Barrue, Jean - Anarchisme nu (1970)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Barrue,_Jean_-_Anarchisme_nu_(1970)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Barrue,_Jean_-_Anarchisme_nu_(1970)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Barrue,_Jean_-_Anarchisme_nu_(1970).epub

---

onderstaande tekst automatisch gegenereerd:

Jean Barrué
Anarchisme NU

anarchistiese uitgaven
Editions Spartacus, Parijs, 1970
Oorspronkelijke titel en uitgave:
L’Anarchisme aujourd’hui
Editions Spartacus
René Lefeuvre
5, rue Ste-Croix-de-la-Bretonne
Parijs IVe

Nederlandse uitgave (1973):
Anarchistiese Uitgaven
Postbus 1329
Amsterdam
Vertaling: Bas Moreel

TL;DR.

JEAN BARRUÉ, geboren in Bordeaux in 1902. Vanaf zijn zeventiende jaar aktief socialist, eerst in de socialistiese jeugdbeweging en in de socialistiese partij SFIO, daarna in de Communistische Partij. ‘Maar ik had gauw door dat daar mijn plaats niet was. Eerst bleef ik nog lid van de oppositie binnen de partij maar in 1925 ben ik voorgoed uit de C.P. gestapt.’ Vervolgens lid van de anarcho-sindikalistiese vleugel van een onderwijsfederatie (tot 1968 was hij in het dagelijks leven wiskundeleraar). Op het ogenblik sekretaris buitenland van de franse Fédération Anarchiste. Vertaalde verschillende duitse teksten in het frans, o.a. voor het Bakoeninarchief van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam, en schreef enkele studies over Bakoenin.
Jean Barrué is steeds anti-marxist gebleven, en aangezien de anarchisten als anti-autoritairen hun standpunten altijd al gedeeltelijk tegenover de marxisten bepalen, moest een brochure over het anarchisme van de hand van Jean Barrué wel tegelijk een uiteenzetting van de anarchistiese bezwaren tegen het marxisme zijn. In beide hoofdvleugels van de socialistiese beweging gaan steeds weer stemmen op voor samenwerking over en weer, maar het is wel goed daarbij elkaars standpunten en de wederzijdse tegenstellingen te kennen. Alleen daarom al verdient deze brochure te worden gelezen.

Inleiding

Deze brochure is geen uiteenzetting van de anarchistiese leer, om de eenvoudige reden dat het anarchisme geen starre leer is met Geloofsartikelen, Wetstafels, Profeten, ekskommunikaties, ketterjacht, terechtstellingen, enz. Dat neemt niet weg dat de anarchisten grotendeels van dezelfde grondgedachten uitgaan en het anarchisme in feite één beweging is, met het gemeenschappelijke streven naar vrijheid en solidariteit als verbindend element. Dit sluit onenigheden niet uit, vaak pijnlijk, maar zeker onder mensen die sterk principieel zijn ingesteld en veel belang hechten aan de eigen identiteit, onvermijdelijk. Bovendien wordt de wrange nasmaak van veel onenigheden minstens voor een deel weggenomen door het aan ieder toegekende recht op eigen mening en eigen persoonlijkheid.
Ik heb getracht de gemeenschappelijke anarchistiese uitgangspunten aan te wijzen die te vinden zijn in de praktiese arbeidersstrijd en in de geschriften van de anarchistiese denkers, met name Proudhon en Bakoenin. Dus geen ‘geschiedenis’ van het anarchisme, geen voorlopers, en alleen terloops iets over Stirner, Kropotkien, Malatesta en Landauer.
De brochure gaat vooral over de verhouding tussen het anarchisme en de arbeidersbeweging, niet over het maatschappelijk gedrag van de anarchisten, de anarchistiese moraal, waarover Kropotkien zoveel heeft geschreven. Deze beperking was nodig om de brochure niet te lang te maken. Ik belicht dus maar één kant van het anarchisme. In feite is het anarchisme een filosofie die niet alleen de samenleving en de ekonomie wil verklaren en veranderen maar zich met alle menselijke uitingen en gevoelens bezig houdt.
Ook zal hier buiten beschouwing blijven wat anarchisten in de Oekraïne, Kronstadt en Spanje tot stand hebben gebracht of geprobeerd hebben tot stand te brengen. Alleen wil ik opmerken dat hetgeen in de spaanse burgeroorlog door de anarcho-sindikalisten is gerealiseerd, neerkwam op federalisme en beheer van de ekonomie door de arbeiders zelf, hoofdpunten van het anarchistiese denken.
Er zal veel aandacht zijn voor de verschillen tussen anarchisme en marxisme en de zich marxisties noemende partijen. Ik meen dat met de nodige objektiviteit te hebben gedaan maar wil hier wel kwijt dat ik onmogelijk de vele anarchistiese vrienden kan vergeten die overal ter wereld door de agenten van het Internationale Kommunisme zijn vervolgd, gevangen gezet en vermoord.
Ik hoop dat mijn anarchistiese kameraden het ongeveer met de ideeën in deze brochure eens zullen zijn en niet zullen vinden dat ik het anarchisme geweld aandoe. Maar ook als blijkt dat ik alleen ‘mijn’ anarchisme heb gebracht, hoeft niemand zich zorgen te maken. Ik hoef niet bang te zijn voor ekskommunikatie, ik zal geen schuld hoeven te bekennen en ik heb aan geen enkele instantie een ‘imprimatur’ (verlof om uit te geven, vert.) hoeven te vragen.

Jean Barrué, april 1970



Voor deze nederlandse uitgave heb ik een paar kleine veranderingen aangebracht omdat er na de franse uitgave tenslotte drie jaar zijn verlopen. Ook de kameraad die de vertaling doet, heeft een paar kleinigheden toegevoegd of weggelaten die hij voor de nederlandse uitgave nuttig dan wel minder interessant vond.

Jean Barrué, juni 1973

Het onbekende anarchisme

Anarchisme, anarchie, anarchisten – wat betekenen die woorden voor de doorsnee burger, die een hekel heeft aan de belastingen maar respekt voor de politieagent, die niet graag in militaire dienst gaat maar wel naar militaire parades en taptoes kijkt en die de kamerleden een stelletje mooipraters vindt maar evengoed braaf zijn stemplicht vervult? Voor die brave burger is een anarchist een oproerkraaier, een misdadiger of een dweper die van barrikades, brandstichting en moordpartijen droomt en niet heeft begrepen dat de tijd van de revoluties voorbij is. Anderen, die van iemand niet meteen het slechtste willen denken, zien in de anarchisten verwarde utopisten en strijders voor heilige idealen, die vrijheid willen alsof er een samenleving kan bestaan zonder gezag en regering, die gelijkheid willen alsof er een samenleving denkbaar is zonder arm en rijk, die broederschap willen alsof het in de bestaande samenleving mogelijk is te leven zonder eerst aan zichzelf te denken. Luister maar niet naar die dromers, die de wetten van de natuur willen veranderen.
De trotse kenners van de kleine geschiedenis schermen ook nog graag met de anarchistiese bomaanslagen, met Ravachol en met de tragiese bandieten.
Sommigen vinden het misschien zelfs jammer dat ze er niet bij waren toen de laatsten van die tragiese bandieten in Choisy-le-Roi en in Nogent-sur-Marne in hun schuilplaatsen werden opgeblazen<ref>In de jaren 1892-1894 vond er in Frankrijk een groot aantal bomaanslagen plaats, zelfs zo dat kranten er een rubriek “La Dynamite” op na hielden. Voor een deel waren het wraaknemingen wegens veroordelingen van anarchisten. Ravachol (François Königstein), Vaillant en Emile Henry waren hier bekende namen. De bende van Bonnot, bijgenaamd de tragiese bandieten, werkte in de jaren 1911 tot 1913 en was in feite gewoon op roof uit. Voor Ravachol, Vaillant en Henry bestond in anarchistiese kringen wel een zeker begrip, voor Bonnot en zijn groep nauwelijks. Bonnot zelf was trouwens moeilijk als anarchist aan te zien. Zie Jean Maitron: Histoire du mouvement anarchiste en France (1880-1914), Parijs, 2e ed., 1955, en: Ravachol et les anarchistes, Parijs 1964 (vert.).</ref>.
Er zijn er maar weinig die de vooropgezette ideeën en de kleine geschiedenis laten voor wat ze zijn en het anarchisme bestuderen als een filosofie, een ekonomiese teorie en een maatschappijopvatting die een einde wil maken aan de idiote opbouw van de samenleving, aan de onrechtvaardige privileges en aan allerlei op niets berustend gezag. Het is waar dat het anarchisme zich in de eerste plaats heeft gedemonstreerd in allerlei onbekende strijders die het slachtoffer zijn geworden van de bourgeois- en de zogenaamde socialistiese staten. Maar als denkwijze is het anarchisme ook het werk van filosofen, denkers en anderen die de voornaamste denkbeelden hebben geformuleerd waarnaar de anarchisten zich richten en die uit de arbeidersstrijd met zijn overwinningen en nederlagen nuttige lessen hebben getrokken voor de toekomst. Het anarchisme bestuderen, dat zou in de eerste plaats zijn het lezen van Proudhon, Stirner, Bakoenin, Kropotkien, Elisée Reclus –om ons tot de voornaamsten te beperken– en van de revolutionaire sindikalisten.
Toegegeven, de anarchisten hebben niet veel gedaan om de geschriften van deze mensen te verspreiden, al komt er wat verbetering in de toestand. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam is al een aantal jaren bezig met de ‘Bakoeninarchieven’, een krietiese uitgave in het frans van de werken van Bakoenin, waarvan een aantal delen al is verschenen. Ook elders verschijnen heruitgaven van Bakoenin, evenals van o.a. Stirner en Proudhon, en het is te hopen dat de duitse anti-autoritaire socialisten Landauer, Rocker en Mühsam nu eindelijk ook onder het stof vandaan worden gehaald dat hen tot onze schande bedekt.
Terwijl het dus niet zo gemakkelijk is om het anarchistiese denken te bestuderen, is ieder minste of geringste geschrift van Marx, Engels, Lenin en Trotzky betrekkelijk ruim verspreid. Niet dat iedere aanhanger van een marxistiese partij of sekte nu ook de werken van de Profeten heeft gelezen, maar de mogelijkheid is er toch maar, Daar komt nog bij dat wát er over het anarchisme verschijnt niet altijd bedoeld is om het anarchisme in een gunstig daglicht te stellen of het anarchisme door een anarchistiese bril bekijkt. Dok de pogingen die de laatste jaren worden gedaan om anarchisme en marxisme met elkaar te verzoenen verdienen wantrouwend te worden bekeken. Trouwens, dit soort pogingen is niet helemaal nieuw. Al vóór 1914 deed Fritz Brupbacher een poging in die richting in een artikel ‘Sociaaldemokratie en anarchisme’ in het blad ‘La vie ouvrière’ (Arbeidersleven). Burgerlijke schrijvers hebben van het anarchisme naar hartelust een karikatuur gemaakt. Het is hier niet de plaats om alle onzin aan te halen die er bv. over Proudhon en Bakoenin is geschreven. En de marxisten, van Marx tot de eerste de beste drol van l’Humanité (het dagblad van de franse Communistische Partij, vert.), doen niets onder voor de pennevoerders van de bourgeoisie. Marx heeft de drie nagels aan zijn doodkist, Stirner, Proudhon en Bakoenin, naar de ‘vuilnisbak van de geschiedenis’ verwezen met de termen lompenproletariërs en kleinburgers. Sindsdien zijn alle anarchisten lompenproletariërs en kleinburgers in marxistiese ogen. Voor een wetenschappelijke verklaring van deze termen gelieve U de Volledige Werken van Marx te raadplegen! Nog meer voorbeelden? Neem de in Oost-Berlijn in de Duitse Demokratiese Republiek verschenen duitse uitgave van ‘Wat moeten we doen?’ van Lenin. Prachtig wat daarin over het leven van Proudhon en Bakoenin te lezen staat! Je kunt daar ook lezen dat ‘Bakoenin als vertegenwoordiger van het lompenproletariaat en de kleine burgerij de vernietiging van de staat eiste’! In twintig regels heet Proudhon er drie keer ‘kleinburger’ en twee keer ‘reaktionair’. Nog een voorbeeld: een zekere Helms –een simpele lekebroeder in de marxistiese Kerk– heeft voor een uitgave van ‘De enige en zijn eigendom’ van Stirner (Carl Hansen Verlag, 1968) een nawoord geschreven waarin de kwade trouw het nog wint van het onbenul. Je kunt daar lezen dat voor Stirner kapitalisme en moord een funktie hebben in de maatschappij en dat hij geen verschil maakte tussen werkende klasse en ‘lompenproletariaat, dat wil zeggen geproletariseerde kleinburgers’. Het duizelt je als je die termen met elkaar in verband gebracht ziet…
Als het gaat om de rol van de anarchisten in de russiese revolutie en in Spanje, zijn leugen en laster schering en inslag. Eén ding is altijd zeker: ‘objektief’ waren de anarchisten handlangers van de kontrarevolutie en het fascisme. Dit schaamteloze vervalsen van de geschiedenis dateert niet van het Stalintijdperk. Het russiese ‘Jaarboek van de Arbeid’ (Kommunistiese Biblioteek, Moskou, 1923) geeft al een mooi staaltje van laster over de boeren van Machno en de soldaten van Kronstadt. In een artikel ‘De oorlog met de benden’ worden Savinkov, Petljoera, Machno, de finse witte gardisten en de overwonnenen van Kronstadt op één hoop gegooid als agenten van de kontrarevolutie. Deze vuilschrijverij had de zegen van Lenin, Trotzky, Kamenev, Radek, enz., die zelf ook aan dit jaarboek hebben meegewerkt.
Maar dit is nog een bijna ‘literaire’ karikatuur van het anarchisme, getekend met de dialektiek en het jargon van de dienstdoende intellektuelen. Een trapje lager –als dat kan tenminste– vind je de officiële kommunistiese pers: daar zijn de anarchisten doodsimpel provokateurs, oude bekenden van de justitie, handlangers van de politie en uitvaagsel. In mei 1968 in Frankrijk was dit soort vriendelijkheden gewone kost. Nu moet je daar ook weer niet al te zwaar aan tillen omdat scheldwoorden tot de vaste woordenschat van de marxisten-leninisten behoren: verrader, handlanger van de C.I.A., geile slang enz. zijn daar heel gebruikelijke uitdrukkingen. Beledigen en verdacht maken van tegenstanders is in die kringen normaal en Marx was er ook niet altijd vies van.
Maar er zijn nog meer redenen waarom er zoveel misverstanden over het anarchisme zijn. De anarchisten zijn geen strak geleide en sterk gedisciplineerde partij. Ze hebben enkele gemeenschappelijke uitgangspunten maar vallen in een groot aantal richtingen uiteen. In het begin van deze eeuw was dat nog sterker dan nu. Er zijn anarchisten die op het vrijdenken de nadruk leggen, anderen op het pacifisme, weer anderen op de geweldloosheid. Vroeger had je ook nog de antimilitaristen, de illegalisten (mensen die uit principe tegen de staatswetten ingingen, vert.), de voorstanders van werkgemeenschappen en niet te vergeten de malthusianen, de vegetariërs, de anti-alkoholisten en de voorstanders van vrije liefde. Dat kan allemaal met anarchisme samengaan maar het hoeft niet. Door de overdreven nadruk die sommigen op deze dingen leggen is aan het eigenlijke anarchisme een slechte dienst bewezen en kregen buitenstaanders een heel verkeerd beeld van het anarchisme. Die min of meer bijkomstige kanten blijven hier verder buiten beschouwing.
Zou de term ‘anarchisme’ zelf misschien oorzaak zijn van misvattingen over de anarchistiese ideeën? Er zijn kameraden die dat menen en het woord anarchie afwijzen omdat de doorsnee burger daarbij denkt aan wanorde, janboel en chaos. Die kameraden hebben het liever over vrij of libertair socialisme of anti-autoritair socialisme. Proudhon bv. noemde zich anarchist maar Bakoenin gebruikte die term zelden en had het over anti-autoritair kollektivisme als tegenstelling tot het staatssocialisme of kommunisme. Volgens mij maakt het niet veel uit of je je anarchist, libertair of vrije socialist noemt. Alle drie deze termen zijn voor mensen die de betekenis ervan niet moedwillig proberen te verdraaien, volkomen duidelijk.. tenminste, zolang die termen niet betekenisloos worden gemaakt door toevoegingen die het tegenovergestelde betekenen. Met uitdrukkingen als ‘libertair marxisme’ en ‘anarcho-marxisme’ tonen de uitvinders zich liefhebbers van een triest soort paradoksen of een even triest soort begrips-verwarring.

Aktualiteit van het Anarchisme

In mei 1968 is dat verguisde en onbekende anarchisme opeens weer aktueel geworden. Bij de betogingen van jongeren, studenten en arbeiders verscheen naast de rode vlaggen ook de zwarte vlag, het herkenningsteken van de anarchisten. Dat simpele stukje zwarte stof veroorzaakte een psiechiese schok: de weldenkenden van de verschillende richtingen waren verontwaardigd, degenen die dachten dat het anarchisme voorgoed begraven was, waren stomverbaasd maar enkelen kregen belangstelling en wilden er wel eens wat meer van weten. In Frankrijk en vooral in Duitsland werden enkele geschriften van Bakoenin opnieuw uitgegeven. Er verschenen boeken en brochures die soms een goed, soms een vertekend beeld gaven van het anarchisme. Het anarchisme bleek te leven, nog niet dood te zijn, zeiden de kwaadwilligen. Veel van de ideeën die in de meidagen van 1968 werden gelanceerd, besproken en hartstochtelijk aangehangen of afgewezen, waren anarchisties. Jongeren hadden geen vertrouwen in de traditionele partijen en vooral niet in de Communistische Partij, die bij het franse algemeen vakverbond C.G.T. aan de touwtjes trok en een opportunisties dubbel spel speelde. Om zich bij de verkiezingen als fatsoenlijke partij te kunnen presenteren veroordeelde de Communistische Partij wanordelijkheden op straat, een staaltje sjacheren dat werd aangevallen onder de leuze ‘Verkiezingen zijn verraad’. In plaats van de kapitalistiese ekonomie en het autoritaire en totalitaire staatskommunisme moest er in de bedrijven volledig zelfbestuur komen door de werkende klasse. De ideeën waren wel vaak verward en slogans namen vaak de plaats in van zelf denken; ook is het zo dat er een langdurige studie van het funktioneren van de ekonomie nodig is om tot zelfbestuur te kunnen komen. Maar dat is geen reden om verwijten te maken aan al die jongeren die bezield waren van een meeslepende geestdrift en die meer anarchisties dachten dan marxisties-leninisties. Ook is het waar dat je vreemde kombinaties tegenkwam. Bij demonstraties in Duitsland werden in dezelfde optocht portretten van Lenin, Trotzky, Che Guevara, Bakoenin, Ho-Chi-Minh en Mao meegedragen. In de duidelijk linkse Duitse socialistiese studentenvereniging S.D.S. (Sozialistischer Deutscher Studentenbund) en de eveneens duitse Buitenparlementaire oppositie A.P.O. (Ausserparlementarische Opposition) trof je anarchistiese kameraden aan die zich op Mao-Tse-Toeng of het neo-marxisme inspireerden. In de franse studentenbond U.N.E.F. was het moeilijk precies uit te maken wat er ideologies voor verschil was tussen de aanhangers van de P.S.U., van Rouge, van Mao-Spontex of van sommige vagelijk anarchistiese groepen.
Deze verwarring had kunnen verdwijnen als de jongeren in 1968 en daarna een serieuze studie waren gaan maken van de arbeidersbeweging, van de ontwikkelingen in het marxisme en van de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie. De geschiedenis is helaas weinig in tel en er wordt gedaan alsof er gekozen moet worden tussen aktie en studie en deze niet samen zouden moeten gaan. Maar revolutionair bedoelde aktie blijft vruchteloze agitatie als hij niet steunt op een gedegen kennis van het verleden van de arbeidersstrijd. Wie daar niets van weet trapt in goedbedoelde avonturen die de ergste vijanden in de kaart spelen. Hoeveel jongeren zijn er niet die zelfbestuur en arbeidersraden willen, dus ekonomies federalisme, en die zich toch mooi hebben laten strikken door de trotzkysten, die volgens hun zeggen de ‘burokratie’ bestrijden. Als ze ook maar enig idee hadden gehad wie Trotzky was, een gezworen vijand van de zelfstandige arbeidersorganisaties, voorstander van een meedogenloze partijdiktatuur, de beul van de Kommune van Kronstadt, zouden ze daar nooit in gevlogen zijn.
De ervaring komt niet alleen met de jaren, voordat je je in het volle leven stort kun je al veel te weten komen door de arbeidersbeweging te bestuderen. Dat is de manier om niet de tragiese vergissing te herhalen die anarchisten in Rusland, in Spanje en op Kuba hebben gemaakt, die in goed vertrouwen samen met de kommunisten de revolutie hebben tot stand gebracht en daarna door diezelfde kommunisten buiten spel zijn gezet en vermoord.
De anarchisten hebben geen gebruik weten te maken van de gebeurtenissen van mei 1968. Ze hebben verzuimd om sistematies propaganda te maken voor hun ideeën in kringen die in het begin simpatiek tegenover het anarchisme stonden. Wie niet steeds zijn gezicht laat zien is gauw vergeten. Dat de ronselaars van het trotzkysme zo duidelijk sukses hebben gehad, is omdat zij steeds overal bij waren. Ondanks zijn ten hemel schreiende verraad heeft zelfs de CommunistischePartij gebruik kunnen maken van de nalatigheid van zijn tegenstanders en een spektakulaire aanhang kunnen verwerven onder de studenten en in onderwijskringen. De anarchistiese beweging is in grote mate verantwoordelijk voor deze onvoorziene ontwikkeling. Het kleine aantal bij de anarchisten verklaart niet alles. Anarchisten hebben er meestal een hekel aan om met demagogiese leugenverkopers in diskussie en in debat te treden en het ondankbare aanhang werven staat onder anarchisten niet zo hoog aangeschreven. Ook kwam het voor dat anarchisten nogal neerkeken op de nieuwe aanhang die zich onder de jongeren en vooral onder de studenten meldde en die entoeziasme paarde aan onwetendheid wat betreft de ‘grote beginselen van hst anarchisme’.
Om misverstanden te vermijden: anarchist zijn brengt geen verplichtingen mee wat betreft haardracht of kleding. Er bestaat geen antikonformisties uniform. De seksualiteit en de erotiek zijn belangrijk maar ze vormen niet de grondslag van het anarchisme. Individu en koppel moeten zelf uitmaken hoe ze hun eigen leven en hun verhouding tot de samenleving zullen regelen. Als we de grondbeginselen van het anarchisme willen bespreken kunnen we die zaken buiten beschouwing laten. Het wezen van het anarchisme is het streven naar een radikale verandering van de verhoudingen in de samenleving en in de wereld.

Verandering van de wereld … Door wie?

De wereld willen veranderen is iets voor naïevelingen en halve garen. Dat is de mening; op de eerste plaats van de bevoorrechten die voordeel hebben bij de bestaande inrichting van de samenleving, maar ook van mensen die zelf het slachtoffer zijn van deze inrichting van de samenleving of wel inzien dat de samenleving absurd is en onrechtvaardig maar die de moed al hebben opgegeven voordat ze ook maar enige poging hebben gedaan om er iets aan te veranderen en die alles maar gelaten en werkeloos over zich heen laten gaan of hun hoop vestigen op een hiernamaals dat alles weer goed maakt. Maar er zijn ook mensen die het niet met de bestaande samenleving eens zijn en die in opstand komen: mensen uit de kringen van de bevoorrechten zowel als uit de kringen van de slachtoffers. Zo heeft ieder tijdperk van de geschiedenis zijn utopieënmakers gekend, zijn hervormers, die probeerden te beschrijven hoe de ideale samenleving eruit zou zien. De dromen werden soms aktie, protest, steeds duidelijker omschreven eisen en tenslotte brak de Franse Revolutie uit die een einde maakte aan de laatste overblijfselen van het feodale stelsel en de politieke organisatie van de samenleving veranderde.
Maar er kwam geen ekonomiese revolutie, met het gevolg dat de tot stand gekomen veranderingen al heel gauw maar gedeeltelijke veranderingen bleken of gewoon schijnveranderingen. Al vóór 1845 streefden de zg. utopistiese socialisten –over dat ‘utopistiese’ zou nog wel wat te zeggen zijn– en figuren als Proudhon, Marx en Bakoenin naar een radikale verandering van de samenleving. Er wordt van deze mensen wel gezegd dat het alleen maar koude ontwerpers van leerstelsels waren, teoretici die alleen maar gevoel hadden voor een logika zonder menselijkheid. Maar dan heeft men geen oog voor de verontwaardiging die doorklinkt in de eerste geschriften van Proudhon, van Marx en van Bakoenin. Verontwaardiging tegenover de opeenhoping van armoe en ellende die de geboorte van het kapitalisme vergezelde: grenzeloze uitbuiting van de werkende klasse, kinderarbeid, ondervoeding, ten hemel schreiende behuizing, werkloosheid, meedogenloos optreden tegen stakers. De wereld veranderen is dus nog wel iets anders dan een abstrakte teorie toepassen, het is een einde maken aan ontoelaatbare onrechtvaardigheid en ongelijkheid, het is de bevrijding van het ekonomiese slavenbestaan van degenen die toen voor het eerst de naam kregen van Proletariërs.
De ‘Thesen over Feuerbach’, die Marx in het voorjaar van 1845 schreef, zijn te beschouwen als het begin van het marxisme, of van het zogezegde wetenschappelijke socialisme als men wil. In de laatste alinea van deze stellingen lanceerde MMarx de geruchtmakende uitspraak: Tot nu toe hebben de filosofen alleen maar geprobeerd om de wereld te verklaren. Van nu af aan gaat het erom de wereld te veranderen. Het is misschien een beetje vreemd om het marxisme ter sprake te zien gebracht in een verhaal over het anarchisme. Maar de wereld is een halve eeuw lang in rep en roer gebracht door allerlei revolutionaire bewegingen die zich –terecht of ten onrechte– marxisties noemden en van het anarchisme niets moesten hebben. Het marxisme is dus een faktor waar we rekening mee moeten houden. Daarnaast hebben de anarchisten en vooral Bakoenin de intelligentie, het doorzettingsvermogen en de werkkracht van Marx steeds hoog gewaardeerd en de betekenis van een werk als het ‘Kapitaal’ altijd erkend. Ze nemen echter niet alles aan wat Marx heeft geprofeteerd en zeggen erbij dat leerlingen van Marx gebruik hebben gemaakt van dingen die hij wel of niet heeft gezegd en van sommige onduidelijkheden in zijn geschriften om in naam van het marxisme regimes in te stellen die een karikatuur zijn van het socialisme. Dat neemt niet weg dat het marxisme en het anarchisme dingen met elkaar gemeen hebben doordat ze allebei een andere samenleving willen.
Een belangrijk onderdeel van het marxisme is het histories of beter gezegd het dialekties materialisme. Dit is geen filosofie van de geschiedenis maar een teorie die de verschillende faktoren die de loop van de geschiedenis beinvloeden, ondergeschikt maakt aan één hoofdfaktor. Het dialekties materialisme stelt dat de produktieverhoudingen, dat wil zeggen de ekonomiese omstandigheden, de onderbouw van de geschiedenis vormen en de oorzaak zijn van de verdeling van de samenleving in klassen, van het bestaan van de staat, van de rechtssistemen, van de morele opvattingen, van de gewoonten, in één woord van alle ideologieën en van alle vormen van kunsten, wetenschappen en godsdienst. Dat zijn gewoon uitdrukkingsvormen van die ideologieën. De geschiedenis (in ieder geval de moderne geschiedenis, zal Engels in 1886 zeggen) is een geschiedenis van klassenstrijd. De geschiedenis is gericht op de ekonomiese bevrijding en op het ontstaan van een klassenloze maatschappij: ‘de uitgebuite en onderdrukte klasse kan zich niet meer van de uitbuitende en onderdrukkende klasse bevrijden zonder tegelijk en voor altijd de hele samenleving te bevrijden van de uitbuiting, de onderdrukking en de klassenstrijd’. (Engels, Voorwoord uit 1883 bij het ‘Kommunisties Manifest’.)
Voor wie het voorafgaande beschouwt als een abstrakte, altijd geldige wet, een soort wet uit de natuurkunde, wordt de geschiedenis een puur ekonomiese geschiedenis. Leerlingen van Marx die hem niet begrepen hebben maken zich belachelijk door achter ieder minste of geringste historiese feitje een ekonomiese oorzaak te zoeken. Maar je kunt Marx natuurlijk niet verantwoordelijk stellen voor wat zijn gedegenereerde erfgenamen uitkramen…
De anarchisten aksepteren in het algemeen deze marxistiese verklaring van de geschiedenis wel, al zullen ze erop wijzen dat Proudhon prakties dezelfde meningen verkondigde. In 1871 schreef Bakoenin in ‘God en de staat’: ‘..Het is waar dat de ideeën voortvloeien uit de feiten; zoals Proudhon gezegd heeft: het ideaal is een bloem waarvan de materiele levensomstandigheden de wortel zijn. De ideeën- en de zedengeschiedenis, de politieke en de sociale geschiedenis van de mensheid zijn een afspiegeling van zijn ekonomiese geschiedenis.’
Zoals Marx, Proudhon en Bakoenin ze hebben opgesteld zijn deze formuleringen echter wel erg absoluut en het is beslist nodig om hier en daar de woorden ‘ongeveer’ of ‘grotendeels’ tussen te voegen als men de werkelijkheid niet teveel geweld aan wil doen. Behalve ekonomiese faktoren hebben namelijk ook het ras, het temperament, de persoonlijkheid en de invloed van allerlei belangrijke persoonlijkheden in de geschiedenis een rol gespeeld. Ze hebben de geschiedenis niet gemaakt maar ze hebben er wel aan meegewerkt<ref>Zie Labriola: Essais sur la conception matérialiste de l’Histoire, (Opstellen over de materialistiese geschiedenis-opvatting) Parijs, 1897. Uit het italiaans.</ref>.
Tenslotte mag niet vergeten worden dat voor de anarchisten (net als voor Marx trouwens) histories materialisme niet hetzelfde is als historiese noodzaak. De ekonomiese bevrijding van het proletariaat is niet natuurnoodzakelijk en is niet een on-ontkoombare ontwikkeling. Was dat wel het geval dan konden we ons tevreden stellen met ons in te spannen voor wat oppervlakkige verbeteringen omdat de fundamentele veranderingen toch vanzelf zouden komen. De anarchisten geloven ook niet in de beroemde ‘lijn van de geschiedenis’, die roomtaart van de pseudo-marxisten van de officiële kommunistiese partijen die niets anders is dan een vorm van historiese noodzaak.

Zoals bekend is Marx tot 1844 een geestdriftige bewonderaar van Proudhon geweest. In 1846 ontstond er een breuk en van toen af was Marx bezeten van een onverzoenlijke haat tegen Proudhon en de proudhonisten. Marx en Proudhon streefden dezelfde doelen na maar ‘in 1846 raakte Marx geirriteerd door het feit dat Proudhon tot andere toekomstverwachtingen kwam dan hij. Marx was ekstra krities doordat het een onderwerp was waarvoor hij materiaal was begonnen te verzamelen’ (Pierre Ansart: Sociologie de Proudhon, Parijs, 1957). Laten we eens zien tot welke konklusies ze komen. In zijn boek heeft Pierre Ansart ze naast elkaar gezet en ik zal de voornaamste eruit overnemen. De sociale tegenstellingen zijn een gevolg van het eigendoms-stelsel of van het burgerlijke kapitalisme; door zich de werktuigen toe te eigenen veroordeelt het kapitalisme het proletariaat tot loondienst: de marxistiese teorie over de meerwaarde is gewoon een nadere uitwerking van de analyse van Proudhon van de kapitalistiese diefstal; waarde ontstaat slechts door arbeid en winst is dus een deel van het werk; aan de uitbuiting kan alleen een einde komen door de vernietiging van het kapitalistiese produktiestelsel; Proudhon zowel als Marx stellen dat de kapitalistiese winst voortvloeit uit het niet belonen van een gedeelte van het werk; beiden zien in de kapitalistiese staat de verdediger van de ekonomiese belangen van de bourgeoisie en de fabrikanten; beiden zien ze tenslotte het kapitalistiese stelsel als oorzaak van een breuk in de maatschappij en dus als een negatieve ontwikkelingsfaktor die op de duur geen stand kan houden. Marx en Proudhon verschiiden door hun maatschappelijke afkomst, door hun karakter en door hun intellektuele vorming: Marx was een akademikus grootgebracht in de denkwijze van Hegel, Proudhon was een autodidakt die zich verzette tegen de ‘ideeënverering’ van de hegelianen. Door deze verschillen worden de overeenkomsten alleen maar opvallender. Wie een onpartijdige studie wil maken van het anarchisme mag er dan ook niet aan voorbijgaan.
Proudhon zowel als Marx zien de verandering van de samenleving als een gevolg van de tegenstelling tussen de burgerlijke of kapitalistiese klasse en de werkende klasse of het proletariaat. Noch Proudhon noch Marx geven een voldoende nauwkeurige omschrijving van deze klassen om precies te kunnen zeggen wat ermee bedoeld wordt. Het zijn op de eerste plaats ekonomiese klassen, wat niet wil zeggen dat ze op politiek en ideologies gebied geen rol spelen. De kapitalistiese klasse heeft de produktiemiddelen in handen, de arbeidende klasse heeft ze niet. Marx omschrijft de proletariërs als de ‘moderne arbeiders’. In het Kommunisties Manifest schrijft hij: ‘Met de bourgeoisie, dat wil zeggen met het kapitaal, groeit ook het proletariaat, dat wil zeggen de klasse van de moderne arbeiders die alleen over bestaansmiddelen beschikken voorzover ze werk vinden en die alleen werk vinden voorzover hun werk het kapitaal doet toenemen’. Het proletariaat is de motor van de verandering van de samenleving. Het marxistiese schema is voldoende bekend: door de kapitalistiese koncentratie neemt het aantal kapitalisten af terwijl het aantal proletariërs toeneemt. Deze proletariërs komen uit alle lagen van de bevolking. De verbetering van de machines leidt tot toenemende verpaupering van de proletariërs: de bourgeoisie produceert zijn eigen doodgravers. Zowel de ineenstorting van de bourgeoisie als de overwinning van het proletariaat zijn onvermijdelijk. Ik zal me hier niet verdiepen in de fouten en overdrijvingen in dit beroemde schema zoals deze zichtbaar worden in het licht van de geschiedenis van het kapitalisme en het proletariaat in de hooggeïndustrialiseerde landen. Onthouden we alleen dat voor Marx de verandering in de samenleving van het proletariaat moet komen: de boerenstand is van nature reaktionair en voor Marx behoren de boeren tot de van nature konservatieve middenstand die ‘probeert het rad van de geschiedenis terug te draaien’ en die alleen maar revolutionair wordt ‘voorzover hij inziet dat hij gedoemd is ook eens tot het proletariaat te gaan behoren’.
Zijn de anarchisten het met de klassenindeling van Marx eens? In de marxistiese literatuur is Proudhon steevast een ‘kleinburger’, een verlate verdediger van de boeren en de middenstand. Het is nodig hier op een paar feiten te wijzen… al verwacht ik niet hierdoor de harde koppen te overtuigen. Het oordeel van Proudhon over de boeren loog er niet om: het was een klasse van egoistiese, schijnheilige en hebzuchtige lieden die voor geld tot alles bereid waren. Maar tegenover het kapitalisme hadden de boeren en de arbeiders dezelfde belangen. De arbeiders moesten de boeren op sleeptouw nemen en hen laten zien dat de grond ook een produktiemiddel is en dat ze daarom moesten vechten voor het bezit van de grond. Proudhon liet zien hoezeer de kleine eigendom de mentaliteit van de boeren beïnvloedde. De werkende klasse –het proletariaat– moest samen optrekken met de boeren, een verandering van de samenleving zonder of tegen de boeren was ondenkbaar. We hoeven hier maar te denken aan het tragiese voorbeeld van de bolsjewistiese revolutie en aan de duizenden vermoorde, gedeporteerde of tot een nieuwe vorm van horigheid gebrachte russiese boeren, allemaal in naam van het socialisme en van de diktatuur van het proletariaat.
De middenstand was voor Proudhon de werkende kleine burgerij die dichter stond bij het proletariaat dan bij het kapitalisme. Wel werkte de middenstand voor zichzelf en was ze niet in loondienst maar tot op zekere hoogte werd ze ook door het kapitalisme en de bourgeois uitgebuit. In een revolutionaire situatie was de middenstand er wel degelijk toe te brengen om samen te werken met de arbeiders en er was geen reden om maar bij voorbaat aan te nemen dat ze uitsluitend om minder frisse redenen met de arbeiders zou meedoen.
Het belang dat Bakoenin aan de boerenstand hechtte is bekend. Hij vond de russiese boeren minstens even revolutionair als het russiese proletariaat. Een groot deel van zijn aktiviteiten was gewijd aan de ekonomiese organisatie van de arbeiders, maar dat neemt niet weg dat hij in het abstrakte proletariaat twee elementen onderscheidde: ‘… het gedeelte van de arbeidersklasse dat door zijn hoge lonen in zekere zin al bevoorrecht is… en zo doordrongen van de burgerlijke ideeën, wensen en eigendunk dat het alleen van de bourgeoisie verschilt door zijn afhankelijkheid en zeker niet door zijn mentaliteit…, en het lompenproletariaat waarover Marx en Engels ten onrechte met zoveel minachting spreken, want de geest en de daadkracht van de toekomstige sociale revolutie is helemaal en alleen daar te vinden en niet in het verburgerlijkte deel van de arbeidersklasse.’ (Het anarchisme en de staatsidee). Ik moet hier nog iets aan toevoegen. Bakoenin kende een grote revolutionaire betekenis toe aan bandieten en vagebonden van het type Poegatsjev en Stenka Razin. Het is nu niet moeilijk meer om de konklusie te trekken dat de aanhang van Bakoenin en de anarchisten uit landlopers en misdadigers bestaat… Maar een goede eeuw geleden leefden er in Rusland horigen die het land van hun heer hadden verlaten, vogelvrij verklaarden, mensen die leefden in erbarmelijke omstandigheden, die door de politie werden gezocht en die in een voortdurend konflikt met de maatschappij leefden. Die tijden zijn voorbij en Robin Hood, de vogelvrije bandiet, behoort tot het verleden.
Ook een bepaald gedselte van de jeugd kan volgens Bakoenin een belangrijke rol spelen, de burgerlijke studenten namelijk die de leugen, de schijnheiligheid, de onrechtvaardigheid en de lafheid van de bourgeoisie zo haten… dat ze zich volledig in dienst stellen van de rechtvaardige en menslievende zaak van het proletariaat; deze medestanders in de strijd voor de verandering van de samenleving zijn broederlijke helpers van het volk, zij maken dat er geen regering van geleerden komt (God en de Staat). Dit voor de ‘intellektuelen’ die altijd klaar staan om als staf of leiding op te treden, en vergeten we niet dat Bakoenin zich nooit anders heeft beschouwd dan als een simpele propagandist van de anarchistiese ideeën.
De motor van de sociale verandering is dus niet meer een abstrakt, streng omschreven proletariaat dat helemaal door zijn ekonomiese funktie wordt bepaald. Er verschijnt een ander kriterium naast het niet bezitten van de produktiemiddelen: het inkomenspeil van het individu en van de familie. De werkelijke scheidingslijn wordt de verdeling tussen rijijk en arm, tussen degenen die teveel en degenen die niet genoeg hebben. Het bewuste en minst bedeelde gedeelte van de arbeidersklasse blijijft het beslissende element dat andere personen en maatschappelijke groepen moet meeslepen. Maar de werkelijke strijders voor de verandering van de samenleving zijn toch wat Bakoenin en Proudhon ‘het volk’ noemen: de armen, die zonder meer de overgrote meerderheid vormen (Bakoenin). Proudhon omschrijft het begrip proletariaat als de loontrekkenden, de grootste en armste klasse, waarvan de armoede evenredig aan de grootte.
De werkende klasse wordt dus gezien als de beslissende faktor in het veranderingsproces van de samenleving, maar is hij ook in staat die rol te spelen?

De politieke kwaliteiten en de zelfstandigheid van de werkende klasse

De vraag waarmee het vorige hoofdstuk eindigde kan op verschillende manieren worden beantwoord. Ik zal eerst het anarchistiese standpunt uiteenzetten en daarna het marxisties-leninistiese. Daardoor zal blijken dat de twee standpunten lijnrecht tegenover elkaar staan.
Het boek ‘Over de politieke kwaliteiten van de werkende klasse’ is het testament van Proudhon als denker en als praktiese anarchist. De uitdrukking ‘politieke kwaliteiten’ wordt daarin als volgt omschreven: de vraag of de werkende klasse tot politieke daden in staat is komt neer op de vraag

    1. of de werkende klasse zich in zijn betrekkingen met de samenleving en met de staat als een speciale groep ziet; of hij zich als kollektieve, denkende en zelfstandige eenheid onderscheidt van de bourgeoisie;. of de werkende klasse zijn belangen als onderscheiden ziet van de belangen van de bourgeoisie en of hij weigert om langer te doen alsof de twee klassen gemeenschappelijke belangen hebben;
    1. of de werkende klasse een eigen wereldbeschouwing heeft, een duidelijk beeld heeft van wat het zeggen wil arbeider te zijn, of hij de wetten, de omstandigheden en de regels kent die zijn bestaan bepalen; of hij ziet wat voor mogelijkheden de werkende klasse heeft en welke rol hij kan gaan spelen…
    1. of de werkende klasse in staat is om uit die grondgedachten eigen praktiese konklusies te trekken voor de organisatie van de samenleving…’

Wat het eerste punt betreft zegt Proudhon: ‘Ja, sinds 1848 is de werkende klasse zich van zijn identiteit bewust geworden.’ Ook wat het tweede punt betreft antwoordt Proudhon: ‘Ja, de werkende klasse heeft een eigen wereldbeeld dat aansluit bij het beeld dat hij van zichzelf heeft en volledig in tegenspraak is met de burgerlijke wereldbeschouwing.’ Uat het derde punt betreft zegt Proudhon in 1865: nee, de werkende klasse is er niet in geslaagd uit de beginselen die zijn nieuwe geloof vormen ‘een algemene praktijk af te leiden die daarmee in overeenstemming is’.
Proudhon erkent dat de sociale kwestie niet het eerst door de arbeiders is gesteld. Maar dat wil niet zeggen dat zij zonder meer de stellingen van de verschillende socialistiese scholen overnemen. Zij nemen alleen de gedachten en beginselen over waarmee hun belangen in de maatschappelijke strijd gediend zijn. Voor een bevoorrechte partij die uitmaakt dat hij de almachtige en onbetwiste gids is en hoeder van de absolute waarheid is dus geen plaats. De arbeiders hebben geen vertrouwen in geleerde ekonomen en teoretici die de arbeiders-beweging volgens hun ideeën willen leiden. ‘De revolutionaire socialisten vinden dat er meer praktiese zin en inzicht is te vinden in de instinktieve verlangens en de werkelijke behoeften van de volksmassaas dan in de diepgravende gedachtenwereld van gepatenteerde geleerden en van mensen die zichzelf tot voogden van de mensheid aanstellen.’ (Bakoenin). De werkende klasse zal de verschillende teorieën bestuderen en zal in staat zijn om zelf algemene beginselen voor zijn handelen te vinden. De werkende klasse zal niet met een straf leerstelsel aankomen waar iedereen zich maar aan te houden heeft maar zal door de bijdragen van iedereen en door de lessen van de dagelijkse strijd tot een aantal stelregels en tot een filosofie komen die beantwoorden aan het leven in al zijn aspekten.
Het revolutionaire sindikalisme en het anarcho-sindikalisme zijn uit de arbeidersklasse zelf voortgekomen. Het meest bewuste deel van het proletariaat trachtte tot een beweging en een organisatie te komen die de direkte materiële belangen van de arbeiders zouden kunnen behartigen en in staat zouden zijn om te strijden voor het verdwijnen van het loonstelsel en voor de vestiging van een samenleving zonder klassen en zonder staat. Deze strijd op twee fronten moest door de arbeiders zelf kunnen worden gestreden, onafhankelijk van politieke partijen, buiten het kader van de staat, en zonder tussenkomst van parlementaire sjacheraars. Het revolutionaire sindikalisme bevat elementen die ontleend zijn aan het marxisme en nog veel meer die afkomstig zijn uit het proudhonisme en het bakoenisme. Dat was voor de ortodokse marxisten reden om te spreken van begripsverwarring, van hinken op twee gedachten, en om de direkte aktie te bestempelen als een terugkeer tot de primitieve instinkten van een onderontwikkeld proletariaat. De autoritaire socialisten met hun idee fixe van een leidende partij zagen niet in dat het revolutionaire sindikalisme een schoolvoorbeeld was van een klassenstrijd, waarin de werkende klasse en de kapitalistiese klasse recht tegenover elkaar staan in een gevecht dat zowel vreedzaam onderhandelen omvat als revolutionair geweld.
Marx en Engels hadden heel goed ingezien dat het wetenschappelijk socialisme groot gevaar liep als de werkende klasse elders bepaalde ideeën zou gaan overnemen en daardoor een eigen strijdwijze zou gaan ontwikkelen. Door hun kritiek op bepaalde kombinaties van denkbeelden hebben zij, al of niet met opzet, belachelijke fouten gemaakt. Op 20 juni 1856 schreef Marx aan Engels dat de parijse arbeiders met hun nadruk op federalisme en kommunalisme (de gemeente (kommune) is het voornaamste element in de organisatie van de samenleving, vert.) zich lieten leiden door een proudhons stirnerisme. Dit is er volkomen naast want Stirner was op dat ogenblik in franse (en andere europese) arbeiderskringen totaal onbekend. In 1886 geeft Engels de volgende vreemdsoortige definitie van het anarchisme: ‘Stirner bleef een bezienswaardigheid, ook nadat Bakoenin hem had vermengd met Proudhon en dit mengsel de naam had gegeven van anarchisme’ (‘Ludwig Feuerbach en het einde van de duitse klassieke filosofie’).

Het politieke bewustzijn van de werkende klasse wordt vaak in verband gebracht met zijn spontaanheid, die, gunstig of ongunstig bedoeld, als iets typies anarchisties wordt beschouwd. Bakoenin had het vaak over het spontane optreden van de massaas. Twee uitspraken van hem zijn beroemd: ‘Het leven ontstaat uit het leven, niet uit de wetenschap; de vrijheid kan alleen voortkomen uit de spontane aktie van het volk’ en: ‘De autoritaire kommunisten menen dat een maatschappelijke revolutie kan worden gedekreteerd en georganiseerd door een diktatuur of door een wetgevende vergadering die na een politieke revolutie gaat optreden. Ik zie dat nog niet gebeuren. Onze socialistiese vrienden in Parijs geloven in ieder geval dat een maatschappelijke revolutie alleen maar op gang kan worden gebracht en tot een goed einde kan komen door het eigen doorzetten van de massaas en van de groepen en klubs uit het volk’.
Proudhon meent dat de werkende klasse zichzelf kan en moet bevrijden, Maar het volk kan fouten maken of opvattingen of akties steunen die zijn werkelijke belangen schaden. Het volk kan zich vergissen of om de tuin geleid worden. Wil het volk weten wat het doet en zich inderdaad zelf bevrijden dan moet het een eigen ekonomiese organisatie vormen die zijn eigen gang gaat en niet naar de pijpen van een politieke partij danst. Kollektief spontaan handelen van het volk gebeurt volgens Proudhon vooral in een krisis of in een revolutionaire situatie, maar het volk moet ontdekt hebben welke rol het werkelijk te spelen heeft, het moet een eigen wereldbeschouwing ontwikkelen en daar de goede praktiese konklusies uit trekken.
Wat wordt er nu met ‘spontaan’ bedoeld? Er is sprake van spontaan handelen als de handelende persoon zelf beslist en zich niet de wet laat voorschrijven door machten buiten hem. In een ernstige krisissituatie kan het spontane handelen van het volk een eensgezind optreden zijn, gedreven door een allesoverheersend idee dat alle verspreide energie bundelt. In een bepaalde situatie kan het ook een aktie zijn waartoe de eigen organen van de werkende klasse hebben besloten en waar de overgrote meerderheid het mee eens is. Om zo duidelijk mogelijk te zijn zullen we ook aangeven wat spontaan handelen niet is: dat is een optreden waartoe is besloten door een deel van de werkende klasse of door een partij die geen deel uitmaakt van deze klasse ook al beweert hij dan dat hij spreekt in naam van de werkende klasse. Als het proletariaat zo dom is om achter zulke slechte herders aan te lopen, zullen deze herders daarvan gebruik maken om het te sturen, te leiden, te begeleiden, te dirigeren, kortom de belangen laten dienen van de leidende groep. Een ergere vervreemding en een ergere ramp is voor de werkende klasse niet denkbaar. Het zelf beslissen en zelf doen verzekert de toekomst van het proletariaat en maakt dat de bevrijding van de arbeiders het werk van de arbeiders zelf zal zijn.

Tot zover de anarchistiese opvatting over het politieke bewustzijn en de zelfstandigheid van de werkende klasse. Laten we nu eens zien hoe Marx daarover denkt. De overwinning van het steeds talrijker wordende proletariaat op de bourgeoisie is onvermijdelijk. Het lijkt er dus op dat Marx het proletariaat zonder meer een politiek bewustzijn toekent. Maar aan die konklusie weet Marx zich handig te onttrekken. In het schema van Marx telt niet zozeer de klasse als zodanig maar het bewustzijn dat die klasse van zichzelf heeft. Het proletariaat, dat wil zeggen de gezamelijke moderne arbeiders, is zich wel bewust dat hij een aparte klasse vormt maar dit bewustzijn is vaag en het bevat allerlei vreemde elementen. Slechts een heel bepaald gedeelte van het proletariaat komt tot een helder en revolutionair bewustzijn en tot een duidelijk beeld van de toekomst die voor het proletariaat is weggelegd, van zijn taak en het einddoel. Dit gedeelte van het proletariaat wordt gevormd door de kommunisten, dat wil zeggen degenen die aannemen wat Marx hun leert. In het ‘Kommunisties manifest’ zegt Marx wel dat ‘de kommunisten niet een afzonderlijke partij vormen die tegenover de andere arbeiderspartijen staat’, dat ze geen beginselen hebben ‘waarnaar ze de arbeidersbeweging zouden willen modelleren’ maar hij voegt daar wel aan toe dat ‘de kommunisten de belangen van de hele beweging vertegenwoordigen’. Marx besluit: ‘In de praktijk zijn de kommunisten dus het meest vastbesloten deel van de arbeiderspartijen van alle landen en zij geven deze partijen voortdurend nieuwwe impulsen. In teoreties opzicht hebben zij tegenover de massa van de proletariërs het voordeel dat zij inzicht hebben in de omstandigheden waaronder de proletariese beweging werkt, in het verloop van de beweging en in de globale resultaten’.
De kommunisten vormen dus een bij voorbaat bevoorrecht gedeelte van het proletariaat en de proletariese massa is hun mindere: het proletariaat vormt het voetvolk en de kommunisten de generale staf. In kiem is hier al de leidende rol van de kommunistiese partij aanwezig, de alles overziende en onfeilbare gids, dank zij de marxistiese leer de enige drijvende kracht achter de verandering van de samenleving en de enige die ervan profiteert. Het politieke bewustzijn van het proletariaat berust bij de partij, die tussen haakjes slechts ten dele uit proletariërs bestaat. Marx is deze partijopvatting altijd trouw gebleven, ondanks zijn eerbetoon aan de Kommune van Parijs, dat overigens vooraf was gegaan door talrijke aanvallen op het proudhonisme en bakoenisme van de parijse arbeiders, waar hij nooit een goed woord voor over had en die hij vaak belachelijk probeerde te maken.
Mijn kritiek lijijkt misschien ten onrechte. Inderdaad gaat het om een teoretiese stellingname die tijdens het leven van Marx geen praktiese gevolgen kon hebben omdat geen enkele kommunistiese partij sterk genoeg was om grote invloed op het proletariaat uit te oefenen. De kritiek gaat dan ook op de eerste plaats de tegenwoordige marxistiese partijen aan. Ook is het waar dat Marx bij andere gelegenheden grote nadruk heeft gelegd op het belang van ekonomiese en vakorganisatie en op het feit dat de sociale strijd de voorrang moet hebben boven de politieke strijd. In een beroemd geworden verklaring tegenover een groep duitse sindikalisten zei Marx in 1869: ‘…de vakorganisaties hebben een blijvende invloed op de massa; alleen de vakorganisaties zijn in staat een echte arbeiderspartij te zijn en een dam op te werpen tegen de macht van het kapitaal’. Deze tekst dateert van eenentwintig jaar na het Kommunisties Manifest en laat zien hoe Marx zich onder invloed van de veranderende omstandigheden en van de Internationale heeft ontwikkeld. Jammer genceg hebben de marxisten zoals we zullen zien alles uit het marxisme verwijderd dat een erkenning zou kunnen inhouden van de politieke kwaliteiten van de werkende klasse.

We zien op het ogenblik jongeren die van de beste bedoelingen bezield zijn maar ook erg naïef.
Ze noemen zich marxisten-leninisten en dromen van de gouden tijijd van de bolsjewistiese revolutie, toen de sovjets en de arbeidersraden onder het toeziende oog van Lenin en Trotzky hun glorietijd beleefden en de werkende klasse in zelfstandig handelen zijn scheppingskracht volledig kon ontplooien…
Hoe stond Lenin tegenover deze kwestie? Lenin heeft over de politieke kwaliteiten en de zelfstandigheid van de werkende klasse niet één maar meerdere standpunten ingenomen, hetzij uit opportunisme hetzij uit dubbelhartigheid.
In zijn brochure ‘Wat moeten we doen?’ uit 1902 wees Lenin met beslistheid ieder geloof in politieke kwaliteiten en in zelfstandigheid van het proletariaat af. Hij wilde geen demokraties georganiseerde partij maar een groep beroepsrevolutionairen met een partij die daaraan ondergeschikt zou zijn. Ik zal hier een paar gedeelten uit ‘Wat moeten we doen?’ aanhalen maar ik raad aan de hele brochure te lezen<ref>Que faire? (Wat moeten we doen?) Parijs, Editions du Seuil, 1966. De citaten van Lenin en Rosa Luxemburg zijn vertaald uit deze uitgave.</ref>.
‘De arbeiders waren nog niet tot een sociaal-demokraties –dat wil zeggen een revolutionair (J.B.)– bewustzijn in staat. Dat moest van buiten komen. De geschiedenis van alle landen bewijst dat de werkende klasse op eigen kracht niet verder kan komen dan de behartiging van zijn eigen groepsbelang, dat wil zeggen tot het besef dat hij vakbonden moet vormen, strijd moet leveren met de werkgevers, van de regering bepaalde wetten moet eisen die in het belang zijn van de arbeiders. De socialistiese leer is ontstaan uit de filosofiese, historiese, en ekonomiese teorieën van ontwikkelde vertegenwoordigers van de bezittende klassen, van intellektuelen. De grondleggers van het tegenwoordige wetenschappelijke socialisme, Marx en Engels, waren door hun sociale positie burgerlijke intellektuelen. Ook in Rusland zien we de sociaal-demokratiese leer volkomen onafhankelijk van de spontane groei van de arbeidersbeweging ontstaan als een natuurlijk en onvermijdelijk produkt van het denken van de revolutionaire socialistiese intellektuelen.’
‘… Overdreven belangstelling voor het spontane denken en handelen van de arbeidersbeweging en onderschatting van de rol van de bewuste elementen, dat wil zeggen van de sociaal-demokratie, versterkt overal en altijd –of men wil of niet– de invloed van de burgerlijke ideologie op de arbeiders. Als mensen vinden dat de betekenis van de ideologie wordt overschat en de rol van de bewuste elementen wordt overdreven, komt dat doordat ze menen dat een zuivere arbeidersbeweging zelf in staat is om een eigen ideologie te ontwikkelen zodra de arbeiders hun lot in eigen hand nemen en zich vrij maken van hun leiders. Dat is een volkomen misvatting’.
‘…Het politieke klassebewustzijn van de arbeider kan alleen maar van buiten komen, dat wil zeggen van buiten de ekonomiese strijd en van buiten de sfeer van de betrekkingen tussen arbeiders en bazen’.
Voor zijn standpunt zoekt Lenin steun bij Kautsky, van wie bij de ‘juiste en veelbetekenende’ woorden aanhaalt: ‘…Het socialistiese bewustzijn zou vanzelf ontstaan in de proletariese klassenstrijd: dat is niet zo… Het moderne socialistiese bewustzijn kan alleen maar ontstaan door grondige wetenschappelijke kennis… Welnu, de drager van de wetenschap is niet het proletariaat maar de burgerlijke intellektueel; het tegenwoordige socialisme is ontstaan in het brein van enkele van dit soort mensen… Het socialistiese bewustzijn is dus een element dat van buiten af op de proletariese klassenstrijd is geënt en niet iets dat er vanzelf uit is ontstaan’.
Gezien het ontbreken van zelfbewustzijn bij de werkende klasse en de magere uitkomsten van zijn spontane handelen is er een generale staf van beroeps-revolutionairen nodig die zich het recht aanmatigen een diktatoriaal bewind uit te oefenen over de rest van de partij en natuurlijk over heel het onwetende proletariaat. In deze gedachten zijn invloeden terug te vinden van Tsjernisjefski, Tkatsjef (ook schrijver van een ‘Wat moeten we doen?’), van de Katechismus van de Revolutionair van Netsjajef, beroemd om zijn cynisme, zijn afwijzing van iedere zedelijke norm en zijn stelselmatige macchiavellisme. Van na de bolsjewistiese revolutie tot 1926 werd Netsjajef officieel beschouwd als een voorloper van het bolsjewisme. Geschiedkundigen zoals Pokrofski en Gambarof, die de zegen genoten van de partij, stelden het programma van Netsjajef voor als een begin en de russiese bolsjewistiese beweging als een voltooiïng.
‘Wat moeten we doen?’ verwekte hevige protesten in de russiese sociaal-demokratiese arbeiderspartij als zijnde een verdraaiing van het marxisme. Axelrod, Plechanof en Trotzky wezen op het gevaar dat een klein groepje de plaats zou gaan innemen van de partij en van de werkende klasse en daar een diktatuur over zou gaan uitoefenen. Ik laat hier enkele gedeelten volgen uit een artikel van Rosa Luxemburg dat in 1904 verscheen in de ‘Neue Zeit’ en in de ‘Iskra’:
‘… Het sociaal-demokraties centralisme mag dus niet gebaseerd zijn op blinde gehoorzaamheid of automatiese onderwerping van de leden aan het Centrum van de Partij.’
‘… Als Lenin zegt dat het tegenwoordig ’niet meer het proletariaat aan zelfopvoeding ontbreekt maar sommige intellektuelen in onze partij die geen gevoel voor organisatie en discipline hebben’ en als Lenin de opvoedende werking van de fabriek prijst, omdat het proletariaat daar ‘discipline en organisatie’ leert, dan bewijst hij daarmee opnieuw dat hij een veel te mechaniese opvatting heeft over socialistiese organisatie. Niet alleen de fabriek, maar ook de kazerne en de tegenwoordige burokratie, kortom heel het mechanisme van de gecentraliseerde burgerlijke staat leert aan het proletariaat de discipline waar Lenin het over heeft.’
Voor Rosa Luxemburg is het ‘ultra-centralisme’ van Lenin even onvruchtbaar als het denken van een nachtwaker’. Zij meent dat ‘het streven om een alwetend en almachtig centraal komitee als voogd aan te stellen is ingegeven door angst’.
In 1905 veroordeelde Lenin eerst de sovjets als spontane scheppingen en de revolutionaire gemeenschappen als gevaarlijke utopieën. In ‘Twee taktieken’ schreef hij: ‘In één woord, of het nu om de Kommune van Parijs gaat of om een andere kommune, uw konklusie moet zijn: zo’n regering willen wij niet’<ref>In de nummers 4 en 5 (jaargang 1963) van het blad Le Contrat Social geeft K. Papaioannou in zijn artikel ‘Classe et Parti’ (Klasse en Partij) een interessant beeld van de ideeën-ontwikkeling van Lenin.</ref>. Onder de druk van de arbeiders verzoende Lenin zich eind 1905 echter met het idee van een sovjet: partij en sovjet, zei hij toen, zijn allebei even noodzakelijk, maar als de aktiviteiten van de sociaal-demokraten binnen de sovjets groot genoeg worden opgezet, worden de sovjets overbodig. Een pracht staaltje van sabotage door celvorming!
Na de staatsgreep die meestal wordt aangeduid met de term Oktoberrevolutie, veranderde Lenin van toon en prees hij de spontane kreativiteit van de massaas. Het boek ‘Staat en revolutie’ is een lofzang op de politieke kwaliteiten en de zelfstandigheid van het proletariaat. De Kommune van Parijs wordt een onvergankelijk voorbeeld dat navolging verdient. Lenin wijst op ‘de overeenkomst tussen het marxisme en het anarchisme, Proudhon en Bakoenin’.
Op het Derde Sovjetkongres in januari 1918 zegt Lenin dat de werkende klasse de produktie zelf helemaal kan organiseren, hij zegt dat ook arbeiders staatsfunkties kunnen bekleden en hij prijst zich gelukkig dat ‘de anarchistiese ideeën eindelijk tot leven beginnen te komen!’ (geciteerd door K. Papaioannou).
Drie maanden later noemde Lenin arbeiderskontrole en arbeidersbestuur demagogiese utopieën, hij schakelde de anarchisten uit en vatte nog feller dan tevoren zijn stellingen uit 1902 weer op. IJzeren discipline is nu het enige parool, de versterking van de bevoegdheden van de staat moet de arbeidersmassaas tot absolute gehoorzaamheid dwingen. Bij deze steeds verdergaande onderwerping van de werkende klasse was Trotzky nog autoritairder en cynieser dan Lenin. Aandachtige lezing van ‘Terrorisme en Kommunisme’ van Trotzky (1920) levert verrassende zaken op: het toekomstige slachtoffer van Stalin is voor arbeidsplicht, voor militaire discipline onder de arbeiders, voor inzetten van de arbeiders waar ze nodig zijn, eventueel voor dwangarbeid, die alles bij elkaar toch niet zo im-produktief is als altijd wel is beweerd!! Voeg hier nog aan toe het tot staatsorganen maken van de vakbonden met staatsambtenaren als leiders, en het is wel duidelijk dat wie met Trotzky de burokratie wil bestrijden, slecht op de hoogte is.
In de periode april 1918 – maart 1921, die eindigde met de vernietiging van de Kommune van Kronstadt, deed Lenin felle aanvallen op het proletariaat en op de arbeidersoppositie van Sjljapnikof en Kollontaj. De gebruikelijke scheldwoorden klinken weer op: anarchosindikalisten, domme kleinburgers. Alleen is het nu geen ongevaarlijke literatuur meer maar worden ze als beschuldiging gebruikt tegen iedereen die de partij-lijn niet aanvaardt. Hier kunnen we het wel bij laten: zoals bekend hebben in de volgende decennia Stalin en zijn opvolgers bevestigd dat de werkende klasse geen politieke kwaliteiten en geen scheppend vermogen heeft en zich moet onderwerpen aan de partij, die op zijn beurt weer onderworpen is aan het Centraal Komitee en het Politburo. Het marxisme-leninisme dat nu zo in de mode is, is hetzelfde als dat onmenselijke stelsel. De sovjets zijn geen schepping van Lenin, ze zijn door Lenin vernietigd. Het leninisme is een schaamteloze karikatuur van het marxisme. Tussen het leninisme en het anarchisme is geen verzoening mogelijk. Een diskussie tussen een anarchist en een echte marxist is nog wel denkbaar. Een gesprek tussen een anarchist en een marxist-leninist is verloren tijd..

Verantwoordelijke en onverantwoordelijke lieden

Ik heb geprobeerd te laten zien dat er tussen het marxisme en het anarchisme en nog meer tussen het marxisme-leninisme en het anarchisme wat betreft de politieke kwaliteiten en de zelfstandigheid van de werkende klasse geen verzoening mogelijk is. Hierdoor ontstaan fundamentele verschillen in optreden zowel in tijden van revolutionaire krisis als in de dagelijkse strijd. Het standpunt van de anarchisten is dat het spontane handelen van een groep afhangt van de aanwezigheid van individuen die op een gegeven ogenblik scherp zien wat er moet gebeuren en wat er mogelijk is: ze zijn de vonk die een kettingreaktie teweegbrengt en de verborgen energieën van de groep tot uitbarsting brengt. De aktie komt dan op gang zonder dat er een order van bovenaf is gekomen, zonder dat een generale staf de beweging leidt, zonder kader, zonder hiërarchieke chefs. Zo’n spontane bewegingen, waarvan het verloop niet te voorspellen is, zijn tegen de zin van de bourgeoisie, de staat en de gedisciplineerde partijen omdat ze kunnen leiden tot ineenstorting van het gezag, van de privileges en van de vakbonds- en partijburokratieën.
De meestal onbekende individuen met wie de beweging is begonnen, gaan op in de massa die zich rondom hen heeft verzameld, ze zijn de zogezegde handelende minderheden. De bourgeoisie spreekt van opruiers en beroepsagitatoren. Voor de partijfunktionarissen van de zich noemende arbeiderspartijen en de politieke vakbonden zijn het provokateurs, onruststokers en onverantwoordelijke elementen, zoals dat zo fijntjes heet.

14 juli 1789 en 10 augustus 1792 waren revolutionaire hoogtepunten (resp. de bestorming van de Bastille en de uitroeping van de revolutionaire Commune van Parijs, vert.). Er waren geen partijen of vakbonden om de beweging op gang te brengen of af te remmen. Ze waren het werk van onverantwoordelijke elementen waaromheen de menigten geestdriftig te hoop liepen. En wat zagen we in 1830 en 1848? (twee franse revoluties, vert.) Ook spontane bewegingen die begonnen met kleine groepjes die precies wisten wat ze wilden en waar niet het Centrale Comitee van een centralistiese partij achter zat. Stel je voor wat er op 14 juli zou zijn gebeurd als er een partij had bestaan die de gids was van de werkende klasse en geroepen om de onmiddellijke en toekomstige belangen van het volk te behartigen. Er zouden in het Palais-Royal vertrouwensmannen zijn geweest, ordediensten, leiders en allerlei andere imbecielen met een armband (en dus gezag) die luidkeels stonden te schreeuwwen tegen Camille Desmoulins en de anderen die het volk van Parijs opriepen om de wapens op te nemen. ‘Burgers, laat u niet provoceren! Laat u niet in de val lokken! Doe wat de partij zegt! Ga kalm en waardig uiteen! Enz.enz! Vast en zeker zou de Bastille op 14 juli 1789 niet zijn bestormd.
Dit lijkt een grap maar toch is de tegenstelling tussen mensen met verantwoordelijkheid en mensen zonder verantwoordelijkheid een van de voornaamste strijdpunten geweest tussen de autoritairen en de anti-autoritairen, tussen de kommunisten en de anarchisten. De man met verantwoordelijkheid is iemand aan wie uitdrukkelijk gezag is verleend, die in rang is geklommen en soms ook naar zijn rang wordt betaald. Hij meent dat hij boven de kudde staat die hij als herder of als hond moet bewaken, hij meent dat hij intelligenter is omdat hij soms bij de vergaderingen van de ’hogere instanties’ mag zijn, hij zegt wat er moet gebeuren, hij vertegenwoordigt de Orde, hij is een soort partij- of vakbondssmeris, kortom: hij is Hoofd, onbenullig simbool van de vervreemding van de proletariërs!

Van hoog tot laag op de hiërarchieke ladder vind je dezelfde karakteristieke kenmerken: wantrouwen tegenover de massaas en hun spontane reakties, verlangen om hun bewegingen te leiden en in de hand te houden, te kontroleren en eventueel te saboteren als het eigenbelang gevaar loopt. Maar mensen met verantwoordelijkheid zijn niet alleen de cel- of de distriktssekretaris of het lid van het door negenhonderdvijftig uitgeselekteerde robots met algemene stemmen gekozen Centraal Comitee, maar ook de man op het vakbondskantoor die nog eens mijnwerker of metaalbewerker is geweest en nu meent bevelen te kunnen uitdelen omdat hij op een buro zit, de kampioen-sjacheraar, de eeuwige Judas waarin de apostelziel door de bestuurder is dood-gedrukt.
De politieke man met verantwoordelijkheid heeft een diepe afkeer van politieke groepjes en anarchisten, zoals de vakbondsman met verantwoordelijkheid niets moet hebben van wilde stakingen. In Frankrijk, Duitsland, Engeland en in andere landen vind je arbeiders die in staking gaan zonder de zegen van de mannen met verantwoordelijkheid te vragen, zonder de strategiese deskundigen om raad te vragen, zonder rekening te houden met orders van bovenaf. Moet je niet een echte wilde zijn om zelf het heft in handen te nemen? In de prehistorie was dat de enige mogelijkheid, maar nu leven we in een beschaafde wereld waar alles via via gaat en waar tussen de bazen en de arbeiders altijd de mannen met verantwoordelijkheid staan, de beroepssjacheraars. Als ik denk aan de mannen met verantwoordelijkheid komt me een bladzijde in gedachten uit een vergeten roman uit het begin van deze eeuw: ‘De Meester van de Zee’, van E.M. de Vogüé. Een amerikaanse industriebaron zegt zijn mening over het socialisme, waar je, een beetje ruim genomen, ook de vakbonden toe kunt rekenen: ‘De socialistiese organisatie houdt de massaas in bedwang nu de oude overheden dat niet meer kunnen.. Vroeger werden individuele uitbarstingen in bedwang gehouden door de koninklijke macht en als die koninklijke macht het niet meer kon, door de kerk. Tegenwoordig doet dat de socialistiese organisatie. De socialistiese organisatie brengt de roerige elementen telkens weer netjes in het gareel.’ Die de Vogüé had een profetiese blik.
De mannen met verantwoordelijkheid, de leden van het Apparaat, de apparatsjiki van de zogenaamde volksdemokratieën verhinderen de breuk, de scheuring tussen kapitaliïsme en proletariaat, die Proudhon noodzakelijk achtte. Ze zijn een tweeslachtig soort sub-klasse: door hun afkomst en de belangen die zij in teorie behartigen, behoren ze tot het proletariaat, maar door hun half bevoorrechte positie, hun gezag, hun kontakten met de vertegenwoordigers van het kapitaal in het parlement en op de ministeries staan ze al met één been in de bourgeoisie. En reken maar niet dat ze iets zullen voelen voor het afsterven van de staat als ze de macht grijpen (zoals ze zeggen). Zij zijn de schuld van de schandelijke verwarring onder de arbeiders, van de zogenaamde samenwerking tussen klassen die in feite elkaars vijanden zijn, van de dieptreurige manifestaties waarmee de werkende klasse open en bloot van zijn slavernij getuigt: brave, ordelijke betogingen met rode en blauw-wit-rode (= franse) vlaggen en afwisselend zingen van de Internationale en de Marseillaise (het franse volkslied, vert.)
Tot zover de man met verantwoordelijkheid. Wat te zeggen van het onverantwoordelijke element? Je zou hem de ontkenning van de man met verantwoordelijkheid kunnen noemen, Ik denk niet dat er een Hegel is die deze twee tegengestelde begrippen tot een sintese kan verenigen. Het onverantwoordelijke element is iemand die ‘nee!’ zegt tegen de man met verantwoordelijkheid. Hij is het absolute tegendeel van degenen die in de burgerlijke maatschappij laten zien wat de nieuwe klasse van de toekomst zal zijn: profiteurs van de politiek en de vakorganisatie, profiteurs van de revolutie.

Revolutie of evolutie? Geweld of geweldloosheid?

Volgens de woordenboeken is een revolutie een ‘gewelddadige verandering van regeringsvorm’. Maar dat slaat alleen op politieke revoluties, die de staatsvorm veranderen maar niet de ekonomiese struktuur, de buitenkant maar niet de binnenkant. In de praktijk wordt het woord revolutie voor allerlei heel verschillende gebeurtenissen gebruikt: 1793, oktober 1917, de Terreur van de Jakobijnen, de excessen van de Kommune van 1871, het heet allemaal revolutie. Een soort einde van de wereld tegen een achtergrond van branden en moordpartijen. Voor degenen die de ekonomiese en sociale orde willen veranderen is revolutie niet dit soort romantiek en poppenkast maar een plotselinge, vernietigende krisis die de oude samenleving neerhaalt en de geboorte van een nieuwe samenleving voorbereidt. Dat is de revolutie die de denkers en propagandisten steeds voor ogen hebben gehad die sedert 1830 een verandering van de samenleving prediken en in het algemeen worden aangeduid als revolutionairen. Marx noemt het geweld ‘de vroedvrouw die een oude maatschappij helpt om een nieuwe ter wereld te brengen’. In het Kommunisties Manifest schrijft hij: ‘De kommunisten verklaren openlijk dat hun doeleinden alleen bereikt kunnen worden door een gewelddadige omverwerping van de hele traditionele maatschappij-ordening’.
Proudhon heeft het herhaaldelijk over de totale vernietiging van het kapitalistiese stelsel en over de noodzaak van een gewelddadige maatschappelijke omwenteling. Hij schrijft o.a.: ‘Eigenaars, pas op: Er komt strijd en er zullen massaas doden vallen! De opstand van 1848 moet gewroken worden, het sociale vraagstuk moet met nog veel meer energie en met een soort terreur aan de orde gesteld worden’.
Van de vele uitspraken van Bakoenin op dit gebied zal ik er één aanhalen: ‘Revolutie is oorlog, oorlog is vernietiging van mensen en dingen. Het is zeker heel triest dat de mensheid nog niet in staat is om op vreedzame wijze vooruit te komen maar het feit is dat iedere stap vooruit tot nu toe met bloedvergieten gepaard is gegaan’.
Ik weet niet of het nodig is om Blanqui erbij te halen, een man die een soort levende revolutie was. Al in 1832, toen de begrafenis van generaal Lamarque was uitgelopen op een opstand, voorspelde Blanqui dat Frankrijk aan de vooravond stond van ‘de verschrikkelijkste ramp die maar denkbaar was’. In een brief schreef hij: ‘Het lijkt me onvermijdelijk dat het land in een verschrikkelijk bloedbad wordt gedompeld. Ik ben bang dat 1793 maar kinderspel zal lijken bij wat er misschien binnenkort gaat gebeuren.’<ref>Door Maurice Dommanget aangehaald in zijn boek Auguste Blanqui, des origines à la révolution de 1848 (van het begin tot de revolutie van 1848), Parijs, 1969.</ref>
Tot 1871 werd rotsvast geloofd dat de revolutie voor de deur stond en dat de gewelddadige botsing tussen het uitgemergelde proletariaat en de koud egoïstiese bourgeoisie ieder ogenblik kon beginnen. Het ontstaan van het kapitalisme was met zulk een onmenselijke uitbuiting gepaard gegaan en de arbeidersopstanden waren zo beestachtig onderdrukt dat een revolutie onvermijdelijk leek. Maar het is wel zo dat Marx, Proudhon en Bakoenin genuanceerder en veel minder stellig waren in hun opvattingen dan vaak simplisties wordt voorgesteld. Het is waar dat Marx een beetje tweeslachtig is. Dit is te verklaren doordat hij van de ene kant ervan overtuigd is dat het steeds groeiende proletariaat de steeds kleinere groep kapitalisten wel moet overwinnen en hij van de andere kant gelooft in de noodzaak van een georganiseerde partij om het proletariaat naar een gewelddadige revolutie te leiden. Het is niet te verwonderen dat deze tweeslachtigheid geleid heeft tot het ontstaan van een reformisties marxisme, dat de verandering van de samenleving verwachtte van het natuurlijke spel van de ekonomiese tegenstellingen, en van een revolutionair marxisme met een autoritaire partij, dat wel moest uitlopen op het leninisme. Zoals we verderop nog zullen zien, toont Marx zich in enkele van zijn geschriften voorstander van een diktatuur van het proletariaat maar van de andere kant meende hij ook dat het mogelijk was dat in sommige landen de verandering van de samenleving op vreedzame wijze tot stand zou komen. Op het kongres van de Internationale in Den Haag in 1872 zei hij: ‘Wij beweren niet dat er geen landen zijn, zoals Engeland en Amerika –en bv. Holland– waar het voor de arbeiders misschien mogelijk is hun doeleinden met vreedzame middelen te bereiken.’
Proudhon is een revolutionair en gaat het idee van een gewelddadige revolutie niet uit de weg. Maar voordat er revolutie kan zijn moet de werkende klasse zich ekonomies georganiseerd hebben en dat vraagt veel geduld. Als Proudhon het over ‘de legers van de revolutie’ heeft denkt hij daarbij vooral aan de ‘arbeidersverenigingen’, tegenwoordig zouden we zeggen raden voor arbeiderszelfbestuur, vakorganisaties, produktiekooperaties. Voordat het kapitalisme kan worden vernietigd moet de nieuwe samenleving zijn bestaan al begonnen zijn. De opstanden en het geweld op straat helpen alleen maar om de loop van de geschiedenis te versnellen.
Met dat weinig spektakulaire en koppige organiseren hield ook Bakoenin zich vanaf het begin van de zestiger jaren bezig. Dit werk vormt geen tegenstelling tot geloof in de revolutie, integendeel, zonder organisatie kan de revolutie geen sukses hebben. Er is een brief van Bakoenin aan Elisée Reclus, geschreven aan het eind van zijn leven, toen Bakoenin lichamelijk versleten was en mentaal kapot na de vernietiging van de Kommune, waarin hij teleurgesteld zegt: ‘De tijd van de revolutie is voorbij.’ Deze brief wordt vaak beschouwd als een soort schuldbekentenis van de oude opstandeling. Ik zie niet in wat daarin voor veroordeling van de revolutie als zodanig te lezen is. Het is gewoon de konstatering van een niet te ontkennen feit: na 1871 bevindt de arbeidersbeweging zich op een dieptepunt, alles moest weser van voren af aan worden opgebouwd, de werkende klasse moest zich organiseren en betere tijden afwachten. De werkende klasse heeft dat gedaan en had hij het mogen beleven, Bakoenin zou entoesiast zijn geweest over de herleving van het revolutionaire vuur in de tijd van het revolutionaire sindikalisme en het anarchosindikalisme. De voornaamste ideeën van Proudhon en Bakoenin kwamen weer tot leven en vormden een nieuwe eenheid.

Uat is revolutie voor de anarchisten van nu? Laten we eerst zeggen wat volgens hen revolutie niet is. Revolutie is iets anders dan grote woorden, felle redevoeringen en scherpe artikelen. We brengen de revolutie geen stap dichterbij door te roepen: ‘Leve de revolutie!’, ook niet door de muren vol te schrijven met leuzen of door met rode of zwarte vlaggen te lopen. Het helpt niet om de macht te grijpen, de wapens op te nemen zoals men in 1830 zei, en wel om verschillende redenen:

    1. ten eerste om praktiese redenen: een minderheid is machteloos tegenover de overmacht aan repressiemiddelen waarover een burgerlijke regering beschikt; aan samenzweringen zoals Blanqui die op touw zette en die honderddertig jaar geleden al geen schijn van kans hadden, hoef je nu niet meer te denken;
    1. wij willen de macht niet grijpen en een diktatuur instellen om onze wil (!) op te leggen aan miljoenen mensen die door middel van terreur tot gehoorzaamheid zouden moeten worden gedwongen. Als er zogenaamde arbeiderspartijen zijn die dat soort heilloze avonturen willen wagen, is dat hun zaak. Wij doen niet mee, wij willen niet aan dat soort schijnrevoluties medeplichtig zijn en ook niet het slachtoffer er van worden. Dat soort ‘revolutie’ laat ons alleen maar de keus tussen de gevangenis en de begraafplaats;
    1. de enige revolutie waar wij in geinteresseerd zijn is de revolutie die de werkende klasse zelf wil en tot stand brengt met een duidelijk inzicht in wat hij wil bereiken en de vaste wil zijn lot in eigen hand te nemen en zijn toekomst niet te laten afhangen van een partij of ‘Verlosser’. Als de arbeidersklasse erin slaagt om de rest van de aktieve bevolking te laten zien dat hij niet alleen maar voor zichzelf werkt maar tot een rationeel ekonomies stelsel wil komen op basis van vrijheid en gelijkheid, is er een grote kans dat de eindstrijd met de profiteurs en de leiders van het oude stelsel eindigt met de vernietiging van de oude samenleving.
      Na de machtsgreep van Blanqui en zijn medestanders op 12 mei 1839 schreef Lamennais: ‘Een revolutie is iets anders dan een greep naar de macht. Om de omstandigheden te kunnen veranderen moet eerst de manier van denken veranderen’<ref>

      Door Maurice Dommanget aangehaald in zijn boek Auguste Blanqui, des origines à la révolution de 1848.

      </ref>. Daar kunnen wij het mee eens zijn. Misschien wordt er gezegd dat wij de revolutie op de lange baan schuiven en dat wij geen revolutie willen, maar evolutie. Wij willen inderdaad een zekere evolutie: wij willen dat de arbeiders meer welvaart en vrijheid krijgen. Iedere hervorming is een stap vooruit, als hij maar het resultaat is van het eigen werk van een bewuste arbeidersklasse die niet uit het oog verliest wat hij uiteindelijk bereiken wil. Dat neemt niet weg dat een geleidelijke ontwikkeling die steevast ieder geweld uit de weg gaat, nooit zal leiden tot een radikale verandering van de maatschappelijke orde en van het bestaande produktiestelsel. De heersende klasse wil nog wel op ondergeschikte punten toegeven maar nooit als het om de hoofdzaak gaat. Dan wordt het botsen en op die eindstrijd moeten we ons zo goed mogelijk voorbereiden. Over die voorbereiding hebben we het al gehad: we moeten studeren en organiseren. Dat is iets anders dan als maar de katechismus van de grote beginselen opzeggen en hard roepen ‘Revolutie! Revolutie!’ We moeten de anarchistiese ideeën in de organisaties van de arbeidersklasse propageren en bespreken en ons verdiepen in de ingewikkelde problemen die samenhangen met zelfbestuur en met het funktioneren van de ekonomie. Een revolutie is een breuk met het verleden. Om van het ene ekonomiese stelsel naar het andere over te gaan moeten we een grondige kennis hebben van de techniese problemen en niet domweg willen afwachten hoe het dubbeltje rolt. Anders wordt het een bende en lopen binnen de kortste keren produktie en distributie in het honderd. Als onze ideeën voor de toekomst goed zijn, zijn ze nu ook goed. Ieder streven om zich als producent of konsument aan de kapitalistiese kringloop te onttrekken is welkom en als we de kans hebben om een groep op te richten of te steunen die daar iets aan doet, moeten we dat doen. Dat deed de duitse libertaire socialist Gustav Landauer, toen hij in 1908 de Socialistiese Bond oprichtte. Zijn ideeën zijn te vinden in zijn boek ‘Oproep tot socialisme’ (1911)<ref>

      Oorspronkelijke titel: Aufruf zum Sozialismus. Ned. uitgave: Oproep tot Socialisme. Vereniging Anarchistiese Uitgeverij, Amsterdam, 1940

      </ref>. Het vraagt teveel plaats om de gedachten van Landauer hier volledig weer te geven en ik beperk me tot enkele kommentaren van Diëgo Abad de Santillán uit zijn inleiding bij de spaanse uitgave (1931): ‘… De hoogst bereikbare vrijheid en rechtvaardigheid zijn de vrijheid en de rechtvaardigheid die leven in de harten van de volken en in de grote mensenmassaas. Niet de grote revolutie van morgen is daarom belangrijk maar de kleine revolutie van iedere dag en ieder uur, bevochten met de mogelijkheden waarover ieder persoonlijk in zijn eigen omstandigheden beschikt. Er is altijd wel iets prakties te doen, klein of groot. Wie het kleine niet wil doen dat vandaag mogelijk is omdat hij zijn krachten wil sparen voor de grote gebeurtenissen die misschien morgen plaats vinden, werkt noch voor morgen noch voor vandaag… Evenals Landauer menen wij dat grote dingen altijd met kleine beginnen.’
      Tenslotte is er nog het geduldige en veel te weinig bekende werk van de zweedse libertaire vakorganisatie S.A.C., die in een zelfvoldaan reformisties land vecht voor de zelfstandigheid van de arbeiders en tegen staatssocialisme. Dit S.A.C. staat dicht bij de opbouwende ideeën van Landauer<ref>

      In 1960 publiceerde het S.A.C. een brochure van de hand van Evert Arvidsson, getiteld: Syndikalismen i nutidssamhället (Het sindikalisme en de moderne samenleving). Deze brochure is in het frans en het duits vertaald en uitgegeven door resp. de Union des Syndicalistes in Parijs (Le syndicalisme libertaire et l’Etat de Bien-Etre) en Verlag Die Freie Gesellschaft in Darmstadt.

      </ref>.

Toen Georges Sorel in 1907 zijn ‘Overdenkingen over het geweld’<ref>Réflexions sur la violence, Paris, 1907. Duits: Ueber die Gewalt, Innsbruck, 1928. (vert.)</ref> publiceerde –een jammerlijk vergeten boek– ging er een koor van protesten op.
Jaurès sprak van overdrijvingen en tegenstrijdigheden, de een of andere rechtse figuur had het over kwajongensadviezen voor arbeiders. Het geweld van het proletariaat, zei Sorel, ‘is gewoon oorlog, het is als een militaire demonstratie en dient om de scheidslijnen tussen de klassen aan te geven. Het zijn spontane daden zonder spoor van haat of wraakzucht’. Sorel vergelijkt het proletariese geweld met het staatsgeweld, het koud berekenende geweld dat zich bedient van rechtbanken, wettelijk geoorloofde onderdrukking en als het moet de beul. Het proletariese geweld hield de breuk tussen de klassen in stand en was een moreel element tegenover de immorele staat. Ik durf nauwelijks te schrijven dat ik het in heel wat opzichten met Sorel eens ben want het geweld verwekt overal verontwaardiging. Wel een raar soort verontwaardiging! De burgerlijke of zogenaamd socialistiese staten maken zich al meer dan vijftig jaar schuldig aan de ergste wreedheden en onderdrukking om nog maar te zwijgen van de oorlogen, de massamoorden, de volkenmoorden en de atoombommen. En toch durft dat weldenkende tuig van links of rechts nog zijn afkeuring uit te bezuinen als er een paar klappen vallen, als een politieagent een paar blauwe plekken oploopt of als er een auto –een heilige Auto!– in brand is gestoken. Van zo’n schijnheiligheid zou de overtuigdste pacifist nog hels worden en naar een wapen grijpen..
Niemand hoeft ons te vertellen dat geweld dom is, dat het walgelijk is om iemand met geweld aan eigen wil of aan de wil van een staat te onderwerpen. De anarchisten streven naar een samenleving zonder geweld, waar een federalistiese organisatie, die de traditionele staat zal opvolgen, mensen tracht te overreden in plaats van te dwingen. Maar wij leven in de bestaande samenleving en voeren een stille of open strijd met alle steunpilaren van deze samenleving en vooral met de krachten van de staat. Moeten we vanwege onze beginselen alles maar over ons heen laten komen en ons op voorhand gewonnen geven om toch maar ieder geweld van onze kant te vermijden? Wij veroordelen onnodig geweld en ondoordacht terrorisme die onze zaak schaden, en trouwens alle metoden die in strijd zijn met de doelen die het anarchisme nastreeft. Maar in de bestaande situatie en in de bestaande omstandigheden kan een anarchist toch alleen maar afzien van geweld als de staat bereid is hetzelfde te doen. Er zit veel waars in het oude grapje dat ik weergeef als: anarchisten zijn beste lui, als je ze slaat slaan ze terug.. Ik kan me daarom ook niet druk maken om teoretiese debatten over de vraag of je wel of geen geweld mag gebruiken. Volgens mij wordt het probleem verkeerd gesteld en staan veel geweldlozen niet zo ver van mijn ideeën in dit opzicht af.
Ik kan deze diskussie niet beter beëindigen dan met een jammer genoeg korte samenvatting van een opstel van Errico Malatesta over ‘Anarchisme en geweld’<ref>Deze studie van Malatesta verscheen in duitse vertaling in Heft 4 (1906) van het tijdschrift Die Freie Generation. Deze vertaling is opnieuw gepubliceerd in het duitse anarchistiese maandblad Befreiung.</ref>. Malatesta zet zich af zowel tegen degenen die alleen maar geweld willen gebruiken wanneer ze persoonlijk worden aangevallen, als tegen de kameraden die tot ieder geweld bereid zijn tegen iedereen die de anarchistiess opvattingen niet deelt. De eerste groep laat de organisatoren van het staatsgeweld buiten schot en treft alleen de onbetekenende helpers van de staat. De tweede groep brengt de anarchistiese beweging in diskrediet, die door hun toedoen wordt afgeschilderd als een klub misdadigers en moordenaars. Vervolgens laat Malatesta zien dat het anarchisme niet op geweld berust maar streeft naar een harmoniese wereld, waar ruimte is voor eigen initiatieven en waar onderlinge verdraagzaamheid heerst. De anarchisten beschouwen zich niet als onfeilbare dragers van de waarheid, ze moeten niets hebben van autoritaire dwang, dit in tegenstelling tot de politieke partijen. Maar de anarchisten zijn tegenstanders van wetten, van legers, van politie en van alle krachten die de bevoorrechten verdedigen. Ze willen de samenleving veranderen en zijn daarom revolutionairen: ‘zo gezien vormt het geweld geen tegenstelling tot het anarchisme en de anarchistiese opvattingen’. Wij gebruiken geen geweld als we er niet toe gedwongen worden, maar ‘wij willen het volle recht hebben om ons tegen onrecht te verdedigen’.

Malatesta staat dus achter het geweld van iemand die zich wetens en willens opoffert voor een zaak die hij rechtvaardig vindt. Maar hij veroordeelt de wanhoopsdaden van mensen die zich, louter uit afkeer van de samenleving, het recht aanmatigen om onschuldigen te treffen of te terroriseren, of die zich alleen door hun instinkt laten leiden. Niettemin ontzegt hij de bourgeoisie en de politieke partijen het recht om geweld te veroordelen. Tenslotte waarschuwt Malatesta de anarchistiese beweging tegen ‘de daden van anarchisten die zich alleen laten leiden door onverdraagzaamheid of door het verlangen om angst in te boezemen.. Ons ideaal is liefde. Wij mogen niet voor rechter of beul spelen. Wij willen bevrijders zijn, dat is ons enig verlangen, onze trots en ons ideaal.’

Sterft de staat uit zichzelf af of moet hij vernietigd worden?

Over de staat verschillen de marxisten-leninisten en de anarchisten zo fundamenteel van opvatting dat er geen verzoening mogelijk is, wordt vaak gezegd. Dat is wel ongeveer zo maar niet helemaal. Er wordt wel beweerd dat de marxisten de staat willen laten voortbestaan en dat de anarchisten de staat willen vernietigen. Ik zal proberen zo onpartijdig mogelijk uiteen te zetten waar de overeenkomsten en waar de verschillen liggen tussen anarchisten en marxisten-leninisten.
De staat is het machtsmiddel van de bourgeoisie, het produkt van de onverzoenlijke klassentegenstellingen, hij is erop gericht de voorrechten van het kapitalisme met alle mogelijke middelen te handhaven. Het duidelijkste komt dit tot uiting in het leger, de politie, de gevangenissen en de burokratie. De staat is de ontkenning van de vrijheid en geen enkele anarchist zal het oneens zijn met het gezegde van Lenin: ‘Zolang er een staat is is er geen vrijheid en zogauw er vrijheid is is er geen staat meer’. De burgerlijke staat hangt dus samen met het bestaan van klassen en met de privé eigendom. Als de produktiewijze verandert verdwijnt de staat. Anarchisten en konsekwente marxisten hebben daarover geen verschil van mening. Ofschoon er wel al kritiek komt op de anarchisten: de anarchisten leggen teveel nadruk op de staat, het lijkt wel of de staat hun hoofdvijand is, ze halen oorzaak en gevolg door elkaar, ze schijnen niet te begrijpen dat op de eerste plaats de ekonomiese infrastruktuur moet veranderen omdat de staat en de ideologieën daar mee samenhangen. Op het kongres van de Eerste Internationale in Bazel in september 1869 was van de kant van de marxisten een soortgelijke kritiek te horen op Bakoenin. Bakoenin stelde daar een resolutie voor die het erfrecht afwees. Hoe kom je erbij, riep Eccarius uit, dat is een miskenning van het histories materialisme, het erfrecht is een gevolg van de individuele eigendom. Als de produktiemiddelen aan de gemeenschap worden gebracht is er van erfrecht geen sprake meer. Je haalt oorzaak en gevolg door elkaar. Dat weet ik, zei Bakoenin, het burgerlijkerecht is een gevolg van feiten in het verleden, ‘maar het erfrecht is op zijn beurt het uitgangspunt geworden van de politieke staat en van de juridiese familie, die de individuele eigendom garanderen en bevestigen’. Daarom moet het erfrecht worden afgeschaft.
Bakoenin redeneerde als volgt: als de produktie-verhoudingen veranderen verdwijnen daarmee niet meteen allerlei instellingen en ideologieën en houden ook de klassen niet meteen op te bestaan. Het burgerlijke recht en de burgerlijke moraal zijn langzamerhand een eigen leven gaan leiden en laten zich niet als schimmen uitwissen. We moeten daarom ook die verschijnselen zelf aanpakken.
Ik vind dit standpunt veel realistieser dan het louter teoretiese standpunt van de marxisten. De marxisten zeggen dat de anarchisten veel te veel belang hechten aan de strijd tegen de staat, maar ook dat is een gevolg van hun blind geloof in teorieën en dogmaas. Toen de staat nog lang niet zo sterk was als op het ogenblik toonde Proudhon al aan dat het wezenlijke van de staat is dat hij zich meester maakt van alle krachten in de samenleving en zijn heerschappij over heel de samenleving uitstrekt. De staat is van nature een alles naar zich toe halend en verslindend wezen: ‘De bevoegdheden van de staat nemen voortdurend toe ten koste van de initiatieven van individuën, groepen, organisaties en gemeenten.’ De staat centraliseert alles, hij vernietigt iedere zelfstandigheid, hij vergroot voortdurend zijn macht door alsmaar meer wetten, hij probeert onder de mensen de miete levendig te houden van een beschermende en alomtegenwoordige voorzienigheid die de goeden beloont en de kwaden straft. Wie ziet hoe de staat op het ogenblik de ekonomië plant, regels opstelt voor produktie en lonen, de vakbonden zijn wil oplegt, door nationalisaties zelf werkgever is geworden, de weinige vrijheden van de gemeenten nog inperkt, voortdurend praat over decentralisatie maar intussen steeds meer centraliseert, die moet toch zeggen dat Proudhon blijk gaf van een profetiese blik. Onder hoge bescherming van de staat geniet het traditionele privé kapitalisme nog altijd zijn belangrijkste voorrechten, al moet het zorgen op goede voet te blijven met die staat met zijn ambtenaren, zijn technokraten, zijn politie en zijn propaganda-apparaat. De arbeidersklasse vecht voor een ekonomiese verandering van de samenleving maar botst daarbij voortdurend met de staat, met zijn onderdrukkings-apparaat en met zijn achterbakse pogingen om de strijdbeweging te verlammen. De mijn- en de spoorwegbaronnen zijn opgevolgd door de naamloze technokraten met hun formules en statistieken, die net zoveel warmte en menselijk gevoel hebben als hun computers, die ijverige dienaars van de staatsgod. De anarchisten hebben gelijk: de staat –iedere staat– is de grootste vijand van de mens.
Het marxisme-leninisme is zeer pertinent over het verdwijnen van de staat. Als er geen klassen meer zijn, is de staat niet meer nodig, want de staat was een gevolg van de klassentegenstellingen. Dat is uitvoerig uiteengezet in de geschriften van Marx en in De staat en de Revolutie, een belangrijk werk van Lenin. Ik zal hier alleen de bekende tekst van Engels aanhalen uit zijn boek De oorsprong van Gezin, Privé Eigendom en Staat: ‘Als de klassen verdwijnen moet de staat ook verdwijnen. De samenleving die een nieuwe produktieorganisatie tot stand brengt met op voet van vrijheid en gelijkheid samenwerkende arbeiders, zal de staatsmachine opbergen waar hij tuishoort: in het oudheidkundig museum, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’ Alle anarchisten zullen het hier met Engels eens zijn. Ze zullen er misschien bij zeggen dat dat ‘op voet van vrijheid en gelijkheid samenwerken’ aan Proudhon doet denken.
Het struikelblok zit hem in de overgang van de oude naar de nieuwe samenleving, in de tijd van de gewelddadige revolutie uit het marxistiese schema. Volgens de marxistiese opvatting wordt deze overgang tot stand gebracht door de diktatuur van het proletariaat, het sleutelbegrip van de leninistiese zienswijze. Over die diktatuur is zoals bekend veel te doen geweest. Is Lenin het marxisme trouw gebleven of heeft hij een eigen teorie ontwikkeld díe aan het marxisme vreemd is? Inderdaad heeft Marx over de overgangsfase niet zoveel gezegd. Zijn geschriften bevatten in totaal vier uitspraken die vrij duidelijk voor een diktatuur van het proletariaat pleiten en die Lenin natuurlijk aanhaalt:

    1. ‘Het proletariaat zal van zijn politieke macht gebruik maken om alle produktiemiddelen in handen van de staat te leggen, dat wil zeggen in handen van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat.’ (Manifest van de Kommunistiese Partij)
    1. ‘Het revolutionaire socialisme zal steeds grotere groepen uit het proletariaat aantrekken.. Dit socialisme is de voortdurende uitroeping van de revolutie, de klassediktatuur van het proletariaat als noodzakelijke overgang naar de afschaffing van alle klassenverschillen.’ (Klassenstrijd in Frankrijk, 1850)
    1. ‘Mijn inbreng is te hebben aangetoond,.. dat de klassenstrijd noodzakelijk tot de diktatuur van het proletariaat leidt, dat deze diktatuur op zijn beurt de overgang is naar de afschaffing van alle klassen en naar een samenleving zonder klassen.’ (Brief aan Waldemeyer, 1852)
    1. ‘Tussen de kapitalistiese en de kommunistiese samenleving bevindt zich de periode van revolutionaire verandering van het samenlevingspatroon. Met deze sociale verandering gaat een politieke verandering gepaard waarin de enig mogelijke staatsvorm de revolutionaire diktatuur van het proletariaat is.’ (Kritiek op het Programma van Gotha, 1875)

Op grond van deze teksten wordt er dan gekonkludeerd dat er een diktatuur –wat is dat precies?– van het proletariaat –een aardig abstrakt begrip– moet komen! Evenals Marx neemt Lenin de Kommune van Parijs als uitgangspunt en zegt dan dat het erom gaat de burokratiese en militaire staats-machine te vernietigen, de bourgeoisie alle macht te ontnemen en het verzet van deze bourgeoisie te breken. ‘In de plaats van de bourgeois demokratie komt de proletariese demokratie, de staat (instrument om een bepaalde klasse te onderdrukken) wordt iets dat niet meer echt een staat is’ (Lenin). Niet meer een minderheid van de bevolking maar de meerderheid gaat als onderdrukker optreden: ‘Zodra de meerderheid van de bevolking zelf zijn onderdrukkers onderdrukt, is er geen speciaal onderdrukkingsapparaat meer nodig. Dat wordt bedoeld als er gezegd wordt dat de staat begint te verdwijnen.’ (Lenin).
Na de vernietiging van de bourgeois staat gaat de proletariese staat als onderdrukker en leider optreden. Naarmate deze staat de klassen-tegenstellingen doet verdwijnen, begint hij zelf ook te verdwijnen en uiteindelijk verdwijnt hij helemaal. Lenin haalt Engels aan: ‘Het proletariaat heeft tijdelijk de staat nodig, niet om zich te bevrijden maar om zijn tegenstanders te onderdrukken. Zodra we kunnen zeggen dat er vrijheid is, is er geen staat meer.’ Wat is dan nog het verschil tussen de opvattingen van Lenin en die van de anarchisten? Het antwoord van Lenin is: ‘Het proletariaat heeft slechts tijdelijk een staat nodig. Wij zijn het helemaal met de anarchisten eens wat betreft de afschaffing van de staat als einddoel. Wij zeggen alleen dat het, om dat doel te bereiken, nodig is tijdelijk gebruik te maken van de apparaten, de middelen en de metoden van de staatsmacht om de uitbuiters te bestrijden, evenals de tijdelijke diktatuur van de onderdrukte klasse nodig is om de klassen te doen verdwijnen’.
De noodzaak van een diktatuur van het proletariaat is inderdaad het breekpunt tussen de anarchisten en de marxisten-leninisten. Proudhon was onbekend met de meningen van Marx op dit punt maar zijn hele werk verzet zich tegen het denkbeeld van een proletariese diktatuur. Hij wil best geweld gebruiken tegen de bevoorrechte minderheid om tot een verandering van het ekonomiese stelsel te komen, maar alleen voor zover het niet anders kan: hij staat argwanend tegenover iedere vorm van diktatuur omdat hij bang is dat een proletariaat dat een diktatuur aanvaardt, ook konformisties en slaafs zal zijn. Zoals we al zeiden was hij van mening dat iedere overheid, iedere regering en iedere staat de neiging had om zich meester te maken van de krachten in de samenleving, om zijn macht te vergróten maar niet om af te sterven. In zijn boek ‘Sociologie de Proudhon’ geeft Pierre Ansart een uitstekende samenvatting van het standpunt van Proudhon: ‘..Een macht, ook een arbeidersmacht die als centrale overheid zou gaan optreden, zou onherroepelijk dezelfde kwalijke verschijnselen gaan vertonen als iedere overheid: voortdurende vergroting van de politiemacht en van het ambtenarenapparaat, onderdrukking van vrijheden, steeds sterkere greep op het ekonomiese leven’.
Bakoenin heeft vaak genoeg zijn afkeer van de staat en van iedere staatsvorm doen blijken. De volgende aanhaling uit zijn toespraak voor het kongres van de Bond voor Vrede en Vrijheid (Bern, 1868) laat dat duidelijk zien: ‘De staat is de ontkenning van iedere menselijkheid.. Er bestaat geen goede, rechtvaardige of goedwillende staat, zo’n staat is onmogelijk. Iedere staat is slecht omdat een staat door zijn aard, zijn beginselen, zijn metoden, zijn einddoel het tegenovergestelde is van vrijheid, van moraal en van menselijke rechtvaardigheid’. Evenals Marx bekritiseerde Bakoenin het programma van de sociaaldemokraten, die een vrije volksstaat wilden. Het woord ‘staat’, zei hij, was de ontkenning van de woorden ‘vrij’ en ‘volks’ die eraan vooraf gingen (Brief aan een Fransman). Het staatssocialisme was voor hem ‘de smerigste en gevaarlijkste leugen van onze eeuw: staatssocialisme is officiële demokratie en rode burokratie.’ (Brief aan Herzen, 19 juli 1866).
De diktatuur van het proletariaat was voor Bakoenin in de eerste plaats de diktatuur van een partij: ‘Het zou voor het proletariaat een kazerneleven zijn waarin de gedrilde arbeiders- en arbeidsters-massa zou opstaan, naar bed gaan, leven en werken op het roffelen van de trommels; en de handige jongens en knappe koppen zouden de lakens uitdelen.’ (Brief aan de krant La Liberté). ‘Als socialisme en sociale revolutie de betekenis hebben van vernietiging van de staat, dan is het duidelijk dat wie een staat wil geen socialisme kan willen en de ekonomiese bevrijding van de massaas moet opofferen aan de politieke macht van de een of andere bevoorrechte partij.’ (Brief aan een Fransman). ‘De autoritaire kommunisten denken dat na een politieke revolutie de diktatuur of het parlement die dan de macht in handen hebben, zomaar een maatschappelijke revolutie kunnen dekreteren en organiseren. Daar geloof ik niets van. Onze socialistiese vrienden in Parijs hebben precies de tegenovergestelde mening. Zij menen dat een maatschappelijke revolutie alleen maar op gang en tot een goed einde kan worden gebracht door de steeds opnieuw zich ontwikkelende eigen initiatieven van de massaas en van de groepen en klubs uit het volk’ (Inleiding tot de tweede aflevering van Het Knoeto-Germaanse Rijk).
De anarchisten geloven niet dat een revolutie kan worden gedekreteerd door een partij die zegt de werkende klasse te vertegenwoordigen en in naam van het proletariaat een diktatuur uitoefent. Zij geloven niet in een tijdelijke diktatuur en zeggen evenals Bakoenin dat een partijdiktatuur onvermijdelijk uitloopt op een autoritair regiem dat steeds meer macht in handen van de zogenaamde proletariese staat legt. De anarchisten zijn van mening dat de revolutie van de eigen ekonomiese organisaties van de werkende klasse moet komen. Dit zal gebeuren als deze organisaties zelf de produktie en de distributie willen gaan regelen en daartoe ook in staat zijn. Voordat deze revolutie kan plaats vinden moet het denken van de arbeiders nog een lange weg afleggen en moeten de eigen organen van het proletariaat nog veel leren. Op het einde is er misschien geweld nodig maar als eenmaal de bourgeois staat is vernietigd, hoeft daar geen nieuwe staat voor in de plaats te komen. Er komt een ekonomiese organisatie van de arbeid in plaats van de politieke organisatie met zijn beroepsrevolutionairen, zijn politiemacht en zijn burokraten. De laatste sporen van de traditionele funkties van de staat verdwijnen en de mensen gaan op weg naar de ‘associatie van vrije en gelijke producenten’, waarvan Engels sprak.

Ik heb zo objektief mogelijk uiteengezet welke verschillen er tussen de marxisten en de anarchisten en tussen de marxisten-leninisten en de anarchisten bestonden tot het verschijnen van De Staat en de Revolutie (begin 1918). Toen leken de twee standpunten al niet meer met elkaar te verzoenen. De gebeurtenissen die volgden op de Oktoberrevolutie haalden dit debat uit de zuiver teoretiese sfeer en maakten duidelijk dat er tussen het anarchisme en de verschillende marxisties-leninistiese stromingen geen verzoening mogelijk was. Ik kom hier nog op terug.
Toch zijn er nog goedwillende lieden die proberen het onmogelijke werkelijkheid te laten worden. Anderen, die steeds iets nieuws willen of van paradoksen houden, scheppen verwarring door te knoeien aan begrippen die volkomen duidelijk waren. Het internationale kolloguium dat het Centre National de Recherches Scientifiques van 16 tot 18 november 1964 in Parijs organiseerde, ging over de Eerste Internationale. Arthur Lehning uit Amsterdam, die daar de uitgave van het ‘Bakoeninarchief’ verzorgt, hield een inleiding over het konflikt tussen Marx en Bakoenin. Aan de diskussie werd onder andere deel genomen door M.Rubel, een van de beste franse Marx-kenners. In het officiële verslag van het kolloguium is van hem onder andere het volgende te lezen: ‘.. Wat de sociale teorie betreft was Bakoenin een van de eerste leerlingen van Marx, hij is zelfs te beschouwen als de eerste russiese marxist.. Het is onjuist om, zoals de heer Lehning doet, een tegenstelling te kreëren tussen het anarchisme van Bakoenin en het zogenaamde staats-kommunisme van Marx. Marx is zelfs te beschouwen (zoals M.Rubel in zijn dissertatie geprobeerd heeft aan te tonen) als de teoretikus van het anarchisme, dat wil zeggen van de samenleving zonder klassen, zonder staat en zonder geld’. Ik heb oprechte bewondering voor M.Rubel. Hij is niet alleen een waardevolle filosoof maar bezit ook onmiskenbare kwaliteiten als akrobaat en goochelaar. Laat ik dit komiese intermezzo beëindigen met het antwoord van Lehning: ‘Rubel stelt Bakoenin voor als de eerste russiese marxist en Marx als de teoretikus van het anarchisme. Dat is gewoon een spelletje met woorden. Inderdaad wilde Marx evenals Blanqui uiteindelijk een organisatie van de samenleving zonder klassen en zonder staat. Maar de strijd tussen de twee richtingen in de Internationale Arbeiders Associatie ging niet om deze teoretiese diskussie over de anarchie na de diktatuur maar over de vraag of de werkende klasse wel of niet politike partijen moest vormen om de macht te veroveren.’

De nieuwe heersende klasse (11)

  • <ref>Naar de franse titel van het boek The New Class (Ned.Uitg.: De nieuwe klasse, A’dam, 1957) van Milovan Djilas, ex-lid van het centrale komitee van de joegoslaviese Communistische Partij, vroegere naaste medewerker van Tito en ex-minister. Na eerst al wegens zijn geschriften uit de partij te zijn gezet kreeg hij later negen jaar gevangenisstraf voor het uitgeven in het buitenland van dit boek, waarin hij het kommunistiese regeersisteem bekritiseerde. In The Unperfect Society (ned. De onvolmaakte maatschappij, A’dam, 1969) bekritiseerde hij het marxisme als zodanig.</ref>

Tot 1918 beschouwden velen het uitgangspunt van Lenin als realisties en aantrekkelijk en dat van de anarchisten als naïef en utopies. In hun onderbewustzijn zien de mensen nog altijd tegen de staat op (Proudhon zei dat al), ze blijven bang dat het verdwijnen van de staat gevolgd zal worden door chaos en uiteenvallen van de samenleving. Het tijdelijk handhaven van een proletariese staat heeft iets geruststellends, degenen die wraakgedachten koesteren vinden een beetje diktatuur zo kwaad nog niet. De staat sterft toch af, zoals geschreven staat in de Bijbel van Lenin…
Alleen is het jammer dat Lenin in april 1918 het geloof in de eigen scheppingskracht van de werkende klasse als een gevaarlijke utopie begon af te wijzen, een geloof dat hij daarvóór minstens uiterlijk had beleden. Hij wilde terug naar autoritaire metoden en pleitte voor onderwerping van de vakbonden en de sovjets aan de staat. Toen De Staat en de Revolutie verscheen, was de jacht op de anarchisten al begonnen. Dat is niet verwonderlijk: met de uitdrukking ‘diktatuur van het proletariaat’ kun je alle kanten uit. Het is moeilijk voor te stellen hoe het proletariaat als zodanig een diktatuur uitoefent. Een diktatuur vereist onderdrukkings-organen en een sterk gecentraliseerde leiding. De bolsjewistiese partij, houder van de waarheid en alwijze vertegenwoordiger van de werkende klasse, bestaande uit een kleine minderheid van het proletariaat onder leiding van beroeps-revolutionairen, was het aangewezen lichaam om de diktatuur uit te oefenen, in naam van het proletariaat en zo nodig over het proletariaat. Hiervoor moest alle macht, zonder kontrole van de werkende klasse, in handen worden gelegd van de partij, dat wil zeggen van het partijapparaat, dat wil zeggen van het Politburo, dat wil zeggen van het sekretariaat. Zulk een diktatuur betekent onherroepelijk afschaffing van iedere vrijheid, niet alleen voor de bevoorrechte klassen, maar ook voor alle arbeidersbewegingen behalve de bolsjewistiese partij en al spoedig ook voor de leden van de bolsjewistiese partij die het niet met de officiële partijlijn eens zijn. Onder zulk een stelsel worden de verkeerd denkenden met harde hand aan de kant gezet, de vakbonden onder kontrole gebracht, komt er een almachtige politieke politie, krijgt de eenheidspartij steeds meer kontrole-organen op alle nivoos en ontstaat er een almachtige burokratie die alleen aan de hoogste partijinstanties verantwoording verschuldigd is. Er zijn steeds weer naïevelingen die zich laten misleiden door de grootte van het militaire of het politiesapparaat en dan in de westerse pers schrijven over meningsverschillen tussen de partij en de politie of het leger. In feite zijn politie en leger met handen en voeten aan het Polit-buro gebonden en worden ze met niets ontziende hardheid gezuiverd als het Politburo dat nodig oordeelt. Toen Lenin nog leefde en Trotzky met hem samenwerkte kreeg het regiem al steeds meer de trekken van een totalitaire staat: politieke partijen en oppositiegroepen werden ontbonden of uitgeroeid, in 1921 werd de Kommune van Kronstadt vernietigd en er werd een politieapparaat gevormd dat even hard optrad tegen oude bevoorrechte groepen als tegen onwillige proletariërs. Ik zeg inderdaad ‘totalitaire staat’, want de eenheidspartij maakte alle aktiviteiten van de samenleving en de hele menselijke persoon –met lichaam en ziel– aan zich onderworpen. Het is voor de partij niet genoeg om uit te maken wat er op ekonomies of op politiek gebied moet worden gedacht, nee ook op wetenschappelijk, op letterkundig en op kunstgebied stelt de partij de ‘lijn’ vast. De geschiedenis moet helpen om het partijgezag te versterken, levensbeschrijvingen worden bijgewerkt, gebeurtenissen worden geschrapt, er ontstaat een officiële geschiedenis zonder ketters. Het was de logika van het systeem dat het niet lang duurde of de diktatuur werd door één enkele persoon uitgeoefend, het land werd één groot koncentratiekamp, er kwamen monsterlijke processen waarin de tegenstanders gedwongen moesten worden zich van allerlei misdaden te beschuldigen voordat ze werden geëksekuteerd. Voor een overigens onvolledige opsomming van de misdaden van Stalin zie het bekende verslag van Chroesjtsjov<ref>Ned. uitg. o.a.: De rede van Chroesjtsjov uitgesproken op het twintigste congres der Russische Communistische Partij. (A’dam, P.v.d.A.), z.j., 24 blz; N.S. Chroesjtsjov, Rede uitgesproken op 14 feb. 1956 te Moskou, met verslag partijbestuur CPSU, (Den Haag, 1956), 123 blz.</ref>.
Soms komt er plotseling verandering in de top van de hiërarchie. De beslissing daartoe wordt genomen door het Politburo en goedgekeurd door het kundig gemanipuleerde Centraal Komitee. Wat denkt de partij ervan? en de werkende klasse? Dat is voor het Opperste Apparaat niet zo belangrijk: het is voldoende als de bange massaas hun mond houden. Om de een of andere reden worden er toch verkiezingen gehouden, met eenheidslijsten waaraan 99,9% van de burgers zijn stem geeft, specialiteit van de totalitaire regimes van de nazi’s en de kommunisten.
Goede zielen zeggen dat er in de Sovjet-Unie en de volksrepublieken langzamerhand meer vrijheid komt. Maar je kunt er nog altijd om niets in de gevangenis komen, het is nog steeds konformisme en diktatuur wat de klok slaat, maar er is vooruitgang, dat is zo: je wordt niet meer van kant gemaakt! De paar idioten die nog van de ortodoksie afwijken en gek genoeg zijn om te denken en om te zeggen wat ze denken, worden nu in psiechiatriese inrichtingen ‘verpleegd’.

Ziedaar vijftig jaar wel en wee van een (tijdelijke!) proletariese staat belast met het uitoefenen van de diktatuur van het proletariaat. Natuurlijk kun je Marx niet verantwoordelijk stellen voor deze opeenstapeling van misdaden. Hij zou er zelfs het eerste tegen protesteren. Van de andere kant mag je niet verzwijgen dat de russiese revolutie, de Sovjet-Unie en de zogenaamde volksrepublieken zich allemaal marxisties en leninisties noemen. Stalin noemde zich marxist en leninist toen hij zei dat hoe minder er van de bourgeois klassen overbleef hoe sterker de diktatuur en de staat moesten worden! In naam van het marxisme schreef Boecharin in de Troed van 13 november 1927: ‘Het enige wat we ons kunnen indenken is dat er één partij regeert en dat de andere in de gevangenis zitten’. En in de Pravda van 19 november 1937 schreef Tomski: ‘Inderdaad kunnen onder de diktatuur van het proletariaat twee, drie of vier partijen bestaan maar alleen op voorwaarde dat er één de macht heeft en de andere in de gevangenis zitten’.
Wie ziet bij zoveel cynisme de staat nog afsterven?
En dat niet alleen, maar er is ook niet de minste aanwijzing dat daar binnen afzienbare tijd wel sprake van zal zijn. Overal waar de marxistiese vlag wappert verkeert de staat in uitstekende gezondheid. Laat het waar zijn dat er geen bewijzen bestaan voor de juistheid van het anarchistiese standpunt, maar dat de marxisties-leninistiese staatsteorie onhoudbaar is, daarover hoeft toch geen twijfel meer te bestaan. Wat Proudhon en Bakoenin in hun tijd hebben vermoed, is in de praktijk duizend keer erger gebleken. Bakoenin zei: De diktatuur van het proletariaat brengt ons naar de kazernes het blijkt de weg naar het koncentratie-kamp te zijn.

In zijn ‘Overdenkingen over het geweld’ had Sorel al voorspeld dat ‘.. de traditionele staat niet veel te lijden zou hebben van een politieke revolutie die de kracht van de echte proletariese organisaties zou gebruiken om zichzelf in het zadel te helpen’. Het producerende volk zou alleen andere meesters krijgen en ‘alles wijst erop, dat die nieuwe meesters veel harder en brutaler zouden zijn dan hun voorgangers’. Deze nieuwe meesters vormen in de Sovjet-Unie en in de volksrepublieken wat Djilas ‘de nieuwe heersende klasse’ noemt. Deze nieuwe klasse heeft zich in het zadel kunnen werken dank zij een militaristiese organisatie van samenzweerders: de bolsjewistiese partij met zijn eenheid van geloof en zijn militaire discipline. ‘De nieuwe klasse heerst in naam van de arbeiders over de rest van de samenleving maar vooral over de arbeiders. Hij oefent in de eerste plaats een intellektueel gezag uit over de beroemde voorhoede van het proletariaat en via die voorhoede over het hele proletariaat. Zo’n schunnig bedrog heeft nog nooit een klasse tegenover een andere klasse gepleegd.’
In een kommunisties stelsel is de eigendom in handen van de gemeenschap en van de natie. Zogenaamd om het ‘nationale erfgoed’ te behoeden worden de arbeiders aangespoord tot discipline en tot werken, zijn stakingen als zinloos verboden en zijn de vakbonden gewone staatsorganen. In werkelijkheid wordt de gemeenschappelijke eigendom door een minderheidsgroep in zijn eigen belang beheerd.. In een kommunisties stelsel zijn politieke macht en eigendom in dezelfde handen. Een wettelijke fiktie moet dit feit verbergen: volgens de wet zijn de mensen wat het bezit van materiële goederen betreft gelijk. In naam en schijnbaar is de natie de eigenaar maar in feite worden het beheer en de eigendomsrechten uitgeoefend door een heel kleine groep die alle touwtjes in handen heeft’.
Zoals we verderop zullen zien geniet deze nieuwe klasse aanzienlijke materiële voorrechten. Maar bovendien trekt ze alle kommandoposten in de partij en de staat aan zich, zij is het apparaat. ‘Een kommunistiese regering is een klassestruktuur en een partijregering; een kommunistiese politie is een partijpolitie; een kommunisties leger is een partijleger; een kommunistiese staat is een partij-staat. De ongeschreven wet dat burgers die geen lid zijn van de partij bepaalde funkties (bij de politie, in het leger, bij de diplomatieke diensten, enz.) niet kunnen bekleden of geen serieuze macht hebben, heeft een sterk bevoorrechte groep burokraten doen ontstaan en maakt dat er buiten de wettelijke kanalen om verbindingen bestaan tussen regering en ambtelijke organen’.
Djilas gaat ook in op de verplichte ideologiese eenheid binnen de partij. Deze verplichte eenheid heeft tot gevolg dat de hogere partijinstanties een diktatuur uitoefenen over het denken van de partijleden. ‘Het marxisme is een teorie geworden die uitsluitend door de partijleiders wordt vastgesteld en uitgewerkt. Het is niet genoeg om marxist te zijn, de partijleden moeten het zijn zoals de partijleiding het wil en voorschrijft. Zo wordt een revolutionair idee een verplicht dogma.’
Ieder spoor van demokratie is op die manier uit de partij verdwenen en vervangen door het leidersbeginsel, dat inhoudt dat de machthebbers in de partij er ook de ideologen van zijn ongeacht hun intellektuele bekwaamheden of onbekwaamheden’. Zodra openlijke meningsverschillen in de partij niet meer toegelaten worden, blijft er niets meer over van het beroemde ‘demokraties centralisme waaraan Lenin zoveel waarde hechtte… en krijgt het onverhulde despotisme van de autokraten de overhand’.
Djilas, van jongsafaan geschoold in het marxisme-leninisme en strijder voor het kommunisme vanaf zijn jeugd, staat voor de puinhopen van zijn illusies. Hij ziet hoe de zogenaamd proletariese staat steeds sterker wordt en schrijft iets wat even goed uit een anarchistiese koker had kunnen komen: ‘Volgens Lenin brengt iedere versterking van de diktatuur van het proletariaat de afschaffing van de klassen vanzelf een beetje dichterbij. Iedere versterking van die diktatuur is daarom aanvaardbaar als een stuk werkelijke vrijheid. Hij maakt dus geheel willekeurig onderscheid tussen bourgeois demokratie en socialistiese demokratie. Maar het enig juiste en bruikbare kriterium is het totaal aan menselijke vrijheid dat iedereen persoonlijk en alle mensen gezamelijk genieten. In de praktijk zijn de effekten van de diktatuur van het proletariaat volkomen tegengesteld geweest aan wat Lenin bedoelde. De klassen verdwijnen niet en de staat vertoont niet de minste neiding om af te sterven. De macht van de staat of, nauwkeuriger gezegd, van het instrument van de staatstirannie, de burokratie, is door de diktatuur van het proletariaat niet minder geworden, integendeel hij wordt alsmaar groter.’

Misschien had Lenin het beste voor toen hij op grond van de ideeën van Marx tot een samenleving zonder klassen en zonder staat wilde komen, maar als Djilas de balans van het leninisme opmaakt, komt hij tot het faillissement dat de anarchisten hadden voorspeld. Men mag nu eenmaal de menselijke faktor niet verwaarlozen, geen enkele teorie kan om de mensen heen. De diktatuur van het proletariaat is geen onpersoonlijk iets: hij wordt uitgeoefend door een gedeelte van het proletariaat onder leiding en onder toezicht van een groep beroepsrevolutionairen. De marxisten-leninisten hadden moeten bedenken dat ideologieën op klassebelangen berusten en dat de nieuwe diktatorklasse zijn onbeperkte macht en gezag dus in een ideologies jasje zou steken. De anarchisten hebben altijd gezegd dat macht korrupt maakt. ‘Breng Vincentius à Paulo aan de macht en het wordt een Guizot of een Talleyrand’ schreef Proudhon. In Federalisme, Socialisme, Anti-teologisme schreef Bakoenin: ‘Niets is zo gevaarlijk voor iemands persoonlijke moraal als de gewoonte het bevel te voeren. Geen mens, al heeft hij nog zulke goede bedoelingen en al is hij nog zo intelligent, onbaatzuchtig, groothartig en eerlijk, kan dat ongestraft doen. Macht brengt onherroepelijk mee dat iemand op de massa gaat neerkijken en een overdreven hoge dunk van zichzelf krijgt… Het spreekt vanzelf dat iemands moraal daar niet beter van wordt.’
Persoonsverheerlijking ontstaat als het volk zich een leider laat welgevallen en door de idiote hoogmoed van de diktators. Baudelaire heeft dat prachtig gezegd:

‘Het vergif van de macht ontkracht de despoot,

Het volk kust de zweep die het tot een beest verlaagt.’

Als de macht in handen komt van tweederangsfiguren of imbecielen trachten deze zich te laten gelden door min of meer gerechtvaardigde represaille-maatregelen. Daarom worden mensen lid van de tsjeka, martelspecialist bij de politieke politie en koncentratiekamp-bewaker. Niets is zo gevaarlijk als een idioot strepen te geven en hem tot korporaal of opzichter te bevorderen…
Gelooft u dat deze mensen, als ze onbeperkte macht genieten en allerlei materiële voorrechten ontlenen aan hun funktie, bereid zullen zijn om te verdwijnen, om te erkennen dat ze van geen enkel nut zijn en om te verklaren dat de staat –hun Staat!– moet afsterven? Is het voor te stellen dat een klasse die de absolute macht bezit blij en opgewekt zijn doodvonnis zal tekenen en wetens en willens zelfmoord zal plegen? Deze vragen laten op zich al zien dat de teorie van Lenin naïef en irreëel is. De nieuwe heersende klasse zal zijn steeds grotere betekenis bewijzen door denkbeeldige komplotten op te rollen, opposities, frakties, anti-partijgroepen uit te schakelen, door zich van alle aktiviteiten meester te maken, door de gedachten van de mensen onder kontrole te brengen, in één woord, door een totalitaire staat te vestigen. Reeds in 1918 was te voorzien dat de diktatuur van het proletariaat daarop zou uitdraaien. De volksrepublieken die na 1945 zijn gesticht, zijn dezelfde weg opgegaan, de republiek van Tito niet uitgezonderd. Als Djilas schrijft: ‘Onder de ijzeren vuist van het kommunistiese regiem heerst een verstikkende duisternis’ bevestigt hij daarmee wat Bakoenin schreef: ‘Vrijheid zonder socialisme is privileges en onrecht. Socialisme zonder vrijheid is slavernij en onmenselijkheid’.

De trotzkystiese sekten laten niets heel van het stalinisme en veroordelen het autoritaire regime in de Sovjet-Unie. Ze zien wat er allemaal niet deugt in dat regime maar evengoed blijven ze verknocht aan het oude marxisme-leninisme. Als de diktatuur van het proletariaat maar goed wordt toegepast moet de staat afsterven. De teorie is goed, maar hij is verkeerd toegepast, zeggen ze. De teorie afwijzen, dat is een anarchistiese kinderachtigheid en dat Trotzky niet veel van de anarchisten moest hebben weten ze wel… Hoe komt het dat de bolsjewistiese partij van de juiste weg is ‘afgeweken’? De trotzkysten hebben een oorzaak gevonden. Het toverwoord: Burokratie. Alle kwalen zijn veroorzaakt door de Burokratie. De Burokratie is de zondebok, het monster uit de oude verhalen, dat zich van de partij en van de proletariese staat heeft meester gemaakt. Door de Burokratie zijn partij en staat de gedrochten geworden die Djilas in zijn boek hekelt. Is dat nu een kwestie van naïeviteit of van brutaalheid? De door een minderheid uitgeoefende diktatuur van het proletariaat vroeg een omvangrijk apparaat om de politie, het leger, de ekonomie, de vakbonden, de jeugd en de intellektuelen in de hand te houden. Toen Lenin in 1918 zei dat de werkende klasse zelf niet tot zinvolle initiatieven kon komen en niet in staat was zijn eigen zaken te regelen en hij alles onderwierp aan de diktatuur van zijn partij, betekende dit dat de bolsjewistiese revolutie een omvangrijk en autoritair optredend ambtenarenapparaat nodig had. De burokratie in de kommunistiese landen is geen afwijking of een voorbijgaand verschijnsel. Geen door een minderheid uitgeoefende diktatuur zonder burokratie, geen totalitaire staat zonder burokratie. Volgens mij had Stalin gelijk toen hij na het eerste vijfjarenplan zei: ‘Als we geen apparaat hadden geschapen waren we verloren geweest’. De diktatuur van het proletariaat? Dat is nooit iets anders geweest dan een diktatuur van apparatsjiki en die diktatuur is steeds erger geworden.

De samenleving na de revolutie

Om tot een verandering in de samenleving te komen is het niet genoeg te weten hoe de revolutie tot stand komt maar moeten we ons ook een beeld vormen van de samenleving na de revolutie. De strijders van juni 1848, van de Kommune van Parijs en in feite alle revolutionairen vochten en stierven niet voor abstrakte ideeën of voor een filosofie maar voor een beetje meer vrijheid en gelijkheid. Voor degenen die uitgebuit worden en niets hebben is de toekomstige samenleving in de eerste plaats een wereld waar de ergste ongelijkheden en onrechtvaardigheden zullen zijn verdwenen en waar het leven een klein beetje minder hard zal zijn, ik zeg niet: gelukkiger, want voor geluk is meer nodig dan een verandering van het ekonomiese stelsel. Het gaat er niet om een beschrijving te geven van de volmaakte samenleving van de toekomst en te dromen van een utopiese samenleving zoals de moderne science-fiction al zo vaak geschilderd heeft. De gereglementeerde samenleving van een Fourier of een Weitling is bepaald geen opwekkend vooruitzicht, eerder iets vrij lugubers. De wereld die Déjacque beschrijft in zijn boek ‘L’humanisphère’ (1861) is goed om kippevel van te krijgen. Marx heeft het goed gezien dat hij niet heeft willen beschrijven hoe de kommunistiese samenleving er presies uit zou zien en hoe de organisatie ervan zou zijn. Maar over het einddoel heeft hij geen twijfel laten bestaan (Lenin noemde dat doel de hogere fase van de kommunistiese samenleving): ‘…als de produktiekrachten zullen toenemen door de alzijdige ontwikkeling van de mensen en alle bronnen van de kollektieve rijkdom overvloedig zullen vloeien, dan pas kan de wereld over de nauwe horizon van het burgerlijke recht heenkijken en kan de samenleving in zijn vaandel schrijven: ’Van ieder naar vermogen voor ieder naar behoefte’ (Kritiek op het Programma van Gotha). In zijn ‘De Staat en de Revolutie’ voegt Lenin hieraan toe: ‘De staat zal volledig kunnen verdwijnen als de samenleving leeft naar het beginsel: ’van ieder naar vermogen,aan ieder naar behoefte’, dat wil zeggen: als de mensen zich de regels van het leven in gemeenschap zo eigen zullen hebben gemaakt en zo produktief zullen zijn dat ze uit eigen beweging naar vermogen zullen werken’.
Er ís geen wezenlijk verschil tussen deze hogere fase van de kommunistiese samenleving en het anarchistiese kommunisme van Kropotkien in zijn boek ‘De verovering van het brood’: ‘.. Het anarchistiese kommunisme is een kommunisme zonder regering, een kommunisme van vrije mensen. Het verwezenlijkt twee doelen die de mensheid de eeuwen door heeft nagestreefd: ekonomiese vrijheid en politieke vrijheid’. Niemand verwacht natuurlijk dat er na de revolutie onmiddellijk een volledig anarchisties kommunisme kan ontstaan. Het gezegde ‘aan ieder naar behoefte’ veronderstelt een grotere produktie zonder grotere vermoeidheid, dus een rationele arbeidsorganisatie en een uitgekiend gebruik van machines. Waar het in wezen om gaat is dus hoe datgene wat Lenin de eerste fase van de kommunistiese samenleving noemt, eruit zal zien. De diktatuur van het proletariaat zal niet aan alle ongelijkheden een einde maken, zegt hij: ‘De eerste fase van het kommunisme kan dus nog geen volledige rechtvaardigheid en gelijkheid brengen: er zullen onrechtvaardige verschillen in rijijkdom blijven’. Maar het afsterven van de staat zal de hogere fase inleiden en de ongelijkheden doen verdwijnen. We hebben al gezien wat er van het marxisties-leninistiese model te verwachten valt. Het leidt niet tot een samenleving zonder klassen en een hogere vorm van kommunisme maar tot een totalitaire staat. Als wij tot het anarchisties kommunisme willen komen moeten wij van het moment van de revolutie af streven naar samenlevingsvormen met zoveel mogelijk vrijheid en gelijkheid en zo weinig mogelijk macht en regering. Wie iets bereiken wil, doet stappen die daarop gericht zijn. Wie vrijheid wil, stelt geen diktatuur in. Wie gelijkheid wil, laat de klassen-privileges niet voortbestaan!

We hebben al gezien dat de anarchisten tegenstanders zijn van het idee van een revolutie geleid door een partij, door een groep uit de werkende klasse die door een diktatuur zijn wil oplegst aan de rest van het volk en aan de andere groepen binnen het proletariaat. Hun enige wens is een revolutie bedacht en tot stand gebracht door de ekonomiese organisaties van de werkende klasss met medewerking of instemming van de boeren en de middenstand. Hiervoor is nodig dat de werkende klasse het ekonomiese leven wil en kan besturen en reeds zelfbestuurde kernen en organen voor de besturing van de toekomstige ekonomiese samenleving heeft gevormd. Het gaat er dus om een einde te maken aan de kapitalistiese hiërarchie, die van de producenten loontrekkers maakt, en aan de staatshiërarchie, die de mensen en de gemeenten verdrukt. In plaats van de van buiten af dirigerende hiërarchieën wil het anarchisme dus de eigen organisatie van de producenten: het leven van een gemeenschap komt niet van boven, het moet beneden ontstaan. Uat Proudhon federalisme noemt zal voor evenwicht zorgen tussen de belangen van de samenleving als geheel en die van de verschillende groepen binnen de samenleving: ondernemingen met grote aantallen verschillend gespecialiseerde arbeiders zullen industriële eenheden vormen bestuurd door de producenten zelf. Deze gedachte van Proudhon is een eerste idee van wat nu arbeiderszelfbestuur heet. De industriële eenheden zouden samen nationale federaties vormen, die zorgen voor zelfstandigheid en onderlinge samenwerking. Naast de industriële federatie zou een landbouwfederatie bestaan: Proudhon gaat nog uit van de zelfstandige, individuele landbouwproducenten maar er is sedert Proudhon veel veranderd en de bereidheid om samen te werken en kooperaties en bonden te vormen neemt op het ogenblik onder de boeren toe.
De enige organisatievorm die na de revolutie een einde kan maken aan centralisme en de macht van de staat op ekonomies gebied is een federatie die de vrijneid en de mogelijkheid voor de producenten om eigen initiatieven te ontwikkelen garandeert. In de produktieeenheden gaat het zelfbestuur uit van de mogelijkheden en de eisen van de produktie; voor de verschillende verbindingsorganen worden afgevaardigden gekozen, niet naar politieke gezindheid maar naar bekwaamheid op een of ander ekonomies gebied; de afgevaardigden zijn verantwoording verschuldigd aan hun opdrachtgevers, ze kunnen steeds worden afgezet en zijn geen burokraten, Het voornaamste diskussie- en besluitnemende orgaan in de industriële eenheid is de arbeidersraad, dat wil zeggen de gezamenlijke arbeiders van de eenheid. De vroegere vakorganisaties, die bij het tot stand komen van de revolutie een beslissende rol hebben gespeeld, blijven bestaan als studieorganen maar hun voorstellen zijn ter beoordeling van de arbeidersvergadering of -raad.
Naast het ekonomies federalisme bestaat er ook een politiek federalisme. Dit politiek federalisme, waarvoor Proudhon ook de term decentralisatie gebruikte, doorbreekt het dogma van de autoritaire, centralistiese staat. De staat als centraal orgaan verdwijnt en met de staat de staatsfunkties, afgezien van die welke ook na de revolutie moeten blijven bestaan. Deze funkties worden overgedragen aan gedecentraliseerde organen, dat wil zeggen aan de gemeenten. De traditionele staat trok steeds meer aktiviteiten van de gemeenten aan zich of onderwierp ze aan zijn kontrole. De gemeenten krijgen hun onafhankelijkheid terug, waardoor de basis van de samenleving zich weer harmonies kan gaan ontwikkelen en er weer een echt gemeenschapsleven kan ontstaan. De gemeente is de basiseenheid in een land, ongeveer zoals het bedrijf de basiseenheid is in de ekonomie. Misschien klinkt dit allemaal erg utopies. Voor velen is het inderdaad ondenkbaar dat de staat nog eens alle funkties die hij in de loop van de jaren aan zich heeft getrokken, en alle dienstverlenende bedrijven die hij eksploiteert in plaats van de gemeenten, kwijt zal raken. Het federalisme zou een nieuw leven betekenen voor het gezonde verstand en de dood voor de muggezifterige autoritaire burokratie. ‘De oude organisatie gebaseerd op geweld en gezag van de bovenliggende over de onderliggende lagen, zou vervangen worden door een nieuwe organisatie, die alleen gebaseerd is op de belangen, de behoeften en de natuurlijke verlangens van de volken met als enige beginsel het vrije samengaan van mensen in gemeenten, van gemeenten in provincies en van provincies in naties’ (Bakoenin: Federalisme, Socialisme, Anti-teologisme).
Ekonomies en politiek federalisme waarborgen zo de vrijheid van producent en individu. Door deze wijze van organisatie zou het mogelijk worden tot de hogere fase van het kommunisme te komen omdat er –vanaf het moment van de revolutie– zoveel mogelijk vrijheid en gelijkheid in de betrekkingen tussen de mensen zou zijn. Proudhon hield van pakkende formuleringen en vatte zijn boek ‘Over het federale beginsel’ als volgt samen: ‘Wie vrijheid zegt zegt federatie, of hij zegt niets. Wie republiek zegt zegt federatie, of hij zegt niets. Wie socialisme zegt zegt federatie, of hij zegt niets’.

De marxisten en leninisten hebben nooit veel opgehad met federalisme, kommunes en zelfbestuur, Voor Marx waren het federalisme van Proudhon en het streven van de parijse arbeiders naar kommune-vorming maar kinderachtigheden. Het zelfbestuur wordt door Lenin in 1922 als volgt afgedaan:
‘Rechtstreekse bemoeienis van de vakorganisaties met het bestuur van de bedrijven zou een ramp zijn en is dus onaanvaardbaar’ (Over de rol en de taken van de vakorganisaties). Toch hebben de marxisten en de leninisten de parijse arbeiders van 1871 hemelhoog geprezen en toch noemden die arbeiders zich gefedereerden en is hun beweging overal bekend onder de naam Kommune. Het is waar dat er bij de gefedereerden veel tegenstrijdige opvattingen bestonden, verwarde ideologieën, meer goede wil en optimisme dan helder inzicht en oog voor de werkelijkheid. Maar degenen die de zaken scherp zagen lieten zich toch maar leiden door beginselen die van Proudhon afkomstig waren, en door opvattingen van Bakoenin uit de tijd van de Eerste Internationale. Marx en Lenin hebben alle mogelijke waardering voor de maatregelen die de Kommune heeft genomen maar deze lijken heel weinig op het regiem dat de diktatuur van het proletariaat na 1918 in Rusland heeft ingesteld. Het is niet waar wat Lenin schrijft dat de anarchisten proberen ‘de Kommune van Parijs voor te stellen als iets dat van hun is’, maar de anarchisten kunnen niet vergeten dat de arbeiders en matrozen van Kronstadt tegen de diktatuur van de bolsjewistiese partij in opstand zijn gekomen op grond van de ideeën van de gefedereerden: de kommune van Kronstadt werd op 18 maart 1921 vernietigd terwijl de daders schijnheilig de vijftigste verjaardag van de Kommune van Parijs vierden!
Wat is er in de tegenwoordige Sovjet-Unie nog terug te vinden van het voorbeeld van de parijse Kommune? Niets: het kommunistiese regiem handelt in ieder opzicht in flagrante strijd met de opvattingen van de gefedereerden. Niettemin is er jaarlijks het rituele huldebetoon dat een ploert verschuldigd meent te zijn aan een fatsoenlijk mens. Met de sovjets is het als met de Kommune van Parijs holle woorden zonder inhoud moeten als alibi dienen voor de nieuwe heersende klasse. Voor veel revolutionaire sindikalisten en voor veel jongeren waren de sovjets in het begin het simbool van de federale, anticentralistiese organisatie die het ekonomiese leven in handen van de producenten bracht. De sovjets waren een belofte van zelfbestuur en van zelfstandigheid voor de gemeenten. Wat is ervan geworden? ‘De sovjets veranderden bijna ongemerkt van revolutionaire vergaderingen in een dekmantel voor de totalitaire diktatuur van de nieuwe klasse en in een spreekbuis voor de partij’ (Djilas).
Mensen die tegen die diktatoriale regimes in opstand komen voor een beetje vrijheid en gelijkheid zien als hun ideaal de Kommune van Parijs, niet het marxisme-leninisme, ook niet de gedestaliniseerde versie ervan, maar de gefedereerden en de miete die dezen hebben geschapen. Het opmerkelijkste voorbeeld is de nieuw linkse beweging die najaar 1967 in de provincie Hunan in China ontstond:<ref>Zie Klaus Mehnert: Peking und die neue Linke, Stuttgart, DVA, 1969, dat een beschrijving geeft van het ontstaan van de linkse beweging in China, met talrijke dokumenten. Andere publikaties van Mehnert over China: Peking und Moskau, Stuttgart, 1962 (Ned.: Peking en Moskou, Franeker, 1962); Maos Zweite Revolution, Stuttgart, 1966; Der Maoismus - Etwas neues unter der Sonne?, 1970.</ref> er vormde zich een jongerenorganisatie (Scheng-wu-lien) die voor China een stelsel wilde waarin het volk zichzelf zou besturen, naar het voorbeeld van de Kommune van Parijs. Ook sprak de Scheng-wu-lien zich uit voor de radengedachte en publiceerde hij eind 1967 een programma waarin zowel de meeste kommunistiese leiders van vóór de kulturele revoluties ervan langs kregen als kapitalisten en bevoorrechte klasse alsook de nieuwe leiders, die niet veel beter waren dan de afgezette burokraten. In een brochure ‘China, waarheen?’ leverde de Scheng-wu-lien een uitvoerige kritiek en zette hij ook zijn doelstellingen uiteen. Op de massamanifestatie van 21 mei 1968 in Peking voerde de beweging de leuze ‘Kommune van Parijs’, maar de partij-leiding maakte een einde aan deze aktie. In een pamflet afkomstig van aanhangers van Mao werd de Scheng-wu-lien beschuldigd van anarchisme: tien punten in het programma werden als anarchisties aangemerkt. De Scheng-wu-lien is het bestaan onmogelijk gemaakt maar het ideaal van de Kommune van Parijs bestaat waarschijnlijk nog bij veel chinese jongeren. Het is toch wel wat dat in het China van Mao, waar de Sovjet-Unie van revisionisme wordt beschuldigd, het herinneren aan de Kommune van Parijs, het vragen om zelfbestuur en het herinneren aan de sovjets als anarchisties wordt gezien.
Hieruit blijkt dat ons standpunt zo gek nog niet is en dat alleen een anarchistiese, federalistiese en kommunalistiese revolutie een einde kan maken aan de totalitaire regimes die gebaseerd zijn op het marxisme-leninisme.

Anarchisme en hiërarchie

De anarchisten zijn tegen iedere vorm van hiërarchie en gezag wordt er gezegd, het anarchisme is dus een dwaze utopie die een geordend maatschappelijk leven onmogelijk maakt omdat menselijke daden nu eenmaal hersens vragen om te bevelen en handen om te doen. Maar twintig eeuwen geleden waren er ook verstandige mensen die meenden dat slavernij iets blijvends was en vijf eeuwen geleden niet minder verstandige mensen die horigheid als een maatschappelijke noodzaak beschouwden!
‘Wij wijzen iedere wetgever, ieder gezag, iedere bevoorrechte, erkende, officiële, wettelijke macht af, ook een gekozen macht, want we zijn ervan overtuigd dat de enige die van macht profiteert de kleine groep machthebbers en uitbuiters is, terwijl de onder de duim gehouden grote meerderheid het gelag betaalt. Dat is ons anarchisme’ (Bakoenin: God en de Staat).
Wat wij afwijzen is het officiële, opgedrongen gezag van de politici en de onkundigen, van de mensen die overal hun neus in steken maar op geen enkel gebied echt kundig zijn en met hun arrogante onbenul de ene ministerspost na de andere bekleden, van de gediplomeerde technokraten die met hun plannen en formules de ekonomie en het land van hun buro uit willen dirigeren, van de zogenaamde geleerden die menselijke problemen willen behandelen als abstrakte wiskundevraagstukken. Wat wij, kort gezegd, afwijzen dat is de ongekontroleerde macht van lieden voor wie een mens niet meer is dan een nummer en een producent niet meer dan een stuk vee. Vergeef me dat ik het woord weer aan Bakoenin geef die het zo glashelder wist te zeggen: ‘Wijs ik ieder gezag af? Geen sprake van. Als ik schoenen moet hebben steun ik op het gezag van schoenmakers, als het om een huis gaat, een kanaal of een spoorlijn, ga ik naar een architekt of naar een ingenieur. Voor iedere tak van weten of kunnen wend ik me tot een bepaalde deskundige. Maar ik laat me niet vertellen welke schoenmaker of welke architekt of deskundige ik moet raadplegen. Ik neem wie ik wil en behoud me daarbij het onbetwistbare recht voor om mijn ogen open te houden en na te gaan of wat ze zeggen kan kloppen. Ik ben niet tevreden met het gezag van één specialist, ik raadpleeg er een paar, ik vergelijk hun meningen en kies de mening die me het beste lijkt. Ik erken geen onfeilbaar gezag, .. er is niemand die ik in alles geloof. Deed ik het wel dan zou dat niet best zijn voor mijn denken, mijn vrijheid en hetgeen ik wil doen. Als ik het gezag van de specialisten aanvaard en bereid ben tot op zekere hoogte en zolang me dat nodig lijkt hun adviezen en zelfs hun richtlijnen te volgen, dan is dat omdat niemand me dat gezag oplegt, geen mens en geen god.. Ik aanvaard het gezag van de specialisten omdat mijn eigen verstand me dat aanraadt. Ook het grootste verstand kan niet alles bevatten. Vandaar de noodzaak, in wetenschap en industrie, van werkverdeling en samenwerking. Het leven is geven en krijgen. Iedereen is om beurten leider en geleide. Er bestaat geen onveranderlijk gezag maar een voortdurende wisseling van gezag en ondergeschiktheid, alles tijdelijk en vooral vrijwillig’ (God en de Staat).
Bakoenin zet hier heel duidelijk uiteen hoe een federalistiese ekonomie in al zijn geledingen kan funktioneren en hoe op ieder nivo de taken worden verdeeld en toegewezen. Daarin is geen plaats meer voor de onwrikbare hiërarchiese struktuur die we nu kennen, en voor de technokratiese diktatuur van doktoren, professoren, ingenieurs, meesters in de rechten, belasting-, bouw-, administratieve en andere kundigen, die hun onmiskenbare kennis en hun niet minder onmiskenbare onmenselijkheid in dienst stellen van het kapitalisme en de staat.
Het gevaar bestaat echter dat het volk zich door blinde en naïeve verering voor de wetenschap laat misleiden en een regering van geleerden gaat toelaten na eerst de hiërarchiese strukturen te hebben afgebroken. De 19e eeuw was de eeuw van het geloof in de Wetenschap en de Onbeperkte Vooruitgang. In de 20e eeuw heeft dat geloof wel een deuk gekregen en is de doorsnee burger wel enkele illusies over de mogelijkheden van de wetenschap en de wonderen van de machine armer geworden, maar toch genieten geleerden en deskundigen nog steeds veel aanzien. Bakoenin schreef behartigenswaardige woorden over de tirannie van de wetenschap: ‘De wetenschap is een kompas in ons leven maar hij is niet het leven zelf.. De enige taak van de wetenschap is licht te geven, niet te regeren.. De wetenschap offert voortdurend het vluchtige, voorbijgaande maar echte leven op aan de eeuwige abstrakties’. Bakoenin vreesde dat de wetenschappers het op een gegeven ogenblik in hun hoofd zouden halen om hun kunnen ook op mensen te gaan botvieren: ‘Wat ik preek, is dus een soort opstand van het leven tegen de wetenschap of liever tegen de heerschappij van de wetenschap, niet om de wetenschap te vernietigen –dat zou een misdaad tegen de mensheid zijn– maar om de wetenschap zijn plaats te wijzen en liefst zo dat hij er nooit meer vandaan komt.. Bewaar de mensheid voor een wetenschaps-aristokratie! Een macht die op wetenschap berust zou prakties gezien de meest meedogenloze en sociaal gezien de verwaandste en beledigendste vorm van macht zijn. Een regering van wetenschappers zou in staat zijn om het leven en de beweging in de samenleving te verlammen. De verwaande, zelfgenoegzame, onmachtige geleerden zouden zich met alles willen bemoeien en de levensbronnen zouden opdrogen onder hun abstrakte adem’.

De eerste stap naar vrijheid voor individu en producentengroepen is de vernietiging van het gezag met zijn hiërarchiese strukturen. Maar de gelijkheid komt geen stap dichterbij zolang de loonongelijkheid blijft bestaan. Het gaat hier niet om het anarchisties kommunisme, de hogere fase van de kommunistiese samenleving, waarin iedereen werkt naar vermogen en kan nemen naar behoefte en het geld een kwade droom zal zijn geworden uit vroegere tijden. Het gaat hier om de overgangstijd, als het ekonomies en politiek federalisme de plaats zal hebben ingenomen van de kapitalistiese staat, als de loodzware erfenis aan oude denkwijzen moet worden opgeruimd en het alledaagse probleem van de beloning voor het werk moet worden opgelost. De leninistiese teorie, die geleid heeft tot een samenleving zonder vrijheid en gelijkheid, is voor ons onaanvaardbaar. Volgens ons brengt het federalisme vrijheid, maar als we niet vanaf het begin zoveel mogelijk gelijkheid invoeren, komt er niets van anarchisties kommunisme en loopt alles onherroepelijk op een mislukking uit. Zelfs beweer ik dat de ongelijkheid in beloning zo diep in het denken geworteld zit dat de strijd daartegen nu, in de bestaande samenleving, al op gang moet komen en het geloof in de billijkheid ervan nu al zoveel mogelijk moet worden ondergraven.
De kapitalistiese en de zich socialisties noemende wereld drukt alles in geld uit: mensen, funkties, beroepen, aanzien, sociale positie, alles heeft geldswaarde. Het verschil tussen chef en ondergeschikte, tussen hoog en laag wordt uitgedrukt in verschil in beloning. Er zijn zelfs verschillende namen voor de beloningen naargelang het soort werk: het staat beter salaris, wedde, een vergoeding of een honorarium te ontvangen dan loon! Heel het maatschappelijk stelsel berust op de ongelijkheid in inkomen, die maakt dat de een overdadig veel krijgt en de ander nauwelijks of niet genoeg om te leven. Als je even nadenkt zie je dat die ongelijkheid in geen enkel verband staat met het nut van het werk, de moeilikheid of de gevaarlijkheid ervan, met de tijdsduur die ermee gemoeid is en zelfs niet met de grotere of kleinere intelligentie van de persoon in kwestie. Er lijkt geen touuw aan vast te knopen en alles lijkt pure willekeur, tot je ontdekt ‘dat het werk van de bevoorrechten bijna altijd hoofdarbeid is, dat wil zeggen te maken heeft met de verbeelding, het geheugen, het denken, terwijl het werk van de mijoenen proletariërs spierarbeid is en vaak, bijvoorbeeld in de fabrieken, arbeid. ..onder omstandigheden die schadelijk zijn voor de lichamelijke gezondheid en een harmonieuze ontwikkeling onmogelijk maken’ (Bakoenin). Het is alsof op een gedeelte van de mensheid de vloek van de lichamelijke arbeid rust en de eeuwenoude minachting voor wat vroeger een ambachtsman heette. Robert Louzon schreef in het blad Révolution Prolétarienne van februari 1970: ‘De uitbuiting is altijd met hetzelfde argument goedgepraat: de verschillende soorten werk zijn verschillend in waarde. Niet ieder werk is gelijk in waarde, wordt er gezegd, er is ’hoger’ en ander werk.. Lichamelijke arbeid is minder, degenen die ‘hoger’ werk doen, waarbij je geen vuile handen krijgt, genieten dus meer aanzien en steken ook nog een stuk van de beloning die de handarbeiders verdienden in hun zak..’.
De man in de straat, de brave burger heeft meestal twee argumenten om de ongelijkheid in beloning goed te praten:

  1. iedereen kan ongeschoold werk doen maar niet iedereen kan ingenieur worden. In dat geval blijven de inspanning en het nut van het werk dus buiten beschouwing. Bovendien zijn er soorten lichamelijk werk die een doorzettingsvermogen en een lichaamskracht vragen die heel wat pennelikkers missen die niettemin op de beloningsladder veel hoger staan;
  2. voor sommige beroepen moet je lang studeren –en dat kost geld– en moet je ook nog grote kosten maken om een buro of een praktijk te kopen en je te installeren. Dat geïnvesteerde kapitaal moet natuurlijk rente opbrengen, die rente is het ekstra hoge inkomen dat architekt, dokter of notaris hun hele leven lang genieten. In een kapitalisties stelsel is er tegen dit argument niets in te brengen: geld dat ergens in gestoken is, moet nieuw geld opbrengen. We komen hier nog op terug.

Wat mij het voornaamste lijkt, is of na de revolutie, in de eerste fase, die tot het anarchisties kommunisme moet leiden, de ongelijkheden van het kapitalistiese stelsel zullen blijven bestaan. Als dat zo is, als er een nieuwe bevoorrechte klasse komt, als kameraad arbeider door kameraad apparatsjik behandeld blijft worden als een tweederangs kameraad, wat heeft een revolutie dan voor zin? Waar is het goed voor om de produktiemiddelen tot kollektieve eigendom uit te roepen als de producent alleen maar van meester verandert en het doen moet met de bedrieglijke belofte van gelijkheid in de toekomst, volgens de leuze: morgen scheren we gratis. Als er in de eerste fase, als het geld en de gebruikelijke beloningen nog wel zullen bestaan, niet zo gauw en zoveel mogelijk gelijkheid van beloning komt, dan is de revolutie niets dan een smerige oplichterij.
Alle anarchistiese denkers hebben aan deze kwestie aandacht besteed. Volgens Bakoenin moeten de beloningen zonder meer worden gelijkgetrokken. In zijn ‘De verovering van het brood’ veroordeelt Kropotkien iedere beloning van werk, of dat nu in geld gebeurt of in werkbonnen. Een kollektieve loondienst, zoals hij het noemt, is niet te rijmen met anarchisties kommunisme. Daar ben ik het mee eens, maar hij meent dat de hogere vorm van kommunisme meteen na de revolutie tot stand komt. Misschien is Kropotkien te optimisties, daar gaat het nu niet om, in ieder geval moet hij niets hebben van ongelijkheid op grond van verschil in werk.
Proudhon is niet zo uitgesproken en aarzelt soms. Hij is voor gelijkheid en moet daarom niets hebben van de hiërarchiese ordening die Saint-Simon en zijn volgelingen willen. Produceren is een kollektief gebeuren en niemand kan daarom aanspraak maken op een groter aandeel omdat hij meer zou hebben bijgedragen dan de anderen, ook een uitvinder niet of een genie. De beloning moet evenredig zijn aan de geleverde hoeveelheid werk: alleen de arbeidstijd telt en een dag werk is een dag werk, om wat voor werk het ook gaat. Verschil in beloning tussen ‘hoger’ en lichamelijk werk wijst Proudhon dus heel duidelijk af. Met de nodige ironie schrijft hij heel raak: ‘Ik geloof, ik zeg en ik houd vol dat er veel arbeiders zijn die meer fantasie vertonen bij het beslaan van een paard dan heel wat schrijvers bij het in elkaar draaien van een roman’. En verder: ‘Een betere positie in de maatschappij, verkregen, of beter gezegd: afgeperst onder voorwendsel van meer talent of verdienste is doodgewoon onrecht en roof’. Nog een derde citaat, waarin Proudhon hetzelfde standpunt verdedigt als Bakoenin: ‘Ik vind dat de samenleving begaafde mensen niet teveel moet spekken en hun vooral geen voorrechten of speciale voordelen moet toekennen, en dat om drie redenen: in de eerste plaats zal de samenleving vaak een charlatan aanzien voor een genie, in de tweede plaats zou de samenleving door die voorrechten van een genie misschien een charlatan maken, iemand zonder fut die zijn hersens niet meer gebruikt, en ten derde zou de samenleving zich opschepen met een meester’. Ik zei dat Proudhon soms aarzelde en zich hier en daar tegenspreekt, net als Bakoenin trouwens. Hij zegt bijvoorbeeld ergens dat hij erin kon komen dat een zeer begaafd iemand (?) zestien (?) keer meer verdiende dan iemand anders. Was dat spot of ging Proudhon inderdaad tegen zijn gewone opvattingen in? Misschien was het om bij voorbaat de inkomens te verontschuldigen van de populaire zangers en zangeressen van deze tijd..

Hoe dachten Marx en Lenin over deze belangrijke kwestie en hoe heeft de proletariese staat de loonkwestie opgelost in de Sovjet-Unie en de volksrepublieken? Over de tijd na de revolutie heeft Marx niet veel gezegd en over de gelijkheid of ongelijkheid van de lonen nog minder. Iedereen kent zijn ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ en weet dat Marx de Kommune van Parijs heeft gefeliciteerd met de afschaffing van ‘de gebruikelijke vergoedingen en representatiekosten van de hoogwaardigheidsbekleders van de staat’ en met het besluit dat de ‘openbare ambten, van de leden van de Kommune tot de laagste tree van de ladder, tegen een arbeidersloon moesten worden vervuld’. Marx liet zich hier kennelijk leiden door een hardnekkige legende. Kropotkien schrijft dat ‘de Kommune besloot dat de leden van de Raad van de Kommune vijftien frank per dag zouden krijgen terwijl de gefedereerden op de stadsmuren het met dertig sou moesten doen’. Maar dat is een andere kwestie.. Voorzover ik weet schrijft Marx maar op één plaats over de ongelijkheid in beloning en dan nog om hem goed te praten. Marx gaat ervan uit dat de waarde van een goed bepaald wordt door de arbeidstijd die maatschappelijk nodig is voor de produktie ervan. Welnu, zegt Marx, een geschoolde arbeider (evenals een technikus, een ingenieur of een intellektueel) produceert in een bepaald tijdsverloop goederen die meer waard zijn dan wat een ongeschoolde arbeider in diezelfde tijd kan produceren. Dat het ene werk een hogere waarde produceert en daardoor een hogere beloning verdient verdedigt Marx door onderscheid te maken tussen het ingewikkelde werk van de geschoolde en het eenvoudige werk van de ongeschoolde arbeider.
Hij schrijft:<ref>Karl Marx: Het Kapitaal, deel I. Zie ook Pierre Bigo: Marxisme et humanisme - Introduction à l’oeuvre économique de Karl Marx (Inleiding tot de ekonomiese geschriften van Karl Marx). Parijs, 1954.</ref> ‘Het ingewikkelde werk is een macht (zoals in de rekenkunde, vert.) of beter: een veelvoud van het eenvoudige werk, zodat een gegeven hoeveelheid ingewikkeld werk overeenkomt met een grotere hoeveelheid eenvoudig werk’, Een vreemde uitleg, die gebaseerd is op de volkomen willekeurige definitie dat ingewikkeld werk een macht is van eenvoudig werk. De enige konklusie die ik kan trekken is dat Marx ofwel niets verklaart ofwel met een andere redenering het tweede argument gebruikt dat ik hierboven besproken heb. Het ingewikkelde werk ontleent zijn hogere waarde aan het kapitaal dat in de studie- en opleidings-tijd is gestoken en dat afkomstig is van het kollektieve werk van de samenleving. Dat houdt in dat kapitaal –dode arbeid– produktief wordt, en dat is in strijd met de marxistiese teorie. In feite praat Marx de vorming van een nieuwe klasse van technici en leiders goed die overeenkomt met de kapitalistiese klasse. Die klasse is er inmiddels ook gekomen..
In zijn ‘Staat en Revolutie’ prijst ook Lenin de maatregelen van de Kommune en neemt hij een heel duidelijk standpunt in: ‘Het is mogelijk en noodzakelijk nu reeds, van vandaag op morgen, te beginnen met de vervanging van het ambtenarenstelsel met zijn hiërarchieke verhoudingen door een eenvoudig stelsel van kontroleurs en boekhouders. Dat is werk dat de burgers met hun opleidingsnivo in het algemeen best aankunnen en dat met een arbeiders-loon voldoende betaald is’. Lenin vindt het ‘een konkrete en praktiese noodzaak en iets dat ook terstond uitvoerbaar is’ om ‘alle technici, kontroleurs, boekhouders en ambtenaren’ het loon van een arbeider te betalen. Alleen neemt Lenin met de linkerhand terug wat hij met de rechterhand heeft gegeven, want in de eerste fase van de kommunistiese samenleving zijn de arbeiderslonen niet gelijk: ‘het bourgeois recht, dat de feitelijke ongelijkheid beschermt, blijft van kracht’. De konsumptie-artikelen blijven nog verdeeld worden naar prestatie, waarbij er rekening wordt gehouden of het om eenvoudig of ingewikkeld werk gaat. Praten over gelijkheid en in het algemeen over rechtvaardigheid ‘wekt verwarring en is kleinburgerlijk’.
De proletariese staat heeft zich trouw aan deze leer gehouden: de samenleving die hij heeft gesticht is strikt hiërarchies geordend, evenzeer, zo niet meer dan de kapitalistiese wereld. Er bestaan grote verschillen in beloning en inkomen en de nieuwe heersende klasse is er even bevoorrecht. De ongelijkheden zijn steeds groter geworden, Stalin maakte de ongelijkheid tot regel en niets rechtvaardigt de verwachting dat de hiërarchiese struktuur nu zwakker zal worden. Wat Djilas in 1957 schreef is nog altijd waar: ‘In 1935 ontving een arbeider in de Sovjet-Unie gemiddeld niet meer dan 1.800 roebel per jaar, terwijl de sekretaris van een distriktskomitee per jaar 45.000 roebel aan salaris en vergoedingen ontving. De inkomens van de arbeiders en de partijfunktionarissen zijn sindsdien veranderd maar de verschillen zijn prakties even groot gebleven… In een kommunisties stelsel is de uitoefening van politieke macht een ideale taak voor mensen die op anderen willen parasiteren… In de meeste steden en dorpen hebben de partijsekretaris en het hoofd van de geheime politie de mooiste huizen en autoos met daarnaast nog andere materiële privileges… De hoge beambten wonen in afzonderlijke woonwijken en beschikken over eigen vakantiehuizen!! Djilas bekritiseert ook het zogenaamde arbeidersbeheer in Joegoslavië, waar ’de reële lonen van de arbeiders en kleine beambten lager zijn dan vóór de tweede wereldoorlog.. Wat is arbeidersbeheer als degenen die het werk doen, de winst niet zelf kunnen verdelen, zowel op ondernemings- als op landelijk nivo?’
Deze trieste balans van vijftig jaar diktatuur van het proletariaat zou onvolledig zijn zonder de rede die Stalin op 23 juni 1931 uitsprak op de Konferentie van Bedrijfshoofden. Stalin veroordeelde daarin het streven naar gelijkheid, het ‘ultra-linkse streven naar nivellering van de lonen’. De beloningsverschillen moesten juist veel groter worden, wie voor gelijktrekking was brak met het marxisme en het leninisme. Op het 17e partijkongres in 1934 verduidelijkte Stalin wat hij bedoelde (alsof dat nodig was!): ‘Onder gelijkheid verstaat het marxisme niet de gelijkschakeling van de persoonlijke behoeften en levenswijzen maar het afschaffen van de klassen. Andere ongelijkheden bestaan er voor het marxisme niet en hebben er ook nooit bestaan’. In teorie verdwijnen de klassen maar in werkelijkheid zijn ze springlevend. Een nieuwe minderheid van uitbuiters volgt de oude op en in 1935 geeft Stalin een nieuw parool uit: ‘alle beslissingen aan de leiding’. Is het denkbaar dat de anarchisten zich bij zulk een cyniese erkenning van de diktatuur van een klasse en bij zulk een verheerlijking van het apparaat ooit met de marxisten-leninisten-stalinisten zullen verzoenen?

Anarchisme, sindikalisme, politiek

Er is in deze brochure al herhaaldelijk sprake geweest van de eigen organisaties van het proletariaat en van de ekonomiese en vakorganisaties van de werkende klasse. In de taal van onze tijd zijn dat de vakbonden en kooperaties. Bij Proudhon en Bakoenin zijn dat heel eigen scheppingen van de arbeiders. Ze zijn onafhankelijk van de staat en de bourgeoisie en scheiden het proletariaat van de kapitalisten. Het zijn zowel verdedigings- (denk maar aan de oude naam ‘weerstandkassen’ voor stakings-fondsen) als aanvalsorganen. Op de korte termijn hebben ze als taak het lot van de arbeider te verbeteren, op de langere termijn gaat het om de verandering van de samenleving door de afschaffing van het loonstelsel. Welke rol kennen de marxistiese en de leninistiese teorie en de sovjet praktijk toe aan de vakbonden? Men haalt dikwijls Marx aan waar hij zegt dat de vakbonden hun taak alleen kunnen vervullen als ze onafhankelijk zijn van de politieke partijen. Maar in de praktijk blijkt dat degenen die zeggen marxist te zijn, revolutionair of reformisties, steeds alles in het werk hebben gesteld om aan de zelfstandigheid van de vakbonden een eind te maken en ze te onderwerpen aan de autoritaire leiding van de partijen die zeggen de werkende klasse te vertegenwoordigen. De duitse vakbeweging was gewoon een satelliet van de sociaal-demokratiese partij (en is dat trouwens nog). Van Lenin is bekend dat hij in 1902 aan de werkende klasse iedere eigen kreativiteit ontzegde: de vakbonden konden niet verder komen dan reformistiese belangenbehartiging. Alleen de Partij was zich zijn revolutionaire rol bewust en kon de werkende massa leiden. Na korte tijd uit de running te zijn geweest kwam deze teorie in 1918 weer op de proppen om dan sistematies te worden toegepast. Zoals we al hebben gezien achtte Lenin iedere inmenging van de vakorganisaties in de produktie uit den boze. De vakbonden werden langzamerhand wieltjes in het raderwerk van de staat met als taak in de fabrieken toe te zien op de strikte toepassing van de orders van het leidende apparaat: toezicht op het werk, verhoging van het werktempo, ophemelen van stachanovs, organisatie van gedwongen leningen‚ goedkeuring van moties waarin de terechtstelling werd geeist van mensen die het niet met de officiële politiek eens waren en van andere ‘agenten van het imperialisme’. Het vakbondsapparaat is zo gewoonweg een bedrijfspolitie in dienst van de partij.
Geen wonder dat enige tijd geleden het hoofd van de staatspolitie tot sekretaris van de vakcentrale werd benoemd: hij veranderde nauwelijks van funktie!
Djilas vat de toestand als volgt samen: ‘Hun doelstelling en hun funktie maakt dat onder een kommunisties regiem de vakorganisaties het eigendom zijn van de enige bezitter en machthebber, de politieke oligarchie. Dat is de reden waarom ze vooral dienen voor de ’opbouw van het socialisme’ door de opvoering van de produktie. Voor de rest hebben ze tot taak het verspreiden van illusies om zo de arbeiders zoet te houden onder het mom het kulturele peil van de massaas te verhogen’.
Wie zou ooit hebben verwacht dat het zover met de arbeidersorganisaties zou komen, toen de anarchisten zich aan het einde van de negentiende eeuw bij de vakbonden aansloten? Fernand Pelloutier wees op het belang van deze gebeurtenis in een artikel ‘Het anarchisme en de vakorganisaties’ in ‘Les Temps Nouveaux’ van november 1895:<ref>Artikel overgenomen in Ni dieu ni maître - anthologie historique du mouvement anarchiste (Geen god en geen meester, historiese bloemlezing van de anarchistiese beweging), samengesteld met medewerking van Daniel Guérin. Editions de Delphes, Parijs, 1965, Heruitgave La Cité, Lausanne, z.j.</ref> ‘De toetreding van de anarchisten tot de vakorganisaties had belangrijke gevolgen. In de eerste plaats leerde de massa hierdoor het werkelijke anarchisme kennen, dat echt geen dienamiet nodig had om zijn waarde te bewijzen. De anarchisten lieten de leden van de vakorganisaties zien wat een vakbond is en kan zijn. Tot dan toe hadden de arbeiders daar een veel te beperkte kijk op gehad… We sporen daarom alle anarchisten aan om lid te worden van de vakbonden en daar de arbeiders, de scheppers van de rijkdommen, te leren dat ze hun eigen zaken zelf moeten regelen en ze erop voor te bereiden om als de tijd daar is de bestaande politieke vormen te vernietigen en nieuwe machtsvorming te voorkomen’. Uit deze inwerking van de libertaire ideeën op de arbeidersbeweging zou het revolutionaire sindikalisme ontstaan. Dit wilde een nieuwe leer zijn, tussen het anarchisme en het socialisme in, onafhankelijk van andere stromingen (Verklaring van Latapie op het vakbondskongres van Amiens in 1906)<ref>Zie Jean Maitron: Histoire du mouvement anarchiste en France (Geschiedenis van de anarchistiese beweging in Frankrijk) (1880-1914), deel. 3, hoofdst.I.</ref>. De teorie en de werkwijze van het revolutionaire sindikalisme zijn terug te vinden in brochures van Pouget, Griffuelhes en Jouhaux en in beknopte vorm in het met prakties algemene stemmen aangenomen Charter van het vakbondskongres van Amiens. De vakorganisatie heeft een dubbele taak: één voor nu en één voor later: nu weerstandsorgaan, later produktie- en distributieorgaan. De vakorganisatie is de spil waar alles om draait. Hij bestrijdt zelf, door eigen ingrijpen, alle vormen van uitbuiting, hij moet onafhankelijk zijn van de partijen en de sekten. ‘Als middel om zijn doel te bereiken propageert de vakorganisatie de algemene werkstaking’.
Het valt niet te ontkennen dat er in het Charter van Amiens en in alle revolutionair sindikalistiese geschriften invloeden van Proudhon en Bakoenin zijn aan te wijzen maar het is niet zo dat revolutionair sindikalisme en anarchisme hetzelfde zijn. Het wantrouwen voor het anarchisme blijkt wel uit het woord ‘sekten’ in het Charter van Amiens. De overheersende rol van de vakorganisatie in de tijd na de revoluties laat geen plaats voor de gemeente (kommune). Het woord ‘kommune’ komt in het Charter ook helemaal niet voor. Daar ligt misschien wel het voornaamste verschil tussen het anarchisme en het revolutionaire sindikalisme. De anarchisten die lid werden van de vakbeweging, gingen zich daarom ook liever anarcho-sindikalist noemen. Ik zal hier niet ingaan op het anarchistiese kongres van Amsterdam in 1907, waar de twee opvettingen tegenover elkaar stonden en waar Malatesta het anarchisme verdedigde en Monatte het revolutionaire sindikalisme. De debatten die daar werden gevoerd, hebben alleen nog maar betekenis als geschiedkundig feit. In de zestig jaar die daarna zijn verlopen is er in de vakbeweging zoveel veranderd dat die diskussie ieder aktueel belang heeft verloren.
Het revolutionaire sindikalisme ging uit van de tiepies proudhonse gedachte dat de werkende klasse autonoom is, door een diepe kloof gescheiden van de kapitalistiese klasse en van de staat, goed weet welke gemeenschappelijke belangen de arbeiders hebben en zich niet wil laten inpalmen door de politieke partijen. Er zijn twee gevaren die de eenheid van het proletariaat bedreigen: inkapseling door de staat en onderwerping door een politieke partij. In Frankrijk ging de eenheid van het proletariaat kapot toen het proletariaat in 1914 achter de leuze van Nationale Eenheid ging aanlopen en het de leiding ging aanvaarden van de Communistische Partij.
Maar er zijn ook anarchisten die menen dat de vakbeweging zo verrot is dat iedere poging om daar iets aan te veranderen verloren moeite en tijd is. ‘De vakorganisaties zijn alleen maar organen die de leden helpen inpassen in het burgerlijke sisteen… De vakbonden zijn niet te hervormen.’ Dit is prakties een erkenning dat de anarchisten niet in staat zijn om hun ideeën ingang te doen vinden in groepen waar ze in de minderheid zijn. Wat kun je dan nog doen? Hoogstens aktiekomitees vormen waar min of meer gepolitiseerde anarchisten en andere linkse jongens in een gesloten kringetje bij elkaar komen. Ik hoop dat deze kameraden niet denken dat de ongeorganiseerden de goede eigenschappen hebben die volgens hen bij de georganiseerden ontbreken.
Het is zeker waar dat de ongeorganiseerden –maar beslist niet allemaal!– als er echt iets aan de hand is zoals in 1936 en 1968, meedoen met de akties die er dan zijn, maar erna zijn de meeste weer even ongeinteresseerd en onverschillig als tevoren en dus onbruikbaar voor het ondankbare alledaagse organisatiewerk. Ik zou liegen als ik zei dat het voor de anarchisten niet ontzettend moeilijk is om in de vakbonden iets te bereiken maar het is wel een beetje simpel en gemakkelijk om dan maar niets te doen en zich tevreden te stellen met wat optimistiese leuzenkramerij in de geest van ‘Het geluk is in onszelf en de anderen, laten we het daar zoeken.. Dat is revolutie.. Laten we mensen zijn, laten we onszelf zijn – de jeugd wil leven en genieten’[Zie het artikel Révolution in: L’anarcho-syndicaliste van maart 1970.][Voor gegevens over het sindikalisme in Nederland, zie Gedenkboek, uitgegeven door het N.A.S., 19185 Dirk Schilp, Dromen van de Revolutie, 1967; Albert de Jong, Fragmenten uit mijn leven, artikel in het tijdschrift ‘Buiten de perken’; Rudolf de Jong, Over mijn vader Albert Andries de Jong, in Mededelingenblad Ned. Ver. ter beoefening van de Soc.Gesch. no.39; Jacques Engels, De socialistiese vakbeweging - Vanwaar? Waarheen?, Monnikendam, z.j. (vert.).].

Zoals we hebben gezien zitten er voor anarchisten aan het wel of niet meedoen aan het vakbondswerk nogal wat haken en ogen en er is heel wat over geschreven en gediskussieerd, niet alleen in het verleden maar ook nu nog. Maar als het om de politiek gaat –in zijn minder fraaie vormen– is er niet het minste verschil van mening: daar moet geen anarchist iets van hebben. Anarchisme heeft met partijpolitiek niets gemeen, of het nu om een burgerlijke partij gaat, een arbeiderspartij, een rechtse, een linkse of een uiterst linkse partij. Het anarchisme bestrijdt iedere groep die met behulp van goed gedrilde troepen op wettige of onwettige wijze de macht in handen probeert te krijgen, de ene staat door een andere wil vervangen en de revolutie beschouwt als het aan de macht komen van een nieuwe heersende klasse. Dat hiervoor voldoende reden bestaat is in de voorafgaande bladzijden wel al gebleken. Iedere samenwerking met een politieke partij, ook voor korte tijd, is zelfbedrog. Eén voorbeeld: de anti-amerikaanse demonstraties in verband met de oorlog in Viet Nam, waarvoor de kommunisten van diverse pluimage de naïevelingen mee probeerden te krijgen. Het doel is nauw omschreven: bestrijding van het amerikaanse imperialisme.. maar geen woord over het russiese en het chinese imperialisme. Dat is net zoiets als het onderscheid tussen rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen en tussen een progressieve en een imperialistiese atoombom. De kameraden die aan deze schijnheilige vertoningen meedoen helpen hun ergste vijanden: zij vergroten het aantal van wat de bolsjewisten ‘de nuttige idioten’ noemen..
Er is een regelmatig terugkerend politiek gebeuren dat in de ogen van de staat –van alle staten– van levensgroot belang is: de verkiezingen. Stemmen is een burgerplicht die de macht legaliseert. Het feit dat ze gekozen zijn vergroot de macht van de leiders. Zelfs totalitaire staten houden verkiezingen: ‘In een kommunisties regiem moet het soevereine volk de schijn redden door te bevestigen wat de kommunisten beslissen en goed te keuren wat ze doen’ (Djilas). Ik wil hier niet alle kritiek herhalen die er sinds Rousseau al is uitgebracht op het parlementaire stelsel en op de machtsoverdracht van het soevereine volk aan vertegenwoordigers. Het is genoeg om te wijzen op de oplichterij die de verkiezingen in feite zijn. De kiezers doen mee aan een spelletje waarvan de regels door anderen zijn opgesteld. De kieswetten hebben in de eerste plaats de bedoeling om de linkse of rechtse partijen die aan de macht zijn, de meerderheid in het parlement te helpen houden. Al naar de omstandigheden gaat de voorkeur uit naar een distrikten-stelsel, naar evenredige vertegenwoordiging of naar een tussenvorm. Zou iemand zomaar uit het hoofd alle kiesstelsels kunnen opnoemen die er sinds 1919 in Frankrijk zijn geweest?<ref>Volgens Le Monde van 27 februari 1973 zijn er in die tijd 15 parlementsverkiezingen geweest volgens vijf verschillende kiesstelsels (vert.).</ref>. Het bepalen van de grenzen van de kiesdistrikten gaat ook gepaard met allerlei gekonkel. Iedere verkiezing wordt gevolgd door dezelfde komedie van statistiekenmakers van de Communistische Partij, die ach en wee roepen over de zetels die hun door het distriktenstelsel zijn ontgaan. Zou evenredige vertegenwoordiging dit onfrisse spelletje een beetje eerlijker maken? Pas maar op! Men wil te kleine groeperingen buiten het parlement houden en beslist –zoals bijvoorbeeld in Duitsland– dat een lijst die minder dan 5% van de stemmen krijgt, geen recht op een afvaardiging heeft. Het kan nog mooier: toen in Duitsland de vrees bestond dat de (neo-fascistiese) N.P.D. 5% van de stemmen zou krijgen is er serieus over gepraat om het minimum-percentage op 10 te brengen!
Is de kiezer vrij? Hij is vrij om te kiezen tussen de kandidaten die de partijen na geheim beraad hebben aangewezen. Hij is vrij om naar hun verkiezingspropaganda te luisteren of te lezen wat de partijen aan beloften en optimistiese toekomstmuziek bij elkaar hebben geschreven. Op de televisie kan hij de verleidelijke glimlach bewonderen van de kandidaten, hun wilskrachtige kin, en al het soort geflonker en geschitter waarmee een afgetrapte hoer nog een klant probeert te strikken. Na de verkiezingen kan de gelukkige gekozene ongekontroleerd zijn gang gaan en mag de kiezer weer wachten tot de volgende voorstelling, waarbij weer hetzelfde spelletje wordt opgevoerd.
Aan de anarchisten wordt wel verweten dat ze door hun afzijdigheid kansen om iets te bereiken voorbij laten gaan: door niet op de beste kandidaat van links te stemmen helpen ze de reaktie, want er schijnt een enorm verschil te bestaan tussen Servan-Schreiber (centrum) en Chaban-Delmas (gaullist) of tussen Pompidou (gaullist) en Duclos (kommunist). Voor ons zijn smerige reaktionairen en nette progressieven nog altijd één pot nat. Wij weten veel te goed dat de grote hervormingen altijd het resultaat zijn geweest van het eigen optreden van de arbeiders en dat de parlementaire meerderheid van links of van rechts altijd heeft toegegeven als hij niet meer tegen de druk van het proletariaat opkon.
Welmenende lieden zeggen dat de anaerchisten een goede gelegenheid voor propaganda voor hun ideeën laten voorbijgaan door niet aan de verkiezingen mee te doen. De verkiezingskampanjes geven de kans om ideeën te verspreiden en om de massa te bereiken. Het gaat er niet zozeer om om stemmen te winnen maar om de mensen te overtuigen, enz., enz. De gebruikelijke redenering van de kommunistiese partijen, van Lenin tot nu toe. Niemand heeft zo op de parlementaire volksverlakkerij afgegeven als Lenin maar hij vond dat het werk in het parlement een goed middel kon zijn om de massa te informeren. In tegenstelling tot de andere frakties gebruikt de kommunistiese afvaardiging het parlement als een tribune om de propaganda van de partij luider te laten doorklinken. De ‘kinderlijk linkse’ houding van de Kommunistische Arbeiterpartei Deutschlands (K.A.P.D.), die weigerde om aan de verkiezingen mee te doen, werd door Lenin een anarchistiese afwijking genoemd. Dezelfde argumenten voeren ook Duclos, Rocard en Krivina (resep. C.P., P.S.U., en trotzkystiese Ligue communiste) aan om in het parlementaire moeras rond te drabben. Nee, ze rekenen er niet op om in de kamer te komen, ze willen alleen de massa bereiken. Maar als afgevaardigden van een arbeiderspartij (of wat daarvoor door moet gaan) een zetel krijgen, raken ze besmet door de parlementaire sfeer en gaan ze zich gedragen als mensen die weten hoe ze zich in net gezelschap moeten houden, ze polijsten hun taal en verschillen in niets van hun rechtse kollegaas. Soms worden ze zelfs minister in een burgerlijke regering. Iedereen herinnert zich nog wel het revolutionaire optreden van Thorez (C.P.) in de tijd dat hij goede maatjes was met de Gaulle…
Er is geen enkele reden om aan de verkiezingen mee te doen. De anarchisten weten wat ze doen als ze zich daarbuiten houden: de arbeiders moeten hun stem niet in het parlement laten horen, want daar worden de beslissingen over de veranderingen in de maatschappij niet genomen: die vallen op het werk en op straat.

Anarchisme en individualisme

In het algemeen worden er drie soorten anarchisme onderscheiden: anarcho-sindikalisme, anarchisties kommunisme en individualisme. In de praktijk is het erg moeilijk om een anarchist in één van die drie kategorieën onder te brengen, zo al omdat alle anarchisten in wezen individualisten zijn, in een bepaalde betekenis dan. De anarchisten willen namelijk de volle ontplooiing van de menselijke persoon, die alle vrijheid moet hebben die verenigbaar is met een harmonies en geordend maatschappelijk leven. Daarom bestrijden anarchisten iedere te ver gaande en ongekontroleerde macht en de staat, die altijd en overal van het individu een robot wil maken, radertje in een onmenselijke machine. De anarchisten zetten het individu aan tot opstand tegen de koude rechtlijnigheid van de ekonomie en de politiek en evenals Proudhon zetten ze ‘het individuele denken aan tot opstand tegen het gezagsdenken’.
Maar de anarchisten moeten niets hebben van het burgerlijke individualisme, van ‘het streven om voor zichzelf welvaart, bezit en geluk te veroveren en veilig te stellen tegen iedereen en op de rug van iedereen’ (Bakoenin). Geen enkele anarchistiese denker heeft zo scherp als Bakoenin laten zien dat het nodig is de vrijheid van iedereen afzonderlijk en de vrijheid van allen gezamenlijk, de rechten van de enkeling en de rechten van de maatschappelijke groep met elkaar in overeenstemming te brengen: ‘De vrijheid van de enkeling is niet iets wat alleen de enkeling aangaat, het is een kollektieve zaak, een produkt van de groep. Niemand kan vrij zijn buiten een menselijke samenleving en zonder medewerking van die samenleving. Alles wat menselijk is in een mens en vooral zijn vrijheid ontstaat in een samenleving, is een gemeenschappelijk produkt. Vrij zijn in volkomen afzondering is iets absurds, een uitvinding van de teologen en metafysici, die het gezelschap van de mensen hebben vervangen door het gezelschap van hun hersenspinsel God… Om vrij te zijn moet ik vrije mensen om me heen zien die mij als vrij mens erkennen… Dat iedereen vrij is beperkt mijn vrijheid niet, zoals de individualisten beweren, maar toont mijn recht op vrijheid, geeft mij vrijheid en maakt mijn vrijheid wereldwijd. Vrijheid en menselijke waardigheid willen voor iedereen, zichzelf het recht op vrijheid toegekend zien en voelen, die vrijheid goedgevonden en over de hele wereld uitgedragen te zien en te voelen door iedereen, dat is het hoogste geluk, het menselijke paradijs op aarde’.

Deze gedachten komen in bijna dezelfde woorden terug in de Revolutionaire Katechismus van Bakoenin (Programma van de Internationale Revolutionaire Broederschap, 1865): ‘Een mens is alleen maar werkelijk vrij voorzover zijn vrijheid vrij wordt erkend en terug te vinden is in het vrijheidsbesef van alle andere mensen en in hun vrijheid wereldwijd verbreid is. Een mens is alleen echt vrij temidden van andere vrije mensen’.
In zijn ‘Verklaring van de Alliantie’ (1871) toont Bakoenin aan dat individuele vrijheid niet strijdig is met organisatie of met ‘de natuurlijke en maatschappelijke wet van de menselijke solidariteit’ en hij gaat verder: ‘De vrijheid van de enkeling is het steeds opnieuw ontstaande produkt van de materiële, intellektuele en morele invloeden die op hem worden uitgeoefend door de mensen die hem omringen en door de samenleving waarin hij geboren wordt, opgroeit en sterft. Zich aan deze beïnvloeding willen onttrekken in naam van een absolute, goddelijke, louter egoïstiese en op zichzelf staande vrijheid is hetzelfde als niet willen zijn… De onafhankelijkheid en individuele vrijheid die de idealisten en metafisici zo graag zien, staat gelijk aan het niets’.
Ook voor Proudhon zijn anarchisme en individualisme niet hetzelfde. Volgens het anarchisme worden besluiten niet individueel maar kollektief genomen. Het kollektieve denken komt voort uit de van alle kanten vrijkomende en onderling botsende energie. Het denken en handelen van een groep is het resultaat van deze botsingen en spanningen die opgeheven worden in een steeds opnieuw te veroveren evenwicht. De individuele vrijheid vindt zijn waarborg in een eindeloze verscheidenheid aan meningen die door geen hoger gezag geremd of verstikt worden. Het federalisme met zijn verschillende geledingen biedt volgens Proudhon de mogelijkheid van een harmonieuze ontwikkeling van groep en enkeling.

Ook Kropotkien, een andere anarchistiese denker, heeft het buitensporige individualisme dat Bakoenin veroordeelde, afgewezen. Voor zijn ontwikkelingsteorie was Darwin vooral uitgegaan van de konfliktgedachte, de strijd om het bestaan. In de biologiese sfeer eindigde de strijd tussen de individuën met de uitschakeling van de zwakkere en minderwaardige eksemplaren. Een leerling van Darwin, T.H.Huxley, was nog verder gegaan en had van de strijd om het bestaan de voornaamste levenswet gemaakt. Deze teorie is volledig in tegenspraak met de anarchistiese uitgangspunten want het anarchisme wil de samenleving juist baseren op samenwerking en vrijwillige overeenkomst. In zijn boek ‘Onderlinge hulp, een ontwikkelingsfaktor’ (1910) toonde Kropotkien op grond van studies over allerlei diersoorten en primitieve samenlevingen aan dat de onderlinge hulp tussen individuën van eenzelfde soort als een natuurwet is te beschouwen. Strijd tussen individuën van eenzelfde soort komt maar bij uitzondering voor en is geen nuttige ontwikkelingsfaktor. In zijn onvoltooid gebleven boek over de moraal maakte Kropotkien de onderlinge hulp tot de grondslag van een anarchistiese moraal. Dat is wel iets anders dan het slecht gedefinieerde individualisme dat gewoonlijk aan de anarchisten wordt toegeschreven…
En Stirner dan? zal men zeggen, dat was toch ook een anarchistiese denker, die stond een absoluut individualisme voor dat mijlenver verwijderd was van wat Proudhon, Bakoenin en Kropotkien dachten! Als we over Stirner willen praten moeten we eerst afrekenen met een paar karikaturen van het denken van Stirner. De bourgeois en marxistiese kommentataren maken van Stirner een doordraver, een ras-egoïst, een voorstander van moord en niets ontziende vernielzucht. Daarnaast zijn er die sinds het ongelukkige boek van Victor Basch ‘Het anarchistiese individualisme: Max Stirner’ (1904) Stirner als een anarchist beschouwen en een vroege voorstander van algemene staking en opstand. Stirner zou daar stomverbaasd over hebben gestaan: ‘De Enige en zijn Eigendom’ is geen handboek voor burgeroorlog en evenmin een werkstuk van een maatschappijhervormer. Stirner heeft in 1844 het trotse Protest opgesteld van het Individu, het Ik, de Enige, tegenover een samenleving die hem verplettert, hij heeft de leugens aan de kaak gesteld waarmee de sociale dwang wordt goedgepraat, hij heeft de geesten en de waanvoorstellingen bezworen die het menselijk denken beheersen: God, de Mensheid, het Werk, de Waarheid, de Rechtvaardigheid, de Liefde voor de Evenmens. Ook de staat, de partijen en het opkomende kommunisme ontsnappen niet aan zijn vernietigende krietiek, evenmin als de verschillende vormen van gezag en hiërarchie. Je zou kunnen denken dat deze lofzang op het Ik en het Egoïsme in lijnrechte tegenstelling staat tot het anarchisme van Proudhon en Bakoenin. Maar het is niet zo dat het Ik van Stirner alleen achterblijft op de puinhopen van de samenleving. Stirner heeft een harmoniese wereld voor ogen die als een ver einddoel is te beschouwen, als de hemel van het anarchisties kommunisme. In hun streven naar evenwicht tussen de noodzaak met anderen samen te leven en het behoud van hun eigen persoonlijkheid vormen de Enigen volkomen open en losse, vrije associaties, waarin het eigenbelang van de leden het regelende en bindende element vormt. Stirner aanvaardt zelfs dat voor het goed verlopen van het werk organisatie nodig is en ziet de liefde –waarvoor de Geliefde het voorwerp is van de egoïstiese hartstocht van het Ik– als het vaste uitgangspunt van de associaties van Enigen.
Stirner is geen aanhanger van de absolute vrijheid: vrijheid als op zichzelf staand iets is een innerlijke onmogelijkheid. Boven de altijd beperkte vrijheid staat de persoonlijkheid, die het wezen is van het Ik. Stirner veroordeelt de maatschappij, die de vrijheid beperkt en de persoonlijkheid onderdrukt, en stelt daar de associatie tegenover, ‘die niet de vrijheid als doel heeft –want de associatie offert de vrijheid op aan de persoonlijkheid– maar de persoonlijkheid zelf’. Dus zelfs in de ekstreme vorm die Stirner voorstelt, is het anarchisties individualisme –voor wie deze tweeslachtige term wil handhaven– geen verheerlijking van het ene individu tegenover de anderen Individuën, geen wet van de jungle en geen afwijzing van iedere vorm van organisatie.

De anarchisten en god

Hoe de anarchisten over godsdiensten en god denken is eigenlijk uit de voorgaande bladzijden al af te leiden. Het anarchisme bestrijdt de ongebreidelde macht, het staatsdenken, de onverdraagzaamheid en de op een hiërarchies denken steunende macht van klassen en kasten; volgens het anarchisme is de mens met zijn aanvoelingsvermogen en zijn verstand in staat om de wereld waarin hij leeft te veranderen zonder de hulp in te roepen van een alleen in zijn denken bestaande god of zich te onderwerpen aan een bovenaardse wil. Het anarchisme bestrijdt de grondslag van de godsdiensten en alle godsdiensten wijzen het anarchistiese denken af: de joodse en de katolieke godsdienst, de islam, de verschillende protestantse kerken, allemaal zijn ze van vervolgden vervolgers geworden, ze zijn allemaal bronnen van onverdraagzaamheid en onderdrukking geweest of zijn het nog, want allemaal willen ze de hele wereld omvatten, ‘katoliek’ (=algemeen, vert.) zijn, allemaal hebben ze geprobeerd zowel de geestelijke als de wereldlijke macht in handen te krijgen. En als ze er niet in slaagden de volledige macht te veroveren hebben ze zich altijd opgesteld aan de kant van de staat en de gevestigde orde, altijd zijn er wel priesterhanden geweest om de bijl van de beul te zegenen. Deze ontwikkeling van de godsdiensten is niet verwonderlijk: zoals we bij de kommunistiese regimes hebben gezien, leidt het veroveren en handhaven van de macht tot vervolging en onderdrukking van de individuën. ‘De waarheid is dat iedsre politieke of godsdienstige ideologie die over dwangmiddelen beschikt en de macht bezit om zijn tegenstanders te vernietigen, daar gebruik van zal maken, want het eigen bestaan staat op het spel. Onverdraagzaamheid is het onvermijdelijke kenmerk van ieder geloof dat meent de waarheid te bezitten en de macht heeft om die aan anderen op te leggen.’<ref>A.Bailly: La Réforme en France jusqu’à l’édit de Nantes (De Hervorming in Frankrijk tot het Edikt van Nantes), Parijs, 1960.</ref>.
Maar laten we het niet verder hebben over de goden van de geopenbaarde godsdiensten, over Jahwe of Allah, die alle eigenschappen hebben van een jaloerse, wrede, bloeddorstige tiran met onberekenbare en ondoorgrondelijke bedoelingen, of over de God van Calvijn, die de één voorbestemt tot eeuwig geluk en de ander ‘door een verborgen en onbegrijpelijk maar juist en rechtvaardig besluit’ tot eeuwige verdoeming, nee, laten we het hebben over de god van de theïsten, de schepper en bestuurder van het heelal, alomtegenwoordig, alwetend, een god die in allerlei verschijningsvormen kan optreden, als de god van de priester in de bergen van Savoje uit het verhaal van Rousseau, als de god-tijdregelaar van Voltaire, die de raderen van de wereldmachine afstelt, of als de god-politieagent van Frederik II of Napoleon, die het gewone volk en het gepeupel in bedwang moet houden. De anarchisten noemen zich atheïsten. Atheïst zijn is de eerste eis die gesteld wordt aan de leden van de Internationale Revolutionaire Broederschap van Bakoenin: ‘De internationale broeder moet atheïst zijn en samen met ons voor de aarde en de mens alles terugeisen wat de godsdiensten naar de hemel hebben overgeplant en aan hun goden hebben toegeschreven: de waarheid, de vrijheid, de rechtvaardigheid, het geluk, de goedheid’ (Bakoenin, 1865).

In ‘God en de Staat’ zal Bakoenin schrijven: ‘Het begrip god houdt in: afstand doen van menselijk denken en menselijke rechtvaardigheid, het is de meest absolute ontkenning van de menselijke vrijheid en betekent dat de mens zonder meer slaaf is, in teorie en praktijk. Als god bestaat, is de mens slaafs; wel, de mens kan en moet vrij zijn, dus god bestaat niet’.
Bakoenin voelt heel goed aan dat deze redenering niet voldoende is om een duizenden jaren oud geloof te doen verdwijnen. De ‘bewijzen’ voor het niet-bestaan van god kunnen het niet winnen van een god ‘waarvan je het bestaan niet kunt bewijzen maar wel voelen’. Bakoenin schrijft daarom: ‘Zolang de oorzaak van alle ongerijmdheden die de wereld kwellen, niet is vernietigd, blijft het geloof in god bestaan en zal het steeds weer opnieuw wortel schieten’. Wat maakt het dan uit of god bestaat of niet? Het hersenspinsel en waandenkbeeld god leeft in miljoenen harten met zijn gevolg van heilloos bijgeloof. God moet in de geesten worden bestreden, we moeten god in ons hart aanvallen en vernietigen. ‘Je bent nooit klaar met het bestrijden van god’, zei Proudhon. Die leuze zou een soort grond-beginsel kunnen zijn van het anarchisme, dat een filosofie is van de opstand. Vandaar de vraag die je je zou kunnen stellen: zijn Proudhon, Bakoenin en veel anarchisten atheïsten of anti-theïsten? (mensen die het bestaan van een god ontkennen of die tegen god zijn, vert.)
Proudhon heeft de benaming atheïst voor zichzelf altijd afgewezen en soms heel fel, zoals in zijn brief aan Pierre Leroux in 1849. Hij maakt de indruk god als een persoonlijke vijand te beschouwen, als de som van al het kwaad, als de steunpilaar van staat en orde: ‘God, dat is tirannie en misterie, god is het kwaad!’ De gang van de mensheid naar een betere samenleving is een strijd tegen god, deze strijd blijft altijd noodzakelijk en moet steeds opnieuw worden gestreden, het is de eeuwige opstand van Prometheus. Pierre Ansart vat het anti-theïsme van Proudhon als volgt samen: ‘De mensheid is het tegengestelde van god, dat is haar wezen. Het goddelijke simboliseert niet de bescherming door een voorzienigheid maar alles waarvan een vrije samenleving zich moet ontdoen: gezag, noodlot, tirannie, klassenongelijkheid, armoe en verdriet, in één woord: het kwaad’ (De sociologie van Proudhon).
Volgens mij is het anti-theïsme van Bakoenin nog radikaler dan dat van Proudhon. Bakoenin ziet dat god in de harten van de mensen leeft. Als er nog sporen van onverdraagzaamheid of autoritaire neigingen in ons aanwezig zijn komt dat doordat god nog ergens diep in ons hart leeft. God moet uitgeroeid worden: een revolutie in de harten is in de eerste plaats god eruit verdrijven. Maar als god nu eens echt bestond en niet louter een waandenkbeeld was? Als god bestond moest je dan je hoofd buigen of doorgaan met hem te bestrijden? Het antwoord van Bakoenin is: ‘Als god bestond kon hij de menselijke vrijheid alleen maar dienen door ophouden te bestaan… Ik keer de woorden van Voltaire om en zeg dat, als god bestond, je hem zou moeten afschaffen’.
Dit anti-theïsme, dat zuiverder dan wat ook de opstandigheid vertolkt van het individu tegen het ‘eeuwige zwijgen van de godheid’, is terug te vinden bij alle bezetenen die weigeren kompromissen aan te gaan of de strijd op te geven. Naar aanleiding van zijn verblijf in de gevangenis in 1956 schreef Milovan Djilas:<ref>Milovan Djilas: De onvolmaakte maatschappij.</ref> ‘Het deed me plezier te ontdekken dat ik de duivelse gedachte koesterde dat ik, als het ooit eens onmogelijk zou worden om het bestaan van god te ontkennen, tegen de goddelijke alwetendheid en onveranderlijke orde precies zo in opstand zou komen als ik nu met ketters plezier in opstand was gekomen tegen de georganiseerde, despotiese, onmenselijke partijeenheid’. Proudhon, Bakoenin en Djilas zijn langs heel verschillende wegen tot hun standpunten gekomen maar ze worden gedreven door dezelfde opstandigheid. Het anti-theïsme is geen partijkenmerk, het is de uitdrukking van het diepste denken van iedere vrije mens.
De opstandigheid van het anti-theïsme gaat verder dan het traditionele atheïsme. Als god niet echt bestaat, bestrijdt het anti-theïsme de god die aan de geesten knaagt, bestaat hij wel, dan bestrijdt het anti-theïsme god als tiran en weigert het zijn opperheerschappij te erkennen. Het anti-theïsme is de nieuwe gedaante van de oude miete van Prometheus, die het noodlot en de onsterfelijke goden trotseert en die in het beroemde gedicht van Goethe tegen Zeus zegt: ‘Ik vorm de mensen naar mijn beeld, zij zijn een ras dat op mij lijkt, zij zijn gemaakt om te lijden, om te huilen, om te genieten, om plezier te hebben en om jou te verachten, zoals ik’. Het anti-theïsme is het entoesiaste antwoord op de kreet van Baudelaire

‘Ras van Kaïn, stijg op naar de hemel

en smijt god op aarde!’

De geleerde dialektici zullen hun schouders ophalen en zeggen: Dichterstaal! Maar is dichten niet een onsterfelijke vorm geven aan de beste gedachten van de mensen?

Naar een nieuw anarchisme

De laatste jaren is er veel sprake van vernieuwen van de oude ideologieën, van ze aanpassen aan de eisen van deze tijd, ze te moderniseren, enz. De voorstanders van deze verjongingskuren beschouwen zich als pioniers: zij houden het oog op de toekomst gericht, schudden het stof van het verleden van hun voeten, rekenen af met oude dogmaas, laten de geschiedenis voor wat ze is en willen van voren af aan beginnen. Het is allemaal neo-marxisme, neo-sindikalisme en zelfs neo-anarchisme wat de klok slaat.
Ortodoksie komt onder anarchisten niet veel voor, Anarchisten zijn als regel niet slaafs of overdreven eerbiedig tegenover hun filosofen en denkers. De geschriften van hun voormannen zijn veel minder tot bijbels geworden dan de geschriften van bijvoorbeeld Marx, Lenin, Trotzky en Mao-tse-toeng voor sommige kommunistiese partijen. De anarchisten hebben nooit veel moeite gehad om bepaalde opvattingen van hun voormannen te verwerpen. Zo werd bijvoorbeeld in de tijd van de Eerste Internationale een groot deel van het denken van Proudhon als verouderd beschouwd. Sommige opvattingen van Bakoenin vinden nog nauwelijks aanhang, bijvoorbeeld zijn geloof in de revolutionaire betekenis van de verarmde bevolkingsgroepen en de bandieten; in het Rusland van de zestiger jaren van de vorige eeuw waren er goede gronden voor dat standpunt maar de omstandigheden die dat standpunt toen rechtvaardigden, bestaan niet langer. Volgens mij is het anarchisme veel meer met de omstandigheden van plaats en tijd mee ontwikkeld dan veel vormen van marxisme. Het heeft grondgedachten, die nog steeds niet onhoudbaar zijn gebleken, gehandhaafd, bijvoorbeeld de afwijzing van onterecht gezag en van de staat, en het geloof in zelfbestuur en federalisme. Bepaalde utopieën en misvattingen die in het begin van deze eeuw nogal opgang maakten, zijn nu verlaten. Maar zijn er misschien redenen om fundamentele uitgangspunten van het anarchisme te herzien of aan de kant te zetten?
Een van de belangrijke karaktertrekken van het anarchisme is zijn belangstelling voor de menselijke persoon en zijn opvatting dat de vrijheid het uitgangspunt moet vormen voor de individuele moraal. Alles wat te maken heeft met het bewustzijn en het onbewuste, met het gevoelsleven en met het invoelingsvermogen interesseert het anarchisme. Na Stirner en ook na Kropotkien is er in het denken heel wat veranderd en het zou dwaasheid zijn om te doen alsof Freud en Reich nooit hebben bestaan. In het individuele leven spelen de erotiek en de seksualiteit een niet te verwaarlozen rol. Het zou belachelijk zijn om aan deze zaken geen aandacht te besteden onder het voorwendsel dat ze gebruikt worden voor publiciteitsstunts of tot begripsverwarring leiden.
Ik moet me hier tevreden stellen met een enkel woord, dat aan deze zaken niet volledig recht doet. Er zijn kameraden die vinden dat alle revolutionaire ideologieën het belang van de ekonomiese onderbouw overdrijven, doen alsof we geen lichaam hebben en alleen maar denken aan de socialisatie van de produktiemiddelen. In feite zijn er behoeften die een mens helemaal onafhankelijk van het bezit van de produktiemiddelen bevredigen kan, de seksuele behoeften bijvoorbeeld. Het gaat er niet om van de seksualiteit een nieuwe onderbouw te maken maar om te laten zien dat het ekonomiese leven maar een deel is van de onderbouw en dat de werkelijkheid een geheel vormt. Het verschil tussen mens en dier is niet alleen daarin gelegen dat de mens bestaansmiddelen kan produceren maar ook daarin dat zijn seksualiteit niet aan seizoen of leeftijd is gebonden.
Die kameraden wijzen op het grote belang van het onbewuste, dat door de revolutionaire ideologen is ontkend (Lenin: ‘De teorie van Freud is een mode-gril!’). Maar zij zijn van mening dat de leer van Freud ten dele verouderd is en scharen zich aan de zijde van Wilhelm Reich (De funktie van het orgasme, De seksuele revolutie). Terwijl Freud een tegenstelling zag tussen de seksuele drift (Eros) en de doodsdrift (Thanatos), waarvan de laatste zich uitte in masochistiese neigingen en behoefte aan straf, ziet Reich als gevolg van de seksuele remmingen een vernielingsdrift optreden die een bron voor gevaar wil vernietigen. Hierdoor zette Reich de traditionele psychoanalyse op zijn kop. Deze ging immers in de richting van een niet opvolgen en zelfs een bewust verdringen van de natuurlijke instinkten, terwijl Reich juist vond dat deze instinkten bevredigd moesten worden.
De verdeling van de samenleving in een proletariaat en een bourgeoisie is volgens Reich een ideologiese verdeling. ‘De klasse bepaalt niet de karakter-strukturen zoals hij de ekonomiese en maatschappelijke omstandigheden bepaalt. De karakter-strukturen hebben niets met de klassestrijd tussen proletariaat en bourgeoisie te maken’ (W.Reich). Het voornaamste is te leven: ‘Iemand bij wie de levensfunkties goed werken heeft geen teorie over het leven nodig’ (W.Reich). Je moet leven naar je zin en je neigingen, eigen strukturen (het woord is nu eenmaal in de mode) scheppen, kollektieven en kommunes van mensen die elkaar liggen. De opvattingen van deze kameraden komen hierin overeen met die van Stirner met zijn associaties van egoïsten. De visies die zij hebben op het funktioneren van deze gemeenschappen zijn de visies van het traditionele anarchisme.
We verlaten hier het terrein van de seksualiteit in strikte zin, Het seksuele leven is een zaak van meer dan één persoon omdat er steeds tenminste één partner bij betrokken is met wie iemand langer of korter samen blijft. Maar als twee individuën samen zijn wordt hun vrijheid beperkt, zoals ook Stirner zei: de vrijheid van de één beperkt de vrijheid van de ander. Seksuele relaties zijn een persoonlijke zaak, waar geen plaats is voor verboden en taboes. Elk van de twee partners is geheel vrij op voorwaarde dat hij de vrijheid van de ander respekteert. Bovendien heeft iedere daad gevolgen, en het gezonde verstand –ik zeg niet de moraal– eist dat iemand de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn daden op zich neemt. Een kind is ook een vrij wezen met een eigen persoonlijkheid, minstens in aanleg. Zijn verantwoordelijkheid uit de weg gaan in naam van de volledige vrijheid van het individu is een vorm van verdrukking van het kind en komt in strijd met de grondgedachten van het anarchisme. Ontdaan van alle wetenschappelijke rimram, filosofie en literatuur blijft er zo van het seksuele vraagstuk een doodsimpele zaak over, waar volgens mij alle anarchisten ongeveer hetzelfde over denken als ik.

Ik heb in deze brochure vooral de rol van het anarchisme willen beschrijven als faktor in het veranderingsproces van de samenleving, in de praktiese arbeidersstrijd en in het streven naar een rationele en menselijke organisatie van het ekonomiese leven. In de laatste vijftig jaar hebben de wetenschappen zich ontzettend snel ontwikkeld, er zijn enkele techniese revoluties geweest en de industrialisatie heeft een enorme vlucht genomen. De industriele samenleving van deze zeventiger jaren is niet te vergelijken met de wereld van vóór 1914. Vandaar de belangrijke vraag: worden de anarchistiese teorieën door de versnelde ontwikkeling van techniek en wetenschap bevestigd of ontkracht? Komen we door die ontwikkeling dichter bij een anarchistiese samenleving, waarin ieder die werkt naar vermogen zal kunnen krijgen wat hij nodig heeft, of raken we juist verder van zulk een samenleving verwijderd? Uwe Timm geeft in een artikel in het duitse anarchistiese tijdschrift Befreiung van juli 1969 de opvattingen weer van een groep duitse kameraden –voorstanders van wat zij noemen een pragmaties anarchisme– die willen ‘nadenken over de wetenschappelijke en techniese revolutie, over de nieuwe mens en over de toekomstige samenleving’. Ik geef hieronder het artikel van Uwe Timm in grote lijnen weer.

I. Wetenschap en techniek ontwikkelen zich steeds sneller maar bovendien zien we dat nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen al binnen tien jaar toepassing vinden in de ekonomie en in het produktieproces. Tegelijkertijd wordt de kloof tussen de vooruitgang op technies-wetenschappelijk en die op maatschappelijk gebied steeds groter. Door de struktuur van onze samenleving leidt de wetenschappelijke vooruitgang tot vernietiging van de mensheid.

  1. De wetenschappers beschouwen de wetenschap als neutraal, ze houden zich niet op met de toepassing van de wetenschap. Ons lot wordt niet bepaald door de wetenschap en de techniek maar door de maatschappelijke orde, die van de techniek een zegen of een vloek kan maken. Een samenleving waarin de vrijheid norm is, maakt een gunstig gebruik van de techniese vooruitgang, een kapitalistiese of kommunistiese samenleving gebaseerd op macht en onderdrukking gebruiken diezelfde vooruitgang om te vernietigen. ‘Een stabiele samenleving kan niet berusten op een evenwicht in afschrikking dat vroeg of laat verstoord kan worden, maar alleen op een nieuwe moraal’ (Karl Steinbuch, Die informierte Gesellschaft, 1968).

  2. De machine denkt en beslist niet maar kan wel steeds meer menselijk werk overnemen: een fabriek zonder arbeiders is geen utopie meer. De mogelijkheden van de automatie zijn nog bij lange na niet uitgeput. Werktijdverkorting is vooral mogelijk door rationalisatie. Volgens een amerikaanse studie (Hermann Kahn en Anthony Wiener) zou in het jaar 2000 een industrie kunnen draaien op 2% van het aantal arbeiders dat nu in diezelfde industrie werkzaam is. Het aantal mensen dat aktief is in overheidsdiensten, de vrije beroepen, het onderwijs en de kreatief-techniese beroepen zou dan veel groter kunnen zijn dan nu het geval is.
    In het algemeen wordt aangenomen dat de loonshoogte samenhangt met de kapaciteiten. In werkelijkheid worden kapaciteiten altijd over- of onderschat en door de wet van vraag en aanbod dienen ze soms zelfs alleen maar als schijnargument. De menselijke werkkracht gaat steeds meer in waarde achteruit omdat een mens het nu eenmaal tegen een computer moet afleggen, het opleidingsnivo wordt steeds hoger en het aantal technici neemt voortdurend toe. Het gevolg is onderlinge konkurrentie tussen de werknemers waardoor hun beloningsnivo nooit boven een bepaalde grens komt. Bittere armoe zoals vroeger komt niet meer voor, ook de arme plukt de vruchten van de techniese vooruitgang, maar wie de verdeling van het nationaal inkomen bekijkt zal zien dat het verschil tussen arm en rijk nog altijd even groot is. Weegt trouwens het bezit van een auto of van een eigen huis op tegen de noodzaak altijd maar te moeten leren en steeds harder en efficiënter te moeten werken met daarbij de vrees voor een altijd mogelijke krisis en voor het oud worden en daardoor geen werk meer vinden? ‘Hoe moeten de samenleving en de ekonomie georganiseerd zijn, vraagt Steinbuch: zich af, om menselijke waardigheid en toekomstige techniese ontwikkeling met elkaar te verzoenen?’ Dat is de vraag waar alles om draait.

  3. Volgens de anarchisten mogen de verworvenheden van de wetenschap de mens geen lichamelijke of geestelijke schade berokkenen en mag niemand deze verworvenheden daarvoor gebruiken. Dat zijn in feite de twee wetten van de robotika van de bioloog en science-fiction schrijver Isaac Asimov. Kropotkien schrijft: ‘De techniese ontwikkelingen maken het de mensen mogelijk zich van de slavenarbeid te bevrijden’. En Arthur C. Clarke schrijft in zijn Beschouwingen over de toekomst van de techniek (Regards sur l’avenir de la technigue (1963)): In plaats van recht op werk moet er recht op welzijn komen. De mensen zouden moeten gaan inzien wat zovelen niet meer begrijpen, dat namelijk het enige waar het in het leven op aankomt dingen zijn waarvan de waarde niet te meten is: schoonheid, wijsheid, een lach, liefde.
    Voor de bourgeoisie is een mens een werktuig. Of het werk dat hij doet nuttig is doet er niet toe, ook niet of hij een vernietigingswerktuig is, een gespecialiseerde idioot of soldaat.
    Voor de leiders van de vakbeweging en de sociaal-demokraten telt alleen de werkgelegenheid. Hun leuze is ‘recht op werk’. Of het werk is in een nuttig produktieproces, in de oorlogsindustrie, in het leger of in de ambtenarij, dat is allemaal niet belangrijk.
    Tussen inkomen en kapaciteiten bestaat geen redelijk en zelfs geen werkelijk verband meer. Het is daarom onaanvaardbaar dat gedaan wordt alsof dat verband wel bestaat. De oplossing is niet meer om de individuele inkomens te verhogen ten koste van de ondernemingswinsten –wat trouwens toch maar een illusie is– maar om op te houden zijn werkkracht aan de meestbiedende te verkopen en een eind te maken aan de loonarbeid. De oplossingen die de anarchisten steeds hebben voorgestaan: maatschappelijke eigendom, kooperatie, zelfbestuur, federale verbanden, hebben in de eeuw van de automatie niets van hun waarde verloren.
    Het nieuwe proletariaat, dat binnen afzienbare tijd meer employees en technici zal omvatten dan arbeiders, vormt een probleem waar de menselijkheid van de mens mee staat of valt: het kapitalisme wil het aantal specialisten zo snel mogelijk uitbreiden door een versnelde opleiding die geen ruimte laat voor zogenaamd nutteloze kennis en voor de ontwikkeling van inzicht en krietiese zin, maar uitsluitend gespecialiseerde robots vormt die een bepaalde taak kunnen verrichten maar buiten hun vakgebied van niets weten, Deze dreigende ontmenselijking is zowel in autoritaire als in demokratiese samenlevingen waar te nemen, in de Verenigde Staten zowel als in de Sovjet-Unie. Krijgt deze tendens de kans om zich door te zetten dan wordt de menselijke persoon op de duur vernietigd.

Deze beschouwing leidt tot drie gevolgtrekkingen:

  1. de tijd van de techniek heeft een op vrijheid gebaseerde school nodig in plaats van het kapitalisties georiënteerde autoritaire onderwijs;
  2. de grotere produktiemogelijkheden die het gevolg zijn van automatie en kybernetika, maken het mogelijk de samenleving vrijer en veiliger te maken op voorwaarde dat de ekonomie zo is georganiseerd dat iedereen krijgen kan wat hij nodig heeft om te leven;
  3. verwezenlijking van deze twee punten is alleen mogelijk als het wereldmilitarisme is verslagen, want dit houdt de autoritaire ideologieën in stand.

Ik eindig met twee konklusies. Van de ene kant is de mensheid in levensgevaar. De kapitalistiese en kommunistiese staten hebben zich volledig ingesteld op steeds snellere industrialisaties. Door manipulatie, waanzinnige propaganda en steeds meer op het direkte nut gericht onderwijs trachten zij gespecialiseerde robots te vormen die geen verband zien tussen hun werk en het ekonomiese leven als geheel en onbekwaam zijn om de wereld te begrijpen, te beoordelen en te veranderen. Van de andere kant maakt de ontwikkeling van de techniek en de automatie een samenleving mogelijk waarin voor iedereen genoeg is, een vrije, anti-autoritaire samenleving, waarin iedereen zijn aanleg en geaardheid kan ontwikkelen. Door de nieuwe technieken is zulk een samenleving geen utopie meer zoals het honderd jaar geleden kon lijken. De toekomst hangt van de mensen af, ze moeten kiezen, niet morgen maar vandaag. Sommigen zullen zeggen dat de mensen tevreden lijken met de bestaande samenleving en dat de auto, de vrije zaterdag en het voetbal het denken en het inzicht niet bevorderen.
Maar samenlevingspatronen zijn vergankelijk al lijkt het soms anders. Het kan hele generaties duren voordat de mensen een samenlevingsvorm doorkrijgen en er vanaf willen, maar soms is één enkele generatie voldoende om een oude samenlevingsvorm te vernietigen en een nieuwe te ontwikkelen.
Het anarchisme is meer dan het tegenbeeld en de afwijzing van de wereld waarin wij leven, het is ook een geloof in de mens, die zich kan en moet bevrijden van de ekonomiese dienstbaarheid en van de hiërarchieën die zijn persoonlijkheid verstikken en hem slaaf maken van de machines waarvan hij de meester zou moeten zijn. Tegen konformisme, diktatuur en valse kultuur strijdt het anarchisme voor de mens, die nog steeds heeft gewonnen zolang er mensen bestaan.

–EINDE–

<references />