Constandse, A.L. - Waarheen gaat Rusland (1932)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Waarheen_gaat_Rusland_(1932)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Waarheen_gaat_Rusland_(1932).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.waarheengaatrusland/


Waarheen gaat Rusland?
Door
A.L. Constandse

Uitgeverij “De Albatros” Den Haag – 1932

Het paradijs.

Mag men de bolsjewistische pers gelooven, dan zou Rusland op weg zijn een paradijs te worden. De berichten en foto’s zijn van roerende aandoenlijkheid. Lachende arbeidsters, gezonde kinderen, woningen met badkamers, heerlijke gevangenissen (wier inwoners recht hebben op twee weken vacantie naar de zuidelijke badplaatsen) dappere maar brave soldaten – en tenslotte de vaderlijk-leidende bolsjewiki, goedaardige en deugdzame opvoeders van een onbedorven volk….
En toch, hebben deze propagandisten en toeristen (geleid door handige gidsen) wel ooit gedacht aan de critiek van het nuchter verstand? Kàn zware arbeid, zelfs in de mijnen, ooit een vroolijke sport zijn, blijft hij niet (vooral voor vrouwen) een bittere noodzaak? Heeft Rusland niet nog steeds volgens alle ooggetuigen en foto’s massa’s zwervende kinderen en bedelaars? Zijn niet alle oude woningen (en de nieuwe verrijzen vooral in nieuwe industrie-centra) zoo gering in aantal en zóó primitief gebouwd, dat zelfs groote gezinnen in één enkele kamer huizen en slapen moeten, en bijv. de film “Bed en Sofa” geheel is gebaseerd op het feit, dat een echtpaar met den kostganger woont en slaapt in één enkel vertrek – en dat de bolsjewistische bladen (niet voor export bestemd) tot nu toe geregeld tallooze berichten over woningnood en hygiënische wantoestanden bevatten? Hebben onze gevangen kameraden niet herhaaldelijk bericht over gevangenis-oproeren en voedselweigeringen van gearresteerden – kent Rusland niet de doodstraf zonder vorm van proces, op bloote aanklacht van de Gépéoe? Erkent niet Hindusin zijn boek “Ontredderde Wereld”, dat het kenmerk van elk bolsjewiek is de bereidheid, te dooden en gedood te worden? (Pag. 146). Waartoe dan zulk een doorzichtig-valsche propaganda?
Maar bovendien: kan niet elke staat op dezelfde wijze de groote trom roeren? Als de Nederlandsche staat de bolsjewistische propaganda wil imiteeren, heeft ze daartoe alle gelegenheid. Een geweldige hoeveelheid foto’s over gezonde en aardige arbeiderskinderen – over modern-ingerichte blokken arbeiderswoningen (zelfs met badkamers: in Amsterdam, in Den Haag – Zuiderpark bijv.) – over nieuwe, groote, ruime fabrieken – over technisch-verrassende werken als de droogmaking der Zuiderzee – zouden hen ten dienste staan. De Nederlandsche regeering zou kunnen bluffen, dat ze op een begrooting van 600 millioen alleen reeds 150 millioen uittrekt voor het onderwijs (wat waar is). Doch bewijzen zulke feiten, dat in Nederland géén groote armoe heerscht, géén schreeuwend onrecht bestaat, of…. dat het land op weg zou zijn naar het socialisme? Het is te dwaas om er over te spreken!
De huidige bolsjewistische propapanda concentreert zich voornamelijk op twee punten. Ten eerste, dat Rusland met geweldige krachtsinspanning wordt geïndustrialiseerd, dus hoegenaamd geen werkloosheid kent en loonsverhoogingen kan bieden. We willen het niet betwisten. Doch hebben niet alle zuiver-kapitalistische landen een zelfde periode doorgemaakt, bij den overgang van agrarischen tot industrieëlen staat? Nemen de Russen niet zelf bewust Noord-Amerika tot voorbeeld? Rationalisatie (dezelfde waar de achterlijke elementen uit de C.P. hier moord en brand over schreeuwen!), arbeid in tariefstelsel, geweldige loonsverschillen dus, strenge bedrijfsleiding, “algemeene adoratie voor Amerika” (Hindus) zoodat “de Russen met jaloesie naar Amerika kijken”. En vonden intertijd niet duizenden landverhuizers in Amerika goed betaald-werk, een betere woning, een ongekende welvaart? Toch is Amerika het meest-kapitalistische land ter wereld en thans vol armoe en ellende.
De tweede leuze der bolsjewiki is: “Verhindert den oorlog, dien men tegen Rusland vóórbereidt” Na een interview met de Russische diplomaten te Genève heeft Dr. van Blankenstein echter (N.R.C. 24 Febr. 1932) er op gewezen, dat de Russische staatslieden zelf de meening sinds lang niet meer deelden, dat verschillende staten een aanval op Rusland zouden voorbereiden; omdat de tegenstellingen, die tusschen hen bestaan, dit onmogelijk maken. Zooals elke staat heeft Rusland zijn vijanden (Engelsche petroleum-kapitalisten, Fransche diplomaten) doch nog meerbelanghebbende vrienden (Amerikaansche financiers en diplomaten, die olie koopen, geld leenen en in Rusland een bondgenoot zien tegen Japan – Turkije, waarmee het de heerschappij over de Zwarte Zee deelt – Italië, waarmee het de beste industriëele en politieke betrekkingen onderhoudt – Duitschland, waarmee het sinds het verdrag van Rapallo (1922) economisch en politiek zéér bevriend is – Hollandsche bankiers die reeds in 1923 den geheelen russischen graanhandel financierden, volgens eigen verklaring der Russen (N.R.C. 27 Nov. 1923). Dat Rusland door alle kapitalische staten zou worden bedreigd, is een sprookje, geëxploiteerd om het russische militarisme te kunnen rechtvaardigen. Immers de buitenlandsche kapitalisten hebben volgens ruwe schatting 3.000 millioen dollars aan Rusland geleend (meest in machines, goederen enz. op crediet) en vooral Duitschland heeft in Rusland een nieuwe markt gevonden. Sinds 1922 (Verdrag van Rapallo) is het nauw met den Sovjet-staat verbonden, en het heeft reeds voor 700 millioen op crediet geleverd, welke leening grootendeels door de regeering van Brüning is gegarandeerd. Doch ook Italië garandeerde voor 300 millioen, terwijl Amerika meer dan 1000 millioen leende. De Russische afdeeling van de Universiteit te Birmingham kwam na nauwkeurig onderzoek tot de conclusie, dat het vijfjarenplan slechts tot stand komt met de hulp der buitenlandsche kapitalisten, die volkomen bereid zijn, met de bolsjewiki samen te werken! De buitenlandsche schulden op korten termijn zijn veel hooger dan onder het tsarisme: ze bedragen 221% van die vóór de revolutie! Terecht wordt opgemerkt “dat de schuldeischers er geenerlei belang bij hebben, hun schuldenaar in moeilijkheden te brengen.” Indien de buitenlandsche bourgeoisie een oorlog tegen Rusland ontketende, verloor ze immers kapitalen!
Doch bovendien: als de arbeidersklasse moet worden opgeroepen tegen den oorlog, waarom verwerpt het bolsjewisme dan elk daadwerkelijk anti-militarisme? Het heeft in de achterlijkste en minst-bewuste lagen der arbeidersklasse weer alle oorlogsinstincten en de wraakzuchtigste geweldsdrang opgewekt; de moord op personen verheerlijkt inplaats van de likwidatie van het stelsel. Het is overtuigd van de redelijkheid van nationalisme, militarisme, staatsgezag en van nut en noodzaak van den oorlog. Ze zijn voorstanders van groote legers en groote vloten, van militarisatie der volken. Slechts wenschen zij die in dienst hunner eigen regeering, en ze wekken dus òp, het militarisme systematisch te handhaven, doch het als disciplinaire organisatie bruikbaar te maken voor hun eigen toekomstig gouvernement. Een volk, dat dienst zou weigeren, zou het gezag van elke regeering ontkennen, en dus ook voor het bolsjewisme onbruikbaar zijn. Lenin gaf de bolsjewistische delegatie naar het I.V.V.-vredescongres in 1922 als richtsnoer een artikel mee (herdrukt in “De Tribune” van 19 Maart 1932) waarin men leest: “Het moet gezegd worden, dat het onmogelijk is, op een oorlog met een staking te ‘antwoorden’, evenzoo als het onmogelijk is, op een oorlog met een ‘revolutie’ te antwoorden, in den eenvoudigen en letterlijken zin van het woord”. Hij beweert, dat arbeidersorganisaties tegen den oorlog onmachtig zijn, ook de revolutionnaire, en acht het noodig, dat alle arbeiders aan den oorlog deelnemen (dus elkaar vermoorden!) en noemt het eenige middel tot bestrijding “instandhouding resp. vorming van een illegale organisatie van alle aan den oorlog deelnemende revolutionnairen voor de voortdurende arbeid tegen den oorlog”. Welke arbeid – dat wordt ons niet gezegd! Lenin vervolgt: “De boycot van den oorlog is een domme fraze. De communisten moeten aan iederen reactionnairen oorlog deelnemen”. Dat is tenminste duidelijke taal. In overeenstemming daarmee zei Radek op het bedoelde Congres (Tribune 14 December 1922) “Wanneer dank zij uwe politiek van coalitie met de bourgeoisie en van burgerlijke illusies, de arbeidersmassa’s in welke wij nog de minderheid zijn door het wereldkapitaal opnieuw op de slachtvelden worden gejaagd, dan zullen wij, de communisten, niet deserteeren en den dienst niet weigeren, maar wij zullen in den oorlog trekken, de wapens nemen om in de legers den geest der revolutie te verbreiden (door te moorden en te schieten op andere gemobiliseerde arbeiders!! C.) en de wapenste keeren tegen de bourgeoisie.” Dit laatste is natuurlijk nonsens en bedrog: hoe kan men, door niet te muiten, en door als gehoorzaam soldaat anderen neer te schieten, de wapens keeren… “tegen de bourgeoisie” – terwijl men ze richt op proleten van een ander land? Dan onderwerpt men zich kortweg, aan het militarisme. En wekt slechts ijdele hoop op ontwapening door gekonkel te Genève. Want juist de Russen spelen daar op de “ontwapenings-conferentie” een eerste rol in de tragi-comedie van volksbedrog. Het was Litwinof die voorstelde, de legers tot 30.000 man niet te verminderen, die van 200.000 man met de helft en de overige naar evenredigheid. Doch de overwonnen staten behoefden hun bewapening niet te beperken (“Tribune” 13 April 1932). Dus Duitschland mag vrijelijk zijn pantserkruisers A en B behouden! Natuurlijk ware dit voorstel, aangenomen, toch van nul en geener waarde, doch het teekent de russische diplomatie.
Onder leiding der C.P. wordt Rusland gevoerd naar een periode van staatskapitalisme, dat reeds in Europa en Amerika geen toekomst meer heeft, doch nu pas in Rusland aan de orde is gesteld als typisch sociaal-democratische nationale politiek. Lenin zelf heeft indertijd, ter verdeding zijner N.E.P.-politiek, ruiterlijk erkend “dat Rusland een periode van staatskapitalisme moest doormaken”, welke periode veel langer zal duren dan men eerst veronderstelde. (Tribune 29 Juli 1921). Hij achtte het staatskapitalisme (verbond van staat en groot-kapitalisme) noodig om het uit de N.E.P. vóórtkomende klein-kapitalisme weer te bestrijden, en eindigt hiermee: “Kapitalisme is een kwaad in vergelijking met socialisme, maar een zegen in vergelijking met de middel-eeuwsche productiewijze, met klein-industrie en gekluisterde klein-producenten, die aan de genade der bureaucratie zijn overgeleverd”. Ook hier wordt dus erkend, dat de historische taak der bolsjewistische partij in Rusland niet is, het volk te voeren van industrieel kapitalisme tot internationaal socialisme, doch van feodalisme tot nationaal kapitalisme. En eerst een nieuwe revolutie zal in de toekomst den weg tot socialisme kunnen banen.

De russische staat.

Hoe verkrijgt men eenigszins betrouwbare gegevens over Rusland? De bolsjewistische lectuur zelfs kan de waarheid niet geheel verduisteren: we zullen haar dus raadplegen. Ook russische films en romans weerspreken veel humbug. De rolprent “Die van de straat leven” toont ons in Moskou de arme door “roode” politie opgejaagde straatventers. De roman “Kostja Rjabtsew op de Universteit” van Ognjow beeld uit: de bevoorrechte klasse der bolsjewiki, de geweldige armoe, vooral der studenten en niet minder de rijkdom daartegenover van ’n groep bourgeois. “De steeg aan de Moskwa” van Ilja Ehrenburg geeft meer schrijnende ellende dan verheugende feiten. Hier hebben we echter te doen met indrukken, niet zoo zeer met feiten en cijfers, hoewel Loenatsjarsky zelf den eerstgenoemden roman “een getrouwe schildering” van den toestand heeft genoemd. Voornamelijk echter zullen we de revolutionnaire pers raadplegen, welke gegevens bevat van uit Rusland verbannen, uitgeweken of vertrokken kameraden. Dan het werk van P. Istrati, die na 16 maanden in Rusland verbleven te hebben, een geweldig statistisch materiaal en vele citaten uit de russische pers verzamelde, verschenen in Nederlandsche vertaling onder den titel “Het Licht aan de Kim”. Vaorts het boek van M. Hindus “Ontredderde wereld”, vrij gunstig voor het bolsjewisme, en door een bolsjewiek ook ingeleid. Tenslotte mededeelingen der bolsjewiki aan de burgerpers, welke –na te zijn bekomen van den schrik der revolutie– steeds gunstiger over Rusland gaat oordeelen, en ook steeds meer door de bolsjewiki wordt geciteerd. (Vgl. “Feiten” No.3.)
Uit alle gegevens blijkt echter wel overduidelijk, dat de Russische staat in wezen niet van elken anderen staat verschilt, zelfs het meest overeenkomt met den fascistischen staatsvorm, en zeker niet verward moet worden met een revolutionnaire organisatie. De russische revolutie toch leidde consekwent in 1917 tot regeeringloosheid, opheffing van het militarisme en van den staat, niet de bolsjewiki voerden de revolutie door, doch het volk zelf. In het voorjaar van 1917 was er tusschen bolsjewiki, mensjewiki en Kerensky geen verschil van meening over de noodzaak, den oorlog voort te zetten. In den zomer echter reeds weigerden matrozen langer te dienen; weldra begonnen soldaten te muiten, arbeiders te staken. De revolutie nam een aanvang, de oorlog werd beëindigd, de regeering verjaagt. Aan dezen strijd was hartstochtelijk deelgenomen door links-sociaal-revolutionnairen, door de maximalisten, anarchisten, syndikalisten – door alle actieve arbeiders, gemobiliseerde en kleine boeren. Eerst in October 1917 grepen de bolsjewiki (die zich nog in den zomer bezig hadden gehouden met de verkiezingen) de staatsmacht en proclameerden zich tot regeerende partij. Zij hadden weinig concurrentie, want de revolutionnairen concentreerden hun aandacht niet op de verovering van het staatsgezag, doch op zijn vernietiging door de stichting en de organisatie der vrije sovjets, die in zijn plaats moesten komen. De leuze was: “Alle macht aan de Sovjets” en niet: aan de partij, of aan den staat. Met jezuïetische sluwheid (het doel immers heiligt de middelen) sloten schijnbaar de bolsjewiki zich bij deze leuze aan. Ze beweerden naar vrede en naar het “afsterven van den staat” te streven. Ze verbonden zich met andere groepen, en de links-soc.-rev. J. Steinberg was met hen in den winter van 1917-1918 zelfs Volkscommissaris.
Intusschen echter trachtten de bolsjewiki zich te ontdoen van alle niet-partijgenooten, op de sovjetcongressen door intrigues de functies te verkrijgen, en vooral den staat weder te herstellen en te reorganiseeren. De revolutie had staat en militarisme versplinterd – de macht overgedragen op de gewapende sovjets – het eigendomsrecht opgeheven of aangetast – de schulden geschrapt – vele gronden en gebouwen onteigend. De bolsjewiki echter, sterk begunstigd door de achterlijkheid van den russischen boerenstaat, het groote an-alfabetisme en de oude gehechtheid aan de natie, slaagden erin een regeering te vormen en deze te doen ondersteunen door de bureaucratie en wat meer zegt: door de resten van het leger en tallooze naar hen overgeloopen tsaristische officieren, zooals generaal Broessilof. Met dezen probeerden de bolsjewiki het in ontbinding verkeerende leger weder te herstellen. Het is van weinig bekendheid, dat ze ook volkomen bereid waren, den oorlog tegen Duitschland te hervatten, mits de geällieerden hen steunden, Jacques Sadoul, lid der fransche militaire missie in Rusland, aldaar bolsjewiek geworden, later naar Frankrijk teruggekeerd en in Januari 1925 vrijgesproken van de beschuldiging van desertie; thans nog bekend fransch bolsjewiek; heeft tijdens het proces en in een brochure, in 1919 reeds verschenen in de duitsche taal (“Briefe aus der Sovjet-Republik”) erkend, dat Lenin en Trotzki herhaaldelijk de ondersteuning vroegen der geällieerden, om het russisch leger te herstellen en den oorlog tegen Duitschland weer te hervatten. De Franschen weigerden echter. “Ongelooflijk, zegt Sadoul, maar waar”. Onze geestverwant Anatol Gorelik had daarover reeds geschreven (zie “Alarm”-6-1922) terwijl Trotzki in zijn boek “Mijn Leven” dit alles ook volledig erkent. (“De Vrede”). De vrede met Duitschland werd daarna te Brest-Litovsk gesloten, doch de russische revolutionnairen wilden nòch oorlog, nòch wrede met het duitsche keizerrijk, doch trachten het duitsche leger te bewerken met revolutionnaire propaganda, het tot verbroedering te brengen met de russische arbeiders en boeren en aldus de revolutie uit te breiden over Duitschland. Ze erkenden de bolsjew. regeering niet als vertegenwoordigster. Het gevolg was, dat deze alle andere groepen buiten de wetstelde, elke niet-bolsjewistische propaganda verbood, een openlijke pactijdictatuur instelde met behulp van alle reactionnaire en autoritaire elementen en een verwoeden oorlog begon niet alleen tegen de witten, doch evenzoo tegen de rooden. De arbeiders en matrozen uit Kroonstadt publiceerden een manifest, waarin ze verklaren, dat de macht in handen was gekomen van een regiem, dat met de geheime politie en het leger elke arbeidersvrijheid vertrapte. Ze wilden zich los maken van Moskou. “Hier in Kroonstadt wordt de hoeksteen gelegd voor de derde revolutie, welke de laatste ketenen van den arbeider verbreken en den nieuwen, breeden weg tot socialistische scheppende werkzaamheid zal openen.” Trotzki rukte op tegen de Commune van Kroonstadt, opende in Maart 1921 het bombardement, liet duizenden revolutionnairen neerschieten en smoorde het verzet in bloed. De anarchisten die, zooals Machno in de Oekraine, het tsarisme hadden helpen likwideeren, en met de links-soc. revolutionnairen als Riefkine de legers van Denikin, Petjloera, Koltschak e.a. tot ontbinding hadden gebracht – v.n.l. door vernietiging van materiaal, voedingsmiddelen, munitie, water-voorraden – wat met groote offers was gepaard gegaan,… zij weigerden de Moskousche partijdictatuur te aanvaarden. Toen kwam het roode staatsleger in actie tegen de vrije sovjets en de rebellen, die bij duizenden werden gedood, gevangen en verbannen. Sinds dien zwerven honderden rev. Russen door de wereld, zuchten meerderen nog in russische gevangenissen. Ook de eigen rebelsche partijgenooten werden niet gespaard: in 1924 werden deelnemers aan de z.g.n. arbeidersoppositie: Kusnezow, Mjasnikof, Medwedjew e.a. naar Siberië verbannen. Daarop volgde het uitdrijven van Trotzki en de zijnen, slachtoffers van hun eigen systeem. Stalin c.s. vestigden een leidersregeering, een bonzendictatuur en ze beloonden de getrouwen met tallooze voorrechten. Hindus (p. 142) zegt, dat de bolsjewiki in Rusland “edellieden” worden genoemd, een nieuwe bevoorrechte klasse vormen, met voorrang in rusthuizen, in vacantie-oorden en bij buitenlandsche reizen. Niemand is tegen hun persoonlijke wraakneming beveiligd, zooals ook Istrati in “De zaak Roessakof” bewijst. Zij bezetten allereerst de openbare gezagsfuncties, zijn voor het grootste deel strevers en voor het kleinste gedeelte gewezen revolutionnairen: in 1928 waren reeds bijna 99% der partijgenooten lid geworden nadat de bolsjewiki reeds de staatsmacht hadden veroverd! De machtswellust heeft een strenge censuur ingevoerd: in Eisenstein’s film “Tien Dagen”, handelende over de revolutie van 1917, mocht Trotzki niet voorkomen! De historicus Sjijapnikof heeft zijn werk “Het jaar 1917” zien veroordeelen door den paus Stalin. Hij heeft in het openbaar boete moeten doen, de “fouten” moeten erkennen en het boek moeten herzien. Hij had nl. durven schrijven….de waarheid, dat de partij in 1917 niet de macht wilde der sovjets, doch die van partij en vakorganisaties; en dat ze in Maart 1917 nog niets van de sociale revolutie moest hebben en op het standpunt stond der democratie. Men kan begrijpen, dat de roode regeering wel duldt, dat de priesters preeken en aan jonge menschen na het achttiende jaar godsdienst-onderricht geven – wel de vrijheid van godsdienstige propaganda waarborgt aan alle protestantsche sekten – doch deze elementaire vrijheid ontneemt aan alle socialisten en revolutionnairen – en eenvoudig fascistisch (“nationaal-socialistisch”, zegt Hitler) handelt.

Economische verhoudingen.

Het bolsjewistische marxisme heeft getracht, in Rusland de sociaal-democratische beginselen toe te passen, welke behooren bij een “bloeiend” kapitalisme. Partij en vakbond streven dan naar sociale wetgeving en naar hoogere loonen, verkorting van arbeidstijd en betere huisvesting. Tevens denken en handelen ze zuiver nationaal, omdat ze in den staat het oppermachtige werktuig zien hunner politiek. De staat nu kan slechts bestaan, zoolang hij beschikt over een militair geweldsapparaat, en zoolang de arbeiders in loondienst staan. De staat is een werktuig ter onderdrukking eener uitgebuite klasse, en handhaaft zich slechts, zoolang een geëxploiteerde klasse bestaat, wier leden als getrouwe onderdanen ook bereid zijn militairen dienstplicht te vervullen. Gezag over de arbeidersklasse is slechts mogelijk, indien de arbeider economisch afhankelijk is, door vrees voor broodeloosheid tot dienstbaarheid kan worden gedwongen. Zoodra echter de arbeidersklasse zelfs de bedrijven bezet en beheert, en elk harer leden een gelijk aandeel heeft in de macht, elk werker een gelijke stem en een gelijk recht, zoodra dus bevoorrechte klassen niet meer kunnen bestaan omdat ze niet op de bedrijven kunnen parasiteeren – zoodra bezit de arbeidersklasse een macht, die haar de vrijheid waarborgt. Ze duldt dan geenerlei gezag meer bovenzich; ze organiseert zelf beheer en administratie der bedrijven, vervangt het gezag door regeling en gemeenschappelijke overeenkomsten inzake den grondslag waarop socialistische productie en distributie mogelijk zijn. Dàn echter staat geen bedrijf meer ter beschikking van politieke gezaghebbers, van leiders of militaristen – dan stort de staat in-een. Dàn ook kan het socialisme eerst wezelijk bestaan, d.w.z. internationaal zijn. Hieruit volgt, dat de staat nooit het socialisme kan dulden: het zou zijn ondergang zijn. Elke regeering zal derhalve geenerlei macht der arbeiders over de bedrijven erkennen: alleen een uitgebuite klasse kan geregeerd worden. De staat treedt dus immers op als werkgever, als heerscher, als bezitter. Niet het proletariaat mag beschikken over meerwaarde en reserves – het mag niet zelf een bestemming geven aan de producten – het moet gehoorzamen, en winst opbrengen voor een klasse van autoriteiten, militaristen, bureaucraten – evenals voor de particuliere ondernemers.
De inzet der russische revolutie, de poging, om het gezag van den staat weg te wentelen en alle macht over te dragen op de sovjets, was den bolsjewiki weinig welgevallig. Als staatssocialisten konden zij dit nimmer dulden, en dus begonnen zij met militair geweld alle sovjets te ontbinden, waarin zij niet de macht hadden. Bij nieuwe verkiezingen mochten alleen de partijgenooten of gewillige “partijloozen” worden gekozen, en de sovjets waren verworden tot mantelorganisaties der partij: ze dienden nog slechts, om te controleeren of de partijbevelen werden uitgevoerd. En de partij wendde het staatsgezag aan, om de bedrijven tot staatseigendom te maken, ze te ontnemen aan de arbeiders en volstrekte gehoorzaamheid te eischen jegens den bedrijfsleider, den directeur en den specialist (Spes), aangesteld door de regeering. De arbeiders, in loonslavernij teruggevoerd, moesten (evenals in Italië) zich gedwongen laten organiseeren in de officieele staats-vakorganisaties met bolsjewistische bestuurders, wier taak was en is door collectieve contracten den bedrijfsvrede te handhaven. Staking is verboden – en de arbeiders hebben dus elk opgelegd contract te aanvaarden. Terwijl het in de gansche wereld gaat om de macht aan het proletariaat, gaat het in Rusland slechts om het loon. De arbeiders gevoelen zich zoo weinig “de meesters” in hun “vaderland”, dat ze vaak weinig zorg voor het bedrijf bezitten; de leiders beschuldigen (precies als hier) de arbeiders van nalatigheid, van kleine diefstallen enz. – en in de textiel-industrie worden dezen geregeld gefouilleerd (Hindus p.55). Ze loopen ook voortdurend de kans, broodeloos te worden gemaakt. Omdat ze de bedrijven niet bezitten, kunnen de arbeiders werkloos zijn. Volgens de russische statistieken (zie H. Lorenz in “Betrieb und Gewerkschaft” Sept. 1929) bedroeg het aantal werkloozen in 1927 reeds 1.310.000. Sindsdien steeg het tot ver over de anderhalf millioen in 1930. Slechts een klein aantal hunner ontving ondersteuning: in 1927 slecht 750.000, die voor een deel naar de werkverschaffing werden gezonden. Men kende vier klassen van ondersteunden, wier uitkeering echter nooit meer dan de helft van het loon mocht bedragen. Bij decreet van 11 October 1930 werd echter elke ondersteuning ingetrokken en 20 October volgde een nieuw decreet, waarbij elke werklooze verplicht werd zich aan te melden voor arbeid, dien men hem zou opdragen. Bij weigering géén steun, precies als bij onze werkverschaffing. Is nu de werkloosheid gelikwideerd? Er zijn natuurlijk altijd veel méér werkloozen dan er geregistreerd zijn. In 1930 heette reeds de werkloosheid opgeheven, doch nu lezen we dat over 1931 weer 4.420.000 arbeiders in de industrie te werk zijn gesteld (“Feiten” 3). Er moeten dus millioenen werkloozen zijn geweest, veel meer dan ooit is erkend.
De loonen der arbeiders stijgen. In 1923 was het gemiddelde maandloon 35 roebel, in 1927 reeds bijna 60 roebel; (Istrati, volgens offic. jaarboek v.d. statistiek in 1927). Doch de prijzen waren intusschen zoodanig gestegen, dat dit bedrag slechts de waarde had van 31½ roebel van 1923. Thans bedraagt het gemiddeld loon 68 roebel (voor ongeschoolden 50 roebel) per maand. Dit verdient bijv. een textielarbeider (“Feiten” 1). Doch de loonsverschillen zijn enorm. Na de beruchte Juni-rede van Stalin in 1931 en het nieuwe loondecreet van 20 September 1931 is het aantal loonklassen ontelbaar. Aanvankelijk waren er 17, doch nu overal het tariefstelsel is ingevoerd, zijn de loonsverschillen onbepaalbaar. Voor metaalbewerkers zijn er 8 loonschalen; voor het trampersoneel 11 – van 70 tot 300 roebel (“Feiten” 2). In één fabriek verdient nu de hoogstbetaalde 3.7 maal zooveel als de minstbezoldigde. Over alle groepen echter ontvangt een arbeider uit de hoogste klasse 7.6 maal (dus bijna acht maal!) zooveel loon als de slechtst betaalde. Technici ontvangen nog veel meer: tot 650 roebel per maand, met de premies mee 15 maal zooveel als de minstbetaalde handarbeider. (“Révolution prolétarienne” – Dec. 1931.)
Wat kan een arbeider voor zijn loon koopen? Het “Tijdschrift v.d. Ned. Werkloosheidsraad” (Maart ’32) geeft cijfers, die betrekking hebben op buitenlandsche arbeidskrachten. “Der Kampfruf” (April 1932) bevat de getallen, welke een Duitsch arbeider verstrekte die 15 mnd. in Rusland heeft gewerkt. Er blijkt uit, dat een buitenlandsch vakman van 350 tot 800 roebel per maand moet verdienen, om in de behoeften van zichzelf en zijn gezin te kunnen voorzien op “europeesche” wijze. De loonen zijn echter meestal lager, van 300 tot 600 roebel. Alleen buitenlandsche ingenieurs halen 1500 roebel. Daaruit blijkt, dat de levensstandaard der Russen met hun geringe inkomens zéér laag is: een buitenlandsch ingenieur verdient 30 maal zooveel als een ongeschoold russisch arbeider.
De prijzen zijn feitelijk onbepaalbaar. Wat men in coöperaties op distributiebonnen kan verkrijgen, is veel goedkooper dan wat in den vrijen handel moet worden gekocht. Ziehier het verschil in prijzen: 1 KG. boter: 3.60 en 30 roebel – 1 K.G. meel: 0.18 en 1.50 roebel – 1 K.G. suiker: 0.72 en 5.– roebel, een costuum: 200 en 800 roebel. Deze prijsverschillen maken dat de roebel, die officieel genoteerd staat op ƒ1.25, slechts hoogstens 25 cent waard is. Want op distributiebonnen is zéér weinig te krijgen. De buitenlandsche ingenieur krijgt op bonnen 3 KG. boter, de buitenl. arbeider 1 KG. en de russische arbeider slechts 200 gram boter per maand. Er zijn 6 soorten distributiekaarten: voor buitenlandsche arbeiders, voor ingenieurs en technici, voor russische arbeiders, voor de komsomols (comm.jeugd), voor leden der Gépéoe (geheime politie) en voor de stootbrigades (oedarniki). Deze laatsten zijn ook zeer bevoorrecht: een paar schoenen bijv. dat hun slechts 9 roebel kost, kost den overigen arbeiders 25 roebel. “Er zijn evenveel verschillen in loonen en salarissen als in ieder kapitalistische maatschappij, behalve dat ze nooit dezelfde hoogte bereiken” (Hindus, p. 50). Er worden ontzaglijk veel gunsten, premies, gratificaties gegeven. “Een vierde van alle winst in de Russische industrie wordt op het oogenblik aan zulke premies besteed.” De belasting-statistiek kent inkomens van 2600 roebels en méér per maand, en in totaal 17 verschillende belastingschalen.
Wie zijn nu de heerschende en bevoorrechte klassen in Rusland? Particuliere ondernemers, in vele kleine bedrijven; doch vooral de handelaren, die den geheelen vrijen winsthandel beheerschen. Tot hen behooren een millioen Joden (Hindus p. 196) doch nog meer Russen. Voorts de (vaak buitenlandsche) kapitalisten die concessie-bedrijven tezamen met den staat exploiteeren. Dan de bedrijfsleiders in staatsdienst, de bolsjewistische autoriteiten, de bureaucraten, de technici. Zij sparen, zij schrijven in op staatsleeningen, zij trekken rente van hun kapitaal, vaak hooge renten: banken geven 9 tot 12%. (Istrati, p. 229). De inleggers op de spaarkassen zijn voor 44% ambtenaren, voor 21% arbeiders. Dezen leggen echter slechts 12% der gelden in. Ook onder de boeren treft men welgestelden aan: den kleinen boeren is hun particuliere eigendom van grond en vee gegarandeerd, ook indien ze zich tot een “Kolchoz” vereenigen, tot een belangengemeenschap van boeren. Het is waar, dat de overgroote massa verproletariseerd is; het is even waar dat de betrekkelijk kleine heerschende groep steeds meer bevoorrechte klassen schept, die groot belang hebben bij het instandhouden van het huidige regiem en dus gewaardeerde hulptroepen zijn voor het bolsjewisme. Geen wonder, dat de reactionnaire heer Prof. Gerretson (zie “Handelsblad” 5 Maart 1931) schreef: “De Sovjet-staat, waarmede wij thans in West-Europa te doen krijgen, is, welke ook zijn oorsprong, welke ook zijn innerlijke gestalde moge zijn, de verwerkelijking van de grond-tendenz van het moderne kapitalisme; de vereeniging van de staatsmacht en de bedrijfsleiding in één hand; de amalgamatie (versmelting) van alle particuliere bedrijven in een groot, centraal geleid, nationaal bedrijf”. De winst hiervan komt ten goede aan binnen- en buitenlandsche geldschieters, aan de hoogbezoldigde functionnarissen en aan de goedbetaalde technici. De groote massa arbeidt en gehoorzaamt, zooals in elken staat. En gaandeweg worden de kapitalistische tendenzen eerder versterkt dan verzwakt; op weg naar het socialisme in Rusland onder de leiding der C.P. in elk geval niet!

Buitenlandsche politiek.

Over het algemeen hoort men verkondigen, dat Rusland door zijn ongetwijfeld grooten invloed op de internationale verhoudingen een “socialistische” factor zijn zou. Helaas is dit niet het geval. De russische regeering kent uitsluitend haar eigen nationaal belang, zooals men trouwens van een regeering kan verwachten. Dááraan worden de internationale proletarische belangen opgeofferd. De arbeiders moeten opgewekttot strijd tegen staten, waarmee Rusland niet bevriend is. Ze moeten godsvrede sluiten met die autoriteiten die in Rusland een bondgenoot zien. Treffende voorbeelden daarvan geeft de bolsjewistische taktiek inzake Duitschland, Turkije, Italië en China. Op het vierde Congres der Derde Internationale, 1923, heeft Boecharine gezegd: “Mogen proletarische staten militaire verbonden met burgerlijke staten aangaan? Er is hier geen principieel verschil tusschen een leening en een militair verbond. En ik beweer, dat we al zoo gegroeid zijn, dat we een militair verbond met een andere bourgeoisie kunnen sluiten, om door middel van dezen burgerlijken staat een ander burgerdom neer te werpen. Bij dezen vorm van landsverdediging, dezen vorm van militair verbond met burgerlijke staten is het de plicht der partijgenooten van zulk een land, dit blok tot de overwinning te brengen”. De bolsjewiki moeten dan dus aan den oorlog deelnemen. Het Program der Comm. Int. zegt ook (pag. 27) dat verbonden met burgerlijke staten, met inbegrip van militaire, “geoorloofd en somtijds geboden zijn”. Ziehier dan de praktijk:
In 1922 sloot Rusland een verdrag met Duitschland te Rapallo. In 1923, bij de bezetting van het Roergebied, verdedigden de bolsjewiki het felst de vrijheid der duitsche natie. Toen de fascist Schlageter wegens sptonnage door de Franschen was doodgeschoten, verheerlijkte Ruth Fischer hem namens de bolsjewiki. (25 Juli). De “Rote Fahne” van 10 Oct. was bereid “met alle eerlijk nationaal-denkende kringen den strijd om de redding der natie te voeren.” Hetzelfde blad had 10 Juli ook reeds Schlageter herdacht met een lofrede. De fascist Stadtler feliciteerde den schrijver (Radek!) in zijn blad “Das Gewissen”. In 1926 stemden de bolsjewiki in den Duitschen Rijksdag vóór een geheim fonds van 60 millioen. Dit bleek later bestemd voor den invoer van russische granaten voor de duitsche Rijksweer. In Dec. interpelleerden daarover de soc. democraten. In 1927 verdedigde Boecharine deze bewapening der Duitsche bourgeoisie door Rusland! (“Inprekorr” 25 Jan. 1927). In 1930 werd opperbevelhebber van de Rijksweer generaal Von Hammerstein, voorstander van een militair verbond met Rusland. In 1931 liep de fascist Scheringer met een aantal geestverwanten over naar het bolsjewisme, omdat in dat jaar de commun. rijksdagfractie had verklaard: “De communisten zijn voor de weerbaarmaking van het heele arbeidende volk, voor een slagvaardig en tot strijden bereid Duitsch leger”. In 1932 stond Litwinof te Genève op het standpunt, dat de duitsche bewapening niet moest worden beperkt. (“Tribune” 13 April). Terzelfder tijd verloren de bolsjewiki, bij de herstemming voor het presidentschap 1½ millioen stemmen, doch de fascist Hitler won eenige millioenen, terwijl in verschillende districten (o.a. Berlijn) bewezen kon worden, dat communistische kiezers in massa op Hitler hadden gestemd: waren hij en de bolsjewiki niet allen nationaal-socialisten?
Onmiddellijk na den oorlog heeft Rusland zich ook verbonden met Turkije. Bij den daaropvolgenden Grieksch-Turkschen krijg leverden de bolsjewiki wapens aan den turkschen fascist Kemal Pasja (die alle socialisten tracht uit te roeien) en riep de Derde Internationale in een manifest van 25 September 1922 de Turksche arbeiders op, mee te strijden met Kemal Pasja en de nationale eenheid te bevestigen. (“Tribune” 4 October 1922). Sindsdien bestaan de beste betrekkingen tusschen Turksche fascisten en bolsjewiki.
Men kan hetzelfde zeggen van Italië. De verhoudingen waren zoo hartelijk, dat in Juni 1929 een fascistisch luchteskader van 35 vliegtuigen onder leiding van Balbo geestdriftig te Odessa werd verwelkomd. De Turijnsche “Gazzetta del Popolo” (20 Juni 1929) berichtte, dat 200 italiaansche vluchtelingen, thans gevestigd in Odessa, die demonstreeren wilden tegen het fascisme, alle door de bolsjew. Gépéoe waren gearresteerd! Als tegenbeleefdheid vloog “De vleugel der sovjet” naar Rome, waar de italiaansche en russische officieren broederschap dronken en volgens de “Corriere della Sera” klonken op Stalin en Mussolini. In Aug. 1930 werd een nieuw verdrag gesloten, kennelijk tegen Frankrijk gericht. In Nov. 1930 bezocht Litwinof te Milaan minister Grandi en in Maart 1931 verklaarde Molotof te Moskou op het sovjet-congres: “De betrekkingen met Italië zijn van zeer hartelijken aard”.
De bolsjewistische politiek in China was minder duidelijk doch even funest. Aanvankelijk steunde Moskou de fascistische burgerlijke partij van Tsiang-Kai-Sjek, tot die een bloedbad aanrichtte onder de communisten, zijn gewezen bondgenooten. Intusschen hadden dezen het chineesche nationalisme der militaire partij sterk gemaakt, en in Juli 1929 eischten de Chineezen den oosterspoorweg op. Deze spoorweg loopt door Mantsjoerijë (Noord-China) doch is in het bezit der Russen, en de bolsjewiki weigerden van hun imperialistische macht afstand te doen. Met goedvinden van Japan trokken russische troepen in November 1929 Mantsjoerije binnen ter verdediging van den spoorweg. Ze sloegen de chineesche troepen terug, welke overwinning “De Tribune” (25 Nov.) toen bejubelde!
In 1931 deden de Japanners hetzelfde als de Russen: ze trokken Mantsjoerije binnen om hun belangen te verzekeren. Toen echter Japan in 1932 ook Sjanghai bezetten wilde… vochten de bolsjewiki in de chineesche nationale legers mee in de eerste gelederen! Overal riepen de bolsjewiki het proletariaat op tot steun aan de Chineezen. Ze hadden plotseling ontdekt, dat het fascistische China van Tsiang-Kai-Sjek…. een “Sovjet-China” was. (“Tribune”, 6, 8, 9 Februari.) Moskou had er blijkbaar belang bij, dat de Chineezen nu de Japanners weerstonden en hitste tot oorlog op. Doch Rusland zelf snelde niet te hulp – het stond toe, dat de Japanners troepen vervoerden over den Ooster-Spoorweg en verklaarde den oorlog niet aan Japan, blijkbaar zéér tegen den wensch van de “Tribune” en …. van den eerst opgehitste chineesche bolsjewiki, van wie 243 vooraanstaanden een manifest verspreiden, waarin ze Moskou beschuldigden van verraad, en meededeelden, uit de partij te treden! Met ziet: gelukkig leidde het conflict nog niet tot een russisch-chineesch-japanschen oorlog, doch aan de Derde Internationale heeft het niet gelegen! Grooter warboel is nauwelijks denkbaar.
Mogen deze voorbeelden duidelijk maken, dat Moskou de arbeiders uitlevert aan het nationaal-fascisme, in het belang van den russischen staat, en dat regeering en socialisme, staat en revolutie elkaar uitsluiten – dat wezenlijk socialisme slechts mogelijk zijn kan door opheffing van staten en grenzen, door vernietiging van loonslavernij en militarisme – door federatieve en internationale organisatie der bedrijven, in handen der werkers zelf, gelijkberechtigd, machtig en vrij!

Conclusies.

Wij hebben getracht, duidelijk te maken, dat de rol der huidige russische regeering, door haar invloed op een deel van het wereldproletariaat, noodlottig is voor het socialisme. Waarheen gaat Rusland? Naar een nationaal staatskapitalisme. Waarheen leidt het de arbeidersklasse? Naar het fascisme en den oorlog. In redelooze wanhoop gevoelen thans duizenden zich aangetrokken tot de bolsjewistische en fascistische illusiepolitiek. Moe van de sociaal-democratie, die het proletariaat overleverde aan de bourgeoisie en aan een kapitalistisch systeem, dat slechts honger en oorlog brengen kan, vallen zij in de armen van hen, die zich schijnbaar hebben losgemaakt van de noodlottige burgerlijke politiek, en in waarheid niet anders kunnen, dan herstellen, vervolmaken en verbeteren wat juist het noodlot en den ondergang is der menschheid n.l. staat, militairisme en kapitalisme. Het bolsjewisme zal niet menschelijker, niet redelijker zijn dan het kapitalisme. Het zal het evenaren in machtswellust en oorlogsbereidheid. De praktijk van fascistische, burgerlijke, sociaal-democratische en bolsjewistische partijen is overal dezelfde. De menschheid zal zich niet anders kunnen redden dan door de verwezenlijking der sociaal-anarchistische beginselen, gebaseerd op de noodzaak eener internationale economie, op de gelijkwaardigheid van alle werkers en op de redelijke behoefte, het belang der persoonlijkheid in overeenstemming te brengen met dat der soort. Ook dàn zal de aarde geen Hemel en zullen de menschen geen Engelen zijn. Doch ondanks tegenstellingen en conflicten zal de grondslag gelegd zijn eener waarlijk menschelijke samenleving, die de huidige barbaarschheid opheft en overwint!

April 1932