Constandse, A.L. - Nederland god en oranje (1932)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Nederland_god_en_oranje_(1932)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Nederland_god_en_oranje_(1932).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.nederlandgodenoranje/


Nederland, God en Oranje
Constandse, A.L.
1932

Uitgeverij “De Albatros” Den Haag.

Inleiding.

Nederland, God en … Oranje

Uitbuiting, Moord en … wat franje!

De herdenking van het feit, dat Prins Willem van Oranje, “Vader des Vaderlands”, in 1533 werd geboren, is de aanleiding geworden tot een reeks bijeenkomsten en tot een serie geschriften, waarin de verdiensten der Oranje’s voor het “Vaderland” breed worden uitgemeten en waarin al wat christelijk is en reactionair zich schaart rond den troon. Inderdaad is “Oranje” thans het wachtwoord van militarisme en conservatisme, en huldebetoon jegens het regeerende vorstenhuis één der methoden, om fascistische gezindheid te openbaren. Daarbij wordt dan veel en hóóg opgegeven van de “trouw en liefde” van het Nederlandsche volk – wordt de “eeuwenlange en onverbrekelijke band tusschen Nederland, God en Oranje” nog eens aangewezen – en wordt het volk wijs gemaakt, dat het wonder-wàt aan dit Oranjehuis te danken zou hebben.
Tegenover deze zwendel hebben wij niet anders te doen, dan de historische waarheid te plaatsen. En de werkelijkheid is: dat de familie Oranje-Nassau slechts de Nederlanden heeft geëxploiteerd om er een rijke dynastie te kunnen vestigen – dat de Nederlanders tot vier maal toe tevergeefs hebben getracht zich van dit vorstenhuis te ontdoen – dat de Oranje’s honderden millioenen aan ’t volk hebben gekost – een nauw verbond sloten met de wraakzuchtige calvinistische, gereformeerde domine’s om in Gods naam de heerschappij der duisterste machten te bevorderen – en dat alle vooruitgang, vrijheid en verdraagzaamheid slechts bevochten is in fellen strijd tegen Oranje!

De vader des vaderlands.

In 1533 werd te Dillenburg in het graafschap Nassau geboren Willem, zoon van Willem de Oude (of de Rijke) en Juliana van Stolberg. Opgevoed in de gematigd luthersche leer stelde zijn vader er niettemin prijs op, dat hij den katholieken Spaanschen Koning, Karel V, tevens Keizer van Duitschland en Heer der Nederlanden, dienen zou. In 1544 stond vast, dat Willem van Nassau zich ter beschikking moest stellen van Karel V. Toen toch erfde hij van zijn neef. René van Châlon, het prinsdom Oranje (benevens den titel) de baronie van Breda, en tevens de heerschappij over tal van kleine gebieden (Oosterhout, Geertruidenberg, Monster o.a.) die alle, evenals het graafschap Nassau (met uitzondering van het prinsdom Oranje, dat in Frankrijk ligt) zich bevonden in gebieden, waarover Karel V althans in naam opperheerscher was. De Nederlanden behoorden nog tot het Duitsche Rijk en Willem was dus vóór alles duitsch rijksvorst. Hij vestigde zich in Brussel, moest den katholieken godsdienst aanvaarden, werd zéér begunstigd door de landvoogdes Maria van Hongarije (zuster van Karel V) en huwde in 1551 met de rijke Nederlandsche gravin Anna van Buren. Zijn hofhouding in Brussel overtrof in praal en weelde die des konings; 24 edelen dienden hem, 18 edelknapen volgden hem. Zijn keuken was vermaard. Eens, bij wijze van … bezuiniging, ontsloeg hij .. . 28 koks tegelijk! Zijn jaarlijksch inkomen was ruim 150.000 guldens, wat gelijk te stellen is met ongeveer 2½ millioen in hedendaagsche geldswaarde. Ondanks deze enorme bedragen, ondanks de vriendschap die hem verbond met den Antwerpschen bankier Anton van Straelen, had “de vader des vaderlands” reeds op 30-jarige leeftijd een schuld van 900.000 gulden, gelijk te stellen met een bedrag van 15 millioen thans! Was het wonder, dat Willem, met zijn talrijke en arme familie, zon op middelen om zich te verrijken?
Na den dood van Anna van Buren zocht hij een welgestelde tweede echtgenoote, en uit drie dames, waarmee, hij tegelijk vrijde, koos hij de luthersche Anna van Saksen, een hysterische, tenslotte half waanzinnige en waarschijnlijk overspelige vrouw. Mochten hierdoor zijn financiën al wat verbeterd zijn, toch niet in voldoende mate. En zoo streefde Willem van Oranje er naar, om vorst te worden over de rijke Nederlanden. De Nederlandsche kooplieden toch, een opkomende handelsbourgeoisie vormend, waren niet langer gediend van de Spaansche overheersching en uitbuiting. In de steden wilden zij de alleen-heerschappij, ook in de “Staten”, en deze provinciale en landelijke vertegenwoordiging der burgers (de Staten-Generaal) wilden zij met oppermacht bekleeden. Van 1538-1540 was de stad Gent zelfs opgestaan tegen Karel V. Deze was te machtig. Doch toen hij in 1555 was afgetreden, en zijn zoon Philips II in 1559 voorgoed naar Spanje was getrokken, werd Willem van Oranje stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Bourgondië. Onder zijn bewind en dat der overige stadhouders neemt het verzet van den lageren adel en de stedenburgers toe. In 1561 weten ze de vreemde troepen weg te werken. In 1564 moet de kardinaal Granvelle, steun van Philips II, vertrekken. In 1565 vereenigen zich de lagere edellieden tegen Spanje, en in 1566 barst de anti-katholieke en anti-Spaansche beeldenstorm los. Wanneer dan te voorzien valt, dat de Nederlanden in opstand zullen komen tegen Spanje, ruimt in 1567 Willem van Oranje het veld. Hij maakt zich uit de voeten en wacht in Duitschland het verloop van den strijd af. Zoodra in 1568 blijkt, dat de Nederlanden zich inderdaad tegen Alva en tegen Spanje verzetten, kiest hij hun partij! In 1572 blijkt Noord-Nederland ernst te maken met de afscheiding. In 1581 zweren de Staten daar zelfs Philips af als koning. Hier is het dus, dat Oranje probeeren moet, zijn dynastie te vestigen.
Doch de stedenbourgeoisie, de kooplieden en regenten hebben geen vorst afgezet, om een nieuwen boven zich te krijgen! De “Staten” houden de macht in handen, en weigeren die af te staan aan Oranje. En wat doet deze “Vader des Vaderlands”? Hij probeert, door middel van zijn broer Lodewijk, de Nederlanden te verkoopen aan Frankrijk! Indien Karel IX van Frankrijk 300.000 guldens (toen een kapitaal!) zou schenken, kon hij als Heer der Nederlanden worden erkend! (Willem was immers als prins van Oranje ook Fransch vorst!) En indien de koning van Frankrijk 100.000 daalders per jaar wilde geven, en 1000 ruiters met 7000 voetknechten uit Frankrijk wilde doen oprukken naar de Nederlanden, zouden deze gebieden hem (den franschen koning) erkennen “als beschermer en verdediger”, doch Holland en Zeeland zouden ten deel vallen aan Willem van Oranje! Dit voorstel beduidde doodgewoon “landverraad”.
De Fransche koning echter ging er niet op in. In 1572, in den Bartholomeus-nacht, liet hij zelfs de protestanten uitmoorden, en de Nederlanders verloren hun Fransche vrienden. Ze hadden in datzelfde jaar wel Willem erkend als stadhouder van… Philips II, maar aangezien ze dezen laatste practisch niet meer gehoorzaamden, had Willem geen enkele wezenlijke macht. Na de afzwering van Philips (in 1581) trachtte Willem van Oranje hier vorst te worden, doch de felle tegenstand der stedenregenten (o.a. van den vrijzinnigen Amsterdamschen burgemeester P.C. Hooft) belette dit. Eerst in 1583 besloten de Staten van Holland hem den titel van “Graaf van Holland” te verleenen, doch zonder grooter macht. De stadhouder was en bleef een dienaar, een ambtenaar der staten, die hem bijv. konden opdragen, bevel te voeren over het leger. Méér niet!
In 1584 werd Willem van Oranje vermoord. Zijn laatste woorden sprak “de vader des vaderlands” uit… in het Fransch! Zijn zoon Maurits volgde hem op en werd belast met het bevel der troepen, onder strenge contrôle der regenten. Wat had Willem I bereikt, ondanks zijn streven? Bitter weinig. En in hoevele bochten had hij zich al niet gewrongen! Vooral ten opzichte van den godsdienst.
Willem was tot zijn elfde jaar luthersch, daarna katholiek opgevoed. Hij had zich een zeer trouw zoon der kerk getoond. Toen in zijn prinsdom Oranje het calvinisme, dat hij zeer haatte, zich vóórdeed, schreef hij aan Paus Pius V: “Ik wenschte wel, dat ik die pest der ketterij, die door de nabuurschap van Frankrijk in mijn prinsdom Oranje is doorgedrongen, met dezelfde gemakkelijkheid, waarmee ze is binnengeslopen, kon wegnemen of vernietigen”. Protestanten in Oranje werden verbannen, gepijnigd, gevangen genomen, hun goederen verbeurd verklaard, en dit alles met goedvinden van Willem. Toch schreef de huichelaar in zijn Apologie (“Verdediging” van 1580) “dat de protestantsche leering in zijn hart van jongs af op zulk een wijze was ingegraveerd en zoo diep ingeworteld geweest…. dat ze te rechter tijd was begonnen haar vruchten voort te brengen…”
In 1561 huwde hij de protestantsche Anna van Saksen. Vóórdien had hij troost gevonden bij een Vlaamsch meisje, wier kind hij in 1559 ook erkende. (Justinus van Nassau). Wij hebben daar niets op aan te merken, doch onze christelijke broeders noemen zoo’n vrij huwelijk “concubinaat, prostitutie, beestachtig samenhokken” enz. Wanneer Willem, Roomsch-Katholiek, in 1561 een luthersche prinses huwt, is haar vader, de keurvorst van Saksen, wat verstoord over het katholicisme van Willem. Deze echter stelt hem gerust en beweert, dat hij (Oranje) in zijn hart luthersch is, zijn kinderen luthersch zal laten opvoeden en het geloof van zijn vrouw zou eerbiedigen (wat niet geschiedde) en om dit alles te toonen, woont hij in Dresden het avondmaal bij in de luthersche kerk! Doch dan… wordt Philips II wantrouwend jegens zijn Stadhouder! En wat doet Willem? Hij schrijft aan Philips, dat hij de trouwste zoon is der katholieke kerk, en dat zijn koning “verzekerd wezen kan, dat hij (Oranje) in den katholieken godsdienst zou leven en sterven!” Was Willem nu in zijn hart katholiek of luthersch?? Niets of alles?
In 1567, terug in Duitschland, schijnt hij weer luthersch te zijn, Waarom? De luthersche godsdienst is de vorsten-religie bij uitstek, hij duldt geen opstand tegen den nationalen vorst, gebiedt volstrekte gehoorzaamheid voor de ònderdanen. En Willem wou koning worden der Nederlanden! Maar… hij heeft op het verkeerde paard gewed. Want de Nederlanders worden, calvinistisch, althans de fanatieke vechters. In 1568 vormen ze nog slechts een tiende der bevolking, in 1609 reeds een derde. Want deze felle, haatdragende Kerk-kliek ontziet niemand, keert zich wreed tegen alle andersdenkenden. De Calvinisten martelen en pijnigen tegenstanders op dezelfde wijze als de Roomschen. Indien Willem van Oranje iets wil bereiken in Nederland, moet hij… calvinist worden! Geen nood. Dezelfde prins, die de leer van Calvijn “verfoeilijk’” heeft genoemd, wordt in 1573… calvinist!
Zulk een verandering was voor Willem echter een kleinigheid. Hij volvoerde er andere. Het is waar, dat hij vermoord is, doch even waar, dat hij heeft getracht, Alva te doen vermoorden. En in feite was Willem de Zwijger een ontrouw en verraderlijk stadhouder jegens zijn vorst, Philips II. Hij gaf den Geuzen, gewone zeeroovers (evenals later Piet Hein) “kaperbrieven”, d.w.z. vergunningen om in zijn naam de Spaansche koopvaardijschepen (die van zijn meester dus!) te rooven, op voorwaarde dat hij één derde zou ontvangen van de buit! Over “eerlijkheid” gesproken.
Zijn verbintenis met Anna van Saksen was nog niet wettelijk ontbonden, toen Willem (met behulp van calvinistische dominé’s) zijn huwelijk sloot met Charlotte de Bourbon (1575). Volgens christelijke maatstaf heet dit: overspel, echtbreuk, zelfs…. bigamie!
Wij, vrijdenkers en revolutionnairen, zijn bereid objectief en zelfs met onverschilligheid, zonder hard te oordeelen, dit alles te begrijpen. Maar de fascisten, de christenen, de conservatieven maken van dezen Willem van Oranje een held, een martelaar, een afgod. En daarom zeggen wij: volgens christelijke en burgerlijke maatstaf was deze Vader des Vaderlands:

  1. Een Duitsch avonturier, verkwister en losbol.
  2. Voor Roomschen een ketter, voor Protestanten een huichelaar.
  3. Een ontrouw stadhouder en landverrader.
  4. Een overspelige, die zich aan concubinaat, echtbreuk en bigamie schuldig maakte!
  5. Een heler, die profiteerde van zeerooverij.

Is het genoeg, gij brave priesters en dominé’s, bankiers en kapitalisten, hysterische fascisten en ouwe wijven van beiderlei kunne?

De stadhouders.

Wat Willem I niet was gelukt, zou zijn familie trachten te verwerkelijken, nl. met behulp der Calvinistische kerk in Nederland een dynastie te vestigen van Oranje-Nassau. Prins Maurits wou dit trachten uit te vechten. Volgens den predikant Joh. Bogerman is de prins “christelijk overleden” en “heeft God de Heer hem zéér lief gehad”. Volgens anderen “was hij gewend, elke mooie vrouw lastig te vallen”, Bij drinkgelagen werden de publieke vrouwen van de straat gevischt en in het paleis ondergebracht. Maurits (die aan “een kwaadaardige bloedziekte” leed) had slechts buiten-echtelijke kinderen; zijn bekendste maîtresse was Mej. de Mecq uit Mechelen, Toch was hij “zéér christelijk”, want een echte soldaat. In 1609 echter werd de wapenstilstand gesloten met Spanje en had Maurits als vechtjas geen werk meer. De Staten-Generaal gaven hem jaarlijks ƒ25.000.– schadeloosstelling en zelfs ƒ80.000.– vergoeding in-eens, omdat hij nu de inkomsten uit de oorlogsbuit moest missen. Maar Maurits was ontevreden en meende terecht, dat de regenten hem hadden willen onschadelijk maken. Deze Steden-bestuurders nu stonden meestal aan de zijde der z.g.n. Remonstranten, meer-vrijzinnige christenen, die het politieke gezag der kerk niet wilden erkennen. Ze waren dus anti-clericaal. Maurits koos natuurlijk partij voor de zwarte reactie, tegen de remonstranten en tegen de meer verdraagzame regenten. Door een staatsgreep ontwapende hij de steden, liet Oldenbarnevelt onthoofden (een “gerechtelijke moord”) tientallen niet-calvinisten uit het land verbannen en Hugo de Groot gevangen zetten. De Calvinistische Synode had gezegevierd en na Maurits’ dood (1625) steunde de kerk Frederik Hendrik, om het stadhouderschap tot een soort erfelijke, vorstelijke functie te maken. Diens zoon Willem II probeerde wéér de koninklijke macht te grijpen. Hij pleegde een aanslag op Amsterdam, doch kon de stad niet innemen. Kort daarop stierf hij (1650) tot uitbundige vreugde van half Nederland! Men had van de Oranje’s genoeg. en men besloot, het voortaan zonder stadhouder te doen. De Staten van Holland beloofden zelfs, den zoon van Willem II uit te sluiten van het stadhouderschap, en dit laatste nooit weer te zullen invoeren. Johan de Witt, die berekend had, dat de Oranje’s reeds aan het land 20 millioen hadden gekost (zeker gelijk aan 100 millioen van thans!) en die door de dominé’s werd uitgescholden voor “een vriend van de atheïsten en van Spinoza, erfgenaam van Oldenbarneveldt”, had alle kooplieden en regenten achter zich in zijn strijd tegen de Oranje’s. Men zou het hem betaald zetten. Toen zijn buitenlandsche politiek gefaald had en de oorlog begon, in 1672, regende het pamfletten van dominé’s die ophitsten tot moord. Thaddeus, Dibbetz, Borstius, Grutterus, Goedhals e.a. wilden De Witt uit den weg ruimen. Hij werd met zijn broer in Den Haag afgemaakt als een hond, dominé Simonides verlustigde zich in het schouwspel, wetende dat Oranje den moord wilde. En prins Willem III (intusschen weer opperbevelhebber, later stadhouder geworden) weigerde in te grijpen, beloonde zelfs rijkelijk den hoofdaanlegger tot de lynch-partij, Tichelaar, door hem tot baljuw van Putten te benoemen en hem een pensioen van 800 gulden ’s jaars uit te keeren! Deze Willem III regeerde door omkooperij en corruptie op groote schaal. In 1688 verjoeg hij uit Engeland zijn eigen schoonvader, Jacobus II, werd koning van Engeland, onderwierp Ierland en ontstal aan de Iersche bevolking bijna allen grond, dien hij schonk aan engelsche en hollandsche gunstelingen. Aan één zijner maîtresses, Elisabeth Valliers, gaf hij een landgoed waaruit ze een jaarlijksch inkomen van 312.000 gulden trok (thans wel gelijk aan anderhalf millioen!) Hij was een geesel voor de arme iersche bevolking, een tyran in Nederland. Toen hij in 1702 kinderloos stierf, besloten de Staten ten tweede male, het stadhouderschap af te schaffen en voorgoed met de Oranje’s te breken.
Vijf en veertig jaar lang deed men het zonder Stadhouder. In 1747 echter herhaalde zich de geschiedenis: weer een fransche inval, paniek, hitsende dominé’s (o.a. Ds. Cantius)… en wederom werd een Nassau, Willem IV, stadhouder. In 1751 volgde zijn minderjarige zoon hem op. Doch onder diens erbarmelijk bewind groeide de ontevredenheid zoodanig, dat deze Willem V “handhaver van de ware christelijke leer, steunpilaar der kerk”, steeds méér gehaat werd. Alle niet-calvinisten dreigden voortdurerd vervolgd te worden. De Roomschen moesten met duizenden guldens de politie omkoopen, om in ’t geheim te mogen vergaderen, voor andere groepen was zelfs dit niet mogelijk. De Joden waren uitgesloten van bepaalde beroepen, van alle openbare ambten (evenals de andere niet-calvinisten) en kregen zelfs geen pas voor de koloniën. De steden en Staten der Republiek bestoten Willem’s macht en die der kerk te fnuiken. Ze zetten hem af als hoofd van het haagsche garnizoen en als opperbevelhebber. Ze ontnamen hem vele zijner rechten en de democraten vormden “vliegende legertjes” om een eventueele staatsgreep der Oranje’s te verhinderen. Toen klopte Willem V aan om hulp bij zijn zwager, den koning van Pruisen, en deze zond in 1787 een duitsch leger, om hem in zijn waardighedente herstellen. Niet lang duurde echter deze kunstmatige macht. Want in 1795 werden de republikeinsche, Fransche troepen onder Pichegru als bevrijders ingehaald. De familie Nassau sloeg op de vlucht. Het was met haar gedaan. Al haar goederen en domeinen werden geconfiskeerd, en slechts door bemiddeling der Pruisen werd er in 1798, op het Congres te Rastadt, onderhandeld over een eventueele schadevergoeding. De familie Nassau vroeg… 35 millioen, die ze niet kreeg. Integendeel, bij latere conflicten verloor ze ook nog het graafschap Nassau. Ze was volledig uit Nederland geworpen en aan lager wal geraakt.
De grondwet van 1798, die een uitgebreid kiesrecht invoerde, besloot ook tot volledige scheiding van kerk en staat en tot onteigening (slechts gedeeltelijk doorgevoerd) der kerkelijke goederen. God en Oranje waren in Nederland verslagen.
Na den val van Napoleon komen de Nederlanden weder vrij van Frankrijk. En in 1814 besloten de Groote Mogendheden op het Congres te Weenen om Willem van Nassau te begiftigen met Nederland. Hij werd, op buitenlandsch bevel, koning der Nederlanden. En in datzelfde jaar, dat de koning met adel en ridderschap een absolute despotie instelde, werd de kerk in haar rechten hersteld. De Ned. Hervormde Kerk zou schadevergoeding verkrijgen, subsidies welke na 1848 aan verschillende gezindten ten goede komen. En nog thans (1932) kosten koningshuis en kerk… millioenen! Het koninklijk huis ƒ1.850.000, waarbij men nog de inkomsten uit de domeinen moet voegen: 6 à 800.000 gulden ’s jaars. De kerkelijke goederen (minstens 500 millioen waard) zijn vrijgesteld van elke belasting. Aan directe steun ontvangen de kerken bovendien ƒ2.457.000. Voor godsdienstig onderwijs ongeveer 60 millioen!
Professoren in de theologie kosten aan drie universiteiten ƒ130.000.–, opleiding van godsdienst-leeraren ƒ100.000.–. De staat is gewillig. Hij heeft legeren vlootpredikanten noodig en geeft daarvoor ƒ136.000.– ’s jaars. Hij schenkt bijna ƒ700.000.– voor de restauratie van kerken en torens. Dit valt te begrijpen. De staat is het werktuig der heerschende en uitbuitende klasse, het geweldsapparaat der bezitters. Staats-vertegenwoordigster is de koningin, en ònontbeerlijke steun voor uitbuiting en militarisme is de kerk. Daarom schreef de koningin eens: “Christus voor alles”, maar noemde ze zich bij het standbeeld van Jan P. Coen (tyran en moordenaar der Indonesiërs) “een echt soldatenkind”. Waarom ook niet? De christelijke vereeniging “Pro Rege” wil in leger en vloot “de eer handhaven van koning Jezus en koningin Wilhelmina”. Op fascisten-vergaderingen schreeuwt pater Borromeüs de Greeve: “Presenteer ’t geweer voor H. M. de Koningin!” En de commissie-Welter, die de steunuitkeeringen wil verlagen voor werkloozen “die niet produceeren en toch consumeeren” (hoe durven ze!) doet géén voorstel tot verlaging van de vorstelijke inkomens der familie Mecklenburg-Nassau. Want de houding der gegoede burgerij is sinds 1848 wel jegens de vorstelijke familie gewijzigd. De steeds anti-clericale, liberale en anti-oranjegezinde bourgeoisie bestreed aanvankelijk wel koning Willem I, doch deze “koopman-koning” (arm begonnen, rijk geëindigd) gebruikte de belastinggelden en de overschotten, geperst uit Indië, om de nederlandsche handel- en industrie-baronnen te verrijken, hun systeem op te bouwen. Hij zette de geliefde natie tot over de ooren onder de schulden, doch de bourgeoisie werd machtiger. Sinds 1848, onder Thorbecke, heeft deze zelf het bewind in handen, zijn de ministers geheel afhankelijk van bankiers en bezitters. Het koningschap is nog slechts een kostbaar, doch bruikbaar ornament, symbool van de macht van Kerk, Kazerne en Kapitaal. Koning Willem III heeft nog wel getracht, de leiding te hernemen. Dit mislukte. Doch bijna had hij Nederland in een oorlog verwikkeld met Pruisen. Hij was n.l. groot-hertog van Luxemburg en wilde dit gebied verkoopen! Tengevolge van zijn ongeregelde en zelfs in gansch Europa beruchte levenswijze verkeerde hij in groot geldgebrek, In 1867 kon hij voor 90 millioen Luxemburg over doen aan Frankrijk. Toen de transactie bijna was tot stand gekomen, bleek dat Bismarck klaar stond, om Frankrijk en Nederland onmiddellijk den oorlog te verklaren. Met veel moeite kon men dezen sjacher voorkomen. Sindsdien kan de dynastie in ’t algemeen den staat niet meer aanwenden voor uitsluitend persoonlijke belangen. Doch ze kan zeker zijn van de steun van kerken en kapitalisten, indien ze haar politieke opdracht uitvoert, en meehelpt, staat en militarisme te handhaven. De bourgeoisie heeft zich met “God en Oranje” verzoend, om de arbeiders er onder te kunnen houden. “Je maintiendrai” –ik zal handhaven– eens leuze van de vorsten van Châlon, later van Oranje-Nassau, thans die van den staat. En wat handhaaft men? Het kapitalisme, het leger, de kerk – dat is de honger, de moord en het bijgeloof!

Oranje, god en Nederland.

“Oranje boven!” Maar…. bestaat er nog wel zoo iets als een “Huis van Oranje”? Het valt te betwijfelen. Toen in 1702 prins Willem III stierf, was met hem de tak der Oranjes ook uitgestorven. René van Châlon en Willem de Zwijger kwamen nooit in het prinsdom Oranje. Prins Willem’s oudste zoon, Philips Willem, tot 1596 in Spanje vastgehouden, gestorven in 1618, vertoefde eenigen tijd in Oranje, doch had er zoo weinig te vertellen, dat hij er zelfs in 1603 werd…. gevangen gezet en daarna vluchtte. Maurits en de overige Nassau’s zijn er nooit geweest, en in 1660 is het prinsdom door de Franschen bezet. De fransche koning, Lodewijk XIV, beloofde Oranje later te zullen geven aan den rechthebbende (nl. den pruisischen keurvorst, later koning) indien prins Willem III kwam te overlijden. In 1673 echter schonk Lodewijk XIV het prinsdom Oranje aan den Graaf van Auvergne. Willem III stelde zich tevreden met den titel, kreeg in 1678 daartoe ook van de Franschen het recht, en bij zijn overlijden in 1702 moest de titel overgaan op de Hohenzollern in Pruisen, want een dochter van Frederik Hendrik was met den “grooten keurvorst” gehuwd, en deze tak kwam alleen voor den titel in aanmerking. De friesche stadhoudersfamilie echter, die afstamde van Jan van Nassau (een broer van Willem de Zwijger) betwistte deze erfenis. De koning van Pruisen was reeds eigenaar van den titel “Prins van Oranje”, van de paleizen en bezittingen: Huis ten Bosch en het Hof in Den Haag, van Montfoort, Wateringen, ’s-Gravenzande, Waalwijk enz. De Republiek legde voor hem beslag op het Loo, de goederen in Soest en Baarn, de rechten over Veere en Vlissingen. Dertig jaar lang werd er geprocedeerd, de friesche familie kreeg inderdaad één en ander van de erfenis, kocht er wat bij, en toen de friesche stadhouder in 1747 als Willem IV algemeen stadhouder werd, noemde hij zich “prins van Oranje”. Van hem stammen de huidige Oranje’s af – niet van Willem den Zwijger. En de gewezen duitsche keizer te Doorn, Wilhelm van Hohenzollern, heeft méér recht, zich “prins van Oranje” te noemen, dan de huidige nakomelingen der friesche stadhouders.
Men beweert trouwens op goede gronden dat Willem V geen zoon was van prins Willem IV. Deze laatste was mismaakt, had een dubbele bochel, en was sexueel onmachtig. Toch baarde zijn vrouw een dochter en een zoon. De predikanten spraken van “een kind, door een wonder Gods gewrocht”. Vrij zeker was echter de friesche edelman Douwe Sirtema van Grovestins de vader van Willem V. Voor bijzonderheden verwijs ik naar het belangwekkende boek van Jos. van Veen: “De Carrière der zeven Oranje’s”.
Het blijkt dus met de Oranje’s in Nederland niet te best gesteld. Vier maal (1650, 1702; 1786, 1795) zijn ze afgezet of uit het land verjaagd. Tweemaal door de macht der kerk teruggebracht (1672 en 1747) en tweemaal met behulp van buitenlandsche legers (1787 en 1813). Het recht op den titel is daarenboven zéér twijfelachtig.
En hoe staat het met God? Minstens 20 percent der Nederlanders behoort niet meer tot een kerkgenootschap, en hoogstens 10 percent gaat nog geregeld ter kerke. Daarom heeft men besloten, den blijkbaar zwakker geworden Ouden Heer wat te steunen, en wel door iedereen strafbaar te verklaren, die “smalend” over hem spreekt! Onze christelijke ministers zijn zóó overtuigd van Gods ònmacht (ondanks de millioenen subsidie’s!) dat ze hem te hulp zijn gesneld, in de hoop dat de ouwe nederlandsche God, in ’t burgerlijke en militaire, zich weer zal kunnen laten gelden! Zijn godsdienstige onderneming staat er echter hopeloos voor.
Hoe, tenslotte, staat het met Nederland? Met “den roofstaat aan de zee”? De bourgeoisie, volgezogen met goederen, kapitalen en productiemiddelen, die zijn voortgebracht door 60 millioen Indonesiërs (levende van gemiddeld 8 cent per dag en per hoofd!) en door 8 millioen Nederlanders – zij is meer dan ooit bevreesd voor haar heerschappij. Millioenen werkloozen in Indië – honderdduizenden hier! De plantages, de fabrieken, de land- en tuinbouw-ondernemingen kunnen in overvloed produceeren – maar de bourgeoisie beperkt de voortbrenging, vernietigt de producten, kweekt hongersnood onder het proletariaat. De felle strijd om afzetgebieden, koloniën en grendstoffen maakt den oorlog onvermijdelijk, en de nederlaadsche kapitalistische klasse bereidt zich fascistisch vóór op den krijg. Maar ze weet; dat hongerende werkloozen en getrapte proleten niet altijd verduren en verdragen, en dat ze in opstand komend, de voorraden en bedrijven kunnen bezetten en behouden, om ze zelf in het belang der werkers te beheeren. Ze weet ook, dat de oproep tot mobilisatie kan worden beantwoord met dienstweigering of muiterij of desertie, met inbeslagneming van munitiefabrieken, stations en havens door revolutionnairen. Ze weet, dat deze tijd allergunstigst is voor de sociale revolutie, die staat en militarisme zal stuk slaan, de productiemiddelen zal brengen in handen der gemeenschap, in beheer van arbeiders, die bereid zijn hun macht en vrijheid in de veroverde bedrijven manhaftig te verdedigen, klaar om herstel van staat en militarisme te voorkomen. En deze mogelijkheid vreest ze. De heerschende klasse is ongerust over de hongerlijders, die zich niet laten voeden met oranje-lol of herdenkingen, en die dreigen op te staan. En juist dáárom verzamelen zich al degenen,die hun vóórrechten bedreigd zien – al wat er leeft van het gezag, van den roof en van den krijg – rond den troon, zinnebeeld van de staatsheerschappij. Want zoolang de staat kan worden gered, is nog het kapitalisme niet verloren, blijven loonslavernij, dienstbaarheid, leger en vloot, politieke macht der kerken, onderdrukking der werkers bestaan. Het nationalisme, de traditie, het geloof, de eigendom, – al wat den huidigen filisters heilig is, kan nog gehandhaafd worden door het staatsgeweld. Men weet wel, dat “het dagelijksch brood”, waarom de christen bidt en dat de vakvereeniging of de partij belooft, niet meer verkregen kan worden binnen het raam van ’t kapitalisme – men weet wel, dat de wet en de orde ons voeren zullen naar uithongering en massamoord. Maar wèg met de revolutie en het anarchisme! Liever krepeeren met God en worden afgemaakt onder de Oranjevlag, dan strijdend streven naar een vrije en socialistische samenleving….
Tenzij de menschheid zich bezint, haar gedachten vernieuwt, revolteerend den wil staalt …. en den moed heeft tot de verlossende daad! Nog is het niet te laat. Er zijn reusachtige voorraden om te voldoen in noodzakelijke levensbehoeften. Ter beschikking staat nog een productie-apparaat dat technisch voortreffelijk kan functioneeren en enorme hoeveelheden producten kan voortbrengen. De bourgeoisie echter saboteert haar eigen schepping. De wezenlijke, historische opdracht der arbeidersklasse is thans, zelf de volledige zeggenschap en het geheele beheer in vrij-communistischen zin over te nemen, de economische macht te veroveren, den staat (als werktuig van onderdrukking en exploitatie) op te heffen. Geen reformisme, geen verkiezingen, geen bonzen-gekonkel, geen vakbewegings-gebaren kunnen de minste verlichting brengen in den enormen nood. Geen godsdienstig opium noch politieke illusies zullen de verschrikkelijke waarheid verbergen kunnen: dat de menschheid zonder sociale omwenteling moet te gronde gaan. Nog klinkt het: “Tegen de revolutie – Oranje en het Evangelie!” Nog hoopt men, dat onder deze leuze het volk zal opmarcheeren ten oorlog, indien het vaderland der bezitters en hun geroofde koloniën zullen gevaar loopen….
Maar ook lichten in dezen duisteren nacht fakkels, die ons bewijzen, dat de rebellie niet gestorven is; die men niet zal uitdooven, omdat ze worden aangewakkerd tot flitsende vlammen, waardoor eens deze gansche rotte en barbaarsche samenleving zal worden verteerd, om plaats te maken voor een nieuwe, vrije en socialistische maatschappij!

1 Nov. 1932.