinkend kanaal. De koude kwam en legde ijs op de randen gedurende den nacht. De Spanjaarden hebben een spreekwoord, dat de wind van Madrid nog geen kaars kan uitblazen, maar dat hij een mensch kan dooden. En deze helden hadden slechts een deken per man. Zij aten zooveel koud voedsel als hun gebracht kon worden. Zij vergaten hoe men zich scheert en wascht. Zij zaten stijf onder de leem, waren stinkend van bloederige verbanden, zwart van het kruit, bruin van den modder en grijs van moeheid en uitputting. Zij werden gebombardeerd en opgeblazen, soms half bedolven onder massale hoeveelheden stof en vuil; zjj konden hun hoofd nooit oprichten zonder gevaar te loopen van te worden beschoten en het geluid van de een of andere ontploffing klonk elken minuut van elken dag en van elken nacht in hun ooren. Maar ze bleven staan en wanneer er even een pauze kwam, dan begon er ergens in de loopgraaf een stem te zingen in een van de vele talen, die daar gesproken werden:

Ontwaakt, verworpenen der aarde!

Ontwaakt, verdoemden in hongers sfeer!
Redelijk willen stroomt over de aarde
En die stroom rijst al meer en meer.

En toen aan het einde van die veertien dagen officieren kwamen zeggen, dat de Spaansche militiesoldaten frisch waren getraind en volledig uitgerust en nu klaar stonden om hunne plaatsen in te nemen, wilden zij het niet gelooven. Zij smeekten en huilden bijna, om toch te mogen houden wat zij gewonnen hadden. De officieren fluisterden in het donker, dat geheel Spanje in geestdrift was over datgene, wat de vreemde kameraden hadden gedaan. Er was nu een nieuw leger gevormd en dat zou niet meer wijken.
“Ze moeten vroeg of laat leeren vechten!”
Maar de Internationale Brigade wilde niet weggaan tot er overeengekomen was, dat zij zouden uitrusten in gebouwen vlak achter de linie, waar men ze kon waarschuwen in geval van nood.
De nieuwe soldaten kwamen aflossen kruipend in het donker. Over de geheele linie, een mijl lang, stonden de vreemde kameraden te wachten. Nadat zij op den schouder waren geklopt en omhelsd en gehoord hadden welke helden zij waren, fluisterden zij de weinige woorden, die zij geleerd hadden: “Salud” en “Victoria”, maar vooral “No Pasaran!” De Amerikanen deden de nieuwe soldaten op hun eer beloven, dat zij niet zouden wijken. Alle Spanjaarden zijn op hun eer gesteld.
Het was bewezen geworden, dat de Mooren tegengehouden konden worden en de militie moest zweren ze tegen te zullen houden.
“No pasaran! No pasaran!”

ZE KWAMEN ER NIET DOOR!

–EINDE–

<references />