Constandse, A.L. - De autobandieten (1936)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_autobandieten_(1936)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_autobandieten_(1936)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_autobandieten_(1936).epub

A.L. Constandse
De Autobandieten

TWEEDE HERZIENE DRUK (1977)
STICHTING PAMFLET
POSTBUS 1333 GRONINGEN HOLLAND

Voorrede – bij de tweede druk.

I

Het drama der zogenaamde autobandieten –ook wel genoemd de Bonnot-bende (la bande à Bonnot)– heeft in de jaren 1911 en 1912 meer beroering gewekt dan zestig jaar later de Baader-Meinhof-groep in West-Duitsland. Natuurlijk zijn beide verschijnselen slechts zeer ten dele te vergelijken. In deze gevallen had men te doen met een gewapende rebellie tegen de burgerlijke samenleving, voortkomende uit een revolutionaire ideologie. De autobandieten noemden hun overvallen en aanslagen echter geen bijdragen meer tot een politieke, anarchistische bevrijdingsactie, veeleer door hun situatie afgedwongen reacties van verweer. De Baader-Meinhof-groep ging inderdaad uit van een (overwegend marxistisch) klassebewustzijn, een mentaliteit der guerrilla van een voorhoede, naar het voorbeeld van Che Guevara en de Tupamaros in Latijns-Amerika. Viel zulk een strijdwijze over te brengen naar het welvarende, overwegend conservatieve West-Duitsland? In de twee gevallen heeft de burgerlijke, contrarevolutionaire gewapende macht weten te profiteren van schrik en afkeer, gewekt door de rebellen. Maar men kan niet voorbijgaan aan de erkenning, dat zij voortkwamen uit een samenleving, waarin ongehoord geweld op massale schaal officiëel georganiseerd wordt en zo nodig toegepast. Het kost geen moeite, de handelwijze van de Parijse autobandieten af te keuren, zoals de sociaal-anarchistische propagandisten en theoretici dan ook hebben gedaan. Het is duidelijk dat zij de anarchistische idealen zeer hebben geschaad, hoewel ze zelf hun handelwijze niet met idealistische argumenten hebben willen rechtvaardigen. Niettemin wordt men tot nadenken gedwongen door hun verwijt, dat de staat wegens zijn eigen misdaden eigenlijk geen recht had, hen te vonnissen.
In de voorrede van de eerste druk (1935) schreven we: “Ons doel was, rechtvaardig en getrouw het sociale milieu te schetsen, waaruit de ‘tragische bandieten’ voortkwamen, de motieven tot hun daden, de rampzalige gevolgen ook, wéér te geven. Moge deze roman meer doen begrijpen, dan doen veroordelen, en onze hoop versterken dat de maatschappelijke omstandigheden kunnen worden opgeheven, die mede tot de dramatische gebeurtenissen van 1911-1912 hebben geleid.” Stellig is het politieke motief in de Baader-Meinhof-groep veel krachtiger geweest, de illegale acties (het overvallen van politieburo’s en banken, de gedragingen als in een burgeroorlog, het eventueel doden en gedood worden) zijn sinds 1967 een complement geweest van de strijd tegen het militarisme en imperialisme in de westelijke wereld. Vervolgens heeft de onmenselijke behandeling van gevangenen in Duitsland zoveel massale protesten gewekt, dat deze de neiging versterkten van rebellen, om zulke gevangenen te bevrijden. (Bijvoorbeeld in 1974 door het gijzelen van de politicus Peter Lorenz.) De katholieke auteur Heinrich Böll, geenszins bereid om terrorisme, individueel of officiëel, te verdedigen, heeft met reden de Westduitse staat aangeklaagd. En de dood van Ulrike Meinhof in 1976, kennelijk een moord als zelfmoord voorgesteld, heeft hem in het gelijk gesteld.

Het zijn zulke actuele ervaringen, die de vraag deden opkomen of men in het licht daarvan niet weer eens moest omzien naar het drama van de autobandieten, al zijn die zo radeloos en reddeloos in hun gevoelens van haat en angst verdwaald. Als men spreekt van actuele ontwikkelingen ligt het bovendien voor de hand, te denken aan de guerrilla-groepen in Latijns-Amerika, al zijn ook bij hen de motieven meestal meer sociaal-politiek of socialistisch dan de sterk individualistische drijfveren van de “Bonnot-bende”. Deze kwam echter voort uit een milieu, dat thans in Frankrijk en daarbuiten meer dan voorheen belangstelling wekt, en wel degelijk als een verschijnsel waarmee de sociologie en de psychologie zich terecht bezig houden. Een der vele bewijzen daarvan is de uitgave, in 1976, van teksten van Libertad onder de titel: “Le culte de la charogne” (Editions Galilée, Paris 75005, Rue Linné 9) met een belangwekkende bibliografie over het milieu, dat in onze roman over de autobandieten wordt beschreven. Wat Duitsland aangaat is het boekje van Michael Baumann, " Hoe het allemaal begon", van betekenis.

II

De eerste druk van mijn boek bevatte een epiloog, die in deze tweede oplage niet voorkomt, omdat hij weer aangevuld zou moeten worden. Het gaat daarin allereerst om het lot van de onschuldige Dieudonné, “begenadigd” tot levenslange gevangenisstraf, verbannen naar het strafoord Guyana, vergeefs pogend dit bagno te ontvluchten, totdat hij na verschrikkelijke beproevingen in 1927 werd vrijgelaten. Het gaat om Emile Armand, diens gevangenschap tijdens de eerste wereldoorlog wegens beweerde opruiing tot desertie, zijn terugkeer tot de kring der individualisten, die vrijwillige overeenkomsten boven alles stelden, ook in de liefde. Hij werd de inspirator van een kring, waarin verdraagzaamheid, eerbiediging van elkaars vrijheid, de “camaraderie amoureuse”’ als basis van het sexuele leven werden nagestreefd. Voor hem verwijzen we naar de aantekeningen in mijn “Anarchisme van de daad”, waarvan de vierde druk in 1975 verscheen bij Pamflet.

Tenslotte handelde de epiloog over Victor Serge, de Russische anarchist Kibaltchiche, die volkomen onschuldig was veroordeeld tot vijf jaar. Hij is thans de meest bekende van allen, die betrokken zijn geweest bij de tragedie der autobandieten, wegens de faam van zijn Herinneringen (waarin hij overigens meer uitweidt over het anarchistische milieu in Parijs, dan over het verloop van het proces) en wegens zijn politieke romans. Twee daarvan zijn in 1975 verschenen bij Meulenhoff (Amsterdam) onder de titels “De jaren zonder genade” en “De aanslag op kameraad Toelajev”. Zijn Herinneringen zijn in vele talen gedrukt. De oorspronkelijke titel was “Mémoires d’un révolutionnaire”, verschenen in 1951 bij de Editions du Seuil, Paris.

Na zijn invrijheidstelling in 1917 heeft Victor Serge na vele moeilijkheden Frankrijk kunnen verlaten om zich naar Barcelona te begeven, en zich daar bij de anarcho-syndicalisten te voegen. De Russische revolutie heeft grote spanningen veroorzaakt binnen de syndicalistische vakbonden (de CNT) waarin van 1919 tot 1921 de neiging bestond, toenadering te zoeken tot de Russische sowjets. Toen echter duidelijk werd, dat deze geheel werden overheerst door de autoritaire Communistische Partij trok de CNT zich terug. Intussen was Victor Serge naar Rusland gegaan, daar communist geworden (in 1919) vervolgens getuige van de overwinning van het stalinisme, zodat in 1926 ook volgens hem “de revolutie was terechtgekomen in een doodlopend slop”. In 1928, na reeds geprobeerd te hebben Trotski te verdedigen, ging hij over tot de oppositie binnen de communistische beweging. Hij is in de Sowjet-Unie gehuwd met de dochter van de revolutionair Roessakof, evenals hij zelf afkomstig uit de emigratie in Frankrijk. Zijn schoonvader botste tegen de nieuwe machtbegerige burokraten en werd al spoedig tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld. Hij sleepte Victor Serge, die solidair met hem bleef, mee in zijn val. Van 1933 tot 1936 vertoeft Victor Serge dan in de gevangenis of de verbanning, totdat hij in 1936 het land kan verlaten. In Spanje neemt hij deel aan de verdediging der republiek. Maar als daar de stalinistische invloed groter wordt zwerft hij verder, in West-Europa, tenslotte naar Mexico, in de allermoeilijkste omstandigheden en in grote armoe. Hij sterft in 1947.

Victor Serge had, vóór zijn duurzame gevangenschap, in de Sowjet-Unie vele historische en literaire werken geschreven, in allerlei talen overgebracht. Een van deze boeken was vol herinneringen. Het werd in de “Revue anarchiste” van september 1931 besproken door Rirette Maîtrejean, zijn vroegere levensgezellin. Ze verweet hem de goede kanten te hebben vergeten van het leven in hun anarchistische milieu, waarvan hij een vals beeld zou hebben geschetst, omdat hij te zeer de onevenwichtigen en de mislukten, te weinig de idealistische vrienden zou hebben geschetst. Hoe het zij, het leven van Victor Serge is de moedige lijdensweg geweest van een beproefde intellectueel. En los van het drama der autobandieten is een beschrijving van de Franse anarchistische kringen en hun (tijdelijke of blijvende) deelnemers, hun leven en lot vóór, tijdens en na de eerste wereldoorlog een bijdrage tot een bewogen deel van de sociale geschiedenis.

januari 1977.
De schrijver.

1 – Bij de kameraden van “L’anarchie”

Het onmetelijke Parijs was nog in de late ochtendnevel gehuld. Over de Seine, die langzaam en statig haar wateren voerde naar de oevers der zee, hing nog een lichte, blanke damp. De hoge daken der huizen aan haar oevers en de torenspitsen, die daarboven in de verte uitrezen, waren nauwelijks zichtbaar. En toch was het niet vroeg meer op dezen mistigen morgen. Over de bruggen bonkten en dreunden reeds de zware sleperswagens en snorden de auto’s. Mannen en vrouwen haastten zich op de kille boulevards naar hun werk.
Over één der gebeeldhouwde brugleuningen boog zich een eenvoudig man. Hij tuurde met onbestemden, vagen blik in de nevelige verte. Hij was welverzorgd, doch ietwat zwak van uiterlijk. Een kleine tas droeg hij nonchalant in de hand. Na geruimen tijd in gepeins te zijn verzonken geweest, streek hij met de vingers door de haren, dan opende hij het tasje, diepte er een kam uit op, en ordende zijn kuif. Hij zag in het rond, als wachtte hij iemand. Weldra verviel hij weer in zijn mijmerende houding.
Kort daarop klopte een sterke, jonge, vrolijke kameraad hem op de schouder. “Hé, Bonnot”….
De aangesprokene zag op. In zijn gelaat tintelden nu twee vurige ogen, klein maar doordringend en energiek. Hij antwoordde met zachte stem. “Maar Garnier, mon vieux, spaar mijn zieke long wat. Je hamert er op”.
De ander lachte. Hij was ongeiwijfeld knap en wel gevormd, met een goedig, vrolijk uiterlijk. Deze man kon misschien twintig jaar oud zijn. Hij nam Bonnot’s arm in den zijnen en troonde hem mee.
“We gaan naar den goeden Libertad, zei hij. Zou die al genezen zijn van de slagen, die hij heeft opgelopen?”
– Och, antwoordde Bonnot, hij moest zich wat matigen. Waartoe dient het? Het resultaat is, dat hij doodgeslagen wordt. Want zijn vijanden zijn talrijker dan zijn vrienden“.
– Waarom zou hij geen geweld gebruiken, waar al zijn tegenstanders het wel zonder bezwaar aanwenden tegen ons?”
– Och ja, antwoordde Bonnot, het is geen kwestie van moraal. Ik ben geen zedenprediker…. Bah! Maar waartoe een mens doden zonder uiterste noodzaak? Ik ben tegen elke moord, die niet geschiedt uit zucht tot zelfbehoud. Het fijne werk is mooier dan het grove…. De kunst, om te leven zoals wij willen, heeft geen bloedvergieten nodig“.
Garnier wond zich daartegenover zichtbaar op. Zijn grote donkere ogen flikkerden in zijn jong gelaat.”Ik houd evengoed van alles, wat het leven veraangenaamt, als jij. Ik bezoek méér theaters dan jij, ik leef gezonder dan jij met je kapotte long. Ben ik geen vegetarier geworden, drink ik niet vrijwel uitsluitend water?"
– Maar mijn jongen, wat een puritein ben jij geworden, sinds je veel filosofeert."
Garnier week uit voor een jong meisje, een kind van een jaar of tien. Hij streek zacht over haar springende krullen en lachte. Toen haalde hij Bonnot weer in.
– Jij bent een groter dromer dan ik, mijn beste. Dat zal je noodlottig worden, ik voorspel het je. Waarom zou je het leven sparen van iemand, die het jouwe nooit zal ontzien? We leven met de maatschappij, met de staat, met de wet, op voet van oorlog. A la guerre, comme à la guerre! Wie mij niet de vrijheid gunt, die ik begeer, staat me in de weg. Wat zou hier sentimentaliteit baten? Niets, dan dat ze de nederlaag zou bespoedigen…."
Bonnot haalde de schouders op. “Je lijkt wel een beukmachine. Grondwerker….”
Dan toont Garnier bei zijn vuisten: “Links en rechts beide evengoed. Als het daarop aankomt….” En dan: “Maar bij al wat je doet – géén getuigen….”
Beslist en met veel nadruk had hij het gezegd. “Kom, zei Bonnot, wiens gedachten blijkbaar elders toefden, laten we naar Montmartre gaan, om te zien, hoe Libertad het maakt.” En geruimen tijd liepen ze zwijgend naast elkaar voort.
Bonnot dacht aan Libertad. Enige jaren geleden was deze begonnen met de uitgave van “L’anarchie”, het blaadje dat ze nu met een flinke groep steunden. Libertad was uit Bordeaux gekomen, bedelende langs de huizen als het moest, arbeidende waar hij kon. In Parijs aangekomen verwekte hij schandaal in de grote kerk van het Heilig Hart, waar hij ongevraagd in debat kwam met den predikende geestelijke. Na vele avonturen, na een leven in achterbuurten, en vaak rusten onder de zware bogen der donkerschaduwende bruggen, hadden enkele collectes onder sympathieserenden hem in staat gesteld, een miniatuur-drukkerijtje te kopen op Montmartre. Twee gewezen, oudgeworden onderwijzeressen steunden hem bij zijn arbeid, enkele kameraden hielpen hem des avonds.
Een cynische zonderling was Libertad. Hij verscheen, niemand weet hoe en vanwaar, plotseling, de blote voeten in sandalen, stampende als hij begon te spreken. Hij droeg een lange, zwarte blouse, met wijde mouwen, en driftig en heftig bewoog de forse kop op dit zwakke lichaam. Lange golverde haren bedekten zijn hoofd, dat door een wilde, volle baard was omlijst. Hij liep steeds blootshoofds, en men vergeleek hem spottenderwijs bij Socrates of Diogenes. Wanneer hij sprak, vielen hem de haren op het voorhoofd, kale plekken werden op de schedel zichtbaar. Hij zag wild om zich heen en zijn lippen spitsten zich sarcastisch.
En altijd spràk deze man. Zijn scherpe, maar soms toch zangerige stem gaf slechts weer, wat aan hartstocht en gevoel in hem brandde. Levensvreugde preekte hij, afkeer van de moraal, de noodzaak, zich te onttrekken aan de mechaniserende arbeid, aan de industriële prostitutie. Hij hekelde het bedrijf der kapitalisten, de stompzinnigheid der politici, de achterlijkheid en de medeplichtigheid der massa’s aan al wat uit den boze was. En daartegenover zong hij de lof der vrijheid en van de individuele opstandigheid.
Bonnot haalde zich weer zijn woorden voor de geest…. “Laten we het duidelijk zeggen en goed: Dat het stemvee geschoren, gegeten en met alle sausen bereid wordt, wat kan dat ons aangaan? Niets…. Maar wat ons wel raakt, is dat we worden meegesleurd door het gewicht van het aantal, naar de afgrond rollen, waar de kudde ons heenleidt. We willen niet stemmen, maar zij die het wel doen, kiezen meesters ook over ons. Dat het stemvee wordt geleid met zweepslagen, dat deert ons weinig. Maar het werpt hinderpalen op, waarbinnen het ook ons wil bergen en vangen…. Die hinderpalen zijn de wetten. Die meesters zijn de wetgevers. Wij moeten er voor werken, beide overbodig te maken, al moest men daarvoor de vuilnishoop verstrooien, de stemvee-mest, waarop de afgevaardigden gedijen….”
En Bonnot herinnerde zich nog bijna woordelijk de peroratie, waarmee hij was geëindigd. "“Er zijn er, die voor de vrede spreken, maar ik spreek voor de oorlog. Niet voor die krijg, die de mannen naar de grenzen doet jagen, maar die, welke gericht is tegen den tyran van alle dagen en alle landen. En ik wens, dat deze oorlog niet eindige dan met het einde van alle gezag, de onwetendheid en de ellende – ook al moest deze overwinning met ons leven betaald worden…. Dat deze oorlog onzerzijds gestreden worde zonder mededogen….”
En deze man spuwde op het souvereine volk, drager van alle gezag. Hij brak de afgoden uit de tempel der democratie. Hij ontkende het sociale ideaal. De menigte tegenover hem stond soms dreigend op…. Uit de massa’s stegen beledigingen en dreigementen. Enkele kameraden trachtten hem dan te beschermen!
Maar nog onlangs kreeg hij een trap tegen zijn buik. Het was laf, want Libertad was zo zwak, dat hij op krukken liep. Toen had hij een muur gevonden, waartegen hij leunen kon, en één der krukken slingerde hij woedend in het rond als een knots. Neen, een berustende wijze was Libertad niet….
Allerwegen had men het verteld. Libertad’s blote hoofd had sterk afgestoken tegen de muur, blank en hoog leek zijn voorhoofd, zijn ogen bliksemden, en de kruk daverde door de lucht en sloeg met kracht op de hoofden der opdringende bende, links en rechts, wondde vuisten en schouders, sloeg op ogen en tanden, en slingerde woestelingen op zij….
Libertad was echter gewond en zwaar getroffen geweest. Maar nu arbeidde hij weer voort. En bleek ook zijn populariteit. Overal toch, op de hoeken der straten, op pleinen, in koffiehuizen, waar hij de menigte toesprak, schaarden zich nu verdedigers rond hem, wanneer de meerderheid zich tegen hem keerde.
Opschrikkende uit zijn mijmeringen, zei Bonnot plots: “We zullen de stakkerd wat levensvreugde brengen moeten, Garnier. Hij heeft zich toch prachtig gehouden.”
Ze naderden nu de werkplaats. Kleine kinderen speelden in de bochtige nauwe straten, huismoeders in de gangen, op de trappen en voor de kleine winkeltjes keuvelden ijverig. Het was rumoerig in deze buurt. Toen de beide mannen aankwamen voor Libertad’s drukkerijtje, stonden ze een ogenblik stil, gluurden naar binnen. Dan stootte Bonnot de deur open, ging de ander voor door de nauwe gang.
In een klein, overvol vertrekje lag Libertad op een geïmproviseerd rustbed. Hij wenkte met het hoofd ten groet, richtte zich half op, en vrolijk klonk zijn “Bonjour, mes copains.” Het ging best, het ging heel goed…. “Ik wil mijn leven uitleven als een mens, niet als een lijk. En dus leef ik….”
De beide anderen vroegen bijzonderheden, maar Libertad wuifde met de hand alle zwarigheden weg. “Ik werk, jongens, en ik bereid een verhandeling voor over den pastoor van Meudon, ja over Rabelais, de vader van ons anarchisme, een rebel….”Doe wat ge wilt." Ziedaar zijn advies. Jullie kent hem niet? Hij dacht zich een samenleving van vrije mensen, zonder wet of dwang. En…. hij wilde genieten in het leven, en lachen…."
Een schampere opmerking scheen op zijn lippen te versterven, maar sarcastisch zag hij op. Zijn mond trilde…. zichtbaar van pijn. De ogen beefden, alsof ze tranen wilden wegstuwen…. Toen lachte hij luid en scherp.
Bonnot zag Garnier aan. Die ergerde zich. “Als je halfdood bent, Libertad, is het beter, je niet wijs te maken, dat je niets mankeert….”
“Hoho,” zei hij afwerend, ben ik niet goed genoeg meer voor de “Causeries”?"
Hij dacht aan de vergaderingen, die hij op Maandagavond in de Rue-du-Chevalier-de-la-Barre, dicht bij de Butte, had georganiseerd. Een deel van zijn drukkerijtje was er heen gebracht, met de brochuren-handel. En in de Rue d’Angoulême werden de bijeenkomsten elken Woensdagavond gehouden…. De muren waren er juist gedecoreerd door sympathiserende en veelal leeg rondlopende schilders. Langs de wanden waren op planken de vele boeken en brochures van de “Anarchie” uitgestald….
Met geestdrift sprak Libertad over dit alles….
Hij had de vrienden willen bekend maken met Max Stirner, wiens “Enige en zijn Eigendom” groten invloed had uitgeoefend op zijn denken. De slagzinnen eruit waren gemeengoed in dezen kring…. “Mij gaat niets boven mij…. Laat ons verenigingen vormen van egoisten…. Niets is ons heilig….” Voor Stirner was de wereld er, om te verbruiken. Deed niet iedereen dat? Had men niet elkaar lief om het egoistisch genot, dat de liefde gaf? En preekte men niet alleen de opoffering, om zelf zich alles te kunnen toeeigenen? Wie rijk waren, leerden dat armoe zalig maakt…. Wie nemen, preken de noodzaak van het geven…. Alle recht dient de macht, en wie een recht aanbeveelt, wil daarmee slechts zijn eigen vermogen versterken…. “Een hand vol macht –had Stirner geschreven– is meer waard dan een zak vol recht….”
En dan Nietzsche, met zijn verheerlijking van de wil tot macht, zijn verachting voor de massa’s, zijn haat jegens de staat, zijn honende verwerping van de moraal, van de zeden der slaven. Zijn vlammende woorden werden onophoudelijk herhaald, en de “weinigen” verlustigden zich in zijn ranselende zinnen aan het adres der “veel te velen.” Mensenverachting leefde in deze kleine kring, en bitterheid jegens de massa’s, die het leven van luister beroofden. Libertad was ook bekend met Gustave Lebon, met zijn “psychologie der menigte,” en hij deelde diens verachting voor massa’s, meende met hem dat slechts de bevrijde persoonlijkheid tot rede en tot verheffing in staat is. En dan werd er gedebatteerd over Le Dantec en zijn atheïsme, over het juist verschenen boek daarover. Maar steeds weer klonk Libertad’s stem: “Vrijheid – men moet zijn leven leven….”
Midden in het gesprek trad Callemin binnen. De anderen groetten hem als kameraden. Callemin had een zachte uitdrukking op het gelaat, hij hield de ogen dromerig gericht naar de verte, boezemde sympathie in, en was ongetwijfeld intelligent. “Raymond-la-Science” had men hem eens genoemd, en Lorulot had den naam geijkt…. Want Callemin ging door voor zeer geleerd. Toen Garnier wederom sprak van de noodzaak, tegenover vijanden geweld te gebruiken, zei Callemin verachtelijk: “Bruut.” Garnier lachte er om, en sloeg met de vlakke hand op tafel.
Raymond was klein, maar zag er sterk uit. Bijwijlen gaf het dromerige in zijn ogen de indruk, alsof hij loens was. Een der beste schrijvers uit “L’anarchie” was hij. Hij hield van toneel en muziek en sprak daar veel over….
Bonnot luisterde wat gemelijk naar zijn verhaal. Raymond vertelde, hoe hij enkele weken had rondgezworven, om te genieten van het leven, en hoe hij nu alles er had doorgebracht. Maar hij lachte! Waarom niet weer uitstrooien wat men heeft verzameld? Och wat, is het leven er niet om het te vieren? En om aan anderen mee te delen?
Bonnot sprak hem wat geërgerd tegen – het was toch noodzakelijk voor zichzelf te bewaren, wat het leven in stand moest houden. In de oorlog is liefdadigheid de pest, zei hij, met overtuiging. En wie door vijanden is omringd, door verraders omgeven, moet geen concessies doen aan zijn medelijden met het plebs. Helpt dat niet mee, ons gevangen te houden in de wetten en de boeien van de staat? Vinden we niet altijd de laffe menigten tegenover ons, aan de zijde der onderdrukkers? Waarom dan zich weggooien voor het vuil?"
Libertad viel hem bij. “Het is de oude socialist in Callemin, die spreekt. De oude Christen…. Maar voor ons het egoisme….”’ En hij citeerde een halve bladzij uit Stirner. Toen kreunde hij een weinig, maar hij hield zich goed. “Waartoe liefde tot al wat ten dode is gedoemd? Waarom die sympathie voor armen, die te laf zijn, voor zwakken, die ons in de weg staan? Als de massa zelfmoord pleegt, zouden wij dat dan ook moeten doen? Ik pleeg zelfmoord, als ik óók in een krot kruip waar de zon nooit doordringt – als ik energie nutteloos besteed – als ik mij binden laat door wetten der moraal, die verrot is. Wat vereert de mens van deze tijd? Dat zijn de doden en alle dingen, die dood zijn. Altijd wint het dode het van het leven, het verleden het van het heden. Altijd weer zie ik de aanbidding van het gestorvene, de verering voor het levenloze….”
Een hevige hoestbui overviel hem. “Wanneer ik dood zal zijn, vergeet me dan. Leef voort met mijn levenslust, en zonder mijn ziekten….”
De drie kameraden stonden op. Ze groetten Libertad met veel warmte en namen afscheid van zijn gezellin. Nog riep de zonderlinge apostel der vrijheid hen vrolijk na: “Tot weerziens, op de Causeries!”
Toen ze buiten waren stond Callemin stil. “Ik heb vergeten,” zei hij, “wat nieuwe boekjes te kopen.”
“Van Lebon,” lachte Garnier.
“Ja, zei Raymond. Hij trok een rood deeltje van de bekende collectie uit zijn zak.”Raymond-la-Science," riep Garnier uit, al is de wetenschap dan je naam, laat ze alsjeblieft voor vandaag in je zak."
Callemin glimlachte. Hij borg het boek op, gaf beiden mannen de arm en vroeg: “Wel, hebben we nog plannen?”
Maar Bonnot keek wat zuur. Hij zei gemelijk, dat hij niemand nodig had. Dat hij zich alleen tijdelijk met iemand verbond. Maar Garnier kwam ertegen op.
“Op mijn woord, ik vertrouw je als mij zelf. Maar vandaag zijn we zonder zorg. Ik inviteer jullie allebei voor een goed diner.”

Enkele weken later was Libertad spoorloos verdwenen. Hij was aanvankelijk wat opgeknapt na de opgelopen verwondingen in de strijd. Met heel zijn energie en zijn felle hartstocht had hij zich weer aan de arbeid gezet. Wel sprak hij veel over de dood, als om zich ermee te verzoenen. “De doden,” hoonde hij, “versperren de steden, de straten, de pleinen. Men ontmoet hen in marmer, in steen, in brons…. Men is niets meer op zichzelf, alles door zijn voorouders. En toch – wat is de dood? Uit een algemeen wetenschappelijk standpunt bezien, bestaat hij niet. Slechts het leven bestaat. Na het proces, dat wij dood noemen, zet zich de transformatie des levens voort. Slechts de vorm wijzigt zich. Er is geen dood, er is circulatie der stof, wijziging van het uiterlijk der stof….” Hij haalde diep en zeer vermoeid adem. “Een dode, dat is een lichaam, dat wordt teruggegeven aan de circulatie der stof, en niet anders. Maar deze positieve wetenschap laat geen plaats voor huilerige speculaties over de ziel, het hiernamaals en het eeuwige niets.”
Had deze vreemde prediker een vermoeden van zijn snel naderend einde? Plotseling was hij op geheimzinnige wijze weggerukt uit het volle, rumoerige leven van Montmartre. Zijn boekwinkeltje, zijn drukkerijtje stond verlaten, zijn vrienden wachtten hem. Maar in de duisternis der sloppen en stegen, der trappen en gangen was Albert Libertad voor eeuwig verdwenen.
Weldra mompelde men over zijn geheimzinnige dood. Algemeen nam men aan, dat hij was bezweken aan zijn wonden en als een onbekend zwerver, als een dakloze was weggestopt onder de grond. Doch weldra gingen de kameraden weifelen. Sommigen nog hadden Libertad gezien te midden ener roerige volksmenigte, wie hij zijn evangelie van het individualisme, van de persoonlijke vrijheid, van de wetteloosheid en van de strijd tegen elk gezag verkondigde. Gendarmes hadden de samenscholing uiteengedreven, en men had Libertad uit het oog verloren. Hij moest zich verzet hebben tegen de politie….
En de volle, eenvoudige waarheid werd bekend. Libertad was aan de politiedienaren ontkomen, doch ze hadden hem op een smalle, bochtige trap achterhaald, waar ze hem ranselden met hun wapenstokken. Het zwakke lichaam was ineengezakt, en struikelend neergerold van de trap, het zware hoofd bonzend tegen de treden….
Zo vond Libertad, als een opgejaagd stuk wild, de dood. Zo groeide ook bij zijn discipelen de haat….

2 – De kolonie te Romainville

Na de dood in het jaar 1908 van Albert Libertad verplaatsten de kameraden de drukkerij en het bureau naar Romainville, onder de rook van Parijs, waar temidden van de tuinen, enkele gebouwen waren ingericht, eensdeels voor de drukkerij, anderdeels voor slaap- en woonvertrekken. De kameraden hadden een bibliotheek verzameld op de eerste étage, en op de deur in een speelse bui geschreven: “Luilakken, gauwdieven, schaamtelozen, eerzuchtigen, snobs, hysterici, betweters, zeurkousen uit alle werelden, overschrijdt deze drempel niet. De dood wacht u!” En op de tweede étage was een zaaltje ingericht, waarvan de muren waren gedecoreerd met vele spreuken. Van Ibsen: Wat je bent, wees dat geheel, niet half. Van Tolstoi: De zon geeft slechts leven aan degenen, in wie het al ontkiemd is. Van Octavo Mirbeau: De mensen gebruiken de helft van hun leven met het smeden van ketens, en de andere helft met er zich over te beklagen, dat ze die dragen moeten.
En een onbekende had er aan toe gevoegd: Eerst en ondanks alles leven. Als het om het leven gaat, wee dan zelf je beste vriend.
De kolonisten, een wisselende en veelsoortige gemeente van individualisten en utopisten, hadden zich toegelegd op het verzorgen van konijnen, kippen en eenden, op land- en tuinbouw, en verder op het schrijven van artikelen voor de krant, op het drukken en zetten daarvan, op het klaarmaken van brochures. Ze streefden er naar, een aparte, kleine gemeenschap te vormen, waarin elk in vrijheid zijn taak kon volbrengen. Als redacteur van de krant trad Lorulot op, die naar men zeide, zijn sporen had verdiend in het kolonie-leven. De vrienden maakten zich soms vrolijk over hem. Eén vertelde, dat Lorulot, toen hij tot de groep van Saint-Germain behoorde, in de jaren 1904 en 1905, allen had verstomd doen staan door zijn nieuwe vindingen. Wanneer het snikheet was, en de kolonisten in hun zweet arbeidden, achtte Lorulot het noodwendig, een zonnebad te nemen. Hij klom in een boom, ontkleedde zich, en brandde er bruin. Eens was de hele kolonie komen protesteren, dat hij in de zon – en zij in hun zweet baadden. Hij had onverstoorbaar geantwoord, dat het zware werk niet bestemd was voor de intellectuelen!
En als intellectueel –zo lachte men– had hij dan ook de kolonie een groten dienst bewezen. Hij had namelijk uitgevonden, dat een mens niet anders behoefde dan één banaan per dag, water en zonlicht. Wie zich daarmee kon tevreden stellen, was vrij en niemands slaaf. Wie zonder behoeften kon leven, behoorde niet meer tot hen, die zich moeten laten uitbuiten in dompige fabrieken, tot hen, die gebukt gaan onder de last hunner financiele verplichtingen. Wat strijd om de luxe en de welvaart! De welvaart ligt in het gezonde lijf, en daarvoor zijn bananen voldoende…. Daarna was de idee bij hem opgekomen, dat men het zelfde kon bereiken met olie, en liefst met levertraan. Hij paste het regiem toe en bleef er welvarend onder.
Doch ondanks de spotternij om Lorulot’s zonderlinge experimenten, had men hem volledig de redactie van “L’anarchie” toevertrouwd. Hij gold als uitnemend stylist en verdediger van de wetteloze, van de haveloze, van de mens die zich los maakt van de samenleving.
Zijn vaste medewerkers waren weldra Callemin geworden, en Garnier en Carouy. Ondanks hun zo verschillend temperament én hun uiteenlopende inzichten vormden zij een steeds samenwerkend drietal. De eerste was er letterzetter, Carouy drukte, en Garnier zorgde voor de tuin. Daar achter in de hof, hadden ze een soort schietbaan gemaakt, met een doelwit, en van tijd tot tijd, soms samen met nieuwsgierige dorpelingen, oefenden ze er zich in het schieten. De avonden gingen er snel voorbij. Des winters bezocht men veelal vergaderingen of theaters, als de kas het toeliet, en kwam men bij elkander op bezoek. Een jonge Rus, met zijn vader meegekomen in Frankrijk, Kibaltchiche, was zelden afwezig, en hij deelde de extreme denkbeelden der anderen. Zijn vrouw – met wie hij in vrij huwelijk was verbonden, Henriette Maîtrejean, die allen familiaar Rirette noemden, was goed ontwikkeld, ze corrigeerde de proeven van “L’anarchie.” En dan waren er Valet, en Soudy en later ook Bonnot weer, die zich van tijd tot tijd ophield in andere milieus, omdat de anarchisten hem te theoretisch waren. Bonnot was uit Lyon gekomen, waar men hem van een diefstal verdacht, en waar hem de grond te warm onder de voeten was geworden. Zo, als bij toeval was hij verzeild geraakt in de anarchistische, individualistische milieus. Zijn invloed was er niet groot, maar hij jaagde steeds aan tot daden, tot het verbreken van de wettelijkheid. Omdat zijn intellectuele scholing echter niet groot was, luisterde men nauwelijks naar hem, aanvankelijk tenminste, en was de invloed van Callemin veel groter dan de zijne.
Callemin verslond de literatuur. Hij las psychologie, en philosophische werken van diepe strekking. Was hij het niet, die de naam van Jean Marie Guyau, de fijnzinigen schoonheidsminnaar en moralist, had bekend gemaakt in deze kring? Die er met geestdrift sprak over Guyau’s essai over een nieuwe moraal, zonder dwang en zonder verplichting? Maar de denkbeelden dwarrelden hem als bladeren in de herfst door het hoofd. Soms, vermoeid, scheen alles hem toe, één grote chaos te zijn, waarin slechts één ding zin had, en dat was, wat Libertad had gezegd: te leven, ondanks alles. Zich te handhaven, en hard genoeg te zijn om niet aan de wanorde ten prooi te vallen. De moed, de wetteloze en moraalloze durf, om zijn eigen leven uit te vieren, kwam hem dan voor, het hoogste te zijn. Niet zwak zijn, niet toegevend jegens het menselijke krapuul. Bah, wat walgde hij van de wereld en van de mens. Hij herinnerde zich, hoe bij een oploop een agent hem tot bloedens toe had geslagen, en tot woedende hartstocht kookte weer zijn bloed, als hij daaraan terugdacht. Het was niet de pijn, die hij nog voelde, na zovele maanden. Het was de schande der vernedering, die hem drukte – als een hond, als een beest te zijn geranseld. Soms, bij een meting, een optocht, wilde hij de agenten te lijf, en moesten de kameraden hem ervan weerhouden, dwaze dingen te doen. Dan woelde haat en wraakzucht in hem.
Des avonds, alleen, mijmerende op zijn matras, dacht hij na over het verleden. Hij had met Garnier en Carouy in Brussel vertoefd, om te ontkomen aan de dienstplicht. En daar, bij zijn geregeld bezoek aan de bibliotheek, trof hij een jonge Russische studente. Zijn dromerige ogen hadden haar getroffen, en eens, bij de uitgang, had hij haar mogen vergezellen.
“Ik houd van je,” had hij gezegd, en zij, den jongen Fransman, het intelligente verstand in hem waarderende, had hem leren achten. Avonden en uren lang in de middag liepen ze door Brussel, door het Bois de Cambre, in het Parc-Léopold, op de weg naar Tervueren – hun Zondagen brachten ze door onder de bomen rond het paleis in Laeken. Dat alles scheen hem nu, jaren later, een idylle, een droom. Met haar had hij gepraat over dichters en schrijvers. Ze had hem verzen van Poesjkine vertaald, Gogol leren kennen, en hij had haar zijn liefde onthuld voor de materialisten, voor Büchner en Haeckel en Darwin. Elke samenkomst was een festijn van genietingen geweest. En na de wandeling, als ze moe zich uitstrekten in het gras, tussen het gebladerte de lichtschijnsels zagen vallen, zo dat de takjes zilverig en verguld leken, als ze een nachtegaal hoorden zingen in de verte, en het verwijderd rumoer der stad ontvloden wisten, dan drukte hij zijn warme lippen op de hare.
Toen, op een avond, deelde ze hem mede, dat ze moest vertrekken, terug naar Moskou. Ze zouden wellicht nooit elkander weerzien. Wanhopig poogde Raymond haar te bezweren, te blijven, zijn vrouw te worden. Ze kon niet, ze nam afscheid. Lang en krampachtig, hartstochtelijk, wild bijna, omhelsde hij haar. En hem bleef slechts een wrange droom.
Callemin verachtte de vrouwen, zei men. Al zijn liefde wijdde hij aan zijn artikelen, zijn wetenschap. Maar vaak werd het hem droef te moede, barstte hij uit, in haat en begeerte, en was als een vijand van allen, die onverzettelijk en meedogenloos bereid was, zijn oorlog te voeren met de gemeenschap.
Bedwelmen wilde hij zich niet. Telkens, wanneer een idee, een vers, een boek hem had meegesleept, rukte hij het uit zijn herinnering. Hij schold op degenen, die verslaafd waren aan het genot. Was het leven niet grootser en wilder, dan welk geluk ook? Waar het op aan kwam, dat was sterk te zijn, hard, een schepper, en het geluk…. bah, wat deed dat er eigenlijk toe? Hij voelde zich als opgezogen bij de lectuur van de verzen van Baudelaire, van die van Verlaine. Om dan uit te barsten tegen de decadenten, die zich bedwelmen met kleuren en geuren en wijn en liefde…. Eens had Lorulot, die toen anti-roker en vegetarier was, getoornd tegen wie verslaafd waren aan tabak en opium en morphine. En hij had ze idioten genoemd en aanhangers van Baudelaire. Rirette, die hield van de verzen van de schrijver van “Les Fleurs du mal” had bij Lorulot geprotesteerd, en deze had goedgevonden, de smaad, Baudelaire aangedaan, te schrappen. Maar in de krant kwam ’t. Het moest tòch. Callemin had gemeend, dat Baudelaire tot de idioten gerekend moest worden…. En als letterzetter had hij de passage behouden….
Overigens stond Raymond niet op slechten voet met Rirette, al was ze hem te koket, te zeer Parisienne, te veel vrouw van de wereld. Ze was een strijdbare feministe, trouw aan haar man, zelfbewust, goedlachs, doch ook spoedig gekwetst in haar smaak en ijdelheid. Ze kon verdragen, dat Callemin haar met de nonchalance van een vrouwenhater behandelde. Hij was toch ’n goed kameraad….
Met Garnier kan ze eigenlijk minder goed overweg. Hij is lang, en jong, en bijna mooi. Daar laat hij zich op voorstaan. In zijn jeugd is hij door zijn moeder verwend geweest, en van vrouwen verwacht hij, onbewust, een zekere dienstbaarheid. Hij is ruw, en sterk. In Brussel heeft hij de anderen ontmoet. Hoe verschillend was hij toen van Callemin! Garnier had alle bitterheden van het leven plotseling gesmaakt. Jong nog, had hij zich in den vakstrijd geworpen, bij conflicten immer vooraangestaan, en hij was herhaaldelijk ontslagen, broodeloos op straat gesmeten. Dan staarde hij somber voor zich uit, en als zijn moeder hem met de hand door de haren streek, schudde hij ongeduldig het hoofd. Hij verweet haar, dat ze hem het leven had vóórgespiegeld als een feest, een wandeling, een genot. Hij was grondwerker geweest, bakker, metaalbewerker. Geploeterd had hij, gezwoegd. En telkens weer, zich verzettend tegen het onrecht, was hij zonder werk. “Waarvoor ben ik geboren?” vroeg hij schamper.
Bitter is de smaak des levens. Vroegere kameraden uit de vakbond, als ze baas werden, of slaagden, en een huisgezin vormden, als brave burgers het leven genoten, vermeden hem om zijn hard oordeel. Wanneer hij na een staking slachtoffer was, en de anderen de poort ingingen, terwijl Garnier zónder was, dan beet hij zich op de lippen. Was dàt solidariteit?
Om aan de dienstplicht te ontkomen trok hij naar Brussel. Hij pakte er alles aan, en alles mislukte. De handen samenknijpend, in barre kou op zijn kamertje, zag hij geen uitweg meer. Hij vervloekte de wereld en de maatschappij. Dan vervulde hem felle wraakzucht. Hongerig ontvluchtte hij zijn kille hok, en zwierf langs de straten. Hij zag in de warm-verlichte restaurants de gevulde tafels, de gasten, de weelde. Hij vloekte. Voor verlokkende uitstallingen stond hij stil, en hij voelde zich wegzinken in vernedering en ellende. Dan, als hij Callemin ontmoet, stoot hij eruit: “Socialisme? Kwakzalverij. Mensenliefde? Zwijnerij. Eén ding is nog mogelijk: wreek je, met geweld, op de Hel. Sla je er door, en sla ze weg, als ze je in de weg staan.” Hij is verbitterd, en tot alles in staat. Alle ontnuchteringen versterken zijn haat en vijandigheid jegens de mens.
Carouy heeft hij ook ontmoet in Brussel. De goede jongen heeft alle vervloekingen aangehoord uit de mond van Garnier. Hij heeft niet veel geantwoord. Carouy is kort, breed, en heeft enorme handen. Hij spreekt moeilijk, maar altijd uiterst beleefd. Want hij weet, dat hij nict tot de genialen behoort, en geeft zich een oneindige moeite, iets te begrijpen van de uiteenzettingen over Stirner of Le Dantec. Zijn bescheidenheid gaat zo ver, dat hij nooit vóórstelt, een estaminet te bezoeken, al kan men in Brussel niet stilstaan, zonder er één te ontwaren. Maar Carouy is zuinig, neen gierig. Het is waar, dat hij voor zijn moeder moest zorgen, in Brussel. Dat ging zo goed en kwaad als mogelijk was. Maar zijn zakgeld spaart hij. De anderen lachen er om, dan ergeren ze zich. Hij wordt niet boos, hij blijft bijna hoffelijk, want hij is een goed kameraad. Maar hij staat niets af.
Toch heeft deze kerel met zijn zware snor één zwak. Hij kan geen gekooide vogels zien. Ze stemmen hem droefgeestig. Hij vreest vogels in kooien, alsof ze een bedreiging zijn van zijn eigen vrijheid. En als hij op de markt een vogelkoopman ziet, koopt hij een vogeltje, hij streelt het, en laat het los. Hij staart omhoog, ziet het na, in de ijle blauwe lucht. En Carouy schijnt te dromen van de vrijheid daarboven. Omstanders grinniken en gnuiven, de koopman haalt verachtelijk de schouders op over zulk een zotte mentaliteit. In België vangt iedereen vogels. En hoe…. En deze gek laat ze uitvliegen. Carouy merkt het niet eens op. Hij staart voor zich, dan plotseling, koopt hij wéér een vogeltje, en laat het wegfladderen, onder hilariteit der menigte. Het spijt Carouy, dat het geld kost. Maar hij kan het niet laten….
Nu, met zijn drieën, zijn ze weer verenigd, in Romainville. En ze worstelen er voort.

Op een avond waren verschillende kameraden verenigd in de grote zaal ‚“des Sociétés savantes,” om er een meting bij te wonen ten gunste van het pacifisme. Er was gelegenheid tot debat. Enerzijds kon men colporteren, en misschien nieuwe aanhangers winnen, anderzijds misschien opponeren. Callemin en Carouy zaten bijeen. Na de opening klom een geleerd oud heertje op het spreekgestoelte en las iets voor van een vel papier. Plotseling, in de stilte, klonk het: “Je bent een kaffer.” Hilariteit. De spreker raffelt snel zijn speech af. Een tweede getuigt op zijn beurt. Dan, snijdend, klinkt het: “Je bent een tweede kaffer.” Allen zien op naar het balkon, waar onverstoorbaar, bleek maar kalm, een magere man zit. De spreker maakt het kort, want alle aandacht is verloren. Dan treedt de derde naar voren, een kamerlid, een man van positie. Hij legt gewichtig zijn papieren neer, begint met emphase, zet een hoge borst. Dan, snijdend, flitst het: “Jij bent een derde kaffer.” En heel de zaal schreeuwt: “Kaffer, kaffer….” De député komt niet meer aan het woord. Er is debat, men valt het burgerlijk pacifisme aan, predikt de sociale omwenteling. De één wil haar met geweld, de ander zonder…. Callemin debatteert. Hij citeert Darwin, spreekt van de strijd om het bestaan, haalt Stirner aan, verkondigt het individualisme als dogma zonder beperking. De menigte valt hem nauwelijks bij, maar bewondert zijn geleerdheid, en zijn wil, zich te onttrekken aan het militarisme.
Na afloop staat er een man naast hem, die hem zacht aanspreekt. Het is de kerel van de interruptie. Hij is het eens met Callemin. Hij heet Soudy, en zal in Romainville eens komen praten.
Op een avond verschijnt hij. Carouy is er, en leest “L’anarchie.” In de tuin, waar Garnier water sproeit. Callemin is aan het schieten, maar komt spoedig. Dan onder een al groenende boom, die de lente verkondigt, zitten ze bijeen. En Soudy vertelt hun, niet zijn ideeën, maar zijn leven.
“Ik was elf jaar, grootgebracht in ellende, verwaarloosd. Toen zei mijn moeder: Zorg voor jezelf. Ik werd loopjongen bij een kruidenier. Ik woonde er bij hem in, sliep op zolder. Zondags wandelde hij met zijn kinderen, en liet mij kisten spijkeren, vuil opruimen. Ik kwam in verzet. Hij sloeg me. Zijn zoontje was zo oud als ik. Het kind ging naar school. Ik sjouwde balen suiker. Tot des avonds acht, negen uur werkte ik, bezorgde boodschappen, hielp in de winkel. Dan naar bed, op zolder. Ik zag, dat er te weinig menselijkheid was en werd in het geheim lid van de vakbond. Ik las vakbladen, in het donker vaak, bij een kaars. Toen bij een staking, verspreidde ik strooibiljetten. Ze wekten, geloof ik, op tot algemene staking of zoiets. De rechter vond ze opruiend. Ìk was nog vrijwel een kind. Ik kreeg een maand gevangenisstraf. Toen ik er uit kwam, bezorgde de gevangenis-directeur me een baas, die me voor gevaarlijk hield, maar uit menslievendheid een goed mens van me wilde maken. Hij treiterde me met zijn schoolmeesterachtig wantrouwen. Ik kon wild worden, werd driftig, zenuwachtig. Bij een optocht zie ik, dat agenten een demonstrant slaan. Ik vlieg er tussen. Drie maanden gevangenisstraf.
Maar intussen was ik volwassen. Ik had al gedacht, dat het noodlot tegen me was. Je bent een ongeluksvogel, zei ik tot mezelf. Maar neen, toen kwam het geluk….”
Callemin verslond zijn stamelend gedane confessies. Zwijgend zaten de anderen erbij. Alleen Garnier nam van tijd tot tijd de krant, en deed, alsof hij erin las.
Soudy ging voort. – Ik werd verliefd op mijn nichtje, en zij op mij. We konden niet trouwen, om de familie. We besloten, samen te gaan wonen. We waren gelukkig. Ik heb haar…. lief gehad. Ik hield van haar, zoals van niemand. Mijn leven was goed…. Neen, dat kon immers niet. Na twee jaar kwam ik thuis, en ze was verdwenen. Ze ging trouwen, voor de wet, met een “heer.” Ze wou het beter hebben…. Ik zocht er overal, ik was gek, ik wist niet wat ik deed. Dat duurde een jaar. Toen, op een avond, in Montmartre, komt ze binnen, terwijl ik in een kroeg zit. Ik roep haar. Ze verbleekt, en ze komt naar me toe. We spreken af, dat we elkaar wèèr zullen zien. Ze komt weer bij me. Heel kort. Dan is ze weer verdwenen. En ik –nu ja– ik was kapot. Ze brachten me naar het ziekenhuis, Hôpital-Saint-Louis.
“Om er te genezen van je illusies,” viel Callemin in.
“Och,” zei Soudy. Ik had pech, hè. Ik heb niet geboft. Want toen ik daar lag, verhuurde ik mijn appartementje aan een ander, met meubels en al. Die vent steelt een fiets. Ze doen een huiszoeking, in mijn appartement. Ze vinden een breekijzer en valse sleutels. Ze zeggen, dat die van mij zijn. Ik kan niets bewijzen. Ik ben medeplichtig, zeggen ze. Acht maanden. Weer de cel. Ja, ik heb niet geboft. Toen ik er uit kwam, was ik een geraamte. Ik had tering. En nu…. ben ik een wrak. Maar…. tot jullie dienst."
Men besloot, dat Soudy zou komen inwonen in Romainville. Hij werkte er, voor zover hij kon. Rirette had meelij met hem, en ze verzorgde hem zo goed mogelijk. Als een kind was hij haar dankbaar, hij was bereid, alles voor haar te doen. Ze zorgde er voor, dat hij werd opgenomen in het sanatorium van Brévannes. Spoedig was hij er weer uit, “omdat zijn humeur niet overeenstemde met dat der verplegers.” En meer dan ooit hechtte hij zich aan Rirette. Toen haar beide dochtertjes groot genoeg waren, wandelde hij met die kinderen, uren lang. Met ontroerende zorg waakte hij erover. Hij wilde niet, dat ze iets zouden eten, dat hij had aangeraakt, omdat hij vreesde, dat tering besmettelijk was. Hij rolde met hen in het gras, hij vertelde sprookjes, hij liet zich slaan. En hij lachte, omdat de kinderen lachten…. Nooit weigerde Soudy iemand een dienst, die hij kon verrichten. Men misbruikte hem, hij werd geëxploiteerd. Wat gaf het? Hij had van alles afstand gedaan. Hij zou bereid zijn, afstand te doen van het leven zelf – omdat hij het niet weigeren kon..

3 – Anarchisten

In het jaar 1911 ging de redactie van “L’anarchie” over op Kibaltchiche, die woonde in de Rue Fessart. Hij was ongeveer veertig jaar oud, had in België vertoefd, was van Russische nationaliteit gebleven. Als medewerker aan de krant had hij zich reeds bekendheid verworven, hoewel hij tot de gematigden behoorde, tot de rustigen, de meer maatschappelijk- aangelegden onder de kameraden. Veel medewerking ondervond hij van Emile Armand, die iets jonger was dan hij, die als jonge man tot het leger des Heils had behoord, strevende naar de praktijk der liefde, en toen, ontnuchterd over het zakelijke en huichelachtige karakter van alle liefdadigheid, zich tot vurig anti-kapitalist had opgeworpen. Aanvankelijk was hij voorstander van de denkbeelden van Tolstoi, wilde in kolonies de wereld zo niet ontvluchten, dan toch als buitenstaander bejegenen. Hij had in 1904 deelgenomen aan het anti-militaristen-congres, waarop, Domela Nieuwenhuis een rol van betekenis had vervuld, en daar was hij als geweldloze een vrijwel witte raaf geweest. In zijn eigen krantje “L’ère nouvelle,” propageerde hij zijn denkbeelden, nu gaandeweg ònchristelijk wordende. Na de opheffing van dit orgaan zette hij zijn werk voort met “Les Réfractaires,” en hij behoorde tot de meest onderlegde, zuiverst-stylerende, geleerde koppen. Een dichter, een dromer van liefde en romantiek, het tegendeel van de burger, afkerig van de geldende moraal. Maar voor de zijnen een kameraad. Reeds was hij bezig, zijn vervloekingen te slingeren tegen de sexuele moraal, immoreel volgens hem, en hij predikte de vrije liefde, de amoureuze kameraadschap, de opheffing van het huwelijk en van de jaloezie. De man mocht een vrouw niet bezitten, zei hij, noch omgekeerd de vrouw de man. Zijn niet beiden vrij geboren, was niet hun lichaam alleen van hen zelf? Waartoe dan dwang van wetten en conventie in het liefde-leven? Als twee vrije mensen onder eigen verantwoording elkaar willen toebehoren, desnoods voor één nacht, is dat dan onzedelijk? Onzedelijk was het huwelijk, waarin zonder levende aantrekkingskracht, zonder begeren twee mensen uit sleur bijeen blijven – waarin de knellende band tot haat worden kan en tot weerzin – en waar toch de echtelieden elkander “trouw” blijven. Onzedelijk het beschouwen van de sexuele daad als minderwaardig of als gemeen-onzedelijk was het vervloekte farizeisme van de christelijke wereld.
Zo propageerde Armand. Hij was niet groot, maar hij imponeerde door wat hij zei, ook al was hij geen geboren redenaar. Zijn hoon geldt de klassen en standen, de staten en de kerken, de sekten en de massa’s van elke soort en van elke kleur. “Ge zijt overheerst, roept hij de arbeiders toe, maar niet meer waard dan de overheersers, en in de grond was uw dierbaarste wens slechts, hun plaats in te nemen, en hen als overheersers te vervangen.” Wie is niet autoritair genoeg, om anderen te willen onderdrukken? En toch is de vrijheid ons ideaal. “Ware vrijheidslievende opvoeding bestaat er niet in, anderen te doen denken zoals ik, doch anderen bekwaam te maken, te denken en te handelen voor zichzelf.” Zijn eigen leven tot waarde te maken, daarop komt het aan…. “Ik ben geen burger, zelfs niet van de wereld. Ik ben slechts de burger van mijn eigen wereld.”
En Kibaltchiche valt hem bij, schrijft onder de naam van Le Rétif. Hij weet, dat in “L’anarchie” vele artikelen van de hand van Armand zijn, die zich Hermann Sterne noemt, Amos, le Guépin. Kibaitchiche zelf heet ook wel later: Victor Serge. Hij verwerpt het dogmatisme, maar wil de waarheid van het ideaal. “We willen niet geloven. Erger, we kunnen het niet. Geen ketenen, zelfs geen vergulde…. Laat de geest vrij blijven van alle dogmatisme – maar ook: laat er voor de daad een individueel en hooghartig dogmatisme bestaan: het ideaal.” En later: “In zijn intellectuele leven is de individualist een criticus, een onvoldane, een zoeker, een spotter. In zijn activiteit naar buiten, een oorspronkelijke, een strijdbare, één die zijn overtuiging bevestigt. Hij zou moeilijk verdraagzaam kunnen zijn, zoals men dat noemt. Maar omdat hij geen beroep doet op het gezag, niet gewelddadig zijn wil noch autoritair, zal hij veel verdraagzamer schijnen, in de werkelijkheid, dan heel wat erkende vrijdenkers.”
Armand en hij zijn niet voor het geweld, al erkennen ze het recht tot zelfverdediging. Beiden echter ontkennen het recht van de staat, iemand te veroordelen, voor wat het ook zij. Is de staat niet volstrekt zonder moraal –organiseert hij niet het geweld– tast hij niet zelf allen eigendom aan? Waaraan ontleent hij dan het recht, anderen te vonnissen wegens diefstal, wegens gebruik van geweld? Steunt hij niet de wettelijke roof in beurs en bedrijf, niet de woeker en de zwendel van de “haute finance?” Is alle geweld, hoe onmenselijk ook, niet geadeld en geheiligd, als het slechts de staat dient? Welnu, de staat is het monster, is de afgod van deze tijd, waaraan de mensheid zich zinneloos offert….
Zo fulmineren ze, zo spreken ze onder elkander, zo komen ze tot het goedpraten van het illégalisme, van de onwettelijkheid. Zeker, in hun propaganda zullen Armand noch Le Rétif de diefstal of de bankroof preken; ze weten, dat de geest der beroepsmisdadigers meestal even kapitalistisch is als die van de fatsoenlijke geldmakers. Ze weten, dat de valse munters even kleinburgerlijke doeleinden vaak nastreven als de nette mensen. En dat nood alleen, of moeilijke omstandigheden, hen ertoe hebben gebracht. Maar ze vallen hen niet af, in wie ze slachtoffers zien der maatschappij. Ze veroordelen de kleine dieven niet, omdat ze niet willen worden aangezien voor medeplichtigen van de grote. Armand heeft eens zes-en-twintig maanden in de cel gezeten, beschuldigd van het medeplichtig zijn aan de uitgifte van vals geld – hoewel dat geld niet was uitgegeven, en hij zelf er part noch deel aan had. Maar de daders beriepen zich op hem en zijn theorieën, ze verdedigden zich, door de justitie zelf aan te vallen. Ze stelden de naïeve vraag: “Waarom mag de staat, wat ons verboden is?” En als medeplichtige in geestelijken zin was ook Armand opgepakt. Hij verweerde zich, hij wees op de feiten. Maar hij weigerde de anderen te denuncieren, tegen hen te getuigen – om niet de justitie bij te staan….

Deze beweging had aantrekkingskracht uitgeoefend op de meest onevenwichtige figuren. Velen, die niet het ideaal zochten, doch alleen behagen schepten in de verdediging van de wetteloosheid, in het vernietigend oordeel over de justitie, in het immoralisme, kwamen tot de anarchisten. Zo was ook Bonnot er tussen verzeild geraakt. Zeker, hij was van nature niet gewelddadig, maar hij verdedigde de diefstal. Waarom? Instinctief misschien, maar indien de omstandigheden hem hadden begiftigd met een voldoende rente of het inkomen van den bourgeois, zou hij wellicht een ietwat zonderling, doch niet onhandelbaar burger geweest zijn. De nood, de begeerte, de haat jegens wie genoten, wat hem onthouden was, brachten hem op de weg der onwettelijkheid. Hem was de verleiding te groot. En niet alleen Bonnot werd door de propaganda gesterkt in zijn opvatting, dat hij geen groter misdadiger was dan zoveel fatsoenlijke burgers.
Eens, in een klein zaaltje van de Rue de la Montagne-Sainte Geneviève, gaven de anarchisten een familie-soirée, zoals dat genoemd werd, ten bate van de propaganda. Sebastien Faure, al op gevorderden leeftijd, hield een causerie over de kerk en het gezag. Hij sprak als een goedmoedig familievader, verdraagzaam, ruim van gedachten, maar niettemin hatelijk jegens het geloof, en vol dromen over de nieuwe maatschappij, die komen zou. De individualisten vonden hem veel te communistisch, maar ze waren zijn vijanden niet. Die toekomstidealen waren verlakkerij – maar het was een goede vent, Faure. Hij was de enige geweest onder de bekende kameraden, die den zwervenden Libertad, die nog zo jong was en al zo oud leek, te herbergen. En de deugd der gastvrijheid gold als van wezenlijke waarde.
Men klapte in de handen voor Faure. Vervolgens werd er gezongen, muziek gemaakt, gedeclameerd. Toen trad er een bezoeker naar voren, die men reeds enkele malen meer had opgemerkt. Hij was lang, mager, somber, roodharig. Hij richtte zich tot den voorzitter, die kort daarna stilte vroeg voor kameraad Vatel, die zou voorlezen uit eigen werk. Het waren verzen, artikeltjes, die met vreugde werden begroet. Hij scheen verlegen. Callemin inviteerde hem voor de kolonie in Romainville. Hij ging naast Carouy zitten, die met zijn gezellin in een hoek zat. Vatel sprak bijna niet, en antwoordde in korte zinnetjes.
Maar later, in kleine kring in Romainville, kwam hij los. Hij had een goede opvoeding genoten, maar door het faillissement van zijn vader was de familie in de bitterste zorgen gedompeld geweest. De jongen werd opstandig tegen het lot, hij haatte de wereld. Toen hij werd opgeroepen voor de militaire dienst, weigerde hij, trok naar België, maakte er kennis met Garnier, dien hij uit het oog verloor; omdat hij zich onder de revolutionnaire jeugdgroepen begaf, en eerst later bij de individualisten terecht kwam. In Romainville bleek zijn grote belezenheid, zijn doorzicht, zijn talent zelfs. Maar hij was befaamd om zijn moed, zijn aanhankelijkheid jegens de kameraden. Dien avond, in het benauwde zaaltje, verbond hij zijn leven aan het hunne. Tot in de dood. Maar niemand kon daarvan enig vermoeden hebben – allen waren opgewekt. Lachten, dronken, zongen de refreinen van de liederen mee….
Na afloop vroeg Bonnot aan een kameraad: “Ken je niet iemand, bij wie ik zou kunnen overnachten?” De ander bracht hem bij Dieudonné. Of het kon? “Natuurlijk,” zei Dieudonné, “voor een kameraad is een kamer altijd vrij.” Ze liepen met zijn drieën op.
Dieudonné was een flinke, forse gezel. Zijn gekrulde snor gaf hem iets manhaftigs en burgerlijks tegelijk. Een nette huisvader, zou men zeggen. Hij is strikt eerlijk en hij is een anarchist uit idealisme en uit karakter. Bonnot praat hem over de onwettelijke acties. Maar Dieudonné snijdt het gesprek af. “Hoor eens, kameraad, daar bemoei ik me niet mee. Mijn woord heb je: je kunt bij me logeren. Maar verder niets.” En ze spraken verder over de beweging, over vergaderingen, over de bijeenkomst deze week, waar Jean Grave het woord zou voeren.
Dieudonné vroeg aan den derden kameraad, Simentoff, wat deze dacht van Grave. “Och, een werker, maar erg burgerlijk. Verzot op gala-vertoningen met beroemde schrijvers, tuk op onderonsjes met intellectuelen, die hij dan laat paraderen, om de rechten van de mens te verdedigen.”
“Nu ja,” zegt Dieudonné, maar Faure en Armand hebben ook hun relaties onder artisten en intellectuelen. Denk aan de Dreyfus-zaak."
Men ging er niet op dóór. “Heb je die mop gehoord van Ologue,” vroeg Simentoff. “Hij liep altijd blootshoofds, nu ja, dat was niets.” Dieudonné begon te lachen en citeerde uit zijn hoofd, wat Ologue had geschreven daarover: “Omdat ik vaak nalaat, mijn schedel te versieren met een onmatige vilten koepel, wordt het gelaat van mijn portier strak van afkeuring….”
“Ja, hij moest van de zomer een lezing voor ons houden over hygiëne. Het was smoorheet. We wachtten, maar de spreker kwam niet. Eindelijk, daar komt hij. Maar niet alleen. Met een hele massa om zich heen. Politie-agenten snelden toe. Eén drong er door tot den spreker! Die liep in een zwembroek, en niets anders. Hij hield tegen den agent een hele toespraak. Hij zei:”Ik kleed me aan volgens mijn eigen ideeën. De poriën van onze huid scheiden schadelijke stoffen af, die door de zweetklieren worden voortgebracht. Bijgevolg moeten deze klieren vrij zijn, hun functie te vervullen. Daarom ben ik dun gekleed. Gek zijn zij, die zich bij zulk een weer kleden." De agent wees op zijn voorhoofd, en zei tot een ander: Hij is vast ontsnapt. Hij moest mee naar het bureau. De inspecteur ontbood drie dokters. Maar ze verklaarden hem alle drie voor normaal. De inspecteur raast: Maar als hij weer in dit costuum in mijn wijk komt, gaat hij naar de kliniek…."
Zo, vol anecdotes alle drie, kortten ze de tijd.
Enige dagen later vonden ze elkaar weer op de meting van Grave. Er werd druk gecolporteerd met “Les Temps nouveaux” het blad van Grave, waaraan Kropotkine meewerkte. Daar lagen de talloze brochures van de sociaal-anarchisten. Het boek van Hamon over de “Psychologie van de sociaal-anarchist”. De werken van Grave: “De stervende maatschappij” – “De toekomstige maatschappij.” Geschriften van Bakounine, Faure, Reclus.
Grave sprak over de strijdmiddelen van de sociaal-anarchisten. Hij viel de parlementariërs aan, de Marxisten, de politiekers van alle soort. En hij preekte de algemene werkstaking, de solidariteit, de economische revolutie, de broederschap….
Dit laatste hoorden de kameraden uit Romainville gemelijk aan. Ze zaten er vrijwel allen. Garnier had Metge meegebracht, een kok, die in Romainville was gekomen. En ook de vriendin van Garnier was er, Marie Vuillement, zoals ze haar noemden. Dan zat er De Boué, een typograaf uit België, die pas was uitgewezen uit Lausanne. Ze besloten, dat één van hen in debat zou gaan. Raymond Callemin deed het. Hij hoonde de Christelijke idealen van liefde en hoop op een duizendjarig rijk. Men moest er zich individueel dóórslaan, en niet rekenen op de massa. Alle middelen waren daartoe geeigend. Het individuele illegalisme, ziedaar de enige uitkomst. Een deel der aanwezigen viel hem bij.
Juist toen Grave weer wilde opstaan, om te antwoorden, rees Kibaltchiche op. Hij vroeg het woord, besteeg het podium. Niet om Grave hier aan te vallen, hoewel hij het niet eens was met diens communisme. Doch om te waarschuwen tegen de wanhoopsredeneringen van Callemin. De gevangenissen zitten vol anarchisten, men houdt ons voor bommenwerpers en valse munters. De besten onzer, die niets met dit alles te maken hebben, worden opgepakt wegens gemene misdrijven, waarvoor men hen aansprakelijk stelt. Wiens schuld is het? De schuld van degenen, die altijd maar weer praten en schrijven over illegalisme. We willen slechts, dat ieder in vrijheid zal kunnen leven, en geen propaganda zal maken voor wat hoogstens noodlot is….
Toen verhief Garnier zich en schreeuwde razend: “Je bent verkocht….” Carouy dreigde met zijn vuist…. Alleen Callemin bleef kalm en kwam tussenbeide. “Kibaltchiche is een kleinburger, zei hij, een dromer, product van het milieu, van erfelijke eigenschappen. Hij kan het niet helpen, dat hij zoo is. Neem hem niet ernstig….”
En onder hilariteit stapte Kibaltchiche van het podium af.
Dat was in 1911. De instincten van de kameraden van Romainville werden wilder en heftiger. De mensenverachting en de haat groeiden. De zorg voor het leven werd nijpend. Steeds moeilijker kon de kleine kolonie in haar behoeften voorzien. Er waren jonge vrouwen, die dachten aan weelde, aan uitgaan, aan genot. Men wilde zich overgeven aan de genietingen des levens. Lectuur, gedichten verslinden – theaters bezoeken – wandelen langs de boulevards – reizen naar buiten…. En er was geen geld, er was slechts ontbering. Men zoog zich vol aan theoriën en aan woorden, en men leed gebrek. Terugkeren tot het geordende leven van elke dag? Bah, kleinburger zijn – dat nooit. De fabriek? Een abattoir voor de geest, een gevangenis voor het lijf? Een patroon? Niemand is geboren, om slaaf te zijn….
Zo morden de kameraden in de kolonie. Zo rommelde als een aanzwellende donder het dreigende onweer. De uitbarsting was nabij….

4 – Terreur in Parijs

Het was op de 21ste December van het jaar 1911.
Langs de boulevards gilden de krantenverkopers het uit:
– De misdaad van de Rue Ordener….
– Een bankloper vermoord op klaarlichten dag….
– De moordenaars schieten op de menigte….
– De moord op den bankbediende….
Men rukte hun de kranten uit de handen, vormde, druk gebarende en pratende, zenuwachtig debatterende kringen. En men las inderhaast, met koortsachtige belangstelling, de verslagen.
Dan, een tweede editie, met nog groter koppen.
– Terreur der anarchisten…. Anarchistische misdaad…. De tijden van Ravachol en Emile Henry keren terug.
– Anarchisten verklaren de oorlog aan de maatschappij.
– Schrikbewind der anarchisten….
De moeders haalden hun kinderen van de straat en uit de parken. De burgers in de buitenwijken sloten hun luiken. Men vroeg revolvers aan bij de politie, om zich te verdedigen. Troepen werden gereed gehouden….
– Gewelddadig verzet der anarchisten….

Wat was er gebeurd? De kranten stonden vol van namen van anarchisten, die verdacht werden. Maar één werd aangemerkt als de dader: Carouy. En met hem moest een hele bende in het spel zijn….
Een bankbediende, Ernest Caby, begaf zich met een collega des morgens naar het filiaal van de Société Générale, in de Rue Ordener. Hij droeg een tas waarin later bleek 318.772 francs te zitten aan waarde-papieren, en een zakje met 5.266 francs aan kleingeld. In zijn binnenzak droeg hij nog een 20.000 francs aan biljetten. Toen hij de tram uitstapte, vlak voor het gebouw, en zijn collega hem even vóór was, trad een man op hem toe, lang, fors, die zich voor hem posteerde, hem de pas afsneed, met de linkerhand een revolver op hem richtte en schoot – tot twee maal toe. De bankloper hield krampachtig zijn tas vast, doch zonk op de knieën en zakte bewusteloos ineen. Daarop ontrukte de aanrander hem de tas, en een toesnellende medeplichtige ontnam hem het zakje. Het geschiedde in een oogwenk, met ijzige kalmte en wrede koelbloedigheid.
De begeleider van den bediende schreeuwde om hulp, snelde de trappen op van het gebouw. Intussen sprongen de bandieten in een auto, die wegreed. Voorbijgangers renden hen achterna. Een regen van kogels die echter niemand troffen, verstrooide hen. En op even geheimzinnige wijze als ze waren gekomen, verdwenen de rovers.
Het slachtoffer werd vervoerd naar het Hospital-Bichat, waar men één kogel kon verwijderen, en aldus aan Caby het leven kon redden. De politie liet onmiddellijk alle wegen afzetten, telegrafeerde naar alle grens-stations, en arresteerde allen, die reeds wegens overvallen en autodiefstal met de justitie in aanraking waren geweest. Overal zocht men. Twee heren, die elkaar in een café geld hadden overhandigd, werden gegrepen. Een Italiaan werd verhoord. In een park hield men een razzia, zonder resultaat. Doch één ding was merkwaardig: de prompte beschuldiging, dat anarchisten hier de hand hadden gehad in het geval. Men was de nauwelijks voorbijzijnde periode van reeksen van aanslagen door anarchisten bedreven, nog niet vergeten. Toch ging het daarbij nooit om geld of gewin, doch om demonstratie en wraak. Het was een mysterie, hoe de politie onmiddellijk anarchisten verdacht. Vast staat, dat ze geregeld inlichtingen kreeg uit het anarchistisch kamp, waar het van spionnen wemelde, vooral onder de theoretici van het illegalisme.
Men loofde een prijs uit van 12.500 francs voor wie den dader kon aanwijzen. De volgende dag vond men de auto. Ver van Parijs, in Dieppe, in de modder. Tegelijkertijd deed de heer Normand uit Boulogne-sur-Mer aangifte van diefstal van zijn auto, welke reeds in de nacht van 13-14 December in zijn afwezigheid moest zijn geschied. Spoedig bleek, dat de autobandieten inderdaad bij hem hadden ingebroken, om zijn auto te gebruiken voor hun overval. En een even belangrijke mededeling volgde. De gemeentebode uit het dorpje Bobigny was komen verklaren, dat bij een inwoner van dat dorp, Detwiller, in de nacht van 13-14 December een auto was gestald, die veel geleek op de ontvreemde. Het bleek waar te zijn. Vier reizigers hadden daar hun auto gelaten, en eerst in de nacht van 20-21 hadden ze haar teruggehaald. Ze waren toen echter slechts met zijn drieën geweest. Ongetwijfeld: dat waren de bandieten. Want men had er in de auto vier opgemerkt….
Detwiller wordt vastgehouden, met zijn huisgenoten. Daaronder een vrouw, die in vrij huwelijk leeft met een anarchist. Met Carouy…. Men schijnt de zaak te kunnen overzien. Detwiller is medeplichtige, Carouy één der daders!

De Kerstdagen, Nieuwjaar gaan voorbij. Men viert feest in Parijs. Er is bovendien een kabinetscrisis. Het ministerie Caillaux trad af, en zou misschien worden opgevolgd door de regering-Poincaré.Voor enige dagen vergat men….
Dan, plotseling, op 3 Januari, een nieuwe misdaad, afschuwelijker, en minder vermetel. Een oude rentenier is met zijn huishoudster vermoord in Thiais, in de nacht. De daders zijn een hoge muur overgeklommen, ze hebben de deur opengebroken, de bewoners in de slaap verrast. Waarschijnlijk hebben dezen willen roepen, de daders goed kunnen waarnemen en zijn de oude mensen daarom uit de weg geruimd, in hun bed vermoord. In andere omstandigheden zou een dergelijke daad de algemene weerzin der menigte hebben gewekt. Nu ontstond er een paniek. Hoewel niets met zekerheid bekend was, moest hier dezelfde bende in het spel zijn, zo was de algemene opinie. Men nam vinger-afdrukken, fotografeerde voetstappen, onderzocht, met wie Carouy omging. En een tweede naam dook op, dien van Metge…. Koortsachtig zocht de politie verder naar daders en medeplichtigen….
Op een avond, tegen een uur of negen, zaten in de Rue Fessart: Rirette en Kibaltchiche bij het vuur. Ze spraken over de misdrijven in de Rue-Ordener en in Thiais. Carouy? Het was niet waarschijnlijk. En Metge? Och, kom. Onmogelijk. Een hetze tegen de anarchisten. Maar Kibaltchiche peinst voor zich uit.
– En toch – als er één toe in staat is – dan Garnier….
Rirette protesteert. Onmogelijk. Ze kent hem te goed. Onzin….
Er wordt zacht aan de deur geklopt. Rirette schrikt. Ze denkt aan de kinderen, die rustig en onbewust van alles, slapen. Ze vreest, gemengd te worden in dit schandaal. Weer wordt er geklopt, zacht, niet bevelend. Geen politie dus? Kibaltchiche zegt: Doe open. En, nerveus, gaat Rirette. Ze rukt de deur open. Ze verbleekt. In de deur staan twee mannen…. Garnier…. Callemin….
Ze schijnen verslagen, ze zeggen geen woord. Ze wachten, tot ze worden uitgenodigd. Moe, wanhopig, ontmoedigd, gebroken staan ze daar. Ze schijnen met moeite hun ontroering te bedwingen.
– Kom binnen, fluistert Rirette. Gebogen stappen ze de gang in. Kibaltchiche zegt: “Terug?” De anderen knikken. “Wordt je vervolgd?” Ze bevestigen het.
– Ga mee, zegt Rirette, laten we niet in de huiskamer blijven. Ze doven het licht, ze gaan naar boven, naar de slaapkamer, waar behalve twee bedden, een divan staat, een boekenkast, een tafeltje. In één der bedden slapen de twee meisjes. Voorzichtig leggen beiden hun overjassen neer aan het voeteneind van het kinderledikant. Ze zetten zich neer, eindeloos moe.
Dan vraagt Kibaltchiche:
– Zijn jullie het geweest?
Ze knikken van ja….
Een lang, beklemmend zwijgen heerst er in de kamer. Men hoort slechts de regelmatige ademhaling van de kinderen.
– Het is warm hier, en gezellig, zegt Garnier, zwak en fluisterend.
Callemin heeft zijn donkere ogen op de grond gevestigd.
– Hebben jullie honger? vraagt Rirette.
– Neen, dorst. Ik zou graag wat koffie, zegt Garnier. En Callemin wil thee.
Rirette doet een poging, de zwaarmoedigheid te breken. “Dat is tegen jullie principe, jongens. Drink je geen water meer?”
– We zullen nog wel heel wat dieper zinken, misschien, zegt Callemin, en hij bijt zich op de lippen.
Kibaltchiche voelt zich het hart breken, als hij denkt aan de beide kinderen, aan het gevaar, dat ze lopen. Allen. Het huis is door spionnen omgeven. Alle anarchisten worden angstvallig in het oog gehouden. Allen kunnen verloren zijn, als de politie hier Garnier en Callemin vindt…. Maar hij zwijgt. Hij zegt alleen: “Jullie komt in het hol van den leeuw. Je weet, dat we bijna belegerd worden….
Raymond fluistert verbeten:”Ik weet het. Maar we konden niet meer. We worden opgejaagd door heel Frankrijk. We durven niet bij kameraden aan te gaan, om hen niet in moeilijkheden te brengen. Maar we waren òp, kapot van het vluchten, het zwerven, het hongeren…."
Callemin, hij de trotse, de ongenaakbare, de filosoof…. Hoe had hij niet nog kortelings Kibaltchiche bejegend? En nu, meelij-wekkend, verloren, in elkaar krimpend bijna, zit hij aan het voeteneind van het kinderbedje, een wrak. “Alles is verloren,” zegt hij.
Garnier verbreekt het stilzwijgen. “We zijn idioot geweest. Het was onze bedoeling niet. We hadden heel iets anders op het oog. Maar dat mislukte. We wilden geen geweld gebruiken. Toen zei Bonnot: Moeten we weer platzak thuiskomen? Ik weet iets anders…. Hij had alles goed uitgezocht, in de Rue Ordener….
Callemin zegt gelaten:”Alles is anders gelopen dan we hadden gedacht."
– Ik moest schieten, zegt Garnier. Ik weet niet, hoe ik het kon. Maar het moest…. En beiden zwijgen weer.
Dan barst Garnier uit! “O, die laffe menigte, die ons opjaagt en vangen wil…. Ik had misschien de hele wijk moeten neerschieten, om van ze verlost te zijn.. Het is verschrikkelijk. Nergens rust, nergens één minuut rust…. En alles is mislukt. We moeten alles opnieuw beginnen….
– Als we zolang nog leven, zucht Callemin.
– Waardeloze papieren voor ons – een beetje geld, dat bruikbaar is. En daarvoor alle ellende….
Kibaltchiche vraagt zacht:”Hoe ben je er toe gekomen?"
Garnier zwijgt, en Callemin antwoordt:
– We hadden er genoeg van. Altijd theorieën, altijd praten, altijd armoe, en ellende, en niets dat we bereikten…. We wilden gelukkig zijn. We wilden onze kans benutten, en met één slag er zijn…. En het is alles verkeerd gelopen…."
Dan komt Rirette binnen, met thee en koffie. “Het is behaaglijk hier,” zegt Raymond, en hij is meelijwekkend in zijn ontreddering.
– Dit is de laatste dienst, die je ons kunt bewijzen, Rirette. We zijn verloren. Voor het einde van het jaar zijn we geschrapt uit de lijst der levenden."
Rirette protesteert. Maar Callemin schudt het hoofd. “Ze herkennen ons toch. Ik heb mijn gestalte tegen, en mijn bril, die ik niet kan afzetten. En Garmier…. niemand heeft zulke ogen. We kunnen ons niet eens vermommen. Het geeft niets.”
– We kunnen ons leven alleen duur verkopen…. Laten we gaan, zegt Garnier.
Maar Callemin aarzelt. “Het is warm hier,” zegt hij, “en goed. Rirette, herinner jij je Brussel? Hoe we daar wandelden samen, en hoe ik daar….”
“Verliefd was, op het Russische meisje. Zeker Raymond, het was een goede tijd. In de bibliotheek, in het Bois de Cambre, in Tervueren….”
Ze praatten over de pic-nic-partijen, over de bijeenkomsten, over hun jonge idealisme, hun vurige begeerten. Callemin zei: “Misschien had ik nooit daar moeten weggaan….”
Dan vervalt hij in een diepe mijmering. Garnier staart stom voor zich uit. Tot hij bruusk opstaat. Hij zwijgt. Dan slaat de torenklok één uur.
– Kom, zegt hij. We gaan.
Behoedzaam trekken ze hun overjassen aan. Callemin werpt een vertederende blik op de kleine meisjes. Zacht sluipen ze naar beneden, en verdwijnen in de schemering, eenzaam, onuitsprekelijk ellendig. Rirette schreit….
Op zekeren dag komt een kameraad bij Riretie. “Raymond en Garnier zouden je graag nog eens zien. Vanavond om half zeven zijn ze op de hoek van de Rue du Temple.” Rirette aarzelt. Misschien verraadt ze hen, door zich in hun gezelschap te begeven. Misschien berooft ze haar kinderen lange tijd van een moeder. Maar ze wil niet weigeren. “Ik geloof,” zegt ze tot Kibaltchiche, dat Raymond behoefte heeft aan iemand, die hij vertrouwen kan, als een zuster….
En ze ging.
Het was het uur van het uitgaan der ateliers en van de bureaux. Honderden daar bewogen zich haastig door de Rue du Temple. Op de hoek staan Garnier en Callemin, onbewogen. Ze begroeten met warmte Rirette. Blijven met haar staan praten. Een agent nadert. Beiden grijpen in hun zakken, bereid hun revolver te trekken…. De agent is goedaardig. “Komaan, luidjes, doorlopen. Jullie staat hier in de weg….”
Ze aarzelen, wantrouwend. De agent glimlacht. “Kom, doorlopen, als je blieft.” Hij schijnt zich te amuseren met het feit, dat de drie praters zo in de war, zo verstrooid zijn. Maar ze stappen op. Dan ontspannen zich hun gezichten. En ze lachen….
Ze waren volkomen fatalisten geworden. Ze wisten, dat ze gepakt zouden worden, en wachtten gelaten hun lot. Ze verborgen zich niet, ze waren in onverschilligheid weer tot rust gekomen. Niets deerde hen meer. Reeds hadden ze met het leven afgerekend. “Het kan niet lang duren, voor ze ons hebben,” zegt Callemin, en zo lang leven we in elk geval." Ze verontschuldigen zich over hun bezoek, en nu weer erover, dat ze Rirette lastig vallen, maar ze hebben zo’n behoefte aan warmte ten afscheid….
Ze stappen een lunchroom binnen. De bezoekers zitten over kranten en schotels gebogen. Niemand wijdt aandacht aan de drie binnenkomenden….
Rond hen zegt iemand: “De beloning is nu verhoogd tot 100.000 francs, voor wie de bandieten uitlevert..” Callemin herhaalt hoorbaar: “100.000 francs voor wie de bandieten uitlevert….” Een jonge vrouw aan een tafeltje naast hem zegt: “Dat is een bedrag – men is er voor zijn leven mee geborgen….”
Callemin glimlacht in haar richting. “Ja, madame, dat is waar. Welk een som…. Met één slag is men er mee boven op…. Ik heb vaak gedacht, zo als u… Maar ik zal dat geluk wel niet bereiken….”
Hij glimlacht. Garnier grinnikt, verbeten, en toch met galgenhumor….
Buiten nemen ze afscheid van Rirette. “Ze durven ons niet te arresteren, geloof ik. Misschien…. tot ziens….”

5 – Nieuwe aanslagen

Na een maand kon de bankbediende Caby, die langzaam herstelde, verhoord worden. Hij gaf een relaas van de feiten, die men reeds kende, en uit de portretten, die hem werden voorgelegd, zeide hij, Garnier te herkennen als de dader. Terstond begon een nieuwe razzia op anarchisten. Men was vergeten, dat aanvankelijk Carouy was gedoodverfd als de schuldige, en zocht nu Garnier. Onverwacht deed men een inval in de kolonie van Romainville en arresteerde allen, die men er vond. Wel was men later genoodzaakt, te erkennen, dat van geen hunner schuld kon worden bewezen, maar Kibaltchiche en Rirette Maîtrejean werden in arrest gehouden.
De politie begon de situatie als onbehaaglijk te voelen. Het publiek schreef elke nieuwe daad van wetteloosheid toe aan de nog immer niet gevangen bandieten. De politie zocht, en intussen volgden overval op overval. Er werd ingebroken in een wapenwinkel op de Boulevard-Haussmann, in Gent werd een auto gestolen, gevolgd door een tweede poging, waarbij een chauffeur werd vermoord. Wie waren de daders? Overal dacht men aan Carouy en Metge en Garnier. Dan in Béziers weer een autodiefstal, in Saint-Mandé insgelijks. De bandieten waren volgens de fantasie der beangstigde en op sensaties tukke menigte overal tegelijk, in geheel Frankrijk. Elk misdrijf, dat onopgehelderd bleef, werd hun ten laste gelegd, tot in België toe.
Doch dan, in het hart van Parijs zelf, een ongehoorde, ontstellende aanslag, op de 27ste Februari van het jaar 1912. Des avonds tegen zeven, op een uur, dat de wijk Saint-Lazare overdruk was, kwam een fraaie luxe-auto uit de Rue d’Amsterdam, in een ongekend snelle vaart in de richting van het station. Bijna kwam de razende auto in botsing met een autobus, doch de schok werd voorkomen doordat de chauffeur van de luxe-wagen dwars over de vluchtheuvels reed en half op het trottoir doorrende, tot een nieuwe autobus de weg versperde en hem dwong, te remmen en stil te staan. Een agent naderde. Hij vroeg naar de redenen van de verdwaasde snelheid en de wilde vaart. Men antwoordde niet. De drie lieden in de wagen zetten de motor aan, één hunner liep zelfs naar voren, om de slinger te draaien, en stom blijvend, maakten ze aanstalten te vertrekken. De agent dacht, met vreemdelingen te doen te hebben, hij haalde zijn opschrijfboekje voor de dag, om proces-verbaal op te maken. Langzaam zette zich de auto in beweging. De agent sprong op de treeplank, hij hield de auto vast.
Toen gilden de omstanders. Drie doffe schoten weerklonken, drie flitsen van vuur waren zichtbaar. De agent stortte ter aarde, en in krankzinnige vaart snelde de auto voort, dwars door de Boulevard-Haussmann, in de richting van de Madeleine. Twee agenten rekwireerden een racewagen, doch reden een vrouw aan en verloren de bende uit het oog. Deze was over de Place de la Concorde verder gestoven. Men wist overigens niets. De volgende nacht reden om ongeveer drie uur des morgens drie onbekenden het dorp Pontoise in, stopten voor het kantoor van een notaris, gingen achterom, klommen over een muur in een kleine tuin, en traden zo het kantoor binnen.
Toen passeerde een bakkersjongen, die zich hoorde aanroepen. De notaris was ontwaakt, hij stond met een revolver in de hand voor het venster, en vroeg om hulp. De jongen duwde de deur van het kantoortje open, toen op het zelfde moment twee schoten weerklonken. De jongen kroop tegen de muur. Drie mannen snelden langs hem weg in de schemer, en terwijl twee ervan de auto op gang brachten, stelde de derde zich op en dekte de aftocht met een regen van kogels. Toen snelde hij de anderen achterna, zonder iemand te hebben getroffen.
Des morgens vond men de auto in Saint-Ouen, half verbrand. En men herkende er de luxe-auto in (die in Saint-Mandé was ontstolen aan den heer Buisson), die was gesignaleerd in Montereau en Pont-sur-Yonne, alvorens ze Parijs binnen reed. Geen twijfel mogelijk: de autobandieten terroriseerden altijd nog Parijs….
De ooggetuigen gaven vele gelijkluidende inlichtingen. De man aan het stuur moest Bonnot zijn geweest, naast hem zat Garnier, die op den agent had geschoten en achterin moest Callemin hebben plaatsgenomen.
Parijs was ontsteld en woede heerste in vele kringen. Wat was de politie waard, als ze er niet in slaagde deze razende spookachtige auto’s in bedwang te houden – deze bende onschadelijk te maken? Overal doken deze waanzinnig-brutale bandieten op, verrasten de politie en de justitie, waren onvindbaar, wanneer men hen zocht, en zaaiden dood en ellende, wanneer ze opdoken uit de nacht der geheimzinnigheid.
Het was duidelijk, dat deze mannen de oorlog hadden verklaard aan de maatschappij. Ze moesten er zeker van zijn, dat hun leven was verbeurd. Geen diefstal van welk bedrag ook kon hen nog aan de guillotine onttrekken – niets kon hun het goede, onbekommerde leven meer geven. In deze wetenschap voerden ze een verbitterde strijd, om hun huid te verkopen tegen de hoogste prijs. Als dolle honden beten ze van zich af. Niemand sprak over iets anders dan over de auto-bandieten. Als legendarische, bijna buiten-menselijke wezens vreesde men hen.
Enige weken, nadat de politie vruchteloos had gezocht en gearresteerd, nadat ze De Boué en Dieudonné had gevangen genomen, ontving de recherche een brief, die sensationeel was, geschreven door Garnier, voluit ondertekend, met branie en bravour. De brief luidde:
“Nadat door Uw bemiddeling de pers mijn bescheiden persoontje heeft vermaard gemaakt, tot grote vreugde van alle kletskousen der hoofdstad, kondigt ge aan, dat mijn gevangenneming aanstaande is. Maar wees er van overtuigd, dat al dit lawaai me niet hindert, in vrede alle genoegens van het leven te smaken.
Zoals ge het herhaaldelijk zeer juist hebt toegegeven is het niet te danken aan uw scherpzinnigheid, dat ge me hebt kunnen ontdekken, maar door het werk van een verrader, die zich in ons midden bevond. Wees overtuigd, dat ik en mijn vrienden hem de beloning zullen weten te verschaffen, die hij verdient, evenals aan enige te spraakzame getuigen.
En uw premie van 100.000 francs, die u hebt aangeboden aan mijn vrienden, om me te verraden, wat een strop voor u, die zo royaal bent met het geld van de staat. Maak de som tien maal zo groot, mijne heren, en ik lever me zelf over, met gebonden handen en voeten, aan uw genade, met pak en zak.
Zal ik het u maar bekennen? Uw onbekwaamheid voor het edele vak, dat u beoefent, is zóó duidelijk, dat ik lust had, enige dagen geleden, me op uw bureau zelf te komen aanmelden, om u enige aanvullende inlichtingen te geven en enige vergissingen recht te zetten.
Ik verklaar u, dat Dieudonné onschuldig is aan het misdrijf dat u weet, dat ik bedreven heb. Ik weerspreek de beweringen van Rodriguez. Ik alleen ben de schuldige. En denk niet, dat ik uw agenten ontvlucht. Ik geloof zelfs, op mijn woord, dat zij bang zijn van mij. Ik weet, dat er een eind aan zal komen, aan de strijd die we hebben aangegaan tegen het overweldigende arsenaal, waarover u beschikt. Ik weet, dat ik overwonnen zal worden, omdat ik de zwakste ben. Maar ik hoop wel, dat u de overwinning duur zult betalen.”
Op de politie-bureaux was men woedend. Misschien bewonderde men de vermetelheid dezer rauwe bandieten. Maar men haatte hen, omdat ze onvoorziene moeilijkheden hadden geschapen. Het publiek schreeuwde om arrestatie van de daders. Het wilde gerust gesteld worden. Men begon de politie te honen, dat ze haar vak niet verstond. Men begon een gevaarlijke neiging tot sympathie te krijgen, ondanks alle angst, voor de brutale durf der bende.
Toen arrangeerde de rechter van instructie, Meester Gilbert, een samenkomst tussen Dieudonné en den bankloper Caby. Hij liet enkele politie-mannen verkleden als burgers, plaatste daartussen Dieudonné, en riep Caby binnen.
“Herken je één dezer mannen als de dader van de aanslag in de Rue-Ordener.
Caby zocht met de ogen. Wie onmiddellijk opviel en zich onderscheidde, was Dieudonné. De bediende wees Dieudonné aan.”Ik herken hem," zeide hij. “Deze was het….”
Dieudonné haalde de schouders op. “Loop heen, het lijkt wel een roman. Ik zat in Nancy op dat ogenblik, en kon dus niet in de Rue-Ordener zijn.
”We zullen zien," zei de rechter. Maar Caby houdt vol?
De man hield het staande. Dien avond prijkte een opvallend groot bericht in alle kranten. Men had Garnier niet, noch Bonnot, noch één der anderen. Dan kon men toch het publiek gerust stellen, dat de politie thans op de goede weg was. De hoofddader van de eerste aanslag was gevat. Hij heette Dieudonné….

Toen kwam de laatste grote slag, die drie mensenlevens kostte. Op de 25ste Maart tegen acht uur in de morgén, reed een auto met twee chauffeurs, komend van uit Parijs en op weg naar Nice, door het bos van Sénart, toen plotseling drie mannen te voorschijn sprongen en toesnelden op de auto. Ze schreeuwden en wenkten. De chauffeur, angstig geworden, reed door. Een kogelregen was het antwoord. De auto verminderde haar vaart, de drie bandieten sprongen er op. Aan het stuur zat ineengedoken de chauffeur, dodelijk getroffen. De ander was aan de handen gewond en bezwijmd. De drie aanvallers tilden hen uit de wagen, sprongen er in, en wachtten even, tot drie anderen zich bij hen voegden. Toen, snel en recht, ging het af op Chantilly, waar de auto stopte voor het filiaal van de Société Générale. Vier mannen sprongen er uit, de twee anderen bleven aan het stuur. Op het bureau werkten vier employés. Daar drongen wild en woest de vier kerels binnen. Handen omhoog! De bedienden zien verrast op, ze komen op de indringers toegelopen, klaar zich te verdedigen. Dan knallen de schoten. Twee storten dodelijk gewond neer, een derde strompelt gewond weg, een vierde maakt zich uit de voeten. De aanvallers halen de brandkast leeg, ze roven de kas. Dan hollen ze naar buiten.
Op het geluid der schoten komen mensen toesnellen, pogen de bank binnen te dringen. Dan grijpt één der achtergebleven bandieten een karabijn, en vuurt op de omstanders, die zich uit de voeten maken. Wanneer de auto wegrijdt, glijdt de karabinier bijna van de treeplank. De anderen grijpen hem, trekken hem in de wagen….
De auto vond men later onbeheerd. Alle effecten en waardepapieren had men achtergelaten. Het geld alleen was meegenomen. Nauwelijks vijftig-duizend franc voor zes wanhopige wettelozen….

En de onrust steeg en steeg. Men sprak van grote meningsverschillen bij de recherche, waar de directeur Guichard overhoop lag met den onderdirecteur Jouin, wat de onderzoekingen verlamde. In de kamer dreigde Franklin Bouillon met een interpellatie, met het opzeggen van het vertrouwen in de regering. “Op het politiebureau bestaan innerlijke conflicten, geschillen tussen directeur en sous-chef. Deze toestand kan zo niet voortduren. Ik vraag de verzekering, dat de orde zal worden hersteld en vanaf morgen alles op de préfectuur in orde zijn zal.”
De minister van binnenlandse zaken, Steeg, zal maatregelen nemen, om de onderdrukking van het banditisme krachtig en met succes ter hand te nemen. Het volk was ongerust en nieuwsgierig tevens. De bandieten waren verdwenen. Maar overal meende men hen te zien. Alle deuren werden beter gegrendeld, alle luiken goed gesloten. Men kocht waakhonden, zelfs in de stad. Alleenwonende lieden durfden de nacht niet thuis doorbrengen, en bleven bij familie of in hotels. Op één zelfde dag signaleerde men auto-bandieten in Bordeaux en in Le Hâvre, in Parijs en in Rijssel. Men zag Bonnot in Dijon en Callemin in Rouen. Het gebeurde, dat het publiek bijna iemand stenigde, tot de politie hem moest ontzetten, en moest bewijzen, dat het geen auto-bandiet was. De recherche ontving 600 brieven per dag met aanwijzingen. Sommigen maanden aan tot het organiseren van een biddag tegen het banditisme. Anderen wilden somnambules en helderziende raadplegen, en hadden op séances mededelingen ontvangen. Bank-beambten vroegen bommen aan, om zich te verdedigen, men riep om soldaten voor de spaarbanken. Eén wilde vliegtuigen –hoe gebrekkig nog in die tijd– benutten voor de achtervolging. Ironisch stelde een burger voor, den bandieten een som aan te bieden, opdat ze zich naar het buitenland konden begeven, om daar rustig te leven….
Er verschenen advertenties in de bladen over voortreffelijke automerken van wagens, die nog sneller gingen dan de gestolene, en dus met succes aan de achtervolging konden deelnemen. “Met onze auto’s ontsnappen ze niet,” adverteert een ander, die de wagens zal afsluiten, als ze ’s nachts ongebruikt staan. Wapenhandels bieden revolvers aan ter verdediging. Speciale brandkasten worden aanbevolen. Spaarbanken verzekeren, dat het geld bij hen veilig is. De particuliere nachtveiligheid komt wakers te kort….
En intussen bleven de bandieten onvindbaar. Ze hadden hun laatste troeven blijkbaar uitgespeeld, want geen nieuwe daden van terreur deden zich voor. De rechter van instructie Gilbert nam aan, dat er een bende was gevormd uit de kolonisten van Romainville, ja, dat deze kolonie niet anders was dan het hoofdkwartier van de boosdoeners. Allen van de “Anarchie” werden als medeplichtig beschouwd. Men arresteerde Lorulot, die de anarchistische milieus reeds bezig was te verlaten en in “L’idée libre” zijn anti-kerkelijke propaganda voerde. Men nam verscheidene vrouwen gevangen. Er rees verzet in socialistische kringen tegen willekeurige arrestaties van mensen, die met het banditisme niets uitstaande hadden. In “la guerre sociale”, weekblad van de linksen, verschenen artikelen over de economische ondergrond van de diefstal en de verbittering der bandieten. Men vroeg zich af, door welke oorzaken ze zo waren geworden? En Victor Méric schreef:

“Men spreekt ons van klassenstrijd en van naderende revolutie. De persoonlijkheid vraagt niet mèèr. Maar al wachtende op deze rode dageraad, moet hij leven, de enkeling. Hij ziet om zich heen. Hoog en laag, rechts en links, vooruit en achteruit, overal de lage strijd om het bestaan, met al zijn afschuwelijke gevolgen, door de huichelarij bemaskerd, door de moraal verguld en door de wetten beperkt. Hij ziet om zich heen, de enkeling, hier naar de minderheid, die geniet, redeloos, zonder dat het te verontschuldigen is, alleen omdat het lot hen heeft gediend, en hen heeft geleid. En daar, de onmetelijke kudde, in de afgrond van lamlendigheid en de lijdzaamheid. En verder, mislukten en slachtoffers, die de opstandigheid heeft verminkt, gemakkelijke prooi voor cel en ziekenzaal.
Wat zal hij doen, deze enkeling? Een nummer kiezen en zich laten inlijven in het leger der proleten, geexploiteerd, hongerig, vermoord, fabrieksvee, voedsel voor de patroons, kanonnenvlees…. Zal hij ook ondergaan in opstandigheid, zonder bestaansmiddelen, zonder wapens, zonder hoop op overwinning?
Tussen de gebrokenen en de ontembaren weet hij niet, wat te doen. In de moderne woestenijen, die onze grote steden zijn, weet hij, dat wilde dieren met menselijke aangezichten elkaar verslinden. Hij moet zich verdedigen…. Hij moet zich wapenen voor de strijd. Op straffe van te bezwijken, een van die bleke slachtoffers te worden van de tuberculoze, ondermijnd door bloedarmoede, verstompt door alcohol, moet hij aanvallen om zich te verdedigen. Hij is niet als schaap geboren, hij kan niet eeuwig zijn nagels inhouden en zijn rug krommen onder de knuppels….
En op een morgen kruipt hij uit zijn hol, steelt een auto, doodt een geldophaler, slaat een agent neer, én vernietigt de anderen….
Hij is de onwettelijke rebel geworden, één die buiten de maatschappij staat….”
Zo trachtte men te begrijpen, te verontschuldigen bijna, vergat men de gruwelijke bijzonderheden en vroeg naar de mensen, naar hun leven, hun noodlot…
De dertigste Maart arresteerde men…. Soudy. Hij droeg een revolver bij zich met acht kogels. Men verdacht hem van medeplichtigheid aan de aanslag uit de Rue-Ordener…. Later bleek de waarheid. Hij, Soudy, die niemand iets kon weigeren, die doodziek van tering verkommerde, de zachtmoedige, die met de kinderen in het gras speelde, hij had niet kunnen weigeren, met anderen mee te gaan naar Chantilly. En daar had hij, in doodsangst, geschoten met de karabijn. Hij was in de auto gehesen, en was onderweg bezwijmd. De zachtmoedige stakkerd liet zich zonder het minste verzet grijpen. Hij was groter wrak dan ooit. Men vond bijna duizend francs op hem. Jouin kwam in Parijs met zijn bijna beklagenswaardige vangst.
En onmiddelijk daarop is Carouy gevat, weer door Jouin, den onder-directeur van de recherche. Men heeft hem gevolgd tot aan het station, daar geeft een der sterkste agenten hem een hevigen slag in de nek. Carouy is versuft, men bindt hem, sleurt hem weg. Hij heeft honderd vijftig francs bij zich. Op het bureau grijnst hij en ziet spottend rond. “Een mooie vangst hè? hoont hij. En voor jullie medailles en bevordering….”
Dan maakt hij onverwachts een beweging. Hij heeft een klein pakje ingeslikt, waaraan hij hoopt te sterven. Hij schreeuwt: “Klaar! Nog een paar minuten, en ik ben er geweest….” Men wil hem dwingen, braakmiddelen in te nemen. Hij weigert. De dokter snelt toe, neemt hem waar, en twijfelt. Later blijkt, dat Carouy meende, cyankali te hebben ingenomen. Het is echter iets anders, en hij komt er boven op…. Hij ontkent alle medeplichtigheid, maar men heeft vingerafdrukken, die tegen hem schijnen te getuigen. Als hij naar de gevangenis wordt gebracht, probeert hij zich met een klein schaartje een slagader door te knippen bij de slapen. De wonde is niet dodelijk, en hij geneest….
Men meende, twee medeplichtigen te hebben gearresteerd. Maar de anderen –Bonnot, Callemin, Garnier– de aanvoerders misschien? Ze daagden de justitie uit, lachten om de politie, en bereidden misschien nieuwe plannen voor. En de onrust keerde terug….

6 – Liefde en nederlaag.

Op een avond in Maart, één dier uren, dat reeds een zoete zachte wind de lente aankondigde, liep Callemin in de volksbuurt achter het kerkhof Père-la-Caise. Hij mijmerde over de nabijheid van de Mur des Fédérés, waar eens duizenden communards waren neergeschoten. Waartoe? Om de mensheid, die ze gelukkig hadden willen maken? Een bittere glimlach verried zijn ongeloof aan de mogelijkheid, de maatschappij op te heffen uit haar ellende en haar slavernij. Had ik geloofd, zo dacht Raymond, dan had ik me niet gehaast. Uit ongeloof heb ik meegedaan aan een reeks overvallen, een reeks misdaden, die we beproefden, om ons op de maatschappij te wreken. Op allen. Welk verschil bestaat er tussen bourgeois en arbeider? Het is een dwaze mythe, den arbeider voor te stellen als beter of anders dan den kapitalist. Machtwellust is het, en niet anders, om klassenstrijd te willen voeren. Van beide kanten. Is de heerschappij van het proletariaat beter dan die van de burgerij? Wie kan het bewijzen? Onder alle ethiek en onder alle frazes leeft onverwoestbaar toch het beest, de moordenaar. Wij hebben gemoord. Dat is waar. Zijn we zoveel slechter dan anderen, die hun vijanden, hun concurrenten zouden hebben vermoord, als ze…. gedurfd hadden? De hele mensheid is een grote vuilnishoop en niets anders. Ik behoor er toe, helaas. Maar zijn ze supérieur?
Zo debatteerde Callemin met zich zelf, poogde hij zich te rechtvaardigen. Woorden van Nietzsche kwamen hem in de herinnering. Ik ben een vijand der goeden en bijgevolg een vriend der slechten…." Hij overdacht, dat Nietzsche “de velen” had gehoond, om hun slavenmoraal, en dat de herenmoraal het recht van de sterkste had gewild. Welaan, waarom zouden we er niet om vechten, waarom het niet uitvechten? En vaster omklemden zijn handen de beide revolvers in zijn zakken….
Maar dan overviel hem een zwarte melancholie. Een bittere droefgeestigheid verlamde hem. Hij volgde de vlucht van een vogel in de lucht.
– Vrij zijn, te vliegen, waarheen men wil…. Waarheen?" Hij zag de inéénvloeiende kleuren aan de hemel, bij het ondergaan van de zon. Hij dacht er aan, dat hij niet lang meer leven kon. De gedachte aan de onvermijdelijke dood deed hem alles ijdel lijken. Waartoe de strijd? Wat betekent het alles tegenover de korte tijd, dat we op aarde zijn? Geen God, geen scheppende geest redt onze ziel. Er bestaat slechts stof en niet anders…. Waarom niet van de stof genieten…. Al wat het oor streelt, elke klank, die aangenaam is, opvangen en bewaren. Elke zoete aandoening opzuigen als honing….
En in zijn herinnering kwamen weer de heerlijke dagen uit Brussel, waar hij meewerkte aan de “Révolté”, waar hij Rirette had leren kennen, waar hij zijn liefde had gekoesterd voor het Russisch meisje. Een gevoel van grote eenzaamheid kwam er over hem, een besef van verlatenheid. Wat is het bestaan zonder vrouw, en zonder liefde? Misschien was dit de oorzaak van zijn ellende, van zijn idiote daden? Misschien. Een mens is geen redelijk wezen. Zijn instincten zijn sterker dan zijn vernuft en zijn goede wil. Schopenhauer had het voortreffelijk gezegd. Het leven is een tragedie, omdat we ons karakter niet beheersen. Is het onze schuld, dat we zijn, zoals we zijn? Erfelijkheid, noodlot, omstandigheden bepalen ons. Men kan de mens het hart niet in het lijf omkeren – men kan zijn lot niet ontlopen….
Zo peinsde Callemin, Raymond-la-Science – de koele mens vol wetenschap….
Een peinzende, zoekende, twijfelende kleine Hamlet, na de misdaad….

Op dat ogenblik passeerde een vrouw. Hij keek op en zag haar aan. Ze merkte het en zag hem in zijn ogen…. Als twee eenzamen, die verwonderd zijn, elkaar te vinden – als twee zielen, die in één oogwenk elkander schijnen te doordringen en te begrijpen, zo zagen ze elkander aan. Dan liep ze verder.
Raymond keerde terug, haalde haar in, sprak haar aan. De hete hunkering in hem behaagde haar. Ze stootte hem niet af. Ze antwoordde hem. Zij duldde dat hij haar een arm gaf. En samen wandelden ze, in druk gesprek, door de volksbuurten van Parijs.
Een hartstochtelijke liefde, kort en plotseling, groeide uit hun vriendschap. Ze was door vele mannen bemind, en door allen verlaten. Een mislukte, één die niet meer gelooft in het leven. Eén die tot alles bereid is, ook tot de zelfmoord. Hij sprak haar over het leven, over de liefde. Deze man, op de rand van het graf, gaf zin aan het leven ener vrouw, die als hij, was meegesleurd door de maalstroom. En hij zeide haar, al wat hij voor zichzelf aan levensmoed had bijeengegaard. Dat we er zijn, op aarde, om te genieten, voor het onvermijdelijke einde komt, het fatale niet-zijn van onze persoonlijkheid. Hij leerde haar op wandelingen de lucht liefhebben in de avond, en het sjilpen der vogels in de ochtend, en het ontluiken van een bloem, en het lezen van een ontroerend boek.
En Callemin, door heel Parijs gezocht, overal vermoed, en onvindbaar, speelde zijn laatste troeven uit tegen het noodlot. Avond na avond, arm in arm, ging hij met zijn geliefde naar de opera, naar de concerten, de theaters…. En dan nam hij van haar afscheid, hetzij aan haar deur, hetzij in de woning van kameraad Pierre Jourdan, in de Rue de la Tour d’Auvergne.
Op een avond, onder het naar huis gaan, bekende hij haar, wie hij was. Ze verbleekte, maar hield zijn hand in de hare. Ze schreide.
– Je weet dus, hoe dit moet eindigen, zei hij. Het is een episode, kort en voor jou misschien gevaarlijk. Als je bang bent, kom dan niet weer."
Maar ze had hem bezworen, dat ze van hem hield, en alles aandurfde. Ze wist, dat hij geen gewone misdadiger was. Ze zou hem trouw blijven, zuchtte ze.
En gelukkig als een kind kuste Raymond haar.
Op een avond, toen hij afscheid van haar nam aan de deur van de woning van Jourdan, voelde hij zich achtervolgd. Een man had achter hen gelopen, en was verdwenen. – Och kom, zei ze, een vrouwengek, één die achter een paar rokken aanloopt…. Maak je niet ongerust. Het zal meer zijn om mij, dan om jou. En die poeier ik wel af. Ga gerust slapen…."
Doch sindsdien had hij zich niet rustig gevoeld. En later, nogmaals op een laat uur, meende hij dezelfde gestalte op te merken, die hen bespionneerde. Maar hij liet zich geruststellen.
De volgende morgen in de vroegte, om zeven uur –het was Zondag, de zevende April– kwam Callemin de trap af van het armelijke appartement van Jourdan. Hij had als naar gewoonte geslapen op een matras, op de vloer. Maar hij zou naar buiten gaan, naar Vincennes misschien, naar Versailles, Fontaine-blau? Hij was wat doezelig, wat slaperig nog. Beneden in het portaal staat hij even stil. Hoort hij iets?
Maar de tijd ontbreekt hem, om na te denken, om op te letten. Als een lawine storten zich mannen op hem, die hem met alle kracht overweldigen, hem op de grond sleuren, hem bijna bewusteloos slaan. Ze binden hem.
Callemin heeft zich niet kunnen verzetten. Drie brownings in zijn zakken hebben hem niet kunnen helpen. Hij is overrompeld. Men vindt nog bijna vijf duizend francs op hem, die hij heeft vergeten over te maken aan hààr….
Op het bureau weigert hij enig antwoord te geven op welke vraag ook. Hij ontkent alles. Hij spot met zijn overweldigers, met hun moeite, hun onbekwaamheid, hun nervositeit. Op het oog is Raymond onaandoenlijk. – En wanneer nu de guillotine, mijne heren? Wat zal dat u een plezier bezorgen, mij te zien sterven, na zo’n jacht op menselijk wild….
Callemin put zich uit in hatelijke opmerkingen. Geboeid zit hij daar, tussen inspecteurs en agenten, en hij lacht hen uit. Heeft hij niet met alles afgerekend?
Dan komt er een heer binnen, die hem een ogenblik aanziet, tot de inspecteurs knikt, en dan weer verdwijnt. Callemin peinst. Hij heeft dezen man meer gezien. Waar?
– Wie was dat? vraagt hij.
– Meneer Jouin, sous-chef van de recherche," zegt men hem.
Jouin heeft hem niet gearresteerd. Dat deed Guichart. Is Jouin wellicht op vergaderingen geweest van de anarchisten? Maar hij moet hem hebben ontmoet….
En plotseling wordt het hem duidelijk. Dàt was de man, die hem twee maal had gevolgd tot bij Jourdan. Dàt was hij, van wien zijn minnares dacht, dat het een vrouwenjager was. Hoe, in ’s hemels naam, had deze hem ontdekt?
Er glijdt een sombere schaduw over het gelaat van Raymond. Zijn brutale heldhaftigheid begeeft hem. Mijmerend, zorgelijk, staart hij voor zich. Het is, of hij plotseling iets schoons verliest, plotseling ontwaakt.
– Als zij hem eens heeft…. verraden? Als zij –om het geld– hem eens heeft overgeleverd? Waarom heeft ze hem zo gerustgesteld? Waarom heeft ze zijn argwaan doen inslapen? Misschien – ook zij?"
Callemin’s mond vertrekt, nerveus, alsof hij een bijtende opmerking wil maken. Maar hij spreekt tot zichzelf. Hij pijnigt zichzelf. Er is toch niets bewezen. Wellicht was ze trouw. Zeker – natuurlijk was ze dat. Hersenschimmen, haar te verdenken. Zij, die zich aan hem gaf, hem in deze enkele laatste dagen alles gaf, wat zij bezat in het leven, zij die zijn troost was en zijn geluk, zij heeft hem niet verraden.
Maar weer aarzelt hij, weer wroet in hem als een schrijnende pijn de twijfel. Wie is trouw, wie is eerlijk? Wie zal een bandiet sparen? Wat is eigenlijk liefde? Een aantrekkingskracht als alle andere, en zwakker dan het geld. Bah, wat bekommert hij er zich ook om.
Callemin lacht, rauw en wrang. Hij ziet om zich heen en vloekt. Dan staren zijn dromerige, bijziende ogen in onbestemde verten….

7 – Vals geld.

Het was een koude voorjaarsavond. De straten waren nat van de buien, en de nog kale bomen staken hun toppen grillig en armelijk, als naakte ledematen, in de lucht. Een sombere hemel verhoogde de indruk van droefgeestigheid.
Buiten Parijs, in Vincennes, dicht bij het vermaarde slot, in één van de oude huisjes zaten een aantal vrienden bijeen. Ze waren er uitgenodigd door Simentoff. Hij zat daar bij de kleine kachel, rijzig, knap, kranig met zijn welverzorgde snor, een goed-gekleed Parijzenaar. Naast hem zat Bonnot, kleiner, zwijgzamer.
– Marie, zie hij tot een nog jonge vrouw tegenover hem, je weet, dat Garnier daar niet veilig is. En Valet evenmin."
Daarop zich richtende tot Metge, die in een hoek op een divan zat: – Kun jij ze waarschuwen?
Metge boog het hoofd. Hij haalde de schouders op. Maar Marie viel in: – Natuurlijk doe jij dat niet. Als er iemand als bode kan dienen, dan toch alleen een vrouw. Barbe, wat denk jij ervan? Vindt Metge het goed?
– Nou, zei Barbe, dat hoef je niet aan hem te vragen. Als ik wil, doe ik het. Maar is het nodig? Ze kennen ons allemaal. Gaan ze ons na, dan vinden ze de jongens vast. Ze zitten nu buiten, als kleinburgers wonen ze in Nogent-sur Marne. Als ze worden gevonden, is het alleen door verraad of doordat wij hen verraden, juist door ze te gaan bezoeken….
– Ze heeft gelijk, vervolgde Simentoff, het is al dom genoeg van Marie, om hen te verlaten en dan ons op te zoeken. Kunnen ze niet naar België uitwijken, of over zee?
– Onmogelijk, want juist aan de grens is de contrôle ontzaglijk scherp. En dan – uitgeleverd worden ze toch. Het gaat er alleen maar om, de vrijheid zo lang mogelijk te rekken. Te genieten van die enkele weken, misschien.
Bonnot trommelde nerveus met de vingers op de tafel.
– Overal worden we verraden, overgeleverd. De politie vindt ons niet, maar lui, die onze kameraden schenen, leveren ons over. Dat is het treurigste van al onze ervaringen. Uit vrees, voor medeplichtig te worden gehouden, of uit winstbejag, of om een andere reden…. Grave bijvoorbeeld is ontzaglijk op ons gebeten. Hij verwijt ons, dat we het anarchisme door de modder sleuren, dat we gewone bandieten zijn. Hij gelooft, dat Kibaltchiche een spion is, en wie al niet van de anderen. En ook Kropotkine heeft zich onmiddellijk tegen ons gekeerd. Faure is heel voorzichtig. Maar niemand neemt het de politie eigenlijk kwalijk, dat ze ons inrekent.
Simentoff glimlachte. Toen zei hij:
– Ik erken, dat Jean Grave scheldt en onrechtvaardig is. Maar aan de andere kant: we hebben toch waarachtig geen anarchistische actie willen voeren. We hebben willen leven, dat is al. De maatschappij heeft het ons verhinderd. Toen hebben wij de oorlog verklaard aan de maatschappij. Maar niet, om propaganda te maken voor het anarchisme. Daar hebben we lak aan gehad. Waar of niet?
Metge betwistte het. – Elke daad tegen de eigendom, tegen de staat, tegen de kapitalistische maatschappij is revolutionnair van aard….
Niet op de theorie komt het aan, maar op daden. Als de massa als een beest zich gedraagt, over zich laat lopen, tot niets bij machte is, “als een hoer zich laat misbruiken” – moeten dan de enkelingen ook maar van elke handeling afzien? De individuele daad – alleen die is voor ons nog iets waard. En voor mij het enige, dat revolutionnair kan worden genoemd. Wat denk jij ervan, Marie?"
– Garnier heeft me gezegd, dat het niets met anarchisme te maken had. Laten de kameraden ophouden, zei hij, het voor ons op te nemen, of om over ons te twisten. We hebben op eigen verantwoording gehandeld, als in het nauw gedreven sloebers, en niet als politieke personen.
– Verdomd, zei Bonnot, ik erken die onderscheiding niet. Hoe is ons leven geweest. Eén aaneenschakeling van misère, één lange ellende. Thuis zorg. Later – ruzie met je baas, met een uitzuiger, die je leven exploiteren wou…. Dan leven als arme proleten – zeker, dat noemen ze leven, leven…. En moeten we dan nog in onze medemensen…. broeders zien? Broeders? Hyena’s zijn het – die van hun macht recht maken, die hun wettelijk, op de beurs, door zwendel verkregen eigendommen laten beschermen door de maatschappij – en dàt fatsoenlijk noemen – dàt netjes laten noemen. Hebben wij niet hetzelfde recht, als zij, om te genieten van het leven? Recht? Wet? Larie – sprookjes voor kinderen. Een gram macht is meer waard dan een kilo recht. Al het andere is huichelarij….
De anderen waren even stil. Toen kwam weer Simentoff:
– Maar vergeet niet, dat je dan hoogstens kan zeggen, dat we even kapitalistisch willen handelen als de bourgeoisie zelf – dat we hùn genoegens, hùn macht willen veroveren, op onwettige manier, omdat het wettelijk niet gelukt….
Bonnot werd opgewonden. Het bloed steeg hem naar het gelaat. Metge zag honend naar Simentoff, en haal de weer de schouders op.
– Wou jij, vloog Bonnot op, wou jij de toestand van een opgejaagde proleet vergelijken met die van een beurs-speculant, een nette meneer, die van alle wetten en alle staatsbescherming profiteert om zijn slag te slaan? Wat is daartegenover een proleet als ik? Als ik steel en zelfs aanval, dan is dat uit nood – omdat de maatschappij me een bestaan weigert. Uit nood, uit zelfverweer.
Marie Vuillemin kwam tussenbeide. Ze trachtte de hartstochten te kalmeren.
– Een individuele daad kan natuurlijk worden verdedigd, Bonnot. Ik geloof, ik weet, dat we niet slechter zijn dan de fatsoenlijke mensen. Een bourgeois, ja de gehele maatschappij is niet beter dan wij: Jullie hebt geroofd en gedood – de hele samenleving is daarop gebouwd. Maar al doen we hetzelfde – dat is toch geen anarchistische propaganda voeren – dat is toch geen andere, betere maatschappij voorbereiden. Ik weet niet, of ik anarchiste ben. Ik geloof het niet. Ik wil alleen genieten van het leven, en niets anders. Muziek, bloemen, liefde – dat is wat waard – al het andere is humbug.
– Had dan een rijke vent getrouwd – had je dan ook laten verdedigen door de politie – was dan een dame geworden….
– Ik kom uit een arbeidersgezin, zei Marie, eenvoudig.
– Dat zegt niks, ging Bonnot voort. Ik beweer, dat het ons niet dáárom ging, nette bourgeois te worden. Ik heb me willen wreken, ik heb ze willen ranselen, ik heb – ja, ik heb mijn haat op ze gekoeld….
Er was weer een ogenblik van beklemmende stilte. Buiten hoorde men het eentonig druppelen van een druilende regen.
Metge begon zachtjes te spreken.
– Er is één afdoende middel, om de staat te laten springen. Vals geld maken…. Wat is de basis voor de maatschappij? Het geld…. Maak het waardeloos – en er ontstaat een paniek.
– Dan moet je leren goud te maken, viel Barbe luidruchtig in.
Gemelijk ging Metge voort.
– Spreek toch geen wartaal. Goud maken, dat gaat niet. Vals geld wel. Ze hebben het geprobeerd. Het had succes kunnen hebben. Als er genoeg vals geld is, loopt alles in het honderd. Dat is een politiek wapen.
– Kom toch, weerde Marie af, zet die romantiek toch uit je hoofd, en wees nuchter. Wat is er dan gebeurd? Dat degenen, die het geld uitgaven, met alles gingen strijken – en dat degenen, die het gemaakt hadden, werden gearresteerd, op heter daad betrapt. Het is misschien goed voor de handlangers – niet voor de makers.
– En dat is nog maar een practische opmerking. Maar wie stop je het valse geld in handen? Geen bankdirecteur…. Arme bliksems met een straathandeltje – een kleine kruidenier – een kelner misschien. Dat is hoogstens een mede-arbeider duperen, en niet de maatschappij aantasten…." betoogde Simentoff.
Bonnot zag hem spottend aan. – Jij schijnt altijd nog een verschil te maken tussen een arbeider en een bourgeois. Loop heen – ze zijn allemaal even rot…. allemaal even burgerlijk….
– Jij wordt een mensenhater, Bonnot. Je leest teveel Schopenhauer.
– Nooit gelezen, zei Bonnot.
– Neen, maar Callemin heeft je gek gemaakt met al die citaten. Heeft hij je niet geleerd, dat Schopenhauer de mensen uitscheldt voor gemeen fabrieksmaaksel? Dat hij allen geschikt acht voor een tuchthuis? Dat ze onder hun masker van menslievendheid hun hartstochten en hun egoïsme verbergen?
Bonnot haalde de schouders op. – Het is mij onverschillig, wie het gezegd heeft. Maar waar is het….
Barbe lachte verlegen, Marie zei ernstig:
– Ik geloof, dat we allemaal in mensenhaat vervallen zijn. Ik heb het me wel zo anders gedacht. Toen ik in Charleroi mijn man verliet, om met Garnier mee te gaan, heb ik gedacht, dat ons leven interessant zou worden, mooi, niet burgerlijk, vrij…. En ik heb nooit zoveel zorgen gehad, nooit me zo ellendig vervolgd geacht. Soms ben ik doodsbang. Neen, dit is geen vrijheid, dit is geen geluk. Dat is alleen weggelegd voor de rijken…. Welke weg een arbeider ook bewandelt, nooit zal hij gelukkig zijn – of hij moet stom geluk hebben, in een loterij, met een handeltje, een rijke vrouw trouwen….
– En dan een vuile kleinburger worden. Bah, dacht jij soms, dat zoiets een ideaal is? Er blijft voor ons niets over, dan af te rekenen met de hele maatschappij, en dat zo hardhandig te doen, dat ze weten, dat we niet sterven voor ons plezier…." En Bonnot beet zich op de lippen.
Metge begon weer over de valse munterij. Dat was misschien beter geweest dan al die dolle overvallen. Dat was veel minder riskant geweest en minder gewelddadig. Toen voer Bonnot uit:
– Stommeling, dacht jij, dat het ons daarom te doen was? Dacht jij, dat het ons alleen om geld ging?
Dan, berustend:
– Ik heb vooruit geweten, dat het een strijd was op leven en dood. Of liever – een strijd met de dood, die je altijd verliest. En Callemin ook.
Simentoff wou weer beginnen, uit-één te zetten, dat dit toch geen strijd tegen het kapitalisme was, maar Bonnot had zich in het hoofd gezet, dat het dat toch wel was. Toen zei Simentoff:
– En vroeger heb jij altijd erkend, dat het om de buit ging, niet om principes. Jij hebt altijd de draak gestoken met de beginselen. Om vreten ging het, zei je. En dat kan waar zijn. Maar ik houd vol – het gaat niet om de beginselen….
Bonnot stoof niet op. Hij zei eenvoudig:
– Zo heb ik gesproken, toen ik nog dacht, dat ik op die manier mijn geluk zou vinden. Ik wist niet, hoe ik de wereld en de mensen haatte. Toen ik dàt door had, ben ik veranderd. Ik erken nòg, dat ik niet vecht voor een betere maatschappij – dat ik de mensen niet bekeren wil – er is aan het tuig niks te verbeteren. Maar ik vecht tegen ze allemaal, omdat ik ze allemaal haat. Dat is toch ook een principe?"
Barbe schonk koffie in. Metge streek zenuwachtig door zijn haren. Marie Vuillemin zuchtte en zei:
– Ik geloof, dat we allemaal bankroet zijn, en dat heel ons leven mislukt is. Laten we er niet meer over praten….
Ze deed haar mantel om, en waarschuwde, om vooral niet nodeloos elkaar in gevaar te brengen. Barbe keek eerst in de stille straat, voor Marie het huisje verliet. Er was niemand.
Doch toen Marie overgestoken en de straat was uitgegaan, dook uit een donkere hoek een kleine figuur op, die haar volgde in het duister. Barbe zag het. Ze holde naar binnen. Enige minuten later waren de mannen door de tuin verdwenen, de kraag van de jas hoog op, de handen in de zakken, somber, zwijgend, de nacht tegemoet….
Marie was reeds verdwenen – en met haar de geheimzinnige achtervolger.

8 – De dood van Bonnot

In de maand April van het jaar 1912 kon men in de Parijse bladen lezen, dat Simentoff na een hevig verzet door Jouin was gearresteerd. De politie had zijn spoor dus niet verloren. Tevens bleek, dat Simentoff gereisd had voor Gauzy, die in Ivry een winkel in ongeregelde goederen had. Ook was men een zekere Cardy op het spoor gekomen, die er van werd verdacht, effecten en andere waarde-papieren, meegenomen te Thiais, te hebben verkocht. Zelfs arresteerde men twee makelaars, die de stukken zouden hebben opgekocht…. En Jouin was zeker, bij Gauzy ook Cardy te zullen aantreffen. Vooral, toen een huiszoeking bij Cardy zelf, in Alfortville, geen resultaat had opgeleverd.
Zo trok Jouin met vier van de agenten der recherche naar Ivry. Het was daar, dat ze de bazar aantroffen van Gauzy. Op de gevel stond “Hall populaire d’Ivry”. Onverwachts drongen de vijf mannen binnen en vonden in de achterkamer van het gebouwtje inderdaad zowel Cardy als Gauzy, die beiden werden gearresteerd.
Daar Jouin vermoedde, dat meerdere kameraden verborgen waren in het huis, liep hij met twee agenten naar boven. Verschillende appartementen waren daar gehuurd –volgens Gauzy– door hem overigens onbekende lieden, waarvan er geen enkele thuis was.
Inderdaad schenen alle vertrekken leeg. Men wierp reeds nonchalant de laatste deur open, toen in het halfduister van het kamertje een man zich oprichtte, de rechterhand in de zak. Onverhoeds wierpen de rechercheurs zich op hem, en in de hevige worsteling rolden ze over elkander. Plotseling schreeuwde Jouin:
– Pas op, houd zijn arm vast – hij is gewapend…. Het was te laat. Het schot ging af. Jouin tuimelde achterover. Een tweede schot…. Zwaar gewond viel de agent Colmar neer.
Daarop antwoordden de rechercheurs, tal van malen klonken doffe knallen…. De man bleef roerloos liggen….
De enige niet-gewonde agent, Robert, holde naar omlaag, om hulp te vragen voor de slachtoffers. Onmiddellijk kwam hij terug, ondersteunde Colmar, die niet bewusteloos was, ondanks zijn zware verwonding, bij het afdalen van de trap. Nauwelijks waren beiden beneden, toen de doodgewaande man opstond, snel de vertrekken doorliep, en juist stuitte op één der thuisgekomen vrouwen, die een appartement daar bewoonde. Zijn rechterarm was bebloed. Dreigend stond hij voor haar, met zijn revolver.
– Geef me lakens….
Ze beefde, stamelde, dat ze er geen had..
Toen haalde hij de schouders op. Het bloed droop hem van de arm. Zo stapte hij uit het raam, hield zich vast aan de goot en liet zich in de tuin vallen. Daarop verdween hij….
Bevend holde de vrouw naar omlaag. Ze stamelde, sidderend, één woord: “Bonnot….”
Inderdaad: het was Bonnot, die was ontsnapt, hoezeer ook gewond. Jouin, de sous-chef van de recherche, was door twee kogels dodelijk getroffen. Hij overleed kort daarna.
Gauzy betuigde zijn onschuld. Hij kende Bonnot niet. Simentoff had voor een onbekende onderdak gevraagd voorheen reeds, en die gastvrijheid had Gauzy niet kunnen weigeren.
Een hevige perscampagne ontstond tegen de politie. Om twee verschillende redenen. De burgerlijke pers beweerde, dat de twisten in de boezem van de recherche oorzaak waren geweest van de dood van Jouin. Men had hem zonder voldoende bescherming de allergevaarlijkste karweitjes laten opknappen. Zelfs liepen wilde en weliswaar tegengesproken; doch uit sensatie volgehouden geruchten, dat Jouin door zijn eigen mannen kon zijn neergeschoten…. De lijkschouwing bewees natuurlijk het tegendeel, doch groot was het wantrouwen van het publiek, dat niet begreep, hoe vijf rechercheurs één erikele bandiet als Bonnot, hadden kunnen laten ontsnappen.
En de linkse pers kwam op voor de invrijheidstelling van Gauzy, waarvan men vreesde, dat hij slachtoffer zou worden van het gebeurde, hoewel zijn onschuld scheen vast te staan. Bij de ongelukkige afloop van dit geval voor de politie was men bang, dat deze zich op Gauzy zou wreken….
Daarna werd bekend, dat Bonnot, juist toen de politie aankwam, bezig was te lezen. Hij had bij zich de fijn-ironische studie van Anatole France, getiteld “Crainquebille.” En bij verscheidene passages had Bonnot een vouw gelegd, zinnen aangeschrapt. Zo was vooral zijn aandacht getroffen door de ongetwijfeld met instemming gelezen passages, die we hier laten volgen. Crainquebille is het arme groenteventertje, dat onrechtvaardig door een agent bekeurd, twee weken gevangenisstraf moet ondergaan wegens vermeende belediging van de politie…. President Bourriche vertrouwt op de getuigenis van den agent no. 64, en niet op de getuigenis van Dr. Matthieu, die maar…. geneesheer is. “Door op die wijze te werk te gaan –aldus laat Anatole France opmerken– verzekert president Bourriche zich een soort onfeilbaarheid, de enige, waarop een rechter aanspraak kan maken. Als de man, die getuigt, met een sabel is gewapend, dient men naar de sabel, en niet naar den man te luisteren. De man is verachtelijk en kan ongelijk hebben. De sabel is het niet, en heeft altijd gelijk. President Bourriche is diep dóórgedrongen in de geest der wetten. De maatschappij berust op het geweld, en het geweld moet geëerbiedigd worden als het verheven fundament der maatschappij. De rechtspraak is de uitoefening van het geweld. President Bourriche weet, dat agent 64 een deeltje van den vorst is. De vorst troont in elk van zijn officieren. De autoriteit van agent 64 vernietigen, is de staat verzwakken. Een van de blaadjes van de artisjok opeten, is de artisjok zelf opeten….” En het is, of president Bourriche zegt: “Ik heb dien Crainquebille gevonnist in overeenstemming met de verklaring van agent 64, omdat agent 64 de belichaming van het openbare gezag is. En om mijn wijsheid te erkennen, is het voldoende, u voor te stellen, dat ik andersom zou hebben gehandeld. U zult aanstonds inzien, dat zulks ongerijmd geweest ware. Want indien ik tègen het gezag vonniste, zouden mijn vonnissen niet voltrokken worden. Bedenkt, mijne heren, dat de rechters slechts gehoorzaamd worden, voorzover zij de macht achter zich hebben. Zonder agenten zou de rechter maar een arme dromer zijn. Ik zou mij benadelen, als ik een agent ongelijk gaf. Trouwens, de geest der wetten verzet zich daartegen. De sterken ontwapenen en de zwakken bewapenen zou betekenen de maatschappelijke orde veranderen. En die te bewaren is mijn heilige zaak….”
Dit was de lectuur, waarmee Bonnot zich de tijd kortte….

Waar was Bonnot gebleven? Overal meende men hem te hebben gezien. Een jongen was tegen hem opgelopen, een kellner had hem gesignaleerd. Hij bleef onvindbaar. Tot de politie betrouwbare berichten kreeg. Bonnot had de gastvrijheid ingeroepen van een kameraad. Dubois, die een garage had in Choisy-le-Roi. Het gebouwtje stond midden in een breed kruispunt van wegen, geheel apart.
Op de 29ste April besloot men, huiszoeking te doen. Guichard, de chef van de recherche, begaf zich vroeg in de morgen, vergezeld van drie agenten, naar het huis van Dubois. Daar troffen ze, voor de garage, Dubois zelf aan. Hij was bezig, een wagen te repareren. Onverwachts stonden de politie-dienaren vóór hem… Een kind speelde in zijn nabijheid. Hij keek op, wendde zich tot dat kind, waarschuwde het. Het kind liep weg. Daarop schreeuwde hij hard en luid: Vlucht, vlucht….
Guichard vermoedde, dat dit niet meer het kind gold, doch een ander. Wie was daarboven? Bonnot? Guichard aarzelde niet. Hij stapte met getrokken revolver op Dubois toe, en schreeuwde: “Handen omhoog”.
Dubois stapte achteruit, trok vliegensvlug een revolver uit zijn zak, en schoot. Een kort, hevig vuurgevecht ontstond…. Achter een wagen was Dubois weggedoken en men hoorde niets meer….
Toen, plotseling, knalden, vlug achtereen, weer schoten. Ze kwamen van omhoog. Daar, voor een raam, stond Bonnot, en mikte op de rechercheurs. Al schietende trokken dezen zich terug. Eén kreet van woede en angst ontsnapte hun: – Bonnot….
In zijn hemdsmouwen stond hij daar, roekeloos schietende, terwijl de agenten dekking zochten. Eén hunner was in de buik getroffen, de ander in de arm. Er werd getelefoneerd om versterkingen. Men wachtte. Ieder wist, dat hier een man stond, bereid zijn huid zo duur mogelijk te verkopen. Een man, die voor niets terugdeinsde, om zich te wreken….
Maar hij mocht niet wederom ontvluchten. Op een afstand posteerden zich agenten, die waren toegesneld, om van alle zijden den vluchteling onder vuur te kunnen nemen. Gedurende lange tijd schoot men van geen van beide kanten. Toen kwam de versterking. Twaalf agenten, onder leiding van den burgemeester, en een groot aantal gewapende burgers, die de politie wilden steunen bij een zware taak…. Men trok rond het huis een steeds nauwer wordend cordon, gebruik makende van bomen, matrassen, wagens, om zich te dekken. Toen, plots, verscheen weer Bonnot. Hij hief de arm op. Een regen van kogels was het antwoord. Ze schenen hem niet te hebben getroffen…. Hij haalde minachtend de schouders op. Stukken steen, pleister van de muren, glas viel omlaag. Bonnot sloot het venster en verdween. Plotseling daarop werd hij zichtbaar voor een ander raam. Hij schoot, vlug en zeker. Twee inspecteurs werden gewond….
En dan telkens weer, schoten de vlammen uit het belegerde huis – nu hier, dan daar. Het scheen, of een gehele bende daar vertoefde. Men aarzelde. Was Bonnot wel alleen? Was Dubois onmiddellijk gedood?
De belegeraars schoten in het wilde weg. Toen achtte men het nodig, nieuwe versterkingen te laten aanrukken. Nog ongeveer twintig politie-agenten verschenen. Doch dat was niet voldoende. De brandweer rukte op. Twee compagnieën van de Republikeinse garde namen deel aan de belegering onder leiding van kapitein Riondet. Een cordon van tirailleurs werd rond het huis van Dubois geplaatst. Nog nimmer, in de geschiedenis van de politie, had men zoveel troepen bijeengebracht om het banditisme te bestrijden. Om…. één enkelen man te arresteren!

Er werd krijgsraad gehouden. De gehele bevolking uit de omtrek stroomde samen. Men haalde de schouders op over de politie. Fotografen waren druk in de weer. Het leken manoeuvres – en alles voor één man.
Het sloeg elf uur. De zon wierp haar warme stralen over de streek. Het was een heerlijke voorjaarsdag.
En de doodstrijd van Bonnot begon.
De officier van justitie Lescouvé was aangekomen. Men beraadslaagde. En dat duurde tot de middag….
Toen opende men weer het vuur. En nog altijd antwoordde Bonnot.
Daarop besloot men, het huis te laten springen met dynamiet….
Een wagen werd gevuld met stroo en hooi. Daarachter gedoken zat luitenant Fontan. Hij schoof de wagen vooruit, voerde dynamiet mee. Men blies op de hoorn. Bonnot antwoordde niet. Geen schot. Fontan werd toen bijgestaan door een vrachtrijder en den burgemeester. Men naderde het huis. Fontan ontstak de lont. Haastig trokken de drie mannen terug. Men wachtte, met ingehouden adem, de ontploffing. Een toegestroomde menigte van 30.000 mensen zagen hijgend toe, hoe een mens zou sterven….
En men wachtte. Twee, drie minuten…. De bom ontplofte niet.
Een algemene nervositeit maakte zich van de omstanders meester.
Het begon opnieuw. Weer naderde men het huis van Dubois. Geen schot klonk. De luitenant legde de bom beter. Hij slaagde. Nauwelijks was hij terug, of twee maal hoorde men een ontploffing. Een blauwe rook onttrok de woning aan aller oog. Een wolk van stof en stenen werd opgeworpen.
Toen de wolken waren weggetrokken, stond het huis overeind, recht, alles trotserend, hoezeer ook gehavend. En van Bonnot geen levensteken.
En niemand dorst binnen te dringen. De onrust groeide. De menigte protesteerde. Ze huilde bijna om Bonnot, ze wilde zijn lijk. Men schold de politie uit. Toen Fontan ten derde male achter zijn wagen trok, werd hij luid beapplaudisseerd en aangemoedigd. Men riep: “De dood aan Bonnot….” Dertig duizend burgers, een klein leger, wachtten op zijn einde….
Wederom klonk de ontploffing. Vuurstralen schoten uit. Een wolk van rook bedekte weer het huis….
Slechts een ruiïne stond nog op het grasveld.
Toen stormden soldaten en politieagenten op het huis af, drongen binnen. Voor de woning tussen het puin, lag het lijk van Dubois. Hij was bij de eerste schermutseling blijkbaar reeds gedood. Op de trap aarzelde men. Misschien zat Bonnot daar nog verscholen…. De agenten grepen matrassen, om onder bescherming daarvan verder te dringen. Een stuk van de tweede etage stond nog overeind. De wankele trap stortte bijna in. Men bereikte echter de verdieping.
Tusschen twee matrassen lag, dodelijk gewond, Bonnot. Naast hem een vuil en bebloed briefje…. zijn testament, dat hij had gemaakt, toen de belegering voortduurde, toen men bommen wierp tegen het huis, en Bonnot het vuur niet meer beantwoordde. En het bleek, dat hij zich daarna twee kogels door het hoofd had gejaagd, en door zelfmoord ontkomen was aan de guillotine. Bonnot was stervende, niets kon hem meer redden!
Toen barstte de menigte uit in een luid en stormachtig applaus, een vrolijk gejoel klonk op, kreten van haat en van vreugde vermengden zich! Bonnot was dood – dat was de blijde mare voor dertig duizend toeschouwers, die de opwindende doodstrijd hadden aanschouwd….

Gedurende uren had één man zich verzet tegen een leger. En nog had men hem niet levend gevangen. Hij had de zelfmoord verkozen boven de gevangenschap. Men vergat zijn misdrijven niet. Maar men begreep, dat hier geen gewoon bandiet was gestorven. Een wild dier, opgejaagd…. een tragisch mislukt mens, een wezen dat wist te sterven op zijn eigen wijze.
En op een grootse wijze. Niet door zijn woedende verdediging, slechts bewijs van de wilde gevechts-instincten, die hem bij bleven tot in de laatste seconden. Ook niet alleen, doordat hij zelf zijn uur van sterven gekozen had. Maar door nog iets anders.
Deze bandiet had de laatste minuten van zijn leven besteed, met te denken aan wie hem zouden overleven. En de vrees, dat men onschuldigen zou laten boeten, voor wat hij had gedaan, had hem zijn testament doen schrijven. Er stond onder andere op: “Gauzy is onschuldig. Dieudonné ook….”

9 – Hoe twee bandieten stierven

Marie Vuillemin was niet te vergeefs gevolgd geworden. Door haar gangen na te gaan, was men er tenslotte in geslaagd, de schuilplaats te ontdekken van Garnier en Valet. In Nogent-sur-Marne hadden ze, dicht bij de rivier, een buitenhuisje gehuurd, waar ze verbleven en vaak werden bezocht door hun vriendinnen. Op de veertiende Mei besloten de politie en de justitie tot de aanval over te gaan.
Om half zes des morgens sprongen een vijftigtal agenten in auto’s, om te trachten, de laatste gevaarlijke leden der bende te arresteren. Men beschouwde algemeen Bonnot als de leider – geheel te onrechte overigens. Waarschijnlijk waren Callemin en Garnier veel meer de onverschrokken en wilde aanstichters geweest van de overvallen. Bonnot was minder gewelddadig, en slechts door de nood was hij in de ogen van het publiek tot een wreed, wild dier geworden.

Het duurde tot de middag, voor de politie te Nogent was gearriveerd. Wederom een stralende, prachtige dag. Een blauwe hemelkoepel, en een zoete Mei-warmte. In hun tuin wandelden Garnier en Valet, vergezeld van Marie Vuillemin.
"“Het is heerlijk hier, zei ze. Ik wenste, dat dit lang kon duren. Zo, ver van de stad, in de natuur, vrij, onbekommerd en buiten…. Het doet me weer denken aan de onbezorgde dagen van Brussel, en in de Ardennen….”
Valet viel haar bij. Hij reciteerde enkele van de hem zo geliefde verzen van Jehan Rictus, vol weemoed en deernis met de armen, vol heimwee naar het geluk. Hij sprak over de wandelingen met de revolutionnaire jeugd te Parijs, en eindigde bitter: “Och, wat geeft het allemaal, het is voorbij….”
Garnier plukte een bloem, bekeek die nauwlettend, en mijmerde:
“In Romainville hadden we toch wel een fijne tuin, hè. En wat een bloemen…. Ik hoop, dat we van deze hier lang genoeg kunnen genieten….
Hij zocht in zijn binnenzak, en legde een bloem tussen de blaadjes van een zakboekje. Valet merkte het op, en zei:
”Vergeet toch vooral niet, de adressen eruit te scheuren. Je kunt nooit weten….
Ze wandelden terug tot bij het huis.
Toen, plotseling, sloeg men hard op de deur. Een zware stem verlangde toegang. Een ogenblik stonden de drie sprakeloos. Ze beefden.
Dan sprongen de beide mannen naar binnen. Marie opende, lijkbleek en strak, de deur. Men nam haar gevangen. Toen naderden de agenten de woning.
Plotseling ging de deur open. Allen sprongen terug. Het was echter een vrouw, die het huis verliet, een vriendin van Valet, die toevallig daar op bezoek was geweest. Ze werd meegevoerd in één der auto’s.
Terwijl de agenten overlegden, wat te doen, werd uit het huis onverwachts geschoten, van uit de eerste verdieping en uit een benedenvertrek. Twee agenten stortten gewond neer, de één met éen kogel in de borst, de ander in het been…. Onmiddellijk trokken de rechercheurs terug, om het huis te omsingelen, en om hulp te vragen!
In groten getale kwamen de brandweerlieden opdagen, de gendarmes, soldaten van de republikeinse garde, tenslotte een bataljon Zouaven….
De belegering van het buitenhuis was moeilijk, omdat het onmiddellijk aan andere woningen grensde. Deze werden eerst ontruimd. Dan posteerden agenten zich op de daken, soldaten op een nabijzijnd viaduct, en men begon het dak van de woning van Garnier stuk te schieten.
Tegen zeven uur klonk hoorngeschal. De chef der recherche, Guichard, van enige agenten vergezeld, stapte in de richting van het huis, en riep: “Garnier – Valet – in naam der wet, geef je over….”
Twee ramen gingen open. Het enige antwoord waren schoten. Woedend sprong Guichard op zij en schreeuwde tot zijn agenten: “Valt aan….”
Hij begreep, dat zich het drama van Ivry ging herhalen. Dat ook zij, evenals Bonnot, zich gingen doodvechten. En terwijl de avond daalde, begon de politie het vuur te openen, met revolvers, karabijnen, geweren. En immer werden de schoten beantwoord.
Toen besloot Guichard dynamiet te gebruiken. Een bom werd op het dak geworpen. Maar alleen de goot werd verbrijzeld. Drie andere bommen moesten de verwoesting voltooien. Maar een man trad naar voren uit de deur en schreeuwde: “Moordenaars, moordenaars….” Toen schoot hij zijn revolver leeg. De inspecteur Delépine stortte gewond neer.
Daarna werd er uit het huis niet meer geschoten. Misschien was een der mannen gedood?
Verschillende agenten naderden de woning, zich dekkend achter platen van ijzer. Dat verhinderde niet, dat door het plots weer geopende vuur uit het huis, twee hunner gewond werden. En daarbinnen schreeuwde dezelfde stem: “Moordenaars, moordenaars….”
Een onnoemelijke massa was op de been, om het homerische gevecht van twee bandieten tegen een overmacht van honderden bij te wonen. Dames in avondtoilet, zwaar gedecolleteerd, hadden soirée en schouwburg verlaten, om getuige te zijn van dit veel interessantere schouwspel: het dood of levend vangen van menselijk wild…. Heren in smoking vergezelden hen. Velen hadden proviand meegenomen, om de nacht te kunnen overblijven. De doodstrijd kon langdurig zijn…. Overal lichten van auto’s, bleke lantaarns, zoeklichten van het leger – en op de daken, op de pleinen, achter het militaire cordon de menigte, die wachtte op het einde, hijgend, in opwinding, als bij een stierengevecht, als bij een openbare terechtstelling in vroeger tijden….
En vanuit het huis klonken de kreten: “Lafaards, moordenaars….”
Dan zetten de zoeklichten de gevel in laaiend vuur, hel, alsof het dag was. Daaromheen scheen de duisternis des te ondoorgrondelijker. En in dat duister legde men een dynamietbom. Tegelijkertijd werden machine-geweren in stelling gebracht, en begon het knetterend getik der mitrailleuses.
Toen barstte de bom. De machinegeweren verdubbelden hun vuur. Politiehonden jankten. Een wolk van rook en puin onttrok het huis aan het gezicht. Hoge vlammen schoten uit.
Dan het commando: “Staak het vuren….”
De rook trok weg. Het huis stond nauwelijks nog overeind, de muren gescheurd, grote wijde bressen, gaten overal. De politie trok op. Ze vuurde nog razend voor zich uit.
Het was half drie in de ochtend.
Zou men durven binnentreden? Het was, alsof men de schimmen der bandieten zelfs nog vreesde, of de schrik, die ze rond zich hadden verspreid, nog de aanvallers in het bloed zat.
Eindelijk drong men de ruine binnen. De aanblik was afschuwelijk. Overal was het menselijk bloed zichtbaar – het was opgespat tot tegen de erbarmelijk neerhangende plafonds, het lag in grote plassen op de vloer. Kalk, pleisterwerk, verf en bloed vermengd. Op sommige plaatsen was de muur rood.
Men vond twee lijken. De ene rebel lag, ineengedoken in een hoek, onder bloed en steen, onherkenbaar verminkt, afschuwelijk verscheurd. De ander, achter een matras, vreselijk uiteengerukt….
Ze hadden in der haast een aantal papieren verbrand. Evenals Bonnot hadden ze hun laatste ogenblikken gewijd aan de overlevende kameraden, en uit vrees, hen te zullen comprommitteren, uit angst, dat onschuldigen zouden worden getroffen, hadden ze alles vernietigd, wat daartoe aanleiding zou kunnen geven….
De beide lijken werden in lakens verbonden, en per auto vervoerd naar Parijs.
Een grote menigte, in de nacht, liet juichkreten horen, en joelend werd het kamp der bezoekers opgebroken. Talloze auto’s reden naar Parijs terug, vele geopende busjes, boterhammen, wijnflessen bleven achter. Luidruchtig, als van een carnaval, keerden de mondaine toeschouwers weer. Drommen van mensen spoedden zich huiswaarts.
Zacht en zoel was de nacht….

10 – Anarchie en banditisme

Het drama was geëindigd.
In de anarchistische beweging vroeg men zich af, welke houding men moest aannemen tegenover die kameraden, welke waren gevallen of in handen der justitie waren geraakt. Dat ze geen anarchistische actie hadden gevoerd, stond wel vast. Moest men hen afvallen, of – nu ze slachtoffers der justitie waren, verdedigen? Hun moedige en weergaloze einde had de sympathie, zo niet voor hun daden, dan toch voor hun persoon, weer doen opleven. Hun dood deed veel vergeten van wat wreed en zinneloos leek.
André Lorulot, gearresteerd, ontkende, dat de beweging als zodanig iets had uit te staan met de daden van illégalisme. “Ik ontken niet, had hij gezegd, dat daden van dezen aard bedreven werden, maar ik heb nimmer deel genomen aan handelingen van deze individuen. Toen ik aan de”Anarchie" werkte, was ik blijvend opgesloten in mijn bureau, en hield me uitsluitend bezig met de redactie van de artikelen, en ik bleef volkomen onkundig van wat kameraden konden doen, terwijl die zich wel gewacht zouden hebben, mij op de hoogte te stellen van zulke daden, wel bij voorbaat wetende, dat ik ze zou afkeuren." En toen de rechter van instructie Gilbert hem vroeg, of hij niet wist, welke denkbeelden ze huldigden, antwoordde. hij: “Ik was daar inderdaad niet onkundig van. Heel vaak is het gebeurd, dat we redetwisten over die kwesties, want zoals vele anarchisten was ik het daarin met hen oneens. Verscheidene anarchisten kunnen ook aanhangers van het illégalisme zijn, zonder het daarom nog in praktijk te brengen….”
Niettemin, na zijn vrijlating in de zomer van 1912, schreef hij nog in “L’anarchie” artikelen, die niet tegen het illégalisme ingingen. In zijn nieuwe blad “L’idée libre” kon men lezen:
“Wij hebben het illegalisme niet méér af te raden, dan we mensen mogen opwekken, zich er aan over te geven. De maatschappij maakt het de mens nodig, een zeker aantal middelen te gebruiken, indien hij waarlijk wenst, zijn leven te leven. Ieder doet onder die middelen zijn keus, naar zijn aanleg en smaak. Nogmaals – het gaat erom op zijn best te leven. En dat is niet altijd gemakkelijk…. Is de revolutionnair in de werkplaats méér anarchist dan de werkman die bezig is, in te breken?”
En in gelijke zin, zonder af te keuren, hoewel ook zonder te propageren, waren andere artikelen gesteld. Kort daarna schreef Lorulot zijn werk “Les théories anarchistes” en zei daarin: “Uit een anarchistisch oogpunt is er geen enkele reden, de diefstal te verdoemen. Tussen de wettelijke diefstal (die zooveel lieden beoefenen) en de onwettelijke, zal de anarchist eerder zich voor de eerste verklaren, omdat die minder schijnheilig is en een kenmerk van revolutionnair protest inhoudt….”
Nog immer meende men, op deze wijze de gevangen vrienden een dienst te bewijzen, door hen te verdedigen. Het is duidelijk, dat men ook zóó hun misdrijf niet tot een politiek verzet kon stempelen – dat er een groot verschil bleef tussen de aanslag uit politieke motieven – hoe weinig nuttig ook als politiek wapen – en de aanranding uit persoonlijke drijfveren.
Wie het ’t beste begrepen, waren de gevangenen zelf…. Hun geval was hopeloos, voorzover het ’t redden van hun leven betrof. Waarom dan te trachten, de verantwoordelijkheid af te wentelen op de anarchistische denkbeelden? En toen hun advocaten, toen zelfs rechters artikelen citeerden uit “L’anarchie” – bijdragen die tijdens de rechtzitting bleven verschijnen, greep Callemin in.
Het lot van vele kameraden, wien niets ten laste kon worden gelegd, was er mee gemoeid. Immers ze konden van medeplichtigheid worden beschuldigd, wanneer vaststond, dat de illegale denkbeelden die waren van alle individualistische anarchisten. En Callemin schreef aan één der kameraden:

Waarde Arthur,

Je hebt zeker gelijk, wanneer je probeert het slechte effect ongedaan te maken dat al die hansworsten veroorzaken.
Ik weet niet, wie in de Rue Ordener waren, maar ik ben er heilig van overtuigd, dat ze er geen ogenblik aan dachten, anarchistisch te handelen, en dat ze met de aanslagen geenszins de bedoeling hadden, de mensheid te verbeteren…. Ik ben dus verontwaardigd over de wijze, waarop men zich van hen bedient, om op de grote trom te slaan, die wel niet dient voor de verkiezingen, maar er toch veel gelijkenis mee vertoont…. Tracht dus, zoveel dat mogelijk is, in onze naam verdedigingen te doen ophouden, die dom zijn, en handelingen betreffen, te zeer door de omstandigheden opgedrongen, te zeer erdoor bepaald, om ook maar welk karakter van anarchisme of sociale eisen te hebben. Overigens, bedenk, dat ik niet weet, of ik anarchist ben, en dat velen in mijn geval verkeren. Ik ben er van overtuigd, dat de lieden van de Rue Ordener mensen waren die wilden leven, dat is alles…."

Zo scheen de propaganda voor het illegalisme voldoende afgekeurd door de betrokkenen zelf. Ze zagen er een poging in van sommige propagandisten, om reclame te maken met hun lot, met de aandacht, die de bandieten hadden getrokken, en dit stuitte hen nog meer tegen de borst. Callemin zei honend, dat hij niet tot een kerkje behoorde, en geen lust had, martelaar te worden van welke sekte ook, al ware het een anarchistische.
Maar anderen betoogden feller nog, dat er geen verband bestond tussen banditisme en anarchisme. Dieudonné die volkomen onschuldig met de doodstraf werd bedreigd, alleen omdat men hem in staat achtte tot soortgelijke daden, wijl hij – anarchist was! Rirette Maîtrejean, die omdat ze het bureau van “L’anarchie” had geleid, met zware straffen werd bedreigd. Kibaltchiche, die was aángeklaagd wegens medeplichtigheid, heling en wat niet al….
Bezoekers van de gevangenissen, journalisten, die op de hoogte waren, ze wisten beter. Ze wisten, dat het anarchisme niet de oorzaak was van deze daden doch de kapitalistische maatschappij zelve. Ze wisten dat integendeel het anarchisme een zodanige invloed ten goede had gehad, dat de beruchtste ‚“bandieten” buitengewoon goede kwaliteiten ook vertoonden, en dat het karakter van anderen niet was aangetast. Men kon tegenwerpen, dat de theorie naar boven roept, wat het karakter reeds in kiem bevat, en dat elke richting haar heiligen en haar ploerten kent. Het is waar, Doch de bandieten en wie hen hadden gekend van nabij, behoorden dan niet –ondanks de tragische omstandigheden, die hen bewogen– tot de slechtsten….
De heer Michon, één der autoriteiten voor het beheer der gevangenissen, heeft in zijn studies over “de ziel der bandieten” geschreven:
“We zullen ervaren, als we hun werkzame leven bestuderen, dat ze ook hartstochten wisten te bedwingen, waaraan tal van mensen zich overgeven. De regelen van een zeer strenge hygiëne hielden alle geheim in van hun gezondheid. Ze zeiden, dat deze hygiëne hun was aanbevolen door het instinct van zelfbehoud, voorschrift van alle moraal, van leven en geloof, en die de grondslag vormt van alle belijdenissen.
Ze waren vegetariërs en dronken water, in hun cel wijdden ze zich dagelijks aan Zweedse gymnastiek, om aldus de bloedsomloop te bevorderen, zoals ze verzekerden….
Deze hygiënische regelen, streng toegepast, hadden in hùn ogen nog een anderresultaat, namelijk dat ze de wil opvoedde…. Zo wisten ze de aandoening van vrees te overwinnen.”
En de vermaarde journaliste Séverine schreef in “Gil Blas” over Rirette Maîtrejean het volgende:
Wat ze gedaan heeft? Ze heeft niet gedood, niet gestolen, niet met vitriool geworpen, noch brand gesticht. Ze is niet één van die interessante mondaine dames, wier schuld of onschuld het onderwerp zijn van de kroniek van de dag, en tot onderwerp van disputen en debatten dienen. Ze is ook zeker geen liefdesheldin. Ze heeft door hartstocht niemand geschaad….
Haar geval is minder ernstig en dus meer ingewikkeld, bijgevolg ook gevaarlijker….
Daar haar vriend vooruitstrevende ideeën had, verwijt men haar, en vele anderen, dat ze met personen van twijfelachtig gehalte is omgegaan. Is het alleen dat? Wie zich beweegt in een vrij drukke en brede kring van kennissen, zou hij ooit durven instaan voor alle mensen, die hij ontmoet, groet, de hand geeft, of die voorbijgaan waar hij zelf slechts gast is – wat het geval is?
Vooral als het een bureau betreft van een krant, een plaats van samenkomst, meer dan enige andere ter wereld. Daar Rirette werkzaam was bij dit blad, heeft men de huur –inkonsekwent– op haar naam gezet. Dan, tijdens een huiszoeking, vindt men twee kleine revolvers op ’t kantoor, terwijl wordt vastgesteld, dat ze gestolen zijn…. Heling!
“Ik ben geen dievegge”, schreeuwt Rirette verontwaardigd. Ik wist zelfs niet, dat die wapens afkomstig waren van een diefstal….
“Dat is mogelijk, antwoordt de rechter. Maar u moet weten, wie ze daar heeft neergelegd. U bent de huurster, en dus wettig ook verantwoordelijk….
Er zou wel een middel zijn, om uw verantwoordelijkheid te verzachten, en de verdenking die op u rust te verminderen. De dief heeft niet nagelaten, u te comprommitteren, door zich in een huis te uwen name te ontdoen van dit materiaal, dat zijn schuld zou hebben bewezen. Hij heeft geen gewetensbezwaar gehad tegenover u. Waarom zoudt u het hebben jegens hem? Noem hem….”
Rirette ziet den magistraat aan, den griffier, de muren, met groen behangsel, die getuige zijn geweest van zoveel worstelingen van ongelukkigen, nu eens schuldig, dan weer onschuldig. Ze denkt aan haar dochtertjes, aan de trouw gebleven kameraden, aan de vrijheid, hoe goed het zou zijn, nu in de Parijse straten te wandelen….
De rechter wacht, gelooft dat ze aarzelt, terwijl ze droomt….
“Nu”, zegt hij aanmoedigend….
“Neen”, zegt Rirette, terwijl ze het hoofd schudt, ontkennend, en haar door zoveel maanden hechtenis verbleekte gezichtje betrekt. “Iemand verraden, dat is vuil…. Houdt me gevangen, breng me voor de rechtbank, naar het bagno, waar jullie wilt…. Maar dàt zal ik niet doen.
Ze stapt weer in de celwagen. Ze bereikt weer de getraliede kamer, ginds in het zwarte gebouw, boven in de faubourg Saint-Denis. En of ze, als de lichten zijn gedoofd, Rirette niet meer is, doch de moed verliest, schreit, haar kleintjes roept, de armen uitgestrekt in de nacht – niemand heeft het kunnen voorvoelen, kunnen veronderstellen, niemand weet het. In de ochtend, dan is ze weer Rirette, zoals ze het ’s avonds was, dapper en welgemoed. Indien een musje zich neerzet achter haar tralies, kan hij haar toepiepen:”In deze tijd, dat karakter schaars is, leek het me belangwekkend, dit zwakke vrouwtje te beschrijven, in haar afkeer van het verklikken. Zoveel mannen, en niet de minste, worden zo gemakkelijk verraders…."

11 – Fiat Justitia

In Februari van het jaar 1913 vond de rechtzitting plaats, welke bijna de gehele maand duurde, en waar één en twintig beschuldigden, waaronder drie vrouwen, terecht stonden. Het grote publiek, een menigte van advocaten, journalisten van alle landen, verdrongen zich in de zaal. Nu Bonnot, Garnier en Valet dood waren, richtte zich alle aandacht op de overlevenden. Reeds na de eerste dag was het publiek buitengewoon teleurgesteld. Men had boeven verwacht met Lombroso-gelaat, dégénérés, en men vond kalme, intelligente mannen, jong, onstuimig soms, maar met weinig kenmerken van den misdadiger, zoals die in de verbeelding van het sensatie-zieke publiek bestonden. Boven aan de lijst der beklaagden had men de naam geplaatst van Rirette, haar daarmee promoverende tot leidster ener gevaarlijke bende. Kibaltchiche figureerde als no. 2. Dieudonné was –zonderling genoeg– beschuldigd van deelneming aan de aanslag op den bankloper in de Rue-Ordener. Om de ernst van het misdrijf had hij nummer drie….
Als het verhoor begint, na eindeloos lijkende formaliteiten, en de president van de rechtbank aan Rirette zijn vragen stelt, antwoordt ze nauwkeurig en zacht. Ze ontkent alle medeplichtigheid, en die van haar kameraden, die van Kibaltchiche vooral. Men vraagt niet aan een kameraad, die wil medewerken aan de verspreiding van een blad, en de anarchistische denkbeelden wil leren kennen, welk zijn verleden is. Wat dat verleden ook zijn moge, hij is in de kringen van “L’anarchie” als een nieuwe mens opgenomen. Niemand is verantwoordelijk voor de daden van een ander. Men handelt geheel uit eigen drang, en zeker niet omdat principes hier autoritair zich zouden hebben doen gelden. De revolvers konden van Rirette niet zijn. Ze weet niet, wie ze daar heeft gedeponeerd….
Na haar Kibaltchiche. Hij maakt zich los van de illegalisten, zoals hij immer had gedaan. Hij valt hen niet aan, maar hij wil generlei verantwoording dragen voor hun daden, waartegen hij zich heeft verzet. Indien er sprake is van verantwoordelijkheid, dan wil hij gaarne worden verantwoordelijk gesteld voor alles, waarvan Rirette zou kunnen worden beschuldigd. Als er sprake is van schuld‚ wat hij ontkent, dan nog rust alle schuld op hem, niet op Rirette….
Onstuimig en hartstochtelijk is Dieudonné. Hij is volstrekt onschuldig. Het is waar, hij heeft Bonnot onderdak verschaft, evenals Gauzy dat deed, op verzoek van Simentoff…. Is hij daarmee medeplichtig geworden? De bankloper zegt merkwaardig genoeg, hem te hebben herkend als zijn aanrander…. Heeft hij dan niet eerst zelf beweerd, dat Garnier de dader was geweest? Heeft niet Garnier zelf in zijn brief aan de rechters, honend en fel, alle schuld op zich genomen? Heeft niet Bonnot in zijn laatste ogenblikken de onschuld van Dieudonné bevestigd?
Maar de officier van justitie houdt aan de schuld van Dieudonné vast. Garnier, Bonnot – die zijn dood. Hun getuigenis heeft geen waarde, want ze kan niet worden gecontrôleerd…. En dan, geen der andere beklaagden neemt het voor Dieudonné op. Ze ontkennen eigen schuld – zonder ook die van Dieudonné te ontkennen…. Ze zeggen, niets te weten….
Dan staat Callemin op. Hij zegt, dat hij met zijn kameraden inderdaad alle schuld ontkent. Maar dat ze evenzeer overtuigd zijn van de onschuld van Dieudonné. Wie in de Rue Ordener de aanslag heeft gepleegd, houdt hij vol, niet te weten…. Callemin heeft steeds geweigerd, op welke vraag ook te antwoorden. Ook nu zal hij niet antwoorden. Laat de rechtbank dan bewijzen, als ze iets beweert, zonder zijn hulp…. En hij maakt een schampere opmerking over rechters, die hun vak niet verstaan….
Callemin weigert bij zijn verhoor wederom alle antwoorden. Maar hij heeft op verscheidene briefjes stekelige opmerkingen gemaakt. Hij lanceert die, interrumpeert, en geeft slechts blijken van minachting voor de justitie. Soudy geeft de samenleving de schuld van alle misère, waarin hij heeft geleefd, ontkent alles, hoewel hij door velen wordt herkend. Carouy is heftig, vaart uit, ontkent, hoont, vloekt bijwijlen….

Dan, na ruim drie weken komt de officier van instructie tot zijn eis. Hij spreekt lang en heftig, theatraal en gebarend. Hij brengt hulde aan de politie, die de maatschappij van deze monsters heeft bevrijd –hij vraagt medelijden met de slachtoffers der bloeddorstige bende– hij herinnert er aan, dat de justitie geroepen is, de eerzame burgers, en de eigendom te beschermen, hij roept de familievaders ten getuige, die door de bandieten zijn bedreigd en gewond, hij haalt alle bewijzen aan van schuld. Slechts Gauzy is hij bereid als onschuldig te laten gaan.
Hij eist echter voor Callemin, Dieudonné, Soudy, Monnier, Carouy en Metge de doodstraf – voor de andere de straffen, die de wet gebiedt….

Dan volgen de pleidooien, waartoe de beste advocaten van Parijs, mannen van naam, zich hadden beschikbaar gesteld. Het gold hier een vermaard proces. Maître Adad pleitte voor Rirette, voor haar onschuldig enthousiasme, haar arbeidzaamheid, haar liefde tot Kibaltchiche, die haar in dit milieu had doen verdwalen…. En Breton, de advocaat van den Russischen vriend van Rirette, had weinig moeite, aan te tonen, hoezeer deze onbewust medeplichtige was geworden van gestolen revolvers, hij die een tegenstander was van alle illegalisme.
Voor Carouy kwam Maître Zévaès op, terwijl op schitterende wijze de reeds beroemde – en later in de mode gekomen Meester Moro-Giafferi de zaak verdedigde van Dieudonné.
De officier repliceerde. Aan de jury werden drie honderd en drie-en-tachtig vragen gesteld….
De jury trok zich terug. Het werd avond. Men stak de lichten aan. Alle bezoekers, alle door nieuwsgierigheid en plicht aanwezigen bleven.
De boden brengen op verzoek levensmiddelen aan, koffie, broodjes, wijn zelfs.
En terwijl dit ganse gezelschap, druk pratend, lachend somwijlen, etend en drinkend de kansen besprak der beklaagden, ging het in de aangrenzende kamer om het leven van jonge mensen. Er waren vrouwen, die sliepen, doch niet wilden vertrekken – mannen die ineengezakt in de banken hingen, doch het belangrijke ogenblik niet wilden missen.
En men wachtte, gans de nacht. Het werd twaalf uur, één, twee uur in de ochtend.
De jury beraadslaagde.
Eindelijk, om vier uur in de morgen, verschenen weder de gezworenen. Het publiek hield de adem in. Men vergat te eten en te praten. Men beefde in vreselijke spanning.
Alle beklaagden worden weer binnen geleid. Een eindeloze opsomming van antwoorden, die de jury op de vele vragen heeft gegeven. Een ijselijke stilte heerst. Dan volgt de samenvatting van het oordeel der jury.
Onschuldig waren bevonden de kameraad Rodriguez, slechts bij toeval in deze zaak gemengd, en de drie vrouwen: Rirette, Marie Vuillemin en Barbe Leclerch.
Voor Kibaltchiche, Carouy, Metge golden verzachtende omstandigheden.
Volledig schuldig werden bevonden: Callemin, Soudy, Simentoff en…. Dieudonné.
Het hof trok zich terug, om te beraadslagen over de vonnissen, die moesten worden geveld na deze uitspraak der jury. De rechters keerden na enige tijd weer. Vóór ze vonnis velden, ondervroegen ze nogmaals de beschuldigden.
Dieudonné stond op en schreeuwde het uit: “U vergist u. Ik ben de aanrander niet van Caby. Ik ben onschuldig….”
En terwijl de rechter, wrevelig, wil voortgaan, staat onder ademloze stilte, plots Callemin op. Raymond lijkt groter nu, en trots. Hij buigt zich bijna vaderlijk over naar Dieudonné, dan wendt hij zich tot de rechters….
Hij…. bekent! Hij bekent, alleen terwille van Dieudonné. De man, die zelfs in gesmokkelde brieven aan kameraden volhield, onschuldig te zijn en van aanslagen niets te weten, die jegens zijn mededaders zelfs de fictie der onschuld volhield…. hij biecht terwille van een kameraad.
“Mijne Heren, zegt hij luid, ik moet u een bekentenis doen. Dieudonné is niet de moordenaar van de bankloper Caby. Hij was niet in de Rue Ordener. Zij, die de overval hebben gepleegd, waren Garnier en ik…
Ik zelf heb de tas weggerukt. Ik zweer u, dat Dieudonné onschuldig is. Hij behoorde niet bij ons. Ik ben bereid dat schriftelijk te bevestigen. Ik zal het morgen meedelen aan den officier van justitie….”
Dan gaat hij zitten. Een geweldige aandoening maakt zich van allen meester. Callemin heeft zijn leven voor goed verkocht. Zelfs geen gratie is voor hem meer mogelijk, na deze bekentenis. Een golf van medelijden, zowel met Callemin als met Dieudonné, sidderde door de aanwezigen.
Dieudonné schreide. Dan staat Callemin weer op, nu om naar Dieudonné toe te stappen, en hem bemoedigend op de schouder te kloppen. “Schrei toch niet. Een beetje energie, wat duivel. We hebben immers je onschuld bevestigd….”
Meester de Moro-Giafferi diende onmiddellijk een verzoek tot schorsing in, en verzocht heropening van het onderzoek na deze belangrijke verklaring.
De rechtbank beraadslaagde, en wees het verzoek af….
Tegen acht uur in de morgen, toen deze tragische en zwaar bewogen nacht voorbij was, toen de eerste lichtstralen weer door de gordijnen heendrongen, stonden de rechters achter hun tafel. Alle aanwezigen, behalve de beklaagden, hadden zich van hun zitplaatsen verheven, in moordende spanning het vonnis wachtende.
De voorlezing ervan duurde twintig minuten. Toen wist men. Het was onherroepelijk….

12 – Het vonnis

In haar “Mémoires” heeft Rirette Maîtrejean over deze nacht geschreven.

“Eindelijk naderen we het einde. Nog slechts het laatste pleidooi blijft aan te horen. Morgen, het vonnis.
We zijn uitgeput. Het vrolijke uiterlijk van enkelen van ons is maar een vertoning. Feitelijk zijn we allen dodelijk ongerust.
Maître Adad komt me nog een keer geruststellen en aanmoedigen.
Sinds enkele dagen ben ik op de derde bank geplaatst.”Schrik niet, zegt hij, voor de uitspraak van het vonnis moet je de plaats op de eerste bank weer innemen….
Voor mij is het een dolkstoot. Geen twijfel meer mogelijk – ik zal het maximum krijgen: twintig jaar opsluiting.
Daar staan we in onze kleine, gemeenschappelijke zaal. Voor het laatst wil Callemin zich kranig houden. Hij zegt tot de bewakers: “Ik zal sterven als het me belieft….
Resultaat: men fouilleert ons nog strenger dan naar gewoonte, men doorsnuffelt de minste plooien van onze kleren. Men tornt de kleinste zoom los van mijn blouse. Met een uiterst fijne kam doorzoekt men zelfs het haar. Bij enkelen ontdekt men overigens vergiftige kruiden.
Den zevenentwintigsten, om kwart voor twaalven, treden we weer de rechtzaal binnen. Kibaltchiche is kalm en glimlacht. De vorige avond had hij me geschreven:”Rirette, voor ons tweeën vraag ik je, ons neer te leggen bij de ergste uitslag. Vergeet niet, dat ik niet sterk zou kunnen zijn als jij het niet was, met mij en voor mij. Eigenlijk, Rirette, wat doet het lot ertoe, als we het kunnen overwinnen, voor elkaar, en als we weten, dat we –wat er ook gebeurt– dat we elkaar eens terug vinden…."
Het laatste pleidooi is nu afgelopen. Voor het laatst ondervraagt de president ons. Enige laatste uitroepen. Dan de voorlezing van de vragen. Het zijn er zoveel. Wat een formaliteiten….
Eindelijk trekken zich de gezworenen terug.
Na een half uur wachten in onze beklaagdenkamers, besluit men, ons weer naar onze cellen te brengen.
Het is half drie. Om drie uur geeft men bevel ons vlug te laten eten.
Bezoek van Maître Adad….
Het vonnis zal tegen negen uur in de avond worden geveld, zegt hij.
Ik drink een beetje soep, wat melk, en als een dier begin ik in mijn cel rond te draaien. Ik probeer te lezen. De lijnen dansen voor mijn ogen. De nonnen komen me bezoeken. De overste laat me heel warme thee brengen, met rum vermengd.
Ik denk aan de anderen, die als ik rondlopen in hun cel…. Ik kan slechts denken aan hen….
Om acht uur komt men mij vertellen, dat de jury-leden over de honderdvijftigste vraag praten…. Er zijn er bijna vierhonderd….
“Komaan, zou Soudy gezegd hebben, goed nieuws.
Uiterst nerveus strek ik me uit op mijn rustbed, geheel gekleed.
In zulke omstandigheden rusten is onmogelijk. Ik hervat mijn wandelen langs de tralies. Elf uur ’s avonds….
”Kom, zegt een bewaker.
Opnieuw gefouilleerd. Ditmaal is alles verboden. Een tablet chocolade, een spiegeltje, een potloodje, een stukje papier dat men me nog wel had willen laten behouden bij een vorig onderzoek, worden nu ontnomen.
Ze laten me juist nog mijn zakdoek. Ze voorzien zeker dat ik zal schreien?
In de gangen van de grote, stille gevangenis, waar allen nu slapen, weerklinken onze stappen hard.
Opnieuw brengt men ons in de kleine zaal der beklaagden.
Als ik er binnen treed, deins ik terug. De vijftig agenten voor onze bewaking hebben er overvloedig gegeten en gedronken. De vloer is bedekt met eierschalen, broodkorsten, vet papier. Ze hebben er ook gerookt, zoals de talrijke “peukjes”, overal verspreid, bewijzen, en er hangt een dikke rookwalm.
De zaal stinkt naar pijpen en goedkope wijn. Bovenal een sterke knoflookgeur.
“Doe het venster toch open, smeek ik.
”Onmogelijk, antwoorden de bewakers, dat is ons verboden.
“Laat dan tenminste wat vegen…. Ook verboden.
De dienstbode chef, gedurende lange dagen buitengewoon hoffelijk, drukt er ons zijn spijt over uit. Zijn mannen hebben strenge consignes, ons geen ogenblik uit het oog te verliezen, en ons niet het minste onverwachte gebaar te veroorloven….
In dezé stank komt de beroemde etser Desmoulins ons opzoeken, Kibaltchiche en mij. Hij wordt vergezeld –door welke gunst?– van prins Jaime van Bourbon. Ze brengen wat versnaperingen mee. Ze denken ook ongetwijfeld aan enige woorden van opbeuring. Maar toch staan ze verstomd…. Callemin. De Boué en mij gewikkeld te zien in een dispuut over de”moraal zonder verplichting of dwang" van Guyau.
De bewakers zijn nerveus en onrustig. Een vreemde koorts maakt zich van ons meester. We beginnen heel luid te praten. De klank van onze stemmen dringt door tot in de naaste zaal, waar Kibaltchiche is opgesloten. Hij komt aan de tussendeur, kijkt nieuwsgierig naar ons. Dan glimlacht hij zacht naar me en gaat weg.
Soudy komt bij ons staan. Hij lucht zijn hart in zijn eigen taal….
We spreken zo luid, zo lang, over dingen, die met het proces niets te maken hebben, dat een ongeruste bewaker den chef haalt. Deze luistert een kwartier naar ons. Dan glimlacht hij verwonderd en gaat heen, toegevend menselijk.

En in dien tijd hoor ik naast me Metge, die plannen maakt: als hij niet onthoofd wordt, is alles goed. In verbanning zal hij gunsten krijgen, hij zal tuinieren, en dieren fokken, zijn ideaal….
Van tijd tot tijd doet een hartkramp de woorden verstijven op mijn lippen. Die jonge mannen daar, dicht bij me, die praten en denken, die lachen – zijn voor een deel bestemd voor de gouillotine.
En daar, hij, Callemin, de onbezorgste van allen, hoe zou hij er aan kunnen ontsnappen?"

Na het vrijsprekend vonnis voor de drie vrouwen en Rodriguez werden dezen onmiddellijk weggeleid, zonder dat ze nog één woord mochten wisselen met de anderen.
En dezen hoorden hun veroordeling onbewogen aan, òp van de spanning, uitgeput van het lange wachten.
Ter dood waren veroordeeld Callemin, Soudy, Monnier, Dieudonné – ondanks de te laat gekomen verklaring van Callemin, tòch gevonnist.
Carouy en Metge kregen levenslang.
De Boué tien jaar, Gauzy achttien maanden, Kibaltchiche vijf jaar, onschuldig….
Het recht was gedaan!

13 – Dieudonné

Was Dieudonné schuldig?
Het stond vast – neen!
Toch wachtte hem de guillotine. Hij was wanhopig. Hij was wanhopig, ziek, ellendig. Hij schreef naar Emile Michon, om berichten over zijn zieke moeder, die tengevolge van het proces stervende scheen.
“Ik zie, in mijn gedachten, mijn arme oude moeder, neergedrukt onder de last van het noodlot, aan haar smartelijke bed gekluisterd, de trekken verscherpt, het gelaat door zorg vermagerd, de ogen starend en diep in de kassen – en hoe lijd ik daaronder.
Ik houd van haar, zoals men moet houden van wie ons het levenslicht schonk, van wie ons heeft opgevoed met vele opofferingen, en die dan de zware kruisweg bewandelt van de moeder, vroegtijdig weduwe, achterblijvend met drie kinderen. Ik houd van haar, omdat ze lijdt om mij, zoals ik om haar. En als ik in mijn slapeloze nachten mijn ellende uitschrei op mijn matras, dan soms, kan ik niet nalaten de armen uit te strekken, zoals toen ik heel klein was, en haar, mijn moeder, tussen twee snikken in, de diepte van mijn ellende toe te vertrouwen. Ik noem haar nog: Moeder.”
Dieudonné is overgevoelig, sentimenteel. Het vonnis heeft hem vernietigd. Zeker, men kan hem beschuldigen van het verbergen van schuldigen, van het in zijn woning bewaren van ontvreemde wapens. Maar dat is al. Hij is gastvrij geweest en heeft een kameraad willen wezen, hoe gevaarlijk dat ook was. Maar nooit heeft hij deelgenomen aan welke actie ook der bandieten. Zijn advocaat, De Moro-Giafferi, heeft aan den president der republiek gratie gevraagd, het enige wat na het vonnis nog te doen bleef. En president der Republiek is de heer Poincaré.
Poincaré is een dóór en dóór wettisch man. Voor hem gaan niet het menselijk gemoed, niet de vezelen van het hart, niet het karakter boven al, maar het geschreven recht der wet. Nooit zou hij het zichzelf vergeven, van de wet af te wijken. Een onrecht voor hem is, wat de wet terzijde stelt. Zeker, de wet is feilbaar, ze is veranderlijk. De rechters zijn mensen, de formaliteiten vaak zinneloos, en zoals hier in het geval van Dieudonné misdadig. Maar de heer Poincaré, die overigens niet vroom is, is bijgelovig, wanneer het zijn geloof aan de geschreven wet betreft. Zo heilig als voor den notaris het contract is, zo geheimzinnig verheven elk artikel van het burgerlijk wetboek – zo gewijd is de onaantastbare strafwet, zijn Heilige Schrift.
Zal deze man, die knielt voor de Code pénal, die de formaliteit aanbidt – zal hij de moed hebben aan Dieudonné gratie te verlenen?

Niemand weet het, en niemand ook weet, wat dan wel Dieudonné zal wachten. Bevrijding is uitgesloten. Het bagno-Cayenne, dat zal het enige zijn. Niet onthoofd, maar tot gekooid en zwoegend dier verlaagd, prijs gegeven aan een moordend klimaat, zijn leven niet meer levend, maar opterend in zorg en ziekte.
Dieudonné overdenkt dit alles. Hij peinst over de raadselen van het lot. Hij hoort weer op één der familie-soirées de stem van Valet, die verzen citeert. Hij luistert in zijn verbeelding naar Callemin, die doceert en uiteenzet, dat op de zucht tot zelfbehoud alle moraal gebouwd is. Hij ziet zich zitten tegenover Garnier, den minnaar van de natuur, en de zwakke Soudy, altijd even hulpvaardig, de forse Carouy staan voor hem. Simentoff, ook hij ten dode gedoemd….
Zijn de doden niet gelukkiger?

14 – De laatste nacht

Zouden zij, die met mensenlevens hadden gespeeld, zelf de moed hebben te sterven? Zij, die hadden willen leven, volmaakt en hevig, wier droom het was geweest, het leven te genieten…. zouden zij, nu dit alles was mislukt, weten te sterven?
In de tweede helft van April zou het vonnis worden voltrokken. Op de twintigste liep het gerucht, dat de president aan Dieudonné gratie had verleend, dat dus slechts drie mensen zouden worden onthoofd.
Op de één-en-twintigste begon men met de lugubere voorbereidingen. Enige detachementen garde-soldaten betrokken de wacht rond de gevangenis; de boulevard Arago was door bereden gardes afgezet, omdat men onlusten vreesde van de zijde der anarchisten.
En op de binnenplaats, onder het geboomte, verhief zich hoog en strak de guillotine. Daaromheen, ijverig in de weer zijnde mannen, die het toneel bereidden voor het afschuwelijk drama, dat zich zou voltrekken.
De laatste nacht zal ook de heer Michon aanwezig zijn. Tot zeer laat heeft hij met de veroordeelden gepraat. Soudy en Simentoff zijn als gewoonlijk, onverschillig, ze praten, kaarten, roken. Callemin mijmert en denkt. Hij bevestigt de onschuld van Dieudonné, van De Boué en anderen.
Hij toonde niet de minste vrees, hoe emotioneel hij ook van nature was. Niets was in hem, dat verraadde, of hij inderdaad vrees had voor de dood. In de gesprekken was zijn geest buitengewoon helder, zijn kennis groter dan ooit. Hij sprak zonder hapering, zonder weifeling in zijn stem. Hij kon lachen, vrij en ongedwongen.
Men had gesproken over de pers en de journalistiek, maar was van het onderwerp afgestapt. Toen Callemin des morgens, kort voor de terechtstelling, den heer Michon wéérzag, riep hij: “In één woord wil ik u mijn opinie over de pers nog geven, meneer Michon: Ze is een hoer.” En hij lachte….
Callemin had een reeks van aantekeningen nagelaten, die getuigden van zijn pogingen, niet aan zichzelf te denken, doch zo objectief mogelijk bepaalde vraagstukken onder het oog te zien. Eén dier notities handelde over de misdaad.

“Wat is een misdaad? Wat ik hier schrijf, is geen spotternij. Ik heb inderdaad op een vrij nuttige wijze, uitgaande van mijn eigen geval, kunnen nadenken daarover. Ik ben tot conclusies gekomen, die me ietwat hebben verschrikt, en derhalve zal ik ze niet neerschrijven. Maar de definitieve conclusie die zich aan mij heeft opgedrongen, is deze: de ware misdaad is de aanslag op het menselijke leven, doch met naar ik vast geloof, deze noodzakelijke toevoeging: volvoerd in bepaalde omstandigheden. Ik zal me aan deze formule, misschien te algemeen, houden, om geen onaangename dingen te zeggen. Dat wil zeggen, dat soms de vernietiging van menselijke levens wordt beloond op eervolle wijze, terwijl in andere gevallen men het individu prijs geeft aan de algemene verachting.”

Ook Simentoff, die zo we weten eigenlijk Monnier heette, had aan zijn verdediger geschreven:
“Ik laat aan de maatschappij na: mijn vurige wens, dat eens, in een niet verre toekomst, in alle sociale geledingen een maximum heersen zal van welzijn en onafhankelijkheid, opdat het individu, in zijn vrije uren, zich beter zal kunnen wijden aan de schoonheid des levens, aan het onderwijs en al wat tot de wetenschap behoort.
Ik vermaak de revolver, die in mijn kamer is gevonden, bij mijn arrestatie, aan een museum in Parijs, als herinnering aan een onschuldig slachtoffer van een zaak, die in het land een siddering van verschrikking heeft verwekt, en als dit testament zal worden uitgevoerd, verlang ik dat er leesbaar op het handvat zal worden gegraveerd het woord van den groten martelaar:”Ge zult niet doden…."

Ook Soudy had zijn testament nagelaten, op zijn wijze, in zijn typische volkstaal, ironisch en merkwaardig.
“Ik, Soudy, ter dood veroordeeld door de vertegenwoordigers van de maatschappelijke wraak, die justitie wordt genoemd:
overwegende en gezien dat het mijn plicht is, het bewuste en georganiseerde volk kond te doen van mijn laatste wil, in détails:
1e. vermaak aan den heer Etienne, minister van oorlog, mijn breekijzers en mijn valse sleutels om hem te helpen, de deur te openen voor het militarisme, door de wet op de driejarige dienstplicht;
2e. vermaak ik mijn hersenen aan den deken van de faculteit in de medicijnen;
3e. mijn schedel zelf aan het museum van anthropologie, en ik beveel, dat deze zal worden tentoongesteld ten bate van de gemeentelijke soepuitdeling;
4e. mijn haren vermaak ik aan de vakbond van kappers, bewuste en alcoholische arbeiders, welke haren verkocht zullen worden, in het openbaar, ten voordele van de zaak en van de solidariteit.
Ten slotte vermaak ik aan de”Anarchie" mijn handschrift, opdat de priesters en de apostelen van de filosofie zich er van kunnen bedienen ten bate hunner cynische persoonlijkheid…."
Deze galgenhumor, vol hatelijkheden en tevens vol gemoedelijke spot, tekende wel ten zeerste de gemoedsstemming, waarin Soudy zijn dood afwachtte. Berustend in het onvermijdelijke, met weinig geloof in de maatschappij en de mensen, niet bereid, hen ernstig te nemen!

En Dieudonné schreef zijn mémoires, omdat ook hij nog niet wist, of hij wezenlijk zou zijn begenadigd. Hij legt er zijn sentimentele ziel in bloot, zijn ellende, zijn verontwaardiging over het vonnis, zijn heimwee naar zijn jeugd. En hij schreef in een van zijn brieven, waarvan hij vreesde, dat het de laatste kon zijn:
"Ik heb geloofd aan de ideale harmonie onder de mensen, door het feit alleen van hun goede wil en hun verstand, dat wil zeggen zonder toevlucht te behoeven te nemen tot enig gezag. Ik ben anarchist geweest, zoals anderen Christen zijn of Jood of Muzelman….
Ik heb in de anarchie geloofd…."

15 – Het einde van Carouy

Toen Carouy was veroordeeld tot het bagno, had hij gelachen en gezegd tot zijn verdediger: “Nu ja, ik verkies dan het bagno nog boven de dood.”
Hij had op alle vragen prompt geantwoord en helder en klaar steeds hetzelfde beweerd. Hij ontkende, wat hem was ten laste gelegd, maar toch was hij oprecht. Men wist, dat hij reeds bij zijn arrestatie had getracht, zelfmoord te plegen, en men had hem daarom steeds buitengewoon goed bewaakt, onophoudelijk gefouilleerd. Het is de mens verboden, over zijn eigen lichaam te beschikken. Indien de rechtbank hem ter dood zou hebben veroordeeld, zou het een groot onrecht zijn geweest, indien het vonnis niet ten uitvoer kon worden gelegd doordat de schuldig verklaarde reeds het vonnis aan zich zelf zou hebben voltrokken. Recht dient te worden gedaan door de daartoe aangewezen instanties en niemand mag zijn eigen rechter zijn. Daarom zag de rechtbank, en de officier van justitie, die zijn dood had geëist, nauwlettend toe, dat Carouy niet door zelfmoord ontsnapte aan de laatste en verhevenste ceremonie van het heilige recht: de onthoofding.
Dat Carouy ten slotte tot levenslang was veroordeeld, verbaasde velen. Maar anderen zagen in, dat Carouy, hoe flink en fors ook in zijn optreden, misschien één der minst schuldigen was. Vooral door zijn verklaringen voor den rechter van instructie, die hij in openbare zitting bevestigde.
“Ik was in Ivry, zo zeide hij, bij een vriend, toen degene, die me verkopen zou –ja, meneer de president, ik ben verkocht, als een stuk vee– me kwam opzoeken en me zei:
”Je bent hier niet meer veilig. Ik bied je gastvrijheid aan bij mij, in Lozère. Morgenochtend zal ik op je wachten bij Croix-de-Berny.
De volgende ochtend ging ik op weg. Toen ik Fresnes passeerde, heb ik gemerkt –want als men wordt opgejaagd, nietwaar, merkt men alles– dat twee gendarmes en vier arbeiders daar stonden. Iemand is me voorbij gegaan en heeft me gezegd: “Het scheelde niet veel, of je was er bij, hè.”
Ik kende hem niet, en toch heb ik geantwoord: Ja.
Verder-op heb ik de “vriend” gevonden, die me bij zich heeft thuis gebracht. Daar heb ik heel de dag gewerkt, echt gewerkt. Ik was gewapend, want men had mij gezegd, dat de kameraden meenden, dat ik een verrader was, en dat Garnier op me loerde. Niemand vertrouwde meer een ander, we waren door verklikkers omgeven. Daarom verdacht men ook mij. En ik was gewapend om me te verdedigen.
Om vijf uur heeft de “kameraad” bij wien ik verbleef, me opgezocht, en me verzocht, met hem mee te gaan naar het station. Hij zei: Ik heb een bed voor je besteld, je moet me helpen, het te dragen en hier te brengen.
Ik zei: Goed, kom aan.
Toen heeft hij me gevraagd, mijn kiel uit te trekken en mijn pistolen mee te nemen. Ik heb het gedaan. “Een man als jij moet altijd gewapend zijn, zei hij. En hij voegde er aan toe: Je begrijpt, met je kiel aan, zou je de aandacht trekken.
Toen we op weg waren, zei hij: Ik zal tien meter voor je uitlopen.
En ik, meneer de president, ik wist heel goed, dat ik verkocht zou worden, want ik zei tot mezelf:”Waarom wil hij tien meter voor je uitlopen, als we straks samen naar het station moeten, en samen zullen terugkeren? Maar ik heb hem gevolgd op de weg: Hij liep steeds voor me.
De zon scheen heerlijk. Ik, die altijd nog lust had, te sterven, ik zei tot mezelf: Wat zou het mooi zijn, dood te gaan op zo’n prachtige dag….
U begrijpt, meneer de president, dat ik maar één gedachte had: me te doen vergeten, niet meer van me te doen spreken, en soms nog één hoop: misschien een heel nieuw leven te beginnen….
En altijd stelde men mij voor als een bendehoofd. Men zei: De bende van Carouy….
Als ik een bendehoofd geweest zou zijn, zou ik geld bij me hebben gehad. Ik had maar honderd francs, toen ik gearresteerd werd.
Toen we voor het station waren, heb ik eerst een automobiel gezien, die in het dorp stond. Toen is degene, die me vergezelde, me vooruit gegaan, en het station dóórgestapt. En ik ben aan de deur gearresteerd…. Op een bank zaten vier mannen, verkleed als arbeiders, met een pet op – zoals die in Fresnes. Naast de deur was er een man met een boord.
Ik had achteruit kunnen springen. Ik had kunnen schieten met mijn revolvers. Ik heb het niet gedaan uit eerbied voor het menselijke leven.
Ik ben het station ingegaan. Ze wierpen zich op me, en ik zei:
“Sla niet, ik ben gewapend.
Een man, die dat zegt, meneer de president, heeft niet de bedoeling, te doden. Ik heb gedacht:
”Ze zullen me niet te nauwkeurig fouilleren. Ik heb vergif bij me. Bij de eerste gelegenheid zal ik het inslikken en dan zal alles zijn afgelopen. Ziedaar heel de waarheid, meneer de president….

En in een brief aan zijn verdediger schreef hij:
“Ik heb deze nacht heel mijn arme leven weer aan mijn oog zien voorbijgaan. Ik heb weinig vreugde gekend, weinig geluk. Ik beken u uit de grond van mijn hart, dat ik misschien fouten heb begaan. Al mijn dromen van geluk zijn ineengestort op het ogenblik, dat ik meende, dat ze werkelijkheid zouden worden. Daarom, wijl ik de vreugden van het leven niet heb gekend, zal ik dit rijk der atomen zonder spijt verlaten….”
Beter dan wie ook werd Carouy bewaakt. En toch, op de ochtend van de zeven-en-twintigste Februari, toen een bewaker de cel binnentrad van Carouy, deinsde hij terug. De gevangene lag uitgestrekt op zijn krib, de lippen met een groenachtig schuim bedekt, schijnbaar slapend. De bewaker snelde om den dokter. Deze ijlde toe. Carouy was niet dood. Hij ontwaakte uit zijn bewusteloosheid, en beet stuiptrekkend op een stukje doek, dat hij tussen de tanden had, terwijl hij sidderde van de krampen. De arts gaf hem melk, doch zijn doodsstrijd eindigde niet. Tegen negen uur was Carouy overleden…. Hij had het verlossende cyaankali geslikt….

Nooit heeft iemand geweten, op welke wijze het Carouy was gelukt, dit vergif te bemachtigen. Het strengste onderzoek heeft niets aan het licht gebracht. Er waren tè veel bezoekers, tè veel beklaagden geweest.
De dood van Carouy verwekte bijna evenveel beroering als het veel dramatischer, doch even droeve einde van Bonnot, Garnier, Valet….

16 – De guillotine roest niet

In de vroege ochtend staat daar dreigend de guillotine, en heft haar armen ten hemel.
Een vage schemer vervangt de nacht. De flikkerende lichten gaan uit, de één na de ander doven de lantaarns.
Buiten de gevangenis staan gendarmes en bereden troepen gereed. Ze hebben ook gedurende de nacht gewaakt.
Reeds is de beul met zijn helpers aangekomen. In de grote hal wachten de advocaten van de beklaagden. De heer Guichard is er ook, en andere magistraten, politie-inspekteurs, de dokter, de priester.
Dan treedt de beul binnen en waarschuwt de heren, dat het ogenblik gekomen is. De ganse stoet beweegt zich door de gangen, zachtjes, langzaam, uit vrees, andere gevangenen te wekken. Dan, op een portaal, wacht men. De directeur, de rechter van instruktie en de substituut-officier zullen de drie gevangenen wekken.
Er gaat een deur open. Een bewaker roept: “Sta op – het is tijd.” Maar Simentoff beweegt niet. Hij is in diepen slaap gedompeld. Dan, als hij aan de arm wordt getrokken, ontwaakt hij, versuft nog, en ziet vragend om zich heen.
“Het gratieverzoek is verworpen….
Hij begrijpt. Hij kleedt zich langzaam aan.
”Dat vermoedde ik wel.
Hij richt zich tot zijn advocaat, en neemt afscheid van hem. Hij drinkt een glas rum. Dan reikt hij den priester de hand.
“Ik geef de hand, niet aan den priester, maar aan de mens, den vriend.
Hij bedankt één der bewakers, met vaste stem. Dan schrijdt hij de gang door, naar het bureau der griffie, waar hij de rechter van instructie vindt voor de laatste formaliteiten. Hij zegt tot Gilbert:
”“Meneer de rechter, u bent nog niet geschoren. Maar men zal u nog wel eens het mes op de keel zetten….”
Hij lacht, somber. Dan:
“Adieu, Ik neem u niets kwalijk.
Hij wordt geknipt en geschoren. Als hij klaar is, zegt hij:”Jullie zult zien, hoe iemand uit het Zuiden weet te sterven – met een glimlach.
Intussen is Callemin gewekt en gekleed. Hij zegt:
“Merkwaardig, ik dacht, dat men ons helemaal kaal zou scheren. Dan voegt hij er aan toe:
”Maar men zal ons ’t haar toch wel afsnijden, ergens anders mee!
Soudy is nu ook wakker. Maar hij praat nauwelijks.
De drie mannen nemen van elkander afscheid. Ze houden zich sterk, ze spreken elkaar moed in. Ze klagen over de kou. Simentoff zegt nog, dat zijn kleren voor de armen zijn. En Callemin zegt glimlachend tot de bewakers: “Eindelijk zijn we dan toch vrij….”
Soudy mompelt: “We zijn klaar.
De priester en de geneesheer, enkele advocaten, reiken hun de hand, dringen aan op spoed. Soudy zegt:”Wees gerust, ik heb moed genoeg. Maar de anderen – wat zeggen zij? Als ik nu nog maar alleen sterven moest. Aan mij is niet veel verloren. Ik was al een wrak. Met mij gaat maar een armzalig stukje mens.
Hij vraagt een kop koffie.
“Ik beef, zei hij, toen zijn hand trilde. Maar van koude, niet van vrees.
En als hij met de anderen door de laatste gangen loopt zegt hij:”Wat een slachting zal dat zijn…."
En hij neuriet een versje.

Bleek is de ochtend nog. De guillotine staat en wacht….
Soudy nadert het schavot, zonder enig vertoon. Hij roept slechts: “Goede dag….” Men duwt hem vooruit, legt hem op de plank, bindt hem vast. Dan gaat de plank omhoog, de bijl valt…. Bloed spat op.
Nu roept men Callemin. Zijn lippen trekken zich sarcastisch, smartelijk, nerveus samen. Maar hij spreekt even vast als immer, zacht en gedempt. Op het schavot richt hij zich nog éénmaal op, en roept tot de omstanders: “Is het mooi, de doodstrijd van een mens?”
Dan wordt hij gebonden, de bijl valt, het hoofd rolt omlaag.
Simentoff is de laatste. Luid en duidelijk zegt hij:
“Adieu, mijne heren, en vaarwel, maatschappij….”
Een halve minuut later is het volbracht.
Een drievoudige, wel voorbereidde moord, onder bescherming van enige gewapende detachementen – dat is het enige antwoord, dat de maatschappij geven kon. Ze wreekte moord met moord. Het recht had zijn loop gehad.
En toch – waren deze mensen misdadigers geweest, ondanks de misdrijven, die ze hadden gepleegd? Waren het niet inderdaad de overmacht der omstandigheden, de dwang der maatschappelijke verhoudingen, die hen tot deze daden hadden gebracht? In andere omstandigheden zouden deze in vele opzichten merkwaardige en begaafde mensen wellicht volkomen geslaagd zijn.
Geen samenleving kan zich onttrekken aan haar verantwoording voor de individuën, die uit haar voortkomen. De maatschappij, die hier met de dood strafte, strafte een deel van zich zelf, zonder het te willen erkennen – omdat anders de straf zinneloos zou blijken te zijn.
Bandieten, tragische misdadigers – maar bandieten – zo zegt men. Doch er is veel banditisme, dat door de wet ontzien, door de maatschappij beschermd, door de goede zeden niet gelaakt wordt. Er is veel karakterloosheid, die geldt voor deugd, en er zijn brutale, ruwe instincten, die zich kunnen uitvieren en worden beloond.
Eens wellicht, wanneer de samenleving menselijker zal zijn geworden, zal ze milder oordelen over hen, die in een duister verleden evenzeer slachtoffer waren van de samenleving als van hun dwalingen….

Fotos

Bestand:Fotos/kibaltchiche.jpg
Victor Kibaltchiche.
Bestand:Fotos/maitrejean.jpg
Rirette Maitrejean.
Bestand:Fotos/callemin.jpg
Callemin dit Raymond-La-Science.

–EINDE–