Dache, Gustave - De opstandige en revolutionaire staking van de winter van 1960-1961

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken

Bestand:Dache, Gustave - De opstandige en revolutionaire staking van de winter van 1960-1961.pdf


Uitgegeven door Marxisme.be 2010

Linkse Socialistische Partij

Hovenierstraat 45

B-1080 Sint-Jans-Molenbeek

02/345.61.81 - info@socialisme.be

www.socialisme.be - www.marxisme.be

Wettelijk depot 20/12/2010

Auteur: 26051936


Eerbetoon aan de vier stakers die in 1960-61 door de rijkswacht werden vermoord

Bij de herdenking van de vijftigste verjaardag van deze algemene staking, waaraan dit boek bijdraagt, gaan onze gedachten uit naar de vier kameraden-stakers die door de rijkswacht in dienst van de burgerij werden vermoord. De herinneringen hebben me nooit verlaten. Ik ben hen nooit vergeten. Ik wil hier dan ook hulde aan hen brengen, want ze zijn gevallen aan het front, in de strijd, in een meedogenloze klassenstrijd, voor de nobele zaak van de arbeidersklasse van het hele land.

Boutet Albert, 25 jaar

Rodder Laurent, 25 jaar

Vanderstrappen Francis, 30 jaar

Woussen Joseph, 32 jaar


OPMERKING AAN DE LEZER

Tijdens de lectuur van dit boek zal de lezer merken dat ik verschillende citaten uit andere boeken opneem met als doel alle tegenstellingen en verraad aan het licht te brengen van diegenen die zich voordeden als verdedigers van de werkende klasse. Het doel is echter ook en vooral om aan te tonen welke politieke en revolutionaire mogelijkheden er bestonden, evenals de vastberadenheid en de kracht van het proletariaat in een strijd op leven en dood tegen het kapitalistische systeem.

De lezers zullen enkele herhalingen gewaar worden en ik wil me hiervoor reeds verontschuldigen. Maar ongetwijfeld weet de lezer ook dat je een spijker enkel goed kunt bevestigen als je er meermaals op klopt. Bovendien is het onvermijdelijk dat in een verslag van de acties van dag tot dag een aantal herhalingen voorkomen.


NOTA INZAKE DE VERTALING

De vertaling van dit boek is niet het werk van professionele vertalers, maar van politieke militanten van LSP. Er is geprobeerd om zoveel als mogelijk de oorspronkelijke stijl en alle nuances te behouden. Citaten uit andere werken werden waar mogelijk uit Nederlandstalige vertalingen gehaald. Indien er geen Nederlandstalige vertaling bestond, werden eigen en bijgevolg vrije vertalingen gemaakt. Daar waar wordt verwezen naar organisaties die op het ogenblik van de algemene staking op Belgisch niveau waren georganiseerd, wordt in de vertaling de Nederlandstalige naam gebruikt.


Inhoudstafel

Voorwoord door de auteur

Voorwoord door Eric Byl

Mijn intrede in de fabriek en het begin van de syndicale en politieke strijd

Arbeidersgetuigenis van de “staking van de eeuw”

De positie van het Belgische kapitalisme voor de algemene staking van 60/61

De algemene staking dag na dag

De algemene staking is beëindigd, de strijd gaat verder

Het centrisme van André Renard en de gevolgen voor de arbeidersbeweging

De onduidelijkheid van de structuurhervormingen en de strijd voor de macht

La Gauche en Mandel, loopjongens van André Renard

De politieke tegenstrijdigheden van La Gauche en Mandel

De Communistische Partij en de Mars op Brussel

De opstandige en revolutionaire algemene staking

De rol van minderheden in de algemene staking

Na de algemene staking, de strijd gaat verder

De oprichting van de Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste

Het mislukken van de Mouvement Populaire Wallon

Als Ernest Mandel de verdediging van André Renard opneemt

Poging om het mislukken van het entrisme te verklaren

De staking bij Hanrez: de vervolging van de trotskisten gaat voort

Conclusie

Slotwoord

Dankwoord

Lijst van afkortingen

Ter herinnering aan de trotskistische veteranen uit de regio-Charleroi

Bibliografie

Credits voor de foto’s

I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI

XII

XIII

XIV

XV

XVI

XVII

XVIII

9

15

26

36

41

53

153

162

182

187

214

221

227

237

246

256

269

277

284

294

305

321

329

330

331

333

338

Gustave Dache en Roberto D’Orazio op een betoging voor werk op 15 mei 1997 in Charleroi (i)


9

Voorwoord van de auteur

Met het huidige werk pretendeer ik niet de geschiedenis van het grootste sociale gevecht van de hele Belgische arbeidersbeweging te schrijven. Mijn ambitie beperkt zich tot een getuigenis van de ervaring van een arbeider, een basismilitant. Laat het mij toegestaan zijn hiermee een bescheiden bijdrage aan de arbeidersstrijd te leveren. Een bijdrage aan deze voorbeeldige strijd die het mooiste voorbeeld van strijdbaarheid, van bereidheid tot zelfopoffering is die men mogelijkerwijze kan geven. Dit gevecht is onvergetelijk voor allen die eraan hebben deelgenomen. Het is ‘de algemene staking van de eeuw’, de meest omvangrijke, die door de arbeiders van het hele land is gevoerd. Vijf weken van volledige algemene staking in alle sectoren, midden in de winter. Er is geen precedent in de geschiedenis van dit land. Omdat we ondertussen een halve eeuw verder zijn leek het mij belangrijk de gebeurtenissen met hun uitzonderlijke draagwijdte objectief weer te geven, evenals de opstandige en revolutionaire implicaties die ze met zich meebrachten. Bij gebrek aan een scherpe analyse, aan het trekken van alle nodige conclusies en aan het overbrengen van de ervaring, riskeert de voorhoede van de arbeidersklasse dezelfde fouten te begaan als destijds. Maar is de studie van een algemene staking vandaag nog relevant, vijftig jaar na het gebeuren? Ik denk dat het altijd belangrijk is te refereren naar de grote revolutionaire gevechten uit het verleden om er zoveel mogelijk lessen uit te trekken voor de toekomstige strijd. Want ook al is de wereld sindsdien veranderd, de klassenstrijd blijft onveranderd aanwezig. Deze ervaring moet de jonge generaties geenszins ontnomen worden. Dit boek is ook geschreven om terug te komen op de uitzonderlijke demonstratie van de kracht van de strijd die door de arbeidersklasse tentoongespreid werd, waarbij aangesloten werd bij de revolutionaire tradities, die in staat zijn de kapitalistische samenleving omver te werpen. Het feit dat in 1960 en 61 de arbeiders er zo dicht bij waren in hun poging te slagen, moet alle marxistische revolutionairen aanzetten tot het voortzetten van de strijd en tot het onvermoeibaar herhalen van wat ze al lang zeggen: de historische voorwaarden zijn rijp voor de socialistische revolutie. Wat vandaag net als gisteren ontbreekt, is een onverschrokken revolutionaire leiding die een voorbeeld neemt aan en zich steunt op de stoutmoedigheid en de strijdwil van de massa’s in actie in de grote klassenconflicten.

Ondanks haar belangrijk historisch karakter heeft ‘de staking van de eeuw’ niet geleid tot een overvloedige hoeveelheid aan publicaties, studies of werken. Er waren enkel een kort verslag voor het statutaire congres van het ABVV in 1962, enkele persartikels, videocassettes die de verjaardagen herdenken, bovenop de gesprekken, interviews en enkele zeldzame geschriften gerealiseerd door enkele syndicale en politieke verantwoordelijken, grotendeels mensen die rechtstreeks betrokken waren in de leiding van het conflict en een groot deel van de verantwoordelijkheid dragen voor de uitkomst van de staking.

We vinden anderzijds ook enkele werken terug van professoren, sociologen of historici, waarvan enkelen onder officiële patronage werden uitgegeven. Ik denk echter dat de auteur het recht heeft vragen te stellen over hun objectiviteit gezien ze gepubliceerd werden met de steun van het Ministerie van Onderwijs in 1962 en het Ministerie van Onderwijs en Cultuur in 1963, zoals René Deprez het aanduidt op pagina vijf in zijn werk ‘La Grande Grève de décembre 1960 – Janvier 1961’ (dit is ook het geval bij Robert Gubbels en Valmy Jeaux). Overigens weten we ook dat bepaalde intellectuelen behept zijn met vooroordelen die ongunstig zijn voor de arbeidersklasse. Zo blijft een universitaire opleiding in grote mate gedomineerd worden door de ideologie van de burgerij als heersende klasse in de huidige samenleving. Dat is o.a. het geval bij René de Saedeleer in zijn ‘Grève, Syndicalisme et Démocratie’ (Desoer publicaties, Luik, 1961). De laatst aangehaalde geschriften zijn in mijn ogen sociologische werken. Mijn werk daarentegen is totaal anders: het benadrukt de acties die verbonden zijn aan de revolutionaire strijd die het Belgische proletariaat energiek aan de dag legde van het begin tot het einde van dit conflict.

Door zich strikt tot een wetenschappelijk onderzoek naar de algemene staking te beperken, zijn deze auteurs er volgens mij niet in geslaagd de volledige politieke draagwijdte van de diepgaande revolutionaire activiteiten van de massa’s bloot te leggen. Naast deze werken is er, met uitzondering van het ACOD-document ‘Beeld van een staking’ door Fernand Demany, geen enkele ernstige studie gepubliceerd door de grote traditionele organisaties zoals ABVV of BSP. Die waren nochtans rechtstreeks betrokken bij dit voor de Belgische arbeidersklasse doorslaggevende evenement. Het is alsof deze voorvallen met historische betekenis geen diepgaande studie vanwege de grote officiële organisaties waard zijn, alsof het zo snel mogelijk geklasseerd moet worden in de archieven van de arbeidersstrijd uit het verleden, een strijd die niet langer kadert in zijn tijdperk omdat de plotse opkomst en de kracht ervan zelfs de meest aandachtige activisten met verstomming had geslagen. Dit conflict heeft het kapitalistische regime op zijn grondvesten doen daveren; maar het werd door de sceptici en de reformisten al snel beschouwd als een zo vlug mogelijk te vergeten ongeval in de actuele geschiedenis. Deze werken hebben voor mij niet allemaal hetzelfde nut gehad. Desalniettemin hebben een aantal ervan me toegestaan om aan te tonen wat er zich toen afspeelde. Ik was rechtstreeks betrokken in de strijd, op mijn strijdplaats als stakende arbeider aan de basis, als vakbondsmilitant van het ABVV, als voorzitter van de afdeling van de Jeunes Gardes Socialistes (JGS, in het Nederlands: Socialistische Jonge Wacht of SJW) in Gilly, als lid van het centraal comité van de BSP in Gilly, als vice-voorzitter van de SJW-federatie van Charleroi en lid van het nationaal bureau van de SJW; ook als trotskistisch militant, lid van de Vierde Internationale die aan entrisme in de BSP deed. Het was dan ook niet moeilijk voor mij om de realiteit van de dagelijkse strijd te toetsen aan de verschillende werken en er de nodige conclusies uit te trekken. Bovendien heb ik me voor dit werk voornamelijk gebaseerd op documenten, toespraken, discussies tijdens de algemene vergaderingen – voor, tijdens en na de algemene staking – van de leiders van de officiële syndicale en politieke organisaties.

Deze keuze is selectief en politiek. Ik heb niet de pretentie de kwestie uit te putten noch me op te werpen als iemand die lessen te geven heeft.

Ik heb me niet enkel willen houden aan een chronologisch relaas van de gebeurtenissen, ik wilde er vooral een politiek en syndicaal geëngageerd relaas van maken. Naar mijn weten zijn er immers zeer weinig of zelfs geen militante arbeiders aan de basis in de fabrieken die over deze algemene staking hebben geschreven. Doorgaans beschrijven de arbeiders strijdbewegingen niet, ze beleven ze. In de interne dynamiek toonde de algemene staking met een ongeëvenaarde intensiteit alle mogelijkheden, alle capaciteiten van het diepgaande opstandige en revolutionaire karakter van de arbeidersbeweging. Dit karakter was van een dergelijk belang dat ik het de centrale plaats heb gegeven die het rechtmatig toekomt; een historische plaats. Ik heb mijn aandacht vooral gevestigd op alle revolutionaire mogelijkheden die deze algemene staking opperde.

Ik geef toe te denken dat de vorige studies van dit delicate politieke onderwerp daar onvoldoende aandacht aan hebben geschonken of dit onderwerp hebben vermeden en dat om evidente redenen, met name omwille van de verantwoordelijkheden die een dergelijke gebeurtenis met zich meebrengt.

In dit boek wil ik de voornaamste redenen naar voren brengen die de beweging hebben afgeremd en afgeleid naar exclusief Waals-nationalistische en chauvinistische doeleinden. Dit creëerde een onbehagen onder de arbeiders en had de federalistische afleiding tot resultaat, een doel waaraan de hele arbeidersklasse nooit haar volledige overeenstemming gaf.

Meteen vanaf het begin van het conflict heeft het latente maar diepe ongenoegen zich gekeerd tegen het kapitalistische regime, zoals Fernand Demany het zeer correct weer geeft:

“Wat begon als een defensieve beweging, werd al gauw een onweerstaanbaar offensieve staking tegen het economische regime zelf.” (Fernand Demany, ‘Beeld van een staking’, p.8)

Kan men vandaag, na zoveel tijd, sereen en politiek objectief over deze grote beweging spreken zonder alle wensen voor werkelijkheid te nemen? Ik denk het wel, hoewel we allemaal weten dat passie het objectieve oordeel kan aantasten. Maar het is evenzeer zo dat we de realiteit recht in het gezicht moeten kijken, anders zien we deze helemaal niet meer.

Het is te danken aan gesprekken met meerdere kaders van de Linkse Socialistische Partij (de Belgische afdeling van het Comité voor een Arbeiders Internatio12


DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

nale) dat ik me aangemoedigd voelde mijn getuigenis over de algemene staking te reconstrueren in de vorm van dit boek. Bovendien hebben ze de wens uitgedrukt dat ik tegelijk mijn syndicale en politieke traject als trotskistisch militant naar voren zou brengen en dit zowel voor, tijdens als na dit grote klassenconflict.

Het is altijd moeilijk gebeurtenissen uit het verleden met de nodige objectiviteit te actualiseren. Het is daarom dat ik alles doe wat in mijn macht ligt om dit te vermijden. Om het werk aan dit boek aan te vatten, heb ik eerst beroep gedaan op mijn nog steeds zeer levendige herinneringen, evenals mijn documentatie, mijn archief, mijn persoonlijke notities en mijn dagboek van de strijd, dagelijks bijgehouden in het heetst van de strijd. Maar deze notities, ook al werden ze lang bijgehouden, hebben geen enkele waarde indien anderen er niet van kunnen profiteren. Dit is wat ik met mijn boek wil bereiken.

Het boek bevat uiteraard persoonlijke gevoelens en standpunten, maar die werden ook gedeeld door vele andere stakers tijdens en na het conflict. De politieke lessen die ik na de staking heb getrokken, blijven tot op vandaag nagenoeg ongewijzigd. De ervaringen die ik mijn hele levensloop als militant heb opgedaan, hebben ze verder bevestigd en versterkt.

Daarom breng ik vandaag mijn standpunten en kritieken op een versterkte en gerijpte wijze naar voor. Ik verwijs naar de belangrijkste feiten en becommentarieer deze zoals ik het had kunnen doen op het einde van de algemene staking. Maar om mijn geheugen op te frissen, het is immers vijftig jaar geleden, heb ik ook de kranten van die tijd geconsulteerd. Om mijn informatie te verdiepen, heb ik ook enkele zeldzame uitgaven (zie de lijst in de bibliografie) geraadpleegd.

Opdat de lezer de diepgang van de gebeurtenissen zou kunnen vatten met ook de latente mogelijkheden die deze revolutionaire en uitzonderlijke beweging bood, leek het me nuttig om een chronologie van de gebeurtenissen van dag tot dag te brengen en daarbij een beeld te geven van de sfeer en de context die er toen heerste. Om dat te kunnen doen, heb ik beroep gedaan op drie teksten die zeer kort na de algemene staking werden geschreven en volgens mij dicht bij de objectieve realiteit staan. Toch is dit boek geen herhaling van deze werken.

Voor het dagelijkse relaas van de algemene staking was vooral de tekst ‘La grève générale Belge de 1960-1961’ van Serge Simons (Correspondance Socialiste, n° 8) nuttig. Het maakte een uitgebreid en gedetailleerd onderzoek naar de mediaverslagen van die tijd overbodig. Naast de feiten, vond ik het ook belangrijk om mijn getuigenis te brengen door in te gaan op de sfeer alsook een aantal feiten en acties doorheen het hele land. Verder waren er ook twee brochures uit trotskistische hoek die nuttig waren voor een meer precieze analyse en politieke kritiek op de tendens ‘La Gauche’ binnen de BSP, op de KPB, op de tendens Renard en op de vakbondsleidingen van ABVV en ACV alsook op de pseudomarxisten en liquidatoren van het trotskisme. Het gaat om twee brochures van de Lambertistische tendens, ‘La Vérité’ nrs 522 en 523 en ‘Quelques enseignements de la grève générale Belge de 1960-1961’ door Gérard Block. d o a v d oo oo o o v a Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw an an e e ertu ertu 13 In die drie teksten, waar ik heel wat inspiratie in vond voor dit boek, heb ik bepaalde inschattingen van de feiten teruggevonden die ik zelf verdedig. Maar het is vooral tijdens de gebeurtenissen zelf, in de dagelijkse acties op straat, dat ik het meeste heb geleerd. Het is daar dat ik de meeste politieke opvattingen heb opgedaan die ik nu naar voor breng. Bovendien heb ik doorheen het schrijven van dit boek en het lezen van verschillende teksten opnieuw een gedetailleerd beeld kunnen vormen van de strijd die we samen hebben geleverd. Mijn getuigenis zal misschien tot politieke reacties leiden, tot polemiek en controverse. Dat is zeer welgekomen. Uiteindelijk zal dit werk daardoor immers een van zijn doeleinden hebben bereikt. Ik hoop dat alle kritieken die op mijn werk geuit zullen worden de bedoeling hebben politiek objectieve lessen te trekken uit deze algemene staking zonder weerga teneinde de belangen van de arbeidersklasse te dienen, en niet enkel van een beweging, een groep, een tendens of welke politieke partij dan ook.

Ik denk ook dat zij die van dichtbij aan deze gebeurtenissen hebben deelgenomen het recht en de plicht hebben er te blijven over praten opdat een gebeurtenis van een dergelijke politieke en revolutionaire draagwijdte in het geheugen van de arbeidersklasse gegrift zou blijven. Door er niet over te praten, bestaat het risico dat de arbeidersklasse van geschiedenis beroofd wordt.

Ik ben er me vaak bewust van geweest dat de politieke implicaties van deze opstandige en revolutionaire algemene staking, evenals de politieke en historische lessen van de beweging, niet aan de jonge generaties zijn overgebracht op een manier die de gebeurtenissen waardig was. Men heeft deze uitzonderlijke ervaring als het ware weggeknipt vanuit de wil van de leiding van de grote reformistische organisaties. Twee generaties arbeiders hebben geen informatie ontvangen over de ontwikkeling van deze beweging. Het is dus noodzakelijk de zin en de politieke draagwijdte ervan duidelijk te maken.

Kunnen we vandaag, zoals gisteren, met de grootste openheid en koelbloedigheid de verpletterende verantwoordelijkheid van de politieke en syndicale leiding beoordelen inzake het mislukken van het conflict in december 1960 en januari 1961? Kunnen we in alle vrijheid onze gevoelens en bedenkingen uiten, met zorg voor objectiviteit en zonder volgzaamheid tegenover de apparaten van de arbeidersbeweging van gelijk welke aard - reformisten, stalinisten en pseudomarxisten? Als dat niet het geval is, kunnen we beter onze mond houden.


14 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 15


Voorwoord door Eric Byl

Het moet veertien jaar geleden zijn dat ik Gustave Dache voor het eerst ontmoet heb. Het was tijdens de algemene vergaderingen op de bedrijfsterreinen van het toenmalige staalbedrijf Forges de Clabecq, dat bijna een jaar lang in stand werd gehouden door de arbeiders nadat de directie eind 1996 met de noorderzon vertrokken was. Ze weigerden de site te laten verkommeren. Onder deskundige begeleiding van de vakbondsvertegenwoordigers in het Comité voor Veiligheid en Gezondheid, onder wie de communistische arbeider Silvio Marra, werden de hoogovens vakkundig gedoofd. Dat was in hun eigen belang. Heel wat arbeiders woonden in de wijde buurt van de site. Bij insijpelen van vocht dreigde ontploffingsgevaar dat heel de gemeenschap van de kaart zou vegen. Maar ook zonder explosie zou verwaarlozing van de site het bedrijf waardeloos maken.

Er zijn heel wat zaken in het verloop van die strijd die een diepe indruk op mij lieten. Het belangrijkste was het verantwoordelijkheidsgevoel van de arbeiders en de spontane taakverdeling, niet alleen onder de arbeiders, maar ook onder hun echtgenotes en de hele gemeenschap. Terwijl het Comité Veiligheid de site in stand hield, werkten de vakbondsvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad een plan uit om de site te redden. Ze berekenden de vereiste investering om de site te moderniseren en de 1800 banen en inkomens te redden op 5 miljard Belgische franken, zo een 125 miljoen euro, een fortuin voor ieder arbeidersgezin, maar ook toen al een peulschil voor de banken en de overheid. De arbeiders waren er zich bewust van dat ze dit bedrag niet zomaar in de schoot geworpen zouden krijgen. Samen met de syndicale delegatie werkten ze een strijdplan uit. Op regelmatige basis, was het nu wekelijks of iets minder, dat weet ik niet meer, kwamen ze samen in een leegstaande hal van de site die gemakkelijk een paar duizend deelnemers kon bevatten. Zoals de meeste arbeiders realiseerden ook de syndicale delegaties, zowel van ABVV als ACV, zich dat hun talloze tegenstanders hun acties zouden trachten te criminaliseren in de hoop dat ze zouden afbrokkelen. Daarom wilden ze iedereen betrekken. Wie niet verscheen op de algemene vergadering werd aan huis bezocht om zeker te zijn dat hij en zijn gezin de inzet van iedere actie en iedere uitspraak in de juiste context konden plaatsen.

Dit conflict was er geen tussen de syndicale delegaties en het front van patroons en politici. Het ging hier over de toekomst van alle arbeiders en hun gezinnen en bij uitbreiding van heel de gemeenschap van Clabecq en omstreken. De delegatie stond dan wel aan het roer, maar wou iedereen actief betrekken. Met minder dan 1.000 arbeiders weigerde de delegatie om de bedrijfsterreinen te verlaten om politieprovocaties te vermijden die het conflict in een slecht daglicht konden stellen.

De leiders waren sterke karakters, gestaald door jarenlange strijd voor de rechten van de werknemers. ABVV-hoofddelegee Roberto D’Orazio, was bovendien een uitzonderlijk getalenteerde spreker, een talent dat hij gevoed had door jarenlange

16 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

praktijk, ook toen hij nog een minderheid vertegenwoordigde in de syndicale delegatie. Hij werd op de handen gedragen door de arbeiders, zowel die van het ABVV als die van het ACV. De burgerlijke media en de politici hadden dat talent uiteraard ook opgemerkt. Ze verweten hem demagogie en afhankelijk van de situatie beschreven ze hem nu eens als de rode paus, dan weer als een Siciliaanse maffialeider met een racistische ondertoon omwille van zijn Italiaanse afkomst.

De reden waarom Roberto zo een straffe spreker was, is nochtans niet ver te zoeken. Hij moest enkel de waarheid vertellen, een waarheid die de arbeiders van Clabecq en ver erbuiten, dagelijks ondervonden. Dat is een veel betere basis om retorisch talent te ontwikkelen dan het verpakken van halve waarheden en leugens in spitsvondige oneliners, de hoofdbezigheid van zowat al onze politici en hun talloze spindoctors. De arbeiders van Clabecq waren gestaald door het dagelijkse harde labeur en een lange traditie van strijd. Ze kenden het belang van organisatie en vrijwillige zelfdiscipline. Het waren geen zacht gekookte eitjes en D’Orazio leek wel de levende uitdrukking ervan.

Ze hielden niet van praat voor de vaak die niet leidt tot praktische conclusies en ordewoorden. Het waren mannen van de daad. D’Orazio en de kern van de syndicale delegaties waren in staat om ingewikkelde ideeën op een eenvoudige en begrijpelijke manier op massameetings te vertalen. Ze begrepen dat ze de strijd niet konden winnen op de terreinen van de Forges alleen. Op hun massameetings was iedereen die hun strijd wou ondersteunen welkom. Na deze massameetings ging er dikwijls nog een aparte vergadering door met alle bezoekers, wat later aanleiding gaf tot een arbeiderslijst voor de Europese verkiezingen van 1999 onder de naam Debout en het leidde ook tot de vorming van een syndicale linkerzijde onder de naam Beweging voor Vakbondsvernieuwing.

Die bezoekers waren strijdbare delegees van andere bedrijven, af en toe een vakbondssecretaris en militanten van radicaal links. Als er dan iemand al eens te nadrukkelijk zijn kennis wou etaleren, werd die al snel op zijn plaats gezet. Door sommigen werd D’Orazio daarom afgebeeld als een bullebak met ondemocratische neigingen. D’Orazio kon af en toe eens ongeduldig worden en bulderen kon hij als geen ander, maar dat is vorm, verpakking, wat telt is de inhoud. Welke syndicale delegatie had het, zeker in die periode, aangedurfd om haar beleid te laten bepalen door regelmatige algemene vergaderingen? Welke syndicale delegatie stelde de deuren tijdens het conflict open voor iedereen die de strijd wilde ondersteunen?

De arbeiders van Clabecq moesten opboksen tegen heel het arsenaal van het establishment, van politici over media en rechters tot het repressieapparaat. Geen enkele kracht is opgewassen tegen de arbeidersbeweging, zolang die aaneen is gesmeed. Op 2 februari ’97 beantwoordden maar liefst 70.000 betogers de oproep van de syndicale delegatie van Clabecq voor een multicolore mars. Dat is meer dan het drievoudige van het inwonersaantal van de fusiegemeente Tubize waarvan Clabecq een deelgemeente is. Ze realiseerden dit zonder de minste steun vanwege de vakbondsapparaten. Op diverse ogenblikken tijdens het conflict werden de arbeiders l d o r ddd oo oo o r o Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw or or or or Eci ci By 17 door de politie geprovoceerd en af en toe vielen er rake klappen. Eind maart ’97 ensceneerde de Rijkswacht, ondanks een formele toelating om gedurende een uur de E19 autosnelweg te blokkeren, een hinderlaag. De charge van de Rijkswacht werd echter uiteengedreven door de arbeiders die hun bulldozers inzetten om de weg vrij te maken en over een groter weerstandsvermogen beschikten dan de doorsnee betoging van anti- en/of andersglobalisten.

Naarmate heel het establishment zich tegen de arbeiders van Clabecq keerde en de vakbondsapparaten weigerden de strijd uit te breiden naar andere bedrijven en sectoren, groeide de frustratie. Het establishment speelde daarop in. Zo kwamen arbeiders op een linke wijze te weten dat curator Alain Zenner en enkele directieleden een zakendiner hielden in een nabijgelegen toprestaurant. Enkelen sprongen onmiddellijk in hun wagen en reden erheen, met vertraging gevolgd door D’Orazio die het ergste vreesde. Toen hij daar aankwam, stond Zenner al voor de camera’s te paraderen met een bloedneus. Hij trachtte nog D’Orazio zelf als agressor aan te duiden maar moest daar wel op terugkomen. Enkele jaren later werd Zenner voor deze dienst beloond met een post als staatssecretaris, van fraudebestrijding nog wel. D’Orazio en de leiders van de beweging hebben steeds opgeroepen om niet in te gaan op de talloze provocaties. Toch hebben ze nooit, zelfs niet één keer, geweigerd om hun verantwoordelijkheid op te nemen en hebben ze steeds de betrokken arbeiders in bescherming genomen. Ze wisten heel goed dat niet die arbeiders, maar de weigering van de vakbondsapparaten om de strijd te vervoegen en uit te breiden, deze wanhoopsdaden verklaarden.

Tegen die van Clabecq was niemand opgewassen, tot er een kracht opstond die zich op dezelfde klasse baseerde als de arbeiders van Clabecq zelf, met name de nationale vakbondsbureaucraten van ABVV en ACV. Op diegenen die het conflict van dichtbij hadden meegemaakt, maakten ze weinig indruk, maar op de vele arbeiders die het conflict moesten volgen via de media had hun vuilspuiterij veel meer effect. Onder voorwendsel van gewelddaden lieten de vakbondsapparaten de arbeiders van Clabecq totaal vallen. D’Orazio werd buiten spel gezet en de weg werd vrijgemaakt om 13 arbeiders, ook D’Orazio en Marra, in een procedure die jarenlang aansleepte op basis van een wetsartikel uit 1886 voor de rechter te slepen. Jaren later werden ze allemaal vrijgesproken. Dat het bedrijf zolang in stand gehouden werd tot een jaar later uiteindelijk een overnemer gevonden werd en 800 banen gered werden, is uitsluitend te danken aan de hardnekkige strijd van D’Orazio, Marra en hun minder bekende, maar daarom niet minder verdienstelijke, kameraden. Zelf raakten ze niet meer aan de bak.

De strijd van Clabecq vond plaats vlak na de val van de muur van Berlijn, in volle neoliberale euforie, toen collectieve actie en socialisme in het defensief zaten. Ook dat verklaart de uiteindelijke afloop. Een sociaal conflict plant men helaas niet naargelang het de arbeiders het beste uitkomt. Een conflict van die omvang, met een even vastberaden personeelsbestand en even gestaalde leiders zou in de huidige context van crisis van het kapitalisme, na verloop van tijd de

18 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

hele arbeidersbeweging doen ontwaken.

Niettemin bevat het conflict bij Clabecq Clabecq, zij het in een minder ontwikkelde vorm, alle ingrediënten die door Gustave Dache worden aangehaald in zijn beschrijving van de staking van de eeuw, de opstandige algemene staking van ’60 -’61.

Wat zich in Clabecq voordeed, was een reproductie op minischaal van wat zich tijdens de staking van de eeuw in heel België gedurende meer dan een maand had afgespeeld. Het werd een aantrekkingspool voor al diegenen die aan de strijd van de arbeiders voor hun rechten een belangrijk deel van hun leven wensten te wijden. Het voedde de verbeeldingskracht van heel wat strijdbare jongeren en haalde de herinnering van een oudere generatie aan hun heldhaftige gevechten voor een andere en betere toekomst voor hun klasse boven. Voor iedereen die zijn of haar leven in zijn maatschappelijke samenhang mee wil bepalen en niet gewoon de maatschappelijke verhoudingen wil ondergaan, was Forges de Clabecq een lichtpunt van klassenstrijd in een zee van neoliberalisme. Het kon niet anders dan dat dit het smeulende vuur in een oudere generatie opnieuw deed ontvlammen en ze als inspiratiebron overdroeg op een nieuwe generatie.

In die zin is het geen toeval dat ik net in dit conflict Gustave Dache en diens medestrijder en levensgezellin Diana, zijn steun en toeverlaat, mocht ontmoeten. Gustave was toen al 60, maar als hij het woord nam, bleek hij aan overtuiging met de leeftijd niets ingeboet te hebben. Hij was een vurig spreker met een oratorisch talent dat eveneens door praktische ervaring was aangescherpt. Als er iemand was voor wie D’Orazio zich respectvol aan de kant van de zaal wou opstellen, dan was hij het. Hier hadden we voor ons iemand die vanaf zijn 14de aan de slag ging in de industrie. Iemand die talloze klassenconflicten van op de eerste rij had meegemaakt, waaronder twee opstandige algemene stakingen. Vanuit die ervaring was hij als jongeman tot het trotskisme gekomen en had in die hoedanigheid zijn ervaring niet alleen opgestapeld, maar ook in categorieën ingedeeld en geanalyseerd om er een politiek wapen uit te smeden voor de toekomstige bewegingen.

Wie het boek van Gustave leest, zal moeten vaststellen dat de trotskistische leiders van de Vierde Internationale, in het bijzonder Mandel, helaas fors tekort zijn geschoten. Niet dat we alles wat Mandel heeft geschreven zomaar overboord willen gooien, maar zoals de Engelsen zeggen: “The proof of the pudding is in the eating”. Marxisme kan men definiëren als de theorie van de praxis, de bundeling van alle praktische ervaringen tot een theoretisch inzicht en uiteindelijk een politiek programma. Iedereen en elke stroming zal zich af en toe vergissen. Als die vergissingen geanalyseerd en gecorrigeerd worden, is er geen vuiltje aan de lucht en leiden ze enkel tot een scherper inzicht. Wanneer die vergissingen echter toegedekt worden in de plaats van opgehelderd, dan zullen ze na verloop van tijd heel het theoretische inzicht ondermijnen met verregaande gevolgen voor de politieke praktijk.

De arbeidersklasse heeft in haar strijd ordewoorden nodig die in overeenstemming zijn met de objectieve vereisten van het moment. Zelfs een kleine groep kan l d o r ddd oo oo o r o Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw or or or or Eci ci By 19 haar numeriek gewicht qua invloed fors overstijgen en een factor in de beweging worden, als ze de juiste ordewoorden propageert op het juiste moment. Het chronologisch overzicht in dit boek is een goudmijn aan informatie die bij mijn weten nooit eerder beschreven werd. De lezer die niet vertrouwd is met de staking van de eeuw, vindt hier een bron van informatie. Voor zover ik weet is het de eerste keer dat een arbeider die de staking meemaakte vanuit de voorste gelederen dit te boek stelt. Dat alleen al verantwoordt deze publicatie. Aan de hand van de beschrijving van de interne dynamiek van de staking en de wisselende krachtsverhoudingen, geeft Dache aan welke ordewoorden beantwoordden aan welk stadium van de beweging: de oproep tot algemene staking, de vorming van stakerscomités en de nood om ze lokaal, regionaal en nationaal met elkaar te verbinden, de rol van de eis voor een mars op Brussel etc.

Oude en nieuwe tegenstanders, en wellicht ook enkele onbevooroordeelde lezers, zullen het boek een gebrek aan objectiviteit verwijten. Als men onder objectiviteit ‘onpartijdigheid’ of ‘neutraliteit’ verstaat, dan pleiten we schuldig. Voor wie zich echter baseert op een materialistische visie van maatschappij en geschiedenis, bestaat er niet zoiets als onpartijdigheid. Wie vanuit een ‘neutrale’ of ‘onpartijdige’ visie becommentarieert, aanvaardt daarmee enkel de visie van de heersende klasse in de maatschappij. Niet voor niets wijst men erop dat de geschiedenis doorgaans geschreven wordt door de overwinnaars, en als die zich bedienen van het ticket ‘objectiviteit’, dan dient dat enkel om de belangen van hun klasse erachter te verbergen. Voor marxisten betekent objectiviteit niets anders dan het analyseren welke materiële condities aan de basis liggen van de openbarstende tegenstellingen, hoe dat de verschillende sociale actoren in beweging zet, hoe die zich ten opzichte van elkaar en de beweging verhouden en welke objectieve belangen ze daarbij dienen. Dat alleen is een waarborg voor objectiviteit en niet de ingebeelde theorieën die bewegingen verklaren door de aanwezigheid van een handvol agitatoren die de klassenstrijd naar believen met de knop aan- en uitdraaien.

De ervaring van ’60 – ’61 heeft Gustave gesterkt in zijn trotskistische overtuiging, maar heeft meteen ook geleid tot zijn breuk met diegenen die zich in België en internationaal als de erfgenamen van Trotski en het trotskisme opwierpen. De stroming van Mandel heeft vandaag fors aan belang ingeboet, internationaal en vooral in België. In die zin kan de lezer zich afvragen waarom we er nu nog zoveel aandacht aan besteden. Nog erger is het gesteld met de stroming van Posadas, waar Gustave met enkele van zijn kameraden, na de breuk met Mandel belandde. Van LSP, noch van onze internationale, het CWI, dat pas in 1974 werd opgericht, was er toen helaas nog geen sprake. Dit boek moet meer zijn dan een objectieve weergave van de processen tijdens de grootste opstandige algemene staking uit de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging. Het moet ook de lessen bevatten uit het verleden zodat de komende generaties in een volgende fase van de klassenstrijd de fouten uit het verleden kunnen vermijden, zelfs al zijn de personen

20 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

die daarvoor verantwoordelijk waren en/of de stroming die ze vertegenwoordigen vandaag niet langer aanwezig of minder relevant geworden.

Ten tijde van de “staking van de eeuw” werkten de trotskisten binnen de Socialistische Gemeenschappelijke Actie. Ze hadden een belangrijke invloed in de jongerenorganisatie van de BSP, de Socialistische Jonge Wacht, en in de linkervleugel van de partij rond het blad La Gauche, waarvan Mandel hoofredacteur was. Dat was een louter tactische keuze en had niets te maken met een fundamentele strategische optie. Ze deden dat omdat ze terecht van mening waren dat de arbeiders zodra ze in beweging kwamen, zich in de eerste plaats zouden richten naar hun traditionele organisaties. Maar in plaats van daar een meedogenloze strijd te voeren tegen links-reformistische en later Waals regionalistische illusies, wierpen de trotskisten van Mandel zich op als links schaamlapje voor de linkervleugel van het partij- en vakbondsapparaat. Het leeuwenaandeel van hun energie ging niet naar de opbouw van een revolutionair marxistische stroming, maar naar het versterken van de reformistische linkervleugel. Op het internetarchief gewijd aan het leven van Mandel, schrijft Alain Tondeur in zijn biografie dat Mandel een van de belangrijkste raadgevers was van André Renard, zonder daar verder welke nuance dan ook over de rol van Renard aan toe te voegen.

Het zegt niet alles, maar het is toch indicatief dat Mandel al in 1956 medeoprichter was van La Gauche, het weekblad van de linkerzijde in de BSP, terwijl Lutte de Classe, het orgaan van de trotskisten, pas vanaf 1962, en dan nog maar als driemaandelijkse bijlage bij het internationale tijdschrift Quatrième Internationale, gepubliceerd werd. In een document, Problems of Entrism, werd Mandel’s entrisme al in 1959 door de voorlopers van het CWI in Engeland fel bekritiseerd. Maar aangezien de Vierde Internationale zelfs niet eens de moeite nam om discussiedocumenten rond te sturen en het contact tussen de jonge arbeidersmilitanten in Charleroi en de oudere laag trotskisten bewust werd tegengewerkt, is die kritiek aan Gustave en zijn kameraden volledig voorbij gegaan. De voorlopers van het CWI combineerden entrisme in de Britse Labour Party met soms open werk en een oriëntatie naar de militanten van de Communistische Partij, zoals ten tijde van het neerslaan van de Hongaarse Revolutie door de Sovjettroepen in 1956. In tegenstelling tot Mandel en diens stroming legden zij zich ook binnen Labour vooral toe op de opbouw van de revolutionaire marxistische stroming en waren ze bijzonder kritisch over Tribune, het orgaan van de officiële linkerzijde, waarmee ze regelmatig in polemiek traden. De lessen die Dache trekt uit zijn ervaring met ’60 – ’61 blijven ook vandaag bruikbaar. Toch is er intussen al heel wat veranderd.

De BSP voldeed aan wat Lenin een “burgerlijke arbeiderspartij” noemde, een partij die historisch was opgericht als onafhankelijk orgaan van de arbeidersbeweging, waarvan de traditie ingebed was in de klassenstrijd van de 19de en de 20ste eeuw, waarvan de basis hoofdzakelijk bestond uit arbeiders en die door de meeste arbeiders beschouwd werd als hun politiek instrument. De volkshuizen van de partij waren sterk ingeplant in

l d o r ddd oo oo o r o Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw or or or or Eci ci By 21 de arbeiderswijken en vormden het middelpunt van een rijk sociaal, cultureel en politiek verenigingsleven. Tegelijk verkozen de leiders van die partij de knusse zetels van het parlement en goede betrekkingen met de vertegenwoordigers van de burgerij boven het ruwere contact met de achterban. Vandaar het dubbele klassenkarakter van die partijen, waar nu eens de arbeidersvleugel, dan weer de vertegenwoordigers van de burgerij de bovenhand behaalden.

Dat dubbele karakter van de – toen nog – BWP en haar sociaaldemocratische zusterpartijen in Europa, uitte zich soms in zeer scherpe wendingen naar rechts om dan enkele jaren later, door een forse ruk naar links, aan de basis opnieuw bijgesteld te worden. Voorbeelden daarvan waren de stemming van de oorlogskredieten voor WOI door de sociaaldemocratische parlementaire fracties, het deelnemen aan coalitieregeringen met burgerlijke partijen, het ontbinden van de BWP door Hendrik De Man met een oproep om tot de collaboratie toe te treden en na WOII, het breken van de mijnwerkers tijdens de kolenslag door de “socialistische” minister Achiel Van Acker die er zijn bijnaam Achiel Charbon aan over hield. De leiders van de BWP en later de BSP waren zeker niet minder rechts dan die van de SP.a en de PS vandaag. Het verschil ligt hem in de lang uitgerokken periode van voortdurende afbraak van sociale rechten zonder correctie door een ruk naar links aan de basis. De laatste echt reformistische hervorming ten goede van de arbeiders dateert intussen van 1964, de wet Leburton, waardoor het sociaal gunstiger statuut van de WIGW’s (Weduwen, Invaliden, Gehandicapten en Wezen) werd ingevoerd. Hele generaties arbeiders, vooral jongeren, hebben nooit een hervorming meegemaakt die hen ten goede kwam. Als ze nog voor SP.a en PS stemmen, dan is dat doorgaans met de knijper op de neus om erger te voorkomen, in het beste geval uit traditie. Die lange periode van tegenhervormingen, doorgaans met de sociaaldemocratie in de regering, heeft het dubbele klassenkarakter van die partijen over een lange periode uitgehold en die partijen zijn door wat wij een ‘proces van verburgerlijking’ noemen, gegaan. Hun sociale samenstelling is totaal veranderd, het rijke verenigingsleven is zo goed als stilgevallen en ze worden door de meeste arbeiders nog hooguit gezien als het minste kwaad. Dat is de reden waarom we sinds het midden van de jaren ’90 oproepen voor de vorming van een nieuwe arbeiderspartij, die alle stromingen die bereid zijn om de strijd aan te gaan tegen het neoliberale beleid verenigt met respect voor ieders eigenheid. Maar het is niet enkel de sociale samenstelling en het klassenkarakter van de sociaaldemocratie die een verandering heeft ondergaan. Het ideologisch offensief tegen alles wat met socialisme te maken had, het failliet van het reformisme en het wegvallen van de stalinistische karikaturen van het socialisme in het Oostblok, heeft het socialistisch bewustzijn onder brede lagen van de arbeiders teruggegooid. De crisis van het mondiale kapitalisme, die nu bijna twee jaar aan de gang is, heeft weliswaar een nieuwe impuls gegeven aan de klassenstrijd, maar in die nieuwe periode slepen we nog de kenmerken van de vorige mee. In heel wat landen zijn

22 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

de vakbonden verzwakt in vergelijking met 20 jaar geleden, de leiding is fors naar rechts opgeschoven en legt zich vooral toe op dienstverlening en sociaal partnerschap met de patroons en de regering. Meestal bestaan er geen massale arbeiderspartijen meer, zelfs niet in de vorm van burgerlijke arbeiderspartijen. Daar waar kleine nieuwe linkse formaties zich gevormd hebben, zoals de RC in Italië, Die Linke in Duitsland, de SP in Nederland en andere, blijken ze niet opgewassen tegen de taken van het moment. Er bestaat vandaag geen socialistisch bewustzijn in de arbeidersklasse, ook niet in de vagere, brede zin zoals dat bestond tot in de jaren ’70 en ’80.

Er is wel een toenemende woede en een streven naar iets anders, maar men weet doorgaans nog niet naar wat. Dat heeft een belangrijke impact op de betekenis van algemene stakingen, die vandaag nog eerder gezien worden als een vorm van protest, om druk te zetten, om te dreigen, maar nog niet als een middel om het kapitalisme omver te werpen. Tijd evolueert echter niet altijd volgens hetzelfde ritme. Soms lijkt de arbeidersbeweging decennialang niets te leren om dan, onder impuls van strijd en een bewust georganiseerde interventie van socialisten, in weken, soms dagen de jarenlange achterstand op de reële politieke situatie in versneld tempo in te lopen. In Griekenland is intussen 41% van de bevolking voorstander van de nationalisatie van de banken en 32% van de afschaffing van de schulden. Op enkele honderden CWI-leden na, is er nochtans nog geen enkele partij die zich daarvoor uitspreekt, ook niet Syriza waarin het CWI actief is. Uiteraard moeten we rekening houden met het bestaande bewustzijn, maar dat wil niet zeggen dat we het gewoon moeten weerspiegelen. We moeten middelen zoeken om het vertrekkend van de huidige behoeften stap voor stap op te tillen tot het inzicht dat een socialistische omvorming van de maatschappij de enige uitweg is.

Niet overal is de kwestie van een algemene staking aan de orde. Soms is het nodig eerst nog de idee van een nationale betoging te propageren als aanloop hiernaar. Dat is de situatie in Engeland, België en een aantal Noord-Europese landen. In Griekenland zijn de zes voorbije algemene stakingen van dit jaar een indicatie van de enorme woede, ook over de houding van de vakbondsleiders. De idee van stakerscomités om de staking te organiseren, vindt voorlopig echter nog geen weerklank. Nu een staking uitroepen van onbeperkte duur zou omwille van het bewustzijn voorbarig en bijgevolg fout zijn. Zoals Engels stelde: een algemene staking is een zeer machtig wapen, waarmee men voorzichtig moet omspringen. Voor de organisatie van een algemene staking, vooral één van onbeperkte duur, die per definitie de vraag opwerpt wie de maatschappij beheert, is improvisatie onaanvaardbaar, merkte Trotski op. In Griekenland verdedigen wij op dit ogenblik de nood aan roterende stakingen, per sector of per regio, gecombineerd met algemene 48-urenstakingen. Het zou de Griekse maatschappij tot stilstand brengen, zonder het daarmee gepaard gaande loonverlies voor de arbeiders.

Gustave verwijst naar de strijdcomités die het burgerlijke maatschappelijke leven lam leggen en zelfs een nieuwe organisatie beginnen opzetten, waarbij de l d o r ddd oo oo o r o Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw or or or or Eci ci By 23 strijdcomités stilaan elementen van het beheer van de maatschappij overnemen, zoals het verlenen van toestemming voor transport, voor het organiseren van voedselbedeling, medicatie etc. Dat de burgerij stilaan haar greep verliest, en in vraag gesteld wordt wie er de macht heeft in de maatschappij, is een fenomeen dat zich in het veleden dikwijls heeft voorgedaan bij algemene stakingen. Het jaagt de burgerij en de vakbondsleiders de stuipen op het lijf. Tijdens de algemene staking van 1926 in Engeland wees een politicus van de Tories de vakbondsleiders erop dat als ze ermee doorgingen, ze machtiger zouden worden dan de staat. Hij vroeg hen: “Zijn jullie daartoe bereid?”.

Het kapitalisme is een te brutaal systeem, opdat de arbeidersbeweging en haar partijen ervoor terug zouden schrikken de macht te grijpen. De maoïsten in Nepal organiseerden in mei van dit jaar gedurende zes dagen een algemene staking met massabetogingen tot 500.000 deelnemers, voor het ontslag van de eerste minister. Na zes dagen werd de staking afgeblazen zonder resultaat. Een algemene staking draai je echter niet zomaar aan en uit, zonder dat dit tot demoralisatie leidt.

Een algemene staking van onbeperkte duur stelt de kwestie van de macht aan de kaak, maar is op zich onvoldoende om de macht te nemen, daarvoor is er een revolutionaire partij vereist die daartoe bereid is. Het instrument daarvoor opbouwen vereist tijd en opofferingen. In de loop van de 20ste eeuw heeft de arbeidersklasse dat verschillende keren moeten ondervinden. Tijdens de algemene staking van 1909 in Zweden werden maar liefst 500.000 stakerscomités gevormd, tot in het leger toe, maar door het verraad van de leiding eindigde de staking in een nederlaag, waardoor de lonen en de syndicalisatiegraad zakten en zware besparingen werden doorgevoerd. Dat wil niet zeggen dat we enkel tot een algemene staking willen oproepen als we zeker zijn van de overwinning, dat ben je nooit. Meer nog, indien de arbeidersbeweging de strijd niet aangaat als de situatie dat vereist, leidt dat onvermijdelijk tot nog veel grotere nederlagen. Een partij die in staat is uit te leggen waaraan de nederlaag te wijten is, kan de schade beperken en de basis leggen voor succes in de toekomst.

De Russische revolutie van 1905 dwong weliswaar enkele toegevingen af van de Tsaar, maar werd gevolgd door een jarenlange golf van repressie. De bolsjewieken en de meerderheid van activisten van de arbeidersbeweging werden er wel door gestaald en deden de cruciale ervaring op van de vorming van arbeidersraden of sovjets die de basis legden voor een succesvolle revolutie in de periode van februari tot oktober 1917. Maar niet in alle omstandigheden is een algemene staking het geschikte middel voor de arbeidersbeweging. In Duitsland, in maart 1920, werd de rechts-monarchistische poging tot machtsgreep, de Kapp-putsch tegen de Weimar republiek, gestopt door een algemene staking. Toen generaal Kornilov in augustus 1917 in Rusland echter eveneens een militaire machtsgreep waagde, riep niemand op tot een algemene staking. Kornilov’s troepen waren al uiteengevallen, lang voor ze Petrograd bereikten door talloze sabotagedaden, revolutionaire propaganda en

24 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61

het perspectief van een confrontatie met de milities van de sovjets die de verdediging van Petrograd organiseerden onder impuls van de bolsjewieken.

Tijdens de meest recente algemene staking in Griekenland, was de opkomst op de betogingen lager door de staking van het openbaar vervoer. Dit toont aan dat het soms beter is gratis transport naar de grote arbeidersconcentraties te organiseren. Tegenwoordig gebruiken de vakbondsleiders algemene stakingen als middel om stoom af te laten. Dat is vooral in Zuid-Europa het geval, met algemene stakingen van 4 uur in Italië bijvoorbeeld. In 1972 belandden in Engeland een aantal dokwerkers in de gevangenis voor hun deelname aan de staking van de dokwerkers. Als reactie daarop was er een enorme druk op de leiders van de TUC, de vakbondsfederatie in Engeland, om een algemene staking uit te roepen. Die oproep kwam er ook effectief, maar pas nadat de vakbondsleiders een akkoord op zak hadden met de regering om alle dokwerkers vrij te laten.

Meer dan tijdens de voorbije 20 jaar staan algemene stakingen opnieuw op de agenda, maar tegelijk slepen we nog veel typische kenmerken van de voorgaande periode met ons mee. De arbeidersklasse beschouwt deze algemene stakingen nog niet als een middel om de macht te grijpen, maar eerder als middel om aanvallen op haar verworvenheden te stoppen. Anderzijds kan de burgerij het zich niet veroorloven om de aanvallen te stoppen. In een aantal landen, in Groot-Brittannië, Zweden en Duitsland en tot op zekere hoogte ook in België, zijn omwille van het bewustzijn nog een aantal tussenstappen vereist. Een algemene staking in de openbare diensten kan er het vertrouwen van de hele arbeidersklasse optillen. De idee van een Europese algemene staking zal vanaf september cruciaal zijn in onze propaganda. In Zuid-Europa zal die zich al gedeeltelijk voordoen, onder andere in Spanje. In Noord-Europa, vooral tijdens de betoging tegen besparingen van 29 september in Brussel, moet het deel uitmaken van onze algemene propaganda. In al die gevallen moeten we het verbinden aan de noodzaak van de socialistische omvorming van de maatschappij.

In Griekenland leidt de situatie onvermijdelijk naar een escalatie. We kunnen nog niet bepalen wanneer, maar de crisis van het kapitalisme zal het patronaat verplichten tot een veralgemeende aanval op alle verworvenheden van de arbeiders. Na verloop van tijd zullen de algemene stakingen een revolutionair karakter aannemen. Daartoe zijn vier voorwaarden vereist. Ten eerste moet de arbeidersklasse in revolte treden tegen het kapitalisme. Ten tweede moeten de middenlagen in de maatschappij twijfelen en althans gedeeltelijk kant kiezen voor de arbeiders. Ten derde moet de burgerij verdeeld zijn bij gebrek aan een uitweg. Deze drie voorwaarden beginnen te rijpen in Griekenland. Toch is het bewustzijn er eerder nog een van woede tegen de banken, tegen het IMF, tegen Europa en nog niet tegen het kapitalisme. De vierde voorwaarde, het bestaan van een revolutionaire massapartij die in staat is de woede te kanaliseren in een georganiseerde strijd voor socialisme, is helaas nog niet vervuld. Die kracht opbouwen in de volgende fase van klassenstrijd is de belangrijkste taak die het CWI zich stelt. l d o r ddd oo oo o r o Vdorw dorw dorw dorw dorw dorw dorw or or or or Eci ci By 25 Toen ik jaren terug aan Gustave Dache voorstelde om zijn ervaringen te boek te stellen, waren we allebei enthousiast over het project, maar hadden we wellicht beide onze twijfels over de realiseerbaarheid. LSP en ikzelf zijn Gustave bijzonder dankbaar dat hij de tijd heeft genomen om ons het instrument aan te reiken waarmee wij deze rijke ervaring kunnen overleveren aan nieuwe generaties jonge arbeiders. We danken Diana voor haar geduld en haar steun bij de realisatie van dit levenswerk. We zullen dit boek in eigen beheer en bijgevolg kleinschalig moeten uitgeven. We denken niet dat de grote uitgeverijen vandaag al staan te springen om dit werkstuk te publiceren. Maar met het verstrijken van de tijd hopen we dat het besef insijpelt welk een gigantische overlevering van een directe deelnemer aan “de staking van de eeuw” dit werkstuk wel vertegenwoordigt. Het koste Gustave maandenlang opzoekingen en een zoektocht in zijn herinneringen, en ons uren typwerk om zijn handgeschreven manuscript in deze vorm uit te kunnen geven. Dat dit werk juist nu verschijnt, naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de staking en net op het ogenblik dat de crisis van het kapitalisme de algemene staking alweer op de agenda plaatst, heeft voor ons en voor al wie begaan is met de toestand van de arbeidersklasse een bijzondere betekenis. Het boek van Gustave heeft voor ons niet alleen een literaire of geschiedkundige betekenis. Wij beschouwen het als een gids voor onze actie en die van de generaties na ons. Wij zijn het onszelf, Gustave en alle deelnemers aan de staking van de eeuw, verplicht de kracht op te bouwen waaraan het toen zo schrijnend ontbrak: een revolutionaire socialistische partij. Wij nodigen de lezers van dit boek uit ons te helpen bij deze uitdaging.


Eric Byl, 25 juli 2010

Eric Byl is algemeen-secretaris van de Linkse Socialistische Partij


26


I

Mijn intrede in de fabriek en het begin van de syndicale en politieke strijd Net na de oorlog van ’40-’45 begon de grote meerderheid van de bevolking opnieuw, beetje bij beetje, een iets beter leven te leiden, en zich op min of meer normale wijze te voeden. Dat was al heel wat voor diegenen die door honger getroffen waren. Mijn grootouders en ik hebben deze zwarte jaren, net als de meeste mensen, met enorme overlevingsmoeilijkheden doorgebracht. We waren onmachtig tegenover de invallen en bombardementen.

Op het einde van de oorlog was de economische situatie in België minder rampzalig dan in de buurlanden. In feite was het economische potentieel van het grootste deel van de zware industrie intact gebleven, waardoor de arbeiders de sociale strijd konden blijven voeren. Die sociale strijd werd trouwens nooit volledig onderbroken tijdens de oorlog, ondanks de Duitse bezetting. Dit was het begin van de ontwikkeling van veel bredere, hardere en strijdbaardere bewegingen van arbeidersstrijd. Het is in deze atmosfeer van strijdvaardigheid dat ik als arbeider begon te werken in de glasfabriek “Barnum” – Lodelinsart in november 1949. Ik ben er binnengegaan als ‘magazijnjongen’ toen ik 13 en een half jaar oud was.

Na zes maanden werd ik, samen met enkele anderen, overgeplaatst naar Glaverbel Gilly, “La Discipline”, ten gevolge van herstellingswerken aan de glasoven in “Barnum” in Lodelinsart. Dit was heel normaal omdat grondige herstellingen aan het bassin om de vier jaar een vereiste waren. Het personeel werd dan overgeplaatst naar andere vestigingen. Er werd gewerkt met een verdeling van werk en werkloosheid. Op dat moment was Pierre d’Haeyer hoofdafgevaardigde van het ABVV in Glaverbel Gilly. Hij was tevens lid van de BSP en een erg strijdvaardige syndicalist. Ik herinner me nog heel goed dat hij zijn toespraken op vergaderingen in de fabriek altijd afsloot met de volgende zin, die hij in het Waals uitsprak: “Kameraden, als wij het voor het zeggen hebben, zal het hier veranderen.” We hadden regelmatig syndicale vergaderingen, soms wel twee of drie per week, om te discussiëren over looneisen en specifieke problemen van de fabriek, zoals de organisatie van het werk of het gebrek aan verwarming. Pierre, de afgevaardigde, zei dan tegen de verzamelde arbeiders: “Geen verwarming, geen werk. Allemaal in staking, op naar het bassin!” Dan gingen we allemaal, als één man, naar het bassin, de plaats waar het glas verwerkt werd, in de oven, waar het enorm warm was. Hij zei dan tegen de bazen: “De arbeiders zullen het werk hernemen op het moment dat de temperatuur in de magazijnen terug normaal is.”

Toen Pierre d’Haeyer voorzitter van de magazijniers-glasblazers van de regio Charleroi werd, is dat allemaal veranderd. Plots werd hij getroffen door geheun s s f d d i b h d d i f p e e h i n f b n s i p Mjn denrt denrt n e e abeikr abeikr abeikr n et et egin egin anv anv e e yacdeil acdeil acdeil n eiklot eiklot dijrt dijrt

27

genverlies en passiviteit. Zijn strijdvaardigheid, die door alle arbeiders op prijs gesteld werd, verweekte om plaats te maken voor een onverschilligheid tegenover de eisen van de arbeiders. Zijn strijdvaardigheid had hem geleid naar het doel dat hij zichzelf vooropgesteld had: voorzitter van de glasblazers worden. Daarna heeft hij zich stukje bij beetje ingewerkt in het vakbondsapparaat om uiteindelijk een trouwe ambtenaar van het reformistische apparaat van het ABBV en de BSP te worden. Niet veel later werd hij een socialistische schepen in Gilly.

De strijdvaardige militant was veranderd, en zijn syndicaal parcours had een groot aantal arbeiders ontgoocheld, vooral de jongeren. Wij, de jongsten, begrepen niet hoe het mogelijk kon zijn om in zulke mate te veranderen. Wij zetten onze eerste stappen in het beroepsleven en in de vakbondsorganisatie, wij moesten onze ervaringen opdoen. En die hebben ons redelijk snel doen inzien dat elke militante arbeider die syndicaal vrijgestelde wordt, getroffen wordt door passiviteit en reformisme. Dit was mijn eerste ontgoocheling op vakbondsniveau. Ik was nog steeds op dezelfde plek aan het werk toen de eerste grote algemene staking de kop opstak, een staking waaraan ik op bescheiden wijze heb deelgenomen als jonge arbeider: de opstandige algemene staking van juli 1950 rond de Koningskwestie. Men verweet koning Leopold III zijn breuk met de regering die hij weigerde in ballingschap te volgen tijdens de bezetting van het land, overtuigd als hij was van de Duitse overwinning. Ook zijn ontmoeting met Hitler met het oog op politieke onderhandelingen en zijn medeplichtig stilzwijgen wat betrof de deportatie van Belgische arbeiders voor dwangarbeid in nazi-Duitsland, werden hem kwalijk genomen. Er kwam een volksraadpleging waarbij de volgende vraag werd gesteld: “Moet de koning, ja dan nee, de uitoefening van zijn institutionele voorrechten hernemen?” Het referendum vond plaats op 12 maart 1950, en de ja-stem overwon op nationaal niveau met 57,7% van de stemmen. In Wallonië, waar de anti-Leopoldistische stroming het sterkst stond, had de bevolking nee gestemd met 58%. De politieke linkerzijde van de arbeidersbeweging mobiliseerde zichzelf, vooral in Wallonië. Ze gingen ervan uit dat de koning niet langer kon heersen, en de democraten waren het daarmee eens. De arbeiders waren duidelijk tegen het koninklijk instituut gekant en hun republikeinse neigingen stelden het bestaan zelf van het koninkrijk in vraag. Op maandag 30 juli, op de vooravond van de mars op Brussel die voorzien was voor 1 augustus, was er een monsterconcentratie van 50.000 arbeiders in Charleroi. De massa was enorm woedend. De stakers hadden net vernomen dat de politie de vorige avond drie arbeiders had vermoord in Grâce-Berleur nabij Luik (een vierde zou enkele dagen later aan zijn verwondingen overlijden). De voorzitter van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie van Charleroi, Arthur Gailly, die de opwinding van de stakers in het oog kreeg, nodigde de menigte uit om te zweren dat ze de drie vermoorde stakers zou wreken. “Ja, dat zweren we!” schreeuwde de massa. Ze waren woedend en vastbesloten om de confrontatie met de repressieve krachten van de burgerij en de kroon aan te gaan. De reformistische en stalinistische leiders 28 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 waren er zich van bewust dat de vraag van de macht gesteld zou worden, indien de mars op Brussel door zou gaan. Op maandagavond circuleerden er geruchten die ’s nachts bevestigd zouden worden: de koning had afstand gedaan van de troon. Georges Staquet, die voorzitter van het ABVV in Charleroi zou worden en in 1950 fabrieksarbeider was, schrijft in zijn boek ‘Groupons-nous et demain’ (1987, p. 20): “Maar wat is er aan van die opstand van 1 augustus? Uiteindelijk was het voor ons, arbeiders, een bittere overwinning. We zijn bovendien nog bitterder omdat we onmiddellijk na die julidagen in 1950 vernamen dat de sprekers van 30 juli, en vooral Arthur Gailly, wisten dat er geen mars op Brussel zou plaatsvinden en dat de koning zou capituleren. Ze zouden bang geweest zijn om dat tegen die opgewonden menigte te zeggen. Dat was toen een eerste ontgoocheling voor mij.” Deze ontgoocheling werd door het geheel van de arbeidersklasse op diepgaande wijze gedeeld. Deze beslissing werd gezien als een capitulatie van de reformistische en stalinistische leiders. De oude glasblazers van 1950 hernamen het werk en zeiden: “Nog een capitulatie om naast de andere te zetten.” De staking van 1950, die begonnen was op 23 juli, werd afgesloten op 1 augustus. Door af te treden had de koning de opstandige beweging die het kapitalistische systeem in gevaar had kunnen brengen, tot een halt gebracht. Zo heeft de koning de beweging onschadelijk gemaakt en ervoor gezorgd dat de kwestie van de macht in de lucht bleef hangen. De reformistische leidingen, afgeschrikt door de vastberadenheid van de arbeiders, waren op de rem gaan staan. Maar gezien de verschillende politieke verhoudingen die naar voor kwamen uit het referendum in Vlaanderen en Wallonië, was dit de gelegenheid bij uitstek voor André Renard om de kaart van de Waalse autonomie te trekken. Vanaf 1950 introduceerde hij de eis voor het federalisme. Deze opstandige algemene staking van 1950 – met haar ontweken mars op Brussel, haar werkonderbrekingen, haar betogingen, haar sabotages en haar doden – was kort maar politiek erg gevaarlijk voor de burgerlijke instellingen. Ze liet de enorme macht en actiebereidheid van de arbeiders in directe actie zien. Nochtans leidde mijn familiale omgeving niet logischerwijze naar een syndicale en politieke activiteit. Het is door mijn bestaan als uitgebuitene dat ik me op de weg van de arbeidersstrijd heb begeven, en het is tenslotte op die weg dat men al dan niet een geëngageerde, militante arbeider wordt. Mijn eerste stappen als militant werden, in het begin, voornamelijk op het syndicale niveau gezet. We namen deel aan alle vergaderingen in de fabriek, we volgden de syndicale raadgevingen op, we luisterden aandachtig naar de toespraken van de vakbondsafgevaardigden, en ook naar de arbeiders die tussenkwamen in de debatten tijdens de syndicale vergaderingen. Die debatten gingen er dikwijls tumultueus aan toe. We hebben er enorm veel dingen geleerd die we voorheen niet wisten. Beetje bij beetje ben ik zo tot het idee gekomen dat het noodzakelijk was om een actieve rol te spelen in n s s f d d i b h d d i f p e e h i n f b n s i p Mjn denrt denrt n e e abeikr abeikr abeikr n et et egin egin anv anv e e yacdeil acdeil acdeil n eiklot eiklot dijrt dijrt 29 de strijd tegen de bazen die de opbrengsten van onze arbeid in hun zakken steken en ons daarvoor een ellendig salaris in ruil geven. Syndicale strijdbewegingen rond concrete eisen hebben een diepe invloed gehad op mijn, steeds actievere, deelname aan de arbeidersstrijd. Doorheen de ervaringen van vergaderingen en werkonderbrekingen ben ik me steeds bewuster geworden van het belang van een engagement in de syndicale strijd. De strijdbaarheid van de glasblazers had die strijd steeds tot het niveau van arbeidersstrijd verheven. Het is in deze omstandigheden dat ik gecontacteerd werd door een trotskistische ex-arbeidersmilitant, kameraad Pierre Rousman, die al lange tijd in de glassector van Charleroi werkte. Er was een grote luisterbereidheid voor hem onder de glasblazers, zijn tussenkomsten in vergaderingen werden telkens op luid applaus onthaald. De bazen, de chefs, de reformisten van de BSP en de stalinisten, daarentegen, hadden een pik op hem. De meest penibele overplaatsingen waren voor hem weggelegd, zonder dat hij daar ooit over kloeg. Hij bewaarde zijn trots en ging door met de strijd: hij beschikte over een ijzeren wil, iets wat men ook wel eens het heilige vuur noemt. Hij was een voorbeeld voor het merendeel van de arbeiders en vooral voor de jongeren. Het is overbodig om te zeggen dat hij niet erg geapprecieerd werd door de vakbondsbureaucratie, waarop hij dikwijls kritiek uitte omwille van hun gebrek aan besluitvaardigheid en strijdvaardigheid tegenover het patronaat. Dat patronaat beschouwde hem als een revolutionair die uitgeschakeld moest worden. Maar gelukkig kon hij rekenen op de steun van de arbeiders. Het is deze kameraad die me de politiek en het trotskistische programma van de Vierde Internationale heeft leren kennen. We hebben toen redelijk snel beslist om regelmatig bijeen te komen om te discussiëren over de problemen waar de glasblazers mee geconfronteerd werden: hoe te werk gaan om de eisen van de arbeiders te doen inwilligen? Ik had ondertussen mijn legerdienst achter de rug en werd overgeplaatst naar de glasfabriek Gobbe-Hocquemiller. Na een korte periode waarin we met ons beiden samenkwamen, heb ik een andere arbeider voor onze kleine trotskistische groep gerecruteerd: kameraad Marcel Ovart, die als inpakker in Glaverbel-Gilly werkte. We kwamen wekelijks samen en kwamen regelmatig tussen in de vergaderingen van onze respectieve bedrijven. Daarna heeft nog een andere arbeider zich in onze werking ingeschakeld: Arthur Otte. De posities die we innamen, maakten indruk op hem. Omdat hij ermee akkoord ging, wou hij actief deelnemen aan onze syndicale strijd. Arthur was eveneens inpakker in Glaverbel-Gilly. Later voegden nog andere arbeiders zich bij onze trotskistische groep van de glasfabriek. Samen hebben we een oppositiestrijd gevoerd tegen de reformistische bureaucratie die collaboreerde met het patronaat. 30 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Het begin van mijn politieke activiteit bij de Socialistische Jonge Wacht (SJW) In 1958 besloten we ook op politiek vlak te militeren. We zetten een afdeling van de SJW op poten in Gilly. We zijn van niets vertrokken, er bestonden praktisch geen SJW-afdelingen meer in de regio van Charleroi, met uitzondering van een kleine afdeling in Marcinelle en een minuscule afdeling in Roux, die trouwens niet meer actief was. Na enkele maanden bestond onze afdeling uit een vijftigtal betalende leden. De Socialistische Jonge Wacht was de jongerenbeweging van de Belgische Socialistische Partij. Ze was er ook het levendigste onderdeel van. Verschillende politieke persoonlijkheden van het hoogste niveau zijn er ooit begonnen, om de beweging te gebruiken als een trampoline naar boven: vooral Paul-Henri Spaak en Lucien Harmegnies, socialistische ex-ministers, en ook nog andere welbekende syndicale leiders. Met een twintigtal jonge arbeiders, vooral glasblazers, kwamen we elke woensdag twee uur lang samen in het Volkshuis. Op het programma stonden een uur politieke discussie en een uur ontspanning. Van bij het begin moesten we een strijd voeren tegen enkele ouderen en vrienden van raadgevers en toplui van de BSP die zich enkel hadden ingeschreven om ons ervan te weerhouden politieke debatten te voeren. Ze stonden niet gunstig tegenover een politieke activiteit die deels buiten hun controle viel. Daarom verkozen ze bovenal recreatieve activiteiten. Deze vertegenwoordigers van de BSP hadden zichzelf uitgeroepen tot voorzitter en secretaris van de nieuwe afdeling in Gilly om ons initiatief tegen te gaan. Maar samen met verschillende arbeiders van de glasfabriek die aan de vergaderingen deelnamen, hebben we op democratische wijze voorgesteld dat er geregeld een uur politiek debat zou plaatsvinden, voorafgegaan door politieke vorming over verschillende onderwerpen. De vrienden van de partijtop namen deel aan de vormingen, maar ze waren niet bepaald enthousiast. Ze besloten om deze activiteit een halt toe te roepen, waardoor we snel voor onze verantwoordelijkheid werden geplaatst: we zouden zelf politieke vorming moeten geven. De partijtop dacht dat we niet voldoende gevormd waren en niet in staat zouden zijn om deze politieke activiteiten tot een goed einde te brengen. We lieten ons niet doen, in overleg met de leden van de afdeling brachten we verschillende politieke thema’s naar voor en was er iedere week een politieke discussie. Dit was enorm verrijkend voor ons allemaal. De BSP’ers moesten met lede ogen aanzien hoe hun poging om de SJW-afdeling op de klippen te doen lopen, mislukte. Door deze ontwikkeling werd ik voorzitter van de SJW-afdeling in Gilly, Marcel Ovart werd vice-voorzitter, Athur Otte werd secretaris en Diana Van Loo penningmeester. Dat werd allemaal democratisch beslist. Het was niet gemakkelijk, maar we bleven doorzetten. We moesten heel wat moeite doen om de politieke vormingen te organiseren, maar we slaagden er in om een politieke activiteit te ontwikkelen en hierdoor geleidelijk aan, mee dankzij de steun van nationale verantwoordelijken, een elemenn s s f d d i b h d d i f p e e h i n f b n s i p Mjn denrt denrt n e e abeikr abeikr abeikr n et et egin egin anv anv e e yacdeil acdeil acdeil n eiklot eiklot dijrt dijrt 31 tair niveau van politieke vorming te bereiken. We woonden nadien ook vormingen bij die werden gegeven door de nationale verantwoordelijken van de SJW, zoals Gilbert Clajot, of leden van de BSP zoals Ernest Mandel (die ook een leidende rol speelde in de Vierde Internationale). We leerden veel op korte termijn. De snelheid waarmee we bijleerden was het resultaat van onze inspanningen, maar vooral ook door onze activiteiten op het terrein van de syndicale actie en de klassenstrijd. We hielden er een intensieve politieke en syndicale activiteit op na, met meerdere vergaderingen per week van de syndicale fractie of van de trotskistische afdeling van de Vierde Internationale. De oude trotskistische kameraden noemden hun groep “ZURICH 1” en wij, de jongeren, waren “ZURICH 2”. Ernest Mandel wenste dat we zo weinig mogelijk met de ouderen in contact kwamen. Die ouderen waren namelijk erg kritisch, ze waren niet akkoord met de politiek van entrisme binnen de BSP die vooropgesteld werd door Mandel en waarvan zij vonden dat die te dicht bij de BSP zelf aanleunde. Los van de wensen van Mandel hielden we regelmatig vergaderingen met bepaalde ervaren trotskistische kaders. Dat was vooral het geval tijdens de wekelijkse vergaderingen van de trotskistische fractie van de glasfabriek maar ook voor de politieke vormingen over het marxisme deden we beroep op de oude garde. Onze politieke activiteit hield niet op bij de creatie van de SJW-afdeling van Gilly, we hebben ook bijgedragen aan het opzetten van andere afdelingen in de regio van Charleroi, zoals in Pont-de-Loup, in Courcelles en in Couillet. Gezien ik voorzitter van de afdeling was, was ik ondertussen ook lid van het centraal comité van de BSP in Gilly. In 1958, naar aanleiding van het federale congres van de SJW van de regio Charleroi (ik was op dat moment regionaal vice-voorzitter), hadden we ons als streefdoel gesteld om met onze linkse tendens – die ook de actiefste was – de regionale leiding op te nemen, om zo de SJW in de regio te kunnen uitbouwen. Onze tendens overtuigde de meerderheid op het congres, deels dankzij onze constante en consequente werking. Dat is hoe ik voorzitter van de SJW-federatie van Charleroi werd. Marce Ovart werd vice-voorzitter, Arthur Otte penningmeester en Paul Doyen secretaris. We waren tot die positie gekomen dankzij ons werk als ploeg en ondanks de sabotage vanwege de rechterzijde van de SJW in Charleroi. Onze militante activiteiten en de politieke opstelling van de nieuwe regionale en nationale ploeg maakte dat we in staat waren om op 1 mei 1959 met 75 SJW-jongeren te betogen in Charleroi. We deden dat met slogans als “Neen aan de oorlog” en “België uit de NAVO”. Basismilitanten van de BSP bekeken ons met een grote sympathie, we kregen applaus terwijl de partijtop erg wantrouwig naar ons keek. De partijtop stelde zich de vraag hoe het mogelijk was dat de SJW-groep zo sterk kon ontwikkelen. Er waren verschillende nieuwe afdelingen opgezet op initiatief van jonge trotskistische fabrieksarbeiders. In de stad waren ook heel wat SJW-slogans aangebracht tegen de oorlog en tegen de NAVO. Dit viel niet in de smaak bij de BSP-leiding. 32 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 In mei 1959 verkoos het nationaal congres van de SJW een nieuwe leiding. Ik kwam voor de eerste keer in het nationaal bureau, dat trouwens voor het merendeel uit trotskisten bestond. De SJW van Charleroi was in volle bloei. Zoals eerder vermeld, ontstonden er nieuwe afdelingen die een belangrijke politieke activiteit ontwikkelden. Na de algemene staking werd ik door het nationaal bureau aangewezen om, met een delegatie, naar de wereldbijeenkomst voor jongeren, de WAY, te gaan, die aan de universiteit van Aarhus, in Denemarken, gehouden werd. Dat was de eerste keer dat ik ooit een vliegtuig nam. Voor een glasblazer was de SJW vertegenwoordigen in het buitenland een hele eer. Ik kon er het woord voeren bij een publiek van meer dan zevenhonderd jongeren uit de vier hoeken van de wereld. Mijn tussenkomst ging over de moeilijkheden waarmee jonge arbeiders geconfronteerd werden in de bedrijven van de kapitalistische wereld, waarbij ik ook de solidariteit van de Belgische SJW overbracht aan de strijders in Vietnam en overal in de wereld waar strijd voor de bevrijding van de kapitalistische onderdrukking en uitbuiting plaatsvond, zonder daarbij te vergeten dat de SJW duidelijk tegen imperialistische plunderoorlogen was. Ik voegde er ook een veroordeling van de stalinistische politiek aan toe, een politiek die ik omschreef als een van de ergste kankers waaraan de internationale beweging ooit geleden had. Als gevolg van deze tussenkomst werd ik door verschillende Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse (waaronder de Cubaanse, die me een grote sigaar aanbood) delegaties uitgenodigd om met hen te discussiëren of op de foto te staan. Vervolgens is de algemene staking uitgebroken en werd het voor mij onmogelijk om mijn activiteit in het Nationale Bureau (NB) van de SJW verder te zetten. Ziehier wat het 55ste rapport van het SJW-congres van Nismes, op 9, 10 en 11 juni 1962 daarover zegt: “Dache, 12 excuses. Kameraad DACHE heeft regelmatig deelgenomen aan de vergadering tot en met 25 februari 1961. Op dat moment is hij ernstig ziek geworden, deze ziekte was een direct gevolg van zijn militante activiteit tijdens de stakingen: specifieker, van een confrontatie tussen arbeiders en politieagenten. Het NB heeft unaniem geweigerd om kd DACHE als afgetreden te beschouwen, omdat we de inschatting maakten dat zijn militante houding zijn aanblijven – zelfs formeel – in het Nationaal Bureau rechtvaardigde; het was aan het congres om zich hierover uit te spreken. Hoewel hij vandaag nog herstellende is, heeft kd DACHE de twee afgelopen vergaderingen het NB bijgewoond, en zijn plaats hernomen zoals voorheen.” Het congres van Nismes van 1962 bevestigde de beslissing die het NB genomen had en ik werd herkozen voor een nieuw mandaat in het NB. In 1962 hebben Ernest Glinne uit Forchies-la-Marche, socialistisch verkozene, en de leiding van de SJW-afdeling van Gilly een brochure gepubliceerd onder de titel: “Bestaat er een extreem-rechtse dreiging in België? Wat te doen? Zich ertegen n s s f d d i b h d d i f p e e h i n f b n s i p Mjn denrt denrt n e e abeikr abeikr abeikr n et et egin egin anv anv e e yacdeil acdeil acdeil n eiklot eiklot dijrt dijrt 33 verzetten! Perspectieven van het socialistische SJW-programma”. Deze brochure werd goedgekeurd door de SJW-federatie en het Nationaal Bureau. Het begin van syndicale activiteit Doorheen onze syndicale activiteit voor ’60-’61 waren we al het slachtoffer geworden van ernstige aanvallen van allerlei soort, vooral van de bazen, maar ook van bepaalde rechtse socialistische vakbondsafgevaardigden, met wie we het oneens waren, en ook met een kleine laag van oudere arbeiders die in die tijd “de brede armen” genoemd werden: zij vormden in feite de arbeidersaristocratie. De grote meerderheid van de glasarbeiders beschouwde ons als linkse vakbondsmilitanten, als “syndicale animatoren” die de eisen van de arbeidersbasis ondersteunden. Voor de bazen waren we “syndicale agitatoren” die uitgeschakeld moesten worden. Wat het vakbondsapparaat betreft, zij beschouwden ons als jonge militanten die te links waren en te levendig in de debatten. We werden erg slecht onthaald, omdat we, onder andere, een campagne hadden gevoerd om stemmen van wantrouwen te kunnen verkrijgen tegen gecorrumpeerde vakbondsafgevaardigden en tegen de voorzitter van de glassector, Pierre d’Haeyer. Door middel van een geheime stemming hadden de arbeiders zich met een meerderheid uitgesproken voor het ontslag van die afgevaardigden en de voorzitter. Die waren immers een rem en een hinderpaal geworden voor de eisen en de ontwikkeling van de arbeidersstrijd. Het reformistische vakbondsapparaat heeft deze stemming nooit erkend en haatte ons erom, aangezien ze ons als de aanstokers van de stemming beschouwden. We werden ook geconfronteerd met een reeks bedreigingen, soms vermomd, van de bazen. Omdat alle bedreigingen en pogingen om professionele fouten van ons te vinden mislukten, moesten ze hun toevlucht nemen tot zaken als overplaatsingen naar de meest penibele arbeidsplaatsen, enzovoort. We hebben ook een plotse persoonlijke loonsverhoging die ons eigenlijk niet toekwam, moeten weigeren. Al deze manoeuvres en al deze druk hebben ons er echter niet van weerhouden om onze militante activiteit op onvermoeibare wijze verder te zetten: tussenkomsten in vergaderingen, uitdelen van pamfletten,… de posities die we innamen, steunden steeds op de actiebereidheid en strijdbaarheid van de arbeiders en op de principes van de klassenstrijd. We zijn soms ook openlijk in verzet gegaan tegen de vakbondsdelegatie van Gobbe, zoals bijvoorbeeld rond de eis om een solidariteitskas in het leven te roepen om een financieel supplement te betalen bij de normale schadeloosstelling uitgekeerd door de ziekenkas. Deze eis werd gesteund door de delegatie en door een deel van de oudere arbeiders. Maar in het debat tijdens de algemene vergadering van de fabriek heb ik het aangedurfd om positie in te nemen tegen dit initiatief, omdat arbeiders op willekeurige wijze uitgesloten waren van deze kas. Sommigen konden er geen beroep op doen omdat ze door bepaalde initiatiefnemers als “profiteurs” werden bestempeld. Het voorstel voor de solidariteitskas vertrok 34 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 vanuit een vorm van solidariteit, maar het werd een voorbeeld van egoïsme en verdeeldheid. Discriminatie is onaanvaardbaar in de traditie van solidariteit binnen de arbeidersbeweging. De solidariteitskas werd namelijk exclusief voorbehouden aan mannelijke vrijgezellen. Dit had niets te maken met de principes van solidariteit tussen alle arbeiders zonder onderscheid. Het was een vorm van discriminatie. De positie die we innamen, bleef niet zonder gevolgen. De initiatiefnemers wisten dat er een stille afkeuring was onder een overgrote meerderheid van de arbeiders, maar ze trokken toch naar de voorzitter van het ABVV in de glassector, Liévin Dufrasne. Die was ook BSP-schepen in Montignies-le-Tilleul. De meeste arbeiders vonden dat Dufrasne een rechtse syndicalist was. De voorzitter zag in de discussie een gedroomde kans om een rekening te vereffenen met een linkse militant die zowel door het patronaat als de vakbondsleiding werd verguisd. Als opvolger van Pierre d’Haeyer was Dufrasne de belangrijkste vertegenwoordiger van het vakbondsapparaat in de sector. Toen Dufrasne de solidariteitskas invoerde, wisten veel arbeiders dat hij daarin zou gesteund worden door het patronaat dat maar al te graag wou ingaan tegen de voor haar storende syndicale activiteiten van de linkerzijde in de glassector. Er werd een buitengewone algemene vergadering in de fabriek bijeengeroepen. De voorzitter was daar aanwezig en hij eiste dat degene die het gedurfd hadden zich tegen de kas te verzetten, zich zouden verontschuldigen. Ik werd omsingeld door twee forse kerels. Ik weigerde aanvankelijk, maar had weinig keuze. Ofwel zou ik mijn excuses aanbieden, ofwel zou ik uitgesloten worden. Dat laatste zou in de glasfabriek meteen ook mijn ontslag hebben betekend. De vakbond onder de magazijniers en glasblazers werd volledig gecontroleerd door het ABVV. De vakbond had een sterke positie uitgebouwd: het patronaat kon niet meer werken met arbeiders die stakingen hadden gebroken. Het vakbondsapparaat wou deze sterke positie nu gebruiken om af te rekenen met een linkse militant. De krachtsverhouding was nochtans opgebouwd op basis van strijd. Ik heb me dan maar verontschuldigd om zo ontslag te vermijden en de strijd te kunnen voortzetten. De poging om een linkse syndicalist uit te schakelen, was mislukt. De voorzitter moest misnoegd de aftocht blazen. Maar intussen werd wel aangetoond waartoe de vakbondsleiding in staat was. Er werd niet geaarzeld om schaamteloos de meest elementaire democratische principes van het syndicalisme met de voeten te treden. De arbeiders werden nooit geraadpleegd over de wijze waarop over de solidariteitskas zou worden gestemd. Dat werd geweigerd door de syndicale delegatie en de voorzitter. Zij wilden de kas tot elke prijs opleggen aan de arbeiders. De meest bewuste arbeiders leerden hieruit dat de leiding voor niets terugdeinst om haar wil op te leggen. Ieder manoeuvre of antidemocratisch optreden is mogelijk indien hiermee een linkse oppositie aan de kant kan worden geschoven. n s s f d d i b h d d i f p e e h i n f b n s i p Mjn denrt denrt n e e abeikr abeikr abeikr n et et egin egin anv anv e e yacdeil acdeil acdeil n eiklot eiklot dijrt dijrt 35 Enkele weken later heeft een beperkt aantal arbeiders de stilte doorbroken door zich openlijk tegen het initiatief uit te spreken op een algemene vergadering. Er werd ook ingegaan tegen de methoden die werden gebruikt door de voorzitter en zijn potige medestanders. De arbeiders stelden: “Dat zal hier niet meer gebeuren”. Ik was verontwaardigd door het feit dat ik me moest excuseren omdat ik op een personeelsvergadering het principe van gelijkheid en solidariteit onder alle arbeiders zonder onderscheid had verdedigd. Het viel me niet gemakkelijk om te excuseren, maar de wil om voort te werken en de strijd tegen de vakbondsbureaucratie verder te voeren, haalde toch de overhand. Hierbij wil ik graag wijzen op een van de fundamentele principes van het werken binnen massavakbonden. Deze principes werden omschreven door Lenin. Hij ging in tegen wat bepaalde “linkse” revolutionairen naar voor brachten om uit te leggen waarom ze weigerden om in de vakbonden actief te zijn. “Het lijdt geen twijfel dat de heren ‘leiders’ van het opportunisme alle mogelijke kunstgrepen van de burgerlijke diplomatie te baat zullen nemen en de hulp van de burgerlijke regeringen, van de geestelijkheid, de politie en de rechtbanken zullen inroepen om de communisten niet tot de vakverenigingen toe te laten, om ze op alle mogelijke manieren uit de vakbonden te verdringen, om hun het werken in de vakbonden zo onaangenaam mogelijk te maken, om ze te beledigen, tegen hen te stoken en hen te vervolgen. Men moet aan dit alles weerstand weten te bieden, men moet tot elk offer bereid zijn en zelfs — als het moet — alle mogelijke listen, kunstgrepen en illegale methoden toepassen, de waarheid verzwijgen en verheimelijken, alleen maar om tot de vakverenigingen toegelaten te worden, erin te blijven en er tot elke prijs communistische arbeid in te verrichten.” (Lenin, ‘De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme’) De strijd om de arbeiderseisen in te willigen en onze syndicale activiteit ging verder tot aan de algemene staking van 60-61. 36 II “De staking van de eeuw.” Een arbeider getuigt De algemene staking van december 1960 -januari 1961 was de grootste, de mooiste, de hardste, de meest inspirerende, de langste, de meest onverzettelijke staking uit onze arbeidersgeschiedenis. Deze algemene staking betekende een totale en unanieme bewustwording waarbij de arbeidersklasse neen zei, een neen met een ongeëvenaarde vastberadenheid ten overstaan van de sociale afbraak die de regering-Eyskens en de burgerij wilden opleggen. Die grote massabeweging nam heel snel de proporties aan van een klassenstrijd met als doel om de reactionaire regering en de burgerij omver te werpen. Gedurende deze algemene staking is het Belgische proletariaat er met verve in geslaagd aan te tonen dat het in staat was zich met grote (wils)kracht te verzetten tegen de sociale afbraak en vooral dat het in de mogelijkheid verkeerde het kapitalistisch regime omver te werpen. Dat de arbeidersmassa’s spontaan en instinctief grepen naar de eerste methoden van revolutionaire actie heeft ook de revisionisten, de centristen, de reformisten en de stalinisten, verscholen achter holle frasen en een links laagje vernis, ontmaskerd. De opponenten van de arbeidersklasse beweerden dat deze algemene staking een politieke en revolutionaire staking was. Maar elke grote massabeweging is een politieke beweging die een opstand wordt en revolutionair wordt in haar ontwikkeling, ze is de brutale uiting van de klassentegenstellingen. Voor velen betekende dit een vernieuwing in de geschiedenis van de strijdbewegingen van de Belgische arbeidersbeweging terwijl het in realiteit niet anders was dan het heropnemen van de tradities van de grote stakingen aan het einde van de 19de eeuw. Ze knoopte opnieuw aan met de revolutionaire strijd van de arbeiders tegen het systeem van kapitalistische uitbuiting. Zelden heeft een conflict zoveel arbeiders, van alle allooi, gedurende zo’n lange periode, gemobiliseerd. Zelden heeft een algemene staking zoveel passie, inzet, enthousiasme, maar ook woede en bitterheid losgemaakt. Alle sceptici, alle defaitisten die niet meer geloofden in de grote strijdbewegingen van de arbeidersklasse vergisten zich schromelijk. Het smeulende vuur dat de beweging in zich draagt, kan op elk moment ontvlammen. De arbeidersklasse is als een reus die neerzit; wanneer zij zich rechtstelt, is ze in staat alles wat ze op haar weg tegenkomt, mee te sleuren. Verschillende vakbondsleiders van het ABVV die deze staking meegemaakt hebben, schreven nadien over dit conflict. Wat in hun geschriften vooral duidelijk wordt, zijn de diepe verschillen, de afscheuringen, het is te zeggen de tegenstellingen binnen het vakbondsapparaat zelf, die deze massabeweging openlijk blootgelegd heeft. 37 “De staking staking staking staking van van de de eeuw .” Een arbeider arbeider arbeider getuigt getuigt getuigt getuigt In hun functie van “verantwoordelijken” hebben de syndicale leiders er uiteraard op gelet de reformistische politiek – waar ze deel van uitmaakten – niet in vraag te stellen. De reformistische ideologie waar ze overtuigde verdedigers van waren, belette hen het legale kader dat door de burgerlijke staat werd opgelegd, te overschrijden. Ze hadden nooit de intentie de wortels van het kwaad en van de miserie, het kapitalistisch systeem zelf, efficiënt te bestrijden, noch wilden ze een adequate positie innemen ten overstaan van de beweging van algemene staking die hen verraste en die ontegensprekelijk een opstandige en revolutionaire onderstroom in zich droeg. Dat is de reden waarom de gevolgen, in de hand gewerkt en opgeworpen door de algemene staking, gekend moeten zijn door alle bewuste arbeiders van vandaag. In de politiek volstaat het niet enkele algemene vaststellingen te maken; die vaststellingen hebben concrete gevolgen in de klassenstrijd. De rechterzijde van het nationale ABVV had zich met hand en tand verzet tegen de algemene staking. Maar ten overstaan van de basis, heeft ze de verantwoordelijkheid van de hand gedaan door groen licht te geven aan de regionale afdelingen. De syndicale linkerzijde van haar kant heeft er, op het meest kritieke moment toen alles nog mogelijk was, de voorkeur aan gegeven om de eis van het federalisme te introduceren. Dat was overigens niet het initiële doel van de staking. Ze hoopte geen gezichtsverlies te lijden door de massa’s van hun doel af te leiden. Deze slogan, gelanceerd door André Renard, veroorzaakte een verwarde situatie die fataal was voor de algemene staking. Naar mijn weten hebben weinig tot geen vakondsmilitanten van de basis over dit conflict geschreven. Dat is nochtans belangrijk om onze gevoelens te uiten, te zeggen wat we beleefden, het enthousiasme maar ook de woede tijdens en na de harde algemene staking te beschrijven. Zowel gisteren als vandaag moeten we zonder overdrijving, maar ook zonder een volgzame houding tegenover de bureaucratie van partijen en vakbonden, beschrijven hoe we de staking actief aan de basis beleefd hebben. Dit was midden de arbeiders, in het hart van de strijd. Ik pretendeer niet de geschiedenis van de grootste strijd in de Belgische arbeidersgeschiedenis te zullen schrijven, de bekwaamheid ontbreekt mij daar toe. Mijn intentie is een stuk bescheidener, namelijk het onderstrepen, het opwerpen van alle aspecten verbonden aan de wil, de beslistheid en de grote strijdbaarheid van de arbeiders. Maar ik wil ook duiden op de verantwoordelijkheden van de arbeidersleiding en vooral de aandacht vestigen op de revolutionaire mogelijkheden die door deze algemene staking aan de arbeidersklasse werden aangeboden. De staking was een hevige strijd, een grootse beweging voor alle arbeiders alsook voor mij, toen een jonge syndicalist van vierentwintig jaar. Voor iedereen die haar heeft meegemaakt vanop de eerste rij en die er zich volledig in gaf, was het een onvergetelijke tijd die ons voor het leven heeft getekend. Tijdens sommige confrontaties met de politie riskeerden de deelnemers hun leven, en verschillenden hebben het er jammer genoeg ook verloren. Die uitzonderlijke strijd kunnen we 38 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 nooit vergeten. Sommige herinneringen vergaan niet. We zijn gebrandmerkt door een gebeurtenis die bepalend is geweest voor de rest van onze militante activiteit binnen de syndicale en politieke organisaties. Het is in die geest en met de ervaring als staker dat ik heb beslist te schrijven op basis van persoonlijke ervaringen uit die periode en op basis van mijn geheugen. Om zo een getuigenis af te leveren van een arbeider vanop de eerste linie, een arbeider die vakbondsmilitant was en is en die nu meer dan een halve eeuw strijd en syndicale werking binnen het ABVV achter zich heeft. Ik hoop dat de lezer me de lengte van sommige gedetailleerde passages zal vergeven. Het doel ervan is om niets te verhullen, noch van het positieve, noch van het negatieve van een gegeven moment, van gedragingen, van stellingnames. Dat is, denk ik, noodzakelijk en essentieel om in staat te zijn het meest correct mogelijke beeld te krijgen van deze belangrijke episode uit de klassenstrijd die een hele generatie arbeiders heeft getekend. Na vijftig jaar zitten de herinneringen nog steeds levendig in mijn geheugen. Ze moeten geuit worden en ze moeten het onderwerp zijn van een diepgaande studie door alle arbeiders en hun voorhoede om in de toekomst de valstrikken en het politieke verraad van de reformistische arbeidersleiding te kunnen vermijden. Wat mij betreft heb ik in ieder geval nooit getwijfeld aan de grootsheid van deze beweging die tot diep in de massa’s doordrong en die ontegensprekelijk een opstandige en revolutionaire inhoud had. Er was niet veel meer nodig om haar te doen slagen. Het was voldoende geweest, hoewel dat al veel is, dat er een kleine werkelijk revolutionaire partij had bestaan, die voorbereid, erkend en vooral vastberaden was om haar verantwoordelijkheden met durf te nemen, om de algemene staking op een overwinning te laten eindigen en om zo de fundamentele basis te leggen voor een arbeidersstaat in de richting van een socialistische staat. Als deze partij de moed en de vastberadenheid had gehad om de arbeiders vertrekkende vanuit de eisen en oproepen die in de stakingsbeweging werden begrepen, de eis te laten opnemen van een nationaal congres van stakerscomités om een mars op Brussel te houden, dan had dit kunnen uitmonden in wat veel arbeiders van bij het begin voor ogen hadden: de omverwerping van de regering die de kapitalistische klasse vertegenwoordigde om deze te vervangen door een arbeidersregering die zich baseerde op de stakerscomités en op de syndicale basis, met een anti-kapitalistisch en revolutionair programma. Maar in realiteit bleek geen enkele linkse groep, tendens of partij in staat dit perspectief aan te bieden waardoor de arbeiders in de greep van het reformisme en het stalinisme bleven. Wanneer wordt een staking een algemene staking? Vooraleer een staking als algemeen wordt bestempeld, moeten volgens sommige perfectionistische pseudo-marxisten alle arbeiders zonder uitzondering in staking zijn. Dat zijn dromers... In de arbeidersstrijd verloopt het niet altijd zoals sommigen dit verlangen of wensen. Om een algemene staking te doen slagen, 39 “De staking staking staking staking van van de de eeuw .” Een arbeider arbeider arbeider getuigt getuigt getuigt getuigt moet de voorhoede van de arbeiders in staking zich organiseren via mobiele stakingspiketten, zodat ze kunnen tussenkomen waar er een aarzeling is in de frontlinie van de strijd. Een algemene staking is een gevecht van de ene klasse tegen de andere, wat stakingspiketten die als arbeidersmilitie ageren noodzakelijk maakt. Wanneer de meerderheid van de arbeiders van een land in staking is, zodat de economie voor het grootste gedeelte lam ligt, wordt het duidelijk dat het een algemene staking betreft. De geschiedenis van de arbeidersstrijd toont aan dat er altijd een laag arbeiders is die achterloopt - en die zal er altijd zijn: de zogenaamde gele vakbonden, die men moet bevechten. Maar laten we wat dat betreft de artikels van Leon Trotski, in zijn werk ‘Frankrijk op een keerpunt’ (van 6 februari 1934 tot juni 1936), lezen (p53). “De algemene staking is in wezen een politieke handeling. Ze plaatst de arbeidersklasse in haar geheel tegenover de burgerlijke staat. Ze verenigt gesyndiceerde en niet-gesyndiceerde, socialistische, communistische en partijloze arbeiders. De algemene staking is, en dat weet elke marxist, één van de meest revolutionaire strijdmiddelen. De algemene staking is slechts mogelijk wanneer de klassenstrijd zich boven alle specifieke en corporatieve omstandigheden verheft, wanneer de klassenstrijd zich verspreidt doorheen alle sectoren en wijken, wanneer deze ook de grenzen tussen vakbonden en partijen, tussen legaliteit en illegaliteit doet vervagen, en wanneer ze de meerderheid van het proletariaat mobiliseert tegen en actief in oppositie brengt met de burgerij en de staat. Verheven boven de algemene staking staat enkel nog de gewapende opstand [onderlijnd door de auteur, gd]. De hele geschiedenis van de arbeidersbeweging toont aan dat elke algemene staking, ongeacht de ordewoorden bij haar ontstaan, een interne tendens vertoont om zich om te vormen tot een openlijk revolutionair conflict, in een regelrechte strijd om de macht. Met andere woorden: de algemene staking is slechts mogelijk in een klimaat van de meest extreme politieke spanningen en dat is waarom ze altijd de onweerlegbare uiting is van het revolutionaire karakter van de situatie.” In de loop van de algemene staking tijdens de winter van 60/61 is er geen sprake van gedeeltelijke stakingen, zelfs niet van sectoriële stakingen. Het is staking. Het is de onverhulde vereniging van de onderdrukten tegen de onderdrukkers. Het is de gewelddadige uitbarsting van de arbeidersmassa’s op het politieke podium, het is het klassieke begin van de revolutie. De grote algemene staking De grote Belgische algemene staking van december 1960 – januari ‘60 is zonder twijfel één van de meest geweldige conflicten die de klassenstrijd in België en Europa gekend heeft sinds de Tweede Wereldoorlog: heftig in haar methode, maar ook in haar revolutionaire doelen. 40 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De vijandigheden werden gestart naar aanleiding van een wetsvoorstel van de rooms-blauwe regering (CVP en liberalen) onder leiding van premier Gaston Eyskens. Het voorstel werd op 7 november 1960 in het parlement naar voor gebracht. De burgerij probeerde de reële impact van het besparingsplan (de “Eenheidswet” genoemd) te verdoezelen achter een retoriek van “economische expansie” en “sociale vooruitgang” met het nodige “financieel herstel”. In werkelijkheid was het één van de meest brutale aanvallen die de kapitalisten ooit gelanceerd hadden tegen de Belgische arbeidersklasse. Waaruit bestond die aanval? Waarom heeft de burgerij een aanval van een dergelijke omvang ingezet? Wat was, van haar basis tot haar top, de reactie van de arbeidersbeweging? Dat zijn de vragen waarop men een antwoord moet formuleren om de algemene staking in haar totale omvang te begrijpen en te vatten. Elk bijzonder conflict van groot belang krijgt een bijzondere benaming. Het is geen toeval dat de commentatoren van de Europese burgerlijke pers deze algemene staking “De staking van de eeuw” hebben genoemd. 41 III De positie van het Belgische kapitalisme voor de algemene staking van 60/61 (Voor deze analyse heb ik me uitgebreid laten inspireren door de geschriften van Serge Simons, ‘De situatie van het Belgische kapitalisme, de Eenheidswet’, L’Haÿ-les-Roses, 1960-1961, p. 5-6) De situatie waarin het Belgische kapitalisme zich bevond, werd in die periode gekarakteriseerd door een fundamenteel kenmerk: de crisis van de afzetmarkten, wat overigens niets anders is dan de algemene crisis van het kapitalisme. Maar gedurende de jaren die aan deze crisis voorafgingen, had de chronische crisis een uitzonderlijk scherpe wending genomen. De ontwikkeling van het kapitalistisch systeem en haar structuren in België stelden haar in gebreke om drie fenomenen die de economische geschiedenis van het land op dat moment kenmerkten, te overstijgen: de crisis van de afzetmarkten, de internationale concurrentie en ook, in mindere mate, de ‘dekolonisatie’. De uitbuiting van Kongo, die lange tijd de accumulatie van productiefaciliteiten en de overvloedige winsten voor de financiële en economische middens heeft mogelijk gemaakt, was niet afgelopen. Maar het verlies van Kongo werd door de financiële middens overdreven bestempeld als catastrofaal. De economische gevolgen van dit ‘verlies’ werd toen geschat op 3% van de nationale inkomsten, dit op een totaal budget van ongeveer 2.800 miljoen Belgische Frank. Die kosten dienden als voorwendsel om het besparingsplan te rechtvaardigen. Uiteraard waren er verliezen. Maar die waren relatief beperkt: de koloniale monsterwinsten gingen niet van de ene dag op de andere verloren. Maar dit woog toch op de winsten, er was een dreiging en dit deed het Belgische imperialisme steigeren. Het zorgde er alleszins voor dat de besparingspolitiek werd aangescherpt. Om concurrentieel te blijven, was er nood aan een herevaluatie en een reorganisatie van de concurrentiepositie op Europese en mondiale schaal. Zo heeft de regering-Eyskens geprobeerd om het besparingsplan, scherpgesteld door de burgerij, te rechtvaardigen door het “verlies” van Kongo. Op die manier waren de voorgestelde maatregelen tegen de levensstandaard van de werkende bevolking voor Eyskens eerder toevallig. Het was geen frontale aanval van de kapitalisten op de gehele arbeidersklasse in het kader van de algemene crisis van het kapitalistische systeem zelf. Eigenlijk neemt de burgerij in een dergelijke situatie altijd de toevlucht tot om het even welke uitvlucht om de werkende bevolking met de verliezen op te zadelen. In essentie was de eenheidswet een geheel van maatregelen die erop gericht waren de arbeidersklasse de prijs voor de overleving van het kapitalistisch systeem te laten betalen. Dat systeem was ondermijnd door 42 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 haar eigen onhoudbare en onoplosbare tegenstellingen. Het was vooral de crisis van de afzetmarkten die bijzonder dreigend werd omwille van de nieuwe situatie van de interkapitalistische concurrentie, in het bijzonder op de Europese markt. De Belgische productie, die gericht was op de export, hing af van de bruuske ontwikkelingen van de mondiale kapitalistische economische activiteiten en in het bijzonder van de Europese markt. De Belgische kapitalisten hadden zich beperkt tot de zware industrie: de staalindustrie, de steenkoolontginning en de glasindustrie. Op die manier hebben ze opzettelijk die takken van industrie die een opmerkelijke opgang kenden in de voorafgaande tien jaar veronachtzaamd (chemie, elektronica, informatica, enz.). De Belgische kapitalisten behielden de industriële structuur van de 19de eeuw. In een dergelijke situatie had de conjuncturele evolutie grotere gevolgen dan in andere Europese landen. De economie was, naarmate de afzetmarkten verdwenen, onderworpen aan hevige schokken. Het was, en het blijft, evident om vast te stellen dat een economisch systeem dat gebaseerd is op de export en dat gedwongen is de continue fluctuaties van de markt en de kapitalistische concurrentie te verdragen, op geregelde momenten in crisis gaat. De crisissen van het kapitalistisch regime zijn geen gevolg van het noodlot, ze zijn niet toevallig. Het is erger: de crisissen zijn inherent aan het systeem van uitbuiting en de kapitalistische productie. Ze zijn er het gevolg van omdat het systeem niet in staat is te functioneren zonder crisissen. In die tijd kenmerkte de Belgische economie zich door een sterk verspreid industrieel apparaat en door kleine productie-eenheden, vaak opgebouwd uit een reeks kleine en middelgrote bedrijven. Door een gebrek aan investeringen verouderden hun installaties en verminderde het rendement. Ze bleven enkel bestaan bij de gratie van staatssubsidies. De onderinvesteringen en de gebrekkige ontwikkeling van nieuwe industrie leidden de Belgische industriële organisatie onvermijdelijk en herhaaldelijk naar crisissen. Ondanks de veroudering van zijn economisch potentieel, werd het Belgische kapitalisme toen gezien als “de bankier van Europa”. Het maakte altijd overvloedig veel winst zonder zich teveel zorgen te maken om de rest. Het meest frappante kenmerk van de Belgische economie was het bestaan van een machtig financiekapitaal. De oppermachtige Société Générale van België bekleedde een dominante positie en controleerde ongeveer 50% van ’s lands economische activiteiten. De rest werd verdeeld onder Solvay, Empain, Lambert, de grote verzekeringsmaatschappijen en de talrijke ander groepen en subgroepen, in meer of mindere mate aan elkaar gelieerd. Men noemde het een “economie van holdings”. Er moet ook aan worden toegevoegd dat de Belgische burgerij aan het einde van de Tweede Wereldoorlog het merendeel van het productieapparaat intact had kunnen houden. Ze moest de machines enkel maar afstoffen en ze konden weer produceren. In het begin was dat een enorm voordeel maar het maakte wel dat geen nieuwe industrie werd gecreëerd. De rol van de Belgische kapitalisten als “bankier van Europa” dateert van deze s d e h s v k v v v s d vv k e a k h v v k pp k s e a D eiost eiost an an et et Bceghils ceghils aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst or or or or e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt an an 60/61 43 periode. Die bankiersfunctie werd echter in vraag gesteld door het uitbreken van de industriële crisis. Bovendien was het financiekapitaal het land aan het verlaten: 6 tot 7 miljard Belgische Frank verliet jaarlijks het land via de holdings. Er werd ook tien miljard frank fiscale fraude toegedekt door de rechtse regering. Dat was exact het bedrag dat de Eenheidswet uit de zakken van de kleine man wou halen. Ten overstaan van de crisis was de burgerij er zich perfect bewust van dat ze radicale en omvangrijke maatregelen moest nemen. Dat was noodzakelijk voor het redden van haar winstsysteem. De ervaring leert ons dat in een dergelijke situatie sociale afbraak de traditionele methode van de financiële en industriële wereld is. Ze willen de arbeiders en hun gezinnen laten betalen, op welke manier dan ook. Dat betekent in de praktijk altijd nieuwe belastingen. De kapitalistische crisissen leiden onvermijdelijk tot steeds hardere aanvallen op de levensstandaard van de arbeidersklasse. De winstvoet van de burgerij kwam in het gedrang door de crisis van de afzetmarkt en het verouderde productieapparaat. Dat was de ware reden voor het doorvoeren van de Eenheidswet. De inhoud van de Eenheidswet. De onrechtswet Waaruit bestond het voorstel van Eenheidswet van de regering-Eyskens? Hierbij enkele asociale maatregelen die voorzien waren in de Eenheidswet, door de arbeiders snel omgedoopt tot Onrechtswet. • De Eenheidswet zorgt ervoor dat de staat 40 tot 50% van de private investeringen voor haar rekening gaat nemen. Dat was voor de regering een maatregel om de “economische expansie” te bevorderen. In hetzelfde kader werden maatregelen genomen om gemakkelijker werklozen in de bedrijven actief te krijgen. De winsten waren voor de kapitalistische bedrijven, de kosten voor de gemeenschap. • 85% Van de nieuwe belastingen in de Eenheidswet komen van indirecte fiscaliteit die zwaarder weegt op de arbeiders dan op de andere sociale lagen. • De transmissietaks werd tot 15% verhoogd (in 1959-60 was er nog geen BTW, maar was er een transmissietaks van 6%). Dit moest 6 miljard frank opbrengen. De arbeiders zouden er het grootste deel van betalen via een verhoging van de prijzen. Die verhogingen werden bovendien zo berekend dat ze geen verhoging van de index veroorzaakten. Dat zou immers leiden tot een aanpassing van de lonen. • Het budget van de gemeenten werd met 1 miljard frank verlaagd, de sociale sector moest 2 miljard inleveren. • De pensioenbijdrage ten laste van de ambtenaren werd met 25% opgetrokken. De Eenheidswet voorzag bovendien een verhoging van de pensioenleeftijd van ambtenaren van 60 tot 65 jaar. 44 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 • Ten slotte zou de Eenheidswet de ziekteverzekering en de werkloosheidsverzekering voor bepaalde groepen werklozen na enkele maanden in vraag stellen en afschaffen (meer bepaald voor samenwonenden). Dat zou gepaard gaan met maatregelen die toelieten om een grondig onderzoek te doen naar het persoonlijke leven van de werklozen, onder meer met huisbezoeken. In november 1960 smeult het in het burgerlijke kamp, de financiële middens verkeren in opschudding. Op de één of andere manier moeten ze de krachtsverhoudingen tussen de klassen in hun voordeel ombuigen als ze de voorziene aanvallen tot een goed einde willen brengen. Om de crisis en het verzet tegen het asociale beleid te counteren, werd de rechterzijde in de regering versterkt om zo de belangen van de grote bedrijven te verdedigen. De leiding van het ACV in dienst van het kapitaal De regering werd geleid door Gaston Eyskens, vertegenwoordiger van de “christen-democratische” vleugel van de CVP, verbonden aan het ACV. Voor de burgerij was dit een middel om een meewerkende houding van de nationale leiding van de christelijke vakbondscentrale te verkrijgen. Het ACV had een meerderheid in Vlaanderen en in België was het altijd een sterk instrument ter verdeling van de arbeidersklasse. De traditionele invloed van de clerus was bovendien stevig in Vlaanderen. Ze overheerste er het sociale en politieke leven. De industriële eenheden in Vlaanderen stonden doorgaans zwak en waren sterk versnipperd. Vlaanderen was voor het grootste deel agrarisch en weinig verstedelijkt, met uitzondering van de twee belangrijke centra: Gent en Antwerpen waar de staalindustrie begon te ontwikkelen (met onder meer Sidmar). In die twee grote industriële centra, Gent en Antwerpen, had het ABVV een sterke positie. Maar de Vlaamse leiding van het ABVV was doorgaans rechts, schuw en maar al te vaak volgzaam ten opzichte van de leiding van het ACV. Het was dus duidelijk wat het belang was van het drukkingsmiddel waarover de burgerij via de christelijke vakbond beschikte. De Gemeenschappelijke Actie en de klassencollaboratie van de BSP In Wallonië was de situatie anders. Daar waren er ouderwetse industrieën, die sterk geconcentreerd, breed verstedelijkt en dichtbevolkt waren. De dominerende invloed was die van de reformistische sociaal-democratische ideologie van de Belgische Socialistische Partij. Het ABVV was sinds jaar en dag in de meerderheid in Wallonië. De Waalse leiding moest rekening houden met een arbeidersbasis met een lang verleden van intense strijd. De leiding moest in vergelijking met de leiding van het Vlaamse ABVV regelmatiger wat radicaler uit de hoek komen. Op politiek vlak stond de arbeidersklasse vooral onder de invloed van de BSP en in s d e h s v k v v v s d vv k e a k h v v k pp k s e a D eiost eiost an an et et Bceghils ceghils aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst or or or or e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt an an 60/61 45 mindere mate van de KPB (Communistische Partij van België, toen nog “Kommunistisch” geschreven). De BSP was één van de oudste Europese sociaal-democratische partijen. Maar zij was altijd al verzonken in het parlementarisme en de klassencollaboratie. De leiding werd gedomineerd door een sterk reformistische en op een carrière gerichte meerderheid. Er was een minderheid van linkse militanten, doorgaans gegroepeerd rond het weekblad “La Gauche” in Franstalig België en “Links” in Vlaanderen. Die linkerzijde beweerde te strijden op basis van de klassentegenstellingen. Op het laatste BSP-congres voor de algemene staking had “La Gauche / Links” 25% van de stemmen verzameld voor de eis van de terugtrekking van België uit de NAVO. Deze strekking had bovendien de overname van het programma van structuurhervormingen, zoals dit door het ABVV werd verdedigd, naar voor gebracht. De trotskistische leiding van “La Gauche / Links” beweerde dat ze een revolutionair perspectief had, maar de leiding bleef sterk onder de invloed van de reformistische praktijk van de BSP-leiding en het bureaucratische apparaat van het ABVV. Een belangrijk element in de positie van de BSP was haar materiële basis met haar controle op coöperatieven, mutualiteiten, socialistische poliklinieken,… Die posities vormden de basis voor een grote bureaucratie. Ze maakten allemaal deel uit van de ‘Gemeenschappelijke Actie’ die in 1949 werd opgezet en die werd overkoepeld door de BSP, die zich volledig aan de burgerlijke staat had aangepast. Traditioneel gezien was het de Gemeenschappelijke Socialistische Actie die de grote arbeidersopstanden leidde. Haar leidinggevende organen verenigden de reformistische leiding van de BSP, het rechtse apparaat van het ABVV en de ambtenaren die als afgevaardigden in de mutualiteiten en socialistische coöperatieven werkten. Een dergelijke leiding is echter afgesneden van de uitgebuite arbeidersmassa’s en de dagelijkse problemen waar de werkende bevolking mee te kampen kreeg op de werkvloer. Zo’n leiding kon zich enkel maar aan de zijde van de burgerij scharen op het moment dat de klassenstrijd op haar scherpst was. Dat is wat er ook gebeurde tijdens de algemene staking in de winter van 1960-1961. Het pacifisme van de KPB en haar basis Sinds het einde van de Tweede Wereldorlog bleef de KPB krimpen. De tijd waarin ze op 150.000 leden kon rekenen, was al lang verstreken. Bij het uitbreken van de algemene staking telde ze nog amper 10.000 leden waaronder slechts een duizendtal actieve militanten. Maar de basismilitanten van de KPB speelden in de bedrijven zonder enige twijfel een belangrijke rol bij het uitbreken van de staking. Het militantenbestand van de KPB had zich versterkt ten gevolge van die beweging. Maar de leiding van de KPB gaf geen oriëntatie noch een perspectief dat beantwoordde aan de noden van een dergelijke situatie. Nadat haar basismilitanten het maximum hadden gegeven om in het gehele land stakingen op te zetten, baseerde de leiding van de KPB haar positie op die van de BSP en het ABVV. 46 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De Communistische Partij hield er stevige posities binnen het ABVV op na. In het bijzonder bij de dokwerkers in Antwerpen, in de metaalindustrie van Henegouwen, bij Acec in Charleroi, FN en de staalindustrie in Luik. Er waren ook belangrijke afdelingen van de KPB in kleinere bedrijven alsook in het onderwijs. De leiding van de partij hanteerde een politiek die tegelijk opportunistisch en sectair was. In elke beslissende fase van de klassenstrijd stelde deze stalinistische organisatie zich op één lijn met de reformistische politiek van de sociaal-democratische leiding van de BSP. In de loop van de grote algemene staking heeft de KPB-leiding deze leidraad niet verlaten. Ze volgde steeds haar “grote broer”, de BSP. De arbeidersstakingen, voorbereiding op het grote gevecht Men moet vandaag voor ogen houden dat ondanks haar plotse karakter en haar omvang, de spontane explosie van de winter 60-61 niet in een serene atmosfeer van “sociale rust” is losgebarsten. Wel integendeel. De algemene staking van 60-61 was het toppunt van een reeks conflicten die haar voorafgingen en voorbereidden. De arbeiders hadden op verschillende momenten ingezien wat hun lot zou zijn indien ze niet onmiddellijk zouden reageren op de aanvallen van het patronaat. Dat gebeurde ondanks de demobilisatie vanwege de reformistische leiding van de arbeidersbeweging. Verschillende malen waren de arbeiders gedeeltelijke, maar niettemin belangrijke, gevechten aangegaan. Zo was er in juli 1957 een belangrijke nationale staking van de metaalarbeiders voor het invoeren van dubbel vakantiegeld. Deze staking werd onderdrukt door een reformistische socialistische premier, Achille Van Acker. Er waren toen 200.000 werklozen, de neergang was al ingezet. De lange en belangrijke staking van Gazelco in november 1958 duurde meerdere weken. Op hetzelfde moment gingen 50.000 arbeiders van Cockerill-Ougrée in staking en betoogden ze door de straten van Luik om te protesteren tegen de inbreuk op de sociale zekerheid. In januari 1959 staakten de douane-arbeiders, alsook de textielarbeiders in Gent met een 24-urenstaking tegen de sluiting van hun bedrijf. In februari 1959 was er de opstandige staking van de mijnwerkers in de Borinage tegen de sluiting van de mijnen. Werkelijk heel de Borinage was belegerd. De stakers kapten bomen om en blokkeerden de wegen. De wegen werden opengebroken. De stakers hadden de hele situatie onder controle en de Rijkswacht was niet in staat om vrij te circuleren. De stakers hadden eigen vrachtwagens die aan de stakerscomités ter beschikking waren gesteld. Er was niets mogelijk zonder de goedkeuring van de stakers. Op 29 januari 1960 was er een geslaagde algemene 24-urenstaking. En op 29 maart 1960 was er een nationale ambtenarenbetoging tegen de dreiging om sancties op te leggen naar aanleiding van “stakingsfeiten.” In een dergelijk strijdklimaat, met grote bewegingen die een voorbereiding waren op het grote onvermijdelijke klassengevecht, kon de reformistische leiding van de BSP en het ABVV niet inactief blijven. Ze hadden het gevaar van de op til staande strijd begrepen, ze wisten dat de strijd aan hun controle kon ontglippen s d e h s v k v v v s d vv k e a k h v v k pp k s e a D eiost eiost an an et et Bceghils ceghils aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst or or or or e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt an an 60/61 47 en dat de beweging de fundamenten van het kapitalisme alsook de fundamenten van de “macht” van de reformistische apparaten in gevaar kon brengen. De burgerij kon zich echter niet tevreden stellen met een status quo tussen arbeid en kapitaal. De Eenheidswet was geen waarschuwingsschot, het was een reëel offensief waarmee een groot aantal sociale verworvenheden op de helling werden geplaatst. De reformistische bureaucratie steunde voor haar positie op de arbeidersaristocratie. Ze werd bedreigd in haar positie en stond tussen twee vuren. Als de arbeidersklasse een overwinning zou behalen, dan zou de bureaucratie van de kaart worden geveegd. Maar een nederlaag zou eveneens betekenen dat de burgerij het nut, de functie en de geprivilegieerde posities van de bureaucratie in vraag zou stellen. In elk scenario zou de revolutionaire botsing een ernstige bedreiging zijn voor de gehele bureaucratie. Dat is waarom de reformistische leiding van de arbeidersbeweging er alles aan gedaan heeft om de algemene staking te voorkomen. Eenmaal deze tegen haar wil was losgebarsten, heeft ze het onmogelijke gedaan om de staking binnen het economische eisenpakket te houden, om niet de kwestie van de macht te moeten stellen. Om die keuze uit te stellen, hebben de bureaucratische apparaten, die gevangen zaten tussen hamer en aambeeld, geen enkel middel veronachtzaamd. Dat was de achtergrond waartegen het Nationale Comité van het ABVV zich op 16 december 1960 moest uitspreken over twee moties. Er was de motie van de syndicale linkerzijde die een reeks betogingen voorstelde in de aanloop naar een algemene 24-urenstaking op 15 januari 1961. En er was de motie van de syndicale rechterzijde die een actiedag in de loop van januari 1961 voorstelde. Er was een harde confrontatie tussen de linkerzijde onder leiding van Renard en de rechterzijde rond Major. De hele voorhoede van de arbeidersklasse was evenwel diep verontwaardigd toen ze vernam dat geen van beide vleugels onmiddellijke actie voorstelde. De rechterzijde van de ABVV-leiding stelde dat er “geen echt stakingsklimaat bestond in de schoot van de arbeidersklasse” en nog dat het “het beter zou zijn het geld van de stakingskas te spenderen aan een informatiecampagne over de Eenheidswet”. De rechterzijde van het ABVV wou de strijd ten alle koste vermijden. De stemming draaide uit op 475.823 stemmen voor het voorstel van André Renard, tegenover 496.487 stemmen voor dat van Louis Major en Dore Smets, met 53.112 onthoudingen. Het verschil was klein (2%) maar voldoende om de voorvechters van actie af te stoppen. Het voorstel van André Renard had het niet gehaald in het Nationale Comité van het ABVV, maar de arbeiders waren met hun acties en spontane stakingen de vakbondsleiding te snel af. De BSP had gehoopt om de wet te laten goedkeuren om nadien, bij volgende parlementsverkiezingen, op het ongenoegen te kunnen inspelen. Doorgaans kwamen de reformistische bonzen van de BSP niet verder dan zulke berekeningen. 48 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De “operatie waarheid” van de BSP Begin oktober begon de BSP een informatiecampagne over de kwalijke gevolgen van de Eenheidswet. De campagne kreeg de naam “operatie waarheid”. In het kader van deze BSP-campagne waren er overal in het land bijeenkomsten. De opkomst op deze bijeenkomsten overtrof meestal de verwachtingen. De vergaderingen werden ook aandachtig gevolgd. Ondanks het feit dat de zalen vaak te klein waren, werd met geduld naar de sprekers geluisterd. Iedereen voelde aan dat er iets bijzonder op til stond. Dit was de stilte voor de storm. De SJW had zich al op 10 oktober 1960 uitgesproken tegen de besparingen. We beslisten toen om een protestcampagne te voeren en stelden dat het beste actiemiddel tegen de Eenheidswet de algemene staking was. In Charleroi namen we met een groep van de SJW deel aan de eerste vergadering van de Gemeenschappelijke Socialistische Actie over de “operatie waarheid”. Dat was op 9 december. De vergadering vond plaats in het voormalige Eden en werd voorgezeten door Arthur Gailly, de voorzitter van ABVV-Charleroi. De gastspreker was Léo Collard, de nationale voorzitter van de BSP, die voor een overvolle zaal een hevige en lange toespraak gaf tegen de maatregelen van de onrechtswet. Hij was er zich heel goed van bewust, en hij hield daar in zijn toespraak ook rekening mee, dat hij sprak voor arbeiders uit een regio met een lang verleden van historische arbeidersacties. Het publiek was zo aandachtig dat het muisstil werd als de spreker zijn toespraak even onderbrak om op adem te komen. Op het einde van de toespraak was er luid gejuich. De aanwezigen gaven aan dat ze klaar waren voor de actie. Arthur Gailly had de opdracht de vergadering af te ronden en deed dat als volgt: “Kameraden, na de schitterende toespraak van kameraad Collard zie ik niet in wat er nog gezegd kan worden. Behalve één zaak, namelijk dat de opstand een heilige taak blijft”. Dat soort van verklaring zal zeker niet naar de zin van de voorzitter van de BSP zijn geweest, gezien het niet kalmerend werkte op de al verhitte aanwezigen. De golf van verzet groeide elk uur aan en overal werden bijeenkomsten samengeroepen waarbij de arbeiders actie eisten. Op initiatief van de militanten van het ABVV stemden verschillende algemene vergaderingen op de werkvloer begin december resoluties tegen de Eenheidswet en voor onmiddellijke stakingsacties. Dat was zeker in Wallonië het geval. Velen stelden 15 december voor als datum voor de actie, dat was namelijk de dag van de Koninklijke trouw van Boudewijn en Fabiola. Het idee van een 24-urenstaking deed de ronde en kwam steeds terug in de discussies. De patroons voelden het opborrelende ongenoegen en wilden dat tegengaan door een vrije dag toe te kennen in heel het land. De regering had daarop aangedrongen omdat ze besefte dat een 24-urenstaking op 15 december mogelijk uit de hand zou lopen en een grote politieke impact kon hebben op ons land maar ook de buurlanden. De roep naar actie bleef echter heel sterk aanwezig onder de basis. Het Waalse ABVV zag zich verplicht een actiedag te houden op 14 december, de dag voor de Koninklijke trouw. Die actiedag was een enorm succes. Het dagblad Le Peuple s d e h s v k v v v s d vv k e a k h v v k pp k s e a D eiost eiost an an et et Bceghils ceghils aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst aeilmpst or or or or e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt an an 60/61 49 had het op 15 december over 5.000 betogers in Bergen, 10.000 in La Louvière en 35.000 tot 40.000 ingehaakte betogers in Charleroi. In Namen staakten 96% van de arbeiders. In Waals-Brabant waren er acties. In Luik trokken 60.000 arbeiders de straat op. En overal hielden ABVV-leiders een zelfde toespraak: voor de volledige intrekking van de Eenheidswet. De ACOD (Algemene Centrale van de Openbare Diensten) deed op 12 december een stakingsaanzegging voor onbepaalde duur vanaf 20 december. Dit was de enige ABVV-centrale die het ordewoord van een nationale staking naar voor bracht. Dat was ook logisch: de ambtenaren van de openbare diensten, de gemeenten,… werden bijzonder hard geraakt door de Eenheidswet. De leiding van ACOD-Onderwijs besliste om vanaf 21 december effectief in staking te gaan. Maar aan de basis werd beslist om vanaf 20 december het werk neer te leggen. Een opvallend gegeven bij de eerste dagen van de spontane staking was het feit dat niet enkel de slechtst betaalde lagen van de arbeiders in actie kwamen, maar ook de “hoogste regionen” van de arbeidersklasse. Onder hen de leerkrachten, maar ook de arbeiders van ACEC, de glassector, Cockerill-Ougrée, de dokwerkers,… Deze arbeiders zouden overigens doorheen de volledige staking een actieve rol blijven spelen. Een ander belangrijk element was het feit dat de stakingsacties van de ACOD zowel in Vlaanderen als in Wallonië en in Brussel goed werden opgevolgd. In Gent blokkeerden de gemeentearbeiders tien dagen lang het elektriciteitsbedrijf. Daarmee werd de haven en de hele regio zonder stroom gezet. Protestbetoging in Luik aan de vooravond van Kerstmis 1960. De betogers van de openbare diensten halen ook uit naar het stadsbestuur. (iii) Betoging in La Louvière (iii) Antwerpen. De betogers eisen de vrijlating van de gevangen genomen stakers (ii) Gent. De solidariteit van de Vlaamse stakers met hun Waalse kameraden was erg groot (ii) Luik op 14 december (ii) 53 IV De algemene staking dag na dag Maandag 19 december 1960 De vooravond van een groot gevecht Vanaf 19 december 1960 eisen diverse resoluties van algemene vergaderingen van de arbeiders om in actie te treden. De resolutie die aangenomen werd door de arbeiders van Cockerill-Ougrée in Luik, verzameld in algemene vergadering, spreekt boekdelen over de sfeer die tijdens die dagen heerste. Hieronder een uittreksel. “De leiding van het ABVV heeft ons gewaarschuwd over de gevolgen van de Onrechtswet en heeft ons gewezen op de noodzaak van een algemene staking, maar ze wil nu vermijden om haar verantwoordelijkheid te nemen. [De algemene vergadering] is van mening dat de moties die werden voorgelegd op het Uitvoerend Comité van het ABVV de data voor de strijd te ver uitstellen. Als we naar een nederlaag gaan, dan is dit de verantwoordelijkheid van bepaalde leiders van het ABVV.” (Dit uittreksel werd aangehaald door Serge Simon in zijn boek, p. 17, onderlijnd door de auteur) Met de goedkeuring van deze resolutie, konden we vaststellen dat de arbeiders zich in het algemeen niet lieten bedotten, en deze van Cockerill al zeker niet. Door deze resolutie openbaar te maken, wilden ze hun onvrede uiten met de leiding van het ABVV. Ze deden dat op een erg directe wijze. De onvrede was overigens niet enkel gericht tegen de rechtervleugel van het ABVV (Major), maar ook tegen de linkervleugel (Renard). Ook die laatste vleugel stelde voor om pas op 15 januari, na de stemming van de wet, een algemene actie te voeren. Deze resolutie van de arbeiders van Cockerill maakt duidelijk dat het van bij het begin de arbeiders zelf waren die de toon bepaalden. ‘La Cité’, de krant van christelijk links, meldt in haar nummer van 24 en 25 december dat de jonge stakers bij Cockerill de hoofdafgevaardigde (die de vastberadenheid van de arbeiders om in actie te komen, probeerde te temperen) ervan beschuldigden “stakingsbreker” en “renardist” te zijn. Ze dreigden er zelfs mee om hem in het gietijzer te gooien. Het was trouwens niet enkel in Wallonië dat zo’n gebeurtenissen plaatsvonden, het gebeurde ook in Vlaanderen, zoals in Antwerpen, waar de havenarbeiders (dokwerkers) de vakbondleiders die vijandig stonden 54 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 tegenover de staking, gewelddadig aanvielen. Bepaalde woedende arbeiders hebben zelfs gedreigd hen af te maken. Op 19 december 1960 roept het Nationaal Comité van het ACV alle leden van het ACV op “om enkel de ordewoorden van het ACV op te volgen” (‘La Cité’ van 20/12/1960). ACV-nationaal verkiest zoals altijd onderhandelingen boven alles. De krant ‘La Libre Belgique’ van 14 december 1960 bracht een artikel over de positie van het ACV. Daarin stelde de krant dat de nationale leiders van het ACV hadden verklaard: “We hopen een akkoord te bereiken, maar als de onderhandelingen mislukken, zal de regering ons op haar weg tegenkomen.” Via de pers komen we te weten dat ACV geheime onderhandelingen voert met de regering. Op 20 december zullen overigens duizenden ACV-leden deelnemen aan de werkonderbreking en dit zowel langs Franstalige als langs Nederlandstalige kant. De ACV-leden doen dit zonder het akkoord en zelfs tegen de wil van hun leiders in. Op de avond van 19 december is het federaal comité van de Socialistische Jonge Wacht (SJW) van de regio Charleroi in vergadering in het Achturenhuis. Robert Moureau, nationaal ABVV-secretaris en medestander van André Renard, bevindt zich in het café en brengt een bezoek aan de vergadering. Hij nodigt ons uit om een groep van ACOD-militanten te vervoegen. Die groep maakte zich klaar om een piket te gaan opzetten in Roux, daar was er een zenuwcentrum voor de locomotieven. We gaan ter plaatse om het ordewoord van de staking te laten toepassen. Er was opgeroepen om het spoorverkeer plat te leggen vanaf de avond van 19 december om middernacht. Dat ordewoord werd gedetailleerd opgevolgd. Op hun vergadering hadden de SJW-militanten besloten om hun volledige en actieve solidariteit te geven om de algemene staking van het ACOD uit te breiden. Maar daarenboven hadden we resoluut besloten om er in onze eigen bedrijven en bureaus voor te pleiten om het ACOD in de actie te vervoegen. Als arbeiders uit de privésector voelden we ons solidair en volledig betrokken bij de strijd die tegen de Eenheidswet werd ingezet. Diezelfde maandag 19 december zijn ook alle arbeiders en bedienden van de ACEC van Charleroi bijeengekomen in een algemene vergadering. Onder impuls van de bedrijfsafdeling van de Communistische Partij, besluit het personeel om in staking van onbepaalde duur te gaan op dinsdag 20 december. Daarmee sluit het personeel van ACEC zich aan bij de staking van de openbare diensten. Deze beslissing vanwege het volledige personeel van ACEC wordt in gemeenschappelijk vakbondsfront genomen zonder rekening te houden met het advies van de regionale leiding van het ABVV en het ACV. De arbeiders van ACEC besluiten dus om zich ‘s morgens op 20 december voor de poorten op te stellen, zonder zich in werkuniform om te kleden en om zich te groeperen om acties te ondernemen naar andere fabrieken in de regio. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 55 Dinsdag 20 december 1960 Spontaniteit en de apparaten voorbijgestoken De confrontatie werd steeds meer onvermijdelijk. De woede van de arbeiders zal in de ochtend van 20 december alle dijken doorbreken die eerder door de bureaucratie werden opgezet om de uitbarsting van de algemene staking in de privésector te verhinderen. De regering koos 20 december om de discussie over de Eenheidswet in het parlement te beginnen. Een verstandige keuze: in volle periode van voorbereidingen voor de eindejaarsfeesten, dat is steeds een moeilijke periode voor arbeidersmobilisaties. De leidingen van de BSP en het ABVV rekenen eveneens op deze periode om geen initiatief te moeten nemen waarmee de strijd tegen de Eenheidswet op gang wordt getrokken. De ACEC, de glasfabrieken van Charleroi, Cockerill in Luik en de Antwerpse havenarbeiders zijn de eersten om het werk spontaan neer te leggen. Ze wachten daarbij geen ordewoorden van bovenaf af. Deze voorhoede begeeft zich vervolgens naar andere bedrijven om de stakingsbeweging te veralgemenen naar de hele arbeidersklasse van het land. Ze sluiten zich aan bij het ACOD en doen dit los van de leiding van het ABVV die nog geen enkel besluit tot actie had genomen. De nationale ACV-leiding had zich al uitgesproken tegen elke staking. In de regio van Charleroi legt 95% van het gemeentepersoneel het werk neer. Zelfs de politie sluit zich bij de beweging aan. Het spontane verzet van de arbeiders uit de privésector ontwikkelt bijzonder snel. De enorme solidariteit onder de arbeidersklasse zorgt er ook voor dat de onderlinge eenheid in het burgerlijke kamp wordt hersteld. Dat is noodzakelijk om het hoofd te bieden aan de dreiging die uitgaat van de arbeiders. De traditionele media onthullen dat de BSP haar troepen niet langer in handen heeft en dat er een scheiding is tussen leiding en basis. De BSP-leiding is inderdaad ongerust over de groeiende druk van onderuit. BSP-voorzitter Léo Collard moest reageren. Op het laatste congres van de partij had Collard nog verklaard dat hij van mening was dat “stakingen minder populair zouden zijn dan de Eenheidswet zelf.” Op de avond van de eerste stakingsdag was het al duidelijk dat deze een blitse en spontane start had genomen. Alle pogingen om de staking te verhinderen, werden aan de kant geschoven. Die reformistische bureaucraten die de staking probeerden tegen te houden, werden aan de kant geschoven. We kunnen het spontane karakter van de aanvang van deze algemene staking niet genoeg benadrukken. De initiatieven gingen uit van de arbeiders aan de basis. Zij namen zelf de beslissing om de beweging verder uit te breiden naar alle bedrijven. Het belang van deze algemene staking moet mee worden afgemeten aan de hand van het spontane karakter ervan. De arbeiders hebben niet gewacht op instructies van de bureaucratische leidingen en apparaten. Op enkele uren tijd hebben ze het 56 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 volledige kapitalistische systeem doen wankelen en de agenten van het kapitalisme in de arbeidersbeweging voor een totale verrassing geplaatst. Als we de lessen trekken uit de grote gevechten die de Belgische arbeidersklasse in het verleden heeft geleverd, merken we al snel dat er in deze staking enkele opvallende specifieke kenmerken waren. Er was de vastberadenheid, het spontane karakter van de actie, de heftigheid, het collectieve initiatief,… Dit zijn allemaal elementen die aangeven dat de revolutionaire spontaneïteit van de arbeiders in staat was om de gevestigde orde dooreen te schudden, en uiteindelijk ook het potentieel toonden om die gevestigde orde omver te gooien. Deze strijd stelde onmiskenbaar de vraag van de macht. In de glassector had de groep SJW-arbeiders rond La Gauche zich al enkele jaren georganiseerd. We stonden steeds vooraan in de strijd voor de arbeiderseisen, zowel voor materiële eisen als bij meer bescheiden democratische eisen. De groep nam actief deel aan de vakbondswerking en probeerde steeds de strijdbaarheid te versterken. We waren actief als militanten en leverden een onverbiddelijke strijd tegen de vakbondsleiding en de politiek van klassencollaboratie. We vergaderden iedere week om de ontwikkelingen van de strijdbewegingen te analyseren. We kwamen tussen op iedere algemene personeelsvergadering en verdeelden er pamfletten die werden ondertekend door ‘een groep glasarbeiders’. We voerden een lange propagandacampagne voor het programma van structuurhervormingen van het ABVV. We waren er ons nochtans van bewust dat dit programma op verschillende manieren kon worden geïnterpreteerd en begrepen. Het uitgangspunt van het programma was reformistisch en ambigu, maar voor de arbeiders was het een middel, een brug, om naar de overkant te gaan. Het vormde de basis voor een programma van anti-kapitalistische overgangseisen: • Arbeiderscontrole over de holdings. • De nationalisatie onder arbeiderscontrole van de energiesector. • De onteigening zonder vergoeding, noch aankoop van bedrijven. • De afschaffing van het handels- en bankgeheim. Dit programma werd door de arbeiders niet begrepen als een doel op zich, maar als een middel om de massa’s te mobiliseren. De belangrijkste instrumenten van de kapitalistische economie uitschakelen, is niet mogelijk zonder het kapitalisme zelf omver te werpen. De propaganda en strijd hadden een positieve impact op de bewustwording van de glasarbeiders. De arbeiders waren klaar om in actie te treden. In de regio van Charleroi gingen de arbeiders in verschillende bedrijven op de ochtend van 20 december spontaan in staking. In de glassector begonnen de acties in de fabriek Gobbe in Lodelinsart. Dat gebeurde onder invloed van de SJW-militanten. In de ochtend van 20 december kwam ik te laat aan op de fabriek. Dat kwam omdat ik met de SJW tot 2u ’s ochtends had deelgenomen aan het stakingspiket van het ACOD. De arbeiders van Gobbe waren spontaan bijeengekomen in een s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 57 algemene vergadering. De vergadering was nog niet begonnen toen ik er aankwam. De sfeer was er erg geladen, er werd gewacht op een ordewoord. Als ik aankwam, zei een collega me: “Omer wacht op je in de vergadering.” Ik ging naar de vergadering en de hoofddelegee, Omer Michel, opent de vergadering. Hij richtte een vraag aan mij als SJW-militant. Hij vroeg: “Wat doen we?” Ik antwoordde: “We leggen alles plat.” Het enthousiasme onder de aanwezige arbeiders is enorm. Ze komen naar voor om te zeggen dat we naar de andere glasblazerijen moeten gaan. We trekken onmiddellijk naar ‘La Discipline’ en ‘Barnum’. Aan Glaverbel-Gilly staan we voor gesloten deuren. Er staat een groep stakers van Gobbe voor de deur, we vragen er om met de hoofddelegee te spreken. Dat was Arthur Henry, een sympathisant van La Gauche. Een SJW-militant zegt hem: “Gobbe is in staking, we nodigen jullie uit om dat ook te doen.” Arthur Henry antwoordt: “Ik heb nog geen ordewoord gekregen van de centrale, ik wacht op ordewoorden.” Hij weigerde dus om meteen in actie te komen. Maar de SJW-militant en een groep arbeiders trekken toch de fabriek binnen om rechtstreeks met de arbeiders te spreken. We trekken door de fabriek en roepen: “Vergadering, vergadering”. Er kwam effectief een algemene vergadering. Er was een korte uitleg door een delegee. Daarna volgden tussenkomsten van de arbeiders Marcel Ovart en Arthur Otte, twee SJW-militanten die in de fabriek werkten. Zij spreken zich uit voor onmiddellijke actie. Er komt geen enkele oppositie van de arbeiders. Integendeel, de arbeiders gaan meteen naar buiten. Een deel van hen vervoegt de arbeiders van Gobbe om naar andere fabrieken te trekken. Zo gingen we ook nog naar Splintex. Gilly ging na enig verzet van de leiding volledig plat. Een groot aantal stakers trok hierop naar Lodelinsart om de arbeiders van Barnum mee te krijgen, wat ook meteen lukte. De gemotoriseerde stakers trekken naar de spiegelfabriek Lerminieux in Damprémy. Daar worden de arbeiders aangesproken door de SJW-militanten van buiten de fabriek die hen oproepen om mee te staken. De baas protesteert en dreigt, maar de arbeiders volgen de stakingsoproep. Nochtans was dit maar een KMO. Een meerderheid van de arbeiders komt naar buiten en wordt daar op applaus onthaald. Een meerderheid gaf niet toe aan de dreigementen van de patroon. Zoals de lezer kan opmerken, spelen de militanten van SJW en La Gauche een belangrijke rol in het organiseren van de staking in de vijf glasfabrieken in de regio van Charleroi. De SJW-militanten zullen een rol blijven spelen in het voortzetten van de staking de volgende dagen. Ze zoeken daarbij aansluiting met de metaalsector en vragen de arbeiders uit die sector om de beweging te vervoegen. Omwille van hun rol in het ontstaan van de staking in de glassector, zullen drie SJW-militanten na de algemene staking worden afgedankt. De vakbondsleiding in de sector laat dit gebeuren en is hierdoor medeplichtig. Aan ACEC was er een dag eerder onder impuls van Robert Dussart, de hoofddelegee en lid van het Centrale Comité van de KPB, een algemene vergadering. De 10.000 arbeiders van ACEC besluiten het werk neer te leggen, ook al was er nog geen ordewoord tot staking in de metaalsector. Aangezien ACEC plat gaat, is 58 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 er een groot aantal gemotoriseerde stakers om de belangrijkste metaal- en staalfabrieken in de regio te bezoeken. Daar sluiten de arbeiders meteen bij de staking aan, ze vervoegen de stakende kameraden van ACEC. De verantwoordelijke van de metaalcentrale bedreigt Robert Dussart telefonisch met uitsluiting uit de vakbond. Maar de arbeiders van zowel ABVV als ACV bij ACEC namen de beslissing tot staking democratisch. Ze verzamelden zich al vroeg op de ochtend voor de poorten en vertrokken met een indrukwekkende betoging. Er waren zowat 2.000 stakers op de betoging. Deze betoging zou tijdens de algemene staking zowat iedere dag worden herhaald. De eerste betoging trok onder meer naar andere fabrieken uit de sector om de staking te laten uitbreiden. Tijdens de betoging zijn er de eerste schermutselingen met de rijkswacht. De rijkswacht probeert met friese ruiters de toegang tot de fabriek La Providence onmogelijk te maken. Dat hield de arbeiders van de staalfabriek niet tegen om spontaan in staking te gaan en zich bij de actie aan te sluiten ondanks de aanwezigheid van de rijkswachters. Robert Dussart speelde een erg actieve rol in de staking. Hij zei hierover: “We hebben in verschillende bedrijven een strijdbare sfeer gezien en dat ondanks de pogingen van bepaalde delegees om de beweging af te remmen.” (interview in La Gauche op 7 januari 1961). De staking begon overal op spontane wijze. De leidingen van de vakbonden en partijen werden volledig voorbijgestoken. Op het begin van de namiddag trokken de glasarbeiders massaal naar de hoofdzetel van de vakbond van de glassector. Dat was aan de Ruche Verrière in Lodelinsart. De grote zaal zat propvol en de sfeer was bijzonder strijdbaar. De beslissing om tot staking over te gaan, is nog slechts een formaliteit. De arbeiders van de sector hebben immers al het werk volledig neergelegd. Ik kwam op deze bijeenkomst tussen en stelde: “We zijn niet enkel in staking tegen de Eenheidswet, maar we moeten ook opkomen voor structuurhervormingen die ingaan tegen het kapitalistische regime.” Voor de spontane stakingsbeweging in de privésector in de regio van Charleroi speelde uiteraard vooral de staking van de 10.000 arbeiders van ACEC een grote rol. Maar ook de arbeiders van de glassector speelden een belangrijke rol en dat wordt wel eens vergeten. De 18.000 arbeiders uit de sector waren dan niet bijeengekomen voor een vergadering op 19 december, zoals dit voor die van ACEC het geval was, maar ze aarzelden niet om op 20 december eveneens het werk neer te leggen. Er werd evenmin gewacht op ordewoorden van de ABVV-leiders. De meeste verantwoordelijken van het ABVV in de glassector waren eigenlijk tegen de staking gekant. Dat verraste niemand. De vakbondsleiding stond gekend als de bewaker van de sociale vrede, er werd al jarenlang een politiek van klassencollaboratie gevoerd. Met de trotskistische fractie kwamen we meermaals in aanvars e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 59 ing met die vakbondsleiding. Maar deze leiding bleek niet in staat te zijn om de stakingsbeweging te verhinderen. De staking werd hen door de basis opgelegd. Het ABVV van Charleroi bevestigt haar oppositie tegen de Eenheidswet en klaagt dat de christelijke vakbond zich eerst tegen de Eenheidswet heeft verzet om deze vervolgens toch te aanvaarden. De ACV-leden onder de arbeiders van ACEC en in andere fabrieken begrepen het beter. Zij streden schouder aan schouder met hun ABVV-collega’s. De aanvallen van de Eenheidswet maakten evenmin een onderscheid, deze aanvallen troffen alle arbeiders in het land los van hun vakbondskleur. Het ABVV werd overrompeld door de stakingsbeweging. De regionale centrales proberen al snel om de beweging te recupereren. Er wordt gesteld: “De beweging wordt bepaald door de discipline en het naleven van de beslissingen die worden genomen door de bevoegde organen,” waarmee uiteraard de lokale ABVV-leiding wordt bedoeld. De lokale leiding vraagt de delegees om enkel de ordewoorden en instructies van de vakbondsleiding op te volgen. De ABVV-leiders maken in een aantal gevallen duidelijk dat ze ernaar streven om met de bureaucratische top de controle te verwerven boven de wil van de basis. Vakbondsdelegees in de fabrieken worden gevraagd om de basis niet te volgen als deze overgaat tot “extremistische” en “revolutionaire” daden. Het is niet enkel in de nationale ABVV-leiding dat er een rechterzijde bestaat, ook op lokaal vlak in Charleroi zijn er rechtse figuren. Voor het begin van de algemene staking op 20 december 1960 was er onder de Waalse arbeiders een grote afkeer tegenover de Eenheidswet. Dat werd aangewakkerd door de campagne “operatie waarheid.” Maar ook onder Vlaamse arbeiders werd geprotesteerd. Op 8 oktober was er al een eerste betoging, in gemeenschappelijk vakbondsfront, in Antwerpen. Vertegenwoordigers van de rode, groene en blauwe vakbonden hadden er het project van de regering-Eyskens onder vuur genomen. Er werd besloten om een staking te organiseren op 17 oktober 1960. Op 13 december 1960, de dag van het Koninklijke huwelijk, was er in Gent een spontane staking gedurende twee uur uit protest tegen de Eenheidswet. Vanaf de eerste stakingsdag, op 20 december, zijn er ook acties in Vlaanderen. In Antwerpen en Gent breken overal spontane stakingen uit die zich niet beperken tot een sector. Er is tegenstand vanwege de BSP en de ABVV-leiders, maar die kunnen de spontane beweging niet stoppen. De algemeen-secretaris van het ABVV en socialistische verkozene voor Antwerpen, Louis Major, verklaart op 21 december in de Kamer: “Premier, we hebben met alle mogelijke middelen, zelfs met de hulp van het patronaat, geprobeerd om de staking tot één sector te beperken.” (uit de parlementaire stukken van de Kamer, 21 december 1960, p. 20) Deze verklaring werd zonder enige schaamte afgelegd. Het toont wellicht op de meest duidelijke wijze het verraad vanwege een voorname leider van het ABVV. En hij was niet de enige. De politiek van klassencollaboratie en compromissen die 60 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 steeds dominant is bij de reformisten, kan enkel tot het verraad van de arbeidersklasse leiden. Dat is overigens geen taalkwestie van Nederlandstaligen tegenover Franstaligen, het is in essentie een discussie over politieke standpunten. Op dat vlak staat Louis Major dicht bij de leiders van de christelijke vakbonden in de verdediging van de belangen van het kapitaal. Louis Major zette meteen de toon en hij zou die gedurende de hele staking van 60-61 aanhouden. Het ABVV-apparaat van Charleroi – reacties en verklaringen De lokale voorzitter van het ABVV in Charleroi verklaarde aan een delegatie van Franse syndicalisten: “Onze bedoeling was om de staking planmatig uit te breiden met een stappenplan. Dat was in het bijzonder de doelstelling van de centrales van de mijnwerkers en de metaal. Je kon daarmee akkoord zijn of niet, maar de verantwoordelijke leiders wilden maar kleine stappen zetten. 90% van de arbeiders stemde in met deze tactiek. Maar 10%, en we moeten het zeggen en bedoelen dit niet pejoratief, het ging om extremisten en revolutionairen, heeft ervoor gezorgd dat de acties versneld op gang kwamen. Een grote meerderheid van arbeiders voelde zich solidair met het gemeentepersoneel en nam spontaan deel aan hun staking. Dat is hoe de staking begon.” (Aangehaald door Serge Simon, p. 18) Als ze tot handelen worden gedwongen, blijken de leiders van de rechtervleugel van het ABVV achteraf altijd goede voornemens te hebben gehad. Voor een efficiënte strijd tegen de Eenheidswet, was een directe en gecoördineerde mobilisatie van de volledige arbeidersklasse in het land noodzakelijk. Het was niet met kleine stapjes in de tijd gespreid dat de actiewil van de arbeiders aan bod zou komen, dit zou de strijd enkel desorganiseren. De voorzitter van het ABVV had het in zijn verklaring over 90% van de arbeiders die de tactiek van de leiding zou gesteund hebben. We moeten opmerken dat deze 90% niet werd geraadpleegd over deze tactiek. Hoe verklaart de voorzitter bovendien dat de arbeiders massaal spontaan in actie gingen als ze voor een andere tactiek zouden zijn geweest? We denken dat de arbeiders spontaan in actie zijn gekomen omdat ze beseften dat de besparingen uit de Eenheidswet alle arbeiders hard zouden treffen. Zoals altijd is het klasseninstinct beslissend geweest. Enkel wie blind is, ziet niet hoe de staking zich als een lopend vuurtje ontwikkelde doorheen het hele land. Op 21 december lag het land volledig plat. Er waren tientallen fabrieken waar een zelfde beweging wordt opgestart. Overal werd het werk neergelegd en dat zonder ordewoorden van de vakbondsleiders, vaak zelfs tegen de ordewoorden in. De media staan op 21 december vol over berichten van hoe de gevestigde macht en de vakbondsleiders werden overrompeld door de staking. De krant ‘La Cité’ schrijft bijvoorbeeld: s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 61 “We merken op dat ook de ABVV-leiders op heel wat plaatsen verrast werden (…) het lijkt er op dat minstens op een aantal plaatsen de controle over de beweging aan de ABVV-leiding ontsnapt.” Het klopt dat de ABVV-leiding verrast was door de spontane staking. De arbeiders kwamen spontaan op straat. De arbeidersmilitanten organiseerden zich aan de basis om het gebrek aan leiding voor de staking op te vangen. Er werden in de regio van Charleroi overal contacten gelegd, er waren zelfs vergaderingen en discussies. Er waren militantenconcentraties en georganiseerde verdelingen van pamfletten. De Metaalbond werd volledig voorbijgestoken door het spontane initiatief van onderuit. Er werd een oproep gelanceerd: “Als we willen dat acties efficiënt zijn, dan moeten we deze zoveel mogelijk coördineren. Het is aan de bevoegde instanties om de beslissingen en maatregelen te nemen. Die instanties vergaderen op professioneel en interprofessioneel niveau in de loop van de week. Er zijn eveneens vergaderingen van de verantwoordelijken van de verschillende regio’s. De syndicale organisatie neemt alle nodige maatregelen om de actie te organiseren en efficiënt te maken. Dat is waarom de Federatie van Metaalarbeiders van Charleroi haar leden uitnodigt om enkel de ordewoorden van de bevoegde instanties en van de verantwoordelijken op te volgen. Deze zullen verspreid worden voor de delegaties. In afwachting van ordewoorden, mogen we ons niet uitputten in afzonderlijke acties. Andere ordewoorden zijn onverantwoord en leiden enkel tot verdeeldheid en het desorganiseren van de actie.” Aangehaald in de krant ‘L’Indépendance’ van woensdag 21/12/1960, p.5) Deze wanhopige oproep zegt veel over de positie van het apparaat. Tienduizenden “onverantwoorde” arbeiders beantwoordden deze oproep vanwege de ABVV-leiders met hun deelname aan de beweging. De leiders hadden vervolgens geen andere keuze dan het geven van het ordewoord van de staking. Zoniet dreigden ze alle controle over de beweging te verliezen. Dertig uur nadat de staking spontaan was losgebarsten, op een ogenblik dat de staking algemeen was in de regio en de rest van het land, ging het ABVV in Charleroi over tot het geven van een ordewoord tot algemene staking in de regio. Op 7 januari 1961 verscheen in La Gauche een interview met Robert Dussart: “Het apparaat heeft ons snel, het is te zeggen na ongeveer dertig uur, gevolgd en gesteund. We zijn er dus van overtuigd dat we de beweging een goede dienst hebben verleend. Het idee van actie was van bij het begin populair en deze beweging kan niet worden toegeschreven aan onduidelijkheid.” Dussart stelde dat de beweging gerechtvaardigd was en gebruikt daartoe het argument dat het apparaat van het ABVV de staking dertig uur na het begin ervan moest ondersteunen. Maar wat zou er gebeurd zijn indien het apparaat langer 62 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 had gewacht om zich achter de beweging te scharen? En wat zou er gebeurd zijn indien de laag van syndicale en politieke militanten die een actieve rol speelden in de staking de enigen waren gebleven die hun verantwoordelijkheid hadden opgenomen? Dat valt moeilijk met zekerheid te zeggen, maar het vervolg van de algemene staking maakt duidelijk dat de meeste militanten van de voorhoede zich onafhankelijk van de leiding zouden hebben georganiseerd. Deze militanten lagen aan de basis van de staking en bij het uitbreken van de staking waren ze effectief onafhankelijk van de leiding georganiseerd. Deze militanten zouden na het begin van de staking niet zijn overgegaan tot een afwachtende houding bij gebrek aan een leiding voor de beweging. Er kwamen ordewoorden en initiatieven tot actie vanuit de basis. Dat zou zich ongetwijfeld hebben versterkt doorheen de staking. Het is geen toeval dat er overal in de grote arbeiderscentra stakerscomités ontstonden. Dit waren stakerscomités die van onderuit werden opgezet en die aan de controle van de bestaande leiding ontsnapten. Ze stonden nooit onder de controle van de reformisten. Bedrijfsbezettingen – wie is baas over de fabriek? Er werd nadien veel gesproken over de grote strijdbaarheid van de Waalse arbeiders. Dat is terecht, maar we mogen niet vergeten dat ook de Vlaamse arbeiders een enorm strijdbare rol hebben gespeeld. Ze deden dat ondanks enorme moeilijkheden waarmee ze werden geconfronteerd. De Vlaamse arbeiders speelden een belangrijke rol en het was overigens in Vlaanderen dat de enige bedrijfsbezetting plaats vond. Dat was het geval in de elektriciteitscentrale van Gent. Die werd tien dagen bezet, tussen 20 en 30 december. Een bedrijfsbezetting is een veelzeggende actie die de strijdbaarheid toont onder de arbeiders. Gedurende de hele stakingsbeweging van 60/61 was dit het enige bedrijf dat werd bezet door de stakers. Een bedrijfsbezetting mag dan nog relatief vreedzaam verlopen, zoals het geval was in Gent, maar het stelt wel een belangrijke kwestie. Met een dergelijke actie zeggen de arbeiders: “Wij zijn de baas van het bedrijf”. Wat was er nog nodig opdat de sceptici zouden overtuigd zijn van de strijdbaarheid van de Vlaamse arbeiders in deze algemene staking? Deze actie toonde een enorme strijdbaarheid en het maakte duidelijk dat het belangrijkste onderscheid er niet een was tussen Vlaamse, Waalse en Brusselse arbeiders. Woensdag 21 december De editorialen van de kranten op 21 december zijn unaniem. Ze benadrukken allen de enorme uitbreiding van de algemene staking doorheen het volledige land. De leiding van de arbeidersbeweging slaagt er niet meer in om de beweging te stoppen en besluit dan maar om zich aan het roer van de beweging te zetten alvorens deze volledig aan haar controle ontsnapt. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 63 ’s Ochtends blijkt dat de leraars – die de vorige dag al in staking waren gegaan – in grotere aantallen aan het staken zijn. Er zijn ook betogingen van woedend onderwijspersoneel. Vanaf de middag zijn er bijeenkomsten van stakers in verschillende bedrijven en volgen betogingen in de stadscentra. Daarbij wordt samen betoogd door arbeiders van het ABVV en het ACV. Vanaf het begin van de namiddag is de staking totaal in Charleroi. Alle grote bedrijven liggen plat: ACEC, de glasfabrieken, Solvay, het metaalbedrijf Hanrez, La Providence,… In Luik is er een zelfde situatie met stakingen bij Cockerill Ougrée, FN, Espérance Longdoz, Phoenix Works,… Waar er in de kleine bedrijfjes nog wordt gewerkt, passeren er groepen stakers om de arbeiders te overtuigen van de staking. In Gent en Antwerpen bereidt de staking zich eveneens uit tot alle grote bedrijven. Dit is wat de krant ‘Le Peuple’ op deze woensdag schreef: “Overal borrelt het verzet op in de straten van de arbeidersbuurten. Zelfs de aanhoudende regen kan de sfeer niet afkoelen onder diegenen die van werkplaats naar werkplaats trekken om de volledige en onmiddellijke staking te propageren.” Op de avond van deze tweede stakingsdag is het duidelijk dat de beweging zich overal met een enorme snelheid heeft uitgebreid. Dat is het geval in de industriële centra in Wallonië maar ook in de grote steden in Vlaanderen. De arbeiders zijn overal vastberaden. Er zijn bijeenkomsten op alle straathoeken, overal wordt gediscussieerd en wordt de strijd opgevoerd. Het zijn opwindende dagen vol enthousiasme. In de regio rond Bergen was de staking van bij het begin algemeen. Net als in Charleroi duurde het maar enkele uren om de staking algemeen te laten worden. In La Louvière werd van bij het begin een stakerscomité opgezet dat permanent zetelde in het Volkshuis. Dit was het geval van bij de eerste uren van de staking. Er waren overal in het land stakingspiketten die door de straten trokken om de staking te laten uitbreiden. De koude kon deze vliegende piketten niet tegenhouden. De piketten botsten al snel op de rijkswacht die stakingspiketten wilde opbreken om te vermijden dat deze piketten de weinige werkwilligen die er waren, zouden tegenhouden. Er waren overal in het land gemotoriseerde stakingspiketten, zij vormden de kern van de algemene staking. Vanaf de middag beginnen de vakbondsleidingen van verschillende afdelingen van het ABVV de staking te vervoegen. Ze voelen de strijdbare sfeer onder de stakers en hebben geen tijd te verliezen als ze zich aan de leiding van de beweging willen plaatsen. Op een aantal plaatsen waren er strijdbare delegees en secretarissen die meteen de beweging vervoegden zonder te wachten op de rest van het apparaat van het ABVV. In een aantal regio’s werden stakerscomités opgezet door de arbeiders die personeelsvergaderingen hielden in de verschillende bedrijven. Deze werden soms ontbonden door de vakbondsleiding. Ze stelden daartoe dat de stakingsbeweging 64 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 pas efficiënt zou zijn indien de structuren van de vakbond zouden worden gerespecteerd. “Het hoofdkwartier van de staking is het vakbondsgebouw”, stelden ze. Dat is hoe de lokale leiding van het ABVV in Luik op woensdagavond besloot: “Voor de maximale uitbreiding van de stakingsbeweging onder de Luikse arbeidersklasse stellen we voor om het ordewoord tot de algemene staking te geven. De regionale afdeling herinnert de arbeiders er aan dat ze enkel de ordewoorden van de vakbond moeten volgen. De enige comités die verantwoordelijk zijn, zijn diegenen die werden verkozen binnen de organisatie waartoe de leden behoren. De lokale afdeling van het ABVV in Luik staat op haar syndicale onafhankelijkheid en verwerpt iedere politieke of andere inmenging in het verloop van het conflict.” Waar het nog mogelijk is, gaat de vakbondsleiding op de rem staan. Het uitvoerend bestuur van de sector van de post stelt dat het “zich inschrijft in de actie waartoe het nationaal comité van het ACOD op donderdag zal beslissen en de postmensen uitnodigt om gedisciplineerd de ordewoorden te volgen die de komende dagen zullen worden bekend gemaakt.” De sfeer tussen de stakers en de leiders van de BSP en het ABVV is overal aan het verslechteren. In Charleroi trokken de socialistische leiders deze ochtend naar een vergadering in het Volkspaleis. Ze werden er uitgejouwd door de stakers. In de namiddag verklaart BSP-voorzitter Collard: “De Gemeenschappelijke Actie en de BSP zijn volledig betrokken in de strijd.” Voor hen kwam het er op aan om het apparaat zo snel mogelijk de beweging te laten vervoegen. Maar het loopt niet overal even gemakkelijk. Er zijn plaatsen waar de bureaucraten nog proberen om de beweging af te remmen. Zo is er op woensdagochtend een persconferentie in het Volkshuis in Brussel. Daar verklaart Louis Major: “Het ABVV is niet voor de algemene staking en heeft geen enkel ordewoord in die zin gegeven.” Op verschillende plaatsen wordt bericht over een actieve deelname van de christelijke arbeiders in de beweging. Dat toont de uitzonderlijke impact van de staking. Ondanks de tegenstand van de ACV-leiders doen de christelijke arbeiders gewoon mee met de staking. Op 21 december publiceert de nationale ACV-leiding een nieuw persbericht waarmee het hoopt om de christelijke arbeiders van de staking weg te houden. Het is een poging om de solidariteit aan de basis te breken. In het persbericht stelt de leiding: “De huidige stakingen zijn niet nuttig en prematuur om de beoogde doelstellingen van de arbeiders te bereiken. We nodigen de leden uit om niet deel te nemen aan deze stakingen die een duidelijk politiek karakter hebben.” In hun verzet tegen de staking nodigen de ACV-leiders hun leden uit om op te treden als stakingsbrekers. De arbeiders aan de basis luisteren niet naar die s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 65 oproep. Hun antwoord bestond uit het opdrijven van de druk in de verschillende centrales van het ACV om daar het ordewoord van de staking te ondersteunen. De christelijke vakbondscentrale voor de openbare diensten in Antwerpen moest zichzelf ontbinden nadat meermaals werd geweigerd om de algemene ledenvergadering te organiseren die door de basis werd geëist. Uiteindelijk kwam die algemene ledenvergadering er toch en was er een scherp debat tussen de basis en de leiding. Het is op dergelijke ogenblikken van hevige sociale spanningen dat alle klassentegenstellingen in het ACV tot uiting komen. De militanten van het ACV houden vol en eisen een geheime stemming. In die geheime stemming zijn er 579 stemmen voor staking, 505 tegen en 42 onthoudingen. Die beslissing om de arbeiders van het ABVV te vervoegen in de staking was fataal voor de werking van de Antwerpse haven. Zowat 100 schepen werden geblokkeerd in de haven. (L’indépendance, 22/12). De dokwerkers vormden spontaan een actiecomité net zoals er comités werden opgezet in Wallonië. De arbeiders trokken eveneens door de grote stadscentra en trokken naar andere bedrijven om daar de arbeiders tot actie aan te zetten. Dat gebeurde tegen de wil van de vakbondsleiding van het ABVV en het ACV in. Er was op 21 december een betoging van honderden dokwerkers die naar het ABVV-lokaal trokken om er een ordewoord voor de staking te eisen. Het lokaal van het ABVV was gesloten. Ondanks het feit dat er bepaalde vakbondsleiders aanwezig waren in het gebouw, kwam er geen enkel ordewoord. De stakers waren woedend tegenover de vakbondsleiders. Ze sloegen de ramen in en forceerden de toegangsdeur. Die reactie was een uitdrukking van de afkeer onder de arbeiders tegenover diegenen die hun leiding moesten vormen. Alle stakers hoorden hoe Louis Major verklaarde dat het ABVV niet voor de algemene staking was. Er was een groot bewustzijn over het feit dat het vakbondsapparaat de strijd tegen hield. Eerst werden de arbeiders gewaarschuwd voor de Eenheidswet, maar vervolgens werd iedere actie afgeblokt op het Nationaal Bureau van 16 december en tenslotte werd de spontane algemene staking afgeremd. De stakers in de private sector van het land begrepen niet waarom werd geaarzeld door het ABVV en het ACV zich zelfs helemaal tegen de staking uitsprak op een ogenblik dat de Eenheidswet werd bediscussieerd in de Kamer. In de plaats van aarzeling en twijfel was strijd nodig. Ondanks alle hindernissen ontwikkelde de strijd verder en groeide de staking dag na dag verder aan. De haven van Brussel werd plat gelegd door spontane stakingen. Ook daar waren de arbeiders tot actie bereid. Net zoals de Antwerpse collega’s beseften de dokwerkers in Brussel dat de haven een strategische plaats is voor de klassenstrijd. De maturiteit van de arbeidersklasse en de onderlinge solidariteit zorgden ervoor dat de ACV-leiding en de katholieke partij er niet in slaagden om de staking tegen te houden. De algemene staking kende in heel het land uitbreiding, overal werden arbeiders aangetast door deze beweging. De bedrijven werden door de stakers geblokkeerd. Arthur Gailly verklaarde in de Kamer: “De christelijke arbeiders 66 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 staan aan de kant van hun socialistische kameraden in de staking.” (Le Peuple, 22 december). De stakers van het ABVV, ACV en diegenen die geen lid waren van de vakbonden organiseren zich in stakingspiketten voor de bedrijven. Ze trekken de straat op en er komen ook wegversperringen. Het verkeer wordt steeds meer door de stakers gecontroleerd. Le Peuple schrijft op 22 december: “In Namen heeft een stakingspiket de sluizen overgenomen. Daar werd eerder het werk neergelegd en alle sluizen gingen dicht.” We vernamen dat het ACV onderhandelingen was opgestart met de regering. Louis Major was tevens parlementslid voor de BSP. Hij klaagde in de Kamer over het feit dat de regering enkel met het ACV wilde onderhandelen. In Namen trekt een groep van stakers naar het station waar de sporen worden bezet. Alle wagons worden losgekoppeld. Voor de locomotieven worden barricades opgeworpen zodat geen enkele trein nog kan vertrekken of passeren. Donderdag 22 december De debatten over het wetsvoorstel zijn begonnen in de Kamer. Deze verlopen nogal rumoerig, regering tegen oppositie. De regering en de patronale middens zijn verontrust over het verloop van het conflict, de snelheid ervan en de omvang roepen slechte herinneringen op. De industriëlen vragen de regering om “noodmaatregelen om de orde in het land te bewaren.” De geweldige ontwikkeling van de staking heeft de regering en de burgerij verrast. Ze hadden niet gedacht dat ze het hoofd zouden moeten bieden aan zo een grote veralgemeende beweging. Voor reactionair rechts was dit soort conflicten al lang naar de geschiedenisboeken verwezen. Maar in de algemene staking herstelde de vatbaarheid van het proletariaat voor revolutionaire actie zich snel. Geconfronteerd met een strijd die haar in haar bestaan bedreigt, is de regering, die al verdeeld is door interne tegenstellingen, verplicht meer te doen. Ze moet reageren, hetzij door toe te geven, hetzij door standvastigheid aan de dag te leggen. Ze kiest voor halsstarrigheid en dreigementen. Vervuld van haat voor de stakers verklaart de reactionaire regering: “De meeste werkonderbrekingen vastgesteld sinds dinsdag zijn het werk van buitensporige sociale agitatie, opgestookt door oproerkraaiers in de marge van de vakbondsorganisaties, die hun laarzen lappen aan alle regels die de werkgevers en de werknemers vrijelijk zijn overeen gekomen.” Men zou het niet beter kunnen uitdrukken. Men zou er zelfs aan kunnen toevoegen dat het besluit tot staking door de ACOD gunstige voorwaarden heeft gecreëerd voor de uitbreiding van de staking naar de privé sectoren. Maar de staking moest ook nog op gang getrokken worden door een voorhoede, die echter niet kan worden beschreven als een kleine minderheid van syndicalisten in de s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 67 marge van hun vakbondsleidingen die zelf op het balkon bleven toekijken. Alle dagbladen van reactionair rechts hebben de stakingsbeweging beschreven als het werk van een minderheid van oproerkraaiers. Maar het staat vast dat wat aanvankelijk een militante minderheid was, een uitdrukking gaf aan de wil tot actie van de arbeidersbasis. Zonder diepe sociale malaise, zonder grote ongerustheid onder de arbeiders die vreesden voor een sociale achteruitgang, zou het voor een minderheid onmogelijk zijn geweest een algemene beweging van die omvang op gang te trekken. Het dagblad Le Peuple is verontwaardigd omdat de katholieke partij de stakingen opstandig durfde noemen. Het nationaal bureau van het ABVV schuift de verantwoordelijkheid voor de staking door naar de gewesten, dat is bewust een barst creëren in de eenheid en de frontlinie van de strijd, door het aan de gewesten over te laten of ze in actie gaan of niet. De eerste dagen was ze verrast door de omvang van de algemene staking, het kost het de regering dan ook tijd om te reageren. In die tijd breidt de staking overal uit en doen zich in heel het land spontane werkonderbrekingen voor. De metaalarbeiders, de glasarbeiders, de mijnwerkers, de spoormannen, de dokwerkers,… zijn allemaal in staking. Heel Wallonië is verlamd. In Vlaanderen ontwikkelt de staking trager, met meer moeite, maar ook daar is ze reëel. Hele sectoren zijn in Vlaanderen in staking. Andere gooien zich eveneens in de strijd. De Vlaamse arbeiders tonen nog maar eens aan dat ze in de strijd zijn zoals de Waalse arbeiders, ondanks alle moeilijkheden waarmee ze geconfronteerd worden, alle dreigementen, de druk en het loodzware gewicht van de reactionaire kerk die weegt op Vlaanderen. Dat verhindert de leden van het ACV niet om eveneens te staken, schouder aan schouder met de leden van het ABVV. Ze zijn misschien groen in hun hoofd, maar rood in hun hart. De BSP heeft al haar kracht vooral willen toeleggen op de parlementaire weg, hoewel ze nochtans goed wist dat langs die weg de stemming van de Eenheidswet niet verhinderd kon worden, omdat de krachtsverhouding in het parlement haar ongunstig was. Iedereen wist dat de rechterzijde er een grote meerderheid had. Een socialistische volksvertegenwoordiger leest een telegram voor van een Antwerpse patroon die, geconfronteerd met de totale verlamming van de haven van Antwerpen, de regering smeekt om maatregelen te nemen en de haven te redden. Alle commerciële relaties van Antwerpen met de buitenwereld zijn verbroken. In de haven doen zich schermutselingen voor tussen de politie en de stakende dokwerkers daar waar de werkgevers mannen proberen aan te werven terwijl de dokwerkers zich verzetten tegen iedere aanwerving. Op die wijze zijn een tiental agenten, die de orde wilden herstellen, omsingeld door talloze arbeiders die hen bekogelen met stukken gietijzer uit een in het gevecht omgegooide kachel. Een honderdtal agenten, ter versterking aangekomen, kan met moeite de collega’s ontzetten. Daarna was er geen sprake meer van aanwervingen en na het vertrek van de politie keerde de rust weer. Na deze gevechten werd de binnenvaart opgeheven omdat de sluizen niet meer bediend werden. 68 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Vanaf 22 december doet het federaal comité van de SJW van Charleroi een oproep aan de jonge stakers: “De federatie van het Zwarte Land van de Socialistische Jonge Wacht laat aan al haar leden weten dat ze voortaan permanent ter beschikking staat, zowel in het Achturenhuis als in het Volkspaleis van Charleroi. Ze roept alle jonge stakers op om hun medewerking te verlenen aan de arbeidersorganisaties. Alle SJW-militanten worden uitgenodigd voor de buitengewone vergadering van de federatie die zal doorgaan op vrijdag 23 december om 14u in het Achturenhuis. Het Federaal Comité.” (‘Le journal de Charleroi’ van 23 december 1960). Vanaf de 21e december heeft een groep arbeiders van de afdeling Gilly van de SJW, vooral glasbewerkers, met federale verantwoordelijkheden, beslist hun hoofdkwartier voor de strijd in het Achturenhuis te installeren. Ze vergaderen dagelijks, na de piketten versterkt te hebben op verschillende plaatsen in de regio, om de nodige maatregelen te nemen die beantwoorden aan de vragen van de leiders van de stakerspiketten. Vervolgens overlopen ze dagelijks het verloop van de algemene staking en beslissen ze over hun deelname aan de acties en de betogingen in het gewest. Terwijl de nationale leiders van het ABVV, zelf parlementsleden, zich in eindeloze bewoordingen beklagen over het feit dat ze niet welkom zijn op onderhandelingen met de regering, die enkel contact opnam met het ACV, breidt de algemene staking zich dag na dag uit in heel het land. In de regio Charleroi, zoals in alle andere regio’s, breidt de staking uit als een lopend vuur. Deze woensdagochtend trekt een groot deel van de 10.000 arbeiders van ACEC naar het stadscentrum om er de winkels te verhinderen de deuren te openen buiten de voorziene uren. Een kleine groep glasbewerkers, leden van de SJW, heeft zich tegenover het station aangesloten. Met de arbeiders van ACEC verspreiden ze zich over de belangrijkste straten van Charleroi in een indrukwekkend stakerspiket dat heel het verkeer controleert. De knooppunten van het verkeer worden gecontroleerd door gemotoriseerde stakers. Er zijn schermutselingen tussen de stakersposten en de rijkswachters, het is een strijd om te bepalen wie meester is over de straat. Uiteindelijk slagen de stakers erin het verkeer geheel lam te leggen. Alle trams en treinen staan stil. Het ABVV reageert 30 uur nadat de staking in heel de regio van Charleroi veralgemeend was: “Het Uitvoerend Comité van het ABVV van de regio Charleroi, bijeengekomen op woensdag, beslist tot algemene staking in de regio vanaf donderdag 22 december.” Geen enkele trein komt nog aan of verlaat Luik-Guillemins of Charleroi. In Verviers is de staking totaal. In Antwerpen worden arrestaties verricht aan de stakerspiketten. We vernemen dat een voormalig Communistisch volksvertegenwoordiger hetzelfde lot is ondergaan. In Gent blijft de algemene staking uitbres e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 69 iden hoewel geen ordewoord werd gegeven. De staking treft vooral de elektriciteitscentrale, waardoor de bedrijven zonder elektriciteit komen te staan en meer dan 35.000 arbeiders werkloos worden. In Brussel nemen politie en rijkswacht positie in de “neutrale zone” in, ze beschermen het parlement en het koninklijk paleis. De burgerij kent het doel van de algemene staking, net als de leiders van de arbeidersbeweging dat doel kennen. Die laatsten weigeren kost wat kost de strijd om de macht in te zetten. De gebeurtenissen plaatsen de leiding van de vakbonden aan het hoofd van de algemene staking, maar de leiders doen er alles aan om de staking te beperken en in voor de burgerij veilige banen te leiden. Op elk piket, in elk stakerscomité, neemt de spanning toe. De rijkswachters komen tussen en schermutselingen breken uit. In enkele regio’s worden de krachten gemeten. De patroons van Antwerpen vragen opnieuw aan de regering om de haven te deblokkeren. De regering verontrust zich meer en meer. De leiders van het ACV ontmoeten de regering om enkele amendementen op de Eenheidswet te bekomen, maar ze worden geplet tussen een regering die niet bereid is tot toegevingen en de druk aan de basis die overal in het land een ordewoord tot algemene staking eist. Na een tumultueus debat dat al twee dagen aansleept in de Kamer, kondigt Kamer voorzitter M. Kronacker de opschorting van de besprekingen aan. Hij stuurt het parlement in verlof tot 3 januari 1961. Door het parlement met verlof te sturen, erkent de burgerij dat het niet langer daar is dat ze zich moet verdedigen, maar op straat. Het is daar dat de stakers spontaan het debat geplaatst hebben, in de straat speelt zich de strijd om de macht af. De regering heeft begrepen dat het tot niets dient te discussiëren in het parlement als heel het land verlamd is door de algemene staking. Maar ze twijfelt nog tussen een compromis of de openlijke repressie. Wat nu beslist wordt, is een oorlog van klasse tegen klasse. Het is nu dat de arbeidersorganisaties de strijd moeten organiseren, in plaats van te jammeren over het gedwongen verlof van het parlement zoals de BSP en de KPB doen. Twee dagen na het begin van de algemene staking, heeft de burgerij begrepen dat ze zich moet bevrijden van alle institutionele hinderpalen indien ze minstens de kans wil hebben zich te verdedigen tegen de revolutionaire opstand van de arbeidersklasse. Het feit zelf dat de debatten in het parlement worden verdaagd, illustreert dat de regering wankelt, onbeslist is. Ze koopt tijd, een teken van zwakte, terwijl ze om haar autoriteit in het land te bevestigen, het debat over de Eenheidswet zonder onderbreking had moeten verder zetten tot aan de uiteindelijke stemming die voorzien was voor 31 december 1960. Vrijdag 23 december De algemene staking breidt uit in het land. In heel Wallonië sluiten de spoormannen bij de staking aan, dit gebeurt deels ook in Vlaanderen. Dit legt het spoorverkeer plat. De socialistische pers zegt over Eyskens: 70 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “Hij is de leider van een partij die er niet voor terugdeinst een atmosfeer van burgeroorlog te provoceren.” (‘Le journal de Charleroi’, 23 december). Geconfronteerd met een strijd die algemener wordt, neemt de regering veiligheidsmaatregelen: “In de neutrale zone patrouilleren talloze politieagenten. Donderdagnamiddag, rond 14u30, hebben ze het park van Brussel gesloten, waar bereden rijkswachters en jeeps van de rijkswacht positie hebben genomen.” (Le journal de Charleroi, 23 december). In de Antwerpse haven is de rust terug gekeerd na de incidenten van woensdag. Er wordt niet meer aangeworven, maar na de incidenten zijn 13 arrestaties verricht, waaronder die van Frans van den Branden, een voormalig communistische volksvertegenwoordiger. Het internationaal verkeer is onderbroken door de stakers. “Iedereen stapt af”, luidde het bevel dat donderdagochtend aan de reizigers van de internationale express naar België werd gegeven in het station van Aken. (‘L’indépendance’, nr. 305 van 23/12/1960 blz.2). Op donderdag verklaarde BSP-voorzitter Leo Collard in het parlement : “Uw wet zal sowieso niet worden toegepast. Heel het land zal ertegen in verzet komen.” (‘Le journal de Charleroi’ van 23 december). In het parlement volgden hevige woordenwisselingen tussen volksvertegenwoordigers van rechts en van links. De deurwachters moesten krachtig tussenkomen, om de woordenwisselingen die in de gangen werden voortgezet te bedaren. Een volksvertegenwoordiger houdt er een gescheurde vest aan over, twee deurwachters hebben lichte kneuzingen opgelopen, waarvan een door een stoel gegooid door een volksvertegenwoordiger. In de kronieken van de Belgische Kamer wordt dit incident beschouwd als het ergste sinds de bevrijding. V. Larock van de BSP verklaart: “Het is de crisis van het regime dat aan de orde is. De crisis van een economisch regime dat de arbeiders voor haar fouten wil laten opdraaien.” (Le Peuple, 23 december 1960) De situatie van de regering wordt uur na uur erger. Ze verzamelt haar krachten en geeft niet toe aan de opstand van het proletariaat. Hoewel ze de stuipen op het lijf heeft voor de uitzonderlijke vastberadenheid van de arbeidersklasse die haar wil tot strijd overal oplegt, vormt de burgerij front achter haar regering. De heersende klasse mobiliseert al haar troepen. In het begin van de namiddag doet de kardinaal Van Roy, aartsbisschop van Mechelen, een oproep “aan onze landgenoten”. Deze oproep verscheen in La Libre Belgique van 24 en 25 december 1960 en de kardinaal veroordeelt hierin de staking, hij roept op om de staking te breken. Een uittreksel: s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 71 “De onbeteugelde en onredelijke stakingen die we vandaag meemaken moeten verworpen en veroordeeld worden door alle eerlijke mensen.” De hoogste autoriteiten van de Belgische clerus hebben nooit getwijfeld om zich met al hun middelen in sociale conflicten te mengen om de burgerij ter hulp te snellen. Die houding is volledig in overeenstemming met de belangrijkste functie van de katholieke hiërarchie, die overal en op systematische wijze de belangen van de hoge burgerij verdedigt. Ook in 1950 had de aartsbisschop een zelfde houding ingenomen ten voordele van de Leopoldisten, tegen de arbeidersmassa’s die het vertrek van ex-koning Leopold eisten. Het dagblad Le Peuple van 26 december 1960 herinnerde aan de houding van kardinaal Van Roy tijdens de oorlog van 1940-45: “Het was in de lente van 1944. De luchtaanvallen waren volop aan gang. Mgr Van Roy achtte het toen wenselijk om [in de dagbladen van de bezetter, gd] een pastorale brief te publiceren om zonder pardon de Anglo-Amerikaanse bombardementen te veroordelen.” Als gevolg van deze politieke inmenging van kardinaal Van Roy en van zijn inmenging in een sociaal conflict, gingen proteststemmen op bij de christenen van het ACV die dit als ongeoorloofd beschouwden. Maar in deze fase van de strijd was het slechts de uitdrukking van een goed begrepen bewustzijn bij de clerus dat de burgerij op haar grondvesten daverde. Het ACV van Charleroi en van Luik protesteerden publiek. Verschillende vakbondsafgevaardigden uit bedrijven, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, waren verontwaardigd door die misplaatste interventie. Cool, de voorzitter van het ACV, dreigt zelfs met ontslag. Maar ondanks de verbale verontwaardiging, zijn de leiders van het ACV zelf niet minder verbonden met de verklaringen van de kardinaal, aangezien ze de algemene staking hekelen als inefficiënt en nutteloos. Het dagblad La Libre Belgique van zaterdag 24 december vermeldt dat Cool aan de regering verklaard zou hebben: “Ik heb mijn troepen niet meer in de hand. Ondanks mijn richtlijnen verbroederen de christelijke gesyndiceerden steeds meer met hun socialistische collega’s. U moet toegevingen doen, onder andere de twee periodes van werkloosheid laten varen en u voor het bestrijden van overdrijvingen beperken tot de bestaande wetgeving, zoniet sta ik niet in voor wat er kan gebeuren.” De houding van het ACV is betekenisvol, ze heeft in grote mate getracht de regering Eyskens te redden. Voor het ACV is het vooral “het opstandige karakter van de politieke staking” die aan de basis ligt van haar weigering om op te roepen tot staking. Door die houding heeft ze elke gecentraliseerde actie in gemeenschappelijk vakbondsfront verhinderd. Haar doel was de verdeling van de arbeidersklasse zoals ze dat bij iedere belangrijke confrontatie doet. Ook ABVV-Nationaal heeft geen algemene beslissing genomen, maar het organiseren van de algemene staking 72 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 overgelaten aan de gewesten. Zo werden de arbeiders verdeeld in de plaats van een actie op nationaal vlak te organiseren. Deze vrijdag breidt de algemene staking zich uit in Vlaanderen, er zijn concentraties van de stakers in Kortrijk en in Brugge. Alle openbare sectoren zijn geheel verlamd in Wallonië en zwaar verstoord in Vlaanderen, waar het gemeenschappelijk front aan de basis vorm begint aan te nemen bij de spoormannen, de post, in de haven van Antwerpen,... De Waalse vakbondsleiders van het ABVV komen vandaag voor het eerst samen onder voorzitterschap van André Renard en vormen een Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV. Alles wordt in stelling gebracht om te vermijden dat ze definitief de leiding van de actie zouden verliezen. De spontane beweging van de arbeidersklasse heeft alle hindernissen voor actie uit de weg geruimd en de reformistische apparaten van de BSP en van het ABVV gedwongen de staking te aanvaarden. Het reformistische apparaat heeft de beweging net op tijd vervoegd om er nog de controle over te verwerven. Maar het apparaat, zowel van de vleugel Renard als van de vleugel Major, behoudt haar banden met de burgerij en het kapitalistische regime. Onder de dekmantel dat alle stakingen gecoördineerd moeten worden, stellen de vakbondsleiders van het Waalse ABVV nog vlug het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten samen. Dit initiatief van het vakbondsapparaat betekent op zich al een verdeling van de arbeidersklasse van het land, die vast en zeker behoefte had aan een nationale coördinatie van haar krachten in de strijd tegen de regering, de rijkswacht en een nationaal verenigde burgerij. Wat de strekking Renard zo vlug deed reageren, waren de initiatieven tot autonome organisatie door de voorhoede van de arbeidersbasis met de spontane oprichting van stakerscomités. Ze deed het om niet definitief de leiding over de beweging te verspelen en te verhinderen dat het zou uitmonden in oncontroleerbare revolutionaire acties die het kapitalistische systeem zelf in vraag zouden stellen. Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV moet dienen als tegengewicht voor de revolutionaire uitspattingen van een proletarische machtsovername. De algemene staking heeft dus de klassenstrijd op beslissende wijze gepolariseerd. Enerzijds nemen de grote bataljons van de arbeidersklasse de kleine bedrijven, waar de arbeiderskernen numeriek minder belangrijk zijn, op sleeptouw, net zoals de arbeiders die zijn aangesloten bij het ACV en een significante fractie van de kleinburgerij. Anderzijds staan de burgerij, haar partijen en de clerus als een man achter de regering. De logica achter een beweging van algemene staking is de confrontatie van de klassen voor de macht. Het reformistische apparaat is zich daar ten volle van bewust. Daarom wordt alles in gereedheid gebracht om, indien de algemene staking een overwinning wordt, ervoor te zorgen dat ze de burgerlijke staat niet kan breken. Het programma mag bijgevolg in geen geval het niveau van het toegestane eisenplatform overschrijden en moet zich beperken tot het kader vastgesteld door het kapitalistische regime. In een mededeling in ‘De Rode Vaan’ (het blad van de KPB) verklaart de Communistische Partij onder andere: s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 73 “De parlementsleden die tot nog toe de Eenheidswet steunden, moeten begrijpen dat het ogenblik is aangebroken om rekening te houden met de wil van het volk en hun steun aan de ongelukswet in te trekken.” “ Deze oproep van de stalinistische leiders aan het parlement – die beantwoordt aan de vrees van de regering dat de “democratische instellingen” in gevaar zijn door het offensief van de arbeiders – is zeer symptomatisch voor de oriëntatie van de KPB, waarvan ze op geen enkel moment zal afwijken: de revolutionaire strijd van honderdduizenden arbeiders in staking kanaliseren in het kader van de kapitalistische orde en dat op basis van het principe van bescherming van het burgerlijk parlementarisme.” (‘La grève générale Belge’, Serge Simon, blz. 27). Alsof de parlementsleden van de reactionaire rechtse partijen de wil van het volk zouden begrijpen en zich ernaar schikken. Naïever dan dit, bestaat niet. Behalve het kanaliseren van de revolutionaire strijd in vreedzame co-existentie en burgerlijk parlementarisme, wil de leiding van de KPB de regering bedaren na de aanvallen die ze had gelanceerd tegen de “communistische oproerkraaiers” en haar democratische loyaliteit tegenover de burgerlijke instellingen verzekeren. Vanaf de eerste uren van de algemene staking hebben de arbeiders op verschillende plaatsen stakerscomités verkozen op algemene vergaderingen. Ongeveer 40% van de regio Charleroi stond onder de controle van stakerscomités. De stakerscomités en de piketten drukten de sterke trend uit om een eigen leiding samen te stellen, die autonoom staat ten opzichte van de syndicale en politieke apparaten. De meeste ervan bestonden naast de leiding die door de apparaten vanuit de Volkshuizen was aangesteld. De reformistische apparaten hebben alles in het werk gesteld om diegenen die door de basis waren verkozen te neutraliseren en te absorberen. Maar het opstandige karakter van de staking liet de bureaucraten niet toe overal in deze stakerscomités de bovenhand te halen. Daaruit besluiten de leiders van La Gauche botweg dat “de beweging van de arbeiders zich niet tot op het niveau van de probleemstelling van de macht zal kunnen hijsen, tot op het niveau van de socialistische revolutie.” (‘La grève générale en Belgique’, Serge Simon, blz. 27-28) Dat is nu eens een totaal verkeerde redenering en het is niet de enige politieke fout van deze peudo-marxisten, maar wel van beslissend belang voor het verdere verloop van de revolutionaire strijd. De arbeidersklasse heeft aangetoond dat ze bereid was te antwoorden op provocaties, op arrestaties en op agressie van de regering en haar ordehandhavers, maar ook dat ze klaar was om de beweging tot op het niveau van de macht en de socialistische revolutie te hijsen. Maar daarvoor heeft ze een leiding, ordewoorden, duidelijke ideeën en middelen om zich te organiseren nodig. Met de Mars op Brussel heeft La Gauche een relatief duidelijk (relatief, want ze heeft niet duidelijk durven zeggen dat het doel de machtsovername was) idee ondersteund. Maar wat doet ze om dat in de praktijk om te zetten? De strategie is vaag. Ze stelt 74 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 geen revolutionaire tactiek voor. Geen enkel massaal mobilisatiemiddel is precies, geen enkel concrete massaorganisatie wordt voorgesteld of voorbereid. Feitelijk nemen La Gauche en Links (haar Vlaamse tegenhanger) slechts het ordewoord over dat de massa’s eisen in de dagelijkse betogingen, maar tegelijk wordt het verwaterd door de oproep te beperken tot het sturen van delegaties die onopgemerkt ontvangen worden door de Brusselaars. Vanaf de eerste uren van de algemene staking, zijn de arbeiders zich bewust van de inzet die de strijd vereist tegenover een rechtse regering en tegenover de reformistische leidingen die er weinig voor voelen om de strijd voor de betrachtingen van de klasse aan te gaan. Spontaan hebben de arbeiders op heel wat plaatsen het initiatief genomen om direct aan de basis stakerscomités en stakingspiketten te verkiezen om de beperkingen van de arbeidersleiders te omzeilen. Die trend van de voorhoede van de arbeiders drukt een diepgaand wantrouwen van de arbeidersklasse uit tegenover de traditionele arbeidersleiders en een wil om haar eigen leiding te creëren, autonoom van de vakbondsapparaten. Die trend was geen uitzondering, ongeveer 40% van de regio Charleroi werd gecontroleerd door stakerscomités, direct verkozen door de algemene vergaderingen van de arbeiders. Daar waar het niet mogelijk was hen te ontbinden, hebben de reformisten ze geïntegreerd om ze beter te kunnen omkaderen. Van bij het begin van de beweging hebben de reformisten alles in het werk gesteld om ze te verzuipen en beetje bij beetje de dominantie te verwerven over de stakerscomités die nog niet helemaal onder hun controle stonden, want die waren het embryo van een nieuwe leiding. De revoluties, de internationale klassenstrijd, zijn historische lessen waaruit een onomkeerbare wet blijkt. In de eerste fase van de grote gevechten van de klasse, keren de massa’s van de arbeiders in grote meerderheid zich instinctief naar hun grote, traditionele arbeidersorganisatie die de massa’s vertegenwoordigt, als middel om hun revolutionaire verzuchtingen uit te drukken. De jongere lagen die zich voor de eerste keer in de klassenstrijd gooien, hebben de directe en concrete ervaring, op het terrein, nog niet kunnen meemaken, waaruit blijkt dat de reformistisch geïnspireerde syndicale en politieke leiders sinds altijd de rol spelen van transmissieriem van de burgerij in de rangen van het proletariaat. Het verschijnen, van bij het begin, van stakerscomités, autonome strijdorganen, is deel van een logica van wantrouwen ten aanzien van de leiders, zelfs als ze niet uitsluitend waren bestaan uit arbeiders van de basis zoals in 60/61, waar ze samengesteld waren uit arbeiders, delegees uit de fabrieken, niet gesyndiceerden, vakbondssecretarissen en vertegenwoordigers van de KPB en de BSP. Maar ondanks hun samenstelling, vormen ze naast de reguliere vakbondsleidingen, een element van vertegenwoordiging, dat breder was dan de vakbond. Tenslotte vormen ze een cruciaal element in een algemene staking. We moeten daarbij opmerken dat het oprichten van die stakerscomités niet georganiseerd werd als gevolg van een ordewoord van de leiders, maar dat ze aan de basis zijn ontstaan tegen de wil in van de vakbondsleidingen. We moeten er ook rekening mee houden dat het in s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 75 de Russische revolutie van 1905 was, dat de eerste sovjets (raden) zijn ontstaan uit de stakerscomités. Het is trouwens met het verschijnen van de sovjets dat de proletarische revolutie van 1917 en de bolsjewistische partij overwinnen, en dat terwijl de sovjets in februari 1917 in grote meerderheid geleid worden door de mensjewieken. Een algemene staking breekt radicaal met de heersende ideologie van het conservatisme, van onderwerping aan de burgerlijke orde, van fatalisme en scepticisme. De stakerscomités zijn het embryo van de arbeidersmacht, ze doorbreken de routine ongeacht hun oorspronkelijke samenstelling. Wat ook de omstandigheden zijn waarin ze ontstaan, de stakerscomités, de actiecomités en de stakerspiketten zijn de meest krachtige motor in elke strijd van het proletariaat. Ze gedragen zich in de loop van de strijd als revolutionaire organen en krijgen een steeds grotere autoriteit. Al die stakerscomités oefenen een macht uit die in concurrentie treedt met die van de burgerlijke staat en de regering. Een tweede macht ontstaat, die zich steunt op de revolutionaire capaciteit en de wil van de arbeidersklasse in haar strijd om zich de macht toe te eigenen. Dit verklaart waarom het onvermijdelijk is dat de stakerscomités die zijn ontstaan uit de algemene vergaderingen van de stakers, tenminste voor zover ze niet op bureaucratische wijze ontbonden zijn door het apparaat, toch deels gedomineerd worden door rechtse en linkse reformisten die, om niet geheel voorbij gestoken te worden, zich erbij hebben neergelegd om er deel vanuit te maken om ze van binnenuit beter te kunnen controleren. Maar de stakerscomités, met inbegrip van die welke bestonden uit de vakbondsleidingen, kunnenin geen geval gelijk gesteld worden met de traditionele reformistische leiding. We mogen immers niet uit het oog verliezen dat het de arbeiders zelf zijn die de staking hebben opgelegd aan de leiders die er niet wilden van weten. In sommige gevallen werd zelfs overgegaan tot verbaal en zelfs fysiek geweld om hen daartoe te dwingen. Onder impuls van de algemene staking kunnen de stakerscomités, zelfs die gedomineerd door reformistische militanten, met het oplaaien van de strijd, uitmonden in organen van alternatieve revolutionaire leidingen. De verschillende pogingen van de arbeiders om nieuwe vormen van organisatie (de stakerscomités) te vinden, autonoom ten opzichte van de reguliere leidingen, hebben een bewustwording veroorzaakt bij de vakbondsleiders, vooral in Wallonië, die als reactie op dat gevaar een coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV onder voorzitterschap van André Renard hebben opgezet. Deze concentratie van de beslissingen van de reformistische apparaten van het Waalse ABVV in een enkel leidinggevend orgaan, is ingegeven door de schrik voor de initiatieven in actie van de massa’s. De eerste zorg van de vakbondsbureaucratie, of het nu om de rechter- of de linkervleugel gaat, met inbegrip van Renard, is het onder controle van de traditionele vakbondsleiders brengen van alle stakerscomités. De revolutionaire marxisten hadden zich hiertegen moeten verzetten en met verhevigde agitatie moeten pleiten voor het samenroepen van een nationaal congres van alle stakerscomités van het land. De creatie van het coördinatiecomité van de 76 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Waalse gewesten van het ABVV was immers de reformistische uitdrukking van het vakbondsapparaat in haar rol van klasse collaborateur. Het is de bureaucratische hinderpaal voor de spontaneïteit en de wil tot revolutionaire actie van de massa’s. Het nationaal congres van de stakerscomités echter, is de uitdrukking en de authentieke leiding van de algemene staking, waarvan de stakerscomités het directe uitvloeisel zijn. Het is de zuivere arbeidersdemocratie, de enige mogelijkheid voor de arbeiders om zich zelf te verzekeren van de leiding van hun eigen beweging voor algemene staking. Door ze zelf spontaan van bij het begin van het conflict samen te stellen, hebbende arbeiders aan iedereen de te volgen weg getoond. Dat is de manier waarop een oproep voor het samenroepen van een nationaal congres van de stakerscomités door de voorhoede en door de massa’s begrepen zou zijn. Dat is wat een echte revolutionaire strekking had moeten doen. Helaas, zelfs al bestaat die op papier, ze bleef discreet, achter gesloten deuren, quasi onbestaande. Die revolutionair marxistische strekking die slechts achter gesloten deuren bestond, is gefaald in haar taak, ze heeft zich schuldig gemaakt aan volgzaamheid en opportunisme en draagt objectief een deel van de verantwoordelijkheid voor de nederlaag van de algemene staking. Na de algemene staking, toen ze afgelopen was en het te laat was om direct tussen te komen, zijn de peudo-marxisten, die achter het “entrisme” in de BSP waren blijven staan en tot dan onzichtbaar waren gebleven, trouwens opgedoken. In februari 1961 herontdekken ze een zekere objectiviteit en publiceren ze in een brochure: “De massa’s namen er geen genoegen mee om te staken en hun leiding te volgen. Overal staakten ze tegen de wil van hun leiding in. Ze trachtten nieuwe organisatievormen (stakerscomités) te vinden.” (Forces et faiblesses d’un grand combat, blz.16) Tijdens de betoging van vrijdag 23 december te Charleroi, scandeerden de stakers, merendeels van ACEC en militanten van de SJW van de glasbewerking die hen dagelijks vergezelden in de betogingen door de straten van Charleroi, de gewone slogans zoals “Weg met Eyskens”, “Eyskens ontslag” en vooral “naar Brussel, naar Brussel.” Ze eisten samen “Volgende week naar Brussel.” De druk op de vakbondsapparaten wordt steeds feller. Men moet zich herinneren dat in 1950 een mars op Brussel voorzien was. Het was beslissend geweest voor het resultaat van het conflict: het aftreden van de koning. In Luik, net als in Charleroi, voeren de christelijke vakbondsleden en de vakbondsleden van het ABVV samen actie. In Namur wordt de ondervoorzitter van de ACOD, Edmond Harmont, willekeurig gearresteerd met vier andere militanten terwijl hij op weg was naar de stakerspiketten. Overal in het land, zelfs in Vlaanderen, wordt steeds massaler deelgenomen door christelijke vakbondsleden. In Antwerpen is die deelname bijzonder spectaculair, tot op het punt dat de christelijke centrales van het ACV verplicht zijn de staking uit te roepen, waardoor de haven totaal verlamd is terwijl de nationale leiding van het s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 77 ACV zonder resultaat onderhandelt met de regering. De nationale voorzitter van het ACV, Cools, verklaart “zijn troepen” niet meer in de hand te kunnen houden. Zaterdag 24 december “De stakingen blijven uitbreiden als een olievlek, zelfs in Vlaanderen,” titelt L’Indépendance nr 303 van 24 december 1960 en er wordt in dezelfde uitgave ook gezegd: “enkele sabotagedaden werden uitgevoerd op de spoorlijnen.” De algemene staking blijft uitbreiden, ze bereikt nu de meest afgelegen regio’s in Vlaanderen. In Limburg volgen de werkonderbrekingen zich op en ze worden sterker in Antwerpen, Veurne, Diksmuide en Leuven waar de stakers het spoorverkeer blokkeren. Uit het station van Brugge zijn slechts drie treinen vertrokken. De postmannen zijn de straat op gegaan, de post wordt niet meer bedeeld. In de straten van Gent betogen 15.000 arbeiders. De stakers trekken naar het lokaal van het ACV om er het ordewoord van de staking te eisen. Daarover schrijft ‘Le Peuple’ dat er “harde scheldpartijen zijn.” In Diksmuide worden zeven stakers aangehouden op beschuldiging van sabotagedaden. In Duitsland gestationeerde soldaten, die met verlof zijn in België, moeten op eigen kracht hun eenheid bereiken. Als reactie op dit nieuw elan van de algemene staking overal in het land, grijpt de regering naar intimidatie. Overal in het land worden willekeurig tientallen stakers gearresteerd en zonder reden opgesloten, al was het maar omdat ze staken. Maar al die intimidatie en arrestaties leggen de stakingsbeweging niet stil, de acties houden stand en de algemene staking breidt uit in Vlaanderen, net zo goed als in Brussel en Wallonië. De positie van het nationale ACV om, tegen de staking en de christelijke arbeiders in, de rol van stakingsbreker te spelen, leidt ertoe dat de arbeiders verdeeld zijn. Een aantal arbeiders proberen de rol van de nationale leiding van het ACV goed te praten. Maar anderzijds is er ook een radicalisering die leidt tot meer sabotagedaden die er op gericht zijn om te verhinderen dat stakingsbrekers aan het werk kunnen gaan. De verantwoordelijkheid voor die sabotagedaden door stakers valt volledig ten laste van de nationale leidingen van het ACV en het ABVV. Gezien de algemene staking overal in het land blijft uitbreiden, bereidt de regering de confrontatie voor en er komt een steeds hardere repressie tegen de stakers. Er worden verschillende maatregelen getroffen zoals de versterking van de bewaking van de overwegen, de bruggen over de spoorwegen en de stations door rijkswachters en soldaten. Er zijn concentraties van ordetroepen in de grote centra waar de staking totaal is. Maar de rijkswacht en de soldaten kunnen zich slechts heel traag verplaatsen: de wegen zijn bezaaid met nagels, de straten zijn opgebroken, op strategische punten zijn zelfs barricades van hout en verkeerspalen opgeworpen. De burgerlijke staat is verlamd, reserverijkswachters werden opgeroepen, de soldaten mogen in geen geval in contact gebracht worden met de stakers. In Luik neemt de politie een pamflet gericht aan de soldaten in beslag. Het dagblad ‘La 78 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Wallonie’ van André Renard wordt in beslag genomen omdat het een oproep aan de soldaten publiceerde. Dit is wat erin stond: “Soldaten, de arbeidersklasse is een beslissende strijd aangegaan voor haar bestaansrecht. De regering zal beroep doen op de troepen, naast de rijkswacht, in een poging de stakingen te breken en de sociale beweging die plaats vindt, te onderdrukken. Wij vragen jullie begrip en uw werk te doen. Als men jullie vraagt te werken in de plaats van de arbeiders in de bedrijven of de diensten die zijn verlamd door de staking, kruis dan de armen! Als men jullie opstelt tegenover stakers of betogers, herinner dan dat ze jullie ouders, jullie broers, jullie vrienden zijn. Verbroeder met hen. Jullie zijn gemobiliseerd om het land te verdedigen, niet om het te wurgen. Vrees niet. De hele socialistische arbeidersbeweging is er om jullie te verdedigen. Soldaten, wees geen verraders van jullie klasse. We rekenen op jullie. De Gemeenschappelijke Actie.” Bovenop de in beslagnamen, vinden deze zondagochtend huiszoekingen plaats bij verschillende socialistische militanten en syndicalisten van het ABVV, waaronder Renard zelf, net zoals in de meeste lokalen van de BSP en van het ABVV. Als gevolg van die huiszoekingen wordt een onderzoek ingesteld door het parket voor “aanzetten van soldaten tot bevelweigering.” In dit stadium van de algemene staking is de oproep aan de soldaten de meest gevaarlijke slogan voor de burgerlijke macht. Die is zich daar meer dan wie ook van bewust. Het is ook een duidelijke illustratie dat ze helemaal niet zeker is van haar troepen en dat de situatie op elk moment aan haar controle kan ontsnappen door de aantrekkingskracht die de algemene staking uitoefent op het leger en het volk. Dit belangrijke ordewoord kwam noch van de KPB, noch van La Gauche, maar van de strekking Renard. De Belgische burgerij herinnerde zich de ontbinding van haar repressief apparaat toen het in 1950 gemobiliseerd werd tegen de stakers. Talloze voorzorgmaatregelen zijn genomen, de discipline is opgedreven. Toch zijn er op heel wat plaatsen pogingen tot verbroedering tussen stakers en troepen, de stakers zoeken contact met de soldaten. In Roux klagen de soldaten over een gebrek aan voedsel of de kwaliteit ervan, ze worden hierop bevoorraad door de stakers. De moeder van een jonge arbeider, Jean Marie Billon, die later vakbondsafgevaardigde voor het ABVV zal worden in de kabelfabriek van ACEC, maakt soep voor de stakers en de soldaten. Bij haar begrafenis zal ze daarvoor geëerd worden, nadien zou de Internationale er worden gezongen. Aan het station van Marchiennes laten de soldaten aan de stakers weten dat ze geen kogels hebben en dat ze bij de eerste steenworp zullen vertrekken. Aan het station van Charleroi moeten de rijkswachters de soldaten afschermen voor besmetting door de stakers. Ik wil er hier op wijzen dat de Socialistische Jonge Wacht als enige organisatie antimilitaristische propaganda had verspreid in het leger. Op het nationaal congres van de BSP van 17, 18 en 19 december 1960 had Gilbert Clajot, in naam van de nationale federatie van de SJW, in zijn interventie s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 79 de antimilitaristische positie die de beweging steeds heeft aangehouden benadrukt en gepleit voor de “afschaffing van de verplichte legerdienst.” Hij had er tegelijk eraan herinnerd dat “de NAVO zeer nauw verbonden is met het kapitalistische systeem en verschillende dictaturen bevat.” De SJW had op dat congres een open brief aan de congresgangers gericht om hen uit te nodigen een resolutie te aanvaarden voor de vermindering van de militaire begroting met 50%. Die zaterdagavond op de radio, houdt de eerste minister een rede waarin hij ondermeer de opstandige manoeuvres van de stakers aan de kaak stelt. ‘Le Peuple’ van 26 december antwoordt daarop: “Het is een teken van slechte wil te spreken over een opstandige beweging, daar waar er slechts arbeiders zijn, die zich door het legale wapen van de staking willen verzetten tegen de afbouw van hun levensstandaard.” De Communistische Partij haast zich om de voorstellen van justitieminister Harmel te ontkennen, die had het gewaagd te beweren dat de ordewoorden met een opstandig karakter waren gegeven door “Communistische Centrales”. De ontkenning verschijnt in ‘De Rode Vaan’ van 27 december. ‘La Wallonie’, de krant van André Renard, roept op tot kalmte en waardigheid, ze bevestigt dat de arbeidersklasse “zich niet zal laten manoeuvreren, noch door extremisten, noch door provocateurs.” Deze zaterdag 24 december is de nacht voor een kerstdag van strijd. In de arbeiderswijken en aan de fabriekspoorten staan de stakersposten op hun strijdpost. De stakers van het ABVV en het ACV staan schouder aan schouder. Men drinkt warme wijn, de vrouwen, de vrienden hebben zich tijdens de feestnacht bij de piketten aangesloten. Overal in het land, in Vlaanderen en in Wallonië, heerst strijd en enthousiasme. Men zingt de Internationale, de Marseillaise, het partizanenlied,… Voor de meeste stakers zal deze kerstdag van strijd onvergetelijk worden. De grote centra van de steden zijn verlaten. De burgerij is thuis in de warmte gebleven. Het centrum van de hoofdstad Brussel is in staat van beleg. Militaire konvooien nemen stelling in, er wordt gepatrouilleerd met het wapen in de aanslag. Vandaag hebben de arbeiders de straat in handen. De staat heeft niet genoeg aan al haar politie en heel haar leger om te doen geloven dat ze meester is van de situatie. De regering had gehoopt op een demobilisatie van de stakingsbeweging, maar het tegendeel gebeurt. De christelijke arbeiders nemen in steeds grotere getallen deel aan de staking. In de Kamer van Volksvertegenwoordigers was er de vorige dag een stormachtig en tumultueus debat. ‘La Libre Belgique’ van 24 en 25 december 1960 titelt: “Geweldig gevecht in het halfrond. De socialisten trekking bedreigend naar de tribune. Een onbeschrijflijk tumult, geroep bij de socialisten. De meerderheid staat op en verlaat het halfrond terwijl de socialisten en de communisten, rechtop, de Internationale aanheffen.” 80 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De publieke tribunes die nog vol waren, lopen leeg. De Kamervoorzitter verklaart het parlement in reces. Het antwoord van de stakers aan reactionair rechts dat zichzelf vakantie toekent midden een sociaal conflict, bestaat uit een nieuwe verharding van de algemene staking in heel het land. In Charleroi grijpt een indrukwekkende betoging plaats met verschillende duizenden stakers. ‘Het Volk’, de krant van het Vlaamse ACV schrijft: “Kritische situatie als de regering niet toegeeft”. De editorialen van de rechtse pers die de regering steunen, geven allen blijk van onrust en ontreddering. Ze hebben begrepen dat het regime zelf in gevaar is. ‘La Libre Belgique’ roept de regering op tot een krachtige oplossing: “De regering lijkt stilaan door te hebben dat ze toch niet kan toestaan dat een anarchistische ontsteking van communistische oorsprong zich blijft nestelen in het land en dat het totaal onaanvaardbaar is dat de leiders van de socialistische vakbonden zich in de plaats van de reguliere autoriteiten stellen om het verkeer, het werk in de werkplaatsen en het openings- en sluitingsuur van de winkels te controleren. Het wordt tijd om onmiddellijk een einde te stellen aan die anarchie. Het is een domein waarop iedere capitulatie van de overheid een misdaad is tegen de natie. De ordehandhaving is ondeelbaar. Iedere terugtocht, leidt tot de volgende.” De krant ‘La Métropole’ over de regering: “Het feit dat de banden die zo goed en zo kwaad als het kan de regering samen houden, worden losgelaten, is onrustwekkend.” De vrees van de burgerij bereikt haar hoogtepunt door de arbeidersmacht die zich spontaan in heel het land vestigt. De stakers zijn meester van de straat… in haar opgaande fase kan geen enkele reactionaire kracht de strijd stoppen. De arbeiderskrant ‘De Rode Vaan’ van 26 december 1960 publiceert een lang editoriaal van Jean Blume, een van de belangrijkste leiders van de KPB. “De staking is krachtig, krachtig door haar doel, waardoor heel de politiek van de monopolies in vraag gesteld wordt, en bijgevolg, tenminste in bepaalde opzichten, het regime zelf. Het is vanzelfsprekend dat Mr. Eyskens al een deel zou hebben opgegeven, waarvan hij bij voorbaat wist dat het voor hem en zijn bondgenoten verloren was, indien de banken, het Hof en Mechelen (waar Van Roy verblijft) niet met al hun gewicht wogen op zijn schouders om hem op zijn oncomfortabele ministeriële stoel vast te spijkeren. Indien de beweging zich zonder hindernissen ontwikkelde, dan zou men kunnen voorzien dat volgende woensdag de Kamer in hoogdringendheid bijeen geroepen zou worden om er ongetwijfeld te horen dat de regering haar ongeluksproject opgeeft en opkrast.” Voor de leiders van de stalinistische Communistische Partij stelt deze staking het regime zelf in vraag, maar voor hen is het niet het regime dat moet neergehaald worden, maar enkel de eerste minister G. Eyskens. Voor de leiders van de KPB gaat het er niet om, zoals de stakers, te vechten tegen de banken, de monopolies, s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 81 het Hof of de kardinaal die tussenkomen om de stakingsbeweging aan banden te leggen. Ook voor de leiders van de KPB gaat het er om dat de stakingen verlopen in “orde, kalmte en discipline” zoals de bureaucratie van het ABVV aanbeveelt. Over de repressieve maatregelen van de regering zegt het editoriaal van Jean Blum nog: “Men kan niets onzinniger en onnuttiger verzinnen dan dit dreigement. De maatregelen van repressie zullen de beweging slechts verlengen, haar gedurende enkele uren een minder sereen en minder afgewogen karakter geven. Er bestaat slechts een redelijke oplossing: de kosten zo snel mogelijk stoppen en zonder meer de ongelukswet intrekken.” De kosten stoppen. Na een week algemene staking is dat de wens van heel rechts in het land, maar vooral van de reformistische leidingen van de BSP en van het ABVV, die zich van bij het begin de vraag stellen: waar zal die algemene staking ons leiden, wat zullen we nog kunnen doen om te verhinderen dat ze uitloopt op een revolutionaire confrontatie, en dat terwijl we er al niet in geslaagd zijn om haar begin tegen te houden? De ochtend na 27 december vraagt ‘De Rode Vaan’ met aandrang, want men moet zich toch van zijn redelijke kant tonen tegenover de aanvallen van rechts, de terugkeer van de koning die zijn wittebroodsweken doorbrengt in Spanje: “We beginnen ons af te vragen, of het geen tijd wordt om die Spaanse reis te onderbreken. We denken dat het van nut zou zijn, dat er iemand ter plaatse is die het ontslag van de regering in ontvangst kan nemen.” Op het ogenblik waarop de massa van de arbeiders op iedere betoging niet ophoudt te schreeuwen “Leve de republiek!”, acht de KPB, in plaats van dit met ordewoorden die aan de wil van de arbeiders tegemoet komen te ondersteunen en te concretiseren, dat het niet aan de arbeidersmassa’s in algemene staking is om de val van de regering te beslissen, maar aan de monarch die men moet terug roepen omdat de situatie gevaarlijk wordt… In hetzelfde nummer veroordeelt de KPB de “sabotagedaden uitgevoerd op de spoorlijnen” als “incidenten die vreemd zijn aan de massale actie van de arbeiders”. Ze laat echter na om erop te wijzen dat de reformistische arbeidersleiders er in de eerste plaats verantwoordelijk voor zijn als de stakers naar dit middel grijpen. Het komt door hun weigering om het ordewoord voor een algemene staking te geven, noch een revolutionair perspectief te geven aan de klassenstrijd die is ingezet. De krant ‘La Gauche’ van de linkervleugel van de BSP, titelt op 24 december: “Allemaal staken, tot de volledige intrekking van het kapitalistisch project van de eenheidswet.” Tot daar is alles in orde. Het is een correct doel dat beantwoordt aan wat de overgrote meerderheid van de stakers wil, maar het blijft beperkt. ‘La Gauche’ weet dat heel goed, dat is waarom ze als volgt verder gaat: “In plaats ervan, zullen de arbeiders socialistische oplossingen opleggen.” Maar het wordt wat ingewikkelder wanneer La Gauche vervolgens verwijst naar het programma van 82 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 de “structuurhervormingen”, wat niets anders is dan het officieel programma van de BSP en van het ABVV. De “structuurhervormingen” zijn uiteraard fundamentele maatregelen (zoals een nationale gezondheidsdienst, de nationalisatie van de energiesector, de planning van de economie). De verwezenlijking van die maatregelen, zou het Belgisch kapitalisme slechts op gelijke hoogte met het meer ontwikkelde kapitalisme uit de buurlanden brengen. Die landen hebben een deel of zelfs al die hervormingen gerealiseerd, zonder zich te bevrijden van het juk van het kapitalistische regime van mateloze uitbuiting. Een nationale gezondheidsdienst bestaat bijvoorbeeld in Engeland. De Engelse kapitalisten hebben die hervorming toegestaan in de hoop daardoor, met medeplichtigheid van de arbeidersleiders, de revolutionair socialistische verzuchtingen van het Britse proletariaat te temperen. Op diezelfde wijze hebben de Franse kapitalisten, uit schrik om alles te verliezen, de nationalisatie van de energiesector in 1945 moeten aanvaarden, en dit met de steun van de stalinisten en de reformisten, om de revolutionaire opgang van de massa’s binnen de perken van de burgerlijke orde te houden. Deze eisen kunnen slechts als “socialistisch” beschouwd worden in de mate waarin de arbeiders erin slagen door hun acties de arbeiderscontrole op de nationalisaties op te leggen. Die controle moet worden uitgevoerd door de arbeiders zelf, via comités verkozen door en onder controle van de arbeidersbasis. Het is geen toeval dat in het programma van La Gauche geen verwijzing staat naar arbeiderscontrole. Dat zou verder gaan dat wat de burgerij onder druk van een algemene staking bereid is te aanvaarden terwijl ze haar winstsysteem vrijwaart. Het programma van La Gauche kadert niet in een revolutionair perspectief, maar integendeel in een reformistische politiek van druk op de heersende klasse, zonder dat daarbij verder gegaan wordt dan wat de burgerij zich kan veroorloven zoals dat bijvoorbeeld ook in Engeland en Frankrijk was gebeurd. Door te vermijden om arbeiderscontrole als onmisbare voorwaarde aan de nationalisatie van de energiesector te koppelen en door niet te spreken over onteigening zonder schadeloosstelling, weigeren de leiders van La Gauche het probleem van de omverwerping van de burgerlijke staat te stellen. Daardoor ontdoen ze het ordewoord van nationalisatie van haar revolutionaire inhoud en maken ze van een overgangseis een reformistisch ordewoord. Het had volstaan om wat in België te rond te lopen gedurende de algemene staking om vast te stellen in welke mate de arbeiders bewust waren van het ‘complot’ van de banken en van de Generale Maatschappij tegen hun levensstandaard. Het was niet te vroeg, integendeel, om ook de overgangseis voor de onteigening van de private banken te lanceren. Een dergelijke agitatie had exact beantwoord aan het revolutionaire elan van de algemene staking, maar La Gauche stelt in de plaats eisen die bedroevend zijn door hun voorzichtigheid en stelt zich op achter de reformistische apparaten. Een diepgaande studie van La Gauche gedurende deze periode is een rijke illustratie over de politiek die de strekking Mandel verdedigt. Het bevestigt het fundamenteel capitulerende karakter, s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 83 het reformisme en het liquidationisme, totaal vreemd aan het marxisme, dat de politieke posities verklaart die de vertegenwoordigers van La Gauche van Mandel tijden de staking hebben ingenomen. Zondag 25 december Met het mobiliseren van de reservetroepen van de rijkswacht om strategische punten te bezetten, heeft de regering de intentie het economie van het land opnieuw te doen draaien. De dag na kerstavond wordt alles in het werk gesteld om de circulatie te bevorderen en de toegang tot de verlamde bedrijven vrij te maken. Tegelijkertijd kondigen alle organen van de burgerij op de radio en de televisie en in de pers aan dat vermoeidheid en ontmoediging bij de arbeidersklasse inzetten,… Het antwoord van de stakers bestaat uit verzet tegen de pogingen om de staking te ondermijnen. In de loop van de nacht vinden enkele sabotagedaden plaats, vooral in Wallonië. Men moet niet vergeten dat er zich onder de stakers oude verzetslieden van de Tweede Wereldoorlog bevinden. Zij beschikken nog steeds over wapens, munitie en explosieven, die verborgen zitten maar klaar zijn voor gebruik indien nodig. Op kerstavond waren de meeste stakerspiketten uit waakzaamheid ter plaatse gebleven, enkele stakers hadden hun tijd verdeeld tussen het piket en de familie. Het niveau van strijdbaarheid is intact gebleven onder heel de arbeidersklasse. Zondag blijven beide strijdkampen op hun posities en vinden twee belangrijke gebeurtenissen plaats. De priesters van Seraing nemen een standpunt in dat ze verspreiden tijdens de middernachtmis. In dit rondschrijven slaan de priesters een andere toon aan dan die van kardinaal Van Roy. Vooreerst proberen ze de woede-uitbarsting van de arbeidersklasse te begrijpen in plaats van ze te veroordelen. Een kleine zin in de tekst spreekt boekdelen over de geestesgesteldheid van de arbeiders in strijd: “Aangedreven door haar militanten, zeker, maar opgewekt door een aantal meer diepgaande fundamenten, heeft de arbeidersklasse het werk neergelegd” (onderstreept door de auteur, gd). Anderzijds weigeren de socialistische burgemeesters van Huy-Waremme en de Borinage vervolg te geven aan de aanmaningen van de minister van Binnenlandse Zaken in verband met de wet op de volkstelling. De gouverneur van Henegouwen, René Thone, wordt uit zijn functies ontzet. Maandag 26 december Die maandag zien we een verharding van weerszijden. De regering versterkt nog maar eens haar repressieapparaat. Militaire eenheden worden teruggeroepen uit Duitsland, knooppunten worden bezet met een indrukwekkende repressie-installatie van militairen en rijkswachters. De regering beslist ook een reeks maa84 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 tregelen om druk te zetten op de stakers van de openbare diensten, dreigementen in de hand, en kondigt aan dat ambtenaren niet het recht hebben om te staken en dat het om een “fout” gaat “die aanleiding kan geven tot disciplinaire acties, die gaan van een tot orde roeping tot aan de afzetting”. In het ACV roepen de leiders van de verschillende gewestelijke afdelingen hun leden op aan het werk te blijven of het werk te hernemen; ze publiceren talrijke persberichten waarin de door het ABVV ontketende staking evenals de sabotagedaden, veroordeeld worden. Het Coördinatiecomité van de Waalse Gewesten van het ABVV (CCRW), samengebracht onder het voorzitterschap van André Renard, klaagt op maandag 26 december 1960 “de dictatoriale en provocatieve praktijken van de regering Eyskens” aan. Het klaagt ook over de “beslaglegging op socialistische kranten die enkel schuldig zijn aan het spreken van de waarheid”. Het Comité neemt “de nodige maatregelen om de aangegane actie op te drijven en te verharden”, naar goede gewoonte preciseert het echter niet hoe dit zou kunnen. In verschillende regio’s van het land vinden nog huiszoekingen plaats in de woningen van ABVV-militanten. De stakers hebben niet gewacht op raadgevingen om te handelen. Er zijn tal van betogingen die ook op de tweede kerstdag duidelijk maken dat de strijdbaarheid onder de massa’s nog steeds intact is. De algemene staking ontwikkelt in de richting van een verharding. Voedingswinkels worden gewaarschuwd: ze moeten de beperkte openingsuren waartoe is beslist, respecteren. Enkel tussen 14u en 18u mogen ze de deuren openen. Tijdens het weekend vonden in de Volkshuizen verschillende stakersvergaderingen plaats. Die maandagochtend zijn in Haine-Saint-Paul en in La Louvière bepaalde straten gedeeltelijk opgebroken, wegversperringen belemmeren elders het verkeer. Naarmate de dag vordert, neemt het aantal wegversperringen geleidelijk toe. Stakerspiketten nemen positie in de hoofdstraten in. Er zijn incidenten met de rijkswacht die voort gaat met willekeurige identiteitscontroles en arrestaties. De rijkswachters herplaatsen de straatstenen die voordien werden weggehaald, maar de stakerspiketten - daartoe vriendelijk aangemoedigd door de bevolking - bouwen onmiddellijk nieuwe wegversperringen met dezelfde straatstenen. De handelaars van La Louvière houden eraan hun solidariteit met de stakers te tonen door hen te contacteren om te zien of ze kunnen helpen. In Luik vinden incidenten plaats. Groepen politieagenten patrouilleren in de hoofdstraten en jagen er op de vliegende piketten. Bepaalde handelaars hebben het verbod om hun winkel open te houden buiten de voorziene uren getrotseerd, verschillende vitrines worden ingegooid, de politie gaat over tot arrestaties. Gaston Eyskens, of toch poppen die hem voorstellen, wordt op verschillende plaatsen in het land opgehangen, zoals op het gemeenteplein in Fontaine L’Evêque. In Roux vindt een betoging plaats met een grote deelname. Een kleine groep SJW’ers is er aanwezig en verkoopt La Gauche, dat op grote schaal verspreid wordt tijdens de staking. De stakers zijn immers op zoek naar een radicaal perspectief, s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 85 ze vinden dat men hen teveel in de straten heeft laten marcheren zonder doel. Eenmaal de betoging voorbij beginnen de SJW’ers een discussie met de stakers. Ze praten over de noodzaak om de strijd omhoog te tillen met een massale mars op Brussel, zoals dit overal wordt geëist. Deze discussie krijgt een positief gehoor, maar de stakers merken op dat “de syndicale leiders veel praten, maar niet klaar zijn voor een confrontatie met de regering.” De regering klaagt de gewelddaden, de vernietiging en de sabotage aan, evenals de belemmeringen voor het recht op werk. Ze kondigt aan dat juridische vervolgingen zijn ingezet. Tegelijkertijd blijft Gaston Eyskens deze maandagachtend op de radio en televisie zijn fameuze Eenheidswet verdedigen. Hij zegt onder meer: “De stakers zijn slecht geïnformeerd. De gebeurtenissen van de laatste dagen herinneren op een vreemde manier aan hen die tien jaar geleden het hele land zoveel schade hebben aangericht.” (‘Le Journal de Charleroi’, 26 december 1960). Dinsdag 27 december De algemene staking bereikt vandaag zijn grootste omvang, ze breidt zich verder uit en consolideert zich nog in Vlaanderen en Brussel. Nochtans hebben enkel de Waalse en de Antwerpse Gewesten van het ABVV formeel een ordewoord van staking gelanceerd. De metaalarbeiders van Antwerpen en Gent, evenals de volledige openbare diensten in Vlaanderen, hebben de stakingsbeweging vervoegd ondanks de talrijke oproepen van het ACV om het werk te hernemen en de koppige weigering van het nationale ABVV om het ordewoord van de algemene staking te lanceren, een algemene staking die overigens effectief is in heel het land. Essentieel gezien is de arbeidersklasse van het land volledig gemobiliseerd, de algemene staking is totaal. Overal bevestigt zich de formidabele strijdwil van de stakende arbeiders. In meerdere grote steden van het land vinden indrukwekkende betogingen plaats, de vastberadenheid is tastbaar in de arbeidersconcentraties. Die tonen de vastberadenheid en de uitgesproken strijdwil van de stakers die opnieuw en met kracht een mars op Brussel eisen. Alle toeschouwers zijn unaniem: deze algemene staking is de grootste die de Belgische arbeidersbeweging ooit heeft gekend. De volkswijken zijn leeggelopen. Volgens veteranen moet men teruggaan naar de stakingen van 1932 om even grote en belangrijke betogingen voor de geest te halen. De arbeidersklasse staat op straat, ze eist radicale ordewoorden. Ze is klaar voor de confrontatie met de burgerij ondanks het feit dat de luidsprekers van de ABVV-auto’s zonder ophouden herhalen: “Kalmte, Orde, Discipline”. Deze uitzendingen werken overigens op de zenuwen van de arbeiders die iets anders verwachten dan deze aanmaningen van de vakbondsbureaucraten. In Brussel betogen meer dan 10.000 arbeiders op de grote assen van de stad. In Luik vinden meerdere betogingen plaatse in verschillende gemeenten van de regio. De nationale leiding van het ACV blijft zich tegen de staking verzetten, ondanks 86 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 het feit dat het grootste deel van haar basis op straat staat: “Wij hebben niet langer de mogelijkheid in staking te gaan gezien het revolutionaire karakter van deze staking.” De ACV-leiders zijn zeer ongerust, de editorialist van de krant ‘La Cité’ van 27 december stelt het volgende: “Alles lijkt erop te wijzen dat men wederzijds de krachtsverhouding wil meten. In realiteit stelt iedereen zich vandaag de vraag of de beweging effectief een nieuwe omvang zal aannemen of als ze integendeel in een fase van onzekerheid zal terechtkomen.” Deze dinsdag komt het nationaal comité van het ACV samen en het stemt unaniem een resolutie, waarvan we hier een extract meegeven: “Het comité van het ACV doet beroep op alle christelijk gesyndiceerden en aan alle arbeiders om zich niet te laten meeslepen in dit avontuur waarvan zij de eerste slachtoffers zullen zijn.” Zie hier een duidelijke probleemstelling. Niemand weet immers wat er zal gebeuren. De arbeidersleiders hebben perfect begrepen dat de algemene actie die op 20 december begon inmiddels niet op een gelijkspel kan eindigen. Ze begrijpen echter nog beter dat het kapitalistische regime onder een gevaarlijke dreiging staat en dat de burgerlijke macht ernstig geraakt is. Tussen de dreiging die uitgaat van een overwinning voor de burgerij, die in dat geval de bufferpositie die de reformistische apparaten tussen de klassen innemen in gevaar zou kunnen brengen, en de vrees voor een overwinning van de arbeidersklasse, hebben de bureaucraten van het BSP en het ABVV hun keuze gemaakt. Nog steeds op deze dinsdag herbevestigt het uitgebreide bureau van het nationale ABVV naar aanleiding van zijn vergadering “dat zijn actie gericht is tegen de Eenheidswet en niet tegen de democratische instellingen.” Wat het BSP-bureau betreft, dat eist de onmiddellijke bijeenroeping van het parlement – een instelling die gedomineerd wordt door rechts. Tegenover de kritieken van de burgerij wil het reformistische apparaat de burgerij vooral geruststellen over haar intenties om niet aan de instellingen van de burgerlijke macht te raken. Terwijl de arbeidersleidingen proberen te sussen, duwt de burgerij de regering in de rug om de repressie toe te passen. Het dagblad La Libre Belgique van 26 december geeft zo aan dat “de middelen waarover de makers van de revolutie beschikken toch bespottelijk zijn tegenover de middelen in het bezit van de ordemacht.” De regering kent het gevaar, ze vreest bovenal dat de stakers die een mars op Brussel eisen, spontaan de hand zouden leggen op de stocks van wapens en munitie die opgeslagen zijn bij FN-Herstal, de Fabrique Nationale is overigens door het leger bezet. De Vlaamse socialistische krant Volksgazet wordt in beslag genomen. Aangevuurd door de burgerij neemt de regering offensieve voorzorgen. De rijkswacht probeert een aantal symbolische provocaties georganiseerd te krijgen. Met de hulp van stakingsbrekers slagen ze er in een trein te laten rijden in de richting s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 87 van Brussel. De trein zit vol met militairen en op de locomotief hangt een groot waarschuwingsbord: “Kom niet dichterbij of we schieten.” In deze fase van de strijd is het voor iedereen duidelijk dat de arbeidersorganisaties ordewoorden moeten geven en antikapitalistische initiatieven moeten nemen om de door de algemene staking gestelde doelen effectief te realiseren. Door dat niet toe doen, kiezen ze er immers met opzet voor om de stakingsbeweging te laten verbrokkelen en uit zichzelf te verrotten. Het proletariaat staat rechtop, sinds 20 december vecht het. Maar waar zijn de leiders? Ze zitten, ze praten in verschillende comités en ze publiceren sussende persberichten. Dinsdag verklaart de Socialistische Gemeenschappelijke Actie zich in een persbericht “solidair met de algemene stakingsbeweging”. Ze herbevestigt “haar gehechtheid aan de democratische instellingen die bedreigd worden door de reactionaire bedrijven. De vier bewegingen mobiliseren al hun krachten in de gigantische strijd die G. Eyskens wilde en die zal eindigen in de overwinning van de wereld van de arbeid.” Sussend voor de burgerij is de duidelijkheid van het perspectief van de reformistische leiding tijdens de cruciale dagen van de strijd: “gehechtheid aan de parlementaire burgerlijke democratie”. Sussend ook voor de arbeiders, die men wil verdoven met verklaringen van het type “die zal eindigen op een overwinning voor de wereld van de arbeid”. De KPB blijft trouw aan haar politiek en tactiek die erin bestaat zoveel mogelijk aan te sluiten op de houding van de reformistische leiding van de BSP. De partij benadrukt deze dinsdag 27 december in haar pers: “Het is de angst voor de democratie en het parlement die de regering van de monopolies ertoe heeft gebracht de parlementaire debatten te onderbreken… De arbeiders aanvaarden slechts één oplossing: de pure en simpele intrekking van de Eenheidswet.” Op het meest cruciale moment van de massale arbeidersactie stelt de KPB een actie voor het parlement voor “opdat deze rekening zou houden met de volkswil”. De secretaris van de KBP, Jean Blume, schrijft in het partijblad ‘De Rode Vaan’ dat “de afgevaardigden van de katholieken en de liberalen bezoek zullen krijgen van de stakingspiketten en de arbeidersdelegaties opdat ze te horen kunnen krijgen dat hun plicht erin bestaat zich aan te passen aan de wensen van hun kiezers, veeleer dan aan de oekazes van de banken en de regering.” Op de voorpagina van ‘De Rode Vaan’ van 24 en 26 december staat een modelbrief afgedrukt, waarvoor de communistische afgevaardigde Dejace voorstelt ze ter goedkeuring voor te leggen aan algemene stakersvergaderingen en die hij naar de liberale en katholieke parlementsleden wil sturen. Deze brief is tekenend en drukt zeer duidelijk de aanhankelijkheid uit die de KPB voelt tegenover de instellingen van de burgerlijke democratie. Het lijkt me interessant voor de lezer er kennis van te nemen. Ziehier de integrale inhoud: 88 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “Waarde Collega. We hebben elkaar vrijdag verlaten. Op dat moment waren jullie nog vastbesloten de Eenheidswet te stemmen. En jullie denken dat de stakingen geen enkele diepgaande aard hebben. We hopen dat jullie vandaag van mening zijn veranderd na de krachtige betogingen die zich hebben afgespeeld, waarin socialisten, communisten, christelijken en liberalen verenigd waren. Indien dat niet het geval zou zijn, betekent dit dat jullie slecht geïnformeerd zijn en dat het van belang is dat jullie onmiddellijk contact opnemen met de volksvergaderingen en de organisaties die verantwoordelijk zijn voor de stakersbeweging. We zijn er zeker van dat jullie op die manier objectief geïnformeerd zouden zijn en dat jullie stap daartoe door de bevolking gewaardeerd zou worden. Op die manier zouden jullie op 3 januari de regering beter kunnen doen begrijpen wat de wil van de bevolking is, namelijk de terugtrekking van de Eenheidswet. Jullie zouden de regering beter doen begrijpen dat de bevolking vastberaden is tot aan de ontbinding van het parlement te gaan indien de Kamer zich ertoe gebracht ziet toch dit regeringsproject te stemmen.” Dit soort van houding en verklaring vanwege de KPB-leiding is van dien aard om de communistische basismilitanten, die bewust zijn van de inzet van de strijd, van schaamte te doen blozen. In ieder geval begrijpen de communistische arbeidersmilitanten, die zich zonder reserve gegeven hebben in de werkonderbrekingen en op de stakerspiketten, moeiteloos dat deze positie van de KPB niets te maken heeft met communisme en klassenstrijd, maar eerder met de verloochening van het marxisme en met een volledige aanpassing aan de burgerlijke staat en haar instellingen. Wie wil de KPB bedotten met deze op het eerste zicht radicale frasen, maar die goed en wel binnen de door de burgerij toegestane limieten blijven? Dit voorstel heeft overigens geen enkel gehoor gevonden en had geen enkele impact op de stakers, sommigen vonden het zelfs belachelijk. De burgerij is zich daarentegen wel ten zeerste bewust van de inzet van de strijd die door de arbeidersklasse wordt aangegaan. Zo schrijft de krant ‘L’Echo de la Bourse’ op 27 december 1960: “Op het moment dat het opstandige karakter van de socialo-communistische staking openlijk uitbarst, is het nodig dat alle goede burgers zich rond de regering groeperen. Zij draagt zware verantwoordelijkheden in de huidige situatie en haar vroegere zwakheden voorspellen weinig goeds voor de toekomst. Hoe veel kritiek ze echter mag krijgen, ze belichaamt een op wettige wijze verkozen parlementaire meerderheid. Als ze zou toegeven aan de straat, is het niet de Eenheidswet die valt, maar stort het al zo zieke democratische regime ineen. Want we zouden ofwel de machtsovername beleven vanwege zij die vandaag rebelleren tegen de wettelijke autoriteit, ofwel een diepgaande golf die in het land een wankele dictatuur zou installeren. Geen van beide hypotheses is s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 89 wenselijk voor het land. Het is vanzelfsprekend dat het nu te laat is om stappen achterwaarts te zetten en dat de mislukking van de opstandige stakingen een grote nederlaag aan de socialistische beweging zou toebrengen. De leiders van de BSP zien zich gedwongen tot de krachtmeting.” Bij het lezen van dit artikel merkt men dat de burgerij een exacte analyse van de situatie maakte en er zich rekenschap gaf van het niveau en de mogelijkheden van de arbeiderskracht in deze opstandige en revolutionaire algemene staking. In La Gauche van 24 december ’60 schreef Ernest Mandel onder de titel ‘Beslissende uren’: “Waarom dienen de socialistische afgevaardigden niet bij dringendheid een dergelijke kaderwet in over de fiscale hervorming en de structuurhervormingen? Waarom hernemen ze met dit doel niet de essentie van het project van fiscale hervorming dat is uitgewerkt in samenwerking met het ABVV en het ACV? De staking zou zo een positief doel verkrijgen naast haar oppositiedoel: de aanname van socialistische projecten in plaats van de wet van het ongeluk.” De doelstellingen van de opstandige algemene staking beperken tot simpele fiscale hervormingen, via de stemming van een “kaderwet” door het parlement, terwijl de burgerij zelf openlijk in vele van haar geschriften en verklaringen vreest dat de beweging van de straat tot de “machtsovername” leidt, onthult dat deze politieke positie staat voor een volledige aanpassing aan het reformisme, een onderworpen positie tegenover de burgerlijke democratie. Tenslotte merken we hier op dat het perspectief van de socialistische revolutie vervangen is door dat van een opeenvolging van hervormingen in het parlementaire kader, terwijl in deze “beslissende uren” de betogingen van de stakers getuigen van een indrukwekkende vastberadenheid. De te volgen weg was deze van de eis die overal steeds opnieuw naar voor kwam: die van een mars op Brussel en niet die van een project van beperkte hervormingen. We merken ook op dat het project van structuurhervormingen door Ernest Mandel, schrijvend in België op 24 december, als “socialistisch” worden gekenschetst. We zouden graag weten hoe de arbeiders het socialisme kunnen bekomen zonder het kapitalisme omver te gooien. Des te meer omdat de stakers ordewoorden verwachten en eisen die zich inschrijven in het perspectief van de antikapitalistische klassenstrijd en de socialistische revolutie. Zoals we hebben gezien kwam er van de kant van de leidingen van de arbeidersbeweging, noch de leiders van de BSP en het ABVV noch die van de KPB en van La Gauche, geen ander alternatief dan het afleiden van de algemene staking op het dwaalspoor van het burgerlijke parlementarisme. Van de kant van de linkervleugel van het ABVV, vertegenwoordigd door André Renard, kwam er nauwelijks iets beter. Zo kondigt het door Renard opgezette Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV op maandag 26 december aan dat het de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de “de aangegane actie op te drijven en te verharden”. 90 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Het comité kwam op 28 december opnieuw bijeen onder voorzitterschap van Renard. Nu “decreteert” het comité dat “3 januari 1961 een dag van rouw wordt in heel Wallonië.” Verder gaat het verbaal radicalisme echter niet. De arbeiders zien zichzelf niet in rouw. Integendeel, ze zijn betrokken in een meedogenloze strijd. Het is niet door een dag van rouw uit te roepen dat de burgerij en de regering zullen terugkrabbelen. Wat het “opdrijven en verharden” van de strijd betreft, bleven de arbeiders wachten op concrete ordewoorden die er maar niet kwamen. Op 27 december waren er intussen tussen de 600.000 en 700.000 arbeiders in staking, zowel in Vlaanderen als in Brussel en Wallonië. De arbeiders nemen massaal en actief deel aan de algemene staking en hun aantal blijft toenemen. Ondanks de wel erg voorzichtige beslissingen van de linkervleugel van het ABVV behoudt André Renard, minstens in de opgaande fase van de beweging, een grote populariteit bij de arbeiders. In de mate waarin de beweging langer aansleept, zet de algemene staking zich door en radicaliseren de arbeidersmassa’s. Ze willen hun strijd meer en meer op te voeren en komen terecht bij wat voor hen de meest radicale vleugel van de linkse strijd lijkt. Tijdens deze staking legt André Renard een intense activiteit aan de dag. Overal waar hij het woord neemt, in de meetings, concentraties, betogingen, wordt hij toegejuicht voor zijn radicale woorden. Daar waar hij komt, verplaatsen de massa’s zich, men wil hem overal op de acties en meetings. Hij belichaamt wat het meest strijdbaar is in de vakbondsleiding. In Gent, Antwerpen, in heel Vlaanderen net als in Charleroi, eisen de stakers met aandrang dat Renard komt. Maar de rechtervleugel van de regionale apparaten van het ABVV verzet zich ertegen en Renard respecteert eerder de wil van rechts binnen het ABVV dan de vraag van de arbeiders. Hij komt dan maar niet. Achter de positie en de activiteit van Renard schuilt ook een politieke houding. De hele strategie van Renard is gericht op het slagen van de beweging, maar enkel door het organiseren van druk op de burgerij. Hij weigert met kracht om de kwestie van de macht te stellen en gaat zover om te zeggen dat de Koningskwestie hem niet interesseert. Renard zoekt er ten gronde niet naar om de zaken verder te duwen dan de rechtse leiders. Maar hij is bewuster dan hen en hij weet dat de vruchten niet uit zichzelf vallen. Om te slagen, gelooft hij dat het volstaat om voldoende sterke druk te zetten op de heersende klasse en dat men deze laatste zo tot onderhandelingen kan dwingen. Een dergelijke politiek beperkt zich tot de toegevingen die burgerij kan aanvaarden zonder het risico te nemen haar macht of haar winstsysteem in gevaar te brengen. Dit is een door en door reformistische positie. Kan het echter anders vanwege Renard? Opdat de druk en de chantage enige mogelijkheid op succes kunnen hebben, moet de burgerij echter angst worden aangejaagd. Dat is waarom Renard zo geagiteerd is. Voor het succes van de algemene staking rekent hij minder op de kracht van het gemobiliseerde en vastberaden proletariaat dan op s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 91 de manoeuvreerruimte die de mobilisatie van het proletariaat hem geeft. En het is het manoeuvre, dat volgens Renard tot succes kan leiden. Voor de hele rechtse burgerlijke pers is Renard effectief een “agitator”, “revolutionair”, “avonturier” en zelfs een “trotskist” die verantwoordelijk is voor de algemene staking. Renard overschat de mogelijkheden tot toegevingen vanwege de burgerij. De marge waarover de burgerij beschikt, is nagenoeg onbestaand. In een fase van verhoogde klassenstrijd is de burgerij niet bereid toe te geven op het vlak van “hervormingen”, tenzij ze het proletariaat op de straat haar macht in vraag ziet stellen, tenzij ze ziet dat ze alles riskeert te verliezen. Die voorwaarden waren objectief verenigd. Met andere woorden had Renard enkel kunnen winnen door zich te steunen op de bereidheid tot strijd van de arbeidersklasse en door zijn actie te verbinden met revolutionaire doelstellingen die inherent aanwezig waren in de algemene stakingsbeweging van de Belgische arbeidersklasse. Het is gebleken dat hij daartoe niet in staat was door de aard zelf van het linkse reformisme. Bijgevolg stellen we vast dat er in deze fase van de strijd, wanneer de algemene staking zijn grootste energie bereikt, noch vanwege de Gemeenschappelijk Actie noch vanwege de KPB of La Gauche en al evenmin vanwege de renardisten ordewoorden komen om de actie effectief op te drijven en te verharden in de richting van de doelstelling van arbeidersmacht. Deze dinsdag 27 december tonen de leiders van het ACV op de nationale radio geen enkele terughoudendheid meer. Ze nemen definitief stelling in tegen de algemene staking, die ze als “revolutionair” kwalificeren. Tot op dit moment hadden ze een zekere voorzichtigheid aan de dag gelegd want ze riskeerden hun organisatie te zien uiteenbarsten indien het ABVV zou beslissen over te gaan naar het volgende stadium van de actie, zoals ze lieten doorschemeren. Ze zien echter goed dat de leiders van het ABVV, zowel de rechtse als de linkse leiders, de keuze hebben gemaakt om het daarbij te laten. Ze kunnen nu zonder reserve hun steun aan de regering geven. Het belang van deze beslissing is voor iedereen duidelijk. Zo wijst het dagblad ‘L’Echo de la Bourse’ op 27 december tevreden op het volgende: “De steun van de christelijke vakbonden, vooral sterk in het noorden van het land, aan de voorstanders van de orde kan een beslissend element zijn in de krachtmeting die is aangegaan. We hopen dat ze gegeven zal worden zonder koehandel.” Ondanks de steun van het ACV aan de regering breidt de staking zich in Vlaanderen nog uit. Dat is het geval in Gent, Oostende, Kortrijk, Antwerpen, Aalst, Diksmuide. In Antwerpen en Gent zijn talrijke arbeiders, leden van het ACV die sinds het begin in staking zijn, ontgoocheld door de beslissing van de nationale centrale van het ACV en ze vervoegen de rangen van het ABVV. Deze beslissing van de ACV-arbeiders zegt veel over hun strijdvaardigheid. Het is op die manier dat “bepaalde arbeiders van de basis van het ACV zich in de loop van de algemene staking onderscheiden hebben door hun zeer onverzettelijke houding aan de fabriek92 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 spoorten in het verzet tegen de bazen.” (‘La Grande Grève Décembre 1960 -Janvier 1961’, René Deprez). Volgend op de beslissingen van het nationale ACV, moeten de christelijke arbeiders zich in Edingen (in de regio Centre) uitspreken over de staking. Ze stemmen in meerderheid, bij een geheime stemming, voor het voortzetten van de staking! Deze dinsdag 27 december is het schouwtoneel van grote arbeidersconcentraties die tientallen duizenden stakers op de been brengen in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Overal roepen de arbeiders: “Mars op Brussel” en “Leve de republiek”. Men zingt de Marseillaise en de Internationale, men roept: “Eyskens tegen de muur”. De arbeiders staan op en zijn klaar om tot de aanval over te gaan. ’s Morgens gaan 35.000 metaalarbeiders van het Brusselse Gewest in staking terwijl een betoging van ongeveer 8.000 stakers door het stadscentrum trekt. In het Achturenhuis in Charleroi is er een belangrijke vergadering van leraars. De zaal zit stampvol. De SJW is aanwezig en verkoopt La Gauche. Na de vergadering vinden verschillende discussies plaats met de groepen leerkrachten, die traditioneel niet de eersten waren die in staking zouden gaan. In hun discussies met de SJW valt het op dat deze leerkrachten die betrokken waren in de algemene staking zeer strijdbaar zijn. Ze zijn vastbesloten het aangegane gevecht voort te zetten en talrijker deel te nemen aan de piketten en de betogingen. De provincie Namen is nog steeds verlamd. De stakers houden niet op hun stellige strijdwil duidelijk te maken. In de papierfabriek van Saint-Servais, waar met een list aan de waakzaamheid van de piketten werd ontsnapt, hernemen slechts zes vrouwen en tien mannen het werk, en dat op een totaal van 200 arbeiders. De directeur kan dan wel beroep doen op de rijkswacht, de staking in dit bedrijf blijft quasi totaal met 90% die weigert te werken. In Vlaanderen breidt de staking zich nog verder uit. In Diksmuide neemt ze omvang aan in de openbare diensten, ook onder de ACV-leden. Ook worden steeds meer sabotagedaden geregistreerd. Soms is het de enige manier die de stakers overblijft om de stakingbrekers te stoppen. Op de lijn Brussel-Charleroi ploft men een paal neer die voortaan het spoor blokkeert. De rijkswacht en het leger zijn gemobiliseerd, de para’s zijn teruggeroepen uit Duitsland. De regering plaatst de Vlaamse troepen in Wallonië en de Waalse troepen in Vlaanderen. Op de grote markt van Mechelen heeft het stakerspiket het post- en telegrambureau omsingeld. In Brugge is de postbedeling onregelmatig gezien een dertigtal stakers de toegang tot de lokalen verhinderen. Incidenten met de rijkswachters vinden plaats. Minister Lefebvre nodigt de burgemeesters uit om inhoudingen te doen op de betaling voor de dagen van afwezigheid wegens staking. De commentaren van de pers zijn veelsprekend: “De regering vestigt zich in het conflict met als doel de stakers uit te putten en de vakbondskassen te doen leeglopen”. Het is een zeer gevaarlijke tactiek want die berekening kan door de koppigheid van de stakers zeer goed verijdeld worden in het geval zij, zonder het akkoord van de vakbondsleidingen, s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 93 besluiten over te gaan tot een krachtmeting die kan eindigen in de omverwerping van de regering zelf en de burgerlijke instellingen. De algemene stakingsbeweging die zich afspeelt, herinnert aan de grote opstandige beweging van 1950. Woensdag 28 december Die woensdagochtend barsten in Gent nieuwe gewelddadige botsingen uit tussen stakers en rijkswachters. Een betoging van meer dan 20.000 arbeiders trekt er door het stadscentrum. Bij de ontbinding doen zich gewelddadige schermutselingen voor tussen de stakers en de ordediensten, wiens instructies ruiken naar provocatie. Er wordt traangas gebruikt om de betogers uiteen te drijven, op verschillende plaatsen breken gevechten uit, meerdere mensen worden gewond weggevoerd naar het ziekenhuis. De aanval van de rijkswacht maakt twee ernstige gewonden onder de stakers. Betogers worden door de rijkswacht tot aan het vakbondslokaal teruggedreven, waar de rijkswacht met geweld binnendringt en waar een algemeen gevecht uitbreekt met stokslagen, kettingen, glazen, stoelen en tafels. Volgend op deze gewelddadige confrontaties is het ABVV-Gewest wel verplicht te reageren en ze decreteert bij dringendheid de algemene regionale staking. De algemene staking kent een nieuwe uitbreiding en verharding in de Vlaamse industriële centra. In de rand van Antwerpen gaan verschillende bedrijven zonder dralen in staking, de christelijke arbeiders volgen de stakingsbeweging. Een grote betoging in Antwerpen wordt voorzien voor donderdagnamiddag. Talrijke betogingen vinden nog plaats in het land: in Quaregnon, in de Borinage, 20.000 stakers in Mons, in Charleroi, in Brussel waar de bussen die nog rijden bekogeld worden met stenen en waar de ramen van de banken worden ingegooid, in de regio van Luik is het dezelfde situatie. Overal in het land verhardt de actie van de piketten en wordt ze versterkt. Er vinden nog talrijke arrestaties plaats. Volgens de krant Le Soir van 28 december zijn “in Soignies absoluut alle industrieën verlamd. De stakers, die ongeveer met 1.200 à 1.300 zijn, controleren de toestand. Ze hebben alle openbare instellingen bezet. Scholen, postkantoren, stations, fabrieken, alles is gesloten. De betogers zijn naar het viaduct getrokken en hebben er het verkeer gedurende een uur en een half geblokkeerd. De bestrating van het viaduct is opgebroken. Er zijn geruchten, meteen door het ABVV ontkend, dat er een poging tot compromis zou zijn tussen de regering en de vakbondsorganisaties. De Federatie van Belgische Industrie zou haar bemiddeling hebben aangeboden.” Wat de algemene staking betreft, ontwikkelt de situatie naar een koortsopstoot, vooral aan de kanten van Antwerpen en Gent, maar ook in de andere Vlaamse regio’s, namelijk in Kortrijk, Ieper, Aalst, Brugge, Tongeren en Tienen. De arbeiders willen tot de aanval overgaan, maar hun arbeidersorganisaties verbieden het. Dat is waarom we vanaf deze woensdag 28 december zullen zien hoe de stakers zich 94 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 dagelijks verenigen in monsterbetogingen, waar ze schreeuwen, gedurende uren lopen te stampvoeten om zich daarna te ontbinden zonder dat ook maar enige organisatie de verantwoordelijkheid op zich wil nemen om op nationaal vlak een offensief ordewoord te lanceren. Zij die de geschiedenis van de strijd van de internationale arbeidersbeweging ook maar een beetje kennen, weten dat we in geen geval van de reformisten of van de stalinisten een ordewoord van offensieve aard moeten verwachten. Nochtans waren de stakende arbeiders in hun recht om offensieve instructies te verwachten vanwege de leiders van La Gauche, die zeiden zich te plaatsen in het perspectief van de socialistische revolutie. Maar dat is het net, ook vanuit die hoek komt er zo goed als niets. De pseudomarxisten blijven de loopjongens van de reformisten en de stalinisten. Enkel wie helemaal ontdaan is van enig revolutionair marxistisch bewustzijn zal ontkennen dat de beweging een staking met een revolutionair doel was. Dat werd niet betwist, noch door de arbeiders noch door de burgerij. Voor een dergelijke beweging waren er aangepaste ordewoorden en instructies vereist. Enkel blinden konden erin slagen dat niet te zien en het omgekeerde te veronderstellen. Bepaalde rechtse kranten hebben zich niet vergist en hebben niet nagelaten de ernst te onderstrepen van een situatie die dag na dag verergerde. De stakingen brengen een algemene verharding met zich mee, er zijn zowat overal in het land ernstige incidenten en deze riskeren uit de hand te lopen indien de regering halsstarrig op haar positie blijft. Toch houdt de regering vast aan haar positie. Ze verhardt haar repressieve maatregelen, probeert met alle middelen die tot haar beschikking staan (radio, tv, kranten, mededelingen…) de stakers aan te zetten om het werk te hernemen, maar er komt niets van terecht. Wel integendeel! De stakers zijn vastbesloten tot het einde te gaan, het is de krachtmeting. Dertienduizend stakers verlammen Brussel gedurende drie uur. De trams rijden niet langer. De stakers scanderen: “Eyskens tegen de muur”, “de Walen naar Brussel” en “de banken moeten betalen”. Meer dan 8.000 metaalarbeiders defileren in Herstal. Meer dan 20.000 betogers komen samen in Charleroi. In La Louvière verenigen meer dan 15.000 betogers achter een groot spandoek met de woorden: “Kameraden! Laat ons op Brussel marcheren”. Andries, regionaal secretaris van het ABVV van de regio Centre, wordt tijdens zijn toespraak verschillende malen onderbroken door de kreten “naar Brussel, naar Brussel”. We kunnen een groot bord zien met de woorden “Leve de Republiek”. In de grootste Vlaamse haven zijn alle scheepsherstellers en de arbeiders op de scheepswerven in staking. Tienduizend stakers bij Bell-telefoon. Cockerill-Hoboken is geblokkeerd. De arbeiders uit de petroleumsector zijn ook in staking. De havens van Oostende en Gent liggen totaal plat. De steenbakkerijen aan de Rupel liggen stil, 1.800 Limburgse mijnwerkers zijn in staking. Met deze opsomming van de algemene stakingsbeweging in Vlaanderen zien we meteen het misdadige karakter van de houding van Renard, als die midden in de beweging de eis van Waals federalisme naar voor schuift. De leiders van La Gauche s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 95 hadden daar energiek tegen moeten ingaan. Ze hadden zich moeten verzetten tegen Renard en zijn federalisme. Dit ging niet om specifiek Waalse eisen, het was een algemene staking gericht op de omverwerping van de regering en de burgerlijke staat. Maar neen, we stellen een volledige medeplichtigheid vast. De leiders van La Gauche leveren zichzelf over aan de reformistische politiek van Renard. In Tongeren zijn de postdiensten dicht na gespierde tussenkomst van de stakerspiketten. De autoriteiten doen beroep op de rijkswacht. De regering publiceert een verordening die alle samenscholingen van meer dan drie personen verbiedt. In de regio van Roux komen meer dan 400 stakers samen in het Volkshuis. Na een geanimeerde discussie nemen ze een resolutie aan waarin ze duidelijk maken dat ze tegenover de onverzettelijkheid van de regering “klaar zijn voor de mars op Brussel.” De staking blijft zich uitbreiden. In Brugge verhardt ze na de incidenten in Gent, waar de stakers een regelrechte aanval hebben ondergaan. In antwoord op deze agressie decreteert ABVV-Antwerpen de algemene staking. Er is een belangrijke sabotagedaad op de lijn Gent-Adinkerke, waar betonblokken op de sporen worden gezet. Hetzelfde gebeurt op de wegen. De Limburgse mijnwerkerscentrale communiceert dat de staking compleet is in de steenkoolmijnen. Het uitvoerend bureau van de mijnwerkersbond ontvangt aanmoedigingen en solidariteitsberichten vanuit Frankrijk en Italië. Bepaalde pseudomarxisten beweerden dat Vlaanderen niet deelnam aan de algemene staking terwijl zelfs de buitenlandse arbeiderscentrales hun volledige steun boden aan de Vlaamse mijnwerkers. Indien ze niet deelnamen aan de algemene staking, indien ze zich hadden gedragen als ratten, zou deze steun onmogelijk zijn geweest. Op woensdag 28 december 1960 verklaart het uitgebreide presidium van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie, verenigd onder voorzitterschap van Louis Major, bovendien in een persbericht dat “het vaststelt dat de staking volledig is in Wallonië en dat ze elke dag op massale wijze uitbreidt, zowel in Vlaanderen als in de Brusselse regio”. In Hasselt slagen de stakers erin het postbureau binnen te dringen, waar ze de post vertrappelen. Er breken vervolgens gevechten uit tussen stakers en rijkswachters. Donderdag 29 december De beweging breidt zich steeds verder uit Op donderdag 29 december bereikt de algemene staking een piek van strijdbaarheid bij de arbeiders. In de Borinage neemt de strijd een duidelijk opstandig karakter aan. De wegen worden versperd en opgebroken, de stakers worden steeds meer gewelddadig en bedreigend. Deze regio is een versterkt kamp, het zijn de voorbereidingen op een revolutionaire confrontatie. Om niet door de stakers aan 96 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 de kant te worden geschoven, zijn de leiders van de staking verplicht een steeds dreigender taalgebruik aan te nemen waarmee aansluiting bij de opstoot van arbeiderswoede wordt gezocht. Wat de algemene staking betreft, die blijft haar draagwijdte behouden evenals haar strijdbaar karakter. Op elke betoging brengen de stakers de eis van een “Mars op Brussel” naar voor. Met grote en indrukwekkende betogingen in Gent, Brussel, Charleroi, samen met de voorbereidingen in de Borinage, opent zich een nieuwe fase van arbeidersactie. De regering heeft ook begrepen dat de arbeidersleiders vastbesloten zijn om te voorkomen dat het proletarische offensief dat zich voorbereidt bewust de revolutionaire doelstellingen aanneemt die impliciet de hare zijn. Met de openlijke steun van de christelijke vakbond is een belangrijk element van onzekerheid verdwenen. De situatie is opgehelderd en de regering staat zelf op het punt een hardere houding in te nemen. De regering houdt stand, de hele burgerij staat achter haar, zelfs als ze volgens de beste schattingen 500 miljoen tot 1 miljard Belgische frank per dag verliest (bedrijfssluitingen, blokkering van de Antwerpse haven, fiscaal waardeverlies, dalende orders). Maar laat ons eens lezen wat de rechtse pers juist vertelt. Zie hier het editoriaal van de krant Le Matin, ‘dagblad van de nationale eenheid’, op 29 december: “We blijven vastberaden tegenstanders van bepaalde aspecten van de Eenheidswet. Maar voor alles zijn we voorstanders van de orde, het respect voor de wet. We moeten standhouden en rond de regering een solide vestingmuur bouwen, des te meer noodzakelijk gezien we haar zwakheden kennen.” En hier het standpunt van het liberale blad ‘L’Avenir du Tournaisis’: “De regering waarvan iedereen het acht dagen geleden eens was te zeggen dat ze het moest opgeven, wordt vandaag met vuur verdedigd door hen die haar vroeger op de meest vernietigende wijze veroordeelden.” In de algemene staking vindt op die dag in Vlaanderen de meest indrukwekkende massabetoging plaats. De kranten praten over 30.000 betogers in Antwerpen. Volgend op deze overweldigende strijdwil van de Vlaamse arbeiders versterken de bureaucraten van het nationale ABVV hun toon: “We moeten de staking voort zetten tot aan de uiteindelijke overwinning”. Voor de stakers in het land zijn deze verklaringen zeer verwarrend, maar het is niet de eerste en zeker niet de laatste bocht van de syndicale bonzen. Dezelfde figuren die zich radicaal verzetten tegen het aannemen van een nationaal ordewoord van algemene staking en die er alles aan deden om te verhinderen dat de staking zou uitbreiden naar andere sectoren, beweren nu plots dat we de staking moeten voort zetten tot aan de overwinning. In Brussel zijn er 10.000 betogers in de straten van de hoofdstad, de betoging is zeer geanimeerd en gaat gepaard met incidenten die over de hele optocht uitbreken; de ramen van de lokalen van de christelijke dagbladen en de banken worden ingegooid; aan het Zuidstation wordt een rijdende bus door woedende stakers s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 97 vernield. Er zijn ook nog betogingen in Binche, Leuven, Aalst en in de Luikse regio. Incidenten gevolgd door opstootjes breken opnieuw op verschillende plaatsen uit. André Renard verklaart op een meeting: “Als de regering niet toegeeft, blijft ons nog een wapen: de volledige verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten.” De kranten kondigen aan dat de koning en de koningin naar het land zijn teruggekeerd. Dit nieuws wordt door de arbeiders op onverschilligheid onthaald. Ze zijn van oordeel dat als ze terugkomen, dat is omdat de situatie voor de burgerij ernstig is. De regering heeft alle Belgische troepen in Duitsland, onder NAVO-commando, teruggeroepen. Geruchten doen de ronde dat de socialist Paul-Henri Spaak, toen algemeen secretaris van de NAVO, na de verkiezingen het hoofd zou nemen van een coalitieregering met als doel om de situatie voor de burgerij te redden. Le Peuple signaleert ondertussen dat het ongenoegen onder de troepen groot is, dat ze hier en daar verbroederen met de stakers. Hetzelfde gebeurt met de reservetroepen van de rijkswacht, waarvan sommigen hun burelen ter beschikking stelden om verbindingen te maken tussen verschillende stakerspiketten. Op verschillende plaatsen zouden de para’s zonder voedsel gelaten zijn. “Om hen uit te hongeren en hun geestdrift voor de strijd op te wekken”, suggereert Le Peuple, eraan toevoegend dat “de wilde dieren, eens losgelaten, zich wel eens goed tegen de temmers zouden kunnen keren en hen opvreten. Zoals in alle goede circussen.” Al tien dagen zijn meer dan 700.000 arbeiders in dit land in staking. Enkelen leven nog op het loon van de twee weken voor de staking, maar de materiële situatie van de stakers begint overal dramatisch te worden. Tijdens de dagen van hard conflict voelen de stakers die bijna elke dag betogen zich gesterkt in hun strijdwil. Iedere arbeidersactie is immers steeds talrijker en explosiever. Nooit voorheen hebben we zo’n indrukwekkende massaconcentraties gezien. De moeilijkheden die op het pad van de stakers komen, tasten hun strijdbaarheid niet aan. Het Belgisch proletariaat wil tot op het bot gaan. Van de arbeidersleiders verwachten ze ordewoorden, maar die komen er niet. De arbeidersklasse zal gedurende 35 dagen standhouden, tot aan de meest extreme limiet van hun kracht, met een buitengewone moed en een volharding die bewondering afdwingt. Al tien dagen zien we de wanhopige inspanningen van de arbeiders, die zich proberen vrij te maken van het keurslijf die hun eigen organisaties hen opdringen. De bureaucraten van de BSP en het ABVV kijken vergeefs cynisch toe hoe de heldhaftige strijd van het Belgisch proletariaat zich uitput in de strijd voor haar bevrijding van het kapitalistische uitbuitingssysteem. In alle steden van het land komen arbeiders dagelijks samen. Men loopt en stampt zich warm, men draait in het rond, men raakt geïrriteerd. De sabotagegevallen vermenigvuldigen zich. In de publieke vergaderingen wordt het de leiders openlijk verweten de stakers zonder ordewoorden te laten. In de hoofdstad eisen de betogers: “Naar het parlement” of “De Walen in Brussel”. De leiders houden zich Oost-Indisch doof, ze nemen hun voorzorgen, vooral in Brussel, waar ze de stoet naar de buitenkant van de stad leiden. 98 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 We noteren nog dat er op woensdag 28 december 25.000 betogers in Quaregnon waren. Op donderdag zijn het er 15.000 in Binche, 20.000 in Brussel, 30.000 in Antwerpen, bovenop talrijke concentraties in verschillende kleinere centra van het land. Er breken ernstige schermutselingen tussen de stakers en de rijkswacht uit in Brussel, Namen en Charleroi. In deze laatste stad hebben de christelijke buschauffeurs beslist de staking te vervoegen. Overal zijn er talrijke rode vlaggen, soms een Waalse vlag. Men zingt de Internationale. Overal schreeuwt men: “Leve de republiek”, “Eyskens, je zult ons niet klein krijgen”, “Mars op Brussel”. Een delegatie van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie wordt ontvangen door Gaston Eyskens, aan wie een brief wordt overhandigd waarin onder meer staat: “Het is fout te zeggen dat dit politieke stakingen zijn: het zijn stakingen van arbeiders, zowel van de openbare als van de private sector, die vechten voor hun rechten. De stakingen brengen de democratische instellingen niet in gevaar.” Na de ontmoeting met de eerste minister, geeft de socialistische afgevaardigde Hervé Brouhon de volgende commentaar: “De eerste minister heeft zich bereid verklaard met iedereen te discussiëren. We hebben zijn aandacht erop gevestigd dat wij geen mandaat hebben om te praten over problemen met een nationaal karakter. We hebben hem erop gewezen dat we niet denken dat zijn voorstellen van aard zijn de arbeiders tot bedaren te brengen.” Woorden die goed worden belicht door het korte commentaar van G. Eyskens zelf: “Aan weerskanten zijn we ervan overtuigd dat er zaken zijn die we moeten vermijden.” (Le Peuple, 3 januari 1961). Met die wederzijdse overeenstemming wordt duidelijk dat er een verbond is tussen Eyskens, de afgevaardigde van de burgerij, en de leiders van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie om de weg naar een socialistische revolutie af te sluiten. Leo Collard, voorzitter van de BSP en van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie, verklaart in een persconferentie aan buitenlandse journalisten dat de socialisten “bereid zijn een oplossing te zoeken” met de regering. Op dezelfde conferentie legt André Renard uit dat het vanuit een geest van compromis met de Vlaamse leiders van het ABVV is dat ook hij weigert de term “algemene staking” te gebruiken. Aan het slot van deze uitermate strijdbare dag is het gemor onder de stakers nog toegenomen. In weerwil van het feit dat de rijkswacht de repressie opdrijft met arrestaties, controles en huiszoekingen, blijft de strijdbaarheid van de arbeidersklasse de voornaamste zorg van de burgerij en de regering uitmaken. Die vragen zich af welke uitkomst dit conflict zal hebben. Op die dag heeft het ABVV-Antwerpen wel het ordewoord van de regionale algemene staking moeten lanceren. Op verschillende plaatsen in Charleroi telt men een totaal aantal van 20.000 betogers. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 99 In Lodelinsart is het R. Moreau, adjunct nationaal secretaris van het ABVV, die aan het hoofd van de betoging loopt. Achter de vlag van de vakbond van de glasarbeiders betogen meer dan 2000 stakers. Lievin Dufrasne, voorzitter van de glasvakbond, bevindt zich onder de betogers. De SJW is samen met andere glasarbeiders aanwezig op deze betoging die vertrekt vanuit de buurt van de glasfabrieken om in het vakbondslokaal te eindigen, waar R. Moreau ingaat op de situatie van de algemene staking die nog steeds in volle gang is. Het station van Charleroi is bezet door militairen en de rijkswacht. De jeeps van de rijkswacht staan permanent, dag en nacht, voor het station geparkeerd. Het station van Luttre wordt bezet door de para’s en de rijkswacht is op voet van oorlog geplaatst. Onder de brug Leonard is zelfs een machinegeweer geplaatst. Alle bezettingen van de stations in het land door het leger en de rijkswacht, tonen de graad van ongerustheid bij de burgerij en de regering, die een spontane mars of Brussel vrezen en daarom het belangrijkste transportmiddel naar de hoofdstad op voorhand willen blokkeren. Zelfs de luchthavens worden bezet door paracommando’s. In Anleur en Roux bieden de stakersvrouwen soep aan de soldaten die de stations moesten bewaken aan. De scheepswerf van Hoboken is volledig verlamd. In Antwerpen heeft de staking zich uitgebreid naar twee elektriciteitscentrales. In Dendermonde wordt een schoenfabriek gesloten. In Eisden wordt de enige mijn gesloten. In Brugge zijn alle metaalbedrijven in staking. Beroofd van hun bussen heeft het personeel van twee grote bedrijven het werk neergelegd. De voedingswinkels zijn er enkel open van 14 tot 17u. In Leuven is de elektriciteitsfabriek in staking. Louis Major zet de situatie van de algemene staking in Vlaanderen uiteen en kondigt aan dat de christelijke vakbondscentrales het ABVV vervoegd hebben. Dat is het geval in Mechelen en Dendermonde, waar 80% van het personeel van de twee fabrieken in staking is gegaan. In Aalst hebben alle personeelsleden van de twee grote fabrieken eveneens het werk neergelegd. Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV, samengekomen onder voorzitterschap van André Renard, neemt het volgende communiqué aan: “Het comité begroet de nieuwe werkonderbrekingen in talrijke regio’s van het Vlaamse land en Brussel”. (Le Journal de Charleroi, 29 december 160). In de regio van Namen breekt in de loop van de nacht een incident uit dat veel zegt over de geestesgesteldheid van de repressiemacht. Voor de lokalen van het katholieke dagblad hoort men een rijkswachter het volgende roepen naar de stakers: “Als we willen, doen we het als in Grâce Berleur”. Daar werden drie stakers van het leven beroofd. De nervositeit begint tot bij de meest gematigde stakers te doordringen. In Herstal wordt een bedrijf door verschillende honderden stakers met stenen bekogeld om er het werken te verhinderen. In Luik ziet een slager die open is buiten de openingsuren zijn vensters ingegooid. Driehonderd treinarbeiders trekken spontaan, de Marseillaise zingend, in een optocht naar het Guilleminsplein. In die dagen van uitbreiding van de algemene staking, bestaat het enige antwoord van de regering 100 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 uit politierepressie. Dat is onder meer het geval in Gent waar talrijke betogers gewond zijn geraakt in een vreedzame betoging. De rijkswacht is er overgegaan tot provocatie, met zelfs een belegering van het syndicale lokaal ‘Ons Huis’. Een persbericht van de Belgische metaalarbeiderscentrale onderstreept het volgende: “De staking is totaal in de Waalse regio’s, er is een aanzienlijke uitbreiding in de metaalnijverheid in Oost-Vlaanderen. Het resultaat is dat zowat alle metaalarbeiders van het land in staking zijn”. (Le Journal de Charleroi, 29 december 1960) Vrijdag 30 december De jonge arbeiders in de strijd Er zijn steeds meer betogingen van stakende arbeiders. Er heerst een koortsachtige sfeer onder de 45.000 betogers in Charleroi, de 10.000 in Bergen en Verviers, de 8.000 in Jemeppe en Brussel. De stakingspiketten worden nog actiever en overal zien we een verharding van de strijdbaarheid van de arbeiders. Incidenten, geweld en sabotagedaden zijn aan de orde van de dag in alle regio’s waar de algemene staking compleet is. In Brussel zijn er bloedige incidenten. François Vandertrappen (geboren in 1930), een werkloze arbeider die niet betoogde, werd gedood door een kogel van vlakbij afgevuurd door een jonge provocateur die het excuus gebruikt dat hij een rijkswachter wilde beschermen. Dat gebeurde na afloop van een spontane betoging voor Sabena. Men moet ook 10 gewonden betreuren, waarvan één zwaargewond. De grote vraag blijft vandaag nog overeind: waarom was deze jonge passant gewapend naar de betoging gekomen? De beroepsrechtbank van Brussel heeft hem vrijgesproken. Dit dramatische nieuws versterkt de woede en de opstandigheid van de arbeiders nog meer. Voor de betoging had de socialistische afgevaardigde Brouhon het woord genomen in het Volkshuis. Hij is uitgejouwd toen hij bekend maakte dat de Brusselse Gemeenschappelijke Socialistische Actie in Brussel had besloten om geen betogingen meer te organiseren voor woensdag 4 januari. Het dagblad Le Soir van 1 januari rapporteert: “Brouhon vraagt de stakers de kalmte te bewaren om niet in de kaart van de provocateurs te spelen.” We zijn volgens Le Peuple met 45.000 stakers verenigd in Charleroi op het gemeenteplein van het laag gelegen gedeelte van de stad. De arbeiders zingen de Marseillaise. Waarom de Marseillaise? Omdat het refrein van dit revolutionaire lied zegt: “Grijp naar de wapens, burgers, en vorm jullie bataljons”. De massa van de stakers kent dit van buiten en drukt zo op de duidelijkste manier mogelijk haar wil uit om de burgerlijke staat te confronteren met de wapens in de hand. De s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 101 arbeiders scanderen ook “Leve de Republiek” en de overweldigende arbeidersmassa eist verschillende malen de “Mars of Brussel”. Het is die slogan die overgenomen wordt door de betogers in Luik en Verviers. Een betoger, Roger Delhaxhe, hangt het portret van Gaston Eyskens aan een paal en steekt het in brand. Arthur Gailly neemt het woord op de meeting van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie waaraan 45.000 stakers deelnemen. Hij zegt onder andere: “Kameraden, er is maar één patronaat, er is maar één Société Générale, er moet slechts één arbeidersklasse zijn.” Het was jaren geleden dat Charleroi nog een massaconcentratie van zo’n omvang had gezien. Voor de jonge arbeiders, de SJW’ers van de regio inbegrepen, was het de eerste dergelijke grote betoging waaraan ze deelnemen. Met een indrukwekkende kracht scanderen de stakers “naar Brussel”, de slogan die een rode lijn van deze actiedag vormt. Arthur Gailly herinnert eraan dat “600.000 à 700.000 stakers het werk hebben neergelegd in het land. In 1950 is het van deze plaats dat het ordewoord voor de algemene staking kwam”. De Antwerpse socialist Jos Van Eynde antwoordt de menigte die zonder stoppen “naar Brussel, naar Brussel” scandeert: “Ik ben hier gekomen om mijn kameraden van Charleroi toe te spreken en mijn vrienden te begroeten die naar hier zijn gekomen om hun inkomen te verdienen met hun werk. Geloof vooral niet dat alles kalm is in het noorden van het land, zoals de regering het zo vaak zegt. Dezelfde massa arbeiders die ik hier verenigd zie, was gisteren in Antwerpen. Jullie hoogovens zijn stilgelegd. Onze grote haven van Antwerpen ook en dat zal zolang zo blijven als het moet”. De menigte stopt tijdens zijn toespraak niet met het scanderen van “naar Brussel, naar Brussel!”. Jos Van Eynde sluit af als volgt: “Indien op een dag deze mars op de hoofdstad beslist is, zullen de Vlaamse en Waalse arbeiders broederlijk en verenigd betogen voor hetzelfde doel dat waarachtig is.” (Journal de Charleroi, 31 december 1960 – 1 januari 1961). Overal worden schermutselingen tussen rijkwacht en stakers gesignaleerd. De ordekrachten zaaien overal waar ze voorbijkomen wanorde en op de stakerspiketten wordt er geknokt. De algemene staking wint nog terrein, zo roepen de ABVV-Gewesten van Ronse, Aalst en Turnhout de algemene staking uit. De repressie neemt nog in kracht toe, de actie van de rijkswacht wordt gewelddadiger, maar de druk van de arbeiders op hun leiders wordt ook steeds sterker. Deze laatsten hebben er genoeg van en hebben steeds meer moeite om de betogingen te leiden die meer geweld kennen dan de dagen voordien. In Brussel weigeren de leiders gecentraliseerde betogingen te organiseren, de betogers draaien in het rond en komen terug op hun passen, ze schreeuwen anti-regeringsslogans, de stakers eisen ook “dinsdag naar het parlement” en “Mars op Brussel”. Op verschillende momenten kruisen groepen stakers elkaar. Voor het Centraal Station wordt een belangrijke ordedienst voorzien door de rijkswacht, 102 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 die haar best doet om de betogers de toegang te verbieden tot de gebouwen van Sabena, het favoriete doelwit van de stakers omwille van de repressieve houding van de directie. De rijkswacht slaagt er niet in. Er worden stenen gelanceerd in de richting van de vensters die al snel breken. De rijkswacht zet haar waterkanon in, maar de massa van stakers trekt zich desondanks niet terug. Daarop volgt een tweede waterkanon. Een ander detachement chargeert nu met de blote sabel. Naar aanleiding van deze confrontaties geeft de krant La Cité het volgende commentaar: “Hoe heeft deze betoging, die in het begin minder gewelddadig was dan die van de vorige dagen, zo kunnen degenereren? De optocht, samengesteld uit duizenden stakers, had feitelijk geen leiding; de mars doorheen de stad werd georganiseerd tegen de wil in van de socialistische leiders, op de oproep van enkele aanstokers.” We moeten in alle objectiviteit wijzen op de voorhoederol die in Brussel, Luik en Charleroi gespeeld wordt door jonge arbeiders die politiek georganiseerd waren in de Socialistische Jonge Wacht. De SJW is bijna de enige kracht die geprobeerd heeft een gecoördineerde nationale actie op te zetten, het was de enige organisatie die de werkelijke betekenis begreep van de strijd die zich ontwikkelde in deze dagen van de algemene staking van de winter van 1960-’61 en die heeft geprobeerd jonge arbeiders mee te voeren voorbij de grenzen die de arbeidersleidingen hadden vastgelegd. We moeten het werk van de SJW eren, er waren dagelijkse vergaderingen om beslissingen te nemen en eisen te bespreken. Jammer genoeg maken de zwakheid en de omkadering van de SJW het hen onmogelijk de leiding van de betogingen te nemen. Desalniettemin heeft de SJW van Charleroi nog andere initiatieven tot actie genomen, ik kom daarop terug in de volgende pagina’s. In La Gauche van 25 januari 1961 zien we in welke termen Gilbert Clajot, nationaal secretaris van de SJW, de activiteit van deze jongeren beschrijft: “Deze jongeren waren voor de staking doorgaans zelden georganiseerd. Lid van de vakbond, ja. In de loop van de stakingen ondervonden ze de nood om zich onder jongeren te groeperen. Vandaar enerzijds een zekere hergroepering rond de strijdbare jongerenorganisaties. Afhankelijk van de regio en het moment: SJW, Jong-Kommunisten, vakbondsjongeren. Anderzijds zien we een hergroepering volgens beroepen en regio’s… We zien in sommige regio’s actiecomités van jonge stakers opduiken. De jongeren verplaatsen zich gemakkelijk van de ene regio naar de andere: jonge metallo’s van Wallonië proberen contacten te leggen met jonge metallo’s in Brussel. Zij waren bij de eersten en de meest vurigen om de strijd met de rijkswacht aan te gaan met de wapens die ze vonden. In Luik en Brussel, in Charleroi en Antwerpen, hebben we regelmatig gezien hoe de chargerende rijkswachter zelf aangevallen werden door jonge arbeiders, gewapend met emmers en stokken, met straatstenen en palen, tegen een supers e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 103 bewapende politie. Hoeveel keer hebben we hen waterkanonnen zien aanvallen! Op enkele dagen toonden ze welke potentiële kracht de arbeidersbeweging bezit.” We moeten ook opmerken dat de SJW nationaal zeker niet over de capaciteit, de organisatorische kracht noch over de politieke autoriteit beschikte om andere initiatieven te nemen dan die occasioneel in de verschillende acties genomen werden. Maar deze kleine organisatie heeft gedaan wat ze moest doen en moet zeker niet blozen omwille van haar betrokkenheid in de algemene staking van ’61-’61, wel integendeel. Gezien het gemis aan ordewoorden voor de actie van de syndicale en de politieke leidingen, nemen de stakers steeds meer initiatieven voor spontane actie. In Jumet wordt een tram, bestuurd door een stakingsbreker van de ACV, verhinderd te rijden. Wanneer de chauffeur probeert zijn rit voort te zetten, worden de ramen van de tram met straatstenen ingegooid. In Charleroi, tegenover De Post, doet een jeep van de rijkswacht alsof het op het piket zal inrijden, maar stopt dan. Een staker is lichtgewond, net als een rijkswachter in de schermutseling die daarop volgde. In Binche zijn er 15.000 betogers tegen de Eenheidswet. In Antwerpen zijn er 20.000 betogers, van winkels die open zijn worden de ramen ingegooid. Stakers proberen zelfs het station binnen te dringen, het station wordt bewaakt door de ordetroepen. In Charleroi hebben enkele trams de stelplaats verlaten, de trams vervoeren de vrouwen van de rijkswachters die hen escorteren. In Namen chargeren de rijkswachters, waarbij een staker gewond raakt door kolfslagen op zijn hoofd. Op de grond gegooid, wordt hij bedolven onder de slagen die met een ongeziene brutaliteit worden toegebracht vooraleer hij samen met twee andere stakers wordt gearresteerd. In Leuven, Sint-Niklaas, Lokeren, Temse, Kortrijk gaat de staking verder. In Menen worden 10 stakers gearresteerd. In Deerlijk wordt een stakerspiket gearresteerd. In Ronse zijn 46 bedrijven lamgelegd. In Mechelen verzamelt een betoging 25.000 mensen. De rijkswacht maakt er gebruik van traangasgranaten. Op die dag “zijn er volgens de rijkswacht 270 sabotagedaden: 82 in Henegouwen, 60 in de provincie Luik, 30 in het Brabantse, 25 in de provincie Namen, 25 in Oost-Vlaanderen, 16 in West-Vlaanderen, 13 in Limburg, 12 in de provincie Antwerpen en 7 in de provincie Luxemburg. Ze brengen 208 arrestaties teweeg”. (‘La Révolution Wallonne’, J. Coppé, p.134). Zaterdag 31 december De algemene staking legt zich op in Vlaanderen Zoals we al hebben vastgesteld, ontwikkelt de situatie slechts weinig op het front van de algemene staking. Maar de vastberadenheid van de stakers neemt niet af. De leiders van het ABVV willen de beweging steeds meer in eigen handen nemen; ze leggen zich op bij gebrek aan perspectief voor de staking, ze weigeren de 104 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 ordewoorden te geven waar de stakers om roepen, ze weigeren de situatie buiten het burgerlijke kader te laten treden. Het ABVV gebruikt zelfs het voorwendsel moeilijkheden te ondervinden om stakersvergoedingen te betalen. In Namen betogen groepen stakers voor het gebouw van het ABVV, ontevreden omdat ze niet betaald werden. Deze zaterdag zijn er nog betogingen in de regio van de Borinage, in Luik en in Brussel. De nervositeit onder de stakers is groot. Ze wachten op ordewoorden waarmee ze in staat zijn de confrontatie met de regering en de burgerlijke staat aan te gaan. Er moet overgegaan worden naar een ander stadium dan dat van steeds weer grote betogingen die, elke keer opnieuw, aantonen dat de arbeiders klaar zijn voor de revolutionaire confrontatie, maar die steeds zonder resultaat eindigen. Tegenover het opstandige karakter van de algemene staking laat het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV gaandeweg de Vlaamse arbeiders in de steek. Ze laten hen over aan hun eigen moeilijkheden, daar waar de druk van de clerus en van de burgerlijke staat enorm zijn. Het Waalse ABVV legt de nadruk op het Waalse karakter van de algemene staking. Daarbij wordt totaal voorbijgegaan aan het feit dat de algemene stakingsbeweging ook in Vlaanderen effectief is. De vergadering van het comité markeert op deze zaterdag 31 december een keerpunt in het front van de algemene staking en deze tendens zal zich in de loop van de komende dagen verder verscherpen. Deze zaterdag treft het Waalse ABVV haar maatregelen en onderstreept tevreden dat de beweging die zich hoofdzakelijk in Wallonië afspeelt “op schitterende wijze aansluiting vindt met de revolutionaire tradities van de socialistische arbeidersbeweging van de glorierijke jaren van het einde van de vorige eeuw.” Enerzijds is het effectief waar dat deze algemene staking op schitterend wijze aansluit bij de revolutionaire tradities van de Belgische arbeidersbeweging. Anderzijds is het totaal fout te doen alsof de beweging zich essentieel in Wallonië afspeelt. Men moet zich bijna afvragen of de syndicale leiders die in het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV zetelen de socialistische pers lezen of zelfs de rechtse pers die regelmatig verslagen van acties publiceert, van betogingen, van vechtpartijen met de rijkswacht, agressies van de lokale vakbonden, arrestaties van stakers, politieprovocaties… zowel in Vlaanderen als in Wallonië. De waarheid negeren om de weigering te rechtvaardigen om revolutionaire strijdmethoden toe te passen, die geëist worden door de arbeiders in strijd, is altijd de handelswijze van de rechtse en linkse reformisten geweest. Enkel naïevelingen verwachten iets anders vanwege de reformisten. De stakers in zowel Vlaanderen als Brussel en Wallonië willen harde actie. De Rode Vaan, het centrale orgaan van de KPB, geeft een verslag van een algemene vergadering van stakers in Luik en schrijft: “Een zekere nervositeit heerst in de algemene vergadering. De stakers tonen dat ze willen dat het bureau meer precieze ordewoorden geeft voor de voortzetting van de strijd.” En in Herstal “heeft de voorzitter Servais Thomas zeer slecht s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 105 nieuws gecommuniceerd op de vergadering: een dode en gewonden onder de betogers in Brussel.” Onmiddellijk worden overal in de zaal kreten van woede geschreeuwd, de vergadering wordt woelig en men schreeuwt: “de troepen zijn hier, het zijn generaals die we nodig hebben”, “Mars op Brussel”, “Mars op Luik”. In ieder geval zijn de arbeiders aan de basis in Wallonië en Brussel zich door de informatie die ze ontvangen bewust van de verschillende massa-acties die zich afspelen in Vlaanderen. Ze weten dat de Vlaamse arbeiders even moedig strijden als de arbeiders van de andere regio’s in deze harde algemene staking, soms zelfs met meer moed. Overal schreeuwen de arbeiders, met het scherpe bewustzijn van het stadium dat eraan komt, “Naar Brussel”. Het ordewoord van een mars op Brussel is zeer populair bij de stakers, veel van hen herinneren de mars die in 1950 tijdens de Koningskwestie werd georganiseerd. De arbeiders begrijpen dat ze op dat moment ook beduveld werden door de socialistische leiders. Ze begonnen te marcheren op Brussel tegen de kroon; de socialistische leiders hadden hen aangespoord terug naar huis te gaan: “Leopold is afgetreden”. Boudewijn werd ingehuldigd met de zegen van de BSP… De arbeiders leerden uit deze ervaring en besloten niet toe te geven, maar tot het bittere eind door te gaan. De mars op Brussel gaat niet enkel om het opleggen van de republiek, het is ook de uitdrukking van de elementaire nood van de arbeiders in strijd om in de hoofdstad de confrontatie aan te gaan met de regering-Eyskens en de burgerlijke staat. Indien de bureaucraten de mars op Brussel weigeren te organiseren, is dat omdat ze zeer goed begrijpen dat dit ordewoord de rechtstreekse revolutionaire confrontatie van de arbeidersmassa’s met de burgerlijke staat betekent, iets waar ze boven alles bang van zijn. Zondag 1 januari 1961 Bewust van het gevaar, concentreert de regering op 1 januari troepen en machinegeweren op de weg van Bergen naar Brussel. Ze weet dat de leiders van de arbeidersbeweging niet van plan zijn de mars op Brussel te organiseren, maar ze wil toch geen risico’s nemen. Onder de grote druk van de algemene staking radicaliseren bepaalde fracties van het ABVV-apparaat hun discours. Zo decreteert de Metaalcentrale, een centrale met een ‘linkse’ reputatie, na 14 dagen algemene staking een “nationale algemene staking” op 3 januari 1961 en dat na een“inventaris van de bestaande situatie in de metaalnijverheid”. Andere leiders van de BSP gooien al hun gewicht in de strijd om de algemene staking binnen de perken van de kapitalistische orde te houden. Le Peuple van 2 januari laat geen enkele twijfel bestaan, ze herinnert de burgerij dat in Wallonië 106 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “de immense oppositiebeweging, die in oorsprong enkel eisen stelde op het economische en sociale plan, zich onder druk van de omstandigheden in een politieke en tegelijk ook passionele richting oriënteert.” Dezelfde krant signaleert ook dat de repressiekrachten bewijs leveren van steeds meer brutaliteit tegenover de arbeiders en ze weten de stakers geen andere raad te geven dan “ten allen koste hun kalmte en koelbloedigheid te bewaren, want de stakers zijn op de goede weg. Het zijn enkel de reactionairen die baat hebben bij ondoordachte handelingen die hen in de gelegenheid stellen om de beweging met geweld te bedwingen. De stakers moeten provocateurs wantrouwen.” Op zaterdag 31 december geeft J. Bracops, socialistisch afgevaardigde in Brussel, een interview aan het liberale dagblad La Dernière Heure. Hij schrikt er niet voor terug aan de reactionaire pers te verklaren dat “deze staking alles voorbijsteekt dat voorzien was. Dag na dag wordt de situatie meer kritiek. Ik heb angst voor de toekomst. De regering heeft misschien gehoopt op vermoeidheid bij de betogers na twee feestdagen in staking, maar het ongenoegen is zo dat ik niet in die vermoeidheid geloof. Ik plaats mijn laatste hoop op een oplossing die dinsdag bij de hervatting van de Kamer zou kunnen komen. Wat de gebeurtenissen van gisteren betreft, zijn ze buitengewoon betreurenswaardig: deze betoging was op geen enkele manier gewild door de leiders van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie.” Het weekend van oudejaarsavond had op geen enkele manier de strijdwil van de stakers afgestompt. De algemene staking breidt zich nog steeds uit. Enkele burgerlijke leiders zijn zich perfect bewust van het gevaar dat in de situatie besloten ligt. Hoewel de regering beslist is om zich koste wat het kost te verzetten tegen de staking en ze te onderdrukken, of misschien wel juist daarom, vreest ze de revolutionaire explosie en de rechtstreekse confrontatie tussen haar krachten en die van het proletariaat. In deze fase van de strijd tonen de compromissen die geschetst worden door de vertegenwoordigers van meer verlichte fracties van de burgerij de ernst van de dreiging die van de arbeidersklasse uitgaat tegenover het burgerlijke staatsapparaat. De burgerij geeft meer krediet aan de wil van de stakers dan aan de wil van hun eigen leiders. Ze weten dat de mars op Brussel hen zal dwingen toe te geven. Het is in dit kader dat het dagblad La Libre Belgique, die nochtans steeds de regering heeft aangespoord stand te houden, het volgende schrijft: “Binnen bepaalde kringen is het idee gelanceerd om snel een einde aan deze verwarde situatie te maken door de ontbinding van het parlement en binnen de veertig dagen beroep te doen op het kiezerskorps. Gezien de Eenheidswet de enige aanleiding van de stakers is, kunnen die op die manier niets anders dan ontwapenen.” s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 107 De burgerij in het bijzonder, maar ook de reformistische en stalinistische leiders, zijn er zich van bewust dat met de eis voor een mars op Brussel een gevaarlijk klimaat kan ontstaan dat leidt tot een strijd op leven en dood tussen de verschillende klassen eens de arbeiders effectief de mars aanvatten. Maandag 2 januari Talrijke nerveuse betogingen vinden plaats in het land. Een sabotagedaad wordt gepleegd in Gouy-les-Piétons, een elektriciteitsmast wordt gedynamiteerd. In Brussel is er een spontane betoging naar aanleiding van de dood van François Vandertrappen. Op een aantal muren in de hoofdstad staat “de 3e naar het parlement” gekalkt. De betogers gaan naar Sabena, de stakers doorbreken het rijkswachtcordon en gooien opnieuw de ruiten in. De waterkanonnen worden ingezet. In Charleroi worden na de betoging 14 stakers gearresteerd. In Vlaanderen zien we die maandag een uitbreiding van de algemene staking, vooral in de privésector en in het bijzonder in Mechelen, Rupel, Sint-Niklaas en Diksmuide. De rechtervleugel van het ABVV is niet in de mogelijkheid de spontane stakingsbeweging in Vlaanderen te stoppen. Zoals Louis Major het op 22 december in de Kamer zei: “Vandaag kan niemand de beweging stoppen.” (Parlementaire stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, donderdag 22 december, p.7). Deze maandag is een dag van overdenking voor de arbeiders die zich veel vragen stellen. Ze wachten, zonder succes en gedurende meerdere dagen, op andere ordewoorden dan gewoon de hele dag betogen, ordewoorden die er niet komen. Er zijn nog 10.000 stakers die betogen in Bracquegnies. De sociaaldemocraten van de BSP doen een oproep naar de koning. Dit is wat Le Peuple vandaag afdrukt: “De syndicale en patronale middens, net als de politieke partijen, moeten garanties krijgen over de manier waarop het staatshoofd, in onwetendheid gehouden tot zijn terugkeer, geïnformeerd werd over de reële situatie door de ministers die er alles aan doen om voor het land de elementaire waarheid over de gevaarlijke crisis die het doorgaat te verbergen.” Zoals gewoonlijk volgt de KPB haar grote broer van de BSP en ‘De Rode Vaan’ geeft het volgende commentaar: “Het is inderdaad tijd dat het staatshoofd zich exact op de hoogte stelt van de situatie en dat hij een einde maakt, zo snel mogelijk, aan de rampzalige activiteit van de regering Eyskens.” Als antwoord op deze wanhopige oproepen aan de koning schreeuwen de arbeiders in Bergen, Charleroi en Luik: “Leve de republiek!”. Tegenover de gevaren van de algemene stakingsbeweging, die nog steeds het land verlamt en die uiteindelijk aan de controle van de reformistische apparaten 108 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 dreigt te ontsnappen, beslist de BSP een eis te introduceren die realiseerbaar is op lange termijn. Zo komen de Waalse federaties van de BSP samen in Namen om een nieuwe eis in het conflict te brengen: het federalisme. De doelstellingen van de algemene staking evolueren. De ABVV-leiding heeft het nog steeds over de intrekking van de Eenheidswet. Maar de leiding geeft enkel ordewoorden om te betogen voor de intrekking van de Eenheidswet waarbij op de betogingen vooral wordt opgeroepen tot “kalmte, orde en discipline”. Het ordewoord van een mars op Brussel wordt volledig genegeerd door het apparaat. Ook het Waalse ABVV legt deze eis die sterk leeft onder de stakers volledig naast zich neer. De regering stuurt intussen extra troepen naar Brussel, zij is wel bang voor een mars op Brussel. Le Peuple informeert dat de onderwijzeressen van Gilly zich ter beschikking van het lokale stakingscomité hebben gesteld. Sinds het begin van de staking zien we frequent dergelijke ontwikkelingen. De leerkrachten en intellectuelen aarzelen niet om zich onder de arbeiders te mengen en bij te dragen aan dagelijkse taken in de organisatie van de algemene staking, net als iedereen. Algemeen gezien toont dit de immense steun die de algemene staking onder het geheel van de bevolking genoot. De meest merkwaardige vaststelling in die dagen is de wijze waarop de meest gepolitiseerde lagen van de middenklassen de algemene stakingsbeweging steunen. De kleinburgerij begrijpt zeer goed dat de Eenheidswet hen ook raakt. We halen aan wat de Echo de la Bourse van 1 januari 1961 schrijft: “Vreemde financiële schikkingen die door niets gerechtvaardigd zijn, behalve – bij hun inspiratoren – de wens om de eerste stappen te zetten voor het invoeren van een gruwelijke fiscaliteit, die in België zal leiden tot het inkrimpen van de middenklasse en het verdwijnen van de zelfstandigen.” Bij de kleinburgerij zijn er velen die begrijpen dat ze zich, om te overleven, moeten scharen aan de kant van het proletariaat dat hun gemeenschappelijke vijand bestrijdt en dat enkel het proletariaat in staat is die vijand te weerstaan. Kleine handelaars, ambachtslieden, caféhouders, bakkers, kleine renteniers, al die categorieën toonden zich gedisciplineerd en respectvol tegenover de raad van de stakerscomités. Op vergaderingen van de stakerscomités waren er soms vertegenwoordigers van de zelfstandigen aanwezig. Deze steun vanwege de kleinburgerij in de steden is zeer belangrijk voor het uiteindelijke succes van de beweging. De syndicale en politieke organisaties verbergen de ware klassennatuur van deze alliantie achter een democratische fraseologie. Voor hen is de algemene staking niet de alliantie van het proletariaat en de kleinburgerij tegen het grootkapitaal, maar het opstaan van de ‘bevolking’ tegen de Eenheidswet en tegen de regering Eyskens. De hoop van de reformistische arbeidersleidingen gaat uit naar een oplossing van het conflict via parlementaire weg in een alliantie met de christen-democratie. Deze bureaucraten veinzen onwetendheid over de harde noodzaken van de klassenstrijd. Het gehoor dat de algemene staking in de s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 109 rest van de bevolking heeft, toont de mogelijkheden die aan het proletariaat in strijd worden aangeboden om haar uiteindelijke doelstelling te realiseren. Het historische doel van de Belgische algemene staking is een doodsteek toebrengen aan de burgerlijke instellingen en aan het kapitalistische systeem. Dat is de reële betekenis van de wil om te marcheren op Brussel, die steeds opnieuw spontaan door de arbeiders werd beaamd. Het doel van de reformistische en stalinistische leiders is echter niet om een aanval op de grote burgerij van de banken en de monopolies in te zetten, noch op de eerste minister Eyskens. Het gaat er hen integendeel om Eyskens persoonlijk aan te vallen, hem te beschuldigen van koppig te zijn en de “democratie” niet te respecteren om zo te vermijden dat de slagen van de arbeiders zich richten op de burgerij als klasse. Hun doel is de omverwerping van Eyskens via parlementaire weg. Deze tactiek van de arbeidersleidingen vindt een trouwe uitdrukking in het januarinummer van het ‘socialistische ‘ theoretische magazine van de BSP, waarin René Evalenko de redenen van het succes van 1950 tegenover die voor het mislukken van 1960 schetst: “Een tweede factor is dat in 1950 de socialisten een steunpunt gevonden hadden in de liberale burgerij… Vandaag is dat niet het geval want de actie van de arbeiders had duidelijk het karakter van de klassenstrijd aangenomen.” Alsof het in 1950, met het begin van de organisatie van de mars op Brussel, niet om klassenstrijd ging! Op dat ogenblik had de stakingsbeweging al een grote aantrekkingskracht op de liberale kleinburgerij en dit werd bevestigd in de algemene staking van 1960-61 met, zoals we zagen, een steun onder de zelfstandigen en de middenklasse in de steden. Als we de teksten van de BSP lezen, dan moeten we vaststellen dat niet enkel de rechtse media leugenachtige informatie naar voor bracht. Ook bepaalde linkse intellectuelen willen de alliantie tussen de kleinburgerij en de arbeidersklasse verbergen en negeren. Dinsdag 3 januari André Renard spreekt zich uit tegen de Mars op Brussel De krant ‘Journal de Charleroi’ titelt op 3 januari 1961: “De staking heeft zich nog verder uitgebreid naar bepaalde Vlaamse regio’s.” Met deze uitbreiding van de algemene staking in Vlaanderen wilden de Vlaamse arbeiders hun afkeuring voor de regionalistische ideeën van Renard en de BSP tonen. De gouverneur van Henegouwen verbiedt het gebruik van luidsprekers op de openbare weg. Maar de auto’s van de arbeidersorganisaties die waren uitgerust met luidsprekers werden niet gestoord terwijl ze de volgende boodschap verspreiden: “Een enkel ordewoord 110 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 in de actie: kalmte en waardigheid.” Dat irriteert de stakers. In de regio Centre, waar een groot piket de straat had opgebroken, huurt de rijkswacht een bulldozer in om tevergeefs te proberen het verkeer opnieuw op gang te krijgen. Op dinsdag 3 januari herneemt de Kamer zijn werk, de afgevaardigden moeten zich verder buigen over de Eenheidswet. Op dat moment, op de vijftiende dag van de algemene staking, vinden belangrijke en succesvolle massamanifestaties plaats in alle regio’s van het land. Le Peuple titelt: “200.000 betogers zijn de straat opgetrokken”. Er zijn betogingen in Antwerpen, waar het nogmaals tot gewelddadige incidenten komt tussen de stakers en de rijkwacht die op provocatie uit is, in Gent, Geraardsbergen, Brugge, Ninove, Doornik, Nijvel, Namen, Waremme, Bergen, waar de lokalen van een christelijke krant geplunderd worden, in Brussel, Charleroi en in de hele Luikse regio. De incidenten in Antwerpen veroorzaken een twintigtal gewonden. De kranten, zoals Le Soir, zijn unaniem in hun vaststelling dat “de betogers duidelijk talrijker zijn dan de voorgaande dagen”. Het is voor iedereen duidelijk dat de omvang van de beweging aan de socialistische leiders geen enkele mogelijkheid om tot een compromis te komen laat. Tijdens deze betogingen breken op verschillende plaatsen vechtpartijen uit, vooral tussen groepen jonge betogers en de rijkswacht te paard, die opnieuw met de blote sabel chargeert op de stakers en daarbij talrijke gewonden maakt. Ondertussen hebben de socialistische en communistische parlementairen geen enkele intentie om buiten het parlementaire kader te treden. Het parlement moet ook voor de Waalse afgevaardigden een reddingsboei vormen voor het geval de situatie nog meer polariseert. Er zijn geruchten dat Louis Major, de algemeen secretaris van het ABVV en parlementslid van de BSP, contact zou hebben opgenomen met de leiders van het ACV om een basis voor onderhandelingen te vinden. Major ontkent de geruchten. In de Luikse regio is er een enthousiast antwoord van de stakers op de oproep om te betogen. Maar de leiders hebben er voor gezorgd dat in verspreide slagorde wordt opgetrokken: 10.000 betogers in Luik, 800 in Herstal, 15.000 in Ivos-Ramet, 8.000 in Grivegnée, 3.000 in Fléron, 5.000 in Grâce-Berleur, 1.000 in Nessonvaux, 3.000 in Comblain, 5.000 in Waremme. Er zijn meer dan 50.000 betogers in de regio. André Renard spreekt op verschillende plaatsen. In zijn toespraak in Ivos-Ramet zegt hij dat hij de eis van een mars op Brussel overal ziet opduiken. Hij verzet zich radicaal tegen die eis en gooit zijn volledige gewicht in de schaal. Renard: “Naar Brussel, en dan? We moeten goed weten dat er bepaalde middelen zijn die we geen twee keer kunnen gebruiken.” In Grivegnée preciseert hij: “We gaan niet naar Brussel. We willen geen doden op de wegen. De laatste keer waren we met 40.000 om naar Brussel te marcheren. Als we nu met minder dan 50.000 zouden zijn, is het een mislukking.” s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 111 In Ivos-Ramet neemt Renard tegelijk een duidelijke positie in voor de eis van federalisme. Volgens Le Soir van 4 januari 1961 stelt Renard: “Het Waalse volk is rijp voor de veldslag. We willen niet langer dat de Vlaamse klerikalen ons de wet opleggen. Het socialistische kiezerskorps vertegenwoordigt 60% van de kiezers in Wallonië. Als morgen het federalisme ingevoerd wordt, zouden we een regering van en voor het volk kunnen hebben. Men wil de Walen straffen omdat ze socialisten zijn.” Omdat het nodig is zijn imago te verzorgen, omdat hij zich ferm moet tonen om de stakers niet totaal te ontgoochelen, radicaliseert Renard dus zijn discours en zegt (nog steeds volgens Le Soir): “Jullie hebben tot nu toe nog geen enkel teken van gelatenheid getoond, maar het moment is gekomen om nog meer te doen. We hebben eraan gedacht het ultieme wapen te gebruiken en om dat te doen hebben we al onze verantwoordelijkheden genomen. Ik kondig jullie aan dat het stakingscomité beslist heeft tot de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten (zinderende ovaties). We zijn ons ervan bewust wat dat betekent, maar we willen het. Het order ervoor zal komen op het gepaste moment. We zullen niet aanvaarden dat we op onze knieën moeten gaan zitten. Onze zaak is rechtvaardig, we zullen ze winnen.” En Renard schreeuwt: “Zijn jullie voor de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten?” Een immense “ja” komt vanuit de menigte. “Het stakingscomité” waarover Renard het heeft, is niets anders dan het Coördinatiecomité van de Waalse vakbondsbureaucraten, die geen enkele vertegenwoordiging van de basis in haar rangen tolereert. In de avond van diezelfde dinsdag 3 januari verspreidt een auto met een luidspreker van het ABVV-Luik in de straten van Ougrée en Seraing een oproep aan de arbeiders met het zicht op het behouden van het onderhoud van de hoogovens. Renard dreigt tot op het bot met de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten, maar hij aarzelt niet om ook die dreiging bij woorden te laten. Het feit dat het ABVV van Luik, een bastion van Renard, richtlijnen naar voor brengt die regelrecht ingaan tegen de toespraak van Renard maken duidelijk dat het om een bureaucratisch manoeuvre ging. Tegenover de arbeiders die op Brussel willen marcheren, stelt Renard de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten. Aan de patroons van de hoogovens verzekert hij tegelijk dat er geen enkele intentie is om tot daden over te gaan. De federalistische tendens bevestigt zich beetje bij beetje in de syndicale organisaties die in staking zijn. Er duiken affiches en vlaggen met de Waalse haan op. Maar de grote meerderheid van de Waalse, Vlaamse en Brusselse arbeiders is uiteraard niet akkoord met deze federalistische oriëntatie die het exclusieve werk van de strekking van Renard is. De arbeiders werden overigens niet geconsulteerd over deze nieuwe oriëntatie en bovendien hebben ze geen enkel mandaat in die zin 112 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 gegeven. Hoe dan ook is het de vakbondsbureaucratie die het oplegt. De strijd die zich steeds meer richt tegen het kapitalistische regime wordt door de aanhangers van het federalisme vervangen door de strijd tegen de unitaire staat, maar dan wel zonder te raken aan de fundamenten van het kapitalisme. Op die manier hopen ze een eerbare uitweg uit de impasse te vinden. De krant La Cité van 9 januari vergist zich niet als het schrijft: “De leiders van de staking moeten verzaken aan de krachtmeting en een eerbare uitgangspoort vinden.” Het is echter zeker dat de leiders van de stakingsbeweging wel zochten naar een eerbare uitgang, maar nooit ook maar één minuut de minste krachtmeting in gedachten hadden. De arbeiders beschouwen dit voorstel van federalisme als een afwijking van de algemene staking en als een vlucht vooruit. De Vlaamse en Brusselse arbeiders kunnen deze ontwikkeling enkel met een slecht oog bezien. Deze door Renard en het quasi volledige Waalse ABVV-apparaat gewilde verwarring zorgt voor ongemak onder de stakers. Ze zien er een vorm van demobilisatie in, een breuk van de eenheid tussen de Vlaamse, Brusselse en Waalse arbeiders. De KPB van haar kant zegt niet akkoord te gaan met de nieuwe koerswending. De partij vraagt de arbeiders om in te gaan tegen“elke poging om andere doelstellingen vast te leggen dan die van de staking”. De doelstelling van de staking voor de KPB is de pure en simpele intrekking van de Eenheidswet. Het persbericht van de KPB “betreurt dat bepaalde vakbondsleiders hun mond houden over de vormen die de strijd in de komende dagen moet aannemen.” Maar de KPB geeft als politieke partij evenmin een ordewoord voor de strijd en blijft net als de socialistische leiders doof voor de zeer populaire eis van de mars op Brussel. Als oproep schreef ‘De Rode Vaan’ op 3 januari: “De afgevaardigden van de katholieken en de liberalen discrediteren de democratie door geen rekening te houden met de wil van de arbeiders. Er moet zo snel mogelijk een dag van massale arbeidersdelegaties in het parlement worden georganiseerd om zo de pure en simpele terugtrekking van de Eenheidswet te bekomen.” Voor de stalinisten gaat het niet om een ordewoord voor een mars op Brussel te lanceren, maar simpelweg om “delegaties naar het parlement te sturen”, wat uiteraard niet hetzelfde is. Overal en altijd leggen de bureaucraten aan de arbeidersmassa’s uit dat revolutionaire strijd onmogelijk is. Dat gebeurt steeds met argumenten die gelijken op degene die door Renard worden gebruikt. Alle bureaucraten, Renard en Major inbegrepen, zijn doodsbang van de revolutionaire implicaties van de algemene staking. We hebben al vastgesteld dat er de afgelopen dagen hier en daar sympathie voor de algemene stakingsbeweging was onder de soldaten en de reservetroepen van de rijkswacht. De soldaten hadden overigens laten weten dat ze geen kogels hadden, bepaalde reserverijkswachters hadden hun kantoren ter beschikking gesteld om contacten te leggen tussen de stakerspiketten. We moeten ook herinneren dat er s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 113 al in het conflict van 1950 een zekere verbrokkeling van het repressieve apparaat van de burgerlijke staat was. Wat had Eyskens in deze situatie met zijn 18.000 rijkswachters kunnen inbrengen tegen een mars van duizenden en duizenden stakers naar Brussel? Er zouden ongetwijfeld confrontaties zijn, maar uiteindelijk zouden de arbeiders zeker de bovenhand hebben gehaald. En dan zou de kwestie van de macht zijn gesteld. Als we ervan uitgaan dat het leger en de rijkswacht zich in alle situaties aan de kant van de burgerij bevinden, moeten we niet enkel verzaken aan de algemene staking, maar ook aan het socialisme. In dat geval zou het kapitalistische regime immers eeuwig zijn en zouden we definitief aan alle strijd moeten verzaken. Het dagblad L’Avenir du Tournaisis van 4 januari 1961 schrijft in zijn editoriaal: “De toekomst ontsnapt aan alle vooruitzichten. Vooraleer er klaar in te kunnen zien, moeten we ongetwijfeld wachten tot de twee tot drie beslissende dagen die we nu beleven voorbij zijn. Het is immers in de loop van deze dagen dat de stakers zullen proberen de overwinning te bemachtigen. Daarvoor zijn ze bereid echt alles te doen.” De editorialist vat zeer exact de situatie die “aan alle vooruitzichten ontsnapt” samen. Het is duidelijker dan ooit dat het lot van de beweging in de komende dagen beslist zal worden. Zal het proletariaat in strijd erin slagen zich te bevrijden van de bureaucratische boeien en tot de aanval overgaan? Woensdag 4 januari Het vergif van het regionalisme Het land is nog steeds verlamd door de algemene staking en in Brussel vinden nieuwe betogingen plaats. De rijkswacht, die in grote getale aanwezig is, chargeert tegen de betogende stakers. Een staker raakt hierbij zwaargewond. Een groot contigent rijkswachters bewaakt de neutrale zone en het parlement. In Roux vertrekt, na een vergadering in het Volkshuis, een betoging van meer dan 1.000 stakers naar het kerkhof om er een bloemenkrans neer te leggen ter herdenking van de slachtoffers van 1886, gevallen onder de repressie van de burgerij. De arbeidersklasse heeft hen overigens nooit vergeten. Tot op vandaag, 124 jaar later, worden nog regelmatig bloemen gelegd op hun graven. In Hologne en in Ans vinden twee sabotageacties plaats met dynamiet, de ontploffing is kilometers ver te horen. Ondanks de harde repressie door de rijkswacht neemt de strijd niet af, in tegendeel. De strijd van de stakers tegen de regering en de burgerlijke staat zorgt voor een radicaliserend effect bij de arbeidersklasse in haar geheel. Sinds 20 december 1960 krijgt de algemene staking steeds meer diepgang, en dit in het hele land. In 114 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Vlaanderen vermenigvuldigen de werkonderbrekingen zich dag na dag, en deze uitbreiding van de staking in Vlaanderen gaat gepaard met steeds grotere betogingen. De strijd ontwikkelt zich en de kwestie van de algemene staking wordt steeds scherper gesteld. Geleidelijk aan neemt het conflict het karakter aan van een revolutionaire opstand: de stakers zijn steeds massaler aanwezig op de vele betogingen, en de algemene staking verloopt zeer efficiënt: het economisch potentieel van het land is volledig lamgelegd na 16 dagen staking. Tijdens een algemene staking van die omvang zijn er altijd variaties in hoe arbeiders zich in de strijd werpen, maar het belangrijkste is dat de stakers van hun arbeidersleiding ordewoorden verwachten, ordewoorden die hen kunnen helpen om de overwinning te behalen. Dat was buiten de reformistische syndicale bureaucratie gerekend, die vanaf het begin de staking enkel ondergaat. ‘Le Peuple’ bloklettert die woensdag: “Nieuwe krachten vervoegen de strijd”. En dit terwijl de verkozenen van de BSP vastgeroest blijven in hun parlementszetels. Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV dat, nog steeds onder voorzitterschap van André Renard, samenkomt op 4 januari 1961, publiceert een resolutie waarin onder meer staat: “(het comité) veroordeelt het gedrag van de zogenaamde “ordetroepen”, die zich in bepaalde regio’s in Wallonië gedragen als pure provocateurs, en die zich schuldig maken aan buitensporigheden tegenover de bevolking. Het onderstreept het ernstige karakter van de vastberadenheid dat aanwezig is bij de deelnemers aan de beweging, feliciteert de arbeiders die, ook in Brussel en in Vlaanderen, op straat zijn gekomen om uiting te geven hun vastberaden tegenstand tegen de Eenheidswet, de enige doelstelling van de acties die plaatsvinden.” We kunnen vaststellen dat de toon binnen het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten vanh et ABVV veranderd is. Op 3 januari schrijft ‘La Cité’ dat “de positie van André Renard binnen de Waalse federaties aan het verzwakken is, en dat het Coördinatiecomité haar cohesie aan het verliezen is”. Het is vooral het introduceren van regionalistische eisen en slogans dat voor problemen zorgt. Zowat de hele dag vinden nog nieuwe betogingen plaats. Vijftienduizend betogers bezetten ’s namiddags het centrum van Brussel. Een delegatie van de SJW uit Charleroi stapt mee op in het blok van de Brusselse SJW. Dat gebeurt onder de gebruikelijke slogans: “Gaston ontslag” en “Laat de bankiers betalen”. Georges Debunne, nationaal secretaris van het ACOD, wil vanop het balkon van het gebouw van de BSP het woord nemen om de manifestanten te vragen de betoging te ontbinden. ‘La Cité’ rapporteert dat “het boegeroep hem onmiddellijk onderbreekt en dat de manifestanten een ‘Mars op Brussel’ eisen, een bezetting van het Parlement, en ‘onmiddellijke actie, vandaag’”. Wanneer Debunne daarop opnieuw vraagt om de betoging te ontbinden, wordt hij opnieuw uitgejouwd. Hij blijft echter bij zijn punt, en stilaan hoort men zeggen dat de betogers moeten opletten dat ze niet het idee geven dat ze niet langer overeenkomen met hun leiding. Er wordt een nieuwe s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 115 afspraak bekend gemaakt voor de volgende ochtend om 10u aan het Volkshuis. Opnieuw gejouw. Een groep manifestanten van de SJW en de studenten splitst zich af van de betoging en marcheert naar de gebouwen van Sabena, waarbij onderweg bussen met stakingsbrekers worden aangevallen en de Internationale wordt gezongen. Op het moment dat de betoging wordt ontbonden, zal een groep van een tweehondertal jongeren naar de neutrale zone marcheren, onderweg bekogelen ze een tram die ondanks de stakingsoproep toch is uitgereden met stenen. De ruiten van de kantoren van Sabena worden opnieuw ingegooid. Aan de rand van de neutrale zone zijn er gewelddadige confrontaties met de rijkswachters. De rijkswacht is massaal uitgerukt om de zone te verdedigen. Er zijn heel wat arrestaties. De regering heeft bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen: er werden extra rijkswachters aangevoerd en overal sluiten hekken de zone af. De volgende ochtend veroordeeld ‘Le Peuple’ streng de “ontaarding door een kleine groep onbenullen, gekleed in zwarte hemden, die door hun acties na de betoging gedurende een half uur een sfeer van gewelddadige opstand hebben laten overheersen.” De reformistische leiders van de BSP keren zich dus publiekelijk tegen de acties van de jongeren. De Brusselse federatie van de Socialistische Jonge Wacht publiceert een standpunt dat een idee moet geven van de enorme kloof tussen de stakers aan de basis en de socialistische leiders. Dit standpunt stelt onder meer: “Sinds enkele dagen merken we dat er een systematische lastercampagne wordt gevoerd tegen bepaalde acties die werden ondernomen door betogers in Brussel. Het zijn de bladen van de arbeiderspers die uithalen naar “de acties van zwarthemden en jongelingen”. Deze jongelingen zijn nochtans gewoon arbeiders in staking. Zij hebben vaak heel wat meer moed aan de dag moeten leggen om deel te nemen. Gisteren was het de jeugdorganisatie van de KPB, vandaag zijn het de studentenorganisaties van KPB en BSP die hun veroordeling uitspreken over de “onverantwoordelijken”. Wie is er onverantwoordelijk? Het zijn niet zozeer zij die ruiten ingooien of bussen tegenhouden: dat zijn over het algemeen acties van stakers die al meer dan tien dagen gevraagd worden om enkel in het rond te draaien, en die wanhopig op zoek zijn naar andere vormen van actievoeren. En dan zouden diegenen die de voorbije dagen opriepen om naar het parlement te marcheren de onverantwoordelijken zijn… De Socialistische Jonge Wacht heeft, als organisatie van de arbeidersklasse, op geen enkel ogenblik opgeroepen tot geweld, maar weigert om al die honderden jonge stakers die tot de directe actie zijn overgegaan te laten omschrijven als provocateurs en nozems. Deze gewelddaden zijn de uitdrukking van de wil van de jonge arbeiders om een systeem dat hen ieder toekomstperspectief ontneemt, omver te werpen.” Wat zal nu de houding zijn van die leiders die voorhouden dat ze zich op een klassenpositie baseren maar die vastzitten tussen de hamer van de voorhoede van de arbeidersklasse die zich begint te organiseren tijdens de acties en het aambeeld 116 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 van de traditionele arbeidersleiding die zich enkel bezighoudt met parlementaire discussies en onderhandelingen met de elite? Dit was een probleem voor de renardisten. De renardistische strekking in het ABVV beweerde voordien steeds dat ze “wat er ook mag gebeuren, altijd in de voorhoede zal lopen”, zoals André Genot het verklaarde aan het begin van de staking. De renardisten beseffen dat ze dringend met een oplossing moeten komen die het doet uitschijnen alsof ze in de voorhoede blijven, maar dat terwijl ze eigenlijk willen vermijden dat ze werkelijk de leiding moeten nemen over een revolutionaire beweging tegen de burgerij. Deze oplossing denken André Renard en de zijnen gevonden te hebben in het Waals regionalisme. Op die manier zijn ze in staat om het terrein van de klassenstrijd te verlaten, een terrein waarop de revolutionaire arbeiders hen ongetwijfeld zouden dwingen om in het offensief te gaan, en het stelt het de leiding van het Waalse ABVV in staat zich volledig terug te trekken. Ze proberen de acties te kanaliseren naar meer sentimentele en hartstochtelijke doelstelling zoals de Waalse onafhankelijkheid, wat niets meer te zien heeft met de revolutionaire doelen die de arbeidersklasse zich aan het begin van de staking gesteld had. Het doel van de regionalistische ideeën die André Renard lanceert, is om de arbeidersklasse, die stilaan haar vertrouwen in haar leiding en in de doelstellingen van de staking begint te verliezen, te heroriënteren. Het gaat om een afleidingstactiek, en dit op een moment waarop de Belgische arbeidersklasse zich in haar meest kritieke situatie ooit bevindt. In Vlaanderen is de staking minder diepgaand dan elders in het land, maar ze is ook moeilijker, zoals we al aangaven. Het patronaat, de regering en de repressiekrachten oefenen een enorme druk uit op de arbeidersmilitanten. In die omstandigheden kan de regionalistische reflex van de syndicale leiders van het Waals ABVV niet anders dan het begin van het einde van de strijdbeweging in Vlaanderen betekenen. Maar op het moment waarop André Renard zijn campagne voor de Waalse autonomie lanceert, zijn er nog tienduizenden Vlaamse arbeiders in staking. En dat niet alleen in de grote Vlaamse arbeiderssteden zoals Gent en Antwerpen, maar ook in kleinere steden zoals Brugge, Kortrijk, Ronse, Aalst, Veurne en Menen, waar de stakers een nog heroïscher gevecht voeren dan hun Waalse kameraden, omdat het zoveel moeilijker is. In die omstandigheden zouden de Waalse leiders van het ABVV, die perfect op de hoogte waren van deze moeilijkheden, er alles aan moeten doen om hun Vlaamse kameraden te ondersteunen door solidariteitsdelegaties te sturen naar hun betogingen, en het woord te nemen tijdens hun bijeenkomsten. Maar dit was natuurlijk geenszins de bedoeling voor de Waalse vakbondsbureaucratie. Hoewel de Vlaamse arbeiders aan de basis van de vakbonden Renard oproepen om ook naar hen toe te komen, vindt deze laatste het niet nodig zich te verplaatsen. Hij gebruikt daartoe het excuus dat hij de leiding van het Vlaamse ABVV niet voor het hoofd wil stoten. We kunnen niet anders dan de regionalistische campagne van de renardisten streng veroordelen, het ging om een s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 117 afleidingsmanoeuvre, een vuistslag in het gezicht van de Vlaamse arbeiders. Het is niet te verwonderen dat de woede over deze campagne groot was in Vlaanderen. Hierbij komt dat de Vlaamse arbeiders ook te maken krijgen met zware ideologische druk vanwege de Vlaamse burgerij over de nationale kwestie, een druk die steeds zwaarder wordt opgevoerd naarmate de propaganda rond het Waals regionalisme zich uitbreidt. De bitterheid en de woede zijn zeer groot bij heel wat van deze militanten, hoewel ze niet van plan zijn de strijd op te geven. De Vlaamse arbeiderspers titelt in die dagen trouwens dat: “de Vlaamse arbeiders zich liever aansluiten bij een Rood Wallonië dan bij een Zwart Vlaanderen”. We hoeven ook niet te vertellen over het onvoorstelbare klasseninstinct van heel wat Waalse arbeiders, die zich door de vakbondsbureaucratie absoluut niet willen laten afleiden naar de regionalistische tendensen, en dit ondanks de veelvuldige pogingen hieromtrent. We mogen niet vergeten dat het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV reeds op 23 december 1960 werd opgericht. We kunnen niet genoeg benadrukken hoe zeer de houding van André Renard, om de strijd op nationaal vlak op te geven, om zich over te geven aan een regionalistische reflex, fataal is geweest voor het welslagen van de algemene staking. Deze regionalistische eisen, en de tactiek van het verwaarlozen van de arbeidsmiddelen, zijn beiden strategieën die typisch zijn voor de reformistische vleugel rond Renard, die absoluut niet geneigd is de strijd tegen het kapitalistische systeem te voeren. De Communistische Partij stelt anderzijds aan de andere partijen voor om terug te grijpen naar het idee om het parlement te ontbinden. Gezien het gebrek aan de ordewoorden voor de actie waar de stakers om roepen, zijn er talloze sabotageacties tijdens deze woensdag. Bomen worden omgehakt om de wegen rond Bergen en Charleroi te versperren. Hoewel er, 17 dagen na het begin van de staking, hier en daar berichten zijn over een gedeeltelijke hervatting van het werk, zijn er op heel wat andere plaatsen nieuwe arbeiders die in staking gaan. Beiden tendensen houden elkaar in evenwicht waardoor er geen echte impact is op het verdere verloop van de algemene staking. In elke algemene staking zijn er immers veranderingen op de verschillende fronten van de klassenstrijd. Donderdag 5 januari Voor de arbeidersleiders begint de tijd te dringen om te reageren, om alle krachten van de reformistische apparaten te mobiliseren om de troepen onder controle te houden: troepen die steeds verder radicaliseren tijdens de betogingen, zodat betogingen stilaan een revolutionair karakter krijgen. Op donderdag ontmoeten vertegenwoordigers van de BSP en het ABVV elkaar in Brussel om de situatie te bespreken. Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV wordt vertegenwoordigd door André Renard, André Genot et Raymond Latin. Aan het einde van de vergadering wordt volgend persbericht verspreid: 118 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “De vertegenwoordigers van BSP en ABVV, samen in vergadering op 5 januari 1961, om 12u in het Volkshuis te Brussel, stellen unaniem, na de situatie van staking en de algemene politieke toestand te hebben bestudeerd, dat een oplossing kan gevonden worden door onderhandelingen die zullen gevoerd worden op initiatief van het Staatshoofd. De ondertekenaars zullen elkaar raadplegen over alle oplossingen die naar voren worden geschoven.” De regering-Eyskens houdt vast aan de Eenheidswet die ze wil laten stemmen in het parlement. In het kamp van de burgerij heerst opwinding, de koning ontvangt verschillende politieke personaliteiten. We stellen vast dat er heel wat onzekerheid heerst in regeringskringen, waar wordt gezocht naar een oplossing zonder gezichtsverlies, en zonder dat het idee kan ontstaan dat er wordt toegegeven aan de stakers die ingaan tegen de onverzettelijkheid die de regering tot nog toe heeft gevolgd. Enkele rechts-reactionaire kranten beginnen stilaan de regering-Eyskens te laten vallen, ze eisen verkiezingen en het terugtrekken van de Eenheidswet. In die zin schrijft de ‘Echo de la Bourse’ op 6 januari 1961 bijvoorbeeld: “Wij drukken principieel de wens uit dat de regering, na verlost te zijn van de druk van de menigte, de tijd neemt voor reflectie en er van afstapt het land te overweldigen met de Eenheidswet.” Langs beide kanten begrijpt men dat deze strijd er één tot de finish is, het gaat om de strijd van de ene klasse tegen de andere, waarbij de inzet niets anders kan zijn dan de overwinning of de nederlaag voor elk van beide partijen. Geen enkele oplossing is op dit ogenblik in zicht. De situatie riskeert explosief en onhoudbaar te worden indien er niets gebeurt in de komende dagen, de arbeidersklasse blijft immers op straat komen. Overal in het land zijn de betogingen steeds nerveuzer en meer gespannen: er zijn 30.000 manifestanten in Antwerpen (de rijkswacht was volledig afwezig en dus vinden er geen incidenten plaats), 6.000 in Hemiksem, 2.000 in Sprimont, en 5.000 in Brussel waar de sfeer uiterst gespannen is. Louis Stevens, de regionaal secretaris van het Brusselse ABVV neemt voor de betoging het woord in het Volkshuis. Ondertussen scanderen de stakers “algemene staking!”, “directe actie” en “een mars op Brussel”. De spreker wordt door deze kreten voortdurend onderbroken en wordt uitgejouwd, tot hij moe getergd uiteindelijk aankondigt dat de Brusselse Regionale van het ABVV aan het Nationaal Comité van het ABVV zal vragen om het ordewoord voor een “mars op Brussel” en de “algemene staking” op te nemen. Zijn woorden zullen de volgende dag uitgebreid aan bod komen in burgerlijke kranten zoals ‘La Cité’ of ‘Le Soir’, maar niet in de arbeiderspers van ‘Le Peuple’. De overvolle zaal joelt van opwinding en beantwoordt de toespraak met een applaussalvo en enthousiaste kreten. Stevens heeft het juiste punt aangeraakt, maar het zijn slechts woorden om de stakers te kalmeren, nu deze meer dan ooit vastbesloten zijn in het offensief te gaan en in confrontatie met de burgerlijke staat. Na de meeting start vanuit het Volkshuis een betoging, die opnieuw tot opstootjes tussen stakers en de rijkswacht leidt. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 119 In de grote industriële bastions, waar de actie van de arbeiders alomtegenwoordig is, blijft de strijd onverminderd voortduren, maar we zien overal tekenen van hardere actievormen, die stilaan het karakter van een gewapende opstand beginnen te krijgen: barricades op de wegen, er worden stenen gegooid naar bussen die de staking niet opvolgen, er is het gegooi met molotovcocktails, het uitbreken van de kasseien van de wegen, het uitbreken van verkeersborden om de weg te versperren. De rijkswacht verricht talloze arrestaties. In een dergelijke situatie van hardere actie verliezen de apparaten van de BSP en het ABVV meer en meer de controle over de beweging. De rechtse pers is zeer ongerust, zoals blijkt uit de titel die ‘Le Soir’ op vrijdag 6 januari 1961 uitbrengt: “Wanneer krijgen we eindelijk onderhandelingen?” waarbij te lezen valt: “Op dit moment is het niet enkel de Eenheidswet die op het spel staat, het gaat veel verder: de relaties tussen de twee gemeenschappen in het land, zelfs de eenheid van het land. Zij die het kunnen weten, waarschuwen dat het gevaarlijk is als de gemoederen blijven verhitten over problemen waarmee het voorbestaan van het land bedreigd is, en de kloof die groeit in onze bevolking blijft toenemen.” Het eerste nummer van het weekblad ‘Combat’, waarvan André Renard de belangrijkste redacteur is, rolt op 5 januari van de persen. Op de eerste pagina blinkt de slogan: “Wallonië heeft er genoeg van.” Aan die stakers die zich afvragen waarom Renard en zijn vrienden in politieke en syndicale milieus zo sterk de Waalse kaart trekken, antwoordt hij: “Er is absoluut niets onlogisch in deze evolutie, integendeel zelfs. Wanneer de staking tegen de Eenheidswet zo goed wordt opgevolgd in Wallonië, is het net omdat de Waalse arbeiders zo goed aanvoelen wat de gevaren zijn van deze wet. Inderdaad is de Waalse reflex tegen de Eenheidswet alomtegenwoordig geweest onder de socialistische politieke en syndicale strekkingen, die in Wallonië de meerderheid vormen. “Ditmaal is het NEEN dat de arbeiders uitspreken niet alleen algemeen, maar ook erg belangrijk in betekenis. Wij hebben er genoeg van, zeggen de Waalse arbeiders, om niet vooruit te gaan omdat we gebonden zijn aan een Vlaanderen waar onze Vlaamse kameraden nog niet zo ver zijn op weg naar de economische en sociale bevrijding. “De vaststelling dat, hoe meer dagen er voorbijgaan, hoe meer het bewustzijn in Wallonië dat er fundamentele economische en politieke oplossingen nodig zijn toeneemt, en dat de Walen er zich over verbazen dat de Waalse realiteit buiten beschouwing wordt gelaten. Zo zijn we gekomen in de tweede fase in de algemene staking. 120 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “Het is nu aan de arbeiders om te bepalen welk instrument ze willen gebruiken tegen een regering die bereid is om rijkswachters en soldaten te gebruiken om te bewijzen dat ze gelijk heeft. “Om over te gaan van de algemene staking naar de absolute staking, hebben de arbeiders slechts de beschikking over één ultiem wapen: het verwaarlozen van de arbeidsinstrumenten, de machines en de fabrieken. Ze hebben de tegenstander genoeg kunnen aanschouwen om hem te kunnen zeggen: onze beslissing is genomen, indien u volhardt, gaan we over tot de absolute staking.” Het “neen” van de arbeiders tegen de Eenheidswet was inderdaad van zeer groot belang, maar nog niet de ultieme klassendoelstelling. Het ging in de eerste plaats om het omverwerpen van de regering-Eyskens en haar wetsvoorstel. Langzaamaan is deze doelstelling geëvolueerd naar het omverwerpen van de burgerlijke staat. We merken ook op dat André Renard zelf spreekt over algemene staking en dat hij opnieuw terugkomt op het ordewoord van de verwaarlozing van de arbeidsintrumenten. Wie probeert Renard eigenlijk nog te bedriegen? Iedereen heeft al goed begrepen dat onder deze radicale woorden een linkse reformist schuilgaat, die er niet aan denkt zijn woorden in daden om te zetten. En zelfs als hij dat zou doen, is het de ervaring van de revolutionaire arbeidersklasse waar ook ter wereld geweest dat de burgerij bereid is haar zwaar te laten betalen in een poging haar macht te behouden. De slogan die door ‘Combat’ gelanceerd wordt, is doorspekt van commentaren met een wallingante communautaire ondertoon. André Renard en zijn politieke en syndicale vrienden proberen de arbeidersklasse van het land te verdelen, net op een ogenblik dat de klassenstrijd in volle hevigheid woedt. Ze houden een regionalistische geloofsbelijdenis en breken hiermee de eenheid van de algemene staking. Ze negeren dat ondanks het feit dat de staking in Vlaanderen en Brussel niet absoluut is, ze toch algemeen is in het hele land. De slogans die de renardisten roepen, stellen het voor alsof enkel de Waalse arbeiders genoeg hebben van de werkloosheid, de brutaliteit en de ergernis, van de sociale afbraak en de kapitalistische onderdrukking. Het is alsof de Vlaamse en Brusselse arbeiders niet getroffen worden door hetzelfde systeem als de Waalse arbeiders. In Luik vinden vrijdag verschillende betogingen plaats, maar er is ook een massabijeenkomst voorzien vanuit de hele Luikse regionale. In een persbericht dat deze donderdag wordt verspreidt, verklaart het Luiks ABVV: “de actie zal nog verscherpen tot de uiteindelijke overwinning.” Op deze donderdag 5 januari vindt ook een congres plaats van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie van Luik, dat een weinig verrassende beslissing neemt over mogelijke ordewoorden rond de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen: het Luikse ABVV maakt er zich van af door de beslissing bij de vakcentrales te leggen. De slogan van de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen blijft dus beperkt tot woorden. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 121 Vrijdag 6 januari Niet alleen in Wallonië vragen de stakers een Mars op Brussel. In Gent roepen 12.000 manifestanten “Op naar Brussel”, en hetzelfde horen we op een betoging van 3.000 in Vorst. Bijna dagelijks vinden belangrijke militantenbijeenkomsten plaats in de Borinage, in de regio Charleroi en alles daartussen. “Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV, in vergadering op 6 januari 1961, onder voorzitterschap van André Renard, heeft kennis genomen van de nieuwe ontwikkelingen in de situatie, en heeft, met unanimiteit van stemmen, de beslissing genomen alles in het werk te stellen de actie verder te zetten tot de eindoverwinning.” (Le Peuple, 7 januari 1961). De bijeenkomst waartoe het Luikse gewest van het ABVV oproept, is tegen alle verwachtingen in een enorm succes. Het dagblad ‘La Wallonie’ spreekt van 50.000 betogers. De woede overheerst. Verschillende rechtse kranten beschrijven hoe zich op de Place Saint-Paul een grote mensenzee vormt. De menigte is overweldigend en indrukwekkend, ook de aanpalende straten zijn overspoeld met mensen. Dit is het antwoord van de stakers op de uitspraak van André Renard, die om zijn weigering van een Mars op Brussel te verantwoorden, stelde dat het een mislukking zou zijn indien de arbeiders niet met minstens 50.000 zouden betogen. De troepen hebben zich gemobiliseerd, deze mobilisatie was beperkt tot de regio-Luik. Ze maakten duidelijk dat iedereen klaar is voor de Mars op Brussel. Zelfs het ABVV is verbaasd om zo’n enorme mobilisatie te zien na 18 dagen algemene staking. De betoging eindigt echter met bloedvergieten. André Renard roept de menigte op de “discipline en de waardigheid” te behouden en vraagt iedereen om rustig naar huis terug te keren. Renard moet opnieuw aankondigen dat de Mars op Brussel is uitgesteld, hoewel dit wordt geëist door de stakers. De stakers doen dat op zo’n overweldigende wijze dat het lijkt alsof de aarde trilt door hun kreten. Hij probeert de gemoederen te bedaren. Op het einde vraagt hij de menigte opnieuw om in rust uiteen te gaan. ‘Le Peuple’ brengt volgend verslag: “De spreker heeft allereerst enkele heethoofden pogen te kalmeren, heethoofden die met man en macht oproepen voor een Mars op Brussel. Hij herinnert hen er aan dat de syndicale leiding, zodra de tijd rijp is, haar verantwoordelijkheid zal nemen.” Uiteindelijk ridiculiseert Renard opnieuw zijn toehoorders, door te verklaren dat men zal overgaan tot het verwaarlozen van de arbeidsmiddelen: “We moeten het juiste moment kiezen om dit moeilijke strijdwapen te gebruiken. Er is bijvoorbeeld de staalindustrie. In deze sector zullen we hiertoe over122 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 gaan in de komende dagen, misschien zelfs de komende uren. We weten dat de arbeidersklasse hier een zware prijs voor zal betalen. We weten dat het ons pijn zal doen, maar het zal nog meer pijn doen aan de tegenstander.” Beloften, steeds meer beloften en beloften voor acties, maar woorden zonder daden die als enig doel hebben de stakers eens te meer op te roepen nog langer te wachten, en hen alleen te laten in de straatacties. Woorden, steeds meer woorden en woorden, soms kalmerend, soms radicaliserend, maar nog steeds geen daden. Dit komt omdat de leidingen van de BSP en het ABVV met handen en voeten gebonden zijn aan de burgerij en geen enkele bedoeling hebben in conflict te gaan met de burgerlijke staat. Hierbij het verslag van de toespraak van André Renard, zoals verschenen in ‘La Wallonie’ op 7 januari 1961: “De Waalse arbeiders hebben al een totale staking, en wij zijn daar fier op, maar ook onze Vlaamse kameraden zijn in staking. We betonen ons respect, en vooral aan de kameraden uit Antwerpen. Er is geen sprake van dat we de solidariteit met onze Vlaamse kameraden in de strijd zullen opblazen.” Maar, na een “vriendschappelijke hand te hebben uitgestoken naar de Vlaamse kameraden”, belijdt Renard plots zijn geloof in een enthousiast en beslist regionalisme, want hij wil niet langer onder “het juk van de Vlaamse klerikale dominantie” leven. Hij spreekt over de actiemiddelen die de arbeiders nog ter hunner beschikking hebben, zoals “langzaamaanacties, omdat de kapitalisten dit vrezen, daar het de productiviteit in de fabrieken met 50% doet afnemen”, of “het verwaarlozen van de arbeidsmiddelen die we gebruiken, en dit in de komende dagen, of zelfs in de komende uren”. Hij besluit: “slechts één ordewoord: volhouden. Met stakingspiketten die steeds sterker staan, want de strijd is bijna gewonnen. De Waalse arbeidersklasse vormt één blok zonder ook maar één barstje. We moeten volhouden. Zolang volhouden als nodig is”. Spreken van een “langzaamaanactie” op een moment waarop de hele economie al effectief verlamd is door de algemene staking, komt er op neer dat wordt ingegaan tegen een efficiënte ontwikkeling van de staking. De atmosfeer op de betoging wordt met de minuut meer gespannen. De spanning en woede van de stakers worden zwaar op de proef gesteld door de woorden van Renard, die niet langer beantwoorden aan de terechte vragen voor ordewoorden die de betogers van het nationale en regionale ABVV, en van Renard in het bijzonder, eisen. Ze zijn teleurgesteld, en ze laten het hem ook weten. De woorden van de laatste sprekers galmen nog na wanneer verschillende duizenden militanten zich naar het stadscentrum begeven om dat te bezetten. Onderweg worden de kantoren van de krant ‘La Meuse’, die er door de stakers van wordt beschuldigd zich tegen de staking te keren, volledig vernield. Een politiewagen wordt omgekeerd en in brand gestoken. Bij banken, de lokale hoofdzetel van de christelijke mutualiteit en het kantoor van de lokale middenstand op het parcours worden de ruiten ingegooid. Op sommige plekken werpen de stakers barricades op s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 123 met de straatstenen, maar ze maken ook gebruik van auto’s of weginfrastructuur. Het centrum van Luik wordt herschapen in een waar slagveld waar de stakers zich organiseren. De stakers worden aangevallen door de repressieve krachten van de regering-Eyskens. Tegenover deze spontane machtsontplooiing van de stakers hebben de ordediensten geen enkel passend weerwoord, en de algemene staking bewijst baas te zijn op straat. Aan het treinstation Luik-Guillemins is de strijd gewelddadiger en grimmiger dan elders. Wanneer de stakers er aankomen, merken ze dat het leger het station heeft overgenomen en verdedigt. Op het moment dat de stakers beslissen om het gebouw toch over te nemen, besluit de commandant van de legereenheid het bevel te geven een waarschuwingssaldo in de lucht te schieten. Toesnellende rijkswachters beginnen traangasgranaten af te schieten op manhoogte om de menigte te doen terugtrekken, maar dat heeft allemaal weinig succes. Het treinstation wordt volledig vernield door woedende stakers. Het nieuwe treinstation was een nieuw openbaar gebouw, gerealiseerd op orders van de regering. De stakers hebben het idee dat ze door het vernielen van dit prestigieuze gebouw de burgerlijke staat kunnen aanpakken. Bij gebrek aan beter, kunnen ze zo toch een beetje tegen de burgerlijke staat ingaan. De hele namiddag en avond van deze 6de januari wordt het hele centrum van Luik herschapen in een slagveld. Gedurende 7 uur is Luik het toneel van een ware arbeidersopstand. De arbeiders, die woedend zijn omdat ze aan hun lot werden overgelaten door hun leiding, vechten met de blote vuist, en met een energie die de hele Belgische arbeidersklasse met respect naar hen doet opkijken. Ze vechten immers tegen gewapende rijkswachters die niet aarzelen om in de menigte te schieten. Die avond worden er onder de stakers twee doden en meer dan 75 gewonden geteld. Het rapport over de gewonden leert ons dat er onder de 75 gewonden 25 betogers zijn, 33 politieagenten, 16 rijkswachters en 1 brandweerman. Daarnaast ook 9 zwaargewonden, waaronder twee betogers, waarvan er een er zeer slecht aan toe is, en verder drie agenten en vier rijkswachters. Wanneer ik hierboven al schreef dat bepaalde intellectuelen zeer negatieve vooroordelen tegenover de arbeidersklasse ophouden, was ik niet ver van de waarheid. Zo schrijft Valmy Feaux in een opiniestuk over de revolutionaire opstand aan het station Luik Guillemins: “Het waren de stakers die de oproer zijn begonnen, en die haar meer dan zeven uur hebben laten duren” (V. Feaux, La Grève de l’hiver 1960-1961, cinq semaines de lutte sociale, p. 126). Desondanks blijkt uit verschillende getuigenissen van syndicale leiders die ter plaatse waren, dat het opnieuw de politieprovocaties zijn geweest die de betogers hebben opgewonden. De politie had barricades opgericht waardoor veel stakers niet meer naar het station konden gaan om de trein naar huis te nemen. Daarna werden de manifestanten plots aangevallen met traangasgranaten en waterkanonnen met hun krachtige en ijskoude waterstralen. De manifestanten zijn uiteindelijk brutaal uiteengedreven in de aanpalende straten door een belangrijke colonne politieagenten en rijkswachters. Dat 124 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 heeft geleid tot een gewelddadige woedeuitbarsting bij de stakers, die uiteindelijk het station van Luik Guillemins hebben ingenomen. Misschien zullen sommigen opwerpen dat de getuigenissen van de arbeiders en syndicale militanten gekleurd zijn, en dus niet volledig geloofwaardig. Ze zijn nochtans even geloofwaardig als de verklaringen uit officiële bronnen, die minstens even gekleurd zijn. Onder de 28 gehospitaliseerde gewonden zijn er 6 die geraakt zijn door kogels. “De rijkswacht heeft zich niet enkel bediend van traangasgranaten, maar ook van aanvalsgranaten. We hebben er één in ons bezit die in de menigte is afgeschoten, maar die gelukkig niet ontploft is.” (Le Peuple, 7 en 8 januari 1961). Minister van Binnenlandse Zaken Lefèbvre houdt vast aan het verhaal dat alle acties van het leger en de rijkswacht passen in het kader van legitieme zelfverdediging tegen een “georganiseerde opstand”. Deze zesde januari zal in de geschiedenisboeken ingaan door de verschillende dodelijke slachtoffers die onder de kogels zijn gevallen. Bovendien is een arbeider die lid is van de BSP, Laurent Rodder, zwaargewond: zijn lever en milt zijn doorboord door een kogel in de rug. Albert Boutet, 25 jaar, raakt in een coma, en sterft enige tijd later. Jos Woussen, 32 jaar, oud en voormalig bokskampioen, sterft aan zijn verwondingen door een kogel in het hoofd. De arbeiders hebben zich moedig verweerd. Ze hebben hun standvastigheid, hun moed en hun klasseninstinct nogmaals getoond. Ze hebben allen moedig gestreden, maar ze zijn er niet in geslaagd zich van de verstikkende druk van hun gebureaucratiseerde leiding te bevrijden. ‘Le Peuple’ titelt: “Luik heeft een opstandige namiddag achter de rug.” In het artikel staat: “Zes uren hoge koorts in de Vurige Stede (…) brutale aanvallen door de rijkswacht (…) talloze aanhoudingen. 28 manifestanten gewond.” ‘La Libre Belgique’, die zegt de “meute” te haten, schrijft: “Wanneer we in een stadscentrum 10.000 mannen loslaten die tot het einde willen gaan, zonder gids en zonder leiding, dan weten we dat er vreselijke zaken zullen volgen. Dat is jammer genoeg wat er gebeurd is, en de zaken zijn zeer ver gegaan.” Het Volkshuis en het gebouw van het Luikse ABVV worden bewaakt door de rijkswacht, en iedereen wordt er de toegang toe ontzegd. In de Borinage worden 11 Italiaanse stakers gearresteerd omdat ze deelnamen aan een vredevol stakingspiket. In Bergen worden drie jonge arbeiders thuis gearresteerd, evenals een groot aantal ander stakers in de rest van het land, waaronder de communistische senator René Noël. In Beloeil bedreigt de directeur van Materne de lokale burgemeester met een revolver, omdat hij niet wil discussiëren met “uitschot, gespuis en de revolutionairen van het ABVV.” s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 125 Zaterdag 7 januari 1961 De arbeidersklasse zonder leiding De dag na de gewelddadige confrontaties aan het station Luik Guillemins, richt de hele arbeidersklasse van het land zich op Luik. Met woede, maar ook met respect, bespreken de stakers overal de slachtoffers, en het is met veel emotie dat ze vernemen dat er doden en verscheidene gewonden zijn gevallen in de confrontatie. Ze behouden echter ook een enorme fierheid, fier te behoren tot deze arbeidersklasse die op heroïsche wijze gevochten heeft tegenover zwaarbewapende bataljons rijkswachters. De arbeiders zijn op hun strijdposities gebleven, om op die manier aan te tonen dat ze bereid zijn het gevecht met de burgerlijke staat aan te gaan. In de nacht van zaterdag op zondag bezwijkt één van de slachtoffers aan zijn verwondingen door een kogel in de rug. Het slachtoffer, de arbeider Laurent Rodder, had deelgenomen aan het conflict dat was uitgebroken aan het station. Even later valt ook Albert Boutet in een kritieke coma. De leidingen van ABVV en BSP hadden in eerste instantie de reflex om de incidenten in Luik publiekelijk te veroordelen. Maar, geconfronteerd met de diepgang van het geweld en de vastberadenheid van de betogers, durven ze geen veroordeling uitspreken. Ze beseffen immers dat zijzelf de eerste verantwoordelijken zijn voor deze situatie, omdat ze de arbeiders aan hun lot hebben overgelaten zonder ordewoorden. Het nationale ABVV verspreidt een persbericht waarin staat: “emotioneel brengen wij hulde aan de slachtoffers van deze brutale repressie. (…) De strijd gaat verder, zowel in Vlaanderen als in Wallonië.” Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV houdt op 7 januari 1961 een vergadering onder het voorzitterschap van André Renard, maar er komt vreemd genoeg geen enkele verklaring. Het editoriaal van ‘Le Peuple’ van 7 januari 1961 wordt gebruikt om de woedende stakers op te roepen tot kalmte: “De legitieme strijd van de arbeiders mag niet uit de hand lopen. Door het economische systeem van het land te blokkeren, hebben ze de juiste weg gekozen. We moeten de zenuwen bedaren, om vreedzaam vol te houden. Geen geweld. Het hoofd koel houden en vastberadenheid!” De volgende ochtend verschijnt een nieuwe verklaring van het bureau van de BSP: “De BSP roept de arbeidersmassa’s opnieuw op de kalmte te bewaren en het hoofd koel te houden: dat is het wapen van de sterken.” Het editoriaal van Jean Blume in ‘De Rode Vaan’ van 7 januari 1961 is gespeend van gratuit radicalisme: “In het kamp van de arbeiders blijft de slagkracht behouden. We moeten tot de finish gaan. Wanneer mijnheer Eyskens de redelijkheid verlaat, en voor de Knock-Out gaat, kan hij een Knock-Out krijgen!” 126 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Vanaf 5 januari had Renard zich reeds verschillende keren uitgesproken tegen een Mars op Brussel. Hij heeft zijn positie laten ondersteunen door het congres van de Gemeenschappelijke Socialistische Actie in Luik. Tegelijkertijd, om op die manier zijn verantwoordelijkheid te ontvluchten, liet hij het congres het principe van het verwaarlozen van de arbeidsmiddelen stemmen. Maar om dat concreet uit te voeren, moest de beslissing door de vakcentrales worden genomen. Alsof één enkele vakcentrale het zou aandurven om zelf een dergelijke verantwoordelijkheid op te nemen. De dag na de gevechten zal Renard geen categorieke veroordeling uitspreken over de incidenten van de vorige avond, maar hij beschouwt ze wel als “de uitdrukking van de woede van de arbeiders, opgehitst door jongeren die uit zijn op geweld”. Vele jaren later verklaart Jacques Yerna dat hij er van overtuigd is dat de incidenten het resultaat waren van de woede van alle arbeiders, en niet van een handjevol agitatoren, zoals sommigen – in de eerste plaats Renard – het hebben voorgesteld: “We mogen niet vergeten dat op 6 januari 1961 de staking al drie weken aan de gang was, dat het extreem koud was, en dat de eindejaarsfeesten waren voorbijgegaan in het strijdgewoel. De arbeiders voelden zich steeds verder uit de maatschappij uitgesloten, nu ze zagen dat de beweging stilaan uitgeput geraakte.” (‘André Renard’, Pierre Tilly, p.623) Nog op deze zaterdag 7 januari bezoeken verschillende ministers van de regering-Eyskens Luik om de rijkswacht te feliciteren en aan te moedigen. “Minister Vanaudenhove geeft hen expliciet de opdracht om met scherp te schieten indien nodig”, zo kunnen we in ‘Le Peuple’ lezen. Zondag 8 januari De arbeiders kunnen niet eeuwig blijven wachten op ordewoorden voor actie die er maar niet komen. Verschillende regionale afdelingen van het ABVV vergaderen die zondag om hun houding over de voortzetting van de staking te bepalen. Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV is ook in vergadering om de evolutie van de stakingsbeweging tot in het kleinste detail te onderzoeken. De situatie riskeert de komende dagen immers kritiek te worden. In de arbeidersmilieus vinden heel wat discussies plaats over het gebrek aan ordewoorden voor de actie. Dat is wat tot de woeduitbarstingen van de Luikse arbeiders heeft geleid. Als reactie op de confrontaties tussen de rijkswacht en de stakers, is er het hele weekend een toename van het aantal sabotageacties in Henegouwen en in de provincie Luik. Spoorwissels worden geblokkeerd met betonblokken, een trein wordt ontspoord, wegen en spoorwegen worden gedynamiteerd, bruggenhoofden worden vernietigd, barricades opgeworpen, er wordt geschoten op een bus die de s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 127 staking negeert, bomen worden gekapt en over de wegen gelegd, elektriciteitskabels worden doorgeknipt, op verschillende plaatsen worden branden aangestoken,... De arbeiders ontwapenen zich niet. Voor hen gaat de strijd voort, en de druk op de reformistische apparaten van ABVV en BSP neemt toe. Die apparaten proberen nog steeds de boel stil te leggen en weigeren de confrontatie met het kapitalistische systeem aan te gaan. Voor vele honderdduizenden stakers is dit het begin van de vierde stakingsweek. Alle inspanningen die de arbeidersklasse voert om zich te bevrijden van de zware druk van de bureaucratie van haar organisaties vatten zich samen zich in één vraag: komt er een mars op Brussel, ja of neen? Heel de arbeiderspers staat vol met oproepen tot kalmte onder de woorden: “het is een strijd van lange adem die wij voeren.” Dat wordt gebruikt om te verhullen dat de apparaten de mars op Brussel weigeren te organiseren. Maar een strijd van lange adem is op voorhand verloren indien men weigert in het offensief te gaan als de tijd rijp is. Dit is het begin van een nieuwe fase in de algemene staking, het begin van een gedeeltelijke terugtrekking. Ondanks de situatie waarin de arbeidersklasse zich door het gebrek aan ordewoorden bevindt, is ze nog niet ontwapend, en gaat ze via heel wat massa-acties verder met de strijd, en dit in het hele land. Maandag 9 januari Maandag is een cruciale dag voor de ontwikkeling van de algemene staking: het begin van de vierde week in het klassenconflict. Neemt de strijd af, of neemt ze net toe? Het antwoord laat niet lang op zich wachten. Al vanaf heel vroeg in de ochtend komen de stakingspiketten in actie: veel meer dan de voorbije dagen. Er zijn verschillende massabijeenkomsten: 40.000 betogers in La Louvière, 15.000 in Hoei, 25.000 in Charleroi, en ook in Gent is de betoging even massaal met opnieuw 12.000 deelnemers. Men verneemt dat de regering om 4u30 in de ochtend het veiligheidscomité van de ministerraad heeft bijeengeroepen om noodmaatregelen te nemen om elke daad van opstand te verhinderen. De politierapporten die de ministers die nacht over sabotagedaden in Wallonië kregen, heeft hen doen vrezen dat de opstand is gestart. De burgerlijke staat is op haar hoede. Hoewel de staat nog steeds meester is over de situatie, vreest ze een spontaan offensief vanuit het proletariaat. In de “rode” regio’s vinden talloze arrestaties plaats: een honderdtal in Bergen, een dertigtal in Charleroi. Het doel is om elke actie van opstandigheid tegen te gaan en de stakingspiketten te ontmantelen. Uit Duitsland worden 3.000 soldaten teruggeroepen om strategische plaatsen te bewaken, zodat de rijkswachters die deze taken tot nog toe hebben waargenomen, kunnen worden ingezet als repressietroepen tegen mogelijke massale opstanden. In Bergen verloopt de betoging op erg gespannen wijze wanneer blijkt dat het postkantoor bezet is door het leger. Een kleine delegatie van de SJW van Charleroi is ter 128 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 plaatse met spandoeken waarop staat: “Arbeiderscontrole – SJW” en “De fabrieken aan de arbeiders – SJW”. Aan de voorzijde van het postkantoor heeft het leger een spandoek opgehangen dat waarschuwt: “Bezet door het leger – verboden toegang! Indringers zullen beschoten worden”. Dit spandoek werkt als een rode lap op het gemoed van de stakers die zich uitgenodigd voelen om het gebouw wel in te nemen. De rijkswacht probeert de betoging uiteen te drijven door traangasgranaten af te schieten, maar slaagt daar niet in. Het leger schiet in de lucht om de manifestanten aan te zetten het postkantoor niet te betreden. In de regio’s waar betogingen plaats vinden, zullen incidenten uitbreken zodra de rijkswacht in zicht komt: de arbeiders zijn de doden en gewonden in Luik immers niet vergeten. In La Louvière wordt de het aantal betogers op 40.000 deelnemers geschat. Twee delegaties Vlaamse arbeiders bevinden zich aan de kop van de betoging. De aanwezigheid van de Antwerpse en Gentse kameraden, die hun solidariteit komen betuigen met hun Waalse kameraden, is zeer betekenisvol voor de wens van de Vlaamse arbeiders om de strijd verder te zetten. De aansluitende meeting van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie na de betoging vindt plaats in een dergelijk groot enthousiasme en atmosfeer dat velen zich afvragen of het werkelijk al de vierde stakingsweek is. André Renard neemt het woord en verklaart: “Geen compromissen meer over de Eenheidswet”, en spreekt opnieuw – het wordt stilaan een traditie – over “het verwaarlozen van de arbeidsmiddelen.” Hij sluit zijn discours af met een vraag aan de stakers die net hun 21ste stakingsdag zijn ingegaan: “Als we opnieuw moesten beginnen, deden we het opnieuw?” De massa reageert als één man met een allesdoordringend “Ja!” Opnieuw beginnen de stakers te roepen “Naar Brussel! Naar Brussel!” Maar ze krijgen opnieuw geen positief antwoord van hun leiders. In Charleroi is de bijeenkomst bijzonder woelig: 25.000 stakers zijn deze 9de januari bijeengekomen in het stadion van Sporting waar de meeting wordt gehouden. Arthur Gailly, regionaal voorzitter van het ABVV wordt heftig uitgejouwd door de menigte stakers, die ordewoorden verwachten, en die aanhoudend roepen: “Renard, Renard!”. ‘Le Peuple’ van zondag 10 januari 1961 rapporteert dat in de menigte een groot spandoek wordt meegedragen waarop staat “Wij willen Renard in Charleroi”. Men moet weten dat Charleroi de enige plek in het geïndustrialiseerde Wallonië was waar André Renard tot nog toe geen enkele keer werd uitgenodigd om te spreken tijdens de algemene staking, en dat ondanks het aandringen van enkele vakcentrales zoals BBTK en ACOD. De tegenstellingen tussen de twee leiders van de syndicale tendensen in Wallonië, Arthur Gailly en André Renard, hebben tijdens de algemene staking snel een dramatische draai genomen. Het gaat voor beiden ook om het prestige, wat maakt dat Gailly zich tot nog toe steeds verzet heeft tegen de komst van Renard naar Charleroi. Maar in feite gaat het conflict niet enkel om persoonlijk prestige: er zijn in Wallonië twee tegengestelde syndicale strategieën merkbaar. Enerzijds zijn er diegenen zoals Arthur Gailly die vooral de nationale eenheid in het kader van de Socialists e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 129 ische Gemeenschappelijke Actie benadrukken en daarom niet verder willen gaan dan de terugtrekking van de Eenheidswet. En daar tegenover staan diegenen die zich geïsoleerd hebben binnen het nationaal ABVV, zoals André Renard. Het invoeren van de regionalistische houding binnen de doelstelling van de algemene staking heeft de zaken in een stroomversnelling gebracht. De vertegenwoordigers van de tendens van Gailly zijn op zich niet tegen deze houding, maar ze willen vermijden dat een dergelijke slogan door de Vlaamse kameraden zou gezien worden als een bewijs dat zij in de steek worden gelaten. Er is ook een ander aspect dat niet mag verwaarloosd worden: Gailly en de zijnen binnen de metaalvakbond hebben in Charleroi eerder een remmende dan een steunende rol gespeeld in de staking. Gailly heeft zich steeds verzet tegen de komst van Renard. Veel stakers zien deze gematigde houding van Gailly in het kader van de vele politieke en syndicale mandaten die hij combineert, en waardoor hij dichter bij de ordewoorden van de BSP staat dan bij deze van het Waalse ABVV. Vele stakers aan de basis zullen ongetwijfeld niet volledig begrijpen welke strategieverschillen er zijn tussen de linkervleugel en rechtervleugel van het ABVV, en zeker niet welke gevolgen daaruit voortspruiten. De meesten hebben immers al hun energie gestoken in de moeilijke en harde strijd. Voor vele arbeiders symboliseert Renard de linkervleugel van het nationale ABVV apparaat en is Gailly de rechtervleugel. In een dergelijk zwaar en lang conflict is het een natuurlijke reactie van de arbeidersmassa’s om zich te richten naar of te steunen op de meest linkse vleugel in de strijd. Bovendien zijn de stakers er zich van bewust dat bepaalde rechtse reformisten zoals Louis Major, Smets en Gailly zich tevreden stellen met het afleiden van de beweging, zonder ze te versterken. Ze wachten tot de beweging stilaan in kracht en snelheid afneemt, en proberen de strijd zoveel mogelijk af te remmen. Er is dus niet enkel sprake van persoonlijke rivaliteiten, de reden waarom het Renard verboden is te komen spreken in Antwerpen of Charleroi is dat zijn komst een nieuwe impuls zou kunnen geven aan de staking. Tijdens de bijeenkomst wordt Gailly opnieuw uitgejouwd en uitgefloten, maar hij gaat onverstoord door met zijn uiteenzetting over de Eenheidswet. Hij wordt opnieuw onderbroken, ditmaal door een groep militanten van de SJW, die met overtuiging roept: “Op naar Brussel! Naar Brussel!”, een slogan die zo energiek wordt overgenomen door de massa’s, dat het stadion op haar grondvesten trilt. Gailly gebaart volledig doof te zijn en gaat door met spreken. Op een bepaald moment verliezen de stakers hun geduld en willen ze niet langer luisteren naar het discours van de spreker over de Eenheidswet, een discours dat ze intussen al uit het hoofd kennen: ze willen directe actie. Voor de 25.000 stakers die bijeengekomen zijn in het stadion van Sporting Charleroi verklaart Gailly: “nog nooit in mijn syndicale carrière heb ik een staking meegemaakt die zo algemeen en geslaagd was. Het is een ware klassenstrijd die is uitgebarsten.” 130 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Maar het is niet omdat de menigte unaniem en enthousiast roept om een Mars op Brussel dat Gailly hieraan zal toegeven. Bij gebrek aan andere ordewoorden vanuit de leiders van het ABVV verlaten de betogers het stadion met de slogan: “Op naar Brussel, naar Brussel!” Ze zetten een overweldigende Internationale in. Aan de uitgang van het stadion bespreken groepjes arbeiders en de jongeren van SJW hun ongenoegen over de syndicale leiding van het ABVV die weigert de strijd verder te zetten. De SJW roept: “Dussart, kom bij ons! Dussart, kom bij ons!” Dussart, die net het stadion uitkomt, vervoegt zich bij de jongeren die om hem roepen. Samen nemen ze het hoofd van een spontane betoging van 10.000 militanten, een betoging die niet op het programma van de regionale ABVV-leiding stond. Het is in dit klimaat van frustratie en woede dat de stakers optrekken, onderweg worden de ramen van ‘La Nouvelle Gazette’ en ‘Rappel’ ingegooid. Van die laatste krant werd immers vernomen dat foto’s van stakers aan de politie werden doorgegeven. Bij alle kantoren van katholieke en liberale kranten, bij de zetel van het ACV en de bureau’s van de glasblazerijen worden de ramen ingegooid. De betoging eindigt voor de poorten van de gevangenis van Charleroi, daar eisen de stakers de vrijlating van hun kameraden. Ze roepen er : “Laat de stakers vrij! Laat de stakers vrij!” Aangezien de betogers hun eisen uiteraard niet ingewilligd zien, worden ook de ramen van de gevangenis ingegooid. Volgens de ‘Drapeau Rouge’ zitten in het hele land meer dan duizend stakers in de gevangenis. Terwijl de grote betogingen verdergaan, besluit de regering de druk op de stakende werknemers in de openbare diensten voort te zetten en zelfs op te voeren. De dreigementen van de regering hebben heel wat gevolg. In bepaalde delen van Vlaanderen, vooral in de minder geïndustrialiseerde regio’s en in Brabant, wordt hier en daar het werk hervat. De regering beslist disciplinaire maatregelen te nemen tegen stakende leerkrachten. Desondanks blijft de staking stevig verder gaan in arbeidersbastions zoals Luik, Charleroi, La Louvière, de Borinage, Gent en Antwerpen, en worden de grote en indrukwekkende betogingen van maandag aangegrepen om de moed hoog te houden. Het is immers een teken dat de arbeidersklasse niet verzwakt, maar gemobiliseerd blijft, en bereid is tot het voort zetten van de strijd. Voor de eerste keer zal de BSP een publiekelijke en categorieke veroordeling uitspreken over de gewelddaden die in de marge van de laatste betogingen zijn voorgekomen. Hiermee geeft de partij toe aan de wens van reactionair rechts om een teken van vertrouwen te geven waarop de onderhandelingen kunnen hernomen worden. De nieuwe repressieve maatregelen van de regering en het opdrijven van de arrestaties, zorgen er voor dat het land virtueel in staat van beleg is. Politieagenten in burger komen de rijkswacht versterken. Op maandag 9 januari informeert ‘Le Peuple’ ons: “Een lid van de SJW in Herstal heeft een vuistslag in het gezicht gekregen van de BOB”. De militant is onmiddellijk naar de dokter gegaan, die hem een attest over de verwondingen heeft afgeleverd. Desondanks blijkt de BSP zeer snel te zijn in het publiekelijk afwijzen van de gewelddaden die tijdens de voorbije s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 131 betogingen hebben plaatsgegrepen, maar ze zwijgt stoïcijns over het geweld van de rijkswacht en de BOB tegen de stakers. Er komt geen enkel protest vanwege de BSP tegen het feit dat 243 stakers in Bergen en Charleroi werden opgepakt. De repressieve maatregelen en de arrestaties zijn een tactiek van de regering in de hoop de stakingspiketten te kunnen ontmantelen. De regering treft nog meer maatregelen tegen de golf van sabotageacties die aanzwelt. Voor de betoging in La Louvière en de komst van André Renard worden verscheidene waterkannonnen, een veelvoud aan mitrailleurs en bulldozers voorzien voor de 600 rijkswachters die in gevechtskledij aanwezig zijn. In Hoei werd nog nooit eerder een dergelijk grote massabijeenkomst gehouden. Het persagentschap Belga kondigt 113 arrestaties aan in Luik. In de nacht van zondag op maandag worden in Gilly verschillende wegen ontdaan van kasseien, en wordt een boom gelegd over de Rue des Aises. De BOB verricht twee arrestaties ten gevolge van deze barricade. In Bergen zijn verscheidene openbare gebouwen bezet door het leger en hangen er spandoeken uit waarop staat dat “elke vijandige betoging zal een bloedige reactie uitlokken. Wij zullen schieten!”. Dinsdag 10 januari De staking beperkt zich meer en meer tot de belangrijke industriële centra in Wallonië, Brussel en Vlaanderen, centra die nog steeds volledig verlamd zijn. Verschillende massabetogingen vinden plaats, vooral in Vlaanderen. In Antwerpen brengt een bijeenkomst zo’n 20.000 betogers samen. De toespraken van de leiders van het ABVV zijn ondertussen al gekend, ze herhalen steeds de traditionele elementen tegen de Eenheidswet. De arbeiders luisteren er al lang niet meer naar, en op een bepaald moment wordt de spreker onderbroken door de stakers die spontaan scanderen: “Renard naar Antwerpen, Renard naar Antwerpen!” Aan het einde van de meeting, op het moment dat de rijkswacht opduikt, vinden enkele gewelddadige confrontaties plaats rond het Centraal Station. Voor het station heeft een linie rijkswachter postgevat. De arbeiders overweldigen hen in enkele seconden en de vloed betogers gaat verder. Op dat moment worden de matrakken getrokken en drie betogers worden neergeslagen. Een uur lang volgen er confrontaties in het hele stadscentrum. In Gent tonen zo’n 12.000 manifestanten hun tegenstand tegen de “Miseriewet”. Hoewel de betoging zeer geanimeerd is, verloopt ze toch zonder noemenswaardige incidenten, de rijkswacht blijft immers zeer discreet. De Vlaamse stakers demobiliseren zich niet, in tegendeel, zij groeien in zelfvertrouwen en geven in deze staking uiting van de meest nobele en vurige revolutionaire tradities van de arbeidersbeweging. Ook in Brussel vindt opnieuw een betoging plaats met meer dan 5.000 deelnemers. Ze stappen op terwijl ze anti-regeringsslogans roepen en ze eisen opnieuw 132 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 een mars op Brussel. De rijkswacht is ook hier discreet, en er valt geen enkel incident te rapporteren. De dreigementen van de regering worden steeds meer gericht tegen de leerkrachten die nog steeds in staking zijn. Hier en daar wordt het werk hervat, maar de meerderheid van de leerkrachten blijft zich verzetten. De regering laat weten dat het leger zal ingezet worden om maatregelen te nemen om het effectief verwaarlozen van de arbeidsmiddelen tegen te gaan. In Henegouwen is de activiteit van de stakingspiketten nog steeds erg intens, er staan piketten aan de ingang van bedrijven, ze controleren het verkeer, ze zijn alomtegenwoordig, en duiken soms op plaatsen waar men het niet verwacht. De sabotageacties blijven voortduren om de stakingsbrekers te verhinderen het werk te hervatten. Opnieuw zijn er een honderdtal arrestaties in Bergen, dertig in Charleroi. Dinsdagavond vindt in Luik een congres plaats van het ABVV Hoei-Waremme, waarop beslist wordt om het principe van de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen aan te nemen, maar het blijft bij een principe. De krant ‘La Wallonie’ van woensdag 11 januari bericht dat “slechts weinig intervenanten in de discussie hebben gevraagd dat de arbeiders de machines in de fabrieken zouden blijven onderhouden.” Op politiek vlak is vooral het eerste publiekelijke compromisvoorstel dat die dinsdag in de Kamer wordt besproken opmerkelijk. Louis Major, algemeen secretaris van het ABVV en socialistisch oud-premier Achille Van Acker, dienen een aantal amendementen in op de regelingen over de werkloosheid die in de Eenheidswet staan, amendementen die door de regering weerhouden worden. De socialistische Kamerfractie breekt hiermee via Van Acker haar woord aan de arbeiders: de leiding van BSP en ABVV had immers beloofd dat er over de Eenheidswet nooit een compromis mogelijk zou zijn. Een amendement indienen, betekent dat men toegeeft aan de wet. In zijn tussenkomst voor de Kamer zegt Van Acker: “Ook ik bevindt me voor een groot sociaal conflict. Ik begrijp dat de regering het nodige doet om de orde te bewaren. In haar plaats had ik hetzelfde gedaan.” Dit zijn schandalige woorden uit de mond van een socialistische volksvertegenwoordiger in een periode van algemene staking. Premier Eyskens vraagt dan ook snel om “het amendement van de eerbiedwaardige heer Van Acker te weerhouden”. De meeste rechtse kranten laten deze kans niet liggen om te benadrukken dat Van Acker toegeeft dat de regering juist is in haar pogingen om de orde te bewaren op de wijze dat zij dit doet. De woorden van Van Acker vormen het onderwerp van een zeer hevige discussie onder de arbeiders, en het spreekt voor zich dat deze woorden zeer slecht vallen, ondanks het feit dat het niet de eerste keer is dat deze sociaal-reformist soortgelijke verklaringen aflegt. De regering en de burgerij antwoorden niet op het voorstel tot compromis dat door de reformistische leiders wordt vooropgesteld. Er is geen sprake van dat de burgerij ook maar een duimbreed zal toegeven aan de strijd van de arbeidersklasse. In tegendeel, de toon wordt gezet in ‘La Libre Belgique’ van 13 januari 1961 wanneer deze krant schrijft: s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 133 “Nu de ordediensten meer geconcentreerd kunnen worden in die regio’s die het hardst worden getroffen door de staking, moeten we stilaan steviger gaan optreden tegen de beruchte stakingspiketten om op die manier een einde te stellen aan deze schandalige aanfluiting van het recht op arbeid.” In de dagen die volgen, zullen de ordediensten steeds verder de gewelddadige repressie tegen de stakers opdrijven. Woensdag 11 januari De algemene staking begint stilaan uit te doven, hier en daar wordt het werk hervat. In de grote industriële centra is de staking natuurlijk nog steeds succesvol, maar de stakers beginnen stilaan door te hebben dat er geen andere ordewoorden zullen komen dan betogingen “in een kalme, ordentelijke sfeer van discipline”. De syndicale en politieke apparaten tonen duidelijke tekenen van overgave. In Luik en Charleroi zijn de arbeiders van de sleutelsectoren van de economie nog steeds in staking, ondanks enkele werkhervattingen in de supermarkten en bioscopen, en ondanks het feit dat er enkele trams rijden, onder bescherming van de rijkswacht. Hetzelfde zien we in en rond La Louvière, de Borinage, Gent, Antwerpen, Hoboken en Leuven. In Bergen vindt een betoging plaats die volgens ‘Le Peuple’ van 12 januari zo’n 25.000 betogers bijeenbrengt. De eerste spreker is een parlementslid van de BSP, die zo wordt uitgejouwd dat hij niet kan spreken. Renard moet tussenkomen om de stakers te vragen het parlementslid Busieu toe te staan enkele woorden te brengen, hetgeen hij uiteindelijk kan doen voor een duidelijk ongeïnteresseerd publiek. In het Vlaamse deel van het land zijn de stakingspiketten nog steeds effectief, ondanks de druk en de enorme moeilijkheden. In Hoboken vinden enkele zware incidenten plaats tussen rijkswachters en stakingspiketten. We vernemen dat er tien gewonden zijn gevallen bij de stakers, waarvan één er erg aan toe is. De spanning tussen de rijkswacht en de stakers in Hoboken neemt toe. Hoewel het stakingspiket niets anders doet dan de werkwilligen door discussie proberen te overtuigen niet te werken, vinden er conflicten plaats wanneer de rijkswacht met de bajonet op het geweer aanvalt. Eén staker wordt dodelijk verwond aan het hoofd: een ingeslagen schedel en een ontwrichte kaak. Twee anderen raken gewond door slagen met de kolf van het geweer, en een derde door een bajonetsteek. De gewonden worden naar het ziekenhuis overgebracht. In de Rupelstreek worden met straatkeien wegversperringen gebouwd. Opnieuw vinden er gevechten plaats. Rijkswachters nemen hun geweren vast bij de loop, en slaan met al hun kracht op de stakers, aldoor roepend “Het moet hier gedaan zijn!”. De commandant van de rijkswacht geeft het volgende bevel: “Onmiddellijk deze plaats verlaten, anders krijgen jullie de keuze tussen de gevangenis of het ziekenhuis!” 134 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De rijkswachters hebben zich duidelijk moed moeten indrinken, ze stinken naar alcohol. Na de gevechten zal een bulldozer de weg terug vrijmaken. In de kranten wordt nog gewag gemaakt van sabotageacties in Ath en Doornik, een breuk in de spoorlijn veroorzaakt de ontsporing van een trein. Overal vinden willekeurige arrestaties plaats. Arbeiders van elektronicafabrikant ACEC betogen in Charleroi onder de slogan “Naar Brussel, Brussel, Brussel!” Vanuit heel België wordt bericht dat de ordediensten steeds gewelddadiger beginnen op te treden. De stakingspiketten worden aangevallen door de rijkswacht, leden van de stakingscomités worden gevangen gezet. De burgerij begint stilaan met de ontmanteling van de arbeidersmacht die spontaan is beginnen ontstaan doorheen de algemene staking: ze kan niet dulden dat de arbeidersklasse zelf de controle op het verkeer, de voedselbedelingen of de openingsuren van winkels overneemt. Tegenover de repressie en tegen de orders van de vakbondsleiding in om “niet aan te dringen tegenover de politie”, getuigden de arbeiders van een grote verbeeldingskracht en originaliteit. De rijkswachters proberen de piketten te laten opbreken door ze ver van de bedrijven weg te drijven. Daarom organiseren de stakers onmiddellijk vliegende piketten, die de ingang van de bedrijven blokkeren zonder de politie de kans te geven ze uiteen te drijven. Overal worden de piketten verstevigd en worden ze mobieler. Het systeem van voortdurende aflossingen wordt geperfectioneerd, en de communicatie tussen de piketten wordt georganiseerd. Elk piket heeft beschikking over auto’s en moto’s, en de piketten staan in contact met een lokaal coördinatiepunt, dat dan weer in contact staat met een regionaal coördinatiepunt. Tegelijkertijd verbeteren ook de tactieken in de betogingen, men leert om snel uiteen te gaan bij charges door de rijkswacht, en opnieuw bijeen te komen als het gevaar geweken is. Men leert de juiste routes kennen, manieren om dagdagelijkse objecten als wapen te gebruiken, de politiemacht te verdelen, en zich te verdedigen tegen de persfotografen die de politie inlichten. Elke tactiek in de arbeidersstrijd is het resultaat van de spontane acties van de arbeidersklasse tijdens de algemene staking. In Quaregnon tonen de stakers hun gebrek aan respect voor de kardinaal: ze betogen met een spandoek waarop staat: “Laten we de koekoek van Mechelen kaalplukken” Het spandoek wordt langs het hele parcours begroet met applaus, het enthousiasme dat wordt veroorzaakt kan niet in woorden worden beschreven. In Andenne veroordeelt André Genot de onaanvaardbare repressiemaatregelen en eindigt hij zijn toespraak als volgt: “Meer nog dan de strijd voor de terugtrekking van de Eenheidswet, is dit een strijd tegen het systeem”. In Couillet vindt een incident plaats dat typisch is voor de politieprovocaties. Twee zeer struis gebouwde broers zijn op weg naar het café wanneer ze plotseling worden aangehouden door de politie: de ene krijgt een revolver tegen het hoofd, de andere de loop van een geweer tegen de buik. Ze behouden gelukkig hun kalmte en na een tijdje kunnen ze hun weg verder zetten. Die woensdag worden s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 135 nog eens 12 stakers opgepakt, er zitten nu nog steeds 52 stakers opgesloten in de gevangenis van Charleroi. Donderdag 12 januari De algemene staking houdt stand. In de rode regio’s liggen de bedrijven nog altijd plat. In gebieden die verder van de industriële centra liggen, is er een gedeeltelijke werkhervatting. In de provincies Henegouwen en Luik is de staking nog altijd algemeen. In Vlaanderen is er weinig veranderd in de situatie. Er is een betoging in Hoboken met enkele duizenden stakers. De betoging wordt gevolgd door een meeting en verloopt zonder incidenten. De rijkswacht is niet zichtbaar aanwezig. Op donderdag 12 januari zitten we aan de vierentwintigste stakingsdag. De arbeidersklasse is nog volledig gemobiliseerd. De politieke situatie zit muurvast. De regering blijft krampachtig vasthouden aan haar standpunten en de grote arbeidersbastions aan die van hen. Op deze dag is er in Charleroi en het Achturenhuis een grote bijeenkomst van de openbare diensten. De SJW is aanwezig, net zoals bij alle andere acties in de regio van Charleroi. De spreker die werd uitgenodigd is Georges Debunne, nationaal voorzitter van het ACOD. Hij wordt warm onthaald met een luid gezongen “Marseillaise”. Naar aanleiding van de bijeenkomst was een betoging voorzien, maar er zijn gewelddadige incidenten die daar in tussen komen waarna de aanwezigen de zaal verlaten. We worden aangevallen door een groot aantal rijkswachters te paard. Ze chargeren op brutale wijze tegen enkele stakers en dat zonder enige directe aanleiding. Dit leidt tot een klimaat van algemene oproer. De 2.000 betogers in Charleroi werden langs achter aangevallen door rijkswachters te paard. Als de rijkswacht voor ogen had om ook in Charleroi, net als in Brussel en Luik, de situatie uit de hand te laten lopen en het tot doden te laten komen, dan was dit de beste manier om het te doen. Een twintigtal rijkswachters en verschillende wagens vol rijkswachters en waterkanonnen hadden strategisch plaats gevat voor het Achturenhuis om te vermijden dat de stakers de zaal zouden verlaten. Daar slaagden ze niet volledig in, ondanks een charge en confrontaties met de stakers. Er vielen een twaalftal gewonden, waaronder twee vrouwen die door een matrak werden geraakt. Eén van hen kreeg een matrakslag in het gezicht, een andere in de rug. Schmitz van het uitvoerend comité van het ACOD brak zijn arm als gevolg van een slag door de rijkswacht. Twee gendarmes werden door enkele woedende stakers gemolesteerd tijdens de confrontatie. De waterkanonnen werden ingezet en verschillende stakers werden door het water weg geduwd. De ramen van het ACOD-lokaal moesten er aan geloven als gevolg van het water. De betogers waren woedend en riepen slogans zoals “Gestapo”. Op het einde van de meeting had Hubert Billen, regionaal secretaris van het ACOD, opgeroepen tot een kalme en waardige betoging. 136 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Twee uur later werd er nog steeds gevochten. De rijkswacht zette traangas in en ging over tot een offensief om een deel van de stakers uiteen te drijven nadat deze zich hadden gehergroepeerd op het plein Charles II. De rijkswachters te paard probeerden om de zaal van het ACOD binnen te geraken. De waterkanonnen stonden strategisch opgesteld om dat mogelijk te maken. De arbeiders waren van kop tot teen nat en dat terwijl het ijskoud was. Er stond overal water, het leek wel een overstroming. De arbeiders waren woedend. De rijkswacht had een spoor van vernieling aangericht in het vakbondslokaal. De aanwezigen revolteerden, velen riepen slogans zoals “wapens, geef ons wapens!”. Hubert Billen was nog steeds ter plaatse en probeerde de gemoederen te bedaren. Dat was niet gemakkelijk aangezien hij langs alle kanten onder vuur kwam te liggen. De stakers noemden hem een ‘lafaard’ toen hij riep: “Wat zouden jullie doen met wapens?” Uiteindelijk vielen er bij de rellen een twaalftal gewonden, waaronder twee rijkswachters. We stelden vast dat de rijkswachters een duidelijke positie hadden ingenomen en hun waterkanonnen zo hadden opgesteld dat het voor ons onmogelijk was om de zaal te verlaten. Ondanks de enorme repressie, het ging om een echte aanval, slaagden veel betogers er met moeite in om de zaal te verlaten en het waterkanon te trotseren. Toen ik naar buiten ging, zag ik een schokkend beeld. Twee rijkswachters hielden een staker bij de armen vast terwijl een derde rijkswachter hem achteraan op zijn hoofd sloeg met de achterkant van zijn geweer. Ik was woedend en in een fractie van seconde kwam ik tussen. Ik trok het geweer uit de handen van de derde rijkswachter die hierdoor het evenwicht verloor en achterover viel. Hierdoor stond ik daar plots met het geweer van de rijkswachter in mijn handen. Op dat ogenblik lieten de twee andere rijkswachters de arbeider die ze vasthielden los. Die maakte dat hij weg was. Ze kwamen op mij afgelopen. Ik gooide het geweer in hun richting, wat me een beetje voorsprong gaf in de vlucht. Jammer genoeg werd het incident gevolgd door de rijkswachters die een ander waterkanon bedienden. Ze richtten het kanon op mij en ik viel op de grond. Na enkele ogenblikken, het leek voor mij een eeuwigheid, slaagde ik er toch in om te ontsnappen aan deze weinig comfortabele situatie. Ik hield er wel een ziekte aan over. Gelukkig manifesteerde deze ziekte zich pas na het einde van de algemene staking nadat ik een tiental dagen opnieuw had gewerkt. Maar als gevolg van ziekte zou ik toch gedurende een lange periode van 21 maanden buiten strijd zijn en niet kunnen werken. De rijkswachters te paard trokken hierna naar het Volkspaleis van Charleroi (het grote volkshuis), uiteraard om daar verder te provoceren. De stakers hadden er zich gehergroepeerd en gooiden voetbommetjes naar de paarden die begonnen te steigeren. De rijkswachters bliezen dan maar de aftocht. Ook de SJW was uiteraard aanwezig en stond vooraan in de strijd. Bij de confrontaties waren er veel jonge maar ook minder jonge arbeiders betrokken. Zij lieten zich niet zomaar doen door de rijkswacht. Eerder op de dag waren twee SJW’ers van Charleroi opgepakt omdat s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 137 ze geluidsinstallaties aan het opzetten waren voor de betoging die op dezelfde dag was voorzien. Er werd een vergadering gepland op vrijdag 13 januari 1961 in Saint-Servais te Namur. De vergadering zou het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV en de Waalse federaties van de BSP bijeenbrengen. Donderdag 12 januari werd vooral getekend door het geweld van de ordediensten van de regering-Eyskens. Die aarzelden niet om brutaal geweld te gebruiken tegen de stakers. Vrijdag 13 januari Als reactie op het agressieve optreden van de politie, betoogden de arbeiders van ACEC massaal door de straten van Charleroi. De SJW-militanten uit de glassector trokken mee in de betoging. Een dag na het brutale geweld tegen de arbeiders van het ACOD, verzamelden 1.000 stakers van ACEC zich in de fabriek om te betogen. De betoging groeide snel aan tot 3.000 deelnemers die door de hele stad trokken. Er werd gezocht naar rijkswachters om hen van antwoord te dienen, maar de rijkswacht stelde zich erg verdekt op. Ze durfden het enkel aan om met een vliegtuigje van de rijkswacht op een lage hoogte boven het stadscentrum te passeren. De betogers waren vastberaden en betoogden in elkaar gehaakt om iedere provocatie meteen af te slaan. De woedende betogers kwamen geen enkele rijkswachter tegen. We vernemen op dat ogenblik dat er bij de confrontaties van de dag voordien vijf rijkswachters gewond waren geraakt en dat ze er erg aan toe waren. Bij verschillende afdelingen van het trampersoneel wordt beslist dat de algemene staking tot de finish zal worden doorgezet. Er wordt zoals iedere dag soep bedeeld aan de stakers in het Volkshuis van Fleurus. Na de agressie in Charleroi is de wil om verder te strijden enkel sterker geworden. Er waren op het front van de algemene staking verschillende grote betogingen deze dag. Op de 25ste stakingsdag werd betoogd in Charleroi, Verviers, Wandre,… Er waren nog enkele incidenten met gewonden. Naast enkele nieuwe werkhervattingen, moest worden vastgesteld dat de belangrijkste economische sectoren zoals de metaal, de staal en de glassector nog altijd volledig plat lagen. De Algemene Centrale van het ABVV was steeds tegen de algemene staking geweest. Nu verklaarde de AC publiekelijk tegen de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen te zijn. Het bureau van de BSP stelde het voorstel van het Waalse ABVV om een tweede politieke front te openen met een collectief ontslag van de BSP-parlementsleden of hun afwezigheid op de discussies over de Eenheidswet uit. Het Waalse ABVV stelde dat een dergelijk optreden van de BSP het beste zou beantwoorden aan de stelling van de verkozenen van de partij die meenden dat de Eenheidswet niet kon aangepast worden en niet als basis voor een parlementaire discussie kon dienen. De verantwoordelijken van de Waalse vleugel van het ABVV hadden een kort 138 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 geheugen: ze waren blijkbaar al vergeten dat Van Acker en Major in het parlement amendementen hadden ingediend op de Onrechtswet. De vergadering in Saint-Servais besloot om een gezamenlijk memorandum van de BSP en het ABVV op te maken om dit aan de koning te overhandigen. In dit memorandum zouden de voorstellen van de BSP om het land uit de impasse te halen nader worden omschreven. Ongetwijfeld zou daarbij de nadruk worden gelegd op de eisen rond federalisme. De top van de BSP en het ABVV beperkten zich op de 25ste stakingsdag tot een enkele eis. En dat terwijl de economie van het land nog steeds verlamd was met tienduizenden arbeiders die in het klassenconflict waren betrokken. Op het ogenblik dat de Eenheidswet werd gestemd, dat gebeurde op deze vrijdag in het parlement met 115 stemmen voor, 90 tegen en een onthouding, vonden de socialistische verkozenen en de ABVV-leiders er niets anders op dan om de extra-parlementaire actie te beperken tot het opstellen van een memorandum voor de koning. Tegelijk werd geprobeerd om de arbeiders gerust te stellen. De BSP verklaarde: “de strijd tegen de toepassing van de wet zal tot op het einde worden gevoerd.” Tot op vandaag hielden de stakers vast aan hun strijdwil. Dat was de basis waarop de arbeidersklasse in staat was om de volledige economie van het land te verlammen. Tot op vandaag bleef de burgerij ook bang voor spontane initiatieven van de stakers en werd het volledige spoornet op militaire wijze gecontroleerd. Er werden instructies gegeven voor het geval er toch tot spontane acties zou worden overgegaan: “Schiet eerst en waarschuw dan pas.” Deze militairen zaten in juli nog in Congo. Ze waren verontwaardigd omdat hun bevelen toen gevoelig anders waren: “Schiet pas als het niet meer anders kan en spaar zoveel mogelijk levens.” Op initiatief van André Renard werd een plenaire vergadering gehouden van alle Waalse socialistische parlementsleden. Deze bijeenkomst ging in Saint-Servais door en nam volgende resolutie aan: “De Kamerleden, Senatoren, gedeputeerden en socialistische burgemeesters van de Waalse arrondissementen, verklaren zich na een maand van harde staking vanwege de Waalse arbeiders solidair en houden een legitieme vergadering die een meerderheid van de Waalse bevolking vertegenwoordigt. We beslissen om een audiëntie bij de Koning aan te vragen om hem formeel onze eisen kenbaar te maken. Wallonië heeft het recht om voor zichzelf te beslissen en de weg van haar economische en sociale expansie zelf te kiezen.” Opdat de lezer een exact beeld zou hebben van de politieke positie van de reformistische leidingen van de BSP en het ABVV op een ogenblik dat er een opstandig en revolutionair sociaal conflict plaats vindt, is het nuttig en noodzakelijk om de tekst van de oproep van de socialistische verkozenen aan de koning aan te halen. De tekst ervan verscheen in de krant La Wallonie op maandag 16 februari 1961 “Sire In 1912 kreeg Koning Albert, die in het geheugen van onze bevolking gegrift blijft, een brief van de grote socialist en belangrijke Waal Jules Destrée. De brief had het over de gevaren die in dit land aanwezig zijn als gevolg van het feit dat er twee volkeren zijn met unitaire instellingen die slecht aangepast zijn aan deze realiteit. Vervolgens werd zowel door de Vlamingen als de Walen bloed vergoten op het strijdtoneel waar de verdediging van de vrijheid werd opgenomen. Dat heeft de solidariteit tussen de twee volkeren die onderscheiden worden door hun taal en door hun cultuur opnieuw bevestigd. De twee volkeren worden verbonden door grote herinneringen en door de uitoefening van hun democratie. Toen de Vlaamse eisen werden gesteld, begrepen de Waalse arbeiders de klachten die niet de hunne waren. Ze hielpen om tot oplossingen te komen voor Vlaanderen en België. We denken dat het uwe Majesteit zal plezieren om vandaag te luisteren naar de stem van de Waalse socialistische mandatarissen, de legitieme vertegenwoordigers van de meerderheid van hun volk. Zij zijn zich erg bewust van de diepgaande redenen die de arbeidersklasse intussen bijna een maand mobiliseren in hun regio en dat in een erg felle en wrede staking. In de vorige eeuw heeft Wallonië zich snel aangepast aan een nieuwe beschaving. De bodemschatten en de arbeidskracht werden in dienst van België gesteld, waardoor het land welvarend werd. Onze arbeidersklasse heeft als gevolg van die enorme inspanningen enkel lijden en miserie gekend. Beetje bij beetje heeft zij het bewustzijn ontwikkeld over haar omstandigheden en haar rechten. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog verkeeg zij met het algemeen stemrecht het middel om haar politieke emancipatie te bekomen, een onvermijdelijke prelude voor haar economische en sociale emancipatie. Terwijl onze vaders met grote moeite betere levensomstandigheden afdwongen, geraakten de natuurlijke rijkdommen van Wallonië uitgeput. Het belang van de bevolking nam af, het industriële elan van Wallonië leed onder de zwakheden van een economisch regime dat enkel bezorgd was om de onmiddellijke winsten en niet in staat was om een coherente en aanhoudende inspanning te doen op het vlak van de industriële organisatie. Onze industrie is verouderd en geleidelijk aan zal ze afsterven, het is het slachtoffer van de kapitalistische concentratie maar ook van het feit dat het niet aangepast werd aan de moderne methoden en productievormen. Overal in Wallonië, doorheen onze valleien en de flanken van onze heuvels, zijn er skeletten van verlaten fabrieken die getuigen van deze oprukkende industriële ruïne. Onze steenkool werd minder gemakkelijk exploiteerbaar, de sector raakt versmacht en vervolgens sloten de mijnen een voor een. We zijn de tel kwijt van 140 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 het aantal mijnen, dat definitief is gesloten, enkel de ‘terrils’ zijn er nog als stille getuige van zoveel zware menselijke arbeid. Het patronaat heeft intussen haar oude of nieuwe bedrijven overgeplaatst naar het Vlaamse land, in de hoop om er goedkopere arbeidskrachten te vinden. Er werden bedrijven overgeplaatst naar Brussel waar alle nationale machten gezeteld zijn met de banken, de maatschappijen en hun bureau’s. Die industriëlen die willen overleven en trouw blijven aan de Waalse regio hebben het moeilijk om het kapitaal te vinden dat nodig is om de bedrijven te moderniseren. Intussen verdwijnen miljarden franken naar het buitenland. Sinds een halve eeuw klagen de Waalse socialisten de gevaren aan die niet alleen onze arbeiders bedreigen, maar ook Wallonië en België. Sinds een halve eeuw geven ze uitdrukking aan de vastberadenheid van de Waalse arbeiders om onder het juk van de Vlaamse parlementaire meerderheid van voornamelijk conservatieven te ontsnappen. En er wordt ook uitdrukking gegeven aan de wil van de arbeiders om effectief deel te nemen aan het beheer van het economische leven van haar regio. De Waalse socialisten benadrukken de noodzaak om met durf en energie de structuurhervormingen toe te passen die andere Westerse landen hebben ingevoerd. Het gaat er om dat de economie richting wordt gegeven, gepland en georganiseerd met het oog op het algemeen belang. Sire, de Waalse arbeiders willen rustig werken en steeds opnieuw hun solidariteit betuigen. Dat is hun politieke religie tegenover al wie, bij ons of elders, leeft van zijn arbeid. Op een ogenblik dat nieuwe economische gemeenschappen tot stand komen, willen ze bijdragen aan de welvarendheid van heel het land, maar ze willen ook dat hun rechten en legitieme belangen worden gerespecteerd. De evolutie van België heeft aan het Waalse volk het gevoel dat het niet wordt begrepen en niet gehoord door diegenen die het land regeren. Ze stellen zich vragen over hun plaats binnen de Belgische gemeenschap. Ze stellen formeel het unitaire karakter van onze traditionele instellingen in vraag. Ze zoeken oplossingen zonder te raken aan de onafhankelijkheid of de integriteit van het land. Maar ze zoeken oplossingen die erkennen dat België bestaat uit twee volkeren die elk een eigen identiteit hebben, een eigen cultuur en eigen doelstellingen. Ze eisen dat de Grondwet op zo’n wijze wordt herzien dat onze nationale instellingen de Walen garanties bieden tegen het diepgaande interne onevenwicht waaraan het land lijdt. Uw wijsheid kennende Sire, zijn we ervan overtuigd dat u zult begrijpen dat deze oproep er op gericht is om zowel Wallonië als België te dienen. Vrijdag 13 januari 1961 De parlementsleden, senatoren, gedeputeerden en socialistische burgemeesters van de Waalse arrondissementen van het land.” s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 141 Bij het lezen van deze brief aan de koning, moeten de arbeiders zich de terechte vraag stellen: wat doen de BSP-leiders met hun republikeinse opvattingen die in het verleden steeds zo sterk naar voor werden gebracht in de partij (denk maar aan het conflict over de Koningskwestie in 1950)? Met deze oproep was de koning gerustgesteld. Hij begreep dat de Waalse socialisten de arbeidersklasse niet wilden mobiliseren om de macht te veroveren of om verder te gaan dan het “algemene belang” van het land. De eisen van de BSP-leiders beperken zich strikt tot wat was toegelaten binnen de burgerlijke staat. De bedoelingen van de sterkste politieke kracht van Wallonië waren zeker niet om het verzet, laat staan de rebellie, te organiseren. Neen, het doel was om “zowel Wallonië als België te dienen”, ook al worden deze gedomineerd door een kapitalistisch systeem van uitbuiting. Robert Moreau, de adjunct nationaal-secretaris van het ABVV, schreef hierover op pagina 181 van zijn boek: “Onze kameraden syndicalisten en wij wilden niet bekend maken dat deze vergadering en de tekst die op zaterdagochtend 14 januari aan de koning werd overhandigd, meer indruk maakten op het staatshoofd dan de vier weken van stakingen en betogingen.” Dat is een verklaring van een bondgenoot van André Renard, iemand die tot de linkerzijde van het reformistische apparaat van het ABVV behoorde. Hij verklaart schaamteloos dat “deze vergadering en deze tekst” meer indruk maakten op het staatshoofd dan de vele betogingen met een opstandig karakter en de weken van algemene staking die de economie van het land hadden platgelegd en steeds de dreiging van een algemene opstand in zich droeg. De Waalse arbeiders konden niet bepaald fier zijn op de leiders van de BSP en het ABVV die na een maand van algemene staking niet verder kwamen dan de eis tot Waalse zelfbeschikking over te maken aan de koning. In de nacht van donderdag op vrijdag werden heel wat barricades opgeworpen in de regio van de Borinage. ’s Ochtends werd vastgesteld dat de stakersposten sterker stonden. Dat maakte duidelijk dat de uitputtingsslag die de regering wilde, geen indruk maakte op de stakers. Dit vormde de reden voor een nieuwe golf van arrestaties door de rijkswacht. Meer dan 100 vreedzame stakers werden meegenomen. Er werd willekeurig gearresteerd voor het station van Bergen. In Namen “doet de strijd denken aan de grote strijdbewegingen van de 19e eeuw. Deze strijd wordt gewonnen, daar ben ik stellig van overtuigd”, verklaarde A. Genot. “Deze staking wordt gewonnen, dat is ook het gevoel van de arbeidersklasse die weet dat het morgen niet meer zal zijn zoals gisteren. De arbeidersklasse zet een grote stap in de richting van een socialistische samenleving”, (Le Peuple op 14 januari 1961) 142 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De Waalse ABVV-leiders deden alle moeite om te doen geloven dat de arbeidersklasse de staking had gewonnen en dat een grote stap in de richting van een socialistische samenleving werd gezet. Maar in de praktijk van de klassenstrijd was dit helemaal niet zo. Om hun capitulatie te verbergen en om de strijd niet tot op het bot te moeten voeren, werd ons gevraagd om theelichtjes voor lantaarnpalen te nemen. Dat is een tactiek die sommige schrijvers misschien om de tuin kan leiden, maar niet de arbeiders die met beide voeten in de realiteit staan. Zaterdag 14 januari De instanties van het ABVV en de BSP hebben vandaag verschillende vergaderingen. De regering voert de druk verder op en uit nieuwe bedreigingen, zeker tegen de personeelsleden van de openbare diensten. Het nationaal comité van de spoorwegarbeiders komt in spoedberaad bijeen en verklaart dat het zich buigt voor de dreigementen en dat de strijd wordt verder gezet. Er is een betoging van stakers in Houdeng. De krant Le Peuple schat dat er 10.000 aanwezigen zijn. Er is geen enkel incident. De Eenheidswet is intussen aangenomen door de Kamer. Het bureau van de BSP formuleert een eis die wordt gesteund door de KPB, de BSP eist de ontbinding van het parlement en nieuwe verkiezingen. In de regio van Le Centre zijn er opnieuw willekeurige arrestaties. Een staker wordt achterna gezeten door een jeep van de rijkswacht waarbij een rijkswachter de staker, mevrouw Louise Motte, met een revolver bedreigt. Een andere stakende arbeidster wordt eveneens opgepakt. De voorzitter van ACOD-Spoor in Le Centre en tevens socialistische schepen, Jean Dessart, wordt eveneens opgepakt bij hem thuis. Ze worden allen zonder enige reden vastgehouden. De reden waarom ze werden opgepakt, was omdat ze staakten. Zondag 15 januari Het ABVV van Gent en Antwerpen kondigen officieel aan dat er een algemene werkhervatting in alle sectoren komt vanaf maandag 16 januari. Op het nationaal bureau van het ABVV wordt gezegd dat de beslissing om het werk te hervatten, werd genomen door de Socialistische Gemeenschappelijke Actie van zowel Gent als Antwerpen. De vakbondsverantwoordelijken van het gemeentepersoneel in beide steden ontkennen dat ze werden geraadpleegd en stellen dat ze enkel het bevel tot werkhervatting hadden gekregen. Ze protesteren tegen de ondemocratische handelswijze van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie. Ook in een aantal Waalse sectoren worden werkhervattingen aangekondigd. Maar in Charleroi en Luik worden de ordewoorden om de algemene staking voort te zetten, bevestigd door verschillende algemene vergaderingen van de metaalarbeiders, het spoorpersoneel en de leraars. Ook de glassector ligt nog volledig plat. s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 143 Het ABVV van Bergen beslist eveneens om de staking voort te zetten. Er zijn sabotagedaden in heel het land. Zo was er een passagierstrein ontspoord in Landelies, in de buurt van Charleroi. De trein reed op een mijn en door de explosie kwamen de locomotief en drie rijtuigen naast de sporen terecht. Maandag 16 januari De staking is nog altijd totaal in de industriële centra van Luik, Charleroi, Le Centre, de Borinage en Bergen. Er zijn nog steeds betogingen. In Grivegnée is er een militantenconcentratie gevolgd door een meeting. In zijn toespraak herhaalt André Renard daar de punten van het memorandum aan de koning. Hij stelt er dat de punten van dit memorandum een uitdrukking zijn van “alles wat het ABVV al jaren voorstelt en verdedigt.” Na afloop van de betoging zijn er ernstige incidenten. In Chênée schieten de rijkswachters opnieuw zonder enige waarschuwing. Hierbij raken drie stakers gewond. Een van hen is ernstig gewond aan het hoofd, hij zou later overlijden. Het ging om Jos Woussem, 32 jaar en vroegere bokskampioen. Er werden 50 arbeiders opgepakt. Er was geen oplossing voor het conflict in het vooruitzicht. De stakers waren woedend. Ze begrepen niet waarom er stakingsbrekers waren die bereid waren om de bussen te laten rijden. Dat werd aangevoeld als een provocatie. De betogers vielen deze bussen aan, de ramen moesten er aan geloven. De rijkswacht duwde de betogers achteruit, arbeiders die gewoon in de buurt stonden, werden meteen met matrakken verdreven, zelfs vanuit hun eigen vakbondslokalen. Het is een oorlog tussen de rijkswachters en de stakers. De arbeiders hebben niet de intentie om zich zonder enige weerstand te laten doen. In Brussel wordt door het ABVV een betoging gehouden als eerbetoon aan de “slachtoffers van de blinde repressie en het zinloze geweld”. In Charleroi zijn er opnieuw meer dan 2.000 betogers met de arbeiders van ACEC voorop. R. Dussart en zijn troepen betogen nogmaals voor de gevangenis van Charleroi met de slogan: “Laat de stakers vrij.” In Luik krijgen de soldaten net zoals in Roux eten van de vrouwen van de stakers. Zij brengen soep, boterhammen en zelfs sigaretten. Zelfs in die harde tijden op een ogenblik dat er weinig middelen voor handen waren, sprak het hart van de stakersvrouwen. De soldaten waren zich niet altijd bewust van de rol die de regering hen liet spelen. Maar waar ze zich wel van bewust waren, was dat ze enkel van de stakers eten kregen. In Auvelais verzamelden de vrouwen van de stakers in het Volkshuis om hun gevangen genomen mannen te bezoeken. Ze stellen: “Het zijn onze mannen die de strijdbaarheid er in houden.” De rol van vrouwen was zoals steeds van cruciaal belang in deze algemene staking. Ze waren op alle activiteiten, op de piketten, de betogingen, de confrontaties met de ordediensten die soms erg gewelddadig waren. Overal in het land vielen er verschillende gewonden onder de stakersvrouwen. Sommigen moesten naar het ziekenhuis voor verzorging. De vrouwen hebben 144 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 niet enkel hun mannen ondersteund in de staking, ze hebben er zelf actief aan deelgenomen met een voorbeeldige strijdbaarheid en een aanzienlijke inzet. In de vroege uren van de dag trokken veel vrouwen naar het Volkshuis om er mee te werken aan de bevoorrading van de stakers, het voorbereiden van maaltijden met soep en boterhammen. Er waren ook een aantal betogingen van vrouwen die op straat kwamen om de vrijlating van hun mannen te eisen. Arbeiders die ’s ochtends werden opgepakt en in de namiddag vrijgelaten, waren vaak dezelfde avond opnieuw aan het betogen. Het mooiste eerbetoon dat we kunnen brengen aan de strijdbaarheid en de toewijding van de stakersvrouwen in deze grote strijd van de Belgische arbeidersklasse in 1960-61, is door er op te wijzen dat de stakersvrouwen op de moeilijkste momenten van de klassenstrijd, zoals tijdens de opstand in Luik, steeds mee op straat stonden. France Arets nam een interview af met Anne Massay, verantwoordelijke van de BBTK voor de supermarkten in Luik. Dit is wat ze over de rol van de vrouwen in de staking stelde: “Toen de staking van 1960-61 tegen de Eenheidswet uitbrak, stonden de vrouwen op de eerste lijn. De vrouwen waren er op alle betogingen, ook bij de confrontaties aan het station van Guillemins. Ze verzetten zich tegen de rijkswachters die de militanten op de grond slaan en ze worden mee opgepakt. Sommigen werden nog opgepakt na de nachtelijke schermutselingen, ze bleven meer dan een maand in de gevangenis. Ze vonden dat erg, maar gaven niemand aan.” (France Arets en Anne Massay in het boek ‘Changer la société sans prendre le pouvoir’ van Matéo Alalouf, p. 127). In Chênée kreeg Victor Closet meerdere kogels in zijn arm. Er werd in totaal een twintigtal keer geschoten. De deuren van het gebouw van de Socialistische Mutualiteit werden geforceerd door de rijkswachters, de conciërge werd aangevallen en raakte hierdoor gewond aan het hoofd. De stakers verlieten het lokaal met opgeheven hoofd maar ze werden eveneens onthaald op matrakken en slagen van de geweerkolven van de rijkswachters. De rijkswachters trokken het vakbondslokaal binnen en richtten er vernieling aan. Iedereen in het lokaal werd opgepakt, ook de vrouwen en de gepensioneerden. De wijkbewoners lieten hun rolluiken naar beneden als teken van rouw. Een socialistische schepen van de gemeente verklaarde dat het “leek alsof we terug waren gekeerd naar de hoogdagen van de bezetting.” Maandag 17 januari In de industriële bassins van Luik en Charleroi gaat de algemene staking verder. Maar de afwezigheid van een ordewoord zorgt ervoor dat er een tendens s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 145 tot werkhervatting is. Desondanks zijn er nog concentraties en betogingen in Wandre, met meer dan 8.000 stakers, en in Ougré waar meer dan 10.000 stakers op straat komen. In de Kamer zijn er tussenkomsten over het feit dat een rijkswachter zijn revolver leeg schoot zonder dat er sprake was van legitieme zelfverdediging. De rijkswachter schoot zonder te verwittigen en dat op een ogenblik dat het slachtoffer net weg wilde gaan. De minister van Binnenlandse Zaken signaleerde dat er volgens de politierapporten 1.350 sabotagedaden werden gepleegd sinds het begin van de algemene staking. Maar als de niet-geregistreerde sabotagedaden ook in rekening worden gebracht, waren het er ongeveer 3.750. De grote steun van de traditionele media aan de regering lijkt intussen wat bekoeld te zijn. Het dagblad Le Soir publiceert op maandag 17 januari een uitgebreid artikel waarin de regering-Eyskens op de korrel wordt genomen. Hierbij een kort uittreksel: “Van succes naar succes Enkele maanden geleden maakten we hier nog een zo objectief mogelijke balans op van de regeringsdaden de afgelopen twee jaar. We moesten vaststellen dat er niets of bijna niets op het actief van de heer Eyskens en zijn ministers kon worden geschreven. Het uur van de waarheid brak aan, hij moest zonder treuzelen het nationale herstel aanvatten. Dat zou het project van de Eenheidswet worden. Dat was een “echt monster”, waarbij de voorstelling in het parlement leidde tot unaniem ongenoegen doorheen het land. Na de Congolese catastrofe, was dit niet bepaald de uitdaging waar we het land naar toe moesten brengen. Was er zoveel cynisme nodig, zo’n gewelddadige remedie, zo’n brutaal bloedbad? We kunnen stellen dat er geen enkel onderdeel van het nationale leven is waarop de fouten van deze regering niet zwaar wegen.” Ondanks het feit dat de staking haar vijfde week ingaat, ligt de industrie in Wallonië nog altijd volledig plat. Onder de 68 stakers die worden vastgehouden in de gevangenis van Charleroi, bevinden zich ook vier militanten van het ACV. Dat maakt eens te meer duidelijk dat de leiding van het ACV wel tegen de staking was, maar de basismilitanten aan de kant van hun kameraden van het ABVV stonden. In Ougrée was er op deze dinsdag nog eens een betoging met duizenden aanwezigen. André Genot sprak de betogers toe. De stakers maakten duidelijk dat ze hun strijd wilden voort zetten tot de intrekking van de Onrechtswet. Woensdag 18 januari De grote industriële centra (Luik, Charleroi, Bergen, La Louvière en de Borinage) houden stand. In die regio’s liggen de staalindustrie en de grote bedrijven nog altijd volledig plat. In verschillende sectoren wordt een werkhervatting aangekondigd 146 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 of wordt effectief overgegaan tot het hernemen van het werk. Waar de algemene staking wordt beëindigd, trekken de arbeiders in groep de fabrieken binnen. Ze zingen daarbij de ‘Internationale’ en houden hun vuist omhoog, daarmee maken ze duidelijk dat de strijd verder gaat. De repressie heeft intussen een vierde dode gemaakt. Enkel aan de kant van de stakers zijn er doden te betreuren. De laatste woorden van Jos Woussem waren: “Red ons, het is om zeep.” (Le Peuple, 18 januari). ’s Nachts werd een zware betonblok over de sporen gelegd in het station van Ransart. In Jumet verscheen er op een bepaald ogenblik een jeep van de Militaire Politie. Een van de twee inzittenden, laadt zijn geweer. Maar de stakers reageren vastberaden, waarop de jeep de aftocht blaast. Het ABVV brengt hulde aan de dodelijke slachtoffers die gevallen zijn onder de repressie. Het ABVV-congres in de Borinage beslist om het werk te hernemen. In de resolutie van het congres staat: “De ontbinding van de staking komt er na de stemming van de Eenheidswet in de Senaat, maar de Eenheidswet zal niet worden toegepast.” Dat is hoe bepaalde bureaucraten de arbeiders ertoe wilden krijgen om de staking te beëindigen. Donderdag 19 januari Ondanks het feit dat in steeds meer kleine en middelgrote bedrijven het werk wordt hernomen, blijven de grote bastions in staking. Op deze donderdag zijn er na 31 stakingsdagen nog meer dan 200.000 stakende arbeiders. Dat is een uitdrukking van het verzet en een uitzonderlijke actiebereidheid. De onderwijssector werd het meeste bedreigd door de regering. De onderwijsvond verklaarde: “Als er een sanctie wegens stakingsfeiten aan een lid wordt opgelegd, dan wordt onmiddellijk overgegaan tot een nieuwe werkonderbreking.” Op verschillende algemene vergaderingen van het ABVV wordt geëist dat een cumulatie van politieke en syndicale mandaten niet langer zou kunnen. De stakers zien die eis als een voorwaarde om met de vakbonden onafhankelijk te staan tegenover de BSP. In Doornik zijn nog 15 stakers gevangen. Vrijdag 20 januari Vandaag zijn er steeds meer plaatsen waar iedereen terug aan het werk is. In Charleroi is dat niet het geval, hier blijft de staking stand houden in de metaal en de glassector. Daar bevinden zich de hardste kernen, met de arbeiders van ACEC op kop. Het ABVV voorziet dat er zaterdag een geheim referendum wordt georganiseerd in de Volkshuizen doorheen de regio. Er is op vrijdag 20 januari een betoging met stakers van ACEC. De betoging wordt ondersteund door syndicale delegaties uit Luik. De 2.000 betogers worden s e s d d n d d s d d n a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt ag ag ag a a ag ag ag 147 toegesproken door Robert Dussart, hoofddelegee van het ABVV bij ACEC. Dussart stelt dat de algemene staking “tot de finish” moet doorgaan. Als hij tijdens zijn toespraak de naam van Arthur Gailly laat vallen, volgt boegeroep van de betogers. Naast de acties en betogingen, was dit vooral ook een triestige dag voor de volledige arbeidersklasse van dit land. Op 20 januari, vier dagen na zijn overlijden, werd Jos Woussem begraven. De begrafenis verloopt in alle sereniteit. Zowat 20.000 arbeiders zijn aanwezig om een laatste eerbetoon te brengen aan de moed en de strijdbaarheid van de kameraad die als staker werd vermoord door de repressiekrachten van het kapitaal. De militairen die in Duitsland gelegerd zijn, kunnen terugkeren naar hun eenheid. De reserverijkswachters worden gedemobiliseerd, behalve in de provincies Luik en Henegouwen. Zaterdag 21 januari Het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV heeft een vergadering onder voorzitterschap van André Renard. Er wordt beslist om de staking op te schorten vanaf maandag 23 januari 1961. De 150.000 stakers die nog steeds een aantal sleutelsectoren van de Waalse economie lam leggen, zullen bijgevolg vanaf maandag het werk hervatten. Zondag 22 januari In Charleroi gaf het referendum dat op zaterdagvoormiddag werd gehouden een meerderheid aan de voorstanders van een werkhervatting vanaf 23 januari. Van Den Boeynants, de minister van middenstand, berekent de totale kost van de algemene staking op zowat 9 miljard Belgische Frank. Deze ochtend vernemen we verschrikkelijk nieuws. M. Boutet, 25 jaar en vader van drie kinderen, werd tijdens de schermutselingen aan het station van Luik-Guillemins op 6 januari gewond aan de keel als gevolg van een schot door de politie. Vandaag vernemen we dat hij aan zijn verwondingen is overleden. Hierdoor komt het dodental op vier te liggen. In de algemene staking van de winter van 1960-61 vielen drie slachtoffers in de regio-Luik en een in Brussel. Alle drie de doden in Luik kwamen om nadat ze van langs achteren werden neergeschoten. “De rijkswachter die J. Woussem heeft gedood, stelde dat hij in de lucht schoot”, stelde de burgerlijke media vergoelijkend. Ondanks het feit dat het Antwerpse ACOD vanaf 16 januari terug aan het werk was gegaan, was er nog een betoging met 1.000 aanwezigen. Na een volledige maand van algemene staking zijn de 150.000 stakers uit de industriële centra van Luik en Charleroi de enigen die nog in staking zijn. Ze stemmen voor het hervatten van het werk. De algemene staking is voorbij. 148 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Eens de arbeiders terug de fabrieken binnen gaan, blijft de woede en de strijdbaarheid overeind. Voor de arbeiders is de strijd niet voorbij. De strijd zal andere vormen aannemen, maar het blijft zoals steeds een strijd van klasse tegen klasse. Vlak na het hernemen van het werk, was er vanaf woensdag 25 januari al een nieuwe staking onder het spoorpersoneel van Charleroi. Die actie was een protest tegen de poging om sancties op te leggen aan stakende arbeiders. Charleroi. De quasi dagelijkse betoging van ACEC trekt naar het stadscentrum (ii) Brussel. Een slaande argumentatie (ii) Brussel. Te paard of te voet, de rijkswachters chargeren op de betogers (ii) Brussel. De regering zoekt geld? De studenten maken duidelijk waar er geld te vinden is: bij het leger en de fiscale fraude. (ii) Seraing. Een typische arbeidersmeeting. (ii) Luik op 6 januari. Het betonnen karkas van een school in aanbouw doet dienst als tribune voor duizenden betogers (ii) 153 V De algemene staking is voorbij, de strijd gaat verder Het patronale offensief onmiddellijk na het einde van de staking Slechts enkele weken na de staking moesten de arbeiders al het hoofd bieden aan een patronaal offensief, ongetwijfeld om te testen of de lange staking en het gebrek aan inkomen het vermogen tot verzet van de arbeiders had aangetast. Sancties vielen in de openbare diensten, net als oproepen tot verklikken en aangeven, pogingen tot ontslagen in de privésector, werkloosheid,... Op 23 januari 1961 publiceerde de directie van ‘L’espérance-Longdoz’ (metaalnijverheid) in Luik een rondzendbrief naar al het personeel. Samen met het uitdrukken van haar achting tegenover het syndicalisme, bevestigde zij hierin dat zij de enige was die in het bedrijf autoriteit kon uitoefenen en dat zij sancties zou nemen tegenover de strijdbare vakbondsafgevaardigden. Hetzelfde scenario deed zich voor bij Acec in Charleroi, waar de algemeen directeur, M. Gauchie, op 26 januari 1961, een rondzendbrief publiceerde. Daarin was er sprake van een mogelijkheid tot samenwerking met de vakbond. Op een bruuske manier werd het de syndicale delegatie echter verboden meer dan één algemene vergadering per maand te organiseren, met bovendien de plicht hiervoor toestemming te vragen aan de directie, waarbij haar het voorstel van agenda moest worden voorgelegd. Uiteraard weigerde de syndicale delegatie zich te onderwerpen aan deze aanslag op de syndicale vrijheden en de twaalf afgevaardigden werden afgedankt. Die verschillende aanvallen maakten deel uit van een gezamenlijk plan van de patroons. Het moet vermeld dat in veel bedrijven de ACV-delegees solidair waren met de ABVV-delegees. Van de glasblazerij van de “Discipline” in Gilly heb ik in mijn archieven van die periode een artikel bijgehouden dat verschenen is in La Gauche nr. 8 van 18 februari 1961. Het is geschreven door Marcel Ovart, syndicaal militant en federaal propagandasecretaris van de SJW, en draagt de titel: ‘De staking in mijn bedrijf’. Je kunt het hieronder lezen. De glasblazerij in Charleroi Een grote meerderheid van de glasarbeiders was klaar voor de strijd toen de staking begon en wachtte slechts op een ordewoord van de syndicale delegatie om zich in de strijd te werpen. Ze hebben deze vastberaden strijdwilligheid tijdens de staking overigens duidelijk getoond aan haar nogal onbesliste en benepen vakbondsleiding door dagelijkse algemene vergaderingen te houden waar de problemen van het moment met de grootst mogelijke openheid besproken 154 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 werden. Tijdens die vergaderingen uitte zich steeds ook de wil van de arbeiders om de strijd ernstig en efficiënt aan te gaan tot het volledig bekomen van de doelstellingen van de staking: de zuivere intrekking van de eenheidswet en de complete realisatie van de structuurhervormingen. Tegenover de omvang en de vastberadenheid van de staking deed het patronaat al het mogelijke om de strijdbaarheid van de glasarbeiders te breken door het invoeren van een gedeeltelijke herneming van het werk onder het mom van het veiligstellen en het onderhoud van de machinerie. We weten inderdaad dat het stopzetten van een oven in een glasblazerij, dus het uitdoven ervan, een ernstig probleem voor het personeel vormt, met name dat van verschillende maanden van herstelwerken, en dus werkloosheid, vooraleer de oven terug in werking kan worden gebracht. Het is door in te spelen op deze reële vrees voor langdurige werkloosheid dat de bazen het akkoord verkrijgen van het geheel van de arbeiders voor het veiligstellen van de machinerie en bijgevolg het behoud van een zekere productie. De productie was uiteraard beperkt maar op vele plaatsen wordt het jammer genoeg te snel uitgebreid, zonder evenwel te leiden tot demoralisatie noch tot een volledig hernemen van de productie zoals de voorvechters van het kapitaal zo hard wensen. Nochtans zouden de patroons, ondanks het akkoord voor het behoud van de machinerie tussen de vakbondsdelegatie en het patronaat, niet wachten om hun ware gelaat te tonen (zoals ze dat in het verleden overigens altijd hebben gedaan) en dat door het stopzetten van een oven in Gilly, geheel op hun eigen initiatief, waardoor een flink aantal arbeiders brutaal voor het jammerlijke perspectief van langdurige werkloosheid geplaatst worden, slechts enkele dagen voor het einde van de staking. Een perspectief van werkloosheid waarvan de arbeiders enkel echt gespaard konden worden door de werkelijke toepassing van het socialistische ordewoord: “de fabrieken aan de arbeiders”. Een werkhervatting die goed is... Tegenover een dergelijke situatie had de vakbondsdelegatie blijk moeten geven van de hardste vastberadenheid en zich strikt moeten houden aan principes die in het verleden altijd van toepassing waren en die bewezen hebben dat ze tegelijk de arbeiderseenheid en het syndicaal prestige konden veiligstellen, en het klassenbewustzijn, het zelfvertrouwen en de strijdbaarheid van het geheel van arbeiders konden versterken. De werkhervatting moest in blok gebeuren, de vlag ontvouwd, waarbij geen enkele discriminatie, geen enkele sanctie of maatregel die zo kon worden geïnterpreteerd, getolereerd kon worden. Indien er ondanks alles werkloosheid zou voortvloeien uit het stopzetten van een oven zou een werkprocedure bestaande uit een toerbeurt per 10 dagen moeten toegepast worden en van bij het begin, conform met de beslissingen en de lijsten waarover democratisch en na lange en open discussie werd beslist door s s d e s v v s d vv i v a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt s bijor bijor bijor bijor bijor , e e dijrt 155 strijd strijd gat gat verder verder de algemene vergaderingen van de arbeiders. Geen enkele patronale inmenging zou in deze materie getolereerd moeten worden, geen enkele slapheid zou gepermitteerd moeten worden tegenover zij die zich verrijken met onze arbeid en onze miserie. Bovendien is het aan het patronaat zelf om de kosten van de werkloosheid, die het rechtstreeks gevolg is van een brutale en egoïstische beslissing van het patronaat en waarvoor zij dus de enige verantwoordelijke is, te dragen en dat op zo’n manier dat de arbeiders er geen nadeel van ondervinden. In dit verslag moet ook gezegd dat de vakbondsdelegatie van de glasblazerijen van Gobbe-Hocquemiller in Lodelinsart - zoals in de meeste gevallen en dat gelukkig maar voor de toekomstperspectieven van de arbeidersbeweging en onze socialistische syndicale organisaties – tegen de situatie opgewassen bleek te zijn. De arbeiders van dit bedrijf hebben inderdaad met het hoofd opgeheven het werk hernomen, met een hart vol hoop en met de ferme wil om de strijd voort te zetten. Zij zagen, zoals het merendeel van de arbeiders, de staking niet als de afwikkeling van een ongelukkig conflict, maar wel als het begin van een nieuw tijdperk van viriele strijd, stoutmoedig gericht op het bekomen van een arbeidersregering, bestaande uit de arbeidersorganisaties, en een echte democratie, waarin de functie van producent effectief anders zal zijn dan een simpel werktuig van de productie en de winst. … en een slechte Daartegenover heeft de syndicale delegatie van de Unie van Glasblazerijen Mécaniques (discipline) in Gilly blijk gegeven van een spijtige zwakheid. Ze heeft immers om de werkhervatting aan te vatten, zonder enige voorafgaandelijke consultatie van alle betrokken arbeiders, aanvaard om de lijsten die democratisch werden beslist op de algemene vergaderingen van de arbeiders in reactionaire zin aan te passen, zoals gewild door de patronale agenten. Onder druk van de patronale agenten schrapte de vakbondsleiding de strijdbaarste en in de staking meest ondernemende arbeiders van de lijst. Enkelen werden overgebracht naar andere glasblazerijen. Het moet opgemerkt dat één van hen een vakbondsafgevaardigde was, democratisch verkozen door zijn werkmakkers en bovendien delegee van het comité Veiligheid en Hygiëne. De vakbondsleiding liet hem zomaar en op ondemocratische wijze vervangen op zijn post van syndicaal afgevaardigde door de aftredende delegee die al lang gediscrediteerd was en aan wie de arbeiders hun vertrouwen onttrokken hadden. De andere arbeiders, ongeveer 200 in het begin, werden in de werkloosheid gedumpt en aan hun lot overgelaten. Vandaag nog zijn er een vijftigtal (de dappersten) die wachten tot de fabriek hen wil terugnemen of dat de vakbondsleiding hen in de toerbeurt binnenlaat of hen transfereert naar een andere fabriek. We moeten er hier op wijzen dat niet weinig opzichters momenteel een job uitoefenen die normaal gezien toekomt aan de arbeiders die verplaatst of werkloos geworden zijn. 156 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Door deze pijnlijke situatie heerst er onder de arbeiders van deze fabriek uiteraard een echte demoralisatie en een groot ongenoegen dat nadelig is voor de eenheid en de strijdbaarheid van de klasse en ook voor het prestige van onze vakbonden en arbeidersorganisaties. Enkel de heropname van al het personeel dat nog werkloos is en het behoud van de rechten, de belangen en de terugkeermogelijkheden van de willekeurig naar andere fabrieken overgeplaatste arbeiders kan toestaan deze deprimerende situatie terug gezond te maken en opnieuw ernstig voorwaarts te gaan. Marcel Ovart, Federaal propagandasecretaris SJW Deze historische algemene staking is een enorme en unieke beweging in de geschiedenis van de Belgische arbeidersklasse geweest. De beweging was buitengewoon door haar omvang, onvergetelijk door haar duur, meeslepend door het enthousiasme dat ze creëerde. Voor de brede bevolking is deze enorme stakingsbeweging van ’60-’61 een openbaring geweest, een schitterende demonstratie van het hoge niveau van strijdbaarheid van de arbeiders in het land, van wie men toen zei dat ze slaperig waren, onverschillig, sceptisch, “verburgerlijkt”, enkel bezig met een televisie te kopen, of een koelkast, auto, moto,…, waarbij de afbetaling van al die voorwerpen moest worden nagekomen. Zo wou men de arbeidersklasse toen voorstellen, een arbeidersklasse die niet in staat was de arbeidersgevechten te voeren of om zich te inspireren op de klassenstrijd. Is dat niet wat ook vandaag enkele sceptici ons graag willen doen geloven? Het is trouwens wat enkele leiders van de Belgische Socialistische Partij destijds met minachting en scepticisme naar voren brachten. Begin december 1960, 15 dagen voor het spontaan uitbreken van de staking, is onze SJW-groep er getuige van geweest toen we deelnamen aan een conferentie over de Eenheidswet, gegeven door de fractieleider van de socialisten in de Kamer, Georges Bohy. Als SJW-militant ben ik toen tussengekomen om het de partij te verwijten geen ordewoord voor actie te geven om deze onheilswet te bevechten. Georges Bohy antwoordde me het volgende: “Wij, de socialistische militanten en parlementsleden, wij zijn gemobiliseerd, wij zijn klaar, wij staan elke dag op de barricaden in het parlement. Maar de arbeiders zijn niet bereid tot de strijd, ze zijn verburgerlijkt, ze hebben zich in de schulden gestoken voor de aankoop van scooters, koelkasten, Cubex-keukens,...”. Vandaag zien gelijkaardige sceptici, verhard door de lange jaren van reformistische politiek, van compromis en klassencollaboratie vanwege de leiding van de arbeidersorganisaties, gevechten als de opstandige algemene staking van de winter van ’60-’61 als voltooid verleden tijd. Ze blijven de militanten belasteren die vandaag trouw zijn gebleven aan de geest van deze algemene staking en die onvermoeibaar de klassenstrijd uitdragen als de enige doeltreffende manier om de arbeidersklasse te bevrijden van de kapitalistische uitbuiting. Maar laat ons deze s s d e s v v s d vv i v a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt s bijor bijor bijor bijor bijor , e e dijrt 157 strijd strijd gat gat verder verder sceptici, die in feite een dood gewicht zijn voor de strijd van de arbeidersklasse, overlaten aan hun weinig benijdenswaardige lot. Op 20 december 1960 begon de meest buitengewone revolutionaire strijd die werd gestreden door de arbeiders van dit land, een gevecht dat door zijn omvang en duur zelfs de grote gevechten van 1932, 1936 en 1950 oversteeg. Het revolutionaire vermogen van de arbeidersklasse, ver van afgestompt, had zich versterkt. Deze storm van strijdbaarheid van de arbeiders in dit land, van vastberadenheid, soms van gewelddadige reactie tegenover de repressiemacht, heeft hen die deze woede niet kennen met verstomming geslagen. Zonder de diepgaande revolutionaire rol van de stakingen van 1932, ’36 en ’50 te willen minimaliseren – die gevechten zijn de geschiedenis van de arbeidersstrijd ingegaan als historische referenties die, hoewel elke algemene staking zijn eigen specifieke karakter behoudt, reeds in hun tijdperk de wil toonden om het kapitalisme in vraag te stellen – situeert de algemene staking van ’60-’61 zich in diezelfde revolutionaire lijn met dat verschil dat alle stakingsbewegingen van zo’n enorme omvang steeds beginnen op basis van het laatste niveau dat werd bereikt, om dan snel te ontwikkelen naar een hoger niveau dan het laatste gevecht. Dat is wat in ’60-’61 gebeurd is. Zelfs als gedurende ‘de algemene staking van de eeuw’ niet alle mogelijke actiemiddelen zijn gebruikt, zoals in de staking van 1950, waar een deel van het productieapparaat verlaten was en een mars op Brussel een begin van uitvoering kende, blijft het niet minder een feit dat de burgerij tijdens de staking van ’60-’61 op haar grondvesten heeft gedaverd. De schrik sloeg hen om het hart door het hoge niveau van bewustzijn bij de massa’s en de wil tot confrontatie in de hoofdstad, waar de instellingen van de burgerlijke staat zich bevinden. Bovendien kan het opstandige en revolutionaire aspect in geen geval in twijfel worden getrokken. Integendeel, de drijfveer in het begin, het verzet tegen het besparingsproject dat de Eenheidswet was, is zeer snel overgegaan tot het in vraag stellen van de politieke macht. Het is dat gegeven dat de aanhangers van de burgerij in de pers het volgende deed schrijven: “Op dit moment is het niet enkel de Eenheidswet die op het spel staat. Er is veel meer… Het zou gevaarlijk zijn nog langer enkele geesten te laten verhitten over problemen waarvan het bestaan van de natie afhangt.” (Le Soir van vrijdag 6 januari 1961). Of nog dit: “Wat er ook van aan is , voor een toeschouwer die de stad binnengaat, heerst er een onbetwistbaar opstandig klimaat.” (La Cité van 7 januari 1961). 158 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Zelfs de reformistische leiders hebben vastgesteld dat er een opstandig klimaat bestond, dat in staat was de instellingen van de kapitalistische samenleving in vraag te stellen. Hier enkele veelzeggende citaten van hun kant: “Het Bureau van het ABVV, samengekomen op 26 december 1960 onder voorzitterschap van Hervé Brouhon, herbevestigt dat haar actie gericht is tegen de Eenheidswet en niet tegen de democratische instellingen.” (verslag van het statutaire congres van het ABVV, december 1962, p. 739). “Het lijkt er sterk op dat we begin januari volledig in een twijfelachtig klimaat zijn gedoken.” (Robert Moreau, Combat Syndical et Conscience Wallonne, p. 164). “Geleidelijk aan neemt de beweging een wending naar een opstandige beweging (…) Maar het zit nog maar in het beginstadium.” (Robert Moureau, Combat Syndical et Conscience Wallonne, p. 165). “Nooit hebben we in de hele syndicale geschiedenis een beweging van een dergelijke omvang gezien, midden in de winter en met de moeilijkheden die het impliceert.” (Robert Moureau, Combat Syndical et Conscience Wallonne, p. 153). We waren effectief in een klimaat terechtgekomen dat twijfelachtig was voor de burgerij, maar ook voor de lakeien van de burgerij in de arbeidersbeweging. Het is juist omdat het klimaat zo gunstig was voor de arbeidersklasse dat de verantwoordelijkheid van de leidingen voor het mislukken van de algemene staking zo groot is. Je moet deze gebeurtenissen overigens dag na dag hebben meegemaakt om er echt de volledige revolutionaire diepgang van te vatten. We waren in een situatie gekomen waarin: “een algemene staking in feite slechts lonend is als het spook van de revolutie zich achter haar verbergt. Maar als de buitenparlementaire actie wordt opgeofferd aan het parlementarisme, kan de beweging niet anders dan steriel zijn en kan de strijd op niets anders dan een fiasco uitdraaien.” (Marcel Liebman, Les Socialistes Belges 1885-1914, p.142-143). Ik heb aan deze inschatting niets toe te voegen. Ik denk immers dat dit citaat exact beantwoordt aan wat zich echt heeft afgespeeld tijdens de staking van ’60-’61. Opdat een algemene staking uitkomt bij haar revolutionaire doelstelling moeten er twee voorwaarden ingevuld zijn. De eerste, zoals Liebman terecht schrijft, is s s d e s v v s d vv i v a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt s bijor bijor bijor bijor bijor , e e dijrt 159 strijd strijd gat gat verder verder dat “het spook van de revolutie zich achter haar verbergt”, wat het geval was. De tweede is dat de leiding van de arbeidersbeweging de buitenparlementaire actie niet opoffert aan het parlementarisme, wat wel is gebeurd. Door hun capitulatie hebben de leidingen van de Belgische arbeidersbeweging eens te meer het revolutionaire moment laten voorbijgaan. Op maandag 23 januari was de werkhervatting algemeen. De grootste gebeurtenis van de geschiedenis van de arbeidersbeweging in dit land is voorbij. Na afloop van deze algemene staking bleven de wilskracht en de strijdbaarheid van de arbeiders intact. Nergens in het land was er een teken van ontmoediging te bemerken. Geen enkele strijdbeweging van de klasse, hoe belangrijk ook, is voor de arbeiders een doel op zich. De sociale gevechten zijn immers nooit definitief voorbij op het einde van een conflict. Integendeel, ze blijven verdergaan. Ze nemen inderdaad andere vormen aan, misschien minder zichtbaar, maar de vastberadenheid blijft, zeker gezien de ervaring die is opgedaan in een gevecht dat zo gedenkwaardig was als dat van de winter van ’60-’61. Vijfendertig dagen van algemene staking midden in de winter, honderdduizenden arbeiders doorstonden de kou, de ontberingen, de dreigementen, de vernederingen, de repressie en de brutaliteiten en aanvallen vanwege de politie, die talrijke lichtgewonden maakte, maar ook doden. Dit gevecht zal onbetwistbaar onvergetelijke sporen nalaten in het geheugen van de stakers. De algemene staking is afgelopen, maar het vuur dat ze gedurende de dagen van opstandige koorts heeft laten heersen, kwelt de burgerij, die op het randje van onteigening van haar macht had gestaan, nog steeds. Die macht hebben ze behouden omdat alle leidingen van de arbeidersorganisaties geweigerd hebben leiding te geven aan deze beweging met een opstandig karakter en dus bijgevolg geweigerd hebben hun verantwoordelijkheid te nemen. Meer nog, ze hebben elk op hun manier gehandeld om de revolutionaire uitkomst te belemmeren. Ze hebben er de voorkeur aan gegeven deze uitzonderlijke strijdbeweging van de klasse in de impasse van het federalisme te leiden. Zelfs in de verschillende acties waartoe werd beslist, hebben de arbeiders kunnen vaststellen dat er nauwelijks wilskracht en onderlinge coördinatie was. Van hun kant herneemt het merendeel van de stakers het werk met een groot zelfvertrouwen, onder het zingen van de Internationale. Ze treden in stoet hun fabrieken binnen, de vuist omhoog als teken van een morele overwinning en met de rode vlag voorop. De minimale doelstelling die in het begin de simpele terugtrekking van de Eenheidswet was, werd niet behaald. De arbeiders die deze historische algemene staking hebben gevoerd, voelden tegenover de vakbondsorganisaties ABVV en ACV, evenals tegenover de BSP, een diepgaande wrok die zijn oorsprong vindt in het feit dat de reformistische leiders geweigerd hebben concrete en precieze antikapitalistische ordewoorden te geven. Op dit vlak voelt het geheel van de stakers uiteraard een algemene ontgoocheling tegenover de lafheid van de 160 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 leiders van de socialistische arbeidersbeweging. Wat de leiders van het ACV betreft, was er niets anders te verwachten vanwege stakingbrekers. De algemene staking komt dus, ten gunste van geen van de twee kampen in de strijd, aan zijn einde. Enerzijds betreden de stakers hun werkplaatsen zonder resultaten te hebben behaald, anderzijds komen de regering en de burgerij gekneusd uit het gevecht, maar ook zij blijven recht. Het is vanzelfsprekend dat de algemene staking een extreem positieve impact heeft gehad op het bewustzijn en de strijdwil van de arbeiders, die met talloze acties gedurende dit harde conflict de sceptici het enorme revolutionaire potentieel dat leeft in de arbeidersklasse van dit land hebben getoond. Daar waar de basis werd geconsulteerd, daar waar de herneming van het werk niet door vakbondsbureaucraten werd opgelegd, hebben de arbeiders nog uitdrukking gegeven aan hun wil om de strijd verder te zetten. Samen met andere SJW’ers was ik aanwezig op een algemene vergadering van het ACOD van Charleroi, waar een verwoed debat werd gevoerd tussen de basis en de syndicale top. Die laatste dwong de stakers ertoe de stemming tot vijf maal toe te hernemen, tot op het ogenblik dat de leiding een kleine meerderheid bereikte voor de werkhervatting. Op verschillende plaatsen was de druk vanwege de vakbondsapparaten zeer groot om de werkhervatting te bekomen, waarbij het soms zelfs tot dreigementen kwam. Het resultaat van de stemming in de centrale van metaalarbeiders in Charleroi toont een ander zeer veelzeggend voorbeeld dat eveneens getuigt van de schitterende strijdwil van het geheel van de arbeidersklasse. In die sector is “de werkhervatting beslist met 53% voor, 41% die zich uitsprak voor het voortzetten van de staking en 6% onthoudingen” (La grève du siècle, Fédération des Métallurgistes FGTB de Charleroi, december 1990, p.9). Na 35 dagen van algemene staking is het veelzeggend en bemoedigend om vast te stellen dat 41% van de arbeiders nog steeds voor de voortzetting van de actie was. Dit resultaat behoeft geen verdere commentaar. Talrijke arbeiders, evenals talrijke arbeidersmilitanten uit de voorhoede, hebben de situatie samengevat met een kernachtige formule: “De arbeiders hebben gevochten met moed en een buitengewone energie, maar de leiders hebben jammerlijk gefaald.” In de glassector in Charleroi hebben verschillende jonge arbeiders, vakbondsmilitanten en leden van de SJW het werk hervat na groot gehoor te hebben gewonnen bij hun collega’s tot op het punt dat, gedurende de eerste algemene personeelsvergadering van Gobbe-Hocquemiller, de ABVV-hoofddelegee Omer Michel “de moedige en strijdbare actie van deze jonge arbeiders” wou signaleren en voor het voetlicht brengen. Hij had het over de jonge arbeiders, “die hun inspanningen niet hebben gespaard eerst voor het aanvatten van de staking en vervolgens gedurende heel de algemene staking.” Hij beëindigde zijn tussenkomst met de woorden: “we hebben hen overal gezien, overal waar er actie was. De onenigheid die ons tegen een van hen stelde, moet uitgewist worden.” Deze verklaring was in zekere zin een soort van verontschuldiging vanwege de vakbondsdelegatie. Dat is alvast de manier waarop de arbeiders van Gobbe het op s s d e s v v s d vv i v a s a D eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt s bijor bijor bijor bijor bijor , e e dijrt 161 strijd strijd gat gat verder verder de algemene vergadering hebben geïnterpreteerd. Het was een extreem belangrijke hommage die werd gebracht aan de jonge arbeiders die met overtuiging en moed hebben gevochten. Deze jongeren hadden nochtans de overtuiging dat ze niets anders hadden gedaan dan hun taak als stakers, zoals overigens zoveel anderen. Voor mijn part houd ik eraan te signaleren dat de ABVV-delegatie van Gobbe-Hoquemiller zich op sterke wijze bekwaam heeft getoond, zowel voor het aanvatten van de staking als gedurende de hele loop van de algemene staking, maar vooral bij de werkhervatting, waarbij ze de vastberaden wil uitdrukte om de strijd verder te zetten. De arbeiders van de andere glasfabrieken hebben bij hun syndicale delegatie niet dezelfde vastberadenheid kunnen vaststellen. 162 VI Het centrisme van André Renard en de gevolgen voor de arbeidersbeweging Voor zij die het niet willen houden bij een oppervlakkige inschatting, lijkt het me noodzakelijk een reeks tegenstrijdige elementen uit te diepen en te definiëren. In dit lange hoofdstuk overloop ik een reeks uittreksels van artikels die lang geleden verschenen zijn, evenals enkele toespraken die André Renard gedurende zijn syndicale carrière heeft gegeven. Hiermee wil ik een nauwkeurige analyse maken en proberen er hun politieke belang uit te halen, evenals duidelijk maken wat Renard’s belangrijkste standpunten op syndicaal, politiek en ideologisch vlak waren. Wat ondubbelzinnig een permanente neo-reformistische rode lijn vormde, was zijn wil om een hypothetische vorm van economische democratie te vestigen binnen het kader van de kapitalistische samenleving. André Renard werd voorgesteld als een strijdbare syndicalist, een zeer harde sociaaldemocraat, een anarcho-syndicalist. Al deze definities kunnen als aannemelijk worden beschouwd omdat hij zich ten gronde boven het traditionele reformisme van de klassieke sociaaldemocratie stelde, waarbij hij ideologisch ook steeds in tegenspraak bleef met het marxistische revolutionaire socialisme. Reeds in 1945, in Syndicats, omschreef André Renard zijn ideologische positie duidelijk: “we willen geen brutale revolutie met een onzekere uitkomst”. Voor de meeste arbeiders is het duidelijk omlijnen van de politieke persoonlijkheid van André Renard geen gemakkelijke taak. Al wie hem gekend heeft als vakbondsleider in het ABVV is het daarover eens, gezien hij op zekere ogenblikken zeer harde posities kon innemen, zeer gespierde toespraken kon geven en tegelijkertijd regelmatig verward was, zeker wanneer het ging om wat te doen, gezien zijn voorstellen nooit verdergingen dan de drempel van de privé-eigendom. Anderzijds zijn de voorhoedemilitanten van de arbeidersbeweging er zich zeer bewust van dat de reformistische opvattingen van de klassencollaboratie van de BSP en het ABVV sinds vele jaren in een proces verwikkeld zitten van steeds diepere integratie in het kapitalistische systeem. Tegenover de opeenvolgende overgaven van de traditionele sociaaldemocratie en tegenover het constante immobilisme van de rechtse leiders van de socialistische beweging – zoals Major, Dore Smets, Van Acker en Spaak – onderscheidt André Renard zich door blijk te geven van radicalisme, hoewel duidelijk meer in woorden dan in daden. Dat maakt dat hij de indruk geeft dichter bij de arbeiders aan de basis te staan. Gezien zijn vakbondsvorming zich hoofdzakelijk heeft afgespeeld in de grote reformistische organisaties in Luik, is hij sterk beïnvloed geweest door deze reformistische ideologie. Gedurende zijn hele syndicale carrière wordt hij ervan doordrenkt, maar zal hij het aanpassen tot g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 163 een vorm van neo-reformisme, waarvan hij denkt dat het beter overeenkomt met de nieuwe economische situatie van het naoorlogse België. Gezien de vakbondsleidingen een strategie van strijd hebben die zich beperkt tot en voornamelijk is gericht op looneisen, kunnen ze zich geen enkele heftige klassenactie indenken tegen de crisis, die een verwoestend effect heeft, o.a. door een hoge en aanhoudende werkloosheid. Ondertussen maakt de renardistische stroming een analyse waarbij de verantwoordelijkheid van het reactionaire kapitalisme, gedomineerd door de banken en de financiële wereld, aan de kaak wordt gesteld. Deze stroming heeft het over een kapitalisme dat gedwongen moet worden in het gareel te lopen door maatregelen van controle en regulering van de economie. Die analyse zal echter ophouden aan de drempel van de kapitalistische maatschappij die André Renard enkel wil moderniseren, hervormen door structuurhervormingen die dubbelzinnig bleven, die geen enkel bestaand probleem tussen arbeid en kapitaal kunnen oplossen. Wat gesteld bleef, is de kwestie van de strijd van klasse tegen klasse, die geen ander antwoord kan vinden dan een revolutionaire strijd voor de macht, voor een radicale verandering van de samenleving. Maar André Renard heeft noch die ambitie, noch die wil tot actie. Zijn prioriteit is zeker niet een revolutionaire strijd, maar veeleer een strijd voor een verandering van de economische structuur zonder op enige manier het fundament van de onaantastbare private eigendom in vraag te stellen. Wanneer daarentegen de druk van de basis op het Luikse syndicale apparaat toeneemt, is André Renard sneller dan enkele andere bureaucraten om een positie in te nemen in functie van de omstandigheden van het moment, één van de karakteristieken van centrisme. Met de directe actie die hij bepleit, doet hij een krachtsverhouding ontstaan die voldoende is om druk te zetten op het patronaat, maar niet verder gaat. Het is dus niet echt moeilijk te begrijpen waarom André Renard tevoorschijn zal komen als een strijdbare vakbondsleider, zeker gezien de concurrentie in de Luikse provincie geducht is. De KPB is er aanwezig met een zekere kracht en heeft er tijdens de oorlog een belangrijke invloed verworven. In de belangrijkste Luikse fabrieken is ze zelfs dominant. Gezien André Renard zich echter wil bevestigen als syndicale leider, vooreerst op Luikse grond, moet hij een strategie aannemen die gericht is op een zeker radicalisme tegenover rechts binnen het ABVV, evenals tegenover andere linkse politieke stromingen. Het is in ieder geval een van de eerste doelstellingen die hij voor zichzelf vastlegt. Om al die redenen, maar ook door de verschillende onderhandelingen met het Luikse patronaat, kan hij soms gekenschetst worden als een zeer vastberaden onderhandelaar. We hebben overigens meer dan eens vastgesteld dat wanneer de onderhandelingen moeilijker waren en niet uitkwamen op een bevredigend compromis, André Renard niet aarzelde om de Luikse arbeiders op te roepen tot actie om het patronaat te dwingen toe te geven. Het is ook geen toeval dat bij gelijk werk en gelijke vaardigheden de Luikse arbeiders bij de beste betaalden van het land waren. 164 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 In zijn alledaagse syndicale actie kende André Renard zeer goed de limieten die de directe actie niet kan doorbreken. Ze moet steeds onder de controle van het vakbondsapparaat blijven. In 1951 is hij overigens de eerste om verduidelijkingen aan te brengen wat betreft de idee van directe actie en van de staking. Dit is wat hij schrijft in 1951, in de nadagen van de algemene opstandige staking van 1950, met de duidelijke bedoeling om de situatie die explosief bleef, te kalmeren: “De stakingen moeten gewonnen zijn nog voor ze ontketend worden. De beste zijn degene die we niet doen.” (A. Renard, La Wallonie, 22 oktober 1951). Men begrijpt dat een dergelijke instelling door de arbeiders niet gezien wordt als de beste manier om beslissende gevechten aan te gaan, maar veeleer dient om de geestdrift van de arbeiders te kalmeren. De radicale opeenvolgende standpunten van André Renard bevinden zich links van de traditionele reformistische sociaaldemocratie, maar hij blijft een strijdbare centrist, die ver verwijderd blijft van het doel van het marxistische revolutionaire socialisme. Op basis van de militante ervaringen in het ABVV van die periode weten we dat de renardistische stroming een essentieel neo-reformistische oorsprong had, met een tendens naar links. Gezien het perspectief van een arbeidersopstand opzij gezet is, moet men niet verwachten dat de directe actie op iets anders gericht is dan op de realisatie van hervormingen zoals het bekomen van volledige tewerkstelling en een verbetering van het welzijn door een constant opdrijven van de productiviteit met de eventuele invoering van nieuwe en moderne technieken. We hebben opgemerkt dat André Renard in zijn toespraken regelmatig het Belgische patronaat aanviel, dat hij kenschetste als behept met een reactionair conservatisme op het vlak van het economische beheer, grotendeels achterop lopend op het terrein van de industriële techniek. Wat investeringen betreft, blijft het Belgische patronaat ook meer terughoudend dan haar buren, die meer dynamisch zijn en hogere prestaties leveren. De congressen van het ABVV van 1954 en 1956, met het aannemen van het programma van structuurhervormingen, zullen een keerpunt vormen in de syndicale perspectieven van het ABVV. Maar deze congresbeslissingen zullen niet gevolgd worden in de uitvoering ervan, noch door Renard, noch door het ABVV. Deze beslissingen komen terecht bij de afdeling vergeten voorwerpen. Onafhankelijk van deze congressen worden de voornaamste acties van de arbeiders voor loonsverhoging met kracht hervat. Zo zijn er talrijke stakingen tegen de hoge kosten van levensonderhoud. Vanaf de zomer van 1957 eisen Renard en de Luikse metaalbewerkers dubbel vakantiegeld in de tweede week van het betaald verlof. Tweehonderdduizend arbeiders gaan drie weken lang in staking. De regering, geleid door de socialist Achille Van Acker, keurt de staking af. Het dispuut tussen de metaalbewerkers en Van Acker dat eruit voortvloeit, is zo groot g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 165 dat die laatste zelfs zo ver gaat dat hij de patroons verbiedt om toe te geven aan de eisen van de arbeiders. Deze schandalige positie die middenin het conflict ingenomen wordt door Van Acker, socialistisch eerste minister, zal nog jaren lang aan de kaak worden gesteld en veroordeeld als een overduidelijk verraad. Uiteindelijk zal de staking van de metaalarbeiders uitlopen op een nederlaag voor Renard en de Waalse metallo’s. Die nederlaag draagt ertoe bij het imago van radicalisme dat Renard te allen tijde wou behouden, te doen verbleken. Hij reageert met een aantal artikels en in september 1958 verschijnt zijn brochure “Naar het socialisme door de actie”. Daarin schrijft hij: “Wij moeten ophouden in alliantie met de erkende aanhangers van het kapitalisme een middel te zien om het socialisme vooruit te helpen. Zo te werk gaan betekent dat men zich integreert in het sociaal kapitalisme en dat men deze laatste, door onze aanwezigheid relatief bevestigt en consolideert.” (A. Renard, p.60). Zoals het wordt gezegd, lijkt deze passage zich eerder vriendelijk te richten naar de leden van de BSP in de regering en naar de vakbondsleiding van het ABVV die steun biedt aan de Van Ackers en Co, die in alle omstandigheden en met minachting voor de arbeiders zonder enige scrupule de klassencollaboratie toepassen. Het is niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat centristen of neo-reformisten zich ertoe beperken te klagen over de reformistische praktijken van de socialistische leiders in plaats van over te gaan tot concrete actie. Terwijl ze de nodige revolutionaire gebaren stellen, nemen ze zelf neo-reformistische posities in die links lijken, maar die fundamenteel tegenstrijdig en dubbelzinnig zijn, die zich beperken tot het voorstellen van een beter beheer van de kapitalistische economie, terwijl gehoopt wordt op een hypothetische sociale vooruitgang. In 1959 breekt de opstandige staking van de mijnwerkers van de Borinage tegen de sluiting van de koolmijnen uit. De weerklank van deze staking doet bij de arbeiders van het land zo’n enthousiasme ontsteken dat het vanzelfsprekend voor hen is dat de staking moet worden uitgebreid. Vanuit het standpunt van de vakbondsleidingen moest men dus afremmen, terwijl dit nochtans dé gelegenheid was om de oriëntaties en de beslissingen van de twee ABVV-congressen op het voorplan te brengen. Renard zelf, die nochtans als leider van de metaalbewerkers van het gewest Luik over de middelen beschikt om de staking te steunen, weigert iedere solidariteitsactie met de mijnwerkers en stelt dat men eerder het populaire elan, dat volgens hem nog te lokaal is, moet afremmen. Desondanks is Renard toch onder de indruk van de macht van deze opstandige staking en staat hij onder druk van zijn eigen basis onder de metaalarbeiders. Hij ontwijkt zijn eigen verantwoordelijkheid en schrijft op 19 februari 1959 in La Wallonie in een artikel onder de titel ‘A l’action’ dat “het de arbeidersklasse is (…) aan wie het toebehoort 166 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 (…) haar krachten te mobiliseren, terwijl alle steenkoolbekkens in de Borinage reeds verlamd waren door de staking.” Welke mobilisatie van krachten heeft hij nog nodig? Vervolgens, in La Wallonie van 21 februari 1959, probeert Renard in naam van de metaalarbeiders hun weigering uit te leggen om de staking uit te breiden naar het geheel van de arbeidersklasse en probeert hij in de strijd met de mijnwerkers de beslissingen van de twee ABVV-congressen, zoals nationalisatie, naar voren te brengen. Hij schreef: “Vandaag zijn we bereid ons in te schrijven in gezamenlijke actie, maar men moet begrijpen dat het doel dat men moet aanwijzen aan een gezamenlijke beweging het kader van een regio of zelfs een beroep moet overstijgen. Wat men moet willen, is niet enkel de nationalisatie van de steenkoolmijnen, maar van de volledige energiesector. Wat men moet willen, is niet enkel de sluitingen te stoppen maar een einde te maken aan de stijgende werkloosheid. Wat men moet willen, zijn niet enkel intentieverklaringen, maar een organisatieplan van de economie dat volledige tewerkstelling in de toekomst garandeert, evenals een constante toename van de levensstandaard.” Al die posities en verklaringen worden gemaakt om de mijnwerkers in strijd te bedwelmen want hun staking gaat in een oncontroleerbare opstandige richting. De herinnering aan de staking van 1950 was nog te zeer aanwezig in de geheugens van de vakbondsapparaten, vooral van het ABVV, om nog eens een algemene uitbarsting te riskeren die zich overal radicaliseert. Opnieuw komt de neo-reformistische en centristische positie van Renard in de openbaarheid. Renard blijft immers op het terrein van de opstandige klassenstrijd trouw aan zijn reformistische oorsprong. Door nogmaals, net als in 1950, terug te krabbelen, doet Renard de mijnwerkers van de Borinage begrijpen dat hij in wezen en ondanks zijn radicaal overkomen een syndicale reformist is, behorend tot de linkse tendens van woorden en gebaren, maar zeker niet van revolutionaire actie. Vervolgens kondigt de regering Eyskens de creatie aan van een organisme voor de reclassering van de ontslagen mijnwerkers, maar dat zal een nieuwe oplichterij blijken te zijn. We kennen het vervolg: de staking van de mijnwerkers van de Borinage loopt uit op een nieuwe nederlaag die leidt tot de sluiting van de mijnen. Het voorziene onderhandelde project van reclassering was slechts een karikatuur, de reclassering van de ontslagen mijnwerkers was een fiasco. De mijnwerkers van de Borinage waren bedrogen, gesard, de huid afgestroopt, aan hun lot overgelaten. Ze maakten hun rekening op. Nooit nog zouden ze vertrouwen hebben in de regering noch in de syndicale en politieke leiders, Renard inbegrepen. Als we deze periode van klassenstrijd in België in het daglicht brengen, kunnen we er niet om heen te bemerken dat de fundamenteel reformistische en defaitistische oorsprong van Renard niet dateert van december 1960, maar van veel verder terug. Zijn reformistische wortels zijn er sinds het begin van zijn engagement in de vakbondsstrijd, of met andere woorden sinds altijd. Wat het meest verrast, g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 167 is dat politieke militanten die zich revolutionaire marxisten noemen zich zo gemakkelijk voor de gek hebben laten houden en dat ze blijk hebben gegeven van meeloperij en van een politieke naïviteit tegenover de houding en de vroegere en actuele reformistische en defaitistische posities van André Renard, zoals tijdens de algemene staking in de winter van ’60-’61. Hebben deze pseudomarxisten met een kort geheugen, door zich ervoor te behouden zijn centristische en neo-reformistische syndicale politiek aan de kaak te stellen, zogenaamd omdat bijna de volledige arbeidersvoorhoede een groot vertrouwen behield in Renard, in realiteit en fundamenteel niet deze positie gebruikt als een comfortabele toevlucht om hun gezicht te redden? We kunnen immers een dergelijk niveau van politieke naïviteit en volgzaamheid niet anders beschouwen dan als een politiek gedrag ten voordele van een graduele evolutie naar de realisatie van het socialisme, wat absoluut niets gemeen heeft met de praktijk van een marxistische revolutionaire politiek, die een algemene confrontatie vereist om de macht te grijpen via een proletarische revolutie. We kunnen nochtans niet zeggen dat dit de eerste ontgoochelende ervaring was met de stroming van het renardistische vakbondsapparaat dat zich bij elk conflict per slot van rekening conformeerde met de syndicale hiërarchie en het nationale ABVV. Er waren al belangrijke ervaringen met de renardistische stroming die terugkrabbelde tijdens de algemene staking in 1950 en tijdens de mijnstaking in de Borinage in 1959. Hopen in 1960 op een fundamentele verandering van oriëntatie vanwege Renard, is hopen dat hij plots door magie een overtuigde voorvechter van de noodzaak van een socialistische revolutie zou zijn geworden. Dit is als hopen dat de vogels hoogtevrees hebben gekregen. Die onterechte hoop zal veel gevolgen hebben voor de arbeidersklasse van dit land. Na een aandachtige en zorgvuldige lectuur van de verschillende geschriften van André Renard sinds 1936 is men gedwongen vast te stellen dat er zich achter zijn geschriften en toespraken, waarvoor hij vaak een woordenschat ontleent die geïnspireerd is door het revolutionaire denken, in feite een theorie schuilgaat die gebaseerd is op het meest pure reformisme. Ondanks het feit dat hij terecht het bestaansrecht van het kapitalisme ontkent, stelt hij het niet echt in vraag door haar einde voor te bereiden, op korte of lange termijn, door middel van een omvangrijke revolutionaire actie. Soms dreigt hij in zijn geschriften of in zijn spreken, maar hij gaat niet verder dan dat: zijn handelingen, zijn doel is niet de omverwerping van het kapitalisme. Integendeel, hij wil het kapitalisme menselijker maken, krachtiger op economisch vlak, door het op te lappen. Gedurende zijn hele carrière als vakbondsmilitant heeft André Renard een belangrijke reeks artikels geschreven die licht werpen op zijn vaak tegenstrijdige syndicale posities. Het is interessant om de lezer zelf te laten oordelen. In die geest heb ik besloten hier enkele uittreksels te geven uit het boek ‘André Renard écrivait’, een bundel van artikels geschreven tussen 1936 en 1962, verschenen in november 1962, vier maanden na zijn dood. 168 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Laat ons deze reeks uittreksels van artikels van André Renard onderzoeken, zoals de tekst ‘Nous sommes les dépositaires d’une doctrine révolutionnaire et nous y restons fidèles’ (‘Wij zijn de behoeders van een revolutionaire doctrine en daar blijven we trouw aan’, A. Renard, Le prolétaire, 30 juli 1938). Die plechtige eed klinkt goed, maar in de praktijk wordt die niet nageleefd, want: “We willen geen brutale revolutie met een onzekere uitkomst, maar we willen door een diepgaande transformatie de doeleinden bekomen die in ons programma zijn bepaald.” (A. Renard, Syndicat, 15 juni 1945). Over welk programma heeft hij het? Over het ABVV-programma gebaseerd op het reformisme? We zijn al zeer ver verwijderd van een revolutionaire doctrine. Ook wat de trouw betreft, zit hij er ver naast. De brochure met de titel ‘Pour la Révolution Constructive’ (‘Voor de constructieve revolutie’), beginselverklaring van de “eengemaakte syndicale beweging”, gepubliceerd in november 1944, draagt geen auteursnaam, maar is ontegenzeglijk aan Renard toe te wijzen, die op die manier zich wenste te onderscheiden van de traditionele reformistische stroming. Zonder de principes van de klassenstrijd te verloochenen, geeft hij hen evenwel een ander belang door de basis te leggen van een economische democratie binnen de limieten van de kapitalistische maatschappij: “De directe actie is wat het best is aangepast aan ons temperament; ze kan echter niet verward worden met een concept van het systematisch gebruik van brute kracht en geweld.” (Brochure Msu, 1944, p.9). In de klassenstrijd wordt “het gebruik van brute kracht” steeds toegepast door de repressieapparaten van de burgerij om haar macht te behouden. In de geschiedenis van de massale conflicten is de meerderheid van de slachtoffers van repressie overigens steeds aan de kant van de arbeidersklasse gevallen. Het gebruik van revolutionaire kracht is het logische gevolg van de klassenstrijd. Het is niet mogelijk tegelijk een aanhanger te zijn van directe actie en het gebruik van revolutionaire kracht, motor van de socialistische revolutie, te verwerpen. André Renard is er zich nochtans goed van bewust dat in de praktijk van de klassenstrijd “het gebruik van brute kracht” niet verworpen kan worden, hij zegt immers ook: “we gaan zelfs, indien nodig voor het opleggen van nieuwe rechten van de arbeid, zover als de fysieke en gewapende strijd.” (Brochure Msu, 1944, p.9). De fysieke en gewapende strijd, is dat niet het gebruik van brute kracht? g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 169 “Het kapitalistische regime is stervende, maar het kan zijn doodstrijd nog rekken, vasthouden aan zijn privileges, vooral als hij onbewuste bondgenoten in onze eigen rangen vindt.” (A. Renard, Syndicat, november 1945). We kunnen het zelf niet beter zeggen want in alle politieke of syndicale formaties die behoren tot de sociaaldemocratische doctrine vinden de kapitalisten niet enkel onbewuste bondgenoten, maar ook bondgenoten die zeer bewust in hun dienst staan. Voor André Renard “moet de simpele onderhandeling zelf beschouwd worden als een directe actie op voorwaarde dat ze gevoerd wordt door de directe vertegenwoordigers van de betrokken arbeiders.” (A. Renard, brochure van het Msu, 1944, p.9). Als André Renard voor sommigen een vorm van radicalisme belichaamt, heeft Renard zelf nochtans een zeer eigenaardige interpretatie van de directe actie; hij geeft er een zeer restrictieve invulling aan. De notie van directe actie kan zich niet laten herleiden tot een simpele onderhandeling omdat die geen enkele ontplooiing van de arbeiderskracht toestaat. Zelfs als de arbeiders weten dat onderhandelingen altijd moeilijk en zeer hard zijn, kunnen ze in geen enkel geval verward worden met de directe actie. Een onderhandeling heeft helemaal niet dezelfde natuur van confrontatie. Bovendien schorst de onderhandeling vaak de ontwikkeling van de strijd, heeft ze vaak een demobiliserend effect, dat de strijd niet op zich stopzet. De overweging dat een banale en simpele onderhandeling, indien geleid door de vertegenwoordigers van de arbeidersorganisaties, directe actie is, kadert niet in de denkbeelden van de arbeiders. Voor de arbeiders neemt directe actie totaal andere vormen aan, zoals spontane stakingen, werkonderbrekingen op de werkvloer, stakerspiketten, stakerscomités, bedrijfsbezettingen, de overname van de controle over het verkeer, het instellen van wegbarricades, sabotage, enz. “De vakbondsbeweging mag zich niet wijden aan oplapwerk van de kapitalistische economie. Ze moet die economie juist in haar fundamenten vernietigen en zowel binnen als buiten het bedrijf diepgaande structuurhervormingen verdedigen.” (A. Renard, in FGTB, 24/30 november 1945). Het is niet enkel met geschriften of hervormingen, zelfs als ze diepgaand zijn, dat het mogelijk en realistisch wordt om de kapitalistische economie tot in haar fundamenten te vernietigen. Enkel een proletarische revolutie is in staat het kapitalisme en de kapitalistische economie in haar grondvesten te vernietigen. Het kapitalistische regime zal zich overigens nooit laten onteigenen van zijn economische en 170 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 politieke macht zonder te reageren met het hardste geweld om het te behouden en zonder gebruik te maken van alle repressiemiddelen waarover ze beschikt. “Wat wij eisen, is een echte integratie van de arbeidskrachten in de leidende organen van de economie.” (A. Renard in FGTB, 8/14 december 1945). De volledige socialistische vakbondsbeweging heeft tussen de twee oorlogen het sociaal overleg bedreven, een uitgesproken politiek van integratie in het kapitalistische regime. Na de Tweede Wereldoorlog bleef deze politiek voor de sociaaldemocratische vakbondsleiders een prioriteit. Als iemand beweert “de behoeder van een revolutionaire doctrine” te zijn, vereist dat een permanente en constante duidelijkheid in daden en geschriften. En niet dat men de ene dag schrijft dat men “deze economie in zijn fundamenten moet vernietigen” en de volgende maand dat we “de integratie eisen in de leidende organen van de economie”. Door dergelijke tegenstrijdigheden neer te schrijven, is het zeker niet mogelijk trouw te blijven aan een revolutionaire doctrine, maar eerder aan een reformistische doctrine. André Renard trekt zijn conclusies uit het congres van het ABVV van 15 juni 1946 voor wat betreft de ondernemingsraden: “De ondernemingsraad is voor ons een instrument dat het algemene belang moet dienen door het verzekeren van een betere productie, beter gedaan, een gunstiger ambiance voor de uitvoering van het werk en een controle op het bedrijfsleven die bedrog, fraude en misbruik toestaat, te vermijden.” (A. Renard, in Syndicat, 27 juli 1946). “We zouden hebben gewild dat de NAR [Nationale Arbeidsraad, gd] het principe van het delen van de eigendom tot regel verhief.” (A. Renard, in Syndicat, 27 juli 1946). Dat is een typisch voorbeeld van een reformistische syndicale positie die erin bestaat illusies te zaaien over het delen van de private eigendom van de productiemiddelen. “Ongetwijfeld zijn controlemaatregelen onontbeerlijk, maar de grote kwestie, zoals we vaak hebben herhaald, is vooral meer te produceren.” In dit precieze geval hebben de arbeiders echter een beter begrip van de realiteit dan de vakbondsleiders. De arbeiders zijn immers terughoudend tegenover meer produceren, tegenover een grotere bijdrage te leveren in het werk van productie omdat ze enerzijds geen enkele garantie hebben over de toekomst van hun job en anderzijds omdat de productie reeds de limieten van haar mogelijkheden heeft bereikt. g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 171 “Met het medebeheer willen wij niet enkel onze klasse in een betere positie plaatsen… Voor ons is het medebeheer de vrede die we moeten veroveren. Een vrede die de principes van vrijheid, sociale rechtvaardigheid en democratie bevat, waarvoor we beweren dat het de moeite is om te sterven.” (A. Renard, in Syndicat, 1 november 1946). Terwijl de nadruk gelegd wordt op de economische democratie die André Renard bepleit – en die zal leiden tot de wet van 20 september 1948 over de organisatie van de economie door de instelling van ondernemingsraden – hebben de vakbondsleidingen de ontwikkeling van de klassenstrijd verwaarloosd. Al lang voor het stemmen van de wet waren ze tot volgende vaststelling gekomen: “om de ene niet te bedroeven en een andere niet te hinderen, hebben we vaak de strijdbare geestdrift van het proletariaat afgeremd. En vandaag, kunnen we ons op de vingers bijten wanneer we zien hoe het kapitalisme zich opnieuw opricht in zijn almacht, zonder dat ons lot er enorm op vooruit is gegaan.” (A. Renard, in Syndicat, 31 mei 1947) (onderlijning door de auteur). Met de deelname van de arbeiders in de organisatie van de economie en het medebeheer van de bedrijven zitten we in een logica van klassencollaboratie, die leidt tot de zoektocht naar sociale vrede. Het medebeheer is een integratie in het beheer van de kapitalistische economie die enkel ten goede komt aan de industriëlen. De strijd voor de omverwerping van het kapitalistische regime staat nog steeds op de agenda. Zelfs als we vandaag minder sterk lijken, is dat slechts schijn. We hebben het nu misschien moeilijker omdat het patronaat in de hoge werkloosheid haar aloude wapen heeft teruggevonden. Als we zien hoe het patronaat gebruik maakt van deze sociale plaag en we met recht kunnen bevestigen dat het niets doet om deze gesel op te lossen, dan is dat omdat het voor hen goed uitkomt. De bazen gebruiken het eerst als een middel om hun privileges te behouden, vervolgens als een krachtig drukkings- en chantagemiddel tegen zij die nog een job hebben. Hoe groter het werklozenleger, hoe moeilijker het wordt om druk op het patronaat te zetten. Het patronaat moet zich echter niet in de handen klappen want onze reactie, onze strijdbaarheid, blijft intact en kan op eender welk moment uitbarsten. Er bestaan geen kleine gevechten; iedereen vecht met kracht in het eigen bedrijf, op de eigen werkplaats, om ontslagen en werkloosheid te voorkomen. De arbeiders moeten in een dergelijke situatie alles op alles zetten om sluitingen en delokalisaties te bevechten. Niet vastberaden reageren, zou betekenen dat men medeplichtig wordt met de vijanden van onze klasse. Vechten om hun job te behouden, is wat de arbeiders regelmatig doen als ze geconfronteerd worden met de sluiting van een bedrijf. Ondanks belangrijke stakingen slagen ze er echter niet in voldoende te wegen om de bazen te verhinderen over te gaan tot sluitingen en delokalisaties. In 172 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 de meeste gevallen van jobverlies kunnen de arbeiders niet meer bekomen dan een begeleidingsplan, dat per slot van rekening bespottelijk is tegenover het verlies van hun werk. Ze komen in de werkloosheid terecht en soms in dramatische situaties. Alle problemen van werkloosheid en miserie zijn inherent aan het kapitalistische regime zelf. Zolang dit uitbuitingssysteem dat dwingt om steeds grotere winsten te behalen nog bestaat, zal deze plaag bestaan. Geen enkele duurzame en definitieve oplossing zal mogelijk blijken als we binnen de limieten van het economische regime van het kapitalisme blijven. Om een definitief einde te stellen aan dit plunderregime is er slechts een enkel alternatief, dat van de proletarische revolutie. Maar wat denken André Renard en het ABVV van deze revolutie? “Onze syndicale beweging is, door haar doctrine en haar traditie, een revolutionaire beweging.”. In 1944 heeft hij aan de term ‘revolutie’ een bijzondere betekenis willen toeschrijven die “het romantische schema van de revolutie verwerpt”. Hij beweerde dat de revolutie zich oplegt, maar dat het mogelijk was haar op te bouwen, dat het mogelijk was tot een economisch en sociaal evenwicht te komen zonder daarvoor door een periode van onrust en hevige beroeringen te gaan. “Wie zou kunnen betwisten dat de vakbondsbeweging tijdens de periode van 1945 tot 1950 een complete wijsheid heeft getoond; enkele zeiden zelfs dat ze meer dan wijsheid toonde.” “In de loop van die jaren hebben we zeker sociale bevrediging kunnen vaststellen; het opzetten van een regime van sociale zekerheid, de verbetering van het verlofregime, onder andere. Maar ze had oneindig veel meer kunnen eisen. Als ze dat niet heeft gedaan, is dat omdat ze de overtuiging had dat door de organisatie van de economie, door het instellen van ondernemingsraden, we de arbeidersklasse oneindig meer recht konden doen wedervaren. We zijn nu in 1950, niets van dat alles is gebeurd en we kunnen bevestigen, zonder angst om tegengesproken te worden, dat niets gedaan zal worden door de huidige machthebbers.” (A. Renard, in Syndicat, 8 april 1950) (onderlijnd door de auteur). In 1950 stelt André Renard, terecht overigens, dat we niets moeten verwachten van de huidige machthebbers. Op 1 mei 1952 echter, wanneer we juist de internationale dag van strijd van de arbeiders herdenken, stelt André Renard, die ongetwijfeld vergeten is wat hij in 1950 schreef, het volgende: “we hebben geloofd, we geloven nog, dat er in de industriële wereld mannen bestaan die denken aan sociale transformatie en die ze ook willen voorbereiden.” (A. Renard, in Syndicat, 1 mei 1952). g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 173 Het is in 1953 dat André Renard adjunct algemeen secretaris van het ABVV wordt. Het is ook in deze periode dat hij zijn positie tegenover de economische integratie en de toename van de productiviteit verduidelijkt. “De arbeiders kunnen een constructieve en meewerkende houding aannemen door actief mee te werken aan de politiek van economische expansie door de verhoging van de productiviteit; maar ze zullen dat slechts in die mate doen – en alleen in die mate – dat deze doelen reëel de economische politiek van de regering inspireren.” (A. Renard, in Syndicat, 8 mei 1954). Het is zeker niet door het volgen van dit soort adviezen van de nationale leiders van het ABVV dat de arbeiders bressen in de muur van het kapitalisme zullen kunnen openen. André Renard en het ABVV kunnen niet duidelijker zijn over de actieve oriëntatie die ze de arbeiders willen doen volgen: een politiek van klassensamenwerking met de machthebbers zoals de burgerlijke regering die op de loonlijst van diezelfde machthebbers staat. Men moet in staat zijn zichzelf niet om de haverklap tegen te spreken. André Renard en het ABVV nodigen de arbeiders enerzijds uit tot actieve collaboratie terwijl diezelfde André Renard ons anderzijds enkele jaren eerder zei: “We moeten duidelijk stellen dat we ons nooit zullen integreren in het regime, dat dit regime niet op onze maat is gemaakt. We zullen ons gedragen als een klasse en niet als een onderdeel van het regime. Ons doel moet steeds zijn om bressen te openen in de muur van het kapitalisme. We kunnen op geen enkel moment hulp bieden aan de heropbouw van dit regime dat gebouwd is op onrechtvaardigheden en ongelijkheden. We zullen het socialisme niet opbouwen in kletspartijtjes en onderhandelingen.” (A. Renard, in Volonté, 17 juli 1948). We zijn wel gedwongen om de constante tegenstrijdigheden bij Renard vast te stellen. Deze tonen onbetwistbaar aan dat hij alles behalve volledig gesloten is voor elke politiek van integratie in het regime, zeker wanneer hij de arbeiders uitnodigt tot een “constructieve houding van actieve samenwerking.” Reeds voordien, maar zeker na de stemming in de Kamer van de wet op de organisatie van de economie en de instelling van ondernemingsraden, hebben we de tevredenheid van André Renard kunnen waarnemen. Ze is terug te vinden in de meeste artikels die over dit onderwerp handelen, artikels waarin hij enorm veel illusies onderhoudt, zoals wanneer hij het volgende beweert: “de ondernemingsraad is een wapen in onze handen”, of nog: 174 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “het zijn teksten die de arbeiders zullen toestaan in het hart zelf van de financiën van de bedrijven binnen te dringen.” (A. Renard, in Volonté, 25 december 1948). Of nog: “Goed, men heeft niet het principe van reëel medebeheer toegestaan, men heeft nog niet erkend dat de leiding van de zaken in een democratie gezamenlijk en tijdelijk aan arbeid en kapitaal moet worden toegewezen. Maar één feit staat vast: we zijn niet langer vreemdelingen in het bedrijf en bij gebrek aan een zekere beslissingsmacht heeft men ons toch maar mogelijkheden geboden in een raadgevende vorm. En door die wetten te stemmen, heeft men een deur geopend. Onze voet zit momenteel in de kier. Het enige wat we morgen nog kunnen doen, is de deur verder openen. Het zal ons niet gegeven worden aan het financiële beheer te raken, maar we zullen elementen in onze handen hebben die ons toestaan te wegen op alle beslissingen in dat domein. De hervorming van de NMKN [Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, gd] lijkt voor ons een beetje op de hervorming van een kapitalistisch en burgerlijk regime. We zullen niet beweren dat de proletarische revolutie al is gebeurd, noch zelfs dat ze in opmars is. Wat we wel kunnen beweren, is dat we door het verloop van de gestemde hervormingen een bres geslagen hebben in het kapitalistische regime.” (A. Renard, in Volonté, 7 augustus 1948). En ook: “Het is een wig die we in het regime hebben kunnen slaan. Vroeg of laat zal een bres zich vormen en zal het regime vallen. Het is hierop dat we al onze inspanningen zullen richten en dat vanaf vandaag zelf.” (A. Renard, in Volonté, 7 augustus 1948). Hoop doet leven en dit soort geschriften dat doet geloven dat er zich met de invoering van de ondernemingsraden “een bres zal vormen en het regime zal vallen”, valt duidelijk onder het neo-reformisme dat sterk verwant is aan het traditionele reformisme. Indien hoop doet leven, doet het wachten sterven. We kunnen zeggen, zonder risico ons te vergissen, dat er een zekere tijd nodig is geweest om het te begrijpen, maar na enkele jaren van het vruchteloos functioneren van de ondernemingsraden moesten André Renard en het ABVV wel een toontje lager zingen. De illusies die ze hadden gezaaid, bleken slechts onrealiseerbare illusies in het kapitalistische regime te zijn geweest. Ze zijn op een dwaalspoor geraakt. De bres heeft zich in feite beperkt tot een teleurstellend microscheurtje die g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 175 door de kapitalisten snel is gedicht. Maar laat ons eerder kijken naar wat Renard hierover zegt. “Tot op dit moment zijn de ondernemingsraden effectief slechts een simpele hervorming geweest die werd ingevoerd in de bedrijven en geen echte bedrijfshervorming. De Centrale Raad heeft evenmin de resultaten gegeven die wij ervan verwachtten gezien het weinige belang dat aan zijn adviezen wordt gegeven.” (A. Renard, in Syndicat, 5 juli 1954). Met zoveel tegenstrijdigheden handelen, is de beste manier om de arbeiders te desoriënteren. De arbeiders hebben zelf altijd geweigerd, op welke manier dan ook, om zich te integreren in het kapitalistische regime waartegen ze steeds op alle fronten hebben gevochten, zoals tegen de hoge kost van het leven en voor betere lonen. Vaak zijn ze in hun strijdbaar elan afgeremd door de vakbondsleidingen. In alle radio-uitzendingen, evenals in de meeste artikels van André Renard, legt hij steeds de nadruk op de noodzaak dat de syndicale beweging concreet kan tussenkomen door samen te werken met/in de kapitalistische economie. Hij stelt overigens ook de ontwikkeling van de kapitalistische economie gelijk met de sociale verbetering van de arbeiders en het welzijn. In de logica van deze politiek is André Renard zich nochtans bewust dat zij die er de grootste winst uit halen de kapitalisten zijn, terwijl de arbeiders niets meer dan kruimels ontvangen die van de tafel zijn gevallen. Zij zijn altijd de pineut. Laat ons, wat het onderwerp van de bereidheid tot strijd van de arbeiders voor betere lonen betreft, lezen wat André Renard te zeggen heeft over de actie in het verleden: “Onze naoorlogse actie werd door de omstandigheden gedicteerd, maar we hebben er altijd over gewaakt dat onze eisen de economische en financiële situatie van het moment niet verergeren. De actie voor de lonen is niet op een wilde manier gevoerd. We hebben gedurende meer dan drie jaar na de bevrijding een bevriezing van onze lonen aanvaard.” (A.Renard, in Syndicat, 30 oktober 1954). Tijdens de inleiding tot het buitengewone congres van het ABVV op 30 en 31 oktober 1954 definieerde André Renard de streefdoelen van het programma van structuurhervormingen dat het verdedigde. Streefdoelen die echter binnen de grenzen van de privé-eigendom blijven: “We stellen het voor, ontdaan van elke doctrinale overweging. En zelfs indien we gepraat hebben over nationalisatie, hebben we duidelijk uitgelegd dat het probleem van de eigendom ons secundair lijkt tegenover het probleem van het beheer. We staan overigens wantrouwig tegenover elke revolutionaire mystiek en vooral tegenover diegene die door sommigen wordt gebruikt om ons te 176 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 bekritiseren. We hebben integendeel het oude doctrinale conservatisme dat wat opgesmukt wordt met een revolutionaire retoriek, willen vermijden. Als we de sociale en economische vooruitgang willen verzekeren en garanderen, aanvaarden we ofwel de samenwerking die we aanbieden ofwel zullen we verplicht zijn woeste eisen te stellen, wat een aanslag betekent op het algemene belang.” (A. Renard, in Syndicat, 30 oktober 1954). Op het vlak van de syndicale praktijk van klassencollaboratie kan men niet duidelijker zijn: de militante arbeiders, net als de revolutionairen, veroordelen elke vorm van klassencollaboratie. Het is misschien wel een zekere vorm van conservatisme om de praktijk van de klassenstrijd te blijven aanhangen. Het is echter geen revolutionaire mystificatie, maar wel degelijk een overtuiging en revolutionaire trouw. Schreef Renard in 1944 niet zelf dat “onze syndicale beweging, door haar doctrine en door haar traditie, een revolutionaire beweging” is? In de alledaagse realiteit is er tussen de vakbondsleiders en de arbeiders een groot verschil in hoe ze de strijd tegen het kapitalistische regime zien. Een aantal syndicale leiders brengt soms in woorden en geschriften de vernietiging van het kapitalistische regime naar voren. In de praktijk eisen ze echter de collaboratie. Dit is het geval met André Renard wanneer hij de deelname van de arbeiders in het beheer van de bedrijven en hun deelname in de leiding van de economische en industriële zaken van de kapitalisten eist. En dit is ook het geval wanneer hij het volgende over de structuurhervormingen schrijft: “De minimale betekenis die we geven aan de term ‘structuurhervorming’ is de deelname van de arbeiders in de controle en de leiding van de economische zaken.” (A. Renard, in Syndicat, 5 juli 1947). Er zijn natuurlijk verschillende manieren waarop men de kapitalistische wereld kan zien, naargelang de filosofie waarnaar men verwijst. Gezien wij aanhangers zijn van de filosofie van het wetenschappelijke marxisme, blijft de directe actie in alle omstandigheden een leidend principe. Andere filosofieën, zoals het utopisme, het planisme en het reformisme, leiden er enkel toe dat de arbeidersklasse in een staat van uitbuiting en miserie blijft. Er zijn misschien wel verschillende manieren om de wereld te bekijken, maar voor de arbeiders telt er maar één: die van het waardiger leven door het doen verdwijnen van de uitbuiting door de revolutionaire omverwerping van het kapitalisme en de machtsovername door de arbeidersklasse. Dat kan voor sommigen misschien stoutmoedig klinken, maar laat ons onze principes op stoutmoedige en vastberaden wijze toepassen en de geschikte middelen zullen in de loop van de strijd geboren worden. We moeten ons steeds de kracht en de grote strijdbaarheid herinneren die de arbeidersklasse aan de dag kan leggen in haar bevrijdingsstrijd. We moeten ons steeds de spreuk voor de ogen houden, die g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 177 stelt dat de massa’s in hun strijd uiteindelijk altijd gelijk hebben. We moeten een volledig vertrouwen hebben in deze georganiseerde en besliste massa’s, die in staat zijn spontaan te handelen in opstandige algemene stakingen voor fundamentele doeleinden. De harde sociale en economische realiteit van de laatste jaren, met een aanhoudende hoge werkloosheid, met de sluiting van talrijke bedrijven, met het jobverlies dat eruit voortvloeit, met de constante toename van de miserie enz., zijn allemaal realiteiten die inherent zijn aan het kapitalisme. Deze realiteiten maken duidelijk dat alle structuurhervormingen binnen de aanvaarde limieten van de economische machthebbers en in de mate waarin ze niet raken aan de grondvesten van de private eigendom van de productiemiddelen, geen enkele oplossing bieden voor de harde realiteit die de arbeiders moeten verdragen in hun dagelijkse leven. De periode waardoor we nu gaan, wordt gekenmerkt door de crisissen en de toename van de tegenstellingen, even goed tussen de verschillende Europese burgerijen als tussen de klassen, en dat op het moment dat de reformistische praktijk niets meer bereikt en zich in de ogen van de massa’s niet langer gerechtvaardigd weet. Wat is de centrale idee van André Renard? Een idee die hij permanent ontwikkelt en waarbij hij vaak gebruik maakt van termen die dicht bij een revolutionaire fraseologie liggen, bijvoorbeeld met “de constructieve revolutie”? Wat betekent deze term “constructieve revolutie” feitelijk in de ogen van deze anarcho-syndicalist en aanhanger van het linkse reformisme, als hij het zelf steeds in tegenstelling ziet met de klassieke proletarische revolutie? Volgens André Renard is het “de sociale en de economische vooruitgang” die we willen “verzekeren en garanderen”. Die vooruitgang kan de bestaansvoorwaarden van de arbeiders verbeteren door het aannemen van “een constructieve houding van actieve samenwerking aan de economische expansiepolitiek door de verhoging van de productiviteit”. Het is in feite gewoonweg de klassencollaboratie die het fundament uitmaakt van het denken van André Renard en die uitgedrukt wordt in de term van “constructieve revolutie”. Wat daarentegen compleet afwezig is, is het initiatief voor de ontwikkeling van de strijd voor de totale vernietiging van het kapitalistische regime. Van die strijd is er nooit sprake. Integendeel, André Renard en het ABVV zeggen immers: “we willen geen brutale revolutie met een onzekere uitkomst”. (A. Renard, in Syndicat, 15 juni 1945). Voor de renardistische stroming was de introductie van het federalisme en de structuurhervormingen in de staking, vanaf begin januari 1961, een uitgangspoort om niet volledig het gezicht te verliezen tegenover de immense ontmoediging die door de stakers werd gevoeld omwille van het niet bereiken van de minimale doeleinden van de algemene staking: de intrekking van de Eenheidswet. Een groot aantal arbeiders heeft gedurende deze algemene staking alle illusies verloren die 178 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 ze nog koesterde in de traditionele politieke partijen en vakbonden, en ook in André Renard. In België heeft de arbeidersklasse regelmatig een afspraak op straat om de zaken uit te vechten met de burgerij. De massabeweging kan zich immers enkel op straat ontwikkelen. Vanaf het moment dat de massa’s spontaan in actie treden, is het de plicht van elke revolutionair om zich aan het hoofd van de arbeidersklasse te zetten, onafhankelijk van de kracht of het aantal dat de revolutionairen vertegenwoordigen. Want zij die zich verstoppen achter een zogenaamde krachtsverhouding die nog ongunstig is, of achter het zogenaamd onvoldoende algemeen zijn van de staking, deinzen in realiteit terug voor het noodzakelijke gevecht. Want de angstige meelopers begrijpen niet dat de situatie en de krachtsverhouding voor de marxistische revolutionairen enkel gunstig kunnen worden vanaf het moment waarop deze zich met stoutmoedigheid en vastberadenheid in de strijd lanceren. We moeten in feite daar zijn waar de arbeidersklasse vecht, daar waar ze de strijd aangaat, of we nu politiek talrijk zijn of niet, of we nu een kleine minderheid zijn of een grote meerderheid, of we nu een overwinning zullen boeken of een nederlaag lijden. In de grote staking van ’60-’61 zijn het in de laatste instantie de tegenstellingen tussen de taken die zich opwerpen en het gebrek aan marxistische revolutionaire leiding die verklaren waarom dit gevecht op een nederlaag is uitgedraaid. De geschiedenis van de klassenstrijd leert ons dat de weg naar het socialisme geplaveid is met nederlagen en dat enkel zij die lessen trekken uit de nederlagen uiteindelijk kunnen overwinnen. De waarheid is dat de centristen of de linkse neo-reformisten hun perspectieven uitwerken op een idee van vreedzame ontwikkeling van de kapitalistische economie door middel van structuurhervormingen die al lang voorbijgestreefd zijn. Ze geloven niet in de proletarische revolutie. Ze spreken in ironische termen over het romantisme, de mystiek, de retoriek, de naïviteit en de revolutionaire illusies. De waarheid is dat al deze politieke en syndicale leiders, of ze nu links of rechts zijn, de arbeidersklasse van binnenuit verlammen. Het zijn de stoottroepen van de burgerij in de arbeidersorganisaties die we vandaag aan de kaak moeten stellen en vernietigen om morgen te kunnen overwinnen. Na de oorlog van 1940-’45 vonden veel toeschouwers dat André Renard dicht bij de arbeiders stond, hij deed er alles aan om op de arbeiders te lijken. Hij ging vaak gekleed in een leren jas, hij droeg een pet, men zag hem niet vaak met een stropdas en hij woonde in zijn simpele arbeiderswoning in Seraing. Maar hij bezat ook een Porsche, hij jaagde en deed aan paardrijden. Dat is niet echt het soort sport dat de meeste arbeiders kunnen betalen. Hun loon volstaat slechts om, met moeite, de eindjes aan elkaar te knopen. Er is een Franstalig spreekwoord dat vrij vertaald als volgt luidt: “de kap maakt de monnik niet”. Dit is ook van toepassing op Renard. Het kan sympathiek zijn om op de arbeiders te lijken, maar we hebben daarom nog niet dezelfde gevoeligheden, dezelfde problemen, en zeker niet dezelfde wil om komaf te maken met de kapitalistische uitbuiting. g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 179 André Renard was tegen het cumuleren van syndicale en politieke mandaten. Maar hij deinsde er niet voor terug om zelf meerdere mandaten te cumuleren. Zo was hij de adjunct algemeen secretaris van het nationale ABVV, voorzitter van de raadgevende raad van de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal), lid van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en van de Beroepsraad van de Metaal, regent bij de Nationale Bank, voorzitter van het controlecomité van de elektriciteit, voorzitter van het Belgische Bureau voor de verhoging van de productiviteit, voorzitter van de Socialistische en Syndicale Mutualiteiten en van het Fonds van Sociale diensten van het ABVV van Luik (FMSS), directeur van het blad La Wallonie, algemeen secretaris van de Luikse Metaalcentrale, voorzitter van het ABVV van de provincie Luik. In totaal bezette hij tien mandaten. Voor een syndicalist die tegen de cumul is, is dat veel voor één man. Het komt slechts neer op: “Doe zoals ik je zeg, niet zoals ik doe”. Om deze reeks kritieken op de syndicale actie van André Renard en op de renardistische stroming te beëindigen, wens ik enkele geschriften te citeren van diverse personaliteiten uit de syndicale, politieke of universitaire wereld. Er zijn zij die hem niet hebben gekend, maar een biografie hebben geschreven. Er zijn zij die hem hebben vergezeld in het ABVV, in het MPW of in het patronagecomité van La Gauche. Ik denk dat die verschillende citaten zeker kunnen bijdragen tot meer objectiviteit in de kritieken van de auteur. Het is vanzelfsprekend dat er over de verschillende citaten commentaar te geven is. Maar laat ons zien wat ze over André Renard zeggen. “Het gaat fundamenteel over een centristische tendens die zich tegelijk onderscheidt van een reformistische bureaucratie en van een revolutionaire tendens door het feit dat het in het algemeen zwicht tegenover de druk van de massa’s op het moment van de actie, maar op het beslissende moment waarop de actie tot op het einde moet doorgedreven worden steeds twijfelt, zowel omdat ze twijfelt aan de arbeidersklasse en omdat ze geen duidelijke perspectieven heeft. Het is dat gegeven dat het zijn centristische karakter geeft.” (in de brochure Forces et Faiblesses d’un Grand Combat van de Vierde Internationale, de strekking van Mandel, p.21, februari 1961). Wat betreft het centrisme, of het nu gaat over een partij of een tendens, is het noodzakelijk om het zonder beleefdheden aan te klagen, want: “Het centristische karakter van een partij handelt onvermijdelijk als een rem op de revolutie.” (Leon Trotski in Klasse, Partij en Leiding). In het geval van André Renard is de analyse van Trotski oordeelkundig gebleken, want Renard heeft niet enkel de strijd afgeremd, hij heeft ook de massa’s afgeleid op andere objectieven dan de objectieven die in het begin werden gedefinieerd, wat tot een desoriëntatie van de stakers heeft geleid. Jammer genoeg is het pas na de algemene staking in februari 1961 dat de pseudomarxisten hebben ontdekt dat de centristen “altijd twijfelen op het beslissende 180 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 moment om de actie tot op het einde door te drijven”. Indien ze dit eerder hadden ontdekt, hadden ze de arbeiders tot waakzaamheid kunnen aanzetten tegenover het centrisme van Renard en van de renardistische stroming. Ze hebben er echter de voorkeur aan gegeven hem in het centrisme te volgen. “Ondanks het opstandige karakter van sommige stakingsbewegingen die onder zijn leiding staan, zoals de staking in de winter van ’60-’61, kunnen we de democratische overtuiging van Renard niet in twijfel trekken, in die mate dat hij per slot van rekening altijd de oplossing zoekt die hij het beste acht in het kader van het bestaande regime. “We zijn gelukkig”, verklaart hij tijdens een vergadering bij Van Acker op 19 juni 1957, “met een vergadering als deze, omdat we in alle omstandigheden wensen onze toevlucht te nemen tot onderhandelingen eerder dan conflicten. We zijn van oordeel dat aan het einde van een conflict iedereen verarmd is en dat er meer materiële verarming is, er is een verslechtering van de sociale verhoudingen die de zaken er niet gemakkelijker op maakt.”. Het gaat niet om een toevallige positie verbonden aan specifieke omstandigheden. Zo ook zien we hem in de maand van januari 1961 deelnemen aan geheime onderhandelingen met de voornaamste verantwoordelijken van het land om te proberen een uitweg te vinden voor de staking.” (Pierre Tilly, doctor en historicus van de l’UCL, in zijn boek André Renard, p 583). Vanaf begin januari, op het moment dat de arbeiders nog steeds de straat opgaan in een onverzoenlijke strijd tegen de burgerij die nog steeds angst heeft van een revolutionaire uitbarsting; op het moment dat de arbeiders nog steeds hun wil en voorbeeldige moed tentoonspreiden in de confrontatie met de repressiemacht van de regering Eyskens; op het moment dat de hele arbeidersklasse een mars op Brussel eist en de algemene staking een opstandig karakter aanneemt; op het moment dat het erom gaat dat de leiding van de beweging beslissingen neemt die beantwoorden aan de wil tot confrontatie van de massa’s tegen de burgerij; op dat moment werden ze overmeesterd door een verlammende angst. Maar wat de arbeiders van dit land niet wisten, was dat op dat precieze moment, begin januari 1961, André Renard deelnam aan “geheime onderhandelingen met de belangrijkste leiders van het land om te proberen een uitweg te vinden uit de staking”. We vragen ons vandaag nog altijd af door wie hij gemandateerd was om deel te nemen aan geheime onderhandelingen in het kader van een strijd die in kracht toenam en waarin er aan de kant van de arbeiders geen sprake was van onderhandelingen gezien de Eenheidswet niet onderhandelbaar, niet amendeerbaar was. Wat de arbeiders eisten, was gewoonweg de afschaffing van de Eenheidswet. Uiteindelijk hebben de pogingen tot geheime onderhandelingen van Renard slechts weinig impact gehad op de voortzetting van de algemene staking, behalve dan dat g a d d e a e n v g v v a d d g vv g e e v c n aa a g e a c Ht t eimnrst eimnrst an an Adr dr é Radnr adnr n e e eglnov eglnov eglnov eglnov eglnov or or or or e e bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw bdeginrsw 181 het de burgerij de goede wil tot reformistische verzoening en klassencollaboratie van de socialistische en syndicale leiders van het land duidelijk heeft gemaakt. “Voor mij was André Renard uiteindelijk een zeer harde sociaaldemocraat. De arbeidersklasse moest volgens hem vooruitgaan met opeenvolgende sprongen, hervormingen opleggen door middel van directe actie waarbij geprofiteerd moest worden van buitengewone momenten in de geschiedenis om bressen te slaan in het kapitalistische systeem. Maar deze optiek bleef uiteindelijk ingeschreven in het kader van de parlementaire democratie. Op alle grote momenten van volkse uitbarstingen heeft Renard niet de beslissende stap gezet.” (Jacques Yerna, Pour nr. 346, 29 januari/4 februari 1981, p.8, geciteerd in het boek André Renard van Pierre Tilly). Het is onbetwistbaar een correcte wijze om het personage van André Renard te omschrijven. Hij was een “zeer harde sociaaldemocraat”, maar dan vooral hard in zijn woorden en geschriften. Harde actie bleef desondanks altijd afwezig. Wat betreft “de directe actie” profiteert hij “van de buitengewone momenten in de geschiedenis” of van de “volkse uitbarstingen” om hervormingen op te leggen, maar wel steeds binnen het kader van de parlementaire democratie. Hij heeft altijd geweigerd de volkse uitbarstingen te gebruiken als een steunpunt om een impuls te geven aan een dynamische revolutionaire actie met het uiteindelijke doel te komen tot de omverwerping van het kapitalisme. De arbeidersbeweging heeft de prijs betaald in de vorm van een nederlaag, hoewel alle objectieve voorwaarden aanwezig waren om tot een overwinning te komen en zelfs veel meer. Vanaf het in gang komen van deze spontane algemene staking, vreesden de arbeiders bovenal dat de Eenheidswet voor de burgerij slechts een test was om een reeks aanvallen te beginnen, die zouden leiden tot sociale achteruitgang. Deze angst is gefundeerd gebleken. Alle regeringen die na het conflict elkaar hebben opgevolgd, met de constante deelname van de socialistische partij, hebben deze ongelukkige wet in kleine pakketten uitgevoerd, stukje bij beetje, wat sindsdien heeft geleid tot een sociale achteruitgang voor de arbeidersklasse die nog steeds ravage aanricht tot op het punt dat vandaag 15% van de bevolking in armoede leeft en dat hun aantal nog steeds blijft toenemen. 182 VII De dubbelzinnigheid van de structuurhervormingen en de strijd voor de macht Het ABVV bezit een doctrine van klassenstrijd. De basismilitanten en zeker de leden kennen een praktijk en ondergaan een ervaring van klassencollaboratie. Van die onverzoenbare tegenstellingen is het die van de klassencollaboratie die meestal dominant is. De integratie en de klassencollaboratie van het syndicalisme, het traditionele reformisme, is een fenomeen dat wijdverspreid is in de kapitalistische samenlevingen. De ene heeft het meer dan de andere, maar geen enkele ontsnapt aan die regel. Wat de verschillende ervaringen van strijd de arbeiders leren, is dat er een bepalende tegenstelling is tussen de doctrine en de praktijk van het ABVV. In theorie zijn de linkse en rechtse reformisten voor graduele hervormingen. In de praktijk kunnen die hervormingen niet radicaal genoeg zijn in hun ogen, want als ze dat zijn, zullen de reformisten ze systematisch beroven van hun klasseninhoud. In die condities worden alle hervormingen die raken aan het essentiële functioneren van het kapitalisme fataal en in hun realisatie hypothetisch. En zelfs indien een deel van die hervormingen gerealiseerd wordt, zullen ze volledig beroofd worden van hun antikapitalistische inhoud. Dat is overigens waarom alle belangrijke eisen, zoals de nationalisatie onder arbeiderscontrole, zich in werkelijkheid transformeren in een simpele variant van het medebeheer van de kapitalistische bedrijven. In die omstandigheden zijn de arbeiders ondanks hun opvattingen verbonden aan het opdrijven van het tempo van de productie en van het verhogen van de tarieven. Zonder echte en effectieve welbepaalde arbeiderscontrole in de handen van de arbeiders zelf, kunnen zij uiteindelijk niets controleren, maar zijn ze er altijd zeker van dat ze beduveld worden. Het is zoals de akkoorden die werden gesloten over gas en elektriciteit in 1962 of de goedkeuring van de leidingen van de politieke en syndicale partijen van de “controlecomités” of later het “overlegcomité van de staalpolitiek”, die niet hebben kunnen voorkomen dat er kapitalistische rationalisaties kwamen, die betaald werden met een groot jobverlies en tariefverhogingen voor de consumenten, terwijl de kapitalistische winsten op een hoog niveau behouden bleven. Deze participatie heeft enkel een zekere medeplichtigheid aangetoond en heeft het verschil tussen de doctrine van de klassenstrijd en de reformistische praktijk ten nadele van de arbeiders verdiept. Terwijl de BSP en het ABVV in theorie het medebeheer weigeren, stemmen ze er in de praktijk mee in. In die politieke omstandigheden is er geen sprake meer van s d d d e d v v v d d d d vv e d v m s d d D bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz an an e e ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv n e e dijrt dijrt or or or or e e acht 183 macht macht contestatie, maar van klassencollaboratie. In die omstandigheden is het niet verwonderlijk dat de eis voor de nationalisatie van de sleutelsectoren van de economie onder arbeiderscontrole door de BSP en het ABVV volledig achterwege is gelaten. De structuurhervormingen die door de congressen van het ABVV in 1954 en ’56 naar voren werden gebracht en die onder druk van links formeel werden goedgekeurd door het congres van de BSP in 1959, hebben de bijzonderheid dubbelzinnig te zijn. Ze kunnen evengoed geïnterpreteerd worden op twee verschillende en feitelijk tegengestelde manieren, op revolutionaire of op reformistische wijze. Want de nationalisaties die worden voorgesteld door de reformisten brengen geen radicale verandering in het functioneren van de genationaliseerde industrieën. Ze brengen de gevestigde kapitalistische orde niet aan het wankelen. Ze doen niets behalve bijdragen aan het behoud van het privébezit, wat betekent dat het voor de arbeiders om een oplichterij gaat. De nationalisatie onder arbeiderscontrole, via onteigening en planning van de economie, die door de revolutionaire marxisten wordt verdedigd, is een overgangseis die als antikapitalistisch programma een mobilisatiemiddel van de brede lagen van de arbeidersklasse kan vormen en die kan leiden tot een formidabele krachtsverhouding in het voordeel van de revolutionaire strijd. Het kan leiden tot een situatie van dubbelmacht die uitloopt op een krachtsmeting tussen kapitaal en arbeid, als een stadium dat moet leiden tot de machtsovername door de arbeiders. Elk programma van antikapitalistische structuurhervormingen mag in geen geval een doel op zich zijn, maar een brug die niet gebouwd moet zijn op een plaats waar de rivier te breed is en de overgang te moeilijk zou zijn. Ze moet het middel zijn tot de totale vernietiging van het kapitalisme. De minste hervorming die wat dieper gaat, zoals de nationalisatie onder arbeiderscontrole, die een deel van de macht in gevaar brengt, zal onvermijdelijk de burgerij doen reageren met de grootste heftigheid om haar privileges en voorrechten te behouden. Daarom heeft een echt antikapitalistisch overgangsprogramma geïnspireerd op het marxisme de bijzonderheid onverenigbaar te zijn met de normale regels van functioneren van het kapitalistische uitbuitingsregime. In die condities bestaat de strategische taak van de revolutionairen in de agitatie, in de strijd tegen ieder besparingsproject, voor de directe eisen en voor de omverwerping van het kapitalisme. “We moeten de massa helpen in het proces van haar dagelijkse strijd de brug te vinden tussen haar huidige eisen en het programma van sociale revolutie. Die brug moet bestaan in een systeem van overgangseisen die vertrekken van de huidige condities en het huidige bewustzijn van de brede lagen van de arbeidersklasse en die onveranderlijk leidt tot één en dezelfde conclusie: de machtsovername door het proletariaat.” (L. Trotski, Overgangsprogramma, Doodstrijd van het Kapitalisme en de Taken van de Vierde Internationale, editie van augustus 1946, p.7). 184 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De reformisten zijn altijd bereid tot het sluiten van akkoorden, van manke compromissen met de burgerij, en geloven dat de strijd voor hervormingen, door opeenvolgende sprongen, beetje bij beetje, volstaat om het kapitalisme af te slachten via de electorale weg van het parlementarisme, zonder noodzakelijk te moeten overgaan tot de revolutionaire strijd voor de omverwerping van de burgerij. Het is daarom dat ze structuurhervormingen essentieel zien als leidend tot hernieuwing en verbetering, tot het performanter maken en het beter leiden van de kapitalistische economie via een soepele planning, door het verhogen van de productie, en zich te richten op de groeisectoren. Het is dat wat André Renard het volgende deed zeggen: “We zitten in een geleide economie, maar zij die haar leiden, ’t is te zeggen de 200 ‘holdingmannen’, leiden haar slecht. Zij leiden haar slecht omdat ze enkel hun particuliere belangen voor zich zien en niet het algemeen belang.” (aangehaald door Robert Moreau, Combat syndical et Conscience wallonne, p.51). Dit is een typisch neo-reformistisch gezichtspunt. We mogen immers nooit vergeten dat de samenleving opgedeeld is in twee diametraal tegengestelde klassen. Waar de “particuliere belangen” van de kapitalistische klasse altijd primeren op het “algemeen belang”. De kwestie is niet te weten of de “holdingmannen” de economie “slecht leiden”. De vraag bestaat erin een strijd te voeren om deze geleide economie te vervangen door een socialistische economie. De veelbetekenende interpretaties van de reformisten van de BSP van het programma van structuurhervormingen drukken zich uit in de uitleg die er officieel over gegeven wordt door de voorzitter van de BSP, Leo Collard, wanneer hij in het kader van de “operatie waarheid” een “belangrijk discours” voert “dat leidt tot de goedkeuring van de socialistische partij van de actie voor de ‘structuurhervormingen’ die door het ABVV verdedigd worden.” (citaat van Robert Moreau, p.105). Voor Leo Collard, is wat men moet verstaan onder structuurhervormingen het volgende: • een bureau voor planning • een nationale raad voor energie • een nationale beheersmaatschappij voor de steenkool • een nationale elektriciteitsmaatschappij • een nationale gasmaatschappij • een controlecommissie voor de distributie van petroleumproducten • een hoge raad van financiën • het verzekeren van controle over de holdings (aangehaald door Robert Moreau, p.104). Deze lijst leest als een opsomming van vrome wensen. Voor de BSP past dit programma in de logica van klassencollaboratie en parlementarisme in een kader s d d d e d v v v d d d d vv e d v m s d d D bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz bdeghilnuz an an e e ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv ceghimnorstuv n e e dijrt dijrt or or or or e e acht 185 macht macht van graduele hervormingen die niet uitloopt op een buitenparlementaire actie noch een in vraag stellen van de structuren en de fundamenten van het kapitalisme. Integendeel, zie hier wat het verslag van het ABVV voor het congres van 1962 over de steenkoolraad zegt: “Laat ons van dit geprezen programma de reeds bekomen realisaties citeren: de steenkoolraad die ons geen volledige bevrediging geeft, maar die al de weg opgaat die wij hebben aangewezen.” (Verslag ABVV, p. 750). Met dat verschil dat voor de mijnwerkers de steenkoolraad een van de instrumenten is geweest dat gecreëerd werd in plaats van de nationalisatie van de steenkoolindustrie. De raad zal overigens onbekwaam zijn in het verzet tegen de ontslagen en de sluitingen van de mijnen. Hij zal zelfs onbekwaam zijn in het bepalen van de prijs van steenkool. Dat was zeker niet de weg die de mijnwerkers wilden aanwijzen. Anderzijds zal het nationale ABVV pas lang na de dood van André Renard aanvaarden om over de antikapitalistische structuurhervormingen te praten. Het is overigens onder de impuls van radicaal linkse militanten die, op de congressen, altijd het verzet van de syndicale apparaten moesten overwinnen, dat deze benaming mogelijk is, maar dan wel op een moment dat het niet meer dezelfde aantrekkingskracht en dezelfde impact had op de gebeurtenissen; vooral nadat de aanhangers van het reformisme ze beroofd hadden van hun antikapitalistische inhoud om ze finaal in de vergeetput te klasseren. Zelfs André Renard heeft altijd willen vermijden er de term ‘antikapitalistisch’ aan toe te voegen, omdat die volgens hem een te duidelijke revolutionaire weerklank had. In alle acties van de leidingen van de BSP of het ABVV zijn de grondvesten van het kapitalisme nooit in vraag gesteld. Ze hebben steeds vermeden de vraag van de proletarische machtsovername te stellen. Wat de BSP betreft, heeft de partij zich van het begin tot het einde van het conflict enkel gehouden aan de parlementaire actie terwijl de leiders van de rechtervleugel van het ABVV, geïncarneerd door Louis Major, Dore Smet en co, de structuurhervormingen enkel aangenomen hebben omdat ze niet in staat waren er zich categoriek tegen te verzetten. Van het begin tot het einde bleven ze zich verzetten tegen het ordewoord van de nationale algemene staking en bleven ze er op passieve wijze vijandig tegenover staan. Daarentegen zijn de leiders van de reformistische linkervleugel van het ABVV, geïncarneerd door A. Renard, A. Genot, R. Moureau, Fernand Pirsoul en co, als de belangrijkste leiders van de renardistische stroming, er niet in geslaagd de grote meerderheid van gemobiliseerde arbeiders in de beslissende strijd te leiden tot een revolutionaire confrontatie met de kapitalistische samenleving. De enige uitgelezen uitweg om hun gezicht te redden, was het federalisme, een ontsnappingsroute uit de revolutionaire doelen die deze algemene staking opwierp. Met de introductie 186 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 van het federalistische virus is per slot van rekening niets opgelost in de situatie van hen die uitgebuit worden, zo is de economische neergang van Wallonië ermee niet slechts voort gezet, maar zelfs verergerd voor het geheel van de arbeidersklasse die talrijke herstructureringen heeft ondergaan die geleid hebben tot ontslagen aan de lopende band. Vandaag nog blijft de werkloosheidsgraad rampzalig hoog, in parallel met een recordniveau van armoede. En dat alles ondanks de effectieve realisatie van het federalisme, dat de renardisten zo nauw aan het hart lag. 187 VIII La Gauche en Mandel, loopjongens van André Renard Voor de politieke analyse van ‘La Gauche en Mandel, loopjongens van A. Renard’, heb ik me vooreerst gebaseerd op de talloze discussies die we als trotskisten van Charleroi onderling voerden vanaf het einde van de algemene staking. Voorts op onze strenge kritiek op de houding van de strekking Mandel in die beslissende ogenblikken voor de Belgische afdeling van de Vierde Internationale. Vervolgens heb ik me laten inspireren door de geschriften en kritieken, destijds geformuleerd door Gérard Block, waarvan ik de essentie van sommige uittreksels geactualiseerd heb en er mijn bijdrage en getuigenis aan toegevoegd heb. Wat volgt zijn de besluiten waarover we het eens geworden zijn. Op 17 december 1960, nog voor het uitbreken van het spontane conflict, lijkt het correct om Renard te ondersteunen, hoewel het ook toen al fout was zich volledig in te schrijven in diens tactiek voor de staking. Ik zal daarop en vooral op zijn dubbelzinnig programma van structuurhervormingen nog terug komen. In het edito van La Gauche op 17 december 1960 stond te lezen: “André Renard heeft zich in principe akkoord verklaard met het ordewoord [algemene staking tot de finish, gd] in zijn toespraak van 14 december. Dat is dus het doel dat we de komende weken willen bereiken.” Tot daar niets verkeerds op voorwaarde dat men zich niet beperkt tot het napraten van wat de capitulerende leider van reformistisch links vertelt, dat men de politieke onafhankelijkheid behoudt en afstand bewaart ten aanzien van alle linkse en rechtse reformisten die samen aan het hoofd staan van de Belgische arbeidersbeweging, en bij de arbeiders maar al te goed bekend staan voor hun politiek van klassencollaboratie met de burgerij. Maar in plaats van de nodige afstand te bewaren, werd, zoals we zullen getuigen, het tegengestelde gedaan. In een zo talrijke en diepgaande massabeweging als die van de winter van ’60-‘61, was het voor iedere strekking van de arbeidersbeweging uiteraard een absolute vereiste om de antikapitalistische doelstelling te bewaren, en er rekening mee te houden dat in zo een situatie, waarin de spontane algemene staking zich afspeelde, de arbeidersmassa’s zich tijdens de eerste dagen van strijd instinctief richten op hun traditionele organisaties. Alle krachten van de arbeid bundelen zich en versterken in eerste instantie hun eigen massaorganisaties. Maar dit gezegd zijnde, voor de strekking La Gauche, die zich marxistisch noemt, mag er in geen enkele omstandigheid sprake van zijn haar eigen ervaring uit het verleden te vergeten. Die politieke ervaring is er een van reformisme en stalinisme bij de traditionele arbeidersleiders. 188 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De marxisten moeten uit ervaring weten dat als de massabeweging van de arbeiders zich in strijd naar haar traditionele organisaties richt, dat geen omarming betekent van de politiek van compromissen en van de tactiek die gedicteerd wordt door de reformistische leidingen. Vroeg of laat dringt bij de arbeiders in strijd, door hun praktijk op het terrein van de klassenstrijd, eerst de directe capitulerende rol door en vervolgens het verraad van hun traditionele reformistische en stalinistische leiders. Dat betekent niet dat de arbeiders die een zware strijd zijn aangegaan, onmiddellijk hun organisatie zullen verlaten ondanks het herhaaldelijke verraad van hun leiders. Ze zullen integendeel massaal verenigd blijven in de strijd tegen de klassentegenstander en met hun volle gewicht druk uitoefenen op hun leiders om die te dwingen tot het einde door te zetten. Dat is trouwens hoe het uiteindelijk verliep. Laat ons nu eens ingaan op de volledige en hardnekkige analyse van de strekking La Gauche tijdens de algemene staking. Om de complexe politieke persoonlijkheid van Ernest Mandel en de strekking La Gauche die hij vertegenwoordigde te bevatten, is het nodig in de diepte en met precisie na te gaan wat er tijdens het conflict door die strekking in België en in Frankrijk geschreven werd. De hoofdredacteur van het blad La Gauche, Ernest Mandel, is echt verbijsterend. In de Franse pers bekritiseerde hij André Renard, maar in de Belgische bewierookte hij hem en liet hij hem aanprijzen. In feite stelde een groot deel van de leiders van de strekking Mandel zich in België borg voor Renard. Maar laat ons dat beoordelen op basis van concrete gegevens en laat ons eens nagaan wat ze zeiden naargelang plaats en tijd. Op 5 januari 1961 neemt Mandel in het Franse weekblad France-Observateur, waarvoor hij schreef onder het pseudoniem Pierre Gousset, met uitermate grote voorzichtigheid afstand van “de eis (…) vertrokken (…) vanuit de vleugel van Renard in het ABVV voor de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen” waartegenover hij die eis stelt “vooral vertrokken vanuit de basis van een ‘mars op Brussel’.” Tot daar geen opmerkingen. Maar met het editoriaal van La Gauche op 7 januari 1961 steekt een verwarrende dubbelzinnigheid de kop op: “De Waalse leiders van het ABVV hebben beslist ter gelegener tijd de arbeidsmiddelen te verwaarlozen, het is een verschrikkelijk en efficiënt wapen, maar het is een ultiem wapen. Vooraleer het toe te passen op grote schaal, moet eerst de actie vooruit worden gestuwd.” Hier dus geen sprake meer van kritiek of veroordeling van dit wapen van verwaarlozing van de arbeidsmiddelen, van vandaag op morgen is het een “verschrikkelijk en efficiënt” wapen geworden, en het gebruik ervan moet ondersteund worden! Sprekend over de initiatieven met een federalistisch karakter die net genomen werden in Wallonië, bevestigt Pierre Gousset in France-Observateur op 5 januari 1961: l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 189 “Ze mogen dan nog zonder twijfel de druk op de regering opvoeren, ze introduceren niet minder een element van verwarring en verdeeldheid in de bedrijven. Ze zijn er niet op gericht om de eenheid onder Vlaamse en Waalse arbeiders te bevorderen, nochtans een absolute vereiste om het gevecht te winnen.” Laat ons ook hier objectief zijn over deze kritiek op Renard in Frankrijk. We kunnen het eens zijn met wat er gesteld wordt, maar daar stopt het niet, want hoe verder Renard de weg opgaat van de verdeling van de beweging, des te meer zal La Gauche hem op die weg volgen. Zoals in het nummer van La Gauche van 14 januari bijvoorbeeld. Van Georges Dobbeleer, een Luikse militant van La Gauche, kan men er lezen: “Vorige vrijdag [dat is 07/01, nadat Renard diens demobiliserende slogan voor de verwaarlozing van de arbeidsmiddelen en Waals federalisme had geformuleerd, gd] aanhoorden 40.000 arbeiders die waren samengekomen op Place Saint-Paul in Luik kalm het uitstekende betoog van André Renard.” Op hetzelfde moment waarop de arbeiders steeds kritischer worden over de positie van Renard, waarop ze zijn tactiek beoordelen als totaal ongepast en inefficiënt, een inbreuk op de eenheid van de arbeidersklasse in strijd, neemt de steun van La Gauche aan André Renard enkel toe. Maar wat geen enkele marxist kan lezen zonder in ademnood te raken, zijn de woorden van Emile Van Ceulen, een goede vriend van Mandel, die zich in de campagne voor de mars op Brussel in 1950, het moet gezegd, zonder betwisting had onderscheiden. Maar in datzelfde nummer van La Gauche stelt Emile Van Ceulen zich garant voor de vastberadenheid van Renard: “De toepraak van Renard [op de betoging van La Louvière, gd] was vastberaden. Hij heeft gezegd dat er geen compromis zou worden gesloten, dat men de éénheidswet moet intrekken. En ik geloof net als Renard dat we tot op het einde moeten volhouden voor de intrekking van die ongelukswet.” In het editoriaal van La Gauche, waarvan Mandel nota bene hoofdredacteur was, van 14 januari kunnen we lezen: “Wat de burgerij wil bereiken met een wanhopige koppigheid die haar miljarden kost… is het breken van de stalen punt van onze arbeidersbeweging, belichaamd door de kameraad André Renard die ze als een voortdurende bedreiging van haar systeem aanziet.”. Spijtig genoeg voor Mandel was André Renard, zoals we al gezien hebben, niet meer dan een witijzeren punt die zich plooide voor de burgerij. We stellen de vraag opnieuw: is het mogelijk toe te staan dat de leiders van de strekking La Gauche, vertegenwoordigd door Mandel, met een onwaarschijnlijke dubbelzinnigheid André Renard in Frankrijk kunnen bekritiseren, terwijl ze hem in België bewieroken? Is het geoorloofd dat deze strekking, die beweert zich op 190 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 het perspectief te plaatsen van de socialistische revolutie, haar onvoorwaardelijke politieke steun verklaart aan André Renard, deze linkse reformist? Dat doet ons uiteraard geloven dat er aan deze strekking niets revolutionair marxistisch is. De Mars op Brussel Een van de kenmerken van deze pseudo-marxisten in België bestaat erin voortdurend hun echte politiek te verbergen. In de geschriften van Mandel en de leiders van de strekking La Gauche zit er van alles: voor en tegen, juist en fout, vals en echt. Wat positief is, speelt er slechts een secundaire rol, die van rookgordijn om de echte inzet te verbergen, met name de meest beschamende capitulatie voor de reformistische apparaten. Want achter al die onsamenhangendheid ging wel een precieze politieke doelstelling schuil. De strekking La Gauche en Mandel in het bijzonder, waren zich perfect bewust van de revolutionaire inhoud van de algemene staking en van de problemen die ze stelde. Ernest Mandel was zich niet minder bewust van de onmogelijkheid van verzoening tussen de revolutionair marxistische politiek en die van het links reformisme van André Renard waarmee Mandel voor geen enkele prijs wilde breken. De prijs die Mandel betaalde om bij Renard aan te leunen, was de opgave van de revolutionaire benadering. Dat werd bijzonder duidelijk met de mars op Brussel, waarin de goocheltrucjes van de voortreffelijke Mandel een grotesk karakter kregen. In La Gauche van de 1ste januari 1961, na dertien dagen algemene staking, kan men voor het eerst onder een grote titel in het rood lezen: “Laat ons de mars op Brussel organiseren”, maar deze oproep werd niet verbonden met een organisatorisch ordewoord, het enige waardoor die een tastbare betekenis kon krijgen, zoals bijvoorbeeld het bijeen roepen van een “nationaal congres van de stakerscomités”. Geen woord over dit fundamenteel revolutionair ordewoord. We komen erop terug. Op 7 januari, op de voorpagina, begint La Gauche uit te leggen hoe, naar haar oordeel, de mars op Brussel zou moeten georganiseerd worden: “Laat ons tegenover de regering van de Rijkswacht, de democratie van de arbeiders stellen. Mars op Brussel. Walen, Vlamingen: stuur van nu af aan grote delegaties naar de hoofdstad! Brusselaars: vorm ontvangstcomités!!!”. De Mars op Brussel is dus volgens La Gauche geen algemene mobilisatie van honderdduizenden stakers die naar de hoofdstad trekken, maar de concentratie van “grote” delegaties, ontvangen door Brusselse “ontvangstcomités”. Wat is die uit de lucht gegrepen tactiek? Indien het tijdstip niet zo ernstig was geweest, dan had men erom kunnen lachen. Maar het editoriaal licht toe: “We moeten de actie stimuleren. Het meest populaire doel daartoe, is de mars op Brussel. De bijvalsbetuigingen van duizenden betogers (…) hebben het bewezen deze week (…). Door paniek bevangen in het vooruitzicht van die l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 191 mars op Brussel, hebben de regering en de Rijkswacht Brussel in een legerkamp veranderd… Maar al die voorbereidingen zijn inefficiënt. Iedere mars die zich zou willen verzamelen op een dag en de confrontatie aangaan met deze concentratie van de repressie zou uiteraard waanzin zijn. Maar elke mars die zich over verschillende dagen zou spreiden - die onmiddellijk en in de dagen die volgen dagelijks duizenden Walen en Vlamingen naar Brussel zou brengen - zou de regering voor een verschrikkelijk dilemma plaatsen. Of de regering laat begaan, en dan zouden er weldra 200 tot 300.000 arbeiders zich in de hoofdstad bevinden en er met hun volle gewicht op het parlement wegen. Of de regering werpt versperringen op, en dan desorganiseert en blokkeert ze zelf alle verkeer in het land gedurende verschillende dagen, indien al niet voor een hele week. Op die manier zou ze bijdragen aan het stilvallen van alle economische activiteit, aan de zege van de algemene staking. Ons voorstel heeft niets te maken met opstand. Het is perfect legaal.” Inderdaad, perfect legaal en perfect onopstandig! Als we de strategische expert Mandel goed begrijpen, dan zouden 200.000 tot 300.000 arbeiders, nadat ze “geïnfiltreerd” zijn in Brussel, met het akkoord van de Rijkswacht die zou “laten begaan”, er alles toe doen om geen ander doel na te streven dan druk uit te oefenen op het parlement. Dat wil zeggen, zich beperken tot het omver gooien van de regering Eyskens, waarna de orde zou terugkeren. Maar Mandel heeft alles voorzien: als de regering en de Rijkswacht de toegang tot Brussel aan “grote delegaties” verspreid over verschillende dagen ontzeggen, dan… “is dat de zege van de algemene staking.” Ernest Mandel overstijgt zichzelf met zijn voorstel om verborgen voor de regering een mars op Brussel te organiseren, in zekere zin incognito en uiteraard geheel legaal, met “ontvangstcomités” die onder de neus van de Rijkswacht en de regering “grote delegaties”, vermomd als toeristen ontvangen die dan door Brussel zullen marcheren met als doel druk uit te oefenen op de burgerlijke instellingen die uiteraard in functie blijven. Als we even aannemen dat deze tactiek niet geschift is, dan stelt zich nog steeds een praktisch probleem. Hoe zou men dit doen? Zelfs als “grote delegaties” van 5.000 of 10.000 stakers erin zouden slagen toch clandestien Brussel binnen te sluipen? Dat zouden geen grote delegaties meer zijn, maar heuse bataljons die de hoofdstad overwoekeren. Het zou zelfs dan ongeveer 30 dagen vereisen om de voorziene 300.000 stakers te behalen, en dat allemaal met de welwillendheid van de regering en haar politie die onbewogen zou blijven bij een dergelijke massaconcentratie van arbeiders. Een andere vraag moet gesteld worden: hoe is het mogelijk dat men zo een geschifte tactiek voorstelt waarbij iedere zin voor realiteit ontbreekt? Neemt men de arbeiders voor uilskuikens? Zonder inzicht, zonder kennis, met lege handen en lege zakken, hebben La Gauche en Mandel de infiltratie van Brussel georganiseerd. Dit soort voorstellen van La Gauche en Mandel heeft meer weg van illusionisme dan van revolutionair marxistische methodes. Maar Mandel weet heel goed wat hij doet, want in hetzelfde 192 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 artikel schrijft hij: “Met zijn armzalige 18.000 rijkswachters staat Eyskens machteloos tegen een miljoen stakers.” Hoezo? Waarom dan al die verbale goochelarij die niets anders kan dan honderdduizenden betogers die willen optrekken naar Brussel te desoriënteren? Voor talloze arbeiders was de mars op Brussel geen sprookje, maar een gevecht waarbij een revolutionaire confrontatie van de twee aanwezige klassen onvermijdelijk was. Waarom wil de helderziende Mandel zoveel hij kan het ordewoord voor een mars op Brussel, de uitdrukking van de snelle ontwikkeling van een revolutionair bewustzijn bij de stakers, minimaliseren? Waarom wil hij ze beperken tot een “vreedzame, niet gewelddadige” en perfect legale mars met enkel “grote delegaties”? De stakers willen nochtans de mars op Brussel, ondanks de concentratie van repressieve krachten in de hoofdstad. Het lijkt erop dat de stakers, bewust van de gevaren van de strijd en de confrontatie met de rijkswachters, veel minder schrik hadden van die revolutionaire confrontatie dan Mandel. Dat wordt bevestigd door een reportage vanuit de Borinage verschenen in hetzelfde nummer van La Gauche van 7 januari 1961. Daar wordt gezegd: “de mars op Brussel is niet uitgesloten en we bereiden er ons op voor. Het zijn niet de mitrailleuses die zijn opgesteld aan de Zuun die ons ervan zullen weerhouden… De Borains sluiten evenmin een totale opstand uit.” “Waanzin”, zoals Mandel op de vierde bladzijde van dezelfde krant schrijft. Is het nodig eraan te herinneren dat in 1950, tijdens de koningskwestie, de voorbereidselen van de mars op Brussel eveneens plaatsvonden? Was dat dan ook “waanzin”? Ik denk het niet. Maar ook toen waren diegenen die op de rem stonden, diegenen die schrik hadden, diegenen die capituleerden en de mars op Brussel tegenhielden, de leiders en niet de arbeiders, want die wilden ondanks de risico’s toch doorgaan tot op het bot. Geconfronteerd met de aanhoudende eis van de stakers voor een mars op Brussel vond Mandel het desalniettemin nodig enkele verbale toegevingen te doen. Dat is de reden waarom La Gauche titelt “Mars op Brussel” en voorstelt “de infiltratie” te organiseren. De leiders van La Gauche denken op die manier de sociaaldemocratische leiders, die geheel vijandig staan tegenover een Mars op Brussel, en Renard in de eerste plaats, niet voor het hoofd te stoten en kwaad te maken. Maar Mandel heeft zich op dat punt vergist. De leiders van het reformistische apparaat hebben altijd de kunde gekend om de massa’s tot het kader van het burgerlijk parlementarisme te beperken. Ze hebben daar een zeer lange expertise mee, ze weten hoezeer de situatie op dit precieze moment van de staking gespannen is. De zesde januari betoogden 50.000 stakers in Luik en zij hadden enkele uren wild slag geleverd met de ordekrachten. De strijdbaarheid van de arbeiders bevond zich op haar hoogtepunt, maar ze wisten niet waarop die strijdbaarheid te richten. De leiders van hun kant waren zich er wel van bewust dat de grote meerderheid van de stakers de mars op Brussel wou. l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 193 Ze vreesden ook dat het afgezwakte voorstel van La Gauche door de stakers zou geïnterpreteerd worden als een aanmoediging om de structuren te omzeilen. Bijgevolg beslisten de bureaucraten van de BSP en van het ABVV dat La Gauche moest zwijgen en ze maakten dat zonder omwegen duidelijk. La Gauche begrijpt de boodschap en in de volgende uitgave (die van 14 januari 1961) wordt er met geen woord meer gerept over de mars op Brussel. Renard beveelt en Mandel gehoorzaamt. Het is Jacques Yerna - wellicht omdat hij, het moet gezegd, tot dan een veel hardere positie had ingenomen dan Mandel - die de onaangename opdracht krijgt de capitulatie uit te leggen van “de meest radicale strekking van links” tegenover de beschuldiging van “onverantwoord gedrag” door de reformische apparaten. Onder de titel ‘Betreffende de onverantwoordelijken’ schrijft J. Yerna het volgende: “We kunnen niet (…) onverschillig blijven tegenover de mening gepubliceerd door ‘Le Monde du Travail’ en ‘La Wallonie’ [het dagblad van Renard, gd]. Men verwijt ons het ordewoord van een mars op Brussel gelanceerd te hebben, terwijl de leiders van de beweging zich daar unaniem tegen verzet hebben (…). Vooreerst zijn wij van mening dat La Gauche niets te verwijten valt. Als wij het ordewoord van de Mars op Brussel gelanceerd hebben, dan was dat voor het Nationaal Congres van de Gemeenschappelijke Actie in Luik op donderdag 5 januari dat ordewoord verworpen had en zich daartegenover had uitgesproken voor de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten. We hebben dat gedaan met de zekerheid (…) dat de voorwaarden waaronder men de mars moest organiseren zodanig waren dat te grote risico’s vermeden werden. We willen benadrukken dat onze krant de wensen van talloze arbeiders weerspiegelde. De gemeentearbeiders van Antwerpen en Luik die aan de basis lagen van de beweging, de spoormannen van Luik, de talloze stakerscomités van Charleroi en Le Centre, de algemene vergadering van de stakers van Haine-Saint-Pierre, hadden zich in die zin uitgesproken. Aangezien we vandaag vaststellen dat deze eis niet opgenomen wordt door de leiders, leggen we ons daarbij neer, maar we herinneren eraan dat op het ogenblik waarop onze aankondiging van vorige week is verschenen, er nog geen enkele aanwijzing daarover gekend was.” Die tekst verdient het om er even bij stil te staan, ongeacht of het nu geschreven werd door een militant die zichzelf beschrijft als deel van de socialistische linkerzijde, of door een militant die zich trotskist noemt. Dit geschrift stelt een fundamenteel probleem aan de kaak betreffende de houding van revolutionaire marxisten die militeren in de schoot van een massaorganisatie die wordt gecontroleerd door een bureaucratisch apparaat. Een fundamentele kwestie dus voor elke tactiek van ‘entrisme’. La Gauche lost dat, wat haar betreft, op met opportunisme. De oplossing daarvoor werd trouwens een van de belangrijkste breekpunten tussen de trotskisten die trouw bleven aan de principeverklaring bij de stichting van de Vierde Internationale aanbevolen door Trotski zelf, en diegenen die in hun dagelijkse praktijk deze principes lieten varen in naam van het entrisme en het excuus 194 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 om niet openlijk in confrontatie te treden met de bureaucratische apparaten met het risico zich af te snijden van de arbeidersmassa’s. We moeten die problematiek diepgaander onderzoeken, want het is in geen geval de bedoeling van trotskisten, die naam waardig, om zich af te snijden van de arbeidersmassa’s. Maar dat mag niet ten koste gaan van het verloochenen en liquideren van de principes, de tactiek en het programma van de Vierde Internationale. Toen Michel Pablo en zijn aanhangers in het secretariaat van de Vierde Internationale in 1952 beslisten de tactiek van het entrisme toe te passen, dan was dat begrijpelijk door de relatieve zwakte van de trotskistische militanten die grotendeels waren uitgemoord tijdens de oorlog. Maar wat mezelf betreft, moet ik het volgende verduidelijken: de fundamentele kwestie is niet of het al dan niet gepast is om de tactiek van het entrisme of zelfs fractiewerk toe te passen ten aanzien van een of andere massaorganisatie. Dat is een kwestie die beslist wordt naargelang de concrete situatie, naargelang de periode, het land, het karakter van de organisatie waarbij men wil toetreden, de sterkte of de zwakte van de revolutionairen,... Die concrete discussie heeft slechts betrekking op de tactiek en stelt geen principiële zaken aan de orde. Maar wat wel beslissend is, is met welk perspectief men aan entrisme doet. Gaat het om een aanpassing aan de apparaten in de hoop om hen op een dag te beteren, hetzij “onder druk van de massa’s” hetzij “van de objectieve condities” etc., of gaat het erom de massa’s te helpen om de bureaucratische apparaten te overstijgen en te vernietigen? Voor sommige militanten die zichzelf troskist noemen, betekent entrisme niets anders dan de zuivere liquidatie van de revolutionair marxistische fracties in de reformistische en stalinistische organisaties. Dat is een alternatief dat noch een uitweg, noch een uitvlucht biedt. In de toepassing van entrisme, zoals in iedere massawerk trouwens, werpt de klassenstrijd altijd vroeg of laat die vraag op en steeds weer op het scherp van de snede. De arbeidersklasse heeft grote gevechten geleverd. Tijdens die gevechten komen de wensen van de massa’s en de vereisten van hun strijd steeds weer in conflict met de vereisten van de klassencollaboratie van de apparaten. Wat moeten de revolutionairen dan doen? Een duidelijke en coherente uitdrukking geven aan de diepe verzuchtingen van de massa’s, met het risico om de aanvallen en de represailles van het apparaat te ondergaan, zoniet zich op de lijn zetten van het apparaat en deelnemen aan het verraden van de massa’s? De geschiedenis staat op dat vlak geen dubbelzinnigheid toe. Ze dwingt telkens weer tot een onvoorwaardelijke keuze. Elke discipline heeft een precieze sociale inhoud. Wiens discipline heeft La Gauche aanvaard? Die van de gemeentearbeiders, van de spoormannen, van de stakerscomités, van de algemene stakersvergaderingen, die steeds volgens La Gauche de mars op Brussel eisten? Neen. La Gauche en de aanhangers van het entrisme zonder principes hebben zich volledig geschikt naar de apparaten en voelden zich niets verplicht ten aanzien van de organen van de arbeidersdemocratie die waren ontstaan in de algemene staking. Maar aan de Socialistische Gemeenschappelijke Actie, het opperste orgaan van de reformistische l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 195 apparaten van de BSP en van het ABVV, hebben Mandel en La Gauche zonder twijfelen gehoorzaamd, zonder gemopper, zonder uitstel. Slechts een zaak hebben ze betreurd: ze konden niet bij voorbaat gehoorzamen! Het klopt dat er “nog geen aanwijzing gekend was” op het ogenblik dat ze, zonder toestemming, het artikel schreven over “laat ons een mars op Brussel organiseren”. Met de apparaten tegen de massa’s Op de beslissende ogenblikken van de klassenstrijd hebben de ‘entristen’, liquidatoren van het trotskisme, zich ingeschakeld in de strijd van de apparaten tegen de massa’s. In de winter van 1958-1959 stonden de Engelse revolutionaire marxisten voor een vergelijkbaar dilemma. Er ontwikkelde zich een golf van stakingen in de Engelse industrie. De officiële stakingen dreigden in een nederlaag te eindigen door de vertragingstactiek van de bureaucraten. De “wilde stakingen” werden verraden door het apparaat van de reformistische vakbonden, dat in de feiten solidair was met het patronaat dat de stakingen als onverantwoordelijk en onwettig bestempelde. Ook daar moest een keuze gemaakt worden, de Engelse marxisten konden niet twijfelen. Ze maakten van hun krant het uitdrukkingsmiddel van de wensen van de stakers en veroverden op die manier belangrijke en kostbare posities onder de massa’s. Het was niet lang wachten op de reactie van het apparaat. De rechtse leiding van de Labour Party verbood de krant van de marxisten onder haar rangen en startte een procedure van uitsluiting uit Labour van bepaalde marxistische militanten. De revolutionaire marxisten van Engeland reageerden standvastig tegen de “heksenjacht” en gingen zonder verzwakken door onder eigen naam en met hun eigen programma. Ze richtten trouwens een van Labour onafhankelijke partij op en gaven niet toe aan de uitsluitingen en de oekazes van het apparaat. Door op die manier te ageren, wonnen de Engelse revolutionairen aanzienlijk gehoor bij brede lagen van arbeiders. Maar hun houding in de stakingen leverde hen geweldige aanvallen op vanwege de traditionele bureaucraten en de pseudo-marxisten die zo’n goede gelegenheid om hun solidariteit met het apparaat te tonen niet wilden missen. Alle kwaad kwam volgens hen van het “avonturisme” van de Engelse marxisten. “Wilde stakingen” steunen en ervoor zorgen dat ze slagen is de taak van alle revolutionaire marxisten wereldwijd, met het risico de repressie te moeten ondergaan door het patronaat en de syndicale en politieke bureaucraten. We moeten hier de voorbeeldige moed van de Engelse revolutionairen benadrukken die tot eer strekt van alle marxisten ter wereld omdat ze stand hielden en niet toegaven. Ze konden in geen geval avonturisme en nog minder volgzaamheid tegenover de reformistische apparaten verweten worden, in tegenstelling tot wat Mandel deed in België. Als ze de tactiek van Mandel nagebootst hadden, dan hadden ze wellicht niet de repressie van de bureaucratie ondergaan, of toch niet onmiddellijk. 196 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Met de massa’s tegen de apparaten Op de beslissende momenten van de klassenstrijd zijn de revolutionairen samen met de massa’s de strijd aangegaan tegen de reformistische en stalinistische apparaten. Michel Pablo en enkele van de bekendste leden van het Internationaal Secretariaat hebben meermaals herhaald dat het Overgangsprogramma van de Vierde Internationale nog steeds een intellectuele referentie was, maar dat het niet meer aangepast was aan de situatie die veranderd was, door de tijd achterhaald, dat het aangepast moest worden,... Het Overgangsprogramma heeft één en ander te vertellen over al die liquidatoren van het trotskisme, aan degenen die volgzaam zijn tegenover de apparaten en aan Mandel in het bijzonder: “De afdelingen van de Vierde Internationale moeten er daarom voortdurend naar streven, niet alleen het apparaat van de vakbonden te vernieuwen door op kritieke momenten moedig en vastbesloten nieuwe, strijdbare leiders op de plaats van de geroutineerde functionarissen en carrièristen te zetten, maar ook bij alle gelegenheden, waarin dat mogelijk is, autonome strijdorganisaties te scheppen, die beter aan de taken van de massastrijd tegen de burgerlijke maatschappij beantwoorden en desnoods ook voor de directe breuk met het conservatieve apparaat van de vakbonden niet terug te schrikken. Indien het misdadig is de massaorganisaties de rug toe te keren om zich tevreden te stellen met sectaire ficties, dan is het niet minder misdadig passief te dulden dat de revolutionaire massabeweging onderworpen wordt aan de controle van een kliek bureaucraten, die openlijk reactionair of heimelijk conservatief (“progressief”) optreedt.” (Overgangsprogramma blz. 11 en 12). Deze regels zijn nog steeds actueel als we ze vandaag herlezen, zeker na de ‘capitulatieverklaring’ van La Gauche, getekend door Jacques Yerna die we hierboven al aanhaalden. Het meest frappante is de verbijsterende wijze waarop ze ontkennen de fundamentele basis en principes van de Vierde Internationale te liquideren. Opdat de lezer zelf zou kunnen oordelen, volgt een uittreksel uit een tekst van het uitvoerend comité van de Vierde Internationale, van de minderheidstendens die werd vertegenwoordigd door Ernest Germain (Mandel) na de breuk, en verschenen in het magazine Lutte de Classe nummer 3, van april 1963. Deze resolutie zegt veel over de opgave van de politiek van het trotskisme. “De idee is fout volgens dewelke autonome organen van de masssa’s (arbeidersraden) de belangrijkste instrumenten vormen van de klassenstrijd in het huidig tijdperk van het kapitalisme (…). Elke poging om er voortdurend de oprichting van te propageren (fabriekscomités) (…) kan deze ordewoorden slechts uithollen en de auteurs van deze vergissingen als aanhangers van revolutionair gepalaver doen overkomen. Trouwens niet alleen van gepalaver, want “fabriekscomités” l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 197 propageren betekent, tenzij in pre-revolutionaire periodes, in de praktijk oproepen tot splitsing van de vakbond en bijgevolg objectief en reactionaire rol spelen, zeker als dergelijke oproepen er toe leiden een kleine voorhoede af te scheiden van de massa van gesyndiceerden.” (Lutte de Classes nummer 3, april 1963, blz.17 en 18). De liquidatoren kennen misschien het programma van de Vierde Internationale niet, het programma kent daarom niet minder goed de liquidatoren. De bureaucratische apparaten en de arbeidersmassa’s In zijn artikel over de staking ‘Evaluatie en vooruitzichten’ in La Gauche van 28 januari, schrijft Ernest Mandel: “Voor al diegenen die erop uit zijn de gevechten van de toekomst voor te bereiden, hebben zich enkele nieuwe en onvoorziene aspecten van de klassenstrijd voorgedaan.” Men moet echt naïef zijn en een totaal gebrek aan goede wil en marxistische standvastigheid in de politieke analyse hebben om dit op papier te zetten. “Nieuwe en onvoorziene aspecten” als het verraad van de rechts reformisten geleid door Major, Smets, van Acker, etc. “Nieuwe en onvoorziene aspecten” als de kleinburgerlijke lafheid van de links reformisten geleid door Renard, Genot, Moreau, etc. Alsof dat allemaal nieuw was, alsof het de eerste keer was dat de rechter- en linkervleugels van de traditionele reformistische organisaties verraad pleegden vermomd als progressieve socialisten die de arbeidersklasse verdedigen. “Nieuw en onvoorzien” is dat vooral voor diegenen met een kort geheugen. Voor diegenen die beweren symbool te staan voor links, is dat geheel onaanvaardbaar en politiek incorrect. “De gevechten van de toekomst voor te bereiden” vereist in de eerste plaats het begrijpen van de moeilijkheden van de klassenstrijd, van de strategie en de tactiek opgeworpen door de algemene staking. Dat kan enkel mits een goed begrip van de relatie tussen de apparaten en de massa’s. Waarom zich niet geheel toeleggen op de huidige gevechten? De ervaring leert ons dat de reformisten en de stalinisten een politiek die uiteindelijk leidt tot verraad van de arbeidersklasse, kunnen verbergen achter de meest extreme ordewoorden, zoals “de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten”, “georganiseerde sabotagedaden”, “administratieve rebellie van de gemeenten”, etc. zoals André Renard voorstelt of zoals de KPB voorstelt: ”als Eyskens een knock-out wil, dan zal hij die krijgen.” Alles hangt af van de concrete situatie en het juiste ogenblik. In België heeft de leiding van de KPB er niet aan getwijfeld campagne te voeren voor de algemene staking, maar zonder ooit te vergeten erop te wijzen dat de algemene staking geen ander doel kon dienen dan druk te zetten op het parlement. Op het brandende terrein van de klassenstrijd kunnen de apparaten af en toe verbaal roodgloeiend 198 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 staan. Dat de apparaten, zowel de reformistische als de stalinistische, af en toe verplicht zijn, zij het enkel in schijn en voor een beperkte periode, om de wensen van de strijdende massa’s te weerspiegelen, is uiteraard zeer belangrijk. Strategisch en tactisch is dat de bevestiging van een wet die zich in elke revolutionaire situatie manifesteert: in de eerste fase van de revolutie, die in haar spoor honderdduizenden meesleept, waarin miljoenen mannen en vrouwen zich voor de eerste keer, via de algemene staking, via de strijd, verheffen tot op het niveau van hun historische taak, proberen de massa’s hun revolutionaire wensen uit te drukken via de kanalen van de traditionele organisaties waarop ze zich richten. Het is pas door het beleven van de klassenstrijd dat de massa’s uit eigen ervaring het verraderlijk karakter leren kennen en begrijpen van de politiek van de contrarevolutionaire apparaten van de sociaaldemocratie en het stalinisme. Opdat die ervaring bovendien verwerkt zou worden, is het nodig dat de voorhoede duidelijke ordewoorden en precieze doestellingen formuleert, waardoor de massa’s de apparaten kunnen overstijgen, zich ertegen kunnen verzetten en hen kunnen breken. Dat is de belangrijkste, de essentiële taak voor al wie zich revolutionair marxist noemt. We laten in dat verband de Vierde Internationale aan het woord: “De centrale taak van de Vierde Internationale bestaat hierin, het proletariaat van de oude leiding te bevrijden, wier conservatisme geheel in tegenspraak is met de catastrofale toestand van het ondergaande kapitalisme, en die de voornaamste hindernis van de historische vooruitgang vormt. De voornaamste beschuldiging, die de Vierde Internationale tegen de traditionele organisaties van het proletariaat richt, is dat ze zich niet van de politiek halfdode bourgeoisie los wil rukken.” (Overgangsprogramma, hoofdstuk 13). Tijdens de algemene staking hebben we inderdaad gezien hoe de traditionele organisaties, met inbegrip van de leiders van de links reformistische vleugel, niet wilden breken met de “politiek halfdode burgerij”. We moeten eveneens vaststellen dat Mandel en zijn krant La Gauche in een periode van intense klassenstrijd, verre van te trachten “het proletariaat van de oude leiding te bevrijden”, net het tegenovergestelde deed. Op 1 januari is de staking haar 13de dag ingetreden. Steeds meer arbeiders in strijd voelen aan dat de sociaaldemocratische leiders niet de intentie hebben om een richting in te slaan die overeenstemt met de behoefte van de beweging. Toch bewierrookt Mandel in zijn editoriaal van La Gauche nog maar eens het burgerlijk programma dat de staking wordt opgedrongen door het reformistisch apparaat: “de federaties van de BSP moeten maximaal druk uitoefenen op de socialistische parlementaire fractie zodat die ONMIDDELLIJK een wetsvoorstel neerlegt dat de belangrijkste structuurhervormingen bevat.” l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 199 En dat terwijl André Renard op talloze meetings en Léo Collard voor de camera’s, plechtig beloofd hadden niet te zullen onderhandelen in het kader van de Eenheidswet. Het is duidelijk: hier is geen sprake van “ordewoorden stellen, die het streven van de arbeiders naar zelfstandige politiek bevorderen, het klassenkarakter van deze politiek verdiepen, de reformistische en pacifistische illusies vernietigen”, zoals het Overgangsprogramma aanbeveelt. In plaats van zijn krant te gebruiken om de tendens bij de arbeiders in strijd te versterken om een politiek te volgen die onafhankelijk is van die van de apparaten, kiest Mandel er daarentegen voor de belangrijkste bezorgdheid van de reformistische en stalinistische apparaten te delen: kost wat kost de stakers belemmeren om de parlementaire democratie in vraag te stellen. Wanneer op 11 januari 1961 de sociaal-verrader Achille Van Acker zich publiek, in naam van de handhaving van de “orde”, uitspreekt voor de repressie tegen de arbeiders door de regering Eyskens, stelt La Gauche van 14 januari hoffelijk vast: “de interventie van de burger Van Acker dinsdagmiddag in de Kamer, dreigt wat verwarring te stichten onder de stakers”. Hoe vriendelijk gesteld! Maar Mandel, de revisionist, mag gerust zijn: de stakers zijn niet “in verwarring”, integendeel ze weten heel goed wat hen te wachten staat: de strijd tegen de regering zonder verpinken voortzetten. Ze zijn trouwens niet wanhopig of bang, integendeel, wat ze voelen, is een afkeer van de reformistische apparaten. In datzelfde editoriaal schrijft Mandel nog “de doodskist van Laurent Rodder, de tientallen gewonde arbeiders, de honderden stakers in de gevangenis, de door rijkswacht en para’s met geweld bezette bedrijven en elektriciteitscentrales (…) herinneren ons eraan dat het kapitaal een onverzettelijke klassenoorlog levert met ons, dat we ons niet meer mogen laten misleiden door hun glimlachen en hun achterbakse handdrukken”. Mooi gezegd, maar waarom niet meteen de gelegenheid aangrijpen om een consequente politieke tactiek aan te nemen door publiekelijk en zonder omwegen de reformistische leiders, lakeien van het grootkapitaal, aan de kaak te stellen en op die manier de arbeiders te helpen om Van Acker en de anderen te zien zoals ze zijn: cynische medeplichtigen van de burgerij. Anders gesteld: “De Vierde Internationale verklaart aan de bureaucratieën van de Tweede en de Derde Internationale de onverzoenlijke strijd” (Overgangsprogramma, hoofdstuk 18). Maar actief een politiek ontwikkelen die openlijk “de onverzoenlijke strijd verklaart aan de bureaucraten van de Tweede internationale” is gedurende heel de periode van het entrisme en zelfs gedurende de algemene staking van ‘60-’61, toen de objectieve omstandigheden dat vereisten, nooit overwogen door de directeur van La Gauche, integendeel. Mandel haast zich trouwens in datzelfde editoriaal om ons 200 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 gerust te stellen: “aan het hoofd van de BSP en het ABVV staan er niet alleen burgers als Van Acker”. Het is mogelijk dat er niet alleen de burger Van Acker is, maar zijn collega’s van de BSP en van het nationale ABVV hadden publiekelijk geen afstand genomen, noch in woorden, noch in een persmededeling. Daar zijn redenen voor, namelijk dat ze het in hun diepste binnen eens waren met de voorstellen van de voormalige socialistische premier. Welk vertrouwen kunnen de stakers nog stellen in de andere traditionele politieke en syndicale leiders? André Renard op talloze meetings en Léo Collard voor de camera’s hadden immers plechtig beloofd niet te onderhandelen in het kader van de eenheidswet. Maar voor Mandel blijven er gelukkig nog leiders die de arbeiders wel kunnen vertrouwen, zoals André Renard – die om de mars op Brussel en de uitbreiding van de algemene staking in Vlaanderen te omzeilen, demobiliserende ordewoorden heeft gelanceerd zoals de verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten en de eis voor Waals federalisme – of Leo Collard, voorzitter van de BSP, die een verzoekschrift heeft gericht naar de koning! Oplossingen die, zoals we eerder gezien hebben, niet buiten het kader treden van het kapitalistisch regime. Niet in staat om de verantwoordelijkheid van de apparaten aan de kaak te stellen, dekt hij ze impliciet door overdreven voorzichtigheid en politiek fatsoen, want hij heeft zich onderworpen aan de orders van Renard en stelt zich vrijwillig op als loopjongen van de apparaten van de BSP en het ABVV. Bijgevolg moest Mandel de verantwoordelijkheid afwentelen op de schouders van de arbeidersmassa’s. De bureaucraten, waar ook ter wereld en wanneer dan ook, doen niets anders. We moeten vaststellen dat de animator van La Gauche zeer goed begreep dat de algemene staking ertoe neigde om de leidingen van de traditionele organisaties te overstijgen. In France-Observateur, op 29 december 1960, schrijft Mandel opnieuw onder de naam van Pierre Gousset: “Uiteindelijk is er aan de spontane woede-uitbarsting van de werkende klasse in België een aspect dat alle vijanden van de arbeidersbeweging verwart en verontrust (…) het gaat om een heuse opstand tegen de conservatieve krachten binnen de arbeidersbeweging, de rechtse leiders in het ABVV. (…) Op verschillende plaatsen, onder andere Antwerpen, Charleroi en zelfs bij Cockerill-Ougrée in Luik, zijn heuse gevechten uitgebroken tussen arbeiders die in staking wilden gaan en vakbondsverantwoordelijken die zich verzetten tegen de beweging of toch op de rem stonden.” Nog steeds in France-Observateur, maar deze keer de vijfde januari 1961, schrijft Pierre Gousset: “De leiders zijn dikwijls overrompeld. Op veel plaatsen ageren vergaderingen van stakerscomités of piketten als alternatieve leidingen. (…) In Brussel zijn straatmanifestaties meermaals aan de controle van de vakbondsleiders ontsnapt.” Maar wat vaststaat, is dat de Belgische arbeiders die betrokken zijn bij de algemene staking deze correcte inschattingen niet te lezen krijgen. Indien deze l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 201 inschattingen in La Gauche geschreven waren, dan hadden ze de betekenis kunnen krijgen van een oproep om de leiders opzij te schuiven en het bureaucratisch apparaat te breken, om dus de weg op te gaan van een onafhankelijke klassenpolitiek en de opbouw van een revolutionaire organisatie. Als we dit lezen, kunnen we niet anders dan vaststellen dat Mandel zeer goed, en zonder mogelijke dubbelzinnigheid, de revolutionaire inhoud van de algemene staking en van de embryonale organen van arbeidersmacht die de stakerscomités en de piketten waren, begrepen had. Maar hij weigerde resoluut en koppig te breken met de apparaten van de BSP en van het ABVV en zijn volledige en onvoorwaardelijke steun te verlenen aan de stakers. Heel betekenisvol en verhelderend is de oproep in La Gauche van 24 december om “overal stakerscomités op te zetten” en ze “regionaal te coördineren”. Tot daar is hier niets verkeerds aan. Maar wat politiek incorrect en ontoelaatbaar is, is het voorstel van “een buitengewoon congres van het ABVV” als organisatorische omkadering van de stakerscomités en als enig perspectief voor een nationale leiding van de staking, dat “als enige kan beslissen over de eventuele werkhervatting”. We mogen niet uit het oog verliezen dat op 24 december de stakerscomités en de stakerspiketten al spontaan de leiding van de beweging aan de basis hadden overgenomen. We mogen evenmin vergeten dat het ABVV in haar geheel gedomineerd wordt door een conservatieve bureaucratie waarvan de linkervleugel haar reformistisch onvermogen eveneens had aangetoond. Het apparaat van het ABVV, vooral aan de top, is met al haar vezels verbonden aan de burgerlijke orde. De 24ste december als enig vooruitzicht voorstellen om de nationale leiding van de staking over te laten aan een buitengewoon congres van het ABVV, komt erop neer voor te stellen dat de algemene staking onder controle blijft van de bureaucratische leiding die slechts één doel heeft: de verdediging van de parlementaire democratie, het herstel van de “orde” en de werkhervatting door de arbeiders. Enkel door systematische, volharde en consequente agitatie voor het ordewoord van een nationaal congres van de stakerscomités, of een nationale conferentie van de stakingspiketten, zou het mogelijk geweest zijn de beweging van algemene staking een leiding te verschaffen die autonoom was van de reformistische apparaten. Enkel rond een dergelijk ordewoord had de campagne voor de organisatie van een mars op Brussel plaats kunnen vinden. Het ordewoord voor een nationaal congres van de stakerscomités onder leiding van het ABVV ging trouwens in tegen als de eis tot verdeeldheid die in volle staking gelanceerd werd door Renard met zijn Waals federalisme. Enkel een van de ABVV-leiding onafhankelijk congres van de stakerscomités in Wallonië, Brussel en Vlaanderen, zou in staat geweest zijn soeverein te beslissen over alle doelstellingen van alle arbeiders van het land. In realiteit zou het ordewoord voor een nationaal congres van de stakerscomités en van de stakers aan de basis, het soeverein orgaan van de algemene staking, tegenover de staat, haar regering en haar parlement hebben geplaatst. Het was meteen een concrete toepassing geweest van de strijd om de macht door de arbeiders die reeds 202 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 impliciet was geopend met de algemene staking. Men moest geen genie zijn, op welke manier dan ook, om de absolute noodzaak van een dergelijk ordewoord in te zien. Een buitengewoon nationaal congres van de stakerscomités, soeverein strijdorgaan van de revolutionaire actie van de arbeidersmassa’s, was het enige praktische ordewoord dat beantwoordde aan de revolutionaire vereisten van de klassenstrijd. Om dit ordewoord voor te stellen en er systematisch agitatie voor te voeren, had het volstaan te denken als een revolutionair marxist in plaats van als liquidator. Ook hier heeft Mandel gekozen voor zijn banden met het apparaat in plaats van een politiek te bepalen die beantwoordde aan de revolutionaire implicaties van de situatie. Men moest al evenmin een genie zijn om zich rekenschap te geven van de nood aan een dergelijk ordewoord, zoals een groep Franse arbeidersmilitanten dat deed op 28 december. Op basis van hun contacten met stakers en enkele bureaucratische leiders tijdens een snel bezoek aan België waren zij al tot dat besluit gekomen. Hun verslag van dat bezoek, van 31 december 1960, is verschenen in twee opeenvolgende uitgaven (59 en 60) van de Franse publicatie ‘Informations Ouvrières’. We kunnen er het volgende lezen: “Het ordewoord van een ‘buitengewoon congres van het ABVV’ is de meest volledige uitdrukking van aanpassing aan het apparaat. In realiteit wordt de staking geleid door de stakerscomités, arbeiders krijgen af te rekenen met de politie, ze organiseren hun eigen ordedienst, ze stellen die in de plaats van het repressieapparaat. In de belangrijkste steden van de Borinage, in Brussel en in Antwerpen, stellen de arbeiders hun eigen strijdorganen tegenover de burgerlijke staat. We hebben gezien hoe de apparaten er alles aan doen om de beweging in te perken. Een buitengewoon congres van het ABVV voorstellen, komt erop neer de actie terug in de veilige kanalen te geleiden van diegenen die het kapitalistisch systeem niet in vraag willen stellen. Het enige ordewoord dat beantwoordt aan de revolutionaire vereisten van de strijd, is een onmiddellijk buitengewoon congres van de stakerscomités, soeverein orgaan van de revolutionaire actie van de Belgische massa’s.” De lezer heeft tot nog toe kunnen vaststellen dat Ernest Mandel in België en Pierre Gousset in Frankrijk over de algemene staking verschillende en tegengestelde meningen uitvoerig uiteen gezet hebben. In de trotskistische beweging had dit tot felle kritiek geleid. De aanhangers van Mandel hebben in februari 1961 trouwens een brochure uitgegeven over de stakingen in België van ‘60-‘61, onder de titel: ‘Sterktes en zwakten van een grote strijd’. Het was een duidelijke poging om te antwoorden op de hevige kritiek door een deel van de Belgische trotskisten, door Tom Kemp van het Engels trotskistisch weekblad, het Franse Informations Ouvrières en andere afdelingen van de Vierde Internationale in Europa en Latijns-Amerika. Met het verschijnen van deze brochure, zal de lezer zich realiseren dat de Ernest Mandel/Germain, die actief is in de internationale trotskistische bewegl n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 203 ing, in België weigerde zich openlijk te bekennen tot het trotskisme. Hij heeft dat volgehouden tot zijn uitsluiting uit de BSP in 1964. Op het einde van het conflict is de mist opgetrokken. Het is vandaag niet gemakkelijker dan gisteren om de politieke activiteit van de liquiditatoren actief in België tijdens de algemene staking te overlopen. Het was echter een vereiste deze liquidationistische strekking van het revolutionair marxisme te begrijpen. Enkel met de teksten onder ogen kan de lezer zichzelf een mening vormen, want er vandaag over spreken, is vooral een gelegenheid om politieke inschatting te geven van deze strekking die ik zeer goed ken omdat ik er jarenlang voor gemiliteerd heb. Al voor het conflict van 1960-61 was er een minderheid van syndicale arbeidersmilitanten die zich beriep op het trotskisme en die lid was van de Vierde Internationale het oneens met de tactiek van La Gauche en Mandel over het tactisch werk en de politiek van entrisme in de syndicale organisaties en de reformistische partijen. Liquidatoren als Mandel zijn uiteraard al lang grootmeesters geworden in de kunst om documenten te redigeren. Ze doen dat zodanig dat hun politieke positie en het weigeren om openlijk in conflict te treden met de apparaten van de BSP en van het ABVV, gerechtvaardigd lijken. Ze voegen twee tegenstrijdige benaderingen samen en vermengen ze: een trotskistische en een van volgzaamheid en capitulatie ten opzichte van de apparaten. Een soortgelijk dubbelspel in hun geschriften en hun dagelijkse praktijk, karakteriseert de essentie zelf van deze liquidatoren van het overgangsprogramma en van de trotskistische beweging binnen de Vierde Internationale. Ze kunnen dat uiteraard enkel door zich te verbergen achter een ‘trotskistisch’ masker. In actie echter, tijdens een periode van scherpe klassenstrijd zoals de algemene staking, hebben we vastgesteld en zullen we later blijven vaststellen, dat hun politiek elke revolutionaire marxistische trek verliest. In de praktijk blijft dan van de twee tegengestelde benaderingen slechts een enkele over, die benadering die La Gauche toepaste in de algemene staking: schaamteloze capitulatie voor de reformistische apparaten. Om het vertrouwen van hun leden niet te verliezen, moesten ze bijgevolg proberen om de schijnbare harmonie te herstellen tussen hun theorie van liquidatie, van politieke capitulatie zonder omwegen, en de revolutionaire politiek. Om daarin te slagen moesten ze een literair werkje samenstellen waarin uiteraard veel goeds werd verteld over het conflict en dat bij een aantal misnoegden de indruk kon wekken dat Mandel en La Gauche hun taak naar behoren volbracht hadden. We hebben al voldoende aangetoond dat Mandel in de ordewoorden die hij voorstelde aan de stakers, nooit verder geraakt is dan het stadium van “druk” op het burgerlijk parlement en er vooral voor gezorgd heeft niet buiten de limieten te treden die hem waren opgelegd door de reformist Renard. Een strijd die niet revolutionair was Het belangrijkste stuk dat we nu zullen analyseren is de brochure: ‘De Belgische staking 1960-61, sterktes en zwakten van een grote strijd’. Hoewel die werd uitgegeven in Frankrijk, onder de naam van drie auteurs, is ze geschreven in de 204 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 typische stijl van Mandel, gemandateerde voor België in het secretariaat van de Vierde Internationale. We moeten er niet aan twijfelen dat hij de pen vasthield waarmee ze is geschreven. Vandaag, na enig verloop van tijd, kan ik zonder enig risico onthullen dat Ernest Mandel, onder het pseudoniem Jean De Vries en Guy Desolre, een naaste medewerker van Mandel, onder het pseudoniem Fernand Charlier, de auteurs zijn. Dit meesterwerk betreffende verwarring, maakt een onderscheid tussen twee categorieën van arbeidersstrijd. De namen van de auteurs doen er niet toe, aangezien ze zich allen beroepen op het trotskisme en lid zijn van de Vierde Internationale die het overgangsprogramma als gids voor politieke actie had. Volgens hen behoort de algemene staking niet tot de categorie van “revolutionaire strijd”. Indien ze daarmee bedoelen dat ‘revolutionaire strijd’ een synoniem is voor ‘gewapende opstand’, dan is dat een absurditeit, want in het begin van een revolutionaire periode zijn de arbeiders doorgaans niet gewapend, ze komen ertoe zich te bewapenen in de loop van verschillende opeenvolgende episodes van strijd voor de macht, hetgeen slechts mogelijk is tijdens een opstandige revolutionaire algemene staking zoals in 1960-61. Voor de auteurs was de algemene staking dus geen “revolutionaire strijd”. Maar ze heeft, dat klopt, het land tot op de rand van de revolutie gebracht. Wat schrijven ze in die brochure? “Een gevecht zoals de Belgische staking in 60-61 (…) blijft overal mogelijk (…) Er is niet een land in de revolutionaire wereld van vandaag dat niet op enkele jaren tijd tot op de rand van een revolutie kan worden gebracht.” (‘De Belgische staking 1960-61, sterktes en zwakten van een grote strijd’. blz.29). Men zou moeten weten, klaar en duidelijk, in één woord, in alle ernst, dat als de staking niet algemeen was, ze dan evenmin een revolutionaire algemene staking kon zijn. Maar waarom dan, na het conflict, ook schrijven dat “het diepgaande antikapitalistisch en objectief revolutionair karakter van de staking nooit is doorgedrongen bij de KPB die er alles toe deed om dit te ontkennen” (blz.23)? Voor de lezer van de brochure van de strekking Mandel is de aard van de algemene staking nog onduidelijker dan voor de Belgische Communistische Partij. Maar deze verwarring is niets anders dan een politieke houding die bewust is uitgewerkt met een welbepaald doel (we zullen dat verder zien). Afhankelijk van de omstandigheden, het moment en de toehoorders, naargelang het hem best uitkomt, verdedigt Ernest Germain vandaag totaal het tegenovergestelde van gisteren. Hij plaatst de staking van ‘60-‘61 in dezelfde categorie als juni 1936 in Frankrijk. Bij trotskisten wekt dat bijzondere herinneringen op. In een artikel onder een titel die geen twijfel laat bestaan, ‘De Franse revolutie is begonnen’, steekt Trotski vanuit Noorwegen op 9 juni 1936 de draak met de reformisten en de stalinisten die in de grote strijd “louter economische en geen politieke stakingen erkenden”. Kortom, Trotski had in geen geval de neiging om juni 1936 bij een l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 205 andere categorie in te delen dan die van ‘revolutionaire strijd’. In antwoord op de Germains van weleer (aan de centristen), voegde hij daar trouwens aan toe: “het woordgebruik ‘Franse revolutie’ kan misschien overdreven lijken. Maar neen! Het is geen overdrijving. Het is juist op die manier dat een revolutie ontstaat. Doorgaans kan ze op geen andere manier ontstaan (…)” (Où va la France, blz. 177, in boekvorm niet beschikbaar in het Nederlands). Als het hem van pas komt om het revolutionaire karakter van de algemene staking in België te ontkennen, dan is de enige mogelijkheid waarover Germain nog beschikt om te rechtvaardigen waarom hij zijn verantwoordelijkheid niet genomen heeft, te ontkennen dat er in België een algemene staking heeft plaats gegrepen. Een staking die niet algemeen was In het vuur van de actie heeft La Gauche het nochtans vaak gehad over “de algemene staking”. Maar al in het nummer van 28 januari 1961 begint deze uitdrukking te verdwijnen. In de brochure van de strekking Mandel (‘De Belgische staking’) is ze bijna volledig verdwenen. Bijna, want bij gelegenheid wordt de term nog eenmaal gebruikt: “wat deze algemene staking heeft aangetoond, is dat de KP de gevangene was van de concepten van Kroetsjev, van “vreedzame co-existentie” en “vreedzame wegen naar het socialisme”.” (‘De Belgische staking’ blz.23). Maar bladzijde 15 van diezelfde brochure is er helemaal aan gewijd aan te tonen dat de staking juist niet algemeen was. Voor La Gauche en de strekking Mandel hebben slechts 400.000 arbeiders echt deelgenomen aan de algemene staking! Ze besluiten daaruit dat er geen algemene staking was in België in 1960-61. Vandaar dat La Gauche doof bleef voor de strijd om de macht die de arbeiders hadden ingezet. Indien men onder “algemene staking” verstaat dat alle arbeiders van een land, zonder enige uitzondering, het werk simultaan neerleggen, dan is er nooit en nergens een algemene staking geweest. Wat weet André Renard, die neo-links reformist naar wie Mandel zoveel luisterde, over dit onderwerp te vertellen? “Het is veruit de meest gigantische staking ooit uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging. De grote algemene stakingen waarover men doorgaans spreekt, hebben meestal maar enkele dagen geduurd. Die van 1936, de langste tot dan toe, heeft minder dan drie weken geduurd. In 1950 zijn de openbare diensten in staking gegaan de maandag voor de troonafstand. Vijf weken staking in volle winter, daarvan bestaat geen precedent in de geschiedenis.” 206 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 (citaat uit het boek van Robert Moreau, “Combat syndical et conscience walonne”, blz. 197-198). In zijn boek waaruit hierboven werd geciteerd, schrijft Robert Moreau, de links-reformist: “Beetje bij beetje nam de beweging de vorm aan van een opstand.” (blz.165). Hoe dan ook, voor de Belgische trotskisten die actief hebben deelgenomen aan de strijd, bestaat er geen twijfel over dat de staking wel degelijk een opstandige en revolutionaire algemene staking was. Een zaak die zich niet stelde Waarom E. Germain, niets anders dan een pseudoniem voor Ernest Mandel, kost wat kost wil bewijzen dat er noch een algemene staking, noch een revolutionaire algemene staking was, is niet moeilijk te begrijpen. Omdat het over een algemene mobilisatie ging tegen de burgerij, werd de kwestie van de macht gesteld. In die omstandigheden moest de agitatie van diegenen die zich beroepen op het marxisme, zich toeleggen op de mogelijkheden en de middelen om de strijd van de arbeiders tegen de burgerlijke staat te organiseren. Dat is niets anders dan de strijd voor de arbeidersmacht. Voor Germain komt het er bijgevolg op aan, aan te tonen dat er geen algemene staking was, en dat de doelstellingen van de staking dus het kader van het kapitalistische regime niet mochten overstijgen. In die condities bestond de essentie van de beweging er volgens Germain uit om druk te zetten, niet om buiten het kader van het burgerlijk parlement te treden, een kader dat door de Renards en de Majors vastgelegd was. Uit de vaststelling dat de staking niet algemeen was, leidden de pseudo-marxisten het volgende af: “ Elke poging om door agitatie de onmiddellijke creatie van een nieuwe nationale leiding van de staking te bevorderen – bijvoorbeeld door een nationaal congres van de stakerscomités bijeen te roepen – was bijgevolg bij voorbaat gedoemd te mislukken De enige manier waarover een revolutionair marxistische strekking bijgevolg beschikte om de nationale leiding van de staking te beïnvloeden, was hetzij de vervanging van bepaalde leiders op regionaal vlak (onder meer door regionale stakerscomités op te zetten, hetgeen trouwens nergens gerealiseerd kon worden) en de deelname via deze weg aan het Coördinatiecomité, hetzij de indirecte druk op dat comité door initiatieven van de basis in de regio’s waar ze het sterkst stond.” (blz.16). Dit uittreksel vraagt om toelichting. Men moet niet uit het oog verliezen dat bij het begin van de strijd aan de basis spontaan verschillende stakerscomités gevormd werden. In hun kielzog werden er andere opgericht door syndicale en politieke kaders uit de lagere niveaus van l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 207 het apparaat, nog andere waren een mengeling van beide. Gesteund door de stakerspiketten en de massademonstraties waaraan ze actief deelnamen, werden ze door de marxisten beschouwd als de leidende organen van de algemene staking, in meerdere of mindere mate onderworpen aan de directe controle van de arbeiders in strijd. Ze waren in zekere zin het embryo van de arbeidersmacht. Zelfs daar waar de stakerscomités formeel samengesteld waren uit de vakbondsleiders, waren ze naar inhoud en perspectief van strijd niet enkel verschillend, maar zelfs tegengesteld aan de politiek van het apparaat. Het tegengestelde karakter tussen de wil tot strijd aan de basis en de vakbondstop die afremde, nam hier de vorm aan van een conflict tussen de functies van het vakbondsapparaat, die van transmissieriem tussen de politiek van klassencollaboratie met de burgerij binnen de arbeidersbeweging, een rol die door sommigen min of meer onbewust gespeeld werd, vooral dan door verantwoordelijken van de lagere niveaus van de reformistische vakbondsapparaten, en de nieuwe rol die ze kregen toebedeeld al dan niet met enige goedkeuring van de grote massa’s in strijd. Het ordewoord van een congres van stakerscomités lanceren, betekende deze tegenstelling verdiepen, de mogelijkheden tot interventie van de revolutionaire fractie vertienvoudigen en de mogelijkheid creëren van het uiteen spatten van het apparaat… Voor de strekking Mandel was dit bijgevolg totaal uit den boze. Tegenover het ordewoord van een congres van de stakerscomités, stelde de strekking Mandel dat van deelname aan het ‘coördinatiecomité’. Het gaat hier, zoals we weten, over het “Coördinatiecomité van de Waalse Gewesten van het ABVV”. Dat orgaan werd, ter herinnering, op 23 december 1960 samengesteld onder voorzitterschap van André Renard door de Waalse vakbondsleiders. Het was een comité van vakbondsbureaucraten, samengesteld door Renard in volle opgang van de algemene staking om de vorming van een autonome leiding de pas af te snijden en de controle door de top van het vakbondsapparaat te vrijwaren en te versterken, met als enig doel de staking binnen veilige kanalen te houden en in een impasse te drijven. Het ultieme doel van de strekking Mandel was de ‘deelname’ aan dit comité van bureaucraten dat in geen geval de uitdrukking was van de stakerscomités en bovendien aan geen enkele controle ervan was onderworpen. Het uiteindelijke doel van het coördinatiecomité van de Waalse regionales van het ABVV was, we denken dat al aangetoond te hebben, de verstikking van de algemene staking. Tot daar de illustratie van de inefficiëntie van het entrisme zonder principes zoals dat toegepast werd door Mandel en er onvermijdelijk toe leiden moest dat men de reformistische apparaten achterna holt door kost wat kost een breuk ermee te vermijden. Nadat “indirecte druk” op het Coördinatiecomité eveneens gefaald had, hebben we moeten vaststellen dat waar niemand Renard heeft zien toegeven aan de “indirecte druk” van La Gauche, iedereen wel heeft kunnen zien, zoals wij al eerder aantoonden, dat La Gauche en Mandel wel toegegeven hebben aan de zeer directe druk van Renard. 208 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Een zeer ongelukkige vergelijking In tegenstelling tot sommigen, die terugkomen op wat geschreven staat hinderlijk vinden, is dat voor revolutionaire marxisten geen enkel probleem. Ik denk dat het de enige objectieve manier is om de interne tegenstellingen bloot te leggen. Het is onmogelijk om hier niet even stil te staan bij de vergelijking die de strekking Mandel maakt tussen de staking in België en die in juni 1936 in Frankrijk. Laat ons trouwens niet vergeten dat Pierre Gousset in de editie van France-Observateur van de 29ste december 1960 de staking beschreef als “een nieuw juni 1936”. Dat is omdat dezelfde problemen betreffende het karakter van de beweging, de leiding van de staking en van de strijd om de macht zich ook stelden in Franrijk in juni 1936. Destijds had Trotski, zonder omwegen, meer dan een jaar voor de beweging, de volgende oplossingen voorgesteld: “Zoals iedere marxist weet, is de algemene staking een van de meest revolutionaire strijdmiddelen. (…) Heel de geschiedenis van de arbeidersbeweging getuigt dat elke algemene staking, onder welke ordewoorden ze ook begonnen mag zijn, een interne dynamiek heeft om zich om te vormen in een openlijk revolutionair conflict, in een directe strijd voor de macht. Het fundamenteel belang van de algemene staking, ongeacht de gedeeltelijke successen die ze kan opleveren maar ook niet kan opleveren, ligt hem erin dat ze op revolutionaire wijze de kwestie van de macht aan de orde stelt (…) of de totale capitulatie, of de revolutionaire strijd om de macht, dat is het alternatief dat in alle omstandigheden voortvloeit uit de huidige crisis.” (Où va la France, blz. 53 en 58). Dit citaat maakt duidelijk waarom Germain zoveel inspanningen levert om Pierre Gousset te weerleggen: er was geen sprake van een nieuw juni ’36 aangezien er geen algemene staking was in België. Op 5 juni 1936, wanneer de beweging haar hoogtepunt nog niet bereikt heeft, schrijft Trotski: “de massastaking is het natuurlijk gegeven van de proletarische revolutie. De actiecomités kunnen vandaag niets anders zijn dan de stakerscomités die de bedrijven bezetten. Van werkplaats tot werkplaats, van fabriek tot fabriek, van wijk tot wijk, van stad tot stad, moeten de actiecomités zich onderling verbinden, samenkomen op stadsniveau, per productiesector, per arrondissement, om uiteindelijk uit te monden in een congres van alle actiecomités van Frankrijk.” (Où va la France, blz.105). De 9e juni ten slotte, definieert hij het ordewoord dat beantwoordt aan het niveau dat de beweging bereikt heeft: l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 209 “Een revolutionaire staf kan niet ontstaan uit combinaties aan de top. De organisatie van de strijd (…) kan niet (…) samenvallen met de vakbonden, want de vakbonden omvatten slechts een onbetekenend deel van de klasse [België is hierop een uitzondering, want de vakbonden omvatten hier een groot deel van de arbeidersklasse, gd] en zijn onderworpen aan een uiterst reactionaire bureaucratie. De nieuwe organisatie moet beantwoorden aan het karakter van de beweging zelf, de massa in haar strijd weerspiegelen, haar meest vastberaden wil uitdrukken. Het gaat hier om een directe regering van de revolutionaire klasse. Er moeten hier geen nieuwe vormen worden uitgevonden: er bestaan historische precedenten. De werkplaatsen en de fabrieken verkiezen hun eigen afgevaardigden die samen komen om gezamenlijk een strijdplan uit te werken en te leiden. We moeten zelfs de naam van een dergelijke organisatie niet meer uitvinden: het zijn sovjets van arbeidersafgevaardigden. Er was een tijd dat we dachten dat zo een ordewoord niet geschikt was, maar nu is de situatie radicaal veranderd. Het hevige klassenconflict stevent af op een vervaarlijke ontknoping. Wie twijfelt, wie tijd verliest, is een verrader. “Overal sovjets?” Akkoord! Maar het is tijd om van woorden over te gaan tot actie.” (Où va la France, blz. 112). Bij het lezen van deze opeenvolgende passages, denken we dat de lezer zich vanzelf zal realiseren dat geen verdere commentaar nodig is. In dit conflict van klassenstrijd van een ongekende intensiteit, moet men al blind zijn om niet te zien dat de revolutionaire algemene staking van ‘60-‘61 de kwestie van de macht stelde. “Wie twijfelt, wie tijd verliest, is een verrader”, tot daar de conclusie van Trotski. Structuurhervormingen die niet echt duidelijk zijn We hebben gezien hoe Ernest Mandel ons op 24 december bevestigde dat de structuurhervormingen socialistisch waren. De 29ste december, vijf dagen later, toonde Pierre Gousset ons dat ze niet buiten het kader van het kapitalisme treden. Dit is wat de brochure van de strekking Mandel ons erover vertelt: “De notie zelf van die structuurhervormingen is dubbelzinnig, ze kan zowel betrekking hebben op vernieuwingshervormingen van het kapitalisme zoals die toegepast zijn in Frankrijk en Groot-Brittannië door de eerste zogenaamde linkse regeringen na de “bevrijding”, als op echte overgangseisen die onverenigbaar zijn met het overleven van het kapitalistische regime.” (blz.5). De brochure geeft dus toe dat na de “bevrijding” in Frankrijk en in Groot-Brittannië vernieuwingshervormingen van het kapitalisme werden doorgevoerd. We hebben in deze landen dus te maken met een vernieuwd kapitalisme en het 210 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 is inderdaad om het verouderde Belgische kapitalisme te vernieuwen dat André Renard verklaard heeft te strijden. Vernieuwen is eigen aan het reformisme. De aard van de “structuurhervormingen” in België is nochtans niet dubbelzinniger dan het programma van het Volksfront in Frankrijk. Het is onbetwistbaar, en de hele campagne van La Gauche bevestigt dat, dat geen enkele poging werd ondernomen om die dubbelzinnigheid van de structuurhervormingen aan de kaak te stellen. We weten waarom: Mandel wou zich in geen geval verwijderen van Renard. Maar de brochure verschijnt na het einde van de beweging en de auteurs ervan willen ons vooral doen geloven dat ze afstand hebben genomen van de reformisten. Deze dialectiek van de dubbelzinnigheid is steeds een opmerkelijk kenmerk geweest van de strekking Mandel. Trotski schrijft in het Overgangsprogramma: “De Vierde Internationale schuift een systeem van overgangseisen naar voor, die als bedoeling hebben zich meer en meer openlijk en resoluut op te stellen tegenover de eigenlijke basis van het burgerlijke regime. Het oude “minimumprogramma” wordt telkens weer voorbijgestreefd door het overgangsprogramma, waarvan de taak erin bestaat de massa’s systematisch te mobiliseren voor de proletarische revolutie.” (hoofdstuk 3). “Elke ernstige eis van het proletariaat en zelfs iedere progressieve eis van de kleinburgerij overschrijdt onvermijdelijk de grenzen van de kapitalistische eigendom en de burgerlijke staat.” Waren deze woorden gericht aan een toenmalige Mandel? Mandel heeft niet getwijfeld, zelfs geen moment, hij heeft geen minuut verloren, tussen de totale capitulatie en de revolutionaire strijd om de macht. De waarheid moet gezegd worden. In de revolutionaire politieke strijd is er geen plaats voor dubbelzinnigheid, leugen en zelfingenomenheid. Het moet erkend worden, Germain/Mandel had in juni ‘36 een voorloper. Een leider van de Franse arbeidersbeweging, en niet van de minste, dacht net als Germain dat de situatie in ’36 niet revolutionair was, dat niet alles mogelijk was, dat de strijd voor de arbeidersmacht uitgesloten was en dat men zorgzaam een onderscheid moest maken tussen wat realiseerbaar was en wat niet. Dit was wat hij zei: “Er is momenteel geen sprake van om de macht te grijpen. Ons doel blijft de Sovjetmacht, maar niet voor vanavond, noch voor morgenochtend, want de voorwaarden zijn nog niet vervuld (…) En dan? Dan moet men een staking kunnen beëindigen zodra voldoening is bereikt. Men moet zelfs compromissen kunnen sluiten als niet alle eisen zijn vervuld, maar een overwinning is bereikt over de meest belangrijke eisen.” l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 211 Deze lijnen komen van Maurice Thorez, de algemeen secretaris van de Franse Communistische Partij in zijn beruchte rede van 11 juni 1936 aan de leden van de Communistische Partij van de regio Parijs. Deze rede heeft een einde gesteld aan de Franse algemene staking. Het ‘systeem van overgangseisen’ naar trotskistisch concept vormt een brug die onmiddellijke eisen van de massa’s naar de proletarische revolutie leidt. Los van elkaar, uit hun revolutionaire context gerukt, krijgen die eisen een reformistische betekenis. Voor marxisten is in een revolutionaire situatie zoals een algemene staking alles mogelijk – met inbegrip van de machtsovername door de arbeidersklasse – omdat een van de factoren van de geschiedenis die zich zal afspelen niet geheel voorspelbaar is: deze factor is wat Marx “de levende en handelende mens” noemt. Het is pas in de strijd dat de revolutionaire voorhoede zal beslissen tot waar de strijd die de arbeiders zijn aangegaan, kan gaan. Dat zal tegelijk bijdragen aan de specifieke kenmerken van een volgende fase van de klassenstrijd. Het succes hangt af van de revolutionairen in een mate die onmogelijk vooraf bepaald kan worden. Zij die daar anders over denken zijn fatalisten, geen marxisten. Dat is waarom ze niet in staat zullen zijn “te durven als het uur van de actie slaat.” Zelfs in volle algemene staking heeft de strekking Mandel de absolute noodzaak niet begrepen of niet willen begrijpen om “de structuurhervormingen van alle dubbelzinnigheid te ontdoen en hen de betekenis te geven van antikapitalistische overgangseisen, om de kwestie van de macht te stellen” (blz.17). Een revolutionair marxistische strekking die zich ertoe beperkt de reformistische apparaten achterna te hollen met het excuus dat “de politiek en organisatorische voorstellen nog niet zijn begrepen door de hele voorhoede” (blz.14) en zich dus schuldig maakt aan volgzaamheid, aan opportunisme, draagt deels de verantwoordelijkheid van het mislukken van de beweging en de algemene staking. Het is daarom dat we denken dat een andere interpretatie mogelijk is, met name dat Mandel zich zorgvuldig heeft onthouden van het ontmaskeren van de dubbelzinnigheid van de structuurhervormingen omdat hij zelf voorstander was van die vernieuwingshervormingen van het kapitalisme eerder dan van de strijd om de macht. De reformistische apparaten van hun kant, wisten dat de arbeiders heel goed de nood begrepen om te strijden voor de macht. De reformistische bureaucraten van de vleugel Renard hadden het programma van structuurhervormingen op basis van dubbelzinnigheid juist uitgewerkt met als doel de revolutionaire verzuchtingen van de massa’s te verstikken en toch tegelijk een manier voor te stellen om het kapitalisme te vernieuwen. 212 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Na de staking levert diezelfde brochure een gewild matige kritiek op Renard met de stelling: “de minderheid (de strekking Renard) die de leiding van de staking in handen genomen had, onthulde toen haar beperkingen en haar tekortkomingen, ze slaagde er niet in de actievormen te ontdekken, noch de nodige ordewoorden te formuleren om het stadium van de massademonstraties (die niet meer waren dan wandelingen) of van de versterking van de piketten te overstijgen (…) de oplossingen die ze uiteindelijk aanreikte waren afleidingen die geen oplossing boden, “verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten”, “politiek federalisme”, “syndicaal federalisme”.” (blz.12). Waarom werden die regels niet geschreven in La Gauche tijdens de algemene staking? Waarom, na vastgesteld te hebben dat de strekking Renard haar limieten had bereikt, hebben Mandel en La Gauche hun eigen verantwoordelijkheid niet genomen en geen revolutionaire agitatiecampagne gevoerd voor de macht? Zich marxist noemen, heeft politieke implicaties waaraan men zich niet kan onttrekken zonder beschouwd te worden als een vulgaire kletser. De brochure onthult ons de diepste gedachten van de strekking Mandel: “We moeten dus besluiten dat, noch wat betreft de doelstellingen van de staking, noch wat betreft haar organisatievormen, een revolutionair marxistische strekking met succes agitatie had kunnen voeren om haar eigen doelstellingen in de plaats te stellen van diegene die algemeen erkend werden door het geheel van de voorhoede.” (blz.17). Wat zouden die “eigen doelstellingen” dan wel zijn? In het Communistisch Manifest schrijven Marx en Engels: “De communisten hebben geen belangen die gescheiden zijn van de belangen van het gehele proletariaat (…) Zij stellen geen sektarische beginselen op, waarnaar zij de proletarische beweging willen modelleren. (…) De theoretische stellingen van de communisten (…) zijn slechts de algemene uitdrukking van feitelijke verhoudingen van een bestaande klassenstrijd (…) Het naaste doel van de communisten is hetzelfde als dat van alle overige proletarische partijen” (Het Communistisch Manifest blz.19 en 20). Een authentieke revolutionair marxistische strekking mag in geen geval “haar eigen doelstellingen in plaats stellen van” diegene die erkend en geëist worden door heel het proletariaat. Ik denk dat de revolutionaire marxisten een enorme afstand moeten bewaren van al diegenen, zonder uitzondering, die de arbeidersbeweging l n a a v l ll l l a e e v n e a l a L Gcehu cehu n Mdeln deln , egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops egjnops an an Adr dr é Radnr adnr 213 willen misleiden. Het onderscheid kunnen maken is de basis voor het succes van de komende bewegingen, want ik blijf er standvastig van overtuigd dat de spontane werkonderbrekingen die geleid hebben tot de algemene staking eens te meer hebben aangetoond dat de “historische wetten sterker zijn dan de bureaucratische apparaten” (Overgangsprogramma, hoofdstuk 2). Indien de sceptici en de sectairen de totale aanpassing en onderwerping van La Gauche aan de reformistische apparaten van de BSP en het ABVV nog niet begrepen hebben, dan zullen ze dat misschien doen op basis van het artikel ‘Het Minimum’: “Het minimum is geen politiek standpunt, het is een technisch gegeven zoals de autoinspectie. Voor onze partij is het stellen van een minimum, de weigering om zich aan het stuur te zetten van een gevaarlijk voertuig. De structuurhervormingen, dat is het grondig nazicht van de motor, het herstellen van de gebroken stuurinrichting, het vervangen van de remmen, de toevoer van benzine verzekeren.” (R. Sixte, La Gauche, 3 december 1960) . Dit is de geschreven bevestiging van wat we stellen, dat La Gauche op vrijwillige basis gebonden bleef, de gevangene en de onderworpene was van de reformistische apparaten. Zoals de meerderheid van de reformisten van de BSP en het ABVV, probeert La Gauche in de eerste plaats de kapitalistische auto op te lappen in plaats van hem op het stort te zetten en te vervangen. Deze politieke stellingname van La Gauche was de rode draad in haar actie tijdens het hele verloop van de algemene staking. Daarmee zijn we aanbeland bij het einde van dit hoofdstuk waarvan de lezer zal begrijpen dat ik beroep moest doen op talloze citaten. De lezer moet begrijpen dat het veel gemakkelijker is mist te spuien, dan die mist te laten optrekken. De conclusie dringt zich op, hoop ik toch, aan iedere revolutionaire militant met goede bedoelingen. Hij zal begrijpen dat de politieke rol van de strekking Mandel en La Gauche totaal vreemd is aan die van het marxisme en het trotskisme. Tot slot van rekening is tijdens en na de algemene staking gebleken dat ze een gevaarlijke variatie is op het centrisme, op anti-trotskistische volgzaamheid verborgen onder een laagje trotskisme. 214 IX De politieke tegenspraken van La Gauche en Mandel In onze studie naar de tegenspraken in de politieke standpunten en de geschriften van La Gauche en Mandel, zowel tijdens als na het conflict, hebben we al kunnen vaststellen, dat ze te wijten zijn aan het gebrek aan vertrouwen in het revolutionaire vermogen van de arbeidersbeweging. Dat is typisch voor iedere centristische en links opportunistische politiek. Telkens weer hebben de revisionistische centristen koppig geweigerd om hun verantwoordelijkheid op te nemen en gepaste maatregelen te treffen op de beslissende ogenblikken van de strijd. We zetten onze analyse verder met enkele uittreksels uit La Gauche van tijdens de staking, die we vergelijken met de brochure ‘Sterktes en zwakten van een grote strijd’ die na de staking verscheen. Ik hoop dat de lezer zich daarmee een precies idee kan vormen over de aanhoudende tegenspraken, voor, tijdens en na het conflict. Het gaat om politieke standpunten die werden ingenomen in functie van het moment en de toehoorders, die niets te maken hebben met een revolutionaire marxistische politiek. Het volstaat niet om op een bepaald moment enkele waarheden neer te pennen om geloofwaardig te zijn. Dat is nochtans wat Mandel doet in La Gauche van 24 december 1960: “De arbeiders gaan deze nieuwe strijd aan met een bewustzijn en een kracht zonder weerga.” Of ook nog: “We maken vandaag een van die brutale uitbarstingen mee. Die momenten zijn te zeldzaam om zich het recht toe te eigenen om ze te verspillen.” Ik ben het daar uiteraard mee eens, maar waarom ontkent Mandel, na de staking, dat het conflict een algemene staking was? Hij beweert dat ze in Vlaanderen maar gedeeltelijk was (behalve in Gent en Antwerpen). Wat zegt de brochure over de arbeiders die niet in staking zouden gegaan zijn? “Die categorie vertegenwoordigt meer dan de helft van de klasse, 1,3 miljoen arbeiders.” (‘Sterktes en zwakten van een grote strijd’, blz. 15). Mandel en een aantal van zijn vrienden, trekken hun argumentatie zo ver door, dat ze trachten het onmogelijke uit te leggen en ze gaan zelfs zo ver dat ze het aantal arbeiders dat niet gestaakt zou hebben, willen berekenen. Maar als dat zo is, waarom titelt La Gauche op 1 januari 1960 dan op de voorpagina: “De staking is algemeen in heel het land”. Hoe kan deze titel verklaard worden als 1,3 miljoen arbeiders niet in staking waren? Wij hebben ons in deze momenten van strijd nooit bezig gehouden met het optellen van het aantal arbeiders dat heeft deelgenomen aan de algemene staking. Maar wat we heel goed weten, is dat de economie van heel het land verlamd was door de algemene staking. In de t e t a a v p e v a t a pt D eiklot eiklot aegknprs aegknprs aegknprs aegknprs an an L Gcehu cehu n Mdeln 215 andel andel opgaande fase, toen de staking haar hoogtepunt bereikte, sprak men van minstens een miljoen stakers. “In stakerskringen, vooral in Wallonië, schat men het totaal aantal deelnemers op meer dan een miljoen. Voor velen van hen zal deze staking in hun geheugen gegrift staan als de staking van het miljoen”. (‘De grote staking van december 1960 – januari 1961’, René Deprez, blz. 294) Er staan in die tekst nog meer opvallende tegenspraken, die trouwens niet onschuldig zijn: “De grote meerderheid van de arbeiders van het ABVV heeft haar apparaat gevolgd, weliswaar kritisch, maar zonder haar te overstijgen, noch op het begin van de strijd, noch bij de werkhervatting.” (‘De grote staking van december 1960 – januari 1961’, René Deprez,Blz.16) Iedereen, van rechts en van links, heeft erkend dat de spontane uitbarsting van de algemene staking in de privésector, die economisch de belangrijkste is, het werk was van de arbeiders aan de basis zelf. Dat was een onbetwist feit. Aanvankelijk werden de apparaten van alle vakbonden en van de politieke partijen voorbij gestoken. Beweren dat de arbeiders van het ABVV hun apparaat gevolgd hebben en niet voorbij gestoken, dat is alle spontane initiatieven die zich hebben voorgedaan in heel het land miskennen. Dat is het tegengestelde van de waarheid. Maar deze pseudomarxisten zijn niet aan hun eerste politieke kunstgreep toe om evidente zaken te ontkennen. Als we diezelfde brochure met aandacht lezen op pagina 19, worden we getroffen door schaamrood bij het lezen van een nieuwe politieke tegenspraak. Over de leidingen schrijven ze: “In sommige regio’s waar ze sterk leek, was de spontane druk van de massa’s zodanig dat ze onmiddellijk de controle over de beweging verloor en dat tot op het einde (deels in Charleroi onder andere).” En nog: “de massa’s beperkten zich er niet toe te staken en hun leiding te volgen. Overal staakten ze tegen de wil van hun leiding in. Ze zochten nieuwe organisatievormen (stakerscomités).” De initiatieven van de arbeiders, onder andere het opzetten van stakerscomités dat spontaan opborrelde aan de basis van bij het begin van de strijd, illustreren de wil om de apparaten van het ABVV en van de BSP voorbij te steken. Christelijke arbeiders, die waren aangesloten bij het ACV, maakten eveneens deel uit van die stakerscomités. Deze initiatieven van zelforganisatie, onafhankelijk van de apparaten, waren zonder enige twijfel een duidelijke indicatie dat het geheel van de arbeidersklasse zich bewust was van het verraad van het verleden. Deze keer wou ze zelf de leiding van de strijd op zich nemen. Dit hebben we daarover gevonden 216 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 in La Gauche van 24 december 1960: “Overal bevestigen de arbeiders dat het om een staking van de arbeiders gaat” en “dat het een staking is, die we zelf leiden” zeggen de arbeiders. “De wens om de fouten van 1950 niet te herhalen en de arbeidersleiders niet opnieuw de beweging prematuur te laten stop zetten, is algemeen.” Waarom schrijft Mandel na de staking, als hij het heeft over de stakerscomités, in La Gauche van 11 maart 1961: “Elders, onder andere deels in Charleroi en Antwerpen, ontstonden ze aan de basis, ook met niet gesyndiceerden” en “Meer nog dan alle ‘geweld’, alle gebroken vensters, alle ‘rellen’, is het die nieuwe embryonale macht die de burgerij doet beven van razernij, haar de schrik op het lijf jaagt, waardoor ze zich wanhopig vastklampt en verzet, en haar met de dood in het hart miljarden inkomsten en bestellingen doet opofferen.” (onderlijnd door de auteur, gd) We moeten trouwens benadrukken dat het niet enkel in Charleroi en in Antwerpen is dat er spontaan stakerscomités werden opgericht door de basis. Ze zijn op de meeste plaatsen opgericht, tegen het advies van de vakbondsapparaten in. Dat was onder meer het geval in Luik, de Borinage, Gent,… Enerzijds zegt de strekking Mandel dat “de grote meerderheid van de arbeiders van het ABVV hun apparaat gevolgd hebben” en anderzijds zegt Mandel als hij spreekt over de stakerscomités dat ze “ontstonden aan de basis (…) Dat het deze embryonale macht was die de burgerij deed beven van razernij”. Indien die “embryonale macht” niet gevaarlijk was geweest, een geïsoleerd fenomeen was, beperkt tot twee steden, dan had het de burgerij niet “de schrik op het lijf” gejaagd. Alweer een tegenspraak. Hoe wil men dat de arbeiders politieke militanten ernstig nemen als die op zo weinig tijd zoveel tegenspraken neerschrijven en zoveel onwaarheden verkondigen? Een algemene staking vereist een standvastige en toepasselijke strategie, geschikte ordewoorden, standpunten, toespraken en consequente en duidelijke geschriften, helder en zonder dubbelzinnigheden. Dat was helaas afwezig op nationale schaal, zowel bij de traditionele leidingen van de arbeidersbeweging als bij radicaal-links. Na de staking wilde de strekking Mandel vooral haar weigering rechtvaardigen om de leiding van de revolutionaire voorhoede te nemen, om ordewoorden te geven waardoor concreet in actie het overstijgen van de apparaten van het ABVV en het ACV versterkt en georganiseerd kon worden. Enkel de arbeiders hebben onmiskenbaar de leidingen voorbij gestoken, zonder schrik om zich te laten opmerken door de patroons en de reformistische leiders. Ze deden dat eerst door spontaan in heel het land vanaf 20 december in staking te gaan. Op die manier hebben ze de vakbondsapparaten gedwongen om de beweging te volgen. Het was tijdens soms zeer harde confrontaties dat de vakbondsbureaucraten van het ABVV gedwongen werden tot het ordewoord van regionale algemene stakingen, en dit dikwijls na 24 of 30 uur, toen de staking feitelijk al aan de gang was. t e t a a v p e v a t a pt D eiklot eiklot aegknprs aegknprs aegknprs aegknprs an an L Gcehu cehu n Mdeln 217 andel andel Jacques Yerna is wat dat betreft dezelfde mening toegedaan. Zijn artikel in La Gauche van 24 december 1960 laat geen twijfel bestaan. Hij bevestigt objectief dat de arbeidersklasse wel degelijk van bij het begin de leiders van het ABVV is voorbij gestoken. Hij schrijft: “de strijd is nu gelanceerd. De arbeidersklasse heeft er zich spontaan in gegooid, ondanks het feit dat de meerderheid van de leiders van het ABVV aanvankelijk op de rem stond.” Ook hier is er een tegenspraak tussen wat de strekking Mandel schrijft en de realiteit zoals die vastgesteld werd door objectieve waarnemers, met inbegrip van enkele vakbondssecretarissen van het ABVV die nochtans deel uitmaakten van de renardistische linkervleugel van het apparaat en van La Gauche. Tijdens het conflict waren er talloze interne vergaderingen van de clandestiene Belgische afdeling van de trotskistische beweging, met heel wat uitwisselingen van standpunten, geanimeerde debatten en oppositie tegen de politiek en de tactiek die werd gesteund en aanbevolen door Ernest Mandel. In dit verband schrijft Georges Dobbeleer, een aanhanger van Mandel, in zijn boek ‘Sur les traces de la révolution’ (verschenen in 2006, blz. 200): “Op de vergadering van het politiek bureau van 18 januari 1961, kwam een oude kameraad van Charleroi [het betreft René Dewaret en niet A. Englebienne, gd] op deze vergadering van het “uitgebreid politiek bureau” ons verwijten dat we “papieren bolsjewieken” waren. Het was een oude trotskistische mijnwerker die had deelgenomen aan de staking van 1932, het had hem concrete ideeën opgeleverd over de manier waarop strijd te voeren. Hij verweet ons nauwelijks het ordewoord van autonome stakerscomités tegen de vakbonden aangehaald te hebben, en in het kielzog te zijn gebleven van André Renard, zonder het doodlopend straatje aan de kaak te stellen waar hij uiteindelijk in vastliep. Zonder hem te kennen had Edmond Guidé, onze militant bij Cockerill die een van de aanstokers was geweest van de staking in de staalnijverheid, zonder te wachten op de richtlijnen van Renard, een vergelijkbare houding van wantrouwen aangenomen tegenover heel de leiding van het vakbondsapparaat van het ABVV, Renard incluis. Maar ons politiek bureau was van oordeel, in overeenstemming met de analyse van Mandel, dat bijna heel de voorhoede van de arbeiders een groot vertrouwen behield in Renard. Dat diens twijfels, diens centristische praktijk van balanceren tussen reformisme en revolutie en uiteindelijk van het zich berusten in reformisme, aan de kaak stellen, erop neer kwam zich af te snijden van de massa van de stakers, hen te desoriënteren, zonder enige hoop ze te winnen voor onze tendens, laat staan onze clandestiene structuur.” Dit uittreksel is tekenend voor de meningsverschillen die bestonden tussen de trotskisten en het vraagt om wat toelichting. 218 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Die twee trotskistische kameraden, die elkaar niet kenden, hadden gelijk. Ze stonden trouwens niet alleen met deze kritiek. In Charleroi waren verschillende kameraden van hetzelfde oordeel. De ene legt de vinger op een cruciaal punt: de voorzichtigheid en het formalisme waarmee de leiders van de strekking Mandel het ordewoord van de autonome stakerscomités hadden aangehaald en de volgzaamheid ten opzichte van Renard. Maar beide verwoorden het wantrouwen van de arbeiders ten opzichte van het ABVV, met inbegrip van Renard. Vanaf het begin van de algemene staking hebben de arbeiders, zowel de voorhoede als de grote massa, zonder dubbelzinnigheid de te volgen weg getoond aan de leiders van het socialistische La Gauche, aan de Communistische Partij en aan alle andere zogenaamde strekkingen van revolutionair links. Maar de arbeiders bleven alleen, zonder leiding. Ze konden nog maar eens, in hun spontane en moedige poging om te breken met de reformistische apparaten, enkel op zichzelf rekenen. Dit toont aan dat alle spontane pogingen, zelfs indien ze zonneklaar zijn, op zich niet volstaan om een van de apparaten onafhankelijke organisatorische vorm aan te nemen. Een nationale revolutionair-marxistische leiding is nodig om die breuk te coördineren en politiek te kanaliseren. Wat de analyse van Mandel betreft, die dacht dat “de quasi totaliteit van de arbeiders van de voorhoede een groot vertrouwen behield in Renard”, moeten we nog een belangrijke tegenspraak aanhalen. Ze is te wijten aan een verkeerde inschatting van het algemeen aanvoelen en van het diepe wantrouwen tegenover de leiding van het ABVV in haar geheel, die al voor de staking van 60-61 bestond. In tegenstelling tot de analyse van Mandel, dateert het meest recente wantrouwen van 1959, en zelfs van 1950 voor de oudere arbeiders. De revolutionaire marxisten moeten steeds in gedachten houden dat als de arbeiders in strijd gaan, ze zich steeds trachten te steunen op de meest linkse leiders, de meest radicale, de minst corrupte. Dat betekent nog niet dat ze absoluut vertrouwen stellen in een of andere leider, maar ze hebben geen keuze. Als ze zich tegen de besparingsplannen willen verzetten en tegen de verschillende aanvallen van de burgerij, moeten ze strijden met de beschikbare middelen. Ze weten dat de instrumenten waarover ze beschikken niet efficiënt zijn, dat het aan scherpte ontbreekt. Ze hopen echter steeds dat ze door het gewicht van hun acties de vakbondsleiders zullen kunnen meeslepen en dwingen om hen in de strijd te volgen. Het is geen kwestie van vertrouwen, maar van krachtsverhouding tussen top en basis. Het is in die precieze omstandigheden dat de massa’s zich concreet de noodzaak van een revolutionair marxistische leiding met een onbevlekte vlag realiseren. In iedere strijdbeweging, zelfs een gedeeltelijke, moeten de militanten van radicaal-links rekening houden met het gerechtvaardigde wantrouwen van de arbeidersklasse tegenover de reformistische en de stalinistische apparaten, ervoor zorgen dat de breuk ermee in de strijd de vorm aanneemt van steeds sterkere en steeds concretere autonome organisaties. In de praktijk, naarmate de algemene staking vorderde, hebben de voorhoede en de massa van de arbeiders zich er rekenschap van gegeven, en dat al ruim voor t e t a a v p e v a t a pt D eiklot eiklot aegknprs aegknprs aegknprs aegknprs an an L Gcehu cehu n Mdeln 219 andel andel 18 januari 1961, dat het ABVV en Renard, elk op hun manier, een rem waren. Het valt op dat de pseudomarxisten het in 2005, 45 jaar na de algemene staking, veel gemakkelijker hebben om Renard over zijn “twijfels en zijn uiteindelijke berusting in het reformisme” te bekritiseren. Maar Mandel en zijn aanhangers in het politiek bureau hebben zich er wel voor behoed deze kritiek ook tijdens de staking te maken. Integendeel, op dat moment onderhield La Gauche illusies in “het grote vertrouwen in Renard.” Die kritiek in 2005 maken, heeft uiteraard niet dezelfde politieke gevolgen als toen. Terwijl de arbeiders zochten naar een oplossing en een leiding om hun strijd op te voeren, verzetten Mandel en de zijnen zich tegen een breuk met Renard die nochtans de strijd afremde en uiteindelijk de staking van haar revolutionaire doel zou afleiden. De strekking Mandel bleef de ordewoorden voor autonome organisatie van de arbeidersklasse dempen en bleef in de feiten aan de slippen van Renard hangen en volgde daarbij diens twijfels uit schrik om de arbeiders te desoriënteren, arbeiders die alles behalve gedesoriënteerd waren. Over de “achterhoede” en de Vlaamse arbeiders schreven ze toen: “de massa die de achterhoede vormt, is niet gemobiliseerd in de staking omdat ze de ordewoorden van haar apparaat gehoorzaamde (dat van het ACV).” (‘Forces et faiblesses d’un grand combat’, blz. 16). Indien het klopt dat “de massa van de achterhoede niet gemobiliseerd was in de staking”, waarom dan in La Gauche van 24 december 1960 schrijven: “Men moet weten dat de haven van Antwerpen volledig stil ligt, dat de industriële stroom in Gent afgesloten is, wat voor eens en voor altijd een einde maakt aan de legende die zegt dat de Vlaamse arbeiders tegen de staking zouden geweest zijn”. Of ook nog: “ veel sectoren gaan er minder snel in staking dan in Wallonië. Maar ze gaan wel in staking”. En vervolgens: “De stakingsbeweging die volgens de woordvoerders van de burgerij zelf als een olievlek uitdeint en weldra naast heel Wallonië ook heel Vlaanderen zal bedekken”. In La Gauche van 1 januari 1961: “Het is met duizenden dat de leden van het ACV geweigerd hebben de rol van stakingsbreker te spelen en toch deelnemen aan de staking. Verschillende duizenden onder hen zijn al aangesloten bij het ABVV. De ramen van de socialistische lokalen in Gent zijn versierd met slingers van lidkaarten van het ACV, die christelijke arbeiders naar het ABVV hebben gebracht uit verontwaardiging 220 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 over de judasrol van M. Cool. (…) Het ACV en het ACW kraken in hun voegen.” Voorts in La Gauche van 28 januari 1961: “Maar in de regio’s waar het ABVV op een ernstige manier streed, zijn talloze christelijke arbeiders bij onze rangen aangesloten: in Gent alleen al zijn 1000 christelijke syndicalisten in de privé en 1200 in de openbare sectoren aangesloten bij het ABVV”. In La Gauche van 11 maart 1961: “het voorbeeld van Antwerpen, waar nochtans tienduizenden arbeiders gevochten hebben als leeuwen, was er niet minder een illustratie van.” Voor de lezer die zich vandaag een oordeel wil vormen en wil begrijpen wat er gebeurde in de winter van 1960-61 dringt de conclusie zich op. De algemene stakingsbeweging die, meer nog dan in 1936 of in 1950, in volle hevigheid losbarstte, bleef zonder leiding. Ze werd gekelderd door de BSP, het ABVV en Renard. De nationale leiders van het ACV hebben ze zelfs totaal en openlijk gesaboteerd. La Gauche en de KPB die nochtans speciale aandacht kregen van de arbeiders, hebben totaal gefaald. Zij hebben hun deel in de verantwoordelijkheid voor de nederlaag van deze uitzonderlijke beweging. Een strekking die zichzelf revolutionair marxistisch noemt en zich ervan onthoudt om revolutionaire ordewoorden te verstrekken die in overeenstemming zijn met de objectieve situatie en beantwoorden aan de wil van de massa’s; die geen rekening houdt met de initiatieven van de basis en ze minimaliseert; die weigert deze initiatieven te versterken en de nieuwe embryonale arbeidersmacht te organiseren en uit te breiden; toont slechts haar volgzaamheid ten opzichte van de reformisten en draagt deels de verantwoordelijkheid voor de nederlaag van de algemene staking. Dat heeft zich feitelijk voorgedaan. Men kan niet tegelijk vastlopen in een moeras van politieke tegenstellingen en toch hopen dat de stakers gewonnen worden voor zijn ideeën en politieke strekking. Men kan evenmin tegelijk de voorwaarden, het kader en de geschikte instrumenten creëren die de arbeiders in staat stellen hun strijd op te drijven tegen de burgerij en de reformistische apparaten van zowel de rechtervleugel als de linkervleugel. Men kan evenmin met pacifistische, dubbelzinnige en twijfelachtige ordewoorden de arbeiders stimuleren in hun strijd en ze naar de overwinning leiden. Vandaag zoals gisteren is er voor de arbeiders niets moeilijker, dan over politiek te discussiëren met linkse intellectuelen die geen revolutionair perspectief hebben en doorgaans kort van geheugen zijn. Alle politieke tegenstellingen van La Gauche en Mandel, hun twijfels en hun schrik, zijn het resultaat van een gebrek aan vertrouwen in het revolutionair vermogen van de massa’s. Ze zijn ook het resultaat van het falen van de politiek van entrisme zonder het revolutionaire perspectief van een breuk. Dit moet uiteindelijk leiden tot een totale verlamming, tot capitulatie voor de revolutionaire gevechten, tot opgave van het stichtingsprogramma van de Vierde Internationale. 221 X De Communistische Partij en de Mars op Brussel De leiders van de KPB (Communistische Partij van België) stemden hun positie af op deze van het Luikse ABVV. Het is onnodig te zeggen dat ik het volledig oneens was met de politieke positie van de leiding van de KPB die categoriek de oproep voor een Mars op Brussel verwierp. Eenzelfde verwerping kwam er op het nationaal congres in Luik van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie op 5 januari 1961. Laat ons eens kijken wat KPB-leiders zoals René Beelen en René Deprez hierover schreven in hun respectieve werken: “Onze partij moedigde het idee van een mars op Brussel niet aan, in de eerste plaats omdat er geen nationale leiding voor de beweging was (…). Het zou nodig geweest zijn om de Vlaamse en Brusselse syndicale leidingen mee te krijgen (…) Er was bijgevolg het risico op provocaties en geweld vanwege de regering.” (René Beelen, ‘La grande grève contre la loi unique’, p. 15) “Om geen ruimte te laten voor de mogelijkheid van provocaties ging de Communistische Partij in tegen het ordewoord van La Gauche waarin een mars op Brussel werd voorgesteld. De partij herinnerde daartoe aan het rampzalige precedent van 1950.” (René Deprez, ‘La grande grève décembre 1960 – janvier 1961’, p. 142) “Een andere positie die de verdeeldheid van de arbeidersklasse en een gevaarlijke politiereactie dreigde uit te lokken, was het ordewoord van een Mars op Brussel. Dat ordewoord werd naar voor gebracht door La Gauche en Links. Het werd overgenomen op de dagelijkse betogingen in Charleroi en had daar een zeker succes. De herinnering aan 1950 had tot een meer overwogen positie moeten leiden. Het idee was gevaarlijk en werd gesteund door diegenen die zich al te gemakkelijk lieten verleiden door revolutionaire frasen. De basis voor een linkse samenwerking bestond niet en er was evenmin een alternatief programma. De socialistische beweging was zelf verdeeld. Het zou een zekere mislukking zijn.” (René Deprez, p. 134) Anderzijds waren er communistische basismilitanten die dagelijks in contact stonden met de arbeiders in de bedrijven en die niet altijd dezelfde mening waren 222 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 toegedaan als hun leiders. In een gesprek met Robert Dussart, lid van de KPB en ABVV-delegee bij ACEC, op 5 januari, stelde die: “We moeten ernstige voorbereidingen treffen voor een mars op Brussel voor het hernemen van het parlementaire debat. De ervaring van 1950 toonde aan dat zo’n ordewoord efficiënt is.” (La Gauche, 7 januari 1961, onderlijning door de auteur). Het is onnodig te zeggen dat ik het over de efficiëntie van zo’n ordewoord volledig eens ben met deze positie. Het moet ook nog worden benadrukt dat veel militanten van de KPB met organisatorische capaciteiten in de bedrijven en een zekere basis onder de arbeiders hun verantwoordelijkheden opnamen en de wil van de stakers voor een mars op Brussel niet alleen in woorden steunden, maar ook daden in deze richting stelden. Maar laat ons terugkomen op de argumenten van de KPB-leiding. Het verdelen van de arbeidersklasse gebeurde niet door diegenen die het ordewoord van een Mars op Brussel naar voren brachten. Dat gebeurde door veel stakers op betogingen, niet enkel in Charleroi maar in het volledige land. De wijze waarop La Gauche die Mars zag, moet overigens verworpen worden. De verdeeldheid komt ook niet van diegenen die stelden dat de ervaring van 1950 de efficiëntie van zo’n oproep aantoonde. Wie zorgde dan wel voor verdeeldheid? De nationale leiders van het ABVV die van meet af aan bleven weigeren een nationaal ordewoord tot algemene staking naar voren te brengen. Daarnaast ook de ACV-leiders die zich van bij het begin tegen de staking keerden met een oproep aan de leden om de staking te breken. Een aantal leiders van de KPB dacht op naïeve wijze dat het mogelijk was om de strijd zonder enige vorm van geweld te voeren. Maar iedere actie van de arbeidersklasse die een beetje radicaal is, kan steeds leiden tot een gevaarlijke reactie vanwege de politie. Voor de KPB was er “dus een risico op provocaties en geweld vanwege de regering”. Uiteraard was dat ook zo. Maar de KPB wist toch ook dat de arbeiders doorheen het hele land van op de eerste stakingsdag provocaties en geweld vanwege de regering ondergingen. Dat geweld heeft de stakingsbeweging er overigens niet van weerhouden om verder uit te breiden en te verharden. Ondanks de vele arrestaties, de vele gewonden en zelfs enkele doden, hield de algemene staking stand met een voorbeeldige strijdbaarheid. Ook daar had de KPB rekening mee moeten houden. De meeste leiders van de KPB laten zich al lang niet meer verleiden door revolutionaire frasen, maar werden ze er ooit door verleid? Het klopt dat enkel revolutionaire marxisten zich verheugen op revolutionaire frasen en er zich gemakkelijk door laten verleiden, maar dat gebeurt in de eerste plaats door revolutionaire daden en niet door frasen. o d e r d o o ae a a o o D Ccehimnstu cehimnstu cehimnstu Pijrt ijrt n e e Mrs p p Belsu 223 rusel rusel rusel Bovendien moet er op worden gewezen dat diegenen die de algemene staking van 1950 van dichtbij of van iets verder meemaakten, zich kunnen herinneren dat de voorbereidingen voor een Mars op Brussel bijna af waren en dat zodra er een datum werd aangekondigd (op 1 augustus 1950) de koning besliste om troonsafstand te doen. In 1950 al stond een mars op Brussel voor de arbeiders voor een wil om een revolutionaire confrontatie aan te gaan met niet enkel de monarchie maar ook de burgerlijke staat. Het doel van de massa’s was een opstand. De traditionele arbeidersleidingen waren zich ten volle bewust van dat gevaar en ze beslisten het revolutionaire elan te stoppen. Het is die capitulatie van de leidingen nog voor de strijd is geleverd waarover eens moet worden nagedacht. Het idee was gevaarlijk voor de burgerlijke instellingen, maar door op het laatste moment de Mars op Brussel af te blazen, hebben de inschikkelijke leidingen een diepgaande ontgoocheling onder de arbeiders teweeg gebracht. Het is omdat de arbeiders zich ten volle bewust waren van de gebeurtenissen in 1950 en zich de efficiëntie van het ordewoord realiseerden, dat dit ordewoord opnieuw naar voren werd gebracht in 1960-1961. Ongetwijfeld was het succes van een Mars op Brussel in de eerste plaats afhankelijk van de strijdbaarheid van de massa’s en hun bereidheid tot een revolutionaire confrontatie, waarbij dit niet volledig op voorhand kan worden vastgesteld. Diegenen die, zoals de KPB-leiders, dachten dat het “idee gevaarlijk was” en dat “een mislukking vaststond”, zijn onverbeterlijke pessimisten en défaitisten die het niet waard zijn om beroep te doen op Marx en Lenin. Ze zijn steeds bang geweest voor de wil tot revolutionaire confrontatie van de massa’s. En daarom waren ze resoluut tegen iedere harde actie zoals een Mars op Brussel. Ze waren op beslissende ogenblikken nooit in staat om de arbeiders in revolutionaire acties bij te staan en de burgerlijke staat te bedreigen, ze waren nog minder in staat om leiding te geven aan dergelijke bewegingen. Op voorhand stellen dat een Mars op Brussel tot een nederlaag zou leiden, zoals de KPB-leiders deden, toonde aan dat de KPB-leiding geen vertrouwen had in de revolutionaire mogelijkheden van de arbeidersklasse. Alle pessimisten en sceptici dachten dat de arbeiders in hun strijd moesten omkaderd worden door een leiding. Maar die omkadering zagen zij als een garantie om het risico van een revolutionaire ontsporing te vermijden. Als de arbeiders moesten wachten op een samenwerking van links om te staken, dan zouden er nooit stakingen zijn want er is tot op vandaag nog steeds geen grote linkse eenheid. Met betrekking tot het “gebrek aan een alternatief programma”, wat was het programma dat de KPB zelf voorstelde? Het bleef vaag en de partij beperkte zich tot oproepen om met stakersdelegaties rechtse parlementairen te bezoeken terwijl die er niets mee te maken hadden. Een strijdbaar programma moet een overgangsprogramma zijn dat onverenigbaar is met het voortbestaan van het kapitalistisch regime. Het alternatief is geen doel op zich. De KPB moest weten dat de crisis en de onomkeerbare decadentie van het kapitalisme ervoor zorgden 224 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 dat er geen ruimte was voor een partij die zich in essentie richtte op sociale en pacifistische hervormingen binnen het beperkte kader van het kapitalisme. De KPB moest zoals alle revolutionaire marxisten weten dat belangrijke sociale eisen die een deel van de burgerlijke veronderstellingen in vraag stelt, vandaag nog meer dan gisteren, de kwestie van de macht in zich dragen. Het is niet mijn bedoeling om in een polemiek te treden met Valmy Feaux en Robert Gubbels. Maar het is op zijn minst toch verrassend dat deze sociologen die zich zorgvuldig baseren op gegevens en officiële bronnen, de slogan van een Mars op Brussel aan de KPB toeschrijven terwijl deze partij zich van bij het begin tegen dit ordewoord had gekeerd, tegen een deel van de eigen arbeidersbasis in. Waakzame arbeiders en militanten weten dat het ordewoord van een Mars op Brussel enkel door La Gauche en Links naar voren werd gebracht. Het is in alle omstandigheden nodig om de rol die elkeen heeft gespeeld te respecteren. Om geloofwaardig te blijven, moet aan Caesar worden gegeven wat aan Caesar toekomt. Er kan zeker kritiek worden gegeven op de wijze waarop La Gauche dacht naar de hoofdstad te trekken, maar dat neemt niet weg dat La Gauche de enige linkse tendens was die dit populaire ordewoord opnam. Het ordewoord zelf werd dagelijks opgenomen door de arbeiders, de stakers riepen deze slogan spontaan op iedere betoging. We zijn het ook niet eens met het standpunt van René Deprez aangezien het ordewoord van een Mars op Brussel haar karakter als revolutionaire actie behoudt. Een revolutionaire confrontatie tussen de klassen is het natuurlijke verlengstuk van iedere opstandige en revolutionaire algemene staking. (onderlijnd door de auteur, gd) Het is niet omdat de reformistische en stalinistische leidingen steeds bang zijn voor een mogelijkheid van een gewelddadige revolutionaire confrontatie en het is niet omdat het ordewoord van een Mars op Brussel in 1950 voortijdig werd afgeblazen door de leidingen, dat dit ordewoord geen nut meer had in 1960-1961. Integendeel! Het klopt dat confrontaties tussen sociale klassen steeds ernstige gevaren met zich meebrengen. Maar zoals we al eerder stelden: wat hadden de 18.000 rijkswachters van Eyskens kunnen inbrengen tegenover 100.000 tot 150.000 stakers in Brussel die vanuit alle hoeken van het land naar de hoofdstad waren gekomen nadat ze zich alle transportmiddelen hadden toegeëigend? Het is zeker dat iedere poging tot revolutionaire confrontatie van de arbeidersklasse om de macht te veroveren zou geleid hebben tot een gewelddadige reactie van de burgerij. Om haar macht te behouden, doet de burgerij beroep op alle repressiemiddelen waarover ze beschikt. Zodra een actie van de klasse een beetje energiek is, leidt dit tot reactie en zijn er gevaren. Maar als we voor ieder risico moeten terugdeinzen, dan zal de arbeidersklasse nooit tot socialisme komen. Zelfs met de beste wil van de wereld kunnen we nooit alle risico’s voorzien. We kunnen noch de gevaren, noch een mogelijke nederlaag van een actie voorzien. De regeringen hebben in 1950 en 1960-‘61 niet geaarzeld om rellen uit te lokken door betogers te vermoorden. Dat gebeurde in Grâce-Berleur en in Guillemins in o d e r d o o ae a a o o D Ccehimnstu cehimnstu cehimnstu Pijrt ijrt n e e Mrs p p Belsu 225 rusel rusel rusel Luik, waar stakers in de rug werden neergeschoten. In 1960-‘61 kreeg de rijkswacht bevelen om geweld uit te lokken in Antwerpen, Gent, Brussel, Charleroi,… Er werd niet geaarzeld om hardhandig op te treden met heel wat zwaargewonden tot gevolg. Het risico op een revolutionaire confrontatie achtervolgt de reformistische, stalinistische en andere leidingen. Voor een militant, en zeker voor een communistische militant, is het wel erg lichtzinnig om een Mars op Brussel voor te stellen als een “ondoordachte actie die bloedig kan zijn” (René Deprez, p. 134). Het getuigt van een misprijzen voor de arbeiders als hun wil tot strijd wordt genegeerd. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de poging om alle gevaren en risico’s uit te schakelen niet heeft kunnen vermijden dat er doden vielen en dat deze doden zoals steeds aan dezelfde kant zijn gevallen (de vier stakers in 1950 en vier stakers in 1960-1961). Ook daar moet worden over nagedacht. Deze doden vielen overigens niet bij een Mars op Brussel. De KPB herinnert ons aan het “rampzalige precedent van 1950”. Waarover heeft de partij het eigenlijk? Over de rampzalige capitulatie van de traditionele arbeidersleidingen die de beweging om op Brussel te marcheren brutaal een halt toeriepen? Over 1960-1961 wordt vervolgens gesteld dat alle stakersorganisaties de provocaties en de repressie vanwege de regering veroordeelden. Dat maakt toch duidelijk dat de volledige arbeidersbeweging geen ruimte wou laten aan de mogelijkheid van provocaties door de burgerij. Het is ook evident dat de stelling dat er “geen nationale leiding voor de beweging” was op zich reeds een capitulatie inhield. Dat argument werd aangegrepen om voor de risico’s en gevaren te waarschuwen en om de massa’s af te schrikken. Het maakt evenwel duidelijk dat de KPB niet in staat was om leiding te geven. In de nasleep van de algemene staking slaagde de KPB er in om haar ledenaantal te verdubbelen. Maar de KPB blijft vaststellen dat desondanks de... “standpunten van de radicale militanten niet altijd in overeenstemming waren met de standpunten van de partijleiding”. (1) Dat is ook mijn standpunt. Tijdens de staking... “kon de KPB een aantal arbeidersposities consolideren en de banden met een zekere syndicale realiteit opnieuw aanhalen. Maar in de jaren na de staking werd de ontwikkeling naar parlementarisme nog verder versterkt en het gewicht van de bedrijfsafdelingen in de politieke leiding werd beperkt. De partij sloot zich af in enkele bastions en de herwonnen steun in de jaren 1961-1965 werd snel omgevormd tot een periode van stagnatie en uiteindelijk verval. Maar tegelijk moeten we vaststellen dat de staking van 60/61 de integratie van de communistische syndicalisten in het ABVV had geconsolideerd. Ze namen daar een kritische positie in, maar er was een tendens tot integratie.” (2) 226 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 (1 en 2): Deze citaten komen uit “Les Cahiers Marxistes 1960-1965”, verschenen in juni-juli 2002 (n°222), geschreven door Rik Hemmerijckx, doctor in de geschiedenis aan de VUB 227 XI De opstandige en revolutionaire algemene staking In zijn boek ‘La révolution wallonne 1960-1961’ schreef Joseph Coppé, die hoofdredacteur was van La Wallonie tussen 1962 en 1987, naar aanleiding van de 30e verjaardag van de algemene staking van 60-61: “Stakers en vakbondsleiders van gisteren die vandaag getuigen, praten niet over een ‘opstand’ maar een situatie van ‘quasi-opstand’. Dat is niet uit bescheidenheid of uit late wroeging. Met de term ‘quasi-opstandig’ worden bepaalde gewelddaden of sabotagedaden niet ontkend (…) Met ‘quasi’ willen ze vandaag net als gisteren stellen dat de staking geen vooraf beraamde opstand was die neigde naar een staatsgreep, terwijl wel alle voorwaarden voor een opstand in het België van 1960 waren vervuld.” (onderstreept door de auteur) Het is niet alleen een recht maar vooral een plicht om als militant een getuigenis af te leggen. Dat is zonder nostalgie en zonder wroeging, maar met een zorg voor politieke objectiviteit. De grote algemene staking van 60-61 maakte deel uit van een opstandig en revolutionair proces waarbij alle grenzen van de burgerlijke wetten werden overschreden. De staking was opstandig in haar handelingen, revolutionair in haar doelstellingen. Tijdens de volledige duur van de algemene staking, zowel in het noorden als in het zuiden van het land, waren er regelmatig zeer harde confrontaties en zelfs buitengewoon geweld vanwege de politieagenten tegen de stakers. Politieagenten te paard aarzelden niet om stakers neer te sabelen of zware slagen toe te brengen, met talrijke gewonden als gevolg. Er waren soms ernstige kogelverwondingen, zoals tijdens het oproer in Luik, Brussel, Gent, Antwerpen en Charleroi. In totaal werden vier arbeiders doodgeschoten. De talrijke gewelddaden, de sabotage,… die zich tijdens het conflict voordeden, soms met een uiterst geweld karakter in het kader van de strijd van klasse tegen klasse, kunnen zonder enige twijfel als opstandige en revolutionaire handelingen gekwalificeerd worden en kunnen eveneens gezien worden als een uitdrukking van de wil tot strijd bij alle arbeiders van het land. Het toonde de wil van de arbeiders om naar een revolutionaire confrontatie te gaan. Dat is zo, zelfs indien sommigen die verwant zijn aan het reformistisch apparaat liever spreken over een “quasi-opstandig” karakter. Het is hun recht om de werkelijkheid niet onder ogen te zien, maar laat ons toch in herinnering brengen dat 228 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “tegenover de onzachte verovering van de macht, de leiders van de staking beloftes in de toekomst verkozen, beloftes die de staking van de eeuw, zoals alle grote volksbewegingen, in zijn kielzog meevoerde. Elke opstand van de massa’s heeft zijn historische vooruitzichten.” (J. Coppé, idem, p. 95) Het is zeker dat de vakbondsleiders nooit van plan zijn geweest om op te roepen tot een opstand en er de leiding van te aanvaarden. Integendeel, tijdens de heftigste momenten van confrontaties met de politie, toen de stakers zich fysiek moesten verdedigen tegen de provocaties en de charges van de rijkswacht, vonden de leiders van de BSP en het ABVV er niets beter op dan de massa’s tot discipline aan te manen. “Rust en koelbloedigheid zijn de wapens van de sterkste kracht,” verklaarden ze. In deze momenten van strijd was het noodzakelijk om op te roepen tot de vorming en de organisatie van arbeidersmilities ter bescherming van de stakers. Maar dat was niet de bedoeling van de reformistische en de stalinistische leidingen. De regering had maatregelen getroffen om de bastions van de opstand de kop in te drukken. Er werd overal overgegaan tot talrijke willekeurige arrestaties. Verschillende arrestanten werden mishandeld, ze werden urenlang ondervraagd om uiteindelijk zonder enig bewijs beschuldigd te worden waarna valse processen-verbaal werden opgemaakt. Alle middelen waarover de regering van de burgerij beschikte, werden ook effectief gebruikt om de revolutionaire opgang te stoppen. Dat ging van de politieke leugen tot de honderden willekeurige arrestaties, langs huiszoekingen in de woningen van de stakers. De vele arrestaties in heel het land hadden een zeer nauwkeurig doel: de meest actieve stakers van het strijdtoneel weg krijgen, de voorhoede van de arbeidersbeweging onthoofden. Maar het enorme gevoel van verzet en de actiebereidheid werden niet aangetast door de repressie. De strijdlust kwam onvermoeibaar tot uiting op straat. De regering probeerde vervolgens de beweging uit te putten. Maar ook daar slaagde ze niet in. De economie lag 35 dagen volledig plat. Dit kostte de burgerij negen miljard Belgische Frank. “In zo’n gemoedsgesteldheid van verzet, die gedeeld werd door de massa van de stakers, die nochtans moesten rondkomen met de stakingsvergoedingen, zou een opstand niet op onverschilligheid stoten. Maar ondanks wat gezegd werd over het opstandige karakter van de staking en ondanks bepaalde acties van sabotage, werd een reële volksopstand nooit overwogen door de verantwoordelijken van de beweging. Voor hen waren de meest verregaande doelstellingen van de staking een kwestie van de lange termijn.” (J. Coppé, idem, p. 91) o s r e o s r s r o r r o r a oe r o r s a D adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst n aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 229 Elke leiding van de arbeidersbeweging, stalinistisch of reformistisch, van een linkse of rechtse tendens, stelt de beslissende strijd die de arbeidende klasse bereid is te voeren steeds uit. Zij deinzen daar altijd voor terug op het moment dat zij in de strijd beslissingen van revolutionaire aard moeten nemen. Als de opstandige en revolutionaire algemene staking niet is uitgemond in een overwinning, dan moeten de redenen hiervoor niet bij de stakers worden gezocht maar wel bij de leiders. Die overwogen niet alleen geen volksopstand, ze hebben zich bovendien overgegeven aan de regering van de burgerij. De opstandige en revolutionaire geest die zich in massabewegingen zoals de staking van 60-61 uitdrukt, is geen geestestoestand maar een zeer levende realiteit. Sceptici dachten destijds net zoals vandaag dat de arbeidersklasse geen revolutionaire neigingen heeft. Het zijn dezelfde sceptici die gisteren dachten dat de arbeiders verburgerlijkt waren, dat ze niet meer in staat waren om bij de grote revolutionaire tradities van de vorige eeuw aansluiting te vinden. Als de volledige reactionaire rechterzijde vandaag nog steeds het opstandige karakter van de algemene staking vermeldt, is dat omdat zij zich bewust was geworden van het gevaar voor haar heerschappij. De positie van de burgerij was bedreigd, haar fundamenten werden ondergraven. Als de burgerij uiteindelijk aan de macht bleef, had ze dat enkel te danken aan het verraad van de reformistische en de stalinistische leidingen. Daarbij moet ook worden gewezen op de nefaste rol van de ACV-leiding. De “revolutionairen” van de socialistische linkerzijde bleven gewillig in de schoot van de BSP. Zij ontbraken de politieke moed om met de BSP te breken en zich in de strijd te onderscheiden. En dat op een ogenblik dat heel wat arbeiders zich bewust werden van het verraad van de traditionele leiding van de arbeidersbeweging. Joseph Coppé schreef: “Bepaalde militanten van de arbeidersorganisaties vreesden een arrestatie. Ze leefden ondergedoken. In de plaats van thuis te slapen, trokken ze naar de vakbondslokalen of de volkshuizen waar ze zich beschermd voelden omdat ze er met een groep verbleven en zich konden verzetten tegen een mogelijke inval.” (p. 91) Op een ogenblik dat de arbeiders zelf hun voorzorgen nemen en semiclandestien leven, kan moeilijk ontkend worden dat de beweging een diepe radicalisering kende. Deze radicalisering kon leiden tot opstandige en revolutionaire gevolgen waarmee de burgerlijke instellingen omver werden geworpen. Dat was nog slechts een kwestie van politieke moed van de arbeidersleiders. Maar het onbrak jammer genoeg aan deze moed. De arbeidersklasse is niet overgegaan tot een gewapende opstand, maar we waren er niet ver van verwijderd. De reactionaire rechterzijde had het tot in de hoogste regionen over de noodzaak van een “sterke macht” tegenover de beweging. Maar ook in de kringen van oud-verzetsstrijders, die nog steeds 230 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 bewapend waren, en bij een deel van de revolutionaire linkerzijde werd gesproken over de noodzaak van de “bewapening van het proletariaat.” Zoals Mateo Alaluf in zijn boek ‘De maatschappij veranderen zonder de macht te nemen’ schreef: “Tijdens de Koningskwestie in 1950 zijn de Renardistische netwerken van het verzet gereactiveerd. De opstandige aspecten van de stakingen hebben er hun inspiratie gevonden”. (p30) Tijdens de opstandige en revolutionaire algemene staking van 60-61 was het waarschijnlijk dat de netwerken van het verzet die in België nog bestonden en spontaan, onafhankelijk en ondanks de arbeidersleiding, werden gereactiveerd. Dat bleek ook uit de vele sabotagedaden. “Al dan niet terecht hebben de leiders van de politieke en vakbondsorganisaties deze objectieve voorwaarden voor een opstand niet tot rijpheid gebracht.” (J. Coppé, p. 95) Het is inderdaad daar dat we de reden moeten zoeken waarom de staking van 1960-61 zijn revolutionaire doel van de verovering van de macht niet heeft bereikt. De arbeiders waren er rijp voor. De strijdbaarheid en het bewustzijn waren bijzonder groot en sloten ongetwijfeld aan bij de meest vurige revolutionaire tradities van de internationale arbeidersbeweging. Dat werd overigens bevestigd door het Cöordinatiecomité van de Waalse Gewesten van het ABVV. We kwamen in een situatie waarnaar André Renard had verwezen in een toespraak in Verviers op 1 mei 1949. Hij stelde toen: “Als wij gevraagd worden om het ordewoord van de algemene staking te geven, zullen we staken, niet tegen de wet, maar voor sociale doelstellingen. De staking zal gericht zijn tegen het regime en zal opstandig zijn.” De arbeidersklasse was in 1960-61 onbetwistbaar in een opstandige situatie terecht gekomen. De arbeiders viseerden het kapitalistische regime. Maar André Renard en de andere reformistische en stalinistische leiders bleven afwachten en hopen dat de opstandige situatie niet zou ontwikkelen naar een revolutionaire opstand. Dat stond niet op de agenda van alle onderdelen van de leidingen. “Het fundamentele belang van de algemene staking, los van de gedeeltelijke successen die zij kan voortbrengen, is het feit dat zij op een revolutionaire wijze de vraag van de macht stelt. Door de fabrieken, het vervoer, alle verbindingsmiddelen in het algemeen, elektriciteitscentrales,… stop te zetten, verlamt het proletariaat niet enkel de productie maar ook de regering.“ o s r e o s r s r o r r o r a oe r o r s a D adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst n aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 231 (Leon Trotski, ‘Où va la France’, p 58). Sommigen zullen denken dat de uitdrukking “opstandige en revolutionaire algemene staking” overdreven is. Dit is niet het geval. De interne logica van de algemene staking stelt de kwestie van de macht. In de algemene staking van 1960-61 kwam er spontaan een beweging van de arbeidersklasse tot stand. Deze beweging was niet meer te stoppen. Het kreeg een reusachtige omvang en een onbeschrijfbare diepgang. Deze beweging bracht het klasseninstinct van de arbeiders tot leven en gaf er een revolutionair karakter aan. Wie dat ontkent of niet begrijpt, kan de principes van de klassenstrijd niet vatten. Wie niet ziet dat de algemene staking en de klassenstrijd onvermijdelijk uiteindelijk de kwestie van de macht stellen, is blind. Maar wel niet minder blind dan die ‘revolutionairen’ die ondanks bepaalde verklaringen de politiek van de reformisten bleven volgen. Om van alle mogelijkheden gebruik te kunnen maken, is er nood aan een vastberaden revolutionaire wil, consequente kaders en een leiding die gevormd wordt doorheen de strijd en die niet terugdeinst voor het geweld dat de burgerij aanwendt om haar macht te handhaven. “De algemene staking is, en dat weet elke marxist, één van de meest revolutionaire strijdmiddelen. De algemene staking is slechts mogelijk wanneer de klassenstrijd zich boven alle specifieke en corporatieve omstandigheden verheft (…) Verheven boven de algemene staking staat enkel nog de gewapende opstand. De hele geschiedenis van de arbeidersbeweging toont aan dat elke algemene staking, ongeacht de ordewoorden bij haar ontstaan, een interne tendens vertoont om zich om te vormen tot een openlijk revolutionair conflict, in een regelrechte strijd om de macht.” (L. Trotski, idem, p. 53) Het indrukwekkend karakter van de sabotage activiteiten Het verslag over de feiten tijdens de stakingsperiode van 20 december 1960 tot 20 januari 1961 (4.11.1960-61, n°2, bijlage ii, Kamer van Volksvertegenwoordigers) dat door de Generale Staf van de Rijkswacht aan de Minister van het Binnenlandse Zaken Lefebvre werd overhandigd, maakt duidelijk dat de lijst van sabotagedaden indrukwekkend was. Naar aanleiding van de discussie op 8 februari 1961 over de begroting van de Rijkswacht voor het begrotingsjaar 1961, begon de minister met enkele beschouwingen waarvan hier enkele uittreksels: “De beweging schijnt onmiddellijk overgegaan te zijn naar extreme posities en heeft tot een veralgemeende werkonderbreking geleid.” 232 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “Er werden onmiddellijk een aantal opstandige of misdadige handelingen gesteld, het geregistreerde aantal van deze handelingen kan op ongeveer 1500 vastgesteld worden.” “De stakingspiketten waren bijzonder actief en soms zelfs brutaal” “Sommige van de leden van deze piketten waren gewapend.” “Talrijke sabotages werden uitgevoerd op de spoorwegen. Het wegverkeer werd op talrijke plaatsen gehinderd door middel van versperringen.” De talrijke sabotagedaden zijn een veelbetekenende uitdrukking van de buitengewone strijdvaardigheid van de arbeiders in het hele land. Ze aarzelden niet en waagden hun leven door het gebruik van opstandige en revolutionaire actiemiddelen om hun strijd tegen burgerij te kunnen winnen. Wellicht zal het aantal sabotagedaden, door de rijkswacht op 1.500 geschat, in werkelijkheid hoger hebben gelegen. Dat is ook de stelling van de brochure ‘Sterktes en zwaktes van een groot gevecht’. De auteurs van die brochure schatten het aantal sabotagedaden op 3.750. Een zorgvuldige lectuur van het verslag van de rijkswacht maakt duidelijk dat de vele sabotagedaden, los van hun exacte aantal, overal in het land werden gepleegd. Dat maakt eens te meer duidelijk dat ook de Vlaamse arbeiders volop betrokken waren bij de algemene staking. Wie daaraan twijfelde, was blind voor de realiteit. Enkele voorbeelden van de feiten die werden aangehaald: ruiten werden ingegooid met bakstenen, treinen en trams geblokkeerd door stakers die op de sporen neerlagen, er was rebellie, mensen weigerden hun identiteit bekend te maken, er was een blokkade van het treinverkeer, locomotieven werden losgekoppeld van de wagons, de seinhuizen werden bezet, er werden verschillende obstakels op de wegen geplaatst (stenen, palen, blokken beton, bomen…), kasseiwegen werden opgebroken, er werden spijkers of glasscherven op de rijweg gestrooid, elektriciteitsdraden werden gesaboteerd, wegen werden versperd met omgetrokken bomen, wissels werden onbruikbaar gemaakt, auto’s werden gesaboteerd met lekke banden of suiker in de benzinetanks, de sporen werden los gemaakt, signalisatieverlichting verdween, sluizen bleven dicht, postauto’s werden omgegooid, er waren explosies aan de treinovergangen, bovenleidingen werden gesaboteerd, masten en slagbomen werden opgeblazen, op de wissels werd beton gegoten, voorgevels van huizen van stakingsbrekers werden met teer bewerkt,… De opmerkingen van de (socialistische) minderheid op het verslag van de begroting van de rijkswacht is indicatief voor de volledige integratie van de leiders van de BSP in het kapitalistisch regime. Ziehier enkele uittreksels uit hun tussenkomsten in de discussie: o s r e o s r s r o r r o r a oe r o r s a D adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst n aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 233 “Indien er zich betreurenswaardige incidenten voordeden, dan heeft de PSB deze effectief betreurd. Ze heeft ze veroordeeld en afgekeurd aangezien het activiteiten waren van stakers die zich niet hielden aan de ordewoorden van hun leiders en activiteiten die schadelijk waren voor de stakingsbeweging zelf.” (aantekening van de oppositie van BSP, p. 55) Slechts enkele weken na de staking waren de leiders van BSP al vergeten dat vier arbeiders in “betreurenswaardige incidenten” omkwamen. De BSP stelde: “Het klopt dat de rijkswacht zwaar op de proef werd gesteld. De opdracht die zij kreeg, was uitputtend en wellicht erg zenuwslopend bij de uitoefening van haar ondankbare en delicate plicht. Dit was des te meer het geval omdat de rijkswacht slecht uitgerust was.” (Aantekening van de oppositie van de BSP, p. 55) De stakers stelden in hun acties niet bepaald vast dat de rijkswacht “slecht uitgerust” was. Integendeel, de provocaties en de repressie was niet te onderschatten en kwam vanwege zwaar bewapende agenten. In elk belangrijk conflict is bewapening essentieel. De doden vallen altijd aan dezelfde kant, de kant van de mensen zonder verweermiddelen. Het feit dat de BSP-leiders zich volledig in het systeem integreerden en een politiek van klassencollaboratie voerden, zorgde ervoor dat ze uit het oog verloren dat de rijkswacht in laatste instantie een groep zwaar bewapende mannen is die gedisciplineerd en opgeleid is om het privaat bezit van de productiemiddelen en de burgerlijke instellingen te verdedigen. Vlak na de algemene staking stelden de BSP-leiders over de ernstige feiten: “We zijn ervan overtuigd dat we niet de volledige rijkswacht hiervoor verantwoordelijk mogen stellen.” (aantekening van de oppositie van de BSP, p. 56) Het is niet verwonderlijk dat de BSP-leiders vervolgens in een regering samen met de rechterzijde stemden voor “wetten ter handhaving van de orde” en daarmee een versterking van de uitrusting van de rijkswacht organiseerden. Daar was nochtans een zeer actieve oppositie tegen vanwege de linkerzijde en de basis in het algemeen. Ook vanuit de SJW werd er campagne tegen gevoerd. De BSP-leiders hebben de stakers die verzetsdaden ten dienste van de algemene staking stelden, gewoon laten vallen. Zoals Nicolas Latteur schreef: “Als gevolg van haar engagement in de coalitie, geeft de BSP haar eis van amnestie voor sancties wegen stakingsfeiten op.” (p. 94) 234 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Paul-Henri Spaak, die opnieuw minister van Binnenlandse Zaken was geworden, probeerde de houding van zijn partij in de stemming voor de “versterking van de ordehandhaving” en de verhoging van het budget voor de rijkswacht te rechtvaardigen. Hij deed dat met de nodige minachting voor de vele linkse kritieken. Spaak stelde: “De stakers moeten de volgende keer maar sneller gaan lopen.” Ik heb het eerder al gesteld, maar ook uit het verslag van de sabotagedaden blijkt duidelijk dat er in alle delen van het land sprake was van sabotage. Deze daden waren in Wallonië misschien wel spectaculairder, maar de Waalse stakers hadden er geen monopolie op. Er waren ook sabotagedaden in Vlaanderen en Brussel. Het officiële verslag van de rijkswacht heeft overigens de allure van een officiële aanklacht tegen al wie beweerde dat de staking niet algemeen was en dat de Vlaamse arbeiders amper of niet aan de beweging deelnamen. Om zich van het tegendeel te overtuigen, volstaat het ook om de verschillende berichten en resoluties van het Coördinatiecomité van de Waalse Gewesten van het ABVV te herlezen. Deze resoluties benadrukken de moed, de strijdbaarheid en de actiewil van de Vlaamse stakers. Nochtans werden de Vlaamse stakers met moeilijker omstandigheden geconfronteerd. Ze werden gedomineerd door rechtse vakbondsleiders en politici, figuren zoals Major en Van Acker. In het verslag van het statutaire congres van het ABVV van 15 tot 18 december 1962 stond een opvallend stuk over de actiebereidheid van de Vlaamse arbeiders. “Er werd zelfs gezegd dat de Vlaamse leiders geen uitdrukking gaven aan de gevoelens van de Vlaamse arbeiders” (p. 733). Of nog: “De staking kende intussen een grote uitbreiding. Ze was bijna totaal in Wallonië, maar ook in Vlaanderen nam ze een grote omvang aan.” (p. 740) Voor zover dit nog nodig is, kan dit verslag ook worden gebruikt om de opstandige en revolutionaire aard van de situatie aan te tonen. Sommigen beweerden dat de sabotagedaden vooral als gevolg van de wanhoop op het einde van het conflict plaatsvonden. Dat klopt niet. “Volgens minister van binnenlandse zaken Lefebvre waren er voor 31 december 1960 540 sabotagedaden. Dat is tenminste zo als enkel rekening wordt gehouden met de sabotagedaden die door de rijkswacht werden vastgesteld en niet diegene die door de gemeentepolitie of de gerechtelijke politie werden vastgesteld.” (P. Tilly, ‘André Renard’, p. 614) o s r e o s r s r o r r o r a oe r o r s a D adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst adeginpst n aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv aeilnortuv eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 235 Een algemene staking met een dergelijk groot aantal sabotagedaden en een dergelijk groot aantal arrestaties wegens sabotagedaden, kan niet meer als een gewone algemene staking worden beschouwd. Er was meer aan de hand. Het spontane karakter van de algemene staking en het grote aantal spontane sabotagedaden in 1960-61, toonden de revolutionaire wil tot verandering die aanwezig was onder de arbeiders. Deze wil tot verandering kon enkel op een consequente manier tot uitdrukking komen in een arbeidersopstand waarmee het kapitalistische regime werd omver geworpen. Het is in die zin dat Joseph Coppé gelijk had als hij stelde dat alle “voorwaarden voor een opstand aanwezig waren” en dat de “leiders deze objectieve voorwaarden voor een opstand niet tot rijpheid hebben gebracht.” Ik onthul niets als ik zeg dat Coppé zeker geen “communistische agitator” was. Maar hij maakte wel een correcte analyse die meteen ook de foutieve inschatting van de pseudomarxisten van la Gauche duidelijk maakt. Die vertelden ons dat “de staking in werkelijkheid niet algemeen was.” Het is nodig om die stelling van tafel te vegen. Diegenen die hardnekkig wilden bewijzen dat de staking niet algemeen was, wilden met dezelfde vastberadenheid aantonen dat tijdens de algemene staking van 1960-61 “noch de objectieve voorwaarden noch de subjectieve voorwaarden voor een opstand op nationale schaal aanwezig waren” (‘Forces et faiblesses’ p. 11) Anderzijds stelden ze over de stalinisten wel dat het “diepgaande antikapitalistische en objectief revolutionaire karakter van de staking nooit bij de KPB is doorgedrongen.” (idem p.23). Dat karakter was ook voor Mandel en co niet duidelijk. Voor hen was het lot van de algemene staking al vanaf de eerste week bezegeld. Alle bedenkingen en tegenargumenten hadden een duidelijke politieke betekenis. Er moest absoluut worden ontkend dat er een algemene staking was in België. En dat omdat “De algemene staking, en dat weet elke marxist, één van de meest revolutionaire strijdmiddelen is. (…) Verheven boven de algemene staking staat enkel nog de gewapende opstand.” (Leon Trotski, “Où va la France”, p. 53) Dat is de reden waarom het karakter van de staking werd ontkend. Die ontkenning maakte deel uit van de capitulatie. “Het diepgaande antikapitalistische en objectief revolutionaire karakter van de staking” en de “objectieve voorwaarden voor 236 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 een opstand” werden meteen van de kaart geveegd. Voor bewuste revolutionaire marxisten staat evenwel vast dat met deze 35 dagen van opstandige en revolutionaire algemene staking een revolutie was begonnen. Een revolutie kan overigens niet op een andere manier beginnen. 237 XII. De rol van minderheden in de algemene staking Over de rol en de mogelijkheden van een minderheid in een algemene staking als in ’61-’61 waren de politieke beoordelingen, zowel toen als nu, erg verschillend. De kwestie opbrengen, leidt zelfs vandaag nog tot controverse. Voor sommigen is het nog steeds een kwestie van politieke rechtvaardiging. Zie hier wat Georges Dobbeleer in zijn boek ‘Sur les Traces de la Révolution’ over de rol van minderheden in de algemene staking van ’60-’61 schrijft: “Het probleem van de omvorming van een algemene staking in een revolutionaire situatie kan echt niet opgelost worden door alleen maar de wil van een klein groepje militanten in de West-Europese landen waar de arbeidersbeweging het product is van een heel verleden en een situatie die al stevig gevestigd is.” Deze tekst vraagt om verschillende opmerkingen. In tegenstelling tot G. Dobbeleer ben ik één van hen die denken dat door zich resoluut te steunen op de diepgaande wil van de massa’s in actie een kleine groep van revolutionaire militanten, zelfs indien ze een minderheid vormt tijdens een algemene staking, een politiek bepalende en beslissende rol kan spelen. In iedere spontane algemene staking van een zekere omvang, zoals het geval was in ’60-’61, leert de arbeidersgeschiedenis ons dat elk gevecht, in het begin voor ofwel economische eisen of tegen besparingsplannen, zeer snel een politiek gevecht van klasse tegen klasse wordt. Het is op die manier dat in iedere periode van verhoogde klassenstrijd, ten toppunt gedreven tot opstandige beroeringen, de vreedzame arbeider en huisvader zich snel omvormt tot een strijder van de revolutionaire voorhoede. Wanneer een algemene staking spontaan uitbreekt, wordt ze door de revolutionaire marxisten beschouwd als een buitengewoon historisch fenomeen. Het is nooit een kwestie van toeval. Ze dient zich altijd aan na een lange reeks van niet opgeloste gevechten, ze is steeds een voortzetting van de strijd die zich op een bepaald moment voordoet, volgend op de opeenstapeling van gedeeltelijke stakingen die niet tot een bevredigend resultaat hebben geleid, maar die een noodzaak zijn die voortvloeit uit de objectieve sociale omstandigheden en de gewone gevechten. Wanneer ze de hele arbeidersklasse meetrekt in de strijd, transformeert ze zich in een straatgevecht. Dat leidt tot confrontaties, gewelddaden, het opzetten van barricades, het opbreken van straten en opwerpen van wegversperringen, sabotage en dynamietontploffingen; dus tot de volledige verlamming van de economie van het land. Dan en enkel onder die omstandigheden gaat de algemene staking een periode van revolutionaire klassenstrijd in. Die klassenstrijd is in staat de brede 238 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 en diepe lagen van de arbeidersklasse mee te voeren in een brede en radicale massabeweging. Wanneer de arbeidersklasse zich in actie zet, wil ze zich bevrijden van alle moeilijkheden van het verleden die te wijten waren aan de kapitalistische uitbuiting, alle grieven, pesterijen, onrechtvaardigheden, ontberingen, de miserie, de werkloosheid en de nederlagen van sociale strijd van het verleden. Al het lijden komt naar de oppervlakte en vormt zich om in woede en in een revolutionair project, die hun uitdrukking vinden in de opstandige en revolutionaire algemene staking. Het is in zo’n omstandigheden, dooreengeschud door de algemene staking, in de praktijk van de stakerspiketten, de gewelddadige confrontaties met de rijkswacht, in de massabetogingen, dat de arbeider bewust wordt van zijn kracht en zich realiseert dat de gevoerde gezamenlijke politieke actie de interne funderingen van de kapitalistische samenleving in gevaar kan brengen. De hoop op verandering die een opstandige en revolutionaire periode aan de arbeidersmassa’s geeft, ondanks de onoverkomelijk lijkende moeilijkheden, maakt in de wil van de massa’s zelf zo een grote hoop vrij dat ze ongevoelig wordt voor het ergste leed en de hardste opofferingen die men kan verdragen. Het is in die omstandigheden van het buitengewoon hoog opflakkeren van de klassenstrijd dat zij die beweren de verlichte voorhoede van de arbeidersklasse te zijn, niet moeten wachten op de “transformatie van een algemene staking in een revolutionaire situatie” als iets vanzelfsprekends. Integendeel, revolutionairen hebben niet enkel de plicht in de voorhoede van de strijd te staan, maar ook en vooral de plicht om in de voorhoede te staan voor wat betreft de perspectieven en de uitleg die gegeven moet worden aan de massa’s, om een perspectief te schetsen van een revolutionaire politiek om het revolutionaire proces dat gaande is te versnellen, onafhankelijk van het aantal dat men vertegenwoordigt; en vooral niet om zich te verstoppen achter “een situatie die al stevig gevestigd is”. Die redenering komt neer op de veronderstelling dat er geen hoop is op verandering van die “stevig gevestigde situatie” in een revolutionaire situatie. Die redenering is de logica zelf van het fatalisme en het defaitisme, die absoluut niets gemeen hebben met de revolutionaire marxistische politiek. Het is nochtans onbetwistbaar dat het wel degelijk een kleine minderheid van arbeiders en basismilitanten in de privé-industrie was die aan de basis lag van het spontaan uitbreken van de algemene staking. Toen de arbeidersklasse zich plots op de voorgrond van het politieke toneel begaf, verraste dit zelfs de best gewaarschuwde militanten. Wanneer een algemene staking spontaan losbreekt, verscherpt ze alle tegenstellingen die voor het conflict bestonden. Vanaf het begin van een groot conflict hergroeperen de arbeidersmassa’s zich steeds instinctief in hun traditionele politieke en syndicale organisaties. Op hetzelfde moment is het werk van elke revolutionaire marxist juist om bij te dragen aan dit proces van eenmaking en concentratie van de krachten van de arbeidersklasse want in het begin van een grote strijd hebben de massa’s in het algemeen nog niet alle illusies in de s r d e s r v s d r i a m v s mm a D lo lo lo an an dehinr dehinr dehinr n e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 239 fundamenteel reformistische aard van de traditionele arbeidersleidingen verloren, alsook niet in hun afwachtende en tot overgave bereide politiek. Vanaf het begin van de algemene staking van ’60-’61 gaven de meest gezaghebbende vertegenwoordigers van het reformisme overigens verklaringen die op het eerste gezicht ondubbelzinnig en aanmoedigend waren. Zo was er de aankondiging van het bureau van de BSP, dat na drie dagen staking stelde: “de arbeiders zullen zich niet gewonnen geven. De BSP is met hen in de strijd.” (Journal de Charleroi, 23 december 1960). Na enkele dagen staking vinden we diezelfde goede voornemens terug bij de ABVV-gewesten. Die waren eerst verrast en ze werden volledig voorbijgestoken door de beweging, maar ze lanceerden nu oproepen aan de arbeiders om “de stakingsbeweging uit te breiden”. Maar wanneer de stakingsactie harder werd en vanaf het moment dat het geheel van de arbeiders gewaar werd dat de reformistische leidingen een obstakel vormden voor de ontwikkeling van de strijd, vanaf het moment dat de meest bewuste arbeiders zich beginnen te distantiëren van de raad van de leidingen om “kalm en gedisciplineerd” te blijven, wanneer de meest vastberaden arbeiders politiek beginnen te breken met de twijfel en de angst van de reformisten, dan is de taak van elke revolutionaire marxist er één van het systematisch ongenadig aan de kaak stellen van de politiek van de reformistische en stalinistische apparaten die de strijd afremmen omdat ze overvallen worden door angst voor de strijd. In dergelijke omstandigheden, die steeds komen bovendrijven in de grote gevechten tussen de basis en de top, bestaat politieke durf er, zelfs voor een kleine georganiseerde minderheid met een politiek project dat streeft naar een revolutie, niet in braaf de reformistische politiek te volgen, maar met haar te breken in het volle conflict en zo een antwoord te geven aan de onderliggende revolutionaire wil binnen het proletariaat, die niets anders vraagt dan geleid en gesteund te worden door de strijdbare leiding, die herkend kan worden door de arbeiders als een revolutionaire socialistische linkse stroming. Het doet er niet toe wat het uiteindelijk resultaat en de gevolgen van een dergelijk initiatief tot breuk zijn want de arbeidersklasse zal vroeg of laat de correctheid erkennen van de moedige actie van een dergelijke leiding tegenover de revolutionaire strijd. Een leiding die het politieke lef heeft gehad zijn eigen verantwoordelijkheid op te nemen tegenover de revolutionaire wil van de massa’s die in verschillende vormen tot uiting kwam in de algemene staking. Het voorbeeld dat G. Dobbeleer in zijn boek (‘Sur les Traces de la Révolution’, p.200) en in zijn getuigenis ‘Il y a 40 ans’ (22 juni 2007, p. 5-6) geeft van de kameraad staalarbeider Edmond Guidé is veelzeggend voor wat betreft de bepalende rol dat een moedig initiatief tot actie van enkele militanten die in de minderheid stonden in hun bedrijf kan hebben. Dit initiatief leidde tot opeenvolgende werkonderbrekin240 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 gen in Cockerill en in de hele Luikse staalindustrie. Het is een typisch voorbeeld van de rol die een kleine minderheid kan spelen als ze zich steunt op de strijdwil van de arbeiders. “Edmond Guidé, onze militant in Cockerill, die zonder te wachten op de richtlijnen van Renard één van de initiatiefnemers van de staking in de staalindustrie was, had een gelijkaardige houding van wantrouwen tegenover de hele leiding van het syndicale apparaat van het ABVV, Renard inbegrepen.” (p. 200). “Onze kameraad staalarbeider Edmond Guidé, militant van de clandestiene trotskistische organisatie, clandestien gezien we nog steeds aan “entrisme” in de BSP deden, en enkele andere zeer actieve arbeiders deden de staking losbarsten in de Luikse staalindustrie. (…) André Renard, die niet voorbijgestoken wilde worden door zijn basis, doet Guidé begin 1961 verschijnen voor een commissie voor syndicale discipline.” (‘Il y a 40 ans’, p 5-6) “Het is waar dat André Renard, voorzitter van deze federatie maar opgehouden in Brussel, woedend terugkeert wanneer hij hoort over deze beslissing die in zijn ogen alle arbeiders prematuur in de strijd lanceert.” (Joseph Coppé, p.41). Deze woedende reactie was niet gekend bij de arbeiders. Moest er een echte democratie bestaan in de vakbondsorganisaties, dan had André Renard zelf voor een disciplinaire commissie moeten verschijnen omdat hij het bevel gaf om het werk te hervatten en omdat hij zich daarmee niet gedragen had als een strijdbare arbeider die zijn militante plicht tegenover zijn klasse vervult. Het is opmerkelijk vast te stellen hoe bewust het syndicale apparaat, Renard inbegrepen, was van de bepalende rol die een actieve kleine minderheid kan spelen als ze zich baseert op de bereidheid tot directe actie van de arbeiders die klaar staan voor de strijd. Het is even frappant om het totaal misplaatste autoritarisme met de ijzeren vuist vast te stellen waarmee André Renard niet aarzelde om eerlijke, strijdbare en aan hun klasse toegewijde vakbondsmilitanten voor een disciplinaire commissie te sleuren die volledig aan de wil van de bureaucratie onderworpen is. Nadat hij zelf volledig gepasseerd werd door zijn basis in zijn eigen Luikse bastion, gaf André Renard in de vroege uren van 20 december 1960 het ordewoord om het werk te hernemen. Hij uitte openlijke afkeuring tegenover de delegees en arbeiders aan de basis die hadden deelgenomen aan de spontane stakingen, met minachting tegenover de statuten en de soevereine democratie van de basis en ter ondersteuning van het meest vulgaire autoritaire bureaucratisme. Enkele tientallen andere militanten en arbeiders in het land bevonden zich in exact dezelfde situatie: een handvol geïsoleerde elementen die zich in een minderheid bevonden, s r d e s r v s d r i a m v s mm a D lo lo lo an an dehinr dehinr dehinr n e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 241 die door hun politieke wil spontane werkonderbrekingen hebben uitgelokt zonder voorafgaand akkoord vanwege de vakbondsapparaten, ongeacht de risico’s als een eventueel ontslag die eruit konden voortvloeien. Andere trotskistische militanten van de clandestiene organisatie van de Vierde Internationale waren betrokken in de strijd in de glassector in Charleroi. Hun actie zal er bepalend zijn, zoals in de glasblazerij van Gobbe, waar een trotskistisch militant, niemand minder dan de auteur van dit boek, de initiatiefnemer was voor de eerste spontane staking en betoging (in de ochtend van 20 december) van een glasfabriek in de regio van Charleroi. Vervolgens drong een groep van arbeiders van Gobbe de fabriek van Glaverbel-Gilly binnen, ze liepen er rond in de werkplaatsen om een personeelsvergadering uit te lokken. Ook daar was het onder de impuls van twee trotskistische militanten in de fabriek, na hun toespraken op de algemene vergadering voor het onmiddellijk uitroepen van een staking, dat de arbeiders van Glaverbel-Gilly onmiddellijk in staking gingen, tegen het advies in van hun syndicale delegatie die zich verzette tegen de staking en gehoorzaam het ordewoord van de vakbondscentrale afwachtte. Die twee trotskistische militanten, de kameraden Marcel Ovart en Arthur Otte, werden niet enkel geconfronteerd met de afkeuring van de syndicale delegatie, maar ze werden bovendien, na het conflict, vanaf het hernemen van het werk op een brutale manier ontslagen met de stilzwijgende medeplichtigheid van de syndicale delegatie van de fabriek en de regionale vakbondsleiding van de sector, die stil bleef en daarmee gevolg gaf aan de patronale richtlijnen. In tegenstelling tot de burgerij, die de algemene staking enkel beschouwt vanuit het oogpunt van de onlusten in de straat en de rellen, m.a.w. vanuit het oogpunt van het gebrek aan “orde”, zien revolutionaire marxisten er vooral een diepgaande interne verandering van de sociale verhoudingen tussen de klassen in. Een revolutionaire marxistische leiding die naam waardig en die over de diepgaande politieke wil beschikt om te ageren en de mars op weg naar het socialisme in te zetten, moet van in het begin van een algemene staking een duidelijke, constante, consequente en vastberaden – m.a.w. een revolutionaire - tactiek aannemen, die op haar taak berekend is en vooruitgaat. Dit veroorzaakt in de massa’s een gevoel van vertrouwen in de leiding, zelfs indien het een kleine leiding is van een revolutionaire linkse minderheid. In tegenstelling daarmee heeft een twijfelende, zwakke, volgzame tactiek gebaseerd op een gebrek aan vertrouwen in de revolutionaire capaciteit van het proletariaat, een verlammend en demoraliserend effect op de massa’s in strijd, wat onvermijdelijk moet leiden tot een achteruitgang en het achterwege laten van een revolutionair en socialistisch perspectief. In het eerste geval is het mogelijk “een algemene staking om te vormen tot een revolutionaire situatie”. In het tweede is dat zeker onmogelijk. In een dergelijke situatie heeft diegene die niet ageert, die de syndicale en politieke apparaten blijft achterna lopen, die nalaat zijn verantwoordelijkheid op te nemen in een opstandige en revolutionaire situatie, de strijd al verloren. 242 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 In die omstandigheden volstaat het ook niet om de massa van de arbeiders te overtuigen zich te mobiliseren voor een occasionele oproep, zonder politieke basis in de beweging, zoals de oproep voor een Mars op Brussel die La Gauche, voor de vorm, op 1 januari 1961 lanceerde. In een land als België - waar de arbeidersklasse een lange traditie van strijd, van directe actie achter zich heeft - kan een oproep buiten de leidingen van de beweging en tegen hun raad in namelijk slechts een doeltreffend gehoor vinden indien die oproep gepaard gaat met praktische indicaties voor het geheel van de arbeidersklasse en indien het gepaard gaat met de directe betrokkenheid van een revolutionaire marxistische leiding; niet als het een oproep is om avonturistische delegaties uit te sturen die zich afsnijden van de massa van de arbeiders. Dergelijke oproepen lanceren zonder openlijk de leidingen aan te klagen die zich ertegen verzetten – het ene kan immers niet zonder het andere – is alsof men geduldig, de armen gekruist, de omvorming van “een algemene staking in een revolutionaire situatie” afwachtte. Dat komt neer op verwachten dat een mirakel uit de lucht zal vallen. Voor revolutionaire marxisten gaat het er politiek niet om te weten hoe “de algemene staking om te vormen in een revolutionaire situatie”, de vraag zelf is al slecht gesteld. Deze vraag werd al lang geleden beantwoord door Rosa Luxemburg, door Lenin “de vertegenwoordigster van het meest authentieke marxisme” genoemd, in ‘Massastaking, Partij en Vakbonden’: “In realiteit is het niet de massastaking die de revolutie teweegbrengt, het is de revolutie die de massastaking teweegbrengt.” (Rosa Luxemburg, ‘Massastaking, Partij en Vakbonden’, p. 57). Toen het socialistische La Gauche de oproep voor een Mars op Brussel opwierp zonder voor de arbeidersklasse van het land het probleem van de machtsovername te stellen, heeft ze blijk gegeven van een duidelijk politiek onbegrip van de betekenis en de interne logica van de algemene staking. “De algemene staking is door haar wezen zelf een politieke operatie. Ze confronteert de arbeidersklasse in haar geheel met de burgerlijke staat. De algemene staking stelt ronduit de vraag van de machtsovername door het proletariaat.” (Leon Trotski, ‘Où va la France’, p. 59). In alle omstandigheden en vooral op de meest intense momenten, moeten revolutionaire marxisten, zelfs als het om een kleine minderheidsgroep gaat, altijd moedig handelen om het revolutionaire proces vooruit te brengen. Zij die binnen de stalinistische of de reformistische sociaaldemocratie militeren en er een “entristische” tactiek toepassen, moeten de gelegenheid aangrijpen om te breken en zich te bevrijden van elke band met de tot overgave bereide arbeidersleidins r d e s r v s d r i a m v s mm a D lo lo lo an an dehinr dehinr dehinr n e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 243 gen. Weigeren om te breken op het juiste moment van de strijd, wanneer de grote massa’s concreet zien en er bewust van zijn dat ze door hun leidingen openlijk afgeremd, verraden en afgeleid worden van hun revolutionaire doelstellingen; dan niets doen, wachten, komt neer op zich vrijwillig gevangen laten zetten door al het verraad van de leidingen. Laat ons over het onderwerp van het verraad van de reformisten Trotski aan het woord laten in ‘De Communistische Internationale na Lenin’ (p. 5): “Het reformisme houdt steeds de mogelijkheid van verraad in. Maar dat betekent nog niet dat reformisme en verraad altijd en op elk moment identiek zijn. Er kunnen voorlopige akkoorden zijn met de reformisten wanneer zij een stap vooruit zetten. Wanneer ze echter worden afgeschrikt door de ontwikkeling van een beweging, dan verraden ze die. De gevormde coalitie met hen nog behouden, komt dan neer op het op criminele wijze tolereren van de verraders en het verraad verbergen.” Zowel de linkse als de rechtse reformisten hebben altijd gedacht dat de fundamenten van het kapitalistische regime zo goed als onwankelbaar zijn. Als ze die willen hervormen, blijft het steeds binnen het kader van het kapitalisme. Op dezelfde manier onderwerpen ze zich onvermijdelijk aan de ideeën en de moraal van de heersende klasse, de burgerij. Ze passen zich eraan aan als aan het lot. In ieder geval moet men steeds over de politieke durf beschikken om ze te bekritiseren en aan de kaak te stellen. Het is overigens niet toevallig dan de Belgische burgerij het uitbreken van de algemene staking aanklaagde als het werk van “een minderheid”, van een handvol “agitatoren, communistische leiders”. In dit geval was de burgerij scherpzinniger, bewuster van de rol die gespeeld werd door een minderheid in een klassenconflict dan de pseudomarxisten zelf, die niet begrepen of niet wilden begrijpen dat er iets fundamenteel revolutionair aanwezig was in de ondergrond van de algemene staking. Uitzonderlijke massabewegingen als de algemene staking vereisen altijd een oordeelkundige evaluatie van de aanwezige krachten. Men mag zich uiteraard nooit losknippen van de wil van massa’s die bewust zijn van de klasseninzet. Maar men moet niet uit het oog verliezen dat de arbeidersmassa’s in de winter van ’60-’61 een gewelddadige inval hebben gepleegd op de politieke scène, waarbij ze de conservatieve apparaten van de vakbonden en de partijen aan de kant drongen, vaak weliswaar onder de impuls van militanten of van militantengroepen van de minderheid. Teveel voorzichtigheid leidt tot de nederlaag. Laat ons kijken wat Lenin in april 1917 over de minderheid zei: “We zijn geen charlatans, we moeten ons enkel baseren op het bewustzijn van de massa’s. Zelfs als we in de minderheid moeten blijven, wel dan… moeten we er niet bang van zijn in de minderheid te zijn… We vervullen een taak van kritiek om de massa’s te bevrijden van de oplichterij… Onze lijn zal de juiste 244 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 blijken te zijn. Het is naar ons dat iedere onderdrukte zal komen… Er zal geen andere uitweg zijn voor hen.” Dit citaat over de minderheid spreekt boekdelen. In de sociale strijd, wanneer de situatie objectief rijp is, vereist ze tegelijkertijd stoutmoedigheid en voorzichtigheid. Niemand heeft echter ooit iets groots opgebouwd op basis van buitensporige voorzichtigheid want in de klassenstrijd is voorzichtigheid vaak eerder een rem dan een motor. Een te lange periode in de sociaaldemocratie blijven, ondanks verschillende gelegenheden om eruit te stappen met alle eer van de strijd, heeft tot gevolg gehad dat, uit voorzichtigheid, geen onafhankelijke revolutionaire politieke leiding werd ontwikkeld. Dat heeft uiteindelijk geleid tot tijdverlies en tot de uitsluiting van de socialistische linkerzijde door de BSP op één van de meest ongunstige momenten voor die linkerzijde. Revolutionaire marxisten moeten steeds goed beseffen dat het bewustzijn van de massa’s bliksemsnel ontwikkelt in het vuur van de actie van een algemene staking die een opstandige en revolutionaire periode opent. Het is dan dat een kleine partij, een kleine groep of een kleine minderheid van radicaal links, binnen de precieze omstandigheden van de strijd, zeer snel kan ontwikkelen tot een groep of een fractie met een beslissend gewicht. Uiteraard op voorwaarde dat ze de diepe wil van de massa’s in beweging uitdrukt, concrete actiemiddelen voor het geheel van de klasse formuleert en vooral deze uitvoert door er zelf haar ziel in te leggen. Om een kans te maken erin te slagen, is het ook onontbeerlijk op voorhand al in staat te zijn geweest het vertrouwen van de arbeiders te winnen door zelf openlijk en zonder kruiperij een strijd te hebben gevoerd tegen het patronaat en tegen de vakbondsleidingen die een remmende rol spelen. Is het nog nodig eraan te herinneren dat in februari 1917 de Bolsjewistische Partij slechts enkele duizenden leden kenden op een bevolking van 170.000 miljoen inwoners (De Verraden Revolutie, p. 238). In juli 1917 is die partij enkel aanwezig in de vorm van een “onbelangrijke handvol demagogen”. Op enkele maanden tijd, zag de partij haar lidmaatschap exploderen. Die onweerstaanbare opgang van de Bolsjewieken bereikt uiteindelijk een hoogtepunt in de opstand en de machtsovername in oktober 1917. Het is waar dat we deze analyse over de rol van minderheden in de arbeidersstrijd nog kunnen voortzetten. Het is echter ook waar dat het niet gemakkelijk is militanten te overtuigen wiens politiek bewustzijn daar eindigt waar de kwestie voor de revolutionaire marxisten nog maar begint. Het is alsof men iemand met een ongeneeslijk geheugenverlies wil overtuigen. Om te eindigen over de rol van minderheden in de algemene staking en de mogelijkheden om “een algemene staking om te vormen in een revolutionaire situatie”, wil ik een uitspraak van L. Trotski citeren, daterend van begin 1938 en overgenomen in het Overgangsprogramma van de Vierde Internationale (p. 4): s r d e s r v s d r i a m v s mm a D lo lo lo an an dehinr dehinr dehinr n e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt 245 “Al het gepraat, dat de historische voorwaarden voor het socialisme nog “niet rijp” zouden zijn, is slechts een product van onwetendheid of van bewust bedrog. De objectieve voorwaarden voor de proletarische revolutie zijn niet slechts “rijp”, maar zijn al aan het rotten. Zonder sociale revolutie en wel in de eerstvolgende historische periode, wordt de hele menselijke beschaving met een catastrofe bedreigd. Alles hangt af van het proletariaat, d.w.z. in de eerste plaats van haar revolutionaire voorhoede. De historische crisis van de mensheid is terug te voeren op de crisis van de revolutionaire leiding.” 246 XIII Na de algemene staking, de strijd gaat verder Na de algemene staking was de steun voor de trotskistische militanten die van bij het begin van het conflict actief waren aanzienlijk toegenomen. Ze kregen een groter gehoor onder de werkmakkers en onder de arbeiders met wie ze actief waren in de strijd. Maar uiteraard waren de meningsverschillen en de kritieken tegenover de leiders van de reformistische apparaten van het ABVV en de BSP eveneens groter geworden. De meningsverschillen met bepaalde sympathisanten van La Gauche die doorgaans akkoord bleven gaan met de reformistische leiders, en dat ondanks het mislukken van de algemene staking, werden eveneens groter. Dat gebeurde in die mate dat vlak voor januari 1965 op een algemene vergadering van het personeel van de glassector in Lodelinsart, Arthur Henry, sympathisant van La Gauche en hoofddelegee van het ABVV in Glaverbel in Gilly, publiek tussenkwam om aan de ABVV-leiding te tonen dat hij geen enkele banden had met de trotskistische fractie van de PORT. Hij vroeg er aan een trotskistische kameraad (die algemeen gekend was omdat hij verantwoordelijke uitgever was van de pamfletten die de fractie verdeelde) om niet langer pamfletten uit te delen in naam van “een groep trotskistische arbeiders in de glassector.” De delegee eiste verder dat de trotskistische kameraad de namen van de arbeiders die deel uitmaakten van deze fractie publiek bekend zou maken. De kameraad weigerde dat uiteraard. Arthur Henry dacht dat hij een goede methode had gevonden om de revolutionaire trotskistische groep aan te pakken. Deze groep was vervelend voor de syndicale leiding alsook voor de patroons. Arthur Henry had voor en tijdens de staking van 60-61 al kant gekozen, de kant van het reformistische vakbondsapparaat dat hij vertegenwoordigde in de fabriek. Vandaag zien we nog steeds hoe militanten en delegees die beweren links te zijn, soms methoden gebruiken die de vakbond onwaardig zijn om in te gaan tegen revolutionaire trotskistische militanten die binnen de vakbond actief zijn. Sommigen zullen misschien twijfelen aan het waarheidsgehalte van wat hierboven staat geschreven, maar het volstaat om de lezer het editoriaal voor te stellen van het Bulletin n° 3 van Nouvelle Défense, januari 1965 (een uitgave van een strekking die beweerde de glasarbeiders te vertegenwoordigen) om de versie hierboven bevestigd te zien. De lezer heeft recht op de waarheid. Daarom hier een uittreksel: “Informatiebulletin van de glasarbeiders in België. “De emancipatie van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn s s d d g s a s d d v a g s v s a N e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt , e e dijrt dijrt at at der der 247 “Het redactiecomité van “Nouvelle Défense” wenst haar lezers een gelukkig 1965 toe en vooral een vruchtbaar jaar op het vlak van overwinningen voor de arbeiders. Editoriaal. “Er is onduidelijkheid bij heel wat kameraden: is Nouvelle Défense een uitgave van de Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste? Neen. “We moeten er aan herinneren dat de publicatie van dit pamflet werd beslist op een vergadering in de fabriek van Gilly. We moeten er ook aan herinneren wat het doel van “Nouvelle Défense” is: onze kameraden laten voelen en begrijpen welke rol ze moeten spelen in hun syndicale organisatie om degelijke resultaten te bereiken in de aanhoudende klassenstrijd tussen ons en het patronaat. “We zijn als groep geen onderdeel van een partij. Het redactiecomité heeft unaniem ingestemd met een punt van de statuten waarin het kameraden van alle politieke standpunten in haar rangen aanvaardt. “We kunnen nog zeggen dat er tot op vandaag niemand van ons lid is van de PORT. Het gerucht dat een van onze bulletins werd ondertekend door een groep van trotskisten, is verkeerd. Herlees maar eens de twee exemplaren die al zijn verschenen. “Op de laatste algemene vergadering heeft een kameraad van het comité [bedoeld wordt Arthur Henry, hoofddelegee bij Glaverbel Gilly] aan een trotskist gevraagd om de pamfletten van zijn organisatie niet meer te ondertekenen met “groep van trotskisten” zodat duidelijk zou zijn dat onze groep niets met de PORT te maken heeft.” Een aantal kameraden zullen ons misschien tot op vandaag opwerpen dat deze delegee vanuit goede voornemens vertrok. We moeten hen vandaag net als gisteren antwoorden dat de weg naar de hel geplaveid is met goede voornemens. Het is uiteindelijk in de politieke en syndicale strijd dat een oordeel over daden kan worden geveld in de plaats van over goede of slechte voornemens. Is het noodzakelijk om eraan te herinneren dat Nouvelle Défense werd opgezet op initiatief van de syndicale delegatie van Glaverbel Gilly waar Arthur Henry hoofddelegee was en dat dit gebeurde met het stilzwijgende akkoord van de vakbondsleiding die op deze manier hoopte dat er een antwoord kwam op de trotskistische fractie in de glassector die een zeker gehoor had gevonden omdat enkele militanten een beslissende rol hadden gespeeld in de spontane staking in de glassector in de algemene staking van 1960-61? 248 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Bij de spontane stakingen op 20 december 1960 in de regio Charleroi wordt vaak, en terecht, verwezen naar de strijdbare metaalarbeiders van ACEC. Maar de strijdbaarheid van de arbeiders in de glassector wordt soms over het hoofd gezien of onderschat. Het is dan ook belangrijk om deze te benadrukken. In de glassector wordt gewerkt met ovens en dat maakt het moeilijker om spontaan in staking te gaan. Maar ondanks die moeilijkheid, werd niet geaarzeld en gingen de glasarbeiders spontaan en vastberaden in staking. Een historische algemene staking Deze algemene staking was een belangrijke en unieke beweging in de geschiedenis van de Belgische arbeidersklasse. De staking werd gekenmerkt door zijn omvang, werd onvergetelijk door zijn duur, creëerde een enorm enthousiasme en was historisch in haar doelstellingen. Voor de bevolking in het algemeen en ook voor bepaalde delen van de arbeidersklasse kwam die grote beweging van de algemene staking van de winter van 1960-61 als een revelatie. Het toonde hen op een hoog niveau de strijdbaarheid van de arbeiders in dit land. Voorheen werd soms gezegd dat die arbeiders “verburgerlijkt” waren, ze waren sceptisch, onverschillig en enkel bezig met het aankopen van een televisie, moto, auto of frigo. Dat was het beeld over de arbeidersklasse dat ons werd opgedrongen. Een arbeidersklasse die niet in staat was om nog langdurige strijd te leveren. Vandaag willen sommige sceptici ons eens te meer laten geloven dat de arbeidersklasse niet meer in staat is om een strijd van de omvang van de algemene staking van 60-61 te leveren. Er wordt opnieuw gezegd dat de arbeidersklasse zich vrijwillig heeft onderworpen aan de reformistische sociaal-democratie en dat er geen klassenbewustzijn meer is. Het gaat echter niet over onderwerping, het belangrijkste is een kwestie van eenheid. Zelfs achter de traditionele stemmen voor de socialistische partijen gaat een wil uit van arbeiders en armen om verenigd te blijven tegenover de burgerij. Deze politieke houding zal in stand blijven zolang er geen andere arbeiderspartij is die zich baseert op de voorhoede met een anti-kapitalistisch programma en die het vertrouwen en de steun van de volledige arbeidersklasse verwerft in de strijd voor haar bevrijding. Als gevolg van de verschillende strijdbewegingen van de afgelopen jaren en de gewijzigde objectieve historische voorwaarden, zijn er vandaag steeds meer mogelijkheden voor radicale verandering, ook op electoraal vlak. De leiding van de strekking van La Gauche was ertoe geneigd om de verdienste van de algemene staking toe te schrijven aan hun propaganda en aan het programma van structuurhervormingen dat door het ABVV naar voor werd gebracht. De propaganda van de volledige arbeidersbeweging heeft zeker een rol gespeeld in de strijd, maar de spontane reactie van de arbeiders kwam er toch vooral na de teleurstellende beslissing tot uitstel die werd genomen door het Nationaal Comité van het ABVV en dat terwijl het asociale programma van de regering wel bijzonder s s d d g s a s d d v a g s v s a N e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt , e e dijrt dijrt at at der der 249 ver ging. Het klasseninstinct en de woede van de arbeiders vormden de basis voor dit conflict. De “Operatie Waarheid” van de BSP ging nooit verder dan een informatiecampagne, ook al werd de campagne een uitdrukking van een gevoeligheid onder brede lagen van de arbeiders. Het was echter nooit een beslissend element. De linkse socialistische leiders maar ook de communistische leiders hadden de beweging niet voorzien. Zij hebben uiteindelijk de evenementen ondergaan. Enkelen van hen waren mogelijk minder verrast dan anderen. Maar mits enkele uitzonderingen werden ze allemaal verrast door de spontane stakingen die zich als een olievlek verspreidden doorheen het land. Als de productiemiddelen in kapitalistische handen blijven, dan weten we dat er geen andere optie is voor deze samenleving dan steeds opeenvolgende crises. Deze samenleving is dan veroordeeld tot miserie, bedrijfssluitingen, massale afdankingen,… In tegenstelling tot het begin van de vorige eeuw zijn het nu niet de arbeiders die onder druk van de verschrikkelijke arbeidsomstandigheden de machines kapot slaan. Het zijn de patroons die zelf niet enkel de machines vernietigen, maar volledige productiesectoren kapot maken. Deze kapitalistische decadentie leidt tot de verarming van de arbeidersklasse. Armoede en miserie kennen een opmars en dat in alle kapitalistische landen. De grote bedrijven en multinationals zijn in hun constante zoektocht naar winstmaximalisatie verantwoordelijk voor de economische neergang die tot miserie leidt. Dat is eigen aan het kapitalistische regime. Jean Jaurès stelde al: “Het kapitalisme draagt miserie in zich, zoals wolken regen in zich dragen.” Drie glasarbeiders afgedankt na de algemene staking Na de algemene staking werden er in de glassector drie arbeiders afgedankt wegens “stakingsfeiten”. Dat was nooit gezien. Het ging om de kameraden Marcel Ovart en Arthur Otte, arbeiders in Glaverbel Gilly en beiden syndicale militanten die actief waren bij La Gauche. Ze waren respectief vice-voorzitter en penningmeester van de federatie Charleroi van de SJW. Zij lagen mee aan de basis van de spontane staking van 20 december 1960 in Glaverbel Gilly en dat tegen het standpunt van de ABVV-hoofddelegee in. Die hoofddelegee was Arthur Henry. Hij verzette zich tegen de staking en wachtte voorzichtig op ordewoorden van de regionale vakbondsleiding. Na de ontslagen reageerde Marcel Ovart met een artikel in La Gauche van 18 februari 1961 waarin hij de willekeurige ontslagen wegens stakingsfeiten veroordeelde. Hij had het ook over de medeplichtigheid van de syndicale delegatie van Glaverbel Gilly waar we eerder in dit boek al op wezen. De syndicale delegatie van Glaverbel Gilly reageerde met een recht van antwoord dat op 11 maart 1961 in La Gauche verscheen. Daarin werd geprobeerd om de passieve houding te rechtvaardigen. Er werd bevestigd dat “de leiding van de delegatie de belangen van de arbeiders van de glassector zo goed mogelijk probeert te verdedigen” en dat ze betreurde 250 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 dat “La Gauche ruimte biedt om zonder enige voorafgaande verificatie eerlijke basismilitanten te discrediteren”. De delegatie stelde “resoluut in te gaan tegen de onjuistheden en leugenachtige beweringen tegenover de syndicale delegatie van de glasfabriek in Gilly.” Deze delegatie stelde dat het personeel van de koude fase op een algemene personeelsvergadering op 20 februari 1961 unaniem deze rechtzetting had ondersteund. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat er door de arbeidsverdeling in de glassector slechts weinig arbeiders in Gilly waren op dit ogenblik en dat de meeste arbeiders overgeplaatst waren naar andere fabrieken in Barnum en Gobbe. Om de lezer zelf te laten oordelen, publiceren we hierbij een vertaling van het tweede artikel dat Marcel Ovart op 11 maart 1961 publiceerde in de lezersrubriek van La Gauche. Hij schreef: “Sta me toe om mijn verbazing te uiten over het feit dat deze rechtzetting naar verluidt zou gestemd zijn door het personeel van de glasfabriek van Gilly (discipline). Als verantwoordelijke voor het betwiste artikel dat werd besproken en zeker als personeelslid van de glasfabriek van Gilly en als slachtoffer van de patronale repressie, lijkt het me logisch dat ik ook zou uitgenodigd zijn voor een dergelijke personeelsvergadering om daar voor de arbeiders in kwestie de inhoud van mijn artikel toe te lichten. “De rechtzetting werd bediscussieerd en aangenomen door een kleine minderheid van het personeel, overigens vooral arbeiders die tijdens de staking hebben doorgewerkt om de machines niet in gevaar te brengen. De overgrote meerderheid van het personeel was immers overgeplaatst naar andere fabrieken en kon hierdoor niet deelnemen aan de discussie. “We zijn oprecht bezorgd om de eenheid en het prestige van de vakbond te verdedigen alsook om de arbeidersdemocratie te verdedigen. Daarom nodigen we de arbeiders van het bedrijf uit om actief deel te nemen aan de discussie, dat zou in de eerste plaats het geval moeten zijn met de slachtoffers die als eersten betrokken zijn. “De auteur van de rechtzetting houdt het voorzichtig op enkele algemene bevestigingen die gemakkelijk kunnen worden gemaakt. Er wordt vermeden om gedetailleerd te antwoorden op de elementen die naar voor werden gebracht, meer bepaald: “1. Op de vergadering van 18 februari over het heropstarten van de fabriek werd een lijst opgemaakt van de arbeiders die eerst moesten worden betrokken bij het heropstarten. Toen die betrokken arbeiders zich de volgende dag aanmeldden op de werkvloer, werd een grote meerderheid van hen de toegang tot het bedrijf ontzegd door de directie. Tijdens de vergadering die hierop volgde, bevestigde de vakbondsverantwoordelijke dat hij werd verwittigd door de delegatie dat het werk onmiddellijk zou worden neergelegd indien de aangeduide arbeiders niet gezamenlijk het werk konden hervatten en als er gelijk welke s s d d g s a s d d v a g s v s a N e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt , e e dijrt dijrt at at der der 251 sancties zouden worden genomen door het patronaat. In Gilly was dit niet de koers van de hoofddelegee (niemand anders dan Arthur Henry). Hij liet de gesanctioneerde arbeiders aan hun lot over en stelde in eigen naam een nieuwe lijst op die tegemoet kwam aan wat het patronaat wenste. Deze delegee probeerde zich vervolgens te rechtvaardigen door te stellen dat op zijn lijst die arbeiders stonden die het dichtste bij de fabriek woonden, wat overigens niet correct was; “2. De delegee van de verpakkers was democratisch aangesteld tijdens een bijzondere personeelsvergadering van de verpakkers in de fabriek en hij was ook delegee in het comité veiligheid en hygiëne, en daarom ook aangeduid om van bij het begin van de heropstart aanwezig te zijn. Deze delegee zag zich eveneens de toegang tot de fabriek ontzegd op patronaal bevel. Hij werd bovendien uit zijn functie van delegee gezet en vervangen door een vroegere delegee die had afgehaakt. Het patronaat stelt dat het hierbij in volledig akkoord met de syndicale delegatie is opgetreden, dat werd bevestigd in de brief van de directie aan deze kameraad naar aanleiding van de actie die hij ondernam om zijn re-integratie in het bedrijf te bekomen op basis van de wet die de delegees beschermt. “Met betrekking tot het “bedekt houden van de dubbelzinnige houding van andere hoog geplaatste leiders”, weet ik niet wat de auteur van de rechtzetting exact bedoelt. Maar ik denk dat het moediger en eerlijker zou zijn – en het zou de arbeidersbeweging alleszins ten goede komen - indien hij de verantwoordelijkheid zou nemen om ander misbruik waarvan hij blijkbaar op de hoogte is effectief bekend te maken en aan te klagen. Ongetwijfeld zal hij daarbij de steun van alle arbeiders krijgen, en de mijne zeker.” (La Gauche 11 maart 1961) Zelf ging ik bij het algemene hervatten van het werk net als de andere arbeiders opnieuw aan de slag. Een deel van de syndicale delegatie in Gobbe stond zeker niet vijandig tegenover de acties die we hadden gevoerd, zowel bij het uitbreken van de staking als tijdens de rest van het conflict. Jammer genoeg moest ik na enkele weken al het werk onderbreken wegens ziekte. Dat was in februari 1961. Het was pas in 1963, na 21 maanden afwezigheid wegens ziekte, dat ik het werk volledig kon hervatten. Ik denk dat de patroons verbaasd waren dat ik opnieuw kwam werken. Ik had de verantwoordelijke van de bureau op vrijdagavond verwittigd, net voor het einde van de werkdag. Ik was erg voorzichtig zodat de directie van Gobbe niet de tijd had om negatief te reageren. Maar hierop kwam de voorzitter van de vakbond, Liévin Dufrane, tussen om mijn aanwezigheid op de werkvloer te verhinderen op maandagochtend. Hij reageerde waardoor ik het werk niet kon hervatten. Hij wilde me bovendien een document laten ondertekenen waarin ik me ertoe engageerde alle richtlijnen van de vakbond te respecteren. Ik had daar op zich geen probleem mee, maar het document bevatte in het midden van de tekst een groot wit vlak. Ik weigerde dan ook om te tekenen. Ofwel werd het document 252 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 aangepast en verdween de witte ruimte, ofwel tekende ik niet. De vakbondsleider weigerde het document aan te passen. Ik hernam het werk ondanks de tegenstand van de ABVV-voorzitter van de glassector in de regio Charleroi. Ik verliet het kantoor van de vakbondsvoorzitter om terug naar mijn werkplaats te gaan. In die tussentijd kreeg de syndicale delegatie het telefonisch bevel om mijn werkhervatting te verhinderen. Gelukkig zat er in de delegatie een oude trotskistische sympathisant, de kameraad Victor Falise. Hij was delegee en kwam energiek tussen: “Gustave heeft het recht om te werken. Hij heeft altijd de rechten en de belangen van de arbeiders verdedigd.” Dat was de basis waarop ik kon verder werken. Korte tijd nadien zorgde de aankondiging van de sluiting van de glasfabriek van Gobbe voor heel wat onrust. Het leidde tot mobilisatie onder de arbeiders die het niet eens waren met de afdankingen. De arbeiders wilden de activiteiten van de fabriek verder zetten ofwel het volledige personeel in andere vestigingen en fabrieken ondergebracht zien waarbij alle rechten en sociale verworvenheden behouden bleven. Om eventuele acties meteen te vermijden, kondigden de patroons van Gobbe en Glaverbel aan dat het personeel zou overgeplaatst worden naar andere fabrieken van Glaverbel in Gilly en Barnum. De oven in Gobbe werd stopgezet terwijl de oven in Barnum opnieuw werd opgestart. Enkele maanden nadat de glasfabriek van Gobbe sloot en volledig opging in Glaverbel, werd ik overgeplaatst naar Barnum. De patroon daar verbood me de toegang tot de fabriek. Toen de arbeiders dit hoorden, werd direct tot actie overgegaan. Het werk werd neergelegd. Maar er was heel wat werkloosheid, wat voorheen nooit was voorgevallen. Een fabriek van 4750 arbeiders, Gobbe, sloot definitief de deuren. Glaverbel Gilly lag plat voor herstelwerken aan de oven en het tijdelijke personeel was enkel actief in de enige overblijvende glasfabriek, Barnum. In die omstandigheden was het moeilijk om een staking van langere duur te organiseren. Het probleem van mijn ontslag kwam voor de nationale paritaire commissie van de glassector. Daar werd mijn ontslag toegelicht door de vakbondsvoorzitter Liévin Dufrane, met wie ik eerder problemen en meningsverschillen had op syndicale vergaderingen en op de werkvloer. Hij zou me dus moeten verdedigen, ik had geen keuze op dat vlak. De paritaire vergadering eindigde met een “proces verbaal van niet-verzoening”. De patroons stelden dat ze het recht hadden “om gelijk welke arbeider af te danken, net zoals een arbeider het recht heeft om het bedrijf te verlaten als hij dat wenst.” Het patronaat wilde een ontslag omdat de betrokken arbeider een syndicale agitator was en het patronaat wilde hem niet. Het proces-verbaal van niet-verzoening kwam het syndicale apparaat en Liévin Dufrane in het bijzonder goed uit. Hij was er samen met het patronaat in geslaagd om een derde syndicale militant van de trotskistische fractie aan de kant te schuiven. Tijdens de onderhandelingen had ik voorgesteld om de kwestie van de drie ontslagen opnieuw aan de arbeiders voor te leggen eens de fabriek van Gilly terug draaide en er twee glasfabrieken op volle capaciteit zouden draaien. De voorzitter s s d d g s a s d d v a g s v s a N e e eglmn eglmn agiknt agiknt agiknt agiknt , e e dijrt dijrt at at der der 253 ging daar mondeling mee akkoord. Maar ik wist op voorhand dat ik niet op de belofte van een rechtse vakbondsbureaucraat moest rekenen, hij kwam de belofte overigens niet na. De patroons slaagden er met de medeplichtigheid van het syndicale apparaat in om tegen de achtergrond van moeilijke en uitzonderlijke omstandigheden voor de arbeiders met een belangrijke werkloosheid, een derde trotskistische militant af te danken. Gustave Dache was eveneens verbonden met de PORT en het pamflet dat door trotskistische glasarbeiders werd verdeeld. Alle drie de arbeiders werden wegens stakingsfeiten afgedankt. Dat gebeurde nooit eerder in de glassector, maar het patronaat zou er een precedent van maken. Ernest Glinne, die later minister van arbeid zou worden en fractieleider van de BSP in het Europees parlement, schreef een artikel in La Gauche op 28 januari 1961 waarin hij verwees naar de sancties en de ontslagen: “De sancties wegens stakingsfeiten (al dan niet reëel of ingebeeld) die werden genomen na de werkhervatting in de glasfabrieken van Gilly en in andere bedrijven, maken eens te meer duidelijk wat het patronaat verstaat onder de vrijheid van arbeid.” De leiding van de syndicale delegatie van het ABVV in Gilly kon eens te meer “betreuren dat La Gauche plaats bood aan verklaringen die niet voorafgaand werden nagetrokken.” Ernest Glinne veroordeelde immers dezelfde sancties en afdankingen wegens stakingsfeiten als de hierboven aangehaalde trotskistische militanten. De basismilitanten van La Gauche en andere militanten die deelnamen aan de spontane strijd van de arbeidersklasse ondanks het afremmen door aanvankelijk een meerderheid van de ABVV-leiders, ondergingen tijdens en na de algemene staking heel wat repressie. Daaronder viel jammer genoeg ook repressie vanwege vakbondsleiders die ontdaan waren van ieder klassenbewustzijn en die zich welwillend opstelden tegenover het patronaat in de plaats van tegenover de arbeiders. De conclusie is dat de arbeiders willekeurig werden afgedankt wegens stakingsfeiten, terwijl ze enkel deden wat hun plicht was tegenover hun klasse en dit los van de eventuele risico’s die daarmee waren verbonden. Het lijkt me totaal onaanvaardbaar dat de syndicale delegatie van Gilly en het volledige syndicale apparaat van de glassector daarbij medeplichtig was voor de acties van het patronaat. Ik laat het aan de lezer over om daar een oordeel over te vellen. Het was overigens niet de laatste keer dat het syndicale apparaat in de glassector en de syndicale delegatie van Gilly met het patronaat meewerkten bij ontslagen. Eind 1964 werd nog een arbeider, een jongerendelegee, afgedankt. We publiceren in dit boek de volledige tekst van het pamflet van de trotskistische fractie naar aanleiding van dit ontslag. Het was overigens niet enkel in de glassector dat tegen de militanten van de PORT werd opgetreden. Dit gebeurde ook bij het metaalbedrijf Hanrez in Monceau-sur-Sambre waar kameraad René Andersen, lid van de PORT, ook een 254 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 trotskistische bedrijfsafdeling had opgezet. Hij zou kandidaat zijn op de ABVV-lijsten bij de volgende sociale verkiezingen. Het was voor iedereen in de fabriek duidelijk dat hij als delegee zou worden verkozen. De hoofddelegee, Larindois, en de algemene secretaris van de metaalwerkers, Ernest Davister, wilden dat niet. Het patronaat wilde ook geen trotskistische militant als delegee. Die zou immers op de actiebereidheid van de arbeiders kunnen inspelen. Daarom werd Andersen op willekeurige wijze afgedankt nog voor er sociale verkiezingen plaatsvonden. Er volgde een lange staking van zes weken. Het regionale apparaat van het ABVV weigerde de beweging uit te breiden en de solidariteit te organiseren in de andere metaalbedrijven in Charleroi. Ze gaven er de voorkeur aan om te onderhandelen en dat leverde uiteindelijk niets op. Ook hier was de wil bij de leiding van het ABVV en het ACV niet aanwezig om een re-integratie af te dwingen. Pamflet van de trotskistische arbeiders in de glassector 256 XIV De stichting van de Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste (PORT) De ontgoocheling als gevolg van het mislukken van de algemene staking, de teleurstelling over de entristische politiek die enkel had geleid tot een zekere invloed op de socialistische linkerzijde en een beperkte invloed op het verloop van het revolutionaire proces dat de algemene staking vereiste, de volgzame opstelling van de pseudo-marxisten van La Gauche die Renard achterna liepen omdat ze te sterk in de BSP waren geïntegreerd. Dat waren allemaal elementen die het verzet tegen het entrisme en de volgzame opstelling versterkten. Die posities werden in vraag gesteld door een aantal militanten en hierop was een politieke scheiding onvermijdelijk. Er werd gegaan voor een publieke werking van het trotskisme dat ondersteund werd door een belangrijk aantal trotskistische veteranen in Charleroi die daarin dan weer werden bijgetreden door verschillende jonge militanten uit de arbeidersbeweging met functies in de nationale en regionale leidingen van de SJW en het ABVV. Na ‘de staking van de eeuw’ en na een gedetailleerde analyse van de politiek van het entrisme, kwam onze tendens tijdens en na de staking tot de conclusie dat de revolutionaire strijd het beste kon worden verder gezet op een onafhankelijke wijze. Het was noodzakelijk om een revolutionaire marxistische politieke partij te vestigen die nooit haar onafhankelijke politieke activiteit zou opgeven. Naast de meningsverschillen die al langer bestonden tussen onze syndicale activiteit enerzijds, waarmee we onvermoeibaar ingingen tegen de bureaucratische praktijken van de reformistische syndicale leidingen, en anderzijds de posities van Ernest Mandel die steeds voorzichtigheid bepleitte en minder inging tegen het apparaat, was het vooral de politiek van Mandel tijdens de opstandige en revolutionaire algemene staking van ‘60-‘61 die ervoor zorgde dat de meningsverschillen werden verdiept tot op een punt dat het voor onze tendens niet langer mogelijk was om aan entrisme in de BSP te doen. Daar was er geen ander politiek perspectief dan zich aanpassen aan de discipline en doen alsof er geen algemene staking was geweest. Het entrisme had al haar beperkingen en haar falen aangetoond. Onze tendens wou niet langer gegijzeld worden door de capitulatiepolitiek van de BSP. Onze vaststelling over het falen van het entrisme betekende dat we moesten breken met die partij die eens te meer openlijk verraad had gepleegd aan de arbeiders. Onze groep was er zich bewust van dat de heroprichting van een trotskistische afdeling in België geen gemakkelijke opdracht was. De periode die aanbrak, was bovendien niet gunstig aangezien we uit een algemene staking kwamen die niet tot een overwinning had geleid. We waren er ons echter van bewust dat we met onze politieke analyse onze verantwoordelijkheden moesten s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 257 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) opnemen tegenover die nieuwe politieke situatie en dat we ons daarbij ook konden baseren op de nieuwe mogelijkheden die zich hadden aangeboden door de opstandige en revolutionaire algemene staking. In dezelfde periode waren er politieke meningsverschillen tussen het Latijns-Amerikaanse Bureau en de Europese leiding van de Internationale, meer bepaald over de ‘koloniale revolutie’, de steun aan China en de weigering om in de Internationale rekening te houden met het numerieke gewicht van de Latijns-Amerikaanse afdelingen. Die meningsverschillen leidden tot een definitieve breuk in 1962. Het Latijns-Amerikaanse Bureau splitste zich af van de meerderheid van het Europese Secretariaat van de Vierde Internationale. De interne crisis bij de leiding van de Vierde Internationale had ertoe geleid dat het zesde wereldcongres besliste om een meerderheid uit de neokoloniale wereld in de leiding op te nemen. De liquidatoren die de leiding in handen hadden, hielden echter geen rekening met die resolutie van het zesde wereldcongres. Ze ondernamen geen enkele ernstige poging om die nieuwe koloniale meerderheid te integreren en uiteindelijk beslisten ze de bestaande leiding gewoon te behouden. De koloniale afdelingen bleven in de kou staan en de resolutie van het zesde wereldcongres waarin een ‘goede’ vertegenwoordiging van de koloniale afdelingen in de volgende leiding werd beloofd, werd niet nagekomen. Geconfronteerd met die conservatieve politieke houding van een leiding die slechts over een minderheid beschikte en met de groeiende meningsverschillen rond fundamentele politieke problemen in de wereld, kwam het uiteindelijk tot een breuk. Het Latijns-Amerikaanse Bureau (LAB) brak met de liquidatoren en riep op tot de heropbouw van de Internationale in Europa en de andere delen van de wereld. Het LAB wou de revolutionaire continuïteit van de Vierde Internationale voortzetten. In de praktijk werd de leiding van de Internationale gedurende een lange periode lam gelegd door een minderheid. Er werd op een bepaald ogenblik zelfs beslist om het LAB te ontbinden. Dat was de meest kritische groep, het meest levendige en actieve deel van de Internationale. Enkele leden van het Internationaal Uitvoerend Bureau (IUB) werden geschorst: Louis, Ortiz, Lucero en Miranda. Dat was een duidelijke uitdrukking van de politiek van liquidatie van de leiding. Diezelfde liquidatoren bleven zich na hun capitulatie in de algemene staking van 1960-1961 zien als de enige vertegenwoordigers van de Belgische afdeling van de Vierde Internationale, alsof ze een soort testamentaire erfgenaam van het trotskisme en van het Overgangsprogramma van de Vierde Internationale waren. Op het zesde wereldcongres was er een meningsverschil tussen het LAB en de conservatieve leiding over het bolsjewistische partijconcept. De publieke opbouw van de afdelingen van de Internationale in Europa, Azië, Afrika en overal ter wereld, was steeds een centrale taak voor de trotskistische beweging. Als de massa’s in strijd gaan, zoeken ze en voelen ze in hun acties de noodzaak van een revolutionaire marxistische partij om de strijd op een onbezoedelde wijze aan te gaan. 258 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Als bij toeval vroeg Georges Vereeken in 1962 om opnieuw actief te mogen worden in de afdeling die onder leiding van Mandel stond. Vereeken was taxichauffeur in Brussel en wilde actief worden in de afdeling om niet geïsoleerd te staan. Hij was het eerder al niet eens met het entrisme dat vooral door Mandel werd voorgesteld. Hij was het nog minder eens met de mandelistische analyse van het renardisme. Hij meende terecht dat het entrisme en de steun aan Renard de arbeidersbeweging enkel naar een impasse kon leiden. Voor een deel van de trotskistische strekking die geabsorbeerd was door het entrisme zonder revolutionaire perspectieven, was er een uitgelezen kans om een aantal arbeiders en intellectuelen de mogelijkheid van een politieke en syndicale carrière in de sociaal-democratie en het ABVV te laten uitbouwen. Op het ogenblik dat de groep van trotskisten in Charleroi discussieerde over het publiek herlanceren van een trotskistische partij in België en toen deze discussie al ver gevorderd was, vroeg Georges Vereeken om een discussie met mij. De ontmoeting zou plaatsvinden in Brussel in aanwezigheid van enkele militanten. Het werd een korte discussie. Vereeken was tegen een publieke opbouw van een trotskistische afdeling in België, net zoals Mandel daar tegen was. Vereeken had zich recent opnieuw bij Mandel aangesloten. Hij stelde dat er onvoldoende materiaal aanwezig was om een Belgische afdeling te vestigen. Dat was zijn mening en we respecteerden dit, maar we antwoordden hem meteen dat hij een inschattingsfout maakte en we verwezen naar het voorbeeld van Trotski die, indien het enkel van de aanwezige middelen afhing, nooit zou zijn overgegaan tot het oprichten van de Linkse Oppositie en vervolgens van de Vierde Internationale. We begrepen dat de discussie met Vereeken een nieuwe poging van de mandelisten was om onze poging tot de opbouw van een openlijke trotskistische partij te verhinderen. Het volstaat niet om een correcte politieke analyse te maken over het falen van het entrisme en om het renardisme te veroordelen. We moeten vervolgens consequent zijn met deze analyse en de verantwoordelijkheden die zich aandienen effectief opnemen, los van de moeilijkheden die daarmee gepaard gaan. Het slagen van dit project is niet louter afhankelijk van de wil van enkele individuen, het hangt samen met de objectieve omstandigheden en meer bepaald de situatie onder de arbeiders zelf, alsook van de nationale en internationale politieke standpunten die de partij naar voren brengt bij de arbeiders. De algemene staking die net voorbij was, had op een sterke manier aangetoond dat de objectieve voorwaarden voor de ontwikkeling van ieder revolutionair initiatief rijp waren. Het gesprek met Vereeken was niet de enige politieke poging die er op gericht was om ons project af te schieten. Als bij toeval werd ik op het ogenblik dat de discussies in hun eindfase zaten door het Nationaal Bureau van de SJW afgevaardigd om deel te nemen aan de conferentie van de wereldjongerenorganisatie, de WAY, in Denemarken. Het was de eerste keer dat ik met het vliegtuig zou reizen. Vandaag is een vliegtuig een bijna banaal gegeven voor veel mensen, maar in 1962 was het uitzonderlijk dat een arbeider het vliegtuig nam. s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 259 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) Na die reis en na enige tijd, toen onze politieke bedoelingen duidelijker waren geworden, vroeg ik me af of die aanstelling om naar Denemarken te gaan geen poging tot politieke recuperatie was om me van het ingeslagen pad af te brengen. Ik werd vervolgens voorgesteld om algemeen-secretaris van de SJW te worden als nationale voltijdse activist ter vervanging van Gilbert Clajot die vertrok omdat hij de statutaire maximumleeftijd had bereikt. Ik was uiteraard vereerd door dat voorstel, maar mijn eerste vraag was: “Als ik deze functie als nationaal vrijgestelde van de SJW aanvaard, wat zal dan mijn situatie zijn eens ik de leeftijdsgrens bereik?” Er werd me gezegd dat ik dan wel een postje kon krijgen als vrijgestelde van het ABVV. Dat voorstel heb ik afgewezen omdat het niet paste in mijn beeld van en mijn betrokkenheid bij de klassenstrijd. Deelnemen aan het reformistische apparaat van het ABVV waar ik steeds tegen had gestreden omwille van haar reformisme en haar gebrek aan klassenstrijd, om vervolgens te buigen voor dat apparaat en een volgzaam syndicaal personeelslid te worden, was niet bepaald wat ik zelf voor ogen had. Toen ik weigerde, wilde Emile Van Ceulen me zien. Ongetwijfeld wilde hij me overtuigen om alsnog de positie van algemeen-secretaris van de SJW op te nemen. Maar aangezien ik niet van plan was om op mijn beslissing terug te komen, ben ik Van Ceulen niet gaan opzoeken. De trotskistische militanten die steeds trouw hebben gestreden voor een revolutionair marxistisch programma, op basis van het Overgangsprogramma van de Vierde Internationale, hebben steeds op verschillende fronten tegelijk moeten strijden: tegen het patronaat en de burgerij, maar ook tegen linkse en rechtse reformisten, tegen de liquidatoren van het trotskisme en tegen de stalinistische bureaucratie. Dat is een moeilijke strijd, maar ondanks alle moeilijkheden hebben eerlijke trotskisten die volledig toegewijd zijn aan hun klasse deze strijd steeds onvermoeibaar en met overtuiging gevoerd. Ze hadden steeds een groot vertrouwen in de revolutionaire mogelijkheden van de massa’s die in beweging komen en die traag maar zeker in de richting van een finale overwinning van het socialisme gaan. Dat is de weg die meerdere trotskistische militanten hebben gevolgd. Ze begonnen hun loopbaan als arbeiders en ze beëindigden hun loopbaan zoals deze begon. Anderen die zichzelf als authentieke trotskisten beschouwden, kozen een andere professionele weg. Ze werden syndicaal secretaris in verschillende centrales van het ABVV of de ACOD. Ze werden daarbij soms te goeder trouw, soms te slechter trouw gerecupereerd door het reformistische syndicale apparaat of door de BSP. Dat heb ik steeds geweigerd. De interne crisis van de leiding zorgde voor tegenstellingen in de Internationale. De kritieken van het LAB kregen een gunstige echo onder de trotskistische militanten van Charleroi. Deze kritieken vielen immers samen met hun eigen kritieken op het entrisme, de tussenkomst in de algemene staking, de capitulatie van La Gauche en het gebrek aan organisatorische perspectieven voor een onafhankelijke werking van het trotskisme. De tussenkomsten van het LAB hadden als politieke 260 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 verdienste dat het proces van breuk tussen de trotskisten van Charleroi en de leiding van Mandel werd versneld. Dat proces was reeds begonnen bij het einde van de algemene staking, maar de breuk had zich nog niet volledig geconcretiseerd. De oprichting van de PORT (Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste, Revolutionaire Trotskistische Arbeiderspartij) was wat uitgesteld door mijn reis naar Denemarken. Toen ik terug in het land was en na een oproep van de buitengewone conferentie van het Latijns-Amerikaanse Bureau, werd in samenwerking met het LAB in juli 1962 in Monceau Sur Sambre overgegaan tot de oprichting van de Belgische afdeling van de Vierde Internationale onder de naam Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste (PORT). Dat initiatief groepeerde aanvankelijk een twintigtal trotskistische militanten, zowel leden als voormalige leden van de Vierde Internationale, en een aantal sympathisanten. Ortiz was aanwezig als vertegenwoordiger van het LAB. We beslisten om een maandblad uit te brengen, Lutte Ouvrière, waarmee werd aangesloten bij de traditie van de Parti Socialiste Révolutionnaire (PSR) voor de oorlog. De veteranen uit Charleroi drongen aan op die naam voor ons maandblad omdat het de naam was waarmee jarenlang werd tussengekomen. Het was het strijdorgaan waarmee de revolutionaire marxistische standpunten van de PSR naar voren werden gebracht. Een aantal maanden na de oprichting slaagde de PORT erin om een aantal nieuwe jongeren uit de socialistische studenten in Brussel te winnen, alsook jongeren in La Louvière en in Gent. Gezien hun leeftijd waren die jongeren niet actief betrokken geweest in de algemene staking. Ze hadden ook de ervaring met het entrisme niet gekend en ze hadden ook niet deelgenomen aan de discussies en de analyses die voorheen door de Internationale werden gemaakt. Hun politieke ervaring binnen de trotskistische beweging was heel nieuw. Dat maakte dat ze vaak geen enkele kritiek hadden op de politieke koers van het LAB. Integendeel, al gauw werden een aantal van deze jongeren opgenomen in de leiding van de PORT. De oproep voor een buitengewone conferentie van de Vierde Internationale was een aanmoediging voor alle kaders en trotskistische militanten in Europa, Azië en Afrika om hun revolutionaire activiteiten op te drijven. Tegelijk werd echter de strijd tegen de liquidatoren in de voorbereiding op het zevende wereldcongres gevoerd. In de periode tussen 1962 en 1965 was er een overeenstemming tussen de standpunten van de Belgische afdeling en het LAB over de conclusies van de algemene staking en over het falen van het entrisme. Politieke meningsverschillen met het LAB Vanaf 1965, enkele jaren na het zevende wereldcongres van de Vierde Internationale dat door het LAB in Argentinië werd georganiseerd en waar ik als vertegenwoordiger van de Belgische afdeling aan deelnam, ontstonden al gauw meningsverschillen. Het LAB ontwikkelde een positie over een gedeeltelijke regeneratie in het Oostblok (een terugdraaien van de degeneratie onder het stalinisme). Er s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 261 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) waren ernstige politieke meningsverschillen tussen de kaders die aan de basis van de PORT hadden gestaan en het LAB. De belangrijkste waren: • De gedeeltelijke regeneratie van de Communistische partijen • De gedeeltelijke regeneratie leidt tot een historisch ontmoetingspunt • De gedeeltelijke regeneratie van de arbeidersstaat • De dreiging van een wereldwijde atoomoorlog De trotskistische militanten van Charleroi die samen met Léon Lesoil hadden gestreden, moesten niets weten van die gedeeltelijke regeneratie. Het LAB werd evenwel op een autoritaire wijze geleid door Posadas en het was hij die de politieke oriëntatie van de nieuwe trotskistische afdelingen in Europa bepaalde. Hij had aangedrongen op een onafhankelijke werking en had een bepaald aanzien. Hierdoor bleef de PORT enkele jaren vastzitten in een positie van gedeeltelijke regeneratie. Het feit dat de interne werking van de partij veeleer gericht was op een autoritair centralisme in de plaats van tegensprekelijke debatten, maakte dat er terecht verwijten kwamen over het ontwikkelen van een personencultus. “Viva Posadas”, werd er geroepen. Posadas werd door sommigen zodanig aanbeden dat het moeilijk nog ernstig te nemen was. Marxisme heeft niets gemeen met aanbidding. Zonder de beslissende politieke rol van het LAB en Posadas tegen de liquidatoren te minimaliseren, moet worden opgemerkt dat een personencultus nooit gezond is in een marxistische revolutionaire organisatie. Lenin en Trotski hebben die praktijk in de Bolsjewistische Partij nooit toegepast. Er moet altijd en tegenover gelijk wie de nodige afstand worden gehouden op het vlak van persoonsverheerlijking. Dat was overigens ook de opstelling van de veteranen en de jonge trotskistische militanten van Charleroi. De oude generatie met een lange geschiedenis in de Vierde Internationale nam steeds meer afstand omwille van de theorie van de gedeeltelijke regeneratie. In die context en versterkt door factoren zoals vermoeidheid, het ouder worden of moeilijke persoonlijke situaties als gevolg van ontslagen wegens stakingen, begonnen de oudere militanten stilaan de politieke activiteit onder de leiding van het LAB achter zich te laten. Vanaf dat ogenblik begon het ledenaantal van de PORT te stagneren en verloor de partij zowat alle stichtende leden. Onder de jonge trotskistische militanten van Charleroi die mee aan de basis van de PORT hadden gestaan, waren er enkelen die nog een tijdje actief bleven, zelfs indien ze terughoudend stonden tegenover de standpunten over de gedeeltelijke regeneratie en over de dreigende oorlog. Maar uiteindelijk hielden ook deze jongeren ermee op. Dat was ook voor mij het geval. De redenen voor mijn politieke breuk met het LAB Mijn politieke meningsverschillen zouden in 1972 tot een definitieve breuk met de PORT en het LAB leiden. Dat betekende niet dat er een einde kwam aan mijn politieke en syndicale engagement. Ik bleef integendeel actief als trotskistische militant waarbij ik me in essentie baseerde op het Overgangsprogramma van de 262 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Vierde Internationale. Dat programma ben ik steeds blijven verdedigen onder de massa’s, in de reformistische vakbondsbeweging als militant of basisdelegee van het ABVV en uiteraard ook in het hart van de klassenstrijd. Mijn trouw aan de Vierde Internationale zoals deze in 1938 door Trotski werd opgericht, heeft me toegelaten om actief te blijven in verschillende stakingsbewegingen, om de syndicale strijd verder te zetten zonder daarbij in een verbaal gauchisme te vervallen. Trotskistische militanten moeten zoals het Overgangsprogramma aangeeft “een juiste politiek tegenover de vakbonden” hebben, dat is “een fundamentele voorwaarde voor het aangesloten zijn bij de Vierde Internationale. Wie de weg naar de massabeweging niet zoekt en niet vindt, is voor de partij geen strijder, maar dode ballast.” (Overgangsprogramma, hoofdstuk 19: ‘Tegen het sektarisme’). De jongeren die waren aangetrokken, waren volledig mee met de politieke oriëntatie van het LAB. Ze verdedigden die posities zonder enige reserve. Hierdoor werd het voor een aantal stichtende leden en kaders zo goed als onmogelijk om de PORT een andere internationale oriëntatie te laten aannemen, een oriëntatie die minder alarmistisch en meer realistisch was dan deze van het LAB. Na het vertrek van de belangrijkste stichtende leden van de PORT ging de kwantitatieve ontwikkeling er niet bepaald op vooruit. In de hoofdstad bleven een aantal militanten nog jarenlang actief met de PORT tot ze politiek volledig geïsoleerd en organisatorisch gemarginaliseerd waren. De PORT, de Belgische afdeling van de Vierde Internationale van de posadistische tendens, was komen te gaan. Met betrekking tot de “gedeeltelijke regeneratie van de Sovjetbureaucratie”, een standpunt verdedigd door het LAB en Posadas (oprechte revolutionairen wiens inzet voor het trotskisme en voor de revolutionaire strijd niet kan worden ontkend), moet worden opgemerkt dat een politieke degeneratie een onomkeerbaar fenomeen is. Er is historische blindheid nodig om het tegendeel te beweren. Is het nodig om terug te komen op de stalinistische zuiveringen die als resultaat hadden dat verschillende stichtende leden van de Bolsjewistische Partij werden gedeporteerd en omgebracht, terwijl de geheime politie een beslissende factor werd in het interne leven van de partij van Lenin, en de sovjets werden overspoeld door functionarissen die door de bureaucratie werden opgelegd, een bureaucratie die zelf een karikatuur was geworden? Trotski stelde het in 1936 al: “Parallel met de politieke degeneratie van de partij vond er een moreel verval van het ongecontroleerde apparaat plaats.” Hij voegde eraan toe: “De oude Bolsjewistische Partij is dood en geen macht in de wereld kan haar weer tot leven wekken.” (Trotski, ‘De Verraden Revolutie’, p.119). s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 263 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) De degeneratie van de Bolsjewistische Partij en van de Derde Internationale was zo evident voor Trotski en de bolsjewieken van de Internationale Linkse Oppositie dat het noodzakelijk en dringend werd om in september 1938 de Vierde Internationale op te richten. Trotski en de Linkse Oppositie hadden perfect begrepen dat de degeneratie een onomkeerbaar fenomeen was. Al diegenen die gisteren of vandaag niet begrepen wat de politieke decadentie van deze degeneratie betekende, negeren en bestrijden de beslissing en de redenen die Trotski ertoe hadden aangezet om de Vierde Internationale op te zetten als noodzakelijk instrument om de revolutionaire wereldpartij verder op te bouwen in de arbeidersstrijd en om de macht te nemen. Een aantal kameraden van de PORT is op individuele basis lid geworden van de KPB. Dat was een logisch gevolg van het standpunt dat door het LAB werd verdedigd. Ze hadden misschien de ijdele hoop om op die manier het hypothetisch proces van regeneratie te versnellen. Dit lidmaatschap had natuurlijk grote risico’s op het vlak van onvrijwillige aanpassing aan de partijlijn en de verzoenende praktijk van ‘vreedzame coëxistentie’ die door de KPB werd gehuldigd. Het vormde een rem op de strijd van de trotskisten en de Vierde Internationale tegenover de degeneratie van de bureaucratie van de Communistische Partijen. Dit is wat Posadas zelf schreef over de partij en de Internationale: “Trotski trok de conclusie dat het niet mogelijk was om de partij te veranderen nadat deze door de Communistische Internationale was gedegenereerd. Hij richtte de Vierde Internationale op.” (Posadas, “L’Union Soviétique”, p.40). En nog: “We moeten in overweging nemen dat de politiek die voortvloeit uit de gedeeltelijke regeneratie en de historische ontmoeting een aantal belangrijke risico’s met zich meebrengt: het gevaar om zich aan de politiek van de Communistische Partijen aan te passen.” (idem, p. 86). Het kan niet beter worden gezegd, de ervaring toonde immers aan dat diegenen die in de CP’s zijn gestapt er zich aan hebben aangepast,ook al gingen ze er vaak in als overtuigde trotskisten. Eens een politieke organisatie gedegenereerd is, kan er geen gedeeltelijke of volledige regeneratie plaatsvinden. Posadas heeft dat niet gesnapt. In 1973 stelde hij nog: “De manier om de Communistische Partij in België te ontwikkelen (…), is door de partij de massa’s ertoe te laten aanzetten om de macht te grijpen.” (Posadas, ‘L’union Soviétique, son évaluation de Staline à aujourd’hui’, p.93). 264 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Ik denk dat wie tot zulke analyses komt, vooral getuigt van een volledige verwarring en getroffen is door politieke amnesie. Deze persoon heeft niets onthouden van de voorbije strijdbewegingen. De KPB, en we zijn goed geplaatst om dat te weten, heeft op geen enkel ogenblik – niet bij de bevrijding, niet in 1950 en niet in 1960-‘61 – de massa’s aangezet om de macht te grijpen, zelfs niet toen er onder de massa’s effectief de wil aanwezig was om dat te doen. Posadas heeft het trouwens zelf gezegd: “Trotski heeft op geen enkel ogenblik het probleem van regeneratie naar voor gebracht, noch een gedeeltelijke noch een volledige regeneratie.” (idem, p. 45-46). Wat Trotski wel heeft gesteld, is dat de “arbeiders die naar het socialisme willen gaan, de bureaucratie moeten omverwerpen” (‘De Verraden Revolutie’, p. 288). De bureaucratie kan haar optreden misschien veranderen en zich aanpassen zolang de eigen macht niet wordt bedreigd. Maar de bureaucratie kan haar eigen fundamenteel contrarevolutionaire aard niet veranderen. Dat geldt overigens voor alle bureaucratieën ter wereld, ook deze van de KPB. Indien de Sovjetbureaucratie werkelijk de revolutionaire strijd had ondersteund, dan had ze haar eigen doodvonnis ondertekend. Hetzelfde geldt voor de KPB die in de algemene staking van 1960-‘61 eens te meer haar revolutionaire degeneratie heeft aangetoond door net als de BSP een rem te vormen voor alle revolutionaire initiatieven van de arbeidersklasse. Het LAB zag niet alleen een gedeeltelijke regeneratie maar ook een dreigende atoomoorlog. Dit is wat Posadas schreef: “Het kapitalisme bereidt zich voor om op korte termijn tot oorlog over te gaan, dit kan op gelijk welk ogenblik van start gaan.” (Posadas, ‘L’Union Soviétique’, p. 69). We blijven ervan overtuigd, en iedere geschiedenis van de strijd tussen het kapitalisme en het proletariaat leert ons dat ook, dat het gevaar van oorlog zal bestaan zolang het kapitalisme bestaat. Bovendien is het zeker dat geen enkele sociale klasse zomaar afstand doet van de macht die ze in handen heeft zonder daarbij beroep te doen op alle repressiemogelijkheden waarover ze beschikt, met inbegrip van de mogelijkheid van oorlog. Maar om te stellen dat er op korte termijn een atoomoorlog zou komen, zoals werd voorzien door het LAB, dat was er toch wel over. Het was zeker op korte termijn weinig realistisch en politiek ongeloofwaardig, zelfs indien de toenmalige situatie werd gekenmerkt door de ‘Koude Oorlog’. Om te besluiten: een korte politieke analyse van de concepten van het posadisme maakt duidelijk dat er een politieke incoherentie is. Dat werd helemaal duidelijk toen Posadas bij de 63ste verjaardag van de Russische Revolutie onder de invloed van zijn concept van gedeeltelijke regeneratie zelfs hulde bracht aan de “huidige s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 265 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) leiding van de Communistische Partij van de Sovjetunie” (id. p. 185). Het feit dat er enerzijds hulde werd gebracht aan de leiding van de CP terwijl er anderzijds meermaals in het boek op wordt gewezen dat een verandering van het historische karakter of een gedeeltelijke regeneratie van de communistische partijen niet mogelijk is, onderstreept de tegenstellingen. Om dit punt te verduidelijken, volstaat het om te wijzen op wat Posadas schreef: “De bureaucratie zal op zich niet veranderen. Haar historische karakter blijft identiek.” (p. 85) “We moeten duidelijk stellen dat de bureaucratie haar historische rol niet kan veranderen.” (p.94) “De bureaucratie zal als kaste nooit veranderen.” (p 86) “Het is noodzakelijk om in overweging te nemen dat het karakter en de functie van de bureaucratie het haar onmogelijk maakt om te veranderen.” (p 92) “De beperkingen van de toegevingen die de bureaucratie kan doen, worden bepaald door het gevaar dat ze aanvoelt om door het proletariaat aan de kant te worden geschoven. De bureaucratie zal de macht niet opgeven.” (p 82). En ondanks al deze elementen verklaart Posadas nog steeds dat er “een gedeeltelijke regeneratie van de communistische partijen is, zowel in de arbeidersstaten als in de kapitalistische landen” (p. 80) en dat “we ons moeten voorbereiden op de historische ontmoeting die voor een terugkeer naar het marxisme staat.” (p.83) Voor ons is het duidelijk dat het niet is omdat de sovjetbureaucratie of de bureaucratie van communistische partijen in de kapitalistische landen zich aanpasten aan de ontwikkeling van de permanente revolutie, een ontwikkeling die aan haar voorbijging en waar ze geen controle over had, dat er daarom sprake zou geweest zijn van een regeneratie. Er moeten geen excuses worden gezocht, er was geen sprake van regeneratie. Als het nu Stalin was met zijn politiek van ‘socialisme in één land’ of zonder Stalin met de ‘vreedzame coëxistentie’, het karakter van de bureaucratie bleef hetzelfde. Het bleef een hindernis voor het socialisme en het bleef noodzakelijk om de bureaucratie van de macht te verdrijven. Posadas schreef in 1973 terecht dat “er rekening moet worden gehouden met het feit dat de dominante apparaten machtig zijn en een solide structuur hebben, ze zijn in handen van een bureaucratische groep die de macht aan zichzelf doorgeeft en niet bereid is om daar afstand van te doen.” (p.84). 266 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Het was dus perfect duidelijk dat de bureaucratie een politieke continuïteit vormde en dat ze enkel de macht aan zichzelf zou doorgeven. Ondanks die elementen heeft het posadisme zich omgevormd tot een agentschap van gedeeltelijke regeneratie en eerherstel van de leiding van de Communistische Partij van de Sovjetunie en andere Communistische Partijen. Wij zijn het volkomen oneens met Posadas als deze schrijft: “Als de Sovjetunie niet meer kon vooruitgaan en degenereerde, dan was dit omwille van historische oorzaken die niets met de Sovjetunie te maken hadden en zelfs niets met Stalin. Het waren historische oorzaken die hebben geleid tot de degeneratie van Stalin.” (Posadas, ‘L’Union Soviétique’, p. 25). Het is evident dat er historische oorzaken waren die niet alleen met de Sovjetunie te maken hadden. Maar stellen dat er in de degeneratie geen rol werd gespeeld door Stalin en de bureaucratie, dat gaat regelrecht in tegen de historische waarheid. Marxistische revolutionairen hebben niet het recht om passief te blijven of de problemen van het proces van degeneratie te ontkennen. Zo zouden ze immers tot foute conclusies kunnen komen. De Vierde Internationale heeft zich steeds vastberaden verzet tegen de bureaucratie, een volledige en onomkeerbare degeneratie waar de Sovjetmassa’s zich tegen moesten verzetten om ze van de macht te verdrijven en te vervangen door een revolutionaire leiding die zich op de massa’s en de sovjets baseerde. Laat ons nog even het woord aan Trotski laten: “Hoe dan ook kan de bureaucratie alleen worden verwijderd door een revolutionaire macht. En, zoals altijd, zullen er minder slachtoffers zijn naarmate de aanval doortastender en doorslaggevender is. Om dit voor te bereiden en aan het hoofd van de massa’s te staan in een geschiedkundig gunstige periode – dat is de taak van de Sovjetsectie van de Vierde Internationale.” (‘De Verraden Revolutie’, hoofdstuk XI: Hoe zal het de Sovjetunie vergaan?). Het is over die taak dat het gaat, ondanks alle omstandigheden, verschillende politieke oriëntaties, methoden en praktijken die de ontwikkeling van de Vierde Internationale moeilijker maakten,… We moeten steeds en tegen alles in trouw blijven aan de principes van het trotskisme en aan haar politieke correctheid op basis van het revolutionair marxisme zoals dit in het Overgangsprogramma van de Vierde Internationale aan bod kwam en nog steeds van toepassing is omdat het niet aan correctheid heeft moeten inboeten. We moeten dit los doen van al diegenen die vandaag net als in het verleden beweren de enige erfgenamen van het trotskisme te zijn. Het kwam er in België tijdens de algemene staking van 1960-‘61 op aan om zich aan “het hoofd van de massa’s te plaatsen in een historisch gunstige periode”. Dat s d e v s d a s a v s u D cghint cghint cghint cghint an an e e Pirt irt Oeirv 267 uvrier Révolutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire volutionaire Trotsk rotsk rotsk rotsk rotsk yste ste (PORT) is de taak van alle afdelingen van de Vierde Internationale los van de gevolgde tactieken, of het nu entrisme of iets anders is. Het volstaat om het magistrale werk ‘De Verraden Revolutie’ van Trotski te lezen of te herlezen om te begrijpen waartoe de stalinistische bureaucratie in staat was alsook waar de bureaucratieën van de Communistische Partijen elders ter wereld toe bereid waren. In 1927 bereikte het conflict tussen de Linkse Oppositie en de bureaucratie een kookpunt. Trotski schreef: “Stalin verklaarde over de Oppositie in een zitting van het Centraal Comité: ‘Dat soort kaders zijn alleen met een burgeroorlog te verwijderen!’”. Doorheen dit werk van Trotski blijkt dat de gedeeltelijke regeneratie niets te maken had met een echte revolutionair marxistische politiek en nog minder met een voortzetting van de principes van de bolsjewieken die werden verdedigd door Trotski en de Vierde Internationale. Om dit hoofdstuk af te sluiten, wil ik de aandacht van de lezer vestigen op de woorden van Victor Serge. De arbeidersklasse over heel de wereld en de trotskistische beweging mag nooit vergeten dat “verschillende stichtende leden van de Bolsjewistische Partij voor een vuurpeleton zijn geëindigd. Het is bijna niet te geloven maar de regering van Moskou verkreeg van de regering van een “vrij en democratisch” land, Noorwegen, dat de meest gevreesde politieke tegenstander werd opgesloten.” (Victor Serge in het voorwoord op ‘De Verraden Revolutie’). Victor Serge heeft in de Sovjetunie alle vormen van repressie aan den lijve ondervonden. Hij bracht de verschrikkelijke boodschap dat militanten werden gemarteld wegens hun trouw aan de revolutie en hun verzet tegen diegenen die de revolutie verkwanselden. Victor Serge werd door Trotski in ‘De Verraden Revolutie’ aan het woord gelaten: “Ik overdrijf niets, ik weeg elk woord. Ik kan al mijn verklaringen ondersteunen met tragisch bewijs en met namen. “Onder deze massa van martelaren en opposanten, grotendeels stilzwijgend, is een heldhaftige minderheid mij liever dan alle anderen; kostbaar vanwege haar energie, haar indringendheid, haar toewijding tot het Bolsjewisme van het grote tijdperk. Duizenden van deze communisten van het eerste uur, kameraden van Lenin en Trotski, bouwers van de Sovjetrepubliek toen de Sovjets nog steeds bestonden, proberen de principes van het socialisme hoog te houden tegenover de innerlijke degeneratie van het regime en verdedigen zo goed als ze kunnen (en alles wat ze kunnen is toegeven aan alle mogelijke opofferingen) de rechten van de arbeidersklasse. Ik breng jullie nieuws van degenen die daar zijn opgesloten. 268 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 “Wat er ook gebeurt, ze zullen volhouden. Zelfs als ze niet levend de nieuwe revolutionaire dageraad zullen zien. De revolutionairen in het Westen kunnen op hen rekenen. De vlam zal brandende worden gehouden, al is het in de gevangenis. Jullie moeten –wij moeten- hen verdedigen in het belang van de verdediging van de arbeidersdemocratie in de wereld, in het belang om het bevrijdende beeld van de dictatuur van het proletariaat te redden en op zekere dag de morele grootheid van de Sovjet Unie en het vertrouwen van de arbeiders te herstellen”. (Victor Serge in ‘De Verraden Revolutie’ aangehaald door Trotski). Diegenen die in het verleden spraken over een gedeeltelijke regeneratie van de Communistische Partijen moeten maar eens goed nadenken over deze getuigenis. 269 XV Het mislukken van de Mouvement Populaire Wallon Het rijpingsproces van de arbeidersklasse hield niet op bij het einde van de algemene staking. Integendeel, na lessen te hebben getrokken uit het mislukken van de staking en na te hebben gebroken met het reformisme van de BSP en de rechtse fractie van het ABVV (die het sterkst gediscrediteerd raakte tijdens het conflict), bleef de zoektocht naar een echt anti-kapitalistisch politiek instrument meer dan ooit een prioriteit. Bij haar oprichting in oktober 1961 had de Mouvement Populaire Wallon (Waalse Volksbeweging) een aantrekkingskracht op duizenden Waalse arbeiders en militanten. Na hun ervaringen in de strijd kwamen deze militanten tot een ontwikkeld revolutionair bewustzijn waarbij ze beseften dat de arbeiders een strijd om de macht moesten voeren. Ze zochten naar een nieuwe leiding voor de strijd, een leiding die in staat zou zijn om een revolutionaire richting aan te wijzen en de middelen zou aanbieden waarmee in strijdbewegingen zou kunnen worden ingegaan tegen het repressieapparaat van de burgerlijke staat. De arbeidersklasse stond op het punt openlijk te breken met de oude socialistische leiding die de algemene staking had afgeremd en gesaboteerd. Door de MPW op te richten, wilde de Renardistische leiding het diepgaande ongenoegen van de massa’s te kanaliseren. Het was een poging om te vermijden dat dit ongenoegen zich op een antikapitalistische en revolutionaire wijze zou ontwikkelen. In haar brochure “Waarom een Waalse volksbeweging?” stelde de MPW dat het “alle krachten van Wallonië wil bijeenbrengen, iedereen van goede wil, van waar ze ook komen” en ook dat het een vereniging van alle krachten moest worden “zonder enig onderscheid op basis van filosofische of politieke overtuiging.” Bij al deze verklaringen werd geen enkel onderscheid gemaakt op het vlak van klasse of partij. Het programma van de MPW was gebaseerd op het federalisme en de structuurhervormingen. Het lag in de algemene lijn van het klassieke reformisme. Dit programma beperkte zich tot de parlementaire weg in het kader van de burgerlijke instellingen. Alle voorstanders van een geregionaliseerd Wallonië konden het programma zonder terughoudendheid onderschrijven. Deze manier van werken, leidde er toe dat een aantal twijfelachtige figuren voor de MPW werden gewonnen en zelfs leiders van de beweging werden. Dat was onder meer het geval met Jean-Pierre Paulus. “[Hij]werd in 1962 voorzitter van de MPW in Sint-Gillis na een gemengd onthaal door de leiding van de beweging die niet vergeten was dat Paulus een felicitatiebrief naar de rijkswacht had gestuurd wegens het optreden van die rijkswacht in de algemene staking van 1960-‘61.” 270 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 (‘André Renard’, door Pierre Tilly, p. 700) Over de dubbelzinnigheid van het programma van structuurhervormingen legde Jacques Yerna het volgende uit in La Gauche van 2 februari 1962. “Eindelijk hebben de Waalse syndicalisten van de MPW begrepen wat de dubbelzinnigheid is rond het programma van de structuurhervormingen. Deze hervormingen kunnen zelfs, indien ze worden uitgevoerd door een regering met socialistische deelname, tegen de belangen van de arbeidersklasse ingaan. Ze dienen dan om het kapitalistische systeem te versterken door het proces van rationalisatie en concentratie te versnellen. Het voorbeeld van de elektriciteit is veelzeggend: het bestaan van een controlecomité heeft ongetwijfeld in deze richting gewerkt.” Tijdens de algemene staking had de Renardistische stroming al meer afgeremd dan dat het de beweging had gestimuleerd. Ze verzette zich resoluut tegen iedere confrontatie met het burgerlijke staatsapparaat, de kwestie van de machtsovername werd niet gesteld en in essentie werd de reformistische rechterzijde gevolgd. Er werd op geen enkel ogenblik een ernstige poging ondernomen om de massa’s te organiseren of richting te geven in functie van hun antikapitalistische verzuchtingen of hun hoop op revolutionaire strijd. De mobilisatie van de arbeiders werd enkel en alleen aangegrepen om druk te zetten en een flauwe poging tot chantage van de burgerij te voeren in de hoop dat ze zich hiermee “redelijk” zou opstellen. Deze hoop op basis van een reformistisch beeld op de strijd en de doelstellingen van de strijd was tevergeefs. Het kon ook niet anders gezien het belang van de situatie de eenmaking en de doortastende revolutionaire mobilisatie van alle krachten van het Belgische proletariaat vereiste. Het was noodzakelijk dat de strijd werd georganiseerd vanuit stakerscomités in alle regio’s en met een nationale centralisatie. Het was noodzakelijk om na een nationaal congres van de stakerscomité, met de arbeidersklasse eigen arbeidersmilities te vormen, alle bedrijven te bezetten en alle strategische plaatsen onder controle te nemen waarbij de arbeidersklasse de straat in handen nam alsook de productiemiddelen. In dit opstandige klimaat wist de burgerij maar al te goed wat het belang van de algemene staking was en hoe ver die strijd kon gaan. De burgerij begreep heel snel dat de voortzetting van het kapitalistische regime zelf bedreigd was. Dat is waarom ze potdoof bleef voor alle eisen en oproepen. Ze bleef doof voor de “dreigementen” en andere praatjes van de reformisten, zowel de rechtse als de linkse. En ze toonde zich bijzonder brutaal door alle middelen te mobiliseren en grote kosten te doen door het volledige repressie-apparaat in te zetten. Om haar onmacht en gebrek aan revolutionair perspectief te verbergen en in een poging om het gezicht te redden zonder haar verantwoordelijkheden op te nemen, vond het Renardisme er niet beter op dan op een zeer ongelegen manier enkele erg specifiek Waalse kwesties op te werpen. Die afleiding van de klassenstrijd op basis van regionalisme en federalisme moest de aard van het conflict wijzigen. m d ee v d a a o o v m a oo m o Ht t eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an e e Memntuv emntuv Paeilpru aeilpru aeilpru Wlno lno lno 271 De massa’s werden van de revolutionaire doelstellingen weg geleid. Doorheen de beweging waren de massa’s tot revolutionaire eisen gekomen, deze werden onschadelijk gemaakt en in de koelkast gestopt. André Renard heeft de algemene staking niet enkel tot een impasse gebracht door zich op specifiek Waalse kwesties te richten, hij heeft ook absoluut niets gedaan om de doelstellingen van de arbeidersklasse te realiseren. Nadat hij het federalisme in het conflict had binnen geloodst, wilde hij amper een jaar later de arbeiders ertoe aanzetten om te geloven dat het de stakers zelf waren die dit thema in de strijd hadden gebracht doorheen hun acties. Deze poging om het initiatief en de verantwoordelijkheid in de schoenen van de arbeiders te schuiven, was wel erg doorzichtig. Het staat immers zonder enige twijfel vast dat het initiatief enkel en alleen de verantwoordelijkheid van Renard en een deel van het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV was. Renard was overigens woordvoerder van dat Coördinatiecomité. Het was echter zeker niet de verantwoordelijkheid van de stakers die in de meeste gevallen onverschillig stonden tegenover deze kwestie. Nergens in het land en op geen enkel ogenblik doorheen de strijd, was er ook maar enige uitdrukking van het feit dat de massa’s de wil hadden om een strijd voor het federalisme te voeren. Het was enkel op het initiatief van BSP-mandatarissen dat een aantal gemeentehuizen werden getooid met vlaggen met de Waalse haan. Het waren de renardisten die gele sjaals droegen met de Waalse haan. Ondanks de vele initiatieven rond het Waalse regionalisme, bleven de arbeiders afzijdig in die discussie. F. Perrin herinnert wat André Renard naar voor bracht over het federalisme en de MPW: “Tijdens een meeting in Flémalle naar aanleiding van de eerste verjaardag van de stakingen, op 20 december 1961, stelde hij eenvoudigweg aan de verbaasde toehoorders: ‘Ik heb het federalisme niet zelf uitgevonden, het zijn jullie, de stakende arbeiders, die dit naar voor hebben gebracht doorheen jullie acties waarvan de omvang door niemand werd voorzien. Alles wat ik in mijn leven heb gedaan, kwam voort uit de bewegingen en de initiatieven van het volk. Als ik iets organiseer, dan is dit op basis van het bewustzijn dat ik heb over de noden van de massa’s.’” (F. Perin, ‘Mort d’un leader – Avenir d’un peuple’, verschenen in ‘Combat’ op 11 augustus 1962, p. 1 en overgenomen in het boek over Renard door Pierre Tilly). Het neo-reformistische manoeuvre van het federalisme werd mee mogelijk door de passieve medeplichtigheid van de socialistische linkerzijde. Het brak de actieve solidariteit van de stakingsbeweging in het land, zaaide verwarring en ontmoedigde de Vlaamse stakers door het minimaliseren van hun inspanningen bij het uitbouwen en consolideren van de staking. Het zorgde er ook voor dat de Waalse arbeiders in een impasse terecht kwamen en het leidde tot een nederlaag. 272 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Deze eis van federalisme is het resultaat van een gebrek aan vertrouwen van de bureaucratische neo-reformistische leidingen en de kleinburgerlijke houding tegenover de revolutionaire en creatieve mogelijkheden van de arbeidersklasse. Het is deze tactiek van druk en chantage met het oog op een compromis met de burgerij en de weigering van revolutionaire mobilisatie van de arbeiders, die in het verleden haar falen en onmacht al heeft aangetoond. Toch was dit nogmaals wat werd voorgesteld door de leiding van de MPW, daarin gesteund door de socialistische linkerzijde, als antwoord op de fundamentele problemen die zich al hadden opgeworpen in de vorige algemene stakingen. Zoals we kunnen zien, was er van bij het begin een fundamentele kloof tussen de redenen die door de renardistische leiding werden aangehaald om de MPW op te richten en de redenen die de militanten ertoe hebben aangezet om hun steun aan dit initiatief te verlenen. Die kloof tussen de perspectieven van de top en de verwachtingen van de basis zou enkel nog groter worden. De militanten begonnen in te zien dat ze eens te meer op een zijspoor werden gezet. Ze beseften dat indien er bepaalde structuurhervormingen en federalisme zouden worden doorgevoerd, dit steeds beperkt zou blijven tot neo-kapitalistische hervormingen die geen verandering zouden teweegbrengen. Het renardisme wilde de hervormingen enkel naar voor brengen in het kader van een akkoord met de burgerij, aangezien de hervormingen afhankelijk werden gesteld van de goede wil in het parlement terwijl die instelling onderhevig is aan de orders van de bankiers. Het ging enkel om een poging tot gezichtsbedrog onder de massa’s om deze in de greep van het reformisme te houden. Als hervormingen worden onderhandeld in het kapitalistische kader, dan zullen deze hervormingen als ze al worden gerealiseerd steeds ontdaan zijn van hun antikapitalistische inhoud en zullen ze gericht zijn op het behoud van het kapitalistische juk. In dezelfde logica schreef Jacques Yerna, nochtans iemand die dicht bij Renard en de MPW stond, over de kwestie van onderhandelingen over het federalisme of over hervormingen in het kader van het kapitalisme dat “het federalisme dat het resultaat is van een politieke onderhandeling in het kader van onze parlementaire instellingen, niets anderszal zijn dan een administratieve en culturele decentralisatie.” Of nog: “Iedere hervorming die wordt bekomen, zal ongetwijfeld een tegenstelling van het kapitalistische systeem toedekken, maar er zal steeds een nieuwe tegenstelling op een hoger niveau opduiken.” (Jacques Yerna in La Gauche op 2 februari 1962, p. 2) Iedere beweging van de arbeidersklasse die niet van bij het begin ingeschreven is in de voorwaartse mars van de geschiedenis en die geen duidelijke oriëntatie heeft waarbij de beweging verbonden is met de eisen van de basis die de beweging verder vooruitstuwen en successen mogelijk maken en hierdoor de historische rol m d ee v d a a o o v m a oo m o Ht t eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an e e Memntuv emntuv Paeilpru aeilpru aeilpru Wlno lno lno 273 te vervullen, veroordeelt haar militanten en kaders tot passiviteit en demoralisatie. Dit leidt tot de afbraak van de beweging. Het proces waarmee dit gebeurt, kan soms traag ontwikkelen en soms sneller, maar de mislukking staat op voorhand vast. Aan de vooravond van het oprichtingscongres van de MPW op 17 november 1961 waarschuwde Jacques Yerna, nochtans een redacteur van La Gauche, de militanten van de MPW voor de “dubbelzinnigheid van de structuurhervormingen” die volgens Yerna “enkel neo-kapitalistische hervormingen konden zijn die in de plaats van in de richting van het socialisme te gaan, enkel de meest negatieve elementen van het kapitalisme zouden uitwissen om dat kapitalisme te versterken. Zonder controle op de holdings, zouden de structuurhervormingen die door onze arbeidersbeweging worden verdedigd niets anders zijn dan neokapitalistische hervormingen waarvan het nettoresultaat uiteindelijk bestaat uit het saneren van het kapitalistische systeem en het versterken van de macht van dit systeem tegenover een arbeidersklasse die door de decentralisatie gevaarlijk verzwakt zou zijn.” Yerna voegde er later nog aan toe: “Het probleem stelt zich niet op een andere manier indien het wordt beperkt tot de dimensie van een gefedereerd Wallonië.” (La Gauche, 13 juni 1970, nr. 24). De MPW had intussen een belangrijke crisis gekend en het kon die crisis enkel overkomen door te kiezen voor een dynamische en revolutionaire politiek van arbeidersstrijd, zoals dit wordt vereist door de historische belangen van het proletariaat. Er was geen echte oplossing mogelijk voor de politieke, economische en sociale problemen van de Vlaamse en Waalse gemeenschappen tenzij in het kader van een veralgemeende en vastberaden strijd tegen het kapitalistische systeem. Er is immers geen specifiek Waals of Vlaams kapitalisme, er is maar één kapitalisme dat zonder onderscheid Vlaamse, Waalse en Brusselse arbeiders onderdrukt en uitbuit en daarbij verantwoordelijk is voor de problemen die we kennen en die worden versterkt naarmate het systeem zichzelf in stand houdt. We moeten het kapitalisme niet vernieuwen, we moeten het bestrijden. Het vernieuwen van het kapitalisme zoals de renardisten en andere “linkse socialisten” dit hoopten te doen, was een illusie. Voor de meeste arbeiders die lid werden van de MPW bij het opzetten van die beweging, was het federalisme niet bepaald de grootste zorg. Het kwam er vooral op aan om de anti-kapitalistische strijd die ontstond in de algemene staking voort te zetten met een groter aantal militanten. De arbeiders die actief waren in de 274 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 staking legden niet automatisch het verband tussen de eis om de Eenheidswet in te trekken en het federalisme. Na enige tijd beseften steeds meer arbeiders binnen de MPW dat de structuurhervormingen een anti-kapitalistische inhoud konden hebben, onder meer bij de nationalisatie onder arbeiderscontrole, maar dat deze eisen van hun radicale inhoud werden ontdaan door diegenen die zich op dat ogenblik in de leiding van de MPW bevonden. In de praktijk bleek de dreiging van nationalisatie op renardistische basis eerder een reformistische onthouding te zijn dan een anti-kapitalistisch dreigement. Dat was niet anders bij de precedenten, onder meer op het vlak van de elektriciteit en de ondernemingsraden. De arbeiders konden een bres in het kapitalistische systeem realiseren, maar dan vooral om zelf in het systeem te worden geïntegreerd. De tegenstellingen kwamen op verschillende manieren tot uiting. Renard zorgde van bij het begin van de MPW voor duidelijkheid. Hij bevestigde steeds op krachtige wijze dat de MPW “geen partij, noch een vakbond was, maar een drukkingsgroep.” Intussen hadden de arbeiders aan de basis in de bedrijven al bedrijfscomités van de MPW gevormd, soms zelfs in concurrentie met meer gematigde vakbondsdelegaties. Renard weigerde eveneens dat de MPW, waar hij voorzitter van was, zich op het politieke terrein zou begeven. Verkiezingsdeelname was uit den boze om geen directe concurrentie met de BSP te vormen. Ondanks een aantal kritieken werd die partij nog steeds beschouwd als een partij die de arbeiders vertegenwoordigde. Renard en andere vakbondssecretarissen hebben hun eigen centrale steeds op een bureaucratische en autoritaire wijze geleid. Dezelfde wijze van leiding geven, werd ook toegepast in de MPW om te vermijden dat deze zou ontwikkelen tot een radicaal-linkse partij die een directe oppositie aanging met het reformisme en het stalinisme. Zo was er een regionaal congres van de MPW in het Achturenhuis in Charleroi begin 1962. Er waren ongeveer 300 militanten aanwezig. Fernand Pirsoul, voorzitter van de BBTK in Charleroi, zat de bijeenkomst voor. Er was een veelzeggend incident dat het bureaucratische autoritarisme van de renardistische leiding van de MPW duidelijk maakte. Ik deed op dit congres een tussenkomst waarin ik ervoor pleitte dat de MPW “een politieke arbeiderspartij zou worden gericht op antikapitalistische actie en door in te spelen op de revolutionaire gevoelens aan de basis in de fabrieken de strijd voor de omverwerping van het kapitalisme zou voortzetten.” Dat was de eerste tussenkomst op het congres waarop door de aanwezigen werd gereageerd met luid applaus. Maar deze tussenkomst en het enthousiasme dat het teweeg bracht, werden niet goed onthaald door F. Pirsoul en het bureau. Zij waren duidelijk een andere mening toegedaan. De voorzitter reageerde: “Als jullie akkoord zijn met dit soort tussenkomsten, dan heeft dit congres geen zin meer.” Hij begreep dat het congres een andere richting zou uitgaan dan wat de renardisten wilden. Als trouwe aanhanger van Renard in Charleroi, nam Pirsoul de beslissing om het congres gewoon te m d ee v d a a o o v m a oo m o Ht t eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an e e Memntuv emntuv Paeilpru aeilpru aeilpru Wlno lno lno 275 verplaatsen naar een latere datum en dat ondanks het protest van de woedende deelnemers aan het congres. Als we het beperkte enthousiasme van de arbeiders voor het federalisme willen aantonen, is het misschien nuttig om te wijzen op het relatief lage aantal deelnemers op de betoging die de MPW in Luik organiseerde op 15 april 1962. Er was een intensieve propagandacampagne voor deze betoging, maar uiteindelijk waren er ongeveer 15.000 deelnemers wat door de aanwezigen als een nederlaag werd gezien. Dat was niet het aantal dat de Renardisten voor ogen hadden, zij hadden op minstens het dubbele aantal gerekend. Terwijl de militanten en de arbeiders met de MPW betoogden, riepen ze voor de tribune waar Renard stond slogans als: “Renard aan de macht”. Van waar kwam die spontane slogan? Was het omdat de gemobiliseerde arbeiders hoopten dat ze een laatste keer druk konden zetten op de MPW-leiding om zich resoluut op het politieke terrein te begeven en daar uitdrukking te geven aan de hoop die naar voor kwam in de algemene staking, het is te zeggen een opstandige en revolutionaire weg zou volgen? Het enige antwoord van Renard bestond erin dat hij de betogers groette. Hij was niet iemand die zich in die weg liet duwen of die afstand zou nemen van zijn reformistische oorsprong. De meest enthousiaste betogers moesten uiteindelijk erkennen dat het beperkte aantal basisarbeiders uit de fabrieken op deze betoging, een uitdrukking was van het gebrek aan steun voor het federalisme en de Waalse zaak onder bredere lagen van de arbeiders. Enkele dagen later werd een bilan van de betoging opgemaakt. Renard was aangedaan door de mislukking en liet aan de leiding van de MPW weten dat hij erg ontgoocheld was. De MPW was oorspronkelijk opgezet als antwoord op een radicalisering onder de arbeidersmassa’s. Deze radicalisering kwam tot uitdrukking in de algemene staking van 1960-61, maar het bleef onder de strikte en waakzame controle van de leiding van de renardistische stroming. Onder die omstandigheden kon de MPW slechts tot strikt reformistische oplossingen in het kader van het parlementarisme komen. De militanten en de arbeiders die zich bij de MPW hadden aangesloten, vonden geen concrete antwoorden op hun doelstellingen en hun bereidheid tot revolutionaire strijd. Hierdoor werd het proces van ontbinding dat al was begonnen, gewoon voort gezet. De politieke verlamming was groot. De meeste arbeiders van de basis die van bij het begin bij de MPW waren, keerden deze formatie de rug toe. Ze waren ontgoocheld in het renardisme. Deze ervaring heeft de arbeidersklasse niet gedemoraliseerd. Integendeel, de klassenstrijd zette haar normale koers verder. Maar voor de MPW waren de dagen vanaf 1962 geteld. Zich resoluut engageren in strijdbewegingen om een sterke revolutionaire marxistische stroming op te bouwen met een basis in de fabrieken, dat blijft een absolute prioriteit. De openlijke, stoutmoedige en compromisloze strijd zonder volgzaamheid ten aanzien van de reformistische apparaten (zowel van links als 276 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 rechts) en tegen het pacifisme van de stalinisten in, blijft noodzakelijk, essentieel en onvermijdelijk. Het is niet door middel van een voorzichtige volgzame politiek, zoals toegepast door de socialistische linkerzijde, of door een langdurig entrisme in de grote reformistische organisaties of gelijk welke andere neo-reformistische organisatie, dat we er zullen geraken. De verschillende ontgoochelende ervaringen bevestigen dit. Er is integendeel nood aan een duidelijk en stoutmoedig revolutionair perspectief waarmee verder wordt gegaan dan het neo-reformisme van de Renardisten of anderen. Het is mogelijk om die taak vandaag op te nemen, net zoals dit voorheen mogelijk was, en het blijft van cruciaal belang. De opbouw van een revolutionaire marxistische stroming binnen de arbeidersbeweging en onafhankelijk van de reformistische of stalinistische partijen, blijft noodzakelijk. Zo’n stroming kan vooruitgaan met een programma waarmee het de kracht, het zelfvertrouwen en de strijdbaarheid van de arbeiders versterkt in grote algemene stakingen die ongetwijfeld aansluiting zullen vinden bij de revolutionaire tradities van de Belgische arbeidersbeweging. Het is enkel op die wijze dat al wie zich op het revolutionaire en marxistische socialisme beroept, ook effectief de vlag van het revolutionaire socialisme hoog kan houden. 277 XVI Als Ernest Mandel de verdediging van André Renard opneemt Het was op 5 januari 1961, op een ogenblik dat de algemene staking nog steeds een hoogtepunt van strijdbaarheid van de arbeiders toonde, op een ogenblik dat alles nog mogelijk was om het revolutionaire doel te bereiken dat na enkele stakingsdagen op spontane wijze naar voren werd gebracht door de massa’s zelf, dat André Renard net zoals de reformistische leiders van de BSP ermee instemde om naar het staatshoofd te trekken om een oplossing te vinden voor het opstandige conflict. Zoals Chantal Kesteloot terecht stelt in haar boek ‘Changer la société sans prendre le pouvoir’ (De samenleving veranderen zonder de macht te grijpen) op pagina 81: “Op die 5de januari – en dat bevestigde het idee van de parallelle strategie van Renard – aanvaardde de vakbondsleider net zoals het volledige bureau van het ABVV en de BSP het idee dat er een oplossing moest worden gezocht (…) in onderhandelingen die zouden kunnen worden gevoerd op het initiatief van het staatshoofd. Een revolutionaire retoriek en een reformistische praktijk gingen eens te meer samen in de syndicale benadering van de Belgische socialisten.” En verder lezen we nog: “Renard was overigens niet de enige belangrijke figuur bij de staking die het akkoord ondertekende. Er werd ook getekend door André Genot en Raymond Latin.” (G. Deneckere, ‘Le roi Baudouin et le modus vivendi dans le domaine socio-économique’ in het boek ‘Le roi Baudouin, une vie, une époque’ dat werd samengesteld door Ch. Koninck en P. Lefèvre, Crédit Communal/Racine, Brussel, 1998, p. 187-201). Ernest Mandel was ervan op de hoogte dat Renard deze verklaring had getekend, dit werd immers bediscussieerd binnen de Belgische trotskistische afdeling. Maar het hield Mandel niet tegen om Renard te blijven volgen en enkele jaren later een eerbetoon aan André Renard te schrijven terwijl het noodzakelijk was om zijn reformistische praktijk in de algemene staking aan te klagen. Tijdens een toespraak voor 50.000 stakers op de Place Saint Lambert in Luik op 6 januari was Renard het duidelijkste over zijn eigen capitulatie en die van de gehele reformistische leidingen van het ABVV en de BSP. De wel bijzonder gematigde voorstellen maakten dat de stakers begrepen dat ze niet op de leidingen moesten rekenen in hun strijd, ook niet op Renard. 278 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Zoals Chantal Kesteloot schreef: “De dag na de stemming, en ongetwijfeld zat de vergadering van de vorige avond er voor iets tussen, hield Renard een erg gematigde toespraak in Luik: hij bracht hulde aan de Vlaamse kameraden die ‘ook in staking zijn’ en had het over een ‘federalisme dat nog niet aan de orde van de dag is’, het verwaarlozen van de arbeidsinstrumenten - een oproep die minder en minder geloofwaardig was - in de ‘komende dagen en misschien zelfs de komende uren’. De oproep om rustig de betoging te ontbinden, werd niet door iedereen gevolgd en het was op dat ogenblik dat de beruchte incidenten in het station Guillemins losbarsten.” (p. 81). We waren dan ook verbaasd toen we destijds een artikel van Ernest Mandel lazen in La Gauche van 3 augustus 1962. In dat artikel, dat enige tijd na de dood van Renard verscheen, werd Mandel plots aangestuurd door een onbegrijpelijke impuls. Hij schreef een huldebetoon over de Luikse syndicale leider en over de jonge generatie van socialisten die hun vorming hadden genoten in de verschillende scholen van het Luikse sociaal-democratische reformisme. Het klopt dat er in de geschiedenis van de klassenstrijd steeds linkse reformisten zijn die de aandacht van de massa’s trekken met radicale woorden, waarbij zelfs een aantal politieke standpunten worden ingenomen die minder conformistisch zijn dan die van het traditionele reformisme. Dat was ook het geval met André Renard. De stakingen waar hij in Luik een rol in speelde, leverden een aantal belangrijke sociale toegevingen van de burgerij op. Het was in Luik dat de lonen het hoogste van het hele land waren. Maar die hoge lonen werden na verloop van tijd gerecupereerd door hogere prijzen. De burgerij probeert steeds met haar rechterhand terug te nemen wat het met haar linkerhand moest toegeven aan de arbeiders. Het blijkt dat sommigen, zelfs indien ze voor de directe actie zijn, toch binnen het kader van de wetten van het kapitalistische regime blijven. Hun politieke posities blijven uiteindelijk ergens middenweg steken tussen neo-reformisme en revolutie. Als de ontwikkeling van de klassenstrijd duidelijkheid vereist in de stappen naar een strijd om de macht, dan zijn de linkse reformisten niet in staat om duidelijkheid te brengen en de beslissende stap in de richting van revolutie te zetten. Dat is wat er in de algemene staking van ‘60-‘61 gebeurde met de strekking van Renard, de socialistische linkerzijde, en met de stalinisten. Geen van allen was in staat om een beslissende stap te zetten. Dat is waarom de lofbetuigingen van Ernest Mandel ten aanzien van André Renard niet zo verrassend zijn als dit op het eerste gezicht kan lijken. Ze verbergen een realiteit. Diegenen die beweerden het symbool van de linkerzijde te vormen, hebben de politiek van capitulatie en verdeeldheid vanwege de renardistische stroming toegedekt in de hoop dat ze daarmee hun eigen posities zouden toedekken en niet moeten uitleggen waarom ze geen afstand namen van het renardisme en hun revolutionaire verantwoordelijkheden niet opnamen. Als André Renard en de linkse renardisten zich op een bepaald ogenblik beter konden verzetten tegen v o d r n v d o l a v e n v e a r v o As Eenst enst Mdeln deln e e deginr deginr deginr deginr deginr anv anv Adr dr é Radnr adnr emnpt emnpt emnpt 279 de praktijk van de klassencollaboratie die dominant was bij de leidingen van het ABVV, dan nog hebben ze tegelijk aan die leiding en haar politiek deelgenomen als leiders van centrales en afdelingen. Maar laat ons terugkeren naar het artikel van Ernest Mandel. Hij schreef: “Hendrik De Man verloor het vertrouwen in de arbeidersklasse en werd bevangen door angst toen hij in 1935 in de Borinage werd verwelkomd met de roep ‘algemene staking!’” (La Gauche, 3 augustus 1962). Dat citaat kan even goed aan Renard worden gericht toen hij door de Luikse stakers in ‘60-‘61 werd verwelkomd met de roep “Mars op Brussel”. Ook Renard werd “bevangen door angst”. Laat ons in dit kader eens terugkomen op wat een trotskistische militant van La Gauche die politiek dicht bij Mandel stond hierover schreef. “In ‘60-‘61 begreep André Renard dat het succes van de staking aantoonde dat het verlangen naar een sociale revolutie opgang kende in de arbeidersklasse, het was niet louter een verzet tegen de Eenheidswet van Gaston Eyskens.” (Guy Desolre in ‘Syndicat et lutte de classe’, n° 2/3, 1970, p. 34). Het is onnodig te verduidelijken dat we het op dat vlak eens zijn met Desolre, met die bemerking dat het niet enkel over een “verlangen” ging maar wel degelijk over een vastberaden wil van de arbeidersklasse tot een “sociale revolutie”. Laat ons verder gaan met wat Mandel nog schreef in datzelfde nummer van La Gauche van 3 augustus 1962: “André Renard daarentegen, de voorman van onze arbeidersklasse, dacht steeds in termen van klassen, hij voelde zich een met de arbeidersklasse en nam de hoop en de meest stoutmoedige dromen van de arbeidersklasse op.” Heeft Renard zich dan nooit op zo’n krachtige wijze als dit het geval was verzet tegen de mars op Brussel omdat hij begreep dat deze mars een revolutionaire confrontatie tussen de massa’s en de burgerlijke staat inhield? Om die confrontatie te vermijden, leidde hij de massa’s vervolgens af naar een hypothetische ‘verwaarlozing van de arbeidsinstrumenten’. Of het nu Hendrik De Man of André Renard was, hebben ze ooit vertrouwen gehad in de revolutionaire mogelijkheden van de arbeidersklasse? We denken van niet. Andere citaten, nog steeds van dezelfde auteur, Mandel, kunnen evenmin moeilijk ernstig worden genomen: “Voor 1939 was het verder gaan dan het traditionele reformisme in dit land slechts een kwestie van kleine groepen. Na 1944 en zeker na 1953 werd dit 280 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 een doelstelling die brede massa’s begeesterde. Dat was de historische rol van André Renard.” Verder gaan dan het traditionele reformisme in dit land is het resultaat van strijdbewegingen, de ervaring en de bewustwording van de massa’s als gevolg van de gebeurtenissen van 1945, 1950 en 1959, toen de verraderlijke rol van de leidingen van de reformistische sociaal-democratie steeds meer duidelijk werd voor bredere lagen. Laat ons even van dichterbij kijken naar die fameuze “historische rol” van Renard. Dit is wat Ernest Mandel hierover schreef in 1970: “Na de grote staking van december 1960 en januari 1961 voelde André Renard de radicaliseringsgolf doorheen de Waalse arbeidersklasse. Tientallen en misschien zelfs honderdduizenden Waalse arbeiders waren op dat ogenblik bereid om verder te gaan dan het traditionele reformisme. Dit was een grote kans voor het revolutionaire socialisme dat voor het eerst sinds de oprichting van de BWP de mogelijkheid had om een politieke hegemonie te verwerven over de Waalse arbeiders. Hij begreep dat deze ontwikkeling niet kon beperkt worden tot puur syndicale kanalen, maar hij weigerde om de linkse socialistische massapartij op te richten die op dat ogenblik kon opgericht worden.” (‘Syndicalisme d’état ou syndicalisme de combat’, n°1, p. 48, 1970, onderlijnd door de auteur, gd). In 1970, hetzij tien jaar na de algemene staking, erkent Mandel effectief dat er in 1960-‘61 een “radicaliseringsgolf” was en dat dit “een grote kans voor het revolutionaire socialisme” bood. Hij merkt bovendien op dat André Renard weigerde om de “linkse socialistische massapartij” op te richten die op dat ogenblik “kon opgericht worden”. De lezer zal opmerken dat Mandel in 1970 niet meer overgaat tot een lofbetuiging voor Renard, maar een eerder harde kritiek levert. Een kritiek die overigens ongetwijfeld ook kon gericht worden aan diegenen die vermeden om te moeten optreden als revolutionaire marxist en evenmin een ernstige inspanning deden om zelfs maar het embryo van die “linkse socialistische massapartij” te creëren. Mandel bleef vastzitten in de BSP met de illusies die eigen zijn aan pseudo-marxisten. Het was nochtans mogelijk om op een andere wijze te handelen. Dit uittreksel bevestigt: “De Belgische stakingen toonden enerzijds de noodzaak om een dergelijke leiding te creëren en anderzijds de praktische mogelijkheden daartoe.” (‘La grève Belge, force et faiblesse d’un grand combat’, p. 4). Nogmaals moeten we vaststellen dat ze hun verantwoordelijkheden niet hebben genomen. v o d r n v d o l a v e n v e a r v o As Eenst enst Mdeln deln e e deginr deginr deginr deginr deginr anv anv Adr dr é Radnr adnr emnpt emnpt emnpt 281 En we gaan nog verder in de citaten: “De arbeidersklasse en zeker haar bewuste voorhoede voelde zich verheven door de ontembare strijd.” (La Gauche, 3 augustus 1962). Als een pseudo-marxist de verdediging van een linkse reformist opneemt, dan kan enkel verwacht worden dat alle principes van het revolutionaire marxisme overboord worden gegooid. De bedoeling van deze verdediging, die koude rillingen veroorzaakt, is vrij duidelijk: wat eventueel nog overbleef aan marxistische opvattingen wordt overboord gegooid. Als een syndicale leider ingaat tegen de roep naar actie van brede massa’s, moeten die zich dan ‘verheven’ of ‘gekalmeerd’ voelen? Dat moet worden aangeklaagd en dat gebeurt niet door de verdediging van Renard op te nemen. Wat politiek nog het meest verontrustend is, is dat Mandel deze vaststellingen maakt nadat hij eerder ontkende dat de staking algemeen was in heel het land, alsook dat de situatie een uitdrukking was van een enorme radicalisering, nadat werd ontkend dat de arbeidersklasse betrokken was in een opstandig en revolutionair proces. In 1962, korte tijd na het einde van de algemene staking, is er een volledige omkeer in de analyse van een duidelijk omschreven situatie. In het tijdschrift Partisan (nrs. 12 en 13), een blad dat vooral in Frankrijk werd verspreid en dat moeilijk toegankelijk was voor Belgische arbeiders, beweerde Mandel “dat het uur van de machtsmeting was aangebroken” (p.20) en nog dat “de grote algemene staking van december 1960 en januari 1961 het bewijs leverde van die macht.” (p.21). Als we retrospectief kijken op de periode van deze historische algemene staking en zeker in het licht van deze twee laatste citaten, die overigens volkomen terecht waren ook al werden ze na de staking en voor een buitenlands publiek geschreven, dan is het duidelijk dat de leiding van de “socialistische linkerzijde” en de zogenaamde revolutionaire marxisten die daar deel van uitmaakten, kansen hebben gemist. Ze hebben de revolutionaire mogelijkheden laten ontglippen. Ze waren er zich zelfs niet van bewust dat er zich zo’n uitzonderlijke en bijzondere gelegenheid voordeed. Als zelfs een kleine groep van revolutionaire marxisten niet in staat is om de leiding van de beweging op te nemen en openlijk te breken met de reformistische sociaal-democratie door zelf een “linkse socialistische partij” te vormen in het heetst van de strijd, dan kunnen we zonder veel risico’s op een verkeerde inschatting vermoeden dat ze nooit in staat zullen zijn om de leiding van een opstandige beweging op te nemen. “Het feit dat de krachten niet worden gebruikt voor de taken die voortvloeien uit de situatie, gebeurt nooit zonder afstraffing voor een politieke partij.” (Leon Trotski in zijn “Ecrits 1928-1940”, p. 206). 282 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Als het correct is om te stellen dat je politiek niet kunt schipperen tussen de klassen, dan komt het er op aan om duidelijk kant te kiezen. André Renard had zijn kant gekozen, die van het linkse neo-reformisme met alle beperkingen die voortvloeien uit een politiek van progressieve hernieuwing van het kapitalisme. Mandel had evenzeer kant gekozen toen hij schreef: “De pijn die we voelen door het verlies van een dierbare vriend wordt getemperd door de zekerheid dat er dankzij hem, zelfs na zijn verdwijnen, tienduizenden arbeiders voor een klassenstandpunt zullen kiezen.” (La Gauche, 3 augustus 1962). “De pijn die wij voelen”, heeft vooral betrekking op het verlies van de vier stakende kameraden die in de strijd zijn omgekomen. We weten bovendien quasi zeker dat de arbeidersklasse ook zonder, zeker niet “dankzij”, André Renard haar strijd zal voortzetten en daarbij vroeg of laat zal gaan voor echte socialistische oplossingen. De pijn die de arbeiders het sterkste hebben gevoeld, was de pijn die hen door de traditionele leidingen werd opgelegd toen ze er alles aan deden om een revolutionaire confrontatie met de burgerij te vermijden. Op dat ogenblik weigerde de socialistische linkerzijde haar plichten te vervullen en haar revolutionaire verantwoordelijkheden op te nemen. Nochtans kwamen die revolutionaire verantwoordelijkheden voort uit een radicale en uitzonderlijke situatie waarbij “het uur van de machtsmeting was aangebroken.” Jacques Yerna stond dicht bij Renard en was ongetwijfeld de persoon die de meest verfijnde analyse van hem heeft gemaakt: “Voor mij was Renard uiteindelijk een zeer harde sociaal-democraat. Volgens hem moest de arbeidersklasse in opeenvolgende stappen vooruitgaan, hervormingen opleggen door directe actie en door gebruik te maken van uitzonderlijke ogenblikken in de geschiedenis om de harde kanten van het kapitalistische systeem weg te krijgen. Maar die optiek bleef uiteindelijk ingeschreven in het kader van de parlementaire democratie. Op alle grote momenten van volksopstanden, heeft Renard niet de beslissende stap gezet.” (uittreksel uit het boek ‘André Renard’ door Pierre Tilly, p. 671). De verdediging opnemen van een centrist of een neo-reformist, ook al is het een linkse reformist, zal politiek niets ophelderen voor de arbeiders. Het zorgt integendeel enkel voor verwarring. Revolutionaire marxisten weten uit ervaring zeer goed dat er geen vertrouwen mag gesteld worden in de reformisten, ook niet in ‘zeer harde’ reformisten. Zelfs indien sommigen van hen stappen vooruit zetten op het terrein van de antikapitalistische klassenstrijd, dan nog zullen ze nooit de beslissende stap zetten op het terrein van de opstandige en revolutionaire klassenstrijd om de macht. Revolutionaire marxisten beperken zich doorgaans tot het v o d r n v d o l a v e n v e a r v o As Eenst enst Mdeln deln e e deginr deginr deginr deginr deginr anv anv Adr dr é Radnr adnr emnpt emnpt emnpt 283 aanprijzen van de arbeidersklasse en de radicale acties van de arbeidersklasse, niet van diegenen die hervormingen willen “binnen het kader van de parlementaire democratie.” Er is overigens geen enkele tactische of politieke reden die een dergelijke verdediging rechtvaardigt, of het moet zijn uit opportunisme, wat moeilijk te aanvaarden is vanwege een marxist. Zoals Trotski al stelde: “Er zijn onvergelijkbaar meer reformisten in de wereld dan revolutionairen, meer aanpassingsgezinden dan onvermurwbaren. Alleen in buitengewone historische periodes, als de massa’s in beweging komen, treden de revolutionairen uit hun isolement en zien reformisten er meer uit als vissen op het droge.” (‘De Verraden Revolutie’, aanhangsel) . Wie een revolutionaire marxist wil zijn, moet tegenover uitzonderlijke historische gebeurtenissen zoals in 1960-‘61 wat meer in zijn mars hebben dan een papieren tijger. 284 XVII Poging om het mislukken van het entrisme te verklaren We moeten kort even uitleggen van waar de beslissing kwam om aan entrisme te doen. Dit speelde immers een belangrijke rol in de meningsverschillen, splitsingen en breuken binnen de internationale trotskistische beweging na de oorlog. Ik beperk me tot een korte uitleg die volledig gebaseerd is op wat werd doorgegeven door de trotskistische veteranen van Charleroi en op eigen ervaringen met het entrisme. Ik meen evenwel dat de volledige geschiedenis van het entrisme van de Vierde Internationale en de gevolgen ervan nog moet worden geschreven. In 1952 werd onder invloed van Michel Pablo door een meerderheid van het secretariaat van de Vierde Internationale beslist om een politieke oriëntatie rond de tactiek van het entrisme op te leggen. Er zou voortaan binnen de massaorganisaties worden gewerkt. De meerderheid van het secretariaat, met Michel Pablo, Pierre Frank, Ernest Germain (Mandel) en Livio Maitan, vertrok van de politieke analyse dat de ontwikkeling van arbeidersstrijd, de groeiende radicalisering van de massa’s en de constante capitulatie van de traditionele leidingen een tegenstelling vormden die de massa’s onvermijdelijk zou doen breken met het reformisme en het stalinisme. Tegelijk zou die radicalisering leiden tot het ontstaan van linkse stromingen binnen die massapartijen. Sinds 1952 gaf Michel Pablo dus de nieuwe oriëntatie aan: “De taak van revolutionaire marxisten bestaat erin binnen deze bewegingen te werken om de ontwikkeling van linkse stromingen te versnellen en van daaruit kunnen we de noodzakelijke krachten halen voor de revolutionaire partijen van morgen.” (Michel Pablo, ‘De komende oorlog’, p. 105). Niet iedereen in de trotskistische beweging was het met deze praktijk eens. Er was een minderheid die een onafhankelijke werking wilde voortzetten terwijl tegelijk aan entrisme werd gedaan. In de Belgische afdeling hadden de hevige voorstanders het voor het zeggen, onder meer in de kleine groep militanten in de hoofdstad: Ernest Mandel, Emile Van Ceulen, Pierre Legrève en Gilbert Clajot. Voor hen was deze tactiek ook een antwoord op de vraag naar de heropbouw van de trotskistische beweging in België. Door zich enkel op het entrisme te richten en de onafhankelijke werking van de trotskistische partijen ten gronde te richten, brak de meerderheid van het secretariaat ook met een traditie van onafhankelijk functioneren, een traditie die bestond bij de grote politieke massaformaties van de reformisten en de stalinisten. m h h v o o oo h h v e m o v v e m Pgin gin gin m m et et eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an et et eimnrst eimnrst et et aeklnr aeklnr 285 Die controversiële beslissing was nochtans bepalend voor de toekomstige oriëntatie van de wereldwijde trotskistische beweging. De bestaande ervaringen met het entrisme, steeds beperkt in de tijd, zorgden ook voor verdeeldheid, maar ze werden toegepast als er geen autonome politieke tactiek was en als er in uitzonderlijke omstandigheden voor werd geopteerd. De nieuwe tactiek leidde tot discussies in meerdere afdelingen van de Internationale, het leidde tot de vorming van oppositiebewegingen, dissidenties en splitsingen. In de Belgische afdeling konden de hardste tegenstanders worden gevonden bij de trotskistische veteranen van Charleroi. Zij zagen deze nieuwe politieke oriëntatie als het verlaten van het trotskisme, des te meer omdat de tactiek van meet af aan slecht werd omschreven en voor onbepaalde duur werd voorgesteld. Bovendien moesten de militanten eerst nog aanvaard worden in de BSP en mochten ze zich politiek nog niet laten ontmaskeren. De strikte geheimhouding en het clandestiene functioneren van de afdeling bleef de norm. Er mochten geen al te forse kritieken worden geleverd. Een politiek empirisme en een overvloed aan voorzichtigheid vormden de regel. Men mocht zich politiek niet ontmaskeren en moest zwijgen over alle revolutionaire marxistische opvattingen om aandachtig te wachten op mogelijkheden om zich te profileren en verantwoordelijke posities te verwerven in de structuren van de BSP en het ABVV. De zoektocht naar verantwoordelijke posities waartoe de aanhangers van de militanten in de hoofdstad aandrongen, omvatte heel wat risico’s, van ideologische toegevingen tot integratie en aanpassing aan de reformistische apparaten aan wier discipline de militanten werden onderworpen. Zo zouden ze uiteindelijk, zelfs indien dit niet de bedoeling was, naar een reformistische positie overgaan. De politieke en syndicale secretarissen van de reformisten en stalinisten worden in de regel aangeduid door de apparaten zelf en niet door de arbeidersbasis. Bovenop wat hiervoor is aangehaald, moet worden opgemerkt dat de entristische praktijk niet gepaard ging met de opbouw van een externe onafhankelijke revolutionaire marxistische kracht. De discipline van de reformistische en stalinistische leidingen liet immers geen politieke kritiek of marxistische posities toe, terwijl dergelijke posities in een externe onafhankelijke werking wel mogelijk zijn. Het entrisme kan zich slechts richten op een poging om het rijpingsproces van echt radicale actie van de linkerzijde te versnellen om zo snel mogelijk de bestaande externe revolutionaire krachten te vervoegen in de strijd om de macht. Omdat er een te intellectuele en te langdurige benadering van het entrisme bestond, zonder duidelijke scheidingslijn met het reformisme, leidde het enkel tot de recrutering van enkele leden die actief waren in de intellectuele kringen in Brussel – studenten, bedienden en kaderleden. Deze nieuwe situatie zorgde ervoor dat het centrum van de leiding van de Belgische trotskisten naar Brussel verhuisde terwijl deze zich traditioneel in Charleroi had bevonden. De intellectuele autoriteit van Ernest Mandel en het overdadige 286 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 optimisme zorgden ervoor dat de nieuwe oriëntatie van het entrisme werd aanvaard en dat de leiding zich zou verplaatsen. Ondanks die verschuiving van de leiding, bleef de groep van trotskistische militanten van Charleroi een belangrijk onderdeel van de Belgische organisatie. De doorwinterde militanten van Charleroi hadden een arbeidersafkomst en onderscheidden zich door hun langdurige ervaring op het terrein van de klassenstrijd. Die ervaring deden ze op in naam van het trotskisme. Ze behielden een aanzienlijke invloed in arbeidersmilieus, onder meer onder de mijnwerkers van de regio. In de mijnen hadden ze zich laten gelden als agitatoren voor de massale stakingsacties, ze hadden stakerscomités geleid en het centrum van hun activiteiten werd georganiseerd vanuit het Volkshuis van Gilly. Ze bleven steeds nauw verbonden met andere belangrijke sectoren van de arbeidersbeweging, ondanks de constante aanvallen en haatcampagnes van de reformisten en de stalinisten. De krachten van de Belgische trotskistische beweging hadden echter zwaar geleden onder de oorlog. Bij de mobilisatie werden heel wat jonge militanten opgeroepen. Het isolement en de repressie vormden eveneens belangrijke factoren. Verschillende kaders, waaronder Léon Lesoil uit Chatelineau, de bekendste leider van de Parti Socialiste Révolutionnaire, werden in 1941 al opgepakt. Een vijftiental andere trotskistische militanten onderging hetzelfde lot. De meeste militanten werden gedeporteerd en zeventien van hen, leden of vroegere leden van de Vierde Internationale, kwamen om in de concentratiekampen van de nazi’s. Als gevolg en omwille van de numerieke zwakte van de afdeling, beslisten de meest vastberaden opposanten van Charleroi, ondanks hun afkeer tegenover het voorstel, om alsnog deze tactiek van intrede in de BSP te volgen. Ze bleven gedisciplineerd en engageerden zich in de partij. Maar omdat ze al eerdere ervaringen hadden met de BWP, hadden ze van bij het begin een revolutionaire marxistische visie op het entrisme waarbij de gevolgen van de tactiek wel overdacht werden. Er werd begonnen met het begrip dat de opbouw van een revolutionaire partij niet mogelijk was met verwarde methoden en verwarde politieke doelstellingen. Omdat de revolutionaire strijd die de groep van Charleroi al jarenlang voerde zich vooral afspeelde in de reformistische vakbonden, waar de massa’s zich bevonden, kon dit werk van entrisme onmogelijk worden aangevat met een uitvoerige voorzichtigheid of op basis van verwarring. Het eerste politieke doel was om steun te vinden voor de elementaire eisen en vervolgens om de arbeiders op een revolutionaire weg naar het socialisme te brengen. Dit alles gebeurde terwijl de capitulatie van de bureaucratische apparaten van de reformistische partijen en vakbonden systematisch werd aangeklaagd. Het is die weg die wij onafgebroken hebben gevolgd, ook in BSP, de SJW en in het ABVV. Voor de meeste trotskisten bevond het fundamentele probleem van de hele entristische tactiek zich in de praktijk. De meningsverschillen over het principe waren niet zo problematisch, maar die over de toepassing ervan waren dat wel. De meningsverschillen hadden vooral betrekking op de politieke praktijk en de duur m h h v o o oo h h v e m o v v e m Pgin gin gin m m et et eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an et et eimnrst eimnrst et et aeklnr aeklnr 287 ervan. Was het in België noodzakelijk om zich aan de apparaten aan te passen in de hoop om er geduldig de beste elementen te hergroeperen aan de basis om de leiding van de BSP tot een nieuwe politieke koers te dwingen op een meer linkse basis, of kwam het erop aan om eerst en vooral de revolutionaire krachten te winnen door de breuk van de massa’s met het reformisme van de BSP te versnellen door te handelen met het oog op de vernietiging van de bureaucratische apparaten doorheen directe tussenkomsten van de massa’s? Tussen die twee mogelijkheden was er geen enkele manoeuvreerruimte. Er was geen uitweg. De ontwikkeling van de klassenstrijd leidt steeds tot deze vraag: wat doen de revolutionaire marxisten die aan entrisme doen? Zich zachtjes en voorzichtig aanpassen aan de apparaten door te zwijgen over het marxisme en daarmee bij te dragen aan het verraad van de massa’s? De geschiedenis van de klassenstrijd laat geen onduidelijk antwoord op die vraag toe. De kwestie wordt bepaald door de gebeurtenissen zelf, er wordt geen uitstel of aarzeling toegelaten. Bovendien heeft iedere voorzichtigheid en iedere discipline steeds een precieze politieke inhoud. In alle omstandigheden is het noodzakelijk om het revolutionaire marxistische programma op een duidelijke manier naar voren te brengen en daarmee een politiek verschil te maken met het reformisme en het stalinisme. Zwijgen over de eigen politieke standpunten, posities die dezelfde zijn als deze van de klasse, of zich niet openlijk verdedigen voor eender welke reden, wekt niet bepaald vertrouwen op. Het komt erop neer dat de onderwerping aan het apparaat al wordt aanvaard en dat wordt aanvaard om erdoor gegijzeld te worden. Te veel voorzichtigheid leidt uiteindelijk, of men dat wil of niet, tot een onderdanige positie waarbij de trotskistische politieke posities worden ontkend. Omdat entrisme voor de Belgische afdeling betrekking had op de sociaal-democratie, was het noodzakelijk dat er een scherpe en compromisloze kritiek werd geformuleerd op de reformistische lijn van de BSP en het ABVV, zowel binnen als buiten die organisaties. Dat was de conditio sine qua non om het proces van breuk met het reformisme te versnellen en gehoor te winnen onder de arbeiders. Velen wachtten vol ongeduld op een breuk met de politiek van het overleg en de klassencollaboratie. Er werd gehoopt op een fors offensief tegen het kapitalisme. Daartoe was het noodzakelijk om steeds aan de basis actief te zijn, onder de arbeiders, en om op het politieke terrein aanwezig te blijven. Dat is het terrein dat voor de sociaal-democraten het minst stabiel is. Het is fout om de banden met de eigen basis te verbreken door zich in de apparaten te profileren. In alle omstandigheden moeten we trouw blijven aan de revolutionaire lessen van Lenin, Trotski, Liebknecht en Luxemburg, de eervolle en onsterfelijke figuren van het revolutionair socialisme, alsook aan het stichtingsprogramma van de Vierde Internationale. Het entrisme moet zoals alle andere strijdmethoden worden gevoerd onder de vlag van het revolutionair marxisme en het socialisme. De belangrijkste resultaten van de entristische tactiek waren beperkt tot de mogelijkheid van de aanhangers ervan om zich te organiseren in de Socialistische 288 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Jonge Wacht. Die jongerenorganisatie werd door de BSP aan zijn lot overgelaten en was zo goed als opgehouden te functioneren. Na meerdere jaren waarin de SJW terug werd gelanceerd en onder de jongeren bekend werd gemaakt en opgebouwd, kon het werk van de politieke kadervorming zijn vruchten afwerpen. Een aantal nieuwe leden die werden overgewonnen naar de posities van de trotskistische radicale linkerzijde, vormden het leidinggevende kader van de SJW. Die SJW vormde een vruchtbare recruteringsgrond voor de trotskistische beweging. Emile Van Ceulen speelde een centrale rol in de heropbouw van de SJW. Hij liet de jongerenbeweging een politieke koers varen die regelrecht inging tegen het reformisme van de BSP. Er werden door de SJW bijzonder virulente kritieken op het BSP-programma geformuleerd. Die kritieken hadden meer gemeen met de kritieken van de radicale linkerzijde dan met de voorzichtigheid die werd bepleit door de aanhangers van het entrisme. Die bleven desondanks oproepen tot voorzichtigheid tegenover de partijbonzen. De rol van politieke animator van de linkerzijde werd vervolgens voortgezet door Gilbert Clajot die eveneens een consistentie gaf aan de SJW. Daarmee moest de ontwikkeling van een linkse stroming binnen de BSP worden bespoedigd. Naarmate de SJW begon te groeien, begon deze organisatie zich ook steeds meer te distantiëren van de reformistische politiek. Maar in het algemeen had de SJW nooit een groot publiek en slechts een beperkte invloed in de arbeidersbeweging. De contacten met de syndicale jongeren beperkten zich vaak tot onregelmatige acties bij grote propagandacampagnes rond voornamelijk politieke thema’s zoals het anti-militarisme, verzet tegen de NAVO, solidariteit met de koloniale revolutie, verzet tegen repressieve wetten,… Er waren weinig contacten rond syndicale thema’s. Doorheen de periode van het entrisme was er een zekere kwantitatieve aangroei van de trotskisten, zeker in de linkse intellectuele middens. Was dat de vooruitgang die werd beoogd bij het begin van het entrisme? Gebeurde dit op solide revolutionaire marxistische politieke basis? Dat is verre van zeker. Want zodra La Gauche haar stem ook maar een beetje verhief en ook maar een beetje nadruk legde op haar kritieken en linkse politieke opstelling, bleef dit steeds binnen de grenzen die werden aanvaard door de BSP-leiding. Bovendien begonnen een aantal militanten af te haken. Van bij het begin van de tactiek van het entrisme werd het werk in de vakbonden verwaarloosd door de aanhangers van het entrisme. Voor hen zou de radicalisering van de massa’s hun strijd eerst en vooral vooruitbrengen in de reformistische en stalinistische partijen. In België had de nieuwe tactiek de activiteiten in de vakbonden zo goed als opgeofferd om alle activiteit te richten op de werking in de SJW en de BSP. Ondanks het feit dat we wisten dat de brede massa’s hun activiteiten niet in de BSP aan de dag legden, zelfs indien ze ervoor stemden, moesten we vaststellen dat de syndicale activiteiten aan hun lot werden overgelaten. Het syndicale werk vereiste nochtans een permanente activiteit. De massa’s bevinden zich in de vakbonden, de syndicale activiteiten van een revolutionaire partij moeten zich opwerpen als een m h h v o o oo h h v e m o v v e m Pgin gin gin m m et et eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an et et eimnrst eimnrst et et aeklnr aeklnr 289 strijdwapen van de arbeidersklasse. De partij staat dan misschien wel vooraan in de revolutionaire strijd, maar de fabrieksafdeling vormt nog steeds als een sovjet de kern ervan. Hierbij een uittreksel uit het ontwerp van resolutie van de Vierde Internationale over de werking in de vakbonden: “Vanuit numeriek oogpunt zijn de machtigste organisaties van de arbeidersklasse de reformistische vakbonden. Een communist moet actief zijn waar de massa’s zich bevinden. Eén van de meest dringende en belangrijke taken van alle organisaties en alle leden van de Vierde Internationale bestaat uit een werking binnen die vakbonden om er de invloed van de reformistische bureaucratie te breken en er de vakbondsleden in grote aantallen op de revolutionaire weg te brengen. Het is in de georganiseerde massa’s van de reformistische vakbonden dat de meest actieve nieuwe krachten voor de Vierde Internationale moeten worden gewonnen. Het verwaarlozen van die taak zal de Vierde Internationale en haar afdelingen tot stagnatie brengen, tot isolement en zal haar veroordelen tot verlamming.” (‘Naissance de la IVe Internationale 1930-1940, Les congrès de la Quatrième Internationale’, p. 190). Dat is wat er in werkelijkheid is gebeurd. Het is evident dat het entrisme heeft geleid tot stagnatie, isolement en verlamming van de ontwikkeling van het trotskisme in België. De SJW-afdelingen van de federatie Charleroi daarentegen hadden een sterke syndicale inplanting en ze waren quasi volledig uit arbeiders samengesteld. De SJW-afdeling van Gilly had zowat 50 leden, vooral arbeiders uit de glassector. De federatie Centrum had eveneens een arbeidersbasis, maar minder uitgesproken. De entristische praktijk had ervoor gezorgd dat een meerderheid werd bekomen in verschillende federaties en ook in de nationale leiding van de SJW. Die situatie had weinig directe gevolgen binnen de arbeidersbeweging, maar het zorgde er tegelijk voor dat een laag van kaders deze positie kon gebruiken als springplank voor een syndicale of politieke carrière. Sommigen eindigden comfortabel in de reformistische apparaten. In 1964, nadat La Gauche, Links en de MPW uit de BSP waren gezet en na de breuk van de SJW in 1965, bleven verschillende belangrijke kaders uit de trotskistische beweging op hun postjes in de apparaten van de BSP en het ABVV zitten. Om maar enkele van de meeste bekende figuren te vermelden. Gilbert Clajot was een fervent aanhanger van het entrisme en bleef na 1964 in de BSP om er carrière te maken als algemeen-secretaris van de BBTK in Brussel. Yvon Leene, voormalig lid van het Nationaal Bureau van de SJW, maakte carrière als algemeen-secretaris van de metaalbond en werd nadien voorzitter van de BSP-Federatie van Soignies. Robert Falony, voormalig lid van het Nationaal Bureau van de SJW, zette 290 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 zijn carrière als journalist voort bij Le Peuple. Daisy Lenaert, voormalig nationaal voorzitter van de SJW, sloot terug bij de BSP aan in 1970 en werd gemeenteraadslid in Fléron. Guy Desolre, voormalig lid van de leiding van de Belgische afdeling, werd vice-gouverneur van Vlaams Brabant. Dit kaderde allemaal niet in de vroegere opties van een radicaal-links ‘trotskisme’. Net zoals andere leden van de tendens La Gauche, nam Jacques Yerna in 1965 ontslag als verantwoordelijk uitgever van La Gauche om terug aansluiting te zoeken bij de BSP. Ernest Glinne brak met La Gauche en sloot een verzoeningsakkoord met de BSP-leiding. Hij werd vervolgens burgemeester van Courcelles, minister van werk en Europees parlementslid. Anderen sloten zich uiteindelijk bij Ecolo aan. De lijst kan nog worden aangevuld met diegenen die volledig met het linkse politieke toneel hebben gebroken. De verschillende politieke keuzes van bepaalde ‘trotskisten’ waren uitdrukkingen van het mislukken van het entrisme. In de plaats van te breken met de BSP, bleven ze er gewoon. We kunnen aannemen dat hun trotskistische opvattingen wel bijzonder fragiel waren. Het klopt dat het relatieve gewicht van de socialistische linkerzijde zich op de BSP-congressen kon uiten bij de stemmingen, maar dit bleef steeds een kleine minderheid. Die stemmen hebben de reformistische politiek van de BSP nooit kunnen stoppen en nog minder de integratie van de BSP in het kapitalistische regime. In die omstandigheden moesten zelfs de meest fervente aanhangers van het entrisme de beperkingen van de SJW en van La Gauche zien. Toen La Gauche werd opgericht in december 1956 was dit het werk van dezelfde groep entristische aanhangers uit de hoofdstad. De basis waarop het blad uitkwam, was geen politiek stabiele basis. Er waren gebreken en ambiguïteit. Om een linkse steun en geloofwaardigheid voor het initiatief te vinden, aarzelden de protagonisten niet om de steun van socialistische personaliteiten te vragen alsook van linkse figuren uit de syndicale en politieke wereld. Die figuren waren allemaal op verschillende wijze verbonden met de sociaal-democratie. Verschillende van hen hadden in hun activiteiten, in de steuncomités, linkse sympathieën naar voren gebracht en ze kenden elkaar ook op deze manier. Maar het ontbrak hen aan een politieke eenheid. La Gauche werd gedrukt op de persen van La Wallonie, een krant van de Luikse reformistische vakbond ABVV met een sterke renardistische inslag. Georges Dobbeleer had het verkeerd voor toen hij stelde dat “de ontmoeting tussen Ernest Mandel en André Renard zou bijdragen tot de vorming van een sterkere en radicalere ideologische kracht voor die theoretische uitdrukking van de linkse renardistische vleugel van de vakbond.” (‘Sur les traces de la Révolution’, G. Dobbeleer, p. 111). Het zou al snel blijken dat die ontmoeting niet zou leiden tot “een sterkere en radicalere ideologische kracht”. Integendeel. Ondanks een relatieve samenwerking m h h v o o oo h h v e m o v v e m Pgin gin gin m m et et eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an et et eimnrst eimnrst et et aeklnr aeklnr 291 bij het begin, zouden al snel opvallende politieke meningsverschillen ontstaan die uiteindelijk zouden leiden tot de breuk tussen La Gauche en André Renard. Die breuk was het gevolg van de oproep van La Gauche voor een algemene staking uit solidariteit met de mijnwerkers van de Borinage in februari 1959. André Renard was het totaal niet eens met die positie en besliste om zijn autoriteit te gebruiken om de publicatie van dat nummer van La Gauche op bureaucratische wijze te verbieden. Even later werd La Gauche vriendelijk verzocht om de lokalen van La Wallonie te verlaten. Deze confrontatie plaatste de voorstanders van het entrisme voor een keuze: ofwel de politiek van bureaucratische methoden aanklagen als een handelswijze van de reformisten om te vermijden dat de strijd zich zou uitbreiden, ofwel zich onderwerpen aan de renardisten. Deze keuze was het logische gevolg van de tegenstrijdigheden van het entrisme. Voor de aanhangers van het entrisme was een breuk niet haalbaar, het zou hen immers afsluiten van de renardistische vleugel. Er werd bijgevolg gekozen voor een positie van onderwerping met het argument dat je soms eens moet “kunnen zwijgen over de waarheid”. Dat kon politiek enkel fataal worden voor diegenen die door de entristische politiek steeds voor de keuze stonden tussen een revolutionaire marxistische politiek en het links-reformisme. De beslissing van de BSP-leiding om de MPW, La Gauche en Links wegens onverenigbaarheid uit te sluiten op het BSP-congres van 1964 werd genomen door een grote meerderheid. Het entristische werk had twaalf jaar geduurd en eindigde, zonder enig succes voor de protagonisten van het entrisme. Ze hoopten tot op het laatste moment op naïeve wijze dat de belangrijkste linkse krachten de BSP zouden verlaten om een alternatief op het reformisme te creëren. Ook dat perspectief was gedoemd om te mislukken, er waren slechts een duizendtal linkse socialisten die effectief braken met de BSP. Die breuk werd gevolgd door interne tegenstellingen, verdeeldheid, dissidenties, ontslagen en capitulaties. Voor anderen leidde het tot een lange inactieve periode in het linkse kamp. Vervolgens werd de SJW in 1965 uit de BSP gezet. Hierdoor viel de volledige linkse stroming op erg korte termijn uit elkaar. Trotskistische militanten die naam waardig weten dat een revolutionaire marxistische militant die actief is in politieke strijd los van de gevolgde tactiek nooit een positief bewijs kan leveren van ideologische zwakte. Een meerderheid van de trotskisten van Charleroi hield daar rekening mee toen ze stelde dat het falen van het entrisme in essentie verbonden was aan het principe van het entrisme maar ook aan het feit dat de meest fervente aanhangers ervan opgesloten zaten in hun logica van voorzichtigheid en hierdoor hun verantwoordelijkheid niet durfden of wilden nemen om op een gunstig moment te breken met de reformistische sociaal-democratie. Dat moest gebeuren in een opgaande fase van strijd, op een ogenblik dat brede massa’s een concrete ervaring van de capitulatie van de reformisten van de BSP en de stalinisten van de KPB opdeden. De aanhangers van het entrisme hadden nu, met een linkerzijde die in 292 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 de touwen hing, geen andere keuze dan alsnog een linkse socialistische beweging op te zetten met wat overbleef aan zwakke linkse krachten. In die omstandigheden is het niet verwonderlijk dat deze groep, zoals Georges Dobbeleer in zijn boek schrijft, haar “project niet kon concretiseren.”. Hij voegde eraan toe: “Van de kameraden die we in de BSP wonnen door ons entrisme en zelfs van diegenen die terug aansloten in 1964 bij de oprichting van de PWT en de UGS, bleven er enkelen meerdere jaren maar hun aantal smolt als sneeuw voor de zon.” (‘Sur les traces de la révolution’, G. Dobbeleer, p. 202). Men moet niet alleen objectief kunnen erkennen wanneer het ogenblik gunstig is voor marxisten om in een reformistische of stalinistische organisatie binnen te treden om er aan entrisme te doen, maar men moet ook weten wanneer het ogenblik gekomen is om te breken en de revolutionaire marxistische partij op onafhankelijke wijze uit te bouwen. Als het te lang duurt en er wordt vastgehouden aan een tactiek om een linkse tendens te vormen die uitblinkt in voorzichtigheid, dan veroordelen we onze krachten om vertrappeld te worden. Wat voor ons als trotskisten belangrijker is, is dat deze entristische ervaring ook heeft geleid tot een aanzienlijk tijdverlies terwijl we alle tijd nodig hadden om gedurende een langere periode te bouwen aan een revolutionair marxistisch perspectief. Het feit dat de Belgische trotskistische beweging na de oorlog numeriek erg zwak was, gebruiken om een entristische politiek op langere termijn te rechtvaardigen is politiek in ieder geval al niet goed te praten. Maar als er bovendien in de entristische praktijk verschillende weinig geruststellende posities worden ingenomen die de cohesie van het denken van de militanten die zich trotskisten noemen en zich op het revolutionaire marxisme baseren onder druk zetten, dan is het niet verrassend dat het entrisme in het algemeen niet de beoogde resultaten heeft bereikt en dat de resultaten van de aanhangers van deze tactiek eveneens erg beperkt waren. De resultaten moeten op een objectieve wijze worden geëvalueerd over de volledige periode. De resultaten waren niet alleen beperkt, ze waren teleurstellend. Het entrisme ontnam de afdeling niet alleen haar onafhankelijke politieke activiteit, maar het zorgde ook voor een stagnatie van de trotskistische beweging in België. De algemene staking van 1960-‘61 was een beslissend element om alle beperkingen aan te tonen en een onweerlegbaar bewijs te vormen van het falen van het entrisme. De versnelling van het proces van verwerping van het entrisme was niet aan het entrisme zelf toe te schrijven, maar aan de opstandige en revolutionaire algemene staking. Dat was de reden waarom alle kritieken en alle meningsverschillen tussen voor- en tegenstanders van het entrisme met des te meer vuur naar voren kwamen. Deze m h h v o o oo h h v e m o v v e m Pgin gin gin m m et et eiklnsu eiklnsu eiklnsu an an et et eimnrst eimnrst et et aeklnr aeklnr 293 tegenstellingen bestonden al toen de bocht naar het entrisme werd gemaakt, maar door de staking van 1960-‘61 kwamen ze versterkt op de voorgrond. Een aantal trotskistische militanten stelden hierop het voortzetten van het entrisme zoals dit werd voorgesteld door de leiding in Brussel in vraag. 294 XVIII De staking bij Hanrez: de vervolging van trotskisten gaat voort Om een objectief beeld van de staking bij Hanrez te brengen, heb ik mij gebaseerd op mijn herinneringen, de regionale media en vooral de teksten van het bulletin van de syndicale voorhoede in de metaalsector: ‘De waarheid over de staking bij Hanrez.’ Ik heb me in grote mate op die brochure gebaseerd met een aantal uittreksels. Deze staking mag niet worden vergeten. De staking toonde eens te meer het potentieel van de solidariteit onder arbeiders, maar ook van de medeplichtigheid en de klassencollaboratie met het patronaat vanwege de regionale vakbondsleidingen van zowel ABVV als ACV. Deze werden respectief vertegenwoordigd door Ernest Davister en François Camarata. In het kader van de activiteiten van de PORT waren er na de algemene staking niet enkel in de glassector van Charleroi trotskistische militanten die werden afgedankt. De vervolging van de trotskistische militanten door het patronaat en de syndicale leidingen ging verder. Op 17 januari 1975 werd een andere syndicale militant uit de metaalsector en lid van de PORT, René Andersen, afgedankt nadat hij 13 jaar bij Hanrez in Monceau-sur-Sambre had gewerkt. Het excuus voor zijn ontslag was dat hij zich “te vaak verplaatste in de fabriek”. De ware reden voor het ontslag moest bij de syndicale activiteiten van Andersen worden gezocht. Hij wilde het syndicalisme terugbrengen naar haar eigen plaats in de klassenstrijd. Aan de vooravond van de sociale verkiezingen werd bovendien duidelijk dat hij kandidaat zou zijn om ABVV-delegee te worden, ongetwijfeld zou hij ook verkozen worden. In het bedrijf zorgde de patroon, Urbain, al jarenlang voor een klimaat van terreur tegen de arbeiders en zeker tegen die strijdbare arbeiders die zich niet zomaar lieten doen. Het was niet uitzonderlijk dat een van die arbeiders werd afgedankt. De syndicale leiders van het ABVV en het ACV werkten dikwijls mee met die afdankingen. Zij hadden een syndicale delegatie aangesteld die werd geleid door Lardinois, een figuur die ervoor bekend stond dat hij alle syndicale leven in het bedrijf had beëindigd. De patroon van Hanrez was ook voorzitter van de patroonsfederatie Fabrimetal. Hij ging er bij zijn collega’s prat op dat er al 15 jaar geen enkele staking meer was geweest in zijn bedrijf. Los van de risico’s die erg reëel waren, besliste René Andersen om samen met andere arbeiders de strijd aan te gaan tegen die reactionaire patroon. Ze brachten regelmatig een syndicaal oppositieblad uit, ‘L’Avant Garde Métallo’ (de voorhoede van de metallo’s), dat erg populair was op de werkvloer. s t v e b g s t v v b v v v s v t v vv t v t v v tg s a D agiknt agiknt agiknt agiknt ij ij Henrz :de de egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv an an eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst at at ort ort ort ort ort 295 Er werden een aantal strijdbare syndicale activiteiten opgestart in het bedrijf. Zo werd solidariteit georganiseerd met een collecte voor de stakende dokwerkers van Antwerpen en Gent. René Andersen werd daarvoor gesanctioneerd door de patroon. Tijdens de spontane dokstaking in 1973 trok ik samen met René, Odette en Diana naar Antwerpen als solidariteitsdelegatie. Het stakerscomité van de Antwerpse dokwerkers vroeg me meteen om het woord te nemen op een personeelsvergadering om onze solidariteit en actieve steun met hun strijd te betuigen. We verdeelden er ook duizenden steunpamfletten van de PORT. Overal waar er onderdrukking is, broeit het verzet. De terreur op de werkvloer kan de klassenstrijd afremmen of uitstellen, maar het kan de mobilisatie niet verhinderen omdat het niets verandert aan de redenen waarom het ongenoegen en de mobilisatie ontstaat. Lardinois was al tientallen jaren delegee en ging na het conflict op pensioen. De strijd van verschillende arbeiders tegen de terreur op het bedrijf bleek lonend te zijn. De opeengestapelde woede die al jarenlang aanwezig was en zich steeds versterkte, kwam uiteindelijk aan de oppervlakte. De personeelsvergaderingen waren niet langer propagandabijeenkomsten van de patroon of vergaderingen om strijdbare arbeiders aan te pakken. Het ontslag van René Andersen was de druppel die de emmer deed overlopen. De arbeiders reageerden onmiddellijk: het bedrijf lag spontaan plat. De 450 arbeiders van Hanrez toonden daarmee hoe belangrijk ze het vonden dat arbeiders hun mening kunnen uiten en hoe hoog ze de syndicale rechten van de arbeidersklasse inschatten. Ondanks de druk van de patroon, de rijkswacht en de syndicale leidingen, werd zeven weken lang gestaakt. Dat was een uitzonderlijk voorbeeld van moed en inzicht in de demagogische manoeuvres van de vakbondsleidingen. Omwille van deze sterke elementen, kreeg de staking meteen de steun van heel wat arbeiders uit de regio. Er kwamen arbeiders en delegees op bezoek vanuit bedrijven met een traditie van strijd. Ze bezochten de stakerspost van Hanrez en verklaarden: “Wat jullie doen is bewonderswaardig, het is een les voor ons allemaal.” De staking van de arbeiders van Hanrez kwam er niet rond looneisen, maar was een uitdrukking van de solidariteit met een collega op de werkvloer die op schandalige wijze werd afgedankt omdat hij syndicaal actief was. De strijd van de arbeiders bij Hanrez was een verzet tegen de vervolging van de revolutionairen door het patronaat, de staat en de vakbondsleiders. Dat is waarom die laatsten de staking bij Hanrez van begin tot einde hebben proberen te saboteren. Dat deden ze eerder ook tijdens de twee stakingen bij Caterpillar in juni 1970 toen 25 arbeiders, waaronder twee ABVV-delegees, werden afgedankt voor hun syndicale activiteiten en in maart-april 1973 toen twee andere ABVV-delegees van Caterpillar eveneens werden afgedankt voor dezelfde redenen. Dit was ook het geval met de stakingen bij Brassico in juli-augustus 1973 voor de reïntegratie van afgedankte delegees, of de staking bij Forges de Clabecq waar 25 arbeiders waaronder twee ABVV-delegees werden afgedankt. 296 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Tijdens al die stakingen van 1970, 1973, 1975 hadden de vakbondsleidingen de mond vol over “syndicale vrijheden”, maar die term werd enkel gebruikt om hun politiek van klassencollaboratie en repressie tegen strijdbare en revolutionaire syndicale militanten te verstoppen. Wat schuilde er achter het ordewoord van de “verdediging van de syndicale vrijheden” dat naar voren werd gebracht door de vakbondsleidingen? Dit is wat Ernest Davister verklaarde tijdens de staking bij Caterpillar in maart-april 1973: “Als een delegee een fout maakt en de directie een sanctie wil opleggen, dan moet ze eerst de syndicale organisaties verwittigen en waarschuwen. De directie van Caterpillar heeft die procedure echter omgekeerd: er zijn eerst sancties opgelegd en dan pas werden de syndicale organisaties verwittigd. Dat is een probleem en het vereist een reactie van de arbeiders.” (Interview met de krant L’Indépendance op 7-8 april 1973). Het ordewoord van de “verdediging van de syndicale vrijheden” betekende voor de syndicale leidingen dus dat ze voor alles en enkel hun eigen bureaucratisch apparaat zouden verdedigen. Op die manier komt het een apparaat van verraad en repressie in dienst van de patroons en de burgerij. De vakbondsleiding wordt toezichthouder over de repressie tegen de arbeiders en de delegees die openlijk de strijd tegen het patronaat aangaan. Als de vakbondsleidingen de spontane mobilisaties van de arbeiders moeten erkennen en aanvaarden, dan zijn ze ook verplicht om de arbeiders financieel te ondersteunen. Dat gebeurt niet altijd automatisch, enkel indien de actie goed omkaderd is vanuit de vakbondsleiding. Het is hun bedoeling om de eigen functie als reformistische bureaucraat veilig te stellen en er wordt vooral gereageerd als de bureaucraten zelf worden miskend door het patronaat. Dan stelt er zich immers een probleem. Het feit dat ze niet op voorhand waren gewaarschuwd, was niet aanvaardbaar. Maar de willekeurige afdankingen van de arbeiders en delegees was dat blijkbaar wel. Om de positie van de vakbondsleidingen te verduidelijken, kunnen we verwijzen naar wat E. Davister verklaarde tijdens de staking van Caterpillar in 1973: “We weten hoe we ons eigen huis proper moeten houden. We hebben al delegees aan de kant geschoven en er zullen er nog volgen.” (Hij verwees daarbij naar de staking van Caterpillar in 1970 toen het uitvoerend comité van de metaalbond midden in het conflict op willekeurige wijze het mandaat van twee ABVV-delegees introk). Het is effectief daarover dat het gaat: de vakbonden zuiveren van militanten en delegees die zich niet zomaar onderwerpen aan de reformistische politiek van klassencollaboratie van de leiding. Wie de leiding niet volgt, wordt aan de patronale repressie blootgesteld. Als stakingsacties aan de controle van de vakbondsleidingen ontsnappen, dan worden de traditionele methoden van de klassenstrijd gehanteerd met het s t v e b g s t v v b v v v s v t v vv t v t v v tg s a D agiknt agiknt agiknt agiknt ij ij Henrz :de de egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv an an eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst at at ort ort ort ort ort 297 opzetten van stakersposten, stakerscomités, betogingen, solidariteitsoproepen, steunoproepen, het aanbrengen van slogans,… Dan beginnen de vakbondsleiders afstand te nemen van de acties van de stakers om de staking te doen mislukken. Er wordt begonnen met manoeuvres en ontmoediging, “de patroon zal toch niet plooien” of “jullie staan alleen in de strijd”. Als dat onvoldoende effect heeft op de arbeiders worden andere middelen bovengehaald. De toon van de vakbondsbonzen verandert. Alle initiatieven van het stakerscomité worden onder vuur genomen. Er wordt dan plots uitgehaald naar de “onverantwoordelijke” arbeiders die slogans op de muren aanbrengen, of naar het ophalen van geld uit solidariteit,… Als de staking zich dag na dag versterkt, zoals dit het geval was met de staking van Hanrez, dan zijn de vakbondsleidingen ten einde raad bereid om op eender welke manier een einde te stellen aan een staking die ze niet wilden. In deze staking moet de schandalige positie van E. Davister worden benadrukt. Hij riep op een bepaald ogenblik René Andersen apart bij hem na een stakingsvergadering. Hij vroeg Andersen om zelf tot de werkhervatting op te roepen en in ruil daarvoor zou hij een functie als vrijgestelde bij het ABVV krijgen. Dat schandalige voorstel werd op moedige wijze afgewezen door René Andersen. Hij deed dit op een personeelsvergadering zodat iedereen het wist. Andersen was rood van woede en afgrijzen. Toen deze nieuwe poging was mislukt, vielen de maskers van E. Davister en F. Camarata volledig af. Op de maandag van de achtste stakingsweek gaan ze zelf naar de stakerspost om er de arbeiders aan te zetten om het werk te hervatten. Ze voegden er het dreigement aan toe om de syndicale dekking van de staking in te trekken. Anders gezegd: wie verder staakt, zal niet meer worden uitbetaald. Het is enkel met een objectieve analyse zonder enige volgzaamheid en door concrete voorbeelden te geven dat de politiek van de reformistische vakbondsleidingen moet worden beschreven. Dan wordt het mogelijk om een beter beeld te hebben van de klassenstrijd aan de basis, zoals onder meer bij de twee stakingen bij Caterpillar, die van Brassico, die van Forges de Clabecq, die van Cockerill, die van Hanrez en een hele reeks andere stakingen ter verdediging van strijdbare arbeiders en delegees die werden afgedankt. Doorheen die voorbeelden blijkt de verraderlijke rol van vakbondsleidingen die tot op het bot van enige strijdbaarheid zijn ontdaan. Wat is nog het verschil tussen de rol van E. Davister en van F. Camarata? Beiden lieten de patroons toe om arbeiders en delegees die in verzet gingen aan de kant te schuiven. Ze gaven openlijk steun aan het patronaat zodat deze zonder een reactie van de vakbondsleidingen te moeten vrezen, kon overgaan tot afdankingen. Hetzelfde gold voor Lambion, syndicale leider van het ABVV in Luik die het mandaat van 30 delegees in de hoogovens van Cockerill introk zodat ze gemakkelijker aan de deur konden worden gezet door het patronaat. In al die gevallen hebben de vakbondsleiders zich aan de kant van het patronaat geschaard tegen de arbeiders van de voorhoede en tegen syndicale delegees die enkel hun klasse verdedigden. 298 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Het is in dit kader nuttig om de lezer te herinneren aan een artikel dat verscheen in het blad van de Parti Communiste Marxiste-Léniniste du Belgique (PCMLB), “Clarté et l’exploité” n° 91 van 7 mei 1975 onder de titel ‘De biecht van Davister’: “Tijdens een bijeenkomst in het Volkspaleis van Charleroi kwamen een vijftigtal toekomstige delegees uit de staal en de metaal bijeen. Davister verklaarde aan de verbaasde en gedegouteerde aanwezigen dat hij geen spijt had over wat er was gebeurd bij Hanrez, dat hij het geweld van de arbeiders afkeurde en dat hij gelijk had om delegees van La Providence te verbieden om hun solidariteit met de arbeiders van Hanrez te gaan betuigen of meer concrete solidariteitsacties te ondernemen aangezien die staking niets met de arbeiders van La Providence te maken had. Davister ontkende zijn rol in het ontslag van René Andersen niet toen die hem daarvan beschuldigde. Toen de patroon Urbain hem zei dat Andersen hem “tegenstak”, antwoordde Davister naar verluidt: “Jij bent de bedrijfsleider. Neem je verantwoordelijkheid en wees je eigen baas.” Als Davister dat niet eens ontkende tegen Andersen, dan wordt het een vaststaand feit. Davister had effectief een post van vrijgestelde voorgesteld aan René Andersen die dit als eerlijke syndicalist weigerde. Dat moet worden benadrukt.” Het klopt dat Davister dit verloop van de zaken niet ontkende tegenover Andersen. Er was wel degelijk een akkoord, samenwerking en een verraad door een onverantwoorde syndicale leider die liever de repressie liet gebruiken dan dat hij in alle omstandigheden de arbeiders in strijd zou verdedigen. Bovendien moet worden opgemerkt dat Davister geen rechtzetting heeft geëist voor het artikel in de krant van de PCMLB, ook al werd hij daar van verraad beschuldigd. Dat was niet enkel omdat hij geen polemiek wou opstarten, maar vooral omdat hij niet meer kon terugkeren op wat hij zelf had opgebiecht en waarvan hij vervolgens werd beschuldigd. Er waren vroeger veel arbeiders en gewone, eerlijke mensen zonder enige ambitie die het niet konden geloven dat een syndicalist zo ver was gegaan in het verraden van de arbeiders. Vandaag weten steeds meer eerlijke arbeiders dat de opeenvolgende voorbeelden van verraad door de vakbondsleidingen het directe gevolg zijn van de reformistische verzoeningspolitiek, van de compromissen, van de klassencollaboratie met het patronaat, de regering en de burgerij. Als vakbondsleiders zo ver gaan dat ze koudweg verklaren dat ze gelijk hadden om delegees te verbieden om hun solidariteit met de arbeiders van Hanrez te betuigen, dan wordt er een stap te ver gegaan. Het is een uitdrukking van een misprijzen van de arbeiders die in staking waren voor hun rechten alsook voor de families van deze arbeiders. Het is onnodig eraan te herinneren dat ook de patroons een zelfde gevoel van misprijzen tonen tegenover de regionale en nationale vakbondsleiders. Een aantal lezers zal misschien opmerken dat het wat te categoriek is om de reformistische vakbondsleiders van verraad te beschuldigen. Maar is het mogelijk om een andere en betere term te gebruiken voor dermate schandalige handelins t v e b g s t v v b v v v s v t v vv t v t v v tg s a D agiknt agiknt agiknt agiknt ij ij Henrz :de de egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv an an eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst at at ort ort ort ort ort 299 gen? Wij kennen in ieder geval geen betere term. Zeker niet als we vervolgens in L’Exploité n°116 van 10 december 1975 lazen: “Begin dit jaar had Davister, zo beweert Urbain alvast zelf, zijn akkoord gegeven voor het ontslag van René Andersen.” Dat is niet verbazend als we weten dat E. Davister persoonlijk alle details bij het ontslag van de arbeiders en delegees bij Caterpillar in 1970 en 1973 heeft geregeld. Zodra de patroons weten dat de vakbondsleidingen van ABVV en ACV hebben aangegeven dat ze geen echte strijd zullen voeren tegen het ontslag van revolutionaire linkse syndicalisten, dan zijn ze gerustgesteld. Dan houdt niets hen nog tegen. Integendeel. En zelfs indien er wordt gestaakt, dan blijven ze vastberaden. Zelfs tegen hun zin verliezen ze liever heel wat geld aan een staking, zolang ze de strijd uiteindelijk maar winnen. Als de arbeiders van andere bedrijven door de vakbondsleiding onder handen worden genomen om geen solidariteit te organiseren, dan wordt het onmogelijk om een bredere solidariteitsbeweging op te zetten. De stakers staan alleen en kunnen het financieel niet aan om te blijven staken. Het is daar waar de patroons en ook de vakbondsleiders op rekenden in ieder belangrijk conflict dat ze niet steunden: het isolement van een legitieme staking is hun laatste wapen om de arbeiders een nederlaag op te leggen. De traditionele vakbondsleidingen, zowel op regionaal als op nationaal vlak, plaatsen overleg en klassencollaboratie boven alles. De rol van de vakbondsleidingen van het ABVV en het ACV bestaat er niet uit dat ze syndicale acties ondernemen om de belangen van de arbeiders te verdedigen in een strijd van klasse tegen klasse. Neen, ze vervolgen de arbeiders, strijdbare delegees en revolutionaire militanten. Op die manier willen ze de bastions van strijdbaarheid en van klassenstrijd beperken en uitdoven en daartoe moeten ze soms doen alsof ze de strijd steunen. Syndicale bureaucraten zoals E. Davister, F. Camarata of Lambion erkennen de spontane acties van de arbeiders niet en ze versterken die alleszins niet. Voor hen verstoren spontane acties de rust en de politiek van klassensamenwerking. Ze doen er alles aan om die spontane stakingen in vraag te stellen om ze uiteindelijk de kop in te drukken. Achter demagogische toespraken schuilen vaak manoeuvres zoals het houden van geheime referenda. Ze proberen de arbeiders die aan de stakerspost staan, te overtuigen van het feit dat ze beter rustig naar huis gaan omdat de vakbondsleiders de zaakjes wel zullen regelen of zelfs met het argument dat er bij de beste stakingen niet eens een stakerspost nodig is. Als de pogingen om de arbeiders terug aan het werk te krijgen niet lukken, zoals bij Hanrez waar er na drie weken staking een geheim referendum was waarin 82% voor de voortzetting van de staking stemde, dan volgt het misprijzen tegenover dat resultaat. De pogingen om de staking op de klippen te laten lopen, worden gewoon voortgezet. Als de vakbondsleidingen onverstoord verder gaan met daden die ingaan tegen de belangen van de arbeiders of manoeuvres toepassen om spontane stakingen die ze niet konden tegenhouden te stoppen, dan is dit omdat ze niet de volledige autoriteit hebben die inherent moet zijn aan de functie waarvoor ze werden verkozen 300 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 en die normaal gezien het nodige respect met zich zou moeten meebrengen omdat enkel de belangen van de arbeiders worden gediend. Als dat niet het geval is, wat in de praktijk blijkt doorheen de vele voorbeelden van openlijk verraad ten dienste van de kapitalisten, dan rest er de arbeidersklasse maar één oplossing. Ze moeten zich zo snel mogelijk ontdoen van de hindernis die de reformistische vakbondsbureaucratie vormt. Het is immers een hindernis op de weg naar het socialisme. Ondanks de lange en moedige staking van de arbeiders van Hanrez gedurende zeven weken, werd de reïntegratie niet bekomen. Waarom was dit het geval en bij wie moet de verantwoordelijkheid worden gezocht? Alleszins niet aan de kant van de arbeiders. Die toonden een uitzonderlijke strijdbaarheid. De verantwoordelijkheid moet bij de verraderlijke vakbondsleiders van het ABVV en ACV worden gezocht. Deze voorbeeldige staking mag niet enkel aan de hand van het uiteindelijke resultaat worden beoordeeld. Indien het doel werd bereikt, dan was het uiteraard een overwinning geweest voor alle arbeiders. Maar dat was niet het geval en de redenen daartoe moeten worden gezocht bij de vakbondsleiders die er van meet af aan alles aan deden om de staking op de klippen te laten lopen. Ze gebruiken daartoe alle mogelijke middelen die we ons kunnen inbeelden. Veel arbeiders en delegees in de regio zagen dit als een belangrijke nederlaag. Maar voor de arbeiders van Hanrez die aan de staking hebben deelgenomen, blijft vooral de ervaring van het enthousiasme, de bewuste opofferingen waaronder ook financiële opofferingen. Deze arbeiders hadden niet het gevoel dat ze door hun patroon waren verslagen, ook al hadden ze het centrale doel van de staking, de reïntegratie, niet kunnen binnenhalen. Waarom heeft de vakbondsleiding er alles aan gedaan om de reïntegratie te vermijden terwijl dit toch een onderdeel is van het respect voor de “syndicale vrijheden”? De leiders wilden er alles aan doen om geen succesvolle staking te hebben waarna ze moeten omgaan met revolutionaire militanten die versterkt op de voorgrond treden met een politiek van klassenstrijd en daarbij beroep kunnen doen op arbeiders die achter hen staan. Doorheen deze staking hebben de arbeiders van Hanrez en de rest van de regio eens te meer de rol van de vakbondsleiders kunnen zien. Deze rol bleek al eerder in andere conflicten. Uiteraard moeten we van een nederlaag geen overwinning maken. Maar een staking mag niet enkel worden geanalyseerd aan de hand van het uiteindelijke resultaat. We moeten ook kijken naar de middelen die de arbeiders in hun strijd hebben gebruikt tegenover de vele demagogische manoeuvres van de vakbondsleiders en de provocaties van de patroon. Zelfs indien het uiteindelijke doel niet werd bereikt, kan niet worden ontkend dat deze staking door zijn lange duur een belangrijke uitdrukking was van de kracht en de strijdbaarheid van de arbeiders van Hanrez, alsook van de grote en belangrijke s t v e b g s t v v b v v v s v t v vv t v t v v tg s a D agiknt agiknt agiknt agiknt ij ij Henrz :de de egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv an an eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst at at ort ort ort ort ort 301 solidariteit van de andere arbeiders in de regio die ondanks de remmende factor van de vakbondsleidingen hun eigen middelen vonden om hun solidariteit te betuigen. Algemeen gesteld kan de voorbeeldige staking bij Hanrez worden gezien als een organisatorische overwinning voor de arbeidersklasse en een zware nederlaag voor Urbain en de vakbondsleidingen die gedurende zeven weken niet in staat waren om hun politiek van klassensamenwerking op te leggen. De directe actie in de klassenstrijd triomfeerde. De arbeiders kwamen versterkt uit deze strijd, ze deden een belangrijke ervaring op tijdens deze stakingsdagen en dat wierp zijn vruchten af bij toekomstige strijdbewegingen die onvermijdelijk waren. De strijd eindigt immers nooit na een staking, los van het feit of het een geslaagde of een niet-geslaagde staking was. De strijd gaat verder. Broers die enkel verbonden zijn door hun familienaam Om te besluiten over de staking bij Hanrez wil ik de aandacht van de lezer vestigen op een detail dat me belangrijk lijkt. Er mag geen verwarring zijn tussen Ernest Davister, de ABVV-vakbondsleider die voor het ergste soort van reformistische rechtse sociaal-democratie en die steeds bereid was om het patronaat te helpen en daartoe meermaals overging tot het breken van stakingen, zeker indien het om spontane stakingen van onderuit ging, en zijn broer Jules Davister. Politiek hadden beiden niets gemeen, ze deelden enkel hun familienaam. Jules Davister was militant van de KPB en een trotskistische revolutionair die lid was van de Vierde Internationale en delegee van de mijnwerkers in Gilly. Hij was een van de bekendste mijnwerkersleiders tijdens de mijnstaking in de regio Charleroi tijdens de Duitse bezetting. Ik sprak met de oude trotskisten uit Charleroi over de activiteiten van de trotskistische militanten in de regio en de rol van andere partijen zoals de KPB, de BWP en de vakbonden tijdens de bezetting. Ondanks het permanente risico om gearresteerd of naar Duitsland gedeporteerd te worden, was er wel degelijk arbeidersverzet. In 1942 gingen de mijnwerkers in staking. Jules Davister was een van de centrale organisatoren en woordvoerders van de eisen van de mijnwerkers: ze eisten betere lonen, een tragere productie, een betere voorziening van voedsel en goederen. Hij verdedigde die eisen voor de Duitse autoriteiten. Gezien de omvang van de staking bij de mijnwerkers, waren de Duitse autoriteiten er zich van bewust dat ze beter zouden toegeven aan de mijnwerkers om te vermijden dat de beweging zich zou uitbreiden naar andere sectoren waar ook strijd voor gelijkaardige eisen kon volgen. Als er nog sociale onrust zou volgen, zou dit de economie verstoren en de economie was er op gericht om de oorlogsbelangen te dienen. De onderhandelingen eindigden in het voordeel van de mijnwerkers die hun eisen ingewilligd zagen. Er kwam een loonsverhoging en ze kregen bijkomende voedselbonnen. Dit was een belangrijke overwinning gezien de gevaarlijke omstan302 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 digheden tijdens de bezetting. Dit had niet alleen een impact in de mijnen rond Charleroi, maar ook in de volledige steenkoolsector van Wallonië. De naam van Jules Davister raakte bekend en hij werd gerespecteerd door alle Waalse mijnwerkers en zelfs buiten de steenkoolsector. Deze overwinning was des te opvallender gezien de beslissing van de Duitse bezetters om iedere loonsverhoging bij wet te verbieden. Bovendien was er steeds het gevaar van arrestatie en deportatie naar Duitsland. In de bezette landen werd iedere vorm van oppositie meteen het zwijgen opgelegd. De bezetting had de krachtsverhoudingen compleet gewijzigd. Alle politieke partijen en vakbonden waren verboden. Maar zelfs in die enorm moeilijke en gevaarlijke omstandigheden, behielden de arbeiders hun strijdwil, ook al waren stakingen eerder zeldzaam. Er waren korte werkonderbrekingen, langzaamaan acties en soms kleinschalige sabotagedaden. Er was tijdens de bezetting altijd een verzet van de arbeiders aanwezig. Maar het resultaat van de offensieve staking van de mijnwerkers was toch een succes met een grote impact. In een verslag van die periode, gebracht door Rik Hemmerijckx (historicus aan de VUB) in het bulletin n°14 van ‘Syndicale actie en arbeidersstrijd in de regio Charleroi’, wordt meer verduidelijking gebracht over de activiteiten van de trotskisten in de steenkoolsector in de regio. Enkele uittreksels. ‘De acties van de Strijdfederatie van Mijnwerkers’ “Naast de Syndicale Strijdcomités en de Beweging van Delegees, werd ook activiteit aan de dag gelegd door een Strijdfederatie van Mijnwerkers. Het betreft hier een beweging die ontstond na de stakingen van juni 1942 in het zuidelijke mijnbekken van Charleroi. Er waren zowat 35 delegees uit verschillende putten in actief. Zij ontwikkelden ook enkele “traditionele” activiteiten: het organiseren van strijd rond bepaalde eisen, vertraging van de productie, verspreiding van propagandamateriaal,… ‘Mijnwerkersopstand’ was de naam van hun clandestien blad. “Deze federatie heeft als specifiek gegeven dat ze geleid werd door drie trotskistische militanten waarvan de bekendste Jules Davister was. De trotskistische invloed karakteriseert zich in de weigering om sectorieel overleg te plegen en door de propaganda voor directe actie als enige strijdmethode. “Het mijnbekken van Charleroi is de enige belangrijke sector waar de trotskisten een doorbraak konden forceren. Daarnaast hadden ze een invloed, ook al was deze beperkt, onder het treinpersoneel waar het blad ‘Strijd der spoorarbeiders’ werd uitgegeven. Maar de Strijdfederatie van Mijnwerkers was niet de enige organisatie op het terrein. Zoals we eerder al hebben gezien, stonden de activiteiten van de Syndicale Strijdcomités onder de controle van de communisten. Alle belangrijke leiders waren lid van de KPB of sloten zich later bij de KPB aan. De Strijdcomités begonnen hun activiteiten onder de mijnwerkers van Chaleroi en omstreken vanaf 1941. De Strijdcomités probeerden een dominante s t v e b g s t v v b v v v s v t v vv t v t v v tg s a D agiknt agiknt agiknt agiknt ij ij Henrz :de de egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv egilnorv an an eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst eiknorst at at ort ort ort ort ort 303 positie op syndicaal vlak te verwerven. De aanwezigheid van de Strijdfederatie van Mijnwerkers was een directe concurrentie. Dat was onaanvaardbaar, des te meer omdat de federatie werd geleid door trotskisten. Vanaf eind 1943 werd door de Syndicale Strijdcomités en de KPB van Charleroi een heuse haatcampagne gevoerd tegen de Strijdfederatie van Mijnwerkers. “Deze campagne bereikte in juli 1944 een hoogtepunt van onbeschoftheid toen Jules Davister er door de communisten openlijk van werd beschuldigd dat hij “uitverkocht had aan de Duitsers”. Omwille van die indirecte beschuldiging, zag J. Davister zich verplicht om onder te duiken. Blijkbaar is veel toegelaten in de naam van de strijd tegen de bezetter.” Alle aanvallen en haatcampagnes van de KPB van Charleroi tegen de trotskistische militanten en meer specifiek tegen Jules Davister zijn regelrechte voortzettingen van de valse processen en zuiveringen van de stalinisten tegen de bolsjewistische leiders. Als de stalinisten geen gelijk krijgen in democratische politieke debatten of als ze het niet kunnen aanvaarden dat trotskisten een steun krijgen en invloed verwerven onder de arbeiders op basis van hun activiteiten, dan wordt overgegaan tot beschuldigingen die uiteindelijk steeds vals blijken te zijn. Maar niet getreurd, stalinisten maken van beschuldigingen en vervalsingen een deugd. Laat ons eens luisteren naar een andere klok over de persoonlijkheid en de activiteiten van Jules Davister. In het boek ‘Ernest Davister, een levenswerk, een strijd’ (uitgegeven door de Metaalfederatie van Charleroi-Henegouwen), wordt op pagina 12 het woord gegeven aan René Couke, voormalig syndicaal secretaris en lid van het uitvoerend comité van de metaal. Hij heeft het over zijn eerste ontmoeting met Ernest Davister na de oorlog: “Het is in die periode dat ik me snel realiseerde hoe beslissend de rol was die zijn broer Jules had gespeeld in zijn vorming als syndicale militant. Jules was ouder dan Ernest. Hij was een echte communistische basismilitant, een trotskist van het eerste uur. Ernest was onder de indruk van zijn broer. Als hij nadien zelf nooit een trotskistisch militant werd, was dit volgens mij uit trouw aan zijn vader die een belangrijke socialistische militant was en een groot aanhanger van Jaurès. Dat gezegd zijnde, had zijn broer een uitzonderlijke persoonlijkheid: hij was arm, maar was volledig toegewijd aan de anderen. Hij had zelf niets tijdens de bezetting. Hij ging regelmatig over tot sabotage, verdeelde kranten,… Om de persoon en de overtuigingen van zijn broer goed te plaatsen, wees Ernest graag op een dag tijdens de oorlog toen hij te laat aankwam in het station van Lodelinsart met een clandestiene krant die hij zou verspreiden. Zijn broer gaf hem een mep om hem aan de noodzakelijke orde te herinneren en om hem te doen begrijpen dat hij door zijn houding de hele groep in gevaar bracht.” Die anekdote van de mep kenden wij als jonge trotskistische militanten al langer. De oude trotskisten hadden het ons al lang verteld voor René Couke ermee voor de dag kwam. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de geschiedenis van de succesvolle 304 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 mijnwerkersstaking van 1942, tijdens de bezetting, onder leiding van de trotskisten waaronder Jules Davister. Maar de arbeiders die Ernest Davister hebben meegemaakt tijdens de spontane stakingen, zoals bij Caterpillar en Hanrez, of hebben gezien welke rol hij speelde in de vakbond als reformistische bureaucraat die zonder scrupules rechtse standpunten innam en een politiek van compromissen en klassencollaboratie verdedigde, stellen zich wellicht de vraag: wat heeft hij geleerd van de marxistische posities van zijn broer in zijn vorming als syndicale militant? Blijkbaar niets, want Jules Davister heeft zijn hele leven gemiliteerd voor een politiek van revolutionaire klassenstrijd op basis van directe actie. De standpunten die nadien door Ernest Davister werden ingenomen waarbij hij inging tegen de arbeiders die spontaan in staking gingen en tegen strijdbare syndicale militanten, maken duidelijk dat Ernest Davister niets heeft onthouden en alles overboord heeft gegooid, het enige dat hij zich herinnerde, was de mep die hij kreeg van zijn broer. In essentie stond hij voor het volgen van de reformistische socialisten die op dat ogenblik al een zwaar verleden van verraad aan de arbeidersklasse met zich meedroegen. Dat was een weg die veiliger was om een carrière te maken als syndicaal of politiek militant binnen het apparaat van de reformistische sociaal-democratische familie van de BSP en het ABVV. Als we zien hoeveel keer hij als stakingsbreker is opgetreden, dan stellen we ons vaak de vraag hoeveel keer zijn broer Jules zich niet moet hebben omgedraaid in het graf. Ik heb spijtig genoeg niet het voorrecht gehad om de voorbeeldige trotskistische revolutionaire militanten Jules Davister of Leon Lesoil te kennen. Maar de oude trotskistische militanten van Charleroi die strijdgenoten van beiden waren, hebben hun vastberadenheid voortgezet in de strijd voor de bevrijding van de arbeiders van onder het juk van de kapitalistische uitbuiting. Ze hebben zich ook steeds rechtlijnig verzet tegen ieder verraad van de reformistische en stalinistische apparaten en daarbij vertrokken ze van het perspectief van de socialistische revolutie. Het is die strijd die we voortzetten en we hopen dat we de strijd van de oude trotskisten op een waardige wijze verder voeren. 305 Conclusie Ik ben aan het einde gekomen van mijn verhaal. Ik kan nog veel over dit onderwerp zeggen, maar ik moet ophouden als ik wil dat dit boek op tijd verschijnt om de 50ste verjaardag van het conflict te gedenken. Zo hoort het. Ik heb de gebeurtenissen willen neerschrijven zoals ze zich voorgedaan hebben, zonder hun belang te willen over- of onderschatten, en zonder voorbij te gaan aan de verantwoordelijkheden van alle betrokkenen. Met mijn getuigenis wil ik de ervaringen van de fantastische strijd van de arbeiderklasse in die periode doorgeven. Dit verhaal wordt gedreven door de wil om het enorme potentieel aan strijdbaarheid, wilskracht en uithoudingsvermogen in de arbeidersklasse van het land aan te tonen en in de verf te zetten. Deze algemene staking bewijst voor eens en voor altijd dat de revolutionaire wil van de arbeidersklasse intact blijft. Het vuur blijft steeds smeulen onder de assen, als een slapende vulkaan die op elk moment kan uitbarsten en alle oude revolutionaire tradities van de Belgische en internationale arbeidersbeweging doet herrijzen. Ook veertig jaar na de staking lieten de commentaren van de rechtse pers weinig aan de verbeelding over: “Veroordeeld door rechts dat de beweging als onstabiel beschouwt, en opgehemeld door links dat de solidariteit in strijd van de arbeiders ophemelt, ontwikkelt de staking zich al snel tot een krachtsmeting van zeldzame intensiteit”. (Le journal du Siècle, n°93, supplement van het dagblad ‘Le Rappel’ n°46 op 24 februari 1999) De belangrijkste redenen voor de neergang van de beweging zijn trouwens de wallingante en regionalistische doelen van haar leiding. Deze situatie zal een echte malaise veroorzaken bij de stakers, wat resulteert in een nieuwe oriëntatie naar federalistische doeleinden. In de plaats van de eenheid van de arbeidersklasse van het land te bevorderen, wordt de verwarring bij de stakers versterkt. Dat is vooral het geval bij de Vlaamse stakers die André Renard verwijten dat hij hen midden in de strijd verlaat, dat hij hen verraden heeft. Deze omleiding, dit achterlaten van een belangrijk deel van de arbeidersklasse, bezorgde de leiding van het Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV een voor hen eervolle uitweg. Het christen-democratische blad ‘La Cité’ schrijft op 9 januari 1961: “de leiders van de staking moeten de krachtmeting moeten stoppen en een eervolle uitweg zoeken.” Het is nochtans zeker dat de leiding van de FGTB nooit een confrontatie met het kapitalistisch systeem gewild hebben. Dit gezegd zijnde, hebben ze gezocht naar een 'eervolle uitweg' met de bureaucratische introductie van het federalisme, daar waar dit in de ogen van de arbeiders die dagelijks in de klassenstrijd betrokken waren een valse oplossing was, en al helemaal geen eervolle uitweg. 306 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De achteruitgang van de Waalse economie duwde de reformistische leiding van de Waalse linkerzijde naar het idee dat enkel het federalisme een oplossing was. Soepelere overheidsstructuren zouden helpen bij economische hervormingen, die de terugval zouden stoppen. Uiteraard stelden de reformisten op geen enkel ogenblik de fundamenten van de kapitalistische economie zelf in vraag. Al tijdens de algemene staking toonde het idee van federalisme zijn limieten. Ondanks het aandringen van zijn voorstanders was niet iedereen akkoord. Er was zelfs onenigheid over in het kamp van de reformistische, syndicale en politieke apparaten van de linkerzijde zelf. Deze klassenstrijd, die zich van in het begin progressief richtte tegen het kapitalistische regime, werd door de federalistische leiding afgeleid naar een strijd tegen de unitaire staat en dat zonder enige inspraak of instemming vanwege de stakers. De spontane staking van 1960-'61 geeft een levendig beeld van de maturiteit van de arbeidersklasse, die niet vocht voor aanpassingen van de kapitalistische staat, maar voor socialistische, revolutionaire oplossingen. Veel van de stakers van toen praten er nog maar zelden over, tenzij in het licht van één of andere staking. Ik denk nochtans dat we erover moeten blijven vertellen, omdat deze 'staking van de eeuw' zijn plaats in de geschiedenis van de klassenstrijd heeft en omdat deze glansrijke pagina van de Belgische klassenstrijd niet genoeg herdacht kan worden. Wat is er vandaag, in de federale staat waar André Renard zou hard naar verlangde, veranderd voor de arbeiders? Ook nu dragen de arbeiders de gevolgen van de kapitalistische crisis en de sociale afbraak. Ook vandaag stemmen opeenvolgende regeringen antisociale wetten (het Generatiepact, het Globaal Plan,...). Ook vandaag wordt er jacht gemaakt op de werklozen door hun uitkeringen te verminderen of in te trekken zodat ze moeten gaan aankloppen bij de OCMW's. Nochtans stijgen ook vandaag, zoals toen, de winsten van de patroons naar recordhoogte terwijl de armoede nog nooit zo groot was: tot 15% leeft onder de armoedegrens. Ook vandaag willen conservatieve, rechtse politici dereguleren en de sociale zekerheid afbreken. Ook vandaag blijft de economische terugval duren, en worden door de patroons fabrieken gesloten of gedelokaliseerd. Ook vandaag staat vele gewone mensen het water aan de lippen. Een deel verdrinkt zelfs. 23% van de bevolking leeft op de rand van de armoede, 22% van de alleenstaande vrouwen komt niet rond. De werkloosheid is en blijft hoog. Ook vandaag worden de syndicale vrijheden en het stakingsrecht eenzijdig in vraag gesteld. Als vandaag de gevolgen dezelfde zijn, is dat omdat de oorzaken dezelfde zijn. Deze oorzaken zijn inherent aan het kapitalistische systeem, met zijn aureool van miserie. Een halve eeuw na de algemene staking is er nog niets opgelost voor de werkenden. Kapitalistische crisissen bestaan nog steeds, met de bijhorende sociale afbraak, miserie en onzekerheid. De Belgische staat is intussen een federale staat. “Ieder baas in eigen huis”, zoals André Renard het verwoordde. Maar wat is er fundamenteel veranderd voor de massa's? De miserie en de wandaden van het kapitalisme, met zijn streven naar de o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 307 maximale winst, bestaan nog steeds, en de collectieve noden en belangen worden nog steeds opzijgeschoven voor een steeds verdergaande uitbuiting ten voordele van de rijksten. Het is niet omdat de Vlamingen, de Walen, de Brusselaars en de Duitstaligen nu een eigen regering hebben, dat de situatie van de Belgische arbeiders verbeterd is, integendeel. Het kapitalisme richt nog steeds een enorme sociale ravage aan. Vlak na de algemene staking van 1960-'61 werd gesproken van een nederlaag, een gemiste kans, een verloren strijd, verraad. Dat is allemaal correct. Het is ook waar dat deze antisociale wet uiteindelijk met een meerderheid van rechtse parlementairen en senatoren gestemd werd. Maar de grote lijnen werden vervolgens, stap voor stap, uitgevoerd door opeenvolgende regeringen, met de deelname van zij die beweerden tegen deze wet te zijn, die beweerden links te zijn, met name de BSP in samenwerking met de apparaten van de ABVV. Vervolgens hebben ze zich onthouden van elke vorm van actie. Als kers op de taart stemde de BSP zelfs, samen met de rechtse partijen, anti-stakingswetten, onder het mom van “ordehandhaving”. Hierdoor kreeg onder andere de rijkswacht, instrument om de arbeidersklasse te onderdrukken, veel meer middelen. Maar laat ons niet vergeten dat elke arbeidersstrijd, waarover ze ook gaat, niet enkel af te meten valt aan haar onmiddellijke resultaat. Wat velen die dit conflict meemaakten bijblijft, is het hernieuwen van de tradities van de arbeidersstrijd, waarvan sommigen dachten dat ze allang vervlogen waren. Spontane werkonderbrekingen, stakerscomités, mobiele stakerspiketten, controle van het verkeer, het op bepaalde uren openen van winkels door de stakers, en onder hun controle, sabotages, wegblokkades,... en dat allemaal gedurende de volledige staking en in heel het land, ondanks de repressie en de arrestaties. Op dit gebied was de staking een groot succes en een grote organisatorische overwinning voor de voorhoede en de arbeiders aan de basis. Daarom moeten we hun methoden op dit gebied blijven bestuderen. Het grootste deel van de stakers ging terug aan het werk met opgeheven hoofd, en met het gevoel dat ze hun klassenverplichtingen nagekomen waren. Sommigen waren ontgoocheld en woedend dat ze de revolutionaire doeleinden die ze voor ogen hadden niet hadden kunnen bereiken. Velen keerden terug in een stoet, de rode vlag voorop, de vuist in de lucht en de Internationale zingend. Als op sommige plaatsen de herneming maar 'stilletjes' verliep, zoals bij Glaverbel-Gilly, dan was dit een uitzondering en zeker niet de regel. De directie van Glaverbel-Gilly begon de aanval met het onmiddellijke ontslag van twee werknemers waaronder een syndicale delegee, omdat ze aan de basis van de werkonderbreking lagen. Vervolgens legden ze voorwaarden op voor het heropstarten van de ovens: een loonverlaging van 1% en een nieuw contract met verlies van anciënniteit voor al wie er werkte. Dit gebeurde op de meest vernederende manier. Een indrukwekkende haag van rijkswachters omsingelde namelijk de arbeiders in het bedrijf zelf. 308 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 De arbeiders van Glaverbel-Gilly zijn in het geheel niet schuldig aan deze situatie. De verantwoordelijkheid rust op de schouders van de regionale ABVV-centrale van de glassector, en van de delegatie van het bedrijf. Met onaanvaardbare maatregelen wilde de directie van Glaverbel-Gilly de arbeiders die, net zoals anderen, hun klasseninstinct hadden gevolgd en op de ochtend van 20 december 1960 het werk neerlegden, zwaar straffen. Met de ontslagen en de maatregelen herstelde de directie van Glaverbel-Gilly de krachtsverhoudingen in haar voordeel nadat ze door de algemene staking verstoord waren. Eenmaal de algemene staking was afgelopen, werden de arbeiders geconfronteerd met tegengestelde emoties. Langs de ene kant waren ze ontgoocheld omdat de uiteindelijke confrontatie tussen arbeidersklasse en patronaat niet had plaatsgevonden. Maar langs de andere kant was de strijdbaarheid en de inzet die ze toonden in deze 35 dagen durende historische strijd nog lang niet verdwenen. De woede tegenover het kapitalistische regime was nog steeds aanwezig onder de massa's, ze wilden doorgaan tot het einde en hadden hun laatste woord nog niet gezegd. In Gent: “Het enthousiasme van de stakers was op de laatste dag even groot als op de eerste; we zijn nog altijd bereid om de strijd opnieuw aan te gaan.” (‘Image d’une grève’, van F. Demany, p. 76) In Oostende: “Het is met tegenzin dat de zeelui van Oostende terug aan het werk gaan. In de haven wordt gezegd dat hun vingers jeuken om de strijd terug aan te gaan” ( id., p. 79) In Antwerpen: “Er was bitterheid en verdriet. We hebben gehuild toen we terug aan het werk gingen, het was moeilijk” (Mon Roosens, vrijgestelde van ACOD-Antwerpen in een video over de staking van de eeuw, Cenforsoc, ABVV) In Charleroi en in de regio Centre: “We kunnen bevestigen dat over de strijdbaarheid van de arbeiders heel groot blijft. In Charleroi gaan de spoorarbeiders opnieuw in staking op 25 januari, samen met hun kameraden van het Centrum, om [succesvol, trouwens] te protesteren tegen de sancties tegen de stakers” (‘Hiver 60-61, la Grève du Siècle’, p31) o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 309 En welk gevoel hield meneer Eyskens over aan de destabiliserende staking van '60-'61, 25 jaar na datum? “Ik heb mijn plicht vervuld.” In een exclusief interview met ‘La Nouvelle Gazette de Charleroi’ op 19 december 1985 getuigde de voormalige eerste minister. Hierbij enkele verhelderende stukjes, moest het nog nodig zijn, voor de meest alerte militanten van toen en vooral voor de militanten van vandaag: “Ik heb me verzet, maar dat was enkel mogelijk omdat ik de onvoorwaardelijke steun van van de christelijke vakbonden en van het ACW kreeg, zowel in Wallonië, Vlaanderen als Brussel.” Wat minder bekend was bij de strijdende massa's en bij de meerderheid van de meest bewuste socialistische militanten van die tijd, is het volgende, wat Gaston Eyskens zich herinnert: “Ik had vele contacten met de BSP tijdens de staking, en op een gegeven moment zei de leiding van de socialisten me: ‘Maak u niet moe. Het gaat niet om de Eenheidswet maar over uw vertrek. De regering moet vallen.’” (onderlijnd door de auteur) Van in het begin eisten de stakers de terugtrekking van de Eenheidswet en de val van de regering, twee eisen die onlosmakelijk verbonden waren. Nochtans beperkte algemene staking zich voor de socialistische leiders tot de eis van de val van de regering. Eyskens is opmerkzamer: “ Ik herinner me dat de arbeiders geen eisen rond werk naar voor schoven. Voor mij was het een invraagstelling van het parlementaire regime. Ik kon geen toegevingen doen.” Het was inderdaad het hoofddoel van de stakers in deze verlammende en revolutionaire staking om de burgerlijke instellingen in vraag te stellen. Het ABVV drukte het mooi uit toen het haar 'strijdplan' tegen de Eenheidswet voorstelde op 24 september 1960: “De enige manier die we zien om er te geraken is niet via arbeidersstrijd, maar via electorale afstraffing en betogingen.” We mogen niet vergeten dat het uitgebreide nationaal comité van het ABVV zeven socialistische parlementairen bevatte die hun mandaten cumuleerden. Vervolgens, toen de algemene staking een feit was, beperkte het secretariaat van het ABVV zich tot een verbijsterend immobilisme, onder het voorwendsel dat het gewest van Luik bezig was met een actieplan. Later zeiden ze hierover dat “het onmogelijk was om een algemeen nationaal actieplan op te stellen voor het hele land” (rapport van het statutair congres van het ABVV, december 1962, p 731). Dit geeft heel duidelijk weer dat het ABVV niet wou weten van een nationale, gecoördineerde 310 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 actie die veel meer impact zou hebben dan de regionale acties. Nochtans moest ook de leiding in 1962, na het conflict, toegeven: “De staking nam, ook in Vlaanderen, een zware wending: een maximum aan effectieven werd erin betrokken. De staking slaagde veel beter dan dat we hadden kunnen hopen”. (id., p. 741) Al van in het begin van de algemene staking kon de burgerij en de regering-Eyskens vaststellen dat de reformistische leiding van de BSP en de rechterzijde van het ABVV niet van plan waren om de vijandigheden te openen. De leidingen van de BSP en de KPB zagen trouwens enkel heil in een parlementaire oppositie tegen de Eenheidswet, iets wat slechts tot een dovemansgesprek tussen links en rechts geleid zou hebben, en zeker nooit zou leiden tot het terugtrekken van deze miseriewet. Het parlement werd immers gedomineerd door de reactionaire rechterzijde. Onder deze omstandigheden was het voor de arbeiders duidelijk dat hun politieke leiding niet van plan was om hun revolutionaire strijd ook buiten het parlement te voeren. Hoewel de meningen in het parlement verdeeld bleven, hielden de politieke en economische elite toch een zekere afstand. Ziehier de titel van het blad ‘L'Indépendance’ uit Charleroi op 11 januari 1961: “De politiek is ongerust en verslagen over de verlenging van de staking.” Bovendien is er op 13 januari 1961 sprake van het ontslag van de socialistische parlementsleden om een tweede front te openen. André Renard vraagt op dat moment hulp aan BSP-voorzitter Leo Collard: “We kunnen niet meer. De staking duurt nu al 25 dagen. De Waalse arbeiders zijn verwikkeld in een strijd op leven en dood. En ondertussen wonen de verkozenen academische zittingen over de Miseriewet bij.” (Le Monde, 14 januari 1961) Men mag de uitgeputte leiding van de vakbondsapparaten niet verwarren met de massa's die de strijd tot het einde wilden voeren. Noch de BSP, noch het ABVV claimden trouwens ooit de leiding van de beweging in de opkomende fase van de staking. Ze ondergingen de staking meer dan dat ze deze leidden. De rechterzijde van het ABVV richtte zelfs een front op met de leiding van het ACV, met als doel om de solidariteit die er al van in het begon was onder de basismilitanten van beide vakbonden te breken. De campagne van de communiqués van de rechterzijde van het ABVV en de vele communiqués van het ACV gedurende de staking zijn onmiskenbare bewijzen van hun wil om de solidariteit tussen de strijdende arbeiders te breken. Deze gaven trouwens blijk van een uitstekend klassenbewustzijn en ze bleven gedurende het hele conflict solidair. o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 311 Niet dat de vele oproepen van de ACV-leiding aan de christelijke arbeiders om terug aan het werk te gaan en geen politieke stakingen te steunen op veel bijval konden rekenen. De wil om de strijd voort te zetten bleef groot bij de Brusselse, Waalse en Vlaamse arbeiders. Op 11 januari droegen de stakers op een betoging in Antwerpen met zo'n 25.000 deelnemers een veelzeggend spandoek: “De Vlaamse arbeiders blijven doorgaan tot het einde.” (L’Indépendance, 11 januari 61). In de eerste dagen van de staking verklaarde Major nochtans in naam van de nationale ABVV-leiding in het parlement dat het ACV “een in essentie antisocialistische beweging is.” Hij noemde de christelijke arbeiders “stakingsbrekers en klassenverraders” (parlementaire handelingen van de Kamer, 22 december 1960, p. 44). Ik denk dat noch de ACV-militanten, noch de ABVV-militanten iets te verwijten valt. De echte klassenverdelers zijn de leidingen van de vakbonden die er elk op hun manier alles aan gedaan hebben om de eenheid tussen de arbeiders aan de basis te saboteren. De strijd tegen de besparingen ging uiteraard de gehele arbeidersklasse van het land aan. Als sommige linkse vakbondsbureaucraten bij grote explosies van volkswoede een radicalere retoriek gebruikten voor een bepaald publiek, dan was dat voornamelijk om te verbergen dat ze de principes van het revolutionaire socialisme al lang overboord hadden gegooid. André Renard, in 1958, twee jaar voor de staking: “Het is duidelijk dat de periode 1932-1936, de periode 1944-1947 en het jaar 1950 veel gemiste kansen op echte, structurele hervormingen vertegenwoordigen. De syndicale en socialistische militanten moeten zich nu al beginnen voorbereiden. We moeten ten allen prijze vermijden dat de volgende explosie van volkswoede wederom resulteert in enkele beloften van materiële voordelen in het kader van het sociale kapitalisme.” (A. Renard, ‘Vers le Socialisme par l’Action’, p. 52). Ondanks de linkse retoriek is het de populaire renardistische strekking die ervoor zorgt dat in '60-'61 de beweging tegen de besparingen van de burgerlijke regering afzwakt, en dat door het foute perspectief van federalisme in de beweging in te voeren. Opnieuw moeten we met de vinger wijzen naar de reformistische strekkingen binnen links voor het dwarsbomen van de revolutionaire doeleinden van de beweging, door ze eisen voor te spiegelen die netjes binnen de grenzen van het kapitalisme bleven. Opnieuw werd een historische kans gemist. Maar deze keer met de goedkeuring en de medeplichtigheid van de reformistische strekkingen van het renardisme en de pseudomarxisten, die zich niet wilden losmaken van het neo-reformisme door een werkelijk marxistisch, revolutionair alternatief aan te bieden aan de strijdende massa's. In die context is het verbazend dat de arbeidersklasse zo veel geduld had met haar officiële politieke en syndicale leiding, terwijl die van een stuitende lafheid blijk gaf. 312 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Maar het is begrijpelijk dat de arbeidersklasse, die haar massa-instrumenten doorheen vele strijdbewegingen opbouwde, deze niet als bij toverslag zal verlaten, zeker niet na alle offers die de opbouw ervan vergden. De gehele arbeidersklasse is er zich van bewust dat de traditionele leiding niet mee stapt in de revolutionaire ambities. Maar ze hebben niet beter. Het is daarom dat ze bij elke nieuwe explosie van volkswoede alle krachten bundelen in deze massa-organisaties. Trotski zei over de rem die de traditionele arbeidersleiding op een beweging kan vormen, zowel reformistische of stalinistische leidingen, het volgende: “Het is juist omdat het proletariaat doorheen bijna honderd jaren strijd deze organisaties opgebouwd heeft, dat het moeilijk, ja bijna onmogelijk, wordt om zonder hen de strijd tegen hen en tegen het kapitalisme aan te gaan. En nochtans is wat ooit een absolute noodzaak in de strijd was, nu een dood gewicht of een rem geworden.” (Leon Trotski, ‘Où va la France’, p. 46) Aan de andere kant waren de zeldzame ordewoorden van de Coördinatiecomité van de Waalse gewesten van het ABVV enkel van toepassing in Wallonië. De reformistische apparaten van het ABVV en de BSP waakten er goed over dat er nooit een nationaal ordewoord gegeven werd. Dit verklaart de verdeling van de slagkracht van de arbeiders. Dit vergemakkelijkte ook de repressie van de arbeiders door de rijkswacht, een mobiele eenheid die zich makkelijk naar een massaconcentratie kon begeven. De weigering om een nationaal ordewoord te verspreiden was een bewuste tactiek en gaf de leiding van het ABVV de kans om de eenheid tussen de arbeiders te breken. De gevolgen van deze tactiek waren enorm. Het versplinterde de slagkracht van de arbeidersbeweging. Het was in zekere zin een onrechtstreekse uitnodiging aan de burgerij om de beweging van de algemene staking op bloedige wijze de kop in te drukken. De afwezigheid van een nationale leiding zorgde voor een progressieve verbrokkeling van de beweging. Door alles af te wentelen op de regionale leidingen, maakte de nationale leiding van het ABVV de ontwikkeling van een nationale stakingsleiding onmogelijk, waardoor vervolgens enkele regionale leiders van het ABVV regionalistische conclusies trokken. In de strijd tegen het kapitalisme heeft de arbeidersklasse altijd een goede leiding nodig. Dat is enerzijds om efficiënt weerwerk te kunnen bieden aan elke vorm van besparingen en anderzijds om de arbeidersklasse de weg vooruit te tonen in de strijd om de macht. Het is niet omdat een algemene staking op een bepaald moment een destabiliserend en revolutionair karakter krijgt, dat de overwinning al in zicht is. Over het algemeen stelt een algemene staking de vraag van macht. Maar om die macht te grijpen, heeft de arbeidersklasse een marxistische, revolutionaire leiding nodig die bekwaam en beslist is om de macht te grijpen. Het is deze factor die pijnlijk genoeg ontbrak om deze algemene staking te laten slagen. o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 313 Een algemene staking kan soms, door de lafheid van haar leiding, op niets uitdraaien in het licht van haar klassendoeleinden. Een langdurige algemene staking heeft echter altijd een enorme impact op het bewustzijn van de massa's, ze verhoogt het bewustzijn en geeft de arbeidersklasse vertrouwen in haar eigen kracht. Of de strijd in een bepaalde sector nu bijzonder hevig is of juist niet, staat daar los van. In tegenstelling tot het idee dat betere loonvoorwaarden de strijdbaarheid en het bewustzijn van de arbeiders dempen, is het omgekeerde gebeurde. Het is juist in de sectoren met de hoogste lonen, zoals bij de staalarbeiders van Cockerill in Luik, de metaalarbeiders bij ACEC, de glasblazers in Charleroi en de dokwerkers in Antwerpen dat de eerste spontane werkonderbrekingen in de privé plaatsvonden. Zij vormden tijdens het hele conflict de harde kernen van de algemene staking. Het veegt de twijfel over de wil en de strijdbaarheid van de best betaalde arbeiders van tafel. Trouwens, voor de sceptici die nog mochten twijfelen aan de strijdlust van de arbeiders, is het nuttig om te zien wat Fernand Demany hierover zegt: “De staking was niet alleen gericht tegen de Eenheidswet, maar ook en vooral tegen een politiek die haar ware gezicht niet durfde te tonen en die alle sociale verworvenheden die in het verleden door de arbeiders werden afgedwongen in vraag stelde. De staking van december 1960 en januari 1961 was een geweldige en instinctieve reactie van de arbeidersklasse tegen haar eeuwige klassenvijand. Wat begon als een beweging ter zelfverdediging, ontpopte ze zich al snel tot een offensief tegen het economische regime. In dit licht overtreft ze qua betekenis, hevigheid en doelstelling op lange termijn de staking van de zomer van 1950 die Leopold III tot aftreden dwong.” (F. Demany, ‘Image d’une Grève’, p. 8) De huidige financiële crisis is eigen aan de neoliberale economie. Ze is in werkelijkheid maar één van de aspecten van de globale crisis van het kapitalisme. De crisis is diep en onomkeerbaar. Er rest geen andere oplossing meer dan de fundamenten van het kapitalisme in vraag stellen. De crisis is voor de arbeidersbeweging een kans om actie te voeren, met een strategie die niet gewoon wat economisch oplapwerk voorop stelt, maar de gehele transformatie van de kapitalistische samenleving. De linkse organisaties mogen niet blijven steken in de defensieve strijd tegen de afbraak van de moeizaam afgedwongen sociale verworvenheden. Dat is uiteraard een volledig legitieme strijd, maar linkse organisaties moeten een stap verder gaan. Ze moeten opkomen voor een revolutionaire strijd en hebben daartoe nood aan een programma dat ingaat tegen de normale gang van zaken in het kapitalisme. Een programma dat zich baseert op de machtsovername door de arbeidersklasse. Alle actuele strijdbewegingen, voor het behoud van jobs, lonen, tegen de verlenging van de werkuren, tegen de helse werkritmes die een enorme, bijna onverdraagbare stress met zich meebrengen... geven aan dat de arbeidersklasse de uitbuiting 314 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 van het kapitalistische regime met zijn miserie, werkloosheid, onzekerheid,... steeds minder verdraagt. Dit resulteert in steeds fellere reacties, met stakingen die steeds langer duren en soms zelfs een gewelddadig karakter krijgen. De klassenstrijd wordt opgedreven. Het is daarom dat deze stakingen ook dikwijls te maken krijgen met eenzijdige verzoekschriften van de rechtbank. In deze omstandigheden wordt het duidelijk dat de syndicale vrijheden, bekomen na harde gevechten in het verleden, steeds meer botsen met de 'democratische' regels van het kapitalistische regime, dat geconfronteerd wordt met één van de diepste crisissen in haar bestaan. Er zijn vandaag nog veel arbeiders en syndicalisten die geloven in het socialisme en haar revolutionaire doctrine, maar die zich afvragen met welke actiemethodes de sociale afbraak en de stoet van miserie die het kapitalisme met zich meebrengt, gestopt kan worden. Sinds een tijdje is het niet meer de sociale vooruitgang die in vraag gesteld wordt, maar worden de sociale verworvenheden zelf op de helling gezet. In deze context is de prioriteit van de syndicale leidingen niet meer het in vraag stellen van het kapitalisme, maar het systeem aanpassen met een politiek van 'het minste kwaad' en klassencollaboratie. Dit gaat lijnrecht in tegen de principeverklaring van klassenstrijd, zoals dit werd vastgelegd op het stichtingscongres van het ABVV in april 1945. Uiteindelijk is het verschil tussen de methode van klassenstrijd en de methode van klassencollaboratie duidelijk geworden. Het doel van de syndicale beweging kan wellicht niet duidelijker verwoord worden als in de principeverklaring van het ABVV: “Het syndicale idee, dat een klassenloze maatschappij en het verdwijnen van loonarbeid beoogt, zal bewaarheid worden door een totale verandering van de (huidige) maatschappij.” De principeverklaring van de socialistische beweging, vastgelegd in het “Charter van Quaregnon” gaat in dezelfde radicale richting: “De arbeiders zullen hun bevrijding enkel vinden in de afschaffing van de klassen en in een totale verandering van de huidige maatschappij.” Waaruit bestaat nu deze totale en radicale verandering van de kapitalistische samenleving die het ABVV in haar beginselverklaring voorop stelt? Eonomische democratie: “Om eenieder, in functie van z'n werk en z'n behoeften, het deel van de rijkdom te geven dat hem toekomt, moet de syndicale beweging vooropstellen dat naast politieke democratie, ook sociale en economische democratie onontbeerlijk zijn.” Afschaffing van de holdings: “Geboren uit de klassenstrijd, benadrukt het ABVV dat de strijd moet evolueren naar een even hevige strijd van alle producenten tegen de oligarchie van o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 315 banken en monopolies, die de absolute heersers van het hele productieapparaat zijn geworden.” Planning en nationalisatie: “Volgens de syndicale beweging moeten de grote trusts van banken en industrie gesocialiseerd worden. Het is ook nuttig dat de handel met het buitenland georganiseerd, bestuurd en gecontroleerd wordt.” “De vakbond verbindt er zich toe om, volgens zijn beginselen, organen te helpen creëren met als uiteindelijk doel de arbeidersklasse de leiding van de economie te geven, aangepast aan de noden van de gemeenschap.” (A. Renard, ‘Vers le Socialisme par l’Action’, p. 38) Ondanks de congressen van het ABVV in 1954 en 1956, waar met grote stelligheid de beginselen van de syndicale actie opnieuw werden bevestigd met eisen als de nationalisatie van de energiesector en een planeconomie onder arbeiderscontrole, werden deze ideeën niet in de praktijk gebracht. Ze werden na de congressen zelfs compleet achterwege gelaten door de syndicale leidingen. De sociale hervormingen die door de verschillende strijdbewegingen van de arbeidersklasse afgedwongen werden, worden vandaag meer en meer in vraag gesteld door de aanvallen van de burgerij. Ze hadden enkel geconsolideerd kunnen worden als de totale verandering van de samenleving werd nagestreefd. Maar dat was niet het geval. De klassenstrijd werd volledig verlaten, in de plaats daarvan werden de vakbonden geïntegreerd in de kapitalistische structuren. Dat is hoe de economische structuren van het kapitalisme konden standhouden. Een programma met eisen tot radicale economische verandering kan enkel efficiënt zijn als het een overgangsprogramma is tussen kapitalisme en socialisme, een programma dat de kwestie van machtsovername door de arbeiders voorop stelt. Maar deze machtsovername is niet wat de vakbonden en de reformistische en stalinistische partijen willen. Om haar macht te behouden, zal de burgerij de syndicale apparaten steeds verder in haar structuren zal moeten integreren. Om dit te bereiken, gebruikt ze alle middelen van klassencollaboratie die intussen voorhanden zijn. Het gaat onder meer over de Centrale Raad voor Economie, de Nationale Raad voor Werk, bedrijfsraden, de vele paritaire commissies, de verzoeningscommissies of ook coalities in de regering; Al deze organen werken als een buffer die de kapitalisten moet beschermen tegen de aanvallen van de arbeidersklasse. De burgerij kan trouwens enkel aan de macht blijven als de traditionele arbeiderspartijen en de vakbonden zich inspannen om tijdens grote uitbarstingen van klassenstrijd, zoals de algemene stakingen van 1932, 1936, 1950 en 1960-1961, de beweging te kanaliseren en doeleinden te geven die de fundamenten van het kapitalisme niet in vraag stellen. 316 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Vandaag is er een kapitalistische crisis die zich blijft verdiepen en dient een nieuwe grote confrontatie tussen de klassen zich aan, want “de wetten van geschiedenis zijn veel machtiger dan de apparaten van de bureaucratie” (Trotski, Overgangsprogramma, p. 7). In deze omstandigheden kan het syndicalisme dat zich vaag inspireert op de klassenstrijd niet blijven doorgaan. Het moet zijn rol van echt strijdsyndicalisme terug opnemen. Het is een keuze tussen twee wegen: de klassencollaboratie of de klassenstrijd. Deze keuze is bepalend voor het slagen of falen van de komende strijdbewegingen. Het zal ook de toekomst van de arbeidersbeweging bepalen. Van meet af aan werd de syndicale beweging geconfronteerd met twee tegengestelde bewegingen. Enerzijds is er het strijdsyndicalisme dat de machtsovername door de arbeidersklasse wil door middel van stakingen en de krachtdadige onteigening van de productiemiddelen. Anderzijds is er het reformistische syndicalisme dat via klassencollaboratie (onderhandelingen over collectieve akkoorden, paritaire organen etc.) probeert om stap per stap het sociale statuut en de bescherming van de arbeiders te verbeteren. Dat syndicalisme is vandaag echter niet meer in staat is om sociale vooruitgang te bekomen. Hoewel het hoofddoel van het ABVV officieel de totale hervorming van de maatschappij blijft, hebben de syndicale organen zich in de praktijk steeds meer aangepast en zich stap per stap geïntegreerd in het 'sociale kapitalisme'. Vandaag is de manoeuvreerruimte van de reformisten om sociale vooruitgang te bekomen volledig verdwenen. Het is daarom dat de basismilitanten die de praktijk van klassenstrijd erkennen en een nationalisatie onder arbeiderscontrole van de banken en de grote bedrijven eisen, scheef bekeken worden door de vakbondsapparaten. Zonder de strijd voor de concrete eisen van de arbeiders te verlaten, moet de strijd ook worden versterkt met een geheel van radicale, antikapitalistische en revolutionaire eisen. Dat zijn eisen die niet realiseerbaar zijn binnen het normale functioneren van het kapitalisme. Het is vandaag voor de arbeiders duidelijk dat de tactiek van de syndicale actie die zich beperkt tot het afvijlen van de scherpste kantjes van het kapitalistische systeem in realiteit niets veranderd heeft aan de sociale situatie van de arbeiders. Integendeel, deze tactiek bracht de arbeidersklasse in een impasse, en nu worden we verplicht om de kapitalistische crisis te betalen. Het overgangsprogramma tussen het kapitalisme en de socialistische samenleving kan maar worden gerealiseerd door een revolutionaire strijd voor het veroveren van de macht. Laat ons opnieuw het woord geven aan Trotski die in maart 1935 stelt: “De kapitalisten staan pas iets af aan de arbeiders als ze anders alles dreigen te verliezen. Maar zelfs de meest verregaande ‘toegevingen’ die het huidige kapitalisme in crisis kan doen, blijven absoluut onbelangrijk vergeleken met de miserie van de massa's en de diepte van de sociale crisis. Het is daarom dat de meest dringende eis van alle de onteigening van de kapitalisten en de nationalisatie van de productiemiddelen moet zijn. Is deze eis onrealistisch o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 317 onder de heerschappij van de burgerij? Uiteraard. Daarom moet de macht veroverd worden.” (Trotski, ‘Où va la France’, p. 42) Of nog: “De crisis van de mensheid is terug te brengen tot de crisis van de revolutionaire leiding.” (Overgangsprogramma, p. 6) Zoals altijd denken defaitisten en sceptici dat grote bewegingen met algemene stakingen, zoals in 1932, 1936, 1950 en 1960-1961, vandaag niet meer mogelijk zijn. Niets is minder waar. Ik blijf ervan overtuigd dat, eens de burgerij een besparingsplan lanceert in het kader van een frontale aanval op de arbeidersklasse, deze zich eengemaakt zal verzetten in een strijd die de tradities van revolutionair en rebels verzet waardig zal zijn. Dit verzet zal er komen omdat ook de oorzaken ervan nog steeds dezelfde zijn. Deze zijn inherent aan het kapitalisme. Elke samenleving die niet in staat is om in de behoeften en vrijheden van iedere man en iedere vrouw te voorzien, is voorbestemd om te verdwijnen. Maar geen enkele sociale klasse geeft de macht op zonder ze op alle mogelijke manieren te hebben verdedigd. Het is de basisreden waarom de arbeidersklasse de revolutionaire strijd moet aangaan en de macht moet nemen, om zo het kapitalisme omver te werpen. Er is geen andere weg naar het socialisme. Lenin gaf kritiek op de 'linkse' Duitse communisten die weigerden om in de vakbonden te militeren. In het kader van die kritiek had Lenin het over de strijd tegen de vakbondbureaucratieën in het westen: “Deze strijd is onontbeerlijk en moet meedogenloos zijn, zoals wij ook gedaan hebben. We moeten al deze starre 'leiders' van het sociaal-chauvinisme en het opportunisme in diskrediet brengen en uit de vakbonden verjagen. Het is onmogelijk (en zelfs het proberen niet waard) om de politieke macht te veroveren zolang deze strijd niet tot op een bepaald niveau gevoerd is. 'Een bepaald niveau' wil zeggen dat er niet overal een zelfde niveau is, maar dat dit afhangt van het land en van de omstandigheden.” De citaten van Lenin en Trotski moeten niet gezien worden in een literair, maar in een praktisch kader. Ze blijven onmisbaar voor al die marxistische, revolutionaire militanten die vandaag werken binnen de grote reformistische vakbonden. De revolutionaire partij en haar militanten zijn deze naam niet waardig als ze geen genadeloze strijd voeren tegen de vakbondsbureaucratie die een rem is op de ontwikkeling van strijdbewegingen en weigert om ze te verenigen in een strijd tegen het kapitalisme en voor de instelling van een socialistische samenleving. De 318 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 tijd is rijp voor het socialisme en haar marxistische revolutionaire doctrine. Maar dan moeten diegenen die deze titels claimen ze ook waard zijn. Hoe een nieuwe revolutionaire leiding creëren? De traditionele leiding van de arbeidersbeweging is sinds lange tijd bezig aan een integratieproces in de kapitalistische samenleving. De revolutionaire arbeidersbeweging staat tegelijk voor de enorme strijd om het kapitalisme omver te werpen. Om deze strijd te winnen, moet allereerst een revolutionaire massapartij opgezet worden. Zoals al gezegd door Ernest Mandel in 'Syndicalisme van de staat of syndicalisme van de strijd', nr 1, p 48: “André Renard weigerde om de revolutionaire partij te creëren die op dat moment binnen handbereik lag. In de plaats daarvan, creëerde hij de MWP”. Dit gebeurde ondanks het feit dat de omstandigheden om het reformisme te verlaten bijzonder gunstig waren. De anarcho-syndicalist Renard was trouwens niet de enige centristische leider die niet op dat pad wou gaan. Alvorens verder te gaan, zou ik graag in herinnering brengen dat de trotskistische militanten uit Charleroi vlak na het einde van de algemene staking er in de discussies op hamerden dat er een historische mogelijkheid was om een partij die verder ging dan het traditionele reformisme op te richten. Het was vooral nodig om iets te doen met de concrete ervaring van de massa’s in de afwijzing van het reformisme tijdens deze dagen van strijd. Is het nog nodig te herhalen dat het doel van de entristische tactiek van de trotskisten de openlijke breuk met het reformisme was zodra de tijd rijp was? Maar in de plaats van te handelen met deze breuk in het achterhoofd, handelden de leiders van de socialistische linkerzijde omgekeerd. Laat ons kijken wat Nicolas Latteur hierover zegt in het boek 'Changer la société sans prendre le pouvoir' (p.96-97): “Het is in die zin dat de leden van de MWP, vooral Waalse syndicalisten, en leden van de linkerzijde van de BSP, de creatie van een nieuwe partij op het oog hebben en daarvoor samenkomen op 11 december 1963. De vergadering wordt samengeroepen op initiatief van Jacques Yerna. (...) Maar er is geen unanimiteit. Hoewel volgens een aantal syndicalisten de tijd voor de breuk rijp is [onderlijnd door gd], verdedigde de hoofdredacteur van La Gauche, Ernest Mandel, de voortzetting van de praktijk van tendensvorming. André Genot (voorzitter van de MWP na de dood van André Renard op 20 juli 1962) herinnert hem aan het gevaar van uitsluiting die deze tactiek met zich meebrengt.” We kunnen vaststellen dat er onder de honderden aanwezige arbeiders een belangrijke groep van renardistische syndicale leiders was die een breuk met het reformisme niet zag zitten. Maar zoals we lezen in de verslagen van de bijeenkomst, is het de leider van de socialistische linkerzijde, Ernest Mandel, die geen aanstoker o o o oo Cceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu ceilnsu 319 is maar zelfs net het felste verzet levert tegen deze breuk. Eerder schreef hij nochtans over een “grote kans voor het revolutionaire socialisme.” In dezelfde periode schrijft Mandel in 'Lutte des classes' van april 1963: “Zonder revolutionaire partij betekent het verlaten van een traditionele partij 99 keren op de 100 een terugval in apolitisme en passiviteit. Het is dus een uitdrukking van demoralisatie en geen vooruitgang van het bewustzijn.” Met zo'n vooringenomen en sectaire redenering is het niet moeilijk zich te vergissen en te denken dat het reformisme er voor eeuwig is. Om een revolutionaire massapartij te vormen, is het absoluut nodig om eerst effectief te breken met de politieke leiding van de traditionele reformistische partij. Vervolgens is er in gunstige omstandigheden een goede kans om een nieuwe revolutionaire partij op te zetten, in de plaats van zich eeuwig te wentelen in de reformistische tactieken door in de traditionele partij te blijven. De breuk is geen essentiële uiting van demoralisatie, maar een uiting van revolutionair bewustzijn en historische vooruitgang. Hier is nogmaals het bewijs, mocht dat nog nodig zijn, dat Ernest Mandel weigerde om te breken en om zijn verantwoordelijkheid te nemen op een cruciaal moment in de revolutionaire strijd. Sinds lang pleiten de trotskisten trotskisten, die naam waardig, al voor een nieuwe revolutionaire leiding en een breuk met het traditionele reformisme en het stalinisme. Samen met concrete ideeën over de manier waarop deze leiding zal ontstaan, is het ook absoluut nodig om elke periode van klassenstrijd te analyseren en om te herkennen wanneer er een gunstige periode is voor het ontwikkelen van een revolutionaire politiek. Deze periodes, zoals '60-'61, moeten noodzakelijk resulteren in het opzetten van een nieuwe revolutionaire massapartij. De voorhoede en de bredere arbeiderslagen, die zich vooral in de arbeidersorganisaties bevinden, overtuigen van deze breuk, zal een lang proces zijn dat veel geduld, energie en vooral doorzettingsvermogen in de strijd voor het socialisme vraagt. Deze strijd moet onverzettelijk en zonder zelfgenoegzaamheid gevoerd worden, om het verraad van de syndicale en politieke apparaten van het reformisme en het stalinisme aan te tonen. Als de massa's, zoals in '60-'61, hun eigen ervaringen opdoen met het verraad van de reformisten, staat elk uitstel, elke twijfel gelijk met een politieke capitulatie die achteraf niet meer goedgepraat of gerechtvaardigd kan worden. Eenmaal de historische kans voorbij is, kan je er niet meer achterna hollen en moet je de politieke gevolgen ervan dragen. Het is trouwens belangrijk om weten dat elke entristische tactiek die niet uiteindelijk leidt tot een breuk vloekt met een revolutionair project. Als deze tactiek gebruikt wordt in afwachting van revolutionaire ontwikkelingen, maar intussen enkel leidt tot een overmatige voorzichtigheid tegenover de leiding van de reformistische apparaten om zichzelf toch maar te kunnen handhaven in een traditionele partij, wordt deze tactiek een eindpunt op zich en kan ze alleen maar mislukken. 320 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 Na al die tijd blijf ik ervan overtuigd dat, als alle Belgische trotskisten openlijk gebroken hadden met de reformistische sociaal-democratie op het moment dat de stakersmassa's de verradersrol van de traditionele leidingen doorhadden, en als het blad La Gauche een orgaan in de revolutionaire socialistische strijd werd en een uitdrukking aan de revolutionaire ambities van de stakers in hun strijd om de macht had geboden, deze breuk elke hindernis had kunnen opheffen en een revolutionair perspectief had kunnen bieden en dit in overeenstemming met de wil van de massa's. Dit had zeker een impact gehad op het verdere verloop van het conflict, en de basis kunnen overtuigen van de creatie van een nieuwe linkse socialistische partij, wat zeker mogelijk was vlak na de algemene staking. In dit kader is het belangrijk om in te gaan tegen het huidige reformistische syndicalisme. Dit syndicalisme baseert zich nog steeds op de verzoening en de collaboratie van de arbeidersklasse met het patronaat. Het laat het strijdsyndicalisme voor wat het is. Dit heeft als resultaat dat de integratie van de vakbonden in de structuren van de kapitalistische maatschappij versterkt wordt. Uit mijn bescheiden maar reële ervaringen in de algemene staking van '60-'61 is het idee voor dit boek ontstaan. Dit boek is niet geschreven omwille van de nostalgie van een oude strijder, maar als een getuigenis van een stakende arbeider aan de basis. Die strijder was niet neutraal, maar wil de jongere generaties de politieke lessen aanreiken die kunnen worden getrokken uit de algemene staking. Dat is belangrijk om in toekomstige strijdbewegingen succesvol te zijn. Ik zou onze betreurde kameraad René Dewaret, voormalig mijnwerker van Châtelineau, trotskistisch veteraan en dichte strijdmakker van Léon Lesoil, tot slot willen citeren. René had een rijke ervaring met arbeidersstrijd, hij had actief deelgenomen aan de algemene stakingen van 1932, 1936, 1950 en 1960-1961. Hij had volledig gelijk toen hij op 18 januari 1961 op de bijeenkomst van het “Uitgebreide Politieke Bureau” van de Vierde internationale de meerderheidstendens, die werd vertegenwoordigd door Ernest Mandel, “kartonnen bolsjewieken” noemde. De auteur. 321 Enkele woorden om af te sluiten Mijn werk aan dit boek en mijn ontmoetingen met Gustave Dache hebben me de gelegenheid geboden om beter kennis te maken met deze doorwinterde militant van de arbeidersklasse van wie het vuur voor de strijd ondanks de vele jaren nog niet gedoofd is. Het doel van dit boek is zeker niet het uiten van nostalgie. Gustave had het in onze vele discussies enkel over het verleden om beter voorbereid te zijn op de toekomst. We hadden het over de gebeurtenissen van de algemene stakingen van 1950 of van 1960-‘61, maar even goed over de huidige opmars van strijd in Europa; in Griekenland, Spanje of Frankrijk. Gustave werd steeds ongeduldiger om dit boek af te werken omdat hij met dit boek de politieke voorbereiding van de LSP-militanten en van alle arbeiders en jongeren die deelnemen aan de klassenstrijd wilde versterken. Gezien zijn syndicale en politieke levensloop hadden we kunnen denken dat zijn strijdbaarheid al wat afgevlakt zou zijn. Het tegendeel is waar. Zijn strijdbaarheid is enkel maar verscherpt sinds de opstandige algemene staking van 1950. Toen was Gustave nog maar 14 jaar oud, hij was een jonge arbeider die op zijn 13,5 in de fabriek was binnengekomen. Hij werd geraakt door de bereidheid tot strijd onder de arbeiders alsook door hun kracht als ze zich verenigden. Wie de voorgaande bladzijden van dit boek heeft gelezen, kan zich wel een beeld vormen van de indruk die de revolutionaire en opstandige algemene staking van 1960-‘61 heeft nagelaten op Gustave. Na afloop van die belangrijke strijd, werd hij als “syndicale agitator” afgedankt door zijn bazen. De syndicale bureaucratie was medeplichtig, ze besefte maar al te goed dat Gustave zich enkel aan de discipline van de arbeidersstrijd zou houden en niet aan deze van de vakbondsleidingen. Gustave had het de leiding ook moeilijk gemaakt. Toen Caterpillar zich in Gosselies vestigde, aarzelde Gustave niet lang om delegee te worden. Uiteraard was dat nog steeds in het ABVV waar hij steeds lid van is geweest. Toen in juni 1970 een staking uitbrak tegen de poging van de directie om de inplanting van de vakbond in het bedrijf te stoppen, werd Gustave verkozen als voorzitter van het stakerscomité. De nationale leiding van de metaalbond, onder voorzitterschap van Ernest Davister, trok het syndicaal mandaat van Gustave midden in het conflict in, zogenaamd wegens het verbreken van de ‘discipline’. In de werkelijkheid was dit enkel omdat hij deze staking had ondersteund en geleid. Gustave kwam op de lessen van deze staking terug in een brochure onder de titel ‘10 dagen die de directie van Caterpillar en de syndicale bureaucratie deden wankelen.’ Nadien was hij betrokken bij de strijd tegen een herstructurering van de glasfabriek van Courcelles in 1973. Gustave stelde er voor om het verzet te organiseren tegen de geplande afdanking van een derde van het personeel. Er werd overgegaan tot een staking die zes weken duurde en waarbij het bedrijf werd bezet. Ook hier 322 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 werd Gustave verkozen als voorzitter van het stakerscomité. De staking eindigde met een nederlaag en Gustave stond bovenaan de lijst van de arbeiders die elders werk moesten zoeken. Op het einde van 1973 begon hij bij Citroën in Marchiennes. Daar probeerde hij een syndicale werking op te starten en vervolgens werd hij hoofddelegee van het ABVV, een functie die hij de volgende 20 jaar zou uitoefenen. Gedurende die lange periode was Gustave aanwezig op alle bijeenkomsten en nationale congressen van de metaalbond van het ABVV. Hij verzette er zich steeds tegen een politiek van klassensamenwerking en bracht de noodzaak van strijd naar voren. Na zijn brugpensioen bleef Gustave actief in de arbeidersbeweging. Zo ondersteunde hij de strijd bij Forges de Clabecq en de daaropvolgende campagne van de ‘13 van Clabecq’ die voor het gerecht werden vervolgd. Hij nam ook deel aan de lange strijd vanaf december 2004 van de arbeiders van AGS-Splintex in Fleurus. Die staking duurde 105 dagen en was gericht tegen de afdanking van 279 arbeiders. Met de steun van de Linkse Socialistische Partij bracht Gustave steeds het idee van een verbreding van de strijd naar voren met het ordewoord van een algemene interprofessionele 24-urenstaking in de regio van Charleroi. De lokale vakbondsleiding was daar sterk tegen gekant. Nadien schreef Gustave de tekst ‘Lessen van de staking bij AGC-Splintex’. Daarin schreef hij: “Het is aangenamer om lessen te trekken uit een overwinning, maar het is evenzeer noodzakelijk om lessen te trekken uit een nederlaag. Daarbij moeten we ons niet volgzaam opstellen tegenover de vakbondsleiding. We moeten lessen trekken om de arbeidersklasse te wapenen voor komende strijd waaraan het niet zal ontbreken.” Dezelfde elementen liggen aan de basis van het schrijven van dit boek. In die tekst schreef Gustave nog: “Het moet eens te meer worden gezegd dat we geen nieuwe strijdmethoden moeten uitvinden. Deze bestonden altijd al en zijn dezelfde gebleven. Het gaat om krachtsverhoudingen, solidariteit, stakingen, bedrijfsbezettingen, klassenstrijd. Het zijn die strijdmethoden die de arbeiders iedere dag zelf toepassen. Het is de enige taal die de patroons begrijpen. We moeten ons verder op deze methoden baseren, ze zijn immers gerijpt doorheen strijd waarmee de arbeidersbeweging overal vooruit is gegaan.” Vandaag is Gustave gepensioneerd. Hij is nog steeds actief bij de senioren van het ABVV in Charleroi en is ook op de betogingen en mobilisaties voor de pensioenen, tegen de besparingen,… van de partij. Gustave heeft steeds een groot syndicaal engagement aan de dag gelegd, maar hij heeft ook begrepen dat het voor de arbeiders noodzakelijk is om in hun strijd ook te kunnen beschikken over een eigen politiek verlengstuk en over een revolutionaire leiding die in staat is om de strijd tegen de kapitalistische uitbuiting te richten op de opbouw van een democss o ww o w t a w w s nEekl denor denor denor denor denor m m f e eilntu eilntu eilntu 323 ratische socialistische samenleving. Gustave heeft zich dan ook op jonge leeftijd politiek geëngageerd. In de naoorlogse wereld werd de arbeidersbeweging gedomineerd door het sociaal-democratische reformisme en het stalinisme dat aanzienlijk versterkt uit de Wereldoorlog was gekomen. Gustave werd door geen van beide aangetrokken, maar raakte geboeid door een kleine groep van anti-stalinistische marxisten die hij in 1952 ontmoette via een collega op het werk. Op hetzelfde ogenblik werd hij syndicaal basismilitant van het ABVV in de glassector in de regio van Charleroi. Hij voerde met succes een aanhoudende strijd tegen de syndicale bureaucratie van ABVV en ACV. Op basis van zijn eerste strijdervaringen sloot Gustave zich in 1954 aan bij de marxistische militanten. Die militanten werden trotskisten genoemd omdat ze zich baseerden op de Russische revolutionair Leon Trotski die samen met Lenin een leidinggevende rol speelde in de Russische revolutie van 1917 en de oprichting van de Derde Internationale, de Communistische Internationale. Trotski stond ook bekend voor zijn resoluut verzet tegen het stalinisme. Na de Russische Revolutie was er een golf van revolutionaire strijd doorheen Europa. Bij gebrek aan een degelijke revolutionaire leiding ging de monumentale energie van de arbeiders in heel wat landen verloren en leidden de revolutionaire bewegingen niet tot het omverwerpen van het kapitalistische systeem. Na het verraad van de sociaal-democratische partijen die door de arbeiders de macht hadden aangeboden gekregen, waren er slechts zwakke of zelfs helemaal geen revolutionaire partijen op het niveau van de bolsjewieken in Rusland. De revolutionaire energie van de massa’s ging verloren waarop het fascisme aan de macht kon komen. In Hongarije en Italië gebeurde dat al op het begin van de jaren 1920. De jonge Sovjetrepubliek bevond zich bijgevolg in een isolement in een achtergebleven land dat was verwoest door de Eerste Wereldoorlog en de burgeroorlog die op de revolutie volgde en die versterkt werd door de buitenlandse legers die Rusland aanvielen. Na de nederlagen van de revoluties in het Westen volgde in 1927 een belangrijke nederlaag voor de revolutie in Oosten. Het gebrek aan degelijke ordewoorden vanwege de Sovjetbureaucratie die een opmars kende, maakte dat de Chinese revolutie in een impasse terechtkwam met uiteindelijk een nederlaag. Het Rusland van de Sovjets degenereerde geleidelijk tot een bloedige karikatuur van het socialisme. Er ontstond een dictatoriale bureaucratie, verpersoonlijkt in de figuur van Stalin. Na de dood van Lenin (in 1924) wierp Stalin zich openlijk op als de verdediger van de belangen van het bureaucratische apparaat, een geprivilegieerde laag binnen de arbeidersstaat in opbouw. Hij steunde op carrièristen en leden die pas na de revolutie van 1917 of de burgeroorlog bij de Communistische Partij waren aangesloten. Trotski begon de strijd te organiseren om de belangen van de arbeiders te verdedigen en het perspectief van een wereldwijde socialistische revolutie naar voren te brengen. Lenin had op het einde van zijn leven eveneens 324 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 die strijd opgestart. Rond Trotski vormde zich de linkse oppositie met tal van oude militanten van de bolsjewieken en nieuwe arbeiders en jongeren uit de partij. Ze verzetten zich tegen de stalinisten en noemden zich ‘bolsjewiek-leninisten’ (de term ‘trotskisme’ komt eigenlijk van de stalinistische bureaucraten die neerbuigend over de oppositie spraken). Na tal van manoeuvres en door de uitputting van de Russische massa’s na de enorme inspanningen in de voorafgaande jaren, was het mogelijk om de Linkse Oppositie een nederlaag toe te brengen in de Sovjetunie. Trotski werd in 1929 uit het land gezet. Het kwam tot zuiveringsacties en Stalin verzekerde de macht van de bureaucratie met een brutale repressie en met terreur. (1) Buiten de Sovjetunie zette Trotski samen met zijn aanhangers de strijd verder. Er werd aanvankelijk geprobeerd om in de Communistische Internationale te strijden tegen een zelfde degeneratie als deze van de Russische partij. Toen het fascisme in Duitsland aan de macht kwam in 1933, wat enkel mogelijk was door catastrofale fouten van de leiding van de Duitse communistische partij die orders vanuit Moskou opvolgde, beslisten Trotski en de Internationale Linkse Oppositie dat het nodig was om te gaan naar de opbouw van een nieuwe internationale. Trotski verklaarde toen: “De Duitse arbeidersklasse zal opnieuw rechtstaan, het stalinisme niet.” Het voorbereidende werk leidde in 1938 tot het opzetten van de Vierde Internationale, een internationale die inging tegen zowel de Tweede Internationale van de sociaal-democraten als de Derde Internationale die stalinistisch was geworden en nooit opnieuw revolutionair zou worden. Stalin besliste in 1943 om de Communistische Internationale te ontbinden om zijn goede trouw aan de Britse en Amerikaanse bondgenoten te bewijzen. Het proletarisch internationalisme was op dat ogenblik al lang vervangen door het “socialisme in één land.” James Cannon, een gekende Amerikaanse trotskist, vatte dit proces samen: “Het trotskisme is geen nieuwe beweging, geen nieuwe doctrine, maar het herstel en de hergeboorte van het echte marxisme zoals dit werd toegepast en naar voor kwam tijdens de Russische Revolutie en bij de aanvang van de Communistische Internationale.” Van bij het begin werd de trotskistische beweging in Rusland geconfronteerd met repressie. Dat was nadien ook het geval in andere landen. Er werden op bevel van Moskou tal van militanten vermoord. Uiteindelijk werd ook Trotski zelf vermoord in Mexico in 1940. Tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog werd de repressie tegen de trotskisten voortgezet. Verschillende militanten van de Vierde Internationale werden door de stalinisten bestreden in Frankrijk of in Indochina. De meest ervaren verantwoordelijken van de beweging kwamen op tragische wijze om het leven. Er was een klimaat van terreur vanwege de stalinistische communistische partijen. Samen met het isolement zorgde dit voor grote problemen ss o ww o w t a w w s nEekl denor denor denor denor denor m m f e eilntu eilntu eilntu 325 binnen de jonge Vierde Internationale. In België bleef de grootste kracht binnen de arbeidersbeweging de sociaal-democratie, de BSP. Toen Gustave Dache in 1954 lid werd van de Vierde Internationale sloot hij zich aan bij de tactische oriëntatie van de Belgische trotskistische afdeling en nam hij deel aan het entristische werk binnen de BSP. Hij werd militant van de socialistische linkerzijde rond het blad La Gauche, dat hij verdeelde in zijn sector of op meetings van de BSP, betogingen of andere politieke en syndicale activiteiten in de regio. In 1957 richtte hij samen met andere trotskisten en syndicalisten in Gilly een afdeling op van de Jeune Garde Socialiste (JGS, in het Nederlands Socialistische Jonge Wacht of SJW). Gustave werd voorzitter van die afdeling. Hij was intussen ook lid van het lokale centraal comité van de BSP. In 1959 werd hij op een nationaal congres verkozen tot vice-voorzitter van de SJW-federatie in het Pays Noir (de regio rond Charleroi). Na de algemene staking van 1960-‘61 werd hij voorzitter van de regionale SJW-federatie en hij bleef voorzitter tot begin 1962. Zoals in dit boek uitvoerig wordt uitgelegd, verliet Gustave in 1962 de BSP, La Gauche en alle verantwoordelijkheden die hij had in de SJW en de BSP. Hij deed dit nadat hij samen met een meerderheid van de trotskistische veteranen in Charleroi een analyse had gemaakt van de capitulatie van de syndicale en politieke leidingen alsook van het falen van de aanhangers van de groep van Ernest Mandel, destijds een leider van de Vierde International. Gustave brak met de tendens-Mandel omdat die een volgzame houding had ten aanzien van André Renard. Hij werd een van de medeoprichters van de Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste (Revolutionair Trotskistische Arbeiderspartij), de Belgische afdeling van de Vierde Internationale van de tendens-Posadas. Hij brak in 1972 met die tendens, maar bleef overtuigd van de correctheid van de standpunten van Trotski en van het overgangsprogramma dat de Vierde Internationale aannam bij haar oprichting in 1938. Sindsdien was Gustave geen lid meer van een politieke organisatie, maar hij bleef aan verschillende initiatieven deelnemen met het perspectief om te komen tot een nieuwe grote arbeiderspartij links van de sociaal-democratie en de Groenen. Het was in die zin dat hij verschillende electorale initiatieven heeft gesteund, al dan niet als kandidaat. Indien de initiatieven een stap vooruit konden betekenen in de richting van de opbouw van een nieuw breed politiek instrument voor de arbeiders en hun gezinnen, dan was hij van de partij. Zo was hij 1995 kandidaat voor Gauches Unies, in 2007 voor het Comité Andere Politiek (CAP) of in 2010 voor het Front des Gauches. Gustave neemt ook al enkele jaren als sympathisant deel aan activiteiten van de Linkse Socialistische Partij. Hij behoudt zijn onverstoorbare vertrouwen in de mogelijkheden van de arbeiders om tot verandering te komen. In 2009 publiceerden we in ons maandblad en op onze website een interview met Gustave. Daarin stelde hij: “Ik ben geen profeet en kan niet voorspellen hoe en wanneer een beweging exact zal ontwikkelen, maar de objectieve voorwaarden zijn aanwezig, waardoor de arbeiders uiteindelijk geen andere keuze zullen hebben. Vandaag zal het net als 326 DE OPSTANDIGE EN REVOLUTIONAIRE ALGEMENE STAKING VAN DE WINTER VAN 60-61 gisteren volstaan om te vertrekken van een kleine organisatie. Het klopt niet dat een kleine minderheid vandaag of morgen geen belangrijke rol kan spelen. Dat hebben we al meermaals gezien in zowat alle strijdbewegingen. Soms volstaat het dat één militant een bezetting voorstelt opdat de rest van zijn of haar collega’s zouden volgen. Een militant met goede voorstellen kan op zo’n ogenblik een verschil maken als deze de richting van de strijd aanvoelt en niet alle kanten uitgaat. Er kan worden gezegd dat jongeren weinig ervaring hebben, maar ervaring komt door strijdbewegingen en dan kan het erg snel gaan. In 15 dagen strijd leer je soms meer dan in 10 jaar lezen.” Hij voegde er aan toe: “Vandaag zitten we in een gunstige situatie. De crisis waarin we terechtkomen, zal het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse concretiseren en duidelijk maken. Een beweging zoals LSP moet zich voorbereiden op een machtsstrijd. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we op straat moeten rondlopen om “leve de revolutie” te roepen. We moeten deelnemen aan verkiezingen, aanwezig zijn in strijdbewegingen en klaar staan voor een frontale aanval op het kapitalisme.” Dat is waar we met LSP in België en met het Comité voor een Arbeidersinternationale op wereldvlak aan werken. We willen alle lezers die geënthousiasmeerd zijn door het lezen van dit boek en overtuigd zijn van de standpunten die erin worden verdedigd, uitnodigen om ons te contacteren om de strijd voor een samenleving zonder kapitalistische uitbuiting, een democratisch socialistische samenleving, te versterken. Nicolas Croes, oktober 2010 (1) Dat was het lot van de meerderheid van de leden van het Centraal Comité van de Bolsjewistische partij in 1917. Om de macht van de reactionaire bureaucratie te verdedigen, liet Stalin maar liefst negen van de 26 leden van het Centraal Comité uit 1917 executeren (Kamenev en Zinoviev in 1926; Miloutin en Kiselev in 1937; Rikov, Boecharin, Lomov, Krestinski en Smilga in 1938). Berzin werd in 1935 vermoord. Sokolnikov en Bubnov overleden in 1939 in de gevangenis. Joffe pleegde in 1927 zelfmoord uit protest tegen het stalinisme (zijn begrafenis was de laatste publieke manifestatie van verzet in de Sovjetunie en het was de laatste keer dat Trotski in het publiek kon spreken in Rusland). Trotski werd in Mexico vermoord in 1940. Uritski, Sverdlov, Artem, Shaumyan en Dshaparidze overleden tijdens de burgeroorlog. Hierdoor kwamen slechts zeven van de 26 leden op een natuurlijke wijze aan hun einde (Lenin in 1924, Nogin en Dzerjinski in 1926, Kollontai in 1952, Stalin in 1953, Muranov in 1959 en Stassova in 1966). De liquidatie van de oude leiding van de bolsjewieken, de leiding van de revolutie, is een belangrijk element om te begrijpen dat het stalinisme niet voortkomt uit het bolsjewisme.


329 Dankwoord Het zou niet correct zijn om bij het einde van dit werk geen dankwoord te richten aan al wie me op de een of andere wijze heeft geholpen om dit boek te realiseren. De kameraden Nicolas Croes, Paule Chaveaux en Lucas Gillis van de LSP alsook Cécile Rimboud van Gauche Révolutionnaire (de Franse zusterorganisatie van LSP) en Vincent Devaux hebben mijn tekst uitgetypt, mijn beperkte grammatica en taal verbeterd en ze hebben me geholpen om dit boek uit te brengen bij de 50ste verjaardag van de grote algemene staking. Barbara Volberg en Jente Somers van LSP hebben de opmaak van het boek voor hun rekening genomen. Deze publicatie in het Nederlands was niet mogelijk zonder het vertaal- en naleeswerk van Michael Bouchez, Eric Byl, Geert Cool, Anja Deschoemacker, Chloë De Vos, Tim Grauls, Stefanie Lagae, Irina Papadimitriou, Jarmo Van Regemortel en Bart Vandersteene. Guy Van Sinoy bezorgde me kopies van een aantal artikels uit La Gauche die in mijn collectie ontbraken. Claudine Polet bezorgde me de brochures van Posadas. René Andersen stuurde me de documentatie met betrekking tot de staking bij Hanrez waarvan ik de essentie naar voor breng. Verder bedank ik Carine Gouvienne, archivaris van de stad en het OCMW van Charleroi en Christophe Mantovan, verantwoordelijke van de documentatiedienst omdat ik een aantal foto’s van de staking mocht gebruiken met vermelding “collectie archief stad Charleroi”. De syndicale centrale van het ACOD, de Fondation Joseph Jacquemotte, het secretariaat van de Fondation André Renard, gaven me toelating om foto’s van 1960-1961 te publiceren (met bronvermelding). Stéphane Lommaert, eerste raadgever van de bibliotheek van het parlement stuurde me de parlementaire notulen van de debatten over de algemene staking van 1960-‘61. Thierry Van Loo en zijn team van het documentatiecentrum CenForSoc van het ABVV van Charleroi hebben me steeds bijgestaan als ik bepaalde documentatie wou terugvinden. Ik wil in het bijzonder de leiding en de kameraden van de Linkse Socialistische Partij en van het CWI bedanken omdat ze ervoor hebben gezorgd dat dit boek kon uitkomen en vooral omdat ze beslist hebben om het naar het Nederlands te vertalen zodat het ook in Vlaanderen kan worden gepubliceerd. Aan allen, bedankt! De auteur 330 Lijst van afkortingen ABVV Algemeen Belgisch Vakverbond. In het Frans: FGTB AC Algemene Centrale van het ABVV. ACV Algemeen Christelijk Vakverbond. In het Frans: CSC BBTK Bond van bedienden, technici en kaderleden van het ABVV BSP Belgische Socialistische Partij, voorloper van PS en SP.a. In het Frans: BSP KPB Kommunistische Partij van België. In het Frans: PCB MPW Mouvement Populaire Wallonne PORT Parti Ouvrier Révolutionnaire Trotskyste SJW Socialistische Jonge Wacht. In het Frans: JGS 331 Ter herinnering aan de trotskistische veteranen uit de regio-Charleroi Ter herinnering aan de trotskistische veteranen uit Charleroi, strijdkameraden van Léon Lesoil en leden van de Vierde Internationale die ik regelmatig heb ontmoet in onze acties en de politieke vorming van de jonge trotskistische militanten alsook in de dagelijkse klassenstrijd. Sommigen ontmoette ik regelmatig, anderen minder omwille van de clandestiene omstandigheden. De Donder Emile, uit Pironchamp Dewaré René, uit Gilly Englebienne Albert, uit Monceau-sur-Sambre Fernandez Manuel, uit Châtelineau Rousman Pierre, uit Gilly H. Edouardo, uit Gilly Decoux Emile, uit Pont-de-Loup Bouscain Augustin, ui Montignie-sur-Sambre Wouvermans Pierre, uit Couillet Al deze trotskistische veteranen hebben het beste eerbetoon gebracht dat mogelijk was voor hun kameraad Léon Lesoil door hun revolutionaire strijd tot op het einde van hun leven voort te zetten op de wijze die hen het beste aangewezen bleek. De eerste zes braken na de algemene staking van 1960-1961 met de strekking-Germain (Mandel), zij waren onder de stichtende leden van de PORT in 1962. De drie laatsten bleven helaas bij de strekking-Germain. De auteur 332 De trotskistische militanten die het leven lieten in Duitse concentratiekampen waren onder meer Léon Lesoil (Chatelineau), Fernand Michaux (Chatelineau), Joseph Franquet (Jemappes), Joseph Beugnie (Jemappes), Marius Nopère (Cuesmes), Louis Marcourt (La Louverie), Léon de Lee (Antwerpen), Lucien Renery (Luik), Francis van Belle (Luik). (Brochure: La Vie de Léon Lesoil) Abraham Wajnsztok, Henri Bridoux, David…, Natan Mandelbaum, Louis Polk (Antwerpen), Victor Rousseau (Cuesmes), Walter Singer (Brussel), Eliasz Sztokfeder. Uit La Gauche van 27 december 1988, p. 7 333 Bibliografie ‘Cinq semaines de Lutte Sociale La Grève de l’Hiver 1960-1961’, Centre nationale de sociologie du travail, Université Libre de Bruxelles (ULB). Door Valmy Feaux ‘La Grande Grève. Décembre 1960-Janvier 1961’, edition de la Fondation Joseph Jacquemotte, Bruxelles, 1963. Door René Deprez ‘Image d’une Grève. Un document de la CGSP’. Door Fernand demany ‘La Grève Générale Belge 1960-1961.’ Bijlage bij ‘Correspondance Socialiste’, nr. 8. Door Serge Simon ‘La Révolution Wallonne 1960-1961 (Trente cinq jours qui ont changé la Belgique)’. Fondation André Renard (FAR). Door Joseph Coppé ‘1960-1961: Grève, Wallonnie, Réformes’, Interrégionale wallonne FGTB in samenwerking met de FAR. Door Michel Coppé ‘La Grève Générale Belge de 1960-1961’ (‘Forces et Faiblesses d’un grand combat’) in ‘La Vérité des Travailleurs’, februari 1961. Door Jean De Vries, Fernand Charlier en Emile Decoux ‘Quelques Enseignements de la Grève Générale Belge’ in ‘La vérité’, Frans trotskistisch tijdschrift. Herfst 961, nr 522-523. Door Gérard Block. ‘L’année Sociale, 1960’ ULB. Door Guy Spitaels 334 ‘Combat Syndical et Conscience Wallonne’, Institut Jules Destré en Far. Door Robert Moreau ‘Sur les traces de la Révolution. (Intinéraire d’un Trotskyste Belge)’. Door Georges Dobbeleer ‘France 1968: Un Mois de Révolution’, 2008. Door Clare Doyle (CWI) ‘La Grève, Phénomène de Civilisation.’ ULB institut de sociologie Ernest Solvay. Gepubliceerd met de steun van het ministerie van onderwijs en cultuur. Door Robert Gubbels ‘Grève, Syndicalisme et Démocratie’, Edition Desoer, Luik. Door René De Saedeleer ‘Quelle Wallonie, Quel Socialisme’, 1971 groupe B-Y (Bastin Yerma) Edition Vie Ouvrière (evo) FAR ‘Groupons-Nous, et Demain... ‘ Mémoire ouvrière. (PAC) Door Georges Straquets ‘La Révolution Trahie’, 1936 edition Bernard Grasset. Door Leon Trotski ‘L’agonie du capitalisme et les tâches de la IVème Internationale’, 1938 (Overgangsprogramma). Door Leon Trotski ‘Où va la France’, Ecrits, tome 2. Door Leon Trotski 335 ‘Défense du marxisme’ Door Leon Trotski ‘L’internationale Communiste après Lénine’, Presses universitaires de France (PuF). Door Leon Trotski ‘La Maladie Infantile du Communisme: le Gauchisme’, 1920. Door Lenin ‘Vers le Socialisme par l’Action’, 1958. Door André Renard ‘Ensemble en Pensée et en Action’. Door André Renard ‘André Renard écrivait..., recueil d’articles, 1936-1962’ ‘André Renard.’ Biografie in samenwerking met de FAR. Door Pierre Tilly ‘Pour la Révolution Constructive’, 1944 Mouvement syndical unifié (MSU) déclaration de Principes, commentaires novembre 44 Liège ‘Sauver la Wallonie’, 1961 Mouvement Populaire Wallon (MPW) ‘Syndicat et Lutte de Classe’, cahiers de La Gauche, n°2-3. Door Guy Desolre ‘Changer la Société sans prendre le pouvoir’. Onder leiding van Mateo Alaluf (édition Labor 2005) ‘Syndicalisme d’Etat ou Syndicalisme de Combat’. Document van La Gauche n°1. Door Ernest Mandel 336 ‘Le Contrôle Ouvrier‘ in ‘Cahier de la gauche socialiste et révolutionnaire’ n°1. Door Ernest Mandel ‘La pensée Vivante de Trotsky’, Edition Science, Culture et Politique. Door J. Posadas ‘L’Union Soviétique (Son évaluation de Staline à aujourd’hui)’, 1984, Edition Science, Culture et Politique, n°31. Door J. Posadas ‘La Guerre qui Vient (Capitalisme ou Socialisme)’ Publicatie van de Vierde Internationale. Door Michel Pablo ‘Grève Générale (Parti & Syndicat)’. Door Rosa Luxemburg ‘Le Mouvement Syndical Unifié et la Naissance du Renardisme’, CRISP, courrier hebdomadaire, 1119-1120, 23 mei 1986. Door Rik Hemmerijckx ‘Action Syndicale et Lutte Ouvrière au Pays de Charleroi’. Door Rik Hemmerijckx ‘Ernest Davister, une oeuvre un combat’ Fédération des Métallurgistes FGTB de Charleroi-Hainaut ‘Partisans’ n° 12 & 13 ‘Hiver 60-61 La Grève du Siècle.’ Fédération des Métallurgistes FGTB Charleroi et sud-Hainaut. Door Ernest Davister, Georges Debunne, Jacques Yerna. Voorwoord door Mirello Bottin 337 RAPPORTEN ‘Situation Economique et Perspectives d’Avenir’. Rapport du congrès de la FGTB de 1954 ‘Holdings et Démocratie Économique’. Rapport du congrès de la FGTB de 1956 Rapport du Congrès de la FGTB 1962 Rapport du Congrès National des JGS 1962 à Nismes Rapport de la commission du PSC concernant les grèves, actes de sabotage et mouvements insurrectionnels de juillet-août 1950. Kamer van Volksvertegenwoordigers, 4-Xi (1960-1961), n°2 ‘Rapport fourni par l’Etat-Major de la gendarmerie au Ministère de l’Intérieur au sujet des faits survenus lors de la période de grèves du 20 décembre 1960 au 20 janvier 1961’ Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken van de zittingen van woensdag 21 december1960, n° 9, 10, 12, 13, 14, 18, 19, 21, 23 338 DAGBLADEN, WEEKBLADEN EN MAANDBLADEN La Wallonie, Le Peuple, Le Journal de Charleroi, La Nouvelle Gazette, Le Rappel, L’Indépendance, Le Soir, La Libre Belgique, La Cité, La Gauche, La Lutte Ouvrière, Le Drapeau Rouge, Pourquoi Pas, L’Action, Syndicat Documentatie van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel: Kamer van Volksvertegenwoordigers. Stukken van 21-22-23 december 1960, 3,4,6,10,12,17 januari 1961, ‘rapport fourni par l’etat-Major de la gendarmerie au Ministère de l’intérieur au sujet des faits survenus lors de la période de grèves du 20 décembre 1960 au 20 janvier 1961’, annexe ii, 4 Xi 1960-1961, n°2 Kamer van Volksvertegenwoordigers: ‘Budget de la gendarmerie pour l’exercice 1961’. Rapport au nom de la commission de la défense nationale (4 Xi, n°2), session 1960¬1961, 8.ii.61 ‘Rapport de la commission d’information, concernant les grèves, actes de sabotage et mouvement insurrectionnels de juillet-août 1950’. Bulletin d’information du Parti Social-Chrétien, septembre-octobre 1950, n°9-10 En verder consultatie van diverse documentatie in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel Credits voor de foto’s (i) Foto van Philippe Grignard (ii) Op de voorpagina: afbeeldingen uit ‘La Grande Grève décembre 1960-Janvier 1961’ uitgegeven door de Fondation Joseph Jacquemotte, Bruxelles, 1963. Door René Deprez (iii) Afbeeldingen uit “La Révolution Wallonne 1960-1961 (Trente cinq jours qui ont changé la Belgique)”. Uitgegeven door de Fondation André Renard (Far), geschreven door Joseph Coppé