Constandse, A.L. - Het plan van den arbeid (1935)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Het_plan_van_den_arbeid_(1935)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Het_plan_van_den_arbeid_(1935).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.hetplanvandenarbeid/


Het plan van den Arbeid
Een kritiek door A.L. Constandse

Uitgeverij “De Albatros” Den Haag

Inleiding.

De sociaal-democratische beweging heeft sinds maanden een grootse campagne op touw gezet ten bate van een Plan van den Arbeid, dat wel niet beweert, grondslagen voor het socialisme te leggen –integendeel– doch wel in staat te zijn de crisis te boven te komen, een herstel van het kapitalisme in te luiden, en aan 200.000 werklozen werk te kunnen verschaffen. Vraagt men aan onverschillig welk arbeider, of hij daarvoor is, dan zal hij uitteraard antwoorden, dat hij voorstander is van opheffing van de werkloosheid en van meerder welvaart. Hij zal zich afvragen, of die welvaart wel met kapitalisme kan samengaan, maar hij zal er misschien aan geloven….
Naarmate echter zijn geloof sterker zal wezen, moet zijn teleurstelling groter worden. Niet alleen omdat het Plan onvervulbare verwachtingen wekt – maar ook omdat het den leiders van S.D.A.P. en N.V.V. misschien nauwelijks ernst is, als ze beweren, het plan gedurende jaren van strijd te zullen trouw blijven, en als ze zweren –en plechtig doen zweren op théâtrale défilés– het Plan te willen verwezenlijken…. Men kan zijn wantrouwen niet ter zijde stellen. Is het Plan geen verkiezingsmanoeuvre? Zal het daarna niet weer worden opgeborgen? Hebben we niet achtereenvolgens gehad een Socialisatierapport van 1920 – een rapport over Medezeggenschap van 1923 – een ontwapeningsontwerp van 1925? Hebben al die rapporten niet een grote rol gespeeld bij het winnen van stemmen voor de verkiezingen? En…. herinnert iemand zich nog hun bestaan – zijn ze niet in de doofpot terecht gekomen?
Maar wat het vertrouwen nog meer ondermijnt, is het gebeurde in België. Daar is Dr. De Man het eerst gekomen met een Plan –dat radicaler was dan het Nederlandse– daar heeft men gezworen, alleen deel te zullen uitmaken van een Planregering en van niets anders…. En hoe is het gegaan? Bij de eerste de beste gelegenheid levert de Partij vijf ministers aan een nationaal kabinet, dat van een Plan niet rept, maar wel van…. inflatie. Tengevolge van de waardedaling van de franc met dertig procent zijn velen gered. De banken – die zo hun schuld zien verminderd. Exporteurs – die buitenlands geld ontvangen en dus veel meer franken innen dan voorheen. Eén gulden is nu 20 franc waard, tegen 14 voorheen…. Maar: de prijzen stijgen, als het geld daalt. En een prijsstijging van minstens 10% blijven de steunuitkeringen bij en de meeste lonen gelijk, verhogen staat en gemeenten schoorvoetend later de lonen met 5% slechts, en gaat de bezuiniging niettemin op alle gebieden door…. En de nationale regering versterkt het leger, en De Man zelf wordt op zijn verzoek weer reserve-kapitein…. Niet het socialisme, het nationalisme is bevorderd. En vermindering van koopkracht is het gevolg.
Daarom vraagt men zich af, wat er hier zal terechtkomen van de groots opgezette reclame. In België was het Plan reeds ter ziele na nauwelijks twee jaar…. En hier?

Burgerlijke grondslag.

Deze vraag klemt te meer, waar de samenstellers zich in niets onderscheiden van burgerlijke economen, al zijn ze dan illusionistische economen. Het wetenschappelijk bureau kan inderdaad de goegemeente overdonderen met namen: Het bestaat uit Mr. Dr. G. van den Bergh, Prof. Dr. J. van Gelderen, Prof. Dr. J. Tinbergen, Dr. Ir. van der Waerden. Ir. H. Vos en de heer IJzerman…. Het is jammer, dat al dit intellect de eenvoudigste socialistische waarheden niet begrijpt, en typisch “burgerlijk intellect” is. De samenstellers zeggen dan ook: “Uitvoering van het Plan brengt nog geen socialisme. Het is goed, dit vast te stellen, zowel tegenover de moderne arbeidersbeweging als tegenover haar toekomstige bondgenoten.” Dat dit burgerlijke bondgenoten zullen zijn, staat vast, voor wie de politiek van de S.D.A.P. kent.
Op dezelfde bladzijde namelijk (pag. 19) wordt tot driemaal toe herhaald, dat het plan nationaal is. “Het Plan moet nationaal zijn ook, omdat slechts nationaal de middelen tot doorvoering ter beschikking staan. De souvereine staat is nog de enige, aan wie in het huidige tijdsgewricht de macht kan toevallen voor het uitvoeren van het Plan.”
Is er nog niet zo iets als een socialistische politiek, die niet de macht wil van de “souvereine staat” maar van de arbeidersklasse? Niet, omdat deze klasse beter of heiliger zou zijn dan een andere, maar omdat ze de enige macht is, die zulk een economische kracht kan ontplooien in de bedrijven, dat daarop het socialisme slechts gebaseerd kan worden? De “souvereine staat” is echter een apparaat ter beveiliging van het huidige systeem, van de grondslagen van het kapitalisme dus – van privaat-eigendom, rente en winstmogelijkheid…. en zeker geen instrument tot socialisme. Ook als de staat zelf optreedt als werkgever toont hij zich een “kapitalistisch bedrijf.” Niemand zal toch “staat” verwarren met gemeenschap. De gemeenschap kan zeer wel –en heeft ook wel– bestaan zonder wat we staat noemen.
Met “de versterking van het nationalisme door de crisis” moet terdege rekening worden gehouden, want: “Ook dit bevordert de wil tot zelfvoorziening binnen de nationale grenzen.” (pag. 78)
Nu is het duidelijk, dat nationalisme zich niet met socialisme verstaat. Socialistisch gesproken voelt de arbeider zich meer één met een klassegenoot van een ander land, –ook wat gemeenschappelijke idealen betreft– dan met een bourgeois uit eigen land. Beziet men alles echter uit nationalistisch oogpunt, dan moet de arbeider bereid zijn te staan tegenover een werker van een ander land, en naast den bourgeois uit het eigen land.
Dat verhindert de S.D.A.P. niet, een programma te propageren van nationaal herstel (dat niet mogelijk is) en een geest te kweken van nationaal bewustzijn. Hoe verheugd schrijft de Arbeiderspers over het feit, dat men op een vergadering van “Eenheid door democratie” het Wilhelmus aanhief…. “Onze talrijke partijgenoten zullen zich van een drukkende last bevrijd gevoeld hebben, toen ze uit volle borst en met gloed met het gemeenschappelijk volkslied konden instemmen. Te lang was hun dit ontzegd” – want men gebruikte het tegen de S.D.A.P., die verdacht werd van internationalisme. Gelukkig is dat uit…. Dit gezang was een symbool van ware volksgemeenschap."
En hoe geestdriftig heeft de redacteur van de Arbeiderspers, M. Wolters, niet in de “Sociaal-Democraat” geschreven over de Nederlandse vlag! “De Nederlandse vlag is van ons, zo als we het langst om haar zullen staan om haar te verdedigen, tegen Spaanse, Duitse, Russische of Italiaanse overheersing….” Welk een vijanden ziet de man al in zijn verhit brein! Hij wil van alle vlaggen wel af. “Maar ònze vlag zullen ze ons nimmer af kunnen nemen. Noch het blauw van onze trouw, noch het wit van onze nationale en internationale vredeswil, noch het rood van ons bloed en van onze onze overtuiging….” En daarom: “Hier met onze onvervreemdbare nationale Nederlandse vlag.”

Zulke uitlatingen zijn symptomen. De ontwapening is prijsgegeven. Het socialisme ook, behalve het…. “nationale socialisme” dat ook hier bloeit, en dat een nieuwe vorm van kapitalisme is.

De Crisis.

Men zou dit alles nog voor “Spielerei” kunnen houden, indien niet een oorlog dreigde, indien niet de toestand zo gespannen was, dat ook Nederland dreigt te worden verpletterd bij zijn pogingen tot landsverdediging. En indien niet bij voorbaat vaststond, dat: indien nog “opleving” van het kapitalisme mogelijk is in Nederland, dat alleen kan voortkomen uit bewapening en militaire orders van den staat – en uit internationale “opleving” die het gevolg van een wereldoorlog is. Want als het kapitalisme bloeit, gaat het met oorlogen tezamen. In het sociaal-democratisch kamp hebben zelfs rechtse reformisten als S. de Wolff en Prof. Goudriaan dit erkend. En waardoor kan het niet anders?
De crisis is een immer terugkerend en regelmatig verschijnsel in deze maatschappij. Er bestaat “bloei” zolang de fabrieken en boeren werken met winst, die winst weer beleggen ter uitbreiding van de produktie-middelen, en dus laten werken. Doch na de uitbreiding van het aantal produktie-middelen (fabrieken, grond, schepen) treedt juist…. de crisis op. Er zijn dan onverwachts zo veel schepen bijv. dat de vrachtprijs daalt, en het varen niet meer lonend is. Er komen zoveel artikelen en bodemprodukten aan de markt, de ze de prijs vermoorden. Dan valt de winstmogelijkheid weg, dan is de prijs te laag, dan sluit men fabriek en werkplaats, dan gaan banken failliet, dan is er “overproduktie” bij gebrek aan koopkracht.
In normale omstandigheden nu zal zo’n crisis niet eeuwig duren. Na het uitschakelen van verongelukte concurrenten blijven alleen de sterkste over, die meer afzetgebied vinden. De lonen zijn in crisistijd (o.a. door werkloosheid) verlaagd, wat de winstmogelijkheid weer vermeerdert. Doch één belangrijke factor moet tevens aanwezig zijn: men moet een nieuwe markt, een nieuw afzetgebied hebben veroverd. Eerst dán treedt weer wezenlijk herstel in. En zo’n gebied –een kolonie, een invloedssfeer, een land– verovert men door geweld. Soms in koloniale expedities – soms in grote oorlogen.

Het is echter voor ieder duidelijk, dat men niet immer kan doorgaan te koloniseren en te verdélen. De aarde is rond en tenslotte is alles òp en bezet. Dan zijn er geen nieuwe markten meer, dan schrompelt de produktie ineen in een blijvende crisis. Bovendien wordt dan eens gemaakte winst niet opnieuw belegd – van alles is er zó veel, dat de eigendommen in waarde dalen. Fabrieken, huizen, gronden zijn er genoeg. Zou men zijn geld uitgeven voor nieuwe bouw, dan ware het verloren – geen fabriek, geen landgoed zou rente afwerpen.
In zulk een blijvende crisis zinnen de staten, die zich zulks kunnen veroorloven, op verovering –zoals voorheen– van nieuwe markten. Maar in de zekerheid, dat men dan een andere groep daaruit verjagen moet. Het winnende land zou een crisisverlichting verkrijgen – het verliezende zou in dieper crisis worden gedompeld dan ooit. Wint Japan bijvoorbeeld China, dan gaat het ten koste van Amerika, Rusland en Engeland – maar verliest Japan het weer, dan ontstaat er hongersnood in dat land…. Op een schatrijke wereld, die allen rijkelijk zou kunnen voeden, staat de ene groep de andere naar het leven!
En we zien weer in alle landen, hoezeer men in oorlogsvoorbereiding een goede werkverschaffing ziet. Vóór en tijdens de oorlog is er werk, er zijn hoge prijzen, men maakt weer winst, – en het einde is, dat het volk krepeert aan al die “bloei” en aan al die oorlogswinst….

Nationaal Herstel.

En de crisis blijft daarna toch. Ze mag zich eens wat verplaatsen, hier meer en daar minder woeden, ook na een krijg treedt ze in volle kracht weer op.
Is er dan geen nationaal herstel, geen opheffing van de crisis binnen de eigen grenzen, zonder botsingen op de wereldmarkt en zonder conflicten, mogelijk?
Neen, inderdaad – nationale opheffing van de crisis is een hersenschim. Roosevelt heeft het geprobeerd, en Hitler, en Mussolini ook – en het einde was: bewapening, conflicten buiten de grenzen….
Indien een nationale opheffing van de crisis mogelijk was, dan zou een volk zelf zo veel koopkracht moeten hebben, dat het alles kon kopen, wat het zelf had voortgebracht. In het kapitalisme is dat echter onmogelijk. Want eerstens produceert men in massa voor de wereldmarkt, en niet voor het eigen gebied. Men specialiseert zich op massaprodukten, en heeft dus export nodig. Maar bovendien is er iets anders: Een volk kan nooit kopen, wat het zelf voortbrengt. Kon het dat, dan zou het de volle opbrengst bekomen van de arbeidskracht. Het is echter bekend, dat als de arbeid –bron van alle rijkdom– een waarde heeft van duizend millioen, de werkers (miet hun gezinnen, en met de pensioenen) allen tezamen bijvoorbeeld een inkomen hebben van 750 millioen. De andere 250 millioen zijn als winst terechtgekomen bij de banken, de geldschieters, de arbeidsloze genieters. Van de voortgebrachte waren, kan slechts drie-vierde worden gekocht – voor 750 van de 1000 millioen.
Maar deze bourgeois – kopen die niet? Zeker, maar ze geven niet alles uit. Een groot deel wordt opgepot, wordt geaccumuleerd. En verder is het ónmogelijk, dat de bourgeoisie zo veel koopt, dat ze de overproduktie van aardappelen, groenten, eieren, schoenen, kleren enz. opmaakt. Men kan toch niet verwachten, dat iemand met een inkomen van 300 gulden per week, nu ook per dag 20 kilo aardappelen eet, en een pond boter, en tien broodjes, – om de overproduktie te likwideren? Wie het nodig hebben, kunnen niet kopen; wie het kunnen kopen, hebben het niet nodig….
Er is dus altijd een overschot, dat men moet uitvoeren, of wel…. dat men vernietigt. En bij gebrek aan afzet in het binnenland blijft ook de werkloosheid bestaan. Men doorloopt een steeds kleiner wordende cirkel: minder koopkracht, minder produktie, groter armoe…. En bij elke toeneming van de produktie wordt het overschot groter, de crisis heviger, de prijs slechter. Men keert dan snel terug tot produktie-beperking, om nog erger te voorkomen….
Kapitalistisch ontstaat de crisis door een te vèèl aan produkten. Er is meer aanbod dan vraag. En de S.D.A.P. zal die crisis opheffen, door…. nòg meer te gaan produceren. Terwijl men het voor de hand liggende vraagstuk onaangeroerd laat: Hoe men de reeds bestaande hoeveelheden binnen het bereik van de werkende massa kan brengen – hoe men de overvloed, die er nù reeds is, kan doen verbruiken. Men zint op een Plan van Arbeid – men denkt niet aan de vóeding en de verzorging. Wat geeft alle arbeid, als hij niet meehelpt, om het voortgebrachte aan de arbeidende gemeenschap te brengen? En als dat nu niet kan, zal het met het Plán evenmin gaan!

Een lening.

Het Plan stelt voor, gedurende drie jaar 200 millioen te lenen per jaar, in totaal dus voor 600 millioen. Laat ons eens aannemen –wat niet zo is– dat de bankiers het doen. Dan moeten ze de zekerheid hebben, dat ze hun geld met rente terug ontvangen. De staatsschuld bedraagt reeds 2800 millioen, benevens een vlottende schuld van 600 millioen, waarvan slechts 300 millioen is gedekt. Met de zeshonderd millioen van het Plan wordt dat dus 3700 millioen. Welk een last aan rente en aflossing, ten bate van de rentetrekkers en bankiers. Ze lenen 600 miliioen, en moeten in de loop der jaren er dubbel zo veel terug ontvangen…. Gaven de heren het, dan was het voornamelijk in hùn voordeel….
Maar als ze nu –zoals zich laat aanzien– het niet willen geven? Wat zal de S.D.A.P. dan doen? Ze wil een verkiezingsmeerderheid, een Planregéring – op de basis van wat heden “democratie” heet. Die democratie is toch niet anders dan de heerschappij van de geldmachten, dan de dienstbaarheid van de werkers, die slechts over arbeid beschikken, jegens de bezitters, die de produktie-middelen hebben. Deze democratie is de dictatuur van het bezit, van het geld, en de erkenning, de eerbiediging van haar rechten. De ware volksvrijheden – gelijkwaardigheid voor ieder in levenskans, vrijheid van de persoonlijkheid en van meningsuiting – ze bestaan in naam. In feite is slechts vrij, wie geld heeft, dus lid van de bezittende klasse is.
Wat wil de S.D.A.P. op de basis van dèze “democratie” beginnen tegen de bankiers? De macht ligt heden niet in het parlement, zelfs niet bij de regéringen, maar in de bedrijven. En wie die bedrijven heeft, heeft de macht. De economische macht is de basis der politieke macht.
Wat kunnen sociaal-democratische wethouders in Amsterdam en Rotterdam beginnen tegen de bankiers? Niets. Ze voeren loonsverlaging door, ze bezuinigen, ze bukken voor “de financiële noodzaak” – omdat anders de bankiers de gemeente boycotten, geen kasgeld en geen lening verschaffen. Waarom doet in Amsterdam De Miranda hetzelfde als de liberaal Boissevain bij de uitvoering van werken? Waarom wil hij óók niet het contractloon betalen, hoewel toch 25 “roden” er vóór kunnen stemmen? – “De heer De Miranda doet precies, wat de heer Boissevain, als die daar was blijven zitten, zou hebben gedaan. Wel had hij één argument, toen de heer Boissevain en anderen hem vroegen, waarom hij thans niet met zijn Plan kwam: hij zou er geen geld voor krijgen van de bankiers….” (Algem. Handelsblad, 23 Jan.) Het liberale blad acht dit argument volkomen juist – maar waarom al dat kabaal, als men niets anders kan dan alle anderen – vanwege die bankiers?

Ook Troelstra heeft indertijd (in zijn brochure van 1921 “De sociaal-democratie na den oorlog”) erkend, dat men machteloos was tegenover de geldbezitters. “Neen, niet in het Parlement zetelt de geweldige macht van het groot-kapitaal, maar daar buiten, in de grote banken, de trusts, de centra van het bedrijfsleven. Daar beschikt het over de voorname bronnen van het volksinkomen, die toch ook de bronnen van het staatsinkomen zijn. Bij hen heeft de regering te lenen, en dus te zorgen, de heren bankiers mee te krijgen. Daar komen de gemeenten terecht, als ze geld nodig hebben, zonder hetwelk geen sociale politiek mogelijk is. Daar wordt aan de touwtjes getrokken van het veelkleurige marionnettenspel, waarop in zo menig geval het plechtig gedoe der regeringen als het drukdoenerig beweeg der parlementsleden neerkomt.”

En Troelstra concludeert daarna: “Dit alles maakt, dat men gerust kan zeggen, dat de regering hef wel kan stellen buiten het parlement, doch niet buiten het groot-kapitaal.

Hoe waar is dat gebleken. In deze periode van fascisme is het duidelijker dan ooit. Indien regering of parlement te lastig worden, laat men hen vallen op de beurs. Zo is de regering-Herriot in Frankrijk in 1926 gevallen, ondanks een volstrekte meerderheid in het parlement…. Of wel door middel van fascistische benden jaagt men parlement of regering naar huis. Is in Pruisen de regering van Severing niet volkomen onwettelijk afgezet door een officier met wat soldaten? Heeft men met S.A. en S.S. in Duitsland niet een einde gemaakt aan alle “democratie”, die niet in staat bleek, zich te verdedigen? Het groot-kapitaal blijft – parlement en regering gaan….
Troelstra zei nog in 1921, dat het parlement als machtsorgaan “in elk opzicht overvleugeld wordt door de geldmacht buiten het parlement”. Niettemin wil hij het parlement nog wel handhaven. “Doch als de sociaal-democratie zich voor haar tegenwoordigen strijd alleen tot het parlement moest beperken, dan nam ik mijn pensioen. Het parlement is mijn eerste liefde, maar – mijn laatste niet.” En zo waar – Troelstra zélf brak een lans voor de “anarchistische fraze”, voor…. de directe actie, voor de buitenparlementaire strijd in de bedrijven….
Thans is daar bij sociaal-democraten geen sprake meer van. In Duitsland hadden ze geen ander wapen dan het parlement – hier evenmin. Maar wat denkt men tegen onwillige bankiers te ondernemen, en hoe het geld te krijgen?
Niet langs buiten-parlementaire weg, zegt de S.D.A.P. Neen – en daarom komt het er niet. Bovendien – als de arbeidersklasse buiten het parlement zulk een macht en zulk een druk uitoefenen kon, dat bankiers zwichtten, dan ging het niet meer om 600 millioen. Dan ging het om het overwinnen van het kapitalistisch stelsel in vollen omvang!

Werkobjecten.

Er valt dus niet in te zien, hoe de S.D.A.P. of een plan-regering het geld zou krijgen. Maar als het er eens kwam – wat dan? Dan moet het rendabel worden belegd. Geld opmaken kan iedereen. Maar het zó beleggen, dat rente en aflossing er uit komen? Men kan wegen bouwen – laat ons aannemen, dat wegenbelasting de kosten zou opbrengen. Maar het autovervoer ontneemt de vracht aan de spoorwegen, die nòg noodlijdender worden; en wat wegenbelasting opbrengt, wordt op de spoorwegen verloren. Er is werk voor wegenaanleg – en spoorwegarbeiders worden werkloos…. Men kan fabrieken bouwen. Dan moet men grondstoffen importeren. Om die te betalen, moet men produkten exporteren. Waarheen?
Doch wat zouden de gevolgen zijn van het besteden van 600 millioen? Men bouwt wegen, bruggen – waterleidingen en rioleringen – nieuwe woningen. Goed. Is dat klaar, dan is het geld op – dan worden de arbeiders weer grotendeels werkloos – maar dan moet men beginnen, te betalen: huur, belasting, rente enz. Na de drie jaar treedt dus de crisis in even hevige mate terug. De schuld is zelfs verhoogd….
Men kan ook andere werken ondernemen: industrialiséren. Fabrieken bouwen, grond ontginnen, de Zuiderzee droogmaken. Niemand is er tegen, evenmin als tegen wegenaanleg en woningbouw. Maar heft men de crisis er mee op? Na drie jaar staan de fabrieken, is de grond er. Dan worden bouwvakarbeiders enz. opnieuw werkloos. Doch dat niet alleen: deze bedrijven gaan produceren. Ze overstromen de markt met waren en bodemprodukten. Waar moet men ermee heen? De prijzen dalen, er is weer “overproduktie”, er treedt een nieuwe hevige crisis in….
En laat men nu niet zeggen, dat de arbeiders, die hebben gewerkt, alles kopen. Ze kunnen niet kopen, wat wordt voortgebracht. Neem eens aan, dat in een stad een metaalarbeider 12 gulden steun had. Het uurloon is 50 cent. Nu gaat hij volgens het Plan werken: 40 uur, met een weekloon van 40 uur, dat “normaal ligt ongeveer midden tussen steun en het loon van het vrije bedrijf.” (pag. 39) Hij verdient dus 20 gulden. Dan is de waarde van zijn arbeid zeker op 30 gulden te schatten. Deze man echter, die nu voor 30 gulden produceert, heeft slechts een meerdere koopkracht van 8 gulden: hij kan dus voor 8 gulden meer kopen, en produceert voor 30 gulden meer voor de markt. Op het platteland is de steun bijvoorbeeld 10 gulden – uurloon 35 cent, dus loon volgens het Plan 40 maal 35 cent is 14 gulden. Zo’n arbeider levert zeker voor 20 gulden waarde per week, maar zijn koopkrachtis slechts met 4 gulden gestegen….
De “overproduktie” wordt derhalve groter….

Koopkracht en arbeidskans.

Laat ons de cijfers eens nagaan, die het rapport geeft. Men leent 200 millioen. Maar de staat wordt door vermindering van de werkloosheid ontlast van een zeker steunbedrag, dat wordt geschat op 50 millioen. De staat leent die dus minder, geeft die minder uit. In totaal geeft hij dus slechts 200 – 50 millioen meer uit, of 150 millioen. De arbeiders zullen daarvan voor 56 millioen aan loon profiteren, boeren zullen er 15 millioen beter van worden, winkeliers 15 millioen meer door verdienen enz. Nu becijfert het Plan, dat boeren en arbeiders nog méér zullen profiteren, door huurdaling, door verlaging van hypotheek en pacht – maar daardoor neemt de koopkracht niet toe. Dit geld verplaatst zich slechts – van huisbaas naar bewoner, van verpachter naar pachter. Wat de een méér krijgt aan koopkracht, krijgt de ander minder. Nu is het zeer moeilijk na te gaan, hoeveel de totale koopkracht stijgt, als men 150 millioen uitgeeft. Verschaft men bijvoorbeeld 20 millioen gulden loon, en laat men arbeiders werken, dan zullen die een waarde scheppen van dertig millioen gulden – dus ook tien milloen voor de ondernemers. Dan is de koopkracht vermeerderd met 30 millioen –van arbeiders en patroons samen– bij een uitgave van 20 millioen. Maar hoe zit het met het geld, dat men uitgeeft voor grondstoffen, voor transport? En als arbeiders –zoals bij wegenbouw– geen produkten leveren, maar diensten prestéren? Dat alles is niet meer uit te zoeken. Vast staat, dat men 150 millioen besteedt. Neem aan, dat men 150 millioen meer heeft uitgegeven – er is voor gekocht. Laten we aannemen, dat door méér inkomsten de totale koopkracht met 150 millioen stijgt. Wat betekent dat dan in de algemene situatie? De totale inkomens bedragen nu per jaar 3000 millioen, Komt er 150 millioen bij, dan stijgt dus het nationale inkomen met slechts 5 pct, Meent men, dat dit merkbaar zal zijn?
Bovendien kan die stijging ongedaan worden gemaakt door…. prijsstijging. Men wil ordenen, om winkel- en boerenbedrijven weer rendabel te maken, en het is niet eens denkbeeldig, dat dit slechts door prijsafspraken tot stand komt, die alles duurder maken. Ook kan inflatie optreden, als de staatsschuld te hoog wordt, en de daling van het geld zou elke koopkracht-vermeerdering weer teniet doen.

Hoe staat het echter met het aantal arbeiders, dat werk zou krijgen? Volgens het Plan zullen er 50.000 tewerk worden gesteld in genoemde objecten. Dan zullen grondstoffen-industrieën werk bieden aan ook 20.000 man meer – totaal 70.000. We kunnen dit aanvaarden. Maar verder? Men wil door opschuiving van de leerplichtige leeftijd met één jaar, de jonge arbeidskrachten weren, zodat werk, dat zij zouden doen, nu beschikbaar komt voor oudere werklozen. 30.000 werklozen zouden zo arbeid krijgen. Dat is grenzeloos overdreven, Het is waar, dat elk jaar 30.000 jonge mensen opnieuw werk vragen. Maar…. ze vinden het niet! En die baantjes, die er niet zijn, krijgen nu de ouderen…. En dan nog maar voor één jaar. Want het volgend jaar komt die generatie toch weer om werk, en zijn de 30.000 weer opgenomen in het werklozenleger…. Maar men kan aannemen, dat niet 30.000 – maar op zijn hoogst 10.000 oudere arbeiders er werk door krijgen. Dat wordt in totaal 80.000.

Dan zal men in een aantal bedrijven de werktijd verkorten tot 40 uur. Waar nu 5 arbeiders werken, is dan plaats voor 6 – in theorie, want de machines doen gemakkelijk 20% meer werk. Doch men stelt zich voor, zo nog 37.000 werklozen onder te brengen. (Meerdere koopkracht gaat daarmee niet samen. Het aantal uurlonen blijft gelijk. Als eerst 5 arbeiders 120 gulden hadden, dan hebben ze het nu met zijn zessen. Feitelijk daalt de koopkracht, want eerst hadden die zes: 120 gulden per week voor de werkenden plus 12 gulden steun voor de werkloze, samen dus 132 gulden, tegen nu 120). Gaan echter weer 37.000 meerarbeiders aan het werk, dan komen we aan 117.000.
Nu wil het Plan ons wijsmaken, dat tengevolge van de meerdere koopkracht(!) van al deze mensen er zo’n grote bedrijvigheid ontstaat in nevenbedrijven, dat daardoor nog…. 50.000 mensen meer werk zullen hebben. Waarin dan toch? In transport, winkels, warenhuizen? Het is bespottelijk. Er zijn in Nederland 150.000 winkels, ongeveer één op dertien gezinnen. Zelfs indien er dus 117.000 nieuwe kopers bijkwamen (en dat is niet zo, want de werklozen waren al kopers) zou er voor 9000 nieuwe verkopers of winkeliers plaats zijn…. Meent men in transport of boerenbedrijf bij zo’n geringe stijging van de koopkracht duizenden te kunnen plaatsen? Utopie….
Met de allerbeste wil kan men geen werk voor méér dan bijvoorbeeld 8000 mensen in nevenbedrijven vinden. En de werkloosheid zou dan met 125.000 verminderen – en niet met het mooie getal van 200.000. Bij een getal van 500.000 werklozen dus een vermindering van een vierde, voor drie jaar…. Als men het geld kon krijgen – tenminste. En van opheffing van de crisis zou men zelfs dàn nog geenszins kunnen spreken – er bleven 375.000 werklozen over….

De winkels.

Opmerkenswaardig om principiële redenen is het standpunt tegenover de middenstand. Weggeworpen is het beginsel van de coöperatie. Plechtig wordt verklaard, dat “we ook op den duur een zelfstandige taak voor het kleine winkelbedrijf zien weggelegd” (pag. 212) en dat het een voorsprong heeft op de coöperaties. Men wil nu het winkelbedrijf weer rendabel, winstgevend maken, door ordening: verbod van nieuwe winkels, vergunningsstelsel, sluiting van overbodige winkels (dit alles geldt ook voor de coöperaties), het weren van venters enz. Dus nieuwe…. werklozen! Maar de concurrentie moet geringer worden, en dus…. de prijzen beter, de winsten hoger. “De consument mag geen belang voelen bij een noodlijdende handeldrijvende middenstand.” (pag. 213). Neen, maar de consument mag wel gevoelen en weten, dat de particuliere handel één der oorzaken is van de ellende in de distributie, dat de uitbuiting in de handel groter is dan bij de produktie, en dat de eis moet zijn, dat rechtstreeks de produkten van voortbrengers naar verbruikers gaan, zonder dat ze voorwerp worden van speculatie en winstbegeerte. Daarom is er in het socialisme wel plaats voor arbeiders in distributie-bedrijven, die gemeenschapsorganen zijn – maar niet voor particuliere handelaars, die zich van het produkt zouden kunnen meester maken! We weten, dat de huidige coöperaties kapitalistisch werken –daarom willen we betere– maar geen terugkeer tot het standpunt van het kapitalisme.
En het Plan, dat de uitbreiding van de coöperatie belemmert, stelt hier wel geen maatregel voor van veel praktisch belang – maar wel van principiële waarde. Een laatste stukje socialistisch principe is over boord geworpen….

Ons Plan.

Kunnen wij tegenover het Plan van den Arbeid een ander, een eigen Plan plaatsen? Als men daaronder verstaat, dat we een Plan tot herstel van het kapitalisme zouden moeten aanbieden, erkennen we oprecht, zulk een Plan niet te bezitten. We zien geen mogelijkheid, het kapitalisme nog te herstellen, de werkloosheid op te heffen binnen het raam van dit systeem. Er is toch immers steeds minder arbeid – omdat steeds méér de machine het werk verricht. Van socialistisch standpunt juichen we dit toe. Het produktie-proces is er, om met zo weinig mogelijk menselijke energie zo veel mogelijk voort te brengen – de vrije tijd te doen toenemen en te bestemmen voor ontwikkeling, voor spel en kunst en levensgeluk. Het is er, om bijvoorbeeld mogelijk te maken, dat slechts zij, die ouder dan 20 jaar en jonger dan 50 jaar zijn, arbeiden. Ze kunnen inderdaad overvloedig produceren, wat er voor allen nodig is. Maar in het kapitalisme kan dat niet. Want dan moet men de jongeren beneden 20 jaar en de ouderen boven 50 onderhouden – en er blijft geen winst meer over, geen parasitisme zou meer mogelijk zijn. Het kan in het kapitalisme niet, omdat men de overvloed eerder zou vernietigen, dan ter beschikking stellen van wie de produkten behoeven. Slechts in een socialistische samenleving is er arbeid voor wie volwassen en niet te oud zijn – maar overvloed voor allen.
Het is duidelijk, dat om dit te bereiken, niet alleen de produkten, maar ook de produktie-middelen moeten worden gesocialiseerd, dat is: aan de gemeenschap moeten worden gebracht, en dus niet langer in handen van particuliere eigenaren mogen zijn. Doch deze strijd om de economische macht is er één tussen hen, die zich in dienst van de nieuwe gemeenschap stellen – en hen, die de oude ten eigen bate of uit traditie willen handhaven. Eén tussen werkers en eigenaren. Strijd om opheffing van de privaateigendom. En de omwenteling van de produktie- en distributieverhoudingen eist omwenteling in de geest van de grote massa – eist omwenteling van de mentaliteit van het volk en socialistisch bewustzijn. Het is oneindig veel belangrijker het zelfbewustzijn en het socialistisch inzicht te doen veldwinnen – dan plannen te maken tot herstel van een veroordeeld kapitalisme. De “eenheid des volks” ligt niet in het gezamenlijk zingen van het Wilhelmus – maarin het zich verenigen in de bedrijven waar men werkt, teneinde die in dienst te stellen van de gemeenschap. Dan zal bij gemeenschappelijk bezit van produktiemiddelen, en bij verdeling van alle produkten, het woord “democratie” misschien nieuwe inhoud krijgen: de “macht des volks”, maar onder beding, dat iedere werker gelijke rechten heeft, als voortbrenger en als verbruiker – dat elke deelgenoot der nieuwe gemeenschap een gelijke stem heeft, vrijheid van meningsuiting en kritiek ten aanzien van wat ook zijn gemeenschap zal zijn – van gelijk aandeel in de macht over die maatschappij. Moge het dan practisch onvermijdelijk zijn, dat bij beslissingen de meerderheid de doorslag geeft, dan gelden rechten en plichten toch wezenlijk voor allen, en ook de vrijheid ener werkende minderheid dient gegarandeerd – vrijheid, om afwijkende inzichten te verkondigen, en te proberen, meerderheid te worden. Vrijheid van de persoonlijkheid kan dan bestaan door méér vrije tijd, meer welvaart, meer gelegenheid deel te nemen aan de cultuur….
En economisch voorzien we de noodzaak van tweeërlei organen: produktie-organisaties, die het voortbrengen regelen, congressen houden, welke het volk vertegenwoordigen. Niet een “regering” – maar de nieuwe organisaties der arbeiders behoren dan leiding te geven aan de samenleving. En daarnaast distributie-coöperaties, die de behoeften kennen, en die opdracht geven tot het voortbrengenvan wat er nodig is. In wezen is elke volwassen verbruiker ook voortbrenger. – Als lid van de verbruiksvereniging geeft hij de behoeften mede aan – als deelgenoot van een produktie-organisatie werkt hij mee, die behoeften te bevredigen.
Is dit ons Plan? Neen, ons ideaal. Geen klaargemaakt recept, geen keurslijf voor de maatschappij. Maar een richtlijn voor het produceren en distribueren, zonder privaateigendom, zonder winst en prijssysteem van thans. Doch voorwaarde is: de overwinning in de strijd ter onttroning van bankiers en bourgeois, de vorsten van onze tijd. Deze strijd is niet gericht tegen personen, voorzover ze arbeiden willen, met handen en hersens. Doch tegen stelsels, waardoor de werkers hun aandeel in de maatschappelijke welvaart wordt onthouden.
Die strijd moge zwaar zijn – omdat hij gericht is tegen de burgerlijke, lakse of moedeloze geest der arbeiders en tegen de bezitters tevens – we zien geen andere uitweg, om nieuwe welvaart en beschaving mogelijk te maken en aan het barbarisme te ontkomen. We erkennen voor Nederland zeker wel de afhankelijkheid van internationale factoren, en de beperktheid van alle nationale bewegingen. Juist dat is een reden te meer, de geest van het socialisme te kweken, en vóór te bereiden op internationale mogelijkheden. En zelfs nationaal bezien zullen de boter en de melk, de aardappelen en de groente, de steenkool en de vis slechts gemeengoed zijn van allen in gelijke mate, slechts de massa ten goede komen, in socialistische verhoudingen.
In een plan, dat illusies kweekt zonder grond, en afhoudt van de strijd voor het socialisme, zien we geen heil, omdat we slechts redding verwachten van de geestelijke en sociale bevrijdingsstrijd des volks.

12 Maart 1935.

–EINDE–