Constandse, A.L. - Het heilig jaar petrus en rome (1949)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Het_heilig_jaar_petrus_en_rome_(1949)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Het_heilig_jaar_petrus_en_rome_(1949).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.hetheiligjaar/


Het heilig jaar – Petrus en Rome
Door A.L. Constandse
1949

Uitgave: Boek- en brochurehandel van het hoofdbestuur
van de vrijdenkersvereniging “De Dageraad”
Postbus 893 – Amsterdam

Blik in de geschiedenis.

“Ik heb medelijden met de schare”.

(Marcus 8:2.)

“Millioenen van breinen, reeds vóór hun twaalfde jaar verdraaid door sprookjes, die het wederleggen eigenlijk even weinig waard zijn als de vertellingen van Moeder de Gans, nemen daaruit aanleiding om vromelijk, het oog op Rome gericht, de geboorte van een nieuwe tijd mee te belemmeren, en wij hebben het aan te zien, dat die sprookjes ene macht uitoefenen, welke telkens weer de beste pogingen tot maatschappelijke verbeteringen verlamt. En dat alles wat de goêgemeente betreft in volmaakte braafheid van bedoeling; het wachtwoord immers komt over de bergen van”de Heilige Vader“, wiens woord naar de wil des Heilands alles behoort uit te maken, en voor wie de eerbied zo groot behoort te zijn, dat de bisschoppen zijner gemeenschap zich herders der hun toevertrouwde kudde noemen”door de genade Gods en de gunst des Apostolischen Stoels"

Prof. G.J.P.J. Bolland. (Petrus en Rome.)

“Gij weet dat zij, die voor vorsten der volken doorgaan over hen heersen en grote macht over hen uitoefenen. Doch onder u gaat het zo niet; want wie groot onder u wil worden, moet uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller dienstknecht wezen.”

(Markus 10:42-44.)

Met het voorlezen van de pauselijke bul “Jubilaeum maximum” werd op 25 Mei (Hemelvaartdag) van het jaar 1949 afgekondigd, dat 1950 gevierd zou worden als een heilig jaar. Een oorspronkelijk joods gebruik is hiermee voortgezet. Immers, Leviticus 25 beveelt aan, dat één maal om de vijftig jaar een “jubeljaar” zou worden gevierd, waarin aan de slaven hun vrijheid en aan onterfde families hun grond zou worden teruggeschonken. Aangezien nu het nieuwe testament volgens de christenen de vervulling zou zijn van het oude (Mattheus 5:17) besloot paus Bonifacius VIII, om het jaar 1300 weder te vieren als jubeljaar, en dit voorts elke eeuw te doen. Gaandeweg evenwel werd de wachttijd verkort, de jaren 1350, 1390, 1400, 1423 en 1450 werden heilige jaren, en sindsdien zijn zij om de 25 jaar hervat. Mel uitzondering van 1800 (de tijd was te woelig) en 1850 (in 1849 was te Rome de pauselijke staat voor opgeheven verklaard, de eerste Italiaanse republiek werd geproclameerd, met Mazzini als president, en van 1848-1850 leefde Pius IX in ballingschap) is de traditie gehandhaafd. Overigens verliep de viering niet altijd vrolijk. In 1400 teisterden pest en struikrovers de pelgrims en moest de Paus zich maanden lang schuil houden in de Engelenburcht.
Vanwaar evenwel de begeerte, een Anno Santo, een Heilig Jaar, te vieren? Wel, dit is het jaar van vergeving van schuld op grote schaal. Wie kwijtschelding van zonden heeft gekregen, na de verplichte biecht, de communie het voorgeschreven gebed en het gedwongen bezoek aan de vier basilieken van Rome, en zou sterven zonder nog in een andere zonde te zijn vervallen, vaart rechtstreeks naar de hemel, zonder het vagevuur te passeren. (L’anno santo, pag. 53<ref>Sac. Doti, Luigi Giunta: L’Anno Santo (Roma, 1950).</ref>). De vier basilieken moeten éénmaal bezocht worden, hoewel paus Alexander VI (de beruchte en gehuwde Borgia) beval, dat men ze dertig maal moest bezoeken, welk getal evenwel door afkoop verminderd kon worden. De basilieken zijn: de Sint Pieter – met het denkbeeldige onder de gewelven verborgen graf van Petrus – de Sint dan van Lateranen, de Sint Paul “buiten de muren”, waaronder Paulus eens zou zijn begraven, en de basiliek van Maria, “Santa Maria Maggiore”.
Aangezien zowel de verlening van aflaten als het toestromen van pelgrims immer voor Rome een niet onvoordelige zaak is geweest, heeft ook voor het jaar 1950 het Vaticaan een programma samengesteld voor honderd duizenden toeristen, die millioenen aan gìften zullen binnen brengen, voor welk zakelijk doel tal van landen hun schaarse deviezen offeren. Het radio-apparaat voor het Vaticaan, geschenk der Nederlandse katholieken alleen reeds, zal in 1950 voor een waarde van een millioen het land doen verlaten. Men ziet, hoe het heilig jaar de gemoederen vertedert, en zelfs arme landen vrijgevig maakt.<ref>In 1949 verkreeg de vrijdenkersvereniging “De Dageraad” in Nederland van de regering het zeldzame voorrecht, twee (zegge en schrijve twee) van haar leden te mogen afvaardigen naar een congres van vrijdenkers, rationalisten en humanisten in Rome. Aan deze uitverkorenen werd (tezamen) toegestaan, te beschikken over de grove som van.. drie honderd gulden aan lires!– De onkerkelijken in Nederland vertegenwoordigen een zesde der bevolking, de Roomsen een derde, Aldus, zou de Roomse kerk nu recht hebben op zeshonderd gulden aan deviezen…</ref>

Petrus’ gebeente.

Het zal, ongetwijfeld, een groots jaar zijn. Want de Roomse “Volkskrant” van 24 September 1949 heeft onthuld (zij het laat, want “De Vrijdenker” van 30 Juli had dit al wereldkundig gemaakt) dat bij opgravingen in de Sint Pieter het graf van Petrus was teruggevonden, en volgens de “New York Times” van 23 Augustus 1949 zou ook de rest van het gebeente van Petrus zijn ontdekt, in een urn, zes meter onder de vloer van de Sint Pieter. Dit laatste is niet officieel bevestigd, omdat zulks het voorrecht zou zijn van de Paus, die het als verrassing zou bewaren voor de vrome pelgrims. Veel beenderen van Petrus kunnen er niet meer zijn, want zij waren lang voor dezen reeds overvloedig uitgedeeld aan kerken over de ganse wereld: zijn schedel bevindt zich bijvoorbeeld in de Sint Jan van Lateranen, Zonderling, dat de “laatste” beenderen over het hoofd zijn gezien door de aanbidders van relikwieën, maar in Rome is alles mogelijk.
Waarom evenwel is hel van zoveel betekenis, dat de wereld zal geloven, dat een urn met beentjes –indien die dan al zou zijn gevonden– de beenderen zou bevatten van Petrus? Niemand zal het kunnen bewijzen, natuurlijk. “De Volkskrant” geeft toe, dat op de plaats, waar Constantijn de Grote een kerk zou hebben laten bouwen, en waar thans de Sint Pieter zich verheft –meer een klassisistisch, naar het voorbeeld van Romeinse paleizen in de zestiende eeuw gebouwd pronkwerk dan een kerk– dat op die plek zich eens een romeinse begraafplaats bevond, welke Constantijn moest ontzien. Dus beenderen in overvloed, maar van… heidenen. Bovendien zijn daar nog de Catacomben van de H. Sebastiaan, waarin volgens vroegere legenden de gebeenten van christelijke martelaren worden bewaard, ook die van Petrus en Paulus! Prof. Dr A.W. Byvanck volgt geheel de roomse overlevering zelf, indien hij in de “Winkler Prins Encyclopaedie” schrijft “Catacomben, in het algemeen onderaardse begraafplaatsen, in het bijzonder de gemeenschappelijke begraafplaatsen der oudste christenen. De naam is vermoedelijk afgeleid van een plaats, genaamd Ad Catacumbas, aan de Via Appia buiten Rome, tussen de tweede en de derde mijlpaal. Daar lagen Petrus en Paulus begraven en verrees later de basiliek van Sint Sebastianus”. Maar wat doet het er toe? Het Vaticaan wil “bewijzen”, dat Petrus inderdaad in Rome is gestorven, dat hij door Jezus was begiftigd met goddelijke macht, en dat deze is overgegaan op de na hem komende bisschop van Rome, aan wie successievelijk alle bisschoppen dezer stad, later pausen genoemd, hun gezag ontlenen. Het is geen gering gezag. Wanneer een paus wordt gekroond, en hem de tiara op het hoofd wordt gedrukt, worden de woorden uitgesproken: “Vader der vorsten en der koningen, beheerser der wereld, plaatsvervanger op aarde van Jezus Christus”. Hij heeft de titel van de Romeinse caesaren: “pontifex maximus”, opperste priester, eigenlijk hoogste “bruggenbouwer” tussen God en de mensen. Hij “staat boven elke aardse macht: hij is de paus, opvolger van die Petrus, aan wie Christus zelf de zorg toevertrouwde over de zielen. De macht van de paus gaat elke menselijke begrenzing te buiten, omdat zij een macht is, die komt van God, de macht van Christus, rex regum, (koning der koningen) die op aarde de paus heeft als zijn vertegenwoordiger”. (L’anno santo, pag. 141). Zodat de paus, hoofd van een bevriende mogendheid, het Vaticaan, zich aanmatigt, te staan boven elke regering, en zijn bisschoppen in alle landen, aan hem onderdanig, moeten dit doen leren aan de ruim drie honderd millioen katholieken, die –althans in naam– het pauselijke gezag aanvaarden. “De zwarte internationale” noemde wijlen professor Bolland deze falanx. Maar och, hij was te pessimistisch en te vreesachtig. Er zijn weinig katholieken meer die zulke aanspraken nog durven verdedigen: het nationalisme is ook bij hen (de oorlogen bewezen het!) sterker dan de roomse leer, en het anachronistische verschijnsel van de “pontifex maximus” maakt het ganse geval van het heilig jaar nog ietwat grappiger dan het al was: een voor de stad Rome niet onvoordelig toeristisch program met attracties..
Al blijft het tragi-komisch, dat het Vaticaan aan een naar vrede en vrijheid en geluk hunkerende mensheid niet anders heeft aan te bieden dan… het gebeente van Petrus, tentoonstellingen (o.a. van wassen beelden) congressen, scapulieren, gewijde herinneringsmédailles, geel-witte baskische mutsen en goedkope massa-reizen.<ref>“Il Mondo” van 15 October 1945 meldt, dat er twee millioen pelgrims in Rome worden verwacht. De hoeveelheid boekjes, gidsen van Rome, tickets enz., die worden verkocht, zijn nog slechts met tonnen (duizenden kilo’s) te berekenen. Het Vaticaan heeft zich herschapen in een reusachtig toeristenbureau, dat samenwerkt met “American Express”, “Cook” enz., met de door Prof. Gedda en prins Pacelli (vertrouwden van het Vaticaan) gegrondveste hotelmaatschappij “Felix Roma”, met fabrikanten van mutsen en médailles, met drukkerijen enz. Een “planmatig georganiseerd” Heilig Jaar, aldus dit Italiaanse weekblad, waarin “de misschien ietwat demonische vorsten van de techniek en de organisatie hun absolute rechten hebben bevestigd”. Gelukkig zij, die ontsnappen en enige rust vinden, om in Rome iets schoons te zoeken!</ref>
Dat het geloof aan de Hemelvaart van Maria misschien ook tot dogma zal worden verheven, is al evenmin wereldschokkend.

Het actuele programma.

Toch zal wellicht een actuele noot niet ontbreken. Hoogstwaarschijnlijk zal in dit jaar van aflaten, genade en vergiffenis vooral worden aangedrongen op amnestie voor de gewezen fascisten. “De Linie” van 8 October 1949 bevatte een vermaan, om toch vooral in dezen vergevingsgezind te zijn. Het roomse blad herinnert aan de woorden van de Nederlandse bisschoppen van 11 Augustus 1946: “God, die harten en nieren doorgrondt, en die niet naar de schijn, maar naar het wezen – niet naar het uiterlijk, maar naar het innerlijk oordeelt – weet bovendien, dat vele van deze harteloze en eigengerechtigde christenen (dat zijn de niet-vergevensgezinde anti-fascisten. C.) door hun eigen zondig leven heel wat schuldiger tegenover Hem staan dan menigeen van de door hen zo verfoeide politieke delinquenten”. En gewezen wordt tevens op een artikel in de “Osservatore romano” van 19 September 1949, dat zegt: “Dit dient dus een der voornaamste vruchten te zijn van het heilig jaar: dat de mensen elkaar vergiffenis schenken. Hoe vaak hebben wij niet elkander beschuldigd, mensen en volkeren, van verraad of verachtelijk eigenbelang. Er moet een uur aanbreken, waarin de omhelzing der broederlijke liefde alles wegvaagt: waarin wij ons broeders gevoelen in de eenheid van Christus en van zijn heilige kerk”. Nu, wij zouden deze woorden schoon en ontroerend vinden, indien zij inderdaad universeel waren bedoeld en niet alleen voor de gewezen aanhangers van Mussolini (met wie de vorige paus het verdrag sloot van 1929, waardoor hij weer “staatshoofd” werd) van Hitler (wiens partij voor Duitse roomsen nooit verhoden is geweest) en voor de huidige volgelingen van Franco (wiens steunpilaar de kerk is) – indien zij dus wezenlijk alle mensen, ook buiten “de heilige kerk”, zouden betreffen…
Even actueel als de genoemde strekking is nog een andere. Men weet, dat in Spanje de roomse kerk is hersteld in een deel van haar middeleeuwse macht. Zij is staatskerk, beheerst het ganse onderwijs, sluit de huwelijken (het burgerlijk huwelijk alleen heeft geen geldigheid). verbiedt de verkoop van bijbels en van protestantse lectuur, en dwingt de twintig duizend protestanten, te leven in een positie van rechtelozen en in angst voor opgehitste jongeren, die van tijd tot tijd de verscholen bijeenkomsten verstoren. Toen nu in 1948 de vraag werd gesteld, of deze kerkelijke politiek in overeenstemming was met de leer, heeft de te Rome verschijnende “Civiltá Cattólica”, een gezaghebbend Jezuieten-orgaan, in haar nummer van April 1948 een artikel gepubliceerd van F. Cavalli S.J. over “De omstandigheden der protestanten in Spanje”. En daaraan ontlenen wij deze treffende passage:
“De rooms-katholieke kerk, overtuigd, door haar goddelijke voorrechten, de enig-ware kerk te zijn, moet het recht op vrijheid opeisen voor zichzelf alleen, omdat zulk een recht alleen het bezit kan zijn van de waarheid, nooit van de dwaling. Wat andere godsdiensten betreft, zal de kerk zeker nooit het zwaard trekken, maar zij zal eisen, dat hun met wettelijke middelen wordt verhinderd, valse leerstellingen te verbreiden. Bijgevolg zal de kerk in een staat, waar de meerderheid des volks katholiek is, eisen, dat wettelijk bestaan wordt ontzegd aan de dwaling, en dat, indien er op het ogenblik godsdienstige minderheden bestaan, die alleen een”de facto" (feitelijk) bestaan zullen leiden, zonder gelegenheid, haar geloof te propageren. Indien echter de voorhanden omstandigheden, òf door vijandigheidt der regering òf door de sterkte van dissidente groepen, deze volledige toepassing van dit beginsel onmogelijk maken, dan zal de kerk voor haarzelf alle mogelijke concessies eisen en zich ertoe beperken, als een kleiner kwaad, “de jure” (rechtens) toelating van andere vormen van eredienst te aanvaarden. In sommige landen zal de katholieke kerk genoodzaakt zijn, volle godsdienstvrijheid voor allen te vragen, er in berustend dat zij wordt gedwongen samen te wonen (met andere kerken) waar zij alleen rechtens vergunning behoorde te hebben om te bestaan. Maar aldus handelend doet de kerk geen afstand van haar stelling, welke de meest dwingende van haar wetten blijft; maar zij past zich slechts aan bij “de facto” (feitelijke) omstandigheden, waarmee men rekening moet houden in de praktijk. Hieruit komt het grote misbaar voort bij protestanten, die de katholieken ervan beschuldigen, aan anderen vrijheid te weigeren, en zelfs het “de jure” (rechtens) geduld-worden, overal daar, waar zij (de katholieken) in de meerderheid zijn, terwijl zij die voor zich opeisen als een recht, wanneer zij in de minderheid zijn… Wij verzoeken de protestanten te begrijpen, dat de katholieke kerk haar waarheid zou verraden, indien zij zou verkondigen, theoretisch en practisch, dat dwaling dezelfde reehten kan hebben als waarheid, in het bijzonder waar de hoogste plichten en belangen van de mens op het spel staan."
Trouwens, kon deze Jezuïet anders schrijven, indien de syllabus, gevoegd bij de encycliek “Quanta cura” van 8 December 1864, bij het veroordelen van tachtig “moderne” stellingen, nadrukkelijk zegt, dat “bij conflicten tussen de wetten van de staat en die van de kerk, de kerkelijke wet de voorrang heeft”? (Art. 42.) En “dat het noodzakelijk is, zelfs heden ten dage, dat de katholieke godsdienst zal worden beschouwd als de enige staatsgodsdienst, met uitsluiting van alle andere vormen van eredienst”? (Art. 77.)
Neen, gezien de onfeilbare pauselijke uitspraken is toch de ietwat lachwekkend lijkende aanspraak van het Vaticaanm niet zo geheel onschuldig en ongevaarlijk, indien de politieke situatie althans voor de kerk gunstig is. Waar zulks niet het geval is, slaat zij weer een pover figuur: zo is de in Juni afgekondigde excommunicatie van communisten tot een demonstratie van onmacht geworden. In het sowjetblok heeft geen katholiek priester zich aan deze ban durven storen, maar evenmin in Frankrijk of Italië, waar katholieken rustig hun lidmaatschap der geëxcommuniceerde partij hebben gehandhaafd. Daarop heeft het Vaticaan, als officiële uitleg, deze lezing gegeven: niet geëxcommuniceerd wordt hij, die lid is van de communistische partij, doch geen materialist of atheist wordt, noch hij, die door omstandigheden gedwongen, die partij aanhangt. Toont hij de benodigde “goede gesteltenis”, of “berouw”, dan kan hij de heilige sacramenten ontvangen. “Il y a des accommodements avec… Rome”.

Petrus en Rome.

Wat weten wij eigenlijk van een verblijf van Petrus in Rome? Niets! Er zouden, volgens de legende, door Nero in de jaren 64-67 van onze jaartelling “christenen” zijn vervolgd. De enige bron daarvoor is de romeinse geschied-schrijver Tacitus, die in zijn “Annales” (44) gewaagt van de vervolging van “christenen”. Maar hij schreef dit omstreeks het jaar 117, toen er inderdaad al “christenen” in Rome waren. Hij voegt er aan toe (wat hij van hen zelf zal hebben vernomen): “De stichter van deze naam is Christus, die onder de regering van keizer Tiberius door de landvoogd Pontius Pilatus terechtgesteld werd”. “Maar dat Tacitus niet beschikte over documenten, en alleen over de overleveringen; wordt bewezen, doordat hij de naam Jezus niet kent. Of de tekst niet een latere vervalsing is, van christenen die kerklatijn schreven? Vele kenners van historie en letterkunde der Romeinen bevestigen het. Zij zijn overtuigd, dat Nero nooit christenen heeft vervolgd, niet heeft kunnen vervolgen, omdat hij ze niet… kende! Rome kende in zijn tijd Joden, en de latere christenen maakten deel uit van de synagoge, waar zij pas omstreeks het jaar 115 zijn uitgetreden, om eerst dán met het jodendom te breken. Nero was pracht en lustlievend, maar bekommerde zieh weinig om de tientallen godsdiensten in zijn rijk: Suetonius (77-140) schrijft, dat hij zich van religies niets aantrok: hij was”religionum usque quaque contemptor" (overal verachter van elke religie). En de naam “Christus” en “Christenen” zegt ook al niet veel. In Suetonius, “Leven van Claudius” vindt men –al of niet valselijk ingelast (Bolland geeft een onthutsend aantal gevallen van dergelijke vervalsingen)– het verhaal, dat de joden in Rome werden opgehitst door een zekere Chrestos, Nu was dit een veel voorkemende naam, die “de brave, de vrome” beduidt, en zeker heeft nooit iemand beweerd, dat Jezus in Rome Zou zijn geweest. Bij Tacitus verbreekt het stukje over de christenen (geschreven in kerkelijk latijn) de samenhang van het verhaal. Maar goed: heeft Tacitus dit geschreven, een halve eeuw na de veronderstelde gebeurtenissen zelf, dan put hij uit legenden, en zwijgt bovendien geheel over… Petrus!<ref>Men leze o.a: Dr H.W.Ph.E. v.d. Bergh van Eysinga: Het Christus-mysterie. (Zeist, 1917.) Prof. Dr. G.A. v.d. Bergh van Eysinga: Leeft Jezus, of heeft hij alleen maar geleefd? (Arnhem, 1930.)</ref>
De Handelingen der Apostelen vertellen trouwens, dat Paulus naar Rome ging (28:14-31) en daar sprak met de Joden, die dan nog niets van Jezus Christus weten. Hij vertoefde er onder de Joden, en de Handelingen weten nog niets van Paulus’ dood of van Petrus’ kruisiging in Rome, want zij eindigen aldus: “En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning en ontving allen die tot hem kwamen, predikende het koninkrijk Gods en lerende van de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.” En over Petrus in Rome… niets!<ref>De dusgenaamde brieven van Petrus, die overigens geen enkele pauselijke aanspraak steunen, zijn geschreven tussen de jaren 100-150!</ref>
Neen, de werkelijke bron van het ganse verhaal omtrent Petrus is een door de kerk zelf niet als echt erkend, dus “apocrief” geschrift uit de tweede eeuw, honderd jaar nadat het veronderstelde gebeuren zich zou hebben afgespeeld. In deze “handeling” en “martelaarschap” van Petrus<ref>H. Bakels: Nieuwtestamentische Apocriefen II (Amsterdam, 1923.)</ref> hebben wij te doen met een volkomen mythologische figuur, een godengestalte uit het romeinse rijk, die soortgelijke wonderen doet als alle goden van de Olympus, en enige, die ook aan Jezus worden toegeschreven. Petrus debatteert met Simon de Tovenaar. en hij doet nu zelf een aantal wonderen, om te bewijzen. dat “zijn God” de ware is, en niet die van de Tovenaar. Petrus laat een hond praten, hij geneest een waanzinnige, hij laat een gerookte tonijn weer wegzwemmen in het water, en wekt een dode op. In dit apocriefe geschrift lezen wij, dat Petrus tenslotte uit Rome wil vluchten, dat dan Jezus hem verschijnt, om het martelaarschap op zich te nemen, hetwelk Petrus wil ontwijken (de man wordt altijd in de bijbel voorgesteld als tamelijk laf) doch dat Petrus aan Jezus toch een tweede kruisiging wil besparen, waarom hij zelf terugkeert. Hier vinden wij dan, dat Petrus wordt gedood door de soldaten van Agrippa (omdat hij diens vier bijvrouwen ertoe heeft bewogen, kuis te blijven en de bijslaap te weigeren) en niet door Nero. Deze had Petrus ook wel willen tuchtigen, en hij wil zich later vergrijpen aan diens jongeren, maar, verschrikt door een dreigend droomgezicht, ziet hij daar van af. Op dit verhaal nu heeft de kerk een deel van haar legenden omtrent “Petrus in Rome” gebouwd zoals de auteur Sinekiewiez zijn roman “Quo vadis?”.
Het is evenwel duidelijk, dat deze mythologische Petrus niet als een historische persoon kan worden beschouwd. De schrijver van dit verhaal laat eenvoudig een figuur optreden, die het geloof aan Christus moet versterken door wonderen, en aan wie hij toeschrijft (opwekking van een dode, de kruisdood enz.) wat reeds over Jezus was medegedeeld.

De rots des geloofs.

De bijbel zelf vertelt ons niets van Petrus’ verblijf of dood in de stad Rome. Maar de schrift zegt wel iets anders. Jezus vraagt, wie de mensen zeggen, dat hij is. De apostelen geven allen een verkeerd antwoord, maar Petrus, –die dan nog Simon bar Jona, Simon de zoon van Jona, heet– antwoordt: (Mattheus 16:16) “Gij zijt de christus, de zoon van de levende God”. Waarop Jezus antwoordt: “Zalig zijt gij, Simon bar Jona. Want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn vader die in de hemelen is. En ik zegge uw ook, dat gij zijt Petrus (rotsman). En op deze petra (rots), zal ik mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. En ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen. En wat gij zult binden op aarde, dat zal in de hemelen gebonden zijn. En wat gij ontbinden zult op aarde, zal in de hemel ontbonden zijn.”
Op deze duistere tekst nu grondvest de paus zijn aanspraken! Petrus zou dus de sleutelen des hemels in handen hebben. Goed, laten we evens veronderstellen, dat hij de plaatsen verdeelt, of de toegang weigert. Dan zou hij God of Christus zelve zijn, wat kennelijk niet klopt. Er bestaat geen twijfel, of deze passage moet zinnebeeldig worden verstaan: wat Christus geeft is de leer, die de sleutel tot de zaligheid is, en hij richt zich tot Petrus (hoewel niet alleen tot hem, maar tot alle apostelen) omdat Petrus het eerst heeft verklaard, dat Jezus “de zoon des levenden Gods is”. Met andere woorden: Petrus heeft uitdrukking gegeven aan de leer, dat Christus Goddelijk is, een godheid zelf, omdat hij een zoon Gods is. Petrus is “rotsman” want hij staat met zijn geloof vast op “de rots” (petra) waarop de gemeente moet worden gebouwd. Er staat ook nergens, dat de gemeente zal worden gebouwd op Petrus, maar op petra, de rots. En die rots is Petrus zelf niet.<ref>Prof. G.J.P.J. Bolland: Petrus en Rome (Leiden, 1899.) idem Open Brief aan Schaepman (Leiden, 1899.)</ref>
Geen van de apostelen heeft er ook een ogenblik aan gedacht, dat Petrus nu over hen is gesteld als plaatsvervanger van Christus. In Handelingen 6 treden alle apostelen tezamen op, als gelijken. In Handelingen 8 sturen de apostelen Petrus en Johannes naar Samarie, en Petrus heeft dus niets over hen te zeggen: de anderen zenden hem uit. Paulus vertelt zelfs van Petrus, die ook wel “kepha” of “zuil” wordt genoemd (waren niet alle apostelen “zuilen” van het geloof?) in I Corinthe 9:5 iets hatelijks. Hij vraagt, of hij zelf niet evengoed een apostel is als Petrus, en zegt ietwat ironisch, dat deze een vrouw bij zich had, een “zuster” in het geloof. “Hebben wij niet de vrijheid, een zuster als vrouw mee te nemen, zoals de overige apostelen en de broeders des Heren en Kepha?” Neen, voor de apostelen was Petrus geen opvolger van Christus. Bovendien verloochent Petrus zijn heer drie maal (Lucas 23:54-62) voordat de haan kraait en Jezus bij dit geluid omkijkt: want Petrus volgde hem op een afstand, uit angst, mede gevangen te worden genomen, en daarom ook verloochende hij zijn heer. Jezus nu had dit voorzien, en zich in het bijzonder tot Petrus gericht (Lucas 22:31): “Simon, Simon, zie, de Satan heeft ulieden trachten te ziften als de tarwe, maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet te kort schiete, en wanneer gij eens tot inkeer gekomen zijt, versterk dan uw broeders”. Waaruit ook al niet blijkt, dat Jezus zoveel vertrouwen had in Simon bar Jona, dat hij op hem zijn kerk zou willen vestigen.. “Ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, zonder dat gij driemaal zult geloochend hebben mij te kennen.” Geen wonder, dat Petrus zelf door dit alles niet aan hoogmoed lijdt. Wanneer tenminste later (Handelingen 10:27) Cornelius vol eerbied voor de voeten van Petrus valt, zegt Petrus: “Sta op. Ik ben ook maar een mens”. Allicht: niets menselijks was hem vreemd…

Mythe en mysterie.

En toch is het duidelijk, dat deze gestalten niet werkelijk en historisch mensen genoemd kunnen worden. Aan Jezus zijn tal van kenmerken toegekend van de zonnegod: geboorte in de midwinter, opwekking van doden, kruisiging en herleving, de stralenkrans rond het hoofd; de geboorte uit de maagd – sterrenbeeld of symbool van het onbekende heelal – het zijn alle mythen, geweven om alle zonnegoden.<ref>Over de mythologische en symbolische betekenis van het Evangelie: Prof. G.J.P.J. Bolland: De grote vraag: heeft Jezus geleefd? (Leiden, 1913.) Prof. G.A. v.d. Bergh van Eysinga: De wereld van het Nieuwe Testament. (Huis ter Heide, 1929.) Arthur Drews: Die Christusmythe (1909). Jos. van Veen: Het ontstaan des Christendoms (Den Haag).</ref> Zo zijn op Petrus tal van verhalen overgedragen van god Janus, de godheid van de eerste maand van het jaar. De overeenkomst van de wonderen uit het apocriefe geschrift met die uit ’t evangelie, (wonderen van Petrus en van Jezus) die overeenkomst vloeit hieruit voort, dat zowel de zonnegod als god Janus het nieuwe jaar inluiden, de dood overwinnen, de zege van het licht en het leven aankondigen. Wanneer in het apocriefe geschrift Petrus aan het kruis wordt genageld, geeft hij zelf een diepzinnige verklaring van het kruis, dat hij “levenshout” noemt. “Dit rechtopstaande hout, waaraan ik gekruisigd ben, zij het Woord. De dwarsbalk de klank, de menselijke natuur (welke ook het Woord, of de Logos, of de goddelijke wijsheid negeert. C.) De nagel echter, welke aan het rechte hout de dwarsbalk in het midden vasthoudt, is de ommekeer en zinsverandering des mensen.” Wij bevinden ons hier geheel in de wereld van de mythe, maar van beelden, die zinnebeelden zijn.
God Janus nu heeft twee aangezichten, hij is “dubbelzinnig”, zoals ook Petrus verloochent wat hij aanhangt, kijkt naar verleden en toekomst beide. Janus is de sleuteldrager, die het nieuwe jaar ontsluit, die ontbindt en bindt. Petrus is de eerste apostel, zoals Janus de god van de eerste der twaalf maanden is.
Men kan dus lot deze conclusie komen: Petrus is nooit in Rome geweest. Ja, veel méér: hij treedt op in een verhaal van goden, in een Mysteriespel (het Evangelie) dat als centrum heeft: het verhaal van de stervende en herrijzende God Christus. Eerst veel later is dit gewijde, zinnebeeldige spel door een massa, die tastbare, “historische” feiten wilde geloven, verzakelijkt en voor wáár gehouden. Van deze godengestalten maakte men mensen, en in de tweede eeuw van onze jaartelling moest de strijd worden uitgevochten tussen de ingewijden, die de ware betekenis van het evangelie nog kenden of vermoedden, en hen, die het dogma aanhingen, dat dit alles “waar” was gebeurd. Dat is zeer belangrijk. Is het evangelie een symbolische mythe, dan is sterven en wedergeboorte van Christus slechts zinnebeeld van het proces der zelfvernieuwing, der wedergeboorte, welke ieder in zichzelf moet bewerkstelligen. Dan moeten wij ons zelf verlossen. Is het evangelie een historisch verhaal, dan is Christus voor ons gestorven, hij hééft ons reeds verlost. Dat laatste is voor de zieligen veel aantrekkelijker dan het eerste, en daarom koos de kerk partij voor deze theologische “vulgaire”, zij het volkomen onredelijke leer.

Rome contra Jeruzalem.

De oorspronkelijke christelijke gedachte ontstond in de Joodse gemeenten van het oostelijke bekken der Middellandse Zee, en niet in Rome. Maar de kerk ontstond in Rome. Daar moest dus het gewijde verhaal zoveel mogelijk worden verklaard in de kerkelijke zin. Rome was hoofdstad van het rijk, machtig, centraal: de stad van het wereldlijke priesterschap. Degenen, die in Rome zich van de christelijke gedachte meester maakten, moesten daartoe strijd voeren met de oostelijke gemeenten. De ons bekende vier evangeliën zijn alle Rooms “bewerkt”, het meest wel Marcus, het minst Johannes (dat uit de sfeer van Ephese stamt, een Griekse stad met een grote Joodse kolonië) terwijl Mattheus nog dicht bij het oude mysteriespel staat, hoewel de schrijver niet op de hoogte is van het Palestijnse Jodendom. (Het christendom moet een product zijn geweest van Joodse gemeenten, voornamelijk buiten Palestina, met herinneringen aan het vaderland.) Doch talloze “ingewijden” onder de eerste Christenen wisten, dat het verhaal van God Christus geen “historie” kon zijn. De heftige polemieken onder de eerste Christenen, de wederzijdse verkettering, de vraag of Christus “in schijn of werkelijkheid” had geleden en was gestorven enz. bewijzen, dat de kerk in Rome zich meester moest maken van een in zinnebeelden vervatte geheimleer uit Joodse kring, om die te vulgariseren, te populariseren. Oorspronkelijk was het symbool voor het koninkrijk der hemelen, dat “in ons is” (“Het koninkrijk der hemelen is binnen in ulieden”) het groots en onvergankelijk Jeruzalem. Volgens de Handelingen (11:26) was Antiochië de stad, waar men het eerst van “Christenen” sprak, dus niet Jeruzalem. Maar Joodse tradities betreffende Sion (Jeruzalem) maakten in de verbeelding daarvan de stad der verwachting, van de hoop, van het rijk dat komen zou. In de Openbaring (21:2) is het nieuwe Jeruzalem de stad des heils. Doch Rome is een tweede Babel (14:8), “vol van dronkenschap en hoererij”, het Beest, waarvan de zeven koppen de zeven vermaarde heuvelen zijn, waarop “de hoer” zit, “het grote Babylon, de moeder van de hoeren en de verfoeiselen der aarde”. (hoofdstuk 17.) Van Rome wordt de val voorspeld, van Jeruzalem de heerlijkheid. Vandaar dat tal van christelijke ketterse sekten, die weigerden het aangematigde gezag te erkennen van Rome, zich beriepen op de Openbaring.

Keten der ficties.

Toch is een verroomst christendom dan tenslotte na heftige strijd in de oude hoofdstad van het romeinse rijk tot macht gekomen. De aanvankelijke presbyters noemden zich later “bisschoppen van Rome”, en tenslotte “pápa”, vader der ganse kerk, al heeft het Oosten dat nooit erkend. De pápa of paus trad in het voetspoor van de romeinse keizer, toen diens gezag verzwakte, hij noemde zich nu in de plaats van de als god aanbeden caesar zelf “pontifex maximus”, waande zich zelf… god op aarde, zoals de keizers. Om steun te vinden voor deze theorie, moest Petrus in Rome de kerk hebben gevestigd, hij moest in Rome zijn gekruisigd, zoals van Jezus in Jeruzalem wordt verteld. Tegenover de kruisiging van Jezus in Sion moest als pendant worden verbeeld een kruisiging van Petrus in Rome. Maar hoe te verklaren, dat de paus zijn gezag had verkregen door het erven van de goddelijke bevoegdheid van Petrus? Hoe kwam Petrus aan die macht? Wel doordat Jezus zelf die hem zou hebben overgedragen! De keten der ficties was gesloten!
En om deze, op niets dan aanmatiging berustende theorie te bevestigen, moet in het jaar 1949 –rijkelijk laat, men moet het erkennen– onder de Sint Pieter het graf van Petrus worden gevonden en misschien zelfs zijn gebeente. Wel kon wijlen professor Bolland schrijven in zijn “Petrus en Rome”, dat nu juist een halve eeuw geleden is verschenen, dat het beroep van de paus op Petrus zich onthult “als een vóórbeeldloze gewelddaad aan de geschiedkundige waarheid, als een der allerstoutste slagen, die der geschiedenis door de kerk ooit in het gelaat gegeven zijn. En dat wil veel zeggen, want de ficties en doctrinaire ongeschiedkundigheden der christelijke kerk zijn legio”.

October 1949.

–EINDE–

<references />