Constandse, A.L. - Weg met de vakorganisaties (1922)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Weg_met_de_vakorganisaties_(1922)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_Weg_met_de_vakorganisaties_(1922).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.wegmetdevakorganisaties/

Let op: pagina 2 & 3 missen????


[p.2+3 missen????]

Weg met de vakorganisaties
Door A.L. Constandse

Uitgave H.C. Huber, Zestienhovenstraat 9a, Rotterdam

Inleiding.

Wie met den vijand onderhandelt, parlementeert – en wie parlementeert, verraadt

W. Liebknecht in 1869

Het Marxistisch bankroet. De tijdelijke overwinning van de als “wetenschap” uitgegeven Duitsche filosofie van Lassalle, den staatsfilosoof en nationaal econoom<ref>Zie Ed. Bernstein: Lassalle und der Sozialismus.</ref>, vriend en geestverwant van Bismarck, van Marx en Engels, volgens Bebel Duitschers aan wie de eerste plaats toekomt, omdat “Duitschland de rol van gids op zich genomen heeft in den reuzenstrijd der toekomst” was slechts mogelijk, door de positie van het gecentraliseerde, militaristische en staatsaanbiddende Duitschland na 1870. Toen schreef Marx aan Engels (brief van 20 Juli) “De Franschen moeten klappen hebben. Overwinnen de Duitschers, dan wint het centralistisch staatsgeweld ten bate van de centralisatie der Duitsche arbeidersklasse” De inquisitie-methode, welke in naam der opperste waarheid van het Marxisme toegepast werd tijdens de Russische dictatuur, heeft echter bewezen, dat de knoet en de staat niet bij machte zijn zullen het socialisme, maar wel in staat zijn een tsaristisch en Bismarckiaansch staatskapitalisme te verwerkelijken. De staat als burgerlijk machtsapparaat is in de handen der Noskes, Vanderveldes en Leniens een bureaucratisch monster gebleken ten bate van de tot bourgeois en parvenu’s geworden arbeiders-leiders, terwijl de economische macht der industriëele, bank- en handelskapitalisten vrijwel onaangetast bleef (in Rusland b.v. zijn een klein aantal bedrijven genationaliseerd, te zamen met 985.413 arbeiders, waarvoor 90.000 ambtenaren, allen kleinburgerlijke en autoritaire, meest grieksch-katholieke elementen, noodig waren!<ref>Zie Souchy: Sovjet-Russland, waarin opgenomen de statistiek van Mitjutin, 1 Febr. 1920.</ref>

[rare overgang: p.2+3 missen????]

omdat de arbeiders èn slaaf van den almachtigen staat èn slaaf in de bedrijven bleven.
Zooals Lenin vóór zijn staatsgreep een verbond sloot met de Duitsche militaristen en onmiddellijk daarna steun zocht bij de Amerikaansche grootkapitalisten, hebben alle Marxistische politieke priesters, om de macht te veroveren of te deelen, het socialisme verraden aan de burgerlijke democraten, katholieken en militaristen.
Het parlement was de eerste schrede op den hellenden weg, waarop men zoo gemakkelijk glijdt, en het baantje van autoriteit, van niet-proletarisch wethouder, minister of volkscommissaris was het einde, waardoor het werk gekroond werd.
Een marxistische partij kan de macht nooit alleen bezitten: ze moet haar deelen met andere, kapitalistische partijen of met de burgerlijke gezaghebbers van de bureau’s, de geheime politie, de legers en de kerken. Evenals de bolsjewiki de witte officieren en generaal Broessilof noodig hadden, aristocratische bedrijfsleiders behoefden en processies beschermen, zijn de west-europeesche sociaal-democraten de wilsuitvoerders van het kapitalisme. De machtsbegeerige bonzen passen zich aan, evenals de christelijke priesters alle gezag aanhingen, om mede te kunnen regeeren aan de tafels der witte beesten, mee te beraadslagen in hun krijgsraden (parlementen, loonraden, comités).
Zoo werden de arbeiders voortdurend overgeleverd aan hun vijanden.
De christelijke priesters hadden daarvoor een moraal uitgevonden: de mensch was op aarde, om te lijden, opdat hij de zaligheid zou bereiken in den hemel. De “socialistische,” marxistische priesters deden hetzelfde: ze predikten, dat het kapitalisme zichzelf vernietigde, dat de mensch onderworpen is aan het productie-proces en geduldig moet wachten, tot de “wetenschappelijke” leiders den tijd gekomen zouden achten, den staat te veroveren. En dàn moesten de arbeiders doen, wat de bonzen zouden willen. Christenen en Marxisten verplaatsten het menschelijk geluk tot in de meest verwijderde toekomst, nà den dood. En intusschen parasiteeren de konkelende leiders op het goed geloof der massa, dat de bonzen haar wel zouden verlossen, als ze het tijd vonden.

Het Syndikalisme. De eerste reactie in het begin dezer eeuw tegen de zwendelende partijleiders, die sjacherden met de macht der arbeiders als schurftige kooplui, was het syndikalisme, ontstaan uit de arbeidersvereenigingen, (syndikaten) die economische actie voerden, door staking, boycot, besmet-verklaren e.d.
Het syndikalisme wilde buiten-parlementaire, directe actie voeren; het vroeg en bedelde niet (“wat kan een prooi door onderhandelen van een roofdier verkrijgen?”) maar propageerde het nemen. Tegenover de partijverdeeling stelde het de eenheid der uitgebuite klassegenooten, waarbij het niet ging om hen te leiden maar om hen “te bewegen, door eigen kracht te denken.” (Sorel<ref>La décomposition du marxisme.</ref>) Indachtig aan het woord van Proudhon, dat het gemeenschappelijk bezit der arbeiders van de bedrijven den staat overbodig maakt, streefde het naar de vernietiging van den staat, omdat deze de onteigening der bourgeoisie onmogelijk maakt. Inplaats van te gelooven, dat het kapitalisme zichzelf zou afbreken, wees het op de macht van den spontanen of onverzettelijken wil van het proletariaat, om door daden het socialisme te verwerkelijken. Kortom: het syndikalisme was in theorie een uitnemende strijd-methode voor de socialisten.
Het was echter tevens een practische politiek. Het streed voor verbetering binnen het raam van het kapitalisme. Het geloofde, dat de arbeiders in een kapitalistischen staat nog verbeteringen kunnen behalen.
Daardoor verwaterde het in de praktijk. Zijn organisaties wilden van het roofdier toch iets gedaan krijgen, als het niet ging door dwang, dan door onderhandelen. Ze zonden de onderhandelende, parlementariseerende leiders naar de vertegenwoordigers der bourgeoisie. Eerst in de loonraden, toen in diverse staatscommissies. “Smeekbrieven” gingen naar het parlement. Was het wonder, dat een S.P. werd opgericht, om ook in de kamer de belangen der praktisch-syndikalistische eischen te verdedigen? Dat Cornelissen en Kolthek, twee vertegenwoordigers van de onafhankelijke vakbeweging, in 1914 zich aangepast bleken te hebben aan ’t nationalisme?
De theorie van het syndicalisme, ontstaan uit oppositie tegen het Marxisme (Sorel, Cornelissen) en uit anarchistische invloeden (Bakunine<ref>Zie “Die Aktion”, No. 33-44, 47-48 (1921)</ref>), Kropotkine<ref>Zie “Syndikalismus und Anarchismus.”</ref>), R. Rocker<ref>Zie “Die Prinzipienerklärung”.</ref>) werd in de praktijk (men beschouwe de C.G.T. in Frankrijk!) prijsgegeven. Wederom was gebleken, dat iedere “praktische” organisatie een wapen worden moet tegen de revolutionairen, in de hand der leiders, gedreven in de banen der burgerlijke politiek, aanzittend als onderhandelaars met de kapitalisten. De bonzen der vakorganisaties verrieden hen evenzeer als de politiekers.

Het Anarchisme. Van ouder datum dan marxisme en syndikalisme, zonder organisaties die “verbeteringen” nastreven, is het anarchisme steeds los gebleven van de bourgeoisie. Het onderhandelde niet met haar, bestreed fel haar staat en richtte alle gedachten en allen strijd op de revolutie, niet gedacht als “kladderadatsch”, maar als onverzoenlijken kamp tegen staat, kapitalisme, militairisme en kerk, tegen de nieuwe priesters en de sjacherende onderhandelaars. Waar het anarchisme de hevigste uiting is van haat tegen deze samenleving, bestrijdt het haar instellingen, zonder ze aan te wenden tot haar doeleinden. Met het maximum der te bereiken vrijheid en gemeenschappelijke welvaart voor oogen, staat het niet stil bij overgangsperioden, maar is het de hartstochtelijke drang tot voortdurende, vernietigende actie. Vanuit anarchistisch standpunt zullen wij dan ook de vakorganisaties beschouwen.

Vakorganisaties

Door politieke partijen geleid. De meerderheid der vakorganisaties is voor de revolutie tot het socialisme reeds hierom zonder beteekenis, omdat zij zich bepalen tot de positie der arbelders in den kapitalistischen staat. Van katholieke tot moderne vakbeweging bewandelen ze angstvallig den wettelijken, d.i. den door de bourgeoisie goedgekeurden weg. De collectieve contracten, afgesloten tusschen de leiders der arbeiders en die der werkgevers, verzekerden den vrede en de verzoening der klassen. De bonzen der moderne vakbeweging komen gaarne de kapitalisten halverwege tegemoet, een overeenkomst wordt spoedig gesloten en het voornaamste wapen is “de beproefde parlementaire actie” (Stenhuis) geleid door de parlementaire partijen, die de vakorganisaties aanwenden tot versterking van hun staatsmacht en tot stemmenjagerij. Angstvallig worden alleen die eischen gesteld, die inwilligbaar zijn voor de bourgeoisie, om vooral deze laatste te sparen en geen revolutionaire situatie te ontketenen. Er worden klasse-eischen gesteld, doch allerminst socialistische of revolutionaire, daar hun afdwinging zou beteekenen: onwettelijkheid, opstandigheid.
Ook de bolsjewistische partijen willen vakorganisaties, welke den staat zullen gehoorzamen, ter meerdere eere en glorie van de toekomstige autoriteiten. De C.P. hier te lande zocht eerst invloed en stemmen in het N.V.V., toen in het N.A.S. en daarna weer in het N.V.V. De V.K.P.D. in Duitschland voerde dezelfde zwakzinnige taktiek met drie vakorganisaties. In Rusland is het den autoriteiten gelukt, een vakcentrale bij wet te decreteeren en daarna te nationaliseeren, zoodat de leden gedwongen aangesloten zijn met door de regeering aangewezen leiders. Dit is alles een copie van het Romeinsche staatskapitalisme met zijn “collegia”, waarvan Treub zegt, dat de leden “als het ware een deel van de staatstaak vervulden, min of meer ambtenaren waren en als zoodanig bijzondere rechten maar ook bijzondere verplichtingen hadden”.
De verplichtingen bestaan in onderworpenheid aan de opgelegde loonvoorwaarden, aan het roode militarisme en aan de dictators, die onverbiddelijke gehoorzaamheid en ijzeren discipline eischen. De rechten bestaan in ’t ontvangen van een bepaald rantsoen en het mogen arbeiden in de staatsbedrijven. In Rusland heeft men de plicht, staatsslaaf te zijn en het recht te doen, wat de dictators toestaan. In al deze gevallen is het duidelijk, dat de vakorganisatie deel uitmaakt van de kapitalistische maatschappij en daarmee onverbrekelijk verbonden is. Ze is een macht geworden boven het proletariaat, waaraan dit onderworpen moet zijn. Met de neutrale vakorganisatie, die trouw belooft aan wet en staat, is het niet anders.

’t N.A.S. Doch de syndikalistische organisaties, waartoe het N.A.S. zich rekent, hebben hoogere aspiraties, het communiseeren der productie en distributie door de arbeiders zelve van onder op.
Het zou niet meer gaan om het regeeren van menschen, maar om de regeling en administratie van zaken. “Om deze reden zien zij in de vakvereeniging geenszins een voorbijgaand product van de kapitalistische maatschappij, naar de kiemcel van de toekomstige socialistische ordening”. (Rocker).
Hierom juist gaat het! Zal de vakorganisatie in staat zijn, de arbeiders naar het staatloos communisme te voeren? Na wat we zeiden over de aanpassing van het syndikalisme zal men begrijpen, dat ons antwoord op het onderzoek zijn moet een stellig en zeker: neen.

De revolutie noodzakelijk.

Na den wereldoorlog. De oorlog heeft wederom geleerd, dat het kapitalisme voortdurend het proletariaat verzwakt en zichzelf versterkt. De ontzettende oorlogswinsten, behaald op door den staat opgebrachte bedragen, hebben de internationale bourgeoisie eenige honderden milliarden rijker gemaakt. De oorlogsschulden zijn aangewend tot betaling der grootkapitalisten, die munitie, schepen, olie, auto’s, waren, kleeding enz, enz. leverden. De renten dezer schulden (bijna jaarlijks 12 milliard dollar) moeten worden geroofd op den arbeid der proletarlërs, waarvan er millioenen zijn weggemaaid of verminkt. Werkloosheid en loonsverlaging moeten de bourgeoisie in staat stellen goedkooper d.i. meer-en-intensiever-uitgebuite arbeidskrachten te verkrijgen, opdat de winst niet vermindere. Strijd voorverbetering beteekent rust voor het kapitalisme. Het najagen van hooger loon of korter arbeidstijd wil zeggen: verlenging voor en verzoening met het kapitalisme. Hooger loon zou hooger prijzen voor de waren beduiden. De uitbuiting zal niet verminderen. Integendeel: arbeid voor de kapitalisten opent de noodzakelijkheid van nieuwe oorlogen ten bate der bourgeoisie. Houden de arbeiders het uitbuitingsproces in stand, dan stapelen ze bouwstoffen op voor den nieuwen krijg, die slechts een voortzetting is met andere middelen van het kapitalistisch bedrijf. Doch oorlog beteekent nieuwe moord, nieuwe slavernij, grooter lasten, geraffineerder uitbuiting.
Dan staken? Maar staking beduidt: verhongeren, en de kapitalisten in de macht der bedrijven laten. Staken beteekent: weigeren en crepeeren. Doch de bourgeoisie blijft baas!
Arbeid leidt tot steeds grooter ellende. Staken zal nog sneller naar den ondergang voeren. Daarom is het noodig, de praktijk van het nemen toe te passen, en beslag te leggen op de productiemiddelen en de voorraden met de transporten; is het onvermijdelijk, de bourgeoisie te onteigenen en de revolutie door te zetten.
Diefstal geen misdaad. Moreel wordt deze onteigening reeds voorbereid, doordat de arbeiders geen eerbied meer hebben voor den privaat-eigendom. De solidariteit gebiedt nog, het bezit der mede-proletariërs ongemoeid te laten. Maar evenals de bourgeois is zijn eigendom vogelvrij verklaard. Deze moraal is noodzakelijk, opdat in een socialistische samenleving nòch staats- nòch particuliere eigendom geëerbiedigd worde, en ieder nemen durft naar zijn behoeften. Waar de geestelijke opstandigheid veld wint, moeten alle remmen verbroken worden.

De rem der vakorganisaties. Doch het syndikalisme heeft zich reeds een rem gevormd tegen de revolutie. Het streeft er naar “den strijd voor de dagelijksche verbetering van loon- en arbeidsverhoudingen recht te doen wedervaren” (Rocker). Dit is een concessie aan het kapitalisme en zijn loonarbeid, die niet ongestraft kan blijven. Wie recht doet aan den loonarheid en de klasseverhoudingen, doet recht aan het kapitalisme. Waar twee partijen, twee klassen zijn in ’t productieproces, heeft de contra-revolutionair er alle belang bij, dat de (wisselende) verhouding steeds de productie mogelijk maakt. Hiertoe helpt het syndikalisme: de ontevredenheid der arbeiders wordt onschadelijk gemaakt door den bliksemafleider van de loonsverhooging. Het revolutionnair bewustzijn wordt afgetapt, omdat de actie in een dergelijk geval nooit berekend is op het bereiken van een revolutionnaire situatie, maar op het verkrijgen van een verzoening. De dagelijksche arbeid voor beter loons- en arbeidsvoorwaarden sluit den revolutionnairen strijd uit.
De Marxisten hebben steeds beweerd, de wettelijke met de onwettelijke methode te willen verbinden. Maar de wettelijkheid heeft hen gedood. Zoo maakt de strijd der vakorganisatie voor verbetering der kapitalistische levensvoorwaarden haar vernietiging, onmogelijk. Domela Nieuwenhuis had wèl gelijk, toen hij zeide op ’t congres te Zürich in 1893: "Opportunist en Socialist – dat kan niet te zamen gaan. Het dienen van twee heeren is uit den booze. De christenen die ’t geluk in den hemel verwachten, kunnen niet strijden voor een geluk op aarde. De socialisten, die verbetering in het kapitalisme mogelijk achten, kunnen niet tevens zijn directe vernietiging willen en daarvoor onverdeeld hun krachten geven. In het samenwerken met christelijken en katholieken wordt het revolutionnair principe prijs gegeven. Wie onderhandelt met de gele vakbeweging doet dit op de basis van het opportunisme, dat het revolutionnair socialisme uitsluit.

Het gevaarlijk beginsel. Theoretisch houdt het syndikalisme een gevaarlijk element in: dat van de overgangsperiode. Deze “dictatuur van den arbeid” beduidt: de dictatuur eener minderheid van proletariërs, georganiseerd in de vakorganisaties, wier leiders, bonzen en bureaucraten dàn de lakenszullen uitdeelen. In Rusland hebben deze syndikalistische leiders zich in den beginne geschaard naast de staatsleiders, zooals in Januari 1918. Doordat de bolsjewisten alle macht óók in de vakorganisatie wilden, is de samenwerking verbroken. Doch de leiders der syndikalisten toonen neigingen, hun gezag met dat van den staat te verzoenen in de “overgangsperiode”.
De Russische anarchisten hebben ook met de vakvereeniging gebroken, omdat ze bij ervaring weten, hoe iedere overgangsperiode van leidersdictatuur neiging heeft zich te vereeuwigen. De nieuwe (economische) dictators schaffen zichzelf en hun “overgangstoestand”. niet af, en de arbeiders worden er het slachtoffer van.

De vakorganisatie boven de arbeiders. Het kapitalisme, de staat en de kerk zijn organisaties, gevormd door den mensch, maar weldra aan zijn macht ontgroeid. Er wierpen zich leiders op, priesters en meesters, zij ’t soms zelfs gekozenen, die een zoodanigen invloed kregen op de leden, dat dezen onderworpenen werden. De mensch schiep het godsbegrip, de rechtsorde van den staat, de moraal van den privaat-eigendom – en thans is hij slaaf van zijn eigen scheppingen, waaraan hij macht toekent en de zijne afstaat. Hij gelooft, dat god, staat of patroon voor hem zorgen zullen en draagt hun zijn persoonlijke macht over. Daardoor wordt de mensch machteloos en gehoorzaamt uit blind geloof.
Zoo inderdaad vertoont zich de wisselwerking in iedere organisatie, die “praktisch” arbeidt in het kapitalisme. De vereeniging toch wordt ’n levensverzekering en voorzienigheidje, en zorgt voor haar leden, indien dezen althans haar gehoorzamen. Alle macht wordt afgestaan aan de leiders, en wanneer deze den werkloozen hun uitkeering verstrekken, worden ze met nòg grootere macht bekleed. Uitvoerders van staatswetten worden ze er aan gewoon, den wil der bourgeoisie uit te voeren. Zelfs in de bedrijven komt deze slaafsche dank voor de verkregen “medezeggingschap” uit. Toen de Delftsche fabrieken van Hillen jubileerden, schonken de uitgebuite proleten geld voor cadeaus. Het federatie-bestuur eerde de patroons mede!<ref>Zie Vrije Socialist, 7 Dec. 1921.</ref>
De bezoldigde bestuurders, in voortdurend contact met de vertegenwoordigers der bourgeoisie, zijn niet-proletariërs geworden, van hooger stand en nòg grooter gewicht. Hun funktie in het kapitalisme geeft hun een macht over de arbeiders, die hen conservatief maakt. De organisatie, de trots van den leider, wordt een verlengstuk van het kapitalisme en een aanhangsel van den staat. Maar revolutie beteekent desorganisatie, ontwrichting en vernietiging van staat en kapitalisme beide, d.w.z. desorganisatie, ontwrichting en vernietiging van hun organen, van de vakvereenigingen.
Er is overeenkomst tusschen de S.-D.A.P. in 1914 en de vakorg. in de revolutie. Indien de meerderheids-socialisten in 1914 de revolutie hadden aangedurfd, zou hun organisatie uit elkaar zijn gebarsten. Terwille van de organisatie moest de revolutie voorkomen worden. Evenzoo is het met de in het kapitalisme ingeleefde vakorganisatie, welke een wapen zal blijken tegen het proletariaat. Door de revolutie, het bezetten der bedrijven en voorraden, worden de leiders door de proletarische zelfactie overbodig gemaakt, en met hen hun vereenigingen, die afs hinderpalen vernield zullen worden. Want evenals de partij is ook de vakorganisatie een kapitalistische groepeering, en vrees voor haar ontbinding moet de leiders inspireeren tot daden, welke de werkzaamheid der arbeiders zelve verlammen, dus tot contra-revolutionnair onderhandelen.
De revolutie zal door de arbeiders zelve, en door de arbeiders alleen worden doorgevoerd met uitsluiting van politiekers en bonzen. Daarom verzetten dezen zich en prediken den “overgangstoestand.” Want ze weten, wat in een brochure van de Duitsche A.A.U. stond: “De omwenteling is een meedoogenloos vagevuur. Niets zal evenwel het proces kunnen tegenhouden. De sterkste hindernis op dezen weg zullen niet de kapitalistische machten zijn, maar die oude organisatievormen der arbeiders zelf, partijen en vakvereenigingen welke, onder het kapitalisme ontstaan, als macht boven het proletariaat staan.”

Contra-Revolutionnaire organisaties

Staat en vakorganisatie. Toen de bourgeoisie in de Fransche revolutie de overwinning had behaald, verbood ze in 1791 de arbeidersvereenigingen en stond in 1803 toe, dat patroons zich wèl organiseerden. In Nederland gold het coalitie-verbod sinds 1810, om in 1848 grondwettelijk, en in 1872 wettelijk te worden opgeheven.
Toen dus, in den bloeitijd van het kapitalisme, waren de vakvereenigingen een gevaar. De staat bestreed ze. Doch toen het kapitalisme als productie- en distributiestelsel zichzelf in allerlei conflikten verwikkelde, had het redding noodig van de zijde der arbeiders. Het vond de leuze medezeggingschap en mederegeering uit, van staats en bedrijfsdemocratie. De leiders der politieke partijen en vakorganisaties kregen functies in de burgerlijke ordening en ze werden verantwoordelijk voor de kapitalistische aangelegenheden. Een keer te meer was bewezen, dat in de kapitalistische maatschappij ieder praktisch-werkende organisatie een deel der verantwoordelijkheid, welke voordien uitsluitend bij de bourgeoisie berustte, overneemt en daarmee een plicht heeft tegenover staat en bourgeoisie. Dit beteekent, dat een dergelijke vereeniging haar vijanden gehoorzaamt op bepaalde punten en contra-revolutionnair wordt. De praktijk van het N.A.S. zal dit voldoende aantoonen.

Het N.A.S. Bij zijn oprichting ging men uit van de “zeer juiste grondgedachte”, dat er plaats moest zijn voor alle arbeidersorganisaties, “zoowel socialistische als niet-socialistische”<ref>Voor deze en volgende aanhalingen: Lansink: “Weg met het N.A.S.”</ref> Inderdaad een royale opvatting van den strijd der arbeidersklasse! Dit geschiede in 1893. In 1894 bracht men het al “organisatorisch” zoover, dat “de arbeiders niet het werk zullen staken, vóór overleg gepleegd te hebben met bedoelde besturen.” In 1921, bij den steun inzake sovjet-Rusland, had men het al heel wat verder gebracht: toen werd “geëischt”, dat de leden van het N.A.S. zich zouden onderwerpen aan “de revolutionnaire discipline”. De dictatuur der vakbonzen werd reeds aardig voorbereid. “Voor de tegenstanders van het N.A.S. moge dit een bewijs zijn, dat de eerste bestuurders van het N.A.S. ernstig poogden, de vakbeweging op organisatorisch juiste basis tot macht te vormen.” En daarvan hebben de latere bestuurders geprofiteerd: vertelde Lansink op het Duitsche syndikalisten-congres niet triomfantelijk, dat het Nederlandsche N.A.S. de “anarchistische” overblijfselen in de organisatie der N.A.U. reeds lang door strakker discipline had overwonnen? In 1901 werd een motie aanvaard dat het N.A.S. zou kunnen meedoen aan “de een of andere beweging vóór goede of tegen slechte wetten.” In 1904 werd het standpunt van den klassenstrijd aanvaard tengevolge van de opkomst van het Fransche syndikalisme. Een nieuwe, revolutionnaire orienteering scheen te naderen. Maar de bestuurders hadden meer belang bij “het herwinnen van ’t vertrouwen der arbeidersmassa”. De nog niet opgevoede, onbewuste; niet revolutionnaire massa moest gevleid worden en “gewonnen”. En het resultaat? “Zeker, op organisatorisch gebied heeft het N.A.S. veel theorie van vroeger jaren moeten uitbannen en daarvoor nuchtere en praktische maatregelen toegepast. We hebben weerstandskassen gevormd, werkloozenfondsen gesticht en er wordt in onze kringen thans anders geoordeeld over gesalarieerde bestuurders dan 15 à 20 jaar geleden.” De theorie van vroeger jaren –dat was die van het syndikalisme– is grootendeels “uitgebannen”. Men is “praktisch” geworden – en een praktisch mensch praat nog wel over revolutie, maar hij dankt den hemel, dat ze uitblijft.

Bonzen en klasse-verdeeling. In een burgerlijke organisatie als de vakvereeniging wordt de leider financieël en maatschappelijk “vrijgemaakt” van ’t proletariaat en zijn zorgen, om beter te kunnen opschieten met de patroons en meer prestige te bezitten als bestuurder. Vrijgemaakt van de proletarische klasse, komt hij terecht bij de groep “arbeidersleiders”, een merkwaardig verschijnsel in een burgerlijke samenleving, omdat deze sekte bestaat van een nieuw soort handel, die niet onwinstgevend is. Ze maakt namelijk een broodwinning van het dreigen met conflikten, om een bevredigende transactie te kunnen afsluiten. Het gaat niet om het conflikt, maar om een goed resultaat van den handel. De A.A.U. drukt het scherp uit: “De leider is de ondernemer. De partij (vakorganisatie) zijn eigendom. De andere ondernemer zijn concurrent”. Voor de leiders is de sociale kwestie opgelost. Ze zijn meester van de pers en de bureaucratie der organisaties. Ze zijn de autoriteiten in een klein staatje, die voorzienigheidje spelen voor de niet-revolutionnaire arbeiders, die georganiseerd zijn om de uitkeeringen, maar wier aantal de leiderskliek alle macht geeft, om de gansche organisatie te beheerschen en de posten met vriendjes en familieleden te bezetten.
De sabotage, wilde stakingen en desorganisatie mogen niet zonder toestemming der bonzen plaats hebben; maar dezen hebben een overeenkomst gesloten met de patroons, dat dit niet zal gebeuren, als de laatsten maar wat inschikkelijk zijn en den arbeiders medezeggingschap gunnen. “Als de arbeiders wel de moreele verantwoordelijkheid zou worden opgelegd, dan hebben ze eerst noodig het recht om, zoo al niet alleen, dan toch medezeggingschap te hebben omtrent de grondslagen van het productieproces”<ref>Voor deze en verdere aanhalingen: B. Lansink: “De Poststaking.”</ref>. Dit beteekent, dat ze niet meer mogen saboteeren, zoodra ze mede-verantwoordelijk worden voor het kapitalisme. Want medezeggingschap beteekent: mede-verantwoordelijkheid, mede-plicht. De vakorganisatie streeft daarnaar. Ze wil verzoening met de patroons op bepaalde voorwaarden: “Als de regeering had gedaan, wat ook dikwijls door een particulier werkgever gedaan moet worden, n.l. behoorlijke loonen en salarissen geven aan het post- en telegraafpersoneel, dan was de heele kwestie waarachtig zonder”revolutie" geëindigd." En verder luidt het: “Het conflikt aan de post had voorkomen kunnen worden, als de regeering zich niet liet instrueeren door Metaalbond, Centraal Overleg, Scheepvaartvereeniging etc, ten aanzien van de praktische loonpolitiek. Aan de eischen van het postpersaneel kàn worden voldaan.”
Een conflikt moet vermeden worden. De leiders weten zeer goed, dat een staking, die met geld uitgevochten moet worden, toch verloren wordt. De contributie der arbeiders in de vakorganisaties wordt voor alles gebruikt behalve voor revolutionnaire doeleinden. Andere middelen dan staking durft men niet aan, omdat dàn een revolutionnaire situatie zou ontstaan. En waar blijven de financiën? De z.g. vrije vakorganisaties in Duitschland, waarvan Rocker zegt, dat ze langzamerhand de syndikalistische methoden gaan toepassen, gebruikten 47,1% voor de parasieten en hun bureaucratie, 35,8% voor ondersteuning (als levensverzekering) en 17,1% voor strijd. Volgens het jaarverslag N.A.S. in 1909 werd besteed aan salaris, kantoor, telefoon e.d. ongeveer ƒ2400,– op een totaalontvangst van ƒ4900–, dus bijna 50% voor de bonzen-bureaucratie. Van de overige 50% blijft natuurlijk weinig over voor staking en het liefst worden dan ook conflikten met de patroons vermeden.
Niettemin wordt in sommige gevallen gretig ingegaan op de provocatie tot staking van de zijde der bourgeoisie. In de transportarbeiders-staking 1920 en de metaalbewerkers-staking 1921 heeft de bourgeoisie deze stakingen gewild. In 1920 waren schepen opgelegd en zaten de pakhuizen vol; in 1921 kon er niet geconcurreerd worden met Duitschland, zoodat de directies van Wilton, Eysink e.a. aan de bladen meedeelden, dat de staking juist van pas kwam!
Hoe staan de zaken dus? Steeds worden conflikten met de patroons vermeden, om het kapitalisme niet te verontrusten. Breekt een conflikt uit, dan is het een staking, die thans een éénsnijdend zwaard is, het proletariaat alleen treft en door de bourgeoisie wordt gewild. Er wordt wèl een eigenaardig licht geworpen op de daden van de onderhandelende vakbonzen, die de zaakwaarnemers blijken der bourgeoisie en hun organisaties laten gebruiken voor de doeleinden der patroonspolitiek.
De klasse-scheiding en verdeeling heeft dan ook haar nut voor de kapitalisten. De organisatie naar het vak of beroep heeft de arbeiders in tal van sekten verdeeld, die ieder voor hun eigen belang opkomen. Het vak-egoïsme is zoo sterk, dat iedere groep op eigen houtje zorgt voor eigen verbetering in loon en werktijd zonder zich om de rest te bekommeren. Er zijn standen ontstaan, die ieder een aparte loonklasse vertegenwoordigen. “Eenheidsloon” is een vergeten leuze geworden. Eerst de diamantbewerkers, toen de bouwvakarbeiders – wie volgt in het bereiken van den “hoogsten stand”? De werkende arbeider stoort zich niet aan den werkloze, de hoofdarbeider vormt een andere groep dan de handarbeider, de geschoolde wordt angstvallig onderscheiden van den ongeschoolde. En iedere sekte heeft een priester, een opperhoofd, dat voor de eer en glorie van zijn kerkje strijdt. De klassegenooten worden tegen elkaar opgezet ter eere der concurreerende bonzen en hun organisaties. En om hun standje te versterken vragen de leiders “uitbreiding van het aantal propagandisten.”
De clausule van het N.A.S. dat alle arbeiders kunnen toetreden “ongeacht politieke of godsdienstige meeningsverschillen” maakt het mogelijk, dat opportunisten, zelfs geloovigen toetreden. Een christen nu kan nooit revolutionnair-socialist zijn, en een hervormer geen opstandeling. Een meerderheid van het N.A.S. is lid met een beroep op deze “ongeacht” clausule. Dit bleek, toen de bestuurders de waarschijnlijkheid uitspraken, dat het overboord werpen van de werkloozenkassen zou leiden tot een verlies van de helft der leden.<ref>Zie “De Telegraaf” 12 December 1921.</ref> De werkloozenkassen hadden goed aangetoond, dat de bestuurders “de loopjongens” waren van de bureaus in Den Haag, zooals één der bonzen hetzelf uitdrukte, die liever baas was in zijn zaakje – want de vakorganisatie is hun bedrijf – dan smeekeling voor de politieke autoriteiten. Doch toen afstand gedaan werd van de werkloozenkassen, ging dit niet om het beginsel. Men wilde geen werkloozen-verzekering met premiebetaling, maar werkloozenzorg, zonder contributie, door den Staat. De kapitalistische staat wordt dus op sociaal-democratische wijze als verzorger aangewend der werkloozen. Daarbij worden dezen totaal afhankelijk van den staat, hun organisaties uitvoersters van staatswetten en hun bonzen volslagen ambtenaren, door henzelf betaald. De staat moest de werkloosheid wettelijk in stand houden.
Nu weet men, dat het kapitalisme zich slechts handhaaft en de prijzen drukt der loonen door een reserveleger van werkloozen op de been te houden. Er is dan veel aanbod van arbeidskrachten, waardoor de arbeiders onderling in arbeidsprijs concurreeren. Het is voor de bourgeoisie een levenskwestie, dit werkloozenleger in stand en vooral rustig te houden. Door de vakorganisaties nu bereikt zij dit doel. Alweer blijkt, dat de vakvereeniging een werktuig is, in handen der kapitalisten. De eisch, die het N.A.S. stelde voor de werkloozen: vol loon of productief werk, beteekent in het eerste geval staatsfilantropie, in het tweede arbeid ten gunste van de winstmakende patroons of burgerlijke instellingen! Is het wonder, dat in het burgerlijk weekblad “De Amsterdammer” van 7 Jan. 1922 te lezen stond: “Het is een verblijdend verschijnsel, dat juist van onderen af op productief werk wordt aangedrongen” en dat de bourgeoisie deze bereidwilligheid toejuicht? Het adres aan het parlement, opdat dit een regeling zou treffen inzake de werkloozenverzorging<ref>Zie “De Arbeid” 3 December 1921.</ref> bewees een keer te meer, dat afgezien was van de directe actie, en het parlementarisme als middel in den praktischen strijd was erkend, zooals reeds in 1901 was verklaard. Maar daardoor valt ook alle verschil weg tusschen N.A.S. en N.V.V. Toonen de statistieken niet aan, dat ieder kwartaal honderden arbeiders overloopen van de eene naar de andere organisatie, die n.b. verklaren, elkaars “vijanden” te zijn? Verdedigt ook de onafhankelijke vakorganisatie niet het werken in de munitiefabrieken voor den burgerlijk-kapitalistischen staat?<ref>Zie “De Vrije Socialist” 30 November 1921.</ref>

De bourgeoisie wil vakorganisaties.

Kenmerkend is, dat de bourgeoisie zélf wil, dat de arbeiders lid zijn van een vakorganisatie. Toen in Amsterdam iemand om hulp kwam bij het Burgerlijk Armbestuur, werd hem deze geweigerd “omdat hij geen lid was van een vakver. en men dus geen controle over hem had!” De vakbeweging zelf komt de autoriteiten tegemoet. In Amsterdam bood het P.A.S. aan, de distributie van gemeente-artikelen over te nemen en de “revolutionnaire(!)” vakvereenigingen waarborgden aan de zoozeer contra-revolutionnaire regeerders, dat hun visch op de beste wijze aan den man zou worden gebracht. Dat oppositie tegen dit gedoe van met de bourgeoisie konkelende bonzen onderdrukt wordt, is begrijpelijk. In “de Tabaksbewerker” van 4 Dec. 1921 staat in de correspondentie, dat een stuk niet geplaatst wordt, omdat de strekking “tegen de organisatie” gaat. De bonzen dulden geen tegenspraak. De afgescheiden groep van metaalbewerkers “Nieuw Leven” te Amsterdam schrijft: “De sterkste oppositie werd echter stelselmatig de kop ingedrukt, het werd onhoudbaar.”
En verder: “Het ’komt niet veel meer voor, maar als ge nu een bestuurder van een soc.-dem. met die van een onafhankelijke vakvereeniging hoort debatteeren, dan heeft het waarachtig veel van een ruzie tusschen twee verkoopers van Leidsche kaas over het gehalte van hun waar.” Zijn ze ook anders dan kooplui? Uit ’t Noorden is mij een geval bekend, dat de heeren b.v. 2 cent per uur meer moesten bedingen voor “hun” organisatie, en begonnen met er 3 te vragen. Met marchandeeren en afdingen hadden de patroons dan tòch toegegeven. Een prachtig voorbeeld van “directe actie.”
Het zal duidelijk zijn, dat voor een revolutionnair geen plaats is in een dergelijke burgerlijke organisatie en dat daarom de leuze zijn moet: Uit de vakvereenigingen.

Tegenwerpingen. In debatten met veel scheldwoorden van de zijde van bonzen, die zich bedreigd gevoelden in hun bestaan, worden steeds tegenwerpingen gemaakt. We zullen er enkele aanhalen.

  1. “Ge stelt u buiten de massa.” Meent men soms, de massa te revolteeren door ziekenpotten en werkloozenkassen? Ze is slechts revolutionnair te maken door den strijd, in de revolutie, begonnen door het voorbeeld van enkelingen, als Machno in Rusland, Hölz in Duitschland, Groenendaal en de menschen van den bomaanslag hier te lande. De werkelijke revolteering geschiedt door onverzoenlijken strijd tegen de patroons in het voortdurend pogen, de bedrijven en transporten te bezetten, tot de onteigening gelukt.
  2. “De arbeiders zijn erniet rijp voor.” Daarom maken we propaganda om ze bewust te krijgen.
  3. “De massa wil de bonzen”. Ze wil ook kerken, priesters enz. Het is onze taak, haar zoodanig te revolteeren, dat ze hen niet langer wil. Meent men soms, dat de bonzen dit doen zullen, dat ze de arbeiders zoodanig opvoeden, dat ze zelf overbodig worden? Evenmin als de staat anarchisten opvoedt, kweekt de vakorganisatie opstandelingen.
  4. “De vakorganisatie vormt antimilitaristen”. Daarom werken haar leden zeker in munitiefabrieken en vroeg het N.A.S. tijdens de mobilisatie voldoende uitkeering voor de gezinnen der soldaten?
  5. “Ge ondermijnt het vertrouwen in de leiders”. Juist. Wanneer de arbeiders geen enkele zaak-waarnemer meer vertrouwen, zullen ze zelf-doen.
  6. “Eerst moet de meerderheid bewust zijn,” ’t Praatje van de S.D.A.P. Als we wachten moeten op de massa (behalve dat het demoraliseert) wie zal die massa dan vóórgaan? Iedere revolutie wordt begonnen door een minderheid, een enkeling. Geschiedt dit niet, dan blijft ze uit. En meent men soms, dat als 10 pCt. der arbeiders revolutionair zijn, dezen wachten zullen op de 90 pCt. onverschilligen en zich zullen laten binden door een steeds sterker wordend kapitalisme?
  1. “Ge hebt geen praktische ervaring”. Moet men autoriteit geweest zijn, om het gezag te kunnen bestrijden; kamerlid, om het parlementarisme te bekampen, vakorganisatie-man, om de vakbeweging te bestrijden?
  1. “Tal van arbeiders hebben geleden en gestreden voor hun organisaties”. De christelijke kerk heeft honderden martelaars: tóch zal ze verdwijnen.
  2. “Het N.A.S. streed voor uitbreiding van stakingen.” De staking is een stok, om een voordeeligen afloop van een handelstransactie te verkrijgen. Men wil uitgebreide staking, om ’t conflikt zoo spoedig mogelijk op te lossen, om zoodra mogelijk ’n verzoening te bereiken. Nooit om een revolutie te ontketenen.
  3. “Tal van organisaties verlaten den loonraad”. De loonraad is slechts één der vormen van parlementarisme. Bij ieder conflikt werdt de oplossing tóch gevonden door onderhandeling, zoodat iederen dag de bonzen in relatie treden met de patroons.
  4. “Als één eisch is ingewilligd, stellen we nieuwe tot we alles hebben.” Afgeluisterd van de S.D.A.P. Maar als de patroonseischen inwilligen, geschiedt dat onder de voorwaarde, dat de arbeiders verantwoordelijk worden voor de stipte naleving der overeenkomst. Hoe meer concessies de patroons doen, hoe meer de arbeiders verantwoordelijkheid en plicht op zich laden tegenover de bedrijven der bourgeoisie. De sociaal-democraten zijn verantwoordelijke wethouders en ministers geworden. De vakbonzen zullen dezelfde verantwoordelijke functies krijgen in het productieproces der bourgeoisie. Het resultaat is de volkomen aanpassing aan het kapitalisme.
  5. “Als de kapitalisten een aanval doen op de loonen en arbeidstijden der arbeiders, moet er dan niets tegen gedaan worden?” Een staking is een eensnijdend zwaard, dat ’t proletariaat verzwakt en tot resultaat heeft: verzoening. De arbeiders verarmen, en de patroons blijven de baas. Het eenige middel is: de arbeiders in ’t bezit van bedrijven en voorraden en de eigenaren er uit; dit strijdmiddel doet een revolutionaire situatie ontstaan. Het beteekent de onteigening der bourgeoisie en de directe strijd daartoe.
  6. “We zijn genoodzaakt lid van een vakorganisatie te zijn. Hetzij door een collectief contract (typografen) of door niet te missen uitkeeringen.” Welnu, juist in het geval met ’t collectief contract (waarbij de organisaties aan de patroons dier winsten waarborgen) ziet men, hoe de vakorganisatie een staat in den staat is (gedwongen onderwerping aan de wetten) en dus als organisatievorm èn als kapitalisch aanhangsel, uiterst burgerlijk-conservatief. Men is lid van de vakorganisatie zooals men als gedwongen staatsburger belasting betaalt, en vernietiging is een gebiedende eisch. Dàn, wanneer men de vakorganisatie beschouwt als een fatsoenlijke armenzorg en nog niet zoover is als de hongerlijdende proleten tijdens de mobilisatie, die met minachting voor alle privaateigendom namen wat ze noodig hadden, laat men haar dan ook als burgerlijk-filantropische instelling beschouwen. Maar niemand zal toch willen beweren, dat deze armenzorg-taktiek revolutionair is en naar de omwenteling leidt?

Wat te doen?

Geen organisatie, maar actie. In het kapitalisme beteekent practische organisatie het kweeken van een groeps-conservatisme, een behoudzucht om behaalde “voordeelen” onder dit regiem niet te verliezen. De organisatie heeft een positie veroverd, en weet, dat ze die zal verliezen door de revolutie. De revolutie beteekent actie, en een vernietigende actie. Doch terwijl ze het burgerlijke afbreekt, schept ze nieuwe organen, die zuiver proletarische werktuigen zijn tot het dóórzetten der revolutie, op den grondslag der bedrijfsproductie en transport-distributie, zoodanig, dat deze in handen der arbeiders komen, met uitsluiting van politiekers en bonzen, omdat dezen door onderhandelen het strijdende proletarlaat in den rug treffen door verraad, zooals in Italië, en in Duitschland met Max Hölz. De Russische revolutie van 1905 die de “raden” en de Duitsche opstanden na 1918 die de “Arbeiter-Unionen” verwekte, zijn de voorbeelden van proletarische organen door en na de actie, Het gevaar is groot, dat hun voortbestaan in een kapitalistisch milieu (dat de revolutie overwon) leidt tot verwatering of verandering van karakter. Daarom kunnen de proletarische organen slechts revolutionnaire werktuigen blijven door onophoudelijke, het kapitalisme en den staat verwoestende acties, die geen stilstand, geen concessie, geen compromis en geen onderhandelen dulden.
Tot nu toe waren de arbeiders siechts geprostitueerde middelen voor de bonzen en hun organisaties of partijen. Het tijdperk is ingeluid, dat door eigen daden het proletariaat zichzelf van zijn kracht bewust gaat worden en van zich afwerpt al wat in den weg dreigt te staan op de banen naar de bevrijding. De strijdende voorhoede der proletarische klasse in de bedrijven der bourgeoisie heeft haar grootste vijanden te zien in de van haar losgemaakte leiders. Slechts de geestkracht en de solidariteit der arbeiders als klassegenooten, welke de scheidenge sekten met hun bonzen vernietigen, kan de boeien der burgerlijke instellingen verbreken. Reeds klonken de kreten der Russische anarchisten, door de leiders en autoriteiten verraden. In de fabrieken van Italië en de gevangenissen van Duitschland worden de opstandelingen geknecht, die boeten voor hun breuk met de bonzen. Maar als schrikwekkende vonnissen over deze maatschappij met al haar organisaties dreunden de schoten der gewapende opstandelingen met Machno in Rusland, met Hölz in Duitschland; barstten de ontploffingen uit door aanslagen van arbeiders, ook hier in het achterlijke land der verzadigde nieuwe priesters. Tot nu toe hebben niet-proletariërs het socialisme gepropageerd in lange artikelen en schoone redevoeringen. Wanneer de arbeiders spreken zullen, dan zal dit niet zijn in welluidende zinnen of in “krachtig applaus”. Hun ontwaking zal verschrikkelijk zijn voor ieder, die niet naast hen staan zal, omdat het lang gemarteld en eindeloos verraden proletariaat zich wreken zal op den dag der meedoogenlooze afrekening.

14 Januari 1922.
A.L. Constandse.

–EINDE–

<references />