Domela Nieuwenhuis, F. - De geschiedenis van het socialisme 2

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_2_(1902)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_2_(1902)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_2_(1902).epub

De geschiedenis van het socialisme 2
Door
F. Domela Nieuwenhuis.
Met portretten.

Tweede deel.
Amsterdam. – S.L. van Looy, 1902.
Het moderne socialisme.

Inleiding.

Een der dingen die het meest noodzakelijk zijn in elke wetenschap, is het geven van bepalingen. Daardoor alleen kan misverstand worden voorkomen. En toch niets is meer verwaarloosd dan juist dit. Hoeveel boeken hadden ongeschreven, hoeveel diskussies ongevoerd kunnen blijven, als men begonnen was met datgene, waarmede men altijd beginnen moest, nl. met het geven van bepalingen!
Wij zullen trachten aan die fout te ontkomen door de noodige bepalingen te geven van verschillende woorden, die in het vervolg veel gebruikt worden.
Socialisme is afgeleid van het Latijnsche woord socius = maat, vandaar societas = maatschap, een vereeniging van maats, overgebleven in ons woord societeit, een afgesloten kring menschen, die zich vereenigen tot gezellig verkeer. Het toevoegsel isme wijst op een leer, een stelsel, dus de leer die betrekking heeft op de maatschappij. Men schrijft het eerste gebruik van dat woord toe aan Pierre Leroux, die het stelde tegenover Individualisme en dus dan krijgt men socialisme de leer, waarin de maatschappij, de gemeenschap hoofdzaak is, in tegenstelling van het individualisme, waarbij het individu de hoofdzaak is. Men vindt het woord echter ook in Engelsche geschriften tusschen 1830 en 1840.
Hoeveel bepalingen zijn er reeds gegeven van ’t woord socialisme!
De bepaling eener zaak moet daarin bestaan, dat men het karakteristieke, het kenmerkende, waardoor het zich onderscheidt van een andere duidelijk doet uitkomen, zij mag dus niet te algemeen, te vaag, te veel omvattend zijn, want dan zegt zij niets.
Zoo hebben wij niets aan bepalingen, gelijk Laveleye er eene geeft en die aldus luidt: “in de eerste plaats heeft elke socialistische leer tot doel om grooter gelijkheid in de sociale levensvoorwaarden te brengen en in de tweede plaats om deze hervormingen door de wet of den staat te verwezenlijken.”<ref>Hamon heeft in de Humanité nouvelle 1e Année, tome I (1897) aan die bepaling een zeer lezenswaardig artikel gewijd, terwijl ook wij verschillende definities bespraken in Le socialisme en danger, bl.240 en vlg.</ref> Immers deze bepaling lijdt aan twee kardinale fouten, nl. dat het eerste gedeelte te algemeen is en dus niets zegt en het tweede te eng, daar zoodoende tal van menschen worden buitengesloten uit den kring der socialisten, die er wel degelijk binnen behooren. Op die wijze zou het staats-socialisme het socialisme zijn en dat gaat niet op. Of wel die van prof. von Scheel, die het socialisme “de ekonomische wijsbegeerte der lijdende klassen” noemt. Of van prof. Adolph Held, die als socialistisch aanmerkt “elk streven dat de onderwerping van den individueelen wil aan de gemeenschap beoogt.” Of van Webster in zijn Woordenboek: “een theorie of een stelsel van sociale hervormingen waardoor men streeft naar een algeheele vervorming der maatschappij en een meer rechtvaardige verdeeling van den arbeid.” Of de Dictionnaire de l’Académie française: “de leer van hen die een verandering willen van de voorwaarden der maatschappij en die haar willen opbouwen op geheel nieuwe grondslagen.” Of Brockhaus: “het socialisme is een stelsel van koöperatie of wel het geheel van plannen en leeringen, die tot doel hebben de algeheele vervorming der bourgeois-maatschappij en het in praktijk brengen van het beginsel van gemeenschappelijken arbeid en van de billijke verdeeling der dingen.” Of Larousse: “stelsel van hen die het eigendom willen vervormen door middel van een algemeene associatie.”
Ja, hoevele socialisten zelfs bleven te vaag, te zwevend in hun bepalingen evenals deze schrijvers! Toen aan Proudhon in 1848 door den president der rechtbank gevraagd werd: wat is socialisme? antwoordde hij: het streven naar een verbetering der maatschappij. Maar de president gaf daarop zeer snedig ten antwoord: maar dan zijn wij allemaal socialisten. En Proudhon antwoordde: dat is juist mijn idee. Wat heeft men aan zoo’n bepaling, die feitelijk niets bepaalt? De Temps Nouveaux noemde “elkeen socialist die oprecht een sociale vervorming wil in den zin van rechtvaardigheid, gelijkheid en een betere verdeeling van den socialen rijkdom.”

Al deze bepalingen hebben de eigenaardigheid dat zij niets zeggen en na ze allemaal goed te hebben nagelezen, komt men tot de konklusie, nog heelemaal niet te weten wat socialisme is.
Wat is de kern, het wezen van het socialisme, waardoor het zich onderscheidt van elk ander verschijnsel?
Het is de kwestie van het privaateigendom en daarom het kriterium van den socialist bestaat daarin of men al dan niet het privaateigendom erkend wil zien in de maatschappij. Socialisme is dus de leer, waarin het privaat-eigendom vervangen wordt door het gemeenschappelijk, waarin de produktiemiddelen gesocialiseerd, d.w.z. tot gemeenschappelijk eigendom zijn gemaakt en socialist is elkeen, die deze leer is toegedaan.
Let wel dat men ook een scherpe scheiding moet maken tusschen eigendom en bezit, wat door zeer vele socialisten voortdurend uit het oog wordt verloren, zoodat men beide begrippen op de wonderbaarlijkste manier door elkander haspelt. Zoo is niet de leuze van het socialisme, wat er meermalen voor wordt uitgegeven: weg met het privaatbezit! maar: weg met het privaateigendom!
Al wat bestaat, heeft recht om krachtens dat bestaan beslag te leggen op de voorwaarden, om het voortbestaan mogelijk te maken. De plant laat haar wortels schieten om bestaansvoorwaarden tot zich te trekken. Zij doet ze door haar wortels bezetten, neemt dus die bestaansvoorwaarden in bezit. Zoo heeft al wat leeft het recht om te bezetten, te bezitten zijn bestaansvoorwaarden. Maar mogen die inbezitnemers meer bezetten dan zij noodig hebben, om te kunnen voortbestaan? Waaraan bemerken wij dat zij meer nemen? Daaraan dat ze niet alles gebruiken, wat ze bezetten. Zij bezitten dan op kosten van anderen. Erger nog, zij zijn het niet zelven die bezetten, zij laten anderen beslag leggen èn op datgene wat zij noodig hebben om voort te bestaan èn op nog meer dat zij niet noodig hebben, maar toch willen behouden, zij eigenen het zich toe ondanks dat het onttrokken en onthouden wordt aan hen, die het noodig hebben om te kunnen voortbestaan.
Wat dus noodig is om te kunnen voortbestaan, dat is “rechtmatig bezit” en niemand heeft het recht, om zoolang er genoeg is om in aller behoeften te voorzien, dat bezit te betwisten.
Het méér-bezitten dan het noodige, dat is “eigendom”, omdat daarbij sprake is van zich toeëigenen en niet van bezetten = bezitten. Eigenlijk is dus de strijd der socialisten gericht vóór het bezit, maar tegen het eigendom.
Het socialisme is een algemeen begrip, dat verschillende onderdeelen omvat, zooals het kommunisme, dat bestaat in gemeenschap van arbeid en gemeenschap van gebruik volgens de formule: ieder geeft naar zijn kracht, ieder ontvangt naar zijn behoeften; het kollektivisme, dat bestaat in gemeenschap van arbeidsmiddelen maar in het gebruik overeenkomstig de formule: ieder krijgt naar zijn verdiensten; de land-nationalisatie, waarvan de voorstanders alleen het gemeenschappelijk grondeigendom in handen van den staat verlangen, maar overigens de individueele wijze van bedrijf wenschen te behouden, zooals zij nu bestaat.
Het socialisme is dus een zuiver ekonomisch verschijnsel, dat zich niet uitlaat over de wijze waarop de produktie zal worden geregeld, hetzij door den staat, hetzij door vrije groepeering.
De nadere bepaling geschiedt door de samenkoppeling met het woord demokratie of anarchie.
Demokratie, samengesteld uit: demos (volk) en kratie (heerschappij) dus volksregeering, evenals aristokratie = aristo (beste) en kratie (heerschappij), regeering dus der besten, pluto-kratie = pluto (rijke) en kratie (heerschappij), regeering dus der rijken, ochlo-kratie = ochlo (gepeupel) en kratie (heerschappij), regeering dus van het gepeupel, a-kratie = a (zonder) en kratie (heerschappij), dus zonder regeering.
In plaats van het laatste woord gebruikt men echter meestal an-archie, wat feitelijk hetzelfde beteekent, daar a beteekent zonder en archie, regeering, dus zonder regeering, evenals mon-archie regeering van een enkele, oli-garchie regeering van weinigen. Men kan dus even goed verbinden sociaal-anarchie, als men het gedaan heeft met het woord sociaal-demokratie en als scherper bepaling verdient die kombinatie de voorkeur.
Nu beweren sommigen dat een anarchist geen socialist en dat een socialist geen anarchist kan zijn, ja zelfs op een kongres der Duitsche sociaal-demokratische partij in 1887 te St. Gallen gehouden, verklaarde Liebknecht onder algemeene goedkeuring van den partijdag, dat het anarchisme is anti-socialistisch, dat het niet samengaat met den eisch van socialiseering der produktiemiddelen en dat het is antirevolutionair. Wij zouden dit eenvoudig als curiosum mededeelen, wanneer zoo iets niet als goede munt werd aangenomen door de sterkste van alle sociaal-demokratische partijen in de onderscheidene landen. Zoo weinig toont deze voorlichter van anderen zelf te begrijpen van de wijsbegeerte der anarchie, dat hij slechts drie kategoriën van anarchisten kent: 1°. misdadigers tegen het gemeene recht; 2°. politiespionnen en 3°. de mannen van de propaganda der daad, welke ingedeeld kunnen worden in “schwadroneurs” en “mond-revolutionairen”, ofschoon hij erkennen moet dat er hartstochtelijke naturen onder hen voorkomen, fanatieke, krachtige mannen en vrouwen, wien het ontwikkelingsproces der revolutie te langzaam gaat en die daarom tot individueele daden overgaan.
Maar is onze bepaling van het socialisme juist, dan heeft men alleen te vragen of de anarchisten zich al dan niet verklaard hebben als voorstanders van de socialiseering der produktiemiddelen en zoo ja, dan behooren zij onder de socialisten een plaats in te nemen. Alleen zou men dat recht kunnen ontzeggen aan de individueele anarchisten, die zelfs het privaateigendom willen toestaan.
Is b.v. een anarchist als Malatesta geen socialist, waar hij verklaart:

“wij, kommunistische of kollektivistische anarchisten, wij willen de afschaffing van alle monopolies, wij willen de afschaffing van de klassen, het eindigen van alle overheersching en uitzuiging van den mensch door den mensch, wij willen dat de grond en alle produktiemiddelen, evenals de rijkdommen opgehoopt door den arbeid der verleden geslachten, het gemeenschappelijk eigendom worden van de menschheid door de onteigening der hedendaagsche bezitters, zoodat de arbeiders het geheele produkt van hun arbeid kunnen krijgen, hetzij door het volstrekte kommunisme, hetzij door elkeen te geven naar zijn krachten. Wij willen de broederschap, de solidariteit en den arbeid ten voordeele van allen in plaats van de konkurrentie. Wij hebben dit ideaal gepredikt, wij hebben voor zijn verwezenlijking gestreden en geleden sints langen tijd en in sommige landen, b.v. in Italië en Spanje, vòòr de geboorte van het parlementair socialisme. Welk eerlijk mensch zal zeggen dat wij geen socialisten zijn?”

En hij voegt er nog aan toe: “men kan gemakkelijk aantoonen, dat wij zoo niet de eenige, dan toch in elk geval de meest logische en konsekwente socialisten zijn, omdat wij verlangen, dat elkeen niet alleen zijn geheele aandeel zal hebben van den socialen rijkdom, maar ook zijn aandeel aan de sociale macht, d. w. z. de bevoegdheid om evengoed als anderen zijn invloed te doen gelden in het beheer der publieke zaken.”
Is een anarchist als Merlino geen socialist, die schrijft: “wij zijn vóór alle dingen socialisten, d.w.z. wij willen de oorzaak van alle onbillijkheden, exploitaties, ellende en misdaad vernietigen, te weten: het privaateigendom. Wij willen als hoeksteen van de nieuwe maatschappij een organisatie der produktie. Wij meenen dat de onteigening der bourgeoisie niet anders kan geschieden dan door middel van geweld.”
Zijn Cafiero, Kropotkine, Reclus geen socialisten, die voorstanders zijn van het kommunisme en tevens van de anarchie, ja die meenen dat men alleen anarchist kan zijn, als men kommunist is?
Het is dus eenvoudig een bewijs van bekrompenheid of partijzucht, wanneer men de anarchisten wil buiten-sluiten van het socialisme<ref>George Renard erkent dan ook in de Revue Socialiste Tome VI, dat “het socialisme wordt gelijk aan een stam; die zich splitst in twee hoofdtakken, waarvan elk zich op zijn beurt verdeelt in twee groote takken; eenerzijds het gematigd socialisme, de wetgevende tusschenkomst verwerpende of eischende; anderzijds het geavanceerd socialisme, als uiterste en tegenovergestelde grenzen hebbende het kommunistisch anarchisme en het autoritair kollektivisme.”</ref>.
Het gaat hiermede precies als met het Christendom. Daar zijn katholieken, hervormden, lutherschen, mennonieten enz. Allen noemen zich christenen. Een katholiek nu is wel een christen, maar daarom is niet elk christen een katholiek.
Evenzoo hier: een anarchist is wel socialist, maar daarom elk socialist nog geen anarchist. Een der slachtoffers van Chicago, Adolph Fischer zei zoo juist: “politiek zijn wij anarchisten, ekonomisch kommunisten of socialisten. Ten opzichte der politieke organisatie vragen de kommunistische anarchisten de afschaffing van het politiek gezag, den staat; wij ontkennen het recht van een enkele klasse of een enkel individu om te regeeren of wetten te maken voor een andere klasse of een ander individu. Wij houden het ervoor, dat zoolang de eene mensch staat onder den ander of zoolang de eene mensch zijn medemensch in eenigerlei vorm kan onderdrukken en zoolang de bestaansmiddelen gemonopoliseerd kunnen worden door zekere klasse van menschen of door zekere individuen, geen vrijheid kan bestaan. Wat den ekonomischen vorm der maatschappij betreft, staan wij de kommunistische of koöperatieve methode van produktie voor.” Daarbij moet natuurlijk alle dwang zijn buitengesloten, het kommunisme zal groeien, opwassen uit de behoeften der maatschappij, zoodra het gemak en het voordeel de menschen ertoe zullen voeren. Het was Buckle, die terecht twee elementen zag vijandig aan de beschaving en de ontwikkeling en dat waren: 1°. de kerk die u voorschrijft wat gij gelooven en 2°. de staat, die u voorschrijft wat gij doen moogt en moet. Dit oordeel wordt bevestigd door de geheele geschiedenis heen. Zoowel de sociaal-demokratie als de sociaal-anarchie nemen wij dus in onze bespreking op, maar om geheel volledig te zijn, vullen wij haar aan door ook twee stroomingen te behandelen, die er strikt genomen niet in thuis behooren, omdat zij niet staan op den grondslag, dien wij van het socialisme gaven, het zijn: het christelijk socialisme en het individueel anarchisme en wij meenen duidelijk genoeg te hebben aangetoond waarom wij dit doen, daar beiden punten van aanraking genoeg hebben en hoewel met afwijkingen toch min of meer in de bedding van het socialisme terecht komen.
Onze verdeeling is bijgevolg aldus:

  • Socialisme:
  1. Christelijk Socialisme
  2. Staatssocialisme
  3. Vrij Socialisme (anarchisme)

I. Het christelijk socialisme verdeelen wij in tweeën:

  1. katholiek socialisme.
  2. protestantsch socialisme.

Bij het katholiek socialisme bespreken wij:
Lamennais, Buchez, Pierre Leroux. Leplay, de Mun, Lemire, Loesevitz, Perin, François Huët, von Ketteler, Moufang, Hitse, “vader” Kolping, Manning, bisschop van Meath, kardinaal Gibbons, paus Leo XIII en zijn Encykliek Rerum novarum.

Bij het protestantsch socialisme behandelen wij:
Victor Huber, Carlyle, Kingsley, Maurice, Headlam, “generaal” Booth en het Heilsleger, Stöcker, Rudolph Todt, Scharling.

  1. Het staatssocialisme verdeelen wij aldus:
  1. landnationalisatie: de Engelsche school, Henry George, Flürscheim, Hertzka.
  2. sociaaldemokratie: Louis Blanc, Marlo, Rodbertus, Schäffle, Lassalle, Marx en Engels.
  3. de Duitsche sociaaldemocratische partij en haar vertakkingen in Frankrijk, Engeland en België.
  4. Gemengd of semi-staats- en semi-vrij-socialisme. bestaande in:
    1°. Het rationeel socialisme van Colins en 2°. het vrijheidssociaiisme van Dühring.
  5. Eenige sympathiseerende theoretici: Albert Lange, Johann Jacoby, Ludwig Büchner, Samter, von Kirchmann, Laveleye, Letourneau, John Stuart Mill, Quack.
  1. Het vrije socialisme of anarchisme verdeelen wij aldus:
  1. De voorloopers van het anarchisme.
  2. christelijk anarchisme: Tolstoï, Kenworthy, Eugen Schmitt.
  3. mutualisme: Proudhon, Mühlberger.
  4. kommunistisch anarchisme : 1°. Bakunine: 2°. de anarchistische beweging in de verschillende landen (Kropotkine, Cafiero, Tcherkesof, Malatesta, Most).
  5. individueel anarchisme : Josiah Warren, Thoreau, Max Stirner, Benjamin Tucker, Mackay.
  6. anarchisme van de daad: Salvador French, Pallas, Ravachol, Vaillant, Emile Henry, Caserio, Angiolillo, Reindorf, Kammerer, Stellmacher, Lieske, Lucchéni, Bresci, de lijdelijke verzetters.
  7. Eenige sympathiseerende theoretici: Herbert Spencer, Auberon Herbert, Donisthorpe, Nordau, Novicow, Multatuli, Wagner, Ibsen, Zola, enz.

Daarna zullen wij een hoofdstuk geven over de Internationale, over het Nihilisme in Rusland, over de moderne staatsromans, om te eindigen met een hoofdstuk, bevattende eenige korte algemeene beschouwingen als samenvatting van het geheel.

1. Christelijk socialisme.

Vroeger wezen wij er op, dat er door de geschiedenis der christelijke kerk een roode draad loopt, die veelal door de officieele vertegenwoordigers der kerk als ketterij wordt gestempeld, maar die toch onmiskenbaar invloed heeft uitgeoefend. Meermalen hulde zij zich in mystiek gewaad en het zou niet moeilijk zijn zelfs uit de werken der mystieken anarchistische draden te halen. Afkeerig van uitwendigen vormendienst en kerkendom, leggen zij den nadruk op het individu, dat zelfs “verzinken” of “opgaan” moet in de godheid. “Met een boeksken in een hoeksken” verdiept het individu zich in het goddelijke en de hervorming begint niet van buitenaf maar van binnenuit. En waar zij in gemeenschappen of broederschappen gingen leven, zooals de Broeders des gemeenen levens te Deventer, en de Herrnhuttersche stichtingen in Moravië en elders enz., daar krijgt men feitelijk reeds proeven van kommunisme, hierin zich onderscheidende van het anarchisme, dat het gezag van den overste of voorganger door allen als het hoogste werd aangenomen. Wat zijn de tegenwoordige Christelijke broederschappen of Internationale broederschappen, die meestentijds ook een mystieke tint hebben, anders dan een herhaling van die vormen uit het verleden? Geen wonder overigens, want men hoeft slechts twee bijbelteksten in hun konsekwentie toe te passen, te weten: “als één lid lijdt, lijdt het geheele lichaam”, dus de gezondheid van alle deelen van het maatschappelijk raderwerk als de voorwaarde van welvaart voor de geheele maatschappij, en “wat gij wenscht dat de menschen u doen zullen, doet hun ook alzoo”, wat de kern, het wezen is van het socialisme, men zou kunnen zeggen dat het ’t socialisme in een notendop is, en men komt waar men wezen moet.
Het christelijk socialisme toont twee stroomingen aan, te weten: het katholiek socialisme, waarin het individu opgaat in de gemeenschap en waarvan het ideaal is het kerksocialisme. Het eenige onderscheid tusschen dit en het staatssocialisme is, dat het laatste den staat de plaats doet innemen van de kerk, terwijl bij het andere de staat als het ware opgaat in de kerk. In plaats van den paus als opperhoofd, nemen zij een koning of czaar, in plaats van den priester nemen zij een president of parlement. De naam wordt veranderd, maar in het wezen der zaak is er geen onderscheid tusschen de aanbidding van de kerk of die van den staat. Niet ten onrechte is opgemerkt dat het gezag telkenmale andere vormen weet aan te nemen, zoodat als de eene zich overleefd heeft, een andere gereed staat de erfenis te aanvaarden en zoo kan men de vijanden der vrijheid verdeelen in drie hoofdsoorten:

  1. degenen, die haar openlijk bestrijden en verafschuwen èn als middel én als doel; de beste vertegenwoordigers van deze soort zijn de katholieke kerk, de Russische autokratie en elk absolutisme, hetzij openlijk, hetzij verzacht zooals in Duitschland;
  2. degenen, die zeggen in de vrijheid te gelooven als een middel van vooruitgang, maar die haar feitelijk alleen aanvaarden voor zooverre zij dienstbaar kan gemaakt worden aan hun zelfzuchtige belangen, haar verlangende voor zichzelven, maar haar niet verleenende aan anderen, omdat zij zoogenaamd niet in staat zijn de zegeningen ervan te dragen; van deze richting zijn de beste vertegenwoordigers de Protestantsche kerk en de Manchesterschool op ekonomisch gebied;
  3. degenen, die haar wantrouwen als middel van vooruitgang, maar in haar zeggen te gelooven als doel en die, om tot dit doel te geraken, beginnen haar te vertrappen en te smaden; de vertegenwoordigers dier richting vindt men in het atheïsme van Gambetta en het socialisme van Karl Marx.

Deze drie fasen van oppositie tegen de vrijheid vindt men in elke gedachtensfeer en in de menschelijke handelingen.
De tweede strooming is het Protestantsch socialisme, waarin het individu meer op den voorgrond treedt. Als zoodanig zou men Rome de godsdienst van het socialisme en het Protestantisme dien van het individualisme kunnen noemen en het is dan ook geen toeval, dat de Manchesterleer haar oorsprong vond in een door en door protestantsch land als Engeland. Wij zullen beide soorten afzonderlijk behandelen.

A. Katholiek socialisme.

In het jaar 1834 verscheen er een klein boekje, getiteld : Paroles d’un croyant (Woorden van een geloovige), dat een ongelooflijken opgang maakte. Wegslepend van vorm boeide het door den inhoud en menigeen gevoelde de ontzettende aanklacht, die door den schrijver werd geslingerd in het aangezicht der maatschappij. Meer dan 100.000 exemplaren werden verkocht en nog steeds verschijnen nieuwe uitgaven, terwijl het vertaald werd in de meeste talen van Europa. De paus verklaarde dat het boekje in staat was opstanden te verwekken of te voeden en het werd veroordeeld “als gering van omvang maar overweldigend van boosheid”. De Fransche minister vroeg de vervolging van den schrijver en de ministerraad hield er een vergadering over. Men sprak er over om den schrijver op te sluiten in een krankzinnigengesticht. Het boekje werd gekarakteriseerd als een “roode muts, geplant op een kruis. Het is de Apokalypse (openbaring) van satan. Het is Babeuf, naverteld door Ezechiël”. Mazzini getuigde ervan: “de drie onsterfelijke zusters Godsdienst, Liefde en Poëzie worden er in gehoord in aandoenlijke harmonie”. De romanschrijfster George Sand schrijft over den auteur, dat hij “voor ons en onze eeuw een kruistocht begonnen is, roemrijker en gewichtiger voor toekomstige geslachten dan de kruistocht, gepredikt door den heiligen Bernard: want niet het graf, maar de erfenis van Christus is de prijs der verovering, waartoe wij geleid worden door den priester in Bretagne. De strijd is niet langer met den Islam, maar met de goddeloosheid van het sociale denken; wij zoeken niet het rantsoen van enkele christenen, maar van de groote meerderheid van het menschelijk geslacht.”
En wie was de schrijver van dat boekje?

De abt de Lamennais (1782–1854), een christelijk geloovig man, die de christelijke gedachte verbond aan de revolutionaire, die streed voor de vrijheid van de kerk tegen het despotisme van den staat, die zich direkt wendde tot het volk, dat hem begreep en liefhad, om zoodoende de demokratie te verbinden aan den godsdienst. Geen wonder dat de machthebbers in kerk en staat sidderden op hun zetels en het zal of kan ook niemand verwonderen, wanneer wij vermelden dat hij in plaats van tot eer en aanzien te geraken, terecht kwam in de gevangenis, de plaats waar de besten, de gevoeligsten, de edelstdenkenden ten allen tijde werden opgeborgen. Hij was geen onbekende toen hij optrad, want reeds door zijn in 1817 geschreven Essai sur l’indifférence en matière de religion (Opstel over de onverschilligheid in zake van godsdienst) had hij de aandacht getrokken, zoozeer zelfs, dat de paus er aan gedacht heeft, hem kardinaal te maken. Alleen de Jesuïten met hun fijnen neus, waar het betreft het ruiken van ketterij, wantrouwden zijn hervormingsgezinde ideën en bestreden hem vinnig. De poging om Rome te verbinden aan de zaak der vrijheid, was een stoute gedachte en de reis van Lamennais, Lacordaire en de Montalembert naar Rome in het jaar 1831, om den paus te winnen voor hun denkbeelden, mag zeker merkwaardig heeten. Natuurlijk stuitte die poging af op den onwil, of liever op de onmacht van de kerk, waarvan zoo juist gezegd is: sit ut est aut non sit (zij zij zooals zij is of zij zij niet!). De Encykliek van paus Gregorius XVI, gedateerd 15 Augustus 1832, kan men haast beschouwen als een antwoord op hun poging. Daarin worden de onverschilligheid en daaruit voortvloeiende gewetensvrijheid, de vrijheid van drukpers en de zelfstandigheid tegenover de vorsten, ten strengste veroordeeld. Wat Lamennais beproefd had, was mislukt en moest voortaan beschouwd worden als een misdadig, een zondig werk.
Steeds verder week hij af van den weg der kerk en al kleedde hij zijn beroemd boekje ook in een ietwat mystiek gewaad, toch was hij christensocialist. Verschillende geschriften vloeiden nog uit zijn pen, zooals Le Livre du Peuple “(Het boek van het volk) in 1837,”<ref>Internationale Bibliotheek: de Lamennais, Het boek van het Volk. ƒ0,75; Internationale Bibliotheek: de Lamennais, Het verleden en de toekomst van het Volk. ƒ0,75.</ref> De l’Esclavage moderne (Over de moderne slavernij) in 1839, en allen getuigden van zijn medelijden voor het volk, maar hoe hij alleen heil verwachtte van een levenmakend godsgeloof, alsof dat de menschen maakt tot gelijken, tot broeders, tot kinderen van één vader. Zijn boek Le pays et le gouvernement (Het land en de regeering) bracht hem in de gevangenis, maar uit socialistisch oogpunt is vooral merkwaardig het standpunt, dat hij innam tegenover de bekende socialistische stelsels. In zijn brochure Questions du Travail (1848) (Vragen over den arbeid) schrijft hij: “men heeft mij gevraagd: zijt gij socialist of niet? Als men onder socialisme verstaat een der stelsels, die sints Saint Simon en Fourier van alle zijden ontstaan zijn en wier algemeen karakter de ontkenning van het eigendom en het huisgezin is, neen, dan ben ik geen socialist. Als men echter onder socialisme verstaat, eenerzijds het beginsel der associatie als een der hoofdfundamenten der toekomstige orde van dingen en anderzijds het vaste geloof, dat onder de onveranderlijke voorwaarden van het fysieke en moreele leven, die orde een nieuwe maatschappij zal grondvesten, waarmede niets in het verleden kan worden vergeleken, ja, dan ben ik socialist”.
Lamennais gevoelde blijkbaar, dat in een socialistische maatschappij geduchte dwang zou worden uitgeoefend. Daarover sprekende, dat men van socialistische zijde verlangt dat elk individu zich zal wijden aan het algemeen belang, zegt hij: “om dit algemeen geluk te verwerkelijken, begint men met aan ieder individu zijn vrijen wil, zijn vrijheid als mensch te ontnemen; en aan dat individu, welke zijn geestesgaven, zijn bedrijfskracht, zijn werkzaamheid ook mogen zijn, wordt, volgens sommigen, een loon gegeven, dat door het maatschappelijk gezag wordt vastgesteld of, volgens anderen, als ’t ware een bedeeling als van een monnik in zijn klooster toegestaan. Ik begrijp, voorwaar, dat dit een groot offer is. Maar daar dit offer voor iedereen verplichtend wordt, vraag ik, aan wien het dan ten goede komt? Wat is deze abstraktie, maatschappij geheeten, die vrij en gelukkig zal zijn, terwijl ieder werkelijk levend lid daarvan meer slaaf zal zijn dan de lijfeigene in de middeneeuwen, niets zijn eigendom zal mogen noemen, van de wieg tot aan het graf geen enkel oogenblik over zichzelf zal kunnen beschikken? Men zal kollektief vrij, kollektief gelukkig zijn en individueel slaaf, individueel ellendiger zijn dan de neger uit de koloniën, die zich een kleinen spaarpot vormen en zich daarvan bedienen kan om zich vrij te koopen. En stel eens, dat al die menschen aan het werk zijn. Wie zal ze leiden? Wie zal toezicht op hen houden? Wie zal op de hoogte zijn, op welke wijze zal ieder hunner zijn taak volvoeren? Wie zal de vruchten opzamelen? Wie zal ze ruilen, ze verkoopen? Want een deel daarvan moet door den handel uit het buitenland komen. Wie zal den prijs van den verkoop ontvangen? Wie zal die waarde verdeelen? Er zullen –dit spreekt vanzelf– even zooveel bewakers en kontroleurs, even zooveel agenten van het bestuur noodig zijn, als werkelijke arbeiders. En is dit iets anders dan de slavernij der oudheid: te weten deze indeeling: één klasse van meesters die beveelt en bestuurt, God weet in naam van wie, en één klasse van menschelijke werktuigen ten dienste der produktie? In alle gevallen bestaat er geen erfelijkheid dezer klassen, zou men kunnen aanvoeren. Doch die erfelijkheid zou er spoedig komen, den volgenden dag misschien, indien niet, van alle onmogelijke zaken dit gansche stelsel het onmogelijkste was.” Hier gevoelt hij dus het gevaar van dwang en regeling van bovenaf en toch ziet hij geen ander middel om te komen “uit de uiterst gebrekkige organisatie van den arbeid en uit de schromelijk slechte verdeeling van het resultaat der produktie” dan dat “de wet er een einde aan maakt om, ten nadeele en verderve der arbeiders, de arbeids-vruchten, den jaarlijks voortgebrachten rijkdom, juist naar die middelpunten te richten en te leiden, waar de rijkdom zich ophoopt ten voordeele van enkele weinigen, het volk wil echter dat de arbeidsvrucht tot den arbeider zelven in grooter mate terugkeert en dat aldus, door de vermeerdering van het verbruik, de produktie zelve een overvloediger bron van algemeene welvaart worde.”
Na de revolutie van 1848 werd ook Lamennais gekozen tot afgevaardigde in de Nationale Vergadering, waar hij plaats nam onder de Bergpartij. Hij stemde voor het recht op arbeid en stond steeds aan de zijde der demokraten, ofschoon Louis Blanc door hem werd bestreden. Hij meende de kapitaalvorming te kunnen krijgen door een associatie van werklieden, die staats-krediet zouden verlangen. Hij zette dit plan nader uiteen om de werking van een staatskredietbank te doen kennen. Alle mannen van 21 tot 65 jaar zouden verplicht zijn te werken en daarna kregen zij pensioen. De vrouw was vrij van den arbeid. De staat moest aan allen waarborgen: kosteloos onderwijs, uitoefening en toepassing van het recht op arbeid, hulp en ondersteuning bij ziekten, verzekering van bestaansmiddelen voor kinderen en ouden van dagen.
Na den staatsgreep van 1851 door Napoleon trok hij zich in diepe verslagenheid terug. Hij stierf in 1854 en werd volgens zijn wensch begraven als de armen en ook in hun midden, terwijl hij niet wilde dat eenig gedenkteeken de plaats zou aanduiden, waar zijn lijk in de aarde was opgeborgen.
Half Saint-Simonist en halfgeloovige was Buchez (1795-1865) de stichter van de Ecole Catholico-Conventionelle, die zich ten doel stelde de katholieke en de revolutionaire ideën met elkander te verzoenen. Het begrip van vrijheid moest worden verbonden aan dat van godsdienst en dus hij wilde de openbaring Gods, zooals het christendom die gaf, maken tot grondslag en regel van de sociale organisatie. Geen wonder dat hij zich een tijdlang aangetrokken gevoelde tot de denkbeelden van Joseph de Maistre. Zijn uiteenzetting van de produktieve associatie als middel om de arbeiders onafhankelijk te maken en hun de voordeelen van de kapitalisten te doen toekomen, is voor dien tijd zeker belangrijk. Hieraan wilde hij zonder tusschenkomst van den staat een Caisse générale du Credit public (Een algemeene kas voor algemeen krediet) verbinden, waardoor de arbeiders gemakkelijk krediet zouden kunnen krijgen en waardoor eenige eenheid en orde werden verkregen op het gebied van voortbrenging en verdeeling.
Hoewel op christelijk standpunt staande en met allen eerbied voor het Katholicisme, meende hij dat de geestelijkheid sints de 14de eeuw een verkeerden weg was opgegaan, daar zij zich verzet had tegen de sociale toepassing der christelijke zedeleer. Door de verwaarloozing van de sociale zijde van het christendom kon nu de kerk niet meer zijn het orgaan van den vooruitgang. Tegenover dit denkbeeld stelden zich verschillenden zijner leerlingen, die een vernieuwing der kerk verlangden, opdat zij alsnog dien weg zou opgaan.
Ontegenzeggelijk heeft Buchez veel invloed gehad, vooral de stichting van zijn produktieve associaties, waarmede hij een tweeledig doel had: 1°. als middel ter bevrijding uit het loonstelsel en 2°. als aanwakkering van een geest van toewijding en zelfopoffering ter vervanging van de harde en wreede drijfveeren van hebzucht en egoïsme, voortvloeiende uit het Christendom. In het blad L’Atelier, dat van 1840 tot 1848 verscheen, vonden de arbeiders een orgaan, waarin zij zelven konden schrijven. Buchez bestreed ook vooral Louis Blanc, die tot onvrijheid voerde, die de maatschappij zou vervormen tot een groote kazerne.
Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had hij daarop als zoovelen zijn hoop gevestigd. Vurig republikein als hij was, meende hij dat nu de begrippen van godsdienst en broederschap zouden verwerkelijkt worden. Zelf gekozen door het volk tot lid der Nationale Vergadering werd hij haar voorzitter, zeker omdat men in hem zag het symbool van den vooruitgang en het godsdienstig geloof. Maar voor die taak was hij niet berekend en treurig stemde het hem, dat hij die revolutie zag verloopen. Na den staatsgreep van Napoleon, bij welke gelegenheid hij ook voor een oogenblik gevangen genomen maar spoedig losgelaten werd, trok hij zich geheel terug, om op te gaan in zijn studie.
Zijn program gaf hij reeds in 1835 ten beste, toen hij in de Européen schreef: “het oogenblik is gekomen op sociale wijze de geboden der christelijke moraal te verwezenlijken. Al haar geboden en leerstellingen moeten in sociale inrichtingen worden veranderd, maar de kommunistische hervorming moet zonder geweld, zonder roof, alleen door associatie der arbeiders tot stand komen. In de associatie hebben de arbeiders een middel, zich de arbeidsmiddelen, zooals ruwe stoffen en dergelijke, te verschaffen, en zich daardoor van de heerschappij der kapitalisten te bevrijden.”
Al heeft hij getracht, het onverzoenbare met elkander te verzoenen, te weten: het katholicisme en de revolutie, toch heeft hij om den ernst en de overtuiging waarmede hij het deed, de achting verworven van alle ernstige menschen, en bleef hij in dankbare nagedachtenis voortleven zelfs onder hen, die zich van hem afscheidden.
Een derde, die hetzelfde poogde, was Pierre Leroux (1797-1871). Ook deze was een aanhanger van Saint Simon, ja, een tijdlang hoofdredakteur van het Saint Simonistische blad, de Globe. Ook hij zag den demokratischen oorsprong van het christendom en schreef daarover een boek. Hij ontwikkelde de “Doctrine de l’Humanité” (leer der menschheid) en vindt haar uitgedrukt in de drie woorden: Solidarité, Triade en Circulus. Uitgaande van het drieëenig godsbegrip ziet hij, hoe in het universeel leven alles solidair is. Dit was het dogma. Daarnaast stond de organisatie der maatschappij, weergegeven door het woord Triade, wat beteekent de tot in alle onderdeelen doorgevoerde indeeling in drieën van alle verschijnselen, instellingen en toestanden der maatschappij. Overal drieheden:

  • individu, huisgezin, maatschappij;
  • eigendom, familie, staat;
  • vrijheid, gelijkheid, broederschap;
  • burgers, geassocieerden, beambten;
  • in het algemeen sensation, sentiment, connaissance.

Eindelijk kwam de circulus, een kringloop tusschen voortbrenging en gebruik. De mensch was tegelijkertijd voortbrenger en verbruiker, iedereen produceert de mest, noodig ter reproduktie van zijn voedsel en dus men behoeft niet bang te zijn dat de produktie geen gelijken tred zou houden met de vermeerdering van het menschelijk geslacht.
Hij richtte te Boussac een vereeniging op naar zijn stelsel, waar hij landbouw en industrie met elkander verbond. Ook een koöperatieve drukkerij. Toen de revolutie in 1848 uitbrak, ging hij vol illusie naar Parijs en hoewel niet dadelijk gekozen, werd hij toch met Thiers en Proudhon tegelijk gekozen bij de supplementaire verkiezingen. Veel heeft hij daar niet uitgewerkt en hij voelde er zich ook niet op zijn plaats. Zijn redevoering over de vaststelling van den werktijd is zeer belangrijk. Na den staatsgreep van Napoleon moest hij vluchten en leefde hij eerst te London in kommervolle omstandigheden en toen op het eiland Jersey, tot hij later naar Zwitserland ging maar ten gevolge der amnestie kon hij ten slotte weer naar Frankrijk terugkeeren. Op zijn lateren leeftijd verdiepte hij zich bij voorkeur in het Oude Testament. Ook zijn invloed op de denkbeelden van zijn tijd is niet gering geweest.
Een ander, Le Play, die uitgebreide studiën maakte over den toestand der arbeiders in de verschillende landen, had tot leuze: terug tot de tien geboden, de door God geopenbaarde bron van alle zeden en wetten. Hij schreef den ongelukkigen socialen toestand van Frankrijk toe aan de Fransche omwenteling van 1789, en werd de stichter van de Réforme sociale, wier doel kan worden samengevat in deze twee beginselen: decentralisatie op politiek, patronaat en associatie op sociaal gebied. De sfeer van den staat is bij hem zeer beperkt, daar alleen hervorming is te verwachten van de christelijke liefde. Men noemt zijn school ook dikwijls de liefdadige of filantropische, omdat hij de liefdadigheid stelde in de plaats van de rechtvaardigheid. Maar hoewel voorzien van een christelijke tint, van eigenlijk christelijk socialisme kan men bij Le Play en zijn school niet spreken.
Meer wordt die naam dan ook toegekend aan de Association Catholique, waarin graaf de Mun een voorname rol speelde. Deze edelman en graaf de la Tour du Pin Chambly, beiden officieren, die den val der kommune bijwoonden, kwamen tot de overtuiging dat een bloedige onderdrukking eener zaak een bewijs was van onmacht om haar op andere wijze meester te worden.
“Genezing is noodig, geen onderdrukking” – zoo sprak hij. En hij begon, sterk onder den invloed van Ozanam, den stichter der St. Vincent de Paul-vereeniging (een werk van chariteit door huisbezoek en ondersteuning), van Cochin die te Parijs leeskamers, uitspanningszalen opende en door werkverschaffing de werkloozen trachtte te helpen en van Le Play en diens school, met het Oeuvre des cercles catholiques in 1871. De hoogere standen moesten in die Cercles een soort van patronaat uitoefenen over de arbeiders. Zooals meermalen zoo ging het ook hier, de naam socialist werd hun toegevoegd door anderen en is niet zelf gekozen. Integendeel de Mun zei: “men noemt ons socialisten, maar nooit en nimmer zullen wij dat zijn. Het socialisme is de ontkenning van de autoriteit van God en wij zijn daarvan de bevestiging: het socialisme is de bevestiging van de volstrekte onafhankelijkheid van den mensch en wij loochenen die; het socialisme is de hartstocht om ook te bezitten en onze passie is de rechtvaardigheid; het socialisme is de logika der revolutie en wij zijn de onverzoenlijke kontra-revolutie. Er is niets gemeens tusschen ons.”
Het militaire element had in den aanvang veel overwicht, zooals op de eerste algemeene vergadering bleek, toen op de 250 personen 24 officieren waren. Later schoof hij steeds meer naar links en als kamerlid trad hij op voor de sociale politiek en verschillende zijner redevoeringen hadden bijna geheel kunnen gehouden worden door een sociaaldemokraat. Hij wist Robert Owen te waardeeren, noemde Decurtins in Zwitserland, den ultramontaan, die zich niet ontzag meermalen samen te werken met de sociaaldemokraten, zijn vriend en reikte ook somwijlen de hand aan de socialisten van het soort Millerand, die met hem in de kamer zat. Maar toch was het hem meer te doen om een dam op te werpen tegen de revolutie dan tegen den honger en de armoede. Hij staat dan ook bekend als “den man van den paus en van den koning.” Ten slotte bleek het katholieke geloof het bij hem te winnen op de sociale gedachten.
Frankrijk werd bedekt met zulke cercles, in 1897 telde men er ongeveer 3000. De inrichting der vereeniging was geheel hierarchisch evenals de katholieke kerk. Tegenover de individualistische school van Le Play staat de Association Catholique ook in zooverre, dat zij van den staat zeer veel verlangt en verwacht, maar daartoe moet die staat doordrongen worden van den christelijken geest. Eigenlijk is de sociale hervorming een zending van de kerk, maar zij beschikt niet over dezelfde macht als de staat en daarom moet deze haar ter hand nemen. De staat moet den zwakke, den arbeider, de helpende hand toesteken in den strijd tegen het kapitalisme. Een minimum loon, dat den arbeider in staat stelt een waardig bestaan te voeren en het uitzicht, om te sparen voor ziekte en ouderdom, voor hem opent; hij wilde een maximaal arbeidstijd, ten einde het misbruik van de krachten der arbeiders onmogelijk te maken; verder kassen ter verzekering tegen ziekte en werkloosheid en ongeval, bekostigd door de patroons; bescherming van den arbeid van kinderen en vrouwen ; verbod van nachtarbeid voor vrouwen en kinderen beneden 11 jaar; gehuwde vrouwen geweerd uit de fabrieken; kinder- en meisjesarbeid beperkt; zondagsrust overal toegepast.
Geen wonder dat de socialisten dit werken ongaarne zagen en niet ten onrechte vermoedden zij er een poging in, om de arbeiders af te trekken van het socialisme.
Later zocht de Mun meer de hulp der industrieelen, die hij onmisbaar noemde voor den vooruitgang zijner denkbeelden, maar juist deze ontnam aan die vereenigingen het vertrouwen der arbeiders. Hij smaakte de voldoening zijn werk gezegend te zien door den paus; maar hij kompromitteerde zich in de Boulangistische beweging en verloor zeer veel van den invloed, dien hij ontegenzeggelijk een tijdlang uitoefende. Zijn werk is tot staan gekomen en gaat niet meer vooruit, eer het tegendeel. Het te kerkelijk karakter, dat er aan gegeven is, mag hiervan wel een der hoofdoorzaken zijn. Het wapenschild der familie is een wereldbol, waarboven een kruis met de woorden: Nil ultra (niets gaat daarboven). Dit trachtte hij getrouw te blijven, maar de wereld is aan het kruis ontwassen en zoo kwam het dat hij een tijd lang opgang kon maken in zijn poging om de katholieke kerk te verjongen, door te streven naar een verbinding van katholicisme en demokratie, maar ook hier werd bewaarheid dat eene nieuwe lap op een oud kleed spoedig afscheurt.
Onder zijn medewerkers, die het tijdschrift der vereeniging belangwekkend maakten, behoorden vooral Loesewitz en Rudolph Meyer, twee bekwame mannen, van wie de laatste in den lateren tijd weer meer naar links zwenkte.
Deze richting heeft er echter veel toe bijgedragen, om de oogen der katholieke arbeiders te openen en er is niet ten onrechte aangemerkt, dat daar de rekruten werden afgericht, die later plaats namen in de gelederen der socialisten. Verschillende Fransche geestelijken zooals Naudet, Garnier, Lemire en anderen werken evenzeer mede in sociale richting, maar zij blijven allen in de eerste plaats mannen van de kerk.
In België was het Henri Charles Xavier Périn (1815-1881), die als hoogleeraar aan de katholieke universiteit te Leuven christendom en ekonomie met elkander trachtte te verzoenen, zooals blijkt uit zijn geschriften: “La Richesse dans les sociétés chrétiennes” (De rijkdommen in de christelijke maatschappijen) en “Les doctrines économiques depuis un siècle” (Ekonomische leeringen sints een eeuw). Hij grondt de sociale orde op het goddelijk gezag en ofschoon hij de tusschenkomst van den staat somwijlen voor noodzakelijk houdt, acht hij toch de wederopwekking der christelijke liefde het middel, om tot beterschap te geraken. De middeneeuwsche korporaties lachten hem het meest toe, om een vaderlijken en broederlijken geest aan te kweeken tusschen patroon en werkman, maar hij wilde deze hierarchisch geregeld hebben. Onder het patronaat van christelijk gezinde patroons moesten de arbeiders geleid worden en als de christelijke geest dan de maatschappij doortrok in hoofd en leden, dan kon zij ontkomen aan de dreigende gevaren, die zich samenpakten aan den horizont, om straks dood en verderf over haar uit te storten, maar anders niet.
Meer invloed oefende Francois Huët (1814-1869) uit, die, hoewel Franschman, zijn leven grootendeels sleet in België als hoogleeraar te Gent. In zijn boek “le Règne social du Christianisme” (de sociale heerschappij van het christendom) ontwikkelde hij de stelling, dat de twee machten, die men onverzoenlijk acht en die de wereld telkens op haar grondvesten doen schudden, te weten: de kerk en haar leer, het christendom eener-, en de revolutie en haar leer, het socialisme, andererzijds wel met elkander zijn te vereenigen. Het is hem gebleken dat de zending van den zaligmaker niet daarin alleen bestond om een koninkrijk te stichten in den hemel, maar ook om een vrije burgerlijke maatschappij van broeders op aarde te vestigen. Beide, christendom en demokratie, beoogen hetzelfde ideaal, dat bestaat in het maatschappelijk rijk van het christendom, steunende op de leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij noemde de brieven van Paulus het charter (de grondwet) van het socialisme. Het individualisme leidt tot egoïsme, het kommunisme doodt de vrijheid, maar het socialisme, tusschen beiden in staande, lost die twee tegenstrijdigheden op in hoogere harmonie. Volgens hem is “het eigendom of het recht om een bepaald deel der dingen te beschouwen als het zijne, om er van te genieten en over te beschikken, behoudens den eerbied voor de rechten van anderen, altijd een der wezenlijke fundamenten van een ware maatschappij geweest.” Als mensch heeft elkeen aanspraak op een bepaalde hoeveelheid goederen. Dit vloeit voort uit zijn recht op het leven. Nu kan de mensch niet vrij leven zonder eigendom en dus elkeen heeft daar recht op. De mensch, die geen eigendom heeft, leeft slechts door de gratie van anderen, zijnsgelijken, en vervalt dus tot een staat van slavernij. Daartoe stelde hij vast het recht op het vaderlijk erfdeel en de instelling van het sociaal erfdeel, dat hierin bestond dat bij elk sterfgeval de vrije deelen van het algemeen ouderlijk erfdeel gelijkelijk zouden terugvallen op alle jonge arbeiders. De successie, op sociale wijze saamgesteld, zou aldus aan elk geslacht de broederschap van het oorspronkelijk erfdeel te voorschijn brengen. Op zijn 14de jaar zou elk kind het genot hebben van een deel van het kapitaal, dat hem zou kunnen toevallen, b.v. een derde deel, altijd onder de hoede van een voogd, en op zijn 25ste jaar zou hij de beschikking hebben over het geheel, dat hem toeviel. Daar dit niet op eens kon bewerkstelligd worden, wilde hij een zware progressieve belasting op de successie, waarvan de opbrengst echter uitsluitend moest besteed worden aan uitgaven voor onderwijs en arbeidsinstrumenten ten nutte der arme klasse. Wat verder de organisatie van den arbeid aangaat, hierin was hij individualistisch. Als de toegang tot het eigendom maar geopend was, dan moest elkeen maar zien hoe hij klaar kwam. Al die tusschenkomst van den staat keurde hij af en dit behoefde ook niet, als het recht op eigendom was gewaarborgd. Of men dan op zichzelf dan wel geassocieerd met anderen wil werken, dat moest elk voor zich weten. Het recht op het vaderlijk erfdeel en verplicht onderwijs zietdaar wat hij wilde en had men deze twee dingen verkregen, dan kon men gerust het laissez faire, laissez passer toepassen. Hij verkondigde het recht op het produkt voor den producent na aftrek van het deel voor de algemeene uitgaven. Het program van de Bergrede en vooral de zaligsprekingen golden hem bij alles als leiddraad.
Zijn invloed is nog duidelijk waar te nemen bij den bekenden ekonoom, Emile de Laveleye, wiens schoone boek “De la Propriété et de ses formes primitives”<ref>Dit boek is in zeer vrije en vermeerderde uitgave in het Hollandsch verschenen in de bekende Internationale Bibliotheek onder den titel: Het eigendom en zijne oorspronkelijke vormen. Vrij bewerkt door F. Domela Nieuwenhuis, ƒ1,25.</ref> ook getuigt van een christendom, dat “aan de wereld een ideaal van rechtvaardigheid heeft gebracht, dat onze instellingen, hoeveel verbeterd ook, in het geheel nog niet verwezenlijken.” Ook deze is aanhanger van een kollektivisme, hoezeer ook beperkt, waarbij hij de tusschenkomst van den staat noodig achtte om het algemeen belang te doen zegevieren over het persoonlijk egoïsme.
In Duitschland was het vooral pastoor of beter gezegd “vader” Kolping (1818-1865) –want zoo heette hij in de wandeling– die als grondlegger der “gezellen-vereenigingen” op praktisch terrein trachtte de katholieke arbeiders te organiseeren. Zelf opgeleid als schoenmaker kende hij het leven der jonge arbeiders-gezellen in een groote stad bij ervaring en het was hem als voelde hij de roeping in zich om in dezen iets te doen. Al klonk hem het bekende: schoenmaker, houd je bij je leest! meermalen in de ooren, hij liet zich niet afbrengen van zijn plan om geestelijke te worden. En met ijzeren wil volvoerde hij het en was op 32 jarigen leeftijd priester te Elberfeld. Daar werd hij in 1847 president van een jongelingsvereeniging en in 1848 zette hij zijn Gesellen-Verein op vaste grondslagen. Hij streefde naar 6 dingen:

  1. een zedelijk leidsel en gareel, om de jonge arbeiders in toom te houden en een welwillende hand om hen te leiden;
  2. een middel om na de vermoeienis van den arbeid te kunnen uitrusten (een lokaal);
  3. een gelegenheid tot ontwikkeling van het handwerk dat men beoefende;
  4. een aangename en fatsoenlijke ontspanning, die herberg en publieke vermakelijkheden niet schonken;
  5. een regel om zich te sterken in godsdienstige gevoelens door beter onderwijs en een stipte plichtsbetrachting;
  6. een richting om godsvrucht te voeden door werken van liefde en barmhartigheid.

Het voorbeeld van Elberfeld werkte en ook elders verrezen zulke vereenigingen. Toen Kolping in 1849 vikaris werd aan de Domkerk te Keulen, werd deze plaats het middenpunt zijner werkzaamheden en daar werd hij “der gezellen vader”. Hij wees den jongen arbeider op het drievoudig kapitaal dat hij bezat:

  1. zijn lichamelijke en geestelijke kracht;
  2. de vrucht van zijn arbeid, die hij profijtelijk moest gebruiken en er spaarzaam mede omgaan;
  3. de tijd, de kostbare tijd der jeugd.

De verschillende gezellenvereenigingen verbonden zich tot een Rheinischer Gesellenbund en later tot den Katholischen Gesellenverein. Daar Kolping ze opdroeg aan den Heiligen Jozef, die timmerman was geweest, heeten ze later ook dikwijls Jozef Gezellen-vereenigingen. Kolping organiseerde ze ook in Beieren en Oostenrijk. Deze stichting is beslist katholiek en hechtte zich vast aan Rome en kerk. Ontegenzeggelijk zijn deze vereenigingen de sterkste dam geweest in de katholieke streken, om de arbeiders af te houden van de sociaaldemokratie en nog heeft deze de grootste moeite om binnen te dringen in streken, waar deze vereenigingen zijn en bloeien. In 1862 kreeg “vader” Kolping dan ook persoonlijk den zegen des pausen op zijn werk. Hij had tevens zijn blad, dat weldra 30.000 abonnenten telde. Juist even beleefde hij de feestelijke inwijding van het Gesellen Hospitium te Keulen, maar hij was toen reeds lijdende en stierf dan ook zeer kort daarna. De bisschop van Mainz, von Ketteler, zei dat zijn taak was geweest een katholieke bijdrage te leveren ter oplossing van de arbeidersvraag.
Deze bisschop (1811-1877) nam ook zelf een werkdadig aandeel in de beweging, daar hij het was, die in zijn boek “Die Arbeiterfrage und das Christenthum” in 1864, evenals Döllinger in München in 1868, aandrong op het ingrijpen der katholieke vereenigingen in de sociale beweging. In zijn kritiek der hedendaagsche maatschappij sloot hij zich geheel aan bij Rodbertus en Lassalle en wel verre van de tegenstelling van christendom en socialisme te aanvaarden, wees hij aan hoe beiden op zekere punten konden samengaan. Scherp vooral trad hij op tegen het liberalisme, welks vrijheden gelijken op de appelen uit de Doode Zee, van buiten schoon en van binnen vol asch. Zoo is de liberale proklamatie van de vrijheid van het arbeidskontrakt feitelijk voor den arbeider niet anders dan de vrijheid om van honger te mogen sterven; de vrijheid om zich te verplaatsen (Freizügigkeit) niet veel anders dan een klank, want de arbeider, die vrouw en kinderen heeft, zit nog vastgeklonken aan de plaats waar hij eenmaal gevestigd is; met Thomas van Aquino is ook hij van meening, dat het volle eigendomsrecht aan God toebehoort en de menschen alleen het recht op gebruik hebben. Erkent hij het eigendomsrecht van het individu over de goederen, dan doet hij dit onder de voorwaarde, dat de regeling van dat recht plaats heeft met het oog op den vrede in de maatschappij en het ekonomisch nut. De mensch moet de vruchten nooit beschouwen als zijn eigendom, maar als gemeengoed. Echter de plicht om de opbrengst van zijn eigendom niet uitsluitend tot eigen nut, maar ten nutte van het algemeen te gebruiken, is alleen een moreele, een liefdeplicht. De hulpmiddelen, die de kerk den arbeider zal aanbieden, zijn:

  1. de oprichting van inrichtingen voor arbeiders, die ongeschikt zijn voor den arbeid;
  2. het christelijk gezin met het christelijk huwelijk als grondslag;
  3. de waarheden en leeringen van het christendom;
  4. de oprichting en bevordering van handwerkersvereenigingen, gezellenvereenigingen en dergelijke;
  5. bevordering van produktieve associaties, echter niet met staatshulp, zooals Lassalle wilde, daar dit een overtreding is van het staatsbelastingrecht, maar door vrijwillige bijdragen van het katholieke volk.

Maar nog scherper omlijnden Schings als redakteur der Christlich-sociale Blätter en vooral de domheer Moufang het program der katholieken. De laatste gaf op de vraag hoe de staat moest en kon helpen? ten antwoord:

  1. door de bescherming der wetgeving;
  2. door geldelijken steun;
  3. door vermindering van den belastingdruk en de militaire lasten;
  4. door beperking van de heerschappij van het kapitaal.

Wat punt 1 betreft, hij wil:

  1. bescherming der arbeiders-associaties;
  2. wettelijke regeling van den arbeidstijd door:
    1. verbod van zondagsarbeid,
    2. beperking van den arbeidstijd,
    3. vaststelling van het arbeidsloon;
  3. wettelijke regeling van de loonverhoudingen en
  4. een wet regelende vrouwen- en kinderarbeid.

Wat punt 2 aangaat, wil hij steun door den staat geven aan soliede produktieve associaties. Ten opzichte van punt 3 een regeling van de belastingen in dier voege, dat naarmate men meer heeft en meer geniet, men ook meer opbrengt. En eindelijk voor punt 4 woekerwetten en afschaffing of beperking van de beurszwendelarij. Dit is vrij wel een praktisch werkprogram, dat gelijkt op dat der sociaal-demokraten.
Natuurlijk ligt de redding der maatschappij in de katholieke kerk, en waar geestelijken zooals Pachtler aantoonen hoe de moderne staat in politiek, godsdienstig en sociaal opzicht de voorlooper is van de sociaal-demokratie, daar valt hiertegen niet veel in te brengen. Was het niet Eduard Bernstein, die eveneens onlangs verklaarde dat de liberalen en sociaal-demokraten, wat de beginselen betreft, feitelijk hetzelfde willen? De abt Broquet noemde den liberaal “een Internationale met fijne manchetten en gelakte schoenen” en den Internationale “een liberaal op klompen of barrevoets”.
Wanneer echter de katholieken een min of meer sociaal gewaad aantrekken, dan geschiedt dit meer uit politieke berekening, opdat men niet verdrongen zal worden uit de arbeidersbeweging, dan uit oprechte belangstelling in het lot der arbeiders, al willen wij geenszins ontkennen, dat ook onder de woordvoerders van dien kant mannen gevonden worden, wier hart warm klopt voor de belangen der verdrukten en wier verstand een kritiek uitoefent over onze hartelooze maatschappij, die geheel overeenstemt met de kritiek der socialisten. Was het niet de abt Hitze, die schreef: “de logika staat aan de zijde van het socialisme, zoowel die der feiten als die der denkbeelden, want het tegenwoordig produktiestelsel heeft reeds zijn individueel karakter verloren om een sociaal karakter aan te nemen: de wegen waarop het gesleept is, zijn niet die der vrijheid, maar die van het socialisme. Er ontbreekt logisch niets aan, dan om aan de feiten een wettelijke uitdrukking te geven, die er mede overeenkomt. Het socialisme schijnt de noodlottige eindgrens te zijn van de evolutie. De sociale reorganisatie moet haar beginsel ontleenen aan het socialisme”. Men ziet uit alles, dat men aan die zijde wel weet, waar de schoen wringt, maar in gebreke blijft om de oplossing te zoeken in het wegnemen der oorzaken.

Bestand:Fotos/manning.jpg
Kardinaal Manning.

In Engeland was het de kardinaal Manning, die zijn naam verbonden heeft aan de groote dokwerkersstaking te London en die rondweg erkende dat “voor het natuurlijk recht op het leven alle menschelijke wetten moeten wijken”. Hij achtte het de taak der kerk, “om de armen te beschermen, de werklieden, die de gemeenschappelijke rijkdommen van het menschdom hebben bijeengebracht”. En geheel in socialistisch vaarwater komt hij, waar hij zegt: “naar de beschikking van de natuur en van God behoort de grond aan hen, die er op geboren zijn en er op begraven zullen worden. Dat was mijn gevoelen reeds vóór 20 jaar en zoo denk ik nog. Ik beschouw iedere poging om op deze aarde een beschaving of een maatschappij te bouwen, die strijdig is met de eeuwige wetten van God en de natuur, die het privaat grondbezit erkent, als dwaas en misdadig”.
De bisschop van Meath, dr. Thomas Nulty, beroept zich op de uitspraken van het evangelie en het gezond verstand, om te bewijzen “dat het volk is en altijd moet zijn de ware eigenaar van den grond van zijn land”. Kardinaal Gibbons, het hoofd der katholieke kerk in de vereenigde staten, schreef: “de hartelooze vrekkigheid, die, om meer te winnen niet alleen de werklieden van verscheidene bedrijven meedoogenloos verplettert, maar inzonderheid de in hun dienst zijnde vrouwen en kinderen, doet allen die het menschdom en het recht liefhebben, begrijpen dat het niet alleen het recht der arbeiders is elkander te beschermen, maar de plicht van geheel het volk hen te ondersteunen, door een geneesmiddel te vinden voor de gevaren, waarmede de beschaving en de maatschappelijke orde bedreigd worden door de gierigheid, de onderdrukking en de omkooping”. Aartsbisschop Ireland in de Vereenigde Staten zei, dat “het tijd werd den oorspronkelijken geest van het evangelie te doen herleven, uit te gaan op wegen en paden, te prediken van de daken en op de marktplaatsen”. Want al “spreekt Leo XIII zonder vrees tot de wereld van de rechten van den arbeid; al pleit kardinaal Lavigerie voor den Afrikaanschen slaaf; al komt kardinaal Manning tusschenbeiden tusschen den plutokratischen koopman en den werkman in de dokken; al wijden graaf de Mun en zijn aanhang van edelgezinde vrienden talent en tijd aan de belangen van den Franschen arbeider”, toch moet hij erkennen dat “als een geheel, wij (d.w.z. katholieken) de rust zelve zijn. Wij zeggen onze gebeden, wij preeken en luisteren naar preeken over Gods liefde en berusting in het lijden; of indien wij ons in het strijdperk wagen, is het ter elfder ure, als anderen, ons lang zijn voorgegaan en als de publieke opinie reeds gevormd is. Wonderlijk is dit alles! Christus maakte de sociale kwestie tot den grondslag zelfs van zijn leer.”De blinden zien, de lammen gaan, de melaatschen zijn genezen en de armen wordt het evangelie gepredikt?" De kerk is in haar geheele vroegere geschiedenis handgemeen geworden met elk maatschappelijk vraagstuk, dat bij uitnemendheid het onze is. Onze dagen zijn dagen van strijd en van handelen. Voor de bedeesde en angstvallige deugd der Thebaïden is thans de tijd niet. In het strijdperk priester en leek! Zoekt naar maatschappelijk lijden en stelt u aan ’t hoofd van bewegingen om het te heelen. Ziet met een geest van barmhartigheid rond in de werkplaatsen naar de overwerkte jongelingen en kinderen. Blaast frissche lucht in de opgepropte woningen der armen. Volgt op de straat de menigte daklooze kinderen. Vermindert bij de spoorwegen en in den openbaren dienst den Zondagsarbeid, die voor duizenden het waarnemen hunner godsdienstplichten onmogelijk maakt. Doet uw stem hooren tegen het verschrikkelijke woord der onmatigheid, dat elk uur ontelbare slachtoffers naar lichaam en ziel ondermijnt. Dat is zuivere en onvervalsche godsdienst. Dat zal de eeuw aan Gods kerk verzekeren." Wij zouden voort kunnen gaan met tal van aanhalingen van de grootwaardigheidsbekleeders der kerk, maar ondanks dat blijft de kerk zelve de groote remmachine en blijft zij de vertegenwoordigster van het meest volstrekt theokratische absolutisme, geheel en al vergetende haar egalitairen, ja demokratischen, kommunistischen oorsprong.
Toen de golven van het steeds wassende socialisme te hoog werden en dreigend opbruischten tegen de dammen en dijken van de bestaande instellingen, toen heeft eindelijk de paus gesproken in zijn beroemde encykliek Rerum Novarum (1891). Reeds een jaar vóór zijn troonsbestijging had hij in een herderlijk schrijven scherp veroordeeld de “schraapzucht zonder hart”, die ons doet vragen “of de voorstanders der beschaving buiten de kerk en zonder God, in plaats van ons te doen vooruitgaan, ons niet eenige eeuwen terugslingeren en terugvoeren naar die tijden van jammer, waarin de slavernij een zoo groot deel van het menschdom verpletterde en waarin de dichter droevig uitriep: het menschdom leeft slechts voor eenige zeldzame bevoorrechten”.
Wat te zeggen van die encykliek?
Hemelhoog verheven en geprezen als een meesterstuk van scherpzinnig denken en logische konklusies aan de eene zijde en als een nietswaardig prul door anderen in den hoek geworpen, verdient zij “ni cet excès d’honneur ni cette indignité.”<ref>Noch deze overdreven eer noch die verontwaardiging.</ref> Dat de katholieke kerk en haar leden, die alles mooi vinden en moeten vinden wat een onfeilbare paus schrijft, reeds vóór dat het verschenen is, dat is de natuurlijkste zaak der wereld, maar meer bevreemdend mag het heeten dat ook anderen buiten die kerk er grooten lof voor over hebben, want wij zijn overtuigd dat de waarde ervan minder bestaat in den inhoud, die in gewone gevallen reeds lang zou zijn vergeten, dan wel in den persoon die haar uitvaardigde. De paus toch is als hoofd der kerk een macht, waarmede men, of men het weten wil of niet, gedwongen is rekening te houden en dat gaf de hooge beteekenis aan dit overigens onbeduidend stuk, dat een aaneenrijging is van de meest tegenstrijdige uitspraken, nu eens den socialisten koren aandragende op hun molen en dan hen ten sterkste bestrijdende in hetgeen zij willen. Heusch, het is te veel eer aan dat stuk bewezen, wanneer men er met prof. Quack van getuigt: “zelden is op breeder wijze het probleem aangevat en aangedurfd” en als hij spreekt van “een alles omvattenden harmonieusen stroom.”
Sints dien tijd heeft men Leo XIII genoemd den “paus der armen” en is aan de katholieken de weg gewezen, waarlangs zij te wandelen hebben.

Bestand:Fotos/leo8.jpg
Paus Leo XIII.

Hoe hij in zijn encykliek de socialisten napraat, blijkt b.v. uit aanhalingen als deze:

“sints in de vorige eeuw de vereenigingen van ambachtslieden (nl. de gilden) zijn opgeheven, en geen andere bescherming voor dezen in de plaats is getreden, heeft de tijd langzamerhand de werklieden alleen en onverdedigd overgeleverd aan de onmenschelijkheid der patroons en de verregaande hebzucht der eigenaren.”

Zou men niet meenen dat deze woorden ontleend zijn aan de eene of andere brochure van socialistische zijde? Evenzoo de volgende zinsnede:

“de leiding der werken en het bedrijf van alle zaken is geraakt in handen van weinige personen, zoodat enkele vermogende en schatrijke lieden, om zoo te zeggen, het slavenjuk hebben opgelegd aan een overgroote menigte proletariërs.”

En dan weer heet het:

“evenals de werking de oorzaak volgt, evenzoo volgt de opbrengst den arbeid als rechtmatig eigendom van dengene die den arbeid heeft volbracht.”

Zou men niet zeggen, dat iemand die zoo spreekt, een leerling is uit de school der socialisten? En straks laat hij “de goederen der aarde toebehooren gezamenlijk en gemeenschappelijk aan de groote menschelijke familie” – wat is dit dan anders dan als de socialisten beweren dat alles behoort aan allen? Wanneer de paus den arbeid beschouwt als de voorwaarde voor allen rijkdom, wanneer hij wil dat “de arbeid den werkman voor woning, kleeding en voeding zooveel moet aanbrengen, dat hij zonder grooten kommer kan leven,” wanneer hij “het leven te onderhouden voor een ieder den noodzakelijken plicht acht” en zegt dat “allen van natuurswege rechten hebben op levensonderhoud,” dan moet men toch erkennen, dat hij als leerling in de school van het socialisme al aardige vorderingen heeft gemaakt, die goede hoop van hem zouden doen koesteren voor de toekomst, indien hij niet reeds zulk een hoogen leeftijd had bereikt.

Aan den anderen kant is en blijft hij de verstokte verdediger van het bizonder eigendomsrecht, waarvan hij getuigt: “bij alle pogingen tot leniging van den socialen nood onzer dagen moet worden vastgehouden aan het beginsel : het bizonder eigendomsrecht is onaantastbaar en heilig.” Hij onderzoekt dus niet de grondslagen van de hedendaagsche maatschappij, ja, hij laat dit onderzoek niet eens toe, hij neemt als dogma, als axioma eenvoudig aan, dat het bizonder eigendomsrecht onaantastbaar en heilig is. De oorzaken van den treurigen toestand ziet hij in de vernietiging der gilden, in het ophouden van het vereenigingsleven onder de arbeiders, in de toenemende godsdienstloosheid, in de onbeteugelde vrije mededinging, in de algeheele overmacht van het kapitaal, in den woeker onder elken vorm. Maar van de geneesmiddelen der socialisten is hij niet gediend en hij zet zich meermalen schrap tegenover hen. Toch laat hij meermalen doorschemeren, dat òf hij zelf òf de mannen die dat stuk opstelden, niet voldoende op de hoogte zijn van hetgeen de socialisten willen, zoodat hij strijd voert tegen windmolens, daarbij de socialisten bestrijdt in hetgeen zij niet beweren. Afkeerig van de vrijheid als Rome zich steeds heeft betoond, zou het staatssocialisme hem het meest aantrekken, want aan het staatsgezag schrijft hij grooten invloed toe, ja, wij zijn overtuigd dat hij er niet afkeerig van zou zijn door dat staatsgezag alles te laten regelen, wanneer dat gezag maar in zijn handen en hij dus de sociale paus was.

In een open brief<ref>Internationale Bibliotheek: Henry George, Het vraagstuk van den arbeid. Open brief aan Paus Leo XIII. Vertaling van J.Stoffel, ƒ0,90.</ref> aan paus Leo XIII naar aanleiding van zijn Encykliek heeft Henry George den paus een heel aardig lesje gegeven in de staathuishoudkunde en al zijn wij het niet met dezen eens, wat het geneesmiddel aangaat, toch meenen wij dat vooral de kritiek van hem op het bizonder eigendomsrecht op den grond onwederlegbaar mag worden genoemd. Ook hij wijst op het tweeslachtige van dit stuk, op den paus, gelijkende op Janus met zijn twee aangezichten, het eene vriendelijk den kapitalisten toelachende en het andere koketteerende met de arbeiders en dienaangaande zegt hij zeer goed: “van een bekend vonnis van het Hooge Gerechtshof in de Vereenigde Staten, dat juist vóór den aanvang van den burgeroorlog geveld werd in een zaak van een voortvluchtigen slaaf, werd gezegd, dat het Hof”de wet aan het Noorden en den neger aan het Zuiden gaf“. Zoo ook geeft uw Encykliek het evangelie aan de arbeiders en de aarde aan de landheeren. Kan men er zich dan over verwonderen, dat er menschen zijn, die hoonlachend zeggen: de priesters zijn royaal genoeg om den armen een gelijk deel te geven van de dingen, die wij niet kunnen zien, maar zij passen er duivelsch goed op, dat de rijken alle dingen, die wij wel kunnen zien, stevig in hun vingers houden.”
In elk geval het blijkt duidelijk dat het een stuk is met twee handvatsels, één voor de rijken om hen te vriend te houden en een ander voor de armen, wier steun en hulp men niet wil verliezen. De waarde ervan is dus geducht overschat, want zij zit alleen in den persoon, die het uitgaf. Maar de uitvaardiging ervan was reeds een zegepraal voor het socialisme; want is dit zoo machtig dat de paus het noodig acht daarover opzettelijk een Encykliek de wereld in te zenden, dan hebben de socialisten alle reden, over dit feit alleen reeds tevreden te zijn. En hinkt het stuk voortdurend op twee gedachten, zoodat wel verre van het bewijs te leveren van een helder, goedsluitend, logisch betoog, het eene gedeelte het andere precies tegenspreekt, ook deze zwakte vloeit voort uit den wensch, om door het dienen van twee heeren de macht in handen te houden. Zelfs de scherpzinnigste advokaat, die een wanhopige zaak bepleit, moet het echter verliezen, al stapelt hij ook spitsvindigheden op elkander en al zoekt hij zich ook te verbergen achter de meest gezochte uitvluchten.
Roma locuta est (Rome heeft gesproken) – en na dit stuk krijgt men van katholieke zijde geen zelfstandig oordeel meer, maar verklaringen, uitweidingen van de Encykliek en anders niets.
De nieuwe eeuw werd ingezet met een nieuwe encykliek en wederom ziet men het verschijnsel, dat als Rome één stap voorwaarts heeft gezet, zooals in de encykliek Rerum novarum (van nieuwe dingen), zij straks een stap achterwaarts doet en dus ten slotte op hetzelfde standpunt blijft staan, alweder overeenkomstig het bekende woord: sit ut est aut non sit (zij zij zooals zij is of zij zij niet). Deze encykliek toch ademt beslist een anderen geest dan haar voorgangster, want kon men deze beschuldigen van koketteeren met het socialisme, nu kiest de paus onomwonden partij voor de kapitalisten tegen de arbeiders. Aanleiding tot deze encykliek gaf de ontluikende christelijk-demokratische partij van pastoor Daens in België, die zich ook begon te ontwikkelen in andere landen. Tengevolge van haar optreden kreeg men twee stroomingen, waarvan de eene onder leiding der hoogere geestelijkheid stond aan de zijde der behoudslieden, terwijl de andere met sommigen der lagere geestelijkheid de partij der arbeiders koos. Wie denkt niet aan den strijd tusschen den Belgischen oud-minister Woeste en den pastoor Daens? De paus nu zal zijn oordeel doen hooren over die partij en als naar gewoonte kool en geit sparende neemt hij den naam van christelijke demokratie wel aan maar haar beteekenis wordt teruggebracht tot een streven naar…. weldadigheid. “Men wachte zich de benaming christelijke demokratie te verwringen tot een staatkundige beteekenis. Immers, ofschoon het woord demokratie naar de letter en in de taal der wijsgeeren een volksregeering aanduidt, moet in het onderhavige geval dit woord zóó gebezigd worden, dat afgezien wordt van elke staatkundige bedoeling en niets anders daarmee te kennen wordt gegeven dan de weldadige christelijke aktie op het volk.” En dan moet men ook “vermijden in de benaming christelijke demokratie den toeleg te zoeken tot het afwerpen van alle onderdanigheid en van verzet tegen hen die wettiglijk als overheid gesteld zijn. Zoowel de natuurwet als de christelijke zedenwet schrijven voor, dat zij, die, in welken rang ook, in den staat gezag bekleeden, moeten worden geëerbiedigd en, wanneer zij rechtmatig bevelen, gehoorzaamd.” Het recht der armere klasse is een recht op – liefdegaven van de rijken. Wie dit erkent, is volgens den paus een christelijk demokraat! Als dit nu geen verdraaiing is van de opvatting der demokratie, dan begrijpen wij er niets van.
Al wat de eenheid kan verstoren, moet zorgvuldig worden vermeden en wij kunnen niet anders dan de formuleering van alle geestes- en politieke onderdrukking lezen in zinsneden als deze:

om de eenheid van streven zoodanig te krijgen als noodig is, behoort men zich te onthouden van alle besprekingen, die kwetsend zijn of tot onderlinge verwijdering aanleiding kunnen geven. Laat men dus in tijdschriften en op volksvergaderingen zwijgen van die haarkloverijen, die meestal toch geen nut hebben. De subtiele kwesties zijn toch niet slechts niet gemakkelijk op te lossen, maar het begrijpen ervan alleen vereischt reeds groote bekwaamheden en ongewone oplettendheid. Zeker, het is den mensch eigen, om op twijfelachtige punten te aarzelen en men mag over sommige zaken van gevoelen verschillen, maar zij die in nog onzekere vraagstukken ijverig naar de waarheid zoeken, behooren tegenover anderen kalmte, bescheidenheid en hoffelijkheid in acht te nemen, opdat uit het verschil van gevoelen geen verschil van optreden ontsta."

Dus met andere woorden zwijgen over al wat twijfel kan wekken en dat betreft de sociale verschijnselen. Daarover kunnen de katholieken toch niet oordeelen. En dus…. zij moeten dat overlaten aan hun kerkelijke hoofden! Alweer dus een willoos en gedachteloos volgen van het kerkhoofd – zietdaar de alfa en de omega der wijsheid, door den paus geleerd, zietdaar de quintessens van deze 20ste eeuw wijsheid. Op een der laatste bladzijden wordt het onomwonden gezegd:

“welke plannen te dezer zake ook mogen gemaakt zijn door personen of vereenigingen, men herinnere zich altijd, dat men volledige onderdanigheid is verschuldigd aan het bisschoppelijk gezag. Men late zich niet meeslepen door een al te vurigen ijver. Een ijver, die leidt tot gebrek aan eerbied, is noch oprecht, noch waarlijk nuttig en werkdadig noch aangenaam aan God.”

Dus de katholieke arbeiders moeten zich geheel overgeven aan de leiding der bisschoppen en wat deze doen, is goed gedaan. Alle zelfstandigheid der arbeidersklasse is dus uit den booze en ter wille van de eenheid heeft men zich te onderwerpen aan de kerk en haar organen. Dat is dus de dood van een arbeidersbeweging en wordt dus deze encykliek toegepast, dan is het gedaan met de christelijk-demokratische arbeidersbeweging in alle landen.
Zal dit geschieden? Wij weten het niet. Maar één van beiden: òf men onderwerpt zich en dan is het gedaan met elke vooruitstrevende katholieke beweging, òf men onderwerpt zich niet, maar dan zal men zich den vloek en de uitsluiting van Rome moeten laten welgevallen. Een mooi begin eener nieuwe eeuw! Rome blijft dus de oude, al hulde zij zich voor een oogenblik in een demokratische vacht.
De Italiaansche staatsman Cavour voorspelde eens dat het ultramontanisme zich eenmaal zou verbinden met het socialisme. Wij zien deze voorspelling reeds uitkomen, b.v. in Beieren waar beiden samengingen bij de stembus ter bestrijding van de liberalen, of in België, waar een pastoor Daens met zijn christelijk demokratische partij de sociaaldemokraten zoozeer nadert, dat hij in zijn program soms verder gaat dan zij.<ref>Ten onzent heeft een jong katholiek advokaat, mr. S.J. Visser in het Sociaal Weekblad eenige artikelen gehad, waarin hij beweert dat “het socialistisch beginsel niet in strijd is met het christendom” en formuleert zijn meening aldus: “men kan als katholiek zich verklaren voor de omzetting der thans nog private produktie in gemeenschappelijke voortbrenging, daarbij hetgeen voor die produktie noodig is langs wettigen weg van privaateigendom in collectief eigendom overbrengen en de voortbrenging doen regelen door den staat”. Met andere woorden: sociaaldemokratie en katholicisme zijn niet onvereenigbaar. Hij is het eens met den Duitschen katholieken schrijver dr. Kayser, die meent dat niet elk kollektivisme vijandig staat tegenover den godsdienst. Het behoeft zeker geen vermelding, dat hij over die stoute bewering van katholieke zijde, o.a. in het dagblad De Tijd geducht is hard gevallen.</ref>
De tijd is voorbij, waarvan de slimme Windhorst eens getuigde: “iedereen praat over de sociale kwestie en haar oplossing; dan gaat men een sigaar rooken en een glas wijn drinken, maar niemand wil er aan werken.” Neen, nu is het veeleer de tijd, dat iedereen eraan wil werken, maar ondanks dat leert de uitkomst dat het lang niet allen koks zijn, die lange messen dragen.

B. Protestantsch socialisme.

Rome heeft –en niet ten onrechte– zeer goed begrepen dat de revolutie eigenlijk begint met de reformatie en daarom heeft zij over deze haar banvloek uitgesproken als het begin van alle rampen. Wie toch de bemiddeling van de kerk door den plaatsvervanger van Jezus verwerpt en elk mensch zelfstandig laat oordeelen, heeft den mensch als individu gemaakt tot oppersten rechter over zijn eigen handelingen, heeft het aanzijn geschonken aan de anarchistische gedachte.
Geen wonder dat de Boeren in de 16de eeuw al hun hoop hadden gevestigd op den hervormer Luther. Of gaf hij niet aan het volk den bijbel in zijn taal? Verkondigde hij niet het evangelie, de blijde boodschap der verlossing aan de armen en onderdrukten? Was dat evangelie niet de kreet der gelijkheid van alle schepselen als kinderen van denzelfden God en Vader en dus als broeders en zusters? De sociale hervorming der Boeren is gegrond op de geestelijke, vandaar dat zij zich niet beroepen op het recht, maar op het evangelie. Met ruwe hand stootte echter Luther de Boeren af. Onbegrijpelijk voor velen, want niemand kan Luther een pluimstrijker van vorsten en heeren noemen, hij was er de man niet naar om te vragen naar de gunst des volks maar evenmin om te bedelen om de gunst der machthebbers. En toch moet de oorzaak van dit vreemde verschijnsel, behalve uit den afkeer voor Thomas Münzer, wiens hand hij in de 12 artikelen der Boeren meende te zien, verklaard worden uit de vrees, dat de kerkhervorming gekompromitteerd zou worden door de Boeren en dat hij daardoor de hulp der hem goedgezinde vorsten zou verliezen, dus uit Pilatusvrees. Gelijk velen, was Luther revolutionair, zoolang het in zijn voordeel was, maar werd hij konservatief van het oogenblik, dat hij zelf macht bezat. Luther was als mensch humaan en goedhartig, maar als theoloog, als geloovige hard en bekrompen en men moet bij betere bekendheid met het tjdvak der hervorming Hellwald toestemmen in zijn “Beschavingsgeschiedenis in haar natuurlijke ontwikkeling”, dat “het verstand aan het werk der hervorming evenmin deel heeft gehad als de vrijheid”.
Ofschoon wegbereider van den nieuwen tijd verstond Luther hem niet genoegzaam en daarom miskende hij de volksbeweging uit de 16de eeuw, “het profetisch voorbereidingswerk der nieuwere wereldgeschiedenis”, het voorspel der Fransche revolutie. Van dat oogenblik werd de hervorming een zaak der vorsten en hield zij op een volkszaak te zijn. Luther was en bleef theoloog, ja hij bleef de katholieke monnik die hij geweest was. Dat de staatkundige en godsdienstige vrijheid tweeling-zusters der hervorming zijn, dat heeft Luther nooit begrepen, maar de gesmade, de gelasterde Münzer wel. Daarom was Münzer de voortstuwende en Luther de terughoudende kracht en het verwijt van Bossuet, dat “Luther en affirmant que le chrétien n’était sujet à aucun homme, nourrissait l’esprit d’indépendance dans les peuples et donnait des vues dangereuses à leurs conducteurs”,<ref>Luther, voedde door te bevestigen dat de christen aan geen enkel mensch onderdanig was, den geest van onafhankelijkheid onder de volkeren en gaf gevaarlijke gezichtspunten aan hun leidslieden.</ref> was volkomen verdiend. Het was bij Luther theorie, geen praktijk, want diezelfde Luther was de man van het meest bekrompen onderdanen-verstand, zoodat hij zelfs leeraarde: “dat 2 en 5 gelijk 7 is, dat kunt gij met het verstand begrijpen, wanneer echter de overheid zegt, dat 2 en 5 is 8, dan moet gij haar gelooven tegen uw beter weten en gevoelen in.” Wie zulke stellingen leert, is natuurlijk de man die in den geest valt der overheid. De Luthersche kerk is dan ook steeds een geestelijk machtsinstrument geweest in de hand der wereldlijke overheid, om de massa in bedwang te houden. Niet te verwonderen is het dan ook, dat de sociale strooming voor het meerendeel een anti-godsdienstig karakter draagt. Wel is waar trachtte een Weitling zijn stellingen ingang te doen vinden met een beroep op bijbelteksten, maar de mannen der kerk begrepen zeer goed dat zijn denkbeelden strijdig waren met de belangen der kerk. Een Saint Simon zweefde een streng staatssocialistisch en theokratisch ingerichte maatschappij voor oogen in zijn Nouveau Christianisme, een Cabet wilde ook aansluiting bij ’t Christendom, een Lamennais, Buchez, Leroux waren ook in mindere of meerdere mate christen-socialisten, maar toch zijn de mannen, die streven naar een verzoening tusschen christendom en socialisme, niet gezien bij de grootwaardigheids-bekleeders van de kerk. Wij zien het aan den tegenstand, dien Maurice in Engeland ondervond, toen hij zeide, dat wij ook socialisten moesten zijn, omdat wij christenen zijn. En werd aan Kingsley het verdere prediken niet verboden door een bisschop van London na zijn predikatie in de Johanneskerk aldaar over de boodschap der kerk aan de arbeiders?
Toch bemerken wij in het laatste gedeelte der 19de eeuw, dat er ook pogingen werden gedaan om socialisme en christendom tot elkander te brengen.
Het was de Duitscher Victor Aimé Huber (1800-1869), die den hoofdstrijd van onzen tijd noemde den “strijd der konservatieve reaktie tegen de meer dan heidensche barbaarschheid der revolutie in hare oorzaken en gevolgen, het beslissende slagveld van dien strijd is het veld der sociale vraagstukken.” Door zijne vele reizen was zijn gezichtskring verruimd en zijn aandacht vestigde zich veel meer op het probleem der maatschappij dan op de staatkundige toestanden. Vooral tegen het koude, berekenende liberalisme was hij gekant. Hij kon maar niet inzien, dat de parlementaire konstituties de volkeren helpen konden.
Zijn sociaal program luidt:

  1. slechts een verwezenlijking der billijke, ja rechtvaardige eischen van het kommunistisch streven kan Europa bewaren voor de vreeselijkste verwoestingen;
  2. de verwezenlijking kan wel onder de bescherming van den staat en de kerk, en met zeer ruime ondersteuning door staatsmiddelen geschieden, maar feitelijk en afzonderlijk slechts langzamerhand en door vrije vereenigingen, waarin de beste elementen der bemiddelde of rijke klassen en de arbeidende klassen elkaar de hand reiken;
  3. de eenige mogelijkheid tot herstel ligt in de organisatie der arbeidende massa’s op den materieelen grondslag van een nieuw in ’t leven te roepen gemeenschappelijk eigendom en op de godsdienstig-zedelijke grondstellingen, die de christelijke beschaving, overeenkomstig de behoeften en inrichting van iedere staat biedt;
  4. de materieele grondslag kan werkelijk in ’t leven worden geroepen, daar het niet zoozeer aan de middelen tot het vormen van zoo’n gemeenschappelijk eigendom ontbreekt, als wel aan de juiste toepassing der bestaande middelen, waartoe hij gedeeltelijk en bij voorkeur de ontzaggelijke middelen rekent, die reeds het dagloon in handen der arbeidende massa brengt, maar ook de aanzienlijke bijdragen der rijken en bemiddelden en van den staat, die hij zoo ruim als het belang der zaak het eischt, van hen verwacht;
  5. de zedelijk-godsdienstige grondslag zal des te meer in het leven kunnen worden geroepen, daar eerst door zoo’n organisatie een blijvende invloed der kerk op die massa’s mogelijk zal zijn, die in hun atomistischen toestand thans aan elken invloed ontkomen.

Huber was konservatief en orthodox protestant, en hij wilde de helpende hand reiken aan de armere klassen, die hij zachtkens zag afglijden langs een hellend vlak tot nog grooter armoede, en hij zag de sociale revolutie met hare elementen van hartstocht en wraak in aantocht, en begreep dat deze niet afgewend kon worden door stilzitten en toeschouwen.
Een organisatie der arbeiders wilde hij op christelijke grondslagen en tevens een streven naar een nieuw te scheppen gemeenschappelijk eigendom. Voorstander was hij van “inwendige kolonisatie” en van “associatie.” Het familieleven was de cel der maatschappij en wilde men daartoe komen, dan moesten de arbeiders zich associeeren voor goedkoope woningen met tuintjes en om hun levensbehoeften in ’t groot aan te schaffen zonder tusschenpersoon. Arbeiderswijken (cités ouvrières) dus voor een 400tal gezinnen, door spoorwegen en omnibussen verbonden met de groote steden, waar de werkplaatsen waren, binnenlandsche kolonies door den staat ingericht. Ook de produktieve associatie wilde hij aanwenden als middel tot kapitaalvorming voor de arbeiders.
Hoewel konservatief ondersteunde hij Schulze-Delitzsch en de “genossenschaftliche Selbsthülfe der arbeitenden Klassen”<ref>Genootschappelijke Zelfhulp der arbeidende klassen.</ref> was zijn stokpaardje. Toch erkende hij dat staatshulp somwijlen gerechtvaardigd was. Echter wilde hij er niets van weten, dat de associaties dienstbaar gemaakt zouden worden aan de politieke denkbeelden van Schulze-Delitzsch. Met Lassalle kwam hij ook in aanraking en ofschoon hij vierkant tegenover hem stond, waar deze de arbeiders aanspoorde om zich meester te maken van den staat en dan staatskrediet te krijgen voor de associaties, toch wisten beide mannen elkander te waardeeren. Men zou haast zeggen dat Lassalle de hoop koesterde om Huber geheel voor zich te winnen. Huber vond dat na Lassalle’s de dood de leiding der arbeidersbeweging in handen kwam van erbarmelijke mannen zonder beginsel en daarom zag hij de toekomst van Duitschland donker in. Vrij eenzaam levende in Wernigerode in de Harz ondervond hij veel teleurstellingen en toch telde Duitschland bij zijn afsterven een groot man minder, die het goed meende met de belangen des volks, ofschoon de positief-christelijke plooi van zijn karakter hem wat exklusief maakte.

In Engeland was het de wijsgeer Thomas Carlyle, die velen heeft opgewekt om zich op sociaal terrein te begeven. De aarde heeft slechts twee eigenaren, zoo schreef hij, nl.: God de almachtige en al zijn kinderen de menschen die den grond goed hebben bewerkt en die hem altijd goed zullen bewerken. Zijn Past and Present (Verleden en heden) wijst erop, dat Engeland vroeger al zijne bewoners voedde, maar nu een grond van uitputting is. Carlyle is en blijft echter aristokraat en puritein, zijn hoofdverdienste schuilt daarin dat hij het bestaan eener sociale kwestie erkende, in een tijd, toen zij door de meeste schrijvers werd ontkend, ofschoon hij de belangen der heerschende klasse steeds vertegenwoordigde. Zijn Sartor Resartus<ref>De kleermaker hersteld, waarvan een Hollandsche vertaling bestaat van J. Zürcher, verschenen bij Jan D. Brouwer 1880. Dit boek is ter lezing zeer aan te bevelen.</ref> is een scherp sarkastisch boek, waaruit veel te leeren valt. Het volk was voor hem een groote massa, die leiding behoeft. “Het schreeuwende ongeartikuleerde gehuil der massa –gelijk aan dat van de smart en de woede van het stomme dier– heeft voor het oor van den wijze dit verzoek tot inhoud: leid mij, regeer mij; ik ben onverstandig en ellendig en kan mijzelven niet leiden.” Hij noemt het “meest onbetwiste van alle menschenrechten het recht van den onwetende om door den wetende geleid te worden met zachtheid, of met geweld door dezen te worden gehouden op den goeden weg.” Carlyle’s standpunt tegenover den socialen strijd der 19de eeuw toont wel eenige gelijkenis met dat van Luther in de 17de eeuw tegenover de boeren. Beiden hebben veel meer oog en oor voor de geestelijke nooden dan voor die van het dagelijksche leven en al erkennen beiden dat vele klachten der onderdrukten volkomen gerechtvaardigd zijn, al doen beiden krachtige vermaningen hooren en al bezigen zij ook harde woorden tegen de machthebbers, geregeerd moet er worden en dat wel door “den edelsten omringd door de edelen” en deze behooren dan tot de bevoorrechte klasse. Wie zijn Latter Day Pamphlets (vlugschriften van den laatsten dag) leest, verschenen na de revolutie van 1848, kan zich overtuigen, hoe hij als een ware profeet op allen en op alles schimpt, zonder dat men te hooren krijgt wat hij dan wel gewild had. Hoe geestig en snijdend is b.v. zijn katechismus der varkens (wel te verstaan varkens op vier pooten), waarin hij de wereld vergelijkt bij een groote trog vol dingen, die te bereiken zijn maar ook vol dingen die onmogelijk bereikt kunnen worden en nu is het de plicht der varkens om het aantal der laatste te verminderen en dat der eerste te vermeerderen en wanneer dan op de vraag: wat het doel van het varken is? het antwoord luidt: “alles te nemen wat ik kan vinden zonder gevaar te loopen voor de galg of de gevangenis.” Wanneer Carlyle een welsprekend beroep deed op het geweten der heerschende klassen, dan kwam dit omdat hij wat verder zag dan deze en den opkomenden storm meende te kunnen bezweren door koncessies te doen, zonder de meest ergerlijke toestanden weg te nemen.
Het was Huber, die Duitschland het eerst opmerkzaam maakte op een anderen Engelschman, Maurice, wiens streven was een band te knoopen tusschen christendom en socialisme en die meer bepaald werkte op ekonomisch-sociaal gebied.
Frederic Denison Maurice (1805-1872) was ontegenzeggelijk dan ook een figuur, waarop Engeland trotsch mag zijn, al deelde hij ook het lot van vele baanbrekende geesten, nl. de impopulariteit. Van hem getuigt Stuart Mill, in vele opzichten een tegenstander, dat hij een der gevleugelde geesten van onze eeuw was, aan wiens edele bemoeiingen nauwelijks te veel lof kan worden geschonken.
Eerst predikant, later professor wilde hij door de christelijke wijding van het associatiebeginsel de arbeiders-klasse hoogerop voeren. In 1849 richtte hij de Society for promoting working men ’s associations (Vereeniging ter bevordering van associaties van werklieden) op en onder degenen, die hem trouw ter zijde stonden, behoorden de advokaten John Malcolm Ludlow en Thomas Hughes, lord Goderich die meer bekend is als markies van Ripon en vooral later veel besproken werd door zijn overgang tot de katholieke kerk en eindelijk maar niet de minste de predikant Charles Kingsley, die zich het treurige lot der kleermakers te London aantrok blijkens zijn brochure: Goedkoope en slechte kleederen onder het pseudoniem “Predikant Lot” en die door zijn reeks kleine leeke-preeken in het weekblad Polities for the People (politiek voor het volk) en door zijn sociale romans Yeast (gist), in 1848 verschenen, en Alton Loeke in 1850, grooten invloed uitoefende op de arbeiders.
De gegoeden zagen gevaarlijke demagogen in hen en de arbeiders wantronwden allen, die hun spraken van christendom en bijbel, want volgens Kingsley’s karakteristieke uitdrukking zagen zij in dat boek niets anders dan een “handleiding voor politie-dienaren, een dosis opium voor lastdieren die men te zwaar beladen heeft, een boek alleen om de armen in bedwang te houden.”
In hun nieuwe vereeniging gingen zij uit van deze grondbeginselen:

  1. de menschelijke maatschappij is een lichaam, dat bestaat uit veel leden en niet een massa van onder elkander strijdende atomen;
  2. echte arbeiders moeten zijn arbeidersgezellen, geassocieerden en geen konkurrenten;
  3. een beginsel van rechtvaardigheid en niet van zelfzucht moet in het ruilverkeer overheerschen.

Zij richtten een blad op “Christian Socialist” om hun denkbeelden des te beter onder de massa te brengen. Reeds de titel wees op de verbinding van christendom en socialisme, waarnaar zij streefden. Naarmate nu de Anglikaansche geestelijkheid hem feller aanviel, naar die mate wonnen zij het vertrouwen van de arbeiders. En vooral toen zij zich stoutweg schaarden aan de zijde der machine-werkers tijdens de werkstaking van 1851/52 week het laatste wantrouwen tegen hen.
Men kreeg een lokaal, de Hall of association, men hield voordrachten, men ontwikkelde een groote mate van werkzaamheid. Maurice was de eigenlijke ziel van de vereeniging, maar de tegenstand tegen hem wies, naarmate de vereeniging meer invloed kreeg en ten slotte wist men het zoover te brengen, dat de positief christelijke Maurice zijn ontslag kreeg als hoogleeraar aan King’s College.
Overtuigd dat er groote kracht schuilde in het onderwijs, richtte hij een avondschool op voor volwassen werklieden en stichtte het Working Men’s College in 1854. In zijn zes voordrachten over Learning and Working (leeren en werken) heeft hij zijn ideën duidelijk en eenvoudig uiteengezet, om de harmonie aan te toonen, die bestaat tusschen weten en werken. Hij wil de arbeiders tot komplete menschen maken, door hen binnen te leiden in elk gebied van kennis. En tevens verbond hij aan het nuttige het aangename, door ook te zorgen voor eenige ontspanning. Mannen als Ludlow, Hughes, Ruskin, Martineau, Rosetti, Westlake e. a. gaven aldaar met hem onderwijs en die namen reeds wijzen er voldoende op, dat het onderwijs bezield was door een verheven, idealen geest.
Nadat hij in het boekje “De Werkman en het kiesrecht” de arbeiders had opgewekt om niet langer fragmenten te zijn, maar deelen van de bewerktuigde maatschappij, gaf hij zijn hoofdwerk Social Morality (sociale zedelijkheid) uit, waarin hij de drie groote kringen van het maatschappelijk leven, de drie groepeeringen in familie, natie en maatschappij na elkander behandelt. Hij ziet in de Bergrede nog altijd de Grondwet voor het menschelijke leven. Het denkbeeld der algemeene christelijke familie is voor hem het hoogste en zijn geheele leven één krachtig en innig protest tegen de mannen dezer eeuw en zeer terecht werd van hem getuigd door prof. Quack: “de smartkreet uit de diepten” (de profundis) die van uit de arbeiders-klassen is opgegaan, heeft haast bij niemand zulk een roerend antwoord gevonden, als hetgeen weerklinkt in Maurice’s toespraak tot de rijkere klassen: “Barmhartigheid, Barmhartigheid.” Toen hij dan ook in April 1872 ten grave werd gebracht, toen gevoelde men, dat hij een ledige plaats achterliet, die niet zoo gemakkelijk zou worden ingenomen, maar hij had niet te vergeefs geleefd, en als er later bij velen een breeder en ruimer opvatting in godsdienstige kringen werd aangetroffen, dan is zulks aan hem te danken.
In latere jaren ontstond de Christelijke Socialistische Vereeniging, wier doel was de beginselen die het leven en de leer van Jezus omvatten, in praktijk te brengen in de industrieele organisatie der maatschappij. Zij bezat haar orgaan in de Christian Socialist en als voorzitter trad op den voorgrond dr. Westcott, bisschop van Durham. Naast haar werkten “de Gilde van den heiligen Matthaeus,” die in de Church Reformer haar orgaan en in den predikant Stewart D. Headlam, een leerling van Kingsley, haar dapperen woordvoerder heeft. Later zijn er meer vereenigingen in dien geest ontstaan en toen Henry George, die ook een soort van christen-socialist was, zijn propaganda-reis deed in Engeland, toen luidde het van dien kant: “moet de kerk van Christus stom blijven, als de menschen zich in die kwesties tot haar wenden met de bede om leiding? Moeten haar priesters in den naam van God voor de altaren zijner kerk verkondigen: gij zult niet stelen? Wat heet stelen?”
Een eigenaardig mengelmoes van mysticisme, rationalisme en humanitarisme gaven in Engeland de Brotherhood Church, die de traditie van Maurice en Kingsley verbonden aan het christendom van Tolstoï en te Croydon een Brotherhood House, een soort van phalanstère, waar de bewoners op eenvoudige wijze gemeenschappelijk leefden. Hiertoe behoorde o.a. Kenworthy. Verder de Labour Church, door den unitarischen predikant John Trevor gesticht met het doel om twee dingen te verwezenlijken:

  1. de afschaffing van het monopolie van het grondeigendom en de trapsgewijze ontwikkeling van het nationale leven op de beginselen der billijkheid, en
  2. de ontwikkeling van het individueel karakter van den werkman.

Deze heeft in de Labour Prophet haar weekblad, houdt voordrachten en geeft brochures uit.
Zelfs in de algemeene arbeidersbeweging van Engeland schuilt meer godsdienstig, christelijk leven dan in andere landen. Of zijn niet Keir Hardie, de voorzitter van de Independent Labour Party (Onafhankelijke Arbeiders-partij), Tom Mann, Ben Tillett en anderen geloovigen, die wel verre van afkeerig te zijn van het christendom dit meermalen in hun socialistische propaganda opnemen? Men vergete niet dat de Engelschen van huis uit een godsdienstig volk zijn en het gaat niet gemakkelijk met dien traditioneelen trek te breken, omdat er nog te veel van dien geest in huis en hart is blijven hangen.

In 1890 verscheen in Engeland een merkwaardig boek, getiteld: In darkest England and the way out<ref>Internationale Bibliotheek. In England’s donkerste wildernissen en de weg ter ontkoming. Vert. van Ds. C.S. Adama van Scheltema, ƒ1,25.</ref> van “generaal” Booth van het Heilsleger. Dit boek maakte een ontzaggelijken indruk, ook alweer niet om het nieuwe dat erin stond, want dat alles was reeds meermalen minstens even goed gezegd als nu door dezen, maar omdat de denkbeelden kwamen van zoo’n geheel anderen kant. Ja, wij zijn niet vreemd aan het denkbeeld, dat door dat boek van protestantsche zijde de paus begrepen heeft, dat hij door een encykliek een tegenwicht van katholieke zijde moest geven en dat wij daaraan dus zijn geestdrift in 1891 hebben te danken. Het is de verdienste van het Heilsleger, dat het niet als de kerk zich terugtrekt uit het maatschappelijk leven om als een log, levenloos lichaam zonder invloed te blijven op de maatschappij, maar zich volop werpt in den maalstroom van het leven, om handelend en gelijk die mannen en vrouwen het noemen, reddend op te treden. Men zou kunnen zeggen dat het christendom in de praktijk is. Booth beschouwt zichzelven als zoo’n soort van socialen paus, als een profeet die zijn boek brengt aan de wereld als een soort van openbaring. Het eerste gedeelte van zijn boek is eene flinke kritiek van de hedendaagsche maatschappij, die zelfs niet gemakkelijk door den vurigsten socialist verbeterd kan worden. Om een proefje te geven van zijn schrijftrant halen wij deze aanschouwelijke vergelijking aan:

“als in een der straten van London het paard van een huurkoetsier struikelt en valt, hetzij door vermoeienis, hetzij door zorgeloosheid, hetzij door koppigheid, en te midden van al het gerij uitgestrekt ligt, dan wordt er niet een prijsvraag uitgeschreven of geen debat geopend, hoe het wel kwam, dat het paard gestruikeld is, eer wij beproeven het dier op de been te helpen. Het huurpaard is een heel passend beeld van het arme uitgeputte deel der menschheid; valt het, dan is dit meestal door te veel werk en te weinig voedsel. Als gij het op de been helpt, zonder zijn omstandigheden te veranderen, kan het tot niets anders zijn dan om het aan een herhaling van zijn smarten bloot te stellen. Maar toch in elk geval, het eerste wat ge doen moet, is het op de been te helpen. Het viel misschien door te veel werk of door te weinig voedsel; misschien was het wel geheel en al eigen schuld dat het gevallen is, zijn knieën gekneusd en het lemoen gebroken heeft; maar dat is van later zorg, op de been helpen gaat vóór alles, al was het niet om zijnentwil, dan toch om een belemmering van het verkeer te voorkomen. Ziet, hoe aller aandacht erop gevestigd is, om het weer op de been te helpen. Men neemt het ’t haam af, het tuig wordt losgegespt, zelfs als het noodig is, losgesneden, alles wordt in het werk gesteld, om het maar te helpen. En dan wordt het weer voorgespannen en nog eens weer tot zijn gewone taak aan ’t werk gezet. Dit is het eerste der beide regels die voor het huurpaard gelden. Het tweede is dat ieder dezer paarden te London drie dingen heeft: schuilplaats voor den nacht, voedsel voor zijn maag en zooveel werk dat hij zijn voedsel met arbeid verdient. Dit zijn de drie punten, die als het”recht van het huurpaard" gelden. Als het valt, wordt het weer op de been geholpen en zoolang het leeft, heeft het voedsel, een onderdak en werk. Al is dit nu ook een lage standaard, toch zijn er millioenen –letterlijk millioenen– van onze medemenschen in dit land, die dezen standaard onmogelijk kunnen bereiken. Kan wat van rechtswege aan huurpaarden toekomt, ook het deel worden van menschelijke wezens? Ik voor mij zeg: ja. De standaard, die voor het huurpaard geldt, kan op dezelfde voorwaarde als voor die dieren, ook een maatstaf zijn voor menschen."

Het eerste, kritische gedeelte van het boek is geheel in dezen geest geschreven. Dan gaat hij na, wat de maatschappij doet om in al die naamlooze ellende te voorzien, bespreekt de armenwet, de liefdadigheid, de gevangenis, de landverhuizing, opvoeding en onderwijs, de vakvereenigigen, koöperatie, de spaartheorie, de socialistische voorstellen, om tot het besluit te komen, dat door geen van allen op dit oogenblik dadelijke hulp wordt toegebracht. Hij roept telkens: goed en wel, maar wie zorgt voor de slachtoffers in den tusschentijd, d.w.z. in den tijd die verloopt voordat er definitieve beterschap is aangebracht? Hij wil vooral voor dien tusschentijd zorgen. Maar hij wil die verrotte maatschappij, zooals hij haar zelf noemt, behouden op dezelfde grondslagen, hij wil alleen het walgelijke schouwspel van hongerlijders in lompen gekleed en werkloozen aan ’t gezicht onttrekken, hij is dus gelijk aan den ouderwetschen geneesheer, die een pleister legt op de wonden, opdat ze niet in al haar afzichtelijkheid worden gezien en nu doet alsof ze genezen zijn. Hij wil daartoe drieërlei kolonies stichten:

  1. de kolonie in de stad;
  2. de landbouw-kolonie en
  3. de overzeesche kolonie.

Maar zijn weg is toch ook die der filantropie, die hij afkeurt, en als iemand de kunst verstaat om op de groote trom te slaan en gelden bijeen te zamelen door reklame, dan is het deze “generaal” Booth. Haast zou men geneigd zijn, om in het Heilsleger een dam te zien, die gemaakt is om den wassenden stroom van het socialisme in bedwang te houden. En daarom dragen de rijken voor dit reddingsleger zooveel bij. Toch baten zulke “plannen” niet veel, want tegenover de enkelen, die uit de ellende worden opgehaald, staan zoovelen die juist door den aard der maatschappelijke ontwikkeling in de ellende geworpen worden. Ook deze poging om christendom en praktisch socialisme met elkander te verzoenen, schenkt de verlangde uitwerking niet. De toekomst zal nog moeten uitmaken of het geheele werk van “generaal” Booth niet te veel zal blijken zuiver persoonlijk te zijn, zoodat het staat of valt met zijn persoon, dan wel of hij in staat is er een erfelijk familiewerk van te maken.
Ook komt de militaire, hierarchische inrichting van het Heilsleger, met zijn generaal, kolonels, majoors, kapiteins, luitenants en soldaten al heel slecht overeen met den geest van Jezus, die van gelijkheid getuigt in het woord: één is uw meester en gij allen zijt broeders! Er heerscht dan ook groote tucht in het leger, waar men van bovenaf wordt gekommandeerd. De tijd van den grootsten invloed dezer vereeniging schijnt reeds voorbij.
In Duitschland heeft het boek van Rudolf Todt: Der radikale deutsche Socialismus und die christliche Gesellschaft (1877) getracht een overzicht te geven van de sociale kern van het christendom en van de sociale roeping der christelijke maatschappij. Binnen een jaar tijds verscheen de tweede uitgave reeds, wel een bewijs dat deze predikant een onderwerp had gekozen dat pakte. Men moet zeggen dat hij de zaken aandurft. De eerste zinsnede trekt de aandacht al dadelijk, als hij schrijft: “Wie de sociale vraag wil begrijpen en bijdragen tot haar oplossing, moet in de rechterhand de nationaal-ekonomie, in de linker de wetenschappelijke literatuur van de socialisten en voor zich opgeslagen hebben het Nieuwe Testament. Ontbreekt een dezer faktoren, dan valt de oplossing verkeerd uit. Alle drie behooren tezamen. De nationaal-ekonomie leert ons den volkshuishoudkundigen bouw van het volkslichaam begrijpen – zij is de ontleedkundige; het socialisme en het Nieuwe Testament openen de oogen voor het fysiek en zielkundig lijden van dit lichaam – zij zijn de pathologen, maar tegelijkertijd ook de therapeuten, elk op zijn eigenaardige wijze.” Eerst geeft hij een bepaling van het socialisme, die aldus luidt: het socialisme is het streven de diepgevoelde tegenspraak van de tegenwoordige werkelijke volkshuishoudkundige samenstelling der maatschappij met de idealen die voor den geest zweven van sommige deelen der bevolking, op te lossen door een nieuwe volks-huishoudkundige en maatschappelijke orde. Deze bepaling is ons veel te vaag en algemeen, zij omschrijft niet wat het wezen van het socialisme is en daarom deugt zij niet. Nadat hij dit gedaan heeft, gaat hij het begrip van het radikale Duitsche Socialisme na en neemt in navolging van den sociaaldemokraat dr. Boruttau aan, dat het een drievoudig doel najaagt: op staatkundig gebied de republiek; op volkshuishoudkundig het kommunisme en op godsdienstig het atheïsme. Elk dier beweringen gaat hij toelichten uit de geschriften der socialisten, om daarna de kritiek van het N.T. daarover te doen hooren. Een tweede afdeeling beschouwt de beginselen: van het radikaal socialisme en hun gevolgtrekkingen, en geeft een uitvoerige bespreking van het program der sociaal-demokratische partij, waarvan de konklusie is: “met uitzondering van het atheïsme is van het standpunt van het evangelie tegen de socialistische theorie niets in te brengen. De grondbeginselen ervan kunnen niet alleen den toets der kritiek van het N.T. doorstaan, maar bevatten juist evangelische, goddelijke waarheden; haar aanklacht tegen de hedendaagsche maatschappelijke orde is grootendeels gegrond, haar eischen zijn gerechtvaardigd. Ter wille van deze beginselen kunnen wij dus, als wij waar willen blijven, de socialisten niet bestrijden, wel echter om de wijze, waarop zij deze beginselen willen toepassen en om de middelen, waarmede zij deze willen verwerkelijken.” Hij is dus in beginsel socialist en christen en meent dat dit best kan samengaan. En dan geeft hij de taak op, die rust op de bezittenden, te weten:

  1. wijziging van het eigendomsbegrip en de konsekwenties daarvan;
  2. herstel van de zedelijke waardij en de eer van den arbeid;
  3. terugkeer tot het positieve christendom van het Nieuwe Testament.

Dan is het de taak der niet-bezittenden:

  1. om hun geluk niet alleen te zoeken in het aardsche bezit en genot, in welk streven zij geholpen moeten worden door den staat en de bezittenden;
  2. om op energieke wijze gebruik te maken van de hun verleende rechten en voorgeschreven plichten (algemeen direkt kiesrecht, vrijheid van vereenigen, spaarzaamheid, algemeene ontwikkeling, pers en hervorming ervan door van staatswege de arbeiders te beschermen tegen een onwetenschappelijke, half-, ja onbeschaafde pers, die de openbare meening bederft, patronaat der rijken, beperking der weelde);
  3. verstandige blootlegging van hun klachten en eischen.

Daarna bespreekt hij het kapitalistenrecht, het grondbezittersrecht en het arbeiders-recht, dat gesplitst moet worden in dat der land- en industrie-arbeiders, om te eindigen met het aanwijzen van de taak der kerk op het gebied van het sociale leven. Zij moet optreden in het belang der niet-bezittenden, direkt door de bevordering van het materieele welzijn der arbeidende klassen, om dezen een menschwaardig bestaan te verschaffen, en indirekt door in woord en geschrift moedig en onverdroten op te treden voor de arbeiders en niet-bezittenden. Op deze wijze zal de kerk het vertrouwen der niet-bezittenden herwinnen, dat zij verloren heeft en zoowel bij den staat als bij de bezittenden die achting verwerven, die zij nu niet heeft en waarvan zij het gemis smartelijk gevoelt. Doet de kerk dit, dan zal op den duur de grond ondermijnd worden, waarop het atheïstisch socialisme groeit en bloeit. Inderdaad het is een merkwaardig boek, dat de aandacht verdient, omdat het zoo frank en vrij de zaken bespreekt en zoo precies zegt waar het op aankomt.
De hofprediker Stöcker, die Jezus den “Koning der proletariërs” en den bijbel het “arbeidersboek” bij uitnemendheid noemde, heeft te Berlijn van christelijke zijde het aanvoerderschap gehad, maar hij verbruide het; op den duur èn bij de arbeiders èn bij het hof, zoodat hij ten slotte den invloed verloor, dien hij een tijdlang uitoefende. Een andere predikant Naumann, die de stichter werd van de Nationaal-sociale partij, zette ook op den voorgrond, dat “de kerk in haar ambtsvertegenwoordigers moet weten, dat zij de zaak der armen, der vrienden van den armen heer Jezus, heeft te leiden. Een kerk der rijken is een”unheimliche" verschijning." Maar hij moest ten slotte zien, dat een zijner ijverigste medewerkers Paul Göhre,<ref>Internationale Bibliotheek: Paul Göhre, Drie maanden fabrieks-arbeider. Vert. van Hel. Mercier, ƒ0,75.</ref> die als kandidaat in de theologie drie maanden als arbeider in een fabriek doorbracht om proefondervindelijk over het fabrieksleven te kunnen oordeelen en zijn ervaringen weergaf in een boekje, dat veel opgang maakte, hem vaarwel zeide, om een plaats in te nemen in de gelederen der sociaal-demokratie. Was het zijn streven “om aan de sociaal-demokratische wereldbeschouwing haar materialistische ruggegraat te ontnemen,”<ref>Ditzelfde stelt zich hier te lande dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutfen voor, die tot de sociaaldemokratische arbeiders-partij behoort.</ref> wij durven niet zeggen in hoeverre dat dit gelukt zou zijn, maar dit is zeker dat de sociaal-demokratie met het verlies van haar scherpe kantjes ook meer en meer haar sterk sprekend atheïstisch karakter heeft verloren en door den godsdienst te maken “tot privaatzaak” de deur heeft geopend, om ook godsdienstige elementen in zich op te nemen. Toenadering is van beide zijden waarneembaar.
Onder de evangelische theologen, die zich bezig hielden met sociale vragen moeten ook nog genoemd worden bisschop Martensen van Zeeland in Denemarken in zijn boek Socialisme en christendom en de Deensche hoogleeraar Scharling, maar het onderwerp is door Todt zoo afdoend besproken, dat alle lateren slechts een weerklank zijn van hetgeen hij heeft gegeven.

2. Staats-socialisme.

Algemeene beschouwing.

Noemden wij socialisme de theorie, volgens welke de arbeidsmiddelen gesocialiseerd moeten worden, d.w.z. uit de handen van privaatpersonen overgaan in die der gemeenschap, dan heeft het woord staats-socialisme door de bijvoeging van “staat” de beteekenis, dat de gemeenschap, in wier handen de arbeidsmiddelen overgaan, moet zijn de staat. Dus staats-socialisme is de theorie, volgens welke de arbeidsmiddelen van staatswege geëxploiteerd en gekontroleerd moeten worden.
Op den partijdag van de sociaal-demokratische partij in Duitschland te Berlijn in 1892 is de verhouding van sociaal-demokratie en staats-socialisme door de intellektueele hoofdmannen der partij uitvoerig besproken en nemen wij deze debatten als leiddraad bij onze bespreking, dan zullen wij zeker de bedoeling ervan het zuiverst weergeven.
Liebknecht zei: “het staats-socialisme in den tegenwoordigen zin is de ‘Verstaatlichung’ tot in het uiterste doorgedreven, de ‘Verstaatlichung’ van de meest verschillende takken van industrie, evenals zij bij de spoorwegen reeds grootendeels is doorgevoerd en bij de tabaksindustrie beproefd werd. Men wil langzamerhand het eene bedrijf na het andere ‘verstaatlichen’, d.w.z. den staat stellen in de plaats van privaatwerkgevers, het kapitalistisch bedrijf voortzetten, alleen met verandering van uitbuiter. Inplaats van den privaat-kapitalist de staat. Als de hedendaagsche staat ‘verstaatlicht’, blijft de staat wat hij nu is. Hij treedt op als werkgever inplaats van privaatpersonen en de arbeiders winnen daar niets bij, wel heeft de staat zijn macht en onderdrukkingskracht versterkt.” Dan zegt hij dat vooral ook van de tribune van den rijksdag de post –hoewel ten onrechte– is genoemd een socialistische instelling, evenals de spoorwegen. “En als nu de staat alle bedrijven in handen had, zou de arbeider, daar hij geen ander werk kan vinden, zich moeten schikken naar elke voorwaarde. En evenals de ekonomische, wordt ook de politieke afhankelijkheid door dit zoogenaamde staats-socialisme, dat in waarheid staatskapitalisme is, alleen versterkt in de hoogstdenkbare wijze, en de ekonomische slavernij zou de politieke, de politieke de ekonomische doen stijgen en intensiever maken.” Verder zegt hij, dat wat de staats-socialisten in den hedendaagschen staat willen, is de kwadratuur van den cirkel – een socialisme dat geen socialisme is in een staat, die het tegendeel van socialisme is."
Maar wat willen de sociaal-demokraten anders dan juist datgene, wat als staatssocialisme door dezen is voorgesteld, al vervangt hij heel handig het woord staats-socialisme door staats-kapitalisme? Heeft niet dezelfde Liebknecht ervan gesproken, dat de socialistische staat “moet ingroeien in den hedendaagschen?” En hoe kan hij dit anders dan door zijn werkkring te vergrooten en het eene bedrijf na het andere te maken tot een tak van publieken staatsdienst? Zelf geeft hij toe, dat het voorstel der produktieve associaties met staatshulp, door Lassalle voorgesteld, staats-socialisme was, dus dat wij Lassalle en zijn partij indeelen bij de staats-socialisten, kan van die zijde moeilijk tegenkanting vinden, – maar heeft niet de geheel sociaal-demokratische partij in Duitschland na de samensmelting van Lassalleanen en Eisenacher te Gotha in 1875 in haar program de produktieve associatie met staatskredriet gehad en was zij dus niet in elk geval –tot het nieuwe program van Erfurt in 1891, toen dit punt verviel– staats-socialistisch volgens Liebknecht’s eigen woorden? Was het niet Kautsky in zijn Toelichting van het Erfurter program<ref>Internationale Bibliotheek: Karl Kautsky, Het Erfurter programma in zijn hoofdpunten toegelicht. Vert. van C. van Gelder. ƒ0.90.</ref>, een soort van officieuse verklaring, zonder door iemand uit de partij te zijn weersproken, die zei: “het is juist, wanneer gezegd wordt dat de socialistische produktie niet kan samengaan met de algeheele vrijheid van arbeid, d.w.z. met de vrijheid om te werken wanneer, waar en zooals men wil. Maar die vrijheid van den arbeider is onvereenigbaar met elk planmatig samenwerken van meerdere personen, in welken vorm het ook plaats hebbe, hetzij op kapitalistischen hetzij op genootschappelijken grondslag.” Hij vindt de vrijheid van den arbeid alleen mogelijk in het kleinbedrijf en daar ook nog maar tot op zekere hoogte, en “met den ondergang van het klein-bedrijf is ook de ondergang van de vrijheid van den arbeid noodzakelijk verbonden. Het zijn niet de sociaal-demokraten, die haar vernietigen, maar de onophoudelijke vorderingen der groot-industrie.” En verder zegt hij: “Het is waar, dat onder het kapitalistische stelsel de arbeider nog steeds een zekere vrijheid geniet. Als het hem niet behaagt in een werkplaats, dan staat het hem vrij elders werk te zoeken. Hij kan uit den eenen dienst in den anderen gaan. In een socialistische maatschappij zullen alle produktiemiddelen gekoncentreerd zijn in één hand, daar is slechts een eenige werkgever<ref>Wij kursiveeren.</ref>, zoodat wisselen onmogelijk is. In dit opzicht heeft de loonarbeider onzer dagen een vrijheid vooruit boven die der socialistische maatschappij. Maar men kan deze toch niet de vrijheid van den arbeid noemen. Hij mag nog zoo dikwijls van de eene fabriek naar de andere gaan, de vrijheid van arbeid zal hij in geen enkele vinden, in elke zullen de werkzaamheden van elken arbeider in ’t bizonder nauwkeurig worden bepaald en geregeld. Dit is een technische noodzakelijkheid. De vrijheid, wier verlies den arbeider dreigt in de socialistische produktie, is dus niet de vrijheid van den arbeid, maar slechts de vrijheid om zelf zijn meester uit te zoeken. Deze vrijheid is tegenwoordig geenszins zonder beteekenis; zij is een borstwering voor den arbeider, zooals elkeen weet, die werkzaam was of is in een gemonopoliseerd bedrijf. Maar ook deze vrijheid wordt steeds meer dubieus door de ekonomische ontwikkeling; de toenemende werkloosheid bewerkt, dat het aantal vrijkomende plaatsen, veel geringer is dan het aantal aanvragers. De werklooze moet in den regel blij zijn eenige betrekking te vinden. En de toenemende vereeniging der produktiemiddelen in weinig handen werkt daarheen, dat ten slotte de arbeider in elk bedrijf denzelfden”werkgever" of ten minste dezelfde arbeidsverhoudingen terugvindt“. Betrekkelijk is dus de vrijheid van den arbeider nu grooter dan in een socialistische maatschappij, waar men gedoemd is te blijven waar men is, op straffe van verhongering.
En dit alles wordt niet te niet gedaan door de verzekering, dat”de onvrijheid van den arbeid in een socialistische gemeenschap niet slechts haar drukkend karakter verliest, zij zal ook de grondslag worden van de hoogste vrijheid, die tot hiertoe mogelijk is geweest onder het menschengeslacht." Zelf erkent hij, dat dit als een tegenspraak klinkt, maar het is slechts een schijnbare, wanneer men luistert hoe hij haar oplost en weet te plooien, want dan zegt hij: “niet de vrijheid van den arbeid, maar de bevrijding van den arbeid, zooals het machinewezen haar mogelijk maakt in ruime mate in een socialistische maatschappij, zal aan de menschheid de vrijheid des levens brengen, de vrijheid om zich te wijden aan kunst en wetenschap, de vrijheid van het edelste genot.” Maar daarover liep de kwestie niet, het was de vraag of de arbeider in een socialistische maatschappij meer vrijheid zou hebben dan nu, en wij hebben van Kautsky vernomen dat dit niet het geval zal zijn.
Het eenige onderscheid bestaat dan ook volgens hem hierin, dat “de arbeider in plaats van te zijn in afhankelijkheid van een kapitalist, wiens belangen staan tegenover de zijne, zich bevinden zal in af hankelijkheid van een maatschappij, waarvan hij lid is, van een vereeniging van kameraden, die dezelfde rechten hebben evenals dezelfde belangen.” Alsof daardoor alle tirannie zou zijn buitengesloten! En al maakt hij er zich af met de uitvlucht, dat “het niet de sociaal-demokraten zijn, die de vrijheid van arbeid vernietigen, maar de voortdurende vorderingen de groot-industrie,” wij hebben hier in confesso<ref>In bekentenis.</ref>, dat de produktie in de socialistische maatschappij de slavernij zal bestendigen, ja vermeerderen, men verandert alleen van meester, maar het meesterschap zelf blijft bestaan. Ja, hij zegt ook nog: “alle vormen van loon: belooningen bij tijd of op stuk; speciale premies voor een arbeid boven de algemeene belooning, verschillend loon voor de verschillende soorten van arbeid…. alle vormen van het hedendaagsche loonstelsel, een weinig gewijzigd, zullen geheel toepasselijk zijn in een socialistische maatschappij” en “de verdeeling der produkten in een socialistische maatschappij zal in de toekomst slechts plaats vinden volgens vormen die de ontwikkeling zijn van die, welke men tegenwoordig toepast.”<ref>Deze haast ongelooflijke zinsneden vindt men in die toelichting bl.167 en 168.</ref>
Een sociaal-demokratische staat dus, gekoncentreerd in ééne hand en daarin toegepast het loonstelsel – maar dit is ook de grondslag van het kapitalisme! Men predikt dus de afschafing van het loonstelsel en tegelijkertijd sanktioneert men dat stelsel, prijsgevende de oude kommunistische formule van Louis Blanc, overgenomen door Marx en Engels: elkeen geeft naar zijn krachten en elkeen ontvangt naar zijn behoeften.
Emile Vandervelde erkent dat de socialiseering der produktiemiddelen niet noodzakelijk de afschafing van het loonstelsel meebrengt. De arbeiders der staatsarsenalen zijn loontrekkenden evenzeer als de vrouwen van de Gentsche Vlasfabriek of de bakkers van de Vooruit. En dan laat hij volgen: “zeker dat is ons ideaal niet. Wij streven vurig naar de zedelijke vervormingen die de koöperatie zullen mogelijk maken eerst van alle producenten en misschien ook –want er bestaat geen ideaal zoo zuiver of de toekomst kan het verwerkelijken– misschien de anarchistische gemeenschap, overvloeiende van broederschap en rijkdom, waarin elkeen zal doen wat hij wil, evenals in de abdy van Thelème, zal geven naar zijn krachten en nemen naar zijn behoeften.
Maar om daartoe te geraken zoude de schors van onze hersenen, nog zoo verweerd en grof, ontzettend ontwikkeld en verbeterd moeten zijn. En aan onmiddelijk te verwerkelijken hervormingen moet men de eerste elementen dezer vervorming vragen: onderwijs volop: verspreid, de arbeidsdag verkort, het alkoholgebruik beperkt of afgeschaft – zietdaar zooveel middelen om het ras te verbeteren en de komst van sociale vormen der toekomst voor te bereiden.”
Dus deze woordvoerder erkent dat het kollektivisme een anderen vorm is van het loonstelsel en streeft naar iets wat niet zijn ideaal is. Maar waarom dan de anarchisten, die wel naar zijn ideaal streven, steeds afgestooten en zoo op hen gesmaald? De middelen die hij aangeeft, zijn toch middelen, die de anarchisten aanwenden en waarvoor zij ijveren, al zeggen zij steeds dat men daarin zijn heil niet moet zoeken en het doel steeds voor oogen moet worden gehouden: socialiseering der produktiemiddelen en opheffing van het patronaat. Vandervelde hinkt blijkbaar op twee gedachten, in zijn ziel is hij anarchist, maar intusschen werkt hij in een lijn, die niet voert tot zijn ideaal, maar tot bestendiging en versterking der bestaande maatschappij, die hij afkeurt. Hoe rijmt men dit tezamen? Wel mag men zeggen dat de mensch een vat vol tegenstrijdigheden is.
Vollmar, die in dezen de konsekwentste is, wilde de agitatie der soc.-dem. partij dan ook koncentreeren op deze vijf punten:

  1. arbeidswetgeving;
  2. vereenigings-recht;
  3. onthouding van elke staatsinmenging bij konflikten tusschen patroons en werklieden;
  4. wetgeving op het stuk van kartels en trusts;
  5. opheffing der belastingen op de levensmiddelen.

Dit nu is met andere woorden haar maken tot een hervormingspartij op den grondslag der hedendaagsche maatschappij.
Wat hierin nu socialistisch is, en wat dus op die manier van het socialisme overblijft, vergeet hij te zeggen. En hij verklaart dan ook eerlijk:
“Ik ben van meening, dat de sociaal-demokratie geen reden heeft, het denkbeeld van staats-socialisme op zichzelf met bizonderen ijver te bestrijden. Integendeel een geheele reeks maatregelen tot trapsgewijze voorbereiding eener betere maatschappelijke organisatie, wordt door ons nagestreefd en daartoe besloten, die men staatssocialistisch kan noemen. Deze overweging heeft er ook toe medegewerkt, dat bij de bewerking van het program der partij te Erfurt in 1891 een afzonderlijke zinsnede tegen het staatssocialisme, die in het ontwerp stond, werd weggelaten.” En terwijl Liebknecht zich tegenover Vollmar uitspeelt als den radikaleren, geeft hij zelf in het Amerikaansche tijdschrift Forum een programma, dat alles is, alleen niet socialistisch. Hoort slechts wat de partij volgens hem wil:

  1. vrijheid van pers;
  2. vrijheid van vergaderen;
  3. vrijheid van godsdienst;
  4. algemeen kiesrecht voor alle vertegenwoordigende lichamen en openbare betrekkingen in staat en gemeente;
  5. nationale opvoeding;
  6. alle scholen open voor allen;
  7. afschaffing van staande legers en vorming van een nationale militie, zoodat elk burger soldaat en elk soldaat burger is;
  8. internationale arbitrage tusschen de verschillende staten;
  9. gelijke rechten voor man en vrouw;
  10. maatregelen tot bescherming der arbeidende klasse (beperking van werkuren, gezondheidsmaatregelen, enz.)<ref>The Forum Library, April-Juni 1895, New York.</ref>.

Waarom dan het woord sociaal-demokratische partij niet vervangen door den naam van demokratische of alleen werkliedenpartij?
Maar deze twee, (Vollmar en Liebknecht) die praktisch het socialisme vaarwel hebben gezegd, wisten op den partijdag te Berlijn een motie samen te stellen in zake het staatssocialisme, waarin beiden samengingen en die de partijdag in koor goedkeurde. Zij luidt aldus:<ref>Wij denken hierbij aan Goethe’s woord: Im Interpretiren seid ihr munter, Legt ihr nicht aus, so legt ihr unter. (in het verklaren gaat gij lustig te werk, legt gij niet uit, dan legt gij in).</ref>

“de sociaal-demokratie heeft met het zoogenaamde staats-socialisme niets gemeen. Het zoogenaamde staats-socialisme, voor zooverre het streeft naar de”Verstaatlichung" voor fiskale doeleinden, wil den staat stellen in de plaats van de privaatkapitalisten en hem de macht geven het arbeidende volk het dubbele juk van de ekonomische uitbuiting en politieke slavernij op te leggen.

Het zoogenaamde staats-socialisme, voor zooverre het zich bezig houdt met sociale hervormingen of verbeteringen in den toestand der arbeidende klassen, is een stelsel van halfheden, dat zijn ontstaan dankt aan vrees voor de sociaal-demokratie. Het heeft tot doel door kleine koncessies en allerlei palliatieven de arbeidersklasse te vervreemden van de sociaal-demokratie en deze daardoor te verlammen. De sociaal-demokratie heeft nooit versmaad, zulke staats-hervormingen te eischen of te billijken, die den toestand der arbeidende klassen onder het tegenwoordig ekonomische stelsel kunnen verbeteren, als zij van andere zijde voorgesteld zijn. Zij beschouwt zulke maatregelen echter slechts als een kleine afbetaling, die op haar streven naar de socialistische vervorming van staat en maatschappij op geenerlei wijze invloed mag hebben.
De sociaal-demokratie is in haar wezen revolutionair, het staats-socialisme konservatief. Sociaal-demokratie en staats-socialisme zijn onverzoenlijke tegenstellingen."

Dat klinkt forsch en afdoend, maar al wat deze heeren het staats-socialisme aanwrijven, is toepasselijk op henzelven en hun partij, alleen schijnt hier de hatelijke toon verklaarbaar uit de vrees voor konkurrentie, waardoor de een dreigt te doen wat de ander beschouwt als zijn privatief jachtterrein.
Maar wij vragen: wil dan de sociaal-demokratie niet, dat de staat alle takken van nijverheid in handen neemt, dat de staat als regelaar van de produktie optreedt, de eenige werkgever is? – zooals Kautsky het zegt: Het einddoel der ontwikkeling, zoodra het proletariaat eens aan het staatsroer is gekomen, is de vereeniging van de gezamenlijke bedrijven in één enkel heel groot staats-bedrijf, d.w.z. de verandering van den staat in één enkele “Wirtschafts-genossenschaft.” En dit gaat gepaard met volslagen afhankelijkheid van den arbeider, die immers nergens terecht kan! En de ekonomische slavernij brengt de politieke en dus dat dubbele juk, waarvan in die resolutie sprake is, wordt evenzeer door de sociaal-demokratie den arbeiders opgelegd.
Liebknecht begrijpt dit zeer goed en dit gevaar wordt niet weggenomen door het woordenspel van staats-kapitalisme in de plaats van staats-socialisme. Want het staats-kapitalisme van hem zal staats-socialisme zijn van het oogenblik, waarop de sociaal-demokratische staat zijn intrede in de wereld zal hebben gedaan. Men is slaaf en niet vrij, want een slaaf van den staat, hetzij deze monarchaal of sociaal-demokratisch is, blijft toch altijd een slaaf. En wat Liebkneckt zei van den staat der Jesuïten in Paraguay is volkomen toepasselijk op den sociaal-demokratischen staat volgens de opvatting der zoogenaamde Marxisten. Tegenover von Schweitzer, die na Lassalle’s dood de Duitsche arbeiders trachtte te werpen in de armen van het staats-socialisme, haalde indertijd Liebknecht het voorbeeld van dien Jesuïtenstaat aan, om erop te wijzen wat staats-socialisme in de praktijk is, zeggende: “In dezen modelstaat waren alle bedrijven staatseigendom, d.i. eigendom van de heerschende Jesuïten. Alles was op militaire wijze georganiseerd en gedrild; de inboorlingen werden ook heel goed gevoederd, maar zij arbeidden onder het strengste toezicht evenals de galei-slaven en genoten niet de minste vrijheid, kortom: de staat was kazerne en werkhuis –het ideaal van het staats-socialisme– de gemeenschapppelijke zweep en de gemeenschappelijke voedertrog. Geestelijke voeding was er natuurlijk niet – de opvoeding was die tot slavernij en gedachteloosheid.”
Nu mag Liebknecht beweren, dat dit staats-socialisme de doodsvijand is van het socialisme –en dat is het ook, let wel: van het socialisme!– maar zet in de plaats van Jesuïten den naam sociaal-demokraten en wij zeggen dat die beschrijving volkomen past op den staat der sociaal-demokraten. Of wil men dáárin de waarde van den arbeid niet bepalen naar den maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd? En dus de verplichte arbeid is de grondslag ervan. Niet arbeid naar lust en aanleg, neen verplichte, d.i. dwangarbeid wordt ook aldaar opgelegd en past men dan toe: wie niet werkt, die zal ook niet eten, dan is het de hongerzweep, die men gebruikt om tot den arbeid te dwingen. Zelf komt Liebknecht ertoe om te zeggen: “het socialisme wil en moet de kapitalistische maatschappij vernietigen; het wil het monopolie van de produktiemiddelen uit de handen van een klasse rukken en doen overgaan in die der gemeenschap; het wil de produktiewijze geheel en al vervormen, haar socialistisch maken, zoodat geen exploitatie mogelijk is en de meest volledige politieke en ekonomische en sociale gelijkheid heerscht onder de menschen. Al wat men nu verstaat onder den naam van staats-socialisme en waarmede wij ons bezig houden, heeft niets gemeen met het socialisme.” Volkomen waar, maar wel met de sociaal-demokratie, waaruit blijkt dat de sociaal-demokratie van het socialisme niets anders behoudt dan den naam. En als Vollmar zegt: “maar wij staan ondanks alles op een heel anderen grondslag als de staats-socialisten. Hun weg is een autoritaire, hun middelen, voor zooverre zij in ’t algemeen zouden kunnen voeren tot het doel, zijn zoo zwak, dat de menschheid nog vele eeuwen zou kunnen wachten op de verlangde bevrijding,” dan vragen wij of deze woorden niet geheel passen op de sociaal-demokratie? Men zal toch niet zoo naïf zijn om voor de vrijheid ter schole te gaan bij de sociaal-demokratie, die steunt op de partijtucht als hoogste verdienste en waarin het autoritair beginsel op de spits wordt gedreven! Daarom wel verre van onverzoenlijke tegenstellingen te zijn, wel verre van het woord van Liebknecht: “de laatste slag, dien de sociaal-demokratie heeft te strijden, zal uitgevochten worden onder de leuze: hier sociaal-demokratie! dáár staats-socialisme!” beweren wij dat deze begrippen elkander volkomen dekken en dus beiden ten slotte in broederlijke omarming samen zullen gaan.
Toen dan ook in den Duitschen Rijksdag de motie-Kanitz betreffend het graanmonopolie werd behandeld, verklaarde Liebknecht in Vorwärts, dat het een voorstel betrof, dat zuiver socialistisch was. Het hinderde hem bljkbaar alleen, dat zoo’n voorstel zou doorgevoerd worden door agrariers en centrum-mannen en het zich dus volgens de eigen woorden van dat blad “in verkeerde handen” bevond. De zaak was dus wel goed, maar de handen verkeerd – ziedaar alles!
Met welk doel men een tak van handel, nijverheid of landbouw monopoliseert, hetzij tot fiskale doeleinden, zooals de aangehaalde motie verklaart, hetzij tot eenig ander doel, zal toch in beginsel wel hetzelfde zijn. Monopoliseering door den staat blijft monopoliseering, onverschillig of zij plaats heeft in het belang van den fiskus dan wel zoogenaamd tot bescherming der arbeidende klasse evenals vergiftiging door chloroform blijft vergiftiging, onverschillig of zij geschiedt door de verwanten van een stervende met het oog op de nalatenschap, dan wel met het welgemeende doel, om den zieke een rustigen nacht te bezorgen.
Als de arbeidende klasse steun zoekt bij de regeeringen, om hervormingen doorgevoerd te krijgen inplaats van ze door eigen organisatie af te dwingen, dan is zij ontegenzeggelijk bezig, willens of niet, om het staats-socialisme binnen te halen.
Het is alweer Liebknecht die dit zeer goed begrijpt, waar hij zegt: “meent gij dat het den meesten Engelschen katoenfabrikanten niet zeer aangenaam zou zijn, als hun industrie”verstaatlicht" werd ? Ten opzichte van het mijnwezen zal de staat binnen korter of langer tjd worden gedrongen tot “Verstaatlichung.” En het aantal privaatkapitalisten, die tegenstand bieden, zal van dag tot dag kleiner worden. Maar niet alleen de heele industrie, ook de landbouw zou mettertijd zeer goed “verstaatlicht” kunnen worden; dit ligt heelemaal niet buiten het bereik der mogelijkheid, zooals men gemeend heeft. Als in Duitschland aan de groote grond-bezitters, die altjd klagen niet te kunnen bestaan, hun grond door den staat in naam werd ontnomen, maar daarvoor in de plaats passende “liefdegaven” en het recht werd verleend, om in zekeren zin als satrapen van den staat, evenals de satrapen van het oude rijk der Perzen, als opperste slavenhouders over de kleine lui en de landarbeiders, den landbouw te leiden – zou dat niet een groote verbetering zijn voor de heeren jonkers? En meent gij niet, dat deze gedachte dikwijls reeds is opgekomen in de hoofden der slimmere jonkers? Natuurlijk zouden zij alleen dan toestemmen, als zij zoowel aan inkomsten als aan invloed zouden winnen; maar dit was op den grondslag van het staats-socialisme makkelijk in orde te maken. Het denkbeeld is dus heelemaal niet als in de lucht hangend te verwerpen." Zij zouden dan van kapitalisten worden overheidspersonen, van gehate exploiteurs der arbeidskracht hunner medemenschen geachte regeeringskommissarissen, tegen wie als leiders der produktie in de staatswerkplaatsen elke tegenstand als onmogelijk was buitengesloten en het nieuwe beginsel van staats-exploitatie zou de ondergeschiktheid en afhankelijkheid der onderdanen vrij wat beter waarborgen dan het oude stelsel van privaatexploitatie.
Men wil krachtens het praktische program der partij uitbreiding der arbeidswetgeving en men beweert daardoor den staat te verzwakken! Het tegendeel is waar, men versterkt daardoor den staat. Erkent niet Fr. Engels in zijn boek: “De toestand der arbeidende Kklasse in Engeland”, dat door de fabriekswetgeving “de staat niet minder machtig, maar integendeel machtiger is dan voorheen?” En nadat hij gekonstateerd heeft, dat twee klassen van arbeiders, de meest beschermde, te weten: de fabrieks- en de georganiseerde arbeiders, van die verbetering blijvend geprofiteerd hebben, voegt hij er de opmerking aan toe: “maar wat de groote massa der arbeiders aangaat, de voorwaarden van ellende en onzekerheid, waarin zij zich nu bevinden, zijn even slecht als ooit, zoo niet slechter.”
Terwijl overigens Marx zegt, dat “de staat onmachtig is om het pauperisme af te schaffen, dat voor zooverre de staten zich bezighielden met het pauperisme, zij bleven bij politieverordeningen, liefdadigheid, enz.; de staat kan niet anders. Om de ellende werkelijk af te schaffen, moet de staat zichzelf afschaffen, want de oorsprong van het kwaad ligt in het bestaan van den staat zelf en niet, zooals wel radikalen en revolutionairen meenen, in een goede formule van den staat, die zij stellen in de plaats van den bestaanden staat. Het bestaan van den ouden staat en de slavernij waren niet nauwer aaneen verbonden dan de moderne staat en de woekermaatschappij” – verklaarde in lijnrechte tegenstelling hiermede Liebknecht in den Rijksdag: “wij beschouwen die groote tegenstelling tusschen rijken en armen als een bewijs van weinig beschaving. Wij meenen, dat de toenemende beschaving deze tegenstelling langzamerhand zal doen verdwijnen, en wij gelooven dat de staat, waarvan wij de hoogste opvatting hebben wat het te bereiken doel betreft, de beschavende roeping heeft, om den afstand tusschen armen en rijken af te schaffen en omdat wij deze roeping aan den staat toekennen, nemen wij in beginsel het voorgestelde wetsontwerp aan.” Dus terwijl de een meent dat de tegenstelling tusschen armen en rijken alleen kan verkregen worden door de afschaffing van den staat, gelooft de ander, dat de staat de roeping heeft, haar op te heffen. Nog al ’n verschil! Overigens reeds in 1881 predikte Liebknecht in den Rijksdag het staats-socialisme – elk lid in een vertegenwoordigend lichaam is overigens en moet noodzakelijk zijn, staats-socialist, want er valt in die lichamen alleen voor staats-socialisme te ijveren – toen hij zei:

“De arbeidersverhoudingen hebben zich in den modernen tijd zoo geweldig ontwikkeld, dat de staat, d.w.z. de gemeenschap, de funktie van den massalen arbeid, waarop de gemeenschap berust, in de hand moet nemen, wil er geen onheil ontstaan voor staat en maatschappij, wil niet alles atomistisch uit elkander vallen, wil in ’t algemeen de staat behouden worden.”

Staat en maatschappij gooit hij hier door elkander, want spreekt hij eerst van den staat als de gemeenschap, daarna bezint hij zich en onderscheidt de maatschappij, dat is de gemeenschap, wel van den staat. Maar hij gaat verder en zegt: “men spreekt van staats-behoudende denkbeelden. Deze staatsbehoudende gedachte is in de allereerste plaats het socialisme. Zonder het socialisme hebt gij in ’t geheel geen staat.” Dus het socialisme heeft pas den staat gegrondvest! “Wat is de staat?” zoo vraagt hij en het antwoord luidt: “vat den staat mijnentwege op, zooals gij wilt – òf gij moet den staat geheel ter zijde stellen òf de staat is de verplichting der gemeenschap, om de zwakken te beschermen tegen de sterken, de betrekkingen der menschen tot elkander te regelen, zorg te dragen voor welvaart en beschaving. Als dit niet de taak is van den staat, dan heeft hij in ’t geheel geen recht op bestaan, het geheele staatsbegrip –zooals het zich, dit in ’t voorbijgaan, ’t scherpst heeft ontwikkeld in Pruisen– heeft in zijn wezen een socialistischen grondslag.” Geen wonder dat het socialisme er dan kan ingroeien! “Het staatsbegrip is opgegroeid uit de menschelijke beschaving, toen de menschheid te voorschijn trad uit den diertoestand; toen de bellum omnium contra omnes (de oorlog van allen tegen allen) in den ruwsten vorm ophield, toen was het noodig een verband in ’t leven te roepen, waarin de enkele mensch beschermd werd tegen ongevallen, die zjn persoon konden treffen, een verband eerst in de familie, in de stammen. Uit zulke verbanden ontwikkelde zich de staat. Het staatsdoel was eenvoudig, om het bestaan van den enkeling, die als enkeling te gronde moest gaan, te verzekeren.” Dus heilig moet de staat en de daarmede gepaard gaande staatsorde worden geacht! Zelfs zag hij, hoe Bismarck “op sleeptouw is genomen door het socialisme.” Een eigenaardig soort van socialisme moet dat zijn, dat de Pruisische jonkers en Bismarck op sleeptouw neemt! Dat kan niet anders dan een regeerings-socialisme zijn en het socialisme van Liebknecht gelijkt in deze redeneering op het regeerings-socialisme als het eene ei op het andere. Hij prijst zelfs het socialisme aan als het eenige redmiddel van den hedendaagschen staat, dus van den klassenstaat, want “voor het Nihilisme redt u alleen het socialisme, zonder het socialisme zijt gij in ’t algemeen niet meer in staat den hedendaagschen staat in stand te houden.” Dus het socialisme het middel om den hedendaagschen staat te handhaven! En hij drong aan op de aanneming der wet op de verzekering tegen ongevallen als een “gewichtigen stap op den weg van hervorming” en wel verre van daardoor den grond weg te nemen onder de voeten der sociaal-demokratie, doet men haar daardoor een grooten dienst, want “die wet legt getuigenis af voor de waarheid van de socialistische gedachte.” Dus een staats-socialistisch lapwerk is een bewijs voor de waarheid van de socialistische gedachte! Inderdaad na zoo’n bekentenis kunnen wij gerust zeggen: wat hebben wij nog verdere getuigenis noodig?
Neen, men verzwakt niet den staat, door zijn machts-bevoegdheden te vermeerderen, men schaft den staat niet af door zijn macht te vergrooten. Wie het aantal takken van staatsdienst van vroeger en van nu vergelijkt<ref>In Frankrijk vermeerderde het aantal staatsambtenaren van 188.000 in 1846 tot 400.000 in 1896 en de traktementen stegen van 245 millioen frank in 1846 tot een bedrag van 616 millioen in 1896. Zie Grandeur et décadence de la guerre van Molinari.</ref>, zal bespeuren, hoe ontzettend de macht van den staat is gestegen en elke nieuwe tak van industrie, handel of landbouw, dien de staat tot zich trekt, vermeerdert zijn macht over het leven van een deel der burgers en de arbeiders zullen de oude slaven zijn en blijven, voor wie het totaal onverschillig is of zij slaven zijn der kapitalisten dan wel van den staat.
Ook Marx zag zeer goed in blijkens zijn Kritiek op het program van Gotha in de Neue Zeit, verschenen in jaargang 9 Eerste deel<ref>De openbaarmaking van dezen brief van Marx aan Bracke geschiedde door de redaktie der Neue Zeit “zonder voorkennis der fraktie en partijleiding, die de publiceering in den onderhavigen vorm niet gebillijkt zou hebben,” blijkbaar tegen den zin van deze, maar voor de kennis der zaken is het een geluk, dat dit stuk bekend is geworden. De Vorwärts schreef: “Toen Bebel de kopie van het artikel van Marx onder de oogen kreeg, was het nummer van de Neue Zeit reeds klaar en een telegram, den volgenden dag na overleg met Dietz afgezonden, dat de uitgave trachtte te beletten, kwam te laat. Wij kunnen in opdracht van Bebel uitdrukkelijk verklaren, dat als dit aktenstuk hem tijdig was toegezonden, het in den openbaar gemaakten vorm hoogstwaarschijnlijk niet zou zijn opgenomen.” Het artikel van Marx ontkwam dus door een toeval aan de sociaal-demokratische censuur of verminking.</ref> –ten onrechte heeft men Marx gehouden voor den autor spiritualis (de geestelijke maker) van dat program en Marx heeft het zich laten aanleunen!– dat het sociaal-demokratisch partijprogram “van het begin tot het einde behebt is met het fetischisme jegens den staat” en “ondanks al het demokratisch geklingklang het heele program verpest is door het onderdanengeloof der Lassalleaansche sekte aan den staat, of wat niet beter is,zdoor het demokratische wondergeloof, of veeleer een kompromis is tusschen deze beide soorten van wondergeloof, die beide evenver van het socialisme verwijderd zijn.” (Wij kursiveeren). Wat wil dit anders zeggen dan dat het program staats-socialistisch is? Hij achtte dus dat program niet socialistisch, maar “van het socialisme verwijderd” en toch leefde de Duitsche partij daaronder tot op den partijdag te Erfurt, dus 16 jaar lang! Marx noemde het een “verwerpelijk en voor de partij demoraliseerend program,” dat hij niet “door een diplomatisch stilzwijgen” wil heeten goed te keuren, wat hij toch gedaan heeft, daar zijn brief niet dan na zijn dood is openbaar gemaakt (1890) en hij begreep, dat “hoezeer het feit van de vereeniging der arbeiders bevredigt, men echter dwaalt, als men gelooft, dat dit oogenblikkelijk succes niet te duur is gekocht.” Wat het praktische werkprogram aangaat, Marx zegt, dat “zijn politieke eischen niets anders bevatten dan de oude, wereldbekende demokratische litanie: algemeen stemrecht, direkte wetgeving, volksrechtspraak, volksweer, enz. Zij zijn louter de echo van de burgerlijke volkspartij, van den vrede- en vrijheidsbond, het zijn louter eischen, die voor zoover ze niet in fantastische voorstelling overdreven moeten heeten, bereids tot werkelijkheid zijn gemaakt. Alleen ligt de staat, waarin ze tehuis behooren, niet binnen de Duitsche rijksgrens, maar in Zwitserland, de Vereenigde Staten, enz. Deze soort ‘toekomststaat’ is de huidige, ofschoon buiten ‘het raam’ van het Duitsche rijk bestaande.”
En nam de partij den schijn aan in het nieuwe program deze klippen onder voorlichting van de kritiek van Marx omzeild te hebben, men vindt daar de heele oude litanie der burgerljke volkspartij: algemeen stemrecht, direkte volkswetgeving, volksweer, volksrechtspraak, enz. weer in terug. Geen wonder dat radikalen zooals de Belgische heeren Lorand en Féron daarvan getuigden, dat zij er bijna geheel mede konden samengaan, m.a.w. dat het geen socialistisch, maar een doodeenvoudig radikaal program is. De Italiaansche anarchist Merlino<ref>Tegenwoordig is deze parlementair-anarchist of iets van dien aard.</ref> getuigde er dan ook van: “ziedaar de vrucht van 15 jaar socialistische reaktie en verkiezingsagitatie op den grondslag van algemeen kiesrecht, toegekend aan de arbeiders-klassen om haar te bedriegen, te verdeelen en af te voeren van den revolutionairen weg.”
Alleen het eerste, het theoretische gedeelte is socialistisch, maar dat doet alleen dienst bij plechtige gelegenheden als een soort van paradepaard, dat soms uit stal wordt gehaald om het mooi opgetuigd en versierd te laten rondrijden en dat daarna weer zorgvuldig opgeborgen en in ruste gebracht wordt. Dit juist verraadt het tweeslachtige standpunt der partij, een vermenging van socialisme en demokratie, waarin echter in de praktijk alleen het laatste wordt gehuldigd en toegepast.
Waar nu de Duitsche sociaal-demokratische partij tot model heeft gediend voor die in andere landen zooals Denemarken, België, Nederland, Frankrijk, Zwitserland, Spanje, Italië en Oostenrijk, behoeven wij bij deze niet stil te staan. Ze zijn allen gedrenkt met staats-socialistische begrippen, ja zooals het veelal gaat, de kopiën nog sterker dan het origineel.
Dat wij het recht hebben Lassalle en de Duitsche sociaal-demokratische partij met haar succursales in andere landen thuis te brengen onder het staats-socialisme, dat is nu duidelijk genoeg aangetoond en wordt feitelijk door Marx en ook door Liebknecht erkend.
Maar wij deelen ten slotte ook Marx en Engels bij het staats-socialisme in en meenen dat als men Rodbertus noemt den vader van het staats-socialisme in Duitschland, hij die eer moet deelen met Marx en Engels. Het bewijs daarvoor valt niet moeilijk te leveren.
Wat het Kommunistenmanifest aangaat, verwijzen wij naar hetgeen wij bij de vermelding ervan opmerkten, maar ook de Algemeene Raad van den Kommunistenbond formuleerde in 1848 zijn eischen en dan vinden wij daarin vermeld:

  1. de mijnen, groeven, feodale goederen, enz. staatseigendom;
  2. hypotheken staatseigendom, de rente door de boeren betaald aan den staat;
  3. de grondrente of pacht als belasting betaald aan den staat;
  4. verkeersmiddelen: sporen, kanalen, booten, wegen, posterijen, enz. in handen van den staat;
  5. oprichting van nationale werkplaatsen, waar de staat het bestaan waarborgt aan alle arbeiders en zorg draagt voor de invalieden.

Als dit niet alles staats-socialisme is, wat is het dan?
Was het niet Marx, die in de statuten der Internationale de woorden heeft willen brengen: “de verovering der politieke macht door de arbeidersklasse?” Heeft hij niet in zijn hoofdwerk Das Kapital de arbeidswetgeving verheerlijkt, zoodat alle klein-burgerlijke hervormers daarin een schat van argumenten ter verkrijging van een bij de wet geregelde bescherming van de arbeiders vinden? Het is waar dat hij tevens in datzelfde boek de ontwikkeling van het “feitelijk reeds op maatschappelijk produktiebedrijf berustende” kapitalistische eigendom in gemeenschappelijk bepleitte. Maar wat bewijst dit anders dan dat hij hinkte op twee gedachten, aan de eene zijde de noodzakelijkheid inziende eener betere regeling van de kapitalistische maatschappij door de wetgeving en aan de andere de noodzakelijkheid erkennende van den totalen ondergang dier maatschappij?
Hij kon met Faust zeggen:

daar wonen ach! twee zielen in mijn borst

en de eene wil van de andere zich scheiden.
Want de een omklemt met heeten liefdedorst
de wereld, waar zij woning wil bereiden.
Maar de andre schudt met onbetembre vlucht
Het stof zich af en smacht naar hooger sferen.

Hiervan levert ook weer het bewijs, wat Marx en Engels schreven in het Kommunistenmanifest: “een tweede, minder systematische, maar meer praktische vorm van het socialisme zocht de arbeidende klasse afkeerig te maken van elke revolutionaire beweging, door aan te toonen, dat niet deze of gene politieke verandering, maar dat alleen een verandering der materieele levensverhoudingen haar van nut zou kunnen zijn. Onder verandering van de materieele levensverhoudingen verstaat dit socialisme echter volstrekt niet de afschaffing der burgerlijke produktieverhoudingen, die alleen mogelijk is langs revolutionairen weg, maar het invoeren van administratieve verbeteringen, die op den grondslag der tegenwoordige produktieverhoudingen mogelijk zijn, die derhalve volstrekt geen verandering brengen in de betrekking tusschen kapitaal en loonarbeid, maar in het gunstigste geval de kosten van de heerschappij der bourgeoisie verminderen en haar staatshuishouding vereenvoudigen.”
Men zal goed doen er op te letten hoe die lieden in voorbijgaande dagbladartikelen en kleine brochures den staatskultus in eere houden en propageeren, terwijl zij in geschriften, die langer duren en waarin zij hun wetenschappelijke reputatie willen ophouden, heel anders schrijven, want men zal dan al zulke vrijzinnige uitspraken niet voor ernstig gemeend aanzien.

Het was de sociaaldemokraat H. Greulich, later Zwitsersch arbeidssekretaris, die gevoelde welke klippen er waren in den zoogenaamden volksstaat, als hij in een opstel over Fourier in het Jahrbuch für Sozialwissenschaft Jahrgang II deel 2, bl. 28 en 29 schrijft: “zoolang aan den arbeid nog iets onaangenaams, lastigs, weerzinwekkends kleeft, kan men wel de bestaande kapitalistische uitbuiting ter zijde stellen, door alle arbeidsmiddelen te verklaren tot gemeenschappelijk eigendom en de produktie maken tot een gemeenschappelijke – maar men zal altijd kunnen verwachten dat de slimmeren en bekwameren zullen trachten, plaatsen te veroveren, waarin zij zich zooveel mogelijk kunnen onttrekken aan het onaangename, lastige en weerzinwekkende van den arbeid. Ten gevolge daarvan zou een leger van beambten gevormd worden, dat eveneens ten laste komt van den arbeid der overigen, zooals tegenwoordig de bezittende klassen, en er zou voortdurend verkiezingstrijd en gewoel ook in de kommunistische gemeenschap heerschen, al die kunsten der demagogie zouden bloeien, zooals dit nu het geval is in de verschillende staten met een vertegenwoordigend stelsel. Het geheele voordeel van een dusdanige vervorming der maatschappij zou dan misschien alleen gelegen zijn in een aanmerkelijke verkorting van den arbeidstijd en een betere voeding des volks –maar dit zou niet zonder zekeren dwang worden bereikt– de nieuwe maatschappij zou dan ook spoedig een beeld van verdeeldheid en ontevredenheid opleveren en spoedig even onhoudbaar worden als de oude reeds geworden is.” Het is juist de dwang, die alweer de oorzaak zou worden van verdeeldheid en ontevredenheid en als de sociaal-demokraten zich zoo’n regeling niet anders kunnen voorstellen dan gepaard met dwang, dan verklaren zij de onmacht van hun stelsel, dat de kiem van bederf en ontbinding in zich bevat.
Al ziet misschien niet elkeen het nog in, de logische denker moet tot de konklusie komen, dat het staats-socialisme ligt in de lijn, door Marx aangegeven, en die eindigt in een staatsgodsdienst, tot welks instandhouding allen moeten bijdragen, en voor het altaar waarvan allen moeten knielen. Een staatshospitaal, waarin de zieken beslist behandeld moeten worden door haar beoefenaars. Een staatsschool van hygiene, waarin “wetenschappelijk” wordt uitgemaakt wat alle menschen moeten eten en drinken en dragen en doen. Een staats-wetboek van zedelijkheid, waarin alles verboden wordt wat de meerderheid ondeugd gelieft te noemen. Een staatsopvoedingstelsel, dat alle privaatscholen en akademies opruimt en belet. Een staatskinderkamer, waarin alle kinderen op gemeenschappelijke kosten worden grootgebracht. En eindelijk een staatsfamilie met een poging tot stirpikultuur of een wetenschappelijk verwekken van kinderen, waarbij aan man en vrouw alleen dan wordt toegestaan kinderen te verwekken na keuring, als de staat het voorschrijft, en waar het verboden is kinderen te krijgen, als de staat zulks verbiedt. Zoo bereikt het gezag in den staat zijn kulminatiepunt en het monopolie zijn hoogste macht!<ref>De bekende brochure van Eugen Richter “Socialdemokratische Zukunftsbilder” is volkomen verstaanbaar, als men alleen dien vorm van socialisme kent, die als sociaaldemokratie optreedt. En dan bevat zij een groote dosis waarheid. Gelukkig echter dat er een ander soort socialisme bestaat, dat zich van deze bezwaren niets behoeft aan te trekken, omdat zij dat in het geheel niet raken.</ref>
Van Marxistische zijde zal ons voor de voeten worden geworpen, dat wij Marx een opvatting van den staat toekennen, die geheel vreemd is aan de beteekenis, die hij zelf aan het woord “staat’ verleende, want hij beschouwde ten slotte staat en maatschappij als één, zooals blijkt waar hij den staat afgeschaft wil hebben, zoodra de klassen zijn afgeschaft en”dus de behoefte der georganiseerde macht van de eene klasse tot onderdrukking van een andere wegvalt," maar wij herinneren ons de juiste vergelijking als antwoord op deze opmerking, door Benjamin Tucker gegeven. Zeker, zegt deze, wil Marx beiden: staat en maatschappij, vereenzelvigen, echter in denzelfden zin waarin het lam en de leeuw één zijn geworden, nadat de leeuw het lam heeft opgegeten. De eenheid van staat en maatschappij bij Marx gelijkt op de eenheid van den man en de vrouw in de oogen der wet. Man en vrouw zijn één en die ééne is de man! Zoo zijn in Marx beschouwing staat en maatschappij één en die ééne is de staat. Als Marx staat en maatschappij één had gemaakt en die ééne was de maatschappij, de anarchisten zouden immers nooit met hem overhoop hebben gelegen. Als het stelsel van Marx niet gesteund had op het gezag, dus autoritair was in merg en been, waarom stonden zijn volgelingen dan steeds zoo vijandig tegenover Bakunine en de anarchisten, waar deze opkwamen voor de vrijheid? En dr. Aveling erkende dan ook die alles overheerschende macht van den staat, toen hij schreef: “met de afschaffing van het privaateigendom van land, grondstoffen, machines komt de afschaffing van het privaateigendom van het menschelijke leven” en dus als land, grondstoffen, machines staatseigendom zijn, dan wordt ook het menschelijke leven staatseigendom en gedaan is het met alle individualiteit, met alle zelfheid in de samenleving.
Wij meenen op voldoende wijze aangetoond te hebben, hoe ook Marx en Engels onder de staatssocialisten behooren opgenomen te worden evenals Louis Blanc, Rodbertus en Lassalle.

Bestand:Fotos/lassalle.jpg
Ferdinand Lassalle.

A. De landnationaliseerders.

Het land der landnationalisatie of municipalisatie bij uitnemendheid is Engeland en geen wonder, want de wanverhoudingen tusschen nietsdoende groot-grondeigenaren en bezitlooze grondbebouwers zijn daar het sterkst. In de laatste twee eeuwen is de bevolking gestegen van 14½ tot ruim 30 millioen en het aantal grondeigenaren gedaald van 165.000 tot 30.700, d.w.z. een verdubbeling der bevolking en een daling van het aantal grond-eigenaren met 550%. Vroeger dus één grondeigenaar op de 88 inwoners en nu 1 op de 1000. Ongeveer 116 personen bezitten de helft van Engeland en ¾ van Schotland is privaateigendom.
De Engelsche schoolmeester Thomas Spence (1750-1814) was de oudste pleitbezorger van het beginsel der landnationalisatie. Hij meende, dat de inwoners van een land recht hadden op bestaan en dus gelijk recht op het land en al wat ertoe behoort, als het middel om tot een bestaan te komen. De onrechtmatige toeëigening van het land door de grondeigenaars is de bron der armoede van de arbeidende klasse, die nu gedwongen is om zich zelve ten offer te brengen ten bate van nietsdoende grond-eigenaars. Het is daarom, dat het grondeigendom moet overgebracht worden op de gemeente, die niets mag vervreemden en die het niet zelve hoeft te bebouwen, maar het verpacht voor den tijd van zeven jaar aan de hoogste bieders, deze inkomsten gebruikende om alle gemeentelijke uitgaven te dekken en wat erover blijft, wordt gelijkelijk verdeeld onder alle bewoners.
Dat deze denkbeelden grooten invloed uitoefenden èn op Robert Owen èn op vele anderen in Engeland, zoodat b.v. een William Cobbett een kruistocht predikte tegen de Engelsche grondeigenaren en in een geschrift vroeg, of de grondeigenaren het recht hadden, hun land te gebruiken op een wijze, die de inboorlingen dwingt om te sterven van honger en koude, is buiten twijfel. Ook bij John Stuart Mill zien we de nawerking dezer denkbeelden, waar hij in zijn beroemd boek over Staat-huishoudkunde een scherpe onderscheiding maakt tusschen grond- en ander eigendom en bij Herbert Spencer in zijn Social Statics, ofschoon deze in lateren tijd de praktische onmogelijkheid van landnationalisatie bepleitte, zooals blijkt uit zijn Principles of Ethics dl.II (1893).

Bestand:Fotos/spencer.jpg
Herbert Spencer.

Onder den invloed van den Amerikaan Henry George, die de landnationalisatie met veel gloed, talent en groote klaarheid verdedigde, kwam dit vraagstuk ook in Engeland meer op den voorgrond en de bekende geleerde Alfred Russel Wallace werd de pleitbezorger ervan in een boekje Landnationalisation its necessity and its aims, waarin hij komt tot deze konklusies:

  1. het is duidelijk dat land-lordism (grondeigenarendom) vervangen moet worden door eigenaars die zelven den grond bebouwen;
  2. schikkingen moeten gemaakt worden waardoor de pacht van het land voor den pachter veilig en blijvend is en niet toegelaten wordt, om hem in het vrije gebruik van het land te beperken of hem de zekerheid te ontnemen, dat hij al de vruchten van zijn arbeid zelf oogst;
  3. schikkingen moeten gemaakt worden waardoor elk Britsch onderdaan een stuk land kan krijgen voor persoonlijk gebruik tegen een behoorlijke som overeenkomstig de waarde;
  4. alle woeste en onbebouwde gronden moeten onder zekere voorwaarden worden opengesteld tot bebouwing;
  5. de verkoop en overdracht van de pacht der pachters moet op de meest vrije wijze verzekerd zijn;
  6. om deze voorwaarden duurzaam te maken, moet onderhuur verboden worden en hypotheek zeer beperkt.

Om deze maatregelen te verzekeren, moet de staat de grondeigenaar zijn en deze verpacht het land op zekere voorwaarden aan iemand die het zelf in gebruik neemt en bebouwt. In plaats dat de pachters dus hun huur brengen aan den landeigenaar, moeten zij het geven aan den staat en dus de grond wordt een tak van publieken dienst met bureaukratische inrichting, en al is het dan ook, dat er voorwaarden gemaakt worden als: land wordt alleen gegeven aan eigenbouwers, de hoeveelheid land wordt beperkt, alle verbeteringen aangebracht op het land, komen ten goede aan den pachter, geen onderhuur mag plaats vinden, enz., toch zouden wij meenen dat het dan nog beter was om den staat dadelijk ook maar te maken tot bebouwer van den grond, ofschoon in beide vormen een afhankelijkheid van den staat in het leven wordt geroepen, die den menschen misschien of zeker wel beter onderhoud zal verschaffen, echter een soort slavernij ten gevolge zal hebben ten nadeele van de ontwikkeling als mensch. Wallace wil den landeigenaren een schadeloosstelling geven. Later zal de staat ook het bebouwde eigendom naasten, zoodat hij wordt de groote huiseigenaar. Er bestaat een vereeniging van landnationalisatie, die een ijverige propaganda maakt voor deze denkbeelden en hierin een steun vindt b.v. bij de Fabians in Engeland.
Toch was deze vereeniging niet de eerste, want in 1870 werd reeds de Land Tenure Reform Association op aansporing van Stuart Mill gesticht, wier doel was:

  1. het wegruimen van alle wettelijke en fiskale hindernissen voor het overdragen van land;
  2. de afschaffing van het recht van eerstgeboorte;
  3. een belastingstelsel, waarbij de vermeerdering van grondrente, die te voorschijn is gebracht door het aangroeien der bevolking, den staat ten goede komt;
  4. de aankoop van groote stukken land, die verkocht worden door den staat en verpachting ervan aan vereenigingen en kleine boeren;
  5. de staatsdomeinen en landerijen, die behooren aan openbare instellingen, zullen dienstbaar gemaakt worden aan hetzelfde doel en geen zoodanig land zal in de toekomst overgaan in privaathanden, ook niet het gemeentebezit.

En de in 1871 door de arbeiders opgerichte Land and Labour League had o. a. tot program:

  1. nationaliseering van het land;
  2. aanlegging van landbouwkolonies.

Op het Kongres der Internationale, te Brussel gehouden in 1868 nam men reeds een resolutie aan, waarin verklaard wordt dat steenkolen- en andere mijnen, spoorwegen, steengroeven in een goedgeordende maatschappij behooren aan de gemeenschap, verder dat de landbouw en het grondbezit behandeld moeten worden op denzelfden voet als de mijnen en dus veranderd moeten worden in gemeenschappelijk, maatschappelijk eigendom en dus de grond van staatswege verpacht moet worden aan landbouwassociaties op dezelfde manier als de mijnen, dat ook de verkeersmiddelen gemeengoed moeten blijven der maatschappij, dat de bosschen gemeengoed moeten zijn en ook de machines evenals alle andere arbeidsmiddelen die behooren aan de arbeiders zelven en dus aangewend moeten worden in hun voordeel.
En op het Kongres te Bazel in 1869 verklaarde men:

  1. dat de maatschappij het recht heeft het privaateigendom van grond en bodem af te schaffen en te veranderen in gemeenschappelijk eigendom en
  2. dat het in het belang der maatschappij noodzakelijk is, den grond en bodem te veranderen in gemeenschappelijk eigendom.

Men ziet dus, hoe de kwestie der landnationalisatie het eerst en het meest in Engeland op den voorgrond drong als bizonder gewichtig en hoe reeds in dien geest besluiten zijn genomen, lang vóórdat Henry George optrad. Het staatseigendom en staatsbedrijf treedt dus bij die allen in de plaats van privaateigendom en privaat-bedrijf, al willen velen ook, dat de staat de verpachting toekent aan vrije landbouw-associaties.
Maar ontegenzeggelijk trad een andere, een nieuwe fase in de kwestie van het grondeigendom in door het boek Progress and Poverty (Vooruitgang en Armoede) van Henry George. Slechts zelden zijn een boek en een schrijver zoo spoedig algemeen bekend en beroemd geworden, als dat boek en deze Amerikaansche schrijver. Aan den frisschen, helderen betoogtrant is dit voornamelijk toe te schrijven, want hoe men ook denken moge over de stellingen van Henry George, iedereen zal moeten toegeven, dat hem de eer toekomt, dat hij over een uit den aard der zaak vrij droog onderwerp geschreven heeft met een groot gemak en aangename afwisseling, zoodat het haast is, alsof men een roman leest.
En toch was hij alweer niet de eerste, die de aandacht in het bizonder vestigde op de grondverhoudingen. In Engeland vinden wij, als wij Winstanley ter zijde laten, omdat hij feitelijk een kommunist was, minstens vier voorgangers, namelijk: William Ogilvie, professor te Aberdeen in zijn glasheldere studie Essay on Property in Land (opstel over het landeigendom) uit het jaar 1782; Thomas Spence, schoolmeester en lid van het wijsgeerig genootschap te Newcastle-on-Tyne, die op 8 November 1775 zijn verhandeling in dat genootschap voorlas: On the Mode of Administering the Landed Estate of the Nation as a Joint Stock Property in Parochial Partnerships bij Dividing the Rent (over de wijze van administratie van het land der natie als een gemeenschappelijk eigendoms-maatschappij in parochiale aandeelen door verdeeling van de pachtsom), waarin de heele kwestie van het landeigendom als in een notedop wordt opgelost, met dit gevolg voor den ontwerper dat hij uit het genootschap werd gezet niet alleen, maar ook in zijn school onmogelijk gemaakt, zoodat hij de stad moest verlaten als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde. Feitelijk zijn de landnationalisators dus niets anders dan moderne Spenceanen; Thomas Paine, die in zijn Rights of Man (Rechten van den mensch) en zijn Old-Age Pensions (Pensioneering voor ouden van dagen) stelde Agrarian Justice opposed to Agrarian Law and Agrarian Monopoly: being a plan for Meliorating the Condition of Men by creating in every Nation A National Fund, to pay to every Person, when arrived at the Age of Twenty-one Years, the Sum of Fifteen Pounds Stg, to enable Him of Her to begin the World and also Ten Pounds per Annum during Life to every Person now Living, of the Age of Fifty Years, and to All Others when they shall arrive at that Age, to enable them to live in Old Age without Wretchedness, and to go decentiy out of the World (Agrarische gerechtigheid tegenover Agrarische wetten en Agrarische monopolie, een plan ter verbetering van den toestand van de menschen door het stichten in elk land van een Nationaal fonds, om elk persoon, op den leeftijd van 21 jaar de som van 15 P.St. te geven, ten einde hem of haar in staat te stellen in de wereld te beginnen en ook 10 P.St. per jaar gedurende het leven aan elk nu levend persoon van 50 jaar en aan alle anderen, als zij op dien leeftijd komen, om hen in staat te stellen, op den ouden dag te leven zonder ellende en fatsoenlijk uit de wereld te gaan); en eindelijk Patrick Edward Dove, een landedelman, wiens werk The Elements of Political Science, otherwise the Theory of Human Progression and Natural Probability of a Reign of Justice (Elementen der politieke wetenschap of de theorie van den menschelijken vooruitgang en natuurlijke waarschijnlijkheid van een regeering van rechtvaardigheid 1850). Deze vier mannen worden niet oneigenaardig door Morrison David en zijn boekje Four precursors of Henry George (vier voorloopers van Henry George) gedoopt met de namen: de Euclides, de Martelaar, de Politikus en de Wetenschappelijke man der landhervorming.
In Duitschland kan men wijzen, ofschoon in lateren tijd, op voorgangers als Gossen, die den grond door middel van aankoop door den staat bij vrijwillige vervreemding wilde naasten; als Th. Stamm, die den grond wilde “verstaatlichen” door een verbeterde onteigenings- en grondbelasting-wetgeving, om hem dan in stukken te verpachten, waarvan een daling der kapitaalrente het noodzakelijk gevolg zal zijn en als Adolph Samter, die naast het behoud van het andere eigendomsrecht dat op den grond wil afschaffen, om als evenwicht tegen het privaateigendom een machtig maatschappelijk eigendom te krijgen. In Engeland was het in lateren tijd John Stuart Mill, die erkende:

  1. dat het bezit van grond een geheel ander bezit is dan elk ander; en
  2. dat rechtens grond en bodem toebehooren aan de gemeenschap en dus gemeenschappelijk bezit behooren te zijn.

In zijn oog is het grondeigendom in privaathanden een monopolie en dus een privilegie, dat alleen gerechtvaardigd kan zijn door de eventueele nuttigheid. Hij wilde dan ook het land terugkoopen en daarop pachters plaatsen met lange huurtermijn, zoodat elk het genot kan hebben van de vruchten van zijn arbeid tegen betaling van een grond-belasting, die in evenredigheid moet stijgen waarvan de progressie berekend is op een wijze, waardoor de meerwaarde wordt opgeslokt.
Dit alles neemt echter niet weg dat Henry George den krachtigsten stoot heeft gegeven om dit vraagstuk aan de orde te stellen.
Getroffen door het verschijnsel dat de materieele vooruitgang overal gepaard gaat met toeneming van armoede zocht hij een oplossing voor dat groote raadsel om de wet op te sporen, die armoede en vooruitgang aan elkander verbindt. Hij kritiseert eerst de staathuishoudkunde en betoogt dat de loonen niet worden genomen uit het kapitaal, maar een voorschot zijn aan het kapitaal, ze komen voort uit de opbrengst van den arbeid. Vinnig bestrijdt hij daarna de bevolkingsleer van Malthus. Bestaan er volgens de staathuishoudkundigen drie faktoren van voortbrenging: grond, arbeid en kapitaal waarvan elk een deel krijgt, uit de waarde van het produkt in den vorm van grondrente, arbeidsloon en kapitaalrente, hij tracht den samenhang dezer drie elementen op te sporen. Grondrente is voor hem de prijs van het monopolie, voortgesproten uit de omzetting van natuurkrachten en grondbestanddeelen in individueel eigendom. Hij aanvaardt Ricardo’s theorie, volgens welke de grondrente van een land bepaald wordt door de groote opbrengst boven hetgeen met dezelfde werkzaamheid verkregen kan worden van den minst vruchtbaren grond die in gebruik is. Zij bepaalt het deel dat overblijft van de twee andere faktoren: arbeid en kapitaal. Stijgt zij, dan dalen de beide anderen.
Interest is het deel dat het kapitaal ontvangt, afgescheiden van de vergoeding, voor risiko of beleid en toezicht gevorderd. Hij spruit voort uit het vermeerderingsvermogen, dat de voorttelende natuurkracht en de daarmede overeenkomende vatbaarheid voor ruiling aan het kapitaal verleenen. Het heffen van interest acht hij rechtvaardig en afschaffing ervan zou hij verkeerd achten. Kapitaal is slechts een vorm van arbeid, vandaar dat interest en arbeidsloon altijd met elkaar samenhangen. Zij dalen en stijgen tezamen en wel in tegenstelling tot de grondrente.
Arbeidsloon hangt af van den zoom der voortbrenging of van de opbrengst die de arbeid kan bekomen op het hoogste punt van natuurlijke voortbrengingskracht, dat zonder betaling van grondrente voor hem openstaat.
Het privaatbezit van den grond is de schuld van alles, want de grond is nu een monopolie, terwijl hij vrij en beschikbaar moest zijn voor allen. Wat is volgens Henry George het geneesmiddel tegen deze kwaal? De gewoonlijk opgesomde middelen:

  1. grootere spaarzaamheid bij de regeeringen;
  2. betere opvoeding der arbeidende standen en verbeterde gewoonten van vlijt en spaarzaamheid;
  3. vereenigingen van werklieden tot verhooging van loon;
  4. de samenwerking van kapitaal en arbeid;
  5. de tusschenkomst en leiding van de regeering en
  6. een meer algemeene verdeeling van den grond,

zijn onvoldoende, omdat zij het kwaad niet in den hart-ader aantasten. Hij bestrijdt het socialisme, welks ideaal hij grootsch en edel noemt, ook vatbaar voor verwezenlijking, alleen zoo’n toestand kan niet kunstmatig worden verkregen, hij moet groeien, want de maatschappij is geen machine, maar een organisme. Anders konden wij misschien een herhaling krijgen van hetgeen de Jesuïten in Paraguay tot stand brachten en al is die toestand misschien beter dan de bestaande, een godsdienstig geloof als de macht om allen bij elkaar te houden zou noodig zijn en dit ontbreekt aan het hedendaagsch socialisme, terwijl het individueele leven der deelhebbers in zoo’n gemeenschap wordt gedood.
De geheele maatschappelijke wedergeboorte ligt opgesloten in de leus der Russische Nihilisten: Grond en Vrijheid.
Het eenige, het ware geneesmiddel is volgens hem om den grond te maken tot gemeenschappelijk eigendom. Het gelijk recht van alle menschen op het gebruik van den grond is even klaar als dat, om de lucht in te ademen. De erkenning van privaat grondeigendom is feitelijk de loochening van het natuurlijk recht van andere individuen om te leven.
De grond moet worden een staatsmonopolie en om daartoe te geraken behoeft men hem niet te konfiskeeren, men heeft alleen de grondrente te naasten door een belasting. Alsof dit niet een andere vorm van konfiskatie is! Feitelijk wordt daardoor het land staatseigendom. Alle belastingen worden afgeschaft en vervangen door één enkele belasting (single tax) op de grondrente. Deze voldoet volgens hem aan alle voorwaarden, die men stellen kan aan de beste belasting en deze zijn:

  1. zij moet zoo min mogelijk drukken op de produktie, opdat het algemeene fonds, waaruit de belasting betaald en de gemeenschap onderhouden wordt, zoo groot mogelijk zij;
  2. zij moet gemakkelijk en goedkoop geheven worden en zoo direkt mogelijk vallen op den betaler;
  3. zij moet vast geregeld zijn, om den beambten de minste aanleiding te geven tot tirannie of bederf en den belastingbetaler zoo min mogelijk in verzoeking te brengen tot ontduiking en
  4. zij moet gelijkmatig drukken op allen, zoodat geen bevoordeeling plaats grijpe.

De leer van Henry George kan kortelijk samengevat worden in deze 5 stellingen:

  1. naarmate de aanwas van rijkdom grooter wordt, vermindert het deel, dat gaat naar de arbeidersklasse;
  2. de arbeidersklasse brengt haar eigen loon voort, daar het onwaar is dat het loon getrokken wordt uit het kapitaal;
  3. de bevolking neemt niet sneller toe dan de bestaansmiddelen;
  4. de armoede wordt veroorzaakt door het grond-bezit van enkele partikulieren;
  5. de armoede zou genezen worden door de konfiskatie van den grond door den staat, of wat op hetzelfde neerkomt, door toeëigening van de grondrente door den staat door middel van de belasting op de grondwaarde.

Gevolg hiervan zou naar zijn meening zijn een aanmerkelijke vereenvoudiging in de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht. De openbare schulden zoowel als de staande legers zouden aan kant worden gezet en men zou naderen tot het ideaal der Jeffersonsche demokratie, tot het beloofde land van Herbert Spencer, de afschaffing van alle regeering. De regeering zou van karakter veranderen en worden het bestuur eener koöperatieve maatschappij, het agentschap met behulp waarvan het gemeenschappelijk eigendom ten bate van het algemeen werd beheerd. Men zou het ideaal van den socialist bereiken, maar niet door maatregelen ter onderdrukking van staatswege, want hij vreest die staatsmacht en daarom wil hij tegenover de uitbreiding van de staatswerkzaamheid, door de socialisten voorgestaan, dat de staat zich niet zal bemoeien met hetgeen aan de individuen kan worden overgelaten. “In sommige opzichten is ons heerschend stelsel te socialistisch, in anderen te anarchistisch. De juiste afscheiding tusschen staatsbeheer en individualisme vindt men dáár, waar de vrije mededinging vrijheid van handelen en vrijheid van ontwikkeling gaat belemmeren. De vrijheid moeten wij waarborgen, de volle vrijheid van iedereen, begrensd door de gelijke vrijheid van anderen. Ware het volstrekt noodzakelijk een keuze te doen tusschen ten volle toegepast staatssocialisme en anarchisme, dan zou ik geneigd zijn het anarchisme te kiezen, de voorkeur gevende aan volstrekt geen regeering, hoe slecht en lastig dat ook moge wezen, boven een regeering die zou pogen alles te beheeren en te besturen.”
Hij ziet in den individualistischen trek bij de Engelsch sprekende natiën de oorzaak waarom het Duitsche socialisme nooit inheemsch zal worden in Amerika. En daarin kon hij wel eens gelijk hebben, want in zoo’n socialisme kan alleen een volk zich gelukkig gevoelen, dat van jongs-aan op militaire wijze gedrild is en dat geleerd heeft, dat de regeering eene met een bizondere taak belaste voorzienigheid is.
Henry George vormde de partij der landnationalisatie, die in alle deelen der wereld tot in Australie toe –en daar wel het sterkst– haar vertakkingen heeft. Was hij in 1886 de kandidaat der socialistische partij voor het burgermeesterschap van New-York, spoedig gingen beiden hun eigen weg. Hun gemeenschappelijk program bestond toen in twee artikelen:

  1. gelijke rechten voor allen door de heffing van belasting tot de volle waarde van de opbrengst ten behoeve van den staat;
  2. het wegruimen van alle monopolies.

Een vrijheidslievend man kon echter niet lang loopen in het gareel van zulk een socialisme. Marx, die den verbazenden opgang van de denkbeelden van George met leede oogen aanzag, trad op zijn gewone, afmakerige manier tegen hem op en noemde zijn leer niet meer of minder dan een “opgetuigde poging om de heerschappij van het kapitaal te redden.”
In zijn geschrift over de Iersche landkwestie komt Henry George zeer sterk op tegen het geven van een schadeloosstelling aan de grondbezitters. Het eene geslacht kan volgens hem geen rechten afstaan van een ander geslacht. Niemand kan verkoopen wat hem niet toebehoort, niemand kan de rechten van anderen afstaan. En daar de grond aan de levende menschheid behoort, kan niemand hem afstaan aan het eene of andere geslacht. In dit opzicht gaat hij zeer radikaal te werk, want als er sprake is van schadeloosstelling, dan komt zij toch veeleer toe aan het volk, dat zoo lang beroofd is van zijn rechtmatig grondbezit dan aan de grondeigenaren, die reeds zoovele jaren van dien roof hebben geprofiteerd.
Een kostelijk boekje is ook van hem verschenen onder den titel “Sociale vraagstukken”, een boekje dat een propaganda-geschrift voor het socialisme genoemd mag worden. George moge dan geen socialist zijn geweest voor zooverre hij geen deel uitmaakte van de socialistische partij, zijn socialisme straalt uit elke bladzijde van dit boekje, dat overigens door zijn frissche, aan ’t leven ontleende voorbeelden, door zijn aantrekkelijken vorm een verbazenden opgang maakte.

Zijn leer is aangenomen door Michaël Flürscheim, maar deze heeft haar een zeer belangrijke wijziging doen ondergaan, waarop de aandacht moet worden gevestigd.
Meent Henry George dat de tribuut-eischende macht van het kapitaal gerust kan blijven bestaan na de invoering van de landnationalisatie en heeft hij niets tegen het toenemen der kapitaalwinst, Flürscheim gaat een heel anderen weg op. In tegenstelling met George meent hij dat als het inkasseeren der grondrente door partikulieren ophoudt, de kapitaalwinst op indirekte wijze zal verdwijnen. Grondrente is de moeder van den interest. Reeds Kalvijn leerde, drie en een halve eeuw geleden, dat zoolang men voor geld grond kan koopen, die grondrente afwerpt, men voor het leenen van geld interest zal kunnen eischen en men dus zeggen kan, dat alle kapitaal wettigen interest afwerpt, omdat de zaak, waarmede men een andere zaak kan koopen, die winst of interest afwerpt, ook zelve beschouwd kan worden als winst- of interestgevend. Wanneer een kapitalist, die ƒ1000 bezit, daarvoor land kan koopen, dat ƒ30 pacht opbrengt, dan zal hij zijn ƒ1000 niet uitleenen aan een ander, tenzij hij minstens ƒ30 interest krijgt. Maak dus het land tot volks-, tot algemeen eigendom en de interest zal spoedig dalen tot de risikopremie en tot het loon voor toezicht of nog lager. Geen van beide faktoren kan de bron worden voor de gestadige zelfvermeerdering van het kapitaal, dat de oorzaak is van onze ellende. Zij vormen niet wat men kapitaalinterest noemt. Landnationalisatie zal het valsche kapitaal en den valschen interest te niet doen en daarentegen het echte kapitaal gemakkelijk verkrijgbaar stellen voor de arbeiders, zoodat zij voor eigen rekening kunnen werken, hetzij op zichzelf, hetzij als leden van een associatie, en weigeren zullen om loonen aan te nemen, die lager zijn dan de winst, welke zij op deze wijze kunnen maken.
Wat is valsch kapitaal volgens Flürscheim?
Een obligatie Nederlandsche werkelijke schuld van ƒ1000, die 3% rente geeft, is niets anders dan de kapitaal-waarde van het recht, om per jaar van de voortbrengers te mogen heffen een tribuut van 30 gulden door middel van den belastinggaarder. Alle eigendomstitels op land, alle hypotheek-akten, alles wat aandeelen van naamlooze vennootschappen meer waard zijn dan de produktiemiddelen, die zij vertegenwoordigen, dat alles is niets anders dan de kapitaal-waarde van een middel om tribuut te kunnen eischen. Dit alles zou men kunnen noemen “valsch kapitaal” en de interest, die het opbrengt, “valschen interest.”
Het grootste gedeelte van het vermogen der kapitalisten is dus belegd in valsch kapitaal. Bestond dit niet, er zouden geen Rothschild’s zijn. Hoe grooter de belegging in echt kapitaal wordt, hoe grooter de risiko voor den belegger, want het vermogen om zulk kapitaal te beheeren en te bewaken wordt kleiner, naarmate het veld der belegging grooter wordt.
Rothschild geeft aan een fabrikant een hypotheek van ƒ100.000 tegen 5% rente, dat wil zeggen dat deze ƒ5000 ’s jaars moet betalen, ook al verdient hij ze niet. Rothschild is welwillend genoeg om de ƒ5000 te schrijven, bij de hypotheekschuld, dat wil zeggen dat hij van nu af tot in alle eeuwigheid toe de tribuutschuld van den fabrikant vermeerderde met 5% rente over 5000 gulden of met ƒ250. Gaf deze nieuwe belegging van Rothschild werk aan den arbeider? Geenszins. Het vergrootte slechts het valsche kapitaal en verder heeft het ten gevolge, dat de fabrikant zijn jaarlijksch verbruik moet inkrimpen met 250 gulden, terwijl Rothschild er voor geen cent meer om zal verteren.
Dit proces nu heeft over de geheele wereld plaats. Demon “interest” en zijn zoon “samengestelde interest” vermeerderen veel sneller dan het produktievermogen van het menschelijk genie. De mogelijkheid om zijn geld te beleggen in grond, hypotheek, staatsschuldbrieven, spoorwegen, enz. hebben vrij spel gegeven aan den demon.
De vernietiging nu van het “valsche” kapitaal zou geen stuiver echt kapitaal te loor laten gaan. Gesteld dat landnationalisatie, door de verkoopwaarde van het land weg te nemen, eens de 40 à 50 duizend millioen valsch kapitaal vernietigde, waarop de statistiek van het nationaal vermogen in Engeland de kapitaalwaarde schat van het recht van den grondbezitter om pacht te eischen van den gebruiker van Engelschen grond, zou daardoor de natie rijker of armer zijn geworden? Zijn de Vereenigde Staten rijker of armer geworden, toen door het vrij verklaren der slaven een kapitaal van 6000 millioen gulden slavenwaarde was verdwenen van de lijst van het nationaal vermogen? Is de waarde van een land iets anders dan de waarde van een slaaf? Men spreekt van het verbeteren van het land, maar slaven werden ook verbeterd.
De twist tusschen individualisten en socialisten gelijkt sprekend op dien van den tuinman, die boonen had gepoot, welke door de varkens, zonder dat hij dit had ontdekt, waren opgegeten en die nu beweert dat zijn boonen mooi zijn opgekomen, dewijl de natuurwet eischt, dat uit pootboonen zullen ontstaan boonen, en een voorbijganger, die beweert dat zulk ’n natuurwet onzin is, omdat er geen enkele boon is opgekomen. Individualisten bewijzen met onvolledige statistieken, dat de boonen der algemeene welvaart overal rondom ons heerlijk groeien, ofschoon niemand ze kan zien met gezonde oogen. Socialisten ontkennen het bestaan van die ekonomische wetten, omdat het resultaat zoo slecht is. Beide partijen hebben de varkens over het hoofd gezien, die de poot-boonen hebben opgegeten, met andere woorden, zij hebben niet gelet op het privaat-grondeigendom, dat alleen heeft veroorzaakt, dat zegenrijke ekonomische wetten zulke slechte resultaten hebben gegeven. Weer het varken “privaat-grondeigendom” uit den maatschappelijken hof, door de goede oude schutting weer op te richten –het gemeenschappelijk grondeigendom– die dwaselijk door onze voorvaderen is omvergehaald, dan zal de wet van het laat-maar-gaan, laat-maar-varen de heerlijkste vruchten dragen.
Een tweede konsekwentie van de betrekking tusschen grondrente en interest is, dat zij ons in staat stelt den grondeigenaren volledige schadeloosstelling te geven voor het onteigende land, zonder het thans levende geslacht te berooven van de zegeningen der hervorming. Met een steeds grooter wordende voortbrenging van kapitaal, terwijl het meest uitzetbare veld voor geldbelegging (de grond) van de kapitaalmarkt is verdwenen, zal de interest snel dalen. De staatseffekten, die thans 3% geven, zullen weldra gekonverteerd worden tot 2, 1, ½, ¼, ⅛ percents schuldbrieven en eindelijk zal men in ’t geheel geen interest kunnen krijgen. Aan den anderen kant zal de grondrente zelve zeer stijgen met het stijgen der volkswelvaart. Met de voordeelen, die daaruit voortvloeien voor den staat, zou men de nationale schuld, voor den aankoop van den grond aangegaan, in 25 jaar kunnen afbetalen. De uitwerking der hervorming zou worden gevoeld, zoodra de interest zoo laag was gedaald, dat aan het uitbreiden van de onverbruikte inkomens, die nu de tribuutrechten van een onverzadigbare meerderheid vergrooten en de koopkracht der massa verkleinen, paal en perk was gesteld.
Flürscheim wijkt dus in deze twee belangrijke punten van Henry George af:

  1. George zag niet in, dat de indirekte werking van landnationalisatie op kapitaal en interest veel grooter is dan haar direkte gevolgen;
  2. Uit de door hem ontwikkelde verhouding tusschen de grondrente en interest put Flürscheim de gevolgtrekking, dat aan de grondeigenaren volledige schadeloosstelling kan worden gegeven voor het onteigende land zonder nadeel voor het thans levende geslacht.

Flürscheim zegt dat er drie manieren zijn om het land in gemeenschappelijk bezit te brengen, nl.

  1. door konfiskatie, zooals Henry George voorstelt, want het beslag leggen op de grondrente door een belasting staat gelijk met het in beslag nemen van het land;
  2. door het stelsel van afkoop;
  3. door een verbinding van beiden.

Hij nu wenscht als algemeen beginsel afkoop, en alleen dan wanneer de grondeigenaren na de wet, die schadeloosstelling verzekerde, nog tegenstand bieden, zou elke aanspraak op schadeloosstelling vervallen. Want er bestaan twee manieren, om een nieuw maatschappelijk gebouw op te trekken, nl. men kan de vermolmde balken langzamerhand opruimen en vervangen door stevige onderlagen en zoo alles vernieuwen, of wel men doet alles om den val van het waggelend gebouw te verhaasten, ten einde dan een nieuw op te kunnen bouwen. Hij verkiest de eerste manier, want –zoo zegt hij eigenaardig– “ik behoor tot degenen, die in dat oude gebouw zich een nog al aardig woonhoekje hebben verworven, dat ik niet gaarne op die manier zou prijs geven.” Zoo ondergaat elkeen onwillekeurig den invloed zijner eigen positie! Vermeerdert men de jaarlijksche grondrente slechts 2%, dan heeft men in 40 jaar de schadeloosstelling afbetaald.<ref>Om zeker te zijn zijn leer getrouw weer te geven, volgden wij een schets zijner denkbeelden, zooals hij die zelf heeft gegeven.</ref>
Van zijn geschriften, die veel verspreiding vonden, noemen wij “Auf friedlichem Wege, ein Vorschlag zur Lösung der sozialen Frage, Deutschland in 100 Jahren oder die Galoschen des Glückes, ein soziales Märchen”, Rent, Interest and Wages or the real bearings of the land question (Rente, interest en loon of de werkelijke beteekenis van het grondvraagstuk), in het Hollandsch verschenen onder den titel: Individualisme en socialisme.
Verschillende dezer zijn vertaald in meerdere talen.
Het recht op privaat- grondbezit wordt evenzeer ontkend door dr. Hertzka in zijn veelverspreid boek Freiland, maar deze denkt er niet aan de onteigening met of zonder schadeloosstelling te verlangen. Er is nog land genoeg dat “heerenloos” is en “heerenloos” kan blijven, d.w.z. grond die aan niemand behoort. Op zulken “heerenloozen” grond is grondrente onmogelijk. En daarom wil hij op zulken grond een gemeenschap stichten, waar elkeen zijn eigen werkgever en kapitalist zal zijn en uitbuiting van den arbeid van anderen onmogelijk wordt. Van de volle onverminderde arbeidsopbrengst van een goed rendeerende arbeiders-associatie wordt zeker percentage afgetrokken voor de gemeenschap en al bedraagt dit ook 30%, dan is dit nog veel voordeeliger dan nu. Hij verbindt landnationalisatie aan produktieve associatie en daarbij zoekt hij de drijfveer van ’s menschen handelingen, die leiden moet tot sociale rechtvaardigheid, niet in gemeenschap of menschenliefde, maar in welbegrepen eigenbelang en individualisme. Men zou hem een leerling van Proudhon kunnen noemen, daar hij aandringt op de logische ontwikkeling van het individualisme, het vrije ruilverkeer en het gratis-krediet en voorts de vrije associatie der arbeiders in produktieve vereenigingen. Geen wonder dat hij niets te maken wil hebben met de door Marx en de Duitsche sociaal-demokratie verdedigde beginselen.
In zijn sociaal toekomstbeeld, Freiland geheeten, ontwikkelde hij zijn denkbeelden uitvoerig, die wat opzet en vorm betreft meermalen doen denken aan Cabet’s Reis in Ikarië. Er wordt gesticht een Internationale Vrije Maatschappij en de deelhebbers gaan tezamen een praktische poging doen tot oplossing van het sociale vraagstuk. Zij vestigen daartoe een gemeenschap op den grondslag van de volledigste vrijheid en ekonomische rechtvaardigheid, zoodat bij de handhaving van het individueel bepalingsrecht aan een ieder die arbeidt, gewaarborgd is het geheele genot der vruchten van zijn arbeid.
Er bestaat geen grondeigendom noch van het individu noch van de gemeenschap, maar er vormen zich vrije associaties met volkomen zelfbestuur ter bewerking van den grond, waarvan de opbrengst verdeeld wordt onder de leden naar den maatstaf van elks arbeid. Elkeen kan zich aansluiten bij de associatie, die hij verkiest, en kan haar evenzeer naar willekeur verlaten. Vanwege die maatschappij wordt het arbeidskapitaal renteloos verstrekt aan de producenten, maar het moet door hen worden terugbetaald. Personen die ongeschikt zijn voor den arbeid en vrouwen worden door de Maatschappij behoorlijk onderhouden. Deze en dergelijke uitgaven worden bestreden uit een belasting of heffing (Abgabe), die gelegd is op het netto-inkomen van elke produktie. Er bestaan tweeërlei soort arbeidsmiddelen; natuurkrachten en kapitalen. Het vrije vruchtgebruik der eerste werd onder zekere voorwaarden verleend aan de Vrijlanders, terwijl de Maatschappij voor de tweede zorg droeg. Als vrije, zelfstandige menschen moesten zij in vereeniging (associatie) produceeren, niet als knechts met den aanhang van meesters en bazen, niet als kleine kapitalisten, maar als arbeiders. Zelven moesten zij weten wien zij als leider der associatie wenschten, echter met dien verstande dat hij steeds voldoende gekontroleerd werd, zoodat men het heft in handen hield. Daarbij kwam een onbeperkte openbaarheid der produktie, waardoor elkeen direkt het oog op alles kon houden.
Het beste overzicht krijgt men door de kennismaking met de volgende tien regels, die men zou kunnen beschouwen als de grondwet der gemeenschap:

  1. elkeen heeft het recht lid te worden van een associatie, onverschillig of hij lid is van één of meer anderen. Elkeen mag er steeds uittreden. De direktie beslist, aan welken arbeid men zal worden gezet;
  2. elk lid heeft aanspraak op een deel der netto-verdiensten volgens de hoedanigheid en de hoeveelheid van zijn arbeid;
  3. dit aandeel wordt berekend in werkuren met dien verstande, dat oudere leden voor elk jaar lidmaatschap een “toeslag” of premie (praecipuum) ontvangen;
  4. de arbeid der direkteuren en leiders wordt overeenkomstig een met ieder hunner te treffen afspraak berekend naar een bepaald aantal werkuren der gewone leden;
  5. de gezamenlijke winst zal eerst aan ’t einde van elk bedrijfsjaar en na aftrek der afbetalingen van het kapitaal en der heffing aan de gemeenschap worden verdeeld onder de leden; deze ontvangen intusschen voorschotten naar hun aantal gewerkte of toegerekende werkuren overeenkomstig den maatstaf der netto-winst van het vorige jaar;
  6. bij ontbinding blijven de leden aansprakelijk voor de eventueele schulden naar gelang van hun winstaandeel; nieuwe leden deelen in de oude tekorten; bij uittreding blijft men voor zijn relatief aandeel in reeds aangegane leeningen aansprakelijk,
  7. het opperbestuur berust bij de algemeene vergadering, waarin elk lid kies- en stemrecht heeft; de algemeene vergadering neemt besluiten bij meerderheid van stemmen;
  8. de algemeene vergadering oefent haar recht òf onmiddellijk uit, òf indirekt door gekozen, verantwoordelijke ambtenaren;
  9. de leiding is opgedragen aan een direktie, gekozen door de algemeene vergadering. De ondergeschikte ambtenaren worden benoemd door de direktie, maar de vaststelling der bezoldiging –berekend in arbeids-uren– geschiedt door de algemeene vergadering op voorstel der direktie;
  10. jaarljks benoemt de algemeene vergadering een raad van toezicht, die kontrole moet uitoefenen op alles.

Alle produktiemiddelen zijn gemeengoed, maar over de mate van nut, die een ieder uit dit gemeenschappelijk eigendom kan hebben, beslist niet het toeval van het bezit, ook niet de voorzorg van een alles onder haar voogdijschap beheerende kommunistische overheid, maar enkel en alleen de bekwaamheid en vlijt van elk individu.
Het opperbestuur is tevens bankier. Elke associatie, elk persoon heeft zijn rekening in de boeken der centrale bank, die zorg draagt voor inkasseeren en uitbetalen. Door dit stelsel, gepaard met de meest mogelijke publiciteit, heeft de organisatie van Vrijland een groote doorzichtigheid. De in- en verkoop van alle produkten werd gekoncentreerd in groote goederenmagazijnen en al mocht ieder koopen en verkoopen, waar hij zulks het liefste doet, het voordeeligste is, om het in die magazijnen te doen. Alle uitgaven van algemeen nut, zooals onderwijs, verkeer, openbare gebouwen, verzorging van zieken en ouden van dagen, invalieden en alle mannen boven de 60 jaren, worden bestreden uit het bedrag der belasting. Justitie, finantie- en krijgswezen kosten niets. Scheidsrechters worden gekozen ter beslechting van opkomende oneenigheden. Misdadigers worden als zieken behandeld. De arbeidsverdeeling is als volgt: de mannen werken meestal van 5 tot 10 uur ochtends en van 1 tot 6 uur des avonds, maar niemand is aan dien tijd gebonden, men kan arbeiden dàn en zoolang als men wil. Een ruim gebruik wordt van machines gebruikt: zonder die millioenen stalen knechten zouden de Vrijlanders geen vrij geboren arbeidsheeren zijn. Men had 12 departementen, die door evén zoovele kommissies werden beheerd, te weten:

  1. het presidium;
  2. het verzorgingswezen;
  3. het onderwijs;
  4. kunst- en wetenschap;
  5. statistiek;
  6. wegenaanleg en verkeersmiddelen;
  7. post en telegraaf;
  8. buitenlandsche aangelegenheden;
  9. goederen-magazijnen;
  10. centrale bank;
  11. ondernemingen van algemeen nut;
  12. hygiëne en justitie.

De produktie werd ontzettend verhoogd en overvloed overal aangetroffen. Deze zijn de vijf algemeene regelen, beknopt weergegeven:

  1. ieder bewoner van Vrijland heeft een gelijk onvervreemdbaar recht op den ganschen grond en op de door het gezamenlijke volk bijgedragen produktiemiddelen;
  2. vrouwen, kinderen, ouden van dagen en arbeidsongeschikten hebben een recht op behoorlijk, aan de hoogte van den algemeenen rijkdom beantwoordend onderhoud;
  3. niemand kan, zoover hij niet ingrijpt in de rechtssfeer van een ander, gehinderd worden in de uitoefening of verwerkelijking van zijn vrijen individueelen wil;
  4. de openbare aangelegenheden worden bestuurd overeenkomstig de besluiten van alle meerderjarige (boven de 20 jaar) bewoners van Vrijland zonder onderscheid van geslacht, daar allen stem- en kiesrecht bezitten;
  5. de besluitende zoowel als de uitvoerende macht is naar de takken van dienst ingedeeld en wel op die wijze, dat de gezamenlijke stemgerechtigden voor de hoofdzakelijke openbare dienst-takken afzonderlijke vertegenwoordigers kiezen, die afzonderlijk hun besluiten nemen en kontrôle uitoefenen over het handelen van de met de zorg dier aangelegenheden belaste bestuursorganen.

De vrouw had recht op verzorging, zij werd niet beschouwd als een rad in het samenstel van het brood-verdienen, zij was niet bestemd voor produktief werk, maar eensdeels tot voortplanting en andersdeels tot veredeling en verfraaiïng van het menschelijk bestaan. Echter zij werd ontheven van de onteerende noodzakelijkheid, om in den echtgenoot haar verzorger en in het huwelijk het redmiddel te zien tegen materieelen nood.
Strijd blijft er bestaan, alleen de onnatuurlijke vorm ervan verdwijnt. Een verstandig eigenbelang is de beste spoorslag voor vlijtigen ijver en sociale orde. De vrije associatie is het toovermiddel, dat in staat stelt om grond “zonder heer en meester” in kultuur te brengen en toch niet met elkander te twisten. Geen verbod van kapitaalrente, maar wie zal haar geven, als elkeen renteloos genoeg kapitaal kan krijgen? Kapitaalrente verdwijnt evenals grondrente en ondernemerswinst, omdat de vrij geassocieerde arbeider even goed zijn eigen kapitalist als werkgever en landheer wordt of liever zij blijven bestaan, maar verliezen alleen hun, van het arbeidsloon losgemaakt, afzonderlijk bestaan, zij smelten met dat arbeidsloon tezamen tot een eenige en ondeelbare arbeidsopbrengst.
Ook Hertzka is een felle bestrijder van Malthus en diens leer. Daarentegen verheerlijkt hij het christendom, ofschoon hij in tegenstelling met de gelijkheid in armoede bij zijn oorspronkelijk optreden wil de gelijkheid in rijkdom. Eindelijk levert hij een betoog voor den overgang op vredelievende wijze. Als gevolg van zijn boek kunnen de pogingen beschouwd worden der Vrijlandvereenigingen, die expedities uitrustten om in verre gewesten, eerst aan de Oostkust van Afrika en later in Venezuela te trachten de denkbeelden te verwerkelijken, maar tot nog toe moeten die pogingen als mislukt worden beschouwd. Vloeide het geld in den beginne nog al toe voor zulke expedities, de mislukking droeg er niet toe bij, om het toestroomen van geld te bevorderen.
Behalve zijn reeds genoemd hoofdwerk verscheen van Hertzka Eine Reise nach Freiland in 1893 en een sociale roman in 1895, getiteld: Entrückt in die Zukunft.
Wij hebben Henry George, Michaël Flürscheim en Theodor Hertzka onder één hoofd tezamengebracht en voorgesteld als landnationaliseerders, daar zij alle drie voornamelijk zijn opgetreden als tegenstanders van het privaat-grondeigendom. Verder hebben zij met elkander gemeen een streven, om de menschen zoo min mogelijk afhankelijk te maken van den staat. Zij werden geleid door groote voorliefde voor de vrijheid en daar het socialisme voornamelijk optrad in den vorm der sociaaldemokratie, waren zij bevreesd dat men tevreden met de oplossing der sociale vraag als maagvraag niet zou zorg dragen voor de vrijheid en dit zou zeer ten nadeele zijn van de ontwikkeling van de menschheid. Zij wilden de almacht van den staat breken en waren dus in zooverre tegenstanders van de uitbreiding der staatsbemoeienis.
Sprak Henry George onverholen uit, dat als er geen andere keuze bestond dan tusschen het dwangsocialisme en de anarchie, hij onvoorwaardelijk overhelde naar de zijde der laatste, Hertzka tracht bepaalde vormen te geven aan de anarchistische denkbeelden van Proudhon of volgens de juiste uitdrukking van prof. Quack heeft hij “op bij uitstek handige wijze de losse materialen van Proudhon tot een min of meer architektonisch geheel saâmgetimmerd.”
Maar socialistisch zijn zij ongetwijfeld alle drie en wij zouden niet weten waar hen onder te brengen, indien wij hen niet een plaats inruimden onder de socialisten, al zijn zij ook niet als zoodanig erkend door hen, die er een gesloten socialistische kerk op nahouden voor zich en hun vrienden, zonder ruimen blik genoeg te hebben, om ook anderen als socialisten te erkennen, al vormen zij een andere schakeering.
Uit hun werken zou evengoed een socialistische bloemlezing kunnen worden bijeengezameld als uit die van Marx, Lassalle, Engels en anderen.

B. Sociaal-demokratie.

1. Louis Blanc (1813-1882).

De vader van het staatssocialisme is Louis Blanc, want al vinden wij bij al zijn voorgangers het leunen op den staat, hij is het, die wil, dat de staat de sociale orde onmiddellijk zal verwezenlijken. De staat is voor hem de “bankier der armen”. Is volgens Proudhon het socialisme het tegendeel van het gouvernementalisme, voor Louis Blanc is omgekeerd het socialisme de hoogste bloesem ervan. Een gouvernementeel man, een man van het gezag was Louis Blanc zijn leven lang. Hij wilde den staat maken tot den leidsman en stuurman van het socialisme. Voor hem was de vrijheid van arbeid eigenlijk de ordening, de regeling van den arbeid.
Geboren te Madrid uit een Franschen vader en een Korsikaansche moeder heeft Louis Blanc in zijn jeugd de armoede gekend in haar grimmige gedaante en hoe ’n ontzaggelijken indruk dit op hem maakte, blijkt uit den zoogenaamden Hannibalseed, dien hij heeft afgelegd zooals hij hem zelf vertelde in het Luxembourg op 29 April 1848: “ja, mijne vrienden, in mijn jeugd heb ik geleden, evenveel, meer dan éen uwer: ook ik ben arm geweest; ook ik heb mijn brood gezocht in het zweet mijns aanschijns; ook ik heb op mijn borst voelen drukken al de zwaarte van deze onrechtvaardige maatschappij. En het is daarom dat ik, zoo even de kinderschoenen ontwassen, heb gezegd: ik zweer bij God en mijn geweten –zoo ik ooit mocht worden geroepen, om de voorwaarden van het bestaan dezer maatschappij te helpen regelen– nooit te zullen vergeten, dat ik een der ongelukkigste kinderen van het volk ben geweest. En tegen de sociale orde, die een zoo groot aantal mijner broeders tot ellendigen maakt, deed ik den eed van Hannibal.”
Zijn haat tegen de bestaande orde laat zich dus verklaren door de persoonlijke ervaring, die hij in zijn jeugd van de maatschappij opdeed en die een onuitwischbaren indruk op hem maakte. Dit pleit voor hem, daar de meesten in andere omstandigheden zich weinig of niet bekommeren om hun arme broeders en liefst niet eens herinnerd worden aan hun eigen verleden.
Reeds vroegtijdig kwam hij te Parijs om te trachten daar zijn onderhoud te vinden voor zich en zijn jongeren broeder Charles, die later als kunstkritikus zoo’n grooten naam heeft gemaakt. Karakteristiek voor Louis Blanc is het, dat hij de goudstukken, hem op smadelijke wijze toegeduwd door den generaal en gezant Pozzo di Borgo, een bloedverwant van moederszijde, weigerde aan te nemen, hoezeer hij er ook behoefte aan had. Na eenig zoeken wist hij een plaats als gouverneur te krijgen bij een rijken fabrikant te Arras. Toen begon hij reeds artikelen te schrijven voor een radikaal blad uit die stad, die bij hem zooveel herinneringen wekte aan Robespierre, zijn ideaal, van wien hij misschien de geïnkarneerde staats-idé erfde.
In 1834 teruggekomen te Parijs werd hij verbonden aan de redaktie van het blad Le Bon Sens en begon hij den strijd tegen Louis Philippe en diens regeering, die hun armoede aan daden bedekten achter groote woorden. Het sociale terrein trok hem echter het meeste en om een tribune te hebben, vanwaar hij de sociale vraagstukken vrij kon behandelen, stichtte hij in 1838 de Revue du Progrès. Dat tijdschrift was het, waarin de reeks artikelen gestaan heeft, die later in boekvorm zoo’n verbazenden invloed gehad hebben op den gang van zaken. Dit boekje L’organisation du Travail, door sommigen minachtend een pamflet genoemd, muntte uit door helderheid van gedachten en schoonheid van vorm. Wie het leest, raakt onder de bekoring ervan en we kunnen ons best den indruk verklaren, dien het toentertijd heeft gemaakt.
Nadat hij een scherpe juiste kritiek geleverd heeft van de hedendaagsche door-en-door zieke maatschappij, komt hij met het redmiddel aan en dat bestaat in de organisatie van den arbeid. Tegenover de bestaande wanorde, waarin alles aan het toeval wordt overgelaten, wilde hij den staat maken tot den hoogsten regelaar der produktie. Een leening moet uitgeschreven worden voor de oprichting van sociale werkplaatsen in de voornaamste takken van produktie. Eén werkplaats voor elk bedrijf. Daarin worden alle arbeiders van éénzelfde bedrijf toegelaten, die voldoen aan de eischen der zedelijkheid en wel tot ’n cijfer, dat samenstemt met het kapitaal, hetwelk in arbeidswerktuigen was vastgelegd. Het loon zou voor allen gelijk zijn. In het eerste jaar zou de regeering een rangorde van arbeiders en werkzaamheden vaststellen, maar daarna zou alles bij verkiezing gaan, omdat men dan elkander had leeren kennen en beoordeelen. Jaarlijks zou de balans worden opgemaakt. Een deel der winst werd gelijkelijk verdeeld onder de leden en het andere gesplitst in drieën:

  1. voor het onderhoud van ouden van dagen, zieken en verminkten;
  2. tot verlichting van den druk van elke krisis, die andere industriën mocht teisteren, daar allen solidair waren;
  3. tot aanschaffing van arbeidsinstrumenten voor hen, die tot de werkplaatsen wilden behooren, zoodat zij zich kon uitbreiden.

Zulke werkplaatsen zouden de individueele werkplaats geheel opslorpen. Men kreeg één hoofd-werkplaats met succursales. Het beginsel van konkurrentie zou verdwijnen. Had men deze regeling eenmaal en ging zij goed, dan kon de staat zijn beschermende hand terugtrekken. De werkplaatsen zouden dan op eigen beenen staan volgens eigen regels en zichzelven bedruipen. Het zou gaan evenals met den brievendienst van vroeger, die door allerlei korporaties werd verricht, totdat de staat zich de zaak aantrok en de voordeelen naastte. Evenzoo kon het gaan met de industrie. Zoo kreeg men orde in plaats van tweedracht. Allerlei voordeelen werden langs dezen weg verworven, zooals: alle uitvindingen zouden ten zegen strekken voor allen; geen oktrooien meer noodig; de handel zou niet meer alles behoeven op te offeren aan het winstbejag; het krediet kon beter geregeld worden, daar men te doen had met groote associaties –want dat waren de sociale werkplaatsen– en overbevolking zou geen ramp meer zijn.
Het plan zelf van produktieve associaties is ontleend aan Buchez, die in 1831 in l’Européen hetzelfde denkbeeld ontwikkelde met dit onderscheid, dat hij geen gelijkheid van loon wilde, geen voorschot van den staat en de associaties liet ontstaan uit het vrije initiatief der arbeiders, hier en daar geholpen door de patroons. Bij Louis Blanc kreeg men de staatsleiding, het autoritair socialisme was geboren. “Het socialisme kan alleen vruchtbaar zijn door den adem der politiek.”
Ja, feitelijk vindt men de sociale werkplaats<ref>Is het niet eigenaardig dat reeds Marat in zijn Plan de législation Criminelle het denkbeeld van nationale werkplaatsen ontwikkelde, waar hij schrijft: “laat de armen niet in ledigheid rondloopen, gebruikt hen, plaatst hen in een toestand dat zij door hun arbeid verschaffen wat zij behoeven; laat hun eenig beroep leeren en laat hen leven als vrije menschen; dit zal de vestiging van verschillende openbare werkplaatsen noodzakelijk maken om hen op te nemen. Maar vanwaar komen de fondsen om ze te vestigen? Laat ze geheven worden van het volk in gegoede omstandigheden, vooral van de rijke lieden. Laat het bestuur gegeven worden aan eenig goed mensch en laat een eerlijk overheidspersoon de inspektie hebben. Ik weet dat de inrichtingen die ik voorstel, veel hinderpalen zullen hebben en ik durf niet hopen dat de misbruiken die zij willen wegnemen op eens zullen ophouden. Want sints vorsten wenschen te gebieden over slaven, verlangen zij als onderdanen beiden: rijken door weelde bedorven en armen door ellende ontaard.”</ref> reeds in het Decret économique sur l’organisation de la communauté van Babeuf, waar in art. 9 staat: “de municipale administratie houdt voortdurend het oog op den toestand der arbeiders van elke klasse en op het werk waaraan zij onderworpen zijn. Zij houdt er geregeld de hoogste administratie over.”
De burgers worden naar het beroep gedeeld in klassen (art. 4); in elke klasse zijn magistraatspersonen door hen gekozen, die het werk regelen, waken voor gelijke verdeeling, de orders van de municipale administratie opvolgen en een voorbeeld geven van ijver en aktiviteit (art. 5). De wet regelt den werktijd naar het seizoen (art. 6). De administratie zal gebruik maken van de machines, die den arbeid voor den mensch verlichten. (art. 8). Daar hebben wij dus heelemaal de inrichting der sociale werkplaats.
Om het benoodigde geld te krijgen, wilde hij het successierecht in de zijlijn afschaffen en de waarden daardoor verkregen verklaren tot kommunaal eigendom. De erfenissen in de zijlijn beloopen ongeveer een vierde van het geheel en dat vermogen zou dus de staat opzuigen. Of hij verdere gedachten had en het heele erfrecht ten slotte wilde opheffen, blijkt niet duidelijk, maar men zou het denken, omdat hij sprak van een overgangs-maatregel. Op de vraag of hij zoodoende de familie niet bedreigde, antwoordde hij: “als het bestaan der familie onafscheidelijk verbonden is aan het beginsel van het erfrecht, zouden wij de opmerking begrijpen, want het is zeker, dat door de maatschappij te drijven in de richting om te leven van een kollektief kapitaal, wij een staat van zaken vestigen, waarin de afschaffing van het erfrecht zoo niet noodzakelijk, althans mogelijk wordt… De familie is een natuurlijk feit, dat niet vernietigd kan worden, terwijl het erfrecht een sociale konventie is, die de vorderingen der maatschappij kunnen doen verdwijnen. De familie en het erfrecht zijn alleen onafscheidelijk aan zekere sociale orde. De familie komt van God, de erfenis komt van menschen. De familie is heilig en onsterfelijk evenals God, het erfrecht is bestemd denzelfden weg te volgen als de maatschappijen, die zich vervormen en als de menschen die sterven.” (Vijfde uitgave, bl.193, 195 en 196).
Als de familie geleid wordt tot het erfrecht, ziet men volgens hem direkt een afgrond gegraven tusschen het sociaal en het huishoudelijk belang. “Wat het beginsel van erven geeft aan den een, ontneemt het dit niet aan den ander? Staat hij dezen het recht op luiheid niet toe? Onttrekt hij niet vooraf aan dezen de instrumenten onmisbaar voor zijn verstand en aktiviteit? Als de rijken den adel toeriepen:”wat hebt gij gedaan? gij hebt u de moeite gegeven om geboren te worden," zoude dan de adel niet met het beroep op het erfrecht aan de rijken kunnen antwoorden: en gij dan?"
Lamartine gaf het volgende oordeel over de sociale werkplaats: “deze meening bestaat hierin, om zich meester te maken in naam van den staat, van het eigendom en de souvereiniteit der industrieën en van den arbeid, om allen vrijen wil op te heffen bij de burgers die bezitten, die koopen, verkoopen, verbruiken, om willekeurig de voortbrengselen te produceeren en uit te deelen, om maximumprijzen vast te stellen, om de loonen te regelen, om in alles den staat als eigenaar en industrieel te stellen in de plaatsen van de uit hun bezit gezette burgers.” (1841).
Proudhon noemde hem een “utopist vol inkonsekwentie” en bestreed hem op zijn gewone vlijmende en principieele wijze door te zeggen: “Blanc is in de logika even weinig gevorderd als in de staathuishoudkunde en hij redeneert over de eene zoowel als over de andere precies als een blinde over de kleuren. Zijn repliek is samengesteld uit een mengelmoes van oude vooroordeelen…. wat kan men tegenwerpen tegen een opvatting zoo geheel en al nietswaardig, zoo aantastbaar als die van Blanc?… Door het aanhoudend dooreenmengen in zijn boek van de meest tegenstrijdige beginselen: gezag en recht, eigendom en kommunisme, aristokratie en gelijkheid, arbeid en kapitaal, belooning en toewijding, vrijheid en diktatuur, vrij onderzoek en godsdienstig geloof, is Blanc een ware hermafrodiet, een publicist van dubbele sekse. Geplaatst op de grenzen van socialisme en demokratie, een trede lager dan de republiek, twee treden beneden Barrot, drie beneden Thiers, is hij nog zelf, wat hij moge zeggen of doen, een afstammeling in het vierde geslacht van Guizot, een doktrinair.”
Met dit oordeel kan hij het voorloopig stellen.
Intusschen een feit is het, dat bij Louis Blanc de staat schering en inslag is, het beginsel van het gezag moet gerehabiliteerd worden ter bescherming van de zwakken. De staat in het groot, de kommune in het klein – zietdaar de twee spillen waarom volgens hem het heele maatschappelijke leven van het volk moet draaien. De staat is de groote associatie der arbeidende klassen. De arbeidersstand moet gemaakt worden tot zijn eigen ondernemer. Met welk kapitaal? Met staats-kapitaal. Dus produktieve associatie met staatshulp. En toch hij ging niet geheel op in den staat –en hierin onderscheidt hij zich van vele lateren,– want waren de associaties eenmaal georganiseerd, dan had de staat niet het recht zich te mengen in het autonome leven der associatie. Steeds was hij voor de kommunale autonomie, het kommunalisme. In zijn antwoord op verschillende aanvallen schrijft hij: “het Saint-Simonisme zegt:”de staat eigenaar“; dat was het opslorpen van het individu. Maar wij zeggen:”de maatschappij eigenares." Een groot onderscheid, waarop wij niet genoeg kunnen aandringen." Uit die woorden zou men opmaken, dat hij de maatschappij en niet den staat als hoofdzaak beschouwde, maar anders is het in elk opzicht steeds de staat, die op den voorgrond treedt.
Naar den gewonen maatstaf was Louis Blanc een der grootste gelukskinderen van zijn eeuw, want op 30 jarigen leeftijd was zijn naam bekend door geheel de wereld en op 34 jarigen leeftijd nam hij de hoogste positie in Frankrijk in, maar geen grooter ongeluk dan door den drang der omstandigheden geroepen te zijn om denkbeelden te verwerkelijken, waartoe de tijd nog niet rijp is. En dat ongeluk had Louis Blanc. Voeg hierbij de stille tegenwerking zijner omgeving, die, onder den schijn van hem te helpen, er op uit was om hem te ondermijnen en ten val te brengen, en men begrijpt de moeilijkheden die hij ondervonden heeft.
Toen in Februari 1848 de revolutie uitbrak en de koning vluchtte, behoorde Louis Blanc tot de personen, die medegeroepen werden tot regeeren. Het was op den 25sten Februari, dat een arbeider, Marche genaamd, met het geweer in de hand en met den kolf ervan stampend op den grond voor de regeeringsleden verscheen en het recht op arbeid eischte. En aandoenlijk was het aanbod der arbeiders, die de regeering drie maanden gaven en zich bereid verklaarden nog dien tijd ellende te willen lijden! Louis Blanc wist toen het dekreet van 26 Febr. door te drijven, waarin het Voorloopig Bewind zich verbond het levensonderhond van den arbeider te waarborgen en allen arbeid te verzekeren. Een ministerie van arbeid wilde hij opgericht zien en toen Lamartine weigerde, bood Louis Blanc zin ontslag aan. Een kompromis volgde nu door de benoeming eener permanente kommissie, een “gouvernementskommissie voor de arbeiders,” die zich het lot der werklieden zou aantrekken en van die kommissie werd Louis Blanc president. Van de zijde zijner tegenstanders geschiedde dit om hem een valstrik te spannen, want durfde men aan de eene zijde niets tegen of buiten hem te doen wegens zijn verbazende populariteit, aan de andere trachtte men juist, hem deze afhandig te maken. Men ging over tot het oprichten van nationale werkplaatsen, niet echter om produktieve associaties met staatsvoorschot en onder leiding van den staat te stichten, maar enkel bij wijze van werkverschaffing. Men maakte een karikatuur van Louis Blanc’s denkbeelden, de nationale werkplaatsen moesten dienst doen om de sociale werkplaatsen voor goed onmogelijk te maken.
Ofschoon nog steeds in de meeste geschiedboeken verteld wordt dat de nationale werkplaatsen te Parijs opgericht zijn door Louis Blanc, om uit de mislukking daarvan argumenten te putten tegen de juistheid zijner denkbeelden, kan geschiedkundig aangetoond worden:

  1. dat de nationale werkplaatsen niet door Lonis Blanc maar door zijn vijanden, door de heftigste tegenstanders van het socialisme in het Voorloopig Bewind, den minister van Openbare Werken, Marie en anderen, die de meerderheid van dit bewind uitmaakten, zijn opgericht;
  2. dat zij uitdrukkelijk opgericht werden tegen Louis Blanc, om tegenover zijn aanhang, de socialistische arbeiders, bij de verkiezingen zoowel als bij andere gelegenheden een betaald arbeidersleger te kunnen stellen, dat op de hand der regeeringsmeerderheid is;
  3. dat in de nationle werkplaatsen, juist omdat men geen konkurrentie wilde aandoen aan de privaatindustrie, alleen improduktieve arbeid werd verricht met het oogmerk om de broodeloos geworden arbeiders een aalmoes te verstrekken uit de openbare middelen en hen in ruil daarvoor een onvruchtbaar werk te laten verrichten, ten einde te voorkomen dat zij vervielen in de gevolgen van geheelen lediggang.

Als direkteur van de nationale werkplaatsen was door minister Marie opzettelijk een verklaard tegenstander, de heer Emile Thomas, benoemd en wie diens geschiedenis der nationale werkplaatsen (Histoire des ateliers nationaux) opmerkzaam leest, en ook Lamartine’s Histoire de la révolution de 1848, die zal zien, hoe de waarheid is. Emile Thomas erkent dit, waar hij zegt: “de heer Marie zegt mij, dat het besliste voornemen der regeering is geweest, deze ervaring met regeerings-kommissarissen voor de arbeiders op te doen, om den arbeiders de geheele holheid en valschheid dezer onuitvoerbare theoriën en hun de treurige gevolgen ervan voor henzelven te doen waarnemen. Ontgoocheld voor de toekomst zou dan hun afgoderij voor Louis Blanc vanzelf verdwijnen en hij zou zoo zijn geheele aanzien, zijn geheele kracht verliezen en voor altijd ophouden een gevaar te zijn.”
Zietdaar de zuivere waarheid, waarvan het gevolg is, dat hoe men ook denke over Louis Blanc en zijn denkbeelden, nooit uit de mislukking van die werkplaatsen iets tegen hem mag worden afgeleid.
Op 17 Maart had een groote manifestatie plaats te Parijs en had Louis Blanc toen den moed gehad zich op te werpen als diktator, het zou hem ongetwijfeld gelukt zijn, maar hij bleef liever bij zijn kollegas van het Voorloopig Bewind, die op hun beurt hem zooveel mogelijk trachtten beentje te lichten. Het was op 20 Maart, dat hij de vergadering der permanente kommissie, vereenigd met de kommissie van 10 arbeiders en 10 patroons, tezamen 40 personen, presideerde. Zijn plan was aldus: de staat zou van de patroons, wier zaken slecht stonden, de inrichtingen overnemen tegen obligaties met vaste rente, verzekerd door hypotheken op de fabrieken. De staat zou den arbeiders zeggen: gij zult in de werkplaatsen arbeiden als geassocieerden. Hij was voorstander van gelijk loon. In alle werkplaatsen van eenzelfde industrie zou men zoo geen gelijk, dan toch een evenredig gelijk loon uitbetalen. En de associatie zou uitgebreid worden over al de werkplaatsen van éénzelfden tak van industrie. Daartoe moest men een inkoopsprijs aannemen en een geoorloofd winstcijfer daarop stellen om te geraken tot een uniformen prijs en alle konkurrentie tusschen de werkplaatsen onderling te weren. Dan zou men beginnen aan de solidariteit der verschillende takken van nijverheid. De noodlijdenden werden ondersteund door degenen, wien het goed ging. Een groote Raad van Administratie zou aan het hoofd van allen staan. De staat leverde zijn model-inrichting en daarnaast zouden de partikuliere associaties bestaan tot tijd en wijle zij zelven wilden overgaan tot den staat. Hij gaf de schoone formule, waartoe men trapsgewijze moest zien te komen: elkeen geeft naar zijn kracht en elkeen ontvangt naar zijn behoefte.
Hij stuitte echter vooral op oppositie tegen de gelijkheid van loon en vond bestrijding van zijn kommunistische denkbeelden. En die oppositie steeg steeds, en vooral de provincies waren verbolgen op Parijs. Toen op 16 April weer een groote manifestatie plaats vond, om steun in den rug te verleenen aan Louis Blanc, toen werd het gerucht verspreid hoe het te doen was om het Voorloopig Bewind omver te werpen en het kommunisme in te voeren. Ledru Rollin liet de nationale garde bijeentrommelen en toen de stoet arbeiders optrok, kon deze loopen tusschen de dubbele rij bajonetten van die garde. Uit de rijen dier gewapende burgers hoorde men een kreet opgaan: weg met de kommunisten ! En Louis Blanc bemerkte van dien dag af dat het gezeten Parijs tegen hem en het socialisme gekant was. De burgerij was bang geworden voor de arbeiders en uit angst werd zij wreed.

De verkiezingen van 27 April zouden duidelijk doen zien hoe de zon van Louis Blanc aan het tanen was. Wel werd hij gekozen, maar tegenover de 121.140 stem-men op hem stonden de 259.800 stemmen, uitgebracht op Lamartine. Het arbeiderselement was bijna niet vertegenwoordigd. Noch Louis Blanc noch zijn vriend Albert kreeg een plaats in de uitvoerende kommissie, die het voorloopig bewind verving. Zijn voorstel tot oprichting van een ministerie van arbeid werd verworpen. Een betooging voor de Polen werd een betooging ter eere van Louis Blanc, maar toen de orde hersteld was, en de vergadering weer rustig kon vergaderen, toen stelde Jules Favre voor om Louis Blanc in staat van beschuldiging te stellen, omdat de stoet van werklieden bij de genoemde betooging naar het stadhuis was gegaan en men daarin een poging zag tot omverwerping der regeering. Louis Blanc was echter niet meegegaan en dus die beschuldiging kon men hem niet aanwrijven. Zij werd dan ook afgewezen, maar met zulk een kleine meerderheid (369 tegen 337 stemmen), dat zij aanwees, hoe het gedaan was met den invloed van Louis Blanc. Eenmaal op den weg der reaktie gekomen, ging men natuurlijk verder. De nationale werkplaatsen werden gesloten. De direkteur ervan, Emile Thomas, werd afgezet en in stilte gevankelijk naar Bordeaux gebracht. Duizenden werden op straat geworpen, de ontevredenheid nam toe en de algemeene leus werd: brood of lood. Nu het laatste zou men hebben, want onder generaal Cavaignac begon de slachting van Parijs op 23 Juni, althans de arbeidersbeweging werd toen gesmoord in bloed. Een onderzoek volgde naar de mannen, die aanleiding hadden kunnen geven tot den opstand. Het oog was algemeen op hem gevestigd en het rapport der onderzoekingskommissie bevatte een verzoek tot vervolging ook van Louis Blanc. Op 25 Augustus hield hij zijn laatste redevoering om zich te verdedigen, maar ziende dat hij verloren was, nam hij met Felix Pyat de wijk naar Engeland. Die vlucht was zijn geluk, zooals bleek uit zijn veroordeeling bij verstek.
Louis Blanc is ondergegaan aan zijn halfheid. Vóór 1848, ja tot 17 Maart van dat jaar had hij het onbepaald vertrouwen der arbeiders, maar van dien datum af maakte hij gemeene zaak met de bourgeoisie. Hij dacht zoodoende zichzelven te redden, maar zag niet in, dat de bourgeoisie hem toch eigenlijk wantrouwde. Het was op dien dag, dat een arbeider hem bij den arm greep en verontwaardigd toebeet: zijt gij ook een verrader, gij? En al is hij geen verrader geweest, hij heeft zich zwak betoond en ten slotte viel hij als slachtoffer zijner eigen zwakheid, daar het volk hem in den steek liet en de bourgeoisie toen licht spel had om hem geheel te gronde te richten. Blanqui zei van Ledru Rollin, Louis Blanc, Crémieux, e.a.: “het was de voorloopige regeering, die de revolutie heeft gedood. Op haar hoofd moet de verantwoordelijkheid vallen van alle rampen, het bloed van zooveel duizenden slachtoffers…. Die mannen zijn groote schuldigen en onder hen het meest zij, in wie het volk, bedrogen door frases, zijn degen en schild zag, zij die het met geestdrift proklameerde tot leidslieden der toekomst.” Maar het was Blanqui schier alleen, die in zijn Manifest van 1848 toonde de beteekenis der sociale revolutie te begrijpen, blijkens de woorden: “er bestaat geen vrijheid voor hem die gebrek aan brood heeft! Er bestaat geen gelijkheid, wanneer de rijkdom zich ten toon spreidt naast de armoede! Er bestaat geen broederschap, wanneer de vrouw des volks zich uitgehongerd met haar kinderen voortsleept aan de deuren der rijken! De tirannie van het kapitaal is meedogenloozer dan die van de sabel en het wierookvat, men moet haar breken… Geen onvruchtbare formules!”
Zoolang het volk niet binnen 48 uren na het uitbreken der revolutie ontheven is van honger en woningnood, zal de tirannie van het kapitaal niet gebroken zijn. Louis Blanc wilde het volk redden, maar het kapitaal ontzien, hij beoogde een onmogelijke zaak en moest als alle halven daarbij zelf te gronde gaan.
Zijn einde is nog treuriger geweest, want toen de man in 1882 stierf, ging zijn dood onder de arbeiders bijna onopgemerkt voorbij. Hij werd begraven op staatskosten en dat zegt genoeg. En al verrees er in 1887 een standbeeld voor hem te Parijs, zijn houding in 1871 zal hem nooit vergeven worden door het proletariaat.
Sinds zijn vlucht naar Engeland in 1848 leefde hij tot het jaar 1870 te Londen, zich wijdende aan historische studiën waarvan de vruchten zijn: “Pages d’histoire de la révolution de février 1848, la Révolution de février au Luxembourg en L’histoire de la révolution française en was hij aldaar ook werkzaam voor de Fransche pers. Teruggekomen in Frankrijk beleefde hij de kommune en alweer toonde hij dezelfde zwakheid en halfheid als in 1848. Lissagaray schreef in zijn geschiedenis der kommune over hem:”het opportunisme is niet van gisteren. Het werd geboren op 19 Maart 71, had tot peet Louis Blanc en Co. en werd gedoopt in het bloed van 30.000 Parijzenaars." Het was in de zitting der Nationale Vergadering van 22 Mei 1871, dat werd voorgesteld: de wetgevende vergadering verklaart dat het leger, en het hoofd van het uitvoerend gezag (Thiers) zich verdienstelijk hebben gemaakt jegens het vaderland. De aanneming van dit voorstel had plaats met algemeene stemmen. Louis Blanc was tegenwoordig en dus hij is medeplichtig geworden aan de goedkeuring van de aderlating, die geheel onnoodig Parijs werd toegediend. Geen wonder dat de Prolétaire na zijn sterven schreef: “Louis Blanc is dood!… Hij had zichzelf gedood in de schandelijke zitting van 22 Mei 1871, die zitting waarin de president Grévy had kunnen konstateeren, dat het besluit der moordenaars van Parijs met algemeene stemmen en onder het gejuich der vergadering is aangenomen. Sints dien dag was Louis Blanc dood voor het socialisme, dood voor de republiek, in gezelschap van de Tolain’s, Martin-Bernard’s en anderen.” En toen dan ook het voorstel gedaan werd in den gemeenteraad van Parijs, om zich bij de begrafenis te doen vertegenwoordigen, toen stond het socialistische lid Joffrin op, om daartegen te protesteeren, want “Louis Blanc was gedeeltelijk verantwoordelijk voor den moord van Mei 1871.” Wel heeft hij nog getracht zich te verontschuldigen tegen de verwijten, hem dienaangaande naar ’t hoofd geslingerd, maar zijn populariteit was weg en kwam nooit weerom. De man van het staatssocialisme was de grootste tegenvoeter van de richting, die in de kommune zegevierde, want tegenover de anarchie wilde hij den staat of de stevig georganiseerde kommune als onderdeel van den gecentraliseerden staat.



Wij kunnen misschien geen beter plaats vinden voor de vermelding van een kleine brochure, die ongetwijfeld verschenen is onder den invloed der ideën van Louis Blanc, evengoed als de nagalm ervan wordt vernomen in de romans van Eugène Sue, George Sand, Pyat en anderen. Het is een brochure van prins Louis Napoleon, den lateren keizer Napoleon III, die het hart van het volk trachtte te winnen door zijn brochure, in de gevangenis van Ham vervaardigd en verschenen onder den titel: Extinction du paupérisme par le prince Napoléon Louis Bonaparte. Hij wilde daarin, dat alle onontgonnen (woeste) gronden ter grootte van 9 millioen 190.000 hektares in eigendom zouden komen van arbeidersassociaties, mits deze aan de tegenwoordige eigenaars zouden vergoeden, wat zij er nu van trokken. De staat zou aan die associaties voorschotten verstrekken, die hij schatte op 300 millioen frank, verdeeld over 4 jaar en ze organiseeren. Het zouden landbouwkolonies zijn, die op haar beurt arbeiders zouden afstaan aan de industrie, zoodat men de samenvoeging van landbouw en industrie verkreeg. Als model nam hij het leger. Tusschen de arbeiders en hen die ze aan het werk stelden, stonden zoogenaamde prud’hommes en deze tusschenpersonen, gekozen door de arbeiders zelven, zouden aan ’t hoofd staan van b.v. tien arbeiders. Elke landbouwkolonie vervulde een missie evenals de kloosters in de middeneeuwen. Hij vergeleek de arbeiders van heden bij Heloten te midden van een volk van Sybarieten, en zag dat de industrie als een ware Saturnus van den arbeid haar kinderen verslindt en leeft van hun dood. Ook hij wees hij erop, hoe de verdeeling van den arbeid tegenwoordig was overgelaten aan het toeval of aan het geweld. Hij hoopte dat men weldra zou kunnen zeggen: “de zege van het christendom heeft de slavernij ten onder gebracht; de zege van de Fransche revolutie heeft de dienstbaarheid vernietigd; de zege van de demokratische ideën heeft het pauperisme verdelgd.” Hij zei dat de kastenregeering geëindigd is en dat men nu moet heerschen met de massa, want “regeeren is niet meer het beheerschen der volkeren door middel van geweld en macht, maar hen te voeren naar een betere toekomst door een beroep te doen op hun verstand en hun hart”. Nu dat heeft hij later getoond, toen hij de massa gebruikte om door middel van een plebisciet of volksstemming zichzelven te doen verklaren tot keizer der Franschen, zoodat nooit een vorst als hij het recht had te zeggen, dat hij krachtens den volkswil zat op den troon van Frankrijk. Toch beteekende zoo’n stemming niets voor den volkswil, want algemeen kiesrecht zonder ekonomische gelijkheid, waardoor elk zonder gevaar stemmen kan zooals hij wil, is een groot bedrog onder den schijn van waarheid. In dat boeksken gebruikte hij zelfs de gewone socialistische termen. Natuurlijk was hij als keizer al die denkbeelden schoon vergeten, ofschoon hij wel voor een socialen keizer wilde doorgaan, maar alles moest geschieden voor en niets door het volk, dat hij zoo veel mogelijk demoraliseerde om het des te beter te kunnen beheerschen. Als de machthebbers in socialisme gaan doen, dan is daarvan meer te vreezen dan te hopen.

2. Marlo (1810-1865).

Terwijl de naam Louis Blanc de heele wereld doorging en deze door zijn geschrift over de Organisatie van den arbeid een machtigen stoot gaf ter voorbereiding van de revolutie van 1848, zat in een kleine Duitsche stad een professor in de scheikunde met stalen vlijt een groot werk samen te stellen. In alle stilte, schier afgezonderd van de wereld, was hij bezig de ekonomische begrippen te scheiden en te verbinden. Het was de Kasselsche professor Karl Winckelblech, die echter bekend is geworden onder den naam van Karl Marlo. Bekend? Ja, in een kleinen kring, want als elke Duitscher heeft hij tot maatstaf van wetenschappelijkheid genomen de dikte van zijn boek en zoo heeft hij feitelijk zijn eigen ideën, die zoozeer de moeite waard waren, begraven in zijn eigen arbeid. Geef zoo’n werk van 4 deelen eens ter bewerking in handen van een Louis Blanc of van een ander Franschman, die de kunst verstaat door de Franschen genoemd l’art de savoir faire un livre en er komt een boek te voorschijn, dat beroering brengt in heel de wereld. Want wat ’n wijsheid ligt er in dat werk begraven, waaruit wie weet hoeveel anderen later geput hebben zonder de bron te vermelden! Maar overigens is het een begraven schat gebleven tot op onzen dag. Evenmin als Engels een Louis Blanc noemt, evenmin doet Marx het een Marlo en toch kan men moeilijk onderstellen, dat een Marx, die blijken geeft van een zeldzame belezenheid, juist dit werk niet zou gekend hebben. Rodbertus schreef erover: “er bestaan weinig wetenschappelijke werken, die met meer kennis, grondigheid en onpartigheid zijn geschreven” en als een degelijk man zooals Rodbertus zoo’n gunstige getuigenis aflegt, dan mag men wel aannemen dat het de moeite loont er kennis mede te maken. Maar alweer er behoort moed toe, om zoo’n werk te doorworstelen en het is daarom dat het slechts aan betrekkelijk weinigen bekend is. Degenen, die het echter gedaan hebben, zullen zich over hun genomen moeite niet hebben te beklagen gehad.
Zijn uitwendig leven is gauw verteld. Hij was professor te Marburg en wel in de scheikunde, maar veelzijdig als hij was, bestudeerde hij ook de klassieke letteren en de wijsbegeerte, ja zelfs strekte hij zijn studien uit tot op het gebied der kunst. In 1838 bezocht hij Parijs en wie kan den invloed bepalen, dien dit verblijf op hem gemaakt heeft, want toen reeds gistte het daar aardig. Teruggekomen kreeg hij in 1839 een plaats als professor aan de hoogere Industrieschool te Kassel. Voor de bewerking van een technologisch werk maakte hij een reis naar Noorwegen in het jaar 1843 en zelf vertelt hij hoe deze reis een keerpunt is geweest in zijn leven. Hij bezocht namelijk een kobaltzuur-fabriek te Modum in Noorwegen en kwam daar in aanraking met een landsman, die hem den ellendigen toestand schetste waarin hij en zijn lotgenooten verkeerden. Had hij tot hiertoe alleen gelet op de produkten en niet op de producenten, op de ovens en machines en niet op de menschen, van nu aan zou dit anders worden en hij besloot de oorzaken van en tevens de geneesmiddelen voor het lijden der menscheid te gaan zoeken.
De eerste aflevering van zijn werk in 4 deelen, getiteld: Untersuchungen über die Organisation der Arbeit oder System der Welt-Oekonomie verscheen in 1848 en de laatste in 1865.
Eenmaal trad hij op het forum van het publieke leven. Er was namelijk in Duitschland een beweging van zoogenaamde Federalisten, zoowel onder bazen als onder arbeiders, die een vaste regeling van de industrieele toestanden beproefden en tot deze gevoelde ook hij zich aangetrokken en daardoor kwam hij in botsing met een andere groep, bestaande uit Berlijnsche arbeiders, die meer direkt socialistisch dachten en werkten. Men ging een Duitschen Arbeidsbond oprichten en op een kongres, gehouden te Heidelberg in Januari 1849, onder leiding van Julius Fröbel, kwam hij in strijd met den leider der uiterste denkbeelden, zekeren Born, en moest hij het onderspit delven, daar de arbeiders tegen hem partij kozen. Sints dien tijd trok hij zich terug, om alleen aan zijn boek te werken, totdat de dood hem in 1865 overviel.
Het is dus tot zijn boek dat wij ons moeten bepalen.
Daarin wil hij gebroken zien met de liberale ekonomische orde zonder tot kommunisme te vervallen. Nu kent hij het kommunisme alleen als dwangkommunisme waarin het begrip van de vrijheid van het individu geheel te loor gaat. Zoowel het regime der gelijkheid als dat der vrijheid zou blijken noodlottig te zijn. Hij is van meening dat de oplossing der sociale kwestie afhankelijk is van een grooter stijging der produktie. De kwestie der overbevolking spookt ook in zijn hoofd rond en hij noemt de stelling van Malthus onweerlegbaar, hoewel smartelijk. Ook wijst hij erop, hoe men in den regel de waarde van den produktiefaktor, de natuur, veel te laag heeft geschat. Natuur en arbeid, beiden zijn even noodwendig. Hij wil een vervorming der bestaande zeden en recht, om in de nieuwe orde van zaken het beginsel van gelijk recht voor allen op te nemen. Het moet één groote organisatie van de levende en werkende maatschappij zijn volgens vaste regels, waarvan de associatie de spil zou wezen. Al de bedrijven, genootschappelijke zoowel als partikuliere, moeten opgenomen worden in een goed geordende reeks van gildenvereenigingen. De groote maatschappij, geen aanhangsel van den staat maar een zelfstandige vereeniging naast den staat, neemt al die grootere en kleinere kringen op, die als in één bond samenwerken. Daarom noemt hij zijn stelsel Federalisme, want hij zou de heele burgerlijke maatschappij willen oplossen in een konfederatie, een bondgenootschap van aan elkander onderscheiden vereenigingen. Geen kombinaties van ondernemers, die door loonarbeiders laten werken, maar groepen van gelijk-geïnteresseerden. Steeds dringt hij aan op aankweeking van gemeenschapszin. Deze ontspruit uit de Germaansche overlevering en het christelijk idee. Zijn boek is één doorloopende aanklacht tegen de plutokratie, maar in bezadigden, niet agitatorischen vorm. Hij onderscheidt in de geschiedenis drie partijen; de aristokratische, plutokratische en demokratische, die hij noemt het verleden, het heden en de toekomst. De nieuwste macht is de Industrie, die het uitgangspunt moet worden van de ekonomie. Toch ziet hij de nadeelen ervan zeer goed in, die bestaan in het aanwakkeren van de materialistische richting, waar de industrie niet als middel maar als doel wordt gesteld, in het storen van het evenwicht door een al te onevenredige verdeeling van goederen, zoodat groote rijkdommen komen in de handen van weinigen en de voortbrengers der rijkdommen zijn prijsgegeven aan armoede, in het dalen van het zedelijk peil, waarmede de industrie stijgt. De industrieele revolutie is een geweldig feit in de wereldgeschiedenis. De zoogenaamde vrijheid van arbeid was voor de groote menigte onvrijheid, daar zij het monopolie aan het kapitaal gaf of liet in handen van enkelen. Zoo kreeg men ondernemers met kapitaal naast de breede schare van arbeiders. Wat te doen om dien strijd op te heffen ? Politie-maatregelen baten niet, invoering der gilden kan niet meer, maar noodig is een organisatie van den arbeid.
Bij het onderzoek naar het rechtsstandpunt der sociale vraag beschouwt hij zoowel den ethischen als den ekonomischen kant van het vraagstuk. Van ethisch standpunt onderscheidt hij tusschen de christelijke en antieke opvatting, de eerste vervat in de voorschriften: heb uw naasten lief als uzelf, wat gij wilt dat de menschen u doen, doet hun ook alzoo, dus rechtvaardigheid en liefde de spillen des levens, en de tweede het recht beschouwende als de handhaving van de macht. Hij betreurt het dat de Pandekten meer invloed hebben gehad dan het Evangelie. De ekonomie wil hij maken tot een ervaringswetenschap. Beide scholen zoewel de liberale als de kommunistische, noemt hij utopisch, want de eerste huldigt de utopie der abstrakte vrijheid en de tweede die der abstrakte gelijkheid. Het liberalisme stortte ons in de indirekte sociale revolutie en deze zal de moeder zijn van een direkte, kommunistische tegen-revolutie. Achter elkander behandelt hij dan uitvoerig de vier groote richtingen van den tegenwoordigen tijd: het monopolisme, het liberalisme, het kommunisme en het federalisme. Het laatste is zijn richting, die ernaar streeft de grootstmogelijke persoonlijke vrijheid en gelijkheid aan allen te geven en zij doet dit door een gemeenschappelijke regeling der maatschappij. Deze is de groote federatie, die alle kleinere groepen omvat. Het federalisme is geen middending tusschen liberalisme en kommunisme, maar iets zelfstandigs, feitelijk een goed geregelde deelneming van het geheele menschengeslacht aan een heerschappij over de natuur. Op de vraag of de partikuliere dan wel de “societaire” bedrijfsvorm regel moet zijn, antwoordt hij: nu eens deze en dan gene, maar in vele zaken zal de laatste de voorkeur hebben boven den eersten. Bij zijn beschrijving dezer federatieve maatschappij blijkt dat de sociale politiek bij hem wordt een sociale administratie of zooals Auguste Comte het eens uitdrukte, minder een regeering over personen dan wel een beheer over zaken. Het socialisme zal komen en is de toekomstige beheerscher der wereld. In het tweede deel krijgt men de resultaten zijner geschiedkundige studies.
Streng neemt hij de konkurrentie in ’t gericht en 20 nadeelen somt hij er achter elkaar tegen op. Hij erkent eenige beterschap te bespeuren in de nieuw-liberale school, waartoe hij von Mohl, Fr. List, Wilh. Roscher, S. Liedke e.a. rekent, maar het zijn slechts fragmentarische grepen, die geen geheel vormen, geen organisch verband, geen vast stelsel. Daar voor hem het socialisme voortkomt uit de associatie, verkiest hij het woord Associalisme boven socialisme. Overigens houdt hij veel van het fabriceeren van nieuwe woorden. Dat associalisme behandelt de produktie als een publieke zaak en wil de loonregeling houden in handen der maatschappij. Toch erkent het de ongelijkheid van geschiktheid en behoefte onder de menschen, laat het ’t individueel eigendom toe naast het gemeenschappelijke, verdeelt het ’t loon naar den geleverden arbeid en eischt het individueele vrijheid. Het verdeelt zich in tweeën:

  1. het stelsel van gemeentelijke (kommunale) associaties en
  2. het stelsel van professioneele (beroeps) associaties;

de eersten behooren thuis in de leer van Fourier, de laatsten vormen de spil van zijn zoogenaamd federalisme. Geïsoleerd werken baat niet, men moet komen tot het grootbedrijf. Bij den partikulieren vorm hebben alleen de ondernemers de volle zelfstandigheid, bij den societairen alle deelgenooten. Tegenover de 22 voordeelen van den societairen vorm zet hij 10 nadeelen, die hij opsomt, om zoodoende te laten zien hoe de voordeelen duidelijk in ’t oog springen. De associatie, de genootschappelijke vorm is niet het wezen der sociale hervorming, maar alleen een lid, een schakel in een reeks van instellingen. Zij is dus op zichzelve niet bij machte het kwaad der bestaande maatschappelijke orde te helen, daarvoor is een andere geest, het gemeenschapsgevoel, noodig, die zelfzucht en onwetendheid te niet doet om te leiden tot de christelijk-Germaansche orde van de toekomst, het ware Panpolisme als tegenstelling van het Monopolisme.
In de twee laatste deelen van zijn omvangrijk werk tracht hij de grondbeginselen van de ekonomie vast te stellen. Daarin boezemt ons zijn beschouwing over het Eigendom het meeste belang in. Eerst beschrijft hij de vormen van eigendom, de direkte en indirekte, daarna bespreekt hij de onderscheiding tusschen volledig en onvolledig eigendom, voorts behandelt hij het verschil tusschen gemeenschappelijk en individueel eigendom en eindelijk deelt hij het eigendom in verbonden en onverbonden in, onder het eerste verstaande datgene, waarvan de eigenaars een ethische vereeniging vormen, zoodat zij hun eigendomsrecht alleen uitoefenen als leden der vereeniging. Wat het wezen van het eigendom aangaat, de mensch kan de natuur als middel tot zijn doel gebruiken, maar mensch beteekent hier menschengeslacht. De natuurlijke goederen moeten dus op de voor de gemeenschap nuttigste wijze gebruikt worden, zoodat ieder er het grootste levensgenot van heeft. Een rechtvaardige heerschappij over de natuur moet dus het grondbeginsel zijn. Terwijl hij front maakt tegen de dorre Romeinsche rechtsbegrippen wil hij de frissche, levensvatbare Germaansche grondbeginselen weer in eere brengen. Het vierde of laatste deel, dat onvoltooid bleef, behandelt de toepassing zijner begrippen in vier hoofdstukken, te weten: weldadigheid, bevolking, kolonisatie en arbeidsrecht. Vooral het laatste hoofdstuk is belangrijk, omdat hij daarin tegenover het liberale werk-recht met zijn volledige werk- en voortplantingsvrijheid plaatst het federale, dat hierop neerkomt:

  1. elkeen mag slechts voorwaardelijk alle arbeidstakken beoefenen, een onderzoek naar bekwaamheid wordt vereischt;
  2. niet alle arbeiderstakken mogen op elk tijdstip worden beoefend, er moet gelet worden op den leeftijd der arbeidenden, de werkdag moet normaal worden voorgeschreven voor alle vakken, nachtarbeid verboden, een rustdag vastgesteld worden;
  3. niet alle arbeidstakken mogen op elke plaats worden beoefend;
  4. niet alle arbeidstakken mogen in elken willekeurigen vorm worden beoefend;
  5. niet alle arbeidstakken kunnen in een gild beoefend worden, het federale recht vraagt gilden over alle niet in huis beoefende arbeidstakken, de funkties dier gilden zijn talrijk, daar zij raadgevend deelnemen aan de wetgeving, eerbetuigingen verleenen in het werk, examens en wedstrijden instellen, enz.;
  6. niet in alle arbeids-takken mogen de zaken of bedrijven worden gedreven in elken willekeurigen maatstaf;
  7. alleen produktieve arbeidstakken worden toegelaten, geen spel, loterij, spekulaties, termijnhandel, enz.;
  8. niet alle arbeidstakken mogen op elke wijze worden beoefend, b.v. geen roof-bouw, geen vervalsching van eetwaren, geen plaatsing van bedriegelijke merken, enz.

Marlo staat op christelijken grondslag en wil het maatschappelijke lichaam praktisch verwerkelijken en doordringen met het begrip der liefde. De staat laat daarbij de sociale funkties over aan de maatschappij in ’t algemeen of aan sociale vereenigingen. Het geheele maatschappelijke leven kent drieërlei sfeer of kring:

  1. de groote algemeene vereeniging;
  2. de goedgeordende reeks gildenvereenigingen, waartoe alle arbeids-bedrijven behooren;
  3. de inrichting dier bedrijven zelve, liefst in genootschappelijke (societaire) kleinere of grootere lichamen.

Dit geheel vormt het wezen van het Federalisme.
Wat in Marlo bizonder treft, is zijn streven om naast de verwerving en verzekering van welvaart aan allen toch vooral de individualiteit, de persoonlijke vrijheid tot haar recht te doen komen. In vele opzichten nadert hij de anarchie, zonder bepaald anarchist te zijn, maar een maatschappij, waarin het individu zou opgaan in de gemeenschap, lijkt hem een gruwel toe, een misdaad gepleegd aan de ontwikkeling van den mensch. Eensdeels reageert hij dus tegen het staatssocialisme, maar anderdeels beperkt hij het gebied van het privaatbedrijf, daar boschbouw, mijnen, jacht en visscherij, de handel in alle waren, die voor het tentoonstellen in openbare magazijnen geschikt zijn, het verplegen van hulpeloozen, enz. allemaal zijn in handen van den staat evenals de verkeerswegen, zooals straatwegen, spoorwegen, posterij, enz. Voor den landbouw wil hij den societairen associatievorm met kollektief eigendom en daar de landbouwassociaties door middel van dwang worden ingevoerd en iedere associatie de landbouwers van geheele dorpsgemeenten omvat, is het toch de staat, die hierbij weer optreedt. Men zou zijn stelsel dus een verzacht staatssocialisme kunnen noemen, daar hij toch ook streeft naar de toekenning van zekere mate van vrijheid. Zijn boek geeft ontzaggelijk veel stof tot nadenken, is dus een rijke bron tot graven en de plaats, die hem meestentijds wordt toegekend, verdient grooter te zijn dan hem in den regel wordt gegeven. Echter zijn al te omvangrijk en min of meer langdradig boek is een van de oorzaken, dat hij zoo weinig gekend en gelezen wordt.

3. Rodbertus (1805-1875).

Als vader van het Duitsche staatssocialisme geldt steeds Rodbertus en ongetwijfeld heeft hij recht op dien naam, al moet hij hem deelen met anderen. Een eigenaardige figuur, die kluizenaar op zijn landgoed te Jagetzow, een aristokraat van aanleg en denkbeelden, maar een persoonlijkheid die zelfstandig zijn weg volgde en daarom ook niet bruikbaar was in het praktische staatsleven of in eenig partijverband.
Een korten tijd nam hij aktief deel aan het politieke leven, want in 1847 werd hij gekozen tot afgevaardigde in den Landdag, later in de Nationale Vergadering, die op 22 Mei 1848 te Berlijn vergaderde en zelfs trad hij den 25sten Juni op als minister van eeredienst, om echter op 4 Juli zijn plaats weer op te geven. Toch bleef hij in den Landdag en was de voorsteller der motie, die met overgroote meerderheid werd aangenomen, waarin aan de Pruisische regeering de opdracht werd gegeven “snelle en krachtige maatregelen te nemen, om de in de Duitsche landen van Oostenrijk in gevaar gestelde volksvrijheid, zoo mede het bedreigd bestaan van den Rijksdag, in waarheid en met goed gevolg te beschermen en den vrede te herstellen.” Toen een deputatie aan den koning werd gezonden, om hem op de hoogte van den stand van zaken te brengen, behoorde Rodbertus daartoe en hj woonde dus het merkwaardige tooneel bij, dat de edele dr. Johann Jacoby, de volksman, den koning, die op het adres met een kort Neen antwoordde en toen wilde weggaan, toeriep: “dat is juist het ongeluk der vorsten, dat zij nooit de waarheid willen hooren.” De Nationale Vergadering werd verlegd van Berlijn naar Brandenburg, maar deze liet zich dit onwettige besluit niet welgevallen. Zij vergaderde toch te Berlijn, totdat zij uiteen werd gejaagd door een piket soldaten, juist op ’t oogenblik dat men het voorstel had aangenomen om de belastingen te weigeren. Berlijn werd daarop in staat van beleg verklaard en Rodbertus als een “vreemde” buiten de poorten der stad gezet. Na de ontbinding der Nationale Vergadering door den koning, gaf deze op eigen hand een grondwet, volgens welke nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Drie distrikten kozen Rodbertus en zoo kwam hij weer terug naar Berlijn. Men had toen van uit Frankfurt den koning van Pruisen de keizers-kroon aangeboden. De koning weigerde haar aan te nemen “zonder de vrije overeenstemming der gekroonde hoofden, der vorsten en der vrije steden.” Het was Rodbertus die toen een motie indiende, waarin verklaard werd dat men volledig instemde met de in Frankfurt gedane keuze waarvoor de toestemming der enkele Duitsche regeeringen niet noodig was. Die motie werd goedgekeurd en toen kort daarop het voorstel werd aangenomen, mede door Rodbertus gedaan, om den staat van beleg voor Berljn op te heffen, toen werd de kamer weer ontbonden. De reaktie zegevierde en Rodbertus trok zich terug op zijn landgoed, om nooit meer mede te doen aan de politiek. Zeker was dit het woeligste jaar in zijn anders zoo stil leven. Toch heeft hij niet aan de rol, toen door hem gespeeld, den naam te danken, dien hij naliet, neen deze is hij verschuldigd aan zijn verschillende geschriften.
Reeds in 1837 schreef hij voor de Augsburger Allgemeine Zeitung zijn “Forderungen der arbeitenden Klassen”, welk stuk echter niet werd opgenomen en eerst later door hem bewerkt een plaats kreeg in zijn Sociale Brieven. Men leert daaruit den weg kennen, dien hij wenschte, dat op sociaal gebied zou worden bewandeld. Ziende op het lot der arbeiders stelde hij drie vragen:

  1. wat willen toch de arbeiders?
  2. kunnen de andere klassen der maatschappij hun onthouden wat zij vragen?
  3. zal datgene wat zij willen, het graf zijn der moderne beschaving?

Schijnbaar is het hun te doen om politieke rechten, maar dat is niet hun doel, slechts het middel om te komen tot meer bezit. En dit kan op den duur niet onthouden worden. Tegenover den aandrang der arbeiders weten de bezittende klasse niets anders te stellen dan politie en kanonnen en…. de ekonomische verhalen van miss Martineau. Maar het bezigen van geweld kan toch den honger niet wegruimen. Twee stelsels waren van oudsher in zwang:

  1. dat der tucht, berustend op gehoorzaamheid en
  2. dat der beschaving, berustende op opvoeding en onderwijs.

Met de wapens, het eenige wat men tegen hen aanwendt kan men de barbaren, wat geest en zeden betreft, in onze samenleving op den duur niet in dienstbaarheid houden en op de vraag: hoe de beschaving te redden? komt alles aan, dus om te weten in hoeverre niets in staat is een organisatie in het leven te roepen, waarin de produktie op zulk ’n hoogte kan worden gehouden, dat de grootere voortbrenging ook ten goede komt aan de arbeiders. De staathuishoudkunde kan dat bewerken, maar dan moet zij beantwoorden aan haar naam en dus worden een huishouding van staatswege. Hij wil het eigendomsrecht beperken, zoodat arbeid niet alleen het konstitutieve maar ook het distributieve beginsel ervan zou wezen. Het heerschende stelsel is dat van Adam Smith, waardoor de oorlog van allen tegen allen werd gekonstateerd. Met dit stelsel moet gebroken worden en de staatsleiding moet hoofdzaak worden. De arbeids-theorie van Ricardo wijst hier den weg aan, zoodat de arbeid teruggebracht wordt op den arbeidstijd. Daartoe wil hij:

  1. een wettelijke waardebepaling van alle goederen naar den arbeid;
  2. het kreeëren van papieren geld, dat zich eng zou aansluiten aan deze nieuwe waardebepaling;
  3. een stelsel van opslaan van den voorraad in magazijnen, waarin de ondernemers, tegen overhandiging van dat arbeidsgeld, hun voorraad graag zullen leveren, bestemd tot realiseering van dat geld.

Dus de staat middenpunt ter bevrediging van behoeften.
Dit geschrift dateert feitelijk reeds van vóór een halve eeuw!
In 1842 gaf hij zijn Zur Erkenntniss unsrer staats-wirthschaftlichen Zustände uit, waarin hij de 5 volgende stellingen ontwikkelde:

  1. alle ekonomische goederen kosten arbeid;
  2. wanneer de waarde der goederen altijd gelijk was aan het naar arbeid berekend kosten-bedrag, dan zou de arbeid de beste maatstaf der waarde zijn;
  3. de rente in het algemeen splitst zich in grond- en kapitaalrente;
  4. wanneer de waarde der goederen ook slechts gelijk was aan het naar den arbeid berekende kostenbedrag, zoo zou toch in het algemeen daarin zoowel grond- als kapitaalrente, alsook kapitaalvergoeding, begrepen zijn, aangenomen dat de produktiviteit van den arbeid in ’t algemeen slechts voor het bestaan van rente voldoende is;
  5. in een toestand, waarin de waarde der goederen steeds aan het naar arbeid berekende kosten-bedrag gelijk ware, zou het mogelijk zijn een nieuw soort geld te scheppen, dat aan alle eischen als cirkulatie-middel en als prijsmeter voldoet en toch noch zelf een zakelijk goed is noch als het tegenwoordige papieren-geld op een zakelijk goed betrekking zou hebben.

Hij nam de historische ontwikkeling aan en stelde zich de volgende drie formaties voor:

  1. de antieke met slavernij;
  2. de moderne met grond- en kapitaaleigendom en vooral loonarbeid;
  3. de toekomstige, waarin enkel individueel eigendom zal zijn van het inkomen, dat iemand door zijn arbeid verwerft.

Echter dit geschrift van Rodbertus ging voorbij, zonder dat er eigenlijk notitie van werd genomen. Hij was zijn tijd ook te ver vooruit om begrepen te worden in het achterlijke Duitschland. “Niet het individualisme maar het socialisme sluit de rij der vrijmaking, die met de hervorming is begonnen” – zoo zei hij en hoeveel menschen zouden dit toen ter tijd hebben begrepen?
Toen hij na zijn woelig jaar van praktisch staatsleven weer op zijn landgoed zat, vatte hij zijn sociale studiën, zijn eigenljke liefhebberij, weer op en hij begon zijn bekende Sociale Brieven aan von Kirchmann, waarvan de eerste drie door hem werden afgewerkt in 1850.
De eerste besprak het pauperisme en de handelskrisissen, beiden vooral drukkende op den arbeidersstand. Dat zijn de offers waarvoor de maatschappij haar vrijheid heeft gekocht! De arbeiders zijn feitelijk onder een regime gebracht, waarbij de voordeelen van hun arbeid anderen ten goede komen. Want welk voordeel hebben de arbeiders van onzen hooggeroemden vooruitgang? Macaulay zegt: ze hebben het genot van het gaslicht. Rodbertus antwoordt: de werklooze heeft het voorrecht bij gaslicht te mogen bedelen! Vijf zesden der natie zijn buitengesloten van de beschaving door hun gering inkomen. Toch zijn zij het, die allen rijkdom voortbrengen. Door de machines werd hun lot beklagenswaardiger. Overproduktie is onzin, het is juist de overvloed, die gebrek voorbrengt. Toch kan men zich niet altijd op het leger verlaten, als de arbeiders hun aandeel verlangen zoowel in het arbeidsprodukt als in den staat. Nu heeft de staat-huishoudkunde tot taak een organisatie te bewerken, waarin de funkties van het tegenwoordige grond- en kapitaaleigendom geheel worden volvoerd.
De tweede Sociale brief richt zich tegen de leer der zoogenaamde wetten van het vrije verkeer. Hij bepleit daarin de noodzakelijkheid van een leiding der maatschappij en verlangt daar organen voor. Wanneer toch het verkeer met betrekking tot de verdeeling van het nationaal produkt aan zichzelf blijft overgelaten, dan moet bij stijgende produktiviteit van den maatschappelijken arbeid, het loon der arbeidende klassen een steeds kleiner deel van het nationaal produkt worden. In 34 stellingen heeft hij zijn theorie hoofdzakelijk over de verdeeling van het nationaal produkt uiteengezet. Als men niet vooruit zorgt, zal men plotseling opschrikken. De natuurlijke wetten moeten door de rede worden uiteengezet. De toeneming der produktiviteit moet allen ten goede komen, maar dan is een andere verdeeling noodig bij grooter produktiviteit. Doet men dit niet, dan zal de geschiedenis de zweep der revolutie leggen over de lendenen der maatschappij.
Dan komt de derde sociale brief, waarin bij de grondrente behandelt, die volgens hem niet iets afzonderlijks is, maar een deel der algemeene rente, gekweten uit de waarde van het nationaal produkt, dat gelijk is aan den arbeid, dien het gekost heeft. Zelfs Marx moest erkennen, dat hij hierin “het wezen der kapitalistische produktie volkomen doorziet.”
De vierde sociale brief verscheen, onder den titel van Das Kapital, pas na Rodbertus dood. Terwijl hij zich bezig hield met de bewerking ervan, verscheen in 1867 het boek van Marx, dat hij betitelde als “een inbraak in de maatschappij.” Hij stelde zich ten doel Marx, die kapitaalvorm en kapitaalbegrip volgens hem met elkander verwarde, in zijn dwalingen te weerleggen. Hij beantwoordde deze vier vragen:

  1. waarin bestaat het kapitaal?
  2. hoe ontstaat en vermeerdert het kapitaal?
  3. hoe reproduceert zich het kapitaal? en
  4. in welke verhouding staat het kapitaal tot het inkomen?

Rodbertus stelde zich beslist tegenover het individualisme en bepleitte het kommunisme. “Ik geloof vast aan een eens te verwerkelijke opheffing van grond- en kapitaaleigendom. De geschiedenis leert mij dit. De tegenwoordige toestand om mij heen, waar ik reeds overal draden van gemeenschap zie doorschemeren, wijst mij hier telkens op. De wetenschap eindelijk bewijst mij die les krachtig en vast. Toch is die opheffing van grond- en kapitaaleigendom niet zóó nabij. De menschen moeten ook daarvoor opgeleid worden. Bij dadelijke invoering van zulk ’n opheffing zouden kunst en wetenschap zeer zeker verliezen, daar het begrip van”vrijen tijd," waarin kunstwerken en wetenschappelijke onderzoekingen worden gekweekt, verloren zou gaan. De naaste taak is dus in de tegenwoordige tijden een kompromis te ontwerpen tusschen arbeid eener- en grond- en kapitaaleigendom anderzijds. Dit is mogelijk door een regeling van het loon. Vanzelf wordt het bezit van grond- en kapitaal-eigendom dan meer het bekleeden van een ambt, de rente krijgt meer het karakter van salaris. Doch dit is zeker: het treffen van zóó’n kompromis kan men niet aan de praktijk overlaten. Wetenschap is daarvoor noodig. Wetenschap, die tegelijkertijd profetie der toekomst is."
Rodbertus maakte veel sociale studiën op ’t gebied der geschiedenis, zooals zijn geschriften: Zur Geschichte der agrarischen Entwicklung Roms unter den Kaisern oder die Adscriptitier, Inquilinen und Colonen<ref>Bijdrage tot de geschiedenis der agrarische ontwikkeling van Rome onder de Keizers of de Adscriptitii (arbeidsslaven, die van ouders tot kinderen op hetzelfde stuk grond werden gehouden), Inquilinen (lijfeigenen als huisslaven) en Colonen of degenen die van de grondbezitters een stuk van hun groote landgoederen in pacht kregen, welke pacht in natuurgoederen werd betaald.</ref> in 1864, waarin hij de agrarische instellingen van Rome behandelde, zijn studie over het belastingwezen van het Romeinsche keizerrijk, zijn studie zur Frage des Sachwerthes des Geldes im Alterthum<ref>Studie over de vraag naar de zakelijke waarde van het geld in de oudheid.</ref> bewijzen.
Hij geloofde dat er een maatschappij zou komen zonder privaat grond- en kapitaaleigendom, waarin alleen individueel eigendom van het inkomen zou bestaan. Van kollektief eigendom wil hij niets weten, ook niet in de toekomst. Het korporatief eigendom scheen hem een anachronisme toe en voor produktieve associaties haalde hij de schouders op. Hij hield vast aan de onderscheiding tusschen arbeid, kapitaal en grondbezit en wilde alleen, dat de verdeeling van het nationaal inkomen tusschen die drie faktoren anders zou werden geregeld. De staat moet hierbij te hulp komen door middel der wetgeving. Een organisatie van het krediet, bedoeld in het instituut van den rentekoop en de rentebrieven, is een stuk sociale hervorming. De staat moet de weegschaal zelf ter hand nemen en den evenaar, die nu steeds nijgt naar het kapitaal, maar straks naar den arbeid zal overhellen, in de rechte houding handhaven tusschen alle faktoren en elementen der maatschappij. De staat moet het beeld der rechtvaardigheid zijn, het sociaal evenwicht bewerken en in stand houden. Hij herinnerde eraan hoe koning Frederik de Groote in 1769 het grondkrediet voor zijn staten regelde door te zeggen: ik wil het aldus en hij hoopte dat weer een koning van Pruisen de pandbrieven vervormen zou in rentebrieven met een tweede: zoo wil ik!
Hij gaat als streng monarchaal man uit van het koningschap als het opperste gezag en meent dat het sociaal koningschap moet worden geproklameerd in een troonrede of staatsakte, staande aan den eenen kant boven het liberaal Manchesterdom en aan den anderen boven de socialisten. Deze proklamatie moet tweeërlei soort regeeringsmaatregelen bevatten:

  1. voorbereidende maatregelen, die betrekking hebben op de verhouding tusschen kapitaalbezit en arbeidskracht, indirekt door een nauwgezette enquête en een hervorming van de belasting-wetgeving, waarbij groote offers worden gevraagd van het kapitaal door successiebelastingen, en direkt door de invoering van den normalen arbeidsdag van b.v. 10 uur, onmiddellijk van toepassing op de groot-industrie, verbod van Zondagsarbeid, als maatschappelijke rust, regeling van nachtarbeid, aanstelling van geheel onafhankelijke fabrieksinspekteurs met hoog salaris;
  2. maatregelen, die de kiem in zich dragen van de toekomstige organisatie. De staat neemt de produktie zelf ter hand. Dat kan hij best, adres aan post, telegraaf, enz. Eerst moet hij die takken omvatten a. waar de nieuwe organisatie de geheele bevolking ten goede komt, b. waar het monopolie van enkelen wordt opgeheven en c. waar de staat zelf optreedt als konsument.

Dit wat betreft het eerste gedeelte van zijn plan.
Een tweede afdeeling behandelt de plichten van de dienaren van den staat. De staat moet zorg dragen dat met het stijgen van het nationaal inkomen tevens het inkomen van den arbeid wordt verhoogd. Niet door de werking van kerk en school of door de bemoeiïng van privaathulp kan die bevrediging tot stand komen. De staat kan alleen redding geven, niet het vrije, aan zichzelf overgelaten verkeer. De wetten en instellingen mogen niet uitloopen op maatregelen, die de uit de vrijheid van den persoon en het eigendom voortvloeiende individueele rechten (vrijheid van grondeigendom, erfrecht, bevoegdheid tot vervreemding en schuldopneming; vrijheid van het kapitaal in zijn bedrijfswezen; vrije keuze van arbeid en vrijheid van verhuizing) zouden kwetsen of aanranden. Die wetten moeten zich stellen op het standpunt van het zuiver loonstelsel en dit verbeteren. Alleen de nationaal-ekonomische verhoudingen en hulpbronnen van algemeenen aard moeten hierbij gelden en daarover moet de staat als opperste aangewezen en verplichte vertegenwoordiger en bevorderaar der ontwikkeling van het maatschappelijk huishouden te beschikken hebben. En eindelijk moet de staatsman de middelen gebruiken, die maken dat het meer-loon in de toekomst verwezen wordt naar de stijgende produktiviteit door te maken:

  1. dat de produktwaarde, tenminste der loongoederen, wordt gekonstitueerd naar normaalarbeid,
  2. dat het loon als quotum (vaste breuk) van deze naar normaalarbeid berekende produktwaarde wordt vastgesteld en
  3. dat maatregelen worden getroffen, die de verwerkelijking van dit loon naar den aangewenden maatstaf in loongoederen verzekeren.

Vanzelf geschiedt dit niet, stevige staatsarbeid en staatsleiding zijn ervoor noodig.
In dien geest werkende zal men het vreeselijk gods-gericht voorkomen, dat de arbeider, de derde broeder, vraagt, omdat de erfenis der aarde uitsluitend in beslag is genomen door de twee broeders: grondeigenaar en kapitaalbezitter. Hij vordert zijn wettig erfdeel en de staat moet hem dat geven en een toestand voorbereiden, waarin alleen eigendom van het inkomen zal bestaan.
Toen de wereldtentoonstelling te London plaats had in 1862, zond hij een zendschrijven aan het Arbeiders-kongres tijdens de tentoonstelling, waarvan wij niet weten of het ooit zijn adres bereikt heeft, en waarin hij de arbeiders van advies dient op 14 punten, hun aanradende zich te organiseeren, met dien verstande dat men daarbij nooit moet vergeten, dat al zijn zij een hoofd-klasse, zij toch slechts één klasse zijn van de maatschappij. Zij kunnen dus niet dekreteeren maar slechts onderhandelen. Zij kunnen en moeten voorstellen doen, die de aanvangletters vormen van de vrijmaking van het grond- en kapitaaleigendom.
In hoeverre Rodbertus en Lassalle overeenstemden en verschilden, blijkt uit beider antwoord aan het komité van den Duitschen Arbeidersbond te Leipzig ten jare 1863. Beiden bestrijden de grondstof- en voorschot-vereenigingen naar het model van Schulze-Delitzsch, maar terwijl Lassalle de produktieve associatie met staatshulp voorstond, keurt Rodbertus ook die af als te omslachtig voor de nationale produktie. In het associatiewezen waardeert hij niet den stoffelijken vooruitgang, die erdoor bezorgd zou worden aan de arbeiders, maar wel de intellektueele en zedelijke gevolgen als leerschool voor hen. Beiden willen zij dat de arbeiders zich afscheiden van de Forschrittspartij, maar terwijl Lassalle het algemeen stemrecht aanbeveelt, acht Rodbertus het verkeerd dit bij uitsluiting te schrijven op de banier der arbeiders, daar dit geen onafwijsbare voorwaarde was voor een oplossing van het sociale vraagstuk. Hij riep hun toe: “maakt de sociale kwestie nooit ondergeschikt aan de politiek. Blijft gij een sociale partij. Weert dadelijk de reaktie van u af, door ook”Freizügigkeit" en “vrije beroepskeuze” in uw vaandel te schrijven. Daarover valt niet te debatteeren."
Lassalle prees dezen brief van Rodbertus en trachtte hem te bekeeren tot zijn meening, wat hem niet gelukte ondanks de waardeering van Rodbertus ten opzichte van Lassalle, zoodat hij dan ook volgens een geestige uitdrukking niet anders bleef dan de “stille kompagnon van Lassalle”.
Zijn boek Normal-Arbeitstag resumeert zijn denkbeelden over het arbeidsloon. Daarin bepleit hij de vaststelling ervan onder het gezag van den staat. En die vaststelling zal periodiek herzien worden in verband met het stijgen der produktiviteit. Een normale werk-arbeidsdag neemt het beginsel van stukloon in zich op, waartegen de arbeiders nu gekeerd zijn, maar waartegen zij bij zoo’n loonzetting niet meer behoeven te zijn. De normale arbeidsdag moet worden verheven tot werktijd of normaalarbeid en naar zulken werktijd of normaalarbeid moet

  1. de waarde van het produkt van ieder bedrijf worden vastgesteld en
  2. het loon in ieder bedrijf worden bepaald.

Maar alweer dit is alleen mogelijk door de sterke hand van den staat.
Rodbertus was een nationaal man bij uitnemendheid en zijn program is dan ook het beste weergegeven in de woorden: monarchaal, nationaal, sociaal. Vóór alles wil hij een vreedzame oplossing, want “niet op de straat, te midden van werkstakingen, steenworpen en het gieten van petroleum wordt de sociale kwestie opgelost.” De leuze is nu: organiseeren. De sociale kwestie is haast een kruidje-roer-mij-niet, zij trekt zich verschrikt terug tegenover ruwe gewelddadige handen. De voorwaarden tot haar oplossing zijn: duurzame sociale vrede, eenheid van staatkundige regeeringsmacht, vaste aansluiting der arbeidende klassen, vol vertrouwen op deze macht, groote voorbereidende verrichtingen of instellingen, die een reeks van diepingrijpende kombinaties vormen en alleen in rustige tijden, met orde en energie zijn tot stand te brengen. Uitgesloten zijn daarbij een radelooze staatsmacht, een woelige arbeidersbevolking en “Karlsbader” besluiten<ref>Zoo heeten de besluiten, genomen in 1819 op het Kongres van ministers, te Karlsbad gehouden, die deels tot besluiten van den Duitschen Bond en deels tot richtsnoer der verschillende regeeringen der afzonderlijke staten werden gemaakt en de inleiding vormden tot de reaktionaire politiek in Duitschland.</ref>. Hij vindt de sociale kwestie konservatief bij uitnemendheid, inzoover men onder konservatief verstaat “niet het behouden van een reeds halfvergane prulleboel, maar versterking der monarchale staatsmacht, in vrede voortgezet hervormingswerk, verzoening der sociale klassen onder het schild en naar den regel van het stralend suum cuique (ieder het zijne).”
Ook wil hij de sociale kwestie niet te veel vermengen met godsdienst, (nicht allzusehr christianisiren) “niet te veel verchristelijken.”
Hij kon vinnig van zich afslaan, zooals blijkt uit zijn kritieken b.v. op de kathedersocialisten, die hij “suiker-water-socialisten” noemde, de Eisenacher professoren, die hij betitelde als “impotente Perrückenstöcke.”<ref>Met onmacht geslagen pruikenstokken (wij zouden zeggen: oude pruiken).</ref> Marx beschuldigt hij “hem voortdurend te plunderen zonder hem te citeeren”. Lassalle verwijt hij steeds fouten te begaan. Adolph Samter noemt hij een gewonen “beurs-jood”. Hij kritiseert de oprichting van vakvereenigingen naar Engelsch model, acht het organiseeren van werkstakingen een fout, polemiseert tegen de “tantièmes” en alleen de arbeidsraden vinden genade in zijn oogen. Den grondbezitter noemde hij den “Gütergeier”, den gier, die de natuur beschouwde als alleen voor zich geschapen. Den kapitalist gaf hij den naam van “Bleifeder”, een zinspeling op den bekenden bankier Bleichröder, die toen elkeen in 1871 de oorlogsschatting, aan Frankrijk opgelegd, te hoog vond, zei dat hij “bij het becijferen van winsten niet gewoon was te tellen van de geboorte van Christus, maar van den aanvang der wereld”! Den arbeider eindelijk noemde hij “Ezau, die zijn eerst-geboorterecht had verkocht voor een schotel linzen”.
Toen hij in 1875 den adem uitblies, verloor Duitschland een zijner beste zonen, want Duitscher was hij boven alles en in Bismarck vereerde hij den man, die de eenheid tot stand bad gebracht. En hoe zijn geest nawerkte nog na zijn dood, dat bleek uit de beroemde keizerlijke boodschap van Keizer Wilhelm I op 17 Nov. 1881, die men zou kunnen noemen de Magna Charta van het staatssocialisme, door Wagener geïnspireerd, maar waaruit te duidelijk de geest van Rodbertus geproefd kan worden dan dat men zijn naam daarbij mag vergeten.

4. Schäffle (1831).

Geen boekje dat uit het oogpunt der propaganda zoo gunstig heeft gewerkt voor de sociaaldemokratie in Duitschland als Die Quintessenz des Sozialismus, vertaald in verschillende talen en dus verbreid in zeer ruimen kring. Eerst anoniem verschenen in de Deutsche Blätter in een eerste uitgave, werd de naam van den schrijver pas bekend bij de tweede. En deze droeg bij tot den opgang van het geschrift, want het was van niemand minder dan van den oud-hoogleeraar en oud-minister Albert Schäffle. De schrijver stelt zich ten doel het wezen, de kern van het socialisme kort, duidelijk en objektief te omschrijven, daar “de haters, de verachters, maar ook tallooze geloovigen in het ‘nieuwe evangelie’ zelven geen juist, ten deele niet het minste begrip hebben van de zaak, die zij vreezen of verafschuwen of minachten of ten hemel verheffen.” In die omschrijving straalde onmiskenbaar zekere sympathie door voor het socialisme. Hij geeft zelfs te kennen, dat hij misschien den lezer, wat de zaak zelve betreft, een verrassing bereidt. Geen wonder dat het de sociaal-demokraten waren, die het meest bijdroegen tot verspreiding van dat boekje in ruimen kring.
Daarom behoort ook aan hem een plaats in de geschiedenis van het socialisme, al heeft hij ook binnen betrekkelijk korten tijd een andere brochure geschreven in geheel tegenovergestelden zin, nl. die Aussichtslosigkeit der Sozialdemokratie, waarin hij de onuitvoerbaarheid en algeheele verkeerdheid der socialistische plannen tracht aan te toonen. Als zoodanig vormt hij een eigenaardigen tegenhanger met Frans Mehring, die eerst een Bijdrage tot de geschiedenis der sociaaldemokratie leverde, waarin hij deze sterk hekelde en nadat hij zijn betrekking aan de redaktie der Volkszeitung verloor, overliep in het kamp der sociaaldemokraten om later een groote geschiedenis der Duitsche sociaaldemokratie te geven, die één en al verheerlijking van haar is. Ofschoon moeilijk valt uit te maken in hoeverre de broodkwestie dan wel de hoop op eer en naam invloed uitoefenen op zulke plotselinge bekeeringen, aan de reputatie van een wetenschappelijk man doen zij in den regel niet veel goed.
Maar Schäffle deed meer. Nadat hij in deze kleine brochure heeft aangetoond, dat het doel van het hedendaagsche socialisme bestaat in de vervanging van privaat- door kollektief kapitaal, d.w.z. door een produktiewijze, die berustende op het kollektieve eigendom van de gezamenlijke voortbrengers (arbeiders), aan alle produktie-middelen een kollektieve sociale organisatie van den nationalen arbeid wil doorvoeren en de verdeeling van het gemeenschappelijk produkt van allen onder allen, naar den maatstaf van den verrichten arbeid; nadat hij daarin alle gewoonlijk aangegeven bezwaren tegen het socialisme een voor een uiteengezet en ontzenuwd heeft, komt hij tot de konklusie dat het de vraag is “of de ‘onbewuste’, eenheidlooze om zoo te zeggen sociaal-statistische regelaar van het op elkander drukken der privaat-belangen, d.w.z. de konkurrentie der kapitalisten, dan wel of een eenheids-bewuste en georganiseerde sociale macht het produktie- en verdeelings-, om zoo te zeggen het verterings- en bloedsomloopproces de stofwisseling beter en meer ekonomisch zal bezorgen” en op die vraag zegt hij dat niemand met zekerheid een antwoord kan geven. Hij konstateert alleen, dat het beginsel nu nog en wel voor langen tijd niet doorvoerbaar is, maar hij komt ertegen op, om het reeds op zichzelf anti-sociaal te noemen.
Gelijk het den echten “wetenschappelijken” Duitscher betaamt, gaf hij ook een zwaarlijvig boek uit in 4 deelen –het schijnt dat vier deelen de behoorlijke maat is, want Marlo, Marx en Schäffle deden het alle drie– onder den titel Bau und Leben des sozialen Körpers<ref>Bouw en samenstel van het sociale lichaam.</ref>, ongeacht altijd de andere werken waarmede hij de wereld verrijkte, en daarin behandelt het derde onder het opschrift Kapitalismus und Sozialismus dit onderwerp veel uitvoeriger niet alleen, maar hij toont daarin nog verder naar het socialisme te zijn toegeschoven. Niet onjuist was de volgende karakteristiek zijner werken ten opzichte van het socialisme: Kapitalismus und Sozialismus (een werk van 1870, “vijandig welwillend”, Quintessenz “vriendelijk-welwillend”, het derde deel van Bau und Leben onder denzelfden titel van Kapitalismus und Sozialismus “socialistisch”, (de barometer was steeds stijgende), die Aussichtslosigkeit der Sozial-demokratie<ref>Door mij is dit werk uitvoerig besproken in de Vragen des Tijds van het jaar 1880.</ref>) “vijandig niet welwillend”.
Vooral het twaalfde hoofdstuk van het derde deel is uit dit oogpunt belangrijk, daar het de sociale stofwisseling en haar volkshuishoudkundige regeling of de organen en funkties der volkshuishouding behandelt.<ref>Het gemis aan vooruitzicht der sociaaldemokratie.</ref>
Begreep Schäffle de groote beteekenis van het waarde-begrip in den strijd tusschen sociale en burgerlijke staathuishoudkunde, noemde hij in zijn Quintessenz het waardebegrip valsch, in dit werk neemt hij een meer gereserveerde houding aan, zeggende dat hij “pas kan uitmaken, in welke verhouding zijn theorie staat tot die van Marx, als de positieve zijde van deze bekend wordt.” Marx had toen pas alleen het eerste deel uitgegeven. Maar wanneer Marx als maatstaf ter bepaling van de waarde den “maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd” aanneemt en Schäffle zegt, dat “produkten, die een even groote hoeveelheid maatschappelijk mogelijke minimaal-uitgaaf aan arbeid veroorzaakt hebben, aan elkander gelijk zijn,” dan wil het ons toeschijnen dat als men den duisteren inhoud van deze formule ontcijferd heeft, de zin van beiden vrij wel aan elkander gelijk is, want het gelukt ons niet eenig verschil waar te nemen tusschen den “maatschappelijk noodzakelijken arbeidstijd” van Marx en de “maatschappelijke mogelijke minimaal-uitgaaf aan arbeid” van Schäffle. Wanneer Schäffle het kapitalisme beschouwt als een noodzakelijken schakel in den keten der historische ontwikkeling, dan verschilt hij niets van Marx, die ditzelfde steeds betoogde.
Al gelooft Schäffle aan de zegepraal van het socialisme, spoedig zal zij niet aanbreken, want de ontbinding der kapitalistische maatschappij is nog niet voltooid. Evenals hij zich keert tegen de volkshuishoudkundige nihilisten –zoo noemt hij de mannen van het laissez faire, laissez passer,– evenzoo doet hij het tegen de anarchisten, wien hij verwijt dat zij regeeringloosheid prediken, ofschoon zij toch ook een soort van overheid moeten aannemen, al ware het alleen om de verdeeling in arbeidsgroepen te regelen. Hij hekelt het kapitalistische stelsel en geeft te kennen dat in den zeer zwaren strijd om het materieel bestaan en om het bezit elk middel, dat niet in de gevangenis brengt, geoorloofd is, want “de staat, de wetgeving en de godsdienst moeten door partijregeering, door parlements- en perskorruptie, door census kiesstelsel en door verbinding met de kerk dienstbaar gemaakt worden aan de belangen van het kapitaal.” In plaats dat de staat het kapitaal beheerscht, geschiedt het omgekeerde en dat is te gekker, omdat de staat de grootste werkgever is.

Gebreken van het kapitalisme zijn:
1. dat de wedstrijd om de grootste portie van het nationaal inkomen en niet om de hoogste premies voor beroepsvaardigheid plaats heeft door middel van list, bedrog, geweld, korruptie, van eenzijdige overmacht van vermogen en erfelijke voorrechten. Het kapitaal verschaft niet alleen hooger ontwikkeling, maar weet verstand zonder kapitaal te koopen en te gebruiken, recht en moraal ten haren gunste om te kneden; 2. dat het geheele nadeel evenals het geheele voordeel der prijsveranderingen van de markt niet gelijkmatig valt op het geheel, maar overwegend op een deel van het volk en wel het voordeel op het betergestelde en het nadeel op het slechtstgestelde deel der bevolking; 3. het toenemen van storingen in het evenwicht tusschen konsumtie en produktie en de vermeerdering van verandering in de ruilwaarde.

Zoo ontstaat een “nieuw feodale, onbeperkt willekeurige beheersching der maatschappelijke voedingsfunkties door het privaatbezit van het kapitaal; het uitloopen der konkurrentie van vele in het monopolie van weinige kapitalen en in de erfelijke onbekwaamheid tot konkurreeren van de kapitaallooze personen, dus zelfvernietiging en zelfmisvorming der konkurrentie naar twee zijden: een toeneming van prioriteitsrente ten gunste van het parasitisme; vernietiging van het klein- door het grootbezit; eindelijk stijging der schommelingen in produktie, behoefte en afzet ver boven de maat die noodig is voor het behoud van het evenwicht, tengevolge waarvan onnoodig sterke krisissen op het gebied van produktie, afzet, huishouding en ontwikkeling: het opwekken van de dobbellust door spel,”zwendelarij en agiotage<ref>Woekerwinst.</ref>." Daarbij komt nog het gebrek aan toe- en overzicht over de sociale behoeften. “De geldmagnaten worden een grootmacht in den staat, direkt door kies-voorrechten, indirekt door partijministeries, door het bezit der pers, door de korruptie van volksvertegenwoordigers, ambtenaren en journalisten. Keizer- en koninkrijken moeten de geldmacht huldigen… Regeering, parlement, beheer, wetenschap, kerk, school, pers worden in materieele afhankelijkheid gebracht… Het schulden maken wordt begunstigd,”het kapitaal wint bij het uitgeven van leeningen voor staatsverkwisting en steekt in den vorm van staatsschuldrenten een toenemend deel van alle middelen, die aangewezen zijn voor de behoeften van den staat, in zijn zakken (in Europa ⅓ tot ¼ deel)."
Met deze vernietigende kritiek kan het kapitalisme het stellen en had hij haar gekleed in een minder onduidelijken en meer behagelijken en begrijpelijken vorm, ongetwijfeld zou de invloed zijner woorden op de arbeiders veel grooter zijn geweest.
De scheiding tusschen het leidend verstand en de uitvoerende hand werkt volgens hem nadeelig terug op de produktie, alles is in dienst van het kapitaal.
Schäffle laat het stelsel der mutualistische anarchie (Proudhon) onbesproken evenals het christelijk socialisme, waarbij de menschelijke maatschappij slechts als een groot kapitaal en het christendom als een algemeene armenkas wordt beschouwd. Eveneens het stelsel van produktieve associatie, waarbij het kapitalistisch beginsel blijft bestaan, al is het eenigszins verzacht. Ook het zoogenaamde “kathedersocialisme,” dat “ideologisch van den liberalen staat, die de politieke heerschappij van den kapitalistenstand beteekent, een toezicht verwacht om het kapitalisme in toom te houden.” Reaktie ziet hij in het overbrengen van het grootgrondbezit door aflossing in handen van landbouwende daglooners en in het industrieel partnerschap ziet hij niets anders dan het zetten van een nieuwen lap op het oude kleed van het kapitalisme. Eindelijk keurt hij ook het voorstel af, om het grondbezit te maken tot staatseigendom en het in pacht te geven aan de meestbetalende maatschappijen of vereenigingen, want daardoor ontstaat een politieke afhankelijkheid van den staat, die alles behalve wenschelijk kan worden geacht.
Het eenige konsekwente stelsel van het socialisme vindt hij het beginsel om het privaatkapitaal te maken tot kapitaal van openbare produktie- en omzetinrichtingen. Alsof niet alle personen in dienst bij zulke openbare produktie- en omzetinrichtingen daardoor in dezelfde politieke afhankelijkheid van den staat of gemeente kwamen als hij in een vorig geval vreesde!
En dan ontwerpt hij een beeld der volkshuishouding gelijk het kan ontworpen worden uit het beginsel van kollektief kapitaal. De grootste moeilijkheid ziet hij in de vaststelling van een maatstaf ter bepaling van den normalen arbeidstijd (waardemeter van den arbeid), maar heeft men eenmaal dat bezwaar opgelost, dan toont de socialistisch vastgestelde ruilwaarde groote lichtpunten. Immers dan wordt de ruilwaarde vastgesteld door een openbaar orgaan, waarbij eenerzijds ondersteld wordt kennis van de soort en de grootte der geheele behoefte en anderzijds kennis van alle kosten der geheele sociale produktie van elk artikel en van de gemiddelde kosten, benoodigd voor het verkeer van elke waar. In plaats van winkels van privaatpersonen krijgt men sociale magazijnen, waar men zich kan aanschaffen wat men behoeft. De magazijnhouders melden zich aan bij de grossiers en deze staan op hun beurt in direkte verbinding met de producenten. Waarvoor die grossiers, die tusschenpersonen, dan dienen, laat hij onverklaard.
De taxatie der waren zou openbaar worden gemaakt evenals nu geschiedt met de marktprijzen. Alle speciale behoeften en individueele arbeidskrachten zouden ingedeeld worden onder den invloed daarvan evenals nu onder dien van marktprijs en loonen. Alles zou eenvoudiger en gemakkelijker gaan, minder blootgesteld zijn aan privaatmisbruik en exploitatie van enkelen. Elke produktie-inrichting zou alleen te doen hebben met haar arbeiders, elke lokale leverancier alleen met zijn lokale klanten.
De volkshuishoudkundige grondfunktie zou georganiseerd worden als zelfbestuur zonder centralisatie en met vermijding ook van de geringste storingen door of voor andere organen, vooral zonder voogdijschap van den staat. Het socialisme behoeft reeds in de hoofdfunktie, bij de vorming der ruilwaarde, geen staats-kommunisme te worden. Hij acht het denkbaar een groote besparing te krijgen, zoodat met minder bedrijfskapitaal, met besparing in de boekhouding, in het laten reizen, in markt- en beursbezoek, met afsnijding van alle spekulatie en spel, een veel beter en meer gelijkmatige bepaling van de behoeften, van de hoeveelheid produkten en van de equivalenten zou plaats vinden in de volkshuishouding “zonder inmenging van den staat”. Men zou zoo krijgen een evenwicht tusschen vraag en aanbod. Vergissing ten opzichte der behoefte zou onmogelijk zijn, evenmin als vervalsching van waren of frauduleus bankroet of overproduktie. Krisissen zouden vermeden worden en alle verschillen en dalingen zouden in verhouding allen gelijkelijk treffen. Voor de eerzucht zouden verlokkende loopbanen open staan en elk bekwaam mensch zou deel kunnen nemen aan den wedloop. De waardemeter bestaat dus in een “aliquoten Theil der wirklich geleisteten Gesammtmasse gesellschaftlicher Arbeitszeit, bez. ihres Ertrages”<ref>Een evenredig deel der werkelijk geleverde totale massa maatschappelijken arbeidstijd ten opzichte van de opbrengst.</ref>. Stel dat men 1 millioen beroepskrachten heeft en door dezen gemiddeld 300 dagen en elken dag 8 uren gearbeid wordt, dan zou de jaarlijksche hoeveelheid arbeid bestaan in 300 millioen dagen of 24 millioen uren sociaal georganiseerden arbeid. De waardemeter van den arbeidsdag is dan 1/300.000.000 van den socialen arbeidsdag of het arbeidsuur 1/2400.000.000 van den werkelijken socialen arbeid. Men kon dus zooveel stuks arbeidsdagen of arbeidsuren jaarlijks geven in bons; het gezamenlijk produkt zou die waardesom opleveren. Nu weet men hoeveel er noodig is voor de openbare inrichtingen, daaronder alle inrichtingen voor de produktie benoodigd, stel b.v. ⅓, dan blijft er ⅔ over voor individueele konsumtie. Tot op dit bedrag geeft men bons naar gelang van hetgeen ieder deed en in ruil daarvoor zouden de arbeiders hun behoeften kunnen krijgen uit de lokale magazijnen. Het hardgeld is aldus onnoodig; als ruilmiddel kan men het ontberen en als waardemeter is het vervangen. Alleen in het verkeer met andere, kapitalistische staten zou nog geld voorkomen. De opeenhooping van arbeidsbons zou men verhelpen door het laten vervallen van oude bons en door het vaststellen van een maximum van bons. Er zou minder gelegenheid zijn tot privaat-ophooping en daarentegen meer tot het uitgeven voor algemeene weelde en genietingen voor allen. In plaats van privaatpersonen als leiders van het produktieproces zou men dus krijgen direkties, gekozen uit degenen die in het beroep of ambacht werken, terwijl men bepalen kon dat als men een slechte keus gedaan had, de premie voor het direkteurschap verviel. Zoo kon men verschillende trappen en betrekkingen hebben, waaraan men grooter inkomen kon verzekeren, tot aan een centraaldirektie die bestaan zou uit afgevaardigden van de speciale direkties. Men kon een premie zetten voor hen, die de hoogste gebruikswaarde bereikten.
De gemeenschap zou algemeen bezitster en vernieuwster zijn van de sociale produktiemiddelen. Pacht viel weg, daar de pachtgoederen produktiemiddelen waren en deze kollektief bezit vormden. Huishuur verviel, daar de woning van wege de maatschappij overeenkomstig het beroep werd geregeld en verdeeld. Staatskrediet was overbodig, want wat den staat wordt toegewezen als buitengewone behoefte, kon generaliter genomen worden uit den produktievoorraad. Evenzoo zouden leeningen en krediet vervallen. Men zou ieder voor zijn leven een vaste woonplaats bij zijn beroep verzekeren. Men kon ook een regeling treffen ten opzichte van inrichtingen tot verwarming, wasschen, koken, enz., zoodat het huiselijke werk aanmerkelijk zou verminderen. Het aantal dienstboden werd herleid tot ’n minimum. De diensten van ziekenverpleging, verzorging van kleine kinderen konden vervuld worden door een geregelde en openbare diakonie. De huiselijke slavernij, die in het dienstbodenleven voortleeft, zou daardoor afgeschaft worden. Het familieleven werd dus niet opgeheven, maar gezuiverd en verbeterd.
Daarna behandelt hij de doorvoering van het socialistische beginsel in gemeente, staat, kerk, wetenschap en kunst. In alles zal een veredeling plaats vinden. Overgangsmaatregelen zijn echter noodig, daar niet alles op eens kan worden uitgevoerd. Buitendien onroerende goederen zou men niet kunnen meenemen, als men het land verliet en daar deze ¾ van het nationaal kapitaal uitmaken, geeft het argument al zeer weinig, dat men het kapitaal en de kennis door het socialisme het land zou uitdrijven. Alleen het metalen geld zou men kunnen onttrekken aan de gemeenschap, maar daaraan bestaat immers geen behoefte in den socialistischen staat. Het is verkeerd te meenen dat alleen het proletariaat belang zou hebben bij een verandering, daar het allen aangaat, waar het aankomt op de gezonde ontwikkeling van het geheel. Gaat deze weg tot hervorming langzaam, het is niet de vraag wat men zou willen maar wat men in de lijn der historische ontwikkeling zou kunnen doen. Tijd is voor alles en ook voor deze veranderingen van ingrijpenden aard noodig, daar zoowel bij de bezittenden als bij de niet-bezittenden een verhooging van ’t peil van ontwikkeling wordt vereischt. Het socialisme zal komen, hetzij dat de heerschende klassen, door gebruik te maken van geweld, de beweging trachten te onderdrukken en dan komen er sociale revoluties, waarbij het gevaar dreigt dat de volkeren teruggeworpen worden in despotisme en barbaarschheid, hetzij dat men de nadeelen van het kapitalisme tracht te helen, maar dan baant men langs den weg der hervorming de komst van het socialisme. In die woorden hoort men den nagalm van hetgeen Lassalle eens profetisch sprak, als van de voetstappen der revolutie met wild fladderende haren en ijzeren sandalen aan de zolen, die hij reeds in de verte hoorde.
In het vierde deel van dit groote werk behandelt hij de staatsleer en ofschoon ook een bespreking daarvan de moeite waard is, zij ligt een weinig buiten het bestek van ons werk. Maar deze uiteenzetting van zijn ideën toont voldoende, hoe het socialisme wel verre van een fantoom in zijn oogen voor verwezenlijking niet alleen vatbaar is, maar dat het komen moet.
Schäffle behoort tot die lieden, die, nu waarschijnlijk zeer tegen zijn zin, meegewerkt hebben om den bodem rijp te maken voor het socialisme, altijd in den zin van het staatssocialisme.

5. Ferdinand Lassalle (1825-1864).

Een merkwaardige verschijning, de man dien wij nu gaan bespreken! Door de natuur begunstigd met zeldzame talenten wist hij de pen te hanteeren met zulk een aantrekkelijkheid, dat nu nog elkeen, die zich verdiept in zijn geschriften, onder de bekoring ervan geraakt; wist hij het woord te voeren op een wijze, die zijn hoorders meesleepte en in geestvervoering bracht. Hij wist tevens handelend op te treden met een energie en wilskracht, waartegen niet velen bestand waren.
Een volks-agitator bij uitnemendheid, die eenerzijds –zooals hij zelf zeide en zeggen kon– “gewapend met heel de beschaving zijner eeuw” het strijdperk intrad en anderzijds den noodigen hartstocht bezat, om nieuwe denkbeelden de wereld in te slingeren. Een aristokraat naar den geest werkte hij voor de demokratie en militant als hij was van nature, kwam hij pas in zijn volle kracht, waar hij door tegenstand geprikkeld al zijn talenten kon ontplooien. Hij was zich geheel bewust van zijn eigen geestelijke voortreffelijkheid en had den moed daarvoor uit te komen, den hoogen moed (hoogmoed) eigen aan zichzelf bewuste groote geesten. Maar tevens bezat hij een grenzenlooze ijdelheid en in alles maakte hij meer den indruk van den komediant, die een rol speelt, dan van den profeet, die een roeping meent te vervullen.
Hij hield van praal en pracht –misschien een overblijfsel van zijn oostersche afkomst– schudde het parvenu-achtige nooit geheel af en beminde tevens effekt-makerij. Karakteristiek zijn in dat opzicht schijnbare kleinigheden. Zoo deelt zijn beminde, Helena von Dönniges mede, hoe zij hem zei, dat de vrouw van prof. Diderici hem voor den mooisten man en prof. Böckh hem voor den “geistreichsten Kopf”<ref>Den geestelijk meest begaafden man.</ref> hield. Daarop schudde hij het hoofd en zei schertsend: “ach, wat geest! Geest is niets. Maar de mooiste man te zijn, dat bevalt mij. Dat moet men op mijn graf plaatsen. Dat ik geest heb, daarvoor kom ik zelf op en dat de menschen het merken, daarvoor zal ik wel zorgen, maar de roem mijner schoonheid moet het nageslacht kennen.” Man van de wereld genoot hij het leven met volle teugen en te Berlijn ging een roep uit van de heerlijke soupers en van den rijken wijnkelder, dien men bij hem aantrof. Onbezorgd en volkomen onafhankelijk kon hij leven, daar hij als vrijgezel jaarlijks 7000 thaler (ƒ12.600) had te verteren –4000 thaler als jaargeld van de gravin von Hatzfeldt en 3000 als rente van eigen vermogen– toch was hij niet geldzuchtig maar verachtte den mammon evenmin, gelijk hij zelf betuigde: “ik veracht het geld alleen dan, als het wedijveren wil met iets hoogers en edelers, wat dankbaarder is voor mijn wil. Maar het geld op zichzelf is een der middelen van de hoogste werkzaamheid op aarde en als zulk een middel voor mijn wil, en niet als doel, weet ik het naar waarde te schatten.”
Nieuwe denkbeelden zijn door hem niet verkondigd, maar hij populariseerde de ideën van anderen op zulk een klare en aantrekkelijke wijze, dat ze een onvergetelijken imdruk achterlieten en in de geschiedboeken is het schier eenig, dat iemand in zulk ’n korten tijd zulk een overweldigenden indruk maakte. Tot diktator was hij voorbeschikt, zijn wil moest wet zijn en alles moest buigen of breken, als hij er zijn zinnen op had gezet. Wij zien dit het sterkst op het laatst van zijn leven, toen hij Helena von Dönniges niet krijgen kon en zijn trots in hooge mate gekwetst was, zoodat hij tot Johann Philipp Becker deze woorden sprak: “O lieve vriend, ik zou kunnen huilen als een kind, wanneer ik bedenk dat ik in deze jammerlijke, armzalige aangelegenheid het onderspit zal kunnen delven, ik die gewoon ben groote slagen te winnen, ik die steeds alle gevaren rustig in ’t aangezicht zag, ik die elk oogenblik met genoegen het schavot zou hebben bestegen voor de groote zaak.” Als jong mensch trok hem het gezegde van “den eenen die leidt” van den Griekschen wijsgeer Heraklitus aan als overeenkomende met zijn diktators-natuur en evenals hij van de vrouw verlangde, dat zij “als de fluit zou zijn in de hand van den kunstenaar”, evenzoo moest de Algemeene Deutsche Arbeiter-Verein zijn “de hamer in de hand van een enkel persoon” en die persoon was hij.
Geboren uit gegoede ouders te Breslau –zijn vader had een “en-gros” zaak in zijden stoffen en geweven goederen– kreeg hij een zorgvuldige opvoeding, maar hij was Jood en dit wilde in dien tijd nog heel wat anders zeggen dan tegenwoordig. Voorbestemd om in die zaak te worden opgenomen, wilde hij daarvan niets weten en na eenigen tegenstand wist hij zijn vader over te halen, dat hij mocht gaan studeeren.
Op zijn 16de jaar was hij reeds revolutionair-republikeinsch, ofschoon hij in een nagelaten dagboek uit dien tijd eerlijk belijdt, dat “als hij prins was geboren, hij door en door aristokraat zou zijn.” Als student, eerst te Breslau en later te Berlijn, genoot hij het studenten-leven volop, maar hij werkte ook en was op zijn 19de jaar klaar. Toen liet zijn vader hem een reis maken naar Parijs en daar genoot hij den omgang met den Duitschen dichter Heine, aan wien hij door Alexander van Humboldt werd aanbevolen als “het wonderkind.” Hoe Heine over hem oordeelt, leert men kennen uit diens aanbeveling aan Varnhagen von Ense, waarin het heet: “een jonkman met de uitstekendste geestesgaven, met de grondigste geleerdheid, met het breedste weten, met de grootste scherpzinnigheid, zooals ik nog nooit heb ontmoet; met het rijkste talent van voorstelling verbindt hij een energie van willen en een handigheid van doen, die mij in verbazing brengen. Deze vereeniging van weten en kunnen, van talent en karakter is voor mij een vreugdevol verschijnsel… Hij is zulk een scherp afgeteekende, gestempelde zoon van den nieuweren tijd, die niets wil weten van de bescheidenheid en zelfverzaking, waarmede wij meer of min huichelachtig onzen tijd hebben doorgezanikt en doorgelogen.” En in een brief zegt hij: “ik heb nog bij niemand zooveel hartstocht en klaarheid van geest, vereenigd met handelen, gevonden. Wel hebt gij recht brutaal te zijn, wij anderen usurpeeren slechts dat goddelijke recht, dat hemelsch privilegie. In vergelijking met u ben ik slechts een bescheiden vlieg.”
Nog geen 21 jaar oud kwam hij in kennis met de gravin von Hatzfeldt en de betrekking met haar was beslissend voor geheel zijn leven. Deze was toen 41 jaar, maar toch nog een mooie, vooral imposante verschijning, behoorende tot de hoogste aristokratische families van Duitschland, maar die ongelukkig leefde met een ellendigen man. Of zij een moederlijke vriendin voor hem is geweest dan of hij met haar in intieme verhouding stond, is moeilijk uit te maken, maar dit staat vast dat de jonge Lassalle, in den aanvang waarschijnlijk begaan met haar treurig lot, vol ridderlijke gevoelens haar verdediging ter hand nam en met ongekende en onmiskenbare energie haar zaak tot een goed einde bracht, na haar voor 36 rechtbanken verdedigd te hebben in een tijdsverloop van 8 jaar. De zoogenaamde kassetten-diefstal vormt een niet onbelangrijke episode in dezen strijd. Hij werd nl. beschuldigd van medeplichtigheid aan den diefstal van een kassette van de barones von Meyendorf, de maîtres van den graaf von Hatzfeldt uit een hôtel te Aken, maar hij wist zichzelf vrij te pleiten. De verdedigings-rede, die hij toen hield voor de rechtbank te Keulen, de zoogenaamde Kassetten-redevoering, die zes uren duurde, wordt algemeen voor een meesterstuk gehouden en getuigt van het groote talent, dat hij later ten toon spreidde.
Marx redigeerde in 1848 zijn Neue Rheinische Zeitung te Keulen en de jonge Lassalle, die toen met de gravin te Düsseldorf woonde, schreef daar niet alleen in, maar had ook een levendig verkeer met Marx. Lassalle roerde zich toen ook in de demokratische volksklub te Düsseldorf en na een redevoering, die hij te Neuss hield over den politieken toestand, waarin hij het volk opriep om met de wapens in de hand de nationale vergadering te steunen als de wettige regeerings-macht van het land en in plaats van het passief verzet over te gaan tot aktieven tegenstand, werd hij gevangen genomen. Zes maanden hield men hem preventief gevangen, maar wederom werd hij op 3 Mei vrijgesproken door de jury te Düsseldorf. Dadelijk daarop werd hij gevangen genomen en voor de korrektioneele rechtbank gebracht, die hem tot zes maanden gevangenisstraf veroordeelde wegens aanhitsing tot gewelddadigen tegenstand tegen staatsambtenaren. Ondanks geneeskundige attesten moest hij zijn straftijd afzitten, alleen kreeg hij allerlei gunsten en de cipiers ontzagenu hem zeer. Natuurlijk was door dit alles zijn naam gevestigd en hij ondervond daarvan de gevolgen, daar het hem niet veroorloofd was te Berlijn te wonen. Hij noemde de 10 jaar, die hij te Düsseldorf doorbracht, zijn onvrijwillige ballingschap en over die periode liet hij zich later in een redevoering (1863) aldus uit: “ik had 10 jaar geleefd onder u arbeiders aan den Rijn, de revolutietijd zoowel als het tijdvak van de witte terreur van 1850 en volgenden had ik met u doorgebracht. Gij hadt mij, zooals gij mij terecht toeroept in uw adres, in het eene tijdvak zoowel als in het andere gezien. Gij wist welk huis ondanks de witte terreur van Hinckeldey-Westphalen, ondanks alle wilde rechteloosheid van dien tijd en wel tot op het laatste oogenblik van mijn verblijf in de Rijn-provincie, het onbevreesd asiel van demokratische propaganda, het trouwe asiel van de meest besliste en onbevreesde partijhulp geweest is.”
In 1857 kreeg hij door tusschenkomst van Alexander von Humboldt verlof, om zich te Berlijn te vestigen en zoo werd eindelijk zijn lang gekoesterde wensch vervuld. Een provinciestad als Düsseldorf was te klein voor dezen Alexander, hij moest in de hoofdstad leven en werken. Men vertelt dat hij als koetsier verkleed te Berlijn vertoefde en daar afwachtte wat het besluit zou zijn. Hij richtte zich zeer weelderig in, vertoonde zich veel op publieke plaatsen en deed al zijn best, een man van de wereld te zijn.
Zijn aantrekkelijke persoonlijkheid, zijn belangwekkende konversatie waren oorzaak dat hij vele vrienden kreeg en dat te meer, omdat hij een aangenaam en royaal gastheer was. Wie de namen hoort van Alexander von Humboldt, August Böckh, Varnhagen von Ense, Ludmilla Assing, Lothar Bucher, Georg Herwegh, Franz Ziegler, Franz Duncker, Wilhelm Rüstow, Holthoff, Hans von Bülow, J.B. von Schweitzer, Bernard Becker, Johann Philipp Becker, Gustav Lewy –om maar eenigen te noemen– die zal moeten toestemmen, dat hij een plaats innam in de intellektueele wereld van Berlijn. Hij wist veel uitgaan en veel werken met elkander te verbinden en leefde als ’t ware een dubbel leven. Eerst gaf hij in twee deelen zijn filosofische werk: Die Philosophie des Herakleitos des Duncklen von Ephesos<ref>De wijsbegeerte van Herakleitos den Duistere van Ephesos.</ref> uit (1858), waarin hij, de leerling van Hegel, dezen Grieksche wijsgeer maakte tot een antieken Hegel. Onder anderen betoogde hij, dat de staatsgedachte voor de menschheid de ware was, dat niet het individu maar de gemeenschap op den voorgrond moest worden gezet. Dit werk werd gevolgd door een dramatisch, Franz von Sickingen, (1859), waarin hij een mislukte poging deed –hij meende alles te kunnen en te kennen– om als literator op te treden. Van belang is dit drama om de ideën, want men vindt in de personen van Franz von Sickingen en Ulrich von Hutten geheel de denkbeelden van Lassalle terug en wie dit stuk nauwlettend leest en daarbij vergelijkt, wat hij later heeft geschreven, die zal moeten zien, hoe als ’t ware daar de weg is afgeteekend, door hem gevolgd. Het woord, Ulrich von Hutten in den mond gelegd:

Schlecht kennt ihr die Geschichte:

Ihr habt ganz Recht, es ist Vernunft ihr Inhalt,
Doch ihre Form bleibt ewig – die Gewalt<ref>Slecht kent gij de geschiedenis; gij hebt geheel en al gelijk, haar inhoud is de rede, maar haar vorm blijft eeuwig – het geweld.</ref>,

drukt zoo geheel en al den geest uit, die zich openbaart in tal van anderen zijner geschriften. Had zijn stuk een Duitsch-nationale strekking, zoodat hij blijkt te zijn een aanhanger van den Duitschen eenheidsstaat, nog sterker kwam dit uit in een brochure van zijn hand, eerst anoniem maar daarna met zijn naam verschenen: Der Italienische Krieg und die Aufgabe Preussens<ref>De Italiaansche oorlog en de taak van Pruisen.</ref>, waarin hij feitelijk den weg heeft aangegeven, later door Bismarck bewandeld. Hij waarschuwde, evenals overigens ook Friedrich Engels in zijn brochure Po und Rhein, tegen het verleenen van hulp aan Oostenrijk tijdens den oorlog, dien deze mogendheid voerde met Napoleon III; hij is tegen de klein-Duitsche partij en wil één groot-Duitschland zonder de dynastieën. Georg Brandes meent te weten, dat hij na den vrede van Villafranca tijdens een bezoek, door hem gebracht aan Garibaldi, moeite gedaan heeft, dezen te bewegen tot een tocht tegen Oostenrijk met zijn vrijscharen, ten einde op die wijze Duitschlands eenheid te verkrijgen. Ook Fichte had veel invloed op hem en in zijn vlugschrift: Fichte’s politisches Vermächtniss und die neueste Gegenwart<ref>Politiek testament en het jongste heden.</ref> schreef hij o.a.: “een keizer, al is hij erfelijk en behangen en gedekoreerd met allerlei fraaiïgheden, staat, wanneer tegelijkertijd de 35 soevereintjes zijn weggevaagd, voor Duitschland op een hooger trap van intelligentie en politieke waarheid dan onze federatieve republikeinen.” Hij wil de eenheid van Duitschland en is deze verkregen, dan is het rijijk gevormd van de tot stand gekomen persoonlijke vrijheid, het waarachtige rijk van het recht en dit dwingt alle naties tot den vrede.
Hoe geheel anders is de uitkomst geweest! Wel werd Duitschland één, maar inplaats van een waarborg voor den vrede te zijn, is het juist een dreigend gevaar geworden voor alle rust en vrede en sints dien tijd is de periode ingetreden van de vermeerdering der legers en de opdrijving der uitgaven voor oorlog en marine, aan het hoofd waarvan ministers staan die niet onaardig bestempeld zijn met de benaming van “ministers van droge en natte ruzie.” En voor deze denkbeelden plaatste Lassalle zich onder de vleugelen van den wijsgeer Fichte.
Behalve dezen kleineren arbeid was hij ook bezig met een groot werk, dat in 1861 verscheen onder den titel: System der erworbenen Rechte, eine Versöhnung des positiven Rechtes und der Rechtsphilosophie<ref>Stelsel der verworven rechten, een verzoening van het positieve recht en de wijsbegeerte van het recht.</ref>. Hij beschouwde dit boek, dat getuigt van groote scherpzinnigheid en geleerdheid, als de motiveering der socialistische ideën. In het voorwoord vraagt hij: “wat vormt den innerlijken ondergrond van onzen politieken en socialen strijd? Het begrip van het verworven recht is weer eens een strijdpunt geworden. In het juridische, politieke en ekonomische is het begrip van het verworven recht de bron van alle verdere vormen en waar het juridische als het privaatrechtelijke geheel schijnt los gemaakt van het politieke, daar is het nog veel politieker dan de politiek zelve, want daar is het het sociale element.” Volgens hem is de eenige bron van het recht het gemeenschappelijk bewustzijn van het geheele volk, de algemeene geest en hij meent dat Europa in sociaal opzicht voor de vraag staat, “of het vrije gebruik en ontwikkeling der arbeidskracht uitsluitend privaateigendom van den bezitter van arbeidssubstraat en arbeidsverhouding (kapitaal) zijn mag en of bij gevolg aan den werkgever als zoodanig en, afgezien van de belooning van zijn geestelijken arbeid, een eigendom aan vreemde arbeidswaarde (kapitaalwinst, kapitaalprofijt, dat zich vormt door het verschil tusschen den verkoopsprijs van het produkt en de som van loonen en vergoedingen van den gezamenlijken ook geestelijken arbeid, die op eenigerlei wijze hebben bijgedragen tot het tot stand komen der produkten) toegestaan mag worden.” Hij ziet in de ontwikkeling der rechtsgeschiedenis het streven, om “steeds meer de eigendomssfeer van het privaat-individu te beperken en te vernauwen en steeds meer voorwerpen te brengen buiten den kring van het privaateigendom.” Zeer scherpzinnig wijst hij er op dat emancipatie (vrijmaking) beteekent e mancipio en dus wil zeggen: uit het strenge eigendom zetten; vrijmaking is dus uit het eigendom zetten, geen vrijheid dus zonder eigendom. Vreemd mag het heeten, dat hij het moderne erfrecht hier onbesproken laat, evenals hij het later ook deed in zijn socialistische agitatie.
Toen hij bezig was aan de bewerking van dit boek, werd hij aangetast door een chronische ziekte, zoodat hij op geneeskundig advies tot herstel naar Aken ging, waar hij een liefdesepisode had met een 19jarige Russin, Sophie von Soluzeff, die echter ongelukkig voor hem afliep, daar zij niet genegen was hem haar hand te geven.
Sints 1860 had hij het plan om met Marx een groot demokratisch blad op te richten te Berlijn, daar de verwachte dood van koning Friedrich Wilhelm IV door een algemeene amnestie ook aan deze de gelegenheid zou openen om naar Berlijn te komen. Het plan mislukte. En wel ten eerste omdat Marx niet viel onder de amnestie en eerst naturalisatie zou moeten aanvragen, die hem wel geweigerd zou worden, en ten tweede omdat Marx en Engels, die beiden in de redaktie zouden komen, slechts één stem zouden hebben, wat Lassalle verlangde om niet door hen overvleugeld te worden, maar welke voorwaarde door hen werd geweigerd.
Nu breekt de tijd aan, waarin hij den strijd aanbond tegen de Fortschrittspartij. Twee redevoeringen deden als zoodanig dienst, de eene: Ueber Verfassungswesen<ref>Over het wezen der grondwet.</ref>, een kristalhelder betoog ten bewijze dat de feitelijke machtsverhoudingen de eigenlijke grondwet waren en niet een stuk beschreven papier, dat dien naam draagt, en de andere: Arbeiterprogramm meer het sociaal terrein behandelend. De laatste bezorgde hem een vervolging “wegens ophitsing der bezitlooze klassen tot haat en verachting tegen den bezittenden stand.” Hij werd tot 4 maanden gevangenisstraf veroordeeld. Zijn pleidooi maakte veel sensatie, vooral wegens de geestige wijze, waarop hij den wijsgeer Schelling (den vader) uitspeelde tegen diens zoon, den staatsprokureur, die als eischer tegen hem optrad. In hooger beroep werd de straf veranderd in geldboete, maar de inbeslagneming der brochure bleef gehandhaafd.
Die voordracht leert ons zijn staatsidee kennen. Hij bestrijdt de staatsidee van het liberalisme, bestaande in den waarborg van de persoonlijke vrijheid van het individu en van zijn eigendom, dat hij een nachtwachtsidee noemt, daar de staat dan niet veel anders is dan de nachtwacht, die “maakt dat men gerust kan wezen en ’snachts veilig slapen kan.” Daarentegen ziet hij in den staat een vereeniging van individuen, die hun allen een som van beschaving, macht en vrijheid bezorgt, waartoe zij als individuen nooit zouden kunnen geraken. Hij ziet in den staat de inrichting, die het menschelijk wezen tot ontwikkeling brengt, de opvoeding dus en de ontwikkeling van het menschelijk geslacht tot de vrijheid.
Om een proeve van zijn wegslependen stijl te geven, halen wij het slot aan:

“van de hooge bergtoppen der wetenschap ziet men het morgenrood van den nieuw aanbrekenden dag vroeger, dan in het gewoel van het dagelijksche leven.

Hebt gij wel eens een zonsopgang gezien, op een hoogen berg staande?
Een purperzoom verft den buitensten horizont rood en gloeiend, het nieuwe licht aankondigend, nevels en wolken verzamelen zich, drukken zich samen en werpen zich tegen het morgenrood, omhullen zijn stralen voor ’n oogenblik – maar geen macht der aarde is in staat het langzame en majesteuse opgaan der zon zelf te verhinderen, die een uur later, zichtbaar voor heel de wereld, helder schijnend en verwarmend staat aan het firmament.
Wat een uur is in het schouwspel der natuur van een enkelen dag, dat zijn een of twee tientallen jaren in het nog veel plechtstatiger schouwspel van een wereldgeschiedkundigen zonsopgang.”

Die staatsidee werkt hij nog verder uit in de rede, die hij klaar maakte voor het Kammergericht, maar die hij wegens heeschheid niet hield, getiteld: Die indirekten Steuern und die Lage der arbeitenden Klassen<ref>De indirekte belastingen en de toestand der arbeidende klassen.</ref> en waarin hij tot de rechters zegt: “den staat ken ik de hooge, geweldige taak toe, om de kiemen van het menschelijke te ontwikkelen, zooals hij dit, sints de geschiedenis bestaat, gedaan heeft en in alle eeuwigheid doen zal en als het orgaan dat voor allen bestaat, om aan zijn beschermende hand den menschelijken toestand van allen op te voeren. Deze leer, mijne heeren, is geen leer van verwoesting en barbaarschheid, zij is in de hoogste mate een staatsleer. Gij, mijne heeren, behoort immers niet tot de Manchestermannen, die moderne barbaren, die den staat haten, niet dezen of genen bepaalden staat, niet dezen of genen staatsvorm, maar den staat in het algemeen: en die, zooals zij dit hier en daar duidelijk hebben bekend, het liefst geheel den staat zouden willen afschaffen, justitie en politie gunnen aan den minstbiedenden en den oorlog zouden laten voeren door naamlooze vennootschappen: opdat nergens in het wijd heelal een zedelijk punt en houvast zou overblijven, vanwaar uit aan haar met kapitaal gewapende exploitatiezucht weerstand zou kunnen worden geboden. Hoe groot verschil u en mij ook van elkander scheidt, mijne heeren, tegenover deze vernietiging van al het zedelijke staan wij hand aan hand. Het aloude Vesta-vuur der beschaving, den staat, verdedig ik met u tegen die moderne barbaren.”
Men ziet hier den hartstochtelijken verdediger van het staatsidee en als dit niet de plechtige proklamatie van het staatssocialisme is, dan weten wij niet meer wat daaronder verstaan moet worden!
Scherp werd hij bestreden door de Fortschrittspartij, waartoe zoowat het geheele intellektueele deel van Duitschland toen ter tijd behoorde, maar hij was voor geen klein geruchtje vervaard en troefde haar duchtig af. Zoo o.a. wierp hij den liberalen in zijn brochure Macht und Recht voor de voeten, dat zij allerminst het recht hadden zich op het recht te beroepen, daar zij juist het recht den voet hadden gelicht om een stuk van de macht meester te worden.
Nu begint het laatste gedeelte zijns levens, waarin hij schier het bovenmenschelijke heeft verricht. Dit tijdvak duurde ruim een jaar en daarin heeft hij zooveel geschreven, gesproken, gedaan, dat het haast genoeg is om een heel menschenleven te vullen. Lassalle treedt nu op als socialist en leidt de arbeidersbeweging op nieuwe banen, die van het socialisme.
Er bestond een plan van een algemeen Duitsch werkliedenkongres, en er werd een oproeping gedaan om van 18 tot 25 November 1862 samen te komen, als gevolg van een bezoek, door verschillende arbeiders gebracht aan de wereldtentoonstelling te London. Zoowel te Berlijn als te Leipzig werkte men aan dit plan. In de oproeping tot een samenkomst ter bespreking van de zaak vinden wij de woorden “Gewerbefreiheit” en “Freizügigkeit” naast de vorming van associaties en invalieden-kassen, terwijl ook gesproken wordt van een wereldtentoonstelling te Berlijn. Echter de Fortschrittspartij, aan wier slippen toen de arbeiders hingen, was er tegen en toen men met die partij in de Berliner Tonhalle op 2 November een vergadering hield, waar o.a. ook de bekende Schulze-Delitzsch, de “koning in het sociale rijk”, tegenwoordig was, die geen resultaat kreeg, toen besloot men op voorstel van de twee Leipziger afgevaardigden Vahlteich, den lateren sekretaris van de Allgemeine Deutsche Arbeiterverein, en Fritzsche, om het tegen 18 November beraamd algemeen kongres te verdagen tot einde Januari en dan te Leipzig te houden. De Fortschrittspartij greep dit middel aan in de hoop, de heele zaak van de baan te schuiven en toen de beide Leipziger afgevaardigden, ter bespreking met de heeren nogmaals naar Berlijn gekomen, bemerkten dat zij werden afgescheept met woorden, beloften en frases, wendden zij zich tot Lassalle en met dezen kwamen zij klaar. De afspraak was dat het komitee, zetelende te Leipzig, hem zou uitnoodigen zijn denkbeelden over de arbeidersbeweging uiteen te zetten en dat Lassalle daarop zou antwoorden. Zijn meesterlijk Offenes Antwortschreiben<ref>Open Brief.</ref>, niet ten onrechte “de stichtingsoorkonde van het Duitsch socialisme” genoemd, verscheen op 1 Maart 1863. Zelf was hij er hoogelijk mede ingenomen en hij achtte het een wereldhistorische daad, waaraan hij in een schrijven aan zijn vriend Lewy te Düsseldorf (9 Maart ’63) ongeveer een werking toeschreef “als aan de stellingen van 1517 aan de slotkerk te Wittenberg.” In de redevoering, die hij daarna op verzoek te Leipzig hield op 16 Maart herhaalde hij dit, zooals men aan ’t slot ervan lezen kan: “een gunstig voorteeken heb ik in de omstandigheid dat juist hier in Saksen en van Leipzig uit het eerst deze besluiten zijn genomen; hier in Saksen was het, dat Luther de beroemde stellingen aan de slotkerk te Wittenberg sloeg, hier in Saksen was het, dat na het Leipziger dispuut de pauselijke bul door de studenten van Wittenberg werd verbrand. Hopen wij, dat de levenwekkende adem der groote hervorming, die deze eeuw eischt, van hier zal uitgaan en zijn werking verbreeden over den grond van het vaderland.” (Zur Arbeiterfrage).
Daar dit antwoord het program van Lassalle’s werkzaamheid bevat, moeten wij kortelijk den inhoud er van vermelden. Nadat hij herinnerd had aan de twee stroomingen onder de arbeiders, waarvan de eene zich heelemaal niet met de politiek wilde inlaten en de andere de arbeiders wilde maken tot een aanhangsel der Fortschrittspartij, kritiseerde hij deze laatste, om tot de konklusie te komen, dat de arbeidersstand zich moet konstitueeren tot een zelfstandige politieke partij en het algemeen gelijke en direkte kiesrecht maken tot de principieele banier en leuze dezer partij. De vertegenwoordiging van den arbeidersstand in de wetgevende lichamen van Duitschland – dit alleen kan in politiek opzicht zijn wettelijke belangen bevredigen. Een vreedzame en wettelijke agitatie hiervoor te beginnen met alle wettelijke middelen, dit is en moet zijn in politiek opzicht het program der arbeiderspartij. Wat de “Freizügigkeit” en “Gewerbefreiheit” aangaat, de debatten daarover hebben maar één fout, nl. dat ze meer dan 50 jaar te laat komen, want dat zijn dingen waarover men niet meer debatteert, men dekreteert ze zonder diskussie.
Dan bespreekt hij de spaar-, de invalieden-, hulp- en ziekenkassen, waarvan hij het betrekkelijke nut erkent, maar op de vraag, of daardoor de toestand van den arbeider verbeterd wordt, zooals Schulze-Delitzsch beweert, antwoordt hij beslist ontkennend. Immers het is niet als konsument, maar als producent dat de arbeider nadeel ondervindt. En nu ontwikkelt hij de ijzeren loonwet, die in de tegenwoordige omstandigheden, onder de heerschappij van vraag en aanbod, het loon bepaalt en wel op een wijze, dat het gemiddelde arbeidsloon steeds blijft staan op het punt van het noodzakelijke levensonderhoud, noodig voor het bestaan en voor de voortplanting. Aan elkeen, die den arbeiders spreekt van verbetering, wil hij de vraag voorleggen: erkent gij die wet, ja of neen? Erkent hij haar niet, dan is hij òf een bedrieger òf een weetniet. Erkent hij haar, dan moet gevraagd: hoe wilt gij haar op zij zetten? Weet hij hierop geen antwoord te geven, dan is hij een zwetser. En nu gaat hij ontwikkelen, hoe de ondernemers-winst op de eenvoudigste, vreedzaamste en wettelijkste wijze kan opgeheven worden, doordat de arbeidersstand door vrijwillige associatie als eigen ondernemer optreedt. Maar om dit mogelijk te maken aan dien stand, heeft hij de hulp van den staat noodig. Deze tusschenkomst van den staat heft de sociale hulp evenmin op, als dat men iemand zou verhinderen door eigen kracht een toren te bestijgen, als men hem een ladder of touw geeft, of dat de staat de jeugd verhindert zich door eigen kracht te vormen door haar scholen, onderwijzers en bibliotheken te verschaffen. Degenen, die in dit voorstel socialisme of kommunisme zien, wijst hij af als onkundigen, daar het niets hiermede heeft uit te staan. Dan gaat hij uiteenzetten wat de staat is en komt tot de konklusie, dat de armere klassen als de meerderheid feitelijk den staat uitmaken. Dus de vrije, individueele associatie der arbeiders en deze mogelijk gemaakt door de beschermende hand van den staat – zietdaar den eenigen weg voor den arbeidersstand, om uit de woestijn te geraken. En hoe den staat te brengen tot deze tusschenkomst? Door het algemeen direkt kiesrecht. Daarvoor moet dus geagiteerd worden en daarvoor alleen, want “de geheele kunst om praktische gevolgen te verkrijgen, bestaat hierin om ten allen tijde op één punt –en wel het gewichtigste– alle kracht te koncentreeren en niet naar rechts of naar links te zien.” En hij eindigt met deze agitatorische zinnen: “het algemeen kiesrecht van 89 tot 96% der bevolking, opgevat als maagvraag en dus ook met de warmte van de maag door het geheele nationale lichaam te verbreiden – weest onbezorgd, daar bestaat geen macht, die hieraan lang weerstand kan bieden. Dit is het teeken, dat gij moet planten. Dit is het teeken waarin gij zult zegevieren! Er bestaat niets anders voor u!”
Het plan van Lassalle laat aan duidelijkheid niets te wenschen over, het bestaat in drie deelen:

  1. oorzaak der ellende is de ijzeren loonwet;
  2. het loonstelsel kan alleen opgeheven worden door arbeidersassociaties met staatskrediet;
  3. dit krediet kan alleen verkregen worden door stem te geven aan de arbeiders, dus algemeen kiesrecht.

Revolutionairs lag er in dit plan niets. Zelfs kunnen wij het principieele onderscheid niet inzien tusschen zijn associaties en die van den zoo heftig door hem bestreden Schulze-Delitzsch, daar dit onderscheid kwantitatief en niet kwalitatief is. Marx liet er zich niet openlijk over uit en zag uit de verte toe, maar dat hij er niet mee sympathiseerde, blijkt uit zijn latere kritiek op het program van Gotha, waarin hij de ijzeren loonwet “het heilmiddel van den profeet” noemde, waartoe de weg “gebaand” moet worden. “In plaats van uit het revolutionair omzettingsproces der maatschappij, ‘ontstaat’ de ‘socialistische organisatie van den gezamenlijken arbeid’ uit ‘de staatshulp’, die de staat geeft aan de produktieve associaties, die hij en niet de arbeider in het leven roept.” Het is de fantasie van Lassalle waardig, dat men met staatsleeningen even goed een nieuwe maatschappij kan bouwen als een spoorlijn. Uit… schaamte stelt men de “staatshulp” – onder de demokratische kontrole van “het arbeidende volk.”
Blijkbaar steekt hij den draak met het heele plan, neemt hij er een loopje mede.
Als men vraagt of Lassalle daarin de redding der maatschappij werkelijk zag, dan zou men hierop ontkennend moeten antwoorden, althans in de korrespondentie die hij hierover voerde met Rodbertus, zien wij hoe ook hij evenals Rodbertus de afschaffing van grond- en kapitaaleigendom wilde, zonder welke men er niet kwam, maar dat doel lag pas in de verre toekomst. Wij treffen in die korrespondentie de frase aan: “men kan het aan het gepeupel (dem Mob) nog niet zeggen”, uit welk woord wij afleiden, dat hij iets tast- en voelbaars voor den grooten hoop wilde en daarom slingerde hij zijn idee van associatie met staatshulp, waarin de invloed van Louis Blanc niet valt te miskennen, onder het volk. Wanneer hij vroeger zei: “individuen kan men bedriegen, klassen nooit”, dan heeft hij daartoe toch een poging gedaan. Hij wilde beweging in de doode massa brengen en was eenmaal de zaak aan het rollen, dan zou zij wel verder komen. Als men eens den vinger heeft, komt de hand van zelf.
Huber verweet hem, dat hij “de lieden van den socialen en ekonomischen arbeid tot zelfhulp bracht op den weg der politieke agitatie, waarvan het doel is de staats-steun op grootsche wijze, waarvan de verwerkelijking onderstelt de geheele demokratiseering van de staats-macht of de even volkomen Bonapartiseering, waaraan misschien Lassalle zelf niet heeft gedacht.” Lassalle beantwoordde het eerste bezwaar uitvoerig, maar het tweede liet hij rusten en dat hij dit zonder opzet gedaan zou hebben, is niet te onderstellen.
Het doel was bereikt, de vonk was geworpen in een hoop brandbare stoffen en er begon een reuzenstrijd, waarin Lassalle zich in al zijn kracht toonde. Op i6 April hield hij te Leipzig een rede, die een breedere uiteenzetting van het Antwortschreiben bevatte. Een andere redevoering, te Frankfurt a/ Main gehouden in de maand Mei, was een ware triomf, daar hij een vijandig gehoor grootendeels wist om te zetten in een sympathiek. Deze rede verscheen later als Arbeiter-Lesebuch.
Op 23 Mei werd de Allgemeine deutsche Arbeiterverein gesticht te Leipzig, met statuten door Lassalle en Ziegler ontworpen. Deze bond was sterk gecentraliseerd en de president ervan, voor 5 jaar benoemd, heerschte erin als een ware diktator. Uit een later schrijven van 28 Juli 1864 moet men afleiden, dat Lassalle oorspronkelijk niet het plan had als president van den bond op te treden en alleen zwichtte voor den uitdrukkelijken wensch van de gravin. Hij weifelde omdat hij bang was voor mislukking en “als de zaak mislukt, zijn wij leelijk geblameerd.” Maar toen hij het aannam, deed hij het onder voorwaarde, zelf een vice-president te mogen aanwijzen.
Ondanks zijn werken voldeed de zaak niet aan zijn hooge verwachtingen, want na drie maanden agitatie telde de vereeniging slechts 900 leden. Zijn gezondheidstoe stand maakte het noodig dat hij rust nam en voor drie maanden naar Zwitserland ging. Die rust was betrekkelijk, want aldaar ontwierp hij zijn Bastiat-Schulze, de lijvige brochure waarin hij den “koning in het sociale rijk” onttroonde en jammerlijk toetakelde. Dit zijn sociaal-ekonomisch hoofdwerk, dat in Januari 1864 verscheen, wordt door sommigen geprezen als zijn beste, maar anderen vinden den toon veel te polemisch en persoonlijk. Men vergete echter niet, dat hij Schulze-Delitzsch vervolgt, omdat hij een type is, het “lichaam, vleeschgeworden verstand van onze burgerij”. Wat den theoretischen ondergrond aangaat, Lassalle bouwde op den grondslag van Marx, dien hij betitelde als zijn “leermeester in zulke zaken”. Zijn betoog is dat “Eigenthum Fremdenthum”<ref>Wat wij eigendom noemen, behoort aan vreemden.</ref> is geworden, zoodat de vruchten van den arbeid komen aan hem, die den arbeid niet verricht, terwijl de ekonomen het eigendom verdedigen en rechtvaardigen met de stelling, dat de vruchten van den arbeid toekomen aan hem, die den arbeid verricht, precies dus het omgekeerde van hun bewering en dat de socialisten niet, zooals gezegd wordt, het eigendom willen opheffen, maar integendeel het individueel eigendom als op den arbeid gegrondvest willen invoeren. In een Nawoord, dat hij noemt een “droefgeestige overpeinzing” trekt hij hevig te velde tegen de pers, de kranten, die de openbare meening maken, de burgerij ontslaan van zelfdenken en de uitspraak zijn van de middelmatigheid en vulgariteit “de ochlokratie in de wetenschap”. En als hij dan eindigt met de vraag: “zullen wij werkelijk een volk zijn, zooals onheilvolle voorspellingen zeggen, bestemd om enkele denkers te geven aan de volkeren en dan in ze op te gaan, de Joden onder de volkeren van Europa”? dan roept hij uit: “weg met deze droefgeestige gedachten! Reeds hoor ik in de verte den doffen stap der arbeidersbatailjons! Redt – redt – redt u uit de banden van een produktietoestand, die u tot waar heeft ontmenscht. Redt – redt – redt den Duitschen geest van den geestelijken ondergang. Redt tevens de natie voor verbrokkeling. Reeds flikkert in de hoogte het bliksemend licht van het algemeen direkt stemrecht. Op dezen of genen weg, spoedig schiet het sissend omlaag. Sints dit woord werd uitgesproken, is het een noodzakelijkheid geworden. Wapent u dus met dezen bliksemschicht, redt uzelven, redt Duitschland.”
Hij heeft dus alle hoop, om het Duitsche volk tot wedergeboorte te brengen door middel van het algemeen stemrecht en hij stelt alle vertrouwen in den gezonden kern der arbeiders.
Uit Zwitserland terugkeerende in het najaar van 1863 hield bij redevoeringen in de Rijnstreek en wel over: Die Feste, die Presse und der Frankfurter Abgeordnetentag drei Symptome des öffentlichen Geistes<ref>De feesten, de pers en de dag der Afgevaardigden te Frankfurt, drie teekenen van den openbaren geest.</ref>. Te Solingen raakte men handgemeen, zoodat de burgemeester de vergadering ontbond. Een telegram aan minister Bismarck om zijn bemiddeling bleef onbeantwoord. Dat hij eenige arbeiders, veroordeeld tot verscheidene maanden wegens het zich verweren met messen tegen de binnendringende Fortschrittsmannen op die bewuste vergadering, aanraadde gratie te vragen aan den koning –wat die arbeiders echter weigerden te doen– deed hem geen goed en zoowel die raad als dat telegram gaven vermoedens tot de bewering dat hij een handlanger der regeering was. Die rede, in druk verschenen, bezorgde hem een vervolging en veroordeeling tot 6 maanden gevangenisstraf.
Zijn pogingen om de arbeiders van Berlijn te winnen, hadden niet veel geluk, de vereeniging telde daar in December 1863 nog geen tweehonderd leden. Naar aanleiding van de brochure “Aan de arbeiders van Berlijn” werd hij wegens hoogverraad vervolgd, maar na een schitterend pleidooi vrijgesproken. Op 22 Mei 1864 hield hij zijn laatste agitatorische rede te Ronsdorf aan den Rijn, waarin hij de klem legde op de opvoeding des volks, waarin hij zich gunstig uitliet over de katholieke kerk en den bisschop van Mainz, von Ketteler, en zeer zonderling over zichzelf. Het is alsof hij een voorgevoel had van zijn ondergang en reeds bij voorbaat hoopte bewaarheid te zien het woord van den Romeinschen dichter: Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor (moge uit ons gebeente een wreker opstaan!) En eigenaardig is het woord dat hij eraan toevoegde: “moge met mij deze geweldige en nationale kultuurbeweging niet te gronde gaan, maar het vuur, dat ik ontstoken heb, wijder en wijder voortvreten, zoolang nog één enkele uwer ademt.” Daarop had een tooneel plaats, geheel op effekt berekend, waartoe hij zoo graag aanleiding gaf, want hij zei: “belooft mij dit en tot teeken hiervan heft uw rechterhand omhoog.” En aldus geschiedde het onder de grootste geestdrift. Op twee zaken willen wij hier nog letten en wel

  1. hoe hij spreekt van de strengste eenheid en tucht, zoodat hij daarop in ’t bizonder den nadruk legt en
  2. hoe hij gewaagt van een nationale kultuurbeweging, welk woord hem niet in het vuur zijner rede is ontvallen maar met opzet gekozen.

Daarbij kwam dat het vervolgingen regende, en daar de rechtbanken aan den Rijn meestal bezet waren met Fortschrittsmannen, peperden die heeren hem zijn optreden tegen die partij in. In zijn laatste pleidooi te Düsseldorf op 27 Juni 1864 sprak hij: “het is hard voor een man op mijn leeftijd en levensgewoonten voor twaalf maanden, ja zelfs voor twaalf dagen in de gevangenis te moeten gaan en in dat opzicht gaat het mij niet meer als in mijn jeugd, toen ik met dezelfde kalmte naar den kerker wandelde, waarmede een ander naar een bal ging. Maar niettemin liever zou ik mijn leven lang den nacht des kerkers niet willen verlaten dan zulk ’n vonnis te hebben geveld.” Het hielp niet veel, een veroordeeling van zes maanden volgde.
Zijn stemming was toen ook gedrukt, want hij had soms last met de arbeiders, die niet meer zoo blindelings wilden doen wat hij wilde. Er waren er die begonnen in te zien, dat langzamerhand minder het doel dan wel de eer van hem zelf op den voorgrond stond. Reeds had hij zijn sekretaris Vahlteich moeten uitstooten en hij zag zeker de oppositie aangroeien tegen zijn diktatoriale macht en toch iets anders dan diktator kon hij niet zijn. Hij gevoelde meer en meer dat hij zoo niet kon blijven voortgaan, hij vroeg zich zelven al eens af of hij niet te vroeg was gekomen, of het volk wel rijp was voor zijn denkbeelden en of het niet nutteloos was om telkens in de gevangenis te worden gestopt, in aanmerking genomen de geringe resultaten. Martelaarsbloed bezat hij niet veel, daartoe was hij te zeer een man van de wereld, die gewend was aan komfort en weelde. Alles met elkaar maakte dat hij wel van zijn post ontslagen wilde worden en zeker sprak bij zijn ziel uit in een brief aan de gravin van 28 Juli 1864: “ik wensch niets liever dan bevrijd te worden van de heele politiek en mij terug te trekken in wetenschap en natuur. Ik ben de politiek moede en heb er genoeg van. Zeker ik zou hartstochtelijk als altijd voor haar ontvlammen, als er ernstige gebeurtenissen plaats hadden of als ik de macht had of een middel zag om haar te veroveren –zulk een middel als voor mij gepast is– want zonder de hoogste macht valt er niets te doen. Voor kinderspel ben ik te oud en te groot. Daarom heb ik heel ongaarne het presidium op mij genomen. Ik gaf alleen om uwentwil toe. Daarom drukt het mij nu zoo sterk. Als ik eraf was, dan zou het nu de tijd ervoor zijn,” enz. Dus Lassalle meende ook, dat “si j’étais roi”<ref>Als hij koning was.</ref>, hij in staat zou zijn de zaken te regelen naar zijn inzichten, hij wilde de hoogste macht hebben! Vreemd is het dat hij het presidium van een vereeniging, die zulke groote dingen zou verrichten, kinderspel noemde! Maar wat hieruit ook blijkt, is dat hij er genoeg van heeft en er met fatsoen tusschen uit wil.
Dadelijk na het uitspreken van het vonnis vertrok hij naar Zwitserland.
Voordat wij het tragisch einde van Lassalle mededeelen, willen wij kortelijk teekenen zijn verhouding tot twee mannen van beteekenis, nl. tot Bismarck en tot Marx.
In ’t jaar 1878 liet Bismarck zich over zijn betrekking tot Lassalle in deze bewoordingen uit: “Lassalle heeft mij het eerst opgezocht. In elk geval ben ik de Bebelsche sociaaldemokratie niet meer genaderd. Integendeel, ik heb de andere opgezocht of mij door haar laten opzoeken, om tegen de internationale sociaaldemokratie op te treden: niet om den duivel door Beelzebub te verdrijven, maar omdat de sociaaldemokratie mij een oogenblik geschikt toescheen ter ontwikkeling en wel tot een tegengif in tweëerlei opzicht, nl. tegen de anti-monarchale en kosmopolitische Marx’sche sociaaldemokratie en tegen de eenzijdigheid der Manchesterlieden. Ik zou mij nu nog voor het voorhoofd moeten slaan, wanneer ik als een Pruisisch minister niet had acht geslagen op een beweging die zich onmiddellijk voor mijn oogen voltrok en mijzelven niet had afgevraagd: wat is dat voor een nieuwe beweging, die men te Berlijn beoogt? Een gezonde of niet? Zieke bewegingen waren er toen genoeg”! Maar kort daarna kwam de zaak weer ter sprake in de openbare zitting van den Rijksdag en toen verklaarde Bismarck, dat hij nooit met eenigen sociaaldemokraat onderhandeld had en geen sociaal-demokraat met mij, “want Lassalle reken ik niet daartoe, dat was een veel voornamer natuur dan zijn epigonen, hij was een man van beteekenis, met wien men wel kon redeneeren.” Later over Lassalle sprekende zei hij, dat hij hem niet wekelijks drie- of viermalen heeft gezien, maar in het geheel drie- of viermalen. Maar onze betrekking kon niet den aard hebben van een politieke onderhandeling. “Wat had Lasalle mij kunnen aanbieden en geven? Hij had niets achter zich. In alle politieke onderhandelingen is het do ut des<ref>Ik geef opdat gij geeft.</ref> een zaak, die op den achtergrond staat, ook dan wanneer men er fatsoenshalve niet over spreekt. Wanneer men echter zeggen moet: wat kunt gij arme drommel geven? Hij had niets, wat hij mij, den minister, had kunnen geven. Wat hij had, dat was iets, wat mij als mensch bizonder aantrok; hij was een der talentvolste en beminnelijkste menschen, met wie ik ooit verkeerd heb, een man die eerzuchtig was in grooten stijl, in het geheel geen republikein, hij had een zeer scherp geteekende nationale en monarchale gezindheid,” het idee dat hij nastreefde, was het Duitsche keizerschap en daarin hadden wij een punt van aanraking… Of het Duitsche keizerschap juist met de dynastie Hohenzollern dan wel met de dynastie Lassalle zou afsluiten, dat was voor hem misschien twijfelachtig, maar monarchaal was zijn gezindheid door en door. Maar dezen onbeholpen epigonen, die zich nu op hem verhoovaardigen, zou hij een quos ego toegeslingerd, hen met hoon teruggewezen hebben naar hun nietswaardigheid en zou hen buiten staat hebben gesteld zijn naam te misbruiken. Lassalle was een energiek en zeer talentvol mensch, met wien men met leering kon praten; onze gesprekken duurden uren lang en het speet mij altijd, wanneer zij geëindigd waren. Daarbij is het onjuist, dat ik vervreemd zou zijn van deze soort van persoonlijke betrekkingen, die van persoonlijke welwillendheid getuigen, zooals zij zich tusschen ons gevormd hadden, terwijl hij den aangenamen indruk had, dat ik in hem een man van geest zag, met wien het plezierig was te verkeeren en hij zijnerzijds den hem welgevalligen indruk, dat ik een intelligent en bereidwillig toehoorder was. Van onderhandelingen was reeds daarom geen sprake, omdat ik bij onze gesprekken weinig aan ’t woord kwam; hij droeg de kosten van het onderhoud alleen, maar hij droeg ze op aangename en beminnenswaardige wijze en elkeen, die hem kende, zal mij gelijk geven in mijn teekening. Hij was de man niet, met wien bepaalde afspraken over het do ut des konden worden gemaakt, maar ik betreur het dat zijn politieke plaats en de mijne mij niet toelieten veel met hem te verkeeren, maar ik zou mij verheugd hebben zoo iemand van begaafdheid en geest naast mij te hebben gehad als buurman op een landgoed."
Hieruit blijkt dat beide mannen elkander aanstonden, want ook Lassalle voelde zich aangetrokken tot den man “van ijzer” en voegde daarbij deze opmerking: “als men ijzer verfijnt, wordt het staal en dan kan men er ook stekende, sierlijke wapenen van maken, maar het zijn altijd slechts wapenen.” Beiden hadden ook een diktators-natuur en was Lassalle geen Jood geweest maar van oud jonkergeslacht, hij had best een Bismarck kunnen worden evengoed als Bismarck, uit jodenfamilie gesproten, omgekeerd heel goed een Lassalle. Het waren verwante zielen en dan beslissen veelal de uitwendige omstandigheden, wat er van iemand wordt. Maar al wilde misschien de een den ander gebruiken en al verbeeldden beiden zich elkaar te slim af te zijn, in de gegeven omstandigheden kan men die konversatie niet anders beschouwen dan als terreinverkenning. Wat later van Lassalle geworden zou zijn, of Rodbertus gelijk had gekregen in zijn meening dat Bismarck de partij van Lassalle wel tot zich had kunnen trekken, dan wel Georg Brandes, die dit ontkent, wie zal het uitmaken? En dat Lassalle zijn verwante natuur met Bismarck toonde, blijkt uit het heldere inzicht van hetgeen hij verwachtte van dien staatsman, toen hij in 1864 sprak: “Zoo verkondig ik u dan op deze feestelijke plaats, dat er misschien geen jaar zal voorbijgaan of de heer von Bismarck heeft de rol van Robert Peel gespeeld en het algemeen en direkt kiesrecht is ingevoerd”. Een profetisch woord, want het kwam reeds in 1866 in vervulling.
De volgende aardigheid wordt over beiden verteld. Op zekeren dag ontmoetten Lassalle en Bismarck elkander op straat. In druk gesprek moet Bismarck den arm van Lassalle hebben genomen en zoo gearmd liepen beiden door de Leipzigerstrasse. Dicht bij de Wilhelmstrasse gekomen viel deze positie den president minister op. Lachend zou hij gezegd hebben: als ons nu een lid der Fortschrittspartij ontmoet had, dan zou morgen ons bondgenootschap in de bladen staan. Mij kan het geen nadeel doen! – Mij ook niet! antwoordde Lassalle.
Men zou geneigd zijn te meenen dat Lassalle in het koningschap de natuurlijke bescherming zag voor den arbeidersstand, ofschoon met zekerheid dienaangaande niets beslist kan worden, en het gebied der onderstellingen is te groot en te gevaarlijk om er zich op te wagen. Wanneer echter Bismarck den koning den raad geeft om eenigen wevers, die ontslagen waren, geld te geven voor een produktieve associatie –welke associatie echter spoedig mislukte– dan kan men wel zeggen dat dit geschiedde onder den invloed van Lassalle.
Wat Lassalle’s verhouding tot Marx aangaat, deze schijnt in den beginne vriendschappelijk te zijn geweest, maar later zag Marx met wantrouwen, misschien met afgunst, hoe Lassalle hem in Duitschland overvleugelde. Erkende Lassalle hem als zijn leermeester, had hij bij een aanhaling van Marx een woord van den hoogsten lof voor hem over, niets daarvan bemerken wij bij Marx, integendeel, deze scheen zoo ontstemd, dat hij niet kon nalaten, hoewel het geheel onnoodig was, om hem na zijn dood nog in het voorwoord van zijn Kapital in de noot de woorden toe te bijten, dat Lassalle den geestelijken kern van zijn betoog over deze onderwerpen geeft, maar “belangrijke misverstanden” tevens en dan voegt hij er aan toe: “en passant. Als F. Lassalle de gezamenlijke algemeene theoretische stellingen van zijn ekonomischen arbeid, b.v. over het historisch karakter van het kapitaal, over den samenhang tusschen produktie-verhoudingen en produktiewijze, enz. bijna woordelijk, tot de door mij geschapen terminologie toe, aan mijn geschriften ontleent, en wel zonder opgave van bron, dan zal deze handelwijze wel bepaald zijn geworden door redenen van propaganda. Ik spreek natuurlijk niet van zijn behandeling van onderdeelen en toepassingen, waarmede ik niets te maken heb.”
Deze toon is alles behalve vriendschappelijk en leest men de lang niet malsche beoordeeling van het plan der produktieve associatie met staatshulp en de blijkbare ironie in sommige bewoordingen, dan ziet men dat deze verhouding nu niet van de beste was.
Afgewerkt, vermoeid, ziek, ontmoedigd ging Lassalle tot herstel van gezondheid naar Zwitserland. Men zou haast zeggen dat hij een voorgevoel van zijn dood had en ook zou men dit afleiden uit het verhaal van Paul Lindau, met wien hij den laatsten tijd te Düsseldorf veel verkeerde, als deze vertelt hoe hij hem naar het station bracht en terwijl hij het hoofd nog eens stak door het portier van den waggon, waarin Lassalle zat, zeggende: tot weerzien, meneer Lassalle, antwoordde deze: wie weet? En toen Lindau hem daarop verwonderd aanzag, voegde hij er deze woorden aan toe: een jaar of ook maar een half jaar kan ik mij de vrijheid niet meer laten berooven. Ik houd het eenvoudig niet uit. Liever verlaat ik het vaderland. Ik ben met mijn zenuwen heelemaal eronder geraakt. Rigi Kaltbad zal mij, naar ik hoop, bruikbaar maken."
Op 25 Juli heeft de noodlottige ontmoeting plaats met Helena von Dönniges, die de aanleiding zou geven tot zijn treurig, eigenlijk onwaardig uiteinde. Lassalle toch, de verklaarde tegenstander van het duel, viel zelf in een duel en al getuigde Marx aan de gravin: “hij stierf jong –in het gevecht– een Achilles”, wij vinden zijn dood geen heldendood op het veld van eer. De eenige vergoelijking is dat hij ziek was en haast niet meer verantwoordelijk voor de dwaasheden, die hij deed. Dit meisje had hij op 18jarigen leeftijd te Berlijn leeren kennen in 1862 en beiden hadden direkt indruk op elkaar gemaakt. Lassalle’s vriend Holthoff trad als tusschenpersoon op en toen hij de zekerheid had, dat zij een man durfde huwen, die niet van adel en een Jood was, toen wendde hij zich tot haar vader, die Beijersch gezant in Zwitserland was, om de hand zijner dochter voor Lassalle. Maar het antwoord was beslist afwijzend. Zij verloofde zich aan het sterfbed van haar grootmoeder met Yanko von Racowitza, een Boyaar uit Walachye. Ook zij kwam op den Rigi, waar zij wist dat Lassalle was en zocht hem daar op. Een week ongeveer waren zij tezamen te Wabern en leidden daar een gelukkig leven. Hoe wist hij haar de mogelijkheid te schetsen, dat hij eens, gekozen tot president eener Duitsche republiek door het volk, de hoofdstad zou binnenrijden in een rijtuig bespannen met schimmels met haar aan zijn zijde en hoe vermaakten zij zich te zamen in allerlei illusies!
Moeilijk valt het uit te maken of de gravin dit huwelijk ook in stilte tegenwerkte. Bernard Becker zegt, dat Lassalle viel als slachtoffer van twee coquettes; wij durven zoo ver niet gaan, maar wij kennen de omstandigheden ook niet zoo goed. Ook wordt wel eens beweerd, dat Helena door zijn tegenstanders gebruikt is om hem te gronde te richten, maar als dit het geval is, dan zou dit zeer tegen haar ouders pleiten.
Op 3 Augustus zou het de beslissende dag zijn, waarop Lassalle het jawoord zou komen halen der ouders te Genève. Hij kwam met een trein later dan zij en nam zijn intrek in het pension Bovet dicht bij de woning van den heer von Dönniges. Toen hij aankwam, wist hij niet welk tooneel daar aan huis was afgespeeld. Zij kon het in huis niet uithouden en kort nadat zij hem een brief had laten bezorgen door haar kamenier, snelde zij naar hem toe en gaf zich onvoorwaardelijk aan hem over met de woorden: “ik ben het ongelukkigste schepsel op aarde. Hier hebt gij mij (anderen beweren dat zij zei: hier hebt gij een zaak), doe met mij wat gij wilt.” En nu heeft het vreemdsoortigste plaats wat zich laat denken, nu wilde Lassalle haar niet hebben, tenzij hij haar kreeg uit de hand harer ouders en hij was het, die haar terugbracht naar haar moeder. Onverklaarbaar is deze daad, tenzij het waar is, dat hij een ziekte had, waardoor het hem niet geoorloofd was haar tot zich te nemen. Maar hij heeft haar als vrouw beleedigd en van dat oogenblik veranderde haar stemming en keerde zich tegen hem. Nu wilde hij haar echter hebben tegen elken prijs en bewoog hij hemel en aarde om haar toch te krijgen. Zelfs de diplomatie wilde hij gebruiken om zijn doel te bereiken. Meenende dat zij katholiek was, liet hij de gravin stappen doen bij bisschop von Ketteler van Maintz, ten einde zich door den doop in de katholieke kerk te laten opnemen, maar hij wist niet meer wat hij deed, hij vergat dit te onderzoeken, want zij was niet eens katholiek, zij was protestant. Haar verzet prikkelde hem, hij voelde zich gekwetst in zijn ijdelheid en buiten zichzelven van woede daagde hij den ouden heer von Dönniges uit tot een duel en ging in zijn schrijven zoo ver om Helena te noemen een “verworfene Dirne”<ref>Een slechte meid.</ref>, zonder te begrijpen wat hij zeide, want om zoo iemand duelleert men toch niet. Racowitza, die in genade door haar was aangenomen, al was het alleen om Lassalle te tergen, nam het voor zijn aanstaanden schoonvader op. Het duel had plaats op 28 Augustus in een boschje bij Carouge, een voorstad van Genève, waar nu ter herinnering aan die gebeurtenis een gedenksteen is geplaatst. Lassalle werd doodelijk getroffen en op 31 Augustus was hij een lijk. Zoo eindigde het leven van Lassalle zeker niet op de meest waardige wijze. Te Genève had een groote internationale lijkplechtigheid plaats, waartoe ook Bakunine opriep. De gravin maakte zich meester van zijn lijk, dat zij plechtstatig door heel Duitschland wilde voeren, maar zij werd door de regeering genoodzaakt met het lijk direkt naar Breslau te gaan, waar hij begraven werd. Op zijn graf staan de woorden: “Hier ruhet was sterblich war von Ferdinand Lassalle, dem Denker und Kämpfer”<ref>Hier rust wat sterfelijk was van Ferdinand Lassalle, den denker en strijder.</ref>!
In Duitschland maakte zijn dood in de arbe1derswereld veel sensatie, men wilde het niet gelooven en velen dachten dat hij vermoord was geworden. Sommigen verwachtten zijn plotselingen terugkeer, zoo iets als de oude christenen die de wederkomst van Christus hoopten en een ware Lassalle-religie had geruimen tijd in Duitschland plaats. Ons is de gedachte nooit vreemd geweest dat zoo hij al niet het eind zijns levens gezocht heeft, hij toch geheel onverschillig ervoor was geworden en dat de dood hem toen zeer welkom was, daar deze alleen hem bevrijden kon van de groote moeilijkheden, die zich boven zijn hoofd hadden opgestapeld. In elk geval de man, die tijdens zijn leven veel van effekt hield, heeft ten slotte een effektvollen dood gehad. Het was Rodbertus, die zeer terecht wees op de tweeërlei Lassalle’s, vereenigd tot één persoon, den esoterischen (inwendigen) en den exoterischen (uitwendigen) en hij meende grond te hebben voor de meening, dat “zijn nationaal-ekonomische begrippen hem zelven niet meer bevielen.” De gravin was van meening, dat “hij in waarheid te gronde ging aan zijn eigen kracht” en wierp het denkbeeld alsof hij zwak zou zijn geweest, verre van hem, daar hij, was hij zwak geweest, nu nog als gewoon mensch in ons midden zou leven."
Dit blijft zeker, dat Lassalle zich in den korten tijd zijner agitatie een blijvende plaats heeft veroverd in de harten van duizenden arbeiders, in wier oogen hij een soort godheid was, wien zelfs zijn weelderige leefwijze, zijn elegant optreden in volksvergaderingen niet werd kwalijk genomen. Als zijn opvolger wees hij zelf Bernard Becker aan, die het scheepje zijner Allgemeiner deutscher Arbeiterverein voortaan zou moeten sturen. Wij zullen later de gelegenheid hebben om te zeggen hoe hij dit deed. Of de mensch Lassalle groot genoemd mag worden, betwijfelen wij, maar als denker en vooral als agitator blijft hij schitteren aan den arbeidershemel.

6. Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895.)

Deze Dioskuren, gedurende hun leven door een vriendschapsbond verbonden die ons doet denken aan David en Jonathan of aan Orestes en Pylades, zullen wij na hun dood niet van elkander scheiden. Dat kan ook haast niet, want door een lang intiem verkeer en een voortdurende gedachtenwisseling waren zij als in elkaar gegroeid, zoodat zij bijna hetzelfde dachten over de voornaamste punten. Men heeft Engels wel eens den kwaden geest van Marx genoemd, maar in hoeverre dit het geval is geweest, kunnen wij niet beoordeelen. Ongetwijfeld hebben beiden een ontzaggelijken invloed gehad op den ontwikkelingsgang van het socialisme in de wereld en zij hebben den stempel van hun machtigen geest afgedrukt op de eene strooming van het socialisme, die wij zouden willen betitelen met den naam van gezagssocialisme, terwijl de andere beheerscht werd door een even machtige persoonlijkheid, Michael Bakunine, die beschouwd kan worden als de vader van het anarchisme of “vrijheidlievend socialisme”.

Bestand:Fotos/bakounin.jpg
Michael Bakounin.

Reeds het uitwendige leven van deze twee mannen biedt een groot kontrast aan. De een (Marx) is de man der theorie, de ander (Bakunine) die der daad; de een de man van het studeervertrek en de ander die van de praktijk; de een sloot zich als ’t ware op en zonderde zich af van de wereld om te leven met zijn boeken en enkele uitverkoren vrienden, de ander was liefst te midden van het gewoel der menschen en dorstende naar daden; de een was de geleerde, van wien schier getuigd kan worden: “al wat in boeken staat, is in dat hoofd gevaren”, een taaie, geduldige onderzoeker, de ander de geniale denker, die de gedachten in de wereld werpt evenals Jupiter bliksemschichten, maar zich den tijd niet gunt om ze uit te werken, zoodat bijna geen enkel stuk van zijne hand voltooid tot ons kwam; de een een Semiet van oorsprong, die in den talmudischen opzet van zijn boek over het kapitaal, zijn samenhang toonde met de wereld der rabbijnen, waartoe hij door afkomst behoorde, de ander een Christen, die zich niet geheel heeft kunnen losworstelen van het geloof aan het absolute, al vertoonde het zich op bizondere wijze; de een een Germaan, die geloofde in de superioriteit van zijn ras en in Rusland den erfvijand zag, tegen wien men steeds op zijn hoede moest zijn, de ander een Slaaf, die nieuw bloed in de oude aderen der maatschappij kwam brengen, evenals zijn ras dit waarschijnlijk eenmaal zal doen ten opzichte der Romaansche en Germaansche rassen.
Nergens lazen wij een even treffende als juiste vergelijking van deze “twee rotsachtige naturen” dan bij prof. Quack in de volgende schoone beschrijving:

“Bij Marx zien we allereerst strategie, concentratie, taaie volharding. Hij heeft zijn kracht gekregen in de stilte van zijn studeervertrek. Hij is veel omvattend en veelzijdig, doch tegelijk onverzettelijk en onverbiddelijk. Hij is volkomen meester van zichzelf; koelbloedig naar ’t uiterlijk. Zijn bedwongen hartstocht uit zich slechts in kouden haat. Zijn programma is volkomen dialektisch uitgewerkt tot een vast en sluitend systeem. Zijn de premissen toegegeven dan volgt het overige van zelf. Geen sonore frases geeft hij ten beste, maar soliede kennis. Hij is een pessimist en bittere humor ontwelt aan zijn lippen. Hij is een stout rekenaar, doet geen zet die niet vast berekend is; hij weet wat mogelijk en onmogelijk is; hij taxeert alle krachten. Hij richt de slagen dáár, waar zij raken. Hij vecht uit de verte met batterijen van geschut.

De hooge gestalte van Bakunine zien wij in onze verbeelding daarentegen steeds in het vuur zelf, als op een barrikade. Zijn lange haren, zijn breede jas fladderen om hem heen. Hij zwaait met de roode vlag. In rumoer en geraas beweegt hij zich. Hij schrijdt voort te midden van vlammen. Hij handelt naar impulsies en krijgt, als die Russische krijgers van Tolstoï’s roman, zijn beste ingevingen midden in den strijd. Hij is krachtig, grof, ruw en woest, maar fier en grootsch. Wat donkere gangen hij opgaat, hij is blijmoedig. Zijn lach weerkaatst toch overal. Er blijft bij al zijn op de oppervlakte ten toon gespreid materialisme een mystieke trek in zijn persoon. Hij behoort tot het ras der Simsons. Hij schudt aan de pijlers van den tempel der orde en de zuilen kraken”.

Deze teekening is schilderachtig, zij is uit het leven gegrepen, zij kenschetst beide persoonlijkheden. Wij hebben zelven altijd denzelfden indruk gekregen van Marx als deze professor, nl. een “huiverende beklemming”, door zijn reusachtige geleerdheid verwekt, maar “hij trekt niet aan, men voelt zich niet thuis in zijn gezelschap. Hij is meer het”orakel“, waartegen men opziet als hij spreekt. Hij had”volgers en aanhangers bij menigte, doch het getal zijner vrienden was gering. Men kan dan ook niet zeggen dat hij een edel hart had. Grootmoedig was hij niet tegenover tegenstanders. Integendeel, waar men van zijn denkbeelden in zijn kring afweek, was hij verbeten. Men zeide soms van hem, dat hij een temperament van gal bezat. Leedvermaak over het ijdel drijven zijner vijanden kwam te dikwijls bij hem voor. Zijn karakter was heerschzuchtig en hard. Doch zijn talent was van de hoogste orde, daardoor bleef hij in zijn kringen gemakkelijk de eerste. Ook zijn stijl heeft waarde. Al ontbrak hem het wegsleepende pathos van Lassalle, toch miste zijn inééngedrongen formuleering en fixeering der gedachten zelden haar doel. Zijn wijze van uitdrukking is soms monumentaal. Mathematische strengheid paart zich bij hem aan schroeienden gloed. In ragfijnheid van ontleding kwam onder de partijgenooten hem niemand zelfs nabij. Door zijn talent bleef hij de stevigste hefboom van zijn partij."
Hij doet ons denken aan Kalvijn, wiens machtige, logische geest ook zooveel invloed heeft uitgeoefend. Beiden waren dogmatische geesten, de een op godsdienstig, de ander op ekonomisch gebied, die met groote konsekwentie het dogma verdedigden, door hen vooropgesteld. Als men zijn premisse toegeeft, dan is men verloren, want voor de rest sluit alles wonderbaar goed in elkaar – zoo zei eenmaal prof. von Sybel<ref>Die Lehren des heutigen Sozialismus und Communismus.</ref> over Marx. En in hun dogmatischen geest hebben zij geen oog voor een afwijkende meening en had Marx in de 16e eeuw geleefd, hij zou ongetwijfeld en zonder eenige gewetenswroeging gedaan hebben met Bakunine, wat Kalvijn heeft gedaan met Michaël Servetus en andere zoogenaamde “ketters”.
Zijn universeele geleerdheid, zijn groote kennis worden dan nog ook door niemand in twijfel getrokken. Prof. Beesly zegt van hem, dat hij zijn gelijke niet heeft in kennis van de geschiedenis en statistiek der industrieele beweging van alle deelen van Europa. Albert Lange noemde hem den geleerdsten en scherpzinnigsten staat-huishoudkundige van zijn tijd en Rudolph Meyer erkende het werk van Marx als de grootste wetenschappelijke getuigenis van de moderne Duitsche staathuishoudkunde.
Dit oordeel is veel juister dan dat van prof. Ziegler, als deze van Marx getuigt:
“Karl Marx was de man van het meest koele verstand, kritisch tot erbarmingloosheid toe, zonder idealen, omdat hij geheel zonder illusies was, ook een agitator maar niet op de wijze van Hutten, neen zooals Mazzini of, als het beeld geoorloofd is, zooals de kruisspin, die stil haar net spint en haar offers met doodelijke zekerheid daarin vangt”<ref>Die geistigen und socialen Strömungen des 19 Jahrhunderts von prof. dr. Th. Ziegler.</ref>. Als Marx “zonder idealen” was geweest, zou hij ongetwijfeld een schitterende loopbaan hebben gehad, want hij bezat alle voorwaarden om vooruit te komen in de wereld, als hij even praktisch had willen zijn als de meeste universiteitsprofessoren of staatslieden!
Een geheel andere persoonlijkheid was Bakunine. Volgens de getuigenis van allen, die hem gekend hebben, had ook hij iets geweldigs. Had hij eenige eeuwen vroeger geleefd, hij zou een dier helden geweest zijn, zooals Herkules, Achilles, koning Arthur, Karel de Groote, rondom wien zich een kring van sagen heeft gevormd en die de nageslachten vervult met eerbied en bewondering. Hij sleepte mede en niemand kwam met hem in aanraking of onvergetelijk was de indruk, dien hij achter liet. Hij bezat in hooge mate de eigenschap om menschen te hypnotiseeren en daarom trok hij aan. Wie met en bij hem geweest was, verlangde weer naar de gelegenheid om hem te ontmoeten. Open en mededeelzaam hield hij ook veel van den omgang met anderen. Hij oefende door zijn persoonlijk optreden een eigenaardige bekoring uit. “Zijn imponeerende verschijning deed denken aan een belichaamd onweder”. En “waar hij, een soort van reus in gestalte, zich vertoonde, daar klonk wel zijn woeste welsprekendheid, schaterde zijn breede lach, weergalmde zijn kreten, doch werd allereerst iets gedaan.” Het is zeer wel mogelijk, dat prof. Quack gelijk heeft in zijn opmerking, dat Bakunine als Rus een nieuwen faktor bracht in het socialisme, te weten: het Slavische element en dat het daarom niet vreemd mag heeten, dat dit, door velen niet begrepen, aanleiding moest geven tot heftigen strijd, nog daargelaten dat de psychologische ontleding van het karakter dezer twee sterk sprekende persoonlijkheden leert hoe het noodzakelijkerwijze tot een botsing moest komen. Deed het stelsel van Marx “soms denken aan een reusachtig netwerk, dat over de menschheid zou worden heengetrokken en waarin een ieder gebonden zou zijn”, dan kan het niet verwonderen dat reaktie daartegen moest volgen en zij is gekomen in den persoon van Bakunine, die opkwam tegen de bedreiging en belaging der vrijheid, zooals hij die zag en vreesde.
Terwijl zoovelen in hem zagen een wreeden en bloeddorstigen demon, wiens eenige begeerte daarin bestond om de woeste wraakgedachten over de wereld uit te storten, of wel een gek met de verwoestingsmanie, terwijl Laveleye op hem toepast de beschrijving: “als Dante afdaalt in de kringen der hel dan bevindt hij zich, gekomen in de diepste duisternis der ‘stad zonder hoop’, tegenover den vreeselijken soeverein der oproerige engelen: L’imperado del doloroso regno” stellen anderen daartegenover een oordeel dat hiervan hemelsbreed verschilt. Zoo prof. Dragomanov uit Sofia, die zijn portret teekent met de volgende woorden: “een temperament van groote bedrijvigheid en een altijd wakkere energie; een schoon redenaarstalent, die groot gemak had de menschen aan te trekken en mede te slepen, al was het ook tijdelijk; een logische geest, bekwaam om juist te oordeelen maar met gebrek aan onafhankelijkheid; ontdaan van het genie van uitvinding en waarneming, beter in staat om de denkbeelden van anderen op te nemen en ze tot het uiterste te voeren, dan om zelf oorspronkelijke denkbeelden voort te brengen. Weinig geneigd om in zijn beoordeeling de verschillende zijden van zijn onderwerp te onderzoeken, liet hij zich gemakkelijk meeslepen en werd hij exklusief; hij beschouwde de dingen subjektief en helde over tot overdrijving. Eindelijk hij liet zich gemakkelijk inspireeren door anderen en onderging bovenal den invloed van een energiek temperament. In de politiek bepaalde deze eigenschap hem veel meer tot de rol van partijganger dan tot die van partijchef.”
Zijn vrienden Cafiero en Elysée Reclus getuigden van hem: “vrienden en vijanden weten dat deze man groot was in denken, willen, volhardende energie; zij weten ook welke minachting hij gevoelde voor fortuin, rang, roem, al die ellende die de meerderheid der menschen de laagheid hebben te begeeren. Russisch edelman, verwant aan den hoogen adel van het rijk, trad hij een der eersten in die fiere vereeniging van opstandelingen die zich wisten los te maken van traditie, vooroordeel, ras-belangen, die alle welvaart minachtten. Met hen streed hij den moeilijken strijd des levens, verzwaard met gevangenis, ballingschap, alle gevaren en bitterheden die menschen van toewijding in hun geplaagd bestaan moeten ondergaan.”
Alexander Herzen vond in zijn geheele natuur “iets kinderlijks, oprechts en eenvoudigs, waardoor hij een bizondere charme bezat, die de heele wereld aantrok – de zwakken en de sterken. Alleen geaffekteerde en hoogmoedige lui verwijderden zich van hem…. Bakunine heeft ook veel fouten, maar ze zijn klein, terwijl zijn goede eigenschappen opmerkelijk zijn. Zijn talent om uit de verschillende milieux, waarin het lot hem wierp, eenige karakteristieke trekken van elk dezer te grijpen, dat hem toeliet er het revolutionaire element in te onderscheiden en van af te scheiden, om het vooruit te dringen door het zijn eigen hartstocht en levenskracht mede te deelen, is dat niet een verheven eigenschap? Op den bodem van de natuur van dezen mensch bevindt zich een kiem van kolossale werkzaamheid, die niet kon worden gebruikt. Bakunine heeft in zich de mogelijkheid om zich te maken tot agitator, tribuun, apostel, partij- of sektechef; priester, strijder. Plaatst hem waar het u behaagt, onder de Anabaptisten of Jakobijnen, naast Anacharsis Cloots of in de omgeving van Babeuf, maar altijd aan de uiterste linkerzijde – en hij zal de massa’s meeslepen en invloed hebben op het lot der volkeren.”
Kleinzielig en gluiperig was de wijze waarop Marx en ook Engels tegenstanders trachtten af te maken en het schijnt dat deze trek van verdachtmaking een internationale trek van het Marxisme is geworden. Niet alleen dat dadelijk de beschuldiging weerklinkt van totale onwetendheid, van kleinburgerlijke denkbeelden, maar spoedig trachten zij den mouchardstitel bij hun partij in te burgeren tegen elkeen, die zich niet geheel aan hen onderwierp. Hun strijd met Proudhon, Bakunine, Cafiero, Mazzini, Dühring levert hiervan de treurigste bewijzen, ja wie is eigenlijk gespaard gebleven onder de tegenpartijders van de reeks verdachtmakingen, die zij kwistig rondstrooiden in alle landen?
Karl Marx is geboren te Trier uit een oude Rabbijnen-familie. Zijn vader was een voornaam advocaat in die stad, maar deze betrekking had hij niet kunnen verkrijgen dan door zich te laten doopen, want de regeering stelde hem tusschen de keuze: òf zijn betrekking van advocaat opgeven òf doopen. Nadat de jeugdige Karl zijn studiën voltooid had in de rechten, later in de geschiedenis en wijsbegeerte, aan de hoogescholen te Bonn en Berlijn, wilde hij zich te Bonn neerzetten als privaatdocent, ten einde een wetenschappelijke loopbaan te volgen, maar zijn vriend Bauer, die zulks te Berlijn was, raadde het hem af en toen deze in 1842 door de regeering “gemassregelt” was, begreep hij welk lot ook hem wachtte en gaf hij zijn plan op. Hij kwam echter als redakteur aan de in 1842 opgerichte Rheinische Zeitung, welk blad binnen een half jaar met geweld werd opgeheven. Daarop ging Marx, die intusschen gehuwd was met de vriendin zijner jeugd, Jenny von Westphalen, zuster van den lateren reaktionairen Pruisischen minister en schoonzuster van den Jesuïetenpater Florencourt, naar Parijs waar hij met den bekenden Arnold Rüge de Deutsch-Französische Jahrbücher uitgaf. Hij schreef daarin een artikel over Hegels Rechtsfilosofie en over de Jodenvraag. Leerling van Hegel bleef hij ondanks alles feitelijk een Hegeliaan. Van moederszijde Hollander schreef hij in Maart 1843, gezeten in de trekschuit naar Delft, een karakteristiek briefje aan Rüge, waarin hij zeide dat als men geen nationalen trots gevoelt, men toch nationale schaamte gevoelt juist in Holland, want “de kleinste Hollander is nog een staatsburger tegenover den grootsten Duitscher”. Hij verheugt zich, dat “de pronkmantel van het liberalisme gevallen is”, want nu “staat het afzichtelijkst despotisme in zijn geheele naaktheid bloot voor aller oogen” en hij heeft een stil voorgevoel van en hoop op een revolutie.

Bestand:Fotos/engels.jpg
Friedrich Engels.

In 1844 begon de kennismaking met Fr. Engels, een rijken fabriekantszoon uit Barmen, die een opleiding voor den handel kreeg. Nadat hij volontair was geweest op een kantoor te Bremen, vertrok deze naar Engeland, waar hij van 1842 tot 44 te Manchester was in een fabriekszaak, gedeeltelijk behoorende aan zijn vader. Hij werkte toen reeds mede aan het blad van Robert Owen, de New Moral World, en aan dat der Chartisten, de Northern Star. De jeugdige Engels leverde ook aan de Jahrbücher twee artikelen, waarin hij zich als socialist deed kennen, nl. een beschouwing over Carlyle’s Past and Present en zijn Umrisse zu einer Kritik der National-Oekonomie. Dit artikel heeft bepaald veel indruk op Marx gemaakt en bevat dan ook in embryo het heele latere systeem. Zoo ook zijn schoone boek Die Lage der arbeitenden Klasse in England (1845), dat nog altijd de moeite der lezing loont en bewijs aflegt van zijn helderen blik zoowel als van zijn praktische studies, meer lettende op de realiteit dan op spekulatieve overdenkingen. Marx en Engels leefden een tijdlang tezamen in Parijs en zoo is de band geknoopt tusschen deze twee mannen, die pas door den dood van den eersten is ontbonden. In het te Parijs opgerichte Duitsche blad Vorwärts schreven verschillende Duitsche uitgewekenen, maar het duurde niet lang of de Pruisische regeering diende haar beklag in bij den Franschen minister Guizot, die Marx en anderen over de grenzen joeg.
Zoo kwam Marx te Brussel, waar hij zijn redevoering over den Vrijen Handel uitsprak op het kongres van vrijhandelaren in 1846 en tevens zijn boek schreef tegen Proudhon, met wien hij veel verkeerd en van wien hij veel geleerd had te Parijs, getiteld: De ellende der wijsbegeerte, als antwoord op diens geschrift: De wijsbegeerte der ellende.
Marx trad toen ook in den Kommunistenbond, waarvan de zetel te London was gevestigd, en op een kongres, in die stad gehouden door afgevaardigden uit Zwitserland, België, Frankrijk, Engeland en Duitschland behielden de kommunisten na heftige debatten, vooral met de volgelingen van Weitling en de anarchistisch-gezinde Jong-Hegelianen, het terrein en het bekende Kommunisten Manifest, door Marx en Engels opgesteld, was daarvan het uitvloeisel, welk stuk reeds in een vroeger hoofdstuk door ons werd behandeld en beoordeeld<ref>Zie deel I, Hoofdstuk XIII. Kommunisten vóór 1848.</ref>.
Was Marx op 2 Maart 1848 door de Belgische regeering uit Brussel gewezen, hij werd nu te Parijs met open armen ontvangen, met een vleienden brief door Flocon teruggeroepen. Maar toen Duitschland ook in revolutionair vaarwater begon te komen, spoedde hij zich met Engels naar Keulen, om aldaar de Neue Rheinische Zeitung op te richten, die van 1 Juni 1848 tot 19 Mei 1849 verscheen om eindelijk door de regeering te worden opgeheven. Vrijgesproken door de jury wegens een oproeping, waarin hij het volk opriep om geen belasting te betalen aan een regeering die onwettig handelde en den regeeringszetel verlegde van Berlijn naar Brandenburg, kreeg hij toch bevel van de overheid van Keulen om stad en land te verlaten. Hij vertrok toen naar Parijs, maar werd er ten tweeden male uitgezet, tenzij hij zich in het klerikale Bretagne wilde vestigen, om zich met der woon te vestigen te London, waar hij tot aan zijn dood bleef. Als leider van den Kommunistenbond bleef hij werkzaam tot de ontbinding ervan in 1852. Zijn inzichten waren aanmerkelijk gewijzigd, ten gevolge van de uitkomsten der revolutie van 1848, waarvan hij waarschijnlijk te veel en onder de reaktie te weinig van een vernieuwd revolutionair optreden verwachtte. Hij vond de tijdsomstandigheden zeer ongunstig voor revolutionaire daden en meende dat alleen dan een nieuwe revolutie mogelijk zou zijn, wanneer de eene of andere krisis in aantocht was. Bizonder groote waarde hechtte hij aan de ontdekking der goudvelden in Kalifornië, “gewichtiger dan de Februari-revolutie”, ja zelfs meende hij dat zij “veel grootscher resultaten zal hebben dan zelfs de ontdekking van Amerika”. Verder beschouwde hij elke proletarische beweging, waaraan Engeland niet deelneemt als een “storm in een glas water”. Verschillende andere leden, vooraan Karl Schapper en August Willich, hadden gansch andere gedachten en de beide frakties botsten zoo sterk op elkaar, dat er een scheuring kwam. Naast den Kommunistenbond, waarvan Marx de ziel bleef en waarvan hij den zetel verplaatste naar Keulen, om beter te kunnen werken op Midden- en Zuid-Duitschland, kreeg men nu den Sonderbund, maar noch de een noch de ander had een lang bestaan, want tengevolge van het vermaarde Kommunistenproces, dat te Keulen plaats vond in 1852, verdween eerst de Kommunistenbond van het tooneel in November 1852, om in ‘t begin van 1853 gevolgd te worden door de ontbinding van den Sonderbund. Marx’ Enthüllungen über den Kommunistenprozess zu Köln<ref>Onthullingen van Marx over het Kommunistenproces te Keulen.</ref> geven van zijn standpunt een verklaring of zoo men liever wil, een rechtvaardiging.
Na dien tijd ging Marx op in zijn studiën, al gaf hij somwijlen gratis voorlezingen voor arbeiders over ekonomische onderwerpen. En hij nam deze studie niet oppervlakkig op, gelijk blijkt uit hetgeen Quack er zoo naar waarheid van getuigt: “hij leest en bewerkt al wat het Britsche Museum over economie bezit. Reeds vroeger in zijn geschrift tegen Proudhon had hij getoond, hoezeer hij in die economische wetenschap thuis was, hoezeer hij de Engelsche schrijvers over sociale onderwerpen der negentiende eeuw kende. Hij zet die studiën voort. Al de schrijvers over economie worden door hem geraadpleegd. Ook Rodbertus, wiens naam hem tot aan het jaar 1848 nog onbekend was<ref>Dit zegt Quack op gezag van Engels in de Voorrede van deel II van het Kapitaal, waar de strijd om den voorrang tusschen Rodbertus en Marx natuurlijk in gunstigen zin voor laatstgenoemde wordt behandeld. Maar het vermakelijkste is dat de eer der meerwaarde-theorie noch aan den een noch aan den ander toekomt, daar reeds verschillende schrijvers vóór hen, zooals Thompson, Proudhon, Victor Considórant, tot op de woorden toe, die leer hebben verkondigd.</ref>, wordt binnen den kring van zijn lektuur getrokken. Vooral doorploegt hij de auteurs der klassieke economie, wier onderzoekingen steeds door hem geprezen worden, in tegenstelling vooral der schrijvers en zwetsers zijner dagen, de mannen der vulgaire staathuishoudkunde. Voor Ricardo heeft Marx altijd lof over gehad.”
Hier wordt meer gezegd dan de schrijver zou kunnen verantwoorden, want men wordt juist bij Marx getroffen door een totaal gebrek aan waardeering van hetgeen anderen vóór hem gedaan hebben, terwijl gezwegen wordt over enkelen, aan wie hij zelf het meest heeft ontleend. Wat hij overigens Lassalle verwijt, nl. dat deze uit hem geput heeft zonder de bron te noemen, datzelfde verwijt immers Proudhon aan Marx.
Ter wille van zijn dagelijksch brood schreef hij in de New York Tribune, welke artikelen onder den titel Revolutie en kontra-revolutie<ref>Revolution and Countre-Revolution or Germany in 1848.</ref> door zijn dochter Eleanor zijn uitgegeven en die een belangrijk stuk geschiedenis uit 1851-52 bevatten. Hoe arm de familie het toen had, blijkt uit hetgeen de vrouw van Marx bij den dood van een dochtertje op een der losse dagboekpapieren schreef, na haar dood gevonden: “paschen van datzelfde jaar –1852– werd onze arme kleine Francisca ziek, zij had een zware bronchitis. Drie dagen lang streed het arme kind met den dood. Het leed zooveel. Haar klein, ontzield lichaam rustte in de kleine achterkamer, wij gingen allen naar de voorkamer en toen de nacht aanbrak, legden wij ons op den grond ter ruste. Daar lagen de drie levende kinderen met ons en wij weenden om de kleine engel, die koud en bleek nevens ons rustte. De dood van het lieve kind viel in den tijd van onze bitterste armoede. Onze Duitsche vrienden konden ons niet helpen. Engels, die te vergeefs getracht had letterkundigen arbeid te Londen te vinden, was verplicht geweest om onder zeer ongunstige voorwaarden klerk te worden in de firma van zijn vader te Manchester. Ernest Jones, die ons in dien tijd dikwijls opzocht en beloofd had te zullen helpen, kon niets doen…. In den angst van mijn hart ging ik naar een Franschen balling, die dicht bij ons woonde en die ons somwijlen bezocht had. Ik vertelde hem onzen nood. Met de grootste vriendelijkheid gaf hij mij twee pond. Daarmede betaalden wij het kleine kistje, waarin mijn arm kind nu in vrede slaapt. Ik had geen wieg voor haar toen zij ter wereld kwam en ook de laatste kleine rustplaats was haar langen tijd ontzegd. Hoe was het ons te moede, toen het lijkje naar zijn laatste rustplaats gebracht was”!

Ook schreef Marx voor een weekblad te New York in 1852 zijn meesterlijke geschiedenis van den staatsgreep van Lodewijk Napoleon onder den titel: Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte, zijn artikelen over de Oostersche kwestie in verband met den Krim-oorlog<ref>Zeker mag het merkwaardig heeten, wat Quack meedeelt, nl. dat hij de beste inlichtingen over de Joodsche bankiershuizen te Amsterdam in 1855 ontleende aan het boek van Marx, o.a. the Eastern Question by Karl Marx.</ref> en die over den Fransch-Oostenrijkschen oorlog van 1859. Uit die dagen dateert ook zijn strijd met den bekenden Karl Vogt, die de beschuldiging uitsprak, dat Marx aan het hoofd van samenzweerders van laag allooi, samengeraapt in den vreemde, een ware diktatuur uitoefende over de mannen der revolutie en van den vooruitgang en door allerlei laster den naam van goede demokratische mannen verdacht maakte. Marx bleef het antwoord niet schuldig en in zijn vlijmend scherp geschrift: Herr Vogt, hekelt hij den dooden hansworst“, die Napoleon verheerlijkt omdat hij trekt uit de Napoleontische kas, welke beschuldiging is uitgekomen, toen men na den val van het keizerrijk in 1870 in de papieren der Tuilerieën de vermelding van een som gelds vond, uitgetrokken voor Karl Vogt!
Maar te midden van dat alles verwaarloosde hij zijn wetenschappelijke studie niet, zooals bleek uit de verschijning eener eerste aflevering van zijn werk: Zur Kritik der Politischen Oekonomie (1859). Hij behandelde daarin het begrip”waar" en “het geld of den eenvoudigen omloop”, voorbereidende arbeid voor zijn groote, grondleggende werk Das Kapital, waarvan het eerste deel in 1867 verscheen. Ongetwijfeld blijft dit een monumentaal werk van weergaloozen ijver en nauwgezette bronnenstudie. Wel is waar is het alweer een echt Duitsch werk, samengesteld op een wijze –dit blijkt van de later verschenen deelen in sterker mate dan van het eerste– die haast doet vermoeden, dat de schrijver zich het vraagstuk ter oplossing heeft gegeven, hoe hij een boek zou kunnen schrijven, dat door zijn duisteren en ingewikkelden vorm de menschen zou afschrikken om kennis te maken met den inhoud. Niet onwaar karakteriseerde iemand, die door lang verblijf in de hoofdstad van het “land der denkers” –een titel dien de Duitschers zichzelven in hun bescheidenheid toekennen– de Duitsche taal als de “meest breedsprakige”, meest duistere, meest gedwongene, meest aan overtollige buigingsvormen en uitgangen lijdende der Indo-Germaansche talen, die hij had kunnen beoefenen, een taal die alleen de Goethe’s helder schrijven, maar die overigens geschapen schijnt om met zinlooze “Worte philosophische Systeme zu bereiten”<ref>Met woorden wijsgeerige stelsels te bereiden.</ref>. Deze duisterheid is voor elk geschrift nadeelig, hoewel ze voor sommige schrijvers, zooals Marx, voordeelig schijnt te zijn, want daardoor is het gelukt Marx te hullen in een wolk van geleerdheid, waar men tegen op ziet; slechts eenige uitverkorenen hebben het werk gelezen en van deze slechts enkelen het geheel en was het niet door uittreksels gepopulariseerd, de inhoud ervan zou even onbekend zijn als het werk van Marlo.<ref>O.a. is door mij een uittreksel daarvan gegeven in 1881, waarvan ik het genoegen smaakte, dat Marx zelf er zijn goedkeuring in een schrijven aan mij over uitsprak. Eigenaardig dat iemand “plus Marxiste que Marx” (meer Marxistisch dan Marx) later in de Nieuwe Tijd durfde schrijven, dat ik Marx niet had begrepen. Die wist het dus beter dan Marx zelf!</ref> Het is Marx gegaan evenals Klopstoek: bij is meer geprezen dan gelezen en het zou hem kunnen gaan als Hegel, van wien men vertelt dat hij op zijn sterfbed zei, dat slechts één zijner leerlingen hem had begrepen en die eene had hem niet goed begrepen!! En eigenaardig dat er reeds kommentatoren opstaan, om hem toe te lichten en schriftverklaringen te geven en natuurlijk zijn deze het dan menigmaal onder elkander oneens en men gooit elkander met plaatsen uit Marx, het evangelie der sociaaldemokraten, even duchtig om de ooren als geloovigen gewoon zijn zulks te doen met bijbelteksten.
Wij kunnen dat werk niet beter karakteriseeren dan Quack het deed en gebruiken dus zijn beschrijving.

“In zijn drie verschenen deelen ziet het werk, wat den vorm betreft, er uit als een ets, waarvan slechts een zeker gedeelte volledig is, doorwerkt en geacheveerd, terwijl de andere partijen min of meer in omtrek zijn behandeld. Wat den omtrek betreft is het ’t”heilige boek" der sociaaldemocratie van onzen tijd. Dit was dan het dogmatisch boek, waarnaar Lassalle steeds had verlangd, doch dat hij-zelf niet kon afwerken en waartoe hij slechts een bijdrage leverde in zijn Herr Bastiat-Schultze oder Kapital und Arbeit. Een zonderling toeval: met het verschijnen van dit eerste deel van Marx werk in 1867 begint tegelijkertijd het verval van het Lassalle-anisme. De arbeiders –zoodra zij het boek inzien– begrijpen, dat hier de meerdere van Lassalle aan ’t woord komt. Want het boek van Marx was ja talmudisch ingekleed, wijsgeerig van methode, duister en ingewikkeld soms in den vorm – doch wanhopend duidelijk van conclusie voor het volk. Daarbij was het vol van monumentale uitdrukkingen, die als inscripties op steenen tafelen eener gansch nieuwe wet voor de maatschappij konden worden ingegroefd. De arbeider zag in dit geschrift voor zijn brein overtuigend bewezen, dat de stand der werklieden voor den kapitalist het “surplus” produceert, dat de kapitalist uit de arbeiders onbetaalden arbeid perst en dien arbeid in “waren” enkel ten zijnen voordeele fixeert. Dat dit alles omslachtig en zwaar werd bewezen, droeg juist in den stand der werklieden bij, tot het erkennen van het meesterschap van Marx. Populaire, licht geschreven werken maken niemand tot leider. Voor het vestigen van een zeker gezag moet er iets onbegrijpelijks of iets apodictisch bij al de overige hoedanigheden zijn: iets, waar men tegen op ziet. Men moet gelooven, dat de leider alléén het weet."

Hij vergelijkt Marx graag bij Mozes en vooral zooals deze staat afgeteekend op een schilderij van Rembrandt te Berlijn, op het punt staande de tafelen der wet in stukken te werpen. Maar dan toch als iemand die nieuwe tafelen der wet geeft in plaats van de oude, want zonder wetstafelen kan zijn geest zich geen maatschappij voorstellen. Dat duistere waas, waarin het werk van Marx gehuld is, doet ons altijd denken aan het Latijn der geestelijken in de katholieke kerk, dat juist wegens het onbegrijpelijke niet nalaat een mysterieuse werking te hebben.
Tot een juiste waardeering van dit werk moeten wij nooit vergeten dat het een kritiek der ekonomie bevat. Het is Marx te doen om het kapitaal te leeren kennen in zijn oorsprong, in zijn ontwikkeling, om daaruit te besluiten tot zijn ontbinding. Als hij met anderen den arbeid noemt de bron van alle waarde – eigenlijk is deze uitdrukking streng wetenschappelijk gesproken onjuist<ref>Marx heeft dit zelf ook erkend in zijn: Zur Kritik des sozialdem. Parteiprogramms; zie Neue Zeit 1890/91 N°.18: die Arbeit ist die Quelle alles Reichthums.</ref>, de arbeid is niet de bron, maar de voorwaarde van alle waarde, de bron is de aarde als de voorraadsschuur, waarin alles ligt opgesloten en waaruit alles verkrijgbaar is onder de voorwaarde van arbeiden – en hij ziet hoe geen equivalenten geruild worden, maar het geld langzamerhand van bemiddelaar tusschen waar en waar veranderd is van gedaante, zoodat het ophoudt die rol te spelen, die nu integendeel door de waar wordt gespeeld om van geld meer geld te maken, dan ontstaat langs dien weg de “meerwaarde”, die toegeëigend wordt door den bezitter der arbeidsmiddelen ten koste van hem, die den arbeid verricht. Zoo ontstaat het kapitaal uit de meerwaarde en kwam het geld volgens de uitdrukking van Augier “ter wereld met natuurlijke bloedvlekken op de eene wang”, Marx toont aan, dat “het kapitaal van hoofd tot teen, uit alle poriën druipt van bloed en vuil”. En hij haalt de zeer geestige opmerking aan naar aanleiding van de bewering dat het kapitaal tumult en strijd ontvliedt en angstig van natuur is: “dat is zeer waar, maar toch niet de geheele waarheid. Het kapitaal heeft een afschuw van afwezigheid van profijt of van zeer klein profijt, evenals de natuur voor de ledige ruimte. Met behoorlijk profijt wordt het kapitaal moedig. Tien procent zeker en men kan het overal gebruiken; 20%, het wordt levendig; 50% het wordt beslist een waaghals; voor 100% stampt het alle menschelijke wetten onder den voet; 300% en er bestaat geen misdaad die het niet waagt, zelfs op gevaar van de galg. Als tumult en strijd profijt aanbrengen, dan zal het deze beiden aanmoedigen.”
Hoe stelt Marx zich de oorspronkelijke opeenhooping van kapitaal, d.w.z. zijn geschiedkundigen oorsprong voor? Door de onteigening der onmiddelijke producenten, die de oplossing is van het op eigen arbeid berustende privaateigendom. Het privaateigendom der produktie-middelen vormt den grondslag van het kleinbedrijf en dit is op zijn beurt een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling der maatschappelijke produktie en der vrije individualiteit van den arbeider zelf. Met de koncentratie der produktiemiddelen wordt de produktie binnen enge grenzen gebracht, maar bereikt deze een zekere hoogte, dan brengt zij de materieele middelen ter wereld voor haar eigen vernietiging. De vóórgeschiedenis van het kapitaal is dus de onteigening der groote massa van grond en bodem en levensmiddelen en arbeids-instrumenten, natuurlijk langs gewelddadige wegen en op de meest onmeedoogende wijze. Het zelf bewerkte privaateigendom, waarin het geïsoleerde, onafhankelijke arbeidsindividu is samengegroeid met zijn arbeidsvoorwaarden, wordt verdrongen door het kapitalistische privaateigendom, dat berust op de exploitatie van vreemden, maar formeel vrijen arbeid. Als dit proces zich voltrekt en de kapitalistische produktiewijze op eigen beenen staat, neemt de verdere onteigening der privaateigenaars een nieuwen vorm aan. Niet de zelfarbeidende arbeider, maar de vele arbeiders exploiteerende kapitalist moet onteigend worden. Dit geschiedt door de koncentratie der kapitalen. Eén kapitalist slaat er velen dood. Tegelijkertijd ontwikkelt zich de koöperatieve vorm van het arbeidsproces. Met het voortdurend afnemend aantal kapitaalmagnaten, die alle voordeelen van dat proces bemachtigen en monopoliseeren, neemt de meeste ellende, druk, knechtschap, ontaarding, uitzuiging toe, maar ook het verzet van de steeds toenemende, en door het mechanisme van het kapitalistische proces zelf geschoolde, vereenigde en georganiseerde arbeidersklasse. Het monopolie van het kapitaal wordt tot een boei van de produktie-wijze, die met en onder haar is opgebloeid. De koncentratie der produktiemiddelen en de vermaatschappelijking van den arbeid bereiken een punt, waarop zij onverdragelijk worden met haar kapitalistisch omhulsel. Het springt uiteen. De ure van het kapitalistisch privaat-eigendom slaat. De onteigenaars worden onteigend.
Echter de verandering van het verbrokkeld privaat-eigendom, dat berust op den eigen arbeid der individuen in het kapitalistische, is veel moeilijker en zwaarder dan de verandering van het faktisch reeds op maatschappelijk produktiebedrijf berustende kapitalistische privaateigendom in maatschappelijk. Daar gold het de onteigening der volksmassa door enkele overweldigers, hier de onteigening van eenige weinige overweldigers door de volksmassa.
Natuurlijk dat deze uiteenzetting en kritiek van het kapitalisme in zich bevat een uiteenzetting van het socialisme, althans het doel van Marx is geweest om de wet der ekonomische beweging van den modernen tijd te ontwikkelen. Daar deze beweging beheerscht wordt door het kapitaal en dus de geschiedenis van het ontstaan, den bloei en den val van het kapitalisme omvat, is de hoofdzaak, om aan te toonen hoe het kapitalisme zelf door zijn eigen ontwikkeling noodzakelijkerwijze voert tot het socialisme. Dat is een historisch proces of de beschrijving van de sociale evolutie. En als Hegeliaan tot in de terminologie zegt hij dat de ontkenning der kapitalistische produktie door haar zelve wordt voortgebracht met de noodzakelijkheid van een natuurproces, zij is de ontkenning van de ontkenning!
Slechts zelden laat Marx, die meer anatoom is dan ziener, zich uit over de toekomst en bij hem zal men dus te vergeefs zoeken naar beschrijvingen ervan. Misschien geeft hij de beste uiteenzetting zijner inzichten in deze aanhaling uit het Kapitaal: “stellen wij ons een vereeniging van menschen voor, die met gemeenschappelijke produktiemiddelen werken en hun veelvuldige individueele arbeidskrachten zelfbewust uitgeven als één maatschappelijke arbeidskracht. Het gezamenlijk produkt der vereeniging is een maatschappelijk produkt. Een deel daarvan dient wederom als produktiemiddel. Het blijft maatschappelijk. Maar een ander deel wordt als levensmiddelen door de leden der vereeniging verteerd. Het moet dus onder hen worden verdeeld. De wijze van verdeeling zal afwisselen met de eigenaardige soort van het maatschappelijk organisme van de produktie en de daarmede overeenkomende geschiedkundige hoogte van ontwikkeling der producenten. Alleen als parallel met de warenproductie onderstellen wij dat het aandeel van elken producent aan levensmiddelen bepaald is door zijn arbeidstijd. De arbeidstijd zal dus een dubbele rol spelen. Zijn maatschappelijk planmatige verdeeling regelt de juiste verhouding der verschillende arbeidersfunkties naar de verschillende behoeften. En anderzijds dient de arbeidstijd tegelijkertijd als maat voor het individueele aandeel van den producent aan den gemeenschappelijken arbeid en dus ook aan het individueel te verteren deel van het gemeenschappelijk produkt. De maatschappelijke betrekkingen der menschen tot hun arbeid en hun arbeidsprodukten blijven hier doorzichtig eenvoudig in de produktie zoowel als in de verdeeling.”<ref>Das Kapital, 2de uitgave, dl.I, bl.56.</ref>
Het eerste deel behandelt het produktieproces van het kapitaal, het tweede het circulatieproces, het derde het totaal-proces van de kapitalistische produktie en het vierde de geschiedenis der theorie. Echter slechts één deel kon Marx zelf uitgeven, de beide anderen zijn na zijn dood door Engels bezorgd successievelijk in 1885 en 1894, terwijl het laatste en vierde nog niet is verschenen.

Door de aanhangers van Marx wordt steeds beweerd dat de wetten der kapitalistische produktie “ontdekt” zijn door Marx, wetten die “even vast staan als die van Newton en Kepler voor de beweging van het zonnestelsel.” Bebel weet te vertellen dat “Duitschland de rol van gids op zich heeft genomen in den reuzen-strijd der toekomst. Het is daartoe voorbeschikt door zijn ontwikkeling en aardrijkskundige ligging” en hij voegt er bij: “het is geen toeval, dat het de Duitschers zijn, die de dynamica van de ontwikkeling der hedendaagsche maatschappij hebben ontdekt en de wetenschappelijke grondslagen legden van het socialisme. Onder deze Duitschers komt de eerste plaats toe aan Marx en Engels: na hen komt Lassalle als organisator der arbeidersklasse.”
Als men alle voorgangers, op wier schouders men toch ontegenzeggelijk staat, eerst verklaart tot utopisten en dan zichzelven verklaart tot den eenigen drager van het wetenschappelijk socialisme en er zijn nog onnoozelen en onkundigen die dit alles gelooven, dan plaatst men zichzelf wel op een voetstuk, maar wij betwijfelen het zeer of dit van blijvenden aard is. In den laatsten tijd is er dan ook reeds vrij wat getornd aan het Marxisme, zoodat zelfs vroeger verwoede aanhangers het beginnen los te laten en te bestrijden.
Indien wij de Marxisten willen gelooven, hebben wij aan Marx te danken:

  1. de materialistische dialektiek, die “merkwaardigerwijze niet alleen door ons (Marx en Engels), maar buitendien nog, onafhankelijk van ons en zelfs van Hegel, wederom ontdekt werd door een Duitschen arbeider, Joseph Dietzgen” (cf. Ludwig Feuerbach von Engels).
  2. de ontdekking der meerwaarde;
  3. de materialistische geschiedbeschouwing;
  4. de wet der koncentratie van het kapitaal, de onteigening van het groot aantal kapitalisten door een klein aantal hunner.

Ongelukkigerwijze wordt dit niet bevestigd door de feiten, want die verschillende punten kunnen onmogelijk als “ontdekkingen” van Marx genoemd worden, daar ontdekken wil zeggen aan het licht brengen wat onbekend was en al deze zaken waren vóór Marx reeds door tal van anderen in minder of meer sterke wijze bekend gemaakt.
In zijn merkwaardige brochure heeft Tcherkesoff<ref>Pages d’histoire socialiste I. Doctrines et actes de la Social-Démocratie.</ref> allen grond ontnomen aan het dogmatisch socialisme van Marx en zijn school, door

  1. aan te toonen dat de dialektische methode door alle groote wetenschappelijke mannen onzer eeuw is veroordeeld, daar zij allen de induktieve methode volgden en geen hunner zich daarvan bediende, tenzij in de Duitsche metafysika;
  2. te herinneren, hoe het begrip der meerwaarde reeds lang bekend was, zooals bij Adam Smith, die als zoovele anderen het deel, door den patroon, den eigenaar en vele uitzuigers gehouden, netto produkt noemde of bij Sismondi, die het deel dat na den aftrek der produktiekosten van de ruilwaarde overbleef, noemde meerwaarde (surplus-value). Het werk waarin Sismondi dit vertelde, verscheen in 1819, dus –zoo voegt T. er ondeugend bij– een jaar vóór de geboorte van Engels, die haar later met Marx beweert ontdekt te hebben. Overigens bij de Saint-Simonisten, bij R. Owen, bij Proudhon, bij Victor Considérant en anderen vinden wij ze terug. Ja, de ekonoom W. Thompson ontwikkelde de leer der meerwaarde in 1824 reeds zoo voldoende, dat zij waarlijk niet in 1845 behoefde ontdekt te worden;
  3. te vertellen, hoe feitelijk de materialistische geschiedbeschouwing, uitgaande van de meening dat de wijze van produktie een der hoofdfaktoren is geweest in de geschiedenis van de beschaving en ontwikkeling, door de grootste geschiedschrijvers wordt erkend en toegepast. Was het niet de ekonoom, Adolphe Blanqui, die reeds in 1825 de rol der ekonomische elementen in de geschiedenis aldus weergaf: “ik bleef niet in gebreke op te merken, dat er zulke nauwe betrekkingen bestonden tusschen deze twee wetenschappen, de geschiedenis en de staat-huishoudkunde, dat men de eene niet kan beoefenen zonder de andere en niet afzonderlijk zich daarin kan verdiepen… De eerste verschaft de feiten, de tweede verklaart er de oorzaken van… Ik volgde stap voor stap de groote gebeurtenissen… er zijn altijd maar twee groote partijen tegenover elkander geweest: die der menschen, die wilden leven van hun eigen arbeid en die der menschen, die wilden leven van den arbeid van anderen… Patriciers en Plebejers, slaven en vrijen, Welven en Ghibellijnen, Witte en Roode Roos, ridders en rondkoppen, bevrijden en lijfeigenen – ze zijn slechts de variëteiten van dezelfde soort.” Leg het Kommunistenmanifest hier naast en gij vindt zelfs bijna de woordenkeuze terug. Heeft niet Quételet den invloed van de sociale organisatie op den individueelen mensch als het milieu waarin hij leeft, geschetst? Hebben wij niet een Stuart Mill, een Buckle gehad, die haar bepleitten? en eindelijk
  4. door te bewijzen dat deze wet der koncentratie van het kapitaal onjuist is, voor zooverre nu ja het kapitaal gekoncentreerd wordt maar in een steeds wassend aantal kapitalisten, zoodat het aantal uitzuigers, “magnaten van het kapitaal”, wel verre van te verminderen, integendeel sterk vermeerderd is.

Meer en meer blijkt het dat de groote wetenschappelijke ontdekkingen niet het bepaalde en uitsluitende werk zijn van één enkelen grooten geest –de theorie der groote mannen, die alles regelen– maar het gemeenschappelijk werk van vele geslachten, van heel de menschheid en als het somwijlen een enkelen gelukt samen te vatten wat allen brachten, dan is men veelal direkt bij de hand om dezen de eer van alles te geven. Zoo b.v. met het Darwinisme, dat niet zoozeer door Darwin ontdekt is –we weten hoe gelijktijdig een Wallace en Spencer tot dezelfde resultaten kwamen, hoe verschillenden vóór hem reeds een dergelijk onderstelling uitspraken, ja hoe een Lucretius Carus in zijn De natura rerum en verschiliende Grieksche wijsgeeren een voorgevoel daarvan hadden en uitten– maar waarop Darwin den stempel van zijn geest heeft afgedrukt meer dan iemand anders. Nu heeft men getracht van Marx een ekonomischen Darwin te maken, maar als wetten, die volgens Marx heerschen met de onvermijdelijkheid eigen aan de gedaanteverwisselingen der natuur, zich in het werkelijke leven openbaren in resultaten geheel tegenovergesteld aan haar regelen, dan vreezen wij dat hij dien naam moeilijk zal handhaven. Het kon wel eens blijken, dat wat Engels beschouwt als de grootste verdienste der Duitsche arbeidersbeweging, nl. dat zij is de erfgename der klassieke Duitsche wijsbegeerte juist het grootste struikelblok blijkt te zijn, daar wij leven in de eeuw der natuurwetenschap, die erop uit is de metafysika –en deze speelt in de Duitsche wijsbegeerte een hoofdrol– terug te drijven tot in haar laatsten schuilhoek.
Om een helder en juist overzicht te geven van den inhoud van Marx werk, kunnen wij alweer niet beter doen dan dezen aan de hand van prof. Quack aldus te resumeeren:

  1. Elke historische periode der menschelijke samenleving heeft haar eigen ekonomische voorwaarden en bestaanswetten. Het samenstel daarvan is de materieele basis, waarop de maatschappij en staat van elk tijdvak, met haar recht, haar godsdienst, haar wetenschap en kunst, als bouw oprijst;
  2. De hedendaagsche periode der maatschappij is de kapitalistische, berustende op de afscheiding der producenten van hun produktiemiddelen, dus op toe-eigening van onbetaalden arbeid;
  3. Die toeëigening is mogelijk, doordat de klasse der kapitalisten het verschil uitwischt tusschen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en den geleverden arbeid. Door toepassing van het loonstelsel wordt de arbeider een toebehooren van het kapitaal;
  4. De mensch is thans niet meester van het produktieproces, maar omgekeerd het produktieproces is meester van den mensch;
  5. Gevolg daarvan is, dat opeenhooping van kapitaal samengaat met vermeerdering van proletariaat;
  6. Klasse staat tegenover klasse. Macht moet dus gesteld worden tegenover macht. Vandaar dat krachtige organisatie der arbeiders noodzakelijk is, waarbij eigen wil moet opgeofferd worden aan de gemeenschap en dus autoriteit noodig is. Overmeestering van den staat, de vesting der kapitalisten, moet het begin zijn;
  7. Naarmate de klove dieper gaat tusschen de beide klassen, naar die mate loopt deze maatschappelijke periode ten einde;
  8. De kapitalistische periode bewerkt van zelf haar eigen ondergang. In haar schoot draagt de kapitalistische maatschappij reeds de nieuwe;
  9. Geen revolutie-lawaai, geen samenzweringen of oproeren zijn daarvoor noodig, de drang der wereld-geschiedenis drijft daartoe, al zal het geweld de verloskundige zijn, die bij de geboorte der nieuwe maatschappij zijn hulp verleent;
  10. De onteigenaars van vroeger, nu de bezitters der produktiemiddelen, zullen op hun beurt onteigend worden;
  11. Tusschen de kapitalistische periode en de nieuwe maatschappij ligt een periode van revolutionairen overgang en vervorming van het eene tijdvak in het andere. Daaraan beantwoordt een politieke overgangsperiode, wier staat niet anders kan zijn dan de revolutionaire diktatuur van het proletariaat;
  12. De opheffing der kapitalistische orde zal echter voltooid zijn, door het in gemeenschap brengen der produktiemiddelen. De materieele basis der nieuwe maatschappij zal dan zijn: gemeenschappelijke voortbrenging op den grondslag van gemeenschappelijk eigendom van alles wat tot die voortbrenging noodig is.

Ontdaan van zijn dikwijls duister en geheimzinnig omhulsel is de kern hier goed weergegeven en dan –het kan niet ontkend worden– sluit het stelsel goed en logisch in elkaar. Echter men kan evenmin ontkennen dat dit soort socialisme noodzakelijk moet voeren tot een staatssocialisme, waarin de vrijheid van het individu dat niets is, geheel te loor gaat in de gemeenschap, die alles is.
Het algemeen kiesrecht is de hoeksteen van dit geheele gebouw. Door dit algemeen kiesrecht moet men veroveren de politieke macht, om te geraken tot de overmeestering van den staat, de vesting der kapitalisten. Daartoe is als overgangsmaatregel noodig de diktatuur van het proletariaat. Wat wil dat zeggen? In de praktijk is dit de diktatuur der leiders, de partijleiding der sociaaldemokratische partijen in de verschillende landen. Dus een soort van Algemeene Raad der Internationale. Van dien Raad was indertijd Marx de ziel en dus de diktatuur van het proletariaat is gelijk aan de diktatuur der leiders en de diktatuur der leiders is de diktatuur van Marx. Het pausschap zelf wordt niet afgeschaft, maar in plaats van den kerkelijken krijgen wij dan een socialen paus. En deze zal nu de regeling der produktie ter hand nemen. Zoo dit niet het geval is, hoe stelt men zich dan die diktatuur voor? Alles sluit best, alleen de premisse deugt niet en dus dan valt het gebouw natuurlijk als een kaartenhuis ineen bij de eerste windvlaag de beste. Of is het denkbaar, dat er politieke vrijheid bestaat bij ekonomische knechtschap? Immers neen! De politiek is even goed als het recht, de godsdienst, de wetenschap, de kunst, de afspiegeling, de weerkaatsing van de ekonomische bestaansvoorwaarden. Het is dus niet de politiek die die ekonomische voorwaarden kan veranderen, maar het zijn omgekeerd de ekonomische voorwaarden, die de politiek beheerschen. De politieke macht wordt dus nooit veroverd, zoolang men niet ekonomisch de sterkste is. Zelfs het algemeen kiesrecht is niets dan één groot boerenbedrog, zoolang de ekonomische gelijkheid niet vooraf is verkregen. En dat het die diktatuur was, die men zich voorstelde, blijkt uit de orders, die die Algemeene Raad der Internationale van uit London zond naar Parijs tijdens de kommune. In plaats dat de staf naar Parijs ging, om ter plaatse den toestand te leiden en te regelen, bleef deze te London en wilde toch van daar uit de regeling hebben. Een potsierlijken indruk geven die orders, zooals Fiaux ze meedeelt in zijn Geschiedenis van de Internationale door een bourgeois. B.v. Order van 9 April: “wij wachten het resultaat af, om u onze instrukties te geven”. Bismarck, v. Moltke, Wilhelm I, die de leiding in handen hadden, waren op het terrein en dus zij waren in staat instrukties te geven, maar verbeeld u de dwaasheid, dat de mannen der kommune, midden in den slag, rapporten gingen opstellen om ze op te zenden naar London, ten einde dan instrukties te krijgen hoe zij moesten handelen! Alsof de vijand daarop wachten zou!
Overigens de kommune is door Marx niet met vreugde begroet, hij had haar alleen gewenscht, wanneer zij tegelijkertijd in de voornaamste steden van Europa was uitgebroken, maar nauwelijks is zij verpletterd, of Marx gaf er een meesterlijke ontleding van en –dit strekt hem tot eer– aanvaardde flinkweg alle solidariteit met haar, zoodat hij in het Manifest van den Algemeenen Raad van 80 Mei 1871 kordaatweg schreef, dat “er na Pinksteren 1871 geen vrede, geen wapenstilstand meer kan bestaan tusschen de arbeiders van Frankrijk en de toeëigenaars van hun arbeidsvoortbrengselen. De ijzeren hand eener gehuurde soldatenheerschappij mag beide klassen voor eenigen tijd gemeenschappelijk onderdrukken, maar de strijd moet weer en nog eens uitbreken in steeds grooter uitgebreidheid en er kan geen twijfel bestaan wie de eindelijke overwinnaar zal zijn, de weinige toeëigenaars of de verbazend groote arbeidende meerderheid. En de Fransche arbeiders zijn slechts de voorhoede van het geheele moderne proletariaat.”
De rol, die Marx speelde in de Internationale, hangt zoo nauw tezamen met de geschiedenis dier vereeniging, dat wij het beter achten haar hier weg te laten en te behandelen in het hoofdstuk der Internationale. Na den ondergang der Internationale trad Marx niet meer in het publieke leven op, hij trok zich terug in zijn studiën, ofschoon hij door de betrekking, waarin hij stond met verschillende personen, in vele opzichten de geestelijke raadgever bleef bij belangrijke aangelegenheden in de onderscheiden landen. Op het laatst van zijn leven was hij sukkelend en de dood zijner oudste dochter, die gehuwd was met Longuet, en daarna zijner vrouw richtten hem geheel te gronde, zoodat hij vermoeid en af waarschijnlijk verheugd was, dat de dood ook hem spoedig daarna en zeer kalm wegnam, wat op 14 Maart 1883 gebeurde.
Als aanvulling moeten wij nu nog een en ander over Engels zeggen.
Zooals wij reeds zeiden, deze twee zijn haast niet van elkander te scheiden, daar zij door langen en intiemen omgang zich bewogen in denzelfden gedachtengang. Autoritair waren zij beiden, maar dit neemt niet weg, dat zij toch meermalen, vooral Engels, in hun zuiver wetenschappelijke geschriften, in anarchistisch vaarwater kwamen. In het algemeen is het eigenaardig om op te merken, dat in elk mensch een stuk anarchist steekt, al openbaart zich in elkeen ook het duiveltje van het gezag en naar gelang van iemands temperament en persoonlijke ervaringen zal de eene of de andere zijde in hem de overhand krijgen.
Een sterk sprekend voorbeeld hiervan is Engels, die de Duitsche partijtaktiek onder den indruk der overwinningen bij de stembus goedkeurde en toejuichte, ja die in 1892 in zijn geestdrift zich zoozeer vergat, dat hij den profetenmantel omdeed en schreef: “langs den weg van het algemeen kiesrecht verzekert de vrede aan de Duitsche sociaal-demokratische partij binnen ongeveer tien jaar de overwinning.” En toch was het dezelfde, die zich eens beklaagde over het “praktisch” optreden der sociaal-demokraten in het parlement en dit zeer streng veroordeelde in de volgende woorden: “een soort klein-burgerlijk socialisme heeft zijn vertegenwoordigers in de sociaal-demokratische partij, zelfs in de parlementaire fraktie en op zulk een wijze dat men wel is waar de beginselen van het modern socialisme als juist erkent en de verandering van alle produktie-middelen in kollektief eigendom aanvaardt, maar dat men slechts gelooft aan hun mogelijke verwezenlijking in een verre, bijna onafzienbare toekomst. Dit is kortweg sociaal lapwerk en in het onderhavige geval kan men sympathiseeren met de reaktionaire neiging voor de zoogenaamde”opheffing der arbeidersklasse."
Ofschoon Engels geen groote werken van meerdere deelen nalaat, toch heeft hij veel gewerkt en in helderheid van stijl was hij de meerdere van Marx. Een man van veelzijdige ontwikkeling bewoog hij zich met gemak op allerlei gebied. Wij noemen slechts zijn: Zur Wohnungsfrage, Der deutsche Bauernkrieg, Herrn Eugen Dühring’s Umwälzung der Wissenschaft, welk geschrift dienst moest doen om den invloed te breken, dien deze veelbesproken Berlijnsche privaatdocent begon te krijgen in de kringen der sociaal-demokraten. En malsch ging hij niet te werk met zijn tegenpartijder, zooals ook blijkt uit de konklusie van dit boek, die hierop neerkomt dat Dühring “ontoerekenbaar is door hoogmoedswaanzin”.
Misschien was dit een wraakneming, omdat Dühring in zijn Kritische Geschichte der National-Oekonomie und des Socialismus beiden, Marx zoowel als Engels, op zeer scherpe wijze had in ’t gericht genomen. Hij noemde hun “staatskommunisme theokratisch, en autoritair als het is, onrechtvaardig, onzedelijk en tegenstrijdig met de vrijheid. Gesteld dat alle bezit in het Marxistisch jubeljaar gedaan was in de groote kist van den Marxistischen staat, dan zouden allen van den heer Marx en zijn aanhangers aanwijzingen krijgen, wat zij mochten eten en drinken en uit de kist krijgen, ook hoeveel heerendiensten zij in de arbeidskaserne van Marx, waarin geen geld en geen ruil voorkomen, moesten verrichten. Te oordeelen naar den inhoud der Marxistische pers en agitatie, zouden rechtvaardigheid en waarheid zeker het allerlaatste zijn, waarvan bij dat Marxistisch autoritair staats-despotisme sprake was. Op en top het tegenovergestelde van een vrije maatschappij, nl. de meest willekeurige en despotieke konfiskatie der vrije, individueele beweging zou het resultaat zijn, ja de ordeloosheid van de struikrooverij in den vorm van bureaukratische kommunistische willekeur zou de grondvorm zijn van dit onhoudbaar en ongeregeld gebouw. Zoo zou b.v. de geestelijke produktie in den Marxistischen staat alleen mogen plaats hebben met verlof van den heer Marx en zijn aanhang en Marx als hoofd der politie, als oppercensor en opperpriester zou zeker de ketterijen, die hij nu alleen met zijn slechte letterkundige middelen kan behandelen, onderdrukken in naam van het socialistische staatswelzijn. In lichamelijk zoowel als in geestelijk opzicht zouden er slechts kommunistische staatsknechten zijn of om de oude uitdrukking te gebruiken uitsluitend openbare slaven bestaan. Hoe de kudde uit dezen kommunistenstal in onderdeelen met elkander verkeert en hoe er beschikt en boek gehouden zou worden over de voeder-aangelegenheden, de porties uit de trog, kettingen, boeien, hand- en spandiensten ‘allerhöchst staatsspielerisch’, dat is een geheim, dat verborgen blijft tot na het jubeljaar, want de openbaarmaking van dit alles zou in de oogen van Marx fantastisch socialisme zijn. Het publiek, dat gemystificeerd moet worden, zal daarom door denzelfden heer Marx, die het jubeljaar uitgevonden heeft, afgescheept worden met de uitvlucht dat het geen inlichtingen kan verkrijgen over het beeld van den toekomstigen staat van zaken”. En verder: “inderdaad het was een zonderlinge drieëenheid van leermeesters, aan wie hij zich hield. Leerling van Mozes, Ricardo en Hegel heeft hij een zonderlinge bastaard- en halve ontwikkeling dooreengemengd, waaruit slechts een niet levensvatbaar monster kon geboren worden. Aan Mozes ontleende hij het kommunisme van het jubeljaar, aan zijn stamgenoot Ricardo de ekonomische drapeering met den schijn van ekonomische ontwikkeling en aan den reaktionairen romantischen Berlijnschen professor in de staatswijsbegeerte Hegel het tweeslachtig mystificeerend patois eener zoogenaamde dialektiek, om daaruit het jubeljaar langs geschiedkundigen weg te konstrueeren. Zooals vanzelf spreekt, liet hij van dat leenen bij Mozes, dat hij met het eveneens verzwijgen van hetgeen hij leende van Fransche socialisten rente-gevend trachtte te maken, niet het minste merken.” Men ziet uit deze enkele proeven hoe de heeren aan elkander gewaagd waren. Dühring vindt het schaamteloos, dat Marx hem achter het masker van een huisknecht, nl. door een fabrikant genaamd Friedrich Engels, die vroeger arbeiders uitzoog, belasterde en beschimpte en hij karakteriseerde de sociaal-demokratie, die hij joodsch noemde –Dühring was een geduchte anti-semiet!– als “een reaktionaire familie, wier staatsdwang niet op vrijheid en goede huishoudkunde, maar op ’t meer algemeen maken der slavernij en op uitzuiging door staats-heerendienst, in ’t belang van leidende joden en joden-genooten moest uitloopen.” En over Marx liet hij zich o.a. aldus uit:
“Op zulk een belemmering der wetenschap is nu de zoogenaamde wetenschappelijke werkzaamheid van den heer Marx uitgeloopen. Ondanks jesuïtische reklame, ondanks bondgenootschap met de meest reaktionaire elementen, ondanks het koketteeren met de professoren over en weer, ondanks de wederzijdsche plichtplegingen en het uitwisselen van loftuitingen der beide legers van het wetenschappelijk Chineezendom, ondanks alle letterkundige hulpmiddelen van een zelf gestichte soort van Alliance Israélite, ondanks de nog daarbij komende propaganda-machine der sociaal-demokratische pers van de verschillende landen, is het langer dan 20 jaar aangekondigde en in 1867 ter wereld gekomen brokstuk in den loop van meer dan een tiental jaren slechts tot één enkele oplaag en overigens nog niet verder gevorderd.<ref>Later is het vervolg verschenen, nl. deel II en III, terwijl het vierde nog verwacht wordt.</ref> Een voorwaarts in deze richting is ook niet te verwachten; hoogstens zou voor den heer Marx nog een teruggang kunnen intreden en ook dit niet eens in de rol van een boekenschrijver, maar in die van den pamflettist en agitatie-intrigant. Op zulk ‘n rol, nl. als bederver der Internationale en op de pogingen om bij gebrek aan eigen wetenschappelijk bezit aan dat van anderen zich warm te wrijven, kan pas de aandacht worden gevestigd in verband met de verschillende agitaties, die in het volgende hoofdstuk zullen behandeld worden. Hier is het alleen te doen om het tekort der wetenschap en de reeds hierbij behoorende zedelijke fysionomie."
Ofschoon hier veel waarheid in schuilt, toch cijfert hij alle waarde van Marx weg en men mag over dezen denken zooals men wil, toch zal de onpartijdige mensch moeten erkennen dat Marx een man van beteekenis en een alles behalve alledaagsche persoonlijkheid was. Zoo’n polemiek tusschen werkelijk geleerde mannen –want ook Dühring bekleedt in de wetenschappelijke wereld een hooge plaats– is niet bepaald stichtelijk en werkt niet om in de oogen der massa den aureool te bevestigen, die onwillekeurig ligt uitgestrekt over de mannen der wetenschap.
Om tot Engels terug te keeren, hij schreef ook een werkje Der Ursprung der Familie, des Privateigenthums und des Staates (1884), waarin hij den oorsprong der maatschappij schetste aan de hand van den Amerikaanschen schrijver Lewis H. Morgan met gebruikmaking van aanteekeningen, die Marx bij diens werk had gemaakt. Ter verklaring van hun standpunt is ook zijn brochure over Ludwig Feuerbach zeer belangrijk. Behalve vele artikelen, hier en daar geplaatst, voorzag hij ook meerdere, nieuwe uitgaven van Marx’ geschriften van voorreden, die soms zeer leerzaam zijn ter kenschetsing van zijn standpunt. Zoo b.v. voor den Franschen Burgeroorlog, voor het tweede deel van Marx’ Kapitaal, enz. De bewerking van het nagelaten manuscript van Marx’ latere deelen van Das Kapital is door hem geschied op zeer nauwgezette wijze, die getuigt van een pieuse vereering voor zijn vriend. Engels had een zeer uitgebreide korrespondentie, want hij was de raadsman en vriend van velen, zoodat zijn dood in 1895 een groot verlies te weeg bracht in de gelederen der sociaal-demokraten, want, zooals de Neue Zeit niet oneigenaardig opmerkte,”zoolang Engels nog leefde, wiens geestelijk leven met dat van Marx zoo innig verbonden was, leefde deze ook nog in ons midden, stonden wij onder den levendigen invloed van beiden. Nu zijn beiden weg."
Ofschoon Engels, om welke reden dan ook, steeds vinnig de anarchisten bestreed, leveren juist zijn geschriften op zoo menige plaats zooveel koren op den molen van het anarchisme, dat hij in zijn opvatting van de rol van den staat gerust onder hen gerangschikt kan worden. Hij schreef o.a. in de voorrede over den burgeroorlog in Frankrijk, gedateerd van 1891: “de kommune moest dadelijk erkennen, dat de arbeidersklasse, eenmaal tot de heerschappij gekomen, niet kon voortgaan met de oude staatsmachine; dat deze arbeidersklasse, wilde zij niet haar eigen, pas veroverde heerschappij weer verliezen, eenerzijds al de oude, tot nu toe tegen haar zelve gebruikte onderdrukkingsmachines op zij zetten, anderzijds echter zich moest verzekeren tegen haar eigen afgevaardigden en beambten, door hen zonder uitzondering ten allen tijde afzetbaar te verklaren.” Hij wist zeer goed dat de staatsorganen uit dienaren der maatschappij veranderd waren in haar meesters en eindigde met deze verklaring: “volgens de wijsgeerige voorstelling is de staat de ‘verwerkelijking van de idee’ of het in wijsgeerige taal overgezette rijk Gods op aarde, het gebied waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid zich verwerkelijkt of verwerkelijken moet. En hieruit volgt dan een bijgeloovige vereering van den staat en van al wat met den staat samenhangt en die te gemakkelijker plaats heeft, als men zich van kindsbeen af eraan heeft gewend om zich voor te stellen, dat de aan de geheele maatschappij gemeenschappelijke zaken en belangen niet anders bezorgd kunnen worden dan zij tot nu toe bezorgd zijn, nl. door den staat en zijn goed bezoldigde dienaren. En men meent reeds een geducht koene schrede gedaan te hebben, als men zich vrij gemaakt heeft van het geloof aan de erfelijke monarchie en zweert bij de demokratische republiek. Maar in de werkelijkheid is de staat niets anders dan een machine ter onderdrukking van de eene klasse door een andere en wel in de demokratische republiek niet minder dan in de monarchie; en in het beste geval een kwaad, dat door het in den strijd om de klassenheerschappij zegevierend proletariaat wordt overgeërfd en welks ergste gevolgen het evenmin als de kommune kon nalaten, dadelijk zooveel mogelijk te besnijden, totdat een geslacht, dat opgegroeid is in nieuwe, vrije, maatschappelijke toestanden in staat zal zijn zich van den heelen staats-rommel te ontdoen.”
In zijn Ursprung der Familie, des Privateigenthums und des Staates, schrijft hij: “de staat bestaat dus niet van eeuwigheid af. Er zijn maatschappijen geweest, die zonder staat bestonden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalden trap van ekonomische ontwikkeling, die noodzakelijk verbonden was aan de splitsing der maatschappij in klassen, werd door die splitsing de staat een noodzakelijkheid. Wij naderen nu met rassche schreden een trap van ontwikkeling der maatschappij, waarop het bestaan dier klassen niet alleen heeft opgehouden een noodzakelijkheid te zijn, maar waarop het een bepaalde belemmering der produktie wordt. Zij zullen even onvermijdelijk vallen als zij vroeger zijn ontstaan. Met deze valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de produktie op nieuw organiseert op den grondslag van vrije en gelijke associaties van producenten, plaatst de geheele staatsmachine daar, waar zij dan zal behooren, nl. in het museum van oudheden naast het spinnewiel en de bronzen bijl.”
En eindelijk in Dühring’s Umwälzung der Wissenschaft lezen wij: “de staat was de officieele vertegenwoordiger van de geheele maatschappij, haar verpersoonlijking in een zichtbare gestalte, maar alleen voor zooverre hij de staat was van die klasse die zelf de heele maatschappij van haar tijd vertegenwoordigde: in de oudheid de staat der slavenhoudende staatsburgers, in de midden-eeuwen van den feodalen adel, in onzen tijd van de bourgeoisie. Terwijl hij eindelijk de feitelijke vertegenwoordiger van de heele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf overbodig. Zoodra er geen maatschappelijke klasse meer te onderdrukken valt, zoodra met de klasse-heerschappij en den strijd om het bestaan, gegrond op de hedendaagsche anarchie der produktie, ook de daaruit voortkomende botsingen en buitensporigheden zijn ter zijde gezet, valt er niets meer te onderdrukken, wat een afzonderlijke onderdrukkingsmachine, een staat, noodig maakt. De eerste daad waarin de staat werkelijk optreedt als vertegenwoordiger der geheele maatschappij –de in bezitneming der produktiemiddelen in naam der maatschappij– is tevens zijn laatste zelfstandige daad als staat. Het ingrijpen van een staatsmacht in de maatschappelijke verhoudingen wordt op het eene gebied en het andere overbodig en slaapt dan vanzelf in. In de plaats der regeering over personen treedt het beheer over zaken en de leiding van produktieprocessen. De staat wordt niet”afgeschaft“, hij sterft af. Hiernaar moet de frase van den vrijen volksstaat worden beoordeeld, dus zoowel naar haar tijdelijk agitatorisch goed recht als naar haar eindelijke wetenschappelijke ontoerekenbaarheid, daarnaar eveneens de eisch van de zoogenaamde anarchisten, dat de staat van van daag op morgen moet afgeschaft worden.”
En toch verzekert dezelfde, dat “het proletariaat de staatsmacht overmeestert en de produktiemiddelen allereerst verandert in staatseigendom”! Onbegrijpelijkerwijze voegt hij er aan toe: “maar daarmede heft het zichzelf op als proletariaat, daarmede heft het alle klassenonderscheidingen en tegenstellingen op, daarmede heft het zichzelf als staat op.”<ref>Deze bijvoeging is overigens in overeenstemming met het Kommunistenmanifest, bl.24 (Hollandsche uitgave verschenen in de Volksbibliotheek bl.77/78).</ref> Een almachtige staat als bezitter van alle produktiemiddelen en die dan zichzelf als staat opheft – hoe rijmt dit tezamen?
Waarin ook verschilt deze opvatting van die van den bekenden anarchist Kropotkine in zijn studie over de revolutie: “de afschaffing van den staat, zietdaar de taak van den revolutionair, van hem die den moed heeft na te denken, zonder welke geen revolutie mogelijk is. In dat opzicht heeft hij alle tradities der bourgeoisie tegen zich. Maar hij heeft voor zich de geheele evolutie der menschheid, die ons op dat historisch oogenblik de taak oplegt om ons vrij te maken van een vorm van groepeering, misschien noodzakelijk geworden door de onkunde van de verleden tijden, maar nu vijandig staande tegenover elken vooruitgang”? Beiden, de zoogenaamde anarchist en de bestrijder der anarchie reiken elkander hier de hand en ook Engels bepleit feitelijk de anarchie. Hij is dus een Janus met twee aangezichten, het eene als wetenschappelijk man gericht naar de anarchie, omdat deze de toekomst heeft, het andere als praktisch man gericht naar de sociaal-demokratie, omdat deze het heden heeft, waarmede hij niet breken kon of wilde. Aan die tweeslachtigheid gaat hij te gronde.

C. De Duitsche Sociaal-Demokratie en haar vertakkingen in andere landen.

Er is zeer veel waars in de bewering van prof. Quack, dat “na de tweeledige verpersoonlijking van de socialistische ontwikkeling in Marx en in Bakunine, er niet veel nieuws meer is aan te toonen. De groote leiders zijn van het tooneel. De epigonen hebben het werk overgenomen. Er is binnen den kring der socialistische stelsels weinig oorspronkelijks meer: slechts des te veelvuldiger weerkaatsing van het vroegere. Toch laat soms prisma-flikkering allerlei nieuwe combinaties van kleuren toe.” Maar toch kunnen wij die opmerking slechts onder benefice van inventaris aanvaarden, want

  1. de oorspronkelijkheid van Marx en Bakunine was ook zoo groot niet als men gewoonlijk meent, daar ook zij weer staan op de schouders hunner voorgangers, wier denkbeelden men grootendeels, al is het in anderen vorm, terug vindt in hun geschriften, en
  2. de geschiedenis zou op die wijze niets anders worden dan de geschiedenis van de groote mannen, alsof deze niet groot waren omdat zij de uitdrukking waren van de denkbeelden, die reeds leefden onder het volk. Niet zij gaven het volk de richting aan die gevolgd moest worden, integendeel het volk gaf hun de ideeën die zij ontwikkelden, ideeën die reeds sluimerden en die alleen de personen noodig hadden om er den goeden vorm aan te geven. Ook hier geldt het bekende woord: men denkt te schuiven en men wordt geschoven.

Natuurlijk trekt het eerst onze aandacht Duitschland, omdat het dit land is, dat feitelijk de vertegenwoordiger is van de eene strooming, door ons gekwalificeerd als het gezags- of dwangsocialisme. Wij hebben de werkzaamheid van Marx zoo in als buiten Duitschland nagegaan, wij hebben de stichting van de Allgemeiner Deutscher Arbeiter-Verein door Lassalle beschreven en het karakter daarvan bepaald als nationaal en centralistisch-diktatoriaal. Bij den dood van Lassalle, ruim 1 jaar na de stichting, was het kindje nog zoo zwak en kon het zoo slecht de leiding missen van den vader. Toch had de vader voor een voogd gezorgd en bij testamentaire beschikking als ’t ware zijn opvolger aangewezen. Bernard Becker was de man, op wien Lassalle’s profetenmantel was gevallen, maar de keuze bleek niet gelukkig te zijn. Echter men vergete niet hoe zwaar die taak was, want

  1. Lassalle had een zekeren aureool om zich, dien de ander miste;
  2. de vriendin van Lassalle, gravin Hatzfeldt had ook wat te vertellen door haar eigenaardige positie tot den stichter der vereeniging, door haar geld en haar talent;
  3. te London zaten Marx en Engels, die het werken van Lassalle steeds met naijverige blikken hadden gadegeslagen en vreesden voor diens invloed op de Duitsche arbeiders en nu met arendsoogen elke, ook de geringste fout, trachtten op te speuren om haar op te blazen tot een groote.

Becker begon met een twist met de gravin en deze onhandigheid ondermijnde reeds dadelijk zijn positie, daargelaten of hij gelijk had of niet. Daarbij kwam een tweede konflikt. Nog bij het leven van Lassalle was tusschen hem en den advokaat dr. J.B. von Schweitzer afgesproken een socialistisch blad op te richten te Berlijn en deze gaf uitvoering aan dit plan, zoodat op 1 Januari 1865 aldaar verscheen de Social-Demokrat. Onder de medewerkers had men ook opgenomen de oude acht-en-veertigers: Johan Philipp Becker van Genève, Fr. Engels van Manchester, Georg Herwegh van Zürich, Hess van Parijs, Liebknecht van Berlijn, Karl Marx van London, Rüstow van Zürich en Wuttke van Leipzig, maar een reeks artikelen onder het opschrift: Het ministerie Bismarck, waarin hij de nationale roeping van Duitschland aangaf, zooals zij zich later ook heeft verwezenlijkt, veroorzaakte een splitsing, zoodat de meeste bovengenoemden onder protest hun medewerking opzegden. Het nationaal socialisme van Lassalle en het internationaal van Marx botsten op elkaar. Het presidentschap van Becker duurde niet lang en men meende met de verkiezing van Tölcke uit Iserlohn een einde te hebben gemaakt aan de twisten. Dit was echter het geval niet. Ook hij trad af om plaats te maken voor Perl uit Hamburg.
Er kwam in 1866 een scheuring, zoodat er een andere vereeniging werd opgericht, aan wier hoofd eerst Försterling en daarna Mende stond en omdat de gravin daarvan de eigenlijke ziel was, noemde men deze partij de "vrouwelijke lijn’. Maar toen in 1867 v. Schweitzer tot president werd gekozen, kreeg men althans een man van talent aan het roer. Dadelijk nam de invloed toe, zoodat in den pas opgerichten Noordduitschen Rijksdag drie hunner: v. Schweitzer, Fritzsche en Hasenclever zaten en twee der vrouwelijke lijn: Försterling en Mende.

De vijandschap tusschen het imperialistisch socialisme en het Bismarck-cesarisme, zooals Liebknecht het socialisme van Schweitzer betitelde, en het internationale nam ook steeds toe. In verschillende vergaderingen maakten de aanhangers der beide frakties het elkander zoo lastig, dat het meermalen op vechtpartijen uitliep. Om sterker te zijn vereenigde v. Schweitzer zich met de fraktie Mende-Hatzfeld, maar deze vrouwelijke lijn kon het als politieke partij niet uithouden en dus die versterking was slechts denkbeeldig. Liebknecht had in Bebel een flinke kracht gevonden en beiden agiteerden nu tezamen tegen de Arbeiter-Verein. Trachtten zij zich eerst van deze meester te maken door v. Schweitzer aan te klagen van verraad der arbeiderszaak aan de Pruisische regeering, deze poging mislukte, want v. Schweitzer verwierf op de jaarvergadering te Barmen in 1869 een vertrouwensvotum van 42 der 54 afgevaardigden. Toen vereenigden Liebknecht<ref>Liebknecht, geboren te Giessen in 1826, studeerde aan de Universiteit wijsbegeerte en filologie. Hij nam in 1848 dienst in het vrijwilligerkorps van Herwegh en Struve en aan den opstand in Baden in 1849. Van 1850-1862 leefde hij te Londen in ballingschap. Na de amnestie van 1862 keerde hij naar Duitschland terug, om steeds een werkzaam aandeel te nemen aan de sociaal-demokratische beweging, eerst wonende te Leipzig, daarna te Borsdorf bij Leipzig, tot hij na opheffing van de socialistenwet verhuisde naar Berlijn, om op te treden als hoofdredakteur van het sociaal-demokratisch dagblad Vorwärts. Hij stierf in 1900.</ref> en Bebel<ref>Bebel, geboren te Keulen in 1840, was draaier van beroep. Te Leipzig vestigde hij zich in 1860 als baas. Sints 1862 hield hij zich bezig met de arbeidersbeweging. Hij trad eerst tegen Lassalle op. Later wist Liebknecht hem te winnen voor het socialisme en van toen aan hebben beiden steeds samengewerkt, om de sociaal-demokratische partij in Duitschland te maken tot hetgeen hij is.</ref> hun aanhangers rondom zich en stichtten te Eisenach de sociaal-demokratische arbeiderspartij, naar die plaats veelal genoemd de Eisenacher of ook met den spotnaam hunner tegenstanders de “eerlijken”. Het mooiste was hierbij, dat de internationalen in hun program het beginsel van Lassalle overnamen: de bevordering van het Genossenschafts-wesen door den staat en het staatskrediet voor vrije produktieve associaties onder demokratische waarborgen. Een beginselverschil bestond er dan ook eigenlijk niet.
Redigeerde Liebknecht het Demokratische Wochenblatt, dit blad werd later omgezet in den Volksstaat. Daar brak de Fransch-Duitsche oorlog uit en deze bracht natuurlijk groote verwarring te weeg. Had de koning van Pruisen in een proklamatie verklaard, dat hij geen strijd voerde tegen het Fransche volk, maar tegen den Franschen keizer, hij had om woord te houden na den val van het keizerrijk en de uitroeping der republiek op 4 September 1870 den oorlog moeten eindigen. Dit deed hij niet en Liebknecht en Bebel hadden volkomen gelijk, toen zij namens de sociaal-demokratie in den Rijksdag protesteerden tegen de annexatie van Elzas-Lotharingen. Dit protest vond zoo weinig genade in de oogen der oorlogspartij, dat generaal Vogel von Frankenstein eenigen der bestuursleden geboeid naar de vesting Lötzen liet brengen en op bevel van het hoofdkwartier te Versailles Liebknecht, Bebel en Hepner wegens hoogverraad te Leipzig werden gevangen genomen. Schweitzer trok zich terug uit de beweging, om vervangen te worden door Hasenclever<ref>Hasenclever, geboren te Arnsberg in 1827, was leerlooier van beroep. Hij nam een zeer werkzaam aandeel aan de arbeidersbeweging. Gekrenkt van geest stierf hij in 1889.</ref>; de leiders der internationalen zaten gevangen. De arbeiders waren dus aan hun eigen lot overgelaten. Bij de verkiezingen van 1874 werden 9 sociaal-demokraten gekozen, van wie 6 tot de internationalen en 3 tot de Lassalleanen behoorden. De drang naar vereeniging van beide frakties werd steeds sterker gevoeld en op het kongres te Gotha in 1875 had de samensmelting van beide partijen plaats op den grondslag van een program, dat door beiden werd geaccepteerd en dit program van Gotha is zestien jaren lang de grondwet geweest van de Duitsche socialistische Arbeiderspartij. Wij wezen er reeds op, dat hoewel men algemeen geloofde dat Marx de vader was van dit program en hij de wereld stilletjes in dien waan liet, daar hij nooit gedurende zijn leven tegen dat vaderschap heeft geprostesteerd, dit niet alleen niet het geval is geweest, maar integendeel dat Marx het program aan een scherpe kritiek onderwierp en te licht bevond. Dat program was een echt kompromis en het behoort zeker tot hetgeen men in Jesuïtenstijl een pia fraus<ref>Een vroom bedrog.</ref> noemt, dat men tegen beter weten in, de wereld in den waan liet, dat de sociaal-demokratische partij zich gekonstitueerd had onder goedkeuring van Marx. Het officieele blad der partij werd de Vorwärts onder redaktie van Liebknecht en Hasenclever, een samensmelting van den Volksstaat van Liebknecht en Neuer Socialdemokrat van Hasenclever. De aanslagen van Hödel en dr. Nobiling op het leven des keizers in 1878 kwamen de partij zeer te onpas, maar als men de houding der Duitsche sociaal-demokraten vergelijkt met die der Russische Nihilisten, dan komt zij sterk ten voordeele der laatsten uit. Hun pers vloeide over van allerlei lieflijkheden aan het adres der daders, zooals “Wahnsinns-streich”, “Schandthat des Nobiling”, “Mordbube”,<ref>Waanzinnige streek. Schanddaad van Nobiling. Moordenaar, enz.</ref> enz. De angst gaf hun dit in, want overigens werd tirannen-moord altijd gebillijkt en verheerlijkt. De socialistenwet van 1878 was het antwoord der regeering op die aanslagen. Gewoonlijk stelt men het voor, alsof de partij toen zoo machtig was, dat een dergelijke wet ter onderdrukking noodzakelijk scheen, maar hoewel dit zelfbedrog zeer begrijpelijk is bij de leiders, toch kan men minstens evengoed zeggen, dat de beweging sints de vereeniging in 1875 reeds aan het verwateren was en de regeering meende haar heelemaal te kunnen temmen door brutale onderdrukking. Vandaar dat het der bourgeoisie bij den eersten aanslag, die van Hödel, niet eens de moeite waard voorkwam en deze het ontwerp verwierp en eerst de tweede aanslag kon genoeg druk verwekken, om zoo’n wet er door te halen. De uitkomst bewees dat de regeering goed gezien had en al blufte de partijpers bij de opheffing in 1890, dat de partij zelfs den man van bloed en ijzer genoodzaakt had tot toegeven, het was een feit, dat de partij reeds zoo ver verwaterd was, dat zij in ’t geheel geen gevaar opleverde. Zij had geen uitzonderingswet meer noodig, zij was reeds geworden, wat men van haar maken wilde, een doodgewone hervormingspartij. In het Jahrbuch für Sozialwissenschaft, dat in het buitenland verscheen voor het geld van den rijken Karl Höchberg, heette het: “De partij toont juist nu onder den druk der socialistenwet, dat zij den weg der gewelddadige revolutie niet wil opgaan, maar besloten is ondanks vele vroegere ongepastheden en uitspattingen, waaraan zij zich, evenals alle andere partijen, in haar jeugd heeft schuldig gemaakt, den weg der wettelijkheid, d.w.z. der hervorming te bewandelen”.
De leiders verloren in dien tijd het hoofd, wat niet te verwonderen was, als men bedenkt dat de meesten hun bestaan verloren. Dit maakte bepaald een ongunstigen indruk op de arbeiders, die in den regel hoog opzagen tegen de leiders. Het was een jaar van verwarring, zooals Mehring het noemt, vooral toen de kleine staat van beleg over Hamburg, Berlijn en andere plaatsen werd uitgesproken.
Te Brussel begon Karl Hirsch met de uitgave van een blad: die Laterne in navolging van het bekende blad van Rochefort in Napoleons tijd. Johann Most<ref>Most, geboren te Augsburg in 1846, was boekbinder van beroep. Een rusteloos ijveraar was hij voor de socialistische denkbeelden, ten gevolge waarvan hij met elkaar 8 jaar doorbracht in verschillende gevangenissen van Oostenrijk, Pruisen, Éngeland en Amerika. Te London richtte hij de Freiheit op, die hij naar Amerika verplaatste na het ondergaan van een straf van 16 maanden “hard labour” (dwangarbeid) in een Engelsche gevangenis. Nog steeds staat hij onvermoeid op zijn post, om in dat blad de zaak der anarchie te verdedigen.</ref>, een der radikale elementen der Duitsche partij en zeer bemind onder de arbeiders, zat juist gevangen in Plötzensee en vrijgekomen op 9 December 1878 werd hij direkt uit Berlijn verbannen en door de partijgenooten als ’t ware uit Duitschland gedrongen. Te London gekomen richtte deze de Freiheit op in het begin van het jaar 1879. Beide bladen namen geen slot voor den mond en kritiseerden den toestand zeer scherp. Zij werden dan ook spoedig verboden in het rijk. Maar wat deden nu de uitgevers van de Freiheit? Zij lieten het blad telkens onder een anderen titel verschijnen, zooals: Deutschland, Bismarck, Lehmann und Co., Hunger, Gerechtigkeit, enz., zoodat telkens een nieuw verbod van regeeringswege noodig was, en een heel jaar door verscheen dan ook in den officieelen Reichsanzeiger het verbod van dit of dat blad, dat te London verscheen en zich voordeed als de voortzetting van de verboden Freiheit. Dit ging echter buiten de Duitsche partij zelve om en het beviel den leiders maar half, vooral daar Most een revolutionaire taktiek aanbeval, waarvan de Duitschers niet gediend waren. Om een tegenwicht te vormen gaf de partij op 28 September in Zwitserland het proefnummer uit van een nieuw blad Der Sozial-Demokrat, Internationales Organ der Sozialdemokratie deutscher Zunge.
Ook Hasselmann, een ander revolutionair-gezind lid der partij<ref>Wilhelm Hasselmann, geboren te Bremen in 1844, kreeg zijn opleiding aan het polytechnicum te Hannover en was als scheikundige werkzaam op verschillende fabrieken. Door Lassalle’s geschriften in de beweging gebracht stond hij steeds aan de uiterste linkerzijde, kon het autoritaire optreden van Liebknecht niet verdragen, maar werd ten slotte uit de partij verbannen, om naar Amerika te gaan. Sints hoorde men weinig van hem, zoodat het ons zelfs onbekend is of hij nog leeft dan wel dood is.</ref>, werd door de partij in den ban gedaan, nadat hij in den Rijksdag (4 Mei 1880) zich solidair had verklaard met de Russische nihilisten en zei dat “die Zeit des parlementarischen Schwätzens vorüber ist und die Zeit der Thaten beginnt.”<ref>De tijd van het parlementair kletsen is voorbij en de tijd der daden begint.</ref> Ook deze verliet weldra Duitschland, dat meer en meer onbewoonbaar werd voor elk mensch van karakter en onafhankelijkheid. Kleurlooze bladen die schimpen op de revolutionair-gezinden, kompromissen, patriotisme, neigingen tot monopolies, enz. – zietdaar wat men kon waarnemen binnen die partij in dezen tijd der socialistenwet.
Daarbij kwam dat Bismarck het niet liet bij het bedwingen der sociaal-demokratie door middel van de socialistenwet, hij begon ook in praktische sociale hervormingen te doen, om zoo den sociaal-demokraten het werk uit de handen te nemen. In 1881 verscheen de keizerlijke boodschap, waarin gezegd werd dat ook het positief welzijn van de arbeiders bevorderd moest worden. Zoo kwam er een wet tot verzekering tegen ongevallen en allerlei andere wetten zoogenaamd tot bescherming der arbeiders en het werd meer en meer de vraag, vooral bij de verkiezingen, wie den arbeiders het meest zou voorspiegelen. Wie den geest van dien tijd wil leeren kennen, moet vooral de strooibiljetten bij de verkiezingen lezen. Zoo vindt men in een biljet ter aanbeveling van zekeren Habermann: “hoe zou Habermann een omverwerper zijn, als zelfs de kanselier van het Duitsche rijk, vorst Bismarck, proefnemingen doet met het program der socialisten? Wanneer zelfs onze Duitsche keizer in zijn keizerlijke boodschap van 17 November 1881 het socialistisch gronddenkbeeld mededeelt aan zijn volk, dat aan den ekonomisch zwakke bescherming moet worden gewaarborgd, dus bescherming der armoede tegen de macht van het uitbuitende kapitaal? Wanneer Habermann hetzelfde wil –al is het ook op vrijere wijze– wat als gewenscht heilmiddel tegen het kwaad der heerschende kapitaalmacht en der grootproduktie door den rijkskanselier, vorst Bismarck, wordt aanbevolen, dan kan deze toch onmogelijk een ‘omverwerper’ zijn.” Dus Bismarck of Habermann, dat scheelt niet veel.
Steeds werd het erger en langzamerhand gedroeg men zich, alsof men regeeringspartij was. Van socialisme geen sprake meer. De “praktische” eischen traden op den voorgrond. Zoo werd o. a. door Bebel sterk gespekuleerd met de bedreiging, dat als men de sociaaldemokratie niet steunde, de bierbelasting verhoogd zou worden. En komt men een Duitscher aan zijn bier, dan komt men aan zijn leven.
Als Bismarck zegt: geef den arbeider het recht op arbeid, zoolang hij gezond is, verzeker hem verpleging, wanneer hij ziek is, verzeker hem verzorging, wanneer hij oud is (zitting van den Rijksdag van 9 Mei 1884) en men vergelijkt daarbij de “praktische” werkzaamheden van de sociaaldemokraten, dan zien wij tusschen beiden geen verschil. Gaat men eenmaal den weg der “praktische” hervormingen op, dan is men als socialist verloren, men gelijkt op den man die aan het eene einde van een touw trekt, terwijl aan het andere regeering en bourgeoisie trekken. Geven deze toe, dan valt men immers op den rug. Zoo ging het nu met de regeering en bourgeoisie eener-, de sociaaldemokratie anderzijds, beiden trokken aan de lijn der hervormingen, de regeering gaf wat toe met het gevolg dat de sociaal-demokratie op den rug viel, waarop zij nog altijd ligt te spartelen.
Bismarck begreep zeer goed, waar het zwakke punt der sociaaldemokratie zat en zei na de verkiezing van 1884, toen het aantal gekozen sociaaldemokratische afgevaardigden gestegen was tot 25, dat hij hoopte dat zij weldra de drie dozijn zouden hebben bereikt, want “als de heeren maar eerst met positieve plannen aankomen, zullen zij veel makker worden dan zij thans zijn”. Hij zou hun zelfs een provincie in eigen beheer willen geven, om te zien hoe zij huis hielden. Ook zag hij zeer goed in, dat zelfs de bescheiden hervormingen op sociaal gebied nog niet zouden hebben bestaan zonder de sociaal-demokraten en als zoodanig beschouwt hij hen als een buitengewoon nuttig element. En toen de sociaaldemokraten bravo riepen, zei hij: “ja, ziet ge, op sommige punten zijn wij het samen toch wel eens”.
Overigens hij was te veel staatsman, om niet te begrijpen dat men voor ’n deel socialistisch moest zijn, om in overeenstemming te blijven met den tijdgeest en erkende dat het “zonder een zekere maat socialisme niet meer ging.”
Moest niet Bebel erkennen, dat naarmate de partij in breedte gewonnen had, zij in diepte verloor? Zei hij niet, dat negen tienden van de elementen, die de partij vormden, alleen daartoe behoorden wegens de praktische hervormingen en het slechts één tiende te doen was om de principieele propaganda? En ging hij niet meedoen met de regeering, toen hij zijn partij, die eenmaal het stoute woord sprak: aan dit stelsel geen man en geen cent, weg met het militarisme! blameerde door in den Rijksdag te zeggen, dat een leening, aangegaan voor de aanschaffing van doffe, niet glinsterende uniformen, door hem gesteund zou worden, omdat in waarheid geen meer produktieve uitgave gedaan kon worden? Maar geeft men het militarisme den vinger, dan neemt het de hand, den arm, het geheele lichaam. Op dezelfde gronden toch moet men dan geld toestaan voor verder dragend geschut, voor meer schepen, voor verbeterde geweren, in één woord voor alles wat de militairen noodig achten. En men is dan ook steeds verder afgezakt, tot dat men zelfs de “kompensatiepolitiek” van den advokaat Heine met succes durfde verdedigen, die daarin bestaat dat men met de regeering gaat onderhandelen op de wijze der ultra-montanen, zoodat als de regeering eenige hervorming belooft, die de sociaaldemokraten verlangen, deze op hun beurt ook eenige eischen der regeering zullen toestaan. Dat is andere taal dan die van Liebknecht in 1869: “de sociaaldemokratie mag onder geenerlei omstandigheden en op geen gebied onderhandelen met de tegenstanders. Onderhandelen kan men alleen, wanneer men staat op gemeenschappelijken bodem. Met principieele tegenstanders onderhandelen, dat is zijn beginsel ten offer brengen. Beginselen zijn ondeelbaar, zij worden òf geheel bewaard òf ten offer gebracht. De kleinste principieele koncessie is het opgeven van het beginsel. Wie met vijanden”parlementelt" (parlementje speelt) die parlementeert en wie parlementeert, die geeft zich over." En niet alleen dat men in Duitschland zoo te werk ging en het socialisme zoo veel mogelijk opging in allerlei kleine hervormingen binnen het raam van den hedendaagschen staat, die men, zooals het heette, op afbetaling aannam, maar men trachtte denzelfden stempel af te drukken op de beweging in andere landen. Eindelijk kwam het zoover dat de partij den lof inoogstte van een bourgeois-blad, in zekeren zin te behooren tot de partijen der orde en tot deze gerekend te willen worden, en als zij zich revolutionair nog noemde, dan verklaart dit blad terecht, dat het rhetorisch bijwerk is voor zekere doeleinden en verder niets. Het gevaar voor de sociaaldemokratie was geweken, men kon hier met Shakespeare spreken van “taming of a shrew” (het temmen van een weerspannige), dat aan Bismarck volkomen gelukt is, trots alle grootspraak van de sociaaldemokraten dat zij Bismarck zelfs overwonnen hebben. Men kan gerust zeggen, dat Bismarck zijn doel bereikt heeft, nl. de kapitulatie en hun afzwering van de revolutionaire, in de oogen der heerschende klasse gevaarlijke denkbeelden. Of wie zal durven beweren dat de sociaaldemokratische partij en haar leiders nog dezelfden zijn van vroeger? Toch kostte die temming heel wat, want onder de socialistenwet werden 1300 periodieke en niet periodieke drukwerken en 332 arbeiders-organisaties van allerlei soort verboden, werden 900 personen uit de plaatsen met kleinen staat van beleg verbannen, werden tezamen 1000 jaar gevangenisstraf uitgedeeld aan 1500 personen en deze cijfers moeten natuurlijk heel wat verhoogd worden, om een geheel trouw beeld der werkelijkheid te geven, want hoevelen werden buitendien nog de dupe van kapitalistische vervolgingen? Ten koste van zooveel slachtoffers is de sociaaldemokratie getemd en wel verre daar vandaan dat men als een spierkrachtig en tegen het weer gehard man uit den strijd is gekomen, bleek het hoe de partij zoover op sleeptouw is genomen door Bismarck, dat de strijd tusschen dezen en de sociaaldemokratie niet meer een beginselstrijd is, maar over wat meer of minder loopt op het gebied der arbeidswetgeving. Heeft men Liebknecht, die in 1869 nog zei, dat het socialisme geen vraag der theorie meer is, maar eenvoudig een machtsvraag, die in geen parlement, maar op straat, op het slagveld moet opgelost worden evenals elke andere machtsvraag, niet in den Rijksdag hooren zeggen: nu is het nog mogelijk op den weg der hervorming de oplossing der sociale vraag te banen?
Wij kunnen niet alle veranderingen aangeven, die een Liebknecht en Bebel<ref>Leerzaam is in dezen de lezing van de officieele verslagen der opeenvolgende partijdagen, want daarin ziet men vooral ’n Bebel de potsierlijkste bokkesprongen maken, nu naar links en dan naar rechts. Hij sprak eens van de “Mauserung” (den ruitijd) der partij, men heeft echter bovenal recht om te spreken van de Mauserung van Bebel zelf. Vergelijk ook “le Socialisme en danger” hierover.</ref> doormaakten, alles behalve getuigenis afleggende van een ontwikkelingsproces, dat zou ons veel te ver voeren, maar willen alleen nog wijzen op hetgeen na de opheffing der socialistenwet volgde. Het was de jeugdige keizer Wilhelm II, die die opheffing doordreef en een oogenblik zelfs de gedachte opwekte, dat hij als een tweede Konstantijn II zou optreden en evenals deze poseerde als christenkeizer zou poseeren voor socialen keizer. Zijn woorden waren soms scherp tegenover de kapitalisten en zijn keizerlijke boodschappen toonden dat hij ook “in socialistische hervormingen” ging doen. Op het eerste kongres na de afschaffing der socialistenwet, gehouden te Halle (1890), openbaarde het zich reeds dat er in de partij een oppositie bestond, vooral te Berlijn, die lang niet tevreden met de leiding der partij en verontwaardigd over het “ijzeren masker,” dat tijdens die wet alle elementen van oppositie signaleerde en geheimzinnig werkte als de beruchte raad te Venetie, nu bepaald verlangde dat op andere wijze zou opgetreden worden. Had men gehoopt in Schippel en zijn Volkstribune een steun gevonden te hebben, het bleek dat deze aan zijn onmiskenbare goede geestesgaven niet paarde de noodige karaktersterkte om op te durven komen tegen de oude leiders, men werd in hem schromelijk teleurgesteld. Schippel toch liet Wilh. Werner te Halle alleen staan. Ook Vollmar neigde op den partijdag te Halle naar links en sommigen meenden in hem een der leiders van de radikale fraktie te zullen krijgen. Maar deze maakte later zijn “draai”. De oppositie toonde zich het sterkst tegen de houding der Rijksdagsfraktie ten opzichte van de viering van den 1 Meidag, waartoe besloten was op het internationaal kongres te Parijs. Bij nalatigheid der fraktie om tot die viering op te roepen, deden eenige Berlijner partijgenooten, onder wie Schippel en Albert Schmidt, in plaats van de fraktie een oproep, om op den voormiddag openbare vergaderingen te houden en den namiddag te wijden aan de gezelligheid in het vrije veld. Dit was lèse-majesté tegenover de Rijksdag-fraktie, die het parool moest geven, en deze riep nu als antwoord allen op, om niet eerder de noodige stappen te doen in deze zaak, voor en aleer de fraktie, als vertegenwoordigster der partij, had gesproken. Frans Mehring (toen geen sociaaldemokraat), kwam heftig op tegen de viering van den 1sten Mei als feestdag. Schippel schreef na die verklaring uit die kringen der fraktie, dat hij heelemaal niets meer van den 1sten Mei verwachtte. De fraktie nam een weifelend standpunt in, daar zij verklaarde het niet met haar geweten overeen te kunnen brengen den Duitschen arbeiders aan te bevelen om den 1sten Mei te maken tot een dag van algemeene rust. Dit was toch niet door te voeren en zou leiden tot allerlei konflikten, maar wie vrijaf kon nemen zonder konflikt te krijgen, die kon het doen. Zoo is door de rijksdagfraktie de 1ste Meidag als rustdag in de geboorte verstikt.
Wat een onderscheid met Oostenrijk, waar de partij hoewel veel zwakker den rustdag doorzette, ofschoon men wist dat de kanonnen te Weenen geladen klaar stonden, om bij de minste oproerigheid der arbeiders er dadelijk op in te schieten. Meer en meer openbaarde zich in de partij een klassenstrijd tusschen het revolutionair-proletarische en het possibilistisch-kleinburgerlijke element. De oppositie stak zoo sterk het hoofd op, dat Bebel en Liebknecht al hun best moesten doen om haar te onderdrukken en als hun dit gelukt is, dan was dit minder te wijten aan deugdelijke argumenten dan wel aan de trouw aan de oude leiders, die men niet in den steek wilde laten. Het was Singer, die uitdrukking gaf aan deze wijze van doen door te zeggen: als aan de eene zijde Bebel en Liebknecht en aan de andere Wille, Werner en Wildberger staan, zullen de partijgenooten wel weten, waarheen zij zich hebben te wenden. Zeker wilde hij door dat beroep aanschouwelijk toonen hoe de partij bestond uit een massa “Heerdenthieren”<ref>Kuddedieren.</ref>, wat Wille haar verweten had tot woede van velen.<ref>Ook Vollmar wees op den deprimeerenden indruk, dien hij verkregen had van de massa der partijgenooten. “Te Berlijn werd een vergadering gehouden; 5000 personen zijn tegenwoordig, allen zijn het eens met Wille. Toen komt Bebel, spreekt voor 6000 man en alle 6000 man zijn het met Bebel eens. Te Magdeburg ging het evenzoo.” (Verslag van den Partijdag te Erfurt.) Inderdaad men krijgt geen hoogen dunk van de "bewustheid’ en zelfstandigheid van denken bij zoo’n partij!</ref>

Niet alleen van links, maar ook van rechts werden de oude leiders bestookt en wel door Vollmar,<ref>Ridder Georg von Vollmar, geb. 1850 te Augsburg, werd opgeleid voor den militairen dienst, ging later als vrijwilliger in het Pauselijke Zouavenleger, nam deel aan den Fransch-Duitschen oorlog van 1870 en werd in dien oorlog gewond. In het hospitaal liggende is hij van geloovig katholiek geworden tot een sociaal-demokraat. Helder van hoofd en begaafd met diplomatische bekwaamheden werd hij spoedig een der leiders van de partij, ja zijn invloed in Zuid-Duitschland is overwegend, zoodat men hem nooit aandurfde. Zijn rol is nog lang niet uitgespeeld.</ref> die nog sterker hervormingsgezind dan de fraktie alle agitatie wilde koncentreeren op de vroeger reeds aangehaalde 5 punten (zie dl.II, bl.70) en die een groote massa, vooral in Zuid-Duitschland, achter zich had, zoodat hij ontzien moest worden. Op den partijdag te Erfurt (1891) zou de groote strijd gevoerd worden en ofschoon het er heet toeging, men durfde Vollmar niet aan, waar zelfs Bebel verklaarde dat Vollmar op het kongres meer goedkeuring had ingeoogst dan hij gedacht en verwacht had en zich niet ontzag om te zeggen dat men zich niet moest laten verleiden “door de mooie frases of de schoone oogen van Vollmar”. Scherp en juist zei Vollmar tegenover Bebel en Liebknecht: òf gij gelooft aan de bereikbaarheid en nuttigheid van de palliatiefmiddelen die in het program staan en dan moogt gij het volk niet zeggen dat de palliatiefmiddelen eigenlijk niets geven, maar moet gij doen zooals ik en daarvoor optreden als eerste doel, òf gij gelooft er niet aan en dan moet gij ze uit het program schrappen. Dus met andere woorden: òf radikaal en hervormingsgezind òf anarchist. En feitelijk behaalde het opportunisme van Vollmar de zegepraal over de revolutionaire woorden der ouden. Maar toen het aankwam op de oppositie naar links, toen werden dezelfde revolutionairen van daareven in hun optreden even reaktionair en opportunistisch als Vollmar en de zijnen. Heel eigenaardig was het, hoe Bebel bijna dezelfde woorden bezigde tegenover de oppositie in de partij als keizer Wilhelm tegenover de sociaaldemokraten in zijn rijk. Keizer Wilhelm sprak van de “Nörgler”, en zei dat als het hun hier niet beviel, zij Duitschland maar moesten verlaten. En Bebel zei, dat er een einde moest komen aan die "ewige Nörgelei und das ewige Unruhestiften in der Partei. (Dat eeuwig mopperen en onrust stichten in de partij) en als de oppositie zich niet vereenigen kon met de houding der partij, dan heeft zij gelegenheid een eigen partij te stichten.

En Liebknecht ondersteunde zijn vriend, er bijvoegende: wie het niet beviel in de partij, die kon “hinausfliegen”. Zoo geschiedde het, dat enkelen uit de partij werden gezet. De partij der Jongen ontstond te Berlijn en op enkele andere plaatsen, die een eigen blad Der Sozialist stichtten, maar zij werden feitelijk onmogelijk gemaakt èn door de vervolgingen der regeering èn door den tegenstand der machtige groote partij. Daarbij kwam dat velen, walgende van de blinde volgzaamheid der partijgenooten, hun vertrouwen op de menschheid verloren en zich terugtrokken uit de beweging, om elders een veld van werkzaamheid te zoeken. Veel kracht is er van de Jongen, die eerst gewone revolutionaire socialisten waren maar langzamerhand gedreven werden naar het anarchisme, niet uitgegaan, omdat zij te veel opgingen in bespiegelingen en niet genoeg ingrepen in het volle menschenleven, in de praktische arbeiders-beweging. Een oogenblik zochten zij, ook al uit de begeerte om wat te doen, hun heil met Landauer in de koöperatie, maar ook deze kon op den duur onmogelijk voldoen aan hun begeerte. Nu werken sommigen in de vakvereenigingen en trachten zij daar althans kiemen van vrijheid te ontwikkelen die zij hopen, dat later tot wasdom komen, anderen gaan den weg op van het oprichten van kolonies, nog anderen houden zich bezig met letterkundigen arbeid in algemeen humanitairen zin.
Op datzelfde kongres, we schreven haast koncilie van Nicea, maar het is waar, wij tellen zooveel eeuwen later, op datzelfde kongres te Erfurt werd het Marxisme, gezuiverd van alle Lassalleaansche ketterijen, gekonsolideerd en het dogma of program vastgesteld, zonder hetwelk men in de sociaaldemokratische partij van Duitschland geen heil kan vinden. Weer is dat program gesplitst in een theoretisch gedeelte, dat socialistisch is ingericht naar de kritiek, door Marx zelf uitgeoefend op het program van Gotha, en een praktisch werkprogram, dat vrij wel overeenkomt met het oude en evenzeer “de oude, wereldbekende demokratische litanie: algemeen stemrecht, direkte wetgeving, volksjury, volksweer, enz.” bevatte, die Marx in het oude program noemde de “echo der burgerlijke volkspartij”. Ja zelfs ziet men eenigen achteruitgang, want terwijl men vroeger de “beslissing over oorlog en vrede door het volk” in het program had staan, is deze formule aldus veranderd: “beslissing over oorlog en vrede door de gekozen vertegenwoordigers van het volk”. En verder is de inhoud staatssocialistisch gebleven zooals hij was, want het is de staat, die in alle opzichten in de opvoeding, in de arbeidsregeling beschermend moet optreden, zoodat de macht van den staat bij de doorvoering van dit program veel grooter zal wezen dan nu en versterking van den staat om tot afschaffing ervan te komen, inderdaad dat mag zeker wel een eigenaardige methode heeten, die op geneeskundig gebied vergeleken kan worden met de homoeopathie.
Maar wat kenschetsend is voor de partij, dit beginsel-program is op dien partijdag na één redevoering, en wel van Liebknecht, met algemeene stemmen en zonder diskussie aangenomen. Het had veel van een proklamatie, gelijkende op die der pausen, die ex cathedra aan de geloovigen eenvoudig wordt opgelegd. Of is het denkbaar, dat in een vergadering van zelfdenkende menschen allen het eens zullen zijn over een grondleggend beginselprogram?
De houding der sociaaldemokraten tegenover de werkloozen-beweging te Berlijn in 1892, die haar zeer ongelegen kwam, is ook te kenschetsend om niet herinnerd te worden. De Vorwärts vertelde dat het “Janhagel Berlins” aanleiding had gegeven tot “Störungen der öffentlichen Ordnung” (storing van de openbare orde) en schudde het “Lumpenproletariat” van zich af, door de werkloozen te betitelen als “Leute mit den seidenen Tüchern und Ballonmützen” (souteneurs) en ofschoon voor de rechtbank bleek dat degenen die in verzet kwamen, werkelijk arbeiders zonder werk geweest waren, bleef dat blad zeggen, dat het ’t “Kanaille in Ballonmützen” was. Geen wonder dat vele buitenlandsche socialistische bladen dit scherp afkeurden en den Duitschen sociaaldemokraten toeriepen met een sociaal-demokratisch blad Volksanwalt uit Cincinnati: “als men dan volstrekt niet vooruit wil, dan zorge men toch minstens niet achteruit te gaan.”
Komiek was ook de indruk, dien de verontwaardiging van den Vorwärts maakte, toen dat blad het gewichtige feit mededeelde, dat “onder de geplunderde winkeliers zich drie bekende sociaaldemokraten bevonden.” Verbeeld u de brutaliteit van die werkloozen in de oogen van een blad dat optreedt als vertegenwoordiger der bezitlooze klasse en dat ontsteld is over de brutaliteit van niet-bezitters, om het eigendom aan te randen van drie bekende en wel bezittende sociaaldemokraten!
Eigenaardig mag het ook heeten dat naarmate de partij zich steeds meer bewoog in de richting van het staatssocialisme, zij op den partijdag te Berlijn in 1892 brutaalweg een resolutie aannam, waarin verklaard werd dat de sociaaldemokratie “niets gemeen heeft met het zoogenaamde staatssocialisme,” ja zij noemde sociaal-demokratie en staatssocialisme “onverzoenlijke tegenstellingen”, waarvan de eerste “revolutionair” en het tweede “konservatief” is. Deze handeling gelijkt op die van den dief, die om de aandacht van zich af te leiden, zoo hard mogelijk schreeuwt: houd den dief! En alweer nam men met algemeene stemmen deze resolutie aan, die vooraf pasklaar was gemaakt door Vollmar (rechter-) en Liebknecht (linkerzijde).
Het volgende jaar besprak men voornamelijk de houding der partij tot de vakbeweging en ofschoon de praktijk in tal van voorbeelden leert, dat men eigenlijk de ekonomische aktie van minder belang acht en haar alleen voorstaat voor zooverre zij de politieke helpt en steunt, toch betuigt men weer met groote woorden zijn sympathie met de vakbeweging. Vergelijkt men de politieke en ekonomische aktie met de twee handen van den mensch, die men beiden noodig heeft en gebruiken moet, dan is deze vergelijking in dezen zeer juist, daar men de eene (rechter) hand oefent en gebruikt, terwijl men de andere ongeoefend alleen dienst laat doen als hulp van de andere.
Hoe kunnen de mannen der politieke aktie ook eigenlijk voorstanders zijn der vakbeweging, want terwijl het streven der laatsten is om de arbeiders zelfstandig te doen optreden en beslissen over hun eigen belangen, willen de laatsten, dat men zijn belangen opdraagt aan anderen, die in de politieke lichamen deze moeten behartigen? Bij de doorvoering der ekonomische aktie worden dus de mannen der politieke aktie overbodig, want als men zijn eigen zaken zelf drijft, heeft men geen anderen noodig, die uw belangen gaan waarnemen, al heeten zij u te vertegenwoordigen. De beste vertegenwoordiging is dat men zichzelf vertegenwoordigt. Echter praktisch als zij zijn, willen zij de hand leggen op allen. De koöperatie moet hun de bron ontsluiten, waaruit zij geld putten kunnen. De vakvereenigingen moeten hun de mannen leveren, die stemmen op hun kandidaten, terwijl de politieke vereeniging zelve wel zoo genadig zal zijn de voogden des volks aan te wijzen waarop men mag stemmen.
De propaganda op het platteland moest meer en krachtiger ter hand worden genomen en maakte op den partijdag te Frankfurt a/Main in 1894 een onderwerp van diskussie uit, eindigende met de benoeming der zoogenaamd agrarische kommissie, die deze zaak uitvoerig zou behandelen om op den partijdag van het volgende jaar met voorstellen voor den dag te komen. Vollmar, die ook zitting had in de kommissie, wist Bebel ook voor zich te winnen –toch niet door zijn mooie oogen?– die te Frankfurt nog zoo scherp tegenover hem stond, en een agrarisch program werd ontworpen.
Het kleinburgerlijk karakter der sociaaldemokratie openbaart zich vooral sterk in het agrarisch program, dat men in verschillende landen heeft gemaakt, om op die wijze de landbevolking voor zich te winnen, begrijpende dat zij het was, die elke revolutie tot nog toe smoorde en zulks ook in de toekomst zou doen, wanneer men niet in tijds zorg droeg deze evenzeer in den strijd op te nemen.
Maar daarbij stuitte men op eigenaardige bezwaren, daar men een grooten hinderpaal vindt in de huur-boeren, een soort tusschenpersonen, met wie echter de landarbeiders alleen te doen hebben zonder er zich om te bekommeren of deze op hun beurt worden uitgezogen door de grondeigenaren. Nu zijn de belangen der huurboeren niet dezelfden als die der landarbeiders en de arbeiderspartij heeft overaf agrarische programma’s opgesteld, die wel de huurboeren raken, maar de landarbeiders verwaarloozen. Men zag geen kans om deze tweeërlei belangen in één zak te doen en het gevolg was, dat men leed aan tweeslachtigheid.
Men raadplege het agrarisch program der Parti Ouvrier Français, aangenomen op het kongres te Nantes in 1894 of wel een dito program der Belgische Arbeiderspartij, aangenomen op de kongressen van Brussel (1893) en Quaregnon (1894), of de voorstellen van de agrarische kommissie der Duitsche sociaaldemokratische partij, die wel is waar verworpen zijn door het kongres van Breslau in 1895, maar die toch teekenend zijn, omdat zij uitdrukking geven aan hetgeen onder zeer velen van die partij leeft.
Wat ziet men in die allen?
Een poging om door maatregelen, die anti-socialistisch zijn, de kleine boeren te winnen en hun stemmen bij de verkiezingen te verwerven.
Immers terwijl het socialisme steeds heeft geleerd dat de kleine boeren er onder moeten, omdat het klein-eigendom onmogelijk gehandhaafd kan worden, geeft men hier allerlei maatregelen om dat kleineigendom te beschermen en tegen den ondergang te vrijwaren.
O.a. luidt het Belgische landbouwprogram:

  1. Reorganisatie der landelijke gemeenten:
    1. benoeming van afgevaardigden in gelijk aantal door de eigenaren, de pachters en de arbeiders;
    2. tusschenkomst der gemeenten in de kollektieve en eventueele geschillen tusschen eigenaren, pachters en landbouwarbeiders.
  2. Reglementeering van het huurkontrakt met
    1. vaststelling van de pacht door kommissies van arbitrage of door de hervormde landbouwgemeenten;
    2. schadeloosstelling van den vertrekkenden pachter voor de meerdere waarde, aan het eigendom aangebracht;
    3. participatie van den eigenaar op meer uitgebreide schaal dan door de wet is vastgesteld voor de verliezen, door den pachter ondergaan;
    4. opheffing van het voorrecht van den eigenaar.
  3. Verzekering door de provincie en herverzekering door den staat tegen veepest, ziekten, planten, hagel, overstroomingen en landbouwgevaar.
  4. Organisatie van kosteloos landbouwonderwijs door de openbare machten. Vorming of ontwikkeling van modelboerderijen en landbouwlaboratoria.
  5. Organisatie van een landelijken geneeskundigen dienst.
  6. Hervorming van de jachtwet. Recht van den huurder om in elk jaargetijde de dieren te vernietigen, die schadelijk zijn voor den landbouw.
  7. Tusschenkomst der openbare machten in de landelijke Koöperatie voor:
    1. den aankoop van zaaikoren en mest;
    2. de fabrikatie van boter;
    3. den gemeenschappelijken aankoop en de exploitatie van landbouwmachines;
    4. den aankoop van produkten;
    5. de kollektieve exploitatie van het land.

Geen wonder dat Vandervelde getuigt: “als men afziet van de overwegingen, waarvan ze vergezeld gaan, om zich enkel te houden aan het verordende gedeelte, zijn het meerendeel der wetten en wetsontwerpen, door de Belgische regeering en haar vrienden voorgesteld ten gunste van het klein-eigendom, volkomen aanneembaar voor allen, welke opinie men ook moge hebben over de voordeelen of inkonveniënten der familiegoederen.”<ref>J. Destrée et Emile Vandervelde: Le socialisme en Belgique.</ref>
“De onteigening der onteigenaars,” door Marx en Engels, zoo stout op den voorgrond gesteld, is toch zeker heel wat anders dan een vorm van “geassocieerd eigendom” van enkele kleinbezitters, wien men op die wijze redding voorspiegelt, als zij zich maar werpen in de armen der sociaaldemokratie.
Ook de Sociaaldemokratische Arbeiderspartij in Nederland brengt die boerenvangerij in toepassing, als zij naast “verbetering van het pachtkontrakt” ten behoeve der landbouwbevolking of liever der huurboeren als eisch opstelt de regeling van het recht der gemeenten, om “aan ingezeten arbeiders zooveel grond en bedrijfskapitaal tegen den laagst mogelijken prijs in gebruik te geven, dat zij van den arbeid op dezen grond geheel kunnen bestaan.”
Wij zouden ook het ontwerp agrarisch program der Duitschers kunnen opnemen, maar daar het verworpen is, kan het niet als maatstaf dienen. Ook dit ontwerp gelijkt op de beide anderen, het Fransche en het Belgische, alleen het is nog uitvoeriger en laat den staat heelemaal optreden als aardsche voorzienigheid, ten einde de boeren uit den druk te helpen. Waar mannen als Bebel en Vollmar er echter voor waren, daar kan men onderstellen dat een groot gedeelte der Duitsche sociaaldemokratie op dat standpunt staat.
Dat program is alweer een belangrijke schrede in de richting van het staatssocialisme en geschreven in een taal, die de boeren toch niet konden verstaan en onder verklaring dat men allereerst werken wil “binnen het raam der bestaande staats- en maatschappelijke orde.” Dus het socialisme (?) geënt op den bestaanden staat en op de bestaande Pruisische wetten! Uit den inhoud ervan blijkt één ding voldoende n.l. dat de staat voor de boeren de rol van aardsche voorzienigheid zou moeten spelen. Tien malen komt het woord “staat” er minstens in voor. Men wil: Verplicht bezoek der openbare volks- en herhalingsscholen, het oprichten van voldoende nijverheids- en landbouwvakscholen, modelhoeven en proef-stations, het houden van regelmatige kursussen voor landbouwonderwijs (punt 7); afschaffing van alle overheidsfunkties en voorrechten, verbonden aan het grondbezit (punt 11); het behoud en de vermeerdering van het publiek-rechtelijk grondeigendom (staats- en gemeente-eigendom van allerlei aard, allmende, enz.), in het bizonder het overdragen van de goederen in de doode hand van de reaalgemeenten,<ref>Dit zijn lichamen binnen een gemeente, die het recht van gebruik hebben van goederen die openbaar eigendom zijn.</ref> van bosschen, water-krachten, enz. in openbaar eigendom onder toezicht der volksvertegenwoordiging; invoering van een preferent recht der gemeenten bij den verkoop van goederen, die exekutoriaal plaats heeft (punt 12); het bebouwen van de staats- en gemeentelanderijen voor eigen rekening of verpachting er van aan vereenigingen van landarbeiders en kleine boeren, of voor zooverre zulks niet rationeel blijkt te zijn, verpachting aan eigenbouwers onder toezicht van staat of gemeente (punt 13); Staatskrediet aan vereenigingen, (punt 14); hypothekaire en grondschulden staatszaak (punt 15); verzekering van roerende en onroerende goederen, staatszaak en hulp van staatswege bij bizondere rampen, door de natuur veroorzaakt (punt 16); uitbreiding der verzekering tot alle personen in loon- of dienstverhouding. Uitbreiding der wetgeving tot bescherming der arbeiders over de landbouwarbeiders, een Rijksbureau voor landbouw, plaatselijke bureaux voor landbouw en Kamers van landbouw. Wij zien hieruit met de bewijsstukken in handen, hoe de staat schering en inslag was van dit program. Nu is dit wel is waar verworpen, echter niet omdat het in staatssocialistische richting gaat, maar omdat het “aan den boerenstand de verbetering van zijn toestand, dus de versterking van zijn privaateigendom in uitzicht stelt en daardoor bijdraagt tot een nieuw opleven van hun eigendoms-fanatisme.”
Kautsky<ref>Kautsky, geboren te Weenen in 1854, studeerde aldaar geschiedenis, richtte in verbinding met Dietz het socialistisch weekblad Die neue Zeit op, leefde een tijdlang te Londen in groote vriendschap met Engels en geldt voor een der beste theoretici der Duitsche partij.</ref> zei er dan ook van, dat het den indruk maakte “alsof de sociaaldemokratie slechts een soort van demokratische hervormingspartij is,” dat wij daarin hadden niet een sociaal-demokratisch agrarisch, maar een agrarisch program, dat den klassenstrijd van het proletariaat dienstbaar maakt aan de belangen van het grondbezit, want “de voorstellen der agrarische kommissie tot bescherming der arbeidersklasse bevatten GEEN ENKELEN EISCH TOT BESCHERMING DER LANDARBEIDERS ALLEEN” (wij onderstreepen) en hij noemt “een sociaal-demokratisch agrarisch program voor de kapitalistische produktiewijze een onding.” De bekende Max Schippel noemde het een “stuk politieke kwakzalverij” en sprak de hoop uit, dat men door verwerping van het ontwerp zou voorkomen, dat “wij (de sociaaldemokraten) onzen intocht houden op het platteland, evenals Bürger’s Abt: verkeerd, in plaats van aan den toom met den staart in de hand,” terwijl Calwer zijn woord ook ten dezen opzichte wel zal herhalen: “wij zeilen bij de theoretische behandeling van de agrarische vraag reeds vroolijk in een ideaal, kleinburgerlijk socialisme, dat in werkelijkheid echter even reaktionair als utopistisch is.”
Maar Bebel zal waarschijnlijk gelijk krijgen, dat het slechts een uitstel is, want de partij zal hebben te beslissen òf zij socialistisch wil zijn dan wel òf zij met de radikalen heelemaa] den weg der hervorming opgaat en met het oog op het verleden der partij weet men voldoende, dat zij voor het groote meerendeel neigt naar laatstgenoemden weg.
De latere partijdagen zijn mat, totdat Bernstein<ref>Eduard Bernstein, geboren te Berlijn in 1850, sloot zich in 1872 bij de sociaaldemokraten aan, trad in 1881 op als redakteur van den te Zürich verschijnenden Sozialdemokrat en bleef in Zwitserland totdat hij vandaar verbannen werd. Toen leefde hij te London en werd hij een der voornaamste medewerkers van de Neue Zeit. In den laatsten tijd werd zijn naam veel genoemd door zijn kritiek op Marx.</ref>, de trouwe wachter op de muren van het onvervalschte Marxisme, begon te tornen aan het Marxisme en de partij aanspoorde om nog meer naar rechts te gaan en zelfs den naam te veranderen in dien van “demokratische hervormingspartij”, als meer overeenkomende met haar streven. Dit verwekte groote verontwaardiging, want de orthodoxe Marxisten noemen zijn boek<ref>Die Voraussetzungen des Socialismus und die Aufgaben der Socialdemokratie, in het Hollandsch verschenen in een vertaling van J.F. Ankersmit onder den titel: De voorwaarden tot het socialisme en de taak der sociaaldemokratie door Ed. Bernstein.</ref> de “plechtige afzwering van de beginselen der sociaaldemokratie door een man, die tot hiertoe is doorgegaan voor een harer verdedigers”. Toch ging Bernstein voort langs de lijn, die de partij sints jaren heeft gevolgd en het eenige verwijt, dat hem met recht treft, is dat van Auer, die hem schreef: “gij zijt een ezel, zulke dingen doet men, maar men zegt ze niet”. Deze kritiek en karakteristiek is de beste van allen, want het is een feit, dat de partij die dingen reeds lang deed, al zei zij ze niet. De kroon op zijn werk is gezet door de regeering van keizer Wilhelm, die hem op zijn verzoek verlof gaf, om weer in Duitschland te komen. Waarom ook niet? Hij heeft in de sociaaldemokratische partij zoo’n geest helpen brengen, dat daar wel een belooning op mocht staan.

Op den partijdag te Lübeck (1901) was de kwestie-Bernstein de hoofdschotel, maar na heftige diskussies kwam men naar ouder gewoonte tot een kompromis. De heele partijdag stond volgens een geestige uitdrukking in “het teeken van het kompromis”! Wel heet nu Bernstein getemd, nu hij zijn dwaling herroepen heeft door zich neer te leggen bij de resolutie van Bebel, maar het is te vreezen dat hij grooter gevaar zal opleveren in dan buiten de partij en wij zullen moeten afwachten of de geest van Bernstein niet meer en meer de geest der partij zal worden. De aangenomen resolutie luidt:
“de partijdag erkent zonder voorbehoud de noodzakelijkheid der zelfkritiek voor de geestelijke ontwikkeling onzer partij. Maar de geheel eenzijdige wijze, waarop Bernstein haar uitoefent in de laatste jaren, onder verwaarloozing der kritiek op de burgerlijke maatschappij en haar dragers, heeft hem gebracht in een tweeslachtige positie en de ontstemming van een groot deel der partijgenooten teweeggebracht.”
Deze resolutie doet denken aan de wet der censuur in Pruisen (1819), waarin het heet: “de censuur mag geen ernstig en bescheiden onderzoek der waarheid beletten”. En deze wet is belachelijk gemaakt en veroordeeld door…. Marx. Eigenaardig dat een kongres van socialisten, ten einde zijn leer te bewaren tegen de kritiek, een resolutie aannam, die de vrijheid van kritiek op indirekte wijze opheft! In plaats van het Marxisme te verklaren tot privaatzaak heeft men Marx tabou, d.i. heilig verklaard, zoodat men hem niet mag aanraken.
Dus wel kritiek, maar bevalt de uitkomst der kritiek niet, dan is men eenzijdig en ontstemt men de partij! Alweer de kritiek, “die alles mag onderzoeken,” zooals het heet, “alleenig maar ’t kritiekste niet.” Dit doet ons denken aan den leekedichter, die deze methode geestig hekelde in de woorden:

Het onderzoek is vrij, doch, wat gij vinden moet –

En anders hebt gij ’t zwaar in dit en ’t andre leven! –
Is bijgaand resultaat: want dit alleen is goed
En al de rest wordt door den duivel ingegeven.

Vollmar, die zelf niet aanwezig was op den partij-dag, liet zich dan ook zeer ongunstig uit over deze resolutie, zeggende: “als acht dagen lang de heele beschaafde wereld het oog op ons gevestigd houdt, dan moeten wij ons toch zoo gedragen, dat wij ons kunnen laten zien; dat was echter niet het geval. Het optreden tegen Bernstein moet ik sterk afkeuren, en nog meer de wijze, waarop de zaak haar beslag heeft gekregen. Gelijk er in de wetenschap slechts een volstrekte vrijheid van kritiek is of in ’t geheel geene, zoo ook hier. Wegens de manier waarop iemand kritiek oefent, mag men hem niet ringelooren. De beslissing is eenvoudig onmogelijk. Bernstein moet nu òf geheel zwijgen ôf zeer spoedig handelen in strijd met de resolutie van den partijdag.”
Het heele geval deed ons levendig denken aan den grijzen Galileï voor de inquisitie, tot de herroeping inkluis, alleen van Bernstein wordt niet gemeld, dat hij zou gezegd hebben: en zij beweegt zich toch!
De hooggeprezen eenheid der Duitsche partij is dus meer uiterlijk dan innerlijk en met belangstelling slaat de aandachtige waarnemer de verdere ontwikkeling van dit proces gade.
Uit alles ziet men hoe er twee beginselen zijn, die tegenover elkander staan: het staatssocialisme, vertegenwoordigd door de sociaaldemokratische partij in Duitschland en alle partijen van dien naam in andere landen, die naar dat model zijn gevormd, de partij van hervormingen binnen het raam van den hedendaagschen staat en dus strekkende tot versterking van den staat, en het anarchisme, dat optreedt voor het socialistische idee, maar de uitvoering ervan niet wil door dwang, neen als uitkomst van een noodzakelijken gang van ontwikkeling. Ongetwijfeld is de eerste richting in Duitschland overwegende, maar meer en meer verburgerlijkt deze partij, sints het kapitalisme zijn invloed in haar laat bemerken en de klein-burgerlijke, zelfs groot-burgerlijke invloeden zich laten gelden. Bij de behandeling der voorgestelde socialistenwet in den Rijksdag zei Liebknecht woordelijk: “Kortom, mijne heeren, in de organen van onze pers en door de afgevaardigden onzer partij in den Rijksdag is eenstemmig verklaard, dat, als de socialistenwet wordt aangenomen, wij de wet natuurlijk zullen nakomen, omdat onze partij een hervormingspartij is in den strengsten zin des woords en geen partij, die op gewelddadige wijze revolutie wil maken, wat overigens onzin is… Ik loochen allerbeslist, dat ons streven gericht is op de omverwerping der bestaande staats- en maatschappelijke orde.” Zoo ver ging de “oude soldaat der revolutie” Liebknecht, dat bij het geweld noemde een “reaktionaire”<ref>Gewalt ist seit Jahrtausenden ein reaktionärer Factor. (Geweld is sints duizenden jaren een reaktionaire faktor.) Verslag Partijdag te Erfurt bl.206.</ref> en geen “revolutionaire” faktor, geheel in strijd met zijn leermeester Marx, die het geweld eenmaal noemde “de vroedmeester eener nieuwe maatschappij”. Toch zal bij meerdere ontwikkeling de vrijheidsidee meer en meer ontkiemen en wij moeten nooit vergeten dat de Duitsche partij den invloed ondergaat van het milieu waarin zij zich bevindt, en daar Duitschland het land der discipline en gedweeë gehoorzaamheid is, kan het ons niet verwonderen dat deze eigenschappen, die van jongs af aan zijn aangekweekt, niet plotseling afgeschud maar integendeel overgeplant zijn in de partij. Duitschland staat politiek ten achter bij de Westersche landen, het is ter nauwernood, ja in alle deelen zelfs nu nog niet geheel ontgroeid aan de feodaliteit, en kan dus evenmin als Rusland de leider zijn op sociaal gebied. Het is daarom dat de Duitsche geest, geënt op den meer vrijeren geest der westersche landen, verkeerd heeft gewerkt en niet ten voordeele heeft gestrekt van de socialistische beweging.

Als aanhangsel van de Duitsche beweging kan de Oostenrijksche worden genomen. Een eigenlijke arbeiders-beweging in Oostenrijk dateert uit het jaar 1867, toen er twee groote vergaderingen plaats hadden te Weenen, waarvan de eene zich plaatste op het standpunt van zelfhulp, in Duitschland voorgestaan door den bekenden Schultze-Delitzsch en de andere op het standpunt van Lassalle met zijn staatshulp. De laatsten wonnen het en zoo kreeg men een arbeidersbeweging met een zeer tam program, bestaande uit: algemeen kiesrecht, recht van vereenigen, scheiding van kerk en staat, een volks-leger, verwijdering van alle belemmering der persvrijheid, het vrije recht van vergaderen en vereenigen, bevordering van de vrije individueele associatie der arbeiders door den staat.
De invloed van Duitschland was op de Oostenrijksche arbeidersbeweging zoo groot, dat men haast niet spreken kan van een zelfstandige beweging, daar het allen schijn had alsof Oostenrijk een deel van Duitschland uitmaakte. Nadat men een paar afgevaardigden gezonden had naar Eisenach, ten einde aldaar het kongres bij te wonen, dat door Liebknecht c.s. was bijeen geroepen en zich dan aan te sluiten aan die partij, stak de reaktie het hoofd op. Men beschouwde de sociaaldemokratie als staatsgevaarlijk en de vervolgingen begonnen.
Na een demonstratie voor het gebouw van den Rijksdag, waaraan wel 15.000 personen deelnamen, werden 14 toongevers of leiders gevangen genomen. Een proces begon, waarvan de afloop was dat Oberwinder tot 6, Most, Scheu en Pabst tot 5 jaar en de overigen tot twee à tien maanden werden veroordeeld. Door verandering van ministerie volgde in Februari 1871 een amnestie. Most werd echter als Duitscher spoedig het land uitgezet. Oberwinder werd verrader der arbeiderszaak, om later in Duitschland in dienst te treden van de christelijk-sociale partij.
In 1874 had te Grätz weer een groot proces plaats tegen dr. Tauschinsky en 81 mede-aangeklaagden, een nieuwe poging om de sociaaldemokratie te onderdrukken. Toch hielp dit weinig, de beweging ging kalm en rustig voorwaarts.
Ofschoon de Oostenrijksche partij geheel stond onder den invloed der Duitsche sociaaldemokraten, toch vond ook de Freiheit van Most, die in 1878 verscheen, aldaar veel lezers. Zoo ontstond er een splitsing tusschen de gematigden en de revolutionair gezinden in de partij. Door de vervolging, waaraan de radikale elementen bloot stonden, werd men gedreven tot het terrorisme. Men organiseerde zich in het geheim en om gelden voor de propaganda te krijgen, begon men de diefstaltaktiek toe te passen. Zekere schoenfabrikant Merstallinger werd gechloroformiseerd, om hem beter te kunnen bestelen. De politie bracht deze daad van een paar personen op de geheele partij over, zoodat ten gevolge daarvan 32 der meest aktieve propagandisten wegens hoogverraad en rooverij werden aangeklaagd en voor de rechtbank gebracht. In plaats dat de partij daardoor gedood werd, nam zij toe in kracht en invloed. Groote werkstakingen hadden plaats, o.a. van de bakkers te Weenen in 1883 en de regeering begon vakvereenigingen te ontbinden en haar kassen te konfiskeeren. De pers werd op alle mogelijke wijzen tegengewerkt en vervolgd. Alweer lokte dit alles een krachtig protest uit van de zijde der arbeiders. Op 15 December 1883 werd de politieman Illubek op straat doodgeschoten. Een 22 jarige jonge man, met name Kammerer, was de dader en hoeveel moeite de politie had om zich van dezen meester te maken, bleek bij zijn arrestatie. Drie stille politie-agenten wachtten hem af bij een bierhuis en toen zij hem te lijf wilden, bood hij zoo krachtig weerstand dat het hun zonder de hulp van voorbijgangers niet gelukt zou zijn hem te krijgen. Toch schoot hij nog een politieman neer en zelfs toen hij, omringd door een menigte menschen, reeds op den grond lag, weerde hij zich als een leeuw.Terwijl een politieman de knie op zijn borst zette, ten einde hem te binden, gelukte het hem nog dezen zwaar te verwonden door een schot, ja zelfs toen hij met dikke touwen aan handen en voeten gebonden was, trachtte hij nog los te komen. Als deserteur werd hij voor den krijgsraad gebracht en ter dood veroordeeld. Ook beschuldigde men hem van den moord op zekeren Eisert en diens twee minderjarige kinderen, maar het bewijs daarvoor heeft men nooit kunnen leveren. In dien tijd schoot Stellmacher den geheimen politieman Bloch dood en ook hij werd na een hevigen strijd gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Evenals Kammerer werd hij verdacht van den moord op Eisert. Beiden stierven kalm en gelaten, toen zij op 30 Januari 1884 onthoofd werden.
Over Weenen en omstreken werd de staat van beleg uitgevaardigd. Vervolgingen hadden er veelvuldig plaats en wel 500 personen werden uit dat gebied verbannen. Zoo werden 18 personen veroordeeld tot een gezamenlijk bedrag van 105 jaar gevangenis. Het was in die dagen dat Jozef Peukert in de beweging een groote rol speelde. Deze zei in een proces op de vraag van den president of hij de denkbeelden van Most deelde: “ik ben geen centralist, maar federalist.” Het anarchisme trad op, maar in de gedaante van terrorisme en pas in 1886 begon men een onderscheid te maken tusschen het terrorisme en de ideale anarchie.
Graaf Taaffe, de minister, deed nu pogingen door middel van Walecka, die op audientie bij den minister ging, om een middenpartij te vormen, waarin plaats was voor de gematigde en de radikale elementen. Maar deze Walecka had geen lust die rol te spelen, zooals hij althans verklaarde, en trok zich terug uit de beweging. Toch gaf hij aanleiding dat er een vergadering werd gehouden van vertrouwensmannen, om het denkbeeld van de stichting eener middenpartij te bespreken. En het was vooral dr. Victor Adler, een zeer vermogend man, die zich van het denkbeeld meester maakte. Als beide partijen wat toegaven, dan kon dat best worden klaar gespeeld. Zoo verscheen in December 1886 het sociaaldemokratisch weekblad Gleichheit, waarin als hoofdpunten stonden: organisatie als politieke partij, strijd voor politieke vrijheid, voor het recht op vrije uiting van gedachten en dergelijke. Adler stelde zich in betrekking tot de leiders der sociaaldemokratie van alle landen en wist door middel van zijn geld goede artikelen voor zijn blad te krijgen, ten einde het belangrijk te maken. Overigens het geld speelt altijd een groote rol in de transformatie der sociaaldemokratische partij tot een politieke. Men denke slechts aan het groote aantal renegaten in alle landen, die eenmaal als anarchisten of revolutionairen een kommervol bestaan hadden en later als welgestelde burgers in de politieke beweging mee deden. Daarbij kwam, dat de radikale elementen steeds bloot stonden aan vervolging, broodeloosheid, enz. Eindelijk werd de partij gekonstitueerd naar den zin van dr. Adler op een daartoe bijeengeroepen partijdag te Hainfeld. Voorzien van de noodige revolutionaire frases was echter het praktische program zeer mak, niet veel anders dan de gewone demokratische litanie. Het gevolg was dat de uitzonderingswetten werden opgeheven, alleen tegenover de anarchisten bleef men te keer gaan op de oude manier. Werkten de Duitsche partijleiders door het beruchte “ijzeren masker”, in Oostenrijk bediende men zich van zoogenaamde “vertrouwelijke mededeelingen”, dit wil zeggen: door geheime verdachtmaking. Toch was de revolutionaire geest niet geheel uitgedoofd, zooals bleek uit de organisatie der anti-autoritaire socialisten, die zich in 1892 vereenigden tot de partij der onafhankelijke socialisten. Maar direkt moesten zij de vervolging der regeering ondervinden en terwijl de sociaal-demokratische partij evenals elke andere werd erkend, moesten de revolutionairen steeds bemerken dat zij vervolgd en veroordeeld werden tot kortere of langere gevangenisstraffen. Kreal, Rismann, Friedländer en anderen ondervonden dit in ruime mate. Als men rekent, dat in anderhalf jaar, nl. van Januari 1893 tot Juli 1894 alleen werden uitgedeeld 45 jaar zware kerkerstraf en 7 jaar voorarrest, dan kan men begrijpen, hoe moeilijk de strijd gemaakt wordt aan de revolutionaire socialisten of anarchisten. Van de sociaaldemokraten zijn er eenigen in den Rijksdag gekomen, maar ondanks alle moeite gelukte het dr. Adler tot nog toe niet, om daar een plaats te veroveren.

Meende Thiers door het toebrengen der aderlating aan het Parijsche proletariaat in 1871 de socialistische beweging voor goed te hebben ten onder gebracht, hij moet zich zeer teleurgesteld hebben gevoeld, toen reeds in het laatst van 1871 en in de eerste maanden van 1872 tal van werkstakingen uitbraken, die toonden dat de sociale kwestie niet uitgemoord kon worden door personen te dooden en te verjagen. Wel maakte men door de wet tegen de Internationale van 15 Mei 1872, dat elke vrije beweging der arbeiders werd belemmerd, zoodat zij zich op de zuivere vakbeweging moesten werpen, zonder zich te kunnen wijden aan het socialisme, maar het gevolg hiervan was dat socialistisch gezinde arbeiders hun denkbeelden propageerden in de volksbeweging. Heerschte er aanvankelijk na de gewelddadige onderdrukking der kommune verslagenheid en moedeloosheid, langzamerhand kwam men den slag te boven. Weigerde de Nationale vergadering nog in 1873 de subsidie, door Tolain aangevraagd, van 100.000 fr. om eenige arbeiders te zenden naar de wereld-tentoonstelling te Weenen, zoodat men zijn toevlucht moest nemen tot inteekenlijsten, die binnen drie maanden 80.000 fr. opbrachten, reeds in 1876 werd een dergelijke subsidie door den staat verleend, groot 50.000 fr. om werklieden-afgevaardigden te zenden naar de tentoonstelling van Philadelphia, terwijl de gemeente Parijs er nog 50.000 bijvoegde. Het waren toen de tamme vaklieden, die nog den boventoon voerden en nog op het korporatief kongres te Parijs van 1876 werden de zittingen gehouden te midden van eerzame bourgeois en onder toejuiching der pers. Geen wonder, want men proklameerde aldaar, dat het tijdvak der revolutie voor Frankrijk voorbij was. Toch was ondanks dat alles dit kongres het eerste ontwaken van het Fransche proletariaat na de bloedige Meidagen van het jaar 1871.
Het mag zeker merkwaardig heeten, dat het juist een paar anarchisten zijn, die in Frankrijk de kollektivistische beweging aan het rollen hebben gebracht. Wij bedoelen dr. Paul Brousse<ref>Brousse, geboren te Montpellier in 1851, studeerde in de medicijnen te Parijs en promoveerde aldaar in 1867. Oorspronkelijk ijverig anarchist, voorstander zelfs van de “propaganda der daad”, zwierf hij in ’t buitenland rond, om naar Parijs teruggekeerd in 1878 geheel en al veranderd op te treden voor een kleinburgerlijk, opportonistisch socialisme. Als gemeenteraadslid van Parijs oefent hij nog al veel invloed uit.</ref> en Jules Guesde<ref>Guesde, geboren in 1845 te Parijs, wijdde zich reeds vroeg aan de journalistiek. Als anarchist begonnen heeft hij zich later bekeerd tot het meest starre Marxisme.</ref> –zijn eigenlijke naam is Basile, maar wegens de slechte beteekenis, aan dien naam verbonden<ref>Een figuur uit het bekende stuk van Beaumarchais Le Mariage de Figaro, die aldaar de rol vervult van den inhalige.</ref>, draagt hij zijns moedersnaam.–, die te Montpellier een blad uitgaven Les droits de l’homme tijdens het Keizerschap. Guesde maakte spoedig kennis met de gevangenis. Toen de kommune te Parijs werd uitgeroepen, ijverde hij voor haar te Montpellier, zoodat hij na de onderdrukking veroordeeld werd tot 5 jaar gevangenisstraf wegens een artikel tot verheerlijking der kommune. Hij wist echter naar Genève te ontkomen, waar hij zich aansloot bij de Internationale. Jules Guesde, de chef der Fransche Marxisten, en Paul Brousse, de chef der Possibilisten, waren eenmaal beiden lid van de Alliance de la démocratie-socialiste, zij waren anarchisten en Guesde werd zelfs verdacht door den Algemeenen Raad als politieman. Omgekeerd bestreed hij dien raad, die de arbeiders belette zich vrij te organiseeren in elk land naar hun eigen inzicht en beschuldigde de Duitschers in dien raad, dat zij den baas over allen wilden spelen en deden alsof er geen zaligheid bestond buiten hun orthodox-autoritaire kerk. Uit Zwitserland gebannen, vestigde hij zich in Italië, maar kon door een amnestie in 1876 weer terugkeeren in Frankrijk. In hoeverre Paul Lafargue<ref>Paul Lafargue, geboren op Kuba in 1840 uit Fransche ouders, studeerde te Parijs in de medicijnen. Wegens deelneming aan het studentenkongres te Luik in 1866 buitengesloten van de Fransche universiteiten, voltooide hij zijn studiën te Londen. Daar kreeg hij kennis met Marx, wiens schoonzoon hij werd door het huwelijk met een zijner dochters, en kwam hij in de socialistische beweging. Hij stond Marx en Engels trouw ter zijde in de vervolging der anarchisten. Met Guesde en Deville was hij een der oprichters van de Marxistische partij in Frankrijk. Zijn geschriften zijn veelal scherp satiriek.</ref>, de schoonzoon van Marx, invloed op hem heeft uitgeoefend, weten we niet, maar toen hij in 1877 de Egalité oprichtte, was hij merkbaar naar rechts geschoven. Durfde men nog op het arbeiderskongres te Lyon in 1877 zeggen, dat de leeraars en leerlingen van het kollektivisme een andere tribune moesten zoeken dan die van een nationaal kongres der Fransche arbeiders, men gevoelde toen reeds, dat een meer socialistische strooming in aantocht was. Tijdens de wereldtentoonstelling te Parijs in 1878 wilde men een buitengewoon kongres houden, maar door het onwettig optreden van den prefekt van politie werd dit verboden en toen Guesde met de zijnen besloot toch samen te komen tot een private bespreking, werden de ongeveer 34 deelnemers gevangen genomen wegens vergrijp tegen de wet betreffende de Internationale. Guesde hield de verdedigingsrede en hij maakte dit proces tot een prachtige propaganda voor het kollektivisme. Juist daardoor werd de aandacht der arbeiders meer op het kollektivisme gevestigd en op het kongres te Marseille in 1879 behaalden de kollektivisten zelfs de overwinning. Alles wees op een verandering in de geesten. Op 20 April 1879 werd de oude revolutionair Blanqui tot afgevaardigde gekozen en op 9 Juni werd deze uit de gevangenis gelaten, waarin hij alles tezamen genomen het beste deel van zijn leven had doorgebracht.

Ook zijn partij organiseerde zich en bracht beweging onder de arbeiders van Parijs. Paul Brousse gaf de Prolétaire uit en meermalen kwam deze in heftige polemiek met Guesde en diens Egalité. De naijver was reeds aanwezig. Was Guesde op het kongres te Marseille belast met de regeling van een program en trad hij daartoe in verbinding met Malon<ref>Benoît Malon, geboren in de omgeving van St. Etienne in 1841, was in zijn jeugd veehoeder, later verver te Parijs. Hij sloot zich bij de Internationale aan in 1868, werkte krachtig mede bij de werkstaking van Creuzot in 1870, liep meermalen gevangenisstraf op. Hij nam deel aan de Kommune, wist na de verplettering van deze te ontkomen naar Zwitserland. Aangesloten bij de Alliance van Bakunine bestreed hij den Algemeenen Raad der Internationale. Na de amnestie teruggekeerd te Parijs nam hij een standpunt in tusschen het Marxisme en anarchisme, zooals blijkt uit zijn vele geschriften en uit de door hem opgerichte Revue Socialiste.</ref>, den ouden Internationalist en kommunard, die na jarenlange ballingschap door de amnestie in Frankrijk kon terugkeeren, Lafargue en hij gingen later naar London, om met behulp van Marx en Engels een program op te maken, dat dan ook later het program werd van de arbeiderspartij. Men heeft ook al weer het program gesplitst in twee deelen, een beginselprogram dat socialistisch is en spreekt over de socialiseering der arbeidsmiddelen en een praktisch werkprogram, dat niets socialistisch bevat en een gewoon radikaal hervormingsprogram is. Het uit London geïmporteerde program, dat bij de eerste verkiezing van 1881 ongunstig werkte, vond nog al bestrijding. De meerderheid van het Nationaal Komitee, dat te Parijs gevestigd was, ontstond om als band te dienen tusschen de zes provinciale bonden, te weten: Parijs (centrum), Lyon (oosten), Marseille (zuiden), Bordeaux (westen), Rijssel (noorden) en Algiers, waaruit de partij bestond, was op de hand van Brousse, die evenmin als Malon van zins was zich aan Guesde’s leiding te onderwerpen. Brousse wilde het zwaartepunt van den strijd leggen op kommunaal gebied, meenende dat men zoo meer praktisch nut kon bereiken en hij zeide: “nous voulons fractionner notre bût jusq’à le rendre possible” (wij willen ons doel verbrokkelen om het mogelijk te maken). Daarom noemde Guesde hem en de zijnen “possibilisten”, welke naam zich spoedig inburgerde. Te St. Etienne kwam het in 1882 tot een scheuring en de zoogenaamde Marxisten of Guesdisten, 24 man sterk die 34 groepen vertegenwoordigden, vertrokken van het kongres aldaar om zich te Roanne te konstitueeren. Hoe men toen over deze groep dacht, kan men afleiden uit de woorden waarmede Clovis Hugues, de dichter en de eenige toenmalige vertegenwoordiger der arbeiderspartij in de kamer, zijn weggaan begroette: “men verbindt zich niet ernstig met lieden, die geleid worden door een Torquemada met lorgnet… Gij zijt Basile wat den naam en Basile wat uw handelen betreft, maar nu gij ontpopt zijt, zijt gij weggevlucht, hebt gij u gered, hebt gij St. Etienne verlaten, verschrikt voor het licht, dat zich over de stad verspreidde.” De naam der zoogenaamde possibilistische partij was: Féderation française des travailleurs socialistes révolutionnaires, die der Guesdisten Parti Ouvrier. Lafargue en Guesde noemden de eerste de Fédération des lâcheurs socialistes de France (lieden, die het socialisme loslieten). Brousse sloot zich aan bij het denkbeeld van César de Paepe, die beginnen wilde om de services publies (de openbare diensten) te naasten. Zoo b.v. de spoorwegen, gemeente-bakkerijen, die het brood kosteloos geven eerst aan de armen en later aan allen, en eenmaal op dit terrein breidt men den kring der gemeentelijke- en staatswerkzaamheid steeds meer uit. Hij vreest voor niets meer dan voor een revolutie, die schadelijk zou terugwerken, hij verkiest den weg der evolutie. Van een algemeene werkstaking wil hij niets weten. Later kwam er weer scheuring in die partij op het kongres te Chatellerault, (1890) en elk der frakties noemt zich naar haar aanvoerder, nl. Broussisten en Allemanisten. Het Boulangisme bracht overal verwarring, ook in de arbeidersbeweging, want het leidde tot allerlei kompromissen. Zoo ontvingen de Broussisten steun en geld van de regeering, opdat zij het Boulangisme zouden bestrijden, terwijl een deel der Blanquisten openlijk partij koos voor den “socialen” generaal Boulanger en het een publiek geheim is, dat de Guesdisten op ’t punt stonden met pak en zak over te gaan tot de Boulangistische partij, toen juist de val van Boulanger hun voor dezen schandelijken stap bewaarde.

Men heeft in Frankrijk de volgende socialistische groepen:

  1. de Allemanisten, heetende Parti ouvrier socialiste révolutionnaire.
  2. de Broussisten of Fédération des travailleurs socialistes en France.
  3. de Guesdisten of Parti Ouvrier français.
  4. de Blanquisten of Comité révolutionnaire central.

Behalve deze groepen heeft men de Indépendants of Onafhankelijken, die uit afkeer van alle partijen zich tot een nieuwe partij vereenigden, voeg hierbij de verschillende scholen van anarchisten en men heeft een staalkaart van de socialistische groepen, die in Frankrijk worden gevonden.
Principieel verschil bestaat er tusschen de partijen, met uitsluiting van het anarchisme, niet, want allen bewandelen denzelfden parlementairen weg, allen zijn ze in den grond der zaak possibilisten en al heeft de partij van dien naam den minsten invloed –buiten Parijs bijna heelemaal niet– haar beginselen hebben gezegevierd, want de anderen zijn heelemaal in haar vaarwater terecht gekomen. De Allemanisten staan het meest op ekonomisch terrein en hebben als arbeiders –geen partij bestaat meer uitsluitend uit arbeiders dan deze– een afkeer van alle politiekers en als zij mee doen aan de verkiezingen, dan beschouwen zij dit als van minder belang, maar dit neemt niet weg, dat als men zich eenmaal begeeft op de gladde baan der verkiezingen, men door den drang der omstandigheden gedwongen wordt zich met alle kracht op hervormingen toe te leggen. Ook hier geldt het dat men geen twee heeren tegelijkertijd kan dienen. Wie dus den politieken weg als voerende tot de verovering der politieke macht verkiest, die moet zich met hart en ziel daarop toeleggen en kan voor den ekonomischen strijd niet veel hart hebben, zelfs dan wanneer hij ook op dat terrein wil mee doen. Wie zijn geld b.v. uitgeeft voor de verkiezingen, die kan het niet doen voor werkstakingen, want het geld kan maar eenmaal uitgegeven worden. Men moet dus kiezen of deelen, maar niet hinken op twee gedachten. Is het praktisch werkprogram met zijn hervormingseischen binnen het raam der hedendaagsche maatschappij hoofdzaak, dan zal het theoretisch socialistische beginselprogram ter zijde worden gesteld en doet dit dienst alleen als paradepaard om bij plechtige gelegenheden feestelijk getooid en rondgeleid te worden, b.v. op Meifeesten, maar om daarna weer stilletjes op stal te worden gezet. De Allemanisten stellen de algemeene werkstaking op den voorgrond, dus den strijd tusschen patronaat en salariaat. Allemane zelf stelt zich deze voor als een vreedzamen slag, waarin de overwonnen werkgevers om genade zullen smeeken, maar dan is het noodig dat elke deelnemer aan dien strijd, dus elk arbeider, een voldoenden voorraad in reserve heeft, om gedurende eenigen tijd te kunnen leven zonder te werken. Anderen willen een oorlogskas vormen en zij rekenen aldus: stel het aantal arbeiders op 6 millioen, dan is dit –het gezin berekend op 4 personen– 24 millioen menschen. Als men nu 1 frank daags rekent, dan wordt dit 24 millioen frank, die dagelijks noodig zijn en dus om het één maand vol te houden –dit is volgens hen de waarschijnlijke duur van een staking– is benoodigd 30 maal 24 of 720 millioen frank. Nog anderen willen de staking beginnen op den vooravond van een betalingstermijn, zoodat de arbeiders het in elk geval een heelen termijn kunnen volhouden. De Allemanisten zijn ook voorstanders van de direkte wetgeving des volks en als gevolg hiervan dus voor afschafing van kamer, senaat en raad van state. Natuurlijk staan zij daarom lijnrecht tegenover de politiekers, die juist het behoud dezer lichamen willen, want waar bleven zij anders? In de plaats van de politieke raderen willen zij zuiver ekonomische of administratieve in den vorm van kommissies, die niets anders te doen hebben dan uitvoering te geven aan de besluiten der natie. Vooral te Parijs hebben zij veel invloed en Allemane, een oud kommunard die steeds zijn plicht als revolutionair flink vervulde, staat dan ook bij het proletariaat te Parijs goed aangeschreven. In de Kamer gekomen in het jaar 1900 heeft hij echter getoond, hoe verderfelijk de politieke atmosfeer werkt, want hij ging, zijn onafhankelijkheid prijs gevende, door dik en dun mede met minister Millerand.

Een kleine fraktie, de zoogenaamde Failletisten naar het raadslid Faillet, heeft zich afgescheiden in 1896, omdat de som, die het comitó central van de verkozenen als deel van hun traktement voor de partijkas eischte, hun te hoog voorkwam en zij zich aan die bepaling niet wilden onderwerpen. De Blanquisten, in navolging van hun meester voorstanders van groote centralisatie, zijn steeds een revolutionaire partij en betoonen zich voorstanders van de algemeene werkstaking. Nadat zij zich op het kongres der Internationale hebben laten gebruiken door de Marxisten, om de anarchisten te verbannen, zijn zij korten tijd daarna in vijandschap met deze geraakt, maar in lateren tijd schoven beide frakties meer naar elkander toe en ongetwijfeld heeft de persoonlijke vriendschap van Edouard Vaillant<ref>Vaillant, geboren te Vierzon in 1840, studeerde te Parijs natuurwetenschappen en medicijnen, later ook in Duitschland. Hij nam deel aan de Kommune, maar wist na den ondergang dezer naar Londen te ontkomen. Hij was en bleef een ijverig Blanquist.</ref> met Liebknecht daartoe het hare bijgedragen.

Bestand:Fotos/vaillant.jpg
Edouard Vaillant.

Het was Benoît Malon, die in 1885 den stoot gaf aan een partijformatie der onafhankelijken. Deze nam een standpunt in tusschen Marx en Bakunine en oefende door zijn Revue Socialiste, opgericht in datzelfde jaar, ongetwijfeld veel invloed uit. Zijn beminnelijke, al te vreedzame natuur bracht daartoe het hare bij, zoodat hij later als een soort van hoogepriester een kring van bewonderaars om zich had. Een schrijver was hij niet, al maakte hij verschillende boeken. Zijn kritieklooze Histoire du socialisme levert hiervan het voldoende bewijs. Hij noemde zijn socialisme “le socialisme intégral”<ref>Deze formule vat het socialisme samen bezien van alle kanten, in al zijn elementen van formatie, in alle mogelijke manifestaties. Aldus opgevat is het het synthetische (= methode die van het enkelvoudige opklimt tot het samengestelde) einde van alle vooruitstrevende werkzaamheden der tegenwoordige menschheid.</ref> –de titel van een boekwerk in twee deelen, waarin hij zijn beste opstellen vereenigde– dat van alle stelsels iets nam, om ten slotte tot een zeer vaag socialisme te komen, waarin zoowat alle menschen van goeden wil een plaats konden vinden. Bij zijn dood in 1893 zette prof. Georges Renard zijn taak voort als redakteur van de Revue Socialiste en het peil van dit tijdschrift werd sints dien tijd veel verhoogd. Later nam Rouanet het redakteurschap waar en over het algemeen onderscheidt het tijdschrift zich door een minder sektairen geest dan zoovele andere.
Onder de onafhankelijken kwamen verschillende oud-radikalen meedoen en toen de bekwame advokaat Millerand<ref>Millerand, geboren te Parijs in 1853, studeerde in de rechten te Parijs en oefende aldaar de advokatuur uit. Als journalist werkte hij mede aan het blad van Clémenceau, om later als radikaal in de Kamer te komen.</ref> als hoofdredakteur van de Petite République dit blad vooral leidde in hun belang, toen werden zij aanmerkelijk versterkt. Aan de kamer legde deze in de zitting van 19 Februari een program voor, dat mede onderteekend was door Jaurès, Lafargue, Jourde, Dumay, Baudin, Hovelaque en Boyer, waarin de groote politieke en sociale hervormingen, noodzakelijk geacht tot het tegengaan van reaktionaire belemmeringen, bestaan in: herziening der wetgeving van 1875 in demokratischen geest, ingrijpende veranderingen in den toestand der arbeidende klassen in stad en land, in sociale wetgeving en belastingstelsel, alsmede het terugnemen van het nationaal eigendom: de bank van Frankrijk, de mijnen en spoorwegen uit de handen der groote financiers. Natuurlijk werd dit program verworpen met overgroote meerderheid van stemmen, maar als minimum-program ging men ermede in zee bij de verkiezingen in 1893 en behaalde men een onverwacht succes. Zoowel dit program van St. Mandé als het landbouwprogram, gemaakt met het doel om de landarbeiders voor zich te winnen, toonen beiden hoezeer men zich beweegt in de richting van het staatssocialisme. Ziethier de eischen van het kongres te Nantes (1894) op landbouwgebied: landbouw-pensioenfonds voor invaliden en grijsaards, gevormd door een speciale belasting op de inkomsten van het groot-grondbezit; aankoop van landbouwmachines door de gemeente, met ondersteuning van den staat, of verhuring tegen inkoopsprijs; oprichting van vereenigingen van landarbeiders voor den aankoop van mest, zaaikoren, planten, enz. en voor den verkoop der produkten; afschafing der overgangsrechten voor eigendommen beneden 5000 frank; vermindering van pachtkontrakten door kommissies van arbitrage zooals in Ierland, en schadeloosstelling voor de meerdere waarde, aan den grond gegeven, aan pachters en huurboeren bij hun vertrek; opheffing van artikel 2102 van het Burgerlijk Wetboek, aan de eigenaars een voorrecht verleenende op den oogst; opheffing van het beslag kunnen leggen op te velde staande vruchten; vorming van een reservefonds door den landbouwer, waaruit betaald worden ploegen, mest en vee onmisbaar voor de uitoefening van het bedrijf; herziening van het kadaster en, in afwachting van de algemeene uitvoering van dezen maatregel, herziening der parcellen voor de gemeenten; kostelooze kursussen in de landbouwwetenschappen en proefvelden.
Aan den eenen kant predikt men den ondergang van het klein-grondbezit en aan den anderen wil men de kleine grondeigenaren beschermen tegen den fiskus, den woeker en de konkurrentie der groot-grondeigenaren. Er schuilt niets socialistisch in die eischen, elk radikaal kan er zich mede vereenigen en zelfs Engels, hoewel zijn Fransche vrienden zooveel mogelijk willende sparen, zei in een kritiek op dat program: “hoe gemakkelijk glijdt men naar beneden, als men eenmaal op de helling is” en erkende, dat de verschillende punten “zouden kunnen worden doorgevoerd zonder wezenlijke schade toe te brengen aan de bestaande kapitalistische maatschappij.” Een betere kodifikatie van het klein-grondeigendom is toch geheel iets anders dan de socialistische eisch: ophefing van allen privaatgrondeigendom, want de grond behoort aan allen. Tevens ziet men uit zulke programma’s hoe men steeds meer gaat leunen op den staat.
In 1899 liet Millerand zich opnemen in het ministerie Waldeck Rousseau en ging hij zelfs zitting nemen naast den beruchten moordenaar der kommune, den generaal Gallifet. Dit was te veel en de Guesdisten in vereeniging met de Blanquisten protesteerden daartegen in een manifest. Waar het de taak der socialisten is, om de macht te ontrukken aan de bourgeoisie, om ze zelven ten eigen bate te exploiteeren, daar kan men haar bezwaarlijk met haar deelen. Toch zien wij in de veroordeeling van Millerand, plaats nemende in een bourgeois-ministerie, konsekwent de veroordeeling van de parlementaire aktie in het algemeen, want evenmin als de socialistische partij de macht kan deelen met de bourgeoisie, in wier handen de staat slechts een instrument kan zijn van behoud en sociale onderdrukking, evenmin kan zij de vertegenwoordigende macht deelen met de bourgeoisie, in wier handen het parlementaire stelsel slechts een instrument kan zijn van behoud en sociale onderdrukking. Op tweëerlei wijze kan men de hand leggen op de macht, hetzij langs revolutionairen, hetzij langs geleidelijken, parlementairen weg. Men heeft den eersten verlaten sints eenige jaren, wat blijft dan anders over dan den anderen te bewandelen? De logika is aan de zijde van Millerand, gesteund door Jaurès<ref>Jaurès, geboren te Castres in 1859, genoot een akademische opleiding, werd later leeraar aan het lyceum te Albi en daarna zooveel als privaatdocent te Toulouse. In de Kamer gekomen behoorde hij bij de centre gauche (linkercentrum), om later socialist te worden. Hij is kollektivist, maar zooals hij het zelf uitdrukte: “mais tout de même avec plus de libre initiative pour l’individu” (maar met meer vrij initiatief van het individu). Een aardige korte kritiek van een kollektivist op het kollektivisme!</ref>, Viviani en anderen, maar aan den anderen kant volgt de konsekwentie, dat men het socialisme vaarwel zegt om eenvoudig een gewone demokratische hervormingspartij te worden. Al hebben de Guesdisten gelijk in hun oppositie, zij veroordeelen tegelijkertijd de gedragslijn steeds door hen zelven gevolgd en dit willen zij niet erkennen. Een kongres werd uitgeschreven te Parijs, waar de partijen heftig op elkander botsten, maar het eind van het lied was, dat men de kool en de geit spaarde, want Millerand paste toe het woord: j’y suis et j’y reste (ik ben er en ik blijf er). Naar het uiterlijk was er een eenheid tot stand gekomen tusschen de verschillende groepen en had men nu voor ’n oogenblik één groote socialistische arbeiderspartij in Frankrijk evenals in Duitschland maar in Frankrijk gist en woelt en kookt het. Hoelang die eenheid duren zou? Niemand vermocht het te zeggen, maar dit staat vast dat alleen datgene duurzaam bij elkaar kan blijven wat bij elkander behoort en dat kunstmatige samenvoeging van vijandige elementen voor een korte poos kan duren, maar onmogelijk bljvend kan wezen. Het socialisme is in elk geval op den achtergrond geschoven en al wat men ziet, zoo in Frankrijk als elders, is dit, dat onder den naam van sociaaldemokratie de hervormingen der radikalen worden toegepast en dat men zich beweegt in de richting van het staatssocialisme.

Het Nationaal Kongres, dat men te Parijs hield na het Internationale van September 1900, leverde zoo’n toonbeeld van verwarring op, dat het vrijwel een karikatuur is, om hier van eenheid te spreken. Nadat een der afgevaardigden verwond was geworden, verlieten de Guesdisten onder het geroep: wij ontvlieden de moordenaars! de zaal. De gematigde richting van Jaurès zegevierde. Men nam een motie aan van den volgenden inhoud: “het kongres, overwegende dat uit de debatten blijkt dat al is een verschillende taktiek gevolgd, alle leden der socialistische partij te goeder trouw hebben gehandeld en met het eenige doel om hun partij te dienen, gaat over tot de orde van den dag,” met de bijvoeging van Vaillant om zijn afkeuring uit te spreken over de daders, die aansprakelijk zijn voor de moorden van Chalon (waar tijdens een werkstaking eenige arbeiders zijn doodgeschoten) en hun medeplichtigen, maar dit laatste na de verklaring dat in die bijvoeging niet de bedoeling lag opgesloten op eenig socialistisch afgevaardigde een smet te leggen. Ten slotte nam men aan, dat een nieuw algemeen komité samengesteld zal worden tot voorbereiding van een ontwerp van algeheele vereeniging der partij, dat ter goedkeuring onderworpen zal worden aan een nieuw kongres. Intusschen gaan de Guesdisten in het dagblad Le Petit Sou voort, om tegen Millerand en Jaurès te strijden. Zoo schreef Lafargue: “men moet òf het moderne socialisme niet kennen òf het brutaalweg vervalschen om aan Millerand de hoedanigheid van socialist toe te kennen” en hij noemt de partij van Jaurès “les arrivistes”, de menschen die er komen willen, een zeer juiste benaming, vooral wanneer men weet dat verschillende vrienden van Millerand reeds van goede baantjes voorzien zijn, o.a. ook Jaurès. Wij zullen zien of er een eenheid kunstmatig gefabriekt zal worden en dan afwachten hoe lang zij duurt.<ref>Men vergelijke: Paul Louis, Histoire du Socialisme français, Jean Bourdeau L’évolution du socialisme, beide boeken verschenen in 1901.</ref>
Op het Pinksterkongres te Lyon (28 Mei 1901) zou Jaurès dat groote kunststuk verrichten en de Fransche socialisten vereenigen tot één groote socialistische partij. Maar vooreerst de groep der zoogenaamde Guesdisten verscheen aldaar niet, dus van eenheid geen sprake, en tusschen de Blanquisten en de ministeriëele socialisten kwam het tot zulk een hoogloopende twist, dat de eersten de vergaderzaal verlieten. De vrienden van Millerand, met Jaurès aan ’t hoofd, hadden tot leuze: òf de socialistische eenheid met Millerand òf geen eenheid. Zij wilden de zoogenaamde “spons” theorie toepassen ten opzichte van Chalon, Martinique en Montceaules-Mines, waar geschoten is op werkstakende arbeiders evenals indertijd te Fourmies onder minister Constans, de uitlevering van Sipido aan de Belgische regeering, de uitzetting van den Italiaan Morgari uit Frankrijk, de kniebuigingen voor den Russischen Czaar. Daarvan wilden de anderen niets weten, zij wilden geen gemeenschap meer hebben met een socialist als Millerand, die dat alles toelaat en duldt, zoodat hij er zich in elk geval medeplichtig aan maakt. De ministerieele motie, die aangenomen werd, verklaarde dat Millerand zich geplaatst had “hors du contrôle du Parti” (buiten de kontrole der partij), de anderen daarentegen zeide dat hij zich geplaatst had “hors du Parti” (buiten de partij). Er vielen harde woorden niet alleen, maar ook klappen. Men zou zeggen dat die poging tot vereeniging jammerlijk mislukt is en toch las men daarna in de Petite République: “het kongres van Lyon had van het kongres te Parijs de opdracht ontvangen, om de eenheid onder de socialisten te verwezenlijken. Het kongres van Lyon heeft die opdracht vervuld.” Als men durft schrijven dat de eenheid van een partij tot stand is gekomen, nadat die eenheid mislukt is doordat de eene fraktie zich verwijdert, dan is dit zoo’n averechts verkeerde voorstelling van de zaak, dat het woord “boerenbedrog” hierop volkomen van toepassing is. En toch kwam er een eenheid tot stand, ofschoon niet zoo bedoeld, n.l. tusschen de Guesdisten en Blanquisten. Het zal echter in de toekomst moeten blijken, of twee frakties, die feitelijk hetzelfde willen en alleen uiteengaan om formaliteiten en personaliteiten op den duur niet tot elkander moeten komen. Vatte men de zaak principieel op, men zou moeten komen tot de anarchistische kritiek op het parlementarisme en dat doet men niet. Daarom zou men hier best kunnen spreken van een “querelle d’ Allemagne.” Millerand is een afschrikwekkend voorbeeld voor allen, die als socialist meenen, dat langs den parlementaire weg langzaam en geleidelijk tot de gewenschte hervormingen gekomen kan worden, want al doet Millerand het een beetje erg brutaal en onhandig –men denke aan zijn houding bij de ontvangst van den Russischen keizer in Frankrijk!– toch zou elk socialist in dezelfde omstandigheden zoo hebben gehandeld, ja hebben moeten handelen. Een socialist in een parlement of aan ’t hoofd van een departement is noodzakelijk –het kan niet anders!– staatssocialist.

Scheen het, alsof met den val van het Chartisme in Engeland de geest van verzet was gedood, zoodat betrekkelijk weinig levensteekenen merkbaar waren in de arbeidersbeweging gedurende het derde kwartaal der 19e eeuw, tot verklaring hiervan dienen twee omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Vooreerst is de politiek der toongevende mannen in Engeland altijd verstandiger geweest dan die op het vaste land. Telkenmale als de arbeidersbeweging een gevaarlijk karakter begon te krijgen, gaf men de eene of andere gewenschte hervorming, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, om zoo doende de kracht der beweging te breken. Men volgde de taktiek van het toewerpen van een kluif aan een hongerigen hond, om hem een tijdlang stil en van zich af te houden. In dien tijd werden vele van de wenschen der Chartisten gedeeltelijk vervuld en men kon haast zeggen dat het Chartisme dood was, maar de Chartistische beginselen langzamerhand in het politieke leven werden opgenomen. En in de tweede plaats was het een tijd van vooruitgang en betrekkelijke welvaart, door de reusachtige ontwikkeling van handel en nijverheid, zoodat de nationale rijkdom ontzettend vermeerderde. De uitvoer was in 20 jaar tijds verdrievoudigd en al was het waar, wat minister Gladstone zich eens liet ontvallen, dat van die vermeerdering van welvaart een zeer klein gedeelte slechts ten goede kwam aan de arbeidende klassen, toch is het ook waar, dat in dat tijdvak weinig bespeurd werd van werkloosheid en dat de aanvraag naar “handen, meer handen” steeds groot was. Zelfs de Internationale, hoewel te London opgericht, heeft nooit recht wortel kunnen schieten in Engeland en de Engelsche arbeiders kenden voor het grootste gedeelte de namen van Marx en Engels niet, ofschoon beiden in hun midden leefden en hun invloed groot was, vooral op de Duitsche arbeidersbeweging. Juist na dat tijdvak van den grootsten bloei op het gebied van handel en nijverheid, ongeveer tegen het jaar 1880 ziet men in bijna alle landen een herleving van het socialisme. In Engeland, België, Nederland dateert de stichting der sociaaldemokratische vereenigingen uit dien tijd en verschillende socialistische bladen als Justice in Engeland, Social-Demokrat in Zwitserland, Freiheit in London, Recht voor Allen in Nederland zijn alle ook in diezelfde dagen opgericht.
De oudste vereeniging in Engeland is de Social Democratic Federation, waarin Hyndman<ref>Hyndman studeerde in Trinity College. In het Engelsch verscheen een boekje met biografische schetsen van Hyndman, Belfort Bax, Morris, Walter Crane, Hunter Watts, John E. Willlams, Andreas Scheu, H.W. Lee, James Mac-donald, R. Blatchford, Quelch en Tom Mann, waarin elk dezer ons zelf vertelt hoe hij socialist werd. (How I became a socialist.)</ref> den schepter zwaait en deze is een volbloed Marxist in de theorie. Deze ontstond in 1883 uit de in 1881 opgerichte Democratie Federation, mede door Hyndman in ’t leven geroepen o.a. met behulp van de stiefdochter van John Stuart Mill, de bekende miss Helen Taylor.

Toch was hij nooit erg in de gratie der Duitsche Marxisten, omdat hij zekere onaf hankelijkheid bewaarde tegenover hen en zich niet liet gebruiken als een blind werktuig van Marx en Engels. Men zag dus het eigenaardige verschijnsel, dat de Engelschman, die het zuiverst was in de Marxistische leer, toch niet in de gratie was van de Marxisten en persoonlijk min of meer vijandelijk stond tegenover beide mannen. Pas op het Internationaal Kongres te London in 1896 is het gelukt, Hyndman in het vaarwater van de Duitsche sociaaldemokratie te brengen, zoodat hij sints ook in genade werd aangenomen. Hij kenmerkt zich overigens door denzelfden vijandelijken geest tegen al wat maar eenigszins anarchistisch riekt en elkeen, die niet zuiver is in de Marxistische leer kan ervan op aan, dat hij in de Justice, het blad der partij, onder handen wordt genomen. Ook volgde hij Lassalle in zijn bestrijding van de liberalen en hierin ging hij zoover, dat tot dekking van de kosten wegens het stellen van kandidaten in twee Londensche kiesdistrikten, in den jare 1885 de Tory-partij in den arm werd genomen, zoodat deze ze grootendeels betaalde, alleen om daardoor verdeeldheid te krijgen en de nederlaag der liberalen te kunnen bevechten. Later trachtte de sociaaldemokratische partij haar populariteit te herstellen door ijverig mede te doen aan de groote werkloozenbeweging van 1886 en 1887. De “bloedige” Zondag, 18 November 1887, toen de overheid met geweld het verbod om op Trafalgar Square te vergaderen doorzette, veroorzaakte een proces aan de leiders als intellektueele aanleggers, maar zij werden voor de rechtbank vrijgesproken. Alleen John Burns, de bekende agitator, liep een kleine straf wegens verzet tegen de politie op, wat echter niet weinig bijdroeg, om hem populair te maken, vooral bij de “unskilled” arbeiders (de losse arbeiders, die geen bepaald vak kennen).

Bestand:Fotos/morris.jpg
William Morris.

Reeds in 1884 kwam er splitsing in die partij, ontstaan door het al te autoritair optreden van Hyndman. De Socialist League werd er toen naast opgericht, waaraan William Morris<ref>Morris, geboren te London in 1834, studeerde te Oxford en wijdde zich later aan het kunsthandwerk en de schilderkunst. Hij is een der beste dichters van Engeland uit den lateren tijd. Men leze o.a. zijn Earthly Paradise (Aardsch Paradijs) en andere gedichten. Hij stierf in 1897.</ref> en Eleanor Marx,<ref>De talentvolle jongste dochter van Marx, die zich ter onzaliger ure verbond aan den wel knappen, maar door en door slechten Aveling, om in 1898 op droevige wijze een eind aan haar leven te maken.</ref> de dochter van Karl Marx met haar onwaardigen man Edward Aveling meededen. Zij gaf haar eigen blad, de Commonweal uit, dat voornamelijk door Morris werd geleid in meer vrijheid-lievenden zin. Langzamerhand bewoog dit blad zich geheel in anarchistische richting, tot het in 1892 verdween en verschillenden, zooals Aveling en zijn vrouw, weer terugkeerden in den schoot der Federatie.

Moedeloos geworden over den slakkengang der socialistische beweging heeft Hyndman zich door het bedanken als lid van het bestuur der sociaaldemokratische Federatie, waarvan hij steeds de ziel was, teruggetrokken in het jaar 1901, daar de groote massa in Engeland zich zoo weinig vatbaar toonde voor de socialistische propaganda en hij het niet vol kon houden voor de revolutie te werken te midden van stompzinnigen.

Hyndman heeft driemalen een zeer belangrijke diskussie gevoerd, nl. eens met den bekenden Labouchère, den radikaal, eens met Charles Bradlaugh, evenzeer een radikaal maar meer algemeen bekend als vrijdenker en eindelijk ook eenmaal met Henry George. Het was Bradlaugh, die hem bij die gelegenheid de lastige vraag stelde: “zal het in een land, waar de produktie en konsumtie door den staat worden geregeld, geoorloofd zijn hetzij met ’t woord hetzij met de pen daarover kritiek uit te oefenen”? Men zou er bij kunnen voegen: en hoe ver zal dat recht worden verleend? Want men weet dat de sociaaldemokraten zeer bekrompen zijn in het toestaan van kritiek in eigen kring en dat de ketterjagerij reeds meermalen in alle landen is voorgekomen.
In 1883 ontstond er op aansporing van prof. Thomas Davidson uit New-York een andere vereeniging, die zichzelve de Fabian Society noemde, welke naam ontleend is aan den bekenden Romeinschen veldheer Fabius Cunctator, die de afmattingstaktiek uitoefende tegenover den Karthaagschen veldheer Hannibal. Hun devies is: “wij moeten het juiste oogenblik afwachten, zooals Fabius deed met groot geduld, toen hij strijd voerde tegen Hannibal, niettegenstaande hij door velen werd gelaakt. Maar als de tijd gekomen is, moeten wij den aanval krachtig doen volgens het voorbeeld van Fabius, anders zou het wachten vergeefs en nutteloos zijn geweest.”
Deze vereeniging, bestaande grootendeels uit heeren en dames en volgens het jaarverslag in 1896 tellende 739 leden, onder wie 148 vrouwen, werkt op de volgende wijze:

  1. door het houden van meetings ter bespreking van vraagstukken, die betrekking hebben op het socialisme;
  2. door het instellen van een onderzoek naar ekonomische vraagstukken;
  3. door het publiceeren van stukken op sociaal gebied met argumenten ten gunste van het socialisme;
  4. door het houden van voordrachten en debatten in andere vereenigingen of klubs;
  5. door het vertegenwoordigen van de vereeniging in andere bijeenkomsten of kongressen.

Zoo had de vereeniging haar vertegenwoordigers op het Londensche kongres van 1896. Als beginsel neemt zij aan, dat de maatschappij moet gereorganiseerd worden door het overbrengen van het eigendom der produktiefactoren aan de gemeenschap ten algemeenen nutte. Dus afschaffing van het privaat-eigendom en van de daarmede gepaard gaande toe-eigening der grondrente en tevens van de overdracht van het beheer over alle kapitaal ten dienste der voortbrenging, voor zooverre die door de gemeenschap gedreven kan worden. Zij verklaren zichzelven rondweg staats-socialisten en zijn groote voorstanders van het gemeentelijk socialisme, zooals het zich openbaart in het overnemen en beheeren van verschillende takken van openbaren dienst, zooals gas, waterleiding, telefoon, tram, enz. De eerlijke erkenning, dat zij staatssocialisten zijn –wat ontkend wordt door de sociaaldemokraten, ofschoon zij precies in denzelfden zin werken– trekt ons in hen aan en dat te meer omdat zij niet zoo bekrompen en onverdraagzaam zijn tegenover andersdenkenden, als zulks het geval is bij de sektarische sociaaldemokraten die een soort van kerk hebben met een alleenzaligmakend geloof, het Marxisme, buiten hetwelk geen heil is. De “Fabian Essays in socialism”<ref>Fabian opstellen over Socialisme, in het Hollandsch vertaald door F.M. Wibaut en onder den titel Socialisme in twee deeltjes verschenen in de Internationale Bibliotheek.</ref>, een reeks voordrachten van Bernard Shaw, Sidney Webb, William Clarke, Sydney Olivier, Annie Besant, Graham Wallas en Hubert Bland, lichten volkomen in omtrent doel en streven der Fabians. Nuttige arbeid is door verschillenden hunner geleverd, zooals b.v. het klassieke boek over het Britsche vak-vereenigingswezen van het echtpaar Sidney en Beatrice Webb<ref>In een Hollandsche vertaling van H. Polak verschenen onder den titel: Geschiedenis van het Britsche Vakvereenigingswezen.</ref>.

Hun invloed in alle kringen is ongetwijfeld groot en al is hun socialisme niet ten onrechte een “salon-socialisme” genoemd, daar het buiten de arbeiders omgaat, toch werken zij op hun wijze gunstig en brengen zij een heel anderen geest onder velen. De nieuwe broederschap met haar blad Seed-time (Zaaitijd) en Macdonald als haar sekretaris werkt meer van binnen naar buiten, daar zij door het voorbeeld in het huiseljk en maatschappelijk leven invloed wilien doen uitstralen over de omgeving.
Naast de Social Democratic Federation (S.D.F) staat sinds 1893 de Independent Labour Party, in de wandeling I.L.P. genoemd waarvan Keir Hardie te Glasgow president is. Beide vereenigingen staan min of meer vijandelijk tegenover elkander, in elk geval zijn ze konkurrenten. Toen Keir Hardie in 1896 als parlementslid aftrad, werd hij niet gesteund door de Federation en dat zette toen nog al kwaad bloed. Hij viel bij de verkiezingen om echter in 1900 opnieuw te worden verkozen. Ook heeft het protest van Keir Hardie tegen de onverdraagzaamheid der Marxisten, om de anarchisten te weren van het kongres te London, getoond, dat deze een ruimere opvatting had, die echter door de bekrompen Marxisten hem kwalijk werd genomen. Ook deze vereeniging wil het algemeen eigendom van alle produktie-, ruil- en verdeelingsmiddelen, werkt parlementair en oefent nog al invloed uit. Pogingen om beide vereenigingen, die feitelijk hetzelfde willen, te doen samensmelten, zijn tot nu toe afgestuit voornamelijk op persoonlijke rivaliteit. Vindt de I.L.P. haar orgaan in den Labour Leader, de S.D.F. heeft het in de Justice.

Onder de socialisten wordt ook medegerekend Blatchford, die met zijn blad the Clarion veel succes had en wiens boekje Merrie England (Gelukkig Engeland)<ref>Verschenen in de Internationale Bibliotheek onder den titel van: Het heden en de toekomst. Vertaling van H. Polak.</ref> onder den pseudoniem Numguam in ongekende getallen verkocht is. Hij neemt het daarin op voor den “socialistischen onzin,” noemt zijn werk het “aanwerven van rekruten voor het socialistische leger, want hij is geen generaal, maar een officier van het werfdepot,” maar is feitelijk ook staats-socialist. Leest slechts, hoe hij schrijft: “wij zouden de spoorwegen, schepen, kanalen, werven, mijnen en boerderijen nationaliseeren en al deze industrieën onder beheer brengen van den staat. Wij zouden hebben een minister van landbouw, evenals thans een postmeester-generaal. Deze zou moeten zorgdragen dat zijn departement genoeg brood en groenten voor allen leverde, zooals de postmeester-generaal thans verantwoordelijk is voor het vervoer en de bezorging onzer brieven. Zoo zouden wij geleidelijk al den grond en al de produktiemiddelen brengen in handen van den Staat en dus langzamerhand onze nijverheid organiseeren. (Hoofdstuk 14. Wij kursiveeren). Zelfs de mate van vrijheid zou van den staat afhangen, want”een socialistische staat zou ons allen zooveel vrijheid geven als wij behoeven." Maar wie bepaalt die behoefte? Natuurlijk de staat. Men draait dus in een kringetje rond. Toch is hij in zijn beschouwingen vrijer dan wij dit van anderen gewoon zijn, indien althans bij het bezit van macht zijn daden zouden overeenstemmen met zijn woorden. Overigens toonde hij behept te zijn met zeer chauvinistische gevoelens tijdens den oorlog met Zuid-Afrika, niet vragende naar recht en billijkheid maar alleen naar Engelands macht en grootheid.
De landnationaliseerders drijven ook een zeer levendige propaganda en hun Red-Van onderneming (Roode wagen) heeft nog al succes en ook navolging gevonden. Met den voorzitter der vereeniging, den geleerden natuuronderzoeker Alfred Russel Wallace, kunnen zij dan ook best voor het voetlicht komen.
Behalve deze allen vindt men ook anarchisten in Engeland, ofschoon hun aantal niet groot is en zij alleen beschikken over het maandblad Freedom. Over het algemeen staat het individualisme in Engeland nog al hoog aangeschreven en men vindt er dan ook meer verdraagzaamheid tusschen de partijen onderling dan in andere landen. Engeland is overdekt met vereenigingen van allerlei aard en daarin ontmoeten de aanhangers der verschillende stelsels elkander dan persoonlijk. William Morris met zijn vrijheidlievenden geest werkte weldadig op velen en al wekte hij, vooral na de vele aanslagen te Parijs, een oogenblik de hoop bij de sociaal-demokraten op, dat hij tot hen zou terugkeeren, toch bleek het dat de vrijheid het bij hem won boven het dogmatisme en werkte hij meer in anarchistischen geest.
Als wij de partijen in Engeland willen vergelijken met die in Frankrijk, dan doen de Fabians ons het meest denken aan de Possibilisten, de S.D.F. aan de Guesdisten en de I.L.P. aan de Allemanisten. De namen mogen verschillen, het wezen blijft overal hetzelfde, al openbaart de geest zich hier ook verdraagzamer en minder dogmatisch-bekrompen dan elders.

Wij zouden op dezelfde wijze kunnen voortgaan en elk land in ’t bizonder behandelen, maar met verandering van namen openbaart het socialisme in zijn ontwikkeling overal dezelfde kenmerken. Eerst was men in verreweg de meeste landen anarchistisch gezind, vooral in de landen der Latijnsche stammen, zooals Italië, Frankrijk, Spanje, maar ook Nederland en België stemden op het kongres der Internationale tegen de uitsluiting van Bakunine; later bleek de politieke weg zoo benijdenswaardig, omdat daarlangs verschillende socialisten hun eerzucht konden bevredigen door deel uit te maken van de politieke lichamen in den staat. In de meeste landen won die richting het, wat niet te verwonderen is, daar zij het terrein opende voor de “strevers”, die men overal aantreft behalve daar, waar geen vooruitzichten zijn voor de strevers om naam, roem of voordeel te behalen en daar het streversras in een tijd, waarin geen gebrek aan kennis maar wel aan karakter bestaat, steeds grooter is geworden, vindt men hen misschien nergens sterker dan in deze partij, die zoo wat de opkomende zon is. Door de meer uitvoerige behandeling der drie groote rijken in Europa, die in alles den toon aangeven: Frankrijk het land der ideën en idealen, Engeland het land der praktijk met zijn allen overtreffende ekonomische ontwikkeling en Duitschland, het land der stramme discipline, waar men door den ingeburgerden militairen en half absolutistischen geest zich geen andere voorstelling van organisatie kan maken dan die zich openbaart in de bureaukratie, is het vrij wel overbodig de andere landen te behandelen, te meer omdat de beweging nergens nieuwe gezichtspunten oplevert. Overal ziet men socialisten van een oorspronkelijk revolutionaire partij, die begrijpt als partij vierkant te staan tegenover de maatschappij in al haar uitingen en die niet wil weten van transigeeren of het sluiten van een kompromis, dus onverzoenlijk is, langzamerhand geraken onder den invloed der Duitsche politieke methode en daardoor veranderen in een wettelijke partij, die men naar Engelsch voorbeeld zou kunnen betitelen als “Her Majesty’s most loyal opposition”. Was het niet de Frankfurter Zeitung, die met genoegen konstateerde na een der partijdagen van de Duitsche sociaaldemokratische partij, dat zij begonnen is als een beslist revolutionaire, maar dit nu in werkelijkheid niet meer is en dat voor wien de laatste partijdagen opmerkzaam heeft gevolgd, hierover geen twijfel kan bestaan, en er nog maar één ding ontbreekt, nl. dat de partij dit openlijk en met klaarheid uitspreekt? Schreef niet de Nieuwe Rotterdamsche Courant: “onze socialisten zijn in de laatste jaren zoo gemanierd geworden, hebben zich zoo aardig parlementsch gefriseerd en gepommadeerd, dat men wel mag toegeven aan het denkbeeld: men staat hier voor de langzaam beginnende vervorming van een geheel revolutionair gedachte partij in een wel niet echt radikale partij, maar die toch het kader der bestaande maatschappelijke orde nog elastiek genoeg en toereikend acht om die partij langzamerhand, al gaat het ook met eenig tegenstreven, erin op te nemen?” Hoe het eigenlijke arbeiderselement heelemaal op den achtergrond raakt en evenals de leeken in de kerk beschouwd wordt als de kudde waarover de geestelijken, de leiders, het toezicht houden, opdat zij niet afdwalen, kan men het beste zien uit de omstandigheid, wie de afgevaardigden der partij zijn in de wetgevende lichamen. In Duitschland was de fraktie enkele jaren geleden samengesteld uit: 1 advokaat, 2 renteniers, 10 redakteurs, 4 bierhuishouders, 7 sigarenfabrikanten en handelaren, 3 uitgevers, 3 kooplieden en 6 personen die eigen zaken dreven, dus O eigenlijke loonarbeiders. Het is ook onmogelijk loonarbeider te blijven en afgevaardigde te zijn in een wetgevend lichaam. Ook op de partijdagen is de eigenlijke loonarbeider een witte raaf, terwijl bovendien een vergelijking der namen van afgevaardigden op die partijdagen leert dat het vrijwel een vaste klub is, die elkaar jaarlijks aldaar rendez-vous geeft. Welk loonarbeider zou ook een week –den tijd dien zoo’n partijdag duurt– vrij af kunnen krijgen, om een partijdag te gaan bijwonen en welk loonarbeider zou ook vrijuit zijn meening kunnen zeggen zonder gevaar te loopen broodeloos te worden? Vandaar dat het klein-burgerlijke element in de beweging den toon aangeeft.
Wanneer wij vragen, hoe het komt dat het klein-burgerljk element is binnengeslopen in de sociaal-demokratische partij om haar te ontdoen van haar scherpe punten en haar het oorspronkelijk zuiver proletarische en revolutionaire karakter te ontnemen, dan geven dr. Hans Müller in zijn Der Klassenkampf in der deutschen Sozialdemokratie en Richard Calwer in zijn Das kommunistenmanifest und die heutige Sozialdemokratie daarop het antwoord op zeer voldoende wijze. Zij wijzen erop, dat verschillende arbeiders, die op den voorgrond traden, hun positie kwijt raakten en natuurlijk een andere broodwinning zochten om aan den kost te komen. Zij vonden die in een bierhuis, een sigarenwinkel, een boekhandel, enz., maar in een ander milieu komende begonnen zij ongemerkt een kleinburgerlijk standpunt in te nemen. Tegenwoordig kan men zoo wat in al zijn behoeften voorzien, van de kleeding af tot de sigaren toe, bij sociaaldemokraten. De sociaaldemokratische pers staat gereed om reklame te maken voor deze klein-burgerlijke zaken en zoo spant men volgens Calwer “de paarden van het socialisme voor den wagen van een reaktionair streven en de arbeider moet zijn goede geld plaatsen in dezen onbruikbaren, levensgevaarlijken wagen. Niemand kan het dien personen kwalijk nemen, dat zij gedreven door den nood deze ondernemingen in het leven roepen en ervoor agiteeren, zij bedoelen voor zichzelven en de arbeiders het beste. Maar van het standpunt van het proletariaat zijn deze ondernemingen een reaktionaire zwendelarij, die schade toebrengt aan het proletariaat. Want zij laten zich verleiden zulke ondernemingen te steunen, betalen hun geld en krijgen daarvoor waren, die zij beter kunnen krijgen bij den grooten winkelier. Al hebben dezulken nog zulke eerlijke sociaaldemokratische meeningen, hun doen is on-socialistisch, en loopt ten slotte uit op dat burgerlijk streven, dat den arbeider aanbeveelt om door zelfhulp de mogelijkheid van verbetering van zijn toestand te verkrijgen. Nu zijn juist deze ‘kleinburgerlijke existenzen’ in de lokale beweging het meest werkzaam als agitatoren en leiders.”
Zoo is de sociaaldemokratische partij geworden tot dat kleinburgerlijk socialisme, waartegen Marx en Engels reeds profetisch waarschuwden in het kommunistenmanifest, sprekende van die “nieuwe kleinburgerij, die tusschen het proletariaat en de bourgeoisie in staat” en die zij ten sterkste veroordeelen in deze woorden: “een tweede, minder systematische, maar meer praktische, vorm van het socialisme zocht de arbeidersklasse afkeerig te maken van elke revolutionaire beweging, door aan te toonen, dat niet deze of gene politieke verandering, maar dat slechts eene verandering van materieele levensverhoudingen, der ekonomische verhoudingen, haar van nut zou kunnen zijn. Onder verandering der materieele levensverhoudingen verstaat dit socialisme echter volstrekt niet de afschaffing der burgerlijke produktieverhoudingen, die alleen mogelijk is langs revolutionairen weg, maar het invoeren van administratieve verbeteringen, die op den grondslag der tegenwoordige produktieverhoudingen mogelijk zijn, die derhalve volstrekt geen verandering brengen in de betrekking tusschen kapitaal en loonarbeid, maar in het gunstigste geval de kosten van de heerschappij der bourgeoisie verminderen en haar staatshuishouding vereenvoudigen.” (Wij kursiveeren.)
En zij eindigen het manifest met de openlijke verklaring, dat het doel alleen bereikt kan worden “door de gewelddadige omverwerping van alle bestaande maatschappelijke orde.”
Het is dat kleinburgerlijke socialisme, dat voorzit in de sociaaldemokratie en waardoor zij feitelijk heeft opgehouden een socialistische partij te zijn. Toen ik ongeveer 10 jaar geleden erop wees, dat de sociaal-demokratische partij in diepte had verloren, wat zij in breedte had gewonnen, toen werd ik beschuldigd van laster en verdachtmaking en zeker mag het een genoegdoening heeten, wanneer enkele jaren later een der beschuldigers, Bebel, tot de erkenning kwam: “de partij is in geestelijke ontwikkeling meer in de breedte dan in de diepte gegroeid, wij hebben ons in hoeveelheid zeer vermeerderd, maar zijn in hoedanigheid er niet op verbeterd.” Hij wees op de burgermenschen, die als gematigden de partij binnendrongen en zag de partij te gronde gaan door dat opportunisme. Hem was een kleine partij, die weet wat ze wil, liever dan een groote en ongedisciplineerde. Zelfs heeft hij er na het kongres te Berlijn aan gedacht, om zijn plaats in het partijbestuur in te ruimen, daar hij zich niet kon vereenigen met den loop van zaken. Maar hij heeft dien Rubicon niet kunnen overgaan, hij heeft niet de zedelijke kracht gehad zijn beginsel te plaatsen boven zijn positie als partij-leider en het eind van het lied is geweest, dat diezelfde Bebel zich volop wierp in de armen van dat opportunisme, om krachtdadig mede te helpen, ten einde die partij dus te gronde te doen gaan en te vervormen tot een kleinburgerlijke demokratische hervormingspartij.
En wanneer Liebknecht de strijdwijze, die alle parlementarisme, de deelneming aan elke werkzaamheid langs wettelijken weg (partijdag te Halle, Protocoll bl.56/57) anarchistisch noemt, veroordeelt dan heeft men daar toch niet altijd hetzelfde over gedacht, althans in een artikel van den Sozialdemokrat uit het jaar 1883 kan men van Bernsteins hand de woorden lezen:
“Het parlementarisme heeft in het algemeen niets, wat sympathiek kan zijn voor een demokraat en vooral niet voor een tot de uiterste konsekwentie gaanden demokraat, d.w.z. voor een sociaaldemokraat. Integendeel, het is naar zijn geheele wezen ondemokratisch, want het beteekent het bestuur eener klasse en wel van de bourgeoisie.”

Bij onze bespreking willen wij een uitzondering maken met één land en wel met Belgie, omdat hier een andere methode is gevolgd, die wij ter onderscheiding van de Duitsche zouden willen noemen de Belgische. Het waren twee methoden, die ten slotte samenvloeiden in één eenige, doordat zij elkander de hand reikten. Wij bedoelen de koöperatie dienstbaar gemaakt aan het socialisme. Men weet hoe de Duitsche sociaaldemokraten onder den invloed van Lassalle’s vernietigende kritiek, aantoonende dat de arbeiders niet het meest en het sterkst werden gedrukt als konsumenten maar als producenten, nooit bizondere voorstanders waren van de koöperatie. Ja, men kon tegenover de zelfhulp der koöperatie van Schultze-Delitzsch plaatsen de staatshulp van Lassalle. Ook in Engeland ging de koöperatieve beweging geheel zelfstandig haar eigen weg. Het was dus aan België, dat de eer(?) toekwam, om koöperatie en socialisme aan elkander te koppelen. Het is daarom dat wij de Belgische beweging eenigszins nader in oogenschouw willen nemen.
Tijdens de Internationale nam België krachtig aandeel in de beweging en leerzaam is het die beweging te volgen aan de hand van een man, die haar zoowat van den beginne af heeft meegemaakt en dus uit ervaring kan spreken.<ref>Wij bedoelen het boek van Paul de Witte, gewezen redakteur van Vooruit, getiteld: “De geschiedenis van Vooruit en de Gentsche socialistische werkersbeweging sedert 1870”. Toen in 1895 de wensch werd geuit om de geschiedenis van Vooruit te zien verschijnen, werd door een der leden van het hoofdbestuur op de vraag: wie zich daarmede zou kunnen belasten, geantwoord: niemand kan dat beter dan Paul de Witte, hij heeft het begin medegemaakt en is met alle verdere gebeurtenissen bekend. Wij hebben hier dus een boek van een deskundige en al is de inhoud heel anders uitgevallen dan men bedoeld had –men wenschte een verheerlijking van Vooruit en men kreeg een kritiek in sterk afkeurenden zin– toch kan niemand de bevoegdheid van den schrijver, om dit onderwerp te behandelen, in twijfel trekken. Niemand waagde zich dan ook aan een weerlegging.</ref>

De stichting der eerste afdeeling van de Internationale dagteekent van 1867, maar zij spatte weldra uiteen, om op nieuw te verrijzen in 1870 en uit deze tweede editie is de latere socialistische beweging geboren en dus ook Vooruit. De geestelijke zetel der Internationale was te Brussel, waar dr. Cesar de Paepe het weekblad L’Internationale uitgaf, waar het demokratisch dagblad La Liberté onder redaktie van Victor Arnould en met medewerking van Hector Denis en Guillaume Degreef verscheen. De Belgen stonden aan de zijde van Bakunine, zij verwierpen de politieke richting, beschimpten het algemeen kiesrecht als een middel om het volk om den tuin te leiden, lachten met koöperatie en sparen als zoovele slaapmiddelen, uitgevonden door de liberalen, om het volk zoet te houden. Maar men had geen vat op het volk. De vakbeweging lag verlamd en onderlinge twisten brachten nog verdeeldheid onder hen, die het nut van vereenigen inzagen.
Het brood was duur in 1873, nl. 50 centimes het kilogram, en zoo kwam men op de gedachte om een samenwerkende bakkerij te stichten. Niet dat dit denkbeeld nieuw was, o neen er bestonden te Gent reeds 4 of 5 samenwerkende bakkerijen, maar die vielen niet in den smaak. Edmond van Beveren en Paul de Witte, die reeds tijdens de Internationale te Gent vrienden waren geworden, sloten zich daarbij aan ondanks hun weinige ingenomenheid met de koöperatie. Op nieuw richtten zij de Internationale op in 1874 en daarbij sloot zich weldra de jeugdige Eduard Anseele aan. Ofschoon vol goeden wil hadden zij niet veel kennis van het socialisme en om nu op de hoogte te komen, namen zij een abonnement op den Volksstaat, het hoofd-orgaan der Duitsch sociaaldemokratie, welk blad van Beveren en de Witte konden lezen. Zoo kwamen zij in de school der Duitschers terecht en deze hebben de partij dan ook heelemaal gefatsoeneerd naar hun model. In tegenstelling met de andere Belgische socialisten en met de overlevering der Internationale verwierp men de zelfstandigheid der groepen en afdeelingen in zake taktiek en beginsel en voerde men die ijzeren discipline en centralisatie in, waardoor de Belgische partij tot heden zich onderscheidt evenals de Duitsche. Zij roerden zich danig en wisten zoo aanhang te krijgen. Met de bakkerij ging het niet goed in den beginne en men moet zeggen dat de socialistische leiders zich weinig aan de zaak lieten gelegen liggen. Om haar bij het publiek ingang te doen vinden, bracht men een deel van het beginsel, nl. goed brood bakken, ten offer aan het stoffelijke voordeel, de winst. En zoo begon men klanten te winnen. Men ging venten met het weekblad De Werker, men stichtte een bibliotheek, in één woord men werkte krachtig en ijverig voor de propaganda.
Ofschoon men overtuigd was, dat er met vragen en smeeken niets te verkrijgen was, maar dat men met geweld moest nemen, vond men dat het met de revolutionaire of zuiver ekonomische taktiek niet bizonder ging en daarom begon men langs een anderen weg. “Wij meenden de revolutie te dienen, door in politiek te doen” – zoo getuigt Paul de Witte zeer naïf. Men wilde een Belgische Socialistische Werkliedenpartij stichten en met dat doel kwam men op 1 April 1877 te Gent bijeen, maar het lukte niet, daar de Walen hun zelfstandigheid wilden behouden en van Beveren en Anseele een stevige partij wilden onder hun leiding. De Vlamingen gingen hun eigen weg en stichtten toen met Pinksteren te Mechelen de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij op den grondslag van de oude Internationale. Langzamerhand sloten zich ook vereenigingen van Brussel en van Verviers aan en zoo groeide daaruit de Belgische Socialistische Arbeiderspartij. Gent was de hoofdvesting van het socialisme in Belgie. Daar werd ook in 1877 een kongres der Internationale gehouden, waar wederom Marxisten en Bakunisten op elkander botsten. De laatsten verloren het echter en het was toen in België gedaan met de Internationale. Steeds steeg de aanmatiging van van Beveren en Anseele, die als Siameesche tweelingbroeders tot het einde toe steeds samengingen en waren er geen vervolgingen ingesteld, die de propaganda wat opflikkerden, de innerlijke twisten zouden de bovenhand hebben gekregen. De Volkswil werd geboren onder redaktie van Anseele. Daar de bakkerij goed ging, begon men belust te worden op de winsten, die de koöperatie afwierp, maar het gelukte niet daaraan te komen en toen men dit zag, scheidde men zich af en stichtte de Vooruit. Om de zekerheid te hebben, dat deze maatschappij niet weer zou ontglippen aan de handen der socialisten, zette men in het reglement dat de bestuursleden alleen gekozen mochten worden uit de leden der vakvereenigingen, die bij de socialistische partij aangesloten waren. Het is voornamelijk aan Emiel de Cock te danken, dat de zaak van Vooruit bloeide en ofschoon Anseele en van Beveren er in den beginne niet erg mee dweepten, zij verzoenden zich met de plannen van de Cock. Het was Paul de Witte, die toen reeds Anseele onderhield over de eerzucht, die hij openbaarde in al zijn doen en laten en bij die gelegenheid erkende Anseele een groot man te willen worden, want een leven zonder eer en roem scheen hem der moeite niet waard, maar hij zei er nooit misbruik van te zullen maken, daar hij zijn grootheid zou aanwenden ten voordeele van het volk.

Het voorbeeld van Jacob van Artevelde, wiens beeld op de Vrijdagsmarkt, een der pleinen van Gent, staat, heeft hem zeker steeds voor oogen gestaan.
Het duurde niet lang of van Beveren en Anseele maakten zich meester van Vooruit en spoedig werd die maatschappij de voornaamste bakkerij der stad.
Een oogenblik scheen het alsof Anseele<ref>Eduard Anseele, geboren te Gent in 1856, was werkzaam als notarisklerk, toen hij zich getrokken gevoelde tot het socialisme. Hij ging het letterzetten leeren om te beter de partij te dienen, gaf den Volkswil uit en later den Vooruit. Begaafd met schrijverstalent ging hij later op in de koöperatie aan wier hoofd hij stond.</ref> te gronde zou gaan. Hij moest wijken en bood zich bij Domela Nieuwenhuis te ’s Gravenhage aan, om als letterzetter geplaatst te worden. Deze achtte het jammer, dat hij niet te Gent zou blijven. Daarom richtte D.N. zich schriftelijk tot het comiteit en wist de zaak bij te leggen, zoodat hij weer naar Gent kon terugkeeren. De vijanden van vroeger verzoenden zich met elkander, om gezamenlijk aan een en dezelfde lijn te trekken. Van dien tijd af is Anseele de ziel gebleven van de koöperatie te Gent en daar men koöperatie en socialisme voor hetzelfde uitgaf, ook van de sociaaldemokratische partij aldaar.

In 1885 werd de Belgische Werkliedenpartij gesticht, maar Anseele kon daarin niet oppermachtig den baas spelen, daar hij naast, zoo niet tegenover zich, een talentvol man vond staan, met name Jean Volders<ref>Jean Volders, geboren in 1856 was een der werkzaamste leiders der Belgische werkliedenpartij, die hij hielp stichten. Als chef van het blad Le Peuple, als bestuurder van het Maison du Peuple te Brussel en van de koöperatie oefende hij grooten invloed uit, totdat hij in 1894 krankzinnig werd.</ref>, die te Brussel veel invloed kreeg en later een der hoofd-mannen werd van de Belgische Werkliedenpartij. Als theoreticus bleef ook César de Paepe<ref>César de Paepe, geboren te Ostende in 1841, studeerde voor geneesheer, maar door den vroegtijdigen dood van zijn vader, moest hij zijn studie staken en werd bij typograaf. Toch vond hij nog tijd om naast zijn dagelijksch bedrijf om den broode en zijn socialistische propaganda zijn studiën voort te zetten, zoodat hij in 1871 geneesheer werd. Hij was een der stichters van de Internationale. Aanvankelijk leerling van Colins ging hij later over tot Proudhon en het anarchisme om nog later kollektivist te worden. Hij was een geleerd en verdraagzaam man wiens omgang steeds leerzaam was. Na een lang lijden stierf hij in 1890 te Cannes in Frankrijk. Men vergelijke zijn schoone voordracht, gehouden te Patignies, waarin hij als einddoel der revolutie aangaf “de vernietiging van alle macht, dit wil zeggen na een vervorming der maatschappij de verwijdering der politiek door de ekonomie, van de regeerings-organisatie door de industrieele, dat is: de anarchie.”</ref> veel invloed hebben. Deze, een anarchist van huis uit, zwenkte later onder den invloed van Marx meer naar rechts, maar ofschoon hij meedeed aan de hervormingsgezinde partij der sociaaldemokratie, toch bleef hij wars van het fanatisme, dat een eigenaardig kenmerk van haar is in alle landen, en breed genoeg van opvatting om andersdenkenden te waardeeren. Niet genoeg partijman in den slechten zin des woords, is hij dan ook na zijn dood in 1890 vrij spoedig vergeten door de partij, al neemt men den schijn aan, zijn nagedachtenis hoog te houden. Het socialisme raakte meer en meer op den achtergrond; het program der partij is grootendeels radikaal, en worden al de opgesomde bepalingen en regelingen vervuld, dan heeft men slechts een wettelijke regeling der loonslavernij, meer niet.
Wie naar België gaat en zich daar op de hoogte stelt, komt spoedig tot de ontdekking, dat socialist zijn aldaar beteekent koöperateur te wezen en dat slechts zeer weinigen iets weten van het socialisme, al brengen zij ook hun stem uit op de sociaaldemokratische kandidaten. Overigens staat de algemeene ontwikkeling in dat land zeer laag, zoodat er weinig gelezen wordt en de propaganda, die gemaakt wordt, dikwijls bestaat in kroegen-propaganda onder den invloed van bedwelmende dranken, die in groote hoeveelheden gebruikt worden.
De beweging voor algemeen kiesrecht nam groote afmetingen aan. De gebr. Defuisseaux<ref>Twee gebroeders, Léon en Alfred, zoons van een Belgisch senator, hadden te Mons veel invloed, bovenal Alfred, die in 1843 geboren als advokaat werkzaam was, een veelbewogen leven had en in 1901 stierf.</ref> stonden daarbij vooraan en een hunner, Alfred, gaf een Volkskatechismus uit, die een verbazenden opgang maakte. Na een optocht van werkloozen te Luik in Maart 1886 werden verschillende winkels geplunderd. Alles kwam in die streek in beweging, weldra sloeg de beweging over naar Charleroi, waar kloosters en kasteelen werden geplunderd en in verschillende glasblazerijen te Lodelinsart, Dampremy en Ransart groote verwoestingen aangericht. De groote glasblazerij van Baudoux te Jumet werd in de asch gelegd. Algemeene vrees beving de burgerij, de regeering zond den beruchten generaal van der Smissen erop af en deze bracht spoedig kalmte, zoodat de orde heerschte in België, maar ten koste van verschillende personen, die kort en goed werden doodgeschoten. Zware straffen werden uitgedeeld aan de zoogenaamde opstokers. Zoo kregen twee glasblazers, Oscar Falleur en Schmidt elk 20 jaar gevangenisstraf, Alfred Defuisseaux voor zijn Volkskatechismus 5 jaar, maar deze wist bij tijds den dans te ontspringen door naar Frankrijk uit te wijken. Vreemd dat Gent, het zoogenaamd brand-punt van het socialisme, kalm bleef. Wat was daarvan de reden? De koöperatie. Men bezat iets en het bezit maakt steeds behoudend. Anseele bracht de opgewonden gemoederen tot bedaren en riep allen toe: laat ons onze instellingen niet in gevaar brengen, laat ons kalm blijven!
Natuurlijk dat dit een ongunstigen indruk maakte, men verweet van Waalsche zijde aan Anseele dat hij wel het vuurtje wist aan te stoken, maar het doofde als het aan ’t branden was. Verschillende personen zagen dit verschijnsel en begrepen de behoudende kracht, die lag opgesloten in de koöperatie, zij wakkerden dus de stichting van samenwerkende bakkerijen naar het voorbeeld van Vooruit te Gent aan en de meesten kwamen dan ook tot wasdom en bloei. In ’t vuur zijner rede versprak Anseele zich eens, zoodat hij zich een proces wegens majesteitsbeleediging op den hals haalde, ten gevolge waarvan hij veroordeeld werd tot 6 maanden. Zoo werd zijn populariteit bij de massa verhoogd, ofschoon zijn houding voor de rechtbank allesbehalve fier was, daar hij betuigde dat die woorden tegen den koning hem ontsnapt waren in het vuur zijner rede.
De liberalen, die door de klerikalen ten onder waren gebracht, wisten de sociaal-demokraten te gebruiken, ten einde uitbreiding van het kiesrecht te verkrijgen in de hoop dat zij daardoor weer aan het bewind zouden komen. In Augustus 1890 hield men een schitterend gelukte betooging te Brussel en eigenaardig hoe de voorstanders der politieke aktie gebruik maakten van de ekonomische, nl. van een werkstaking om hun politieke rechten te verkrijgen. Terwijl de mijnwerkers in Henegouwen en de Borinage staakten, bleef alweer Gent rustig. Dit wekte ontevredenheid, vooral tegen Anseele, die den bijnaam Kalmoes kreeg.<ref>Omdat bij steeds tot kalmte aanspoorde, zoodra er neiging of ook slechts schijn van neiging tot algemeene werkstaking of oproer was te bespeuren. Ze waren bezitters geworden en – bezit maakt konservatief.</ref>
Eindelijk wist men het toch door de werkstakingen zoo ver te krijgen, dat in 1892 een grondwetsherziening in de kamer ter sprake kwam en daartoe besloten werd. Om de Constituante te dwingen dreigde men met een algemeene werkstaking en ofschoon Gent altijd tegenhield, kon Anseele tegen den stroom niet langer op en op het kongres der werkliedenpartij, gehouden te Gent op 2 en 3 April 1893, verklaarde hij, dat Gent zou meedoen als men tot de staking besloot. Op 11 April verwierp de Constituante het algemeen kiesrecht, dat door Janson werd voorgesteld. De algemeene werkstaking werd uitgeroepen door den Landelijken Raad en ofschoon Anseele waarschuwde, dat er niet te veel gerekend moest worden op onderstand van Vooruit, toch besloot men er ook te Gent toe. De staking had plaats op twee groote fabrieken, andere volgden. In andere plaatsen ging het ook zoo. Maar hoe vol te houden? Dat was de kwestie. Men meende de regeering in het nauw te hebben gebracht en men zat er zelf in. Gelukkig dat het bemiddelings-voorstel van Féron zoowel door de regeering als door den algemeenen Raad der Werklieden-partij werd aangenomen, want daardoor kwamen beiden uit de ongelegenheid: de regeering kon er zich op beroemen niet gezwicht te zijn voor het oproer en de werklieden-partij verhief er zich op, dat zij het algemeen kiesrecht, al was het meervoudig, had afgedwongen. Vooruit kwam er goed af, want de staking kostte aan de maatschappij geen cent. Ten slotte waren de werklieden als gewoonlijk de bedrogenen, zij zeiden dan ook: het is wel de moeite waard geweest om te staken, want wat baat ons één stem, als de burgers en rijken er twee en drie hebben en ons dus blijven verpletteren? Men begreep meer en meer, dat de werkstaking één groote fopperij was geweest van de leiders.
De inrichtingen van Vooruit werden steeds grooter en prachtiger, maar het aantal ontevredenen wies steeds. Men zeide: wat hebben wij aan die prachtige gebouwen? Zij behooren ons, ja evenals het stadhuis, de St. Bavo, het groote kanon, enz. ons behooren. Kunt gij uw aandeel erin verkoopen? Beproef eens een steen van uw eigendom te nemen en gij geraakt spoedig achter slot.
Bij de eerste verkiezingen kwamen verschillende sociaaldemokraten in de kamer. Men was buiten zichzelven van vreugde. De radikalen kwamen er slecht af, maar Lorand had volkomen gelijk, toen hij zeide: onze mannen zijn verslagen, maar onze beginselen zegevierden. Inderdaad de sociaaldemokraten wonnen, maar …. omdat zij het socialisme aan kant hadden gezet. Als er ooit in eenig land geknoeid is, dan kan dit gerust gezegd worden van België, waar zelfs in sommige streken liberalen, radikalen en sociaaldemokraten samengingen.
Hoe schoon alles in Vooruit geleek, als men het van buiten en van verre zag, het bleek dat het daarbinnen zoo mooi niet was. Althans na een redevoering van Anseele in de kamer, waarin hij heftig was uitgevaren tegen een der groot-fabrikanten, zei een der bedienden in Vooruit: “het is gelukkig, dat men in de kamer niet weet, wat wij weten, of men had hem spoedig den mond gestopt. Alles waarvan hij daar aangeklaagd heeft, bestaat in Vooruit.”
Bovendien de tirannie aldaar is onverdragelijk en evenals Keizer Wilhelm eens zei: wie mij weerstaat, dien verpletter ik, zei Anseele eens na de wegzending van een bediende midden in den winter, een man met negen kinderen (Penning): wie in Vooruit tegen mij is, zal mijn ijzeren arm gevoelen. Ook is de inrichting volgens het reglement zoo, dat er geen verhaal is tegen onrecht, door het bestuur begaan, want het bestuur bestaat uit vijf leden, die er eigenlijk maar drie uitmaken en zich feitelijk oplossen in één persoon, te weten: Anseele.
Allen hangen van elkander af, werpen elkander den bal toe en zoo is het mogelijk dat alles zijn gang gaat, zonder dat er mogelijkheid voor oppositie bestaat. De ledenvergaderingen beteekenen dan ook niets, men schreeuwt elken opposant neer en zooals bij het bekendmaken van grieven tegen Vooruit in het blad Recht voor Allen door Paul de Witte, een man die het weten kon en ook wist, is gebleken, men duldt geen kritiek en drukt den man, die de brutaliteit heeft haar openbaar te maken, doodeenvoudig zonder vorm van proces er uit.
De koöperatie voert daartoe en zoodra socialisten zaken gaan doen, halen zij het bekende paard van Troje binnen de veste. Tegenover de stoffelijke voordeelen, die de koöperatie als middel kan afwerpen, houdt men te veel de oogen gesloten voor de veel grootere zedelijke nadeelen, die het zaken-doen moet meebrengen. Als het beweren der socialisten waar is, dat verzoening tusschen kapitaal en arbeid niet mogelijk is, zoolang beiden niet in dezelfde handen zijn vereenigd, zoodat beider belangen samenvallen, zoodat zucht naar vrijheid en besef van verantwoordelijkheid elkaar in evenwicht houden, dan moet er botsing ontstaan tusschen een groep, die gedoemd is tot de rol van kapitalist (het bestuur) en een andere, die de rol van loonslaaf vervult (het personeel) of wel dezelfde banden bestaan tusschen beiden, al zijn ze in fluweel gehuld, als tusschen patroon en werkman.
Men heeft in België de arbeiders door de stoffelijke voordeelen der koöperatie trachten te winnen voor het socialisme, velen zijn gewonnen maar – hun socialisme bestaat in de koöperatie. Daarbij voegt men de Duitsche, parlementaire methode om zijn mannen te brengen in de wetgevende lichamen, ten einde zoodoende de politieke macht te veroveren. Maar zoowel de eene als de andere methode, hetzij afzonderlijk hetzij vereenigd, wordt toegepast ten koste van het onvervalschte socialisme, dat noch door parlementen noch door koöperatie is te verwerkelijken.

De jeugdige advokaat Emile Vandervelde heeft vooral na den dood van Volders, die krankzinnig door grootheidswaanzin –hij meende de koning der armen te zijn!– is overleden, grooten invloed gekregen. Af en toe had hij radikale neigingen, maar zijn plaats èn in de partij èn in de Kamer zal hij niet in gevaar brengen en daarom volgt hij den grooten stroom. Hij weet echter zeer goed, dat het parlementarisme onmogelijk voldoen kan aan de verwachtingen, bij zoovelen opgewekt, gelijk blijkt uit hetgeen hij eens in een voordracht over Les contrepoids du parlémentarisme (het tegenwicht van het parlementarisme) volgens de Avenir Social 1ste Jaarg. N°.7 heeft gezegd: “de parlementaire machine, uitmuntend om de koorden der beurs aan te trekken voor de regeeringen van het ancien régime, is een verfoeilijk instrument voor sociale hervormingen. Zij werkt langzaam, traag, haar nuttige werking wordt heden tot een minimum en naarmate wij vooruitgaan, vermenigvuldigen zich de vraagstukken, worden de oplossingen noodzakelijker, gaan de zaken steeds slechter en vermeerdert het diskrediet in vertegenwoordigende instellingen.
Vroeger waren de goede menschen overtuigd dat een parlement alles vermocht te doen, alleen van een man geen vrouw maken of omgekeerd. Tegenwoordig overdrijft men misschien in tegenovergestelden zin, maar in elk geval men begrijpt zeer goed dat de wetgevende aktie zeer beperkt is, betrekkelijk oppervlakkig, veel minder diepgaande b.v. dan die der vrije associaties of lokale groepen.”
Hoe is het mogelijk om bij zulke beschouwingen het stembiljet te maken tot de spil voor alle hervormingen van het heden en de toekomst? Als het parlementarisme een “verfoeilijk instrument is voor sociale hervormingen,” waarom zou men er dan jaarlijks duizenden voor uitgeven? waarom dan zooveel tijd en macht daaraan verspild? En als de “aktie der vrije associaties of lokale groepen” dieper gaat dan die van het parlement, waarom dan niet alle krachten daaraan besteed om deze te ontwikkelen? Als de zaak van het parlementarisme zoo zwak staat, dan mag zij gerust verloren worden geacht. Zoo stelt dus een der woordvoerders van het parlementair socialisme de anarchisten in hun kritiek over het parlementarisme feitelijk in het gelijk en ook wij zouden na zoo’n verklaring kunnen zeggen als Kajafas: wat hebben wij nog verdere getuigen van noode?
Hoe het met de oppositie gaat, ondervond ook Alice Bron, die trouw aan den opbouw der partij heeft medegewerkt, maar aan wie eindelijk de schellen van de oogen zijn gevallen. Zij heeft gebroken met de partij en van de redenen waarom rekenschap gegeven in een brochure: Appel aux honnêtes gens (Beroep op de eerlijke menschen). Daarin heeft zij haar standpunt aldus zeer klaar en duidelijk omschreven in de woorden: “als ik de balans opmaak, erken ik dat als ik kiezer was, ik zou stemmen voor de kandidaten der Arbeiderspartij, maar ik herhaal dat deze politieke partij niets te maken heeft met het socialisme, waarmede het zich tooit.” Zij komt tot de konklusie dat: “welke ook de beweeggrond zij waaraan zij hebben gehoor gegeven door zulk een hatelijke onverschilligheid te toonen, het blijft een feit: de socialistische afgevaardigden, naar de Kamer gezonden om de rechten der armen te verdedigen, hebben hun beloften niet vervuld, zijn te kort geschoten in hun plicht – zij zijn onwaardige woordbrekers en hun stilzwijgen is de veroordeeling van de partij waartoe zij behooren.” En zij verwijt den leiders van het Volkshuis te Brussel, dat “als een hunner het ongeluk had gek te worden en zich in te beelden een koninkrijk in bezit te hebben, hij zou gelooven koning te zijn – zonder meer.” Een zinspeling op Volders, die toch in zijn ziekte nog zijn liefde tot de armen behield en zich koning der armen waande.
Naast de officieele partij, die tal van hare leden in kamer en gemeenteraden heeft, wordt een kleine fraktie gevonden van libertairen, gedeeltelijk oppositie tegen haar en gedeeltelijk overhellende tot het anarchisme. In Namen heeft men het weekblad La Bataille, in Brussel het veertiendaagsche blad L’Emancipation dat onlangs driemaal per week is begonnen te verschijnen, in Luik het veertiendaagsche blad Le Réveil des Travailleurs van dr. Hénault, die in het Fransche gedeelte voor de vrijheidlievende denkbeelden optreedt en onlangs uit de Werkliedenpartij is uitgebannen, terwijl ook in het Vlaamsche de groote steden als Antwerpen, Gent, Mechelen, enz. kleine groepen in haar midden tellen, die daar de vaan van de vrijheid tegenover het staatssocialisme omhoog houden.
Daar nu alle overige landen dezelfde verschijnselen toonen, zou het slechts een herhaling zijn om de geschiedenis ervan te vertellen. De Internationale arbeiders-beweging is door de toepassing hier van de Duitsche, elders van de Belgische methode, ook wel door de toepassing van beiden, een gewone hervormingsgezinde beweging geworden, waarin het revolutionair karakter van weleer min of meer als kontrabande wordt beschouwd, ja somwijlen als reaktionaire faktor op de kaak wordt gesteld. Daardoor treedt zij echter feitelijk uit het kader van het eigenlijk gezegde socialisme, waarvan de propaganda wordt overgelaten aan libertaire socialisten en anarchisten.

D. Gemengd of Semi Staats- en Semi-VrijSocialisme.

1. Het rationeel socialisme van Colins (1783-1859)

Een afzonderlijke plaats komt toe aan den Belgischen baron de Colins, die door zijn vrienden gemaakt wordt tot den eigenlijken vader van het kollektivisme, omdat hij in een boekje, getiteld: Le pacte social en dateerende uit 1835, reeds vóór Pecqeur dus, die veelal als vader daarvan wordt genoemd, heeft voorgestaan de stelling, dat het onroerend goed aan allen toebehoort.
Op 17jarigen leeftijd ging hij naar Parijs om de polytechnische school aldaar te bezoeken, maar medegesleept door den roem van Napoleon nam hij plaats in diens leger, woonde de groote veldslagen van dezen veldheer bij, om na diens val Frankrijk te verlaten. Na eenig zwerven vinden wij hem in Havannah op een plantage, terwijl hij tevens de funktie van geneesheer vervulde. Toen te Parijs in 1830 de revolutie uitbrak, snelde hij daarheen om mede te helpen aan de troonsbestijging van Napoleon II, maar toen deze in 1832 stierf, zei hij de politiek vaarwel, om zich geheel te wijden aan zijn maatschappelijke studiën. Zijn meeste geschriften dateeren van tusschen de jaren 1840 en 1850, maar zij bleven meestal aanvankelijk in manuskript, daar hij geen geld bezat, om ze zelf uit te geven en geen uitgever kon vinden, die de risiko ervan op zich durfde nemen, totdat hij ten slotte een vermogend man vond, die ze liet drukken.
Die boeken<ref>Onder zijn werken zouden wij vooral de aandacht willen vestigen op zijn boek: De la Justice dans la science hors l’église et hors la révolution. (Over de rechtvaardigheid in de wetenschap buiten de kerk en buiten de revolutie.) 3 deelen en L’économie politique; source des révolutions et des utopies prétendus socialistes (De ekonomie, bron der revoluties en vermeende socialistische utopiën) in 4 deelen. In zijn brochure Le socialisme rationel (1849) bepleit hij een internationale verbinding van arbeiders, waarvoor alle sektarisch socialisme verdwijnen zal “als nevelen voor de zon.”</ref> zijn een recht vermoeiende lektuur, omdat ze zoo weinig stelselmatig en samenhangend zijn en zeer juist is het beeld van prof. Quack, die zich hem voorstelt, “zooals hij in zijn huispels gewikkeld op zijne kamer, omringd door stoffige boeken, die opengeslagen voor hem liggen, als een soort van sociale Faust denkt, peinst, combineert, en uit al de voor hem liggende materialen zijn toovergebouw construeert. Doch de gedachten sleepen hem telkens mede: de ééne inval verdringt den anderen: soms stijgt plotseling de geest hemelwaarts en droomen de gedachten, terwijl de oogen schijnbaar zich bezighouden met waarnemingen op aarde. Er is bij die overgangen van indrukken en gewaarwordingen weinig orde en samenhang. Het citaat van het boek, waarop de blik viel, bepaalt den gang der denkbeelden.”
Dat hij ijverig gestudeerd heeft gedurende de jaren dat hij te Parijs woonde en de kolleges bezocht aan de vijf fakulteiten, is aan alles te merken, maar men kan niet zeggen, dat al die stoffen, die hij in zich opnam, behoorlijk door hem verwerkt zijn, dat hij zijn onderwerp, om het zoo uit te drukken, onder de knie had. Die statige lijst van boekdeelen, door hem vervaardigd, vormt meer het voorbereidingswerk dan dat zij den indruk maken voltooid werk te zijn. Of nam hij misschien een grooter taak op zich dan zijn hoofd kon verwerken?
Colins beweert de absolute waarheid ontdekt en het eenige mogelijke sociale stelsel uitgevonden te hebben en de kleine schare van leerlingen, die hij heeft, deed trouw mede om hem in die gedachte te stijven. Hij noemt zijn stelsel het “rationeel socialisme”, daarmede alle andere als irrationeel verwerpende. Hij gaat uit van een wijsbegeerte, die gebaseerd is op de onsterfelijkheid van ons geestelijk wezen. Hij gelooft aan de ziel, maar ontkent God, omdat als er een God bestond, de menschen niet anders zouden zijn dan door hem gemaakte machines. Hij is spiritualist-atheïst. “Als de mensch stof is, dan bestaat er geen vrijheid, behalve in schijn; als de mensch stof is, bestaat er geen gelijkheid, behalve in schijn; als de mensch stof is, bestaat er geen broederschap, behalve in schijn. Dan bestaat er alleen kracht, afwezigheid van werkelijke individualiteiten, bestaan van schaduwbeelden en werkelijke nullen.” Elk mensch is verantwoordelijk voor elke daad die hij op aarde verricht en zoowel belooning als straf zullen zich doen gevoelen in een volgend bestaan, daar de ziel eeuwig is. Heerscht in de natuur de wet der noodzakelijkheid (fataliteit), zoodat alles geschiedt omdat het moet geschieden, bij de menschheid heerscht de sensibiliteit, ontspruit de zedelijke orde, een rijk van rechtvaardigheid en vrijheid. Hij neemt een onpersoonlijke Rede aan, een “rationeele gedachte, welke Rede als richtsnoer der menschelijke daden den naam van soevereiniteit aanneemt”. Ofschoon hij zich rationalist waant en noemt, bouwt hij een metafysisch stelsel op, dat uitgaat van een aprioristische opvatting, daar hij de ziel aanneemt als een substantie en niet als een verschijnsel.
Hij wil de maatschappij opnieuw organiseeren “geestelijk door de vernietiging van het zedelijk pauperisme, zoodat wetenschappelijk het bestaan van het reëele recht zal worden aangetoond en tijdelijk door de vernietiging van het materieel pauperisme, wat mogelijk is door den grond te maken tot kollektief (gemeenschappelijk) eigendom.” De zedelijke orde is niets anders dan de eeuwige harmonie tusschen de vrijheid der handelingen en de noodzakelijkheid der gebeurtenissen.
Wat ket eerste betreft, de hartstochten moeten nooit de rede overheerschen, de mensch moet zijn geweten onophoudelijk doen waken over de gevolgen zijner handelingen. Het reëele recht, de uitdrukking van de eeuwige rede, schrijft voor:

  1. om niet alleen den grond, maar ook het grootste gedeelte der kapitalen, door de voorgeslachten verworven, te brengen in kollektief eigendom en
  2. om de rede, het geweten van elke individu konform te maken aan de eeuwige rede door kosteloos aan alle kinderen behalve voeding, woning en kleeding te geven,
    1. een opvoeding konform aan den regel,
    2. onderwijs konform aan de wetenschap, ten einde de onkunde te vernietigen.

Wat het tweede punt aangaat, hij wilde de materieele armoede in minder dan een kwart eeuw afschaffen door te besluiten:

  • Art. 1. De direkte erfenis, zonder testament, is het recht, als de eenige die noodig is als prikkel voor den arbeid;
  • Art. 2. De erfenis in de zijlijn, zonder testament, is afgeschaft, als niet noodig als prikkel voor den arbeid;
  • Art. 3. Elke successie ab intestato, zonder direkte erfgenamen, is overgedragen aan den staat en behoort toe aan het kollektieve eigendom;
  • Art. 4. De volstrekte vrijheid om te vermaken is rechtens noodig als prikkel voor den arbeid;
  • Art. 5. Elke successie bij testament is bezwaard met 25% belasting;
  • Art. 6. De grond, in kollektief eigendom gekomen, wordt onvervreemdbaar verklaard met al wat er aan verbonden is.

Naarmate de gelden het toelaten, zullen de volgende bepalingen gemaakt worden:

  1. de kinderen worden van 2 jaar af vrijwillig toevertrouwd aan de zorgen van den staat, die voor opleiding en onderhoud zorgt. De seksen zijn gescheiden. De jongens zullen volwassen geworden tegen loon 5 jaar van hun leven wijden aan werken van openbaar nut, bevolen door den staat. Het loon wordt hun betaald na die 5 jaren. Deze zijn alleen toegelaten voor openbare betrekkingen.
  2. Staatsschulden zijn afgeschaft. Eeuwigdurende rente is afgeschaft. Men betaalt gedurende 50 jaar interest.
  3. Elke leening is voor zekeren tijd. Sterft de debiteur, dan zal de krediteur betaald worden uit de successie, nadat de schulden van den gestorvene jegens den staat afgedaan zijn. Is de successie onvoldoende, dan zal de krediteur het verlies lijden.
  4. De grond is kollektief eigendom evenals de woningen en het materieel noodig voor het gebruik, dat verhuurd wordt aan den meestbiedende.
  5. Elke associatie van privaatkapitaal is verboden en alle bestaande associaties zullen likwideeren. Alleen partikuliere associaties van arbeiders zullen geoorloofd zijn.
  6. Een nieuwe verdeeling van grond zal plaats hebben na de likwidatie van het privaatkapitaal.
  7. Verkeersmiddelen als: munt, bank, telegraaf, post, wegen, kanalen, enz. behooren aan den staat en zullen tegen den laagst mogelijken prijs en zonder winst worden bediend door den staat. Konkurrentie van individuen en associaties van individuen met den staat zullen geoorloofd zijn.
  8. Een staatsbank zal ingesteld worden, die tevens een depositobank zal zijn, maar papier van partikulieren wordt niet aangenomen.

Wat de administratie aangaat, men heeft eerst de kommune, dan het arrondissement, daarna het departement, vervolgens een samenstel van departementen onder den naam van Frankrijk, Engeland, Duitschland, enz. enz. en eindelijk onze geheele aardbol. Het is de algemeene republiek onder de soevereiniteit der eeuwige rede, der eeuwige rechtvaardigheid, in wezen onpersoonlijk.
Het algemeen stemrecht heeft zich niet uit te spreken over de sociale organisatie, wel over de sociale administratie. Het is ook inkompetent ten opzichte van al wat de wetenschap betreft, maar kompetent in alle zaken van de openbare meening. Maar Colins meende dat er een diktator of autokraat moest opstaan, die dit alles oplegde aan de menschen. In zulk een overgangstijdperk zullen de menschen overtuigd worden van het heilzame van zulk een regeling en daarna zal de menschheid het stelsel zelf aanvaarden als de voorwaarde voor het geluk van allen. En bhij maakt de proklamatie bij voorbaat klaar, waarin al die bepalingen gezet worden en schrijft: “wij (de naam is natuurlijk niet ingevuld) in naam der sociale noodzakelijkheid en onder onze eigen verantwoordelijkheid, verklaren ons Autokraat.” Waarschijnlijk zweefde een sociale Napoleon hem voor den geest.
Twee beginselen zijn mogelijk: het geweld en de “sensibilité”. De laatste is onafhankelijk van het eerste, zij is absoluut, onstoffelijk, eeuwig, reëel. Er bestaat een zedelijke orde en de onveranderlijke rechtvaardigheid is de harmonie tusschen de materieele en rationeele wereld, tusschen de noodzakelijkheid en de vrijheid, tusschen de handelingen van den wil en de gebeurtenissen die er het noodzakelijk gevolg van zijn. Er zijn drie soorten van soevereiniteit: de onpersoonlijke God, het brutale geweld en de rede en drie regeervormen komen daarmede overeen: de theokratie, de demokratie en de logokratie<ref>Regeering van God, van het Volk, van de Rede.</ref>. Er zijn drie soorten van toeëigening van den grond: het leen, het vrij erfleen en de grond in algemeene gemeenschap (le fief, l’alleu et la terre mise en communautó universelle). En elk der soevereiniteiten harmonieert met elke der organisaties van het eigendom; zoo sleept de theokratie met zich het feodale eigendom, de demokratie en het allodiale eigendom gaan noodzakelijk tezamen en de algemeene grondgemeenschap kan alleen bestaan met de soevereiniteit van de rede.
Het kollectivisme van Colins is echter in de toepassing van de kapitalen relatief en daarom zou men zijn leer beter relatief dan rationeel socialisme kunnen noemen.
De Marxisten noemen het kollektivisme van Colins semi-kollektivisme, omdat het wel den grond en enkele arbeidsmiddelen, maar niet alles omvat. Zonder invloed is Colins niet geweest, want hij stichtte een school van mannen, die wel niet veel in aantal zijn maar door ijver aanvullen wat hun in hoeveelheid ontbreekt en die voortleeft tot op heden. Hij wendt zich niet tot het volk, want “voor de niet verlichte massa is noodig kommunisme, somnambulisme, homoeöpathie, kommanditisme, enz., neen hij wenscht zich te wenden tot de”mannen van belang" (hommes d’intérêt); met hen kan men de orde in ’t leven roepen, met de anderen alleen wanorde. Niet dat ik ook niet van wanorde houd, ik aanbid de anarchie. Maar alleen om de mannen van belang te doen gevoelen, dat zij op ’n verkeerden weg zijn en dat de orde niet gebaseerd kan zijn op het geweld." Ja, tot de belangen wil hij spreken, want “wat geen belang is, dat is dwaasheid. Rede, berekening, belang: dat is geheel en al hetzelfde. Zoolang de toewijding niet redelijk is, zullen alleen dwazen zich toewijden; en de dwazen van dat soort worden gelukkig bij den dag minder in getal.” Onder zijn leerlingen komen voor Hugentobler uit het kanton Neuchâtel, in Zwitserland, die zorgde voor de uitgave van Colins werken, Louis de Potter en vooral diens talentvolle zoon, de geneesheer Agathon te Brussel, de Spanjaard Ramon de la Sagra, Frédéric Borde te Parijs, de uitgever van de Philosophie de l’avenir, het orgaan van de school, de advokaat Berger te Brussel, de notaris Brouez van Wasmes in België,<ref>Vergelijk zijn Etudes de science sociale (studies over de sociale wetenschap), na zijn dood door zijn weduwe uitgegeven.</ref> die zijn beide zoons Jules en Fernand opvoedde volgens de beginselen van het rationeel socialisme en van wie de een, nl. Fernand, later het belangrijke tijdschrift La Société nouvelle uitgaf, dat na hem voortleefde onder den naam van Humanité nouvelle, onder redaktie van A. Hamon te Parijs, enz. enz. Laat ons niet vergeten den naam van dr. Cesar de Paepe, die in den beginne ook Colinsiaan was, al aanvaardde hij nimmer diens metafysische wijsbegeerte en door wien het kollektivisme van Colins werd verdedigd op het kongres der Internationale te Bazel, zoodat zelfs een konklusie in dien zin werd aangenomen. De Paepe ging later over tot Marx, maar bleef breed genoeg van opvatting om niet even exklusief te worden als de Marxisten zijn. Ook Poulin, een zelfstandig denker, wiens werken Dieu selon la science (God volgens de wetenschap) en Nouveau Dieu, nouveau monde (Nieuwe God, nieuwe wereld) behalve scherpe kritieke bladzijden genoeg bevatten, wat stof tot nadenken geeft, was eerst een leerling van Colins, maar bestreed later de tweeërlei soort van rechtvaardigheid, door Colins verdedigd. En eindelijk behoort ook de Belg Putsage tot Colins leerlingen, zoodat terecht van hem getuigd kan worden: “de oude baron is dus niet zonder echo ‘klankloos’ ten grave gedaald.”

2. Het vrijheidssocialisme van Dühring (1833).

Een geheel eigenaardig standpunt in de socialistische beweging neemt Eugen Dühring in, men zou haast kunnen zeggen een overgang van het staatssocialisme der sociaal-demokraten tot het anarchisme. Men weet niet waarbij hem in te deelen, daar hij een geheel zelfstandig standpunt heeft ingenomen. Eugen Dühring (geb. 1833) is ontegenzeggelijk een der knapste mannen, die Duitschland opleverde in de laatste helft der 19de eeuw en zelfs Franz Mehring, die alles beziet door den Marx-Engelschen bril, kan niet ontkennen dat hij “ohne Zweifel grosse Fähigkeiten besass” (ongetwijfeld groote bekwaamheden bezat). Merkwaardig is het, dat vele sociaal-demokraten met zekere minachting spreken over “de burgerlijke adepten van het socialisme,” zooals ook Mehring het uitdrukt, zonder te bedenken dat zij zelven ook tot die kategorie behooren evenals Marx, Lassalle en zoovele anderen der voornaamste woordvoerders.
In de kringen der sociaaldemokraten, waar het autoriteitsgeloof zoo welig is opgegroeid, gaat hij door voor een weetniet, een onbeteekenend man, want Engels heeft hem eenmaal afgemaakt in zijn Herrn Eugen Dührings Umwälzung der Wissenschaft, als iemand, die op geenerlei gebied het recht had mede te spreken en sints dien tijd is bij voor het socialisme voorloopig dood, ofschoon het later, als men de zaken onpartijdiger gaat beschouwen, zal blijken, dat zijn zoogenaamde dood slechts een schijndood was. De konklusie van Engels was: “ontoerekenbaarheid uit grootheidswaanzin” en hij, die zelf op het gebied van fysika en mechanica een vreemdeling was<ref>Zelf erkent hij in de voorrede, dat hij Dühring moest volgen op verschillend gebied, “waarop ik mij hoogstens kan bewegen met de aanspraken van een dilettant.” Dus zijn kritiek is in menig opzicht dilettantisme en daarmede had Engels zich niet moeten inlaten.</ref>, durfde Dühring voor de voeten werpen, dat hij ook op dat gebied niets wist en dat terwijl de Göttinger fakulteit aan Dühring’s Kritische Geschichte der Principien der Mechanik<ref>Kritische geschiedenis van de beginselen der mechanica.</ref> een eersten prijs toekende en in het iudicium (oordeel) schreef: “met de meest volledige en vrije beheersching van de zaak en met verbazende uitgebreidheid van nauwkeurige, letterkundige kennis zijn niet alleen alle belangrijke punten behandeld, maar een groot aantal kleinere diskussies, die de fakulteit niet voor onontbeerlijk hield, maar met dank erkent, daar zij overal dienen tot een vollediger begrip van de zaak, bewijzen tegelijkertijd de groote liefde en de omzichtigheid, waarmede de schrijver zich in zijn taak verdiept”. En onder de beoordeelaren behoorde de bekende Wilhelm Weber. Het brevet van onbekwaamheid, hem uitgereikt op ’t gebied van fysika en mechanica door een onkundige als Engels zal wel een belachelijken indruk gemaakt hebben op allen, die Dühring’s autoriteit aldaar in de oogen van alle deskundigen kennen. En natuurlijk wekt zoo’n averechtsch oordeel op één gebied rechtmatigen twijfel op, waar het aankomt op Engels oordeel op ander gebied.
Maar… Eugen Dühring had de heiligheid en onfeilbaarheid van Marx aangetast en door een rechtzinnig sociaaldemokraat worden alle andere zonden eerder vergeven dan die, welke men begaan heeft tegen Marx.
Van 1864 tot 1878 was Dühring privaatdocent aan de Berlijnsche universiteit, maar uit die betrekking werd hij ontslagen, omdat hij een andere autoriteit, prof. Helmholtz, had aangetast in zijn waardigheid door aan te toonen, dat deze geleerde, die zichzelf liet doorgaan voor den ontdekker van de wet van het behoud van kracht, deze theorie ontleend had aan den arts Robert Mayer. Zijn tweede hoofdzonde bestond daarin, dat hij in zijn Kritische Geschichte der National-Oekonomie und des Sozialismus (1871) een ongunstige kritiek had geleverd op het Kapitaal van Marx. En Dühring heeft een tijd gehad, dat hij veel invloed bezat op de arbeiders van Berlijn. Most, Bernstein<ref>Friedländer ziet in de Bernsteiniade van den laatsten tijd niets anders dan een herleving van de denkbeelden van Dühring zonder hem te noemen, daar zijn naam immers eenmaal gebracht is op den index van verboden boeken. Hij spreekt van voortgezette Dühringdebatten onder den titel van Bernsteindebatten. “De Dühringsche toespelingen zijn wel wat gemodelleerd, verzwakt en gemengd, maar zij zijn toch onmiskenbaar en zouden het voor den kenner ook dan zijn, als men niet wist, dat Bernstein zelf een persoonlijke leerling van Dühring geweest is.”</ref> en anderen helden meer naar zijn zijde over dan naar die van Engels, die bang voor Dühring’s invloed, als gevaarlijk voor Marx, het noodig oordeelde een reeks artikelen te schrijven, later verschenen als brochure onder bovengenoemden titel, opgenomen in het partijblad Vorwärts, waartegen echter van verschillende zijden werd geprotesteerd. Als Engels zoover gaat om Dühring te noemen “een der meest kenmerkende types van deze wijsneuzige schijnwetenschap, die tegenwoordig in Duitschland alles overstemt met haar sterke hooge schetterklanken,” dan kan het niet verwonderen, dat velen, die Dühring hadden leeren waardeeren als een hoogst kundig en ernstig en moedig man, daarover ten zeerste verstoord waren. Echter daar staat tegenover dat Dühring ook de man niet was om iemand met glacé-handschoenen aan te pakken en op zijn beurt allesbehalve vleiende epitheta uitstrooide over het hoofd van Marx. In dat opzicht zijn ze volkomen aan elkander gewaagd en wil men de zaak kennen, het onderscheid van beider standpunt, dan moet men haar ontdoen van haar persoonlijk omhulsel. De meesten, die over Dühring spreken, kennen hem òf niet òf uit Engels geschrift en daarom wordt hij meestentijds veroordeeld op gezag zijner tegenstanders. Alles werd ook gedaan om in die richting te werken, want toen b.v. Abraham Ensz een antwoord inzond aan de Berliner Freie Presse op Engels werk, toen weigerde men na lang aarzelen om het op te nemen en toen deze het toch als brochure liet verschijnen onder den titel: Herrn Engels Attentat auf den gesunden Menschenverstand oder der wissenschaftliche Bankerott im Marxistischen Socialismus (een aanval van den heer Engels op het gezond menschenverstand of het wetenschappelijk bankroet in het Marxistisch socialisme) toen werd deze in partijkringen tegengewerkt en zooveel mogelijk doodgezwegen. Nergens schier vindt men een gelijke dosis autoriteitsgeloof als in de sociaaldemokratische kringen, of het moet zijn in de katholieke dito’s.
Wat nu wil Dühring?
Verwerping der heerschappij op politiek, bestrijding der uitbuiting op ekonomisch gebied. Hij deelt de bronnen van het inkomen in dezulke, die berusten op eigen arbeid en dezulke die enkel op eigendomsrechten steunen. Het eerste is arbeidsinkomen, het tweede bezit-rente. Arbeidsloon, salaris van onderwijzers, hoogleeraren, honorarium voor geneesheeren behooren tot de eerste soort, terwijl profijt, rente en pacht behooren tot de bezitrente. Deze is hetzelfde, wat Marx de meerwaarde noemt. De grondbezitter krijgt de grondrente krachtens zijn eigendomsrecht op den grond; de fabrikant de ondernemerswinst krachtens zijn eigendomsrecht op de machines, enz. En deze rechten worden in stand gehouden door de staatsmacht. Welke bevoegdheid geeft het eigendomsrecht op een stuk land b.v.? Niet eene, maar meerdere bevoegdheden van allerlei aard. Ten eerste mag ik mijn eigendom gebruiken, ten tweede –en dat is geheel iets anders– mag ik een ander buitensluiten van het medegebruik. Het een is het gebruik, en het andere het uitsluitingsrecht. Het tweede nu voert alleen tot uitbuiting. Omdat ik de wettelijke macht bezit, ondersteund door het gezag en het geweld van den staat, om elk ander buiten te sluiten van het medegebruik van mijn eigendom, daarom heb ik de bevoegdheid voor het toestaan van het gebruik een zekere cyns te heffen. De eisch van het socialisme nu is: afschaffing van dat uitsluitingsrecht.
Daartegenover bepleit hij het “socialitair stelsel” of het “antikratisch-socialitair stelsel”, waarvan het grondbeginsel is de vrije vereeniging in produceerende groepen, die de bezitters maar niet de uitsluitende eigenaren zijn der produktiemiddelen. Zij hebben een vrij recht om daarover te beschikken evenals over de produkten van hun arbeid, alleenlijk met deze beperking: zij hebben het recht niet een ander buiten te sluiten van het medegebruik. Elke zich aanbiedende arbeidskracht moet als iemand met gelijk recht worden opgenomen. Men krijgt dus de “heerenloosheid” van grond en produktie-middelen. Geen regelende centrale macht, maar de noodige beambten tot leiding der produktie, die alleen afhangen van de kleine groep, door wier keuze zij hun ambt kregen. Drie voordeelen heeft het socialitair stelsel:

  1. de vrijheid is gewaarborgd:
  2. uitbuiting hetzij in een groep hetzij tusschen de groepen onderling is niet mogelijk, omdat
    1. elke kommune socialistisch huishoudt en
    2. een bevoordeeling van de eene groep boven de andere niet kan plaats vinden, omdat geen enkele groep een uitsluitingsbevoegdheid bezit.

Bij Hertzka vindt men nog nader uiteëngezet, hoe produktie en konsumtie in elkander grijpen ondanks of liever juist tengevolge van het ontbreken van staats-inmenging. Dühring en Hertzka toonen in dit opzicht veel overeenkomst. Later sprak Dühring zeer voorzichtig over de vorming der maatschappij in de toekomst, zooals de derde oplage van zijn Kursus der National- und Socialökonomie leert. De “Wirthschafts kommunen” van Duhring of de Associaties van Hertzka, waarin elkeen streeft naar zijn voordeel zonder daarin gehinderd te worden door een uitsluitend eigendomsrecht van sommigen op grond en produktiemiddelen en zonder aan de andere de gelegenheid te geven het gelijke recht der medemenschen te kwetsen door de aanmatiging van eigendomsrechten tot uitbuiting, gelijken veel op elkander.
Wat Dühring in zijn laatste periode wil, heeft hij kort samengevat in deze woorden, die voor zooveel als zijn program kunnen doorgaan:
“In de eigendomsvraag wil het socialitaire stelsel uit beginsel niets weten van de korrektuur (verbetering) van den roof door nieuwen roof, maar steunende op de natuurwetten der moraal eischt het, dat men principieel niet de feitelijke ophoopingen van het bezit als zoodanig, maar alleen de verdere voortwerking harer den mede-mensch tot slaaf makende en uitroovende krachten belet. Niet in het naakte feit van het bezit, maar in den voortduur der attributen en der onbegrensdheid, waardoor het een overmacht is die de bezitloosheid of het minderbezit uitwoekert en uitrooft, – niet dus daarin, dat de nu vermogenden de zuiver zakelijke bezitelementen van hun vermogen behouden, maar daarin, dat de gelegenheid blijft opengesteld aan dit opgehoopte bezit of veelmeer aan de persoonlijke dragers ervan om de arbeidskracht te naasten voor een bedrag, enkel tot zijn onderhoud benoodigd, en aldus aan den arbeider in den vorm rechtens het meest hem eigene af te nemen, waarover hij billijkerwijze voor zich zelf moet beschikken – in dit voornaamste feit der misvatting van de maatschappij moet de aanvechtbare en op te ruimen zijde van het eigendom gezocht worden. Wat dus ter zijde moet worden gesteld, is niet het bezit, dat op een gegeven oogenblik voorhanden is, maar de kunstmatige en overmatige rentabiliteit van dit bezit, dat berust op politieken invloed en op het tot slaaf maken van den arbeid. Men ontneme het met het politieke privilegie den grondslag van slaafmaking en men ontneemt het hiermede zijn kracht. Men sta het niet verder toe den bezitloozen mensch door den vorm van straf- en burgerlijke wetboeken te knechten en hem te hinderen in de ernstige en positief werkende vereeniging met zijnsgelijken in Körperschaften (lichamen) en men zal de vrijmaking van den loonarbeid spoedig voltrokken zien. Hier is het vaste en rechtvaardige punt, waar de hefboom moet worden aangezet. Het heele zoogenaamde recht moet herzien worden volgens het beginsel der socialiseering en vóór alle dingen moeten de wetsbepalingen weggeruimd worden, die een kunstmatige onderdanigheid der bezitloozen ten doel hebben en dienende klassen op politiek geraffineerde wijze in het aanzijn roepen of houden, die verre over de natuurlijke ekonomische gevolgen der bloote bezitmacht reiken. Niet het bezit als zoodanig is hét sociaal schuldige, maar de uitzuigende kracht met haar politieken oorsprong en achterhoudendheid. Zij is het, die schrede voor schrede moet terugwijken, door de arbeidende persoonlijkheid als socialiseerende macht op den voorgrond te plaatsen.”
Alles goed en wel, maar men zal moeten toestemmen, dat het hier op de middelen aankomt. “Men ontneme het bezit met het politiek privilegie den grondslag van slaafmaking en men ontneemt het hiermede zijn kracht” – voortreffelijk, maar na deze algemeenheid als orakeltaal te hebben geproklameerd, slaat de schrijver zijn mantel om en gaat heen, zijn hoorders in stille verbazing achterlatende. Maar tot bezinning gekomen zullen zij zeggen: nu weten wij nog niets, want wij hadden juist willen weten hoe dit moest geschieden. “Men sta het niet verder toe den bezitloozen mensch door den vorm van straf- en burgerlijke wetboeken te knechten.” Maar zijn het dan die straf- en burgerlijke wetboeken die het knechtschap maken en behouden of zijn deze eenvoudig de papieren bepalingen, die de uitdrukking zijn van een maatschappelijken vorm, waarin die knechtschap een plaats inneemt? En dan die “ernstige en positief werkende vereeniging met zijnsgelijken in lichamen” – wat beteekent dit anders dan de meest absolute vrijheid van vereeniging, zonder in te grijpen in het eigendomsrecht, ja met behoud en eerbiediging van het bestaande eigendom, dus van het afsluiten van den toegang tot de arbeids-middelen? Zoolang men dit punt niet aanvult in den geest van Henry George door een hervorming der grond-belasting, beteekent het in de praktijk niets. Zoo’n program is dus lang niet toereikend, daar het ons in het duister laat aangaande de wijze, waarop gestreefd moet worden naar de verwerkelijking. Met het proklameeren van zulke frases ex cathedra zal men het doel niet bereiken evenmin als met frases zooals: het geluk van alle menschen, de rechtvaardigheid betrachten tegenover elkeen, want daarover zijn allen het eens en alles hangt af van de wijze, waarop men het bereiken wil en moet.
Tegenover de Marxisten staat Dühring omdat hij van hen zegt: “tot de achterlijke elementen in de moderne omgeving behooren Kathedersocialisten en Marxisten, omdat zij in het raam der moderne maatschappij en onder loochening der moderne wetenschap een evenzeer reaktionaire alsook in elken vorm vrijheids-vijandige ‘Verstaatlichung’ der maatschappelijke betrekkingen uiterst verward bedoelen”. (Kritische Gesch. der Nationalökonomie und des Sozialismus, 3e Auflage, pag.563). En tegenover de kommunistische anarchisten omschrijft hij zijn standpunt aldus: “een vooruitstrevende ontwikkeling vormt het zoogenaamde anarchistische socialisme, dat zich vastknoopte aan de denkbeelden van Proudhon, maar zich bij dezen zelf pas laat ontwikkelde en agitatorisch het eerst door den Rus Bakunine wordt vertegenwoordigd. Maar het bleef meer drang en richting, dan dat het in bizonderheden afdaalt, d.w.z. zich ekonomisch heeft gespecialiseerd. Ondanks dat heeft het, en wel door zijn meer vrijheidlievend en ingrijpend beginsel, overal waar men het ernstig meende met een revolutionaire vervorming der toekomst, zichtbaar grond gewonnen en een weldadige tegenstelling gevormd tot de Marxistische soort, die met Hebreeuwschen zakenzin opportunistisch verwatert tot dwang-socialisme.” (3e Auflage des Kursus, pag. 509).
Dühring had het minder tegen het anarchisme dan tegen het kommunisme en toch geheel vijandig stond hij ook daar niet tegenover. Wanneer hij schrijft: “evenmin als den enkeling zijn gebrek, evenmin worden hem ook zijn voortreffelijkheden bizonder toegerekend, Hij heeft voor meerder werk geen andere belooning te vorderen dan die, welke reeds ligt in de geschiktheid om het te volbrengen.” dan komt die stelling al vrij wel nabij aan die der kommunistische anarchisten: elk geeft naar zijn bekwaamheid. In elk geval stemmen het kommunistisch anarchisme en het antikratisch-socialitair stelsel van Dühring hierin overeen, dat beiden de souvereiniteit van het individu op den voorgrond plaatsen en elke soort van dwangheerschappij verwerpen.

Evenals Bakunine in Nettlau, Max Stirner in Mackay, Proudhon in Mühlberger, zoo heeft ook Eugen Dühring zijn trouwen verdediger gevonden in Friedländer, wiens brochure: “Der freiheitliche Sozialismus im Gegensatz zum Staatsknechtsthum der Marxisten” ten doel heeft, de eer van Dühring op te houden<ref>Het vrijheidlievend socialisme in tegenstelling tot het staats-knechtschap der Marxisten. Men vergelijke ook het pas verschenen werk van dezen, getiteld: Die vier Hauptrichtungen der modernen socialen Bewegung (de vier hoofdrichtingen in de moderne sociale beweging), zijnde 1. de Marxistische sociaaldemokratie; 2. het anarchisme; 3. het socialitair stelsel van Eugen Dühring; 4. de neo-fysiokratie van Henry George.</ref>.
Later is Dühring heelemaal verzeild geraakt in het kamp der anti-semieten, maar in de geschiedenis van het socialisme vindt hij alleen zijn plaats om zijn volks-huishoudkundige en socialitaire geschriften, die behalve de twee reeds genoemde geschriften, bestaan in: Carey’s Umwälzung der Volkswirthschaftslehre und Sozialwissenschaft in 12 brieven, Kapital und Arbeit, neue Antworten auf alte Fragen, Kritische Grundlegung der Volkswirthschafslehre en Die Verkleinerer Carey’s und die Krisis der Nationalökonomie<ref>Carey’s omwenteling der volkshuishoudkunde en sociale wetenschap, Kapitaal en Arbeid, nieuwe antwoorden op oude vragen, Kritische grondslagen der volkshuishoudkunde en De menschen die Carey verkleinen en de Krisis der staathuishoudkunde.</ref> in 16 brieven, terwijl zijn wijsgeerig geschrift: Der Werth des Lebens. Eine Denkerbetrachtung im Sinne heroischer Lebensauffassung<ref>De waarde des levens. Een denkersbeschouwing in den zin van heldhaftige levensopvatting.</ref> ook in staat is, veel licht te werpen over zijn algemeen humaan standpunt.
Zijn stelsel is een overgang om te komen tot het ideaal der vrije maatschappij als einde der sociale evolutie, die geboren wordt als de zedelijke volmaking van het individu, de bescherming en het optreden van den staat onnut maakt en waarin de menschen zullen eindigen met geen andere vormen van associatie dan die der industrieele produktie te erkennen.
De blindheid van dezen universeelen en geleerden man werpt een tragisch licht op zijn veelbewogen leven en het is treurig dat iemand van zoo onmiskenbaar talent door zijn persoonlijke ervaringen tot een staat van verbittering is gebracht, dat hij als een oude brompot ten slotte over alles en allen den staf breekt.

E. Sympathiseerende theoretici.

Albert Lange.

Behalve de mannen, die als beslist socialistisch, althans in hun werken, kunnen worden aangemerkt, staat daarnaast een rij van anderen, die zoo al niet geheel, dan toch in meerdere of mindere mate aan de zijde der socialisten staan met hun sympathieën.
Onder hen rekenen wij in de allereerste plaats prof. FRIEDRICH ALBERT LANGE (1828-75), den sympathieken, vooruitstrevenden hoogleeraar, die reeds in 1862 als leeraar aan ’t gymnasium te Duisburg het recht der leeraren voorstond, om zich met de politieke agitatie te bemoeien als staatsburgers. En toen hij een waarschuwing ontving wegens een door hem geschreven hoofdartikel, legde hij zijn betrekking neer en werd hij mederedakteur van de Rhein- und Ruhr-Zeitung, want hij was niet van zins den strijd tegen Bismarck en diens ministerie op te geven. In 1864 werd hij naast Bebel en Max Hirsch gekozen in de permanente kommissie der arbeidersvereenigingen. Zelf nog aanhanger van Schulze-Delitzsch, predikte hij toch verdraagzaamheid jegens de Lassalle-anen. Door zijn boekje Die Arbeiterfrage, in 1865 voor ’t eerst verschenen, raakte hij in strijd met Eugen Richter en de Fortschrittpartij, daar hij te veel koncessies aan het socialisme deed en toen deze strijd verscherpt werd, trok hij naar Zwitserland, om den Winterthurer Landboten uit te geven. Ook daar stond hij vooraan in de rijen der demokraten, vestigde zich als privaatdocent in de wijsbegeerte te Zürich, totdat hij Zwitserland verliet, gegriefd door de sympathie der Zwitsers voor Frankrijk tijdens den Fransch-Duitschen oorlog van 1870, om gehoor te geven aan een benoeming tot hoogleeraar te Marburg. Hij leed toen reeds aan de kwaal, die hem vroeg ten grave sleepte, maar toch werkte hij onvermoeid in dienst der wetenschap. Zijn Geschiedenis van het materialisme bezorgde hem een Europeeschen naam. Ons boezemen voor ons onderwerp twee andere geschriften de meeste belangstelling in, nl. het reeds in vijf drukken verschenen boekje Die Arbeiterfrage en J. St. Mill’s Ansichten über die sociale Frage und die angebliche Umwälzung der Socialwissenschaft durch Carey<ref>De Arbeidersvraag en J. St. Mill’s inzichten over de sociale vraag en de vermeende omwenteling der sociale wetenschap door Carey.</ref>. Vooral het eerste heeft veel invloed gehad zoowel op de arbeiders als in andere kringen en hoe hoog het wordt geschat, kan men hieruit afleiden dat Bernstein in zijn laatste brochure aan ’t slot zegt: tot Lange terug!
Nadat Lange in het laatste hoofdstuk over de oplossing der arbeidersvraag heeft uiteengezet dat de arbeidersvraag de kern is der sociale vraag, waarvan de gewichtigste faktoren zijn: de voortschrijdende ontwikkeling van het industrialisme, het ontstaan eener sociale wetenschap en de idee der humaniteit; nadat hij de twee leuzen: “zelfhulp” en “staatshulp” ontleed heeft, om aan te toonen dat het ware geheim van de partij der “zelfhulp” niet schuilt in hetgeen het woord zegt, maar in hetgeen het verzwijgt, daar voor de meerderheid der woordvoerders niet de werkelijke zelf hulp der arbeiders uit eigen initiatief gewild is of wenschenswaardig wordt geacht, maar het doel is om onder die leuze de arbeidende klasse kalm te houden en aan hun leiband te doen loopen en dat ook de leuze van staatshulp, door Lassalle zoo geestdriftig voorgestaan, veel in het duister laat, wat toch noodzakelijk geweten moet worden, geeft hijzelf eenige algemeene beginselen, die bij de oplossing in aanmerking moeten worden genomen. Deze zijn:

  1. de erkenning der arbeidersvraag in haar ruimste beteekenis;
  2. elke maatregel moet tot doel hebben een werkelijke en volledige vrijmaking der arbeiders uit hun onwaardige afhankelijkheid van de werkgevers, wat alleen plaats kan hebben door het republikeinsch of konstitutioneel beheerde fabriekswezen en dit onderstelt een groote mate van opvoeding en zelfopvoeding der arbeiders;
  3. de niet-scheiding der materieele opheffing van de arbeiders van de intellektueele en moreele, zoodat de rechtsgelijkheid in alle takken van het openbare leven wordt ingevoerd en
  4. de arbeidersvraag moet steeds in samenhang met de algemeene sociale vraag worden opgevat, want zij is er een onderdeel van, en wel het gewichtigste.

Lange begreep, dat “het privaatrecht op den grondslag van het privaateigendom in beginsel vuistrecht is, alleen tot besparing van oorlogen wordt de sterkere als zoodanig erkend.” Hij meende dat “als de maatschappij het verwerven van goederen langs anderen weg dan door arbeid voor onzedelijk en gevaarlijk houdt, zij evengoed het verkrijgen door erven verbieden, gelijk zij het verwerven door roof of loterijwinst op gelijken grond afkeuren kan.” Noemde hij het Germaansche erfrecht in beginsel kommunistisch, daar het uitgaat van de onderstelling, dat de eigenaars niet beschouwd moeten worden als individuen, maar als stam, als familie, omgekeerd is hij van oordeel dat met het kommunisme zeer wel te vereenigen is elke denkbare verscheidenheid van maatschappelijken toestand der individuen. “Het feit der gemeenschappelijkheid van alle bezit sluit nog in het geheel niet in zich, dat elkeen evenveel ontvangt van de vruchten van den gemeenschappelijken arbeid.” En hij begreep ook zeer goed, dat “de leer, volgens welke een eenmaal verworven recht in ’t vervolg van tijd zou moeten voortduren, onzin is.” Hij zag ook niet in, dat een mensch een rechtstoestand zou moeten erkennen, die zonder zijn toedoen is gemaakt of geworden, als deze hem elk aandeel op de goederen en genietingen der maatschappij ontzegt en zelfs berooft van de middelen, om zich zulke goederen door middel van zijn arbeid op een stuk van den grond te verwerven. De maatschappij, die zulke onterfden in haar schoot bergt, moet zich niet verwonderen, als deze hun toevlucht nemen tot het vuistrecht, ja zelfs als zij velen zijn, de geheele bestaande rechtsorde omverwerpen, om zich op de puinhoopen in te richten zooals zij kunnen, onverschillig of die inrichting beter dan wel slechter is dan die vroeger bestond. Meermalen doet hij een beroep op goedgezinde en weldenkende menschen in de hoop dat zij het hunne zullen doen, om den overgang uit den ouden tot den nieuwen toestand te verlichten, den strijd te verzachten en te redden van de eeuwige goederen der menschheid, wat men vermag. Met weemoed roept hij uit: “moet de menschheid dan eeuwig weer beginnen met de barbaarschheid als een kultuurperiode is afgeleefd en een nieuw tijdvak begint? Wij zeggen van neen. Het is de ontwikkeling van heden onwaardig om dit denkbeeld te koesteren. Een nieuwe bloei van kunst en wetenschap, van humaniteit en zedelijkheid zal zich snel en heerlijk ontplooien op de puinhoopen der verleden wereldorde. Beschaving en broederlijkheid zullen dan de goede geesten zijn, die de menschheid van trap tot trap omhoog voeren. Eeuwen mogen voorbijgaan, voordat de strijd om het bestaan in een vredelievende samenleving der volkeren op aarde is veranderd, alleen het keerpunt der tijden, de overwinning van den goeden wil tot verbetering van onze toestanden kan zich niet op al te grooten afstand bevinden. Zeker deze dag zal nooit een volkomene zijn, maar het is reeds iets groots, als het grondbeginsel van oprechten en bestendigen arbeid aan ’t welzijn der massa tot openlijke erkenning komt en het grondbeginsel verdringt van onvoorwaardelijk behoud van alle bestaande rechten en lasten uit het bewustzijn van regeeringen en volken.”
Inderdaad als de invloed van zulke mannen op den gang van zaken grooter was geweest, ongetwijfeld zou de ontwikkeling der menschheid een anderen en beteren gang hebben genomen.
De eerste uitgave bevatte 6 punten, die den weg van redding aangaven:

  1. de arbeiders moeten zichzelven bemoeien met hun aangelegenheden;
  2. het belangrijkste deel van hun eigen hulp is de politieke;
  3. overal waar zij kunnen, moeten zij vereenigingen oprichten, die onafhankelijk zijn van de hoogere standen en van den staat, zij moeten niet alleen tot doel hebben het individu, maar den geheelen arbeiders-stand;
  4. ’t streven der arbeiders naar ontwikkeling moet zich dienend aansluiten aan elk doel;
  5. als de staat zich de zaak der arbeiders aantrekt, moeten de volgende eischen gesteld worden:
    1. herziening der wetgeving ten opzichte van de behoefte der onbemiddelden;
    2. algeheele vrijheid van associatie en verbroedering van elken aard;
    3. opheffing van alle strafrechtelijke bepalingen, waardoor de verkondiging der waarheid en de openbare bespreking van bestaande misstanden worden verboden;
    4. algeheele persvrijheid en verbod van alle maatregelen, waardoor de uitoefening ervan wordt bemoeilijkt en kostbaar gemaakt;
    5. algemeen en kosteloos volksonderwijs in alles wat noodig is voor alle staatsburgers;
    6. bevordering der produktieve associatie, vooral ook voor de groot-industrie van den landbouw, door geldmiddelen en geschikte wetten.
  6. eerst na het verkrijgen van dien grondslag kan er aan gedacht worden, de menschheid met bewustzijn en kalmte tot een standpunt op te heffen, waarop de strijd om ’t bestaan zijn verschrikking verliest.

Om welke redenen hij dit meer uitgewerkte, ofschoon nog zeer vage program heeft laten uitvallen uit de latere uitgaven, is ons onbekend, maar in hem treft ons meer de humane, verheven geest dan wel de scherpe formuleering van hetgeen hij noodig achtte en al was hij geen sociaaldemokraat in den gewonen zin des woords, daar hij niet principieel kon breken met de burgerlijke maatschappij, toch zag hij met klaarheid, toen de arbeidersbeweging nog in haar kinderschoenen stond, waar het heen ging, terwijl zijn hart getuigde van warme liefde voor de zaak der onderdrukten. En dat beteekende nog al iets voor een man van zijn positie in dien tijd. Op de vraag: welke middelen kan de arbeider stellen tegenover den onwil van zoovelen? antwoordt hij met een woord, dat nog niet zonder vrucht kan worden nagelezen: “in de plaats van de pogingen tot overreding kunnen bedreigingen, uitspattingen, in ’t algemeen het begin van den socialen oorlog tegen de bezittenden treden, zooals zij verbonden zijn aan de vroegere ruwe en weinig georganiseerde werkstakingen in Engeland en tegenwoordig nog dikwijls aan de Belgische stakingen. Zulk een optreden der arbeiders is in het belang van moraal en beschaving te beklagen, maar een eeuw, die nog haar sterkte zoekt in groote legers en veroveringsoorlogen niet schuwt, heeft geen recht zich al te veel te beklagen over zulk een verbreken eener rechtsorde, die al haar voordeelen schenkt aan de bezittenden en voor de onterfden niets anders heeft dan bedreiging en straf. Eerder moet men zich erover verwonderen, dat de rechtsidee nog zooveel macht uitoefent op gemoederen, die zoo weinig ondervinden van de weldaad des rechts en wien van hun standpunt bezien overal alleen een in kunstmatige procesvormen gehuld recht van den sterkste te gemoet treedt. Ook verlaten de bezittenden zich maar al te graag tegenover de arbeiders op de vrees, die de rechtbanken, ondersteund door het geweld van politie en leger –in geval van nood kogels– bij de ontevreden menigte te weeg brengen. Daarom is het voor deze een voor de hand liggende gedachte hunnerzijds ook eens te beproeven, wat met vrees kan worden uitgewerkt. Ook gaat deze redeneering niet zoo geheel mank, als men dikwijls gelooft, want al plegen al zulke ondernemingen –zooals nog onlangs in België– ook te eindigen met een nederlaag der arbeiders, zij hebben er toch voor gezorgd, dat ook de bezittenden een direkte gewaarwording bewaren van de onaangenaamheden waarmede de wanhopige toestand der arbeiders is verbonden. Er zijn toestanden denkbaar, waarin de periodiek terugkeerende opstanden –zooals de oproeren der lijfeigenen in Rusland, verbonden met alle mogelijke gruwelen– de hoofdvorm zijn van den tegenstand tegen verderen druk, omdat wel de enkelen, die tot zulk een opstand overslaan, ten slotte vreeselijke wraakneming kunnen verwachten, maar toch tevens het geheel der onderdrukte klasse zich verdedigt door de vrees voor zulke uitbarstingen der wanhoop. Voor de groote massa der arbeiders in de Europeesche beschaafde landen is overigens deze ruwste vorm van den socialen oorlog een overwonnen standpunt; zij denken wel dikwijls genoeg aan een groote en algemeene revolutie, maar zij nemen alleen in de zeldzaamdste gevallen hun toevlucht tot op zichzelf staande oproeren. Toenemende ontwikkeling, de hoop om langs anderen weg hun doel te bereiken en de lust in planmatig en ordelijk voorwaarts gaan hebben dien ruwen vorm van arbeidersopstanden meer en meer buiten gebruik gesteld.”
Het kan ons dan ook niet verwonderen uit den mond van Bernstein te hooren: “tot Lange terug,” niet in den zin van teruggaan tot alle sociaal-politieke inzichten van dezen, maar in de vereeniging van oprecht en onverschrokken partij kiezen voor de pogingen tot vrijmaking der arbeidersklasse met een hoog wetenschappelijk gemis aan vooroordeelen, steeds bereid dwalingen te belijden en nieuwe waarheden te erkennen.

Johann Jacoby.

Een andere demokraat, die vooruitschoof in de richting van het socialisme, is de edele dr. JOHANN JACOBY (1805-1877) van Königsbergen. Den adel zijner natuur toonde hij reeds in 1830, toen hij een der eerste geneesheeren was, die zich aanbood ter bestudeering van den aard en het karakter der cholera, binnengedrongen uit Rusland en Polen. Zijn eerste geschrift was een pleidooi voor het gelijk recht van allen als staatsburgers, want “zoolang ook maar één recht aan den jood wordt onthouden, alleen omdat hij jood is, zoolang blijft hij een slaaf en alle andere koncessies zijn niet in staat dat gevoel van krenking weg te nemen”. Reeds in 1841 wenschte hij de wettelijke deelneming der zelfstandige burgers aan de staatsaangelegenheden. Hij haalde zich toen een vervolging op den hals wegens niet minder dan hoogverraad, majesteitsbeleediging en berisping der landswetten. Ofschoon in eerste instantie veroordeeld tot 2½ jaar vestingstraf, werd hij echter in hooger beroep vrijgesproken. In 1848 nam hij ijverig deel aan de gebeurtenissen en gaf hij te kennen dat naar zijn meening de politieke vrijheid onafscheidelijk was van de sociale, want de geschiedenis leerde hem dat het in hoofdzaak twee handvatsels zijn, waarvan heerschzuchtige vorsten zich bedienen tot omverwerping van volksgrondwetten:

  1. het staande leger, afgericht tot blinde gehoorzaamheid en
  2. de vrees van de bezittenden voor de niet-bezittenden.

En daarom wilde hij de algeheele gelijkstelling der arbeidende klasse. Toen de reaktie volgde, trok Jacoby zich terug, om zich te verdiepen in de studie zijner lievelingsschrijvers Spinoza, Lessing, Kant en Schiller. In 1862 nam hij een mandaat aan voor het tweede kiesdistrikt van Berlijn, maar een redevoering, die hij voor zijn kiezers uitsprak in 1863, bezorgde hem 6 maanden gevangenisstraf. Hij verklaarde tegen elke begrooting te zullen stemmen, zoolang Bismarck minister was en ook na het succes van 1866 bleef hij zijn oppositie handhaven. Duitschland in staatsvrijheid vereenigd, is de zekerste waarborg voor den vrede van Europa, maar Duitschland onder Pruisens militaire heerschappij is een gevaar voor de naburige volken, het begin van een oorlogstijdvak, dat ons terugvoert naar de treurige tijden van het vuistrecht – ziedaar zijn meening. Steeds vervreemdde hij meer van de partij, waartoe hij behoorde en die een praktische politiek van geven en nemen wilde volgen en toen hij zijn redevoering over het Doel der arbeidersbeweging uitsprak in Januari 1870, door hem zijn sociale geloofsbelijdenis genoemd, was de breuk volkomen. Daarin bepleitte hij de afschaffing van het loonstelsel en de vervanging ervan door genootschappelijken arbeid en dit moet geschieden langs vredelievenden weg door samenwerking van alle hierbij betrokken sociale krachten, te weten: de arbeider, de kapitaalbezittende werkgever en de staat. Hij begreep de kracht en het nut der vereeniging en noemde de “stichting van de kleinste arbeiders-vereeniging voor de geschiedenis der beschaving van meer belang dan de veldslag bij Sadowa” (in den Pruisisch-Oostenrijkschen oorlog van 1866). Met Robert Owen zag hij in de vereeniging der menschen het groote middel tot oplossing van alle kwesties. Hij stelde naast elkander: ieder voor allen – dat is menschenplicht, allen voor ieder – dat is menschenrecht. Van den staat eischt hij: onbeperkte vrijheid van meening en vereeniging, algemeen, direkt stemrecht met algemeene direkte deelneming aan wetgeving en bestuur, kosteloos onderwijs in openbare, van de kerk onafhankelijke scholen, weerplicht in plaats van staande legers, verkorting van arbeidstijd en vaststelling van een normalen arbeidsdag, verbod van kinderarbeid in fabrieken, gelijk loon voor man en vrouw bij gelijken arbeid, afschaffing van indirekte belasting en invoering van een belasting op het inkomen, stijgende in evenredigheid van het bezit, hervorming van het geld- en kredietstelsel, bevordering van industrieele en landelijke produktieve associatie met staats-krediet of staatsgarantie. Dit alles als voorbereiding tot de opheffing van den loonarbeid door geleidelijke overvoering van het loonstelsel in dat van den vrijen, genootschappelijken arbeid.
Leg hiernaast het praktisch program der sociaal-demokratische partij en men zal zien dat deze demokraat feitelijk hetzelfde wilde.
Toen hij in 1870 den moed had in het openbaar te protesteeren tegen de annexatie van Elzas-Lotharingen en het voortzetten van den oorlog na de overgave van keizer Napoleon, toen werd hij tegen alle recht en wet in gevangen genomen door generaal Vogel von Falkenstein, die hem naar de vesting Boyen bij Lötzen liet brengen en ruim een maand lang gevangen hield.
Naarmate de demokraten hem meer en meer alleen lieten staan, naderde hij de sociaaldemokraten en na de veroordeeling van Bebel, Hepner en Liebknecht in het Leipziger hoogverraadsproces van 1872, verklaarde hij in te stemmen met het streven der sociaaldemokratische partij onder protest tegen die rechtsverkrachting. Ofschoon in 1874 gekozen tot lid van den Rijksdag, weigerde hij de keuze aan te nemen. Zijn dood in 1877 was een groot verlies voor Duitschland, dat in hem een zijner eerljkste en moedigste zonen verloor. Naarmate in de geschiedenis der beschaving de Bismarcks en v. Moltke’s meer naar den achtergrond gaan, naar die mate zullen mannen als Jacoby hooger worden geëerd als baanbrekers eener betere toekomst, als strijders voor recht en waarheid.
Toen hij in 1872 zijn redevoeringen en geschriften, in twee deelen verzameld, uitgaf, zei hij in de voorrede, dat “het de taak van onzen tijd was den laatsten, beslissenden strijd der onderdrukte, naar vrijheid verlangende menschheid uit te vechten tegen den drieëenigen vijand: de kerk, de staat, de maatschappelijke orde, want door dat drievoudig tooverformulier hebben de heersch- en zelfzucht van enkelen den geest, den wil en de arbeidskracht der volkeren geketend en geëxploiteerd. De kerk – dat is de aanmatiging der priesters, die geloof eischen, omdat de geest te zwak is om te denken. De staat – dat is de heerschzucht der wereldlijke machthebbers, die eischen geheele onderworpenheid aan den wil der overheid, om bewaard te blijven voor anarchie en verderf. De maatschappij – dat is de hebzucht der bezittenden, die verlangen, dat hun van de vruchten van het zweet der arbeiders zooveel wordt afgestaan, als zij billijk achten en aanvaardt men dit niet, dan staat het den arbeiders vrij zonder arbeid en loon te verhongeren.”Gedachteloos – willoos – bezitloos is zoo de massa des volks onderworpen aan het doel van kerk, staat en maatschappij,"
Dat het leven van iemand met zulke denkbeelden slechts strijd was, behoeft zeker niet te worden opgemerkt.

Ludwig Büchner.

Een derde is de bekende LUDWIG BÜCHNER, (1824-1899) die door zijn Kracht en Stof verbazend veel invloed heeft uitgeoefend. Broeder van den talentvollen Georg Büchner, –die door zijn treurspel Dantons dood op letterkundig gebied bekend is geworden, maar reeds op 23jarigen leeftijd stierf,– wijdde Ludwig zich aan de natuur- en geneeskundige studiën. Als privaat-docent werkzaam te Tübingen, verloor hij zijn plaats tengevolge van zijn in 1855 verschenen boek Kracht en Stof, dat geduchten opgang maakte, maar groote ergernis wekte wegens de stoute wijze van optreden tegen het spiritualisme. Als praktisch geneesheer vestigde hij zich toen te Darmstadt. Verschillende boeken heeft hij geschreven waardoor hij ontegenzeggelijk veel heeft bijgedragen tot de ondermijning van het geloof en de bevordering van natuurwetenschappelijke studiën. Op politiek standpunt was hij radikaal en hij was het, die als president fungeerde van de groote vergadering te Frankfurt, waar in 1863 Lassalle zoo’n schitterende overwinning behaalde op de Fortschrittspartij. De beschrijving van zijn ontmoeting met Lassalle heeft hij later in boekvorm uitgegeven.
Ofschoon meermalen staande tegenover de sociaal-demokratische partij, heeft hij bovenal in zijn boek De mensch en zijn plaats in de natuur en in de maatschappij (1869) zooveel koren geleverd op den molen van het socialisme, dat men gerechtigd is te zeggen, dat hij in zijn ziel socialist geweest moet zijn. Begreep hij dat de politieke vrijmaking niet genoeg was, maar aanvulling behoefde door de sociale, hij erkende dat “elk individu op het oogenblik zijner geboorte eenzelfde recht verkreeg op de geheele stoffelijke en geestelijke bezitting der menschheid, in het bizonder op die van zijn eigen volk. Dit recht nu wordt op de gruwelijkste wijze verkort, want terwijl de eene sterveling geboren wordt met een kroon op het hoofd, een ander in de wieg zich reeds baadt in millioenen, nog een ander reeds bij zijn eersten ademtocht een groot deel van dien grond waarop wij allen geboren, zijn eigendom noemt, terwijl deze het rechtmatig eigendom van allen genoemd mag worden, of nog vóór hij begon te denken, tot rang, rijkdom, staat, kennis en heerschappij over zijn medemenschen is bestemd, komt de ander naakt en hulpeloos evenals het dier ter wereld en heeft hij evenals de zoon des menschen geen plaats, waar hij het hoofd kan neerleggen.” En dan ontwerpt hij het karakter onzer maatschappij op de volgende wijze: “hier grenzenlooze armoede, ginds grenzenlooze rijkdom, hier grenzenloos geweld, ginds grenzenlooze onmacht, hier grenzenloos geluk, dáár grenzenlooze ellende, hier grenzenlooze slavernij, dáár grenzenlooze willekeur, hier grenzenlooze ontbering, dáár grenzenlooze overvloed, hier fabelachtige onwetendheid, dáár de fabelachtigste geleerdheid, hier de hardste arbeid, dáár genot zonder eenigen arbeid, hier het schoonste en heerlijkste van al wat bestaat, dáár de diepste laagten van het menschelijk zijn – ziedaar het karakter onzer maatschappij, die in hoegrootheid en tegenstrijdigheid dier tegenstellingen de bangste tijden van staat-kundige onderdrukking en slavernij nog overtreft.”
Welk socialistisch agitator kan het in de oogen der bezittende klassen in scherpte van uitdrukking winnen van dezen schrijver?
En terwijl vooral vele Darwinisten het socialisme bestrijden met een beroep op de natuur, waarin een woeste strijd om ’t bestaan alleen het leven verzekert aan de sterksten, aan degenen die zich de beste levens-voorwaarden kunnen veroveren, treedt Büchner juist als vurig Darwinist op, om te betoogen, dat “al die onregelmatigheden en monsterachtigheden in de maatschappij in het leven zijn geroepen tengevolge van een nog niet door rede en billijkheid geregelden maatschappelijken strijd om het bestaan, hierin bovendien nog ondersteund door tal van onderdrukkingen, diefstallen, veroveringen, enz. van politieken aard, waarmede de geschiedenis der volkeren is opgevuld en welker droevige naweeën heden ten dage de onkundige meent te moeten beschouwen als noodzakelijke gevolgen van de maatschappelijke beweging. Zoo is dan ook de hedendaagsche toestand van maatschappij en eigendom volstrekt niet, gelijk velen meenen, het gevolg eener natuurlijke ontwikkeling maar van een aaneenschakeling van omstandigheden en oorzaken, waaronder de persoonlijke vlijt en de geestelijke inspanning van het individu, eene op zich zelf misschien groote, maar in betrekking tot het geheel toch zeer ondergeschikte rol spelen.” Hij beschouwt het dan ook als de taak van het harmonisme, om in den strijd tegen den strijd om het bestaan de krachten der natuur te vervangen door de macht der rede om zoo een tegenstelling te vormen met den ruwen natuurstaat en dit is alleen mogelijk door een zoo groot mogelijke gelijkheid te brengen in de middelen en omstandigheden, waarmede en waaronder elk individu zijn strijd om het bestaan kan voeren.
Inderdaad zulke geschriften werken mede om veel vooroordeelen weg te nemen en de geesten voor te bereiden voor het socialisme.

Samter

Een vierde, die afzonderlijke vermelding verdient, is ADOLPH SAMTER, die een boek heeft geschreven: Das Eigenthum in seiner sozialen Bedeutung, dat ook gaat in de richting van het socialisme. Om de eigendoms-vraag, als de spil waarom alles draait, is het bovenal te doen en al komt hij niet tot de konklusie dat het privaateigendom moet worden opgeheven, hij ruimt toch een groote plaats aan staats- en gemeente-eigendom in, zoodat op die wijze het privaateigendom aanmerkelijk wordt ingekrompen. Zijn doel is om aan te toonen dat privaateigendom in elk geval niet de eenige vorm van eigendom is en dus elke aanval op het uitsluitend bestaansrecht van het privaateigendom niet beschouwd mag worden als een aanval op het eigendom zelf. Nadat hij een geschiedkundig overzicht heeft gegeven van de eigendomsvormen in het verleden komt hij tot de volgende konklusies: het bestaansrecht van het privaat-eigendom vloeit voort uit de persoonlijkheid. De hoogste uitdrukking van gemeenschappelijk eigendom is de staat, want het staatseigendom is sociaal eigendom. Het privaat-eigendom is het uitgangspunt, het staatseigendom het einddoel van het eigendom. Het privaateigendom is het eerste, het sociale het laatste woord. Maar er moet een tegenwicht gevormd worden tegen het gemeenschappelijk eigendom door de toekenning van individueele politieke rechten, door de handhaving van het privaateigendom zoo van enkele personen als van vrije associaties en gemeentelijk eigendom. De plicht van den staat bestaat hierin:

  1. de vestiging eener sociale orde waarin de individuen rechtens hun persoonlijkheid vrijelijk kunnen ontwikkelen;
  2. om zooveel mogelijk de sociale ongelijkheden te doen verdwijnen, die zich hebben ontwikkeld in den loop der tijden;
  3. om een noodzakelijken steun te verschaffen aan de zwakkeren;
  4. om voortdurend het initiatief te nemen voor alle vorderingen, die dienstig kunnen zijn voor het welzijn der menschen.

Daartoe nu moet de staat zelf eigenaar zijn, opdat hij niet afhankelijk is van de individueele eigenaren. Het verschil tusschen privaat en nationaal eigendom bestaat hierin dat het privaatbelang uitsluitend werkt voor den persoon, terwijl in het nationaal eigendom de wil van allen overheerscht en dus het privaatbelang wordt uitgewischt door het sociale. Hij ziet in het produktief eigendom van staat en gemeente de sociale toekomst, want veel meer dan het privaateigendom is het sociale in staat een overwegende rol te spelen ter voldoening der behoeften van allen.
De bestemming van het produktief eigendom van den staat is, om een afdoend orgaan voor produktie in het leven te roepen en het produkt billijk te verdeelen. Maar hij wil daarnaast het privaateigendom behouden als prikkel tot bevordering der produktiviteit. Overigens het bestaan van het eigendom van verbruiksmiddelen kan men onmogelijk verhinderen en wat het privaat-eigendom van kapitaal aangaat, men kan alleen de misbruiken ervan opheffen. Ook kan het gemeentelijk eigendom een sociale kracht worden, om de overweldigende macht van den staat in toom te houden, waaruit men zou moeten afleiden dat volgens hem de gemeente en niet de staat de krachtdadigste faktor van het sociaal eigendom moet zijn. Maar dit is bij hem niet te duidelijk en ook maakt hij niet een behoorlijk onderscheid tusschen eigendom en bezit. Hij doet echter groote koncessies waar hij het privaateigendom wel een instelling vindt, die overeenstemt met het wezen van den mensch, maar het toch als maatschappelijke instelling alleen dan houdbaar acht, wanneer het toegankelijk gemaakt is voor allen, terwijl hij zeer goed begrijpt dat de ongelijkheid haar oorsprong vindt in het privaateigendom en dit er dus allereerst voor verantwoordelijk is. Zijn program voor de toekomst is: harmonische samenwerking der private, genootschappelijke en gedwongen-gemeenschappelijke produktiewijze op den grondslag van het privaat-, genootschappelijk- en staats- en gemeente-eigendom. Hoe die harmonie tot stand kan komen, is ons echter niet gelukt bij hem te ontdekken. Blijkbaar gevoelt hij de onbillijkheid van het privaateigendom in zijn onbeperkten vorm en hij tracht de misbruiken ervan op zijde te zetten, maar hij komt niet tot het inzicht, dat als men de misbruiken ervan alle opheft, er niets overblijft, want het is de som van misbruiken.
Wij zouden verschillende anderen, die gerangschikt worden onder de katheder-socialisten, kunnen aanhalen, die ondanks hun oppositie tegen het socialisme voortdurend bezig waren koren aan te dragen op den molen van het socialisme, zooals Adolph Wagner in zijn Grundlegung<ref>Grondslagen.</ref>, de beroemde jurist Ihering, die in zijn boek Der Zweck im Rechte<ref>Het doel in het recht.</ref> de faktoren bespreekt, waardoor het sociale leven in de maatschappij wordt beheerscht en na uitvoerig de dwangmiddelen besproken te hebben, door de wet toegestaan, aan het einde gewag maakt van twee faktoren, zonder dwingende macht maar van slechts middelmatige beteekenis: het plichtsgevoel en het gevoel van sympathie. Maar toen hij deze ging uitwerken, kregen zij al gaandeweg zooveel belang, dat hij een tweede boek, tweemaal zoo groot als het eerste, schreef alleen over deze beide faktoren: vrijwillige onthouding en onderlinge steun, daarbij nog vergetende den machtigen faktor der persoonlijke sympathie en ter nauwernood melding makende van de vrije samenwerking van sociale instellingen. Zoo de wijsgeer Spir, die oordeelt dat “oorspronkelijk alle menschen een gelijk recht hebben op den grond, wat door iedereen toegestemd wordt en het is ook niet mogelijk zulks te loochenen. Er bestaat geen denkbare grond, waarom in dit opzicht het recht van den eenen mensch grooter of kleiner zou zijn dan dat van den ander, daar geen enkel persoon tot den grond in een andere verhouding staat dan de overigen. Hoe kan het dan gerechtvaardigd worden, dat de grond in de beschaafde landen door betrekkelijk weinige personen gemonopoliseerd is en de overige massa des volks van elk aandeel is buitengesloten? Het is onmogelijk daarvoor een rechtsgrond te vinden, die stand kan houden voor de rede en de kritiek.” Ook de wijsgeer, prof. von Kirchmann, heeft in een gedenkwaardige rede Ueber den Communismus der Natur, gehouden in het jaar 1866 te Berlijn in den Arbeiter-Verein – om die voordracht is hij ontslagen als vice-president van het Appellationsgericht te Ratibor onder verlies van alle aanspraken op pensioen – uiteengezet hoe de natuur kommunistisch is, zooals blijkt uit deze drie wetten:

  1. de gelijke werking van haar krachten voor alle menschen, zoodat de graankorrel op gelijke wijze groeit, hetzij hij gezaaid is door een vorst dan wel door een boer, zoodat de zon de armen zoowel als den rijke verwarmt, zoodat niemand meer dan zich vol eten kan, zoodat allen onderworpen zijn aan ziekte en dood;
  2. de vereffening tusschen uitwendige oorzaak en inwendige vatbaarheid (Empfänglichkeit), zoodat het genot, het geluk afhankelijk gemaakt is van twee voorwaarden, van een uitwendige en van een inwendige en dat beiden in zulk een verhouding zijn gebracht, dat elke toename van de eene met zich brengt de afname van de andere; en
  3. het genot is scheidbaar van de uitwendige gevolgen ervan en dus de mensch kan bij een verstandige leiding zijner driften ook zonder onthouding en kastijding heer blijven over zijn eigen lot.

Hij eindigt met te zeggen: “de natuur is de ergste kommuniste, zij heeft oneindig meer gedaan voor de gelijke verdeeling van geluk en genot onder alle menschen dan de uitvindingen der menschen vermogen te doen. In deze drie kommunistische wetten ligt een goedheid, een liefde van de natuur, die alle menschenwerk verre overtreft.” De reeks zou gemakkelijk kunnen worden aangevuld met tal van anderen, die dus allen bijdroegen om den grond te ontginnen, waarop later het socialisme opschiet, die vooroordeelen wegruimden en de “verteedering des harten” bewerkten, door sommigen bespeurd in dezen onzen tijd.

Laveleye

Maar naast deze Duitschers moeten wij toch ook een plaats toekennen aan den Belgischen professor Laveleye (1822-1892), die èn door zijn boek Le socialisme contemporain<ref>Het hedendaagsch socialisme.</ref> (1881) en door zijn schoon geschrift De la propriété et de ses formes primitives<ref>Internationale Bibliotheek: E. de Laveleye, Het eigendom en zijn oorspronkelijke vormen, Vertaling van F. Domela Nieuwenhuis.</ref> ontzaggelijk veel tot voorlichting gedaan heeft. Geschiedkundig heeft hij aangetoond, dat in het begin der geschiedenis het grondeigendom kollektief en niet individueel was. Ook bewees hij daardoor, dat het eigendom een reeks van verschillende vormen had doorloopen en dus geen vaststaand begrip was maar een dat zich ontwikkelde naar gelang van tijd en volk. Zelf is hij voorstander van het kollektivisme, al wil hij ook de tusschenkomst van den staat, om het algemeen belang te doen zegevieren over het persoonlijk egoïsme. Hij wil de gelijkheid verkrijgen door het natuurlijk eigendomsrecht te handhaven, zooals in Zwitserland, waar de allmende, het gemeenschappelijk bezit naast de demokratie zich heeft ontwikkeld, om dat land te bewaren voor de zoo ontzaggelijk scherpe tegenstellingen tusschen rijken en armen. Want de vrijheid kan volgens hem niet bewaard blijven in een demokratischen staat, als de instellingen de gelijkheid niet handhaven. En hij riep vooral de burgers van Amerika en Australië op, die nog veel kunnen voorkomen, wat in Europa bestaat sinds eeuwen, om zorg te dragen, dat zij niet het bekrompen en harde recht van Rome overnemen, dat leidt tot den socialen oorlog. Hij meent dat de moderne demokratiën het lot der oude niet ontgaan, tenzij ze wetten aannemen, die ten doel hebben het eigendom op nieuw te verdeelen in een groot aantal handen en te vestigen een groote gelijkheid van levensvoorwaarden; daarbij wil hij den stelregel der rechtvaardigheid toepassen, te weten, dat elkeen krijgt naar zijn werken, zoodat het eigendom inderdaad het resultaat is van den arbeid en het welzijn van elk evenredig is met de medewerking die hij levert aan het werk der produktie. Hij onderscheidt twee elementen in het eigendom, het sociale en het individueele. Tegenwoordig is het eigendom ontdaan van elk sociaal karakter en geheel verschillend van hetgeen het was in zijn oorsprong, heeft het nu niets kollektiefs meer, het is een voorrecht zonder verplichtingen, zonder reserves en schijnt geen ander doel te hebben dan de verzekering van het welzijn van het individu. In de toekomst nu moet en zal een ruimer plaats worden verleend aan het kollektieve element en gelijk Fichte het uitdrukte, het uitsluitend privaatkarakter van het eigendom zal verloren gaan, om het te maken tot een openbare instelling, zoodat de staat voortaan tot roeping zal hebben, elkeen te stellen in het bezit van het eigendom, waartoe zijn behoefte en bekwaamheden hem recht geven. Hierbij kent Laveleye een grooten invloed toe aan het christendom, dat aan de wereld een ideaal van rechtvaardigheid heeft geschonken; maar hij vergeet er een verklaring van te geven, hoe juist de christelijke wereld zoo weinig de afspiegeling toont van dat rechtvaardigheidsideaal. Kunnen de oude maatschappijen volgens hem niet komen tot dien meer rechtvaardigen, christelijken vorm tenzij door een reeks van sociale oorlogen, waarin hij vrees koestert dat de vrijheid zal ondergaan, de nieuwe maatschappijen in andere werelddeelen kunnen ontkomen aan deze vreeselijke proefnemingen, als zij leering willen trekken uit de geschiedenis en instellingen aannemen van demokratischen aard, zonder de orde en de vrijheid te kompromitteeren. Men ziet uit een en ander hoe Laveleye groote koncessies doet in de richting van het socialisme. Latere hoogleeraren zooals Hector Denis en Guillaume Degreef, beiden te Brussel, naderen nog dichter, zoodat zij ten slotte zelfs onder de socialisten een plaats gaan innemen.
Nog een ander, die veel heeft gedaan om het terrein te verkennen en voorbereidende studies maakte in deze richting, is de Fransche professor Letourneau, die in zijn boek La sociologie d’après l’ethnographie zegt dat het eigendom op zichzelf niets verfoeilijks en niets heiligs heeft. Evenals alle groote sociologische feiten heeft het zijn recht van bestaan gehad maar het is evenals die andere bestemd, zich onophoudelijk te wijzigen, naarmate het hart en de geest des menschen ruimer zullen worden, naarmate het rechtsgevoel kiescher en de sociale solidariteit enger zal zijn. Later heeft hij een reeks boeken uitgegeven, waarin hij de evolutie nagaat op het gebied van den godsdienst, de moraal, den handel, de politiek, de rechtsgeleerdheid, het huwelijks- en familieleven, de opvoeding, het eigendom, de slavernij en de letterkunde, zeer leerzame studiën wier laatste gedeelte eigenlijk het minst is behandeld geworden. Al kan volgens hem het persoonlijk en erfelijk eigendom, gelijk het bestaat in landen met romeinsch en feodaal recht een goed kuras zijn, het is ook voor velen niets dan een oorkussen, waarop het aangenaam is in te slapen.

Stuart Mill.

Bestand:Fotos/mill.jpg
John Stuart Mill.

In deze rij komt ook een plaats toe aan den scherpzinnigen Engelschman STUART MILL, een der helderste denkers uit den nieuweren tijd, die op bizonder objektieve, wetenschappelijke wijze de bedenkingen tegen het kommunisme bespreekt, om eerst tot de bekentenis te komen dat tegenwoordig “het produkt van den arbeid verdeeld wordt in omgekeerde reden van den arbeid zelf, zoodat het grootste gedeelte komt aan hen die nooit hebben gewerkt, daarna het grootste aan hen die slechts in naam werken, en zoo in afdalende reeks, totdat de meest inspannende en zware arbeid ten slotte niets meer krijgt dan het allernoodzakelijkste voor het levens-onderhoud.” Sterker veroordeeling van het hedendaagsche stelsel is moeilijk denkbaar. En daarna komt hij tot de konklusie, dat gold het een keus te doen tusschen het kommunisme met al zijn goede en kwade kansen en den tegenwoordigen toestand met al zijn lijden en onbillijkheden, en had de instelling van bet persoonlijk eigendom noodzakelijk ten gevolge wat hij hierboven omschreef, dan “zouden alle bezwaren, groote en kleine, aan het kommunisme verbonden, zijn als zoovele stofjes aan de weegschaal.” Maar het beginsel van persoonlijk eigendom heeft nog nergens in zijn ware gedaante de proef doorstaan en hij durft bij gebrek aan kennis van hetgeen zoowel de individueele werkzaamheid als het socialisme, beide in hun uitmuntende gestalte, tot stand kunnen brengen, niet beslissen welk van beide beginselen overwinnen en aan de menschelijke maatschappij haar laatsten vorm zal geven. Maar wanneer hij, voorzichtig als hij is, een gissing mag wagen, dan spreekt hij als zijn overtuiging uit, dat de beslissing over de vraag, welk van beide de overwinning zal behalen, afhangt van deze andere: welk der beide stelsels waarborgt de grootste uitbreiding der menschelijke vrijheid en spontaneïteit, want men moet nooit vergeten, dat na de voorziening in hun levensonderhoud de vrijheid voor de menschen de sterkste van alle persoonlijke behoeften is. Volledige onafhankelijkheid en vrijheid van handelen, alleen beperkt door den plicht om anderen geen kwaad te doen, dat is in zijn oogen het ideaal en zoowel opvoeding als sociale instellingen, die met zich brengen dat de vrije zelfbepaling van doen en laten ten offer moet worden gebracht, om een hoogere mate van levenslust of overvloed te erlangen, zouden een der verhevenste kenmerken der menschelijke natuur uitdooven. Hier is hij anarchistisch gezind, want dit zijn precies de bezwaren, die de anarchisten inbrengen tegen de sociaaldemokratie met haar alles regelend staatssocialisme. Hij werpt enkel eenige bezwaren op, zooals: of er wel een wijkplaats, eenige speelruimte zou overblijven voor het individueel karakter, of de openbare meening niet een tiranniek juk zou zijn, of niet de volstrekte afhankelijkheid van ieder over allen eindelijk allen zou africhten tot een geestelooze gelijkvormigheid van denken, gevoelen en handelen, of er geen schade zou worden toegebracht aan de zoozeer gewenschte veelzijdige ontwikkeling der menschelijke natuur, aan de menigvuldige verscheidenheid van smaak en talent, aan den rijkdom van geestelijke inzichten, die niet alleen het menschelijk leven zoo belangwekkend maken, maar die ook de hoofdbron zijn van geestelijke beschaving en zedelijken vooruitgang. Bezwaren, waarover de ernstige mensch niet met zevenmijlslaarzen mag heenstappen, maar die zeer zeker de overweging en overdenking verdienen. Hij acht de onderstelling hersen-schimmig, dat een enkel of ettelijke menschelijke wezens, met hoeveel zorg ook uitgekozen, bij machte zouden zijn om door tusschenkomst van welke inrichting of welke middelen ook, het werk van iedereen naar zijn bekwaamheid af te passen en dus de uitdeelers te zijn der vergeldende gerechtigheid voor elk lid der maatschappij. Hij kan niet aannemen, dat een handvol menschen –b.v. bij de diktatuur van het proletariaat– iedereen in de weegschaal gelijk zou wegen om elk te geven naar zijn bloot goedvinden en oordeel, tenzij men te doen heeft met meer dan gewone menschen of wel door bovennatuurlijke verschrikkingen wordt geholpen. Het geheele hoofdstuk over het Eigendom is een voorbeeld van kalme, bezadigde bespreking, waarvan de lezing nooit genoeg kan worden aanbevolen. Men zal dan zien, dat zijn geest te ruim en te breed was, om zich te kunnen vinden in het stramme keurslijf van het staatssocialisme, dat doodend zou wezen voor de geestelijke ontwikkeling en daartoe is het nuttig ook het hoofdstuk te lezen, dat handelt over de gronden voor het beginsel der niet-inmenging en de grenzen ervan. En men vergete vooral niet, om ook zijn uitnemend opstel over de Vrijheid (On Liberty) te lezen, wat niemand in ernst kan doen, zonder er een weldadigen invloed van te ondervinden. Ook in dat andere hoofdstuk: over de waarschijnlijke toekomst der arbeidende klassen spreekt hij erover om de verhouding tusschen kapitalisten en arbeiders geleidelijk te veranderen in een associatie tusschen arbeiders en een kapitalist of wel in een associatie onder de arbeiders zelven op den voet van gelijkheid. En daar Mill door zijn werken veel invloed heeft uitgeoefend, kan het niet anders of velen zijn door zijn leerschool heengegaan om te komen tot socialisme, zooals overigens het geval was met zijn eigen stiefdochter, miss Helen Taylor.
Vol weemoed ziende op den zoogenaamden vooruitgang liet hij zich eens de woorden ontvallen: “het is zeer de vraag of al de mechanische uitvindingen, die gedaan zijn, den dagelijkschen last van den arbeid van eenig menschelijk wezen in iets verlicht hebben. Zij hebben slechts een grooter bevolking in staat gesteld hetzelfde leven van hard zwoegen en inkerkering te leven.” Zulke sombere toonen ontlokte hij aan zijn lier, geen wonder dat zij een droeve echo nalieten. Maar hij dwong tot nadenken over de toestanden en als zoodanig stichtte hij ontzaggelijk veel nut.
Ook Jevons die in zijn boek: De staat in zijn verhouding tot den arbeid erkent, dat “de wetgeving die op den arbeid betrekking heeft, schier altijd klasse-wetgeving is geweest”; Anton Menger in zijn boek: Het recht op het geheele arbeidsprodukt, vooral in de zoozeer door de inleiding van prof. Foxwell verrijkte Engelsche vertaling en vele anderen droegen het hunne bij, om de geesten los te maken uit de oude leeringen en vatbaar, om de nieuwe te overwegen. Zoodra men tot de erkenning is gebracht, dat het eigendom geen voor alle tijden en alle volkeren vaststaand begrip is, maar veranderlijk, beweegbaar, voor ontwikkeling vatbaar, zal men inzien dat de tegenwoordige vorm van eigendom nog niet de hoogste en laatste is, maar straks zal plaats maken voor een anderen, die beter past in het kader eener maatschappij, waarin een ruimer plaats wordt toegekend aan het kollektieve, sociale element.

Quack.

Naast deze personen mag niet vergeten worden de man, die door zijn grootsch opgevat en schoon voltooid werk een krachtigen stoot heeft gegeven, om velen tot onderzoek te dwingen en een ander oordeel te doen vellen over de socialisten in hun denken en doen. Wij bedoelen prof. H.P.G. QUACK in zijn boek: Socialisten. Personen en Stelsels in 4 deelen<ref>De tweede uitgave bestaat uit 6 deelen.</ref>, alsook in zijn afzonderlijke studiën, verschenen in de vier afzonderlijke werken: Uit den Kring der Gemeenschap, Omtrekken en Figuren, Beelden en Groepen, Studiën en Schetsen. Een zonderlinge verschijning is deze auteur, want zoo het van iemand geldt: “daar wonen, ach, twee zielen in mijn borst,” dan kan het van hem gezegd worden. Als direkteur toch der Nederlandsche bank oefent hij een der meest prozaïsche baantjes uit, die men zich denken kan, maar niet zoodra schudt hij het stof der bankkantoren van zich af, of hij zondert zich af en dompelt zich geheel in de stroomen van het socialisme. Thuis in de socialistische literatuur als weinigen, weet hij zeer goed, dat het socialisme de toekomst vertegenwoordigt en dat de hedendaagsche maatschappij ten ondergang gedoemd is. Ofschoon zelf liberaal geeselde hij de liberale politiek, die bestond in het zelfzuchtig dienen van het eigenbelang, terwijl hij opwekte om het begrip der gemeenschap wakker te doen worden onder de menschen der 20ste eeuw. Hij ziet in zijn geest een ommekeer der maatschappij aanrukken en vragende treedt hij op met te zeggen: “of zou men waarlijk in ernst denken dat het Romeinsche leerstuk van den eigendom, bijv. op den grond zooals wij dat in onze burgerlijke wetboeken hebben omschreven, vast zal blijven staan als een rots? Kan men de stem tot zwijgen brengen, die zegt dat de dag nadert, waarop niemand zich meer meester zal kunnen maken van een andermans arbeids-produkt: waarop al de winsten, welke niet het bepaald gevolg zijn van iemands verrichten arbeid, aan de gemeenschap zullen komen, ten bate van alle leden? Is er niet iets dat in ons medetrilt, wanneer de misdeelden onzer samenleving klagen, dat de tegenwoordige verdeeling van het maatschappelijk inkomen redelijken en zedelijken grondslag mist? Begint men niet te begrijpen, dat er zeker waarheid is in de bewering, dat de wreede ongelijkheden in de wereld minder nog het gevolg zijn van natuur, aanleg en schuld der menschen, dan van algemeene instellingen en wetten, die te veranderen zijn?”
Wie zulke vragen stelt, geeft aanleiding tot den uitroep: Saul behoort ook onder de profeten!
En hij gaat voort: “trouwens reeds kraken en verschuiven de binten en ankers van het tegenwoordig maatschappelijk gebouw. Het getal van de sceptische (twijfelende) lieden, die wanneer men van het woord sociale quaestie gewaagt, vroeger uitriepen: ja, men creëert (schept) het feit door telkens te herhalen dat het bestaat: dit getal sterft uit. De voorvallen om ons heen spreken te luid. Men kan al de gruwzame kansen van het economisch bedrijf onzer bestaande maatschappij niet meer ignoreeren (loochenen). Onder de werking van het fabriekstelsel, onder de volledige toepassing der konkurrentie op de arbeidsmarkt, was het leven tot een hel geworden. Het langdurig dag- en nachtwerk, het lage loon, de voorkeur gegeven aan den arbeid der vrouwen, de afbeuling en uitmergeling der kinderen, de ontbrekende zorg voor onderwijs, het gemis aan gezondheids-maatregelen in de werkplaatsen zelven, de walgelijke huisvesting, de weerzinwekkende onreinheid, de verwoesting van het familieleven – ziedaar ook enkele resultaten en gevolgen van het stelsel van den vrijen arbeid. De mensch had zoo geen lot, geen bestaan als mensch…. De arbeiders wenschen te leven op Gods aarde: te werken, ja, maar ook te rusten: zich verblijden in hun gezin, de oogen dankbaar opheffen: mensch zijn.” Verder: voor alle menschen op aarde, voor allen moeten er gelijke kansen in het leven zijn. Ieder moet gelegenheid kunnen hebben tot ontwikkeling van al zijn krachten en gaven. Dat alles behoeft niet revolutionair tot stand te komen, maar het beteekent toch een min of meer radikaal omkeeren onzer bestaande toestanden. Onze maatschappij berust op gegevens uit het verleden en dus op ongelijkheid. Eerbiediging voor wat verkregen is, door welke middelen dan ook, verjaring, handhaving van verworven rechten, vormen den achtergrond onzer samenleving. Niet naar de doelmatigheid, maar naar de herkomst vooral wordt gezien. Rechten worden op die wijze veelal privileges voor een kleine minderheid; een mozaiek van voorrechten voor enkelen. Geheel ons burgerlijk recht is een wijding der rechten van hen die iets bezitten. Het is geschreven voor de conservatieven. Het bekommert zich weinig om wordende elementen, maar maakt slechts de reeds geconsolideerde (bevestigde) vermogens krachtiger. Het bevestigt op de meest gedetailleerde wijze al de vertakkingen van een individualistisch erfrecht… Hij die slechts over arbeid en arbeidskracht te beschikken heeft, wordt telkens in onze wet achtergesteld. Het geheele arbeidscontract, de overeenkomst van huur en verhuur van diensten onder den regel eener volledige vrijheid; een fictie – alsof de arbeider vrij is, wanneer hij staat tusschen de keus van iets te verdienen of den hongerdood. Zoo leeft onze maatschappij thans in het gareel der ongelijkheid. Al die levensvoorwaarden zullen echter veranderd en geplooid worden in de richting der gelijkheid.“<ref>Beelden en groepen.</ref>
Deze zinsneden kunnen gebruikt worden door den eersten socialistischen redenaar den besten en men heeft geen ongelijk, wanneer men den steller het woord toeroept:”gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods“, het laatste opvattende als het socialisme!
Twee wegen leiden volgens hem tot dat doel van het leven: zelfontwikkeling en zelfverzaking. Niet elkeen kan langs den nauwen weg der zelfverzaking gaan en al trilt men soms van haat, als men denkt aan het lijden dezer eeuw, zoo’n trilling of rilling duurt bij de meesten slechts een oogenblik, want de indrukken en de zorgen nemen den mensch zoodanig in beslag, dat zij niet van blijvenden aard zijn. Mannen als Quack zien zeer goed, dat de ekonomie der oud-liberale partij afgedaan heeft en mooi op weg is volslagen bankroet te slaan, dat het tijdvak der enge”bourgeoisie" is afgesloten en tevens hoe onze maatschappij door het blazen van den nieuwen adem gekomen is in een toestand van vergroeiing en omkeer. De leuze van Guizot: enrichissez-vous, (verrijkt u!) was algemeen geworden en kenmerkt meer dan eenig andere onzen tijd, waardoor de finantieele feodaliteit werd gevestigd, die de sterkste onderdrukking is, welke ooit in de wereld heeft bestaan. En zeker klinkt het ons vreemd in de ooren, om van een bank-direkteur te moeten hooren: “de beurs gaf den toon en de firma Gauwdief, Gannef en Cie. bloeide!” De negentiende eeuw was het tijdvak der voldane “bourgeoisie” en hij meent dat het uitzicht bestaat dat de twintigste rust zal brengen, want in het maatschappelijk weefsel zijn reeds overal, op allerlei plekken, draden ingeweven van anderen aard en met andere kleuren dan die de ekonomisten liefhadden. En die draden zijn de elementen van het uitvoerbaar socialisme. Maar het sociale vraagstuk moet allereerst als een ethische kwestie worden opgevat. De materialistische levensbeschouwing kan niet het woord van het levensraadsel zijn en hij meent dat de idealen der socialisten verwerkelijkt zullen worden, maar…. door anti-socialistische middelen. De ervaring zal moeten uitmaken of dit juist gezien is. Quack heeft met de socialisten geleden, gedweept, zeepbellen van illusies geblazen en…. zulk medeleven kan niet anders dan diepe sporen achterlaten. Had hij gehoopt een brug te kunnen slaan, die de ekonomie en het socialisme tot elkander bracht, hij bemerkt dat de kloof wijder gaapt dan ooit en de strijd zich scherper geaccentueerd heeft in de laatste twintig jaren. “De klassenstrijd is dáár. De arbeidersmassas beginnen zich voort te bewegen als in krijgsmarsch; de bezittende klassen stellen zich overal in stand van tegenweer. Mijn boek was begonnen als een idylle; het eindigt veelal als regen-vlagen, onweer, en storm.” Maar al is zijn doel niet bereikt, toch heeft hij iets verricht en wel hij heeft de meeningen en daden der socialisten weergegeven zooals zij waren en dus kennis verspreid over de socialisten en hun stelsels en in de tweede plaats heeft hij tegen een ekonomie, die geworden was een leer der plutokratie en tegen het schijnheilig beroep op vrijheid een kreet uitgestooten voor de gemeenschap. Overigens vindt hij dat het een ontzettend requisitoir zal zijn van de 20e eeuw tegen haar voorgangsters, dat zij de ideeën van het christendom nooit heeft durven verwezenlijken, nog wel onder het voorgeven, dat zij die ideeën onvolledig vond. Was het niet durven? Of niet kunnen? Wij meenen het laatste. Bakunine heeft eens gezegd: “elke religie is niets anders dan een hemelsch socialisme, gelijk ook het socialisme niets anders is dan de aardsche verwerkelijking der religieuse instinkten.” Schuilt in dat gezegde niet een diepe waarheid? Zeer voorzichtig verschuift Quack de doorvoering van het socialisme, door te zeggen “indien het denkbaar is, dat eenmaal grond en kapitaal zullen komen in de handen der gemeenschap, zoodat er alleen een individueel eigendomsrecht op het inkomen overblijft”, naar een verre, zeer verre toekomst evenals Rodbertus met wien hij het meest schijnt te sympathiseeren, die zich de ontwikkeling der menschheid voorstelde in drie formaties:

  1. de antieke met slavernij;
  2. de moderne met partikulier grond- en kapitaal-eigendom en voorts met loonarbeid;
  3. de toekomstige, waarin enkel individueel eigendom kan wezen van het inkomen, dat iemand door zijn arbeid verwerft.

Leven wij op ’t oogenblik in de tweede, de ekonomische fase, het zal volgens hem nog wel drie-, misschien vijfhonderd jaren duren eer die derde periode intreedt. Maar al is dit zoo, Quack meent toch dat men voorshands een rechtvaardiger verdeeling tot stand moet brengen van het inkomen der maatschappij tusschen de grondbezitters, de kapitalisten en de arbeiders. En aan die verandering der geesten en toestanden moeten volgens hem ook overtuigde socialisten medewerken, want “stapelgek zou het zijn te meenen, dat Maandag de zon kan oprijzen over een socialistische maatschappij, die Zaterdagavond nog”kapitalistisch" was." Waar het hem om te doen is geweest, was om het socialisme te doen begrijpen, om de lezers te doordringen van de waarheid, dat het socialisme meer is dan een “onbegrijpelijke afdwaling, niet iets toevalligs, iets dat desnoods weder kon verdwijnen, maar integendeel een uit de historische omstandigheden voortgekomen noodzakelijke levensuiting en levensgang, die zóó en niet anders zich moest openbaren.”
Eigenaardig hoevelen tegenwoordig het socialisme zouden wenschen en de anarchie beschouwen als een hoog en heilig ideaal, maar intusschen voortgaan dat socialisme te bestrijden en die anarchie te beteugelen. Zelfs mr. N.G. Pierson noemt den strijd tegen het socialisme “een strijd, waarin men moet wenschen verslagen te worden; in dien zin namelijk dat men wenschen moet te kunnen gelooven aan de nuttigheid en uitvoerbaarheid van hetgeen van die zijde wordt voorgesteld.” Dus men erkent de verhevenheid en schoonheid van het socialisme, alleen men twijfelt aan de nuttigheid en uitvoerbaarheid. Maar gaat het niet steeds zoo met alle beginselen, die in den beginne worden afgewezen met het gewone: het is wel mooi, maar het kan in de praktijk niet verwerkelijkt worden? En toch zou voorzichtigheid niet misplaatst zijn, waar juist de ervaring meermalen heeft bewezen, dat het onpraktische van gisteren de praktijk is van heden en evenzeer het onpraktische van heden de praktijk van morgen kan zijn. Is het ideaal schoon, dan moet toch in elk geval het streven gaan in die richting, de aanraking met de werkelijkheid zal het vanzelf wel ontdoen van de onpraktische bestanddeelen, die er misschien aan kleven. Geen wonder echter, dat juist door de geschriften van zulke mannen velen, opgevoed door hun geschriften, gebracht zijn tot een nader onderzoek van het socialisme. Zoo zijn zij, dikwijls tegen hun wil, de wegbereiders van het socialisme.

–EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.–

<references />