De Weerdt, Denise - De Commune van Parijs, 1871

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken

Bestand:De Weerdt, Denise - De Commune van Parijs, 1871.pdf

Denise de Weerdt De Commune van Parijs - 1871 Bron: Op basis Catalogus van de tentoonstelling in Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I Transcriptie: Beschikbaar gesteld door Frans De Maegd Deze versie: spelling HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive – Creative Commons License 3.0. Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding. | Hoe te citeren? Laatst bijgewerkt: donderdag 14 mei 2015 om 0.19 De oorzaken van de Commune Voorgeschiedenis De Frans-Duitse oorlog en de vestiging van de Derde Republiek Het eerste beleg van Parijs = door de Duitse troepen – van 18 september 1870 tot 29 januari 1871 De Commune van Parijs Van het uitroepen van de Commune tot de gemeentelijke verkiezingen (18 → 26 maart 1871) De Commune: 26 maart → 28 mei 1871 Het dagelijks leven in Parijs onder de Commune De vrouwen en de Commune De strijd Na de Commune De repressie De communards in het buitenland De uitstraling van de Commune Tijdtafel De oorzaken van de Commune (Denise de Weerdt) Voorgeschiedenis Er zijn twee voorboden van de Communeopstand waar men er evenmin in geslaagd waren het burgerlijke kapitalistische stelsel van de 19de eeuw definitief omver te werpen. Het zijn ook hoogtepunten in de ontwikkeling van de Franse arbeidersbeweging. Vooreerst: de opstand van de Lyonese zijdewevers, de “canuts” in 1831, die in hun proclamatie van 23 november het medezeggenschap der arbeiders in de regering eisten. De tweede is een gebeurtenis die ook ver buiten de grenzen van Frankrijk weerklank vond. In februari 1848 had het Parijse volk Louis-Philippe onttroond, de republiek uitgeroepen en het algemeen stemrecht ingesteld. De Parijse arbeiders, die o.m. de oprichting van “nationale ateliers” eisten, werden echter door de burgerlijke regering na barricadegevechten verslagen op 26 juni. De vervolgde opstandelingen van 1848 en 1849 weken uit, maar trachtten in het buitenland hun actie voort te zetten. De republikeinse staatsvorm van 1848 bleef niet lang duren. De Franse burgerij had gemeend de tweede republiek te kunnen beveiligen door aan het hoofd een president te zetten, die de naam droeg van prins Louis-Napoleon Bonaparte. De staatsgreep van 2 december 1851 bracht heel vlug de bedoeling van Louis-Napoleon aan het licht. In 1852 liet hij zich door middel van een volksstemming tot keizer benoemen. Onder de belofte van verbeteringen in de toestand der arbeiders, had hij eigenlijk maar een doel: de bevordering van het liberaal kapitalisme en de economische opbloei van de burgerij. Heftige aanvallen van vooruitstrevende burgers zoals Victor Hugo, of van socialistische denkers zoals Karl Marx vielen hem vlug ten deel. Marx noemde de keizer “een waardeloze komediant”, vertegenwoordiger van de bezittende klasse die de arbeiders tracht te vertegenwoordigen en de middenstand tevreden wil stellen, maar die de staatsinkomsten overlevert aan de fiscale feodaliteit, wiens belangen diametraal tegenovergesteld zijn. Eén keer dat het liberaal kapitalisme stevig in het zadel zat werd de economische politiek meer en meer protectionistisch en was een sociale politiek onbestaande. Verzetsbewegingen van verschillende oorsprong en strekking ontwikkelden zich tijdens het tweede keizerrijk. Bij de burgerij won de republikeinse partij veld: dertig zetels in de Wetgevende kamer gingen naar de republikeinen, na de algemene verkiezingen van 1869; zij behaalden een enorme meerderheid in de grote steden. De arbeidersklasse, die in 1848 nog geen eigenlijke partij gevormd had, ontwikkelde zich dankzij de economische opbloei onder het tweede keizerrijk, mede dankzij de industriële omvorming van de maatschappij in het midden van de 19de eeuw. Economische bloei betekende echter nog niet verbetering in hun arbeidsvoorwaarden. De antisociale politiek van de burgerij werkte de groei van het klassenbewustzijn in de hand; de arbeidersbeweging werd een opkomende macht, waarvoor de socialistische denkers de revolutie als oplossing voorstelden. De arbeidersbeweging kreeg een organisatie, aanvankelijk zelfs op internationaal vlak, door de oprichting van de Eerste Internationale op 28 september 1864; begin 1865 ontstond de Franse afdeling. De Franse arbeiders werden beïnvloed door drie verschillende en soms tegenstrijdige ideologieën, die elk hun rol speelden tijdens de Commune: - Aanhangers van Proudhon, voor het merendeel ambachtslui en arbeiders uit de kleine bedrijven, bedreigd door de industriële concentratie. Zij waren voorstanders van de afschaffing van de kapitalistische maatschappij door de oprichting van vrije verbruikerscoöperaties, onafhankelijk van de staat; van maatschappijen van onderling krediet en bijstand, gefinancierd door ruilbanken, die gratis krediet zouden verlenen, d.w.z. lenen zonder interest. De basis van de nieuwe maatschappelijke orde was de vrije commune. Proudhon was tegenstander van de fabriek, van de staking en van de vrouwenarbeid. - Aanhangers van het wetenschappelijk socialisme, voorgesteld door Marx, die de arbeiders als politieke partij wilde doen optreden en de revolutionaire klassenstrijd wilde zien leveren. De algemene staking moest als politiek wapen gehanteerd worden, met als doel de omverwerping van de burgerlijke maatschappij. De socialisten zouden daarop later hun strijd voor het algemeen stemrecht baseren. De Franse afdeling van de Internationale, de enige echte organisatie van en voor het proletarisch verzet, werd door de regering tussen 1867 en 1870 drie opeenvolgende processen aangedaan met de bedoeling haar te ontmantelen door de arrestatie van haar leiders. - Aanhangers van Auguste Blanqui, geïnspireerd door de revolutionaire agitatie en de ondervinding van de geheime genootschappen uit het begin van de 19de eeuw (babouvisten). Een betrekkelijk klein aantal vastberaden mannen, goed georganiseerd kon, volgens Blanqui, de macht in handen nemen en de massa meeslepen in de revolutie. De invloed van Blanqui is in de onmiddellijke voorbereiding van de Commune zeer groot is geweest. Zij kwam reeds dreigend tot uiting in de manifestatie op 11 januari 1870 bij de begrafenis van de journalist Victor Noir, medewerker van het orgaan van de Internationale La Marseillaise, die tijdens een onderhoud met prins Pierre Bonaparte door deze laatste laf neergeschoten werd. Al die verschillende krachten, republikeinen, linkse intellectuelen, arbeiders, en strekkingen in het socialisme, zoals Blanqui, Proudhon en Marx convergeerden en vonden elkaar tijdens de Commune: in meestal clandestiene, of vlug verboden publicaties kwamen hun grieven, eisen en programma’s tot uiting. De namen van allen die gestreden hadden voor de afschaffing van het keizerlijk regime in arbeidersverenigingen, politieke groepen, dag- en weekbladen, clubs, om een maatschappij gebaseerd op politieke vrijheid en sociale rechtvaardigheid tot stand te zien komen, vindt men onder de communards terug. De Frans-Duitse oorlog en de vestiging van de Derde Republiek Gewoonlijk geeft men als onmiddellijke oorzaak van de Commune de Frans-Duitse oorlog en zijn nefaste gevolgen voor Frankrijk. De oorzaken van de Commune zijn, zoals hoger aangetoond, veel complexer, maar de oorlog heeft het uitbreken van de burgeroorlog zeker bespoedigd. Vanaf 1866 kondigde deze oorlog, die de val van het Franse keizerrijk zou meebrengen, zich als onvermijdelijk aan. Van Duits standpunt uit was hij de laatste fase in Bismarcks politiek tot eenmaking van het Duitse rijk, met aanspraak op Elzas- Lotharingen, de eeuwige twistappel. De Franse oorlogsverklaring van 19 juli 1870 sproot voort uit de hoop van Napoleon III om zijn prestige op internationaal vlak, die reeds fel ontluisterd was door het Mexicaanse avontuur, terug op peil te brengen. De Franse aanval was een vergissing, gezien de Franse legermacht, reeds aangetast door de expeditie tegen Mexico, niet op peil was om de Pruisische legers het hoofd te bieden. Bij de Franse bevolking was het patriottisme echter groot. Met de kreet “A Berlin!” vierde de massa de vertrekkende, slecht georganiseerde, slecht gewapende en slecht gedisciplineerde troepen. De ontnuchtering kwam snel met de eerste Franse verliezen tijdens de veldslagen van Froeschwiller en Woerth op 5 en 6 augustus 1870. Het daar samengebrachte 46.000 man sterke Rijnleger, werd door de troepen van prins Wilhelm van de Beneden- Rijn verdreven. Sedert het uitbreken van de oorlog lag het politieke leven stil, zweeg de oppositie, was de regering bezig met de voorbereiding van de strijd, en de publieke opinie in beslag genomen door de gebeurtenissen aan het front. De verrassing over de opeenvolgende verliezen in de veldslagen, de ontreddering van het leger vernietigden het krediet van de regering en gaven aan de linkse zowel als aan de rechtse oppositie de gelegenheid het vervangen van de keizer als opperbevelhebber en de aftreding van het kabinet te eisen. De regering, geleid door de keizerin-regentes, vaardigde de staat van beleg in Parijs uit en riep de Kamers bijeen voor 9 augustus. Het werd een revolutionaire zitting, toen de linkse oppositie de bewapening van de Nationale Wacht [Garde National] en de aftreding van de keizer als opperbevelhebber van het leger eiste. Deze laatste liet zich vervangen door maarschalk Bazaine en benoemde generaal Louis Troch tot gouverneur van Parijs. Het bleef echter verliezen regenen in het oosten: het Franse leger, verslagen de 14de te Borny, de 16de te Gravelotte, de 18de te Saint-Privat, moest zich terugtrekken in Metz. Ondertussen meende de revolutionair Auguste Blanqui dat de tijd rijp was om te Parijs de opstand te doen uitbreken. Hij was echter nog iets te vroeg; de oorlog had de Parijse bevolking nog niet genoeg aangetast om haar tot extreme maatregelen te doen overgaan. De bedoeling was het fort van Vincennes in te nemen, maar het garnizoen was er te sterk en in de plaats bezetten de blanquisten op 14 augustus de brandweerkazerne te La Vilette in de hoop er wapens te vinden. Deze aanval, gevoerd door een 300-tal man, mislukte. Blanqui slaagde erin Brussel te bereiken, maar zijn vrienden werden voor de Eerste Krijgsraad gebracht, die op 29 augustus Eudes en Brideau ter dood veroordeelde. De gebeurtenissen van Sedan en van 4 september verhinderden echter de executie. De omsingeling en overgave van het Franse leger te Sedan op 2 september, de gevangenname van de Franse keizer samen met zijn generale staf en 106.000 soldaten, voorspelden het nakende verlies van Metz en legden de weg naar Parijs open. Op 4 september trokken blanquisten en Nationale Wachten het parlement binnen en bewerkten onder druk van de algemene ontevredenheid over de regering, de uitroeping van de Derde Republiek in het Hôtel de Ville. Niettegenstaande zij tot stand kwam door de uiterst linkse druk, werd deze nieuwe republikeinse regering, die er een van nationale verdediging zou zijn, samengesteld uit republikeinen die weliswaar progressief waren, maar niet tot de linkerzijde konden gerekend worden. Generaal Trochu werd voorzitter van het “Gouvernement de la Défense Nationale”; onder de bekende republikeinse ministers telde men Jules Favre voor buitenlandse zaken, Leon Gambetta voor binnenlandse zaken, Jules Simon voor het openbaar onderwijs en de eredienst, en Henri Rochefort die regelrecht van de gevangenis in de regering stapte. Het eerste beleg van Parijs: door de Duitse troepen – van 18 september 1870 tot 29 januari 1871 De eerste taak van de nieuwe republikeinse regering was de strijd tegen de Duitse invasie aan te binden. Het onderhoud van Jules Favre met Bismarck te Ferrieres op 15 september, met als inzet de Elzas, was op niets uitgelopen. De weerstand van de Franse regering zou zich weldra moeten centraliseren rond het beleg van Parijs, waar de Duitse legers vanuit Sedan op 18 september aankwamen. De bevolking van de voorsteden vluchtte in paniek voor de opmars der Duitsers; sommige Parijse burgers zochten veiliger oorden in het buitenland op. Later zou de gemeentelijke overheid erediploma’s en penningen uitreiken aan de Parijzenaars die tijdens het beleg stoïcijns in hun stad gebleven waren. De bevoorrading, begonnen in augustus 1870 door de overheid, bedroeg – zonder de particuliere provisies te tellen – een massa bloem en rijst voldoende voor een beleg van 71 dagen, 30.000 ossen en 180.000 schapen. Een aanval van de Duitsers op de zwakste plek in de verdediging van Parijs, maakte hen meester van Châtillon, van waaruit zij de hoofdstad konden bombarderen. De Franse troepen werden binnen de vestingmuren verzameld en op de avond van de 19de omsingelde het Duitse leger de hoofdstad. Het beleg met zijn gevolgen aan ellende, angst en hongersnood kon beginnen. De Parijse bevolking werd door de revolutionaire leiders – wiens vaderlandslievende gevoelens niet mogen onderschat worden – o.m. door de publicatie van Blanqui “La Patrie en danger”, of “Le Combat” van Felix Pyat, aangezet om zich te organiseren in een gewapend verzet, en de Duitsers zowel met de schop en het houweel, als met het geweer te lijf te gaan. Alle ideale voorwaarden waren nu stilaan aan het groeien voor een uitbarsting van de volkswoede: patriottische frustratie veroorzaakt door de verliezen en de nabijheid van de vijand aan de poorten van de hoofdstad, ontevredenheid over de uitblijvende verkiezingen, ontgoocheling over de republikeinse regering die er evenmin in slaagde, niettegenstaande zijn karakter van nationale verdediging de strijd te doen keren, de deterioratie van en het stilaan nijpend gebrek aan voedsel. In Parijs bereikte de politieke ontevredenheid over het uitstellen van de verkiezingen voor de wetgevende vergadering en voor het Parijse gemeentebestuur, zijn kookpunt. In de bataljons van de Nationale Wacht werden tijdens openbare bijeenkomsten kleine comité’s verkozen, die als taak hadden de gemeenteambtenaren te controleren. Uit die comité’s werden afgevaardigden aangeduid, die het “Comité central de la Garde nationale” vormden, en samenkwamen in het lokaal van de Internationale. Samen met het “Comite des vingt arrondissements”, zouden zij verder de reeds betwijfelbare macht van de regering uithollen en er naar streven de communale macht van Parijs in handen te krijgen, desnoods door het ontketenen van een sociale en politieke burgeroorlog. Op 22 september trokken twintig afgevaardigden van het “Comité des vingt arrondissements”, samen met de commandanten van de Nationale Wachtbataljons, naar het stadhuis om de onmiddellijke verkiezing voor de “commune” te eisen. Een collectieve geest van verzet en opstand was gegroeid, die van 5 oktober af tot aan de wapenstilstand, tot uiting kwam in een aantal betekenisvolle manifestaties en afzonderlijke krachtmetingen. Op 5 oktober 1870 trok Gustave Flourens op met tien bataljons uit Belleville, met volgend eisenprogramma: uitvallen naar de bezetters, bewapening van de bataljons met snelvuurgeweren, ontslag van het reactionair gemeentepersoneel, onmiddellijke verkiezingen en volksbewapening. De overgave van Metz op 27 oktober leidde de eerste poging tot opstand op 31 oktober in. Groepen gewapende Nationale Wachten vatten post voor het stadhuis en eisten het aftreden van Trochu en de regering. De deuren van het stadhuis werden ingebeukt en de regering gevangen genomen. Het was een spontane opstand, zonder voorafgaande organisatie door de leiders. Gustave Flourens, Felix Pyat, Charles Delescluze, Blanqui, Jean Baptiste Millière ter plaatse aangekomen slaagden er in enigszins de orde te herstellen. Terwijl in alle haast een lijst van de nieuwe regering opgesteld werd, waarop o.m. naast bovengenoemde leiders ook Victor Hugo, Henri Rochefort, Louis Blanc, François Raspail fungeerden, werd het geregelde leger ingezet, dat erin slaagde Trochu en de regering te bevrijden. Met de belofte van onmiddellijke verkiezingen aanvaardde Flourens een transactie met het Gouvernement de la Défense Nationale. Deze overeenkomst was een bedrog: op 3 november werden geen regelmatige verkiezingen, maar een volksraadpleging ingericht, waarbij het mandaat van de regering verlengd werd en Trochu bevestigd als president. Aanhoudingsmandaten werden uitgevaardigd tegen Auguste Vermorel, Gustave Lefrançais, Felix Pyat, Gustave Tridon, Pierre Vésinier, Auguste Blanqui – nog eens – Jean-Baptiste Millière, Gustave Flourens, enz., om maar enkele van de bekendste latere communards op te sommen. De strijd rond Parijs en in Frankrijk zelf verdubbelde in hevigheid. Van 30 november tot 2 december woedde een bloedige en mislukte veldslag aan de poorten van Parijs te Champigny; Rouen werd bezet, het leger van de Loire werd in twee gesneden, de delegatie van Tours verhuisde dieper het land in naar Bordeaux. De regering censureerde de oorlogsberichten, maar ondermijnende publicaties van Duitse oorsprong werden in het land verspreid. Op 5 januari begon het bombardement van Parijs, teneinde de weerstand van de bevolking tegen de wapenstilstand te breken. Niettegenstaande de tussenkomst van buitenlandse gezantschappen te Parijs, o.m. het Belgische, weigerde Bismarck de beschieting van de hoofdstad stop te zetten. Het volk hield echter stand, te midden van ineenstortende huizen, branden en burgerlijke slachtoffers. Voor de bakkerijen en beenhouwerijen werd file gemaakt voor enkele porties vlees van twijfelachtige kwaliteit en zwart brood, waarin gehakt stro gemengd was. De zwarte markt bloeide, en voor welke waren! Een pond hondenvlees werd verkocht aan 4 à 5 F.; ratten aan 2 à 3 F.; katten aan 20 à 30 F. per stuk. Volksredenaars lichtten de publieke opinie in, in clubs zoals de Folies-Bergere, Valentino en Alcazar, in volksrijke buurten, zoals Montmartre, Pré-aux-Clercs, Batignolles, les Halles. Op 7 januari verscheen op de muren de rode affiche van Jules Valles en Tridon, waarin het comité der twintig het aftreden van de regering en de overdracht van de macht aan de Commune eiste. Terwijl op 18 januari de koning van Pruisen, uitgerekend te Versailles, de titel van keizer van Duitsland kreeg, poogde Trochu de 19de een laatste doorbraak uit Parijs, te Buzenval. Een wapenstilstand van twee dagen was nodig om de bijna 3.000 Franse doden en gekwetsten te evacueren. De burgers in de regering vervingen daarop Trochu door de bonapartistische generaal Vinoy. Deze laatste trad in de eerste plaats op tegen een nieuwe poging tot gewapende opstand van de Nationale Wachten op 22 januari. Een strenge repressie volgde: 93 aanhoudingen, verbod van alle revolutionaire bladen, sluiting van de clubs. Op de 29ste januari 1871 werd de wapenstilstand te Versailles getekend, met als doel de Fransen in staat te stellen een Nationale vergadering te kiezen, die over de vrede zou kunnen onderhandelen. Ondertussen kregen de Duitse troepen toelating het uitgebloede en verhongerde Parijs op militaire wijze binnen te treden. In Duitsland waren 400.000 Franse soldaten gevangen, en 100.000 geïnterneerd in Zwitserland en België. De Duitsers bezetten de Franse departementen, gaande tot een demarcatielijn die liep van Calvados tot aan de Côte-d’Or. De Parijzenaars aanvaardden echter de capitulatie niet. De hoop op weerwraak tegen de verantwoordelijken van de ramp, de dromen over een nationale en sociale herinrichting zouden anderhalve maand later culmineren in de oprichting van de Commune. De Commune van Parijs (Catherine Oukhow) Van het uitroepen van de Commune tot de gemeentelijke verkiezingen (18 → 26 maart 1871) De intocht van het Duitse leger – een der punten van het wapenstilstandsverdrag van 28 januari – werd door de Parijzenaars als een werkelijke vernedering aanzien. Ook de eis tot overgave van de troepen die Parijs verdedigden viel niet in goede aarde. De Nationale Wacht ging zelfs zo ver dat zij weigerden wapens en kanonnen af te staan. Vermits zowel Bismarck als de toenmalige minister van buitenlandse zaken Jules Favre scherpe reacties vreesden drongen zij op dit punt niet aan. Op 8 februari werd een nationale vergadering gekozen die, onder leiding van Adolphe Thiers eerst te Bordeaux en vervolgens in Versailles samenkwam. Samengesteld uit een meerderheid van monarchisten beijverde deze vergadering zich om tot elke prijs een vrede met Duitsland te sluiten om daarna des te gemakkelijker met de republikeinse en links georiënteerde hoofdstad te kunnen afrekenen. Als gevolg van deze situatie heerste er te Parijs een algemene ontevredenheid bij de kleine bourgeoisie en het proletariaat, die niet alleen vreesden dat de Republiek maar ook de democratie in het gedrang zouden komen. Dit gevoel van ontevredenheid werd nog vergroot door het feit dat men generaal d’Aurelle de Paladines, een van de verliezers uit de oorlog, tot commandant van de Nationale Wacht benoemde; terwijl men tevens op 15 februari besloot geen soldij meer uit te betalen. Dit was echter niet alles: op 11 maart decreteerde Vinoy de opheffing van 6 republikeinse kranten (Le Mot d’Ordre, La Caricature, Le Père Duchêne, Le Cri du Peuple, Le Vengeur, La Bouche de Fer). Ook andere antisociale maatregelen, zoals onder andere het opheffen van het moratorium voor de huishuur, de eis tot directe betaling van achterstallige huren, droegen zeker niet bij tot het kalmeren van de gemoederen. In de nacht van 17 op 18 maart gaf Thiers het bevel de kanonnen van de Nationale Wacht in beslag te nemen. In de vroege ochtend bezetten verschillende legereenheden de hun aangewezen posities. Het uiteindelijke doel van Thiers was een militaire bezetting van de hoofdstad, terwijl hij tevens de groeiende invloed van het Centraal Comité der Nationale Wacht wilde breken door hen gevangen te laten nemen. Dit plan dat geen rekening hield met de waarde van de door hem gebruikte troepen, noch met de psychologische toestand van de Parijzenaars, was tot mislukking gedoemd. In het begin scheen het offensief onder leiding van Generaal Le Comte te lukken. Het was niet moeilijk de Nationale Gardes, die de wacht optrokken bij de kanonnen, te verspreiden. Deze laatsten sloegen echter alarm zodat na een korte tijd, niet alleen de Nationale Wacht te wapen liep, maar ook de burgerbevolking op straat kwam. Dit laatste gaf hier en daar aanleiding tot verbroedering tussen troepen en burgers. De generaals Le Comte en Clément Thomas werden gevangen genomen en iets later – ondanks de tussenkomst van leden der Nationale Wacht – door de woedende bevolking vermoord. De toestand evolueerde ondertussen zo snel dat de regering niet alleen besloot zich uit de hoofdstad terug te trekken, maar ook het leger beval zich in Versailles te hergroeperen. Ondertussen was de verwarring te Parijs zeer groot. In de volksbuurten, waar men zich nog niet bewust was van de overwinning werden barricades opgericht uit angst voor een hernieuwde aanval. Slechts tegen het einde van de dag begon het tot het Centraal Comité van de Nationale Wacht door te dringen dat zij meester waren van het terrein. In plaats van de ontredderde regeringstroepen te achtervolgen en strategische plaatsen zoals de bank van Frankrijk, de centrale post, enz. te bezetten, kwamen zij in het stadhuis samen met het Comité central républicain des 20 arrondissements om over de modaliteiten van de voor te bereiden verkiezingen te spreken. In afwachting hiervan namen zij alvast enkele maatregelen: huurders mochten niet zonder meer op straat worden gezet; aan de berg van barmhartigheid werd verboden niet tijdig afgehaalde panden te verkopen. Een algemene amnestie werd afgekondigd, terwijl de forten in het zuiden van Parijs en de munitiedepots bezet werden. Op 26 maart hield men uiteindelijk de verkiezingen. Waarna tenslotte, na het bekendmaken van de uitslag op 28 maart, het Centraal Comité van de Commune zitting nam in het stadhuis. De Commune: 26 maart → 28 mei 1871 Met “commune” bedoelde men een stedelijke gemeenschap die zichzelf bestuurde, hierbij het voorbeeld volgend van de organisatie der middeleeuwse steden en de Commune van 1793. Na 26 maart werd het bestuur van Parijs waargenomen door de Algemene Raad der Commune. Op de 90 leden van deze raad waren er 25 uit de arbeidersklasse afkomstig (waarvan 13 aanhangers van de 1ste Internationale). De overige leden waren republikeins gezinde burgers (bedienden, journalisten, enz.). We vinden onder hen opinies die van centrum links, via proudhonisme, blanquisme naar een uiterst links radicalisme evolueren. Het logisch gevolg van deze verbrokkeling was een inwendige machtstrijd waaruit de radicalen uiteindelijk als overwinnaars te voorschijn kwamen. Dit laatste was ondermeer een der oorzaken van de complementaire verkiezingen op 16 april die de verandering in de samenstelling der commune onderstreepten, vermits de gematigde elementen zich ondertussen teruggetrokken hadden. Op aandringen van de linkse fractie (de zgn. jacobijnse) werd de commune op 21 april nogmaals geherorganiseerd. Op hun initiatief werd kort daarna een “Comité de salut public” opgericht dat langzaam alle macht naar zich toetrok. Al deze inwendige verschuivingen hadden een niet bepaald positieve invloed op de werking van de commune. Naast de Algemene Raad werden er nog 10 commissies (justitie, financiën, onderwijs, enz.) opgericht die qua vorm en inhoud het beste met ministeries te vergelijken waren. Het algemene programma der commune, zoals men dat op 19 april formuleerde was proudhonistisch van strekking. Na een verklaring dat de Republiek de enige mogelijke staatsvorm was, ontwikkelde men het idee van een vrije federatie van onafhankelijke gemeenten. Deze gefedereerde communes zouden dan vertegenwoordigers afvaardigen om een centraal bestuur te vormen. In navolging van Parijs werden er trouwens ook in andere steden pogingen tot communevorming ondernomen. In Lyon gebeurde dit onder leiding van de Rus Bakoenin, anarchist en lid van de Internationale. Evenals de communes van Saint-Etienne, Marseille, Narbonne, Toulouse en Limoges ging zij echter vlug ten onder. Dit alles ondanks de pogingen van Parijs om via propaganda een blijvende aanhang in de provincie te krijgen. Het platteland van zijn kant bleef volledig buiten de beweging, wat de verdere isolatie van Parijs nog in de hand werkte. Ondertussen stond de Commune voor de zware taak, het hoofd te bieden aan de desorganisatie in het openbaar bestuur als gevolg van de vlucht der functionarissen. Het merendeel der communards waren jongeren zonder enige praktische ervaring op het gebied van stads- en staatsbestuur. Desalniettemin slaagden zij er niet alleen in lopende zaken (zoals bv. postbedeling, voedselvoorziening, innen der belastingen) af te handelen, maar wisten zij ook een aantal hervormingen door te voeren. Een van de eerste – algemene – besluiten betrof het vaststellen van de maximumwedde der functionarissen op 6.000 Fr. en het verbod van de cumul. Andere sociale en democratische maatregelen waren ondermeer: – het afschaffen van het nachtwerk in de bakkerijen – het afschaften van de boeten door de patroons aan de arbeiders opgelegd – gewaarborgd minimum weekloon – afschaffing van de berg van barmhartigheid – herorganisatie van plaatsingsbureaus – scheiding van kerk en staat – laïcisering van de onderwijsinstellingen – instellen van de schoolplicht en het gratis onderwijs – oprichting van gespecialiseerd vakonderwijs voor meisjes en jongens – gratis juridische bijstand – verkiezing van rechters en hogere functionarissen. Interessant zijn ook de 2 decreten van 17 mei die het onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen ophieven en tevens een pensioen toekenden aan weduwen (wettige of niet) van leden der Nationale Wacht. Deze laatste maatregel hield rekening met de feitelijke toestand in de arbeidersmilieus waar officieel geregistreerde huwelijken weinig voorkwamen en men eerder geneigd was in een vrije verhouding samen te leven. Om de werkloosheid op te heffen werden werkhuizen, door gevluchte eigenaars gesloten, weer geopend en aan arbeiderscoöperaties toevertrouwd. Bij terugkeer van de eigenaar zou een rechtbank beslissen over een eventuele schadevergoeding. Dit laatste is bepaald weinig vooruitstrevend, waar, in een socialistisch perspectief, nationalisatie van privé-ondernemingen toch eerder voor de hand liggend was. Ook het financieel beleid van de commune was zeer gematigd. De bank van Frankrijk, die over ruime reserves beschikte werd niet genationaliseerd. In totaal betaalde de bank van Frankrijk slechts 20.240.000 Fr. uit aan de Algemene Raad der commune, waarvan nog 9.400.000 Fr. gedekt waren door de rekening van de stad. Gedurende diezelfde periode verdween er 257.637.000 Fr. naar Versailles. En dit terwijl de bank zich feitelijk in handen der commune bevond. Dat er van de uitwerking van besluiten en decreten uiteindelijk weinig in huis kwam als gevolg van het vroegtijdig ineenstorten der commune hoeft geen betoog. De commune was echter eerst en vooral een poging tot sociale revolutie. Zo werd dit tenminste aangevoeld door de arbeidersklasse in de omringende landen. In België publiceerden de aanhangers der 1ste Internationale op 21 mei een adhesiebetuiging. Terwijl Marx zijn beroemd geworden adres over de “Burgeroorlog in Frankrijk” publiceerde. Ook de burgerij volgde de evolutie der gebeurtenissen met spanning. Klassenbelang prevaleerden plots boven tegengestelde nationale belangen. In dit verband valt te vermelden dat de door Bismarck vrijgelaten Franse krijgsgevangenen van de Belgische regering de toestemming kregen zich via België (dus via een kortere weg) bij hun eenheden te Versailles te voegen. Een maand later echter werd een aantal gevluchte communards de toegang tot ons land ontzegd! Het dagelijks leven in Parijs onder de Commune Na het verschrikkelijke lijden tijdens het beleg, na de vernedering der capitulatie, kwam Parijs, ondanks het feit dat vele burgers de stad verlaten hadden en verlieten, weer tot leven. Eerst en vooral waren er de verschillende manifestaties die op straat plaatsgrepen: – De begrafenis van Charles Hugo op 18 maart; – Het voorstellen van de gekozen leden van de Commune bij het stadhuis, gebeurtenis die door 200.000 personen bijgewoond werd; – Het omvertrekken van de Kolom, symbool van het Keizerrijk, op de place Vendôme; – Het afbreken van de boetekapel van Lodewijk XVI, symbool van het royalisme; – Het afbreken van het huis van Thiers; – De plechtige begrafenissen van de socialist Leroux en generaal Dombrowski. Musea en bibliotheken waren niet alleen weer toegankelijk voor het pulbliek maar er werd tevens nauwgezet over de vele kunstschatten gewaakt. De schilder Gustave Courbet, tot voorzitter van de federatie van de kunstenaars van Parijs benoemd speelde hierbij een grote rol. Ook sommige theaters, waarvan de acteurs niet gevlucht waren, openden hun deuren, terwijl tevens openbare concerten werden ingericht, waarvan de opbrengst ten bate van weduwen en wezen benut werd. Politieke discussies grepen vooral plaats in de verschillende cafés en clubs. Sommige clubs dateerden reeds van voor de commune, anderen werden gesticht en ondergebracht in kerken. Dit laatste tot grote verontwaardiging van de clerus. Deze verandering van bestemming der kerken is een van de aspecten, eigen aan het antiklerikalisme der Commune. Een antiklerikalisme dat nog in de hand werd gewerkt door het feit dat de clerus zich niet alleen aan de zijde der Versaillais schaarde, maar dit ook openlijk toonde onder andere door waar het mogelijk was de besluiten van de Commune tegen te werken. Vermits op datzelfde ogenblik steeds meer gevangen genomen communards door de Versaillais gefusilleerd werden, gaf dit te Parijs aanleiding tot aanhouding van verschillende geestelijken, waaronder Monseigneur Darboy, aartsbisschop van Parijs en zijn vicaris-generaal Lagarde. Inderdaad, zag men in deze arrestaties een middel om druk op de Versaillais uit te oefenen. Sommige blanquisten hoopten tevens door uitwisseling, Blanqui, die gevangen zat, vrij te krijgen. Onderhandelingen met Versailles bleven echter zonder resultaat, wat indirect een doodvonnis inhield. Deze geestelijken zouden inderdaad samen met anderen terechtgesteld worden tijdens de bloedige week, als represaille tegen de aangerichte moordpartijen der Versaillais. Wat de organisatie der openbare diensten betrof; ondanks Thiers’ bevel dat de ambtenaren hun post moesten verlaten, werkte de post met een zekere regelmaat en werden de belastingen geïnd. Hoger en middelbaar onderwijs waren echter stilgevallen bij gebrek aan universitairen. Anderzijds moest men beroep op vrijwilligers doen om de gewonden te verzorgen. Ook de rechtspraak functioneerde zeer slecht. In tegenstelling met het eerste beleg van Parijs verliep de voedselvoorziening echter uitstekend en was het leven niet duurder dan in normale tijden. De vrouwen en de Commune De toestand van de werkende vrouw – in de 19de eeuw synoniem van arbeidster – was onder het 2de keizerrijk niet benijdenswaardig. Haar gemiddelde inkomen bleef onder dat van de man, terwijl de Frans-Duitse oorlog en het daarop volgende beleg, niet alleen een ware hongersnood, maar ook een grote werkloosheid veroorzaakten. Een verlichting van deze ellende werd gezien in de stichting van het “Comité des Femmes” dat de vrouwen werk moest bezorgen. Men zorgde onder andere voor een opleiding als ambulancierster en kantinehoudster. Ook gingen er stemmen op om een vrouwenbataljon op te richten onder de titel “Amazones van de Seine”. Hun taak zou er uit bestaan toezicht uit te oefenen op de barricades. Dit plan liep echter op niets uit, vooral ook door de mannelijke tegenkanting. Toen men “comités de vigilance” creëerde, gebeurde dit zowel voor mannen als voor de vrouwen. Hiermee werd de basis gelegd voor de zgn. “Clubs” die ook later actief zouden zijn. Toen in de nacht van 17 op 18 maart Vinoy zijn troepen stuurde om de kanonnen van de Nationale Garde op te halen, was het ondermeer aan het doortastende optreden der vrouwen te danken dat dit niet gebeurde. Ook in het verder verloop der gebeurtenissen zou de vrouw een grote rol spelen. Wij mogen niet vergeten dat vele vrouwen – vooral die uit de arbeidersklasse afkomstig – er alle belang bij hadden het nieuwe regime te steunen. Maatregelen zoals het kwijtschelden van de huur, het verbod voorwerpen uit de berg van barmhartigheid te verkopen, het pensioen voor de weduwen en wezen van gesneuvelde leden der Nationale Garde... troffen hen van zeer nabij. Het feit dat men wat de pensioenen betrof niet alleen onderscheid maakte tussen officieel geregistreerde en vrije verbintenissen, maar ook het onderscheid ophief tussen de zgn. wettige en onwettige kinderen is beslist vermeldenswaard. Een van de belangrijkste vrouwengroeperingen was wel de “Union des femmes pour la défense de Paris et les soins aux blessés”. Deze groep, in feite de vrouwensectie van de 1ste Internationale, was georganiseerd door de jonge Russische marxiste Elisabeth Dmitrieff. Deze vereniging hield zich niet alleen bezig met hulpverlening maar ook met de herorganisatie van de werkverlening op een socialistische basis, in vrije productiecoöperaties. Naast de “Union des Femmes” vinden we het reeds onder het beleg actieve “comité de vigilance des femmes”. De meeste vrouwen hadden een vaag idee over socialisme. In de clubs werd aan deze lacune verholpen. Uitmuntende redenaarsters zoals bv. André Léo (een onder een mannelijk pseudoniem schrijvende journaliste) en Louise Michel traden hier op de voorgrond. Ook vanuit het publiek werden voor die tijd revolutionaire voorstellen gedaan. Men sprak er over het recht op vakantie voor de arbeidsters, de situatie van de vrouw in de maatschappij, een vergoeding per aantal kinderen... Vooral bij de mannelijke reactionairen en spijtig genoeg ook bij sommige communards vielen deze manifestaties van vrouwelijke onafhankelijkheid in slechte aarde. Zij lieten dan ook geen gelegenheid voorbij gaan om deze vrouwen belachelijk te maken. Dit verhinderde echter niet dat de vrouwen een steeds actievere rol gingen spelen. Tijdens het tweede beleg werden niet alleen vrouwenbataljons gesticht, maar zag men ook vrouwelijke ambulanciersters op die plaatsen waar het hardst gevochten werd, met gevaar voor eigen leven, gewonden verzorgen. In tegenstelling met de gewone soldaten, waren de officieren en doctoren hen eerder vijandig gezind, al moesten deze laatsten wel toegeven dat de vrouwen over een grote dosis moed en uithoudingsvermogen beschikten. Een van de meest merkwaardige vrouwen die in deze periode op de voorgrond trad, was Louise Michel. Zij was overal tegelijk. Als soldaat, ambulancierster en redenaarster vond men haar zowel in de clubs als op het slagveld. Op 21 mei trokken de troepen van Versailles de stad binnen. Overal in de straten werden barricades opgericht, waaronder enkele door vrouwen en kinderen. Bij de verdediging der barricades werden zij op even beestachtige wijze als de mannen afgemaakt. In diezelfde periode ontstond de mythe van de “pétroleuse”. Om de branden in Parijs te verklaren beschuldigden de Versaillais de Parijse vrouwen ervan met petroleum huizen en openbare gebouwen in brand te hebben gestoken. Men ging zelfs zo ver te verklaren dat er brigades van vrouwen waren, die zich tot taak gesteld hadden Parijs in as te leggen. Door collectieve hysterie aangegrepen, werd iedere armoedig uitziende vrouw, die een tas of een fles droeg door de Versaillais aangehouden en soms zonder vorm van proces afgemaakt. Later, tijdens de processen, kon men nooit bewijzen dat deze geruchten op ware feiten gebaseerd waren. De repressie was voor beide geslachten even streng. Enige vrouwen werden terechtgesteld, terwijl anderen gedeporteerd werden. De strijd Na de nederlaag van zijn gedemoraliseerde troepen op 18 maart was Thiers natuurlijk niet klaar om ogenblikkelijk naar Parijs op te trekken. Een goede verstandhouding met Bismarck was vooreerst nodig om zijn leger weer op peil te brengen. In het ontwerp van een vredesverdrag stond dat de Fransen max. 40.000 soldaten in de streek van Parijs mochten handhaven. Bismarck, de evolutie in Parijs met wantrouwen bekijkend, gaf Thiers echter niet alleen de toelating een veel groter leger op te bouwen, maar beval bovendien de vrijlating van krijgsgevangenen. Deze laatsten, weer in het leger ingelijfd, konden tegen Parijs gebruikt worden. Als opperbevelhebber werd Vinoy vervangen door Mac-Mahon, die uit gevangenschap teruggekeerd niets liever wilde dan zijn nederlaag te doen vergeten. Door een uitgebreide spionagedienst op de hoogte gehouden van de militaire toestand in Parijs, was Thiers half april klaar voor de aanval. De Parijzenaars beschikten weliswaar over genoeg manschappen en munitie, maar hun leger was slecht georganiseerd, ongedisciplineerd en had te weinig goede aanvoerders. De vroegere beroepsofficier Dombrowski [een Pools vluchteling voor de tsaar], weliswaar een uitmuntend militair, ondervond zoveel tegenwerking dat hij zijn talenten niet kon ontplooien. Anderen, zoals bijvoorbeeld Rossel en Cluseret, deden wat zij konden, maar waren niet tegen hun taak opgewassen. Tot 24 april uitten de vijandelijkheden zich door korte schermutselingen, en hevige beschietingen. Voor 21 mei wist het leger van Thiers zich meester te maken van enige strategisch belangrijke forten rond Parijs. Communards die in handen van de troepen vielen werden dikwijls zonder vorm van proces neergeschoten. Op 21 mei begon de laatste fase, die onder de naam “bloedige week” de geschiedenis in zou gaan. Inderdaad, op 21 mei trokken de Versaillais de stad binnen. Vast besloten tot het bittere einde te vechten, trokken de leden der Commune naar hun wijken om op de barricades te strijden. Dit besluit maakte uiteraard een einde aan elke organisatie en centraal gevoerde krijgstactiek. Men vocht van straat tot straat, van huis tot huis. Huizen en openbare gebouwen gingen in vlammen op, enerzijds door de beschietingen der Versaillais, anderzijds doordat de Communards van hun kant de opmars met vuur trachtten te stuiten. Dit laatste hielp echter niet. Barricade na barricade viel in handen van Thiers’ soldaten, die zich overgaven aan gruwelijke wreedheden. Mannen, vrouwen en zelfs kinderen werden zonder vorm van proces afgemaakt. Een waar bloedbad. Dit laatste was voor de Commune de aanleiding om een tachtigtal gijzelaars te fusilleren. Nadien zou dit feit in de burgerlijke pers en door de regering afgeschilderd worden als een mensonterende daad, terwijl men zweeg over de ongeveer 30.000 doden die de Versaillais op hun actief hadden. Op zaterdag 27 mei vielen de Buttes de Chaumont en het kerkhof van Père Lachaise. Na een hevige strijd tussen de graven werden de overlevenden van dit gevecht tegen de kerkhofmuur gefusilleerd. Deze muur is tot op heden het symbool van de idealen en de strijd der Commune. Ondertussen versperden de Duitsers de uitvalswegen waarlangs de Communards eventueel hadden kunnen terugtrekken, terwijl zij tevens oprukten naar Vincennes, waardoor het laatste fort dat in handen was van de Communards, geïsoleerd werd. Op 28 mei vielen de laatste barricades. De strijd was weliswaar voorbij, de moordpartijen gingen echter voort. Terwijl verder lange rijen gevangenen naar Versailles werden afgevoerd onder het gejouw en de schimpscheuten der “goede burgers”. Na de Commune (Denise de Weerdt) De repressie Wie gedacht had dat met de Bloedige Week het doden langs alle kanten afgelopen was, kwam bedrogen uit. Het leger van Versailles maakte van Parijs niet alleen een slagveld, het vormde de stad om tot een uitroeiingskamp. Het doodde om te doden; om vlugger te kunnen fusilleren werd de mitrailleur gebruikt op groepen mensen tegelijk. Men krijgt de indruk dat Parijs gevangen zat in de greep van een massahysterie, die gericht was – doorheen het vernietigen van mensen – op het uitroeien van een idee, de idee van de opstand. Ook de gewone burger deed eraan mee: van 23 mei tot 13 juni werden 379.823 mensen aangebracht bij de politie. Niet alleen communards hebben in hun herinneringen getuigenis gebracht, of felle aanklachten geschreven, over de terreur waarin Parijs kwam te leven. Correspondenten van buitenlandse bladen, zoals The Times en de L’Etoile belge drukten hun ontzetting uit over de gebeurtenissen. De Parijzenaars zouden hun eerste arbeidersregering met enorme offers betalen. Thiers verklaarde officieel dat er moest gestraft worden; wettelijk, maar onverbiddelijk. Daarmee gaf hij het teken voor één van de strengste repressies, die de negentiende eeuw gekend heeft. De “terreur tricolore”, zoals Benoit Malon haar noemde, kon aanvangen; onverbiddelijk is zij zeker geweest, wettelijk blijft een vraag. Naast de terechtstellingen zonder voorafgaandelijk vonnis, werd geëxecuteerd op bevel van haastig opgerichte krijgsraden. Deze uitzonderingsrechtspraak was mogelijk daar Parijs nog steeds in staat van beleg verkeerde. Volgens de officiële cijfers van generaal Félix Appert, hoofd van het militair gerecht te Versailles, voorgelegd aan de Nationale Vergadering van 8 maart 1875, werden zeventienduizend mensen gefusilleerd. Nu worden zij op twintig à vijfentwintigduizend geschat. Dit getal overtreft ver het aantal hoofden dat gerold is tijdens de terreurperiode in de Franse revolutie, die iets meer dan een jaar duurde. En nog onthutsender is deze balans, als men haar vergelijkt met het aantal doden van de Commune: acht of negenenzeventig. Het aantal gevangenen en veroordeelden voeren de cijfers van de repressie nog veel hoger op. Volgens een enquête van de gemeenteraad in oktober 187I had Parijs ongeveer honderdduizend mensen verloren, hetzij zowat een derde van haar mannelijke arbeidersbevolking. De volgende jaren moest de stad beroep doen op vreemde arbeidskrachten. Toen reeds werd vastgesteld, o.m. door een journalist van de Figaro, [monarchistisch, dus uiterst rechts van strekking] dat de repressie niet alleen op de Commune zelf terugsloeg, maar op heel de arbeidersbeweging van de laatste twintig jaar. Maar laten wij de officiële cijfers, die drie en een half jaar later vrijgegeven werden, voor zichzelf spreken: 38.578 opstandelingen waren aangehouden en veroordeeld op 1 januari 1875, waaronder: 36.909 mannen 1.054 vrouwen 615 kinderen onder de 16 jaar. Daarvan kunnen afgetrokken worden: 1.090 invrijheidstellingen na eenvoudige ondervraging 212 gevallen die naar de burgerlijke rechtspraak verwezen werden, en 967 overlijdens tijdens de processen, waaronder 10 kinderen. Dit geeft in totaal toch nog: 36.309 aanhoudingen, waaronder: 13.700 veroordelingen op tegenspraak, waaronder 170 vrouwen en 60 kinderen 285 terdoodveroordelingen, waaronder 8 vrouwen 482 veroordelingen tot dwangarbeid, waaronder 29 vrouwen 4.017 deportaties met opsluiting, waaronder 20 vrouwen 3.507 gewone deportaties, waaronder 16 vrouwen 3.3I3 veroordelingen bij verstek. Achter deze hoge, maar dode cijfers schuilt dikwijls een wrede werkelijkheid. Officieren, bijgestaan door politiecommissarissen beslisten na een summiere ondervraging, of zelfs alleen maar bij het vaststellen van zwarte handen – die zouden veroorzaakt zijn door kruitdamp – over het lot van de gefedereerden of van verdachte burgers. Dat daarbij per vergissing burgers van de andere kant getroffen werden zal niemand verwonderen. De terechtgestelden werden in allerhaast in massagraven gelegd op de kerkhoven, langs de vestingen, tenslotte op brandstapels. Getuigen vertelden met ontzetting hoe zij de Seine roodgekleurd zagen van het weggevloeide bloed. Het lot van de gevangenen en gedeporteerden was niet minder wreed. Bijna veertigduizend gevangenen onderbrengen zou iedere grote stad, zelfs nu nog, voor grote moeilijkheden plaatsen. De gevangenissen van de Orangerie waren onmiddellijk volzet; achtentwintigduizend gevangenen werden overgebracht in afgrijselijke omstandigheden, op marineschuiten naar Brest, Cherbourg, Lorient, enz. Zij kwamen niet allen levend aan. Anderen werden te voet, aan elkaar gebonden, naar de barakken van het legerkamp van Satory gebracht, naar de stallen van Versailles, de gevangenissen van Noailles en St. Pierre. Vijfduizendvijfhonderd dwangarbeiders en weggevoerden werden naar de Franse strafkolonies van Nieuw-Caledonië ingescheept. Zo o.m. vertrok een konvooi op 1O augustus 1873, waaronder Louise Michel op het schip de “Virginie”. De nooit aflatende Louise stichtte er een school voor de kinderen der inwijkelingen, en verzamelde er de heldendichten van de Kanaken. De meeste van de weggevoerde communards weigerden er de landbouwkolonies te bevolken; iets waarvoor zij wegens hun beroep ook weinig geschikt waren. Enkelen onder hen namen nochtans deel aan de bestrijding van de inboorlingenopstand van 1878; anderen, waaronder opnieuw Louise Michel, kozen partij voor de opstandelingen. Terug in Europa – de algemene amnestie kwam op 11 juli 1880 – schreven zij hun memoires over hun verblijf aldaar. De communards in het buitenland Veel communards waren naar het buitenland kunnen vluchten en moesten zich daar de volgende jaren trachten te vestigen, daar zij bij verstek veroordeeld waren. Zij trokken vooral naar Engeland, Zwitserland en België, waar zij onmiddellijk kontakt zochten met de groepen van de 1ste Internationale. In Engeland vestigden zich meerdere duizenden communards te Londen en in de andere grote steden. Het is daar dat Charles Longuet in 1873 huwde met Jenny, een dochter van Karl Marx. Heel vlug traden zij terug actief op in de arbeiders- en socialistische beweging. Zij vormden speciale afdelingen in het kader van de 1ste Internationale, en trachtten door het uitgeven van bladen, vlugschriften en almanakken, die in Frankrijk verspreid werden, de geest van de Commune hoog te houden. Alhoewel de vluchtelingen met sympathie door de bevolking ontvangen werden, betekende dit nog niet dat de buitenlandse regeringen geneigd waren dezelfde houding aan te nemen. Dit werd overduidelijk in ons land toen Victor Hugo wegens een artikel in de krant L’lndépendance Belge tegen de houding van de Belgische regering, die de communards als misdadigers beschouwde, het land uitgezet werd op 30 mei. Reeds van bij het uitbreken van de Commune was het toezicht op de politieke vluchtelingen verscherpt. De Brusselse politie en de openbare veiligheid maakten lijsten op van communards, met de bedoeling hun binnenkomst in België te controleren en te verbieden. Het bestuur van de openbare veiligheid ging zorgvuldig te werk in het verzamelen van zijn inlichtingen over ingeweken communards; het legde dossiers aan van Franse communards die zich bij ons vestigden; het verspreidde de maatregelen die op hen mochten toegepast worden; het gaf inlichtingen over hen aan de Franse regering en het hield hen tijdens hun verblijf alhier verder in het oog. Van de ongeveer vijftienhonderd in België toevlucht zoekende communards vestigde het merendeel zich te Brussel en omstreken. De uitstraling van de Commune De Commune van Parijs heeft veel passies opgeroepen; zowel bij de reactie, waar deze zich uitten in gevoelens van afkeer en haat, als in de socialistische arbeiderswereld, waar zij vereerd werd met een bewondering, die dikwijls tot exaltatie ging. 1. Langs de Versaillese kant werden verhalen over de Commune gepubliceerd, met de bedoeling bij de lezers verontwaardiging te wekken met details over het barbaarse optreden van de revolutionairen. Wat in die verhalen opvalt is het totaal ontbreken van iedere gewetenswroeging. In deze publicaties, in de pers legde men de nadruk op de verwoesting van Parijs, van de Tuilerieën, van de neergehaalde kolom, van het Hôtel de Ville. Veel minder werd er geweeklaagd over het vernietigen van mensenlevens. Begin juni organiseerde het agentschap Thomas Cook reeds toeristische uitstappen naar de ruïnes van Parijs en omstreken. Fraai geïllustreerde boeken, met tekeningen van de vernielingen, een in een zwarte rouwkaft ingebonden fotoalbum met Franse, Engelse en Duitse tekst werden hierover verspreid. Het propagandaapparaat was reeds in volle werking. De idee op de achtergrond was verontwaardiging wekken over die brandstichters, die het aangedurfd hadden de historische gebouwen – symbolen van het keizerlijke en burgerlijke regiem – omver te halen. Als er nog gezinspeeld werd op de verwoestingen aangericht door de Duitse bombardementen tijdens de oorlog dan werd er helemaal niet gerept over de vernielingen toegebracht door het leger van Versailles. In juli 1873 stemde de Nationale Vergadering voor de oprichting van een kerk, als getuigenis van berouw en als symbool van hoop – dat een dergelijke ramp de burgerlijke orde nooit meer zou kunnen treffen – op de plaats waar de Commune uitgebroken was: het werd de Sacré Coeur, waarvan de eerste steen gelegd werd Op 16 juni 1875 en die slechts ingewijd werd in 1919. 2. Bij de literaire beroemdheden was de houding tegenover de Commune over het algemeen ongunstig. De meesten hebben haar veroordeeld, zoals Alexandre Dumas fils, Jules Barbey d’Aurevilly, de gebroeders Goncourt, Joseph de Gobineau, Charles Marie Leconte de Lisle, Theophile Gautier, Alphonse Daudet, Hippolyte Taine en Ernest Renan. Zelfs zij die als progressief bekend stonden deden er aan mee, zoals George Sand, Catulle Mendes, Anatole France, Gustave Flaubert en Emile Zola. Enkele schrijvers, zoals Victor Hugo, Jules Valles, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine en Jean de Villiers de l’Isle-Adam zouden haar verdedigen. De officiële letterkunde mag wel beschouwd worden als deel uitmakend van de repressie door zich in het kamp tegen de Commune te scharen. Wij hebben hier slechts de bekendste namen opgesomd, maar zowat 2.500 werken werden tegen de Commune gepubliceerd. De Commune had wel degelijk haar eigen schrijvers en dichters, maar wie kende – buiten Victor Hugo, Arthur Rimbaud en Paul Verlaine, die er slechts enkele gedichten aan wijdden – namen zoals Eugene Pottier, Jean Baptiste Clément, Louise Michel, Jules Valles of Clovis Hugues. 3. Langs de linkerzijde is de Commune voor de arbeidersklasse steeds een symbool gebleven van de enige echte vorm van arbeidersregering. Niet alleen de Franse socialisten, maar ook bv. de Belgische vierden 18 maart jaarlijks met manifestaties, toespraken en concerten. Op 23 mei 1880 ving de eerste pelgrimstocht aan naar de “Muur der gefedereerden” op het kerkhof Père Lachaise. Toen in 1886 bij ons de sociale onlusten losbraken in de Borinage, werden die ingeluid met een evocatie van de Commune. Bij de organisatie van de grote algemene werkstakingen van 1902 en 1913 leefde nog steeds ergens in de achterhoofden de gedachte aan de Parijse arbeidersopstand van 1871. De Commune bleef echter niet alleen leven in de herinnering, zij had ook haar weerslag op de socialistische tactiek. In de eerste plaats op het Internationaal Werkliedenverbond. Waar Karl Marx, leider van het IWV, tot 1870 praktisch onbekend gebleven was bij het grote publiek, maakte zijn stellingname ten voordele van de Commune van hem de meest bekladde en de meest bedreigde man in Londen, sedert hij in zijn Adres over de Burgeroorlog aan de algemene raad van de 1ste Internationale de solidariteit van de internationale arbeidersbeweging met de Commune betuigde. Het is hier dat Marx voor het eerst zijn thesis over de noodzakelijkheid van de dictatuur van het proletariaat bewezen meende te zien. Het Internationaal Werkliedenverbond kreeg door de gebeurtenissen in Parijs ongehoorde afmetingen in de ogen van de burgerlijke wereld; men schreef het doeleinden toe, die het nooit nagestreefd had; effectieven, waarover het nooit gedroomd had; middelen, die het nooit bezeten had. Het boezemde de Europese regeringen een vrees in alsof het een echte wereldmacht was, in plaats van de schaars bevolkte, maar weliswaar overal verspreide kleine arbeidersgroeperingen, die het in werkelijkheid vertegenwoordigde. Het is van dan af dat de vervolgingsmaatregelen tegen de 1ste Internationale met alle hevigheid werden ingezet. Marx had onmiddellijk lering getrokken uit de gebeurtenissen van de Commune, die bepalend waren voor de verdere richting die tenminste een deel van de socialisten, de sociaaldemocraten, zouden inslaan. Voor de eerste maal hadden de arbeiders de politieke macht veroverd. Waar de 1ste Internationale zich voordien vooral had toegelegd op de economische vraagstukken, zoals de vermindering van de arbeidsduur, de verbetering van de lonen, de steun aan stakers, veranderde deze toon nu. De geschiedenis zelf had de politieke strijd, de strijd van het proletariaat voor het veroveren van de macht op het matje gebracht. De 1ste Internationale kon dit vraagstuk nu niet meer van haar agenda weghouden, en alhoewel juist het al of niet hanteren van de arbeidersbeweging op politiek vlak de scheuring in haar rangen zou betekenen, was de aanvaarding ervan bepalend voor de oprichting van de sociaaldemocratische partijen in de zeventigerjaren in alle West-Europese landen. Langs de andere kant hebben de anarchistische aanhangers van Michel Bakoenin in de Commune het voorbeeld gezien van hun antiautoritair maatschappijmodel; men zal zich herinneren dat in de Commune geen enkele leidersfiguur definitief op de voorgrond trad, dat de beslissingen er niet centraal genomen werden, maar spontaan groeiden uit de vrije groepen. En hiermee stelt zij ons, alhoewel honderd jaar oud, voor een zeer actuele problematiek in de linkse gelederen. Wie de Commune grondig bestudeerde om er lessen uit te trekken voor de toekomst, was Lenin. Hij analyseerde haar successen, kritiseerde haar gebreken, en vergeleek haar mislukking met deze van de Russische revolutie in 1905. Voor hem had de Commune drie grote fouten gemaakt: – dat het proletariaat halverwege gestopt was en geen gebruik gemaakt had van de voor hen gunstige omstandigheden om tot volledige onteigening over te gaan, doelend op de Bank van Frankrijk. – dat het proletariaat een onnodige grootmoedigheid aan de dag had gelegd, door in plaats van zijn vijanden te vernietigen, ze alleen door morele beïnvloeding te hebben willen overtuigen. – dat de communards het belang niet hadden ingezien van een goede militaire tactiek en nalieten Versailles te veroveren, waardoor de vijand op zijn stellingen kon terugkomen. Lenin zou die halve maatregelen en de onnodige grootmoedigheid van de Parijse Commune niet herhalen in 1917. In zijn studie over Staat en Revolutie kwam hij op de Commune terug. Nergens is de weerwraak voor de mislukte revolutie van 1871 schitterender geweest dan in de Russische Oktoberrevolutie. Hij zag in de macht van de sovjets, de arbeidersraden, de afspiegeling van het staatsregime door de communards opgebouwd. Tijdtafel 1870 Mei Door Napoleon III opgezet plebisciet. De Franse secties van de 1ste Internationale Arbeidersassociatie roepen hun leden op, zich wegens het demagogische van deze maatregel van stemming te onthouden. 22 juni tot 5 juli Proces tegen de leden van de Parijse federatie van de Internationale wegens hun houding tegenover het plebisciet. Half juli Protestvergaderingen van arbeiders in Duitsland tegen de sterker wordende oorlogsophitsing door de heersende klassen. De belangrijkste vergaderingen vinden op 16 juli in Brunswijk en op 17 juli in Chemnitz plaats. 19 juli Begin van de Duits-Franse oorlog. Marx krijgt van de Algemene Raad van de Internationale de opdracht, een adres naar aanleiding van deze oorlog voor te bereiden. 26 juli Het “Eerste adres van de Algemene Raad over de Duits-Franse oorlog” wordt door de Algemene Raad unaniem goedgekeurd. 2 september Nederlaag van het Franse leger bij Sedan. Gevangenneming van keizer Napoleon III. 4 september Uitroeping van de Republiek Frankrijk. Vorming van de burgerlijke regering van de ‘Nationale Verdediging’, in werkelijkheid een regering van het nationale verraad. 5 september In Brunswijk verschijnt het “Manifest van het Comite van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij. Aan alle Duitse arbeiders!”, waarin wordt geëist: “Een eervolle vrede voor Frankrijk!”, “Tegen de annexatie van de Elzas en Lotharingen!” en voor “Erkenning van de Franse republiek”. De Engelse arbeiders beleggen massameetings en demonstraties ter ondersteuning van de eis, de Franse republiek te erkennen, en wel in Londen, Birmingham, Newcastle en andere grote steden. Organisators zijn de Engelse vakbonden in samenwerking met de Internationale. Eerste helft van september In alle delen van Duitsland vinden, uitgaande van het manifest van Brunswijk, meetings plaats tegen voortzetting van de Duits-Franse oorlog als veroveringsoorlog tegen het Franse volk. 6 september Marx krijgt van de Algemene Raad der Internationale de opdracht, een tweede adres over de Duits-Franse oorlog uit te werken. 9 september Het “Tweede adres van de Algemene Raad over de Duits-Franse oorlog” wordt door de Algemene Raad unaniem aanvaard. 18 september Begin van het beleg van Parijs door het Duitse leger. 5 oktober In Parijs eisen voor het stadhuis demonstrerende arbeidersbataljons verkiezingen voor de Commune, maatregelen ter versterking van de republiek en krachtige strijd tegen de binnengedrongen vijand. De regering wijst de eisen van de hand. 31 oktober Poging tot opstand van de Parijse arbeiders onder leiding van Blanqui en Flourens; tijdelijke bezetting van het stadhuis en arrestatie van verscheidene leden van de regering. 1871 18 januari Bismarck proclameert in de spiegelzaal te Versailles Wilhelm I tot keizer van Duitsland. 21-22 januari Nieuwe poging tot opstand van de arbeiders van Parijs met als doel, de regering van het nationale verraad omver te werpen en de Commune in te stellen; bloedig neergeslagen door regeringstroepen; executies van Parijse arbeiders, sluiting van alle arbeidersclubs in Parijs, verbod op volksvergaderingen en op het verschijnen van diverse kranten. 28 januari Conventie inzake wapenstilstand en capitulatie van Parijs tussen de Franse regering en Bismarck. 13 februari Opening van de op 8 februari gekozen Nationale Vergadering, de zgn. Landjonkersvergadering, in Bordeaux. 26 februari Voorlopige vrede van Versailles, ondertekend door Thiers en Jules Favre enerzijds en Bismarck en vertegenwoordigers van de Zuid- Duitse staten anderzijds. Bepalingen: Frankrijk staat de Elzas en het oostelijke deel van Lotharingen aan Duitsland af en betaalt een schadeloosstelling van vijf miljard franc; totdat deze betaald is houden de Duitse troepen delen van Frankrijk bezet. Tegelijkertijd overeenkomst inzake het vrijlaten van 40.000 Franse krijgsgevangenen. 6 maart Verkiezingen voor de Parijse Commune. 10 maart De landjonkersvergadering neemt de wet aan inzake het opschuiven van de vervaltermijnen van wissels, hetgeen de ondergang betekent van velen uit de kleine en middelgrote bourgeoisie. 18 maart Poging van de regering, de Parijse arbeiders te ontwapenen en de Nationale Garde van haar geschut te beroven. Overgang van de macht in handen van het Centraal Comité van de Nationale Garde. Vlucht van de burgerlijke regering naar Versailles. 22 maart Contrarevolutionaire demonstratie van monarchisten in Parijs wordt uiteengejaagd. In Lyon bezetten Nationale Gardisten en arbeiders het stadhuis. Proclamatie van de Connmune in Lyon. 23 maart Uitroeping van de Commune in Marseille, die op 4 april door regeringstroepen wordt neergeslagen. 28 maart Proclamatie van de Commune van Parijs. Het Centraal Comité van de Nationale Garde draagt de macht over aan de Commune. Conventie van Rouaan tussen Thiers en Bismarck: het aantal vrij te laten krijgsgevangenen wordt daarbij op 80.000 gesteld (korte tijd later verhoogd tot 100.000). 30 maart In Parijs afschaffing van het rekruteringssysteem en van het staande leger. De Nationale Garde wordt tot enige gewapende macht uitgeroepen. Decreet van de Commune over het annuleren van alle huurschulden. 1 april Decreet van de Commune over het maximumsalaris van de ambtenaren en leden der Commune, dat op 6.000 franc wordt vastgesteld. 2 april Decreet van de Commune over de scheiding tussen kerk en staat en het nationaliseren van kerkelijke eigendom. Begin van de oorlogshandelingen van de regering in Versailles tegen het revolutionaire Parijs. 5 april Decreet van de Commune over het nemen van gijzelaars als antwoord op het doodschieten van gevangengenomen Communards door de Versaillers. Begin van het beschieten van Parijs door de troepen van Versailles. 6 april De guillotine wordt door de Nationale Garde verbrand. 12 april Besluit van de Commune, de Vendôme-zuil omver te halen. 16 april Decreet van de Commune over het weer in bedrijf stellen van fabrieken, die door de ondernemers zijn stilgelegd, door de arbeiders, die tot dan toe in die fabrieken hebben gewerkt en zich in coöperaties zullen aaneensluiten. Decreet van de Commune over het in termijnen voldoen van schulden binnen drie jaar en zonder rentebetaling. 18 april Marx krijgt van de Algemene Raad der Internationale de opdracht, een adres op te stellen over de in Frankrijk aan de gang zijnde burgeroorlog. 20 april Besluit van de Commune over het afschaffen van de nachtarbeid in bakkerijen. 30 april De Commune heft de pandjeshuizen in Parijs op. Opnieuw proclamatie van de Commune in Lyon, die door regeringstroepen en politie op gruwelijke wijze wordt onderdrukt. 9 mei Verovering van het fort van Issy door de troepen van Versailles. 10 mei Ondertekening van het vredesverdrag, waarmee de Duits-Franse oorlog wordt afgesloten, in Frankfort; de daarin vastgelegde vredesvoorwaarden dragen de kiem van een nieuwe oorlog in zich. 16 mei Neerhalen van de Vendôme-zuil in Parijs door arbeiders en Nationale Gardisten. 21 mei Laatste zitting van de Commune van Parijs. Door verraad en als gevolg van nalatigheid van onderdelen der Nationale Garde dringen troepen van Versailles de stad binnen. 22-28 mei In bloedige straatgevechten bieden de Parijse Communards heldhaftig verzet tegen de numerieke meerderheid van de contrarevolutionaire strijdkrachten van Versailles. 30 mei Marx leest op de bijeenkomst van de Algemene Raad het adres over de burgeroorlog voor, dat eenstemmig wordt aangenomen. mei/juni De contrarevolutie neemt in Parijs op gruwelijke wijze wraak: massale executies en deportatie van vele duizenden. 20 juni De Franse regering krijgt, na het definitief neerslaan van de Communebeweging in heel Frankrijk, van de grootkapitalisten en landjonkers de toestemming tot het uitschrijven van een lening, waarmee het wrakke regiem moet worden gestut.