Constandse, A.L. - De waarheid over Rusland (1925)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_waarheid_over_Rusland_(1925)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_waarheid_over_Rusland_(1925).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.dewaarheidoverrusland/


De waarheid over Rusland
Door A.L. Constandse
1925

Uitgeverij “Alarm” Den Haag

Inleiding.

De hevige propaganda der Sovjet-regeering, welke sinds 1917 er op gericht is, in de Europeesche Staten bondgenooten te verkrijgen onder de arbeidersleiders, is zeer geraffineerd. Zooals bekend is, wordt meer den ooit de methode toegepast, arbeiders-delegaties te vormen, welke een rapport samenstellen. Zoo is het vermaarde rapport der Engelsche arbeidersdelegatie ook in het Hollandsch vertaald en dienstbaar gemaakt aan de propaganda ten bate van het Russische regeeringssysteem. Wat kan daarmee de Russische regeering vóór hebben? Dat men in West-Europa de Russische toestanden zou invoeren, is natuurlijk ondenkbaar. Dus blijft één doel kennelijk aanwezig: de arheiders door middel hunner leiders zoodanig overtuigen van het “socialisme” der Russische regeering, dat dit Gouvernement zou kunnen rekenen op de hulp der Europeesche arbeidersbeweging bij het herstellen der diplomatieke en handelsbetrekkingen, het verkrijgen van credieten en het bevorderen der buitenlandsche politiek van den Russischen staat. De Sovjet-regeering toch kan geenszins bedoelen, dat de Europeesche arbeiders de Russische proleten te hulp komen ter voorbereiding der wereldrevolutie. De naam “revolutie” is door Rusland geschrapt en heeft plaats gemaakt voor andere: handel, crediet, bewapening, imperialisme. De Russische regeering is als alle gouvernementen kenmerkend contra-revolutionnair.
Deze hoofdstukken zijn dan ook gericht rechtstreeks tegen de Russische regeering. Voorstanders der sociale omwenteling, propagandisten der wereldrevolutie, vijanden van staat, kapitalisme en militarisme, zijn we geen verdedigers eener democratie, geen aanhangers der wettelijke methoden, geen vrienden der West-Europeesche toestanden. Wij bestrijden de Russische regeering juist daarom, omdat ze niet alleen in Rusland kapitalisme en militarisme verdedigt, maar den vloekwaardigen toestand der arbeiders gruwelijk heeft verergerd, de bourgeoisie heeft gerugsteund, den oorlog heeft voorbereid en de revolutie onmogelijk heeft gemaakt. En de Russische regeering, welke de Europeesche arbeidersbeweging aan zich ondergeschikt tracht te maken, is des te gevaarlijker naarmate ze sterker er naar streeft, haar reactionaire bedoelingen te verbergen achter revolutionnaire leuzen.

Hoe arbeidersdelegaties en reizigers in Rusland worden voorgelicht, leert het volgende: In het te Moskou verschijnende tijdschrift “Nowyj Wostok” (het Nieuwe Oosten) heeft mevrouw Kamenjew in Juni meegedeeld, hoe de Russische inlichtingsdienst werkt. In Moskou bestaat een Vereenigd Bureau voor Informaties, “Obi” genaamd. Dit bureau moet alle buitenlanders van materiaal en “ervaren gidsen” voorzien, opdat buitenlanders “geen verkeerde voorstellingen van de Russische toestanden” zullen krijgen. Tot 1 Februari 1925 hadden de gidsen 177 buitenlandsche reizigers bewerkt: uit 23 landen waren er 79 politici, 29 journalisten en 29 geleerden onder. De Obi heeft een sectie voor het zenden van informaties naar het buitenland. Zoo heeft professor Obst daar zijn boek mee samengesteld, de Argentijnsche geleerde Dobrenki, de Duitscher Wilhelm Herzog, de “Prager Presse” en tal van andere personen en bladen moesten op deze “officieele” gegevens afgaan. Ook het rapport der Engelsche arbeidersdelegatie is geheel samengesteld uit door de Obi, dat ís door de regeering zelf verstrekt materiaal. Mjasnikow, een oppositie-communist, over wien we nog schrijven zullen, die onder den tsaar 7½ jaar is gevangen gehouden en door de bolsjewiki evenzoo werd mishandeld, spreekt van “Potemkin-dorpen”: onder tsarin Katharina II liet minister Potemkin in dorre streken aan de tsarin bloeiende dorpen zien, die slechts tooneeldorpen waren, slechts décor! Zoo is ook Fimmen er in gevlogen. Of heeft hij bewust bedrog gepleegd? In de “Isvestia” van 15 Januari 1925 komt een artikel voor met Fimmen’s reiservaringen, waarin Fimmen verklaard heet te hebben, dat hij in de gevangenissen den ouden socialist Gotz heeft willen zien. Deze echter was…. met vacantie, tot herstel zijner gezondheid bij zijn ouders. “Ik noteerde dus –aldus Fimmen– het adres en begaf mij naar het landhuis. Ik heb Gotz gezien. Inderdaad was hij daar vrij, ademde frissche lucht en werd verzorgd door zijn ouders. En wij, wij dachten dat hij achter dikke muren zat, de arme duivel, langzaam stervend, slachtoffer van uw vreeselijke vervolgingen”. Welnu, òf ’t was een valsche Gotz, òf Fimmen dacht wellicht, dat Gotz de buitenwereld toch niet kon bereiken. Het gelukte Gotz zelf echter, een brief te doen toekomen aan de Brusselsche “Peuple” (zie Het Volk 18 Juni 1925) en hij verklaart daarin: “Het is niet waar dat gij (Fimmen) mij hebt bezocht. Alles wat gij hieromtrent vertelt, is verzonnen van het eerste tot het laatste woord…. Gedurende vijf jaar van mijn verblijf in de Russische gevangenissen ber ik geen enkele maal in vrijheid geweest”. Hij vertelt dat hij in twee en een half jaar tijds 366 dagen voedsel heeft geweigerd, en dat een kameraad, Serger Morosoff, zelfmoord pleegde. Het sprookje van de vacantie der gevangenen komt hieruit voort, dat sommige gevangenen zoo afgemat en ziek worden in de gevangenis, dat ze naar een hospitaal worden gezonden. Enkele dezer ziekenhuizen liggen op het land, zijn afgezet met prikkeldraad en bewaakt door goed gewapend personeel. De zieken blijven daar hoogstens 14 dagen.
Het rapport der Engelsche arbeiders-delegatie staat evenzoo vol leugens. Men leest bijv., dat de Russische kerk, die veel overeenkomst heeft met de Anglikaansche, dat deze “Levende Kerk” van plan zou zijn geweest Lenin te canoniseeren (heilig te verklaren), terwijl de Russische kerk geen canonisatie kent! Over den toestand der arbeiders, der vakbeweging en dgl. geeft het rapport weinig, maar het weinige is onjuist. Dat de stakingen verminderen, de leden vrijwillig lid zijn der vakorganisaties, zal blijken gelogen te zijn. Het rapport geeft slechts een vertaling (en een zeer slechte) van wat de Russische propagandadienst verschafte aan de delegatie, Merkwaardig is, dat vóór het verschijnen van het rapport de arbeidersleden mededeelingen deden aan de pers, die grootendeels ongunstig waren. De slechte woningtoestanden werden genoemd, de groote werkloosheid, de ellende der landbevolking, de geringe invloed der vakorganisaties en dgl. Direct echter werd het lesje opgezegd, uit Moskou meegebracht: men moet de Sovjet-regeering volledig erkennen, men moet millioenen credieten geven die “veilig” in de ondernemingen gestoken kunnen worden en officieel de Russische regeering haar veroverde plaats toekennen. (Zie o.a. Telegraaf 22 Dec. 1924.)
Later is het officieele rapport verschenen, dat in het Engelsch 250 bladzijden beslaat. Het belachelijke van ’t geval is nu het volgende. De delegatie werd vóórgelicht door de regeering, was gast der regeering. Ze kon dus niet zelfstandig onderzoeken en kende geen woord Russisch. Reeds in Riga werd “onze delegatie door de officieele vertegenwoordigers van den Sovjet-staat ontvangen; door den gezant en andere officieele persoonlijkheden, die de delegatie bij het Russische gezantschap in naam der Sovjet-regeering ontvingen”. De delegatie vertrok 7 November, over Moskou, het Dongebied, den Kaukasus, naar Moskou terug en via Petersburg (Leningrad) naar Londen, waar ze weer terug was 19 December! In 5 weken tijds was over het geweldige land, dat een zesde van den aardbodem omvat en een volstrekt onbekende taal bezit, een oordeel geveld! Van de 7 gedelegeerden is alleen John Turner vrij communist geweest, de anderen zijn in rang steeds hooger geklommen leiders van het staatssocialisme. Ze hadden zich adviseurs uitgekozen die de taal van het land kenden. Het resultaat is geweest, dat de delegatie het voorwoord schreef en de adviseurs…. het rapport samenstelden. Wie zijn die adviseurs? Kapitein Grenfell stelde hoofdstuk 6 samen. Hij heeft 17 jaar bij de vloot gediend, vrocg in 1920 ontslag. De heer Young stelde hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 5 en 7 vast. Hij is geridderd, diplomaat geweest, vrijwilliger in het leger, en majoor geworden. Mc Donell stelde hoofdstuk 8, 9 en 10 van het tweede deel samen. Hij is Britsch consul en militair attaché geweest. Hij heeft met Young de rest samengesteld. Deze drie heeren zijn allen thans lid der Arbeiderspartij, en vertrouwden geweest der regeering bij de spionnage, den handel, de diplomatie en de marine. Ze waren derhalve jaren lang dienaren der Engelsche regeeringen, ook van die onder Macdonald. De geheele opzet wekt den schijn, dat de Engelsche bourgeoisie er alle belang bij had, een gunstige voorstelling van Rusland te verspreiden, teneinde de normale betrekkingen in den handel te herstellen. Vandaar de directe mededeeling, dat geldbeleggingen in Rusland “veilig” zijn. De arbeidersleiders in de delegatie zijn dan slechts “décorum” geweest: de drie specialiteiten hebben hun opdracht vervuld, het verband tusschen Engelsch en Russisch kapitalisme te herstellen.
De delegatie werd overal door “geestdriftige arbeiders-demonstraties” begroet, en aan de stations door speciale vertegenwoordigers ontvangen. “De ontvangst der delegatie in Leningrad overtrof elke demonstratie op onze reis. De burgerbevolking demonstreerde bij duizenden, aangevoerd door groote matrozenbataljons. Doch hoe komen deze demonstraties tot stand? Turner en ânderen (zie”Der Syndikalist" 22 Aug. 1925) ontdekten, dat de demonstratietijd als arbeidstijd geldt, en dat wie niet ter parade verschijnt, geen loon ontvangt dien dag. Deze demonstraties worden dus met de hongerzweep in elkaar gezet.
De inlichtingen, welke aan de delegatie werden verstrekt, en ook wel de Duitsche, Zweedsche, Hollandsche en andere reizigers zullen bereiken, zijn geheel en al bereid in de regeeringsbureaux. Toen echter John Turner vroeg, de Solowetzki-eilanden te mogen bezichtigen met hun gevangenissen, werd hem dit geweigerd: “wegens koude en sneeuw was de tocht nòch met de stoomboot, nòch met den trein mogelijk”. De inlichtingen, die Turner toen van gewezen gevangenen kreeg, wezen alle op een zeer slechte, wreede behandeling. A. Baron was gearresteerd, en Maria Weger zou juist uit het ziekenhuis der Moskousche Butirki-gevangenis weer naar ’t barre Solowetzki worden vervoerd. David Kogan bleek doodgeschoten, “verdacht” van “terrorisme”. Doch over Achtyrski, Rubintschik, Olonetzki e.a. werd elke inlichting geweigerd. Toelating bij de gevangenen: Maria Spiridonowa en Alexandra Ismailowitsch werd niet toegestaan. Later bleek, dat ze uit protest tegen de voorgenomen verbanning voedsel weigerden. In de Butirki-gevangenis sprak Turner den gevangen rechts-sociaalrevolutionnair Timofeeff, die meedeelde dat sinds 1922 hij en zijn vrienden gevangen zaten, en dat ze in den zomer van 1924 voor het eerst verlof hadden gekregen, in de gang der gevangenis te wandelen. (Zie “Erkenntnis und Befreiung” no. 13, 1925).
Het is ons doel niet, in deze enkele korte hoofdstukken het rapport der Engelsche arbeidersdelegatie hoofdstuk na hoofdstuk te weerleggen. We hebben voldoende getoond, hoe buitenlanders in Rusland worden “vóórgelicht” en zullen ons hier er toe bepalen, een aantal feiten te vermelden, grootendeels geput uit de sovjet-pers zèlf, teneinde zonder veel commentaar de Russische toestanden te belichten. Geen geschiedenis der Russische revolutie en van haar vermoording door de sovjet-regeering dus, maar een overzicht van den huidigen toestand zij er de strekking van.

Het kapitalisme in Rusland.

Het Russische kapitalisme bestaat evenals overal elders door de bescherming van het staatsgezag. Indien de arbeiders werkelijk, zooals bolsjewistisch gezinden verkondigen, de macht zouden hebben in Rusland en dus productie en distributie beheeren en beheerschen zouden, hoe kon er dan sprake van zijn, dat de arbeiders werkloos worden, in loondienst staan, gevangen genomen worden en staken? Een zonderling land zou het zijn, waar arbeiders de macht hadden, en toch staken tegen zichzelf en dan weer nog machtiger meesters boven zich vinden zouden, die hun probeeren te dwingen weer aan ’t werk te gaan! De waarheid is, dat in Rusland de eigendom bestaat en beschermd wordt; deze eigendom behoort òf aan den staat, òf aan particulieren, òf aan beiden in gemengd beheer. In den Italiaanschen senaat zei Mussolini in verband met de erkenning der sovjet-regeering: “Wij moeten er ons aan gewennen dat Rusland bezig is, een land van kleine eigenaars te worden, geleid door een partij die evolueert met de”nieuwe behoeften“, (21 Mei 1925). Reeds in 1921 (zie”Tribune" 29 Juli 1921) kwam Lenin openlijk op voor het “staatskapitalisme”. Hij schrijft: “Wij geven een zekere gelegenheid tot vrijen handel en herstel van kleine bourgeoisie en kapitalisme. Het zou belachelijk zijn, daarvoor de oogen te sluiten”. Bovendien noemt hij “kapitalisme een zegen in vergelijking met de middeleeuwsche productiewijze”. De “Tribune” van 29 October 1921 bevat een rede van Lenin, waarin hij zegt: “Russische kapitalisten en buitenlandsche concessionnarissen zullen nu 100% winst maken. Laat ze zich maar verrijken, maar leert van hen”! Zijn hoofddoel blijkt slechts: “de kapitalisten op behoorlijken afstand te houden en een kapitalisme te scheppen, dat aan den staat ondergeschikt en dienstbaar is”. Het ideaal dus van Bismarck en Mussolini.
Reeds bij nota van 28 October 1921 bood de Russische regeering aan, de schulden van vóór 1914 te erkennen, mits de Europeesche regeeringen de diplomatieke en handelsbetrekkingen herstelden en credieten toestonden. Krassin bood het Engelsche kapitalisme volledige bevrediging. “Propaganda die vijandig is aan andere regeeringen wordt metterdaad door de sovjetregeering niet gevoerd”. Buitenlandsche beleggers behoeven voor hun kapitaal in Rusland geenerlei bijzondere waarborgen. Hun rechten en de veiligheid van hun bezit zijn volkomen gewaarborgd door de burgerlijke en strafwetten des lands en ook door den inhoud der afzonderlijke overeenkomsten, die wat belangrijker concessies betreft direct tusschen de gegadigden en de regeering zijn gesloten“. (”De Tribune" 8 Juni 1923). De z.g.n. Engelsche Baldwin-commissie, uit 10 zakenlieden bestaande, bracht ook toen reeds een rapport uit, waarin wordt gezegd dat het communisme in Rusland dood is! Daarom zou crediet verleend kunnen worden in ruil voor erkenning der schulden, want de handelsbalans en de financieele toestand zijn niet ongunstig. (Telegraaf 21 Nov. 1923). De heer E. Levin, vertegenwoordiger der Russische staatsbank, zeide te Amsterdam, dat door de relaties met Nederlandsche financiers “de financeering van den graanuitvoer voor het allergrootste deel over Nederlandsche banken had geloopen”. (N.R.C. 27 Nov. 1923). Het aantal concessies aan buitenlandsche kapitalisten is nadien steeds toegenomen. In Nov. 1923 kreeg de Kon. Ned. Petroleum Maatsch. concessies op de Grosny-velden, de Duitsche Agrargesellschaft in de Wolga-gebieden, in Dec. 1923 verwierf Krupp zijn landbouwcencessies, Italië zijn petroleum-gebieden. In Maart 1924 verkreeg Stinnes petroleumconcessies teneinde in een achtste der Duitsche behoeften te voorzien, ruim 100.000 ton per jaar. In Mei 1925 had een Engelsche maatschappij rechten op het goud van Aljaska in ruil voor 5% der opbrengst aan de Russische regeering. In Juni 1925 kreeg Harriman zijn mangaan-concessies in Tsjatoer, in ruil voor aan de regeering toevallende uitvoerrechten. In Sept. 1925 meldde Trotzky, dat de belasting voor particulieren zou worden verlaagd in handel en industrie en kwam het voorstel, de helft der Fransche schuld te erkennen. 30 Maart 1925 had een conferentie plaats, waarbij de volkscommissaris voor handel en industrie, Smylga, zeide, dat de particuliere handel op voet van gelijkheid met den staatshandel moest worden ontzien en “dat de Sovjet-regeering tot de overtuiging was gekomen, dat het particuliere kapitaal een belangrijke functie in het economische leven vervult”. (N.R.C. 14 Mei 1925). In September 1925 is het erfrecht weer volledig hersteld en gaf het commissariaat van landbouw nieuwe voorschriften voor de positie der landarbeiders. De achturendag, de wekelijksche rustdag en de ongevallen-verzekering worden afgeschaft en alles wordt overgelaten aan onderlinge overeenkomsten tusschen patroon en arbeider. De klassenstrijd bestaat dus in zijn hevigsten vorm in Rusland.
Deze toestand weerspiegelt zich in de arbeidsvoorwaarden. De volkscommissaris van arbeid zegt in zijn rapport van September 1925 dat de arbeidsloonen 76% ongeveer bedragen van de vóóroorlagsche; gemiddeld althans. De werkloosheid neemt toe: 1½ millioen arbeiders zijn werkloos, voor de helft geschoold. Het Internationaal Arbeidsbureau te Genève kreeg van economische en vakorganisaties in Rusland mededeelingen over 1925, waarmee het zijn rapport samenstelde. Er blijkt uit (zie N.R.Ct. 19 Sept. 1925) dat de genationaliseerde industrie slechts 60% der arbeiders kan te werk stellen, dat er dus ’n groote werkloosheid heerscht, dat “tengevolge van de afvloeiïng van sovjet-ambtenaren om bezuinigingsredenen” een heirleger van intellectueele werkloozen rondloopt, terwijl de slechte toestanden op het platteland jaarlijks 800.000 plattelanders nog extra naar de steden drijven. Het officieel rapport klaagt er over, dat de werkers “arbeidsschuw” zijn: het gewone bourgeoispraatje. “Ze hebben alle geschiktheid of lust tot werken verloren en leven uitsluitend van de vakvereenigingen”. De metaalbewerkers hebben 65-78% van het vooroorlogsche loon. Andrejef, voorzitter van de vereeniging van spoorwegbeambten in Rusland, secretaris van den centralen vakvereenigingsraad, meldt, dat de leden der vakbonden gedwongen lid zijn van: 1o. het Verbond voor de bevordering der luchtvloot, 2o. het Verbond tot ontwikkeling van de chemische oorlogvoering, 3e het Verbond voor de internationale ondersteuning van roode partijen. De contributies hiervoor verslinden 10 à 12% van de arbeidsloonen. Het rapport van den Centralen Vakvereenigingsraad (“Troed” van 19 Juli 1925) noemt de fabrieksraden (van arbeiders) “creaturen der bedrijfsleiding”. De vakbondleiders zijn geheel afhankelijk van den staat. “Ze hebben alle aanraking met het gros van de werklieden verloren en bepalen zich nu tot het uitvoeren van de bevelen van bolsjewistische organisaties”. Aldus Andrejef. Op het communistencongres te Moskou in den zomer van 1924 had Koejbysjef reeds meegedeeld, dat met 1 Mei 40% van het staatspersoneel was ontslagen, omdat de staatshandel veel te duur werkte. Elke onderneming moest 60 à 70% van haar goederen betrekken van particuliere tusschenhandelaars. De directeur van het Centrale Statistische bureau, Popow, heeft met een commissie een balans opgemaakt van de Russische volkshuishouding en concludeert, dat sinds 1913 de particuliere handel meer dan het dubbele gedeelte van het nationale inkomen oplevert, van 8,3% (1913) tot 19,5% (1924). De handelswinsten zijn zeer groot. Voor landbouwproducten 62,6% en voor nijverheidsproducten 33,7%. Popow wijt dit aan de noodzakelijke…. kapitaalvorming der handelaars! “De handel”, schrijft Popow in de “Ekonomitsjeskaja Zjiznj”, “is de eenige bron voor kapitaalvorming…. De handel vervult nu in Rusland dezelfde functie als in het beginstadium van de ontwikkeling van het kapitalisme”. Deze feiten ontbreken in het rapport der Engelsche arbeidersdelegatie….

De toestanden der russische arbeiders.

Binnen het raam van het kapitalisme zijn de verhoudingen over ’t algemeen zóó geordend, dat de belangen der patroons door speciale organisaties worden behartigd en die der arbeiders door hun vakbonden. Deze wederzijdsche organisaties zijn niet revolutionnair, doch evenals middenstands-, boeren- en ambtenarenvereenigingen gericht op behartiging van erkende en wettelijk geoorloofde belangen. Hoe is in Rusland nu zelfs de toestand van deze organisaties? Het Engelsche labourrapport zegt, dat we “in Rusland een regeling der arbeidersrechten hebben, die de arbeiders zich tot hun eigen welvaart zelf hebben opgelegd. Al deze regelingen zijn de gevolgen van vrije overeenkomsten tusschen de arbeiders en hun eigen vakleiders en vertegenwoordigers, wien zij hun inrichtingen, hun werkplaatsen, hun fabrieken, hun boeren goederen hebben toevertrouwd…. De Russische arbeiders zijn in Rusland heerschende klasse. Ze genieten de rechten eener heerschende klasse”.
Nu weet men, en we zullen het hierna bewijzen, dat er in Rusland geen enkel politiek recht bestaat! Doch het is onloochenbaar, dat de staat alle arbeidersorganisaties beheerscht. Volgens den centralen Raad der Alrussische vakbeweging was het inkomen dezer organisaties gedurende de eerste drie maanden van 1924 precies 867.458 gouden roebels. Daarvan kwamen 61.968 roebels van de leden en 805.490 van den staat! In ruil daarvoor moeten de vakorganisaties de arbeiders van staking weerhouden. Reeds in 1922 verklaarde Tomski: “Het is thans (met de Nieuwe Economische Politiek) de taak der vakvereenigingen, zoo snel mogelijk bij eenige storing in de productie in te grijpen. De bond moet er naar streven, ieder conflict zoo spoedig en pijnloos mogelijk door een vergelijk of een scheidsgerecht op te lossen, om te voorkomen, dat een staking uitbreekt”. (“Die Rote Gewerkschafts-Internationale” no. 3). In 1923 vonden in het particuliere bedrijf 135 stakingen plaats, die 5200 arbeiders omvatten. In de staatsindustrie echter waren 381 stakingen uitgebroken, 165.000 personen omvattende, van welke slechts 11 stakingen door de organisaties werden erkend en geleid. De andere 370 werden afgekeurd en door de bonden opgeheven.
Dat de arbeiders “de rechten eener heerschende klasse” genieten, blijkt uit het volgende relaas uit het officieele orgaan “Troed” van 30 December 1924: “In het centrum der Textiel-industrie van Iwanowo Wosnessensk ontbreken den arbeiders de eenvoudigste waschmogelijkheden –er is geen zeep– en dat bij het voortdurende gevaar dat ze bij het behandelen van natte verfstoffen loopen. Er zijn geen eettafels voorhanden en er ontbreekt ook een aparte gelegenheid tot het gebruiken der maaltijden. Ze zijn gedwongen, hun voedsel te gebruiken aan de werktafels. In de Novo-Iwan-fabrieken zijn de vloeren nat en vettig, de lucht is verstikkend door onvoldoende ventilatie. In de Pettisjew-fabrieken zijn de zalen vol damp, wat den arbeid zwaarder en gevaarlijker maakt. In het industriegebied van Jasnikow, in de provincie Wladimir, is er voor de daar arbeidende 3000 menschen geen hospitaal”. In hetzelfde blad komt een bericht voor over Makayewska, een groot mijnengebied in het Donetz-gebied, waar 4500 mijnwerkers genoodzaakt zijn, hun maaltijden in de vuile kantine te verorberen, omdat ze sinds maanden geen loon hadden ontvangen. Ook in de mijn Sofia eten de mannen des zomers in de open lucht, waar vuil kolengruis en kolenstof de atmosfeer verpest en geen enkele beschutting bestaat tegen den regen. Zoo leeft “de heerschende klasse van arbeiders” in Rusland.
In de “Izwestia” van 19 November 1924 worden de volgende maandsalarissen gedecreteerd (een roebel is ongeveer ƒ1.25): volksschool-onderwijzers 20-30 roebel, middelbaar-onderwijsleeraren 30-40 roebel, artsen 40-50 roebel, ziekenverpleegsters 17-24 roebel, landbouwkundige ambtenaren 40-55 roebel. Volgens de “Troed” van 13 Februari 1925 zijn in de particuliere bedrijven 500.000 arbeiders werkzaam zonder eenig klassebewustzijn of besef van rechten. De “Kommunist” uit Charkof, van 15 Maart 1925 schildert de groote ellende in den landbouw. De “Internationale Presse-Korrespondenz” no. 4 1925 deelt mede, dat 92% der arbeiders zijn georganiseerd of 6.036.000 man, en dat de loonen gemiddeld 63% zijn der vooroorlogsche, welke toen reeds tot de laagste van Europa behoorden. De “Troed” van 7 Maart 1925 schat het gemiddelde maandloon van ’n arbeider op 38,85 roebel in November 1924 en op 40,50 roebel in December. Tegelijk stegen echter de kosten voor levensonderhoud. Volgens de indexcijfers: 1 Oct. 191,8 – 1 Nov. 194,8, – 1 Dec. 197,8 – 1 Jan. 197,6. Wat de prijzen betreft zie men de “Ekonomitscheskaja Shisju”: 1 Juni 1925 kostte een pond roggebrood 11 cent (zwart) en wit roggebrood 18 cent. Een pond suiker 50 cent, een pond boter 110 cent, een pond rundvleesch 60 cent (met been), 10 eieren 43 cent. Dit zijn de marktprijzen van Moskou, berekend naar een roebelwaarde van ƒ1.30.
Over de toeneming der werkloosheid het volgende uit de “Troed” van 17 April 1925: in Moskou waren ingeschreven alleen: 1 Oct. 1924 nog 48.459, 1 Jan. 1925 al 79.000, 1 April reeds 104.000 en 15 April tenslotte 110.000 werkloozen. Een bewijs, dat hun aantal sterk toeneemt! In Petersburg is het niet minder. Volgens de “Troed” van 5 Juli 1925 waren er daar toen 52.000 werkloozen, van wie slechts 13.000 ondersteuning verkrijgen uit de sociale verzekering. Slechts 40% der georganiseerde werkloozen krijgt uitkeering. Het bestuur van Moskou organiseerde “arbeidsgemeenschappen” voor 10.000 werkloozen, waar dezen werden uitgebuit door een tariefstelsel dat hoogstens 18 tot 25 roebel per maand aan loon opleverde. Precies dus als de kapitalistische werkverschaffing in Europa de werkloozen exploiteert.
De geraffineerde uitbuitingsstelsels leidden dit jaar (1925) tot groote stakingen, tegen den wil der vakorganisaties in geproclameerd. In Juni 1925 staakten in de textielfabrieken van Goloetwin 3000 arbeiders 7 dagen lang, in die van Iwanowo-Wosnessensk bijna alle werkers, en met goed gevolg. Dit resultaat wekte vele andere stakingen, tegen den staat en de vakorganisaties gericht. Het gevolg was een loonsverhooging. Bovendien werd bereikt, dat de bolsjewieken hun plannen niet konden verwerkelijken, om elk arbeider in plaats van 2 nu 3 weefgetouwen te doen bedienen om de productie op te voeren. In de Sabinsk-fabrieken werden de bolsjewistische arbeiders uit de vakbonden gedwongen, onderkruipersdiensten te verrichten. Wie weigerde, werd uit de partij gesloten en viel in ongenade. In de glasindustrie van Goessj-Chroestalnyi produceerden de arbeiders meer dan de vastgestelde norm. De bedrijfsleiding verhoogde, in overleg met de vakbeweging, daarop den vereischten norm tot het dubbele. De arbeiders staakten. Nu beval de overheid aan alle leden der bolsjewistische partij, de staking te breken. Dezen stelden daarop aan de stakende arbeiders een resolutie voor, om de staking op te heffen. De resolutie werd verworpen. Toen werd het bedrijf gesloten, de stakers kregen allen ontslag en personeel werd slechts tegen de nieuwe, gehalveerde loonen, aangenomen.
In de “Prawda” van 19 Juli spaart Andrejef, voorzitter van de vereeniging van spoorwegbeambten, den vakorganisaties zijn critiek niet en wijst op den breuk tusschen arbeiders en vakbondleiders. “Wij kennen een reeks van feiten, waarbij deze breuk inderdaad is voorgekomen. Het scherpste bewijs van zulk een breuk tusschen de breede massa en de vakbonden is bijvoorbeeld in de laatste conflicten op eenige textielfabrieken voorhanden, waar de toestand zóó was, dat aan de eene zijde zich de groote massa der arbeiders en aan de andere zich onze organisaties bevonden”. En hij vervolgt: “Wij kennen verrassende gevallen, waarin de bedrijfscommissie bij een conflict tusschen de arbeiders en de bedrijfsleiding een bekendmaking aanplakt, dat wie den arbeid niet hervat, onmiddellijk ontslagen wordt. De vakorganisaties streven er hoofdzakelijk naar, haar werkzaamheid voor de oogen der overheid in een glanzend licht te laten verschijnen”. Deze overheid is de eigenares der fabriek, de uitbuitster, de werkgeefster. Haar bondgenooten zijn de leiders der vakorganisaties, van wie een niet gering deel oplichters zijn. De “Troed” van 3 Mei 1925 zegt, dat “verduistering van gelden der vakorganisaties een epidemisch karakter heeft aangenomen”, en vermeldt 683 gevallen van verduisteringen tot een bedrag van 314.000 roebels. De “Troed” van 30 Mei geeft een rede van Tomski weer, den voorzitter der Russische vakorganisaties, waarin deze er over klaagt, dat in de grootste vakbonden 90-100.000 goudroebels zijn verduisterd. De “Troed” van 26 Maart 1925 klaagt er over, dat de vakorganisatieleiders hun werk alleen als een beroep beschouwen, waartoe zij geroepen zijn, en daarom alle critiek beantwoorden met uitsluiting uit de organisatie, wegens “het in diskrediet brengen van den bond”.
Al deze mededeelingen uit officieele bolsjewistische bladen, hoofdorganen der regeering, der partij of der vakorganisaties, stellen onweersprekelijk vast, dat de arbeiders in Rusland behooren tot een uitgebuite, onderdrukte en bedrogen klasse.

De opvoeding der jeugd.

Het Engelsche rapport meldt, dat 4.683.000 kinderen op 63.713 volksscholen gaan. Hoe valsch deze voorstelling is, geeft Lunatscharsky, volkscommissaris voor onderwijs enz., zelf aan in de “Prawda” van 10 October 1924, volgens welk bericht er 49.000 scholen zijn met 3.700.000 kinderen. Sommige onderwijzers hebben klassen van 150-180 kinderen. De “Prawda” van 24 Februari 1925 zegt, dat in Centraal-Rusland 50% der leerplichtige jeugd niet ter school gaat, op sommige plaatsen 72% niet. Hetzelfde blad van 16 Januari 1925 zegt, dat het aantal bloedarmoedige kinderen op de Moskousche scholen van 1919 tot 1924 bedroeg elk jaar: 9% – 11,2% – 15,3% – 21,9% – 39,3% – en in 1924 reeds 42,3%. Aan hartkwalen leden in 1924 ook 36% der kinderen.
Bovendien is Rusland vol zwervende, verlaten, vagebondeerende kinderen. De “Prawda” van 22 Januari 1925 schat het aantal in Noord-Kaukasië op 44.770, in Saratoff op 27.000. Deze daklooze zwervertjes moeten door bedelen en stelen aan de kost komen. In 5 jaar tijds werden 50.000 “jeugdige misdadigers” veroordeeld, van wie 91% van proletarische afkomst waren. Uitslag, oogenziekten en zelfs geslachtsziekten komen bij hen voor.
De proletarische jeugd levert vooral de prostituées. Volgens de “Izwestia” van 19 Februari 1925 waren van de 623 ondervraagde prostituées uit een district van Moskou er 374 van proletarische, 32 van aristokratische, 25 van burgerlijke, 161 van boeren- en 31 van andere afkomst.
Dat de gezondheidstoestanden zeer slecht zijn, kan hieruit blijken, dat –volgens de “Prawda” van 11 November 1924– van de 14 hospitalen uit het gebied van Tamhoff er nog slechts één geopend is. In Twer bestaan van de 13 hospitalen met 163 bedden er nog slechts 4 met 40 bedden. Het decreet van 30 Juni 1924, om de verpleging uit te breiden, bleef zonder eenig ander gevolg, dan dat het aantal genees-inrichtingen gestadig verminderde. De algemeene gezondheidstoestand is derhalve ellendiger en vreeselijker dan ergens in Europa.
Het Engelsche rapport zegt: “Onze diepste indruk behielden wij van den omgang met de scharen van kinderen, die als”jonge pioniers" bekend staan en geheel vooraan stonden bij de feestelijke ontvangsten…. De kinderen schenen ons gelukkig te zijn. Zonder twijfel waren ze goed verzorgd“. De statistiek bewijst hierop, dat ruim 42% der kinderen aan bloedarmoede en 36% aan hartkwalen lijden. En wat zegt bovendien Lunatscharsky in de”Prawda" van 10 October 1924? “De schoolkinderen worden in totaal verwaarloosde, zelden verwarmde gebouwen onderricht…. Het geld, dat voor de volksopvoeding wordt bijeengebracht, wordt voor andere doeleinden gebruikt…. De toestand is zoo slecht, als hij slechts zijn kan, daar het aantal scholen en leerlingen van dag tot dag geringer wordt. Geen wonder dat onder deze omstandigheden vaak slechts één onderwijzer op 150 tot 180 leerlingen aanwezig is”. De onderwijzers zijn meest zwak, bleek en slecht gekleed, hun voeten met stroo en lompen bedekt. Vele onderwijzeressen zijn aangewezen op de prostitutie. Reeds het rapport van den commissaris van openbaar onderwijs in Dec. 1922 zeide: “Men constateert bij de onderwijzers een vreeselijke ellende, vroegtijdig sterven, algemeene ziekten en gedwongen prostitutie”. Eenigszins anders dan de delegaties meenen te kunnen beweren!

De politieke toestand in Rusland.

De Engelsche delegatie schreef het volgende over de verkiezingen: “De verkiezing wordt in een verkiezingsbijeenkomst, geleid door het verkiezingscomité of zijn agenten, gehouden…. Onder de boeren kon geenerlei algemeene ontevredenheid worden aangetroffen over de kiesmethode”. Men stelle daar tegenover, wat de voorzitter van ’t volkscommissariaat, A. Rykof, bericht aan de “Prawda” van 9 Januari 1925. Hij spreekt over de toenemende ontevredenheid der boeren en over een gewenschte reorganisatie van het kiessysteem. De boeren nemen geen deel meer aan de verkiezingen. Volgens Kazanovitsch, secretaris van het centrale comité der Russische bolsjewistische partij, namen op het platteland in 1922 slechts 22,3%, in 1923 maar 35% en in 1924 nog 34% der kiesbevoegden aan de verkiezingen deel. “In menige streek zonk de deelneming aan de verkiezing tot 19% terug”. In vele streken ontnemen de autoriteiten ongeveer 15 à 20% der bevoegden het stemrecht en straffen dezen bovendien met een boete van 12 roebel. Rykof deelt allerlei merkwaardigheden mede over de boeren. Woordelijk schrijft hij: “Waar ik ook kwam, overal vond ik verschrikkelijke armoede, die me aanstaarde.”Waarvan leeft ge?" vroeg ik den boeren. “Ik ben”, vertelde een oude boer, “bij Zijne Excellentie, het Executief Comité van N. N. aan het werk”. Een ander zei me: “Ik dien bij zijne Hoogheid, het Executief Comité van X”…. Dat is de houding der boeren tegenover de autoriteiten. Als we hier in de kranten lezen, dat een zoo en zoo groote som aan verschuldigde landbouwbelasting is geïnd, dan weet ik nu, hoe deze nauwgezette belastingbetalingen de boeren getroffen hebben. Dat beteekent, dat zoo en zooveel boerenhuishoudens zijn geruïneerd, dat zoo en zooveel koeien, paarden enz. verkocht moesten worden…. De dorpen zijn in zeer slechte stemming. **In Georgië ontstond wegens de ontevredenheid der boeren de opstand“.**
Hoe de bolsjewistische autoriteiten optreden, meldt Nossow, lid der contrôle-commissie, in de”Prawda" van 25 Februari 1925. “Wanneer het een kommunist niet gelukt, een functie te behouden, acht hij het voor zich onnoodig, nog langer in de partij te blijven…. Het districtscomité der komm. partij steekt den functie-zoekende in de eerste leegwordende positie, ongeacht of de betreffende partijgenoot voor den arbeid in kwestie geschikt is of niet.” Er worden dan een aantal gevallen van beestachtig optreden genoemd van bolsjewistische autoriteiten. Eene Evseyeff trapte in het dorp Teski een zwangere vrouw, zoodat een vroeggeboorte het gevolg was. Het dorp Kuljabovka staat onder de terreur van vier zuipers en afpersers. Het dorp Mutschkan had te lijden van den dronken Kastochejew, dien de boeren slechter noemen dan de voormalige tsaristische politiechefs. Nossow concludeert: “Dat beteekent, dat de regeering geen aanzien in de dorpen geniet en dat de boeren niets goeds van haar verwachten en al tevreden zijn, wanneer ze hun geen schade toebrengt”. En Nossow besluit: “Gedurende de laatste verkiezingen durfden slechts minder dan dertig procent aan de verkiezingen deelnemen. Deze algemeene stemmenroof bedoelt hiet alleen, het volk den mond te snoeren. maar ook de staatskassen te vullen, omdat ieder persoon, dien men het stemrecht ontneemt, een straf van tot twaalf roebel wordt opgelegd. De plaatselijke sovjetbeambten gaan zelfs zoover, menigmaal twintig procent der kiezers het stemrecht te ontnemen. Het provinciale executief comité heeft het districtcomité de opdracht gegeven, minstens 15% der kiezers het stemrecht te ontnemen”.
Dat de vakorganisatie-beambten niet beter zijn dan de partijfunctionarissen, bewijst het artikel van Andrejew in de “Troed” van 5 April 1925. “Zeer dikwijls denken onze vakbondleiders bij de doorvoering onzer voorstellen in de algemeene vergaderingen er geenszins aan, dat deze voorstellen verklaard en door de massa werkelijk begrepen moeten worden: ze laten zich veel meer leiden door den wensch, hun voorstel, ’t koste wat het wil, door te zetten, en vreezen daarbij elke levendige discussie. Bij deze verhoudingen beteekent de algemeene aanvaarding dezer voorstellen of der ingediende lijsten bij de verkiezingen vaak slechts een eenvoudige formaliteit, in geen geval een deelneming der groote massa".
Men weet nu, wat de verkiezingen waard zijn. De Engelsche socialist John Turner komt tot de volgende conclusies na zijn reis met de Engelsche delegatie naar Rusland: 1o. Er is in Rusland geen vrije pers; dat wat als onafhankelijke critiek wordt beschouwd, is in Rusland onmogelijk te publiceeren. Van de uitgeverijen zijn er 73% eigendom der partij, de rest behoort aan den staat. Daarbuiten worden geen uitgeverijen toegelaten. 2o. In Rusland bestaat geen vrijheid van spreken of vergaderen voor iemand anders dan de autoriteiten der komm. partij. 3o. In de gevangenissen zitten zeer vele verdachten die men verdenkt van”contra-revolutionaire" propaganda, d.w.z. elke propaganda die de regeering niet welgevallig is. 4o. De behandeling der politieke gevangenen is buitengewoon slecht, omdat de autoriteiten “paniekachtig bezorgd” zijn voor hun gezag en vol vrees zijn.
Daarom mogen Emma Goldman, Berkman, Schapiro, Wollin, Machno, en duizenden andere socialisten niet in Rusland terugkeeren.

De politieke gevangenen in Rusland.

Het nieuwe bolsjewistische wetboek kent 42 misdrijven, waarop de doodstraf staat. Het tsaristische Rusland is hiermee verre overtroffen. Wie uit Rusland is uitgewezen en terugkeert, kan met den dood worden gestraft. (Art. 71); “Tegenstand van burgers tegen vertegenwoordigers der overheid bij de uitoefening hunner plicht”, kan met den dood worden gestraft. (Art. 86). De doodstraf staat op de volgende feiten ook: “De organisatie van gewapende benden en deelneming daaraan – en aan aanvallen op de instellingen der sovjets en van particulieren” (art. 76) welke feiten steeds aan alle anarchisten ten laste worden gelegd. De artikelen 87 en 88 zijn ook merkwaardig: “Beleediging door gebrek aan eerbied voor de Sovjetrepubliek, uitgedrukt door verwenschingen aan de staatsteekenen, de vlag en de monumenten der revolutie, wordt gestraft met vrijheidsberooving gedurende minstens 6 maanden”. “Openbare beleediging van een staatsvertegenwoordiger in de uitoefening zijner officieele functie wordt gestraft met vrijheidsberooving gedurende minstens zes maanden”.
Politieke gevangenen worden vervoerd naar de Solowetzky-eilanden in de IJszee, waar 19 Dec. 1923 vijf politieke gevangenen zijn doodgeschoten. Ook naar Soesdal, waar een derde der gevangenen ziek is zonder geneeskundige verpleging, en waar onlangs 30 gevangenen vijftien dagen alle voedsel weigerden, waarna er één van honger stierf. In den Oeral werden Sept. – Oct. 1924 weer 5221 personen gearresteerd, van wie 1085 zonder proces werden verbannen, wegens stakingen en revolutionaire propaganda. Maria Spiridonowa, linksch soc-revolutionaire, die lijdt aan zware tering, is naar Turkestan verbannen. Irena Kachowskaja, haar vriendin, lijdt aan longtuberculoze, en zit sinds jaren gevangen. Aron Baron, sinds jaren in Solowetsky gekerkerd, zou vrijkomen doch is naar Zuid-Siberië verbannen “wegens het in beweging brengen der openbare meening in het buitenland tegen zijn arrestatie en het verzoek aan Rusland bezoekende revolutionnairen (John Turner o.a.) zich met zijn vrijtating te bemoeien”. Wat Baron (tegen wien nooit een proces is gevoerd) overkwam, geschiedde ook met de revolutionnairen Prokopowitsch en Locherman. David Kogan en Iwan Achtirsky blijken evenals Lew Tschorny in ’t geheim doodgeschoten als anarchisten. In de gevangenis te Tsjeljabinsk is in Mei 1923 een “politieke isolator” ingebouwd, een doodkist waarin alle spreken en elke arbeid verboden is, precies als in de Italiaansche “Ergastolo”, waar de gevangenen tot waanzin en zelfmoord gedreven worden. De syndikalist Rubintschyk–Meyer gaat doodziek in Siberië den hongerdood tegemoet als een herhaaldelijk verbannene zonder levensmogelijkheid. De revolutionnairen Alexandra Ismailowitsch en Majorow zijn naar Turkestan verbannen mèt Maria Spiridonowa.
Na de vele protesten tegen de Solowetzki-eilanden heeft men bekende revolutionnairen (M. Samochwaloff, Jeruschimowitsch, S.Panoff, A.Popoff, Filstoff en Iwanoff) overgeplaatst naar de gevangenis te Tobolsk. In Kem stierf in gevangenschap de linksche soc.-revolutionnaire vrouw Marzinkewitsch van zwakte. In Maart–April 1925 zijn 80 anarchisten in Moskou en Leningrad gearresteerd. Op 8 Februari 1925 zijn in Leningrad vele anarchisten gevangen genomen en verbannen, De namen zijn grootendeels bekend. (“Der Syndikalist” 12 Sept. 1925).
Ook de arbeidersgroep in de bolsjewistische partij wordt gruwelijk vervolgd. Haar manifesten zijn hartroerend. De oude kommunist Mjasnikof is naar Tomsk verbannen met zijn vrouw en drie kleine kinderen. Men heeft een poging gedaan hem dood te schieten en hem te worgen. De linksche bolsjewiki Kusnezow, Medwedjew en Prostatow zijn evenzoo verbannen. Men beval A. Medwedjew aan, zich dood te schieten. Toen hij zijn critiek voortzette, heeft men dezen zwaar tuberculozen mensch naar Siberische moerassen verbannen, waar hij een zekeren dood tegemoet gaat. (“Anklage-akten der Arbeiteropposition”).
Politieke gevangenen in Rusland worden na afloop hunner straftijd niet vrijgelaten, doch zonder vorm van proces naar elders verbannen. De waarheid over Rusland is, dat dit land onder bolsjewistische regeering een hel voor de arbeiders is.

Slotwoord.

Het rapport der Engelsche arbeidersdelegatie is een doorloopend bewijs van de leugenachtige propaganda van Moskou. Dezelfde Russische regeering, die buitenlandsche kapitalisten uitnoodigt, gezanten der westersche bourgeoisie beschermt, de bourgeois ontziet en het leger versterkt ten koste der jeugdopvoeding, heeft een geraffineerde methode tot het verbergen harer doeleinden in werking gesteld. Terwijl Tsjietserien te gast was bij den koning van Italië en bij Hindenburg, werden socialisten en revolutionnairen in Rusland onbarmhartig vervolgd. Het Russisch imperialisme, dat militairen steun toezegt aan het fascistische Turkije en het patriottische China en Mongolië inpalmt, verbant zijn arbeiders, die het internationale socialisme of de revolutie voorstaan, naar Siberië. Een tsaristisch generaal als Broessilof, een witte beul als Chlachof, duizenden witte officieren worden goed betaald en gevierd als dienaren der regeering, maar toegewijde strijders voor het proletariaat zuchten in de gevangenissen. Een goed gedrild en uitstekend bewapend leger van bijna 600.000 man blijft onder de wapenen – en elke volksopstand, zooals die te Kroonstadt, wordt in bloed gesmoord. Het Brítsche rapport laat geen twijfel bestaan aan wat de bolsjewiki willen suggereeren: dat de staat sterk is, het leger gehoorzaam, de handel zeker en het kapitaal veilig.
Dat is de waarheid over Rusland, waar de proletarische klasse in groote ellende en diepe vernedering de tyrannie verdragen moet eener fascistische bende van “bolsjewistische” leiders.

Oct. 1925.