Adamic, Louis - Sabotage op de werkvloer

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken

Titel: De Wobblies - Sabotage op de werkvloer.


De Wobblies: Sabotage op de werkvloer

Door Louis Adamic

Verschenen: 1931

Bron: De Wobblies: Sabotage op de werkvloer, Anarchistische Groep Amsterdam (AGA) / Vrije Bond, 2012; Dynamite: A Century of Class Violence in America 1830-1930, /AK Press, 2008; Dynamite. A Century of Class Violence in America (1830-1930), (1931/1934)

Vertaling: Uit het Engels door Johny Lenaerts


Brochure van de Anarchistische Groep Amsterdam/Vrije Bond over de geschiedenis van de International Workers of the World, bestaande uit een vertaling van twee hoofdstukken uit het boek Dynamite: A Century of Class Violence in America 1830-1930 van Louis Adamic, waarin de auteur niet alleen ingaat op de heftige geschiedenis van de IWW, maar ook verhaalt van zijn eigen ervaringen met de ‘wobblies’ waarmee hij in aanraking kwam op de talloze plaatsen waar hij werkte.


Inleiding bij ‘De Wobblies’

Kort na het begin van de twintigste eeuw telden de vakbonden in de Verenigde Staten ongeveer twee miljoen leden (één op de veertien arbeiders), waarvan 80% aangesloten was bij de American Federation of Labor. De AFL was een relatief gesloten vakbond, met haast uitsluitend blanke, mannelijke, geschoolde leden. Alhoewel het aantal werkende vrouwen toenam – het was gestegen van vier miljoen in 1890 naar acht miljoen in 1910, hetgeen één vijfde van de totale arbeidskracht vertegenwoordigde, was slechts één procent van de vrouwen bij een vakbond aangesloten.

In 1910 verdienden zwarte arbeiders slechts één derde van wat een blanke arbeider opstreek. Ondanks de mooie redevoeringen voor gelijke kansen van AFL-voorzitter Samuel Gompers bleven de zwarten bij de meeste vakbonden die de AFL vormden, uitgesloten. Bij de AFL was het racisme een pragmatische houding, net zoals de uitsluiting van vrouwen en vreemdelingen, die meestal geen scholing genoten hadden. De AFL, die dus vooral uit geschoolde arbeiders bestond, verdedigde de filosofie van het ‘beroepssyndicalisme’, dat tegenover het monopolie van de productie door de werkgevers een monopolie van de arbeiders onder leiding van de vakbond plaatste. Op die manier slaagde de AFL erin de arbeidsomstandigheden van bepaalde arbeiders te verbeteren, maar liet ze de meerderheid aan haar lot over. De leiders van de AFL genoten een hoog salaris, frequenteerden de werkgevers en klommen soms op tot de high society.

Tegenover een dergelijke situatie – de verschrikkelijke arbeidsomstandigheden en de almacht van de vakbondsorganisaties – richtten de arbeiders die een radicale verandering wilden zich naar een nieuw type syndicalisme. Ze stichtten de International Workers of the World en braken met het corporatistisch syndicalisme dat belichaamd werd door de AFL. De IWW (waarvan de leden zich wobblies noemden) wilden alle arbeiders van eenzelfde bedrijfstak organiseren in ‘één grote vakbond’, zonder discriminatie naar geslacht, ‘ras’ of kwalificatie. De IWW pleitten voor directe actie en verweten de AFL de arbeidersstrijd ondergeschikt te maken aan onderhandelingen met de patroons.

Gedurende de tien jaar ná hun ontstaan, op een ogenblik waarin de kapitalistische groei enorm toenam en er reusachtige winsten gemaakt werden, betekenden de IWW een ware bedreiging voor de kapitalistische klasse. Officieel telden de IWW nooit meer dan vijf- tot tienduizend leden op hetzelfde moment, maar men mag aannemen dat het totaal aantal IWW-leden rond de honderdduizend schommelde. Vrouwen, immigranten en zwarten waren er goed in vertegenwoordigd. Omstreeks de eeuwwisseling namen de sociale conflicten toe en begonnen honderdduizenden Amerikanen zich voor het socialisme te interesseren. De staat sloeg zonder mededogen toe.

De Amerikaanse auteur Louis Adamic beschrijft in Dynamite, dat in 1931 voor het eerst gepubliceerd werd, de op- en neergang van de IWW. We brengen hier hoofdstuk 16 in vertaling.


De wobblies

1

Reeds in 1903 werden er in de Western Federation of Miners discussies gevoerd over de oprichting van een nieuwe beweging, van een nieuwe organisatie: ze zou de gehele arbeidersklasse van de Verenigde Staten, zelfs van de ganse wereld omvatten; ze zou ‘een unieke grote vakbond’, een revolutionaire organisatie zijn, die niet volgens bedrijfstakken gestructureerd is, maar voor alle industrie-arbeiders open staat. Het was een idee zoals dat enkel in het Amerikaanse Westen kon ontstaan: groot en van een grenzeloze stoutmoedigheid.

Op het congres van de Western Federation of Miners, dat in 1904 gehouden werd, werd dan aan het bestuur van de organisatie de opdracht gegeven ‘de wagen aan het rollen te brengen’. Zo vond op 2 januari 1905 in een kleine zaal in Chicago, die twintig jaar eerder als vergaderruimte van anarchisten gebruikt werd, een geheime conferentie plaats. Bill Haywood, een voortrekker van de nieuwe beweging, werd tot voorzitter gekozen. Om aan het woord te kunnen komen trok hij vastberaden – een hamer was er niet – een loszittende plank uit de bodem van het podium, klopte ermee op het katheder, en riep:

‘Kameraden! Onze organisatie heeft maar één doel: de arbeidersklasse het totale bezit van de economische macht, het totale bezit van alle levens- en productiemiddelen, de totale controle van productie en distributie van de goederen te bezorgen. De belangen van de kapitalisten kunnen ons geen moer schelen!’

De 32 deelnemers aan de bijeenkomst vertegenwoordigden ongeveer honderdduizend georganiseerde arbeiders. Onder de gedelegeerden waren prominente figuren van de arbeidersbeweging: Eugene Debs, Daniel De Leon, Mother Jones en Lucy Parsons, de weduwe van de in Chicago terechtgestelde anarchisten[1].

Op de conferentie werd een programma goedgekeurd waarin de opvattingen van de nieuwe organisatie toegelicht werden. Het onderscheidde zich niet veel van het programma van de oude Knights of Labor; wat evenwel ontbrak was de ganse hocus pocus en het hele preekgeleuter van de Knights of Labor. En gans nieuw was de grenzeloze vastberadenheid, de revolutionaire passie. Er werd besloten dat het eerste congres van de Industrial Workers of the World in juni van het daaropvolgende jaar in Chicago zou plaatsvinden.

In juni kwamen dan in Chicago 186 gedelegeerden samen, die 34 grotere en kleinere arbeidersorganisaties vertegenwoordigden. Bij de opening van het congres trokken de gedelegeerden in groepen naar de graven van de Haymarket-anarchisten. Het congres legde de statuten vast; in de preambule heette het: arbeiders en ondernemers hebben ‘niets met elkaar gemeen, hebben geen gemeenschappelijke belangen. Daarom kan er geen vrede bestaan zolang miljoenen arbeiders nog onder nood en ontbering te lijden hebben en aan de andere kant de minuscule klasse van kapitalisten alle goederen en middelen die het leven goed en levenswaardig kunnen maken, vast in hun hand houdt’. Het programma was eenvoudig: alle macht aan de arbeiders! Alle arbeiders konden lid van de nieuwe organisatie worden, ongeacht ‘hun ras, hun geloof, hun huidskleur, hun geslacht en ongeacht het feit of ze vroeger al dan niet slaaf waren’. Het lidgeld was, anders dan bij de American Federation of Labor, zeer laag. En de IWW waren van plan de AFL te vernietigen en ‘alle arbeidersverraders van het type Gompers en Mitchell uit te schakelen’.

Verschillende congressprekers leverden commentaar op de opstand van het Russische proletariaat, die slechts enkele maanden voordien plaatsgevonden had. Eén van hen zei: ‘Deze strijd betekent een stimulans voor de arbeidersbeweging van de hele wereld.’ Lucy Parsons sprak over de ‘afschuw die de Russische kapitalisten overviel toen ze de rode vlag op de daken van Odessa zagen wapperen’. Het congres vaardigde een solidariteitsboodschap uit, waarin het luidde: ‘We roepen onze Russische strijdmakkers op hun strijd vastberaden voort te zetten’.

Haywood werd gevraagd het voorzitterschap van de nieuwe organisatie op zich te nemen. Omdat hij evenwel kort voordien tot schatbewaarder van de WFM herkozen was, wees hij het voorstel af. Zo viel de keuze op een zekere Charles O. Sherman, die zichzelf weliswaar een socialist noemde, maar in werkelijkheid evenwel nauwelijks iets méér dan een onbetekenende opportunist was.

Nog maar net was het eerste congres afgelopen of er ontbrandden in de nieuwe organisatie heftige meningsverschillen. De meest uiteenlopende standpunten bekampten elkaar: parlementaire socialisten, marxisten, pure opportunisten, anarchisten, vakbondslui die vóór het organiseren van alle industriearbeiders waren, vakbondslui die voor beroepsverenigingen waren, en mensen die helemaal geen mening hadden. Een heel jaar voerden deze uiteenlopende fracties een verbeten strijd voor de meerderheid in de organisatie. En het had niet veel gescheeld of de IWW waren door deze controverses uit elkaar gevallen. Plotseling echter, de IWW waren precies een jaar oud, werd de organisatie geconfronteerd met een proces tegen Haywood, Moyers en Pettibone: de verschillende fracties zagen zich voor een tijdje verplicht de interne strijd op te geven. Verenigd streden ze ervoor ‘de gevangenen uit de klauwen van de kapitalistische wet’ te bevrijden. De IWW waren de eerste organisatie die geldinzamelingsacties voor de verdedigingskosten organiseerde. En zij waren het ook die een groot gedeelte van het loon voor Clarence Darrow en een groot gedeelte van de overige kosten bijeen brachten.

Op het congres van 1906 waren in de strijd om de leiding in de organisatie slechts twee fracties overgebleven: aan de ene kant een handvol verwaande, zich socialistisch noemende politici, die uiteindelijk enkel maar in hun persoonlijke carrière geïnteresseerd waren, en aan de andere kant de revolutionairen, die niets van een weloverwogen ‘politieke’ strijd maar alles van de ‘directe actie’ verwachtten: de consequente algemene staking was voor hen het belangrijkste en het enige doeltreffende middel om in het bezit van de productiemiddelen te komen. Deze duidelijke aftekening van de meningsverschillen had onder andere tot gevolg dat verschillende organisaties, waaronder ook de Western Federation of Miners, zich uit de IWW terugtrokken.

In 1908 werd de fractiestrijd dan definitief beslecht: de organisatie was vast in de handen van kameraden die voor de directe actie, voor de openlijke strijd opteerden. In een nieuwe preambule voor de statuten stond nu: de strijd tussen kapitaal en arbeidersklasse ‘moet consequent zo lang worden gevoerd tot de arbeiders van de ganse wereld zich als een klasse organiseren, zich alle rijkdom, alle bodemschatten, alle productiemiddelen toe-eigenen en het systeem van de loonarbeid afschaffen’.


2

Nauwelijks had deze fractie in de IWW de overhand gekregen of Bill Haywood stootte op toenemende problemen met de andere topfunctionarissen van de Western Federation of Miners. Dat liep er uiteindelijk op uit dat hij van al zijn functies in de WFM ontheven werd. Haywood wijdde zich voortaan uitsluitend aan het werk in de International Workers of the World.

Andere bekende leden uit de stichtingsperiode van de IWW waren Vincent St. John, Elisabeth Gurley Flynn, William Trautmann, Joe Ettor en Arturo Giovannitti; zij kwamen allen voort uit de basis van de arbeidersbeweging, waren bij militante stakingen en strijdbewegingen betrokken geweest, waren gewond geraakt, hadden in de gevangenis gezeten, enz. Bureaufunctionarissen waren ze zeker niet.

St. John was toen ongeveer 35. Hij had talrijke baantjes achter de rug: was loopjongen geweest, had voor een boer gewerkt, in een tinmijn, was drukker, decorateur en mijnweker geweest. Op 18-jarige leeftijd kwam hij naar Colorado, waar de WFM sterk stond, en werd lid. In 1900 werd hij in Telluride tot plaatselijk vakbondsvoorzitter gekozen en was hier een jaar later actief betrokken bij de organisatie van de eerder vermelde stakingen. Net als vele andere stakingsagitatoren werd ook hij gearresteerd en uit de streek verbannen. In 1903 duikt hij op in Coeur d’Alene en is hij bij een organisatie van een mijnwerkersstaking betrokken. Hij wordt gearresteerd in verband met het gerechtelijk onderzoek naar de moord op Steunenberg, drie maanden later evenwel wordt hij vrijgelaten. In 1906 nam hij als afgevaardigde van de WFM deel aan het congres van de IWW. Als consequent verdediger van de politiek van directe actie kwam hij in botsing met de lijn van de WFM-leiding, die een traditionele verbinding van fabrieksstrijd met politieke strijd beoogde. Hij trad daarom spoedig uit de WFM en werd korte tijd later lid van het uitvoerend comité van de IWW. In 1907 werkte en agiteerde hij in de mijnen van Goldfield (Nevada). Bij een discussie werd hij door verschillende personen aangevallen en halfdood geslagen. Hij ging voor een medische behandeling naar Chicago, waar hij snel van zijn verwondingen genas. Iets later werd hij tot schatbewaarder van de IWW gekozen.

‘Jeanne d’Arc van de arbeidersbeweging’ – zo noemde men Elisabeth Flynn, een jonge vrouw van Ierse afkomst, die in New Hampshire geboren was. Ze was al zeer vroeg geradicaliseerd: op haar High School in New York vormde ze samen met klasgenoten een socialistische groep. Nauwelijks twintig jaar oud stond ze in New York en in andere steden bekend als agitator, die overal op de straathoeken speeches hield. In 1909 – ze was ondertussen lid geworden van de IWW – werd ze in Spokane (Washington) samen met vijfhonderd andere wobblies gearresteerd; wobblies – zo begonnen zich de leden van de IWW nu te noemen. Lange tijd verbleef ze zonder vorm van proces in de gevangenis, totdat het de politie uiteindelijk te duur werd haar ‘verblijf’ te betalen. Jaren later speelde Elisabeth Flynn een belangrijke rol in de Lawrence-staking.

Joe Ettor was in New York in de sloppenwijken van Brooklyn geboren. Toen hij nog een baby was trok zijn vader met hem naar Chicago. De oude man was reeds lang een militante socialist: bij de ontploffing van de Haymarket-bom was hij zwaar gewond geraakt. In 1906 – kort na de aardbeving en de daaropvolgende grote brand – duikt de jonge Joe in San Francisco op; hij organiseert er de mijnwerkers, strijdt tegen de Pinkerton-agenten en belandt voor een korte periode in de gevangenis. Later werkte hij in verschillende streken van het land als wobbly-organisator. Meerdere keren raakte hij bij incidenten gewond en werd hij beschoten.

Trautmann: zijn vader was in Nieuw-Zeeland bij een mijnongeval om het leven gekomen. Trautmann kwam in 1892 op dertigjarige leeftijd in de Verenigde Staten aan en werkte hier aan de organisatie van de brouwerijarbeiders. Hij werd lid van de IWW en stond bekend als agitator en als schrijver van talrijke vlugschriften.

Giovannitti kwam uit Abruzzen in Italië. Hij had een goede opvoeding genoten en schreef een tijdlang gedichten. Achtereenvolgens werkte hij als muntslager, verkoper, studeerde theologie, was missiepredikant, liftte door het land. In New York gaf hij ooit een socialistische agitatiebrochure in het Italiaans uit.

Dat waren enkele beroemde agitatoren van de IWW; slechts enkele, want bij elke staking, bij elke agitatiecampagne van de IWW traden nieuwe agitatoren en nieuwe organisatoren met verbazingwekkende capaciteiten op de voorgrond.


3

Tussen 1906 en 1916 waren de IWW bij enkele van de meest harde en militante arbeidersstrijden in de geschiedenis van de Amerikaanse arbeidersbeweging betrokken. De IWW verklaarden steeds helder en begrijpelijk dat ze zich als een revolutionaire organisatie beschouwden. Hun actiemethodes waren meestal uiterst militant. En ze werden meestal niet enkel door de kapitalisten en de staatsorganen bestreden, maar evenzeer door de American Federation of Labor, die soms zelfs zo ver ging door stakingsbrekers tegen de stakingen van de wobblies in te zetten.

De wobblies wonnen aanvankelijk in het Westen aan invloed. In 1906 en in 1907 organiseerden ze in Goldfield (Nevada), een kleine grensstad, de gezamenlijke strijd van de arbeiders van alle bedrijfstakken: dit resulteerde in een gegarandeerd dagelijks minimumloon van 4,50 dollar voor elke vorm van werk. In Portland (Oregon) organiseerden ze een zes weken durende staking van de werknemers van de houtzagerijen. Het ging om de negen-urige werkdag en de verhoging van het dagelijks minimumloon van 1,75 dollar naar 2,50 dollar. De staking was een groot succes. Sedertdien stonden de IWW bij de pover betaalde arbeiders van het Westen hoog in aanzien.

Op het eerste congres van de IWW had Haywood verklaard: ‘We komen uit het Westen om de textielarbeiders uit het Oosten te ontmoeten.’ En inderdaad: reeds in 1907 hadden de wobblies ook in de arbeidersbeweging van oostelijk Amerika voet aan de grond. In Skowhegan (Maine) organiseerden ze een staking van 3.000 textielarbeiders; de strijd was een succes en dát ondanks het feit dat de AFL stakingsbrekers inzette.

In de zomer van 1909 hielden de wobblies in McKees Rocks in Pennsylvania een staking van 8000 arbeiders van de Pressed Steel Car Company. Veertien nationaliteiten waren er in de staking vertegenwoordigd. De stakers streden tegen een politiekorps dat ‘kozakken’ genoemd werd. Deze was pas kort voordien op de bedrijven van de mijn- en hoogovenbezitters opgericht en had uitdrukkelijk tot taak de arbeidersstrijd neer te slaan.

De ‘kozakken’ van Pennsylvania waren en zijn nog steeds het sterkste en brutaalste politiekorps dat in de VS voor het neerslaan van arbeidersstrijd ingezet wordt. Deze keer evenwel slaagden de wobblies erin ook daaraan een einde te maken. Toen op een dag een stakende arbeider door één van de kozakken neergeschoten werd, betekende dat een openlijke oorlogsverklaring. Het stakingscomité liet de commandant van de kozakken het volgende bericht overbrengen: in de toekomst zal voor elke staker die gedood of gewond wordt, een kozak gedood of gewond worden. En men zal zich geen cent erom bekommeren welke kozak het slachtoffer zou worden: alle kozakken zagen er volgens hen hetzelfde uit – oog om oog, tand om tand! En de stakers hielden woord. Na een elf weken lange kleine oorlog kwam het in de nabijheid van het bedrijf van de Pressed Steel Car Company tot een openlijke veldslag tussen de massa stakers en de kozakken; aan beide kanten vielen ongeveer twaalf doden en meer dan vijftig gewonden. Uiteindelijk slaagden de stakers erin de kozakken van de straat te verdrijven en terug te dringen achter de fabrieksmuren. Deze strijd betekende voor de rest van de staking het einde van het bloedvergieten tussen beide partijen. Enkele dagen later hadden de stakers de volledige inwilliging van hun eisen verkregen.

Staakt! Oog om oog, tand om tand! – dat was het wat de wobblies onder ‘directe actie’ verstonden. Ze zeiden: de pot op met de stembus en met gans het politieke geleuter!

In de herfst van 1909 werden in Spokane, op aanwijzing van overheidsambtenaren, alle wobbly-agitators die op straatbijeenkomsten wilden spreken, gearresteerd. De vakbonden van de IWW reageerden onmiddellijk: ze stuurden steeds meer wobblies, mannen en vrouwen, naar de stad. Ze poogden allemaal speeches te houden en werden onmiddellijk gearresteerd. Uiteindelijk zaten er meer dan vijfhonderd wobblies, onder hen Elisabeth Flynn, in de gevangenis. Tweehonderd van hen gingen in hongerstaking – hetgeen de situatie voor de politie en de stad nog gecompliceerder maakte. Uiteindelijk bleef de staatsorganen niets anders over dan toe te geven; er werd een besluit uitgevaardigd dat straatagitatie uitdrukkelijk toestond.

Gelijkaardige strijdmiddelen gebruikten de wobblies in Fresno, het centrum van een welvarende landbouwstreek in de San Joaquin Vallei in Colorado. De IWW waren hier van plan de arbeiders van de fruitplantages te organiseren. Toen de politie in Fresno daar lucht van kreeg, arresteerde ze met de steun van de plantagebezitters meer dan honderd wobblies. Weer liet de reactie van de IWW niet op zich wachten: uit Portland, Seattle, Spokane en zelfs uit Denver trokken onmiddellijk duizenden arbeiderszwervers, die met een wollen deken onder de arm van baan naar baan trokken, naar Fresno; ze waren allemaal van plan daar agitatiebijeenkomsten te organiseren en hadden daar een kort verblijf in de gevangenis voor over. Het was een strijd voor het recht op meningsuiting. Politie en justitie hadden in de gevangenissen natuurlijk niet genoeg ruimte ter beschikking om al die mensen onder te brengen. Uit schrik voor mogelijke harde botsingen verleende ze daarom de wobblies onmiddellijk het volle recht op meningsuiting. De IWW wisten dit te benutten: ze organiseerden de arbeiders van de plantages en reeds in de loop van het volgende jaar konden ze een aanzienlijke verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden van de plantagearbeiders verkrijgen.


4

Het grootste succes in de beginperiode van de IWW was de staking in Lawrence. Lawrence (Massachusetts) was een van de grootste centra van de textielproductie. Er werden hier meer wol- en kamgarenproducten vervaardigd dan in enige andere stad van het land; daarenboven bestonden er uitzonderlijke tol- en belastingvoordelen. Van de 85.000 inwoners van de stad werkten er 35.000 in de textielbedrijven; de meerderheid van hen was niet geschoold en bediende automatische machines. Deze ongeschoolde arbeiders kwamen zonder uitzondering uit het buitenland, voornamelijk uit Italië. De lonen waren uiterst laag – terwijl aan de andere kant het inkomen van één enkele ondernemer in het jaar 1911 naar schatting 45 miljoen dollar bedroeg. Terzelfder tijd betaalde de American Woolen Company in haar spinnerij-, spoel- en ververijafdelingen weeklonen van 5,10 dollar, 6,05 dollar, 6,55 dollar, 7,15 dollar en 7,55 dollar. En dat voor een werkweek van zeven dagen! En bij slechtere arbeidskwaliteit kwam het dikwijls voor dat de lonen willekeurig tot 2,30 dollar en 2,70 dollar verlaagd werden. Vele arbeiders moesten een gezin onderhouden; ze konden enkel het hoofd boven water houden als vrouw en kinderen ook gingen werken. Die kinderen waren chronisch ondervoed, de kindersterfte lag uitzonderlijk hoog: op de 1.000 kinderen stierven er 172 voordat ze één jaar werden.

Tot in januari 1912 bleef alles rustig in de stad en mensen die niet het ongeluk hadden in de textielfabrieken te moeten werken waren van mening dat Lawrence een welvarende en tevreden stad was. In het begin van januari 1912 trad evenwel in gans Massachusetts een nieuwe wet in werking, waardoor de arbeidstijd voor vrouwen en kinderen van wekelijks 56 uur naar 54 uur teruggebracht werd. Zonder voorafgaandelijke aankondigingen verlaagden de spinnerijbedrijven daarop de lonen tot het daarmee overeenkomende percentage – terwijl ze het tempo van de machines opdreven: men moest voortaan 56 uur werken, betaald werden echter maar 54 uur.

Op 11 januari kregen de arbeiders hun loonbrief. ‘Loonsverlaging! Loonroof!’ was het eensluidende antwoord. In vele gevallen ontbrak op de loonberekening niet meer dan 30 cent, dat was evenwel voldoende om de ketel te doen overlopen. De textielondernemers verwachtten geen grote onrust. En ook de daarop volgende ochtend leek alles rustig te zijn. De arbeiders kwamen naar de fabrieken, zwijgend en terneergeslagen. Tienduizenden. Net als anders begonnen de machines te draaien. Tegen negen uur echter stootte een arbeider in een afdeling van de Everett-fabrieken een luide schreeuw uit: ‘Verdomme toch! We moeten staken! Staakt!’

Enkele minuten later stroomden de massa’s van opgewonden arbeiders door de fabriekshallen en riepen: ‘Staking! Staking!’ Enkelen knutselden in allerijl een Amerikaanse vlag in elkaar en bevestigden hem aan een stok. ‘Staking! Staking! Leg allemaal het werk neer en kom naar buiten! Kom allen naar buiten! Staking! Staking!’ Iedereen schreeuwde leuzen, rende van hal naar hal, bewapende zich met stokken die in de fabriekshallen rondslingerden. De mensen trokken van de ene weefstoel naar de andere, overtuigden de arbeiders mee te doen of sleepten ze eenvoudig van hun werkplaatsen weg. Ze legden de machines stil, bedreigden werkwillige collega’s en, mocht dat allemaal niet helpen, dan sloegen ze kortweg de machines stuk. In de meeste gevallen sloten de arbeiders zich spontaan en gewillig bij het verzet aan. Steeds groter werd de omvang van de optocht en steeds woedender en vastbeslotener werd de massa.

Toen ze het fabrieksterrein verliet en de straat opliep, telde de massa reeds meer dan duizend arbeiders. Ze verdeelde zich in kleine groepen en trok naar de andere fabrieken, bij het roepen van: ‘Staking! Staking! Komt allen naar buiten!’ En overal sloot men zich aan. Een uur later waren reeds tienduizenden arbeiders in de straten. Voor de eerste keer in negentien jaar huilde op het dak van het stadhuis de alarmsirene: alle beschikbare politieagenten moesten zich melden. De beweging was spontaan, instinctief en van een elementaire kracht. Ze was voor iedereen een volkomen verrassing – ook voor de arbeiders zelf. De ondernemers begonnen te beven.

Joe Ettor verbleef in New York toen hij van de staking hoorde. Onmiddellijk haastte hij zich naar Lawrence en nauwelijks enkele uren later was er een stakingscomité opgericht. Hij was toen ongeveer 25 jaar, een vriendelijke kerel met een natuurlijk leidings- en organisatietalent, met een ongekend fysiek uithoudingsvermogen, een grote persoonlijke aantrekkings- en overtuigingskracht. Voor tienduizenden arbeiders hield hij agitatorische redevoeringen. Korte tijd later trokken militairen op. En het kwam reeds tot de eerste schermutselingen.

Ettor stortte zich op de planning en de organisatie van de staking. Verschillende nationaliteiten waren er onder de stakers vertegenwoordigd, met verschillende temperamenten en met racistische vooroordelen tegenover elkaar. Ettor riep de stakers toe: ‘Gedragen jullie je onder alle omstandigheden zo vreedzaam mogelijk. Want als het tot gewelddadige botsingen komt, dan zullen het uiteindelijk jullie zelf zijn die daarvan het onderspit delven!’

De stakers gedroegen zich zo rustig als he in deze situatie ook maar mogelijk was. Massaal vormden ze stakingspikketten voor de textielbedrijven. Waar de arbeiders zich evenwel niet bij hun stakingsoproep aansloten, braken ze de deuren open, stormden ze de fabriek binnen en bezetten haar. Ze riepen: ‘Sluit je aan bij de staking! Staking!’ Anderen, die buiten bleven, renden naar alle opslagplaatsen van de fabrieken en zochten er houten knuppels en stukken kolen, die ze door de fabrieksvensters naar buiten smeten. De eerste schoten waren te horen.

In de eerste drie dagen werden er meer dan dertig stakers gevangen genomen. Ze hadden niet de kans met een advocaat contact op te nemen, en bleven verschillende weken in de gevangenis.

Op 19 januari nam de politie op drie verschillende plaatsen in de stad dynamietladingen in beslag: op het kerkhof, in een kleermakerswerkplaats, en in een schoenenwinkel die dichtbij een drukkerij gelegen was waar Ettors post afgeleverd werd. Dat was een slag voor de stakers; weer werden er vele arbeiders gevangen genomen. Ettor verklaarde dat dit een doorgestoken smerisaffaire was – hetgeen ook effectief zo bleek te zijn: later kon onbetwistbaar aangetoond worden dat de bommen door agenten van de spinnerijbezitters gelegd waren. Men wilde daarmee de publieke opinie tegen de stakers opzetten.

Etto organiseerde reusachtige massabetogingen. Dikwijls sprak hij meer dan tien keer per dag tot de arbeiders. En steeds weer riep hij de arbeiders op elke gewelddaad achterwege te laten en op te letten voor provocateurs.

Op 20 januari kwam ook Arturo Giovannitti uit New York aan: als correspondent voor de in het Italiaans verschijnende socialistische krant Il Proletario (De Proletariër), wiens heruitgever hij was. Hij nam onmiddellijk deel aan de organisatie van de staking. Hij was een indrukwekkend en begaafd redenaar en speelde een grote rol bij de organisatie van zijn Italiaanse landgenoten. Hij zei hen: ‘Het kapitalisme hier is hetzelfde als in ons thuisland. Steeds hetzelfde: niemand is om je bekommerd, niemand staat voor je klaar. Men behandelt je als was je een machine – ja, zelfs slechter. Elke poging je situatie te verbeteren, je rechten en menselijke waardigheid te doen gelden – dat kan enkel van jezelf komen!’

Giovannitti was bevriend met Ettor. Ettor droeg de organisatie van sociale voorzieningen en van ondersteuning aan hem over. Want het was winter, de stakers en hun gezinnen leden honger en kou. Giovannitti stuurde overal oproepen en smeekbedes voor kleding en voedsel naartoe.

Op 29 januari kwam het tot een zwaar incident: politie en militairen vielen de stakingspiketten aan, er vielen schoten en een jonge arbeidster die in de staking actief was, Annie Lo Pizzo, werd dodelijk gewond. Het zou nooit duidelijk worden wie het dodelijk schot gelost had. Ettor en Giovannitti werden evenwel kort daarna gevangen genomen, ze werden ervan beschuldigd ‘tot criminele daden opgeroepen en ze zelf voorbereid te hebben, en zich daartoe aan illegale samenzwering schuldig gemaakt te hebben’. De hoofdaanklacht: ‘aanzetten tot misdaad’.

De arrestaties waren een poging de staking te onthoofden om haar te kunnen neerslaan. Daarom weigerde de overheid ook om Ettor en Giovannitti tegen betaling van een borgsom weer op vrije voeten te stellen.

Nu kwamen echter andere kameraden naar Lawrence en werkten aan de organisatie van de staking: Bill Haywood, Trautmann en Elisabeth Flynn. Alles was nu een kwestie van tijd en doorzettingsvermogen. Langs alle kanten probeerde men nu op het stakingscomité druk uit te oefenen. Men liet niets achterwege om de arbeiders terug naar hun werkplaats te drijven. En ook de American Federation of Miners bemoeide zich ermee: ze poogde de leiders van de IWW bij de stakers in diskrediet te brengen. De soldaten hinderden voortdurend het bevoorradingssysteem van de arbeiders, dat, ook nadat Giovannitti reeds in de gevangenis zat, gewoon doorging.

Eén van de grootste problemen was de vreselijke noodsituatie waarin de kinderen verkeerden. De meeste van hen leden honger. Op voorstel van Haywood nam men daarom een maatregel die uit de stakingen van de Franse en Italiaanse arbeiders bekend was: men stuurde de kinderen naar familieleden en vrienden in andere steden. Want Haywood wist dat de stakers het zonder de wanhoopskreten van de hongerende kinderen langer zouden volhouden.

Meer dan vierhonderd kinderen werden met toestemming van de ouders en begeleid door dokters en verpleegsters naar Boston, Barre, Vermont en New York City gebracht. Daardoor viel er een grote last van de schouders van de stakers weg. Staatsgeweld en spinnerijbezitters waren echter woedend: want overal in Amerika werd er over de kindertrektocht gesproken; Lawrence kwam in een slecht daglicht te staan – als een industriecentrum waar honger en ellende heerste.

Men trachtte daarom te verhinderen dat nog meer kinderen de stad zouden verlaten. Toen zich dan op 24 februari een groep van veertig kinderen, begeleiding inbegrepen, kort voor hun reis naar Philadelphia aan het spoorwegstation verzamelde, greep de politie in, ze scheidde de kinderen van de ouders, sloegen met de wapenstok op de volwassenen in en dreven hen in boevenwagens. Dertig mensen werden gearresteerd. Daaronder waren enkele zwangere vrouwen, die later een miskraam kregen. De militairen, die het station afgesloten hadden, zorgden buiten voor ‘rust en orde’ – terwijl binnen de politie op vrouwen en kinderen los knuppelde.

Dit brutale optreden maakte de situatie voor de staatsmacht in Lawrence enkel maar erger: gans Amerika keek vol afschuw naar deze stad. Een senator reisde onmiddellijk naar Lawrence om ter plekke met getuigen te spreken, en het Congres besloot een onderzoekscommissie te sturen. Zelfs de meest conservatieve kranten schreven vol misprijzen en verachting over de maatregelen van de textielondernemers.

Uiteindelijk nodigden de spinnerijbezitters het stakingscomité openlijk uit om tot een overeenkomst te komen. Op 12 mei werd de overeenkomst getekend; het leverde de arbeiders een loonsverhoging tussen de 5 en 25% op.

De zaak van Ettor en Giovannitti sleepte zich echter tot de herfst van 1912 voort. Ongetwijfeld zouden de beide arbeidersleiders in de gevangenis geworpen of geëxecuteerd zijn, als de ondernemers van Massachusetts niet zouden gevreesd hebben dat de bestraffing van het tweetal tot reusachtige, door de IWW georganiseerde stakingsacties van de slecht betaalde textiel- en schoenarbeiders van Massachusetts zouden kunnen leiden.

Op 23 november werden Ettor en Giovannitti vrijgesproken en verlieten ze de gevangenis. Onder degenen die actief aan de campagne voor de bevrijding van Ettor en Giovannitti deelgenomen hadden, bevond zich ook Nicola Sacco[2].


5

Bijna op hetzelfde ogenblik voerden de wobblies in San Diego (California) een militante strijd voor het recht op vrije meningsuiting. In de meeste gevallen evenwel ging het geweld uit van de politie of van de reactionaire burgermilities.

Kort na de bekentenis van de broeders McNamara[3] in Los Angeles vaardigde de magistraat van San Diego in december 1911 een besluit uit dat in het centrum van de stad agitatie en speeches verbood; vijftig stratenblokken vielen onder dit besluit. Onmiddellijk werd er uit socialisten, rondtrekkende predikanten, wobblies en andere groepen de California Free Speech League gevormd. Op de dag dat het besluit van kracht werd, werden veertig redenaars gevangen genomen. Zonder vorm van proces werden ze vastgehouden, op borgsommen die onbetaalbaar waren. Korte tijd later werden daar honderd anderen aan toegevoegd, waardoor de gevangenissen helemaal vol zaten. In de overvolle cellen heersten brutaliteit, ziektes en onhygiënische toestanden; de verpleging was barslecht.

De IWW riepen hun leden op naar San Diego op te trekken en ervoor te zorgen dat de gevangenissen nóg voller zouden raken. Toen de wobblies in de stad aankwamen riep de reactionaire pers hysterisch uit dat men deze lieden kortweg zonder proces moest ophangen of neerschieten. De politie patrouilleerde te paard langs de countygrenzen, om nieuwe toegekomenen

weer te verjagen. Acht maanden lang duurde de strijd; honderden werden gearresteerd, geslagen, met pek bestreken en met veren overstrooid. Een groep wobblies werd verplicht de Amerikaanse vlag te kussen, die om de bajonet van een geweer gewikkeld was; anderen moesten door twee rijen van agenten spitsroeden lopen en werden met knuppels en stokken geslagen. Een arbeider die geen lid van de wobblies was, werd op een drukke straat ontvoerd en in de woestijn achter gelaten; men waarschuwde hem: als hij terugkeerde zou hij dat met zijn leven bekopen. In de stad richtte de politie de brandweerslang op iedereen die een speech wilde houden of ernaar wilde luisteren en verwondde daarbij talrijke mannen en vrouwen. Uiteindelijk werd bij een openlijke strijd tussen politie en wobblies een wobbly gedood en raakten twee politieagenten gewond. Dat was het einde van de strijd. De IWW hadden gewonnen.

Vier jaren later kwam het in Everett (Washington) tot een nóg bloediger incident; opnieuw ging het om het recht op vrije meningsuiting. Het begon met een staking van houtarbeiders die in de American Federation of Labor georganiseerd waren; politie en bewapende burgers dreven arbeidersmeetings uit elkaar en vielen stakingsposten aan. De IWW besloten ‘de stad vrij te vechten’. Ze poogden vergaderlokalen te huren en bijeenkomsten te houden; de politie viel hen aan, dreef de bijeenkomsten uit elkaar en verdreef de wobblies uit de stad. Maar ze keerden terug: ze huurden in Seattle twee sleepboten en kwamen via het kanaal in de haven van Everett aan – driehonderd wobblies; ze zongen het lied ‘Hold the Fort, we are coming’ (Hou stand, we komen eraan!). In de haven werden ze door een met geweren gewapend commando ontvangen; onder de schutters bevonden zich talrijke huurlingen die door de houtondernemers betaald werden.

Vijf wobblies stortten dodelijk gewond neer, anderen vielen in het water en 31 raakten gewond. De wobblies waren niet gewapend; desalniettemin kwamen er twee huurlingen om het leven en werden er 16 gewond – door ricocherende kogels, zoals de verdediging later vaststelde; want langs drie kanten werd het schip aangevallen. De overige wobblies werden allen gevangen genomen. 74 van hen werden aangeklaagd voor poging tot moord; in de gevangenis werden ze geslagen en gefolterd. Het proces tegen één van de aangeklaagden vond maanden later plaats in Seattle en eindigde met een vrijspraak. De anderen waren al eerder vrijgelaten. Geen enkele van de huurlingen die geschoten hadden op de mensen die enkel aan land hadden willen gaan om daar speeches te houden, werd gearresteerd of vervolgd. En de sheriff die voor het optreden verantwoordelijk was, maakte later promotie. Toch eindigde de strijd met een overwinning van de wobblies. In heel Everett durfde men weer vrij zijn mening te uiten en de wobblies kregen er zelfs toestemming zalen te huren en meetings te houden. Ze werden daarbij niet meer lastig gevallen.

In 1914 kwam het in Utah tot een proces tegen Joe Hill. Hij werd het klassieke voorbeeld van samenzwering en intrige tegen de arbeidersbeweging. Hier ging in Bingham Canyon een staking tegen de Utah Construction Company aan vooraf. Zoals de meeste stakingen van de wobblies eindigde ook deze met een overwinning. De belangrijkste agitator en organisator in deze staking was Joe Hill, bekend als liedjesschrijver en zanger van de IWW. In Salt Lake City werd hij gearresteerd, men beschuldigde hem van de moord op een kruidenier, waar Joe Hill ongetwijfeld nog nooit van gehoord had. Op het proces werd Joe Hill schuldig bevonden; ook in hoger beroep verloor hij. Nu begon een massacampagne voor de vrijlating van Joe Hill, net zoals enkele jaren later bij het proces tegen Sacco en Vanzetti. De gouverneur van Utah werd met brieven en telegrammen overspoeld. Ambassadeurs van vreemde landen en zelfs president Wilson werden gevraagd een genadeverzoek te ondersteunen. Overal ter wereld werden protestbijeenkomsten gehouden. Maar zonder succes: op 17 november 1915 werd Joe Hill in de centrale gevangenis van Utah door een vuurpeloton geëxecuteerd. Zijn lichaam werd naar Chicago overgebracht; de massa die op de begrafenis zijn kist volgde, was even talrijk als decennia eerder bij de begrafenis van de Haymarket-anarchisten.


6

Zoals gezegd: oorspronkelijk was het doel van de IWW geweest de American Federation of Labor te vernietigen en de leden van de vakbonden in de beweging van de wobblies te organiseren. Hierin mislukten de IWW volkomen. De redenen liggen voor het oprapen: vanaf hun ontstaan zetten de wobblies al hun energie en al hun kracht in voor de verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden van de onderste en laagste lagen van de industriearbeiders. Deze arbeidersparia’s, die uit het buitenland kwamen en meestal niet het minste bezit hadden, waren praktisch rechteloos: alhoewel hun aantal in de miljoenen liep, was er in de maatschappij geen plaats voor hen en speelden ze in de plannen en de programma’s van de politici geen rol. En ook de doorsnee vakbondsman had niet veel over voor deze arme, hulpeloze typen die in de textielspinnerijen werkten; net zoals hij voor de Amerikaanse arbeidersklasse als unieke, grote beweging van alle arbeiders, nog niet veel over had. Hij ondersteunde natuurlijk ook niet de campagnes van de wobblies voor het recht op vrije meningsuiting of andere campagnes waarin het om de rechten en de vooruitgang van de underdogs ging. Want op de eerste plaats interesseerde hij zich nauwelijks voor de underdogs: hij was zelf een geschoolde arbeider, een ‘arbeidersaristocraat’. En ten tweede: wanneer hij strijd voerde, dan was dat voor zichzelf. Meestal had hij een gezin of ten minste het voornemen er één te stichten. Hij had weinig bezit en eigendom of hoopte ten minste dat te krijgen. Hij had verplichtingen en een vaste positie in de sociale hiërarchie: niet helemaal onderaan. Bij de wobblies zag de situatie er gans anders uit: zij waren ongebonden, zonder vaste woonplaats, ongehuwd, zonder bezit en zonder verplichtingen. Het was verhoudingsgewijs voor hen gemakkelijk door het land te trekken en voor de underdogs te strijden, vervolgd en in de gevangenis geworpen te worden. Zo zag het in elk geval de traditionele vakbondsman, voor wie de wobblies steeds ijverige martelaars waren. Voor de doorgewinterde vakbondsman was het goed zo: de wobblies deden het vuile werk en zelf kon het hem niet schaden – hij wilde toch openlijke erkenning en vooruit komen – om van tijd tot tijd met het koor van de rijken mee te zingen en de IWW te vervloeken.

Een voorbeeld. Op het ogenblik dat de Verenigde Staten in de wereldoorlog betrokken raakten ondersteunde de AFL actief een campagne tegen de wobblies en hielp ze eraan mee dat honderden van hen voor jaren achter de gevangenismuren verdwenen.


7

Na de staking in McKees Rock zagen de wobblies volledig af van gewelddadige en militante acties. Zoals we gezien hebben ging bij de stakingen en Free Speech-campagnes van de IWW tussen 1910 en 1916 het geweld steeds uit van de politie, de milities en huurlingen. Na de staking bij McKees Rocks kwam er nog maar één vorm van geweld bij de IWW voor: het geweld dat in het naakte getal van de strijders ligt.

Ongeveer omstreeks 1912 ontdekten de wobblies een nieuw type wapen: de sabotage. Omdat dit echter pas ná de wereldoorlog op massaschaal en efficiënt toegepast werd, zal ik in een later hoofdstuk daarover schrijven. Inleiding bij ´Sabotage op de werkvloer´

Op 14-jarige leeftijd immigreerde Louis Adamic (1898) uit Slovenië (toen Oostenrijk-Hongarije) naar de Verenigde Staten. Toen hij 18 was, verkreeg hij er het Amerikaans staatsburgerschap. Dit essay, dat in 1931 als hoofdstuk 32 van zijn boek Dynamite verscheen, beschrijft zijn ervaringen als tijdelijk werknemer bij verschillende bedrijven in de jaren twintig. Hij verhaalt hierin over zijn ontmoetingen met collega-werknemers die lid waren van de International Workers of the World (IWW), de ‘wobblies’ en staat uitvoerig stil bij de ‘techniek van de obstructie’, oftewel: sabotage.


Sabotage op de werkvloer

1

Nadat ik in 1920 uit het leger afzwaaide (ik was net twintig geworden), werd ik onder de dwang der omstandigheden een jonge ‘hulparbeider’ zonder bijzondere opleiding. Verschillende maanden hing ik rond bij de arbeidsagentschappen – de ‘slavenmarkt’ – in Chicago. Daar ontmoette ik enkele leden van de IWW die openlijk voor hun zaak uitkwamen. Toen ze merkten dat ze te maken hadden met een pas afgezwaaide soldaat, die liep te lanterfanten en voor wie alles om het even was en die een neiging tot radicalisme vertoonde, besloten ze van mij een klassenbewuste proletariër te maken, een ‘wobbly’. Ze porden me aan elk idee op te geven dat ik ooit iets anders zou kunnen worden dan arbeider, omdat mijn kansen om het, hoe bescheiden ook, tot kapitalist of bourgeois te brengen, ontzettend klein, haast nihil waren. Ik was een vreemdeling en de mogelijkheden om op te klimmen verminderden snel, zelfs voor de arbeiders die in Amerika geboren waren. Ik zou moeten beslissen een arbeider te blijven en met mijn capaciteiten bij te dragen tot de versnelling van de ondergang van het kapitalistisch systeem, dat – zoals ze zeiden – er op korte termijn toe veroordeeld was in elkaar te storten, om het even of ik lid werd van de IWW.

Ik leerde de methodes waarmee, zo bleek, vroeg of laat de arbeiders de macht zouden veroveren en het kapitalisme en gans de loonslavernij zouden vernietigen. In het begin begreep ik niet alles wat men mij vertelde. De wobblies gebruikten een woord – sabotage – dat ik, zoals ik me herinnerde, enige tijd voordien in Frank Harris’ Pearson’s Magazine gelezen had, zonder evenwel de betekenis ervan te begrijpen. Ik trok naar de stadsbibliotheek en zocht het op in een woordenboek, maar kon het niet vinden.

In een sjofele leeszaal van de IWW stootte ik dan op een klein boekje met als titel Sabotage. Het was oorspronkelijk in het Frans geschreven door Emile Pouget en in 1912 door Arturo Giovannitti in het Engels vertaald, toen hij in Lawrence (Massachusetts) in de gevangenis zat en ervan beschuldigd werd als wobbly-leider aan de beroemde staking van de textielarbeiders deelgenomen te hebben. Daarin werd sabotage als volgt gedefinieerd:

‘Sabotage is elke bewuste of gewilde handeling vanwege een of meerdere arbeiders, die uitgevoerd wordt met het doel de output van de productie in het industriële veld te reduceren of de handel te beperken en de winsten in het commerciële terrein te verkleinen door de efficiëntie aan de arbeid te onttrekken en het functioneren van de machines buiten werking te stellen en door zo weinig mogelijk te produceren zonder de werkvloer te verlaten.’

Het boek was voor de wobblies een soort evangelie. In dezelfde leeszaal vond ik brochures waarin sabotage vanuit een ethisch standpunt bediscussieerd werd. Een wobbly-auteur beschreef het als een ‘oorlogsmaatregel’ in het conflict tussen de kapitalistische klasse en de arbeidersklasse, en in een oorlog was alles geoorloofd. De wobblies gaven toe dat de door de arbeiders toegepaste sabotage geen preutse methode was, maar ze verdedigden het met het argument dat het zeker niet verwerpelijker was dan de methodes die de kapitalisten in hun economische oorlog gebruikten. Als de arbeiders in hun pogingen om betere economische voordelen te verkrijgen, eigendom beschadigden en materiaal vernielden, vernielden dan de werkgevers in hun winsthonger ook niet eigendom op een meedogenloze en lichtzinnige manier? Hebben ze niet de natuurlijke rijkdommen van het land vernietigd – bossen, mijnen, landerijen en waterwegen – zonder zich ook maar over de waarde daarvan voor de mensen te bezinnen? Laten ze niet ganse koffieladingen en andere goederen in zee smijten, katoenvelden, tarween maïsvelden afbranden en de aardappelvoorraden verrotten – dat alles enkel in het belang van een hoger inkomen? Mengen molenaars en bakkers niet talk, kalk en andere goedkope en schadelijke ingrediënten door het meel? Verkopen zoetwarenfabrikanten niet uit vaseline vervaardigde druivensuiker en karamellen, en honing dat met zetmeel en kastanjes aangelengd wordt? Wordt azijn niet dikwijls uit zwavelzuur gewonnen? Wordt er niet gesjoemeld met melk en boter door de boeren en de handelaars? Worden vlees en eieren niet opgeslagen, ook als ze daarbij slecht worden, enkel om de prijzen de hoogte in te drijven?

Dat alles, zeiden de wobblies, was evenzeer sabotage als wat zij deden. Het ethische verschil tussen de arbeider en de kapitalist met hun respectievelijke vorm van sabotage bestond erin dat de eerste daar open en eerlijk voor uitkwam, terwijl de laatste een bedrieger was, die onder het mom van handel in het geheim vernielingen aanrichtte, terwijl hij terzelfder tijd de proletarische saboteurs als criminelen aan de kaak stelde.

Er was nog een ander verschil. De wobblies gingen ervan uit dat eigendom niet vernietigd mocht worden, en ze waren inderdaad meer bekommerd om diens behoud dan de kapitalisten, omdat hun filosofie gebaseerd was op het idee dat de eigendom aan hen toebehoorde. Het was hun schepping, het product van de arbeiders. Ooit zouden ze er het eigendomsrecht over verwerven en in afwachting daarvan moest het voor hen in stand gehouden worden.

Zulke dingen werden onder wobblies openlijk bediscussieerd in meetings, kranten en gesprekken. Het kon hen niet schelen wie ervan op de hoogte was dat ze in sabotage geloofden en het ook toepasten. Sommige van hen waren ware evangelisten van de sabotage, want ze beschouwden het als vrijwel het enige – en een krachtig - middel om de zaak van de underdog vooruit te brengen. Eén van mijn wobbly-vrienden zei me daarover in essentie het volgende:

‘Nu dat de bazen een haast fatale slag aan het wapen van de boycot toegebracht hebben, nu dat stakingsposten in vele delen van het land praktisch buiten de wet gesteld zijn, de meningsvrijheid beknot wordt, de vergadervrijheid opgeheven wordt en de gerechtelijke vervolgingen tegen de arbeiders epidemische vormen aangenomen hebben – nu zal de sabotage, dat duistere, onoverwinnelijke, verschrikkelijke zwaard van Damocles, dat over het hoofd van de heersende klasse hangt, al de verloren wapens en munitie van de arbeiders vervangen, die ze in hun strijd voor economische gerechtigheid nodig hebben. En het zal winnen, want het is, naast de algemene staking, het meest gevreesde wapen van alle. De bazen zullen zonder succes het gerecht inzetten tegen stakingskassen, zoals ze dat in de grote staalarbeidersstaking gedaan hebben – sabotage, zoals wij dat toepassen, is een veel sterker middel tegen hun machinerie. Ze zullen daartegen zonder succes oude wetten inroepen en nieuwe wetten uitvaardigen – ze zullen de sabotage nooit op het spoor komen, hem nooit kunnen lokaliseren en uitschakelen, want geen enkele wet zal ooit een misdaad kunnen maken van ‘de ongeschiktheid en het gebrek aan bekwaamheid’ van een onderkruiper die zijn werk verknoeit of een machine verknalt die hij niet weet te bedienen, een machine die in feite door een klassenbewuste arbeider ‘geprepareerd’ werd lang voordat de onderkruiper op kwam dagen. Tegen sabotage zijn geen gerechtelijke stappen opgewassen. Politieknuppels, geweerregimes of gevangenistralies zijn er weerloos tegen.’

Het zou nog enige tijd duren voordat ik begreep hoe efficiënt – en belangrijk – sabotage was.


2

Via een arbeidsbemiddelingsbureau in Chicago vond ik voor langere tijd werk als handlanger in de aanleg van een weg, iets buiten Joliet. Ik was één van de wellicht honderd andere hulparbeiders, waaronder zich ook, zoals ik spoedig zou ontdekken, verschillende sabotage-evangelisten van de IWW bevonden.

‘Kalm aan, kid,’ zei me één van hen op de tweede of derde dag. ‘Probeer toch niet de weg in één dag aan te leggen. De duivel zal hem halen! Je verdient toch evenveel als ik, drievijftig per dag, is het niet? Wel, werk dan niet alsof je vijfendertig krijgt.’

Ik was er stevig tegenaan gegaan, en niet omdat ik de weg zo snel mogelijk in afgewerkte vorm wilde bewonderen, maar omdat ik dacht, omdat ik al maanden zonder werk gezeten had en ik door een soort blues geplaagd werd, dat enkele maanden echt werk me fysiek en ook psychisch zouden op-peppen. Maar nu deze wobbly en sabotageprofeet me voor mijn snelle werkritme berispt had, werd ik rood van schaamte – zonder goed te weten waarom. Hij zette mijn zelfbewustzijn op het goede spoor.

Dagenlang zat de kerel me op mijn hielen en riep me steeds weer om het langzaamaan te doen. ‘Trek aan de rem, kid,’ zei hij. ‘Ga een slok water drinken.’ Of: ‘Vind je ook niet dat je weer wat water kunt gebruiken?’ Of: ‘Morgen komt er nog een dag, boy.’

We hadden lange conversaties met elkaar, terwijl hij deed alsof hij naast mij aan het graven was. Het rekken van de tijd had hij tot kunst ontwikkeld. Hij was klaarblijkelijk goed belezen en had zich via zelfstudie bijgeschoold. En toen ik hem verklapte dat ik een fan was van schrijvers als Upton Sinclair en Frank Harris, en geïnteresseerd was in de Russische Revolutie, vertelde hij mij over de IWW-beweging en over ‘Big Bill’ Haywood en William Z. Foster, die allebei in 1912 aan een arbeiderscongres in Europa hadden deelgenomen, van waar ze de Franse opvattingen over sabotage mee naar Amerika gebracht hadden en die sedertdien door de basismilitanten van de IWW aanzienlijk verbeterd waren. Hij was een zelfbenoemde apostel van de sabotage; hij beschikte over een verbazingwekkende spreekvaardigheid en trok van baan naar baan, waarbij hij van gewone proleten wobblies maakte, en hen, zoals hij dat noemde, ‘de techniek van de obstructie’ bijbracht.

Ook mij onderwees hij in deze techniek. Hij zei: ‘Neem niet teveel op je schop, kid. Spaar je rug. Ach ja, dat herinnert mij eraan wat enkele makkers

in 1908 in Bedford (Indiana) deden toen de baas hun meedeelde dat hun loon gekort zou worden. Ze gingen naar een werkplaats, zaagden een stuk van hun schop af en zeiden daarop tegen de baas: “Klein loon, kleine schop”. Dat hebben ze goed aangepakt. Dat was een soort instinctieve, spontane sabotage, alhoewel men in dit land toen het woord sabotage nog niet kende. Maar dat is nog altijd van belang – “klein loon, kleine schop”. Jij verdient drievijftig; denk je dat je werk niet méér waard is? Wees toch niet gek! Geef hen een kleine schop, en als niemand kijkt, helemaal niets. De duivel zal hen halen! Doe het langzaam – dat is staking op de werkvloer. Begrepen?’

Zelfs nadat ik de techniek min of meer beheerste viel me de arbeid zwaarder dan anders, maar mijn leermeester putte daar een grote voldoening uit. Hij porde me aan en zei dat ik er geleidelijk aan aan zou wennen.

Oorspronkelijk – in de jaren 1912 en 1913 – hadden de wobblies het idee de machines onklaar te maken net voordat ze in staking gingen, zodat de onderkruipers ze niet konden bedienen. Maar omstreeks 1920 gingen de IWW en de communisten, die toen eveneens een belangrijke rol in het toneelstuk van de sabotage in de Amerikaanse industrie begonnen te spelen, ertoe over machines te ‘prepareren’ tijdens het normale werkproces. Bij de wegwerkzaamheden in de nabijheid van Joliet waar ik werkte, had de opzichter om de paar dagen problemen met de betonmengers, de trucks en de baggeraars. Plotseling gingen er dingen stuk in het midden van de voor- of de namiddag, waarop dan tien of twintig man stond toe te zien hoe de reparateurs de machines herstelden.

Mijn vriend, de wobbly, wenkte me en lachte me betekenisvol toe. ’s Avonds vertelde hij me dan op de terugweg over de sabotagestunts waaraan hij had deelgenomen of waarvan hij had horen vertellen.

Op een dag zei hij me: ‘Ik denk dat mijn grootste tijd hier erop zit. Heb je ook gemerkt hoe die ouwe Ierse vent’ – hij bedoelde de opzichter – ‘me de laatste dagen in het oog houdt? Ze hebben me door; misschien dat één van de kerels die ik geprobeerd heb op te voeden, hun verteld heeft wat mijn godsdienst is.’ Hij glimlachte. ‘Over één of twee dagen zal ik afgedankt worden. Maar dat kan me geen moer schelen! Over een week heb ik een andere baan, waar ik weer dezelfde streken kan uithalen.’

De volgende dag werd hij, samen met drie andere mannen die eveneens sabotage-apostels van de IWW waren, uitbetaald en aangemaand zich in de toekomst niet meer te laten zien. Maar nog voordat ze ons verlieten vernam ik dat de twee mijl betonstraat die we de afgelopen anderhalve maand aan-

gelegd hadden, binnen een paar weken vol barsten zouden staan. Ze hadden iets in het cement gemengd dat barsten zou veroorzaken, waardoor de ondernemer het werk opnieuw moest gaan doen.

Ik bleef nog een maand op mijn arbeidsplaats in Joliet, lang genoeg om het beton te zien barsten. Kort voor het midden van de zomer trok ik dan naar St. Louis met twee jonge wobblies die ervan overtuigd waren dat we daar zonder problemen werk zouden vinden als hulp bij de oogst op de tarwevelden van Missouri en Kansas.

In St. Louis liep de ‘slavenmarkt’ eveneens vol met wobblies. Ze vormden een vrolijke, zij het enigszins eenzijdige groep, wiens fanatisme met een grote dosis humor doordrenkt was. Daar hoorde ik van een incident (ik heb later de waarachtigheid van het verhaal geverifieerd) dat in de winter vóór de Eerste Wereldoorlog had plaatsgevonden, toen hongerende en bevroren werklozen uit de kampen en de velden naar de stad getrokken waren. De wobblies besloten het stadsbestuur ertoe te verplichten zich om het lot van de werklozen te bekommeren. Op een dag trokken verschillende honderden van hen naar de restaurants, bestelden grote schotels, aten, en presenteerden daarop de rekening aan de kelners met de boodschap dat de burgemeester die zou betalen. Ze werden gearresteerd en hielden tijdens de rechtszaak lange redevoeringen, wat in de kranten breed uitgemeten werd. De stad raakte overstuur in het vooruitzicht van duizenden werklozen die naar St. Louis zouden optrekken om er te gaan eten op kosten van de burgemeester – want dat was wat ze deden, of ze zich nu in of buiten de gevangenis bevonden. De stadsraad vaardigde daarop een noodmaatregel uit om in openbare behuizing met gratis kost en inwoning te voorzien. Deze ‘stunt’ was een vorm van sabotage aan de gemeenschap, dramatisch en humoristisch, die me, eerlijk gezegd, erg aansprak.

Inderdaad waren vele wobblies waar ik mee in contact kwam hartelijke, amusante en intelligente kerels, die hun zaak zeer ernstig opnamen en gans open over hun gedachten en acties spraken. Ze waren freelance-missionarissen voor de zaak van de underdog, waarbij het doel alle middelen heiligde. Ze handelden volgens een zelfopgelegde regel die erin bestond de bezittende klasse bij elke mogelijke gelegenheid zoveel mogelijk schade te berokkenen: guerrilla in de klassenoorlog.

In de tarwevelden van Kansas, waar ik in de zomer van 1920 verschillende weken gewerkt heb, waren arbeidsobstructies en stakingen op de werkvloer schering en inslag. Wanneer het werk in volle gang was, terwijl elk uur voor de boer van belang was, gaven de draaimachines en ander oogstgereedschap de geest.

Ongeveer dertig mijl van de plaats waar ik werkte ging een tarweveld van haast een kwadraatmijl in de vlammen op. Dat veroorzaakte in ons kamp heel wat opschudding. De wobblies die ik kende – de meeste van hen waren rustige en evenwichtige kerels – leken brandstichting af te wijzen en schoven de verantwoordelijkheid daarvoor in de schoenen van de communisten, die over het algemeen naar meer drastische middelen grepen. Onder de wobblies circuleerden geruchten dat de Amerikaanse communisten van Moskou de opdracht zouden hebben gekregen de Amerikaanse industrie te saboteren. Deze geruchten waren klaarblijkelijk gebaseerd op een vertrouwelijk document dat voor ‘onbetwistbaar authentiek’ gehouden werd, maar zeer waarschijnlijk was het tegendeel het geval. Het Amerikaanse Ministerie van Justitie had toentertijd het document ‘ontdekt’ en laten publiceren; daarin zou een zeker ‘uitvoerend comité’ in Moskou zijn buitenlandse vertegenwoordigers oproepen om onder meer kleine en grote stakingen uit te lokken, machines en boilers in de fabrieken te vernielen en er al het mogelijke toe te doen om in de kapitalistische bedrijven chaos te creëren.

Het staat buiten twijfel dat in het begin van de jaren 1920 communisten in de Verenigde Staten in zulke activiteiten verwikkeld waren. Ik wil er wel aan toevoegen dat er tussen hen en de verschillende communistische bewegingen die nu in dit land bestaan, geen verband was en is. Toentertijd vertegenwoordigden de meeste Amerikaanse communisten verschillende af- splitsingen van de IWW, van wie er tegenwoordig geen enkele een band met het communisme heeft.

[…]

De officiële leiders van de conservatieve vakbonden waarschuwden de stakers zich niet met de ultra-radicale agitatoren in te laten. Desalniettemin waren in de jaren 1920 en 1930 sabotage en staking op de werkvloer een deel van de psychologie en actie van miljoenen Amerikaanse arbeiders geworden, die echter daarom geenszins wobblies of communisten genoemd wilden worden.


3

Tegen het einde van 1921 bevond ik me dan opnieuw in het oosten van de Verenigde Staten. Omdat ik op het land geen werk kon vinden ging ik op zee en voer ik het daaropvolgende jaar op vijf verschillende Amerikaanse schepen, waar ik overal op sabotage stootte, en dat zowel bij matrozen, of ze nu wobbly waren of niet, als bij officieren (alhoewel die hun handelingen natuurlijk geen sabotage wilden noemen).

Als messboy zag ik hoe voor duizenden dollars aan levensmiddelen verspild of over boord gegooid werden, en als matroos zag ik hoe voor tienduizenden dollars aan verf en scheepsuitrusting verdween. Op elk schip stootte ik op wobblies en ik werd met enkele van hen bevriend. Ik herinner me dat één van hen me ooit zei:

‘De Amerikaanse underdog weet ondertussen waar hij aan toe is en dat is ook het geval voor degenen die direct boven hem staan; ik bedoel de kleine bazen en opzichters, zoals op een schip de officieren. Ze beginnen te beseffen dat ze onderbetaald worden en ze gedragen zich overeenkomstig. Ik vaar nu al vijftien jaar op zee, en wanneer ik me van iets bewust ben – en ik beschouw mezelf als een erg ervaren kerel – dan is het bijvoorbeeld dat er op de Amerikaanse schepen meer gegapt en gepikt wordt dan ooit tevoren. Zoals je weet, laten de stewards levensmiddelen bederven en overboord werpen zodat ze, als ze in de haven zijn, grotere voorraden kunnen bestellen en waarvoor ze dan van de leveranciers een kleine commissie krijgen. Datzelfde geldt voor de stuurmannen, ingenieurs en kapiteins. Op enkele schepen waarop ik was, trok de ganse bende aan één zeil. Ze verkochten in buitenlandse havens grote rollen duur Manilla koord of wierpen het overboord; datzelfde deden ze met scheepsverf, enz. – ze konden dan meer koord en verf bestellen en het smeergeld opstrijken.’

Op een schip waarmee ik van New York naar de westkust voer, bestond de bemanning voor haast honderd procent uit saboteurs – en velen van hen hadden nauwelijks iets over de IWW gehoord. De wobblies handelden ten minste uit eerbare sociale motieven als ze sabotage predikten en ook toepasten. De saboteurs die niet tot de IWW behoorden leken evenwel enkel te handelen omdat ze zich in een slechte stemming bevonden en vonden er een armzalige persoonlijke bevrediging in wanneer ze, in plaats van een verfborstel uit te wassen, deze over de reling wierpen of ganse emmers verf in zee kieperden. Ze voelden zich helemaal niet met het schip verbonden. ‘Laat de duivel hen halen!’ was hun motto. ‘Naar de duivel met de eigenaars!’ We

discussieerden over het smeergeld dat de kapitein, de hoofdingenieur, de stuurmannen en de steward op elke reis in hun zak staken. Er werd me verteld dat twee tochten eerder de kapitein en de ingenieur de machines ‘geprepareerd’ hadden, zodat het schip drie weken lang op een scheepswerf in San Pedro, California, moest liggen, waar er voor 23.000 dollar aan reparatiewerken uitgevoerd werden, hetgeen hen een aardige bonus van de werfeigenaar opleverde.

Ik ontdekte dat IWW- en andere saboteurs aan boord van schepen de officieren dikwijls bij hun smerige werk hielpen – en dat met heel veel plezier. Op een dag gaf een stuurman ons de opdracht een licht beschadigde olieleiding over boord te werpen (ze was haast vijftig meter lang en had zevenhonderd dollar gekost), omdat de kapitein geen rapport voor de rederij wilde opstellen waarop hij de reden van de beschadiging had moeten vermelden. Daar werd hard om gelachen. De rederij werd een goede peer gestoofd – ‘de duivel zal hem halen!’

Een marinier die lid was van de IWW en misschien wel de intelligentste arbeider was die ik ooit ontmoet heb, zei me eens toen we het hadden over sabotage op schepen:

‘Je kan in de krant lezen dat de VS grote moeilijkheden hebben om een handelsvloot van enige betekenis op te bouwen omdat in Amerika de kosten in de scheepsbouw veel hoger liggen dan in andere landen. Daardoor moeten Amerikaanse investeerders rekening houden met een langere omlooptijd voor hun in de scheepvaart geïnvesteerd kapitaal. En ook omdat de lonen van de Amerikaanse bemanning hoger zijn dan op schepen van andere landen, is het volgens hen logisch dat de Amerikaanse passagiers- en vrachtprijs hoger moet liggen en dus is het voor de reders voordeliger om buitenlandse schepen in te zetten. Ik ben geen ‘hoge piet’ maar een eenvoudige marinier, maar ik weet genoeg om te begrijpen dat gans dat alibi nergens op gebaseerd is. De Amerikaanse officieren en zeelui ontvangen inderdaad hogere lonen dan de scheepsbemanning in andere landen, met uitzondering van Canada. Maar in vergelijking met de lonen die aan land uitbetaald worden verdient de Amerikaanse bemanning nauwelijks zoveel als een Japanner. Daarin ligt volgens mij één van de belangrijkste redenen van de erbarmelijke toestand van de Amerikaanse handelsvloot. De Amerikaanse vrek in de scheepshandel is even hebzuchtig als zijn broeders in andere bedrijfstakken. Hij heeft weinig medelijden met degenen die omwille van hun omgeving en hun aangeboren gebreken verplicht zijn hem hun verstand en spierkracht te verkopen. Hij betaalt hen zo min mogelijk

voor al de arbeid die hij uit hen perst. Het resultaat is dat op den duur zijn slaven terugslaan. Enkelen van hen bedienen zich daarbij van bewuste sabotage, zoals wij van de IWW dat doen, en verstoren daarmee de kern van het kapitalistisch systeem. Anderen grijpen onbewust naar sabotage, zonder daarmee een maatschappelijk doel te beogen, puur vanuit een persoonlijk wraakgevoel, maar ze bereiken daarmee blindelings hetzelfde doel – namelijk het versnellen van de ondergang van het systeem. Het is juist dat de zogenaamde onderhoudskosten van Amerikaanse schepen hoger liggen dan bij de meeste buitenlandse schepen, maar dat komt enkel omdat het schip en de reders de bemanning geen moer interesseert en het doelbewust verwaarlozen. Ik twijfel er niet aan dat er op Amerikaanse schepen méér vernield wordt dan de reders in de vorm van staatssubsidies ontvangen.’

Enkele maanden nadat hij me dit toevertrouwd had – het was in 1922 – monsterde ik samen met mijn wobbly-vriend op de Oskawa in Philadelphia aan. Het was een vrachtschip van de United States Shipping Board van 6.100 Engelse ton, dat in 1918 voor haast twee miljoen dollar gebouwd was en over een moderne koelruimte beschikte. We voeren met een kleine lading naar Hamburg en de vaart verliep zonder noemenswaardige incidenten. De bemanning was, zoals men ze toentertijd gewoonlijk op Amerikaanse vrachtschepen aantrof, misschien iets slechter. Het half dozijn wobblies dat ik tegenkwam was onbetwistbaar het beste gezelschap aan boord. De kapitein was een oude man, niet in beste gezondheid, enigszins overstuur door de verantwoordelijkheid die op zijn schouders rustte. De stuurmannen, ingenieurs en de steward vormden een verzameling leepogige ‘lime-juicers’ (Amerikaans slang voor Engelse zeelieden) en heerszuchtige ‘squareheads’ (Amerikaans slang voor Duitse en Scandinavische migranten), die tijdens de oorlog, toen haast iedereen aangeworven werd, een licentie verkregen hadden. Ze konden goed overweg met drank en ruzies, maar hadden van navigatie weinig kaas gegeten.

In Hamburg laadden we een reusachtige hoeveelheid champagne en likeur voor Zuid-Amerika in. Vier of vijf dagen nadat we Duitsland verlaten hadden, begonnen in de kajuiten en in de mess van de officieren de kurken te knallen; uiteindelijk circuleerden de flessen ook op de brug en in de kaartenkamer en ook in de matrozenkajuiten doken kisten met de uitstekende likeur op.

De oude kapitein – met een zwak en armzalig karakter, die voor zijn eigen autoriteit terugschrok, in de war was door de talrijke regels en voorschriften en huiverde voor gerechtelijke stappen, wat allerlei rompslomp met zich mee zou brengen waar hij niet tegen opgewassen was – was buiten zichzelf. De tweede stuurman was de enige andere officier die nog nuchter was. Het schip raakte meerdere keren uit koers, maar bereikte uiteindelijk op wonderlijke wijze Brazilië, wat wellicht voor een groot deel te danken was aan de zes of zeven wobblies die nuchter gebleven waren en de kapitein bij het sturen van het schip bijgestaan hadden.

Toen de lading gelost werd, stelde men vast dat op de Oskawa meer dan honderd kisten champagne, kummel en andere fijne likeuren ontbraken. De oude wist natuurlijk wat ermee gebeurd was; maar omdat haast het ganse schip in een soort samenzwering tegen hem samenspande, was hij niet in staat één enkele kist aan boord te lokaliseren of iets tegen de officieren in te brengen. Hij tekende voor het verlies, en nam de schuld op zich. Nadat hij zowel in Rio de Janeiro als in Montevideo gezocht had, besefte hij dat hij in Zuid-Amerika geen betere officieren en manschappen zou kunnen vinden, zelfs wanneer hij erin zou slagen de huidige bende kwijt te raken.

Op de terugweg naar Hamburg had de Oskawa ongeveer duizend ton bevroren vlees geladen. Na een dag of wat begon men in de officierskajuiten en op de brug de champagneflessen die men zorgvuldig verstopt had, te ontkurken. De meeste officieren namen nu tegenover de kapitein een openlijk vijandige houding aan, die ten einde raad was. Hij liep met een geweer rond en dreigde ermee enkele matrozen, waaronder ikzelf en drie IWW-leden, die hij dacht te kunnen vertrouwen, te bewapenen.

Op een dag liet iemand te veel olie in de oven lopen, zodat de vlammen uit de schoorsteen vlogen en het ganse schip vol brandende olie liep. Het vuur beschadigde of vernielde een groot gedeelte van de bovenbouw, daarbij inbegrepen de meeste reddingsboten, de brug en de kaartzaal. Het was inderdaad een groot geluk dat het nuchtere deel van de bemanning – vooral wobblies – de brand konden blussen. ‘We hadden het laten afbranden,’ zeiden de wobblies, ‘als wij dan ook niet naar de haaien moesten.’

Maar het ergste moest nog komen. Toen we Hamburg al verschillende dagen achter ons gelaten hadden, liet de ingenieur de dynamo’s doorbranden, zodat de Oskawa voor de rest van de reis zonder licht en met uitgevallen koelapparaten verder moest. Ze voer effectief voor een groot deel van de nacht zonder verlichting, wat voor de andere schepen in onze koers een groot gevaar betekende. We gebruikten olielampen, waarvan de werking vrijwel gelijk was aan nul. Op een nacht stootte de eerste stuurman, omdat hij veel te dronken was om uit zijn kooi op te staan en de lamp te doven, deze pardoes met zijn voet om, en moesten we het vuur doven.

Dan pompte één van de bemanningsleden in plaats van het ruimwater haast het gehele verse water in zee! Er was nog genoeg over om van te drinken maar niet voor de stoomketels; dus waren we verplicht voor de stoommachine zoutwater te gebruiken, met als resultaat dat de ventielen na korte tijd met zout verstopt waren. Regelmatig moesten we de machines stopzetten om ze schoon te maken.

We waren een dagreis verwijderd van Madeira toen de machines van de Oskawa definitief de geest gaven. We dreven een dag en een nacht lang, terwijl de machines in zoverre weer op gang konden gebracht worden, dat we naar Madeira konden strompelen, waar er evenwel geen werven waren voor grotere reparaties, en zo schaften we ons enkel water, lampen en wat olie voor de positielampen aan. De dynamo’s bleken volkomen onbruikbaar.

Omdat het koelsysteem niet werkte, begon het bevroren vlees te smelten en te stinken. Daarop liet iemand – ik vermoed dat het iemand van de IWW was – hete lucht door de koelleidingen lopen, met als gevolg dat het grootste gedeelte van de lading gekookt of toch op z’n minst bedorven was, vooraleer het ontdekt kon worden.

Onder elkaar lachten de wobblies erom en ze probeerden uit te rekenen hoeveel de Amerikaanse regering voor de bedorven lading zou moeten betalen.

Ergens vóór de kust van Holland was onze petroleumvoorraad plotseling op en moesten we naar Hamburg gesleept worden, waar het daarop volgende onderzoek de kapitein op het randje van de waanzin dreef. Uiteindelijk werd hij ontslagen en werden er enkele officieren gearresteerd en hun vergunningen ingetrokken. De Oskawa werd in zoverre gerepareerd dat ze naar de VS kon terugkeren en daar dan op een ‘scheepskerkhof’ terecht kwam, waar zich reeds honderden andere schepen bevonden, waarvan de toestand er nauwelijks beter aan toe was.

Eén van mijn wobbly-vrienden aan boord zei me: ‘Ze hadden moeilijk een beter stuk sabotage kunnen plegen, zelfs indien ze allemaal, van de kapitein tot de laagste matroos, een communist of een wobbly geweest waren. Halleluja!’


4

Het Oskawa-incident werd in Washington het onderwerp van een onderzoek en werd toentertijd in de Hamburgse pers uitvoerig besproken. Het had me al mijn zin voor de zeevaart ontnomen, en zo ging ik dan weer mijn kost aan land verdienen. Van 1923 tot 1927 werkte ik bij tientallen bedrijven tussen Philadelphia en Los Angeles – in staal-, meubel-, schoen- en textielfabrieken, op boerderijen en ranches, in restaurants, in een steengroeve en in een drukkerij, in een kruidenierswinkel en in een autofabriek, in de bouw en als havenarbeider. En vrijwel overal stootte ik op één of andere vorm van sabotage. Nergens heb ik iets gevonden wat leek op echte arbeidsvreugde of arbeidstrots.

In een meubelwinkel in Cleveland waar ik als timmermanhulp een baan had weten te bemachtigen, stootte ik op kliekjes arbeiders die met elkaar samenspanden om tijdens de werkuren voor zichzelf te werken. Uit het materiaal van de baas vervaardigden ze kleine delen die ze dan ’s avonds, onder hun kleren verstopt, naar buiten smokkelden om er thuis stoelen en kasten van te maken, die ze daarop verkochten of voor zichzelf gebruikten.

In een kantklosserij in de nabijheid van Scranton, Pennsylvania, waar ik enige tijd werkte, trof ik de werknemers, vooral mannen, aan in een sombere stemming. De bedrijfsleiding had de machines sneller laten draaien en verplichtte daarmee de werknemers aan een steeds sneller tempo, en dát voor hetzelfde loon, te werken, wat ertoe leidde dat er veel sabotage aan de machines gepleegd werd. Weefmachines werden beschadigd en aan de grote machines werden de leren drijfriemen doorgesneden. De voorman hield ‘die communistische bastaarden’ daarvoor verantwoordelijk. Op verschillende doorgesneden lederen riemen had men op een ochtend met krijt ‘Sacco en Vanzetti’ geschreven.

Ik heb gewerkt in drie of vier restaurants in New York en Pittsburgh en stootte in minstens twee van hen op sabotage. Eens goot een communistische bordenwasser, net voordat hij zijn ontslag indiende, verschillende kannen kerosine in suikerpotjes en urineerde hij in koffie- en theekannen. In mijn verbeelding zag ik hem van de ene job naar de andere trekken om er dit soort streken uit te halen.

In New York ontmoette ik een andere communist, een aardige roodharige jonge Ier, wiens speciale truc erin bestond in de kroegen van de fabriekswijken te gaan werken en daar zijn communistische vrienden, waarvan hij er erg veel had, dure drankjes en lekkere sandwiches aan te bieden waarvoor hij hen de nodige stuivertjes en kwartjes gaf om aan de kassa te betalen. Toen hij ontmaskerd en daarop ontslagen werd, liet hij zich aanwerven in de Bronx of in Brooklyn in de nabijheid van enkele fabrieken waar vele communisten werkzaam waren.

In een drukkerij in Kansas City wierpen de zetters, in plaats van dure gegoten drukletters te sorteren, deze simpelweg in de zogenaamde ‘duivelskist’. Een vriend van me, die als drukker reeds zowat overal in dit land in grote en kleine syndicaal georganiseerde en niet georganiseerde bedrijven gewerkt had, vertelde me dat de ‘duivelskist’ nog steeds een grote populariteit geniet. Weinig drukkers zijn momenteel bekommerd om een mooi lettertype of goed vakmanschap.

In een schoenenfabriek in Milwaukee werd ik opmerkzaam gemaakt op een man die bij zijn werkmakkers bekend stond als een saboteur. Hij zag er excentriek uit, haatte de machines en kende allerlei methodes om ze te beschadigen. Op een vage manier was hij een radicaal en hij beschouwde de machines als een vloek voor de mensheid. Ik heb deze haat voor machines ook elders vastgesteld. Ze komt in de meest uiteenlopende vormen van sabotage tot uitdrukking, die niet in verband staan met de IWW of het communisme, maar louter uit een persoonlijke afkeer of uit wraakgevoelens voortspruiten. Ik heb mensen gezien die – soms in dronken, soms in nuchtere toestand – de machine vervloekt hebben en wanneer ze er één passeerden, staken ze hun vuist ernaar op en riepen ze dat ze niet zijn slaaf waren. In elke grote industriestad komen er ‘mafkezen’ voor die geloven dat de machines levende wezens zijn en dat ze hen, de arbeiders, in hun macht hebben.

Kort na de oorlog las ik ergens over een Amerikaanse soldaat die ervan overtuigd was dat machines mensen vermoorden uit wraak voor het werk dat zij hen laten verrichten. ‘Stop de machines,’ had hij geschreeuwd toen hij zwaar gewond in een ziekenhuis lag, ‘en er zullen geen oorlogen meer voorkomen. De machines maken oorlog – de machines vermoorden ons!’

Tijdens de jaren 1920 kwam het in de VS verhoudingsgewijs zelden tot grote en hevige vakbondsrevoltes, maar de strijd van de bezitlozen tegen de bezitters ging even onafgebroken en bitter voort als voordien; alleen ging het nu niet meer om een openlijke oorlogsvoering. Aan de oppervlakte bleef alles rustig, maar ondergronds waren de arbeiders met het virus van de sabotage en de staking op de werkvloer geïnfecteerd.

Als gevolg van de voortdurende aanvallen van de ondernemers op de vakbonden, de hysterie tegen de roden, zoals dat onder meer in het proces van Centralia of in de rechtszaak tegen Sacco en Vanzetti tot uitdrukking kwam, en de onbekwaamheid van de vakbondslui en van de radicalen om met de ondernemers een openlijke strijd aan te gaan, bestond er in het laatste decennium geen effectief georganiseerde radicale beweging. Er bestond echter wel een brede ongeorganiseerde radicale beweging, die miljoenen geschoolde en ongeschoolde arbeiders buiten de vakbonden en buiten de socialistische en communistische partijen omvatte. Hier was elk individu op zijn eigen middelen en capaciteiten aangewezen om zijn lot te verbeteren en wraak te nemen op een systeem dat een mens enkel dán kon gebruiken als zijn zware arbeid voor de ondernemer winst opleverde; dat hem liet verhongeren (tenzij hij smokkelaar of misdadiger werd) wanneer er zich overproductie voordeed, en dat hem definitief aan de kant schoof als hij oud werd.

Na de onderdrukking van de georganiseerde radicale beweging omstreeks het jaar 1922 kwam er wellicht even veel radicalisme bij de Amerikaanse arbeiders als voordien voor, alleen kon het nauwelijks nog een uitdrukkingsmogelijkheid in een georganiseerde openlijk politieke of economische actie vinden, zoals het twintig jaar eerder – of zelfs tijdens de jaren onmiddellijk ná de Eerste Wereldoorlog – het geval geweest was. Het arbeidersradicalisme vond nu een individuele, persoonlijke uitdrukkingsvorm, dat erin bestond zo weinig mogelijk werk te verzetten voor het loon dat men kreeg en zoveel mogelijk materiaal onbruikbaar te maken. Hun radicalisme ontbrak het vanaf nu aan elke maatschappelijke toerkomstvisie en aan elke maatschappelijke doelstelling; men ageerde meestal vanuit een persoonlijk wrokgevoel.

Deze vorm van radicalisme bleef bestaan tot in de jaren 1930. De arbeiders werden cynisch. In een fabriek waar ik eens gewerkt heb luidde het motto: ‘Naar de duivel met hen allemaal – op zes na: die hebben we nodig om onze doodskist te dragen.’ De meest intelligente arbeiders hadden het vertrouwen in de politiek verloren. Ze spotten met de Socialistische Partij, in het bijzonder degenen die de nutteloze tactieken van haar leiders van dichtbij hadden meegemaakt. Ze hadden geen vertrouwen in de vakbonden; de meesten die lid waren van een vakbond waren dit omdat ze ertoe verplicht waren; omdat de vakbond op dat ogenblik nog steeds bepaalde beroepen controleerde. Ze wisten hoe corrupt de vakbondsleiders waren. Ik heb zelfs gehoord hoe vakbondsleden tijdens meetings hun leiders ‘oplichters’ noemden, en hun organisaties als ‘gangsterbendes’ betitelden. Ze hadden als klasse het vertrouwen in een betere toekomst voor zichzelf verloren, terwijl ze tegelijkertijd het gevoel hadden vast te zitten – dat de meeste van hen ertoe gedoemd waren arbeider te blijven tot ze er te oud voor zouden zijn.

Ze waren er zich van bewust dat ze door het systeem onrechtvaardig behandeld werden; talrijke rode agitatoren hadden hun dat in het verleden verteld – en ze doen dat tegenwoordig ook nog. Ze realiseerden zich dat de meeste van hun politieke en economische klassenbewegingen in het verleden grotendeels geen effect hadden gehad. Ze wisten dat de oorzaak van de lage lonen gelegen was in een overschot aan arbeidskrachten en dat de werkloosheid, waar ze regelmatig mee geconfronteerd werden, uit de overproductie voortsproot. En zo komt het dat ze, vanuit hun standpunt gezien heel logisch, staken op de werkvloer en materiaal en tijd van de baas verspillen, waarbij ze volgens hen méér arbeidsplaatsen creëren en de winst van de ondernemers verminderen, ondernemers die hun in hun ogen te weinig betaalden.

Zoals ik reeds opgemerkt heb, gold dit min of meer voor de ganse industriële sector, zelfs daar waar de IWW, die in Amerika de staking op de werkvloer en sabotagetechnieken ontwikkeld hadden, nooit sterk gestaan hadden (tenzij in de grote fabrieken met hun systematische verhoging van het werkritme, zoals bijvoorbeeld bij de Fordfabrieken, waar elke arbeider zuiver mechanische bewegingen verricht, die door het management bepaald worden en waarvan de werkleider controleert of de arbeider het vooropgestelde resultaat behaalt). Aan het begin van de zomer van 1930 verspreidden bijvoorbeeld de georganiseerde cafetaria-eigenaars in New York City en Brooklyn het bericht dat saboteurs onder hun werknemers jaarlijks levensmiddelen ter waarde van één à twee miljoen dollar onbruikbaar gemaakt of vernietigd hadden.

Het waren schraapzucht en hebzucht van ondernemers en industriëlen die de arbeidersklasse tot sabotage gedreven hadden. Toen dit door de wobblies opgenomen werd, was dit het enige doeltreffende wapen dat de underdog overgebleven was. Totdat de wobblies de controle erover kwijtraakten en de sabotage elke sociale visie en doel verloor. De propagandisten van de sabotage hadden in de gemeenschap een kracht ontketend waar ze geen inhoud aan konden geven en waarvan de gevolgen hun intenties in grote mate overstegen.

Bij hun poging sabotage te bestrijden hadden bepaalde ondernemers spionnen ingehuurd die ze meer betaalden dan de gewone werknemer, en die als opdracht hadden stakers op de werkvloer en saboteurs te ontdekken, ten einde hen te kunnen uitschakelen en hun namen op een zwarte lijst te plaatsen. Ik meen evenwel dat dit genoemd wordt: het ene euvel met het andere bekampen – hetgeen een derde en nog groter euvel oproept. Met spionnen in de fabrieken wantrouwden de arbeiders elkaar en iedereen dacht dat zijn

makker een spion was of kon zijn. Men zette daarbij het eergevoel van de werknemers op het spel. Het kon van hen ‘schurken’ en ‘klikspanen’ maken. Ik ken een geval waarin een arbeider sabotage gepleegd had en daarvan een werkmakker de schuld in de schoenen schoof om diens job en andere voordelen te verwerven. En ik ken een geval waarin een man door zijn werkmakkers afgeranseld werd omdat ze hem voor een spion hielden. Achteraf bleek hij helemaal geen spion geweest te zijn.

Bovendien moedigen spionnen dikwijls sabotage aan. Of, wat nog eerder het geval is, detectivebureaus die zich in het bespioneren van saboteurs gespecialiseerd hebben, sluizen als arbeiders vermomde sabotage-instructeurs de fabriek binnen. Deze brengen dan de arbeiders subtiele methodes van sabotage en arbeidsweigering bij, zodat de detective, die de ondernemer voor de bewaking van de werknemers ingehuurd heeft, iets rapporteren kan. Aldus staan de ondernemers in vele gevallen volkomen machteloos tegenover sabotage en staking op de werkvloer.

Sabotage en staking op de werkvloer zijn vormen van wraak die de Amerikaanse arbeidersklasse – blindelings, onbewust en wanhopig - op de ondernemers uitoefent omwille van de genadeloze en brutale onderdrukking van hun strijd in het verleden…

[…]


Voetnoten

[1] Op 4 mei 1886 werd op Haymarket Square in Chicago een protestmeeting gehouden tegen het politiegeweld van de dag ervoor, waarbij de politie het vuur op de menigte geopend had en verschillende demonstranten gedood werden. Op het ogenblik dat de meeting afgelopen was en de massa zich begon te verspreiden, werd er vanuit een zijstraat een bom geworpen, waarop de politie in het wilde weg begon te schieten. Er vielen andermaal talrijke doden. Acht bekende anarchisten werden gearresteerd voor de bomaanval en wegens moord aangeklaagd. Zeven van hen werden ter dood veroordeeld, vier van hen werden geëxecuteerd. De overlevenden werden enkele jaren later vrijgelaten toen uit een nieuw onderzoek gebleken was dat geen enkele van de beschuldigden bij de bomaanslag betrokken geweest was. De werkelijke dader van de Haymarket-bomaanslag werd nooit gevonden. De erkenning van het onrecht dat aan de anarchisten van Chicago was aangedaan, maakte hen tot klassieke martelaren van de arbeidersbeweging. [JL]

[2] De schoenmaker Nicola Sacco en zijn vriend, de visventer Bartolomeo Vanzetti werden op 5 mei 1920 in de buurt van Boston gearresteerd en ervan beschuldigd een bloedige roofoverval te hebben gepleegd. Een jaar later achtte een jury hen schuldig en werden ze tot de elektrische stoel veroordeeld. Beiden verklaarden echter dat zij onschuldig waren en om politieke redenen te zijn veroordeeld. Ondanks een wereldwijde protestbeweging, zouden ze op 23 augustus 1927 terechtgesteld worden. [JL]

[3] In tegenstelling tot de openheid waarmee de IWW voor het gebruik van geweld in de klassenstrijd opteerden, sprak de American Federation of Labour met een dubbele tong: openlijk veroordeelde ze het geweld maar heimelijk maakte ze er op een veel vastberadener en ook op een veel beter georganiseerde manier gebruik van en ze schrok er in de periode tussen 1905 en 1910 zelfs niet voor terug haar toevlucht te nemen tot bomaanslagen. Zo ontplofte er in de nacht van 1 op 2 oktober 1910 in Los Angeles een bom in de gebouwen van de Times, waarbij er twintig doden te betreuren vielen. De penningmeester van de vakbond, John J. McNamara, en zijn broer James B. McNamara werden in verdenking gesteld. De AFL-top sprak van een ‘complot’ en organiseerde grootscheepse solidariteitsmeetings. Op het proces gaf James B. McNamara evenwel toe schuldig te zijn en de gebouwen van de Times tot ontploffing gebracht te hebben; hij betreurde het dat daarbij doden gevallen waren. Zijn broer John J. McNamara bekende de Llewellyn Iron Works in de lucht geblazen te hebben. Er ging een schok door het land. Overal in de VS sloeg de reactionaire pers in op de AFL-leiders. Met deze affaire, zo zou later blijken, verdween elke militante geest uit de American Federation of Labor. [JL]