Domela Nieuwenhuis, F. - De geschiedenis van het socialisme 3

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_3_(1902)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_3_(1902)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_De_geschiedenis_van_het_socialisme_3_(1902).epub

De geschiedenis van het Socialisme 3
F. Domela Nieuwenhuis.

MET PORTRETTEN
DERDE DEEL.

AMSTERDAM. – S. L. VAN LOOY.
1902.

1. Vrij-Socialisme of Anarchisme.

A. De voorlopers van het anarchisme.

Verstaat men onder anarchisme de richting, die het hoogste doel der maatschappij ziet in de volle ontwikkeling der individueele krachten, dan vindt men de sporen daarvan schier bij elken grooten geest. Deze toch laat zich niet aan banden leggen en wil niets liever en niets anders dan zich geheel vrij te kunnen ontplooien. Maar ook de afkeer van den staat is niets nieuws. Reeds bij Aristippus, een leerling van Sokrates en stichter der Hedonistische<ref>Hedonisme is de moraal van het zingenot.</ref> school, vindt men een verklaarden tegenzin tegen den staat. De wijze kent geen kostelijker goed dan de vrijheid en moet daarom trachten zich te onttrekken aan het staatsleven, dat altijd voor een deel de individueele vrijheid onderdrukt. Op een vraag van Sokrates of hij liever behooren wilde tot de heerschende dan tot de beheerschte klasse, antwoordde hij dan ook: tot geen van beiden.
Ook in het hoofdwerk over de kultuurgeschiedenis des lands, in het Leven van Hellas door Dikaearchus vinden wij omtrent den oertijd de voorstelling van een samenleving in vrede en harmonie, die bij hem het gevolg is van het gemis aan behoeften.
De school der Cynici<ref>De naam van een oude Grieksche school van wijsgeeren, die de gemakken en genietingen des levens minachtten. Het woord is ontleend aan Kuon, genitivus Kunos, dat hond beteekent. Men zou kunnen zeggen: wier ideaal is een hondenleven te leiden. Onder hen neemt Diogenes een voorname plaats in, die in den mond des volks beroemd is gebleven door de ton, waarin hij leefde, en door de lantaarn, waarmede hij volgens zijn zeggen een mensch zocht. Jammer dat wij niet meer met zekerheid van hem weten, want nu kunnen wij weinig of zoo goed als niets van hem mededeelen en toch schijnt hij tot de eigenaardigste typen van het oude Griekenland behoord te hebben.</ref> sloot zich hierbij aan en dit begrip van behoefteloosheid voerde tot de ontkenning der kultuurbehoeften en zoo tot de ontkenning van alle instellingen der zoogenaamde beschaving: huwelijk, eigendom, staat. Jammer dat wij geen werken meer over hebben van Zeno, want uit hetgeen anderen ons van hem mededeelen, zouden wij in hem den eigenlijken vader van het anarchisme moeten begroeten.
Naast den trek tot zelf behoud ziet hij in den mensch den trek naar gemeenschap, waardoor hij komt tot rechtvaardigheid en menschenliefde. Het “leven volgens de natuur” moet het streven zijn en dan bekommert men zich niet om kunstmatige zaken als bezit, eer en dergelijken. Zeno wil in tegenstelling van Plato niets weten van staatsalmacht, voogdijschap en reglementeering, want de mensch moet zichzelf tot wet zijn. Allen moeten handelen volgens de in de natuur zelve liggende wetten, die in ’s menschen gemoed zich openbaren. Een dezer wetten schrijft voor de naasten, ja allen met wie men in aanraking komt, te beminnen. Waar eendracht en liefde heerschen, daar zijn rechtbanken en politie overbodig. Waar elk weet, wat hem past, daar is de huwelijksband onnoodig. Waar allen de ware verhouding tot God hebben gevonden, daar is een staatkundige organisatie van den godsdienst en zijn tempels overbodig. Waar men de begeerde produkten door ruil verkrijgt, daar bestaat geen behoefte aan geld of ruilmiddelen. Dus alle dwang is buitengesloten door hem.
Uit het weinige dat wij van de Cynici weten –en dat weinige is nog steeds uit de tweede en derde hand– zouden wij meenen het recht te hebben in hen de eenige denkers der oudheid te begroeten, die de heiligheid van den arbeid en de zedelijke gelijkheid der levensvoorwaarden voor allen verdedigden, terwijl hun moraal zich onderscheidde door eenvoud en reinheid en zij het bijgeloof des volks scherp hekelden.
Eigenaardig mag het heeten dat de latere Stoïcynen<ref>De naam van een andere Grieksche school van wijsgeeren, leerlingen van Zeno, die er naar streefden zoo streng mogelijk te leven. Zij ontleenen hun naam aan de Stoa, plaats hunner samenkomsten.</ref> juist het politieke werk van den meester, waarin hij deze anarchistische leer predikte, beschouwden als een verderfelijke en daarmede hangt zeker de opmerking in de levensbeschrijving van Zeno door Diogenes Laërtius samen, dat de direkteur der bibliotheek te Pergamus, ofschoon zelf Stoïcyn, de aanstootgevende plaatsen in de exemplaren der bibliotheek vernietigde. Wat wij dus weten, is zeer vaag en algemeen, en dat is zeker zeer te betreuren.
Ook in de oorspronkelijke, christelijke sekten zooals de Karpokratianen vindt men anarchistische gedachten, zelfs in de brieven van Paulus en de evangeliën. De geheele mystiek der middeneeuwen –neem b.v. Thomas à Kempis in zijn Navolging van Christus– ademt een min of meer anarchistischen, althans sterk individualistischen geest.
Negen eeuwen geleden leefde er een Arabisch dichter Ebou-Ala-el-Muarri, naar zijn geboorteland genoemd Muarret-el-Numan, een kleine landstreek in het distrikt Haleb. In het oosten bezit hij een grooten naam, ofschoon hij in het westen bijna geheel onbekend is, alleen onder de Orientalisten is hij natuurlijk bekend. Als dichter heeft hij verheven opvattingen, die hem stempelen tot een voorlooper der anarchisten<ref>Zijn hoofdwerk is getiteld: Luzaumi-Malogelzem, onafwijsbare noodzakelijkheid en werd in 1891 te Kaïro herdrukt door de zorg van Aziz-efendi-Zend, den geleerden redakteur van het blad Elmahronie.</ref>. De slechte sociale organisatie der wereld had ook zijn aandacht getrokken en hij predikte de noodzakelijkheid eener sociale hervorming. Vooral kwam hij scherp op tegen de ongelijkheid der levensvoorwaarden onder de menschen, b.v. zeide hij: “de winter komt over het aardrijk, hij drukt niet alleen de menschen die warm gedekt zijn onder goede dekens, maar ook de arme ongelukkigen die naakt zijn. Een rijkaard, een edele maakt zich meester van de bestaansmiddelen van een geheel volk en deze is op ruwe wijze beroofd van het stuk brood, dat noodig is voor zijn bestaan.” Met minachting zag hij neer op het volk, dat lag neergebogen in het stof voor zijn onderdrukkers en zeide: “wat zijn ze onwetend, de naties die ik gekend heb! Ongetwijfeld waren de vorige geslachten die ik niet heb kunnen zien of kennen, nog dommer en dwazer dan dit. Zij bidden wekelijks voor hun chefs en wenschen hun tirannen een lang leven. Dit is het gevolg van hun rampzaligen zieletoestand.” Hij zag onder de menschen twee klassen van menschen, waarvan “de eene godsdienst bezit en geen verstand en de andere verstand en geen godsdienst.” En hij riep allen toe: “wordt wakker, gij verdwaalden! Uw dogma’s zijn huichelarij van de ouden, listen gebruikt door hen om goederen op te stapelen en zich met roem te bekleeden. Zij slaagden en stierven, maar hun laffe leeringen leefden voort.” Pessimist als hij was, stelde hij den dood boven het leven. Hij leefde van plantaardig voedsel, omdat hij het slachten van dieren, om er het vleesch van op te eten, beschouwde als onzedelijk en wreed. Hij was ongetrouwd en keurde de voortplanting af, zoodat hij op zijn graf liet zetten: “ziethier de misdaad waaraan mijn moeder zich heeft schuldig gemaakt tegenover mij. Wat mijzelven aangaat, ik heb niemands leven aangerand.”
Bij den Franschen schrijver Rabelais (1483-1553) krijgen wij zelfs in de orde van den Vrijen Wil (de Thelemiten, van thelo, vrijwillig doen), door Gargantua gesticht, een anarchistische utopie. Het was een zonderlinge abdy waarin de Thelemiten leefden, een zeshoekig gebouw met een ronden toren, aan elken hoek met 9000 vertrekken, elk met een slaapkamer, kabinet, kleedkamer en kapel. Midden in den hof stond een marmeren fontein, waarop de drie gratiën, die met voelhorens in de handen uit borsten, ooren en oogen water straalden. In een gezelschap van beschaafde menschen bestaat geen dwang. Elkeen leeft daar zooals hij wil; zij staan op als zij willen, eten en drinken als zij lust hebben, werken en slapen naar gelang zij verkiezen. Zij hadden tot eenigen regel: fay ce que vouldras (doe wat gij wilt), dus geen grenzen van de individueele vrijheid. Het eenige wat hen drijft, is het gevoel van eer. En juist ten gevolge van die onvoorwaardelijke vrijheid vindt men de hoogste harmonie. Allen wed-ijveren om te doen wat aan anderen aangenaam is. Maar… het was de utopie der bevoorrechte standen. Toch doet het ons aangenaam aan, dat zij zich onderscheidt van Plato’s kommunistische republiek of Moore’s Utopia, doordat er niet alles geregeld en gereglementeerd is, maar alles natuurlijker toegaat.
In Stenko Razine, den Kozakkenhoofdman, vinden wij een eigenaardige type, die in de 17de eeuw de onderdrukte Russen te wapen riep en overal, waar hij kon, de kommune uitriep, waar men leefde in kleine groepen, geadministreerd door een uit hun midden gekozen “hetman” en in gemeenschap van goederen. Die groepen werkten samen voor kommunale belangen en de kommunes wederom voor groote algemeene belangen met een, uit de respektieve kommunes gekozen, algemeenen raad, die te Astrakan zetelde, nadat die stad in zijn handen was gevallen. In 1671 versloegen de regeeringstroepen het kommunistenleger bij Symbirsk en zijn aanhangers lieten toen Razine in den steek, die gevangen genomen en ter dood gebracht werd. Dit was het einde der Kozakken-kommune.
Ook in de beweging der Wederdoopers vindt men elementen, die anarchistische neigingen vertoonen, zooals wij dit aantoonden bij de behandeling dezer sekte.
Overigens in het protestantsche beginsel zelf schuilt de kern van het anarchisme, want waar het geweten van het individu de hoogste beslissing heeft, daar is de mensch zichzelf tot hoogste gezag geworden. En verwijst het protestantisme den mensch niet naar zijn eigen geweten als oppersten rechter? “Elke ketter heeft zijn letter” – luidt een oud gezegde. Wat wil dit anders zeggen, dan dat elkeen hetzelfde recht heeft om zich te beroepen op een bijbelplaats, die hem goeddunkt, als elk ander? Niet dus bij verschil van meening, zich onderworpen aan het oordeel van pastoor, bisschop of paus, of predikant (gezag van buiten), neen men moet ten slotte bij zichzelven terecht komen, (gezag van binnen). Dus de mensch zichzelf tot hoogste gezag – maar is dat niet een anarchistisch beginsel? Dat men later weer allemaal dogma’s is gaan samenstellen, pleit er niet tegen dat in het beginsel zelf het anarchisme ligt opgesloten. Eigenaardig is dan ook het groote aantal sekten dat onder de protestanten is ontstaan en waarvan elk beweert in het bezit der waarheid te zijn.
Wanneer wij Lessings humaniteitsideaal nagaan, zooals hij dit geeft in zijn Erziehung des Menschengeschlechts<ref>Opvoeding van het menschelijk geslacht.</ref> en zijn Gespräche für Freimaurer<ref>Gesprekken voor vrijmetselaren.</ref>, dan bemerken wij dat hem als ideaal en als einddoel van de zedelijke opvoeding der menschheid een maatschappij voor den geest staat, die een ordelijke samenleving is zonder regeering, waarin elk individu zichzelf weet te regeeren. Dat bewijst reeds de mierenhoop, waar allen dragen en slepen en schuiven, elkander helpen en geen den ander hindert en toch hebben zij niemand boven zich, die hen regeert of de bezigheden regelt. Lees de samenspraak over Soldaten en Monniken, waarin hij op de vraag: wat zijn monniken en wat zijn soldaten? ten antwoord geeft: soldaten zijn de beschermers van den staat, monniken de steunpilaren der kerk. En daarop luidt het: “weg met uw kerk! weg met uw staat”!
Zijn vriend Jacobi schreef van hem: “hij zag het belachelijke en onzaligmakende van alle moreele en politieke instellingen duidelijk in. In een gesprek geraakte hij eenmaal zoo in ijver, dat hij beweerde dat de burgerlijke maatschappij geheel moest worden opgeheven en hoe dol dit klinkt, toch komt deze bewering der waarheid nabij. De menschen zullen pas dan goed geregeerd worden, als zij geen regeering meer behoeven.” Hij wil daarom een vrijen bond van de edelsten en wijsten, een idealen vrijmetselaarsbond.
Gaf niet Schiller op de vraag naar den besten staat ten antwoord:

Woran erkenn’ ich den besten Staat? Woran du die beste Frau kennst – daran mein Freund, dass man von beiden nicht spricht.
(Waaraan herken ik den besten staat? Waaraan gij de beste vrouw kent – daaraan, mijn vriend, dat men van beiden niet spreekt.)

Afwezigheid van staat is dus het hoogste.
En kan men niet uit Wilhelm Meister’s Wanderjahre en Wahlverwandtschaften plaatsen genoeg aanhalen, die erop wijzen, hoe ook Goethe als hoogste doel stelt de zelfregeering van den mensch? Ja het zou geen moeite kosten een bloemlezing samen te stellen uit de werken der edelste geesten en kloekste denkers, die aantoonen hoe zij allen streefden naar de grootst mogelijke ontwikkeling en de meeste vrijheid voor het individu.
Dit wijst echter alleen op een min of meer onbewuste anarchistische strooming, voor zooverre het anarchisme streeft naar de meest mogelijke vrijheid, maar meer bewust vinden wij de anarchistische gedachte ontwikkeld bij den Engelschman Godwin (1756-1836) in zijn Enquiry into the principles of political Justice (Onderzoek naar de beginselen van de politieke rechtvaardigheid), verschenen in het jaar 1793. In zijn kritiek over den staat en elke meerderheidsregeering zegt hij: “hier (in de nieuwe maatschappij) zou geen demagoog gelegenheid vinden om de massa te maken tot een werktuig van zijn plannen. De menschen zouden in zulk een maatschappelijken toestand hun geluk begrijpen en het liefhebben. De ware oorzaak, waardoor de massa der menschheid zoo dikwijls het offer wordt van bedriegers, was de mysterieuse en ingewikkelde vorm van het sociale stelsel. Als eerst de kwakzalverij van de regeering vernietigd is, zal het gewone menschenverstand de lage kunstgrepen van den staatsgoochelaar bespotten, die hem bij den neus wil hebben…. Met welk een verrukking moet elk verstandig mensch dien gelukkigen tijd te gemoet gaan, de oplossing van politieke regeeringen, de ruwe machine, die de eenige voortdurende oorzaak was van de misdaden der menschheid en die fouten van verschillenden aard bevat in haar innerlijk wezen, welke op geen andere wijze kunnen worden verwijderd dan door haar algeheele vernietiging.” Godwin ziet zoo juist in, dat de bestaande maatschappelijke verhoudingen de oorzaak zijn van alle kwaad, want “hoe groot en uitgestrekt de rampen zijn der monarchiën en hofhoudingen, van het bedrog der geestelijkheid en van de ongerechtigheid van de strafwetten – zij zijn zwak en onmachtig, vergeleken met de rampen, die volgen uit het bestaande eigendomstelsel.” Als de “onmiddellijke gevolgen van het bestaande eigendomstelsel” beschouwt hij “den geest van onderdrukking, den geest van slaafsheid en den geest van bedrog” en daarom is hij een voorstander van “equal property” (gelijk eigendom). Hij acht de afschaffing van den staat noodzakelijk en wil dezen vervangen zien door de vrijwillige samenleving van groepen menschen, die zichzelven administreeren. “Wij moeten nooit vergeten, dat alle regeeringen een kwaad en de onttrooning zijn van ons eigen oordeel en geweten.” Hij onderscheidde tusschen maatschappij en staat, waarvan de eerste “is ontstaan uit onze behoeften, de staat door onze slechtheid, de maatschappij is in elk geval een zegen, de staat in het beste geval een noodzakelijk kwaad.” Als men bepaald een vaderschap zoekt voor het anarchisme, dan zou men Godwin haast den vader van het anarchisme kunnen noemen ofschoon hij zichzelven dien naam niet geeft. Toch vreest hij het minder dan het despotisme, want “de anarchie is een vreeselijk kwaad, maar het despotisme nog vreeselijker. Waar de anarchie honderden heeft geslagen, daar heeft het despotisme millioenen ten offer gebracht en daardoor duurzaamheid verleend aan de onwetendheid, ondeugd en ellende. De anarchie is een ramp van korten duur, het despotisme is bijna onsterfelijk. Het is ongetwijfeld een schrikkelijk heelmiddel voor een volk om toe te geven aan alle woedende hartstochten, totdat de aanschouwing van haar werking nieuwe kracht verleent aan de rede; maar even verschrikkelijk als het heelmiddel is, even zeker helpt het.” Al kan men William Thompson geen anarchist noemen, toch komt zijn leer neer op vrijen arbeid, het geheele arbeidsprodukt aan den arbeider en vrije ruil en kan hij ook zeker niet gerekend worden onder de staatssocialisten. Shelley, een der konsekwentste en meest sympathieke dichterfiguren uit Engeland, was een geestdriftvol strijder voor de vrijheid, de meest volkomen vrijheid en sloot zich bij de denkbeelden van Godwin aan.
Behalve een aantal passages in zijn grootere dicht- en prozawerken, o.a. in het schoone Queen Mab, heeft men een gedicht van hem The Masque of Anarchy, dat eerst in 1832 door Leigh Hunt werd uitgegeven. Shelley schreef het na een in bloed gesmoord oproer in Manchester en hij liet in een visioen een optocht voorbij trekken, waarin als hoofdpersonen voorkwamen Bedrog, Moord en Huichelarij om ten slotte als koning, de Anarchie, zittende op een wit, met bloed bevlekt paard, te doen verschijnen.
Zei niet ook Montesquieu, dat “in een vrijen staat elk mensch, die gerekend wordt een vrije ziel te hebben, door zichzelven moet worden geregeerd”? Was het niet Rousseau, die de vertegenwoordiging afkeurde als hij schrijft: “als het werk van elk mensch is om zijn eigen oordeel te gebruiken, dan kan hij deze funktie in geen geval overdragen in de handen van anderen.”
De fabeldichter is in dit opzicht een gelukkig man, want in het gewaad van de fabel kan hij harde waarheden zeggen, zonder dat het hem wordt kwalijk genomen. Zoo is Jean de la Fontaine, de beroemde Fransche fabeldichter, ondanks de platheden en onderdanigheden voor den koning, een zeer gevaarlijke lektuur en Florian niet minder. Was het niet de la Fontaine, van wien het woord afkomstig is: notre ennemi c’est notre maître (onze vijand is onze meester.) Boek VI, fabel 8? Was hij het niet die de menschen aanraadde om hun eigen zaken zelven te doen en ze niet per prokuratie door anderen te laten verrichten (ne la fais point par procureur) Boek XI, fabel 3? Was hij het niet die den mensch verwees naar zichzelf (ne t’attends qu’à toi seul) Boek IV, fabel 22)? Was hij het niet, die de waarde der vrijheid zoo hoog schatte, dat hij zei: “ach, wat baat een volle disch, als men zonder vrijheid is” (Hélas! que sert la bonne chère Quand on n’a pas la liberté?) Boek IV, fabel 13? Was hij het niet die zeer goed inzag, dat “de sterkste altijd gelijk heeft” (la raison du plus fort est toujours la meilleure) Boek I, fabel 10? Was hij het niet, die zei: “helpt elkaâr! gebiedt Natuur” (il se faut entr’aider: c’est la loi de nature) Boek VIII fabel 17? En hij kende de vorsten goed, als hij in herinnering brengt: “een sire is licht geraakt, en – Leeuwen hebben klauwen” Boek XI, fabel 5? Was hij het niet, die een oude kat aan zijn lotgenoot den hond, laat zeggen: “mijn arme maat! Dacht gij dan inderdaad, dat ge om u zelf bemind werdt door uw bazen”? Was hij het niet, die zei: “Jupin pour chaque état mit deux tables au monde L’adroit, le vigilant et le fort sont assis A la première ; et les petits Mangent leur reste à la seconde” (Jupiter plaatste twee tafels op de wereld voor elken stand. De slimme, de bij-de-handsche en sterke zijn aan de eerste gezeten; en de kleinen eten hun overblijfselen van de tweede)? Maar men leze het heele fabelenboek met zijn menschkundige opmerkingen en men zal zien dat zoo men la Fontaine niet onder de bewuste anarchisten kan rangschikken, men toch gerust kan zeggen, dat er anarchistisch bloed door zijn aderen stroomt. En Florian, hoewel minder bekend, maakte het vooral niet minder, waar hij de apen laat mompelen: “speelt met de grooten niet, zelfs de beminnelijkste heeft nagels aan zijn pooten”, waar hij de meening uitspreekt, dat “slechts de goederen die men broederlijk verdeelt, ons waarachtig voordeel verschaffen, omdat ongedeeld genot geen genot is”. Zijn fabelen doen vooral niet onder voor die van la Fontaine, en als me weet dat velen bewerkt zijn naar den Griekschen fabeldichter Aesopus, dan is ook deze blijkbaar reeds aangestoken door het anarchisme.
Onder de voorloopers verdient ook een plaats te worden toegekend aan den Italiaan Carlo Pisacane, die in 1857 sneuvelde bij de expeditie naar Sapri. Zeker ook hij gewaagde van wetten, van vertegenwoordigend stelsel, maar vergelijkt men daarbij zijn juiste denkbeelden over wet en gezag, dan ziet men daaruit alleen, hoe hij nog niet tot de noodige klaarheid was gekomen.
Over den Amerikaan Josiah Warren en den Duitscher Max Stirner spreken wij in een ander hoofdstuk, maar hun namen mogen toch ook hier niet vergeten worden.
Een merkwaardige anarchist was zeer zeker de Franschman Joseph Dejacque, die nog wel niet tot het standpunt kwam der kommunistische anarchisten maar die toch werkzaam was in de richting van het anarchisme. Hij verschilt van Proudhon in zooverre dat hij zich niet als deze een vreedzame revolutie kon voorstellen: “de tijd van den vreedzamen vooruitgang zal zich alleen openen op de beenderen van de beschaafde wereld, als het monopolie de laatste zucht zal hebben gegeven en de produkten van den arbeid publiek domein zullen zijn.” Hij zegt dat Proudhon wel anarchistische neigingen heeft, maar geen anarchist is, hij is “geen humanist, maar maskulinist, daar de helft van zijn wezen verlamd is en dat is ongelukkigerwijze de kant van het hart” (dit slaat op Proudhon’’s achterlijke meeningen over de vrouw) en hij noemt de groote verdienste van Proudhon “niet dat hij altijd logisch is geweest, maar dat hij anderen heeft opgewekt om naar logika te streven.”
Zijn Humanisphère verdient zeer zeker de aandacht, daar hij reeds den ontwikkelingsgang in de natuur uit het lagere naar het hoogere schetste, die later door Darwin met bewijzen werd gestaafd. In zijn Humanisphère –zoo noemt hij een rij groepen die in dezelfde plaats wonen– bestaat geen regeering. Een aantrekkende organisatie dient hun als wetgeving. De soevereine, individueele vrijheid ligt ten grondslag aan alle kollektieve besluiten. De autoriteit der anarchie, de afwezigheid van alle en elke diktatuur van het aantal of de macht komt in de plaats van de willekeur der autoriteit, het despotisme van gerecht en wet. Elk regeert zichzelf door zijn eigen wetten en op deze regeering van allen door zichzelven berust de sociale orde. Autoriteit was nooit iets anders dan de zelfmoord van het individu, de orde is altijd alleen “de orde die te Warschau heerscht”, d.w.z. moord. Het gezag is de luiheid. De vrijheid de arbeid. Dwang is de moeder van alle kwaad, daarom is deze verbannen uit het gebied van het Humanisphère. Welbegrepen, verstandig egoïsme is daar te zeer ontwikkeld dan dat het iemand zou invallen zijn naaste te onderdrukken. Het egoïsme is de mensch. Zonder het egoïsme zou de mensch niet bestaan. Het egoïsme leert hem produceeren, konsumeeren, anderen bevallen om vriendelijk behandeld te worden, anderen lief te hebben ten einde door hen geliefd te worden, voor anderen te arbeiden, opdat zij voor hem arbeiden. De oude maatschappij noemt dit ten onrechte toewijding (dévotion), het is alleen spekulatie en dat te menschelijker naarmate zij verstandiger is en te minder menschelijk, naarmate zij dommer is. In het Humanisphère stemt men niet. Noch de meerderheid noch de minderheid maakt iets tot wet. Dit of dat plan heeft een voldoend aantal arbeiders bereid om het ten uitvoer te brengen: of dit nu een meerderheid dan wel een minderheid is, het wordt ten uitvoer gebracht, als de voorstanders het willen. En meestentijds geschiedt het op zulk ’n wijze, dat de meerderheid zich aansluit aan de minderheid of wel de minderheid aan de meerderheid. Dejacque had niet het minste vertrouwen op arbeiders in het parlement en in een polemiek tegen de Blanquisten schreef hij: “de arbeiders tot de regeering geroepen! Waarlijk, men moet zijn geheugen hebben verloren. Hadden wij niet Albert in de voorloopige regeering? Kan men zich iets dommers voorstellen? Wat was hij anders dan een schijf voor spotternij? In de konstitueerende en wetgevende vergadering hadden wij de afgevaardigden van Lyon; als men naar hen de konstituenten wilde beoordeelen, dan zou dit een treurige proeve leveren van ’t verstand der arbeiders van Lyon. Parijs heeft ons Nadaud geschonken, een zwaarmoedige natuur met het verstand van een mortel, die droomde van de verandering van zijn metselaarstroffel in een presidentschepter – de zwakhoofdige! Dan ook Corbon, de algemeen geachte uit de Werkplaats (een half en half socialistisch tijdschrift vóór 1848), misschien het minst Jesuït van allen, want hij talmde althans niet om het masker af te werpen en in het midden naast de reaktionairen plaats te nemen, evenals de hovelingen aan den voet van den troon meer royalistisch zijn dan de koning, evenals op de trappen van het officieele of wettelijke gezag, de republikeinsche arbeiders meer bourgeois zijn dan de bourgeois zelven. En dat is te begrijpen, de slaaf bevrijd en zelf meester geworden, overdrijft de kwade dingen van den planter, die hem heeft opgevoed. Hij is te sterker geneigd de heerschappij te misbruiken, tot hoe meer onderdanigheid en vernedering hij geneigd of gedwongen was. Een diktatuur-komité, uit arbeiders bestaande, is ongetwijfeld het meest eigendunkelijke en opgeblazene, dat men kan vinden en dus het meest antirevolutionaire.”

B. Christelijk Anarchisme.

Ofschoon anarchisme de leer is, die geen regeering, geen gezag van wien of wat ook wil en dus niet verbonden mag worden aan een persoon, heeft men het zoogenaamde christelijke anarchisme, dus het anarchisme dat Christus aanneemt als het hoogste gezag. Nu zeggen de christen-anarchisten wel dat zij de leeringen van Jezus niet aannemen, omdat zij van hem zijn, maar omdat hun ziel geheel en al overeenstemt met die leeringen, maar toch verbinden zij zijn naam aan hun anarchisme en beginnen dus met te handelen in strijd met het anarchisme. Beide woorden zijn in hun verbinding een contradictio in adiecto (tegenspraak).
Het was graaf Tolstoï, een Russisch edelman, volgens zijn eigen levensbeschrijving de eerste 35 jaren van zijn leven volslagen atheïst, dien men den vader van het christelijk anarchisme zou kunnen noemen. Maar toen had er in zijn ziel een groote verandering plaats. Niet dat hij terugging tot de kerkelijke leer der Grieksch-orthodoxe kerk, waarin hij was opgevoed, neen de kerk gaf wel leerstellingen en voorschriften maar geen leefregels gegrond op de leer van Jezus. Het was de Bergrede die hem vooral aantrok en daarin vond hij den sleutel van de geheele leer van Jezus in het woord: “maar ik zeg u, dat gij den boozen niet wederstaat.” (Matth. V:39). Dus de kern, de quintessens kwam hierop neer dat een volgeling van Jezus’ zich onder geenerlei voorwendsel gewelddadig mocht verzetten of gewelddadig optreden tegen zijn medemenschen.
Dit was evenwel niet voor het eerst “ontdekt” door Tolstoï, want reeds de Kwakers stonden op dit standpunt en bovenal William Lloyd Harrison, de verdediger van de pogingen tot vrijmaking der negers, die in 1838 een vereeniging oprichtte tot stichting van den wereldvrede, en in een verklaring van beginselen, aangenomen door de leden der Maatschappij tot bevordering van den algemeenen vrede onder de menschen het beginsel uiteenzette van nimmer het kwade te wederstaan door het kwade, maar alleen door zich lijdelijk te onderwerpen aan de straffen en aan de overige gevolgen van de toepassing van dit beginsel. Hij gaf een tijdschrift uit, de Non Resistant (de geen weerstand biedende, dus de lijdzame), maar weldra ging deze beweging te niet.
In die verklaring wordt gezegd, dat de aanhangers dier leer geen enkel menschelijk gezag erkennen, daar zij slechts één koning en wetgever, slechts één rechter en één hoofd der menschheid aannemen. Hun vaderland is de geheele wereld, hun landgenooten zijn alle menschen. Volgens hen heeft men het recht niet om zich te verdedigen tegen buitenlandsche vijanden of om hen aan te vallen. De individuen bezitten dat recht evenmin in hun wederzijdsche verhoudingen. Niet alleen oorlogen, maar elke militaire organisatie: arsenalen, vestingen, oorlogsschepen, staande legers, gedenkteekenen ter herinnering van overwinningen, zegeteekenen, militaire plechtigheden, veroveringen door geweld, achten zij onchristelijk en onwettig. Zij sluiten zichzelven uit van elke staatsbetrekking, maar ontzeggen zich ook het recht, om andere personen daarvoor te kiezen. Geen beroep mogen zij ooit doen op de Justitie. Zij onderwerpen zich aan alle wetten behalve aan die, welke in strijd zijn met de voorschriften van het evangelie en dan verzetten zij zich alleen door zich lijdelijk te onderwerpen aan de straffen, die van hun weigering tot nakoming der wet het gevolg zijn. Zij willen noch samenspanningen, noch oploopen, noch gewelddadigheden en zijn dus in beginsel anti-revolutionair. Zij willen alle overheden opruimen, die onmogelijk door God aangesteld kunnen worden voor het plegen van geweld, echter niet door geweld, maar door de zedelijke wedergeboorte der menschen.

Adin Ballou, een der leden van de vereeniging, hield echter vol en wijdde zich 50 jaar lang aan de verbreiding van het beginsel des vredes door lijdzaamheid. Hij heeft een Katechismus van het niet-weerstaan uitgegeven, medegedeeld door Tolstoï in diens boek: Het koninkrijk Gods is binnen in u.
Maar ook deze werd vergeten en liet nauwelijks eenig spoor achter.
Tolstoï vertelt ook van een werk van zekeren Czech uit de 15e eeuw. Kheltchitsky, getiteld: Het net des geloofs, waarin een dergelijke leer wordt ontwikkeld. Nog herinnert hij aan Dymon’s werk over den oorlog, dat in 1824 verscheen en aan dat van Musser over het Niet-weerstaan in 1864. Maar toch zonder invloed zijn deze geschriften voorbijgegaan en alleen toen de machtige stem van den alom bekenden en gevierden roman-schrijver Leo Tolstoï die leer op den voorgrond bracht, is er naar geluisterd en vond zij ingang bij velen.
Tolstoï vergat te herinneren aan een boekje, dat in romantischen vorm gegoten, indertijd ontzaggelijken opgang maakte. Wij denken aan de Ware Geschiedenis van Josuah Davidson door mevr. Lynn Linton. Deze stelt zich de vraag: hoe zou een moderne Jezus in de hedendaagsche maatschappij worden ontvangen? En zij voert dan een zekeren Josuah Davidson –de naam is doorzichtig genoeg– ten tooneele, die geheel leven wil naar Jezus leer en dus overeenstemming betrachten wil tusschen woord en daad. Door de kerk en haar dienaren uitgeworpen als een ketter, door de mannen der wetenschap met den rug aangezien en bespot als een weetniet, door de publieke meening beschouwd als een onzedelijk mensch, door de filantropen en aristokraten uitgemaakt voor een opruier, omdat hij geen hulp verlangde maar wenschte dat de arbeidersklasse zichzelve zou opwerken, vond hij nergens een plaats. Ten slotte ging hij tijdens de kommune naar Parijs, omdat hij hoop had dat nu eindelijk een licht zou opgaan voor de verdrukten en lijdenden. In zooverre was hij geen lijdelijke verzetter, evenmin als Jezus het was, toen hij zelf met een geesel van touwen de wisselaars en kooplieden den tempel uitjoeg, toen hij zijn volgelingen aanraadde om als zij twee rokken hadden, er een te verkoopen, en een zwaard te koopen, maar zijn streven was hetzelfde, nl. eenheid tusschen leer en leven. Treurig was zijn uiteinde, daar hij op aanhitsing van een predikant, dien hij eens als huichelaar had ontmaskerd, door eenige ruwe lieden in een vergadering mishandeld en doodgetrapt werd. En dan stelt de schrijfster de vraag: is de praktische navolging van Jezus zedelijk een fout en maatschappelijk een misdaad? Want indien Christus gelijk heeft, dan heeft het tegenwoordige christendom ongelijk, dat geen invloed heeft noch op onze staats-instellingen noch op onze maatschappelijke inrichtingen en indien de wetenschap onzer samenleving waar is, dan heeft Jezus niet alleen te vergeefs gepredikt en gehandeld, maar ook tegen de onveranderlijke wet misdreven. De leer der broederschap van alle menschen, die Jezus en zijn leerlingen verkondigden en waarvoor zij stierven, wordt in de kerken en in geschriften geleerd als de christelijke leer en intusschen wordt een praktisch christen als Josuah gevloekt, onmogelijk gemaakt en ten slotte vermoord<ref>Aan dit boekje zouden wij verreweg de voorkeur geven boven het langdradige, gekunstelde, min of meer femelende boek van Sheldon In his steps (in zijn voetstappen).</ref>.
Voor de kennis van den omkeer des gemoeds, die bij Tolstoï plaats had, moet men lezen zijn drie geschriften: De bekentenissen, Mijn geloof en Wat moeten wij doen? Maar om zijn leer te kennen, bestaat geen beter geschrift dan zijn Het koninkrijk Gods is binnen in ulieden<ref>Internationale Bibliotheek: Leo Tolstoy, Het koninkrijk Gods is binnen in u. Vertaling van Ds. J. van Witzenburg.</ref> en De christelijke leer, een soort van katechismus, waarin hij zijn denkbeelden weergeeft, ofschoon hij zelf erkent dat het boekje onvoltooid is en de hoop uitspreekt het later vollediger, duidelijker en korter te geven. Dit laatste is een ouderwetsch katechisatieboekje, zooals wij ons die herinneren uit de jaren onzer jeugd.
Later gaf hij een vertaling en verklaring uit van de Vier Evangeliën in een werk van drie deelen, waarin hij dikwijls op zeer willekeurige, alles behalve kritische wijze te werk gaat.
Voor Tolstoï ligt de hoofdzaak der Bergrede in deze vijf geboden:

  1. Gij zult niet toornig worden op uw broeder;
  2. Gij zult geen vrouw aanzien om haar te begeeren en gij zult een vrouw niet verstooten;
  3. Gij zult in ’t geheel niet zweren, maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen;
  4. Wederstaat den booze niet;
  5. Hebt uwe vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen.

In den laatsten tijd hebben de Doukhobortsi (de Geestes-kampioenen) in Zuid-Rusland zekere vermaardheid gekregen, omdat zij het christelijk anarchisme in toepassing hebben gebracht. Die vermaardheid hebben zij te danken aan hun dienstweigering en de taaie volharding, waarmede zij deze hebben weten door te zetten tegenover een almachtige regeering als de Russische, die op de wreedste en meest barbaarsche wijze tegen hen optrad. Wj vinden sprake van hen in de tweede helft der vorige eeuw. Een doorn in de oogen der Grieksch-orthodoxe kerk zette deze de regeering tegen hen op. De vervolgingen begonnen in 1792, toen zij veroordeeld werden om verbrand te worden, maar dit vonnis werd veranderd in verbanning naar Siberië. Alexander I schonk hun vergunning om samen te wonen in de provincie Tauris. Geheel hielden de vervolgingen nooit op, maar in 1840 en 50 werden zij met vernieuwde heftigheid hervat en de sekte werd van uit Tauris verbannen naar Transkaukasië in de zoogenaamde “Natte Bergen” in het gouvernement Tiflis, 1500 meter boven de zee. Zij wisten die streek door ijverig werken te herscheppen in bloeiende kolonies. In 1887 werd de algemeene dienstplicht in den Kaukasus ingevoerd en nu werden ook zij, die vroeger van den krijgsdienst afkonden door andere diensten te verrichten of door verbanning, genoodzaakt in de gelederen te komen. Aanvankelijk onderwierpen zij zich, maar spoedig kwamen zij tot de overtuiging, dat het wapendragen in strijd was met hun beginsel. In 1893 besloten zij geen bedwelmende dranken te drinken, niet te rooken en geen vleesch te eten en in 1894 verdeelden zij na de afbetaling van alle schulden der leden hun bezittingen gelijkelijk onder allen. Deze maatregel geschiedde niet uit dwang, maar vrijwillig en uit liefde. Toen begon men gemeenschappelijk te ploegen en te oogsten en de werkplaatsen werden gemeenschappelijk eigendom. Elk werkte naar zijn behoeften zonder betaling. Zoodra weer ongelijkheid intrad, verdeelde men op nieuw. Zij leefden geheel naar de voorschriften van Jezus en zoo waren zij tegen alle daden van geweld en weigerden dus den krijgsdienst. Nu begonnen de vervolgingen met nieuwe kracht: Kozakken werden bij hen ingekwartierd, hun bezittingen werden geplunderd, mannen en vrouwen met den knoet en op andere wijzen mishandeld. De 300 soldaten, die den dienst weigerden, werden gevangen gezet en naar straf-batailjons gezonden, waar velen stierven ten gevolge van mishandelingen en ontberingen. Meer dan 400 gezinnen werden uit huis en hof verjaagd en werden zoo een prooi van allerlei ziekten en gebrek. In het boekje van Vladimir Tchertkoff Christian Martyrdom in Russia<ref>Christelijk martelaarschap in Rusland.</ref> vindt men dit uitvoerig beschreven. Deze werd tot loon hiervoor uit Rusland verbannen. Door dat boekje en door Tolstoï werd de aandacht der geheele wereld gevestigd op de gruwelen, die hier plaats vonden. De openbare meening, vooral in Engeland, kwam daartegen in verzet en onder den druk daarvan kregen deze eenvoudige, maar standvastige boeren eindelijk verlof om naar Kanada te gaan en zich aldaar te vestigen, om overeenkomstig hun beginselen te kunnen leven.
In Rusland vinden wij meer zulke sekten. Zoo lazen wij van de sekte der Zwervers, die elke deelneming aan het staatswezen of aan de kerk beschouwen als duivelswerk, daar de vroome mensch zich door de vlucht en door rusteloos omzwerven moet onttrekken aan de wereld. De Zwerver heeft geen vrouw, geen eigendom, hij erkent noch den staat noch de kerk, hij vergiet geen bloed en verricht dus geen krijgsdienst, hij arbeidt niet. Alleen “om der zwakheid wille” mogen enkelen een vaste woonplaats hebben en een beroep vervullen, maar dan zjn zij verplicht kamers disponibel te houden, waarin zij ten allen tijde onderkomen en asiel geven aan de Zwervers. Deze sekte moet in hooge eer staan bij het Russische volk. De Zwerver is een echt nationale type van de groote slavische wereld van het oosten.
Tolstoï is anarchist; hij ziet in den staat het gewelds-machtmiddel om de menschen te dwingen en wil dus den staat vernietigen. De staat is voor hem de heerschappij der slechten. Hij noemt den grondslag van het gezag het lichamelijk geweld en daarom zegt hij, dat “in weerwil van de voortdurende pogingen der bestuurders om het te verbergen en aan het gezag een andere beteekenis te geven, is het voor den mensch een koord, waarmede hij gekneveld, een keten waaraan hij voortgesleept, de knoet waarmede hij afgeranseld zal worden, het hakmes of de bijl, die hem de armen, de beenen, den neus, de ooren, het hoofd zullen afhouwen; zóó was het onder Nero en Gengis Kan, en zóó is het heden ten dage nog onder de vrijzinnigste regeering, die van de Amerikaansche of Fransche republiek.” Hij vindt door de geheele geschiedenis bevestigd, dat het niet de besten maar de slechtsten zijn, die altijd de macht in handen hebben gehad en nog hebben, want heerschzucht gaat niet gepaard met braafheid, maar integendeel met hoogmoed, sluwheid en wreedheid. Men mag het nemen zooals men wil, maar “zonder verheffing van zichzelven en vernedering van anderen, zonder huichelarij en bedrog, zonder gevangenissen, vestingen, terechtstellingen kan geen gezag verkregen noch behouden worden.” Immers heerschen wil zeggen geweld uitoefenen, geweld uitoefenen wil zeggen doen wat hij, wien het geweld wordt aangedaan niet wil en wat hij, die het geweld aandoet, zeker niet zou willen dulden, bij gevolg wil “heerschen” zeggen, anderen doen wat men niet zou willen dat men ons deed, dat wil zeggen kwaad doen. Hierbij komt nog, dat “het bezit van macht de menschen bederft”. Hoeveel middelen de menschen ook uitgedacht hebben, om de machthebbers te verhinderen het welzijn van het geheel ondergeschikt te maken aan hun eigen voordeel, tot nu is geen enkel gebleken proefhoudend te zijn. “Iedereen weet, dat zij, die de macht hebben, onverschillig of zij keizer, minister, politieman of agent zijn, juist omdat bij hen de macht berust, meer neigen tot onzedelijkheid, tot ondergeschikt-maken van het algemeen welzijn aan hun persoonlijk voordeel dan zij, die geen macht hebben; en het kan ook niet anders zijn.” Het hebben en het misbruik maken van macht is voor hem hetzelfde. “De verschrikkelijkste rooverbende is niet zoo erg als een organisatie van den staat. Elk rooverhoofdman is daardoor beperkt, dat de menschen, die zijn bende vormen, althans een deel der menschelijke vrijheid behouden en het bedrijven van handelingen kunnen weigeren, als zij tegen hun geweten strijden.” Maar in den staat is zoo’n beperking niet aanwezig; geen misdaad is zoo ontzettend, dat zij niet begaan wordt door ambtenaren en het leger overeenkomstig den wil van hem, die toevallig aan het hoofd staat, onverschillig of hij Boulanger, Pugatschew, Napoleon heet." De tijd zal komen dat iedereen duidelijk begrijpt dat de overheden volstrekt nutteloos zijn, slechts overlast aandoen, de tijd komt, waarop alle instellingen, die op het geweld zijn gegrond, verdwijnen zullen omdat gebleken is, dat zij nutteloos, onzinnig en zelfs tastbaar ongeschikt zijn.
De hoogste wet is voor hem de liefde en daaruit leidt hij het gebod af om het kwade niet met geweld te weerstaan. Hij wil dat men den krijgsdienst zal weigeren, geen eed zal afleggen, geen belastingen zal betalen, geen staatsbetrekking zal bekleeden, geen personen voor eenige regeering evenmin als zichzelf laten kiezen in eenig bestuur van land, provincie of gemeente, in één woord dat men alles zal weigeren, wat in aanraking brengt met den staat. Hij wil beginnen met een bekeering van de menschen van binnenuit, want hoe kan men een redelijke en zedelijke maatschappij vormen met menschen die zoozeer verstompt zijn, dat zij hun eigen ouders zouden doodschieten, als het hun bevolen werd? Bij weigering van al die zoogenaamde plichten zullen de regeeringen in de uiterste verlegenheid komen, want hen omkoopen geeft niets, zij bewijzen immers hun belangeloosheid door het gevaar, waaraan zij zich blootstellen; hen bedriegen door de verzekering dat het gehoorzamen aan de wet door God bevolen is, geeft evenmin iets, daar hun weigering gegrond is op de duidelijke en onbetwistbare wet van God; hen bang maken door bedreigingen baat niets, want de ontberingen en het lijden, wat hun wacht, zal hen te vuriger doen begeeren de goddelijke wet op te volgen, die zegt God meer te gehoorzamen dan den menschen; hen levenslang opsluiten of ter dood brengen zou slechts meehelpen om bevorderaars der ongehoorzaamheid te doen opstaan. Tolstoï vindt, dat “de socialisten, kommunisten, anarchisten met hun bommen, oproeren, revolutie bij lange na niet zoo gevaarlijk zijn voor de regeeringen, als die op zichzelf staande personen, die hun weigeringen alom luide verkondigen en zich daarbij gronden op dezelfde leer, welke allen kennen.” De revolutionairen bestrijden de regeering met uitwendige middelen en daarom zijn zij niet zoo gevaarlijk als de christenen, die inwendig alle beginselen vernietigen, waarop de staat is gegrondvest. Het christendom in zijn ware beteekenis vernietigt den staat.
In zijn laatst uitgegeven brochure Moderne slavernij verlangt hij: 1. dat men noch vrijwillig noch gedwongen zal deelnemen aan de werkzaamheden van den staat en dus geen soldaat, veldmaarschalk, minister, ontvanger der belastingen, burgemeester, jurylid, parlementslid of getuige ten dienste der overheid zal zijn; 2. geen belasting betalen, direkte noch indirekte, geen geld gebruiken dat door belastingen is bijeengebracht, noch in den vorm van loon noch in dien van pensioen, alsook geen gebruik maken van staatsinstellingen, die onderhouden worden door de belastinggelden, aan het volk gewelddadig ontnomen; 3. niet vragen om staats-geweld ter bescherming van bezit van grond of andere voorwerpen, evenmin voor eigen veiligheid en die zijner naasten en de grond zoowel als alle voortbrengselen van andermans of eigen arbeid slechts bezitten in zooverre andere menschen er geen aanspraken op maken.
Dit komt met andere woorden neer op den raad om zich maar op te hangen, want op die manier kan men onmogelijk leven in de bestaande maatschappij. Levenslange gevangenschap, vrijwillig verhongeren, of zich van kant maken – zietdaar de keuze waarvoor men op deze wijze gesteld wordt. Het komt ons voor dat men zijn doel voorbijschiet door zulke eischen te stellen, die niemand ooit heeft vervuld, Tolstoï evenmin als iemand anders, of ook maar kan vervullen. En tot het onmogelijke is niemand verplicht.
Dat alles omkleedt hij met een mystiek waas, zonder te bedenken dat hij even willekeurig te werk gaat bij zijn keuze van teksten uit de evangeliën als de dienaren der kerk. Elk neemt daaruit in den regel wat in zijn kraam te pas komt en dekt dit met een tekst, maar hij vergeet dat de anarchist, die zichzelf tot gezag neemt, niet steunen mag op het uitwendig gezag van wien ook.
Toch blijft Tolstoï een eigenaardige type, de “hooge verpersoonlijking van ontferming en erbarming”, omgeven door zijn volgelingen met een zekeren stralenkrans van heiligheid om de slapen zijn hoofds. Hij leeft nu zeer eenvoudig op zijn prachtig landgoed Jasna Poliana bij Taula na een wild hartstochtelijk leven geleid te hebben en werkt met de arbeiders mede op het veld of houdt zich thuis onledig met schoenmaken. Ook heeft hij in zijn dorp een school gesticht, die geheel op de vrijheid der kinderen is gebaseerd en waarvan al wat schoolsch is, zoo ver mogelijk is verwijderd. Of de schildering der volstrekte kuischheid in de Kreutzer-sonate getuigt van een gezond inzicht in de menschelijke natuur, betwijfelen wij. Evenals Salomo na het leven volop genoten te hebben, zijn: “alles is ijdelheid” predikt, evenzeer klinkt het eigenaardig van Tolstoï op zijn ouden leeftijd en na het leven volop genoten te hebben de kuischheid te hooren voorstellen als het hoogste ideaal. Men zal verstandig doen bij de lezing zijner werken zich niet te laten medeslepen, maar kalm zelf te schiften en te onderscheiden om het kaf te laten verstrooien in den wind en het koren te behouden. Hij heeft als ‘t ware een school gevormd van menschen, die zich naar hem Tolstoïanen noemen, een school die in verschillende landen aanhangers vindt.
Veel punten van aanraking heeft Tolstoï dus met de anarchisten, voornamelijk waar hij het militarisme en het gezag aanvalt, maar overigens bestaat er een groot onderscheid tusschen hem en de anarchisten. Tolstoï zoekt een antwoord op de vraag welk geluk een bestaan kan opleveren dat slechts een langzame dood is. Hij vindt vierderlei soort van uitkomst, om uit den treurigen toestand te geraken waarin wij ons allen bevinden, te weten: 1°. onkunde, bestaande in het niet-weten dat het leven een kwaad is: 2°. de Epikureïsche opvatting, volgens welke wij genieten van alle goederen die zich aan ons aanbieden; 3°. kracht en energie, die uitloopen op zelfmoord, en 4°. zwakheid, bestaande in het voortslepen van het leven, hoewel men het kwaad en den onzin zeer goed inziet.
Tolstoï onderscheidt zich van de anarchisten hierin, dat hij zich vijandig stelt tegenover de wetenschap en den vooruitgang beschouwt als een bijgeloof, terwijl de anarchisten juist van de wetenschap de redding der menschheid verwachten. Peter Lavroff schrijft over Tolstoï: “dit zielkundig proces is zeer pijnlijk, maar het voldoet niet om er een logisch karakter aan te verleenen. Integendeel. De neiging zelfs om de kwestie te stellen: waarvoor is het goed? geeft in deze gevallen een weerzin te kennen voor de logische oplossing van zijn eigen vraagstukken. Logisch kan de vraag naar het einddoel alleen gesteld worden door de verschillende deelen van een reeks handelingen, verricht door het wezen dat redeneert en resultaten te weeg gebracht door deze handelingen, zoodat het resultaat en de zaak behooren tot eenzelfde reeks. In een reeks vraagstukken die leiden tot een bepaalde konklusie, kan men zich afvragen waartoe het dient om dit of dat vraagstuk in overweging te nemen. Een mensch die zich een bepaald doel stelt, kan vragen: waartoe dient deze of gene handeling, vervuld ten opzichte van dit doel. Een mensch die een bepaalde praktische overtuiging bezit, kan zich dezelfde vraag stellen ten opzichte van elke handeling, die in betrekking staat tot die overtuiging, welke overigens tot inhoud heeft: het denkbeeld van een leven aan gene zijde van het graf, de begeerte van een algemeenen vrede, de vernietiging van de kapitalistische orde of de begeerte van een persoonljke wraak. Maar het is in strijd met de logika om te vragen: waartoe dient het leven? zoolang men geen overtuiging heeft uitgewerkt om te vragen: waarom iets te wenschen? omdat de wenschen buiten het domein liggen, dat onderworpen is aan onze redeneering. Hij die logisch wil redeneeren, kan niet met Tolstoï herhalen:”deze vraagstukken zijn wettige vraagstukken en zeggen dat ’de wetenschap schuldig is’ om er niet op te antwoorden, terwijl zij beweert dit wel te doen. Zoolang men geen geloof heeft uitgewerkt, is de vraag: waartoe is het goed om te leven? niet alleen onwettig maar ongerijmd. En zoodra een overtuiging is gevormd, beweert de wetenschap niet alleen dit vraagstuk op te lossen, maar doet het werkelijk, want zij laat toe de middelen te onderzoeken, in staat om te leiden tot een doel dat door deze overtuiging is aangegeven. Elkeen kan dan een antwoord geven op de vraag: waarom leeft hij? Dit antwoord kan zeer laag zijn: ter verrijking; het kan mystiek zijn: voor het geluk van het paradijs; het kan eindelijk hierin bestaan dat ik mijzelf toesta te beschouwen als zedelijk rationeel: om bij te dragen tot de ontwikkeling van het geweten en van de solidariteit onder de menschheid. Maar welk het antwoord het ook zij, het laatste vraagstuk: en daarna? is uitgesloten. Elk mensch die logisch denkt, stelt zich een bepaald einddoel voor waarnaar hij streeft…. In alle gevallen, ziet hij niet naar gindsche zijde van het doel."
Terwijl de anarchisten de genietingen des levens willen smaken, verlangt Tolstoï dat hij zich deze zal ontzeggen. Willen de eersten dus het grootst mogelijk geluk, de laatste wil het individu dooden. De eersten staan aan de zijde van Guyau, die meent, dat “de hoogste intensiviteit van het leven tot noodzakelijke aanvulling heeft zijn meest ruime uitzetting,” terwijl Tolstoï het genot beschouwt als een zonde.
Als Tolstoï den nadruk legt op den handenarbeid als onontbeerlijk voor de gezondheid van het individu zoowel als voor den goeden toestand der maatschappij, dan zijn de anarchisten dit op zichzelf met hem eens, maar zij drijven het niet tot minachting van allen intellektueelen arbeid, zij wenschen dat beiden verbonden worden om den mensch te brengen tot den hoogsten staat van volkomenheid. Wil Tolstoï ons terugvoeren naar het leven op ’t land, waar allen hetzelfde werk verrichten, de anarchisten willen profiteeren van de vorderingen der industrie door machines, verdeeling van den arbeid, enz. Tolstoï onderscheidt met de oude mystieken tusschen twee levens; het dierlijke of lagere en het geestelijke of hoogere, waarvan het eerste moet afsterven om het tweede te bevorderen. En hoe nuttig zijn kritiek ook moge zijn op de maatschappij, hij wendt de menschen af van het socialisme, van de revolutie. Door allen nadruk te leggen op de innerlijke bekeering van den mensch komt men toch tot een verfijnd egoïsme, dat zooveel denkt en werkt voor zichzelf dat er geen gelegenheid overblijft om te werken voor anderen. Misschien is hij een uitnemend christen der oude kerk, een anarchist in den modernen zin van het woord is hij niet, want niet levensverzaking maar levensgenieting is het streven van dezen.
Vreemd moet het toeschijnen, dat de Russische regeering die anders zoo gauw bij de hand is met gevangenisstraf en verbanning naar Siberië, hem blijkbaar niet aandurft. Zelfs de ban, tegen hem uitgesproken door de Heilige Synode der Russische kerk, heeft hem niets geschaad. Wel ’n bewijs van den grooten invloed, dien hij heeft in Rusland en niet minder in het buitenland, vooral in Engeland, waar een storm van verontwaardiging zou opsteken, als men de hand uitstrekte naar den grijsaard, wiens dood der regeering echter zeer welkom zal zijn.
Tot deze school kan ook gerangschikt worden dr. Eugen Heinrich Schmitt, wiens brochure Zonder Staat zeker een der scherpste aanklachten is, die ooit tegen den staat zijn uitgebracht. Hij noemt den grondslag van den staat de misdaad, echter niet de “gemeene”, maar de geheiligde, de bevoorrechte, de wettelijke misdaad. “De zedelijke grondslag van den staat is achting voor de misdaad, is de tot hoogheid verheven, tot heiligheid verklaarde misdaad.” De staat is de “vader der leugen” en de groote “menschenmoorder van den beginne”. Hij wil den godsdienst der gemeenschap en vrijheid, den godsdienst van den vrijen geest. Maar evenals de meeste anderen hult hij zich in een mystieken sluier, zoodat men slechts vaag verneemt wat bhij eigenlijk wil en denkt. In plaats van te blijven staan op den bodem der werkelijkheid, het zekerste fundament waarop men kan voortbouwen, verliezen zij zich te veel in nevelen, maar juist dat mystieke waas, dat er over hun geschriften ligt uitgestrekt, oefent op velen nog een groote aantrekkingskracht uit, op velen die verblind worden als de sluier van het beeld van Saïs geheel wordt weggerukt, zoodat men de waarheid ziet zooals zij is.
In Engeland hebben verschillende Tolstoïanen kolonies gesticht om den geest van broederschap in praktijk te brengen en ofschoon de meesten dezer christen-anarchisten zijn, betoonen zij zich verdraagzaam ook tegenover revolutionaire anarchisten, die zij zelfs wel in hun kolonies opnemen. Zoo ontstond de International Christian Brotherhood, en in navolging daarvan de Internationale Broederschap in Nederland, die in 1890 een land- en tuin-bouwkolonie begon te Blaricum.
Onder de Engelschen noemen wij John C. Kenworthy, wiens boeken: Anatomy of Misery<ref>Ontleding der ellende.</ref> en From Bondage to Brotherhood<ref>Van slavernij tot broederschap.</ref> zeer lezenswaardig zijn. In het eerste wijst hij het onvoldoende aan der politieke aktie, waardoor de arbeidersklasse niets is vooruitgegaan, zooals het voorbeeld van Engeland sints het begin der eeuw leerde. Zoolang het privaateigendom bestaat, zal hierin geen verandering zijn te brengen. Ook gewelddadige revolutie brengt volgens hem geen heil, hij dringt aan op de eigen innerlijke hervorming, die alleen baat kan geven. En het tweede bespreekt meer de beste praktische toepassing van de beginselen, die hij in het eerste ontvouwde.
J. Bruce Wallace, redakteur van het maandschrift Brotherhood, en anderen staan hem jverig ter zijde om propaganda te maken voor de denkbeelden van het christelijk anarchisme, feitelijk een andere benaming voor Tolstoïanisme.

C. Mutuellisme.

Pierre Joseph Proudhon (1809-1865).

“De scherpzinnigste en klaarste geest die in de wereld geleefd heeft sints Lessing en Kant” – zoo getuigde Karl Grün van Proudhon, die door hem werd binnengeleid in de dialektische wijsbegeerte van Hegel. De “Mefistofeles der revolutie” – was de naam door Mazzini hem gegeven. En Victor Considérant betitelde hem met den naam van “enfant terrible” van het ekonomisme. Zelf noemde hij zich de “Sentinelle perdue du prolétariat” (de verloren schildwacht van het proletariaat) en in zijn werk: Qu’est ce que la propriété?<ref>Wat is het eigendom?</ref> geeft hij den volgenden dialoog ten beste: “aan welken regeervorm geven wij de voorkeur? – Wel, kunt gij dit nog vragen, roept zonder twijfel een mijner jonge lezers uit, gij zijt republikein – Republikein, ja; maar dat woord preciseert niets. Respublica, nu, dat is de algemeene zaak: dus kan ieder, die de algemeene zaak wil, onder welken regeervorm dan ook, zich republikein noemen. De koningen ook zijn republikeinen. – Welnu, dan zijt gij demokraat? – Neen. – Wat! zoudt gij monarchaal zijn? – Neen. – Konstitutioneel? De hemel beware mij! – Gij zijt dus aristokraat? – In de verste verte niet. – Wilt gij dan een gemengden regeervorm? – Nog minder. – Wat zijt gij dan ? – Ik ben anarchist… Anarchie, afwezigheid van meester, van soeverein, dat is de regeering die wij dagelijks naderbij komen.”
Het is zeer moeilijk te zeggen wat Proudhon was. Wel was zijn devies: destruam et aedificabo (ik zal afbreken en opbouwen), maar zijn meesterschap openbaarde zich het sterkst in de kunst van ontleden en kritiseeren en zelfs tegenstanders, zooals de katholieke hoogleeraar Thonissen, wisten hem tot op zekere hoogte te waardeeren. Hoort slechts wat deze getuigt: “Man van genie gevoelt hij zijn kracht en verheft er zich op. Man van arbeid en diepzinnige wetenschap in een tijd waarin onkunde en halfweten elkander te dikwijls ontmoeten in de aanzienlijke kringen der maatschappij ondervindt en betoont hij een diepe minachting voor het geslacht, dat het lot des vaderlands in handen heeft. Daar ligt de eerste bron van dien Titanentrots, die nu alle grenzen te buiten gaat en die zich tegen God heeft durven keeren, nadat hij den handschoen had toegeworpen aan de instellingen en menschen. Welk een onderwerp van bittere overdenking! Welk een geluk voor Frankrijk en de wereld als zoo’n man, in plaats van zich te wijden aan een werk van vernieling en anarchie de macht van zijn genie had gewijd aan de handhaving der orde en der gezonde leeringen, aan de verdediging van de beschaving, bedreigd door de aanvallen van een nieuwe barbaarschheid.”
Hoe gaarne had de tegenpartij zoo’n man gehad! Dat is de erkenning zijner machtige persoonlijkheid. En hoe spijtig voor haar, dat juist hij getrouw bleef aan de belofte, door hem afgelegd in zijn eerste memorie over het eigendom: “ik zal niet ophouden de waarheid na te jagen over puinhoopen en afbraak heen. Ik heb daarvoor den eed afgelegd, ik zal getrouw zijn aan mijn werk van afbreken.”
Proudhon wist wat armoede was, want als kind hoedde hij het vee voor de boeren en later hielp hij zijn vader in de kuiperij. Maar reeds vroegtijdig toonde hij een gelukkigen aanleg en dit was de oorzaak dat de vroegere patroon zijns vaders hem op 12-jarigen leeftijd een plaats wist te bezorgen op het gymnasium. Ofschoon hij de school ongeregeld bezocht, daar hij dikwijls thuis moest bijspringen, was hij zoo vlug dat hij zijn verzuim niet alleen inhaalde, maar op het eind van den kursus alle prijzen behaalde. Op zijn 18e jaar eindigde zijn studieleven, hij moest den kost verdienen en werd evenals Pierre Leroux letterzetter en spoedig korrektor. Het geluk diende hem, daar hij van zijn vaderstad Besangon een beurs kreeg van fr. 1500, ten gevolge waarvan hij drie jaar onbezorgd te Parijs kon studeeren. In 1839 beantwoordde hij een prijsvraag over de zondagsviering, waarin hij uit maatschappelijk oogpunt de zondagsrust verdedigde en voorstond, maar hoe buitengewoon het werk was, de heeren durfden het niet bekronen en toch een loffelijke vermelding konden zij het niet onthouden. Toen hij in 1840 zijn geschrift uitgaf: wat is het eigendom? ging er een storm van verontwaardiging tegen hem op. Een man die stoutweg durfde zeggen, dat het eigendom diefstal is, die het eigendomsrecht wilde vervangen door bezitrecht, die anarchie, afwezigheid van dwingend gezag voorstond – neen, het liep de spuigaten uit. En dat iemand die een beurs had, het was brutaal! Enkelen kozen zijn partij, in zooverre het hier gold een wetenschappelijke kwestie. Proudhon was toen ook erg bitter gestemd, want hij had te worstelen met groote ellende, zoodat hij meermalen op het punt stond zich in de Seine te werpen, om er op die manier een einde aan te maken.
Zonder den steun van Adolphe Blanqui, den ekonoom en broeder van den bekenden socialist Auguste, zou hij waarschijnlijk vervolgd zijn geworden. Uit dankbaarheid droeg hij zijn tweede memorie over het eigendom aan Blanqui op. Zijn derde memorie, een “waarschuwing aan de eigenaren” was een antwoord op de kritiek, geleverd door Victor Considérant. Nu werd het echter te erg, een vervolging werd ingesteld maar de jury sprak hem vrij. Zijn ellende nam toe, want de beurs hield op en zijn drukkerijtje leverde slechts zorgen en schulden. Hij had juist genoeg om niet te sterven, maar leefde als een Stoïcyn.
In dit geschrift over het eigendom “ontdekte” Proudhon reeds het “ekonomisch materialisme”, welke ontdekking ‘n twintigtal jaren later met grooten ophef werd gedaan door Marx! Ook onderscheidde hij twee zijden der waarde, de gebruikswaarde (valeur en soi, valeur d’usage) en de ruilwaarde (valeur en échange, valeur d’opinion) en zoo kwam hij tot de theorie der meerwaarde, die opgesteld werd door anderen dan de arbeiders, een theorie die ook al “ontdekt” heet door Marx.
Had hij in 1842 hoop op een kleinen post, die de burgemeester van Besangon hem wilde geven, hij sloeg zijn eigen glazen in door een verkiezingspamflet en hij bleef, wat hij geweest was, een “pur prolétaire”’, (een zuiver proletariër) zooals Sainte Beuve het uitdrukte of wel een “proletariër met 6000 frank beneden nul,” zooals hij zelf zei. Meende hij bij de uitgave van zijn werk De la création de l’ordre dans l’humanité ou Principes d’organisation politique (Over de schepping der orde in de menschheid of Beginselen van politieke organisatie) in 1843, dat dit een revolutie zou te weeg brengen in de wijsgeerige studiën, grooter nog dan die door Kant was bewerkt en te vergelijken ook alleen met de ontdekking van Newton, later noemde hij dit werk zijner jeugd “au dessous du médiocre” (beneden het middelmatige). In datzelfde jaar kreeg hij een plaats te Lyon in de groote kolen- en transportzaak van gebr. Gauthier, een vriend zijner jeugd, waarbij hij het geluk had tijd genoeg over te houden voor zijn studie. Hij bleef dan ook levendig belang stellen in de politieke en sociale ontwikkeling van zijn tijd, al nam hij er direkt geen deel aan.
Hij schreef in Juli 1844 aan een vriend: “ik zie weinig menschen en houd mij zooveel mogelijk verre van politieke vergaderingen. Cabet is op het oogenblik hier. Deze :brave man wijst mij reeds aan als zijn opvolger in het apostolaat; dit opvolgerschap geef ik weg voor een kop koffie. Ik weet niet hoeveel nieuwe evangelies men tegenwoordig predikt: een evangelie van Buchez, een evangelie van Pierre Leroux, een evangelie van Lamennais, van Considérant, van George Sand en Flora Tristan, een evangelie van Pecqueur en nog vele anderen. Ik heb geen lust het aantal dezer dwazen te vermeerderen; ik maak daarom een wonderlijken indruk op hen, die mij voor ’t eerst zien, als zij dadelijk bemerken, dat ik nog mijn gezond menschenverstand heb.”
Hij zag toen reeds dat de socialistische partij zich begon te organiseeren en al was zij zich zelve volgens hem nog niet bewust, daar zij zich kommunistisch noemde, toch meende hij dat de eerste helft der eeuw niet voorbij zou gaan zonder dat de Europeesche maatschappij den machtigen invloed van het socialisme zou ondervinden.
In dien tijd, den winter van 1844 en 45, kwam Proudhon in aanraking met Karl Grün en door hem met het Duitsche geestesleven. Welke invloed het op hem uitoefende, dat hij Hegel leerde kennen, toont de samenstelling van zijn boek Systême des contradictions économiques ou philosophie de la misère 1846. (Stelsel der ekonomische tegenstellingen of Wijsbegeerte der ellende). Hij noemde zelf dan ook zijn drie voornaamste leermeesters: de bijbel, Adam Smith en Hegel. Het was in dien tijd dat hij in betrekking kwam tot Karl Marx, die hem in 1846 uitnoodigde om mede te werken aan de Deutsch-französische Jahrbücher. Zijn antwoord op die uitnoodiging uit het jaar 1846 is kenschetsend en heeft misschien aanleiding gegeven, dat Marx zich zoo scherp tegenover hem stelde. De angst voor dogma’s zat er toen reeds in, want hij schreef: “laat ons gemeenschappelijk de wetten der maatschappij zoeken, de wijze waarop die wetten zich verwerkelijken, den vooruitgang tengevolge waarvan wij tot de ontdekking ervan komen, maar laat ons om Godswil onzerzijds het volk niet doktrinair willen maken, nadat wij alle aprioristische dogmatismen hebben vernietigd; laat ons niet vervallen in de tegenspraak van uw landsman Martin Luther, die nadat hij de katholieke theologie over boord had geworpen, dadelijk aan ’t werk ging, onder aanwending van banvloeken de protestantsche theologie te grondvesten. Drie eeuwen lang is Duitschland ermede bezig het lapwerk van Luther te vernietigen. Leggen wij het menschelijk geslacht niet de nieuwe taak op met nieuw cement. Ik ben het met u eens om alle meeningen te laten meespreken; laat ons een goede en eerlijke polemiek voeren; laat ons aan de wereld het voorbeeld geven van een wijze en voorzichtige verdraagzaamheid, maar laat ons op onze hoede zijn, omdat wij aan de spits der beweging staan, om ons op te werpen tot leiders eener nieuwe onverdraagzaamheid: gedragen wij ons niet als apostelen van een nieuwen godsdienst, zelfs dan niet als deze godsdienst die der logika, die der rede is. Wij moeten alle protesten welkom opnemen; wij moeten elke uitsluiting, elk mysticisme bestrijden; wij moeten een vraag nooit houden voor afgedaan en als wij ons laatste argument hebben verbruikt, laat ons dan met welsprekendheid en ironie van voren af aan beginnen. Onder deze voorwaarde zal ik met genoegen in den kring treden, maar anders niet”. In antwoord verder op Marx, die gesproken had van het oogenblik der daad (au moment de l’action) wees hij erop dat de meening verkeerd was, alsof geen hervorming mogelijk was zonder een handgreep of revolutie en de revolutionaire daad niet moest aangewend worden als middel ter hervorming, daar zij een beroep was op het geweld, op de willekeur. Hij wilde de eigendomstheorie keeren tegen het eigendom zelf op een wijze, die zal voortbrengen wat de Duitschers noemen gemeenschap van goederen (communauté), maar bij vrijheid en gelijkheid. Hij meende het eigendom beter te gronde te kunnen richten door klein geweervuur dan nieuwe kracht te verleenen aan de eigenaars door een Bartholomeusnacht en verwees naar zijn werk (contradictions), dat reeds voor de helft gedrukt was en waarin hij dit denkbeeld nader uiteenzette.
Zonder nu met zijn Duitschen bewonderaar Mühlberger te zeggen, dat “een enkel hoofdstuk der Contradictions een grooteren oogst van denkbeelden geeft dan de gezamenlijke werken van Marx”, meenen wij toch, dat dit werk allerminst verdient den smaad, door Marx erover uitgestort in zijn antwoord daarop in de lijvige brochure: Misère de la philosophie (Ellende der wijsbegeerte) en dat te meer niet, omdat Marx verschillende denkbeelden met hem gemeen heeft, waardoor het vermoeden gewekt wordt dat hij uit zijn werk veel geput heeft en hem nu uitscheldt om de verdenking van plagiaat te ontgaan. Proudhon zegt van die kritiek: “ik heb het libel van dr. Marx ontvangen, de Misère de la philosophie als antwoord op de Philosophie de la misère. Het is een samenweefsel van grofheden, laster, vervalsching en plagiaat.”
Proudhon behandelt de geschiedenis der menschheid in dat werk met al haar ekonomische evoluties. Ziethier de tien tijdvakken, die hij daarin onderscheidt:

  1. Tijdvak der arbeidsverdeeling;
  2. Tijdvak der machine;
  3. Tijdvak der konkurrentie;
  4. Tijdvak van het monopolie;
  5. Tijdvak der staatszorg of belasting;
  6. Tijdvak der handelsbalans;
  7. Tijdvak van het krediet;
  8. Tijdvak van het eigendom;
  9. Tijdvak der kommunauteit (kommunisme) en
  10. Tijdvak waarin de mensch zich uit bezorgdheid bezig houdt met het bevolkingsvraagstuk.

Waar de tegenspraken zich ophoopen, zoodat de maatschappij gelijkt op den verkeerden kant van een tapijt, daar ziet hij toch ook voor zijn geest iets beters: “zij moet zijn een wet van ruil, een theorie van mutualiteit, een stelsel van waarborgen dat de oude vormen onzer burgerlijke- en handelsmaatschappij oplost en voldoet aan alle voorwaarden van duidelijkheid, vooruitgang en rechtvaardigheid door de kritiek aangeduid; een maatschappij niet meer alleen konventioneel maar werkelijk; die de verdeeling in parcellen verandert in een werktuig der wetenschap; die de slavernij van de machine afschaft en de verschijning van de krisis voorkomt; die van de konkurrentie een weldaad maakt en van het monopolie een waarborg tot veiligheid voor allen; die door de macht van haar beginsel het kapitaal en den staat onderwerpt aan den arbeid in plaats van krediet aan het kapitaal en bescherming aan den staat te vragen, die door de oprechtheid van den ruil een waarachtige solidariteit tusschen de volkeren vestigt; die zonder het individueel initiatief te verbieden, zonder het huiselijk sparen te beletten, onophoudelijk aan de maatschappij de rijkdommen toevoert die de toeëigening ervan wegneemt; die door deze beweging van wegnemen en terugkeer van kapitaal de politieke en industrieele gelijkheid der burgers verzekert en door een flink stelsel van openbare opvoeding de gelijkheid der funkties en gelijkwaardigheid van geschiktheid bezorgt door het steeds verheffen van peil; die door de rechtvaardigheid, het welzijn en de deugd, het menschelijk geweten hernieuwende, de harmonie en het evenwicht der geslachten verzekert; een maatschappij in één woord, die tegelijkertijd organisatie en overgang zijnde, aan het voorbijgaande ontsnapt, alles waarborgt en tot niets verbindt.”<ref>Systême, dl.II, bl.414.</ref>
Wat hij is, valt moeilijk te zeggen, gelijk wij reeds opmerkten, want hij is een echte “wilde”, een vrijbuiter op eigen gelegenheid, een franc-tireur die oorlog voert op zijn manier zonder zich aan anderen te storen. Van het kommunisme wil hij niets weten, ja dit heeft geen verwoeder tegenstander dan hem. “De kommunisten zijn gelijk aan oesters, die naast elkaar zijn verbonden, zonder aktiviteit, zonder gevoel op den rots der broederlijkheid. De onherstelbaarheid van de onbillijkheid der goederengemeenschap, het geweld dat zij doet aan de onrechtvaardigheden en aan den afkeer, het ijzeren juk die zij oplegt aan den wil, de zedelijke marteling waarin zij ’t geweten houdt, de verslapping waarin zij de maatschappij stort en om eindelijk alles te zeggen de kwezelachtige en domme uniformiteit waaraan zij de vrije, aktieve, redeneerende, aan den mensch niet onderworpen persoonlijkheid ketent, hebben het algemeene gezonde verstand in opstand gebracht en het onherroepelijk verdeeld… Het kommunisme, ongelukkige leening gedaan aan de sleur der eigenaars, is de afkeer van den arbeid, de verveling van het leven, de onderdrukking der gedachte, de dood van het Ik, de bevestiging van het niet… Het kommunisme is een karikatuur van het eigendom. Het is de verheffing van den staat, de verheerlijking van de politie… Welk een verstandige en vooruitstrevende wijsbegeerte, dat kommunisme!… Het kommunisme is de godsdienst der ellende… Gaat weg van mij, kommunisten! uw tegenwoordigheid is mij een stank en uw aanzicht walgt mij.”
Is hij dan socialist?
Men zou het denken, want hij was de vertegenwoordiger van het socialisme in de kamer in de openbare meening en juist om zijn socialisme laadde hij den vloek der geheele wereld op zich en toch hooren wij van hem: “het socialisme is een logomachie (woordenspel)… Het bezit niets wat het eigen is, wat het onderscheidt, het samenstelt, het doet zijn wat het is, het is de willekeur en de ongerijmdheid van zijn geleende stellingen (emprunts).”Het is een even povere logikus als een verachtelijk kwakzalver." En elders in een brief aan Villegardelle: “gij kent het socialisme in zijn personen zoowel als in zijn boeken… Hebt gij in het socialisme iets anders aangetroffen dan ijdelheid en dwaasheid? Zeg het als ik laster… Wat zijn daden en gedragslijn aangaat, ik zie ervan af om er u over te onderhouden, de taak zou boven mijn geduld gaan en het zou te veel ellende en schande ontsluieren. Als man van vooruitgang en werkelijkheid wijs ik met al mijn kracht het socialisme af, leeg van denkbeelden, onmachtig, onzedelijk, alleen in staat om dupes en bedriegers te maken… Ik verklaar met het oog op deze onderaardsche propaganda, die zich verbergt in de duisterheid der stegen in plaats van het volle licht te zoeken en de kritiek te trotseeren; met het oog op dit schaamteloos sensualisme, op deze vuile letterkunde, op deze bedelarij zonder teugel, op deze verstomping van geest en hart die een deel der arbeiders voor zich begint te winnen, dat ik zuiver ben van deze socialistische laagheden.”
Wil hij wat van den godsdienst weten?
Evenmin! Hij zegt: “God is de dwaasheid en lafheid; God is het kwaad. Zoolang de menschheid zal neerbuigen voor een altaar, zal zij, de slavin van koningen en priesters, worden verworpen; zoolang een mensch in naam van God den eed zal ontvangen van een ander mensch, zal de maatschappij gegrondvest zijn op meineed, zullen de vrede en de liefde verbannen zijn onder de stervelingen. God, trek u terug, want van den dag van heden zweer ik, genezen van de vrees en verstandig geworden met de hand opgeheven ten hemel, dat gij niets anders zijt dan de beul mijner rede, het spook van mijn geweten… Uw naam, zoo langen tijd het laatste woord van den wijze, de wijding van den rechter, de kracht van den vorst, de hoop van den arme, de toevlucht van den berouwvollen schuldige, die onuitsprekelijke naam voortaan prijsgegeven aan minachting en vervloeking, zal uitgefloten worden onder de menschen… Als er een wezen is, dat vóór ons en meer dan wij de hel heeft verdiend, dan moet ik hem wel noemen, het is God.”
Diezelfde man vaardigde enkele jaren later een manifest uit, waarin hij “in tegenwoordigheid Gods en met de hand op de heilige evangeliën” zwoer gratie te hebben met de hedendaagsche eigenaren, wanneer deze zijn Volksbank wilden begunstigen en uitbreiden. Maar kon men een oogenblik gelooven aan zijn bekeering, weldra vernamen wij dat “een God die regeert en zich niet verklaart een God is dien ik ontken, dien ik boven alle dingen haat”.
Hoewel wij hem niet kumnen klassificeeren, een ketter was hij in de meeste opzichten –alleen ten opzichte van de vrouw was hij zoo behoudend mogelijk want hij wilde niets weten van haar vrijmaking– en hij richtte zijn slagen tegen het kapitaal, de regeering en het katholicisme als de drie elementen van de tirannie. “Het kapitaal, waarvan in de politieke orde de regeering de analogie is, heeft in de godsdienstige orde het katholicisme tot synoniem. De ekonomische idee van het kapitaal, de politieke van de regeering of van het gezag, de theologische van de kerk zijn alle drie identiek en wederkeerig vatbaar voor verwisseling: de eene aan te vallen is de andere aan te vallen. Wat het kapitaal doet tegenover den arbeid, en de staat tegenover de vrijheid, dat verricht op haar beurt de kerk tegenover het verstand.”De demokratie is de afschaffing van alle machten: de geestelijke, de tijdelijke, de wetgevende, de uitvoerende, de rechterlijke en de eigenaarsmacht… De ware regeervorm is de an-archie. Geen partijen, geen gezag, algeheele vrijheid van den mensch en den burger.“<ref>Confessions d’un révolutionnaire.</ref>
Maar vergeten wij niet den tijd waarin hij leefde, vergeten wij niet hoe hij het socialisme en kommunisme alleen kende van den kant van den staat, zooals hij het formuleerde:”alle socialistische sekten zonder uitzondering zijn met hetzelfde vooroordeel bevangen; alle biechten zij, onder den invloed van de ekonomische tegenspraak tegen haar wil haar onmacht op voor de noodzakelijkheid van het kapitaal: alle wachten zij voor de verwerkelijking harer ideën, totdat zij de regeering en het geld in handen hebben. De utopiën van het socialisme, wat de associatie aangaat, laten meer dan ooit de waarheid te voorschijn treden, die wij in den beginne uitspraken: er zit niets in het socialisme, dat niet in de ekonomie wordt gevonden; en dit eeuwige piagiaat is de onherroepelijke veroordeeling van beide. Nergens ziet men het groote hoofddenkbeeld opschemeren, dat zoo duidelijk te voorschijn treedt uit de reeks der ekonomische kategoriën: dat de hoogere formule der associatie zich in ’t geheel niet heeft bezig te houden met het kapitaal, het voorwerp der rekening van enkelen, maar dat zij alleen betrekking heeft op het evenwicht der produktie, op de voorwaarden van den ruil, op de progressieve daling der produktieprijzen, de eenige bron van den toenemenden rijkdom. In plaats van de betrekkingen te bepalen van industrie tot industrie, van arbeider tot arbeider, van provincie tot provincie, en van volk tot volk, denken de socialisten er alleen aan om het kapitaal te bemachtigen, terwijl zij het vraagstuk van de solidariteit der arbeiders altijd beschouwen alsof het te doen was om de grondvesting van een nieuw huis van monopolie. De wereld, de menschheid, de kapitalen, de industrie, de gang van zaken zijn voorhanden; men behoeft slechts de wijsbegeerte ervan op te zoeken, met andere woorden ze te organiseeren: en de socialisten zoeken kapitalen! Daar zij steeds buiten de werkelijkheid staan, hoe is het daar te verwonderen dat de werkelijkheid hun ontgaat?"
Zooals men ziet, het kommunisme en socialisme, dat hij alleen kende, was staatskommunisme en staats-socialisme en daar hij het leunen op den staat en het afwachten van de verovering der politieke macht verderfelijk achtte, verzette hij zich daartegen met alle krachten. Om een bekende uitdrukking te bezigen, met het badwater spoelde hij tevens het kind weg.
In 1847 gaf Proudhon zijn betrekking op, om van zijn pen te leven. Allerlei plannen spookten rond in zijn hoofd, toen hij als zoovele anderen overvallen werd door de revolutie van Februari 1848. De nieuwe republiek voldeed geenszins aan hetgeen hij verlangde en tegen het einde der maand Maart verschenen twee afleveringen van een boek, waarin hij onder den titel; Solution de la question sociale (oplossing der sociale kwestie) een oplossing gaf, zooals hij zich die voorstelde. Het gold hier volgens hem een ware volksbeweging, want geen enkele leider gaf den stoot, integendeel zij predikten allen geduld. Maar de heeren van het voorloopig Bewind begingen de fout dat zij de oude zaak overnamen om haar voort te zetten zonder te begrijpen dat het de likwidatie was van een failliete massa. Dwang en reglementatie werden schering en inslag. Ook was het delegeeren der soevereiniteit aan anderen, al werden zij gekozen door algemeen kiesrecht, averechts verkeerd. De demokratie richtte zich Jakobynsch in als ’n tirannie der meerderheid, die steunde op de macht van het cijfer. Was de revolutie sociaal begonnen, zij werd weldra politiek en zoo was de republiek niet veel anders dan de voortzetting der konstitutioneele monarchie, terwijl zij moest zijn een positieve anarchie. “Deze is niet de vrijheid gehoorzaam onderworpen aan de orde, zooals in de konstitutioneele monarchie, noch de vrijheid gevangen gehouden binnen de orde, zooals het Voorloopig Bewind dat begreep. Zij is de vrijheid, verlost van al haar belemmeringen: het bijgeloof, het vooroordeel, het sofisme, de agiotage, het gezag; het is de onderlinge vrijheid en niet de vrijheid, die zich binnen enge grenzen beperkt: de vrijheid, in één woord, niet de dochter der orde, maar de moeder der orde.”

In de pers zocht hij een tribune om geregeld tot het volk te kunnen spreken. Van April tot September redigeerde hij Le représentant du Peuple (De Volksvertegenwoordiger) welk blad vervangen werd door Le Peuple, dat tot 1 October 1849 verscheen. Weer werd dit blad opgevolgd door La Voix du Peuple (De Volksstem), die tot Juli 1850 leefde en na dien tijd opnieuw verscheen als Le Peuple tot aan het einde van 1850. Op 4 Juni 1848 werd Proudhon ook gekozen tot afgevaardigde. Tegenover de organisatie van den arbeid van Louis Blanc stelde hij de organisatie van het krediet, welk idee hij in een afzonderlijk geschrift nader uiteenzette. Gratis krediet en de cirkulatie steunde op de wet der wederkeerigheid (réciprocité), wat hij elders mutuellisme noemde (mutuel = onderling, wederkeerig). Naar dat woord noemden zijn aanhangers zich Mutuellisten.
Hij wilde drie middelen door de republiek ter hand zien genomen.

  1. een konsekwent doorgevoerde zoogenaamde tierceering der inkomsten van pacht, huur en kapitaal, grootendeels ten behoeve van den staat en voorts ten behoeve van de pachters, huurders en schuldenaars van de kapitalisten. Dus een derde der inkomsten werd genaast. Dit moest gepaard gaan met uitstel van betaling van al het vervallen handelspapier en zich uitstrekkend van 8 tot 40 dagen, uitstel van den interest der hypotheken en van de aflossing van schatkistbiljetten en van alle panden in de spaarbank tot zelfs voor zes maanden, uitstel van betaling aan de houders van staatspapieren, verlenging van betaling voor huren en pachten tot ongeveer 3 maanden, “rembours” van alle hypothekaire schulden;
  2. een equivalente verlaging van de prijzen van alle produkten en diensten;
  3. een organisatie van de cirkulatie, waartoe hij met afschaffing van de heerschappij van het goud een Ruilbank wilde oprichten (banque d’échange), die naamloos papier zou uitgeven, om in ruil te worden gebruikt, betaalbaar op zicht, maar alleen tegen koopmanschappen en diensten. Dit papier zou gedekt worden alleen door produkten.

Als gevolgen stelde bij zich voor: het inkrimpen van specie en dus het overboord werpen van bankiers en financiers, het vergrooten van het débouché door de uitbreiding van ieders koopkracht, afschaffing van de bestaande vormen van belasting, daar zij allen vervangen konden worden door een verhooging van de diskonto-premie, die dan aan den staat komt, afschaffing der douane-rechten, inkoop der staatsschuld. Staat en maatschappij zouden zich omzetten in een toestand van positieve anarchie: de maatschappij zou zichzelve regelen en kontroleeren.
De revolutie van 1848 was in tegenstelling der vorige een ekonomische, het meest burgerlijke wat bestaat. “Het zijn de werkplaats, het kantoor, het huishouden, de kas – de meest prozaïsche dingen ter wereld, die het meeste stof leveren aan de revolutionaire energie en groote woorden. Hoe zal men de deelneming van den arbeider aan de winst, het maatschappelijk maken van arbeid en kapitaal, het evenwicht tusschen in- en uitvoer in verzen uitdrukken en op muziek zetten! De organisatie van de cirkulatie en het krediet, de vermeerdering der produktie, de verhooging van den omzet, de bepaling van nieuwe vormen van industrieele vereenigingen – dit alles komt niet overeen met de stemming van 1793.”
Het parlementarisme haatte hij, want “niet in de klubs moet slag geleverd worden aan het eigendom; in uw werkplaatsen, op de markt moet dit geschieden. Spoedig zullen wij met u deze nieuwe strategie (krijgs-kunde) bestudeeren. Laat aan de bourgeois de politiek en de welsprekendheid over. De redeneerkunst der klubs kan u niets leeren. Al die woordenkraam is een beleediging tegen het praktische verstand, tegen den last van den arbeid, tegen den ernst der zaken, tegen het zwijgen der studie, tegen de waardigheid van den geest. Herinnert u, dat men onder Napoleon, dien man, die den arbeid symboliseerde door den oorlog, geen redevoeringen hield. De klubs behooren noch aan onze eeuw noch aan ons genie noch aan ons karakter. Die kunstmatige opwinding zal van verveling en haarkloverij vanzelf in elkander zakken. Geschiedt dit niet, dan zullen de nadeelige gevolgen, die daaruit voorspruiten voor u, onberekenbaar zijn.”
Hij verwierp den staat en noemde de “regeering van menschen door menschen slavernij. Wie zijn hand op mij legt om mij te gebieden, die is een usurpator (overweldiger, een tiran), ik verklaar hem tot mijn vijand.” In de plaats daarvan wil hij een gezellige samenleving der menschen, gegrond op onderling gesloten verdragen. Hij zag in elke heerschappij van menschen over menschen koningschap, onverschillig of het optrad in monarchalen, oligarchischen of demokratischen vorm, in ’t bizonder noemde hij “de demokratie niets anders dan konstitutioneele willekeur, die volgt op andere konstitutioneele willekeur, zij bezit geen wetenschappelijke waarde en kan hoogstens beschouwd worden als een voorbereiding tot de ééne ondeelbare republiek.” Met uitzondering van het eigendom, d.w.z. van zijn misbruik, wil hij alle bestaande instellingen behouden, alleen ze maken tot werktuigen der gelijkheid, maar de menschen moeten niet bijeengehouden worden door eenigerlei hoogste gezag, alleen de rechtens bindende kracht van het verdrag moet de maatschappij bijeenhouden. Zoodra het verdrag treedt in de plaats van de wet, heeft men de ware regeering van den mensch en burger, de ware volkssoevereiniteit, de republiek.
Het was op den 31sten Juli 1848, dat hij zijn beroemde redevoering van 2½ uur hield in de Nationale Vergadering over de reorganisatie van de belasting en het krediet, te midden van de verontwaardiging zijner medeleden, die daarna met algemeene stemmen op 2 na (Proudhon en Greppo) de volgende motie aannamen:

“De Nationale Vergadering

overwegende dat het voorstel van burger Proudhon een hatelijke aanranding is van de beginselen der openbare moraal, dat het ’t eigendom verkracht, de verklikking aanmoedigt;
dat het een beroep doet op de slechte hartstochten;
overwegende bovendien dat de spreker de revolutie van Februari 1848 heeft gelasterd, door te beweren dat zij medeplichtig is aan de door hem ontwikkelde theoriën,
gaat over tot de orde van den dag.”

Louis Blanc, Victor Considérant, Pierre Leroux, allen verklaarden zich tegen hem, de ketter-anarchist werd geworpen uit de synagoge van het officieel socialisme. Zijn politieke rol im dat lichaam was uitgespeeld, waar hij nooit in had moeten gaan. Later pas heeft hij dit ingezien, toen hij in zijn Confessions schreef:
“de herinnering der Junidagen zal mij altijd als een verwijt op ’t hart drukken. Ik erken met smart, tot den 25sten heb ik niets voorzien, niets geweten, niets geraden. Sints veertien dagen gekozen tot volksvertegenwoordiger was ik de Nationale Vergadering binnengekomen met den schroom van een kind, met den ijver van een nieuweling. Na onophoudelijk 19 uur lang in vergaderingen, bureaux en komite’s gezeten te hebben, verliet ik de vergadering pas des avonds, uitgeput van vermoeidheid en walging. Sints dien tijd had ik opgehouden in betrekking te staan tot de massa; daar ik opging in mijn wetgevenden arbeid had ik de loopende zaken heelemaal uit ’t gezicht verloren. Men moet geleefd hebben in die isoleercel (isoloir) die men Nationale Vergadering noemt, om te begrijpen hoe de menschen die het meest onbekend zijn met den toestand des lands, het bijna altijd zijn die het vertegenwoordigen.
Noodlottige leertijd! De uitwerking van dit wetgevende moeras, waarin ik moest leven, was dat ik voor niets verstand had…. Neen, ik was geen lafaard in Juni, zooals gij het mij beleedigend hebt toegevoegd in de Nationale Vergadering, meneer Sénard, ik ben evenals gij en zoovele anderen een domoor geweest. Ik ben door parlementaire stompzinnigheid te kort gekomen aan mijn plicht als vertegenwoordiger. Ik was dáár om te zien en ik heb niet gezien; om alarm te maken en ik schreeuwde niet. Ik heb gedaan als de hond die niet bijt, in tegenwoordigheid van den vijand. Ik, de gekozene van het plebs, journalist van het proletariaat, had deze massa niet zonder leiding en raad moeten laten: honderdduizend menschen verdienden dat ik mij met hen bemoeide. Dat was beter geweest dan te verstijven in uw bureaux. Ik heb sints dien tijd gedaan wat ik kon om mijn onherstelbare fout goed te maken; ik ben niet altijd gelukkig geweest, ik heb mij dikwijls bedrogen – mijn geweten verwijt mij niets meer.”
Deze oprechte belijdenis pleit zeker voor de eerlijkheid van karakter bij den man, die haar aflegde.
Proudhon bleef echter sints dien tijd de eigenlijke “homme-terreur” der revolutie, “Ik ben als een salamander”, schreef hij. “Ik leef in het vuur, verlaten, verraden, vogelvrij, vervloekt door iedereen, sta ik pal tegenover iedereen en houd èn de reaktie èn alle vijanden der republiek in bedwang. Het volk dat mij in het vervolg houdt voor zijn eenigen vertegenwoordiger, komt in massa tot mij. Men zweert alleen bij mij of tegen mij.”
Toen in het midden der maand Oktober het groote revolutionaire banket werd gehouden in de Rue Poissonière, werd hij voorgesteld door de socialistische partij als voorzitter. Hij bedankte en verwees naar Ledru Rollin, maar toen ook deze bedankte naar Lamennais. Generaal Cavaignac verving echter den dag vóór het banket het ministerie Sénart door Dufaure-Vivien en daar de Bergpartij de regeering interpelleerde en een vertrouwens votum voorstelde voor het afgetreden kabinet, onthield Proudhon zich van stemming. Hierover verontwaardigd verklaarde de Bergpartij geen deel te zullen nemen aan het banket, wanneer Proudhon er kwam. Deze verweet haar dat dit slechts een voorwendsel was, zij durfde het socialisme niet openlijk aanvaarden. Op dat banket bracht Proudhon zijn beroemde toost uit op de revolutie en in geestdrift zei hij: “het evangelie brengt – de gelijkheid voor God, de Renaissance of de wijsbegeerte – de gelijkheid voor de rede, de revolutie van 1789 – de gelijkheid voor de wet. Revolutie van 1848, hoe noemt gij u? Ik noem mij het Recht op den arbeid. Wat is uw vaandel? De associatie. Uw devies? De gelijkheid van het lot. Waar voert gij ons heen? Naar de broederlijkheid.”
In dien tijd valt het duel met Felix Pyat, dat hij later een “groote domheid” (une grosse bêtise) noemde, daar hij ook met dit vooroordeel als met zoovele anderen wilde breken en toen kort daarna Charles Delescluze hem uitdaagde naar aanleiding van de kandidatuur van Raspail, weigerde hij dan ook beslist.
Op ’t laatst van 1848 maakte hij alle aanstalten tot de oprichting van zijn Ruilbank. Alles dreef hem daartoe: de onmacht der politieke partijen, de gunstige gelegenheid, het ongeduld der arbeiders. Zijn doel hiermede was:

  1. om door een voorbeeld van vrijwillige, onafhankelijke en speciale centralisatie der ekonomische belangen de loef af te steken aan de toekomstige politieke hervorming;
  2. de regeeringspartij daardoor aan te vallen, dat aan het volksinitiatief een nieuwe keer gegeven en de individueele vrijheid meer en meer bevestigd wordt door wederkeerigheid:
  3. arbeid en welstand te verzekeren aan alle producenten, door hen direkt met elkaar in verbinding te brengen, d.w.z. hen te organiseeren als kapitalisten en konsumenten.

In 88 artikelen heeft hij de statuten ontworpen, van toelichting voorzien in het boekje Banque du Peuple (Volksbank). “Wanneer het volk zijn eigen bestwil erkent en niet besluit tot een hervorming der regeering maar tot een revolutie der maatschappij”, dan zal “de oplossing der regeering in het ekonomisch organisme” plaats hebben op een wijze, waarover men nu alleen vermoedens kan uitspreken.
Ofschoon die tijd van voorbereiding, de drie eerste maanden van 1849 door hem genoemd is “de schoonste tijd zijns levens”, het eigenlijke plan zelf heeft hij niet mogen verwerkelijken. Wel had hij in zes weken tijds ongeveer 20.000 verklaringen van personen die toetraden, vertegenwoordigende minstens 60.000 personen, wel liet alles zich goed aanzien, maar een aanval op Napoleon bezorgde hem een vervolging, die op 14 Februari 1849 werd toegestaan door de kamer. Wegens het “aanzetten tot haat en verachting tegen de regeering” werd hij veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf en 3000 frank boete. Hij ontvluchtte naar België en dacht naar Zwitserland te gaan, toen hij in Parijs in ’t verborgen verblijf houdende ontdekt en opgepakt werd. Toch had hij een volksbank op eigen hand opgericht, P.J. Proudhon et Cie, waarvan de grondslagen waren: kosteloos krediet en direkte ruil van produkten tegen produkten zonder bemiddeling van geld, alleen tegen circulatiebons. Den 11den Februari opende deze bank, wier aantal deelnemers 12.000 bedroeg, terwijl het ingeschreven bedrag aan aandeelen 36.000 frank beliep, maar tengevolge van de aanklacht en de daarop volgende veroordeeling likwideerde hij de zaak, zoodat er niemand iets bij te kort kwam.
Zijn Confessions d’un révolutionnaire, geschreven in de gevangenis Saint Pélagie vormen een prachtige bijdrage voor de revolutie van Februari, die gekend moet worden door elkeen, die er prijs op stelt met kennis van zaken over deze gebeurtenis te schrijven.
Ook verscheen tijdens zijn gevangenschap L’idée générale de la révolution au XIX siècle. (Het algemeene denkbeeld over de revolutie in de 19de eeuw). Daarin omschrijft hij wat hij verstaat onder het Mutuellisme en dan ziet men dat dit feitelijk niets anders is dan het kollektivisme, in 1868 aangenomen door de Internationale. Hij schreef toen:
“tegenover personen en families wier arbeid het voorwerp der associatie uitmaakt, heeft de vereeniging (van vrije producenten) tot regels:
dat elk individu, gebruikt in de associatie, man, vrouw, kind, grijsaard, chef de bureau, meesterknecht, arbeider, leerling heeft een onverdeeld recht op het eigendom der vereeniging;
dat hij het recht heeft om er successief alle voorwaarden van te vervullen, alle graden volgens de gebruiken van sekse, talent en leeftijd;
dat zijn opvoeding, onderwijs en leeftijd bij gevolg bestuurd moeten worden op zulk ’n wijze, dat door hem zijn deel van de weerzinwekkende en pijnlijke korveën gedragen wordt en hij een reeks werkzaamheden en kundigheden doorloopt om hem op rijperen leeftijd een encyklopedische bekwaamheid en voldoend inkomen te verzekeren;
dat de funkties bij verkiezing gegeven worden en de reglementen onderworpen aan de toestemming der geassocieerden;
dat het loon geëvenredigd is aan den aard der funktie, het belang van het talent, de uitgebreidheid der verantwoordelijkheid;
dat elk geassocieerde deelneemt aan de voordeelen zoowel als aan de lasten der vereeniging in verhouding tot de bewezen diensten;
dat elkeen vrij is om naar zijn wil de associatie te verlaten, bij gevolg zijn rekening te regelen en zijn rechten te likwideeren en wederkeerig de associatie meesteres blijft om altijd nieuwe leden aan te nemen.
Deze algemeene beginselen verschaffen de oplossing van twee belangrijke vraagstukken van sociale ekonomie: dat van de kollektieve macht en dat van de verdeeling van den arbeid.”<ref>L’Idée générale de la Révolution, bl.256/57.</ref>
Tijdens de gevangenschap huwde hij met een jonge, arme werkster, die hem een aangenaam tehuis en drie meisjes schonk.
Uit de gevangenis gekomen in Juni 1852 zag elkeen hoe het niet lang zou duren of president Napoleon Bonaparte zou weldra als keizer over Frankrijk heerschen. Zijn boek La révolution sociale démontrée par le coup d’état (de sociale revolutie aangetoond door den staatsgreep) is een merkwaardig en scherpzinnig werk. Hij zet daarin uiteen, hoe de misdaad van 2 December, hoe beklagenswaardig op zichzelve, slechts de strenge en preciese konsekwentie is van den stroom van denkbeelden, die van Februari tot December 1851 in Frankrijk hebben geheerscht. Alle partijen konspireerden, allen riepen om de diktatuur, allen wilden een staatsgreep doen. Het succes behoorde aan den koensten of den opmerkzaamsten. Hij noemt Louis Napoleon den “mandataris der revolutie.” Werd door de politie zijn boek in beslag genomen, hij richtte zich tot den prins-president, die het boek vrijliet. Anarchie en cesarisme worden hier zuiver tegenover elkander geplaatst.
Ofschoon hij in betrekking stond met prins Napoleon –de brieven van hem aan dien prins zijn bewaard door Sainte Beuve in zijn biografie– en hoewel hem later geldelijke aanbiedingen werden gedaan, die hem in zijn armoede ten goede zouden zijn gekomen, hij weigerde het geld en niemand vermag ook den minsten blaam werpen op de onbaatzuchtigheid van Proudhon.
Wij laten zijn praktische werken zooals de Manuel des spéculateurs à la Bourse (Handboek der spekulatie aan de beurs) en Des Réformes à opérer dans l’exploitation des chemins de fer (Hervormingen die in de exploitatie der spoorwegen moeten plaats hebben) onbesproken, om te wijzen op zijn groote boek: De la justice dans la révolution et dans l’église (Over de rechtvaardigheid in de revolutie en in de kerk) in 3 dikke deelen en uitgegeven in 1858. Dit boek, waarin hij van de beginselen der revolutie en niet van die der kerk heil verwacht, waarin hij heftig in ’t gericht treedt tegen de Fransche samenleving, die onder Napoleon alle houvast heeft verloren, bezorgde hem een nieuwe vervolging en een nieuwe veroordeeling tot 3 jaar gevangenisstraf en een boete van fr. 4000.
Ditmaal wist hij naar Brussel te ontkomen en zelfs toen er in 1859 een algemeene amnestie werd gegeven, maakte hij daarvan geen gebruik. Weer schreef hij eenige boeken, zooals La guerre et la Paix (De oorlog en de vrede) in 1860, Théorie de l’Impôt (Theorie der belasting) en Les Majorats littéraires (de letterkundige majoraten). Tegenover de eenheidstheoriën in de buitenlandsche politiek bepleitte hij het Fédéralisme. Uit België gezet door den drang der liberalen keerde hij in 1862 te Parijs terug, om dat beginsel nader te verdedigen.
Zijn boek De la capacité politique des classes ouvrières (Over de politieke bekwaamheid der arbeidersklassen) was zooveel als zijn testament, hij stierf op 19 Januari 1865 nog vóórdat het geheel voltooid was. Daarin stelt hij tegenover de strenge organisatie en centralisatie op ’t gebied der produktie, door de verschillende socialistische scholen voorgestaan, die uitloopt op de grootst mogelijke dwingelandij, het beginsel van het Mutuellisme, dat leidt tot vrijheid en rechtvaardigheid. In de ekonomie wil hij het Mutuellisme, in de politiek het Federalisme en langs dien weg zal men komen tot de broederschap.
Prof. Quack herinnert eraan, dat hij drie schrik-aanjagende leuzen aan de wereld heeft nagelaten, te weten: eigendom is diefstal –men weet dat reeds Brissot lang vóór hem hetzelfde heeft gezegd– God is het kwaad en de orde is de anarchie.
Zeer zeker neemt Proudhon een eigenaardige plaats in de geschiedenis van het socialisme in, want hij was een zelfstandig en scherpzinnig denker, om niet te spreken over zijn onkreukbaar karakter. Hij gevoelde het dat hij bij geen partij thuis behoorde, want hij zou telkens uit elk partijverband springen. “Ik behoor tot de partij van den arbeid tegenover die van het kapitaal en ik heb mijn heele leven gearbeid. En dat men het wete: van alle klaploopers die ik ken, is nog de ergste soort die der revolutionaire klaploopers. Ik wil noch regeeren noch geregeerd worden”. In die woorden heeft hij zijn standpunt zeer goed gekarakteriseerd. En hoewel het socialisme zich later bewogen heeft in een richting tegenovergesteld aan de zijne, toch is zijn invloed hier en daar onmiskenbaar. Bovendien heeft hij zaden uitgestrooid van het vrijheidlievend socialisme, die niet verstikt zijn geworden, maar aanleiding gaven tot nieuw leven, al openbaart het zich ook in andere vormen. Onder de apostelen der vrijheid zal zijn naam door alle tijden heen een eereplaats blijven innemen.

D. Kommunistisch anarchisme.

1. Michaël Bakunine (1814-1876).

De machtige persoon, die in het derde kwartaal der 19de eeuw de socialistische beweging beheerscht, is, naast Marx de man wiens naam aan ’t hoofd van dit hoofdstuk staat. Zij beiden zijn de inkarnatie van de twee stroomingen in het socialisme, die men kan weergeven onder de namen: Gezag en Vrijheid. Eigenaardig dat beiden voort zijn gekomen uit dezelfde school, nl. die van Hegel. Ofschoon Bakunine in een kleine fragmentarische autobiografie zijn geboortejaar opgeeft als 1815, is bij onderzoek gebleken dat het 1814 moet zijn. Van vaderszijde behoorde hij tot den ouden Russischen adel en dat zijn vader rijk moet geweest zijn, blijkt wel uit de omstandigheid, dat hij eigenaar was van 1000 mannelijke personen (lijfeigenen) –de vrouwen telden niet mede, zoodat het aantal feitelijk 2000 was– over wie hij absoluut meester was. Van moeders zijde was hij familie van de Mouravieff, een berucht minister – en beulengeslacht in Rusland. Bakunine’s vader was een vrijzinnig man, die zijn kinderen –11 in getal– een liberale opvoeding gaf, ofschoon de ongelukkige afloop van de samenzwering in 1825, waaraan hij zelf door een gelukkig toeval ontkwam, een verandering bij hem te weeg bracht, zoodat hij daarna zijn kinderen opvoedde tot getrouwe onderdanen van den czaar. Na een opleiding aan de artillerie-school te Petersburg werd Michaël reeds op zijn 17de jaar officier. Een avontuurlijke trek bestond onmiskenbaar in Bakunine, en dit is niet te verwonderen, als men weet dat zijn vader veel op reis was geweest en eindelijk teruggekeerd zulk een afkeer had van de Russische maatschappij, dat hij zich terugtrok op zijn landgoed in het gouvernement Twer (distrikt Torjok), gelegen tusschen Moskou en Petersburg. Het liefst onderhield hij zijn kinderen met reisbeschrijvingen en met de natuur, waarvan hij een hartstochtelijk minnaar was.
Daar de jonge Michaël –om welke reden weten wij niet– in de garde niet werd opgenomen, moest hij als gewoon officier naar het binnenland. Hij verveelde zich daar zoodanig, dat hij weldra ontslag nam en toen gedeeltelijk in het ouderlijke huis, gedeeltelijk te Moskou leefde. Behalve verveling hebben daartoe zeker ook veel bijgedragen tot zijn ontslag de mishandelingen der Russen in Lithauen, waarvan hij ooggetuige was gedurende twee jaren. Misschien had hij toen reeds een voorgevoel van hetgeen hij later meende over den beroepssoldaat, die ophoudt mensch te zijn om soldaat te worden, genummerd automaat zonder wil, blind instrument in de handen van anderen, aan wie hij absoluut gehoorzaamheid verplicht is. Voor een vriend der vrijheid is geen plaats in het leger, waar de vrijheid kontrabande is. Het schijnt dat zijn vader hem dit ontslag nemen niet kwalijk nam, althans wij vernemen nergens dat de verstandhouding tusschen vader en zoon daardoor verstoord werd.
Het jaar 1835 bracht hem in kennis met Stankewitch, die hem binnenleidde in de wijsbegeerte van Duitschland en weldra was hij te Moskou een middenpunt, om wien zich velen groepeerden. Wij vinden daar Belinsky, den dichter Ogarjoff, den later zoo bekenden Katkoff en deze stonden allen in betrekking tot Alexander Herzen, die in ballingschap leefde te Wladimir. Bakunine, die op geen geldelijken steun van zijn vader kon rekenen, wist een som geld van Herzen te leenen en zoo gelukte het hem in 1840 naar Berlijn te komen. Daar heeft hij hard gewerkt en evenals Marx zijn wedergeboorte te Parijs onderging, zoo vond Bakunine haar te Berlijn. Hij kwam daar in aanraking met Varnhagen von Ense, die hem prees als een “rechtschapen jong mensch van edelen geest”, en verkeerde druk met den beroemden romanschrijver Ivan Tourguenjeff. Of hij in persoonlijke aanraking is geweest met Max Stirner, die volgens Engels veel invloed gehad heeft op de ontwikkeling zijner denkbeelden, kan niet met zekerheid gezegd worden, maar had hij met dezen, Engels, de twee Bauers en anderen behoord tot den zoogenaamden kring der Vrijen te Berlijn, wij zouden er zeker wel van vernomen hebben. Onder den naam van Jules Erysard schreef hij in Arnold Ruge’s Deutsche Jahrbücher für Wissenschaft und Kunst. Daarin deed hij zich kennen als een apostel der vrijheid en als men den nadruk legt op zijn woord: “de lust der vernieling is tegelijk een scheppende lust”, dan leert men reeds daaruit den lateren Bakunine kennen.
Het werd onveilig voor hem in Pruisen, want Rusland eischte hem op en Pruisen scheen hem te willen uitleveren. Hij vond het dus geraden heen te gaan en in gezelschap van den Duitschen dichter George Herwegh ging bij over Leipzig en Dresden naar Zwitserland, waar hij in 1843 vertoefde. In het proces dat toen tegen Weitling en de kommunisten werd gevoerd, onder leiding ook van Bluntschli, komt de naam van Bakunine ook voor. Hij ging, achtervolgd door de Russische politie, in 1844 naar Parijs.
Wonende bij den musikus Reichel, wiens vrouw een Russin was, ontmoette hij daar aan huis Proudhon meermalen en met hem onderhield hij een levendige gedachtenwisseling. Ook leerde hij daar in 1845 Marx kennen, maar deze kennismaking heeft hem niet veel geluk gebracht, want het schijnt, dat Marx bijna direkt een stillen, geniepigen oorlog heeft begonnen tegen Bakunine, ten minste Victor Dave getuigt dat “deze meester-lasteraar weldra begon voor altijd het leven te vergiftigen van dezen eerlijken man (Bakunine), die minstens even zekere en zeker schitterender waarborgen gaf van zijn politieke loyauteit en revolutionaire oprechtheid dan Karl Marx het ooit deed van de zijnen.”<ref>Men vergelijke diens artikel in de Humanité Nouvelle: Michel Bakounine et Karl Marx, in het Hollandsch als brochure verschenen bij J. Sterringa onder den titel: Michel Bakunine en Karl Marx. (De geschiedenis van een laster-kampagne).</ref>
Hetzij Marx dadelijk in Bakunine een gevaarlijken mededinger zag hetzij andere redenen als rasverschil –de een was Slaaf en de ander Germaan, de een was Jood en de ander niet– of wel persoonlijke indrukken de oorzaak waren, wij weten het niet te zeggen, maar feitelijk bestond er tusschen hen nooit een eigenlijk gezegde goede harmonie. Steeds fluisterde men in den kring van Marx van een Russischen spion en tegelijkertijd sprak men het in het openbaar tegen. In 1848 publiceerde de Neue Rheinische Zeitung uit Parijs (het nummer van 6 Juli) dat de bekende schrijfster George Sand zich op zeer dubbelzinnige wijze had uitgelaten over Bakunine en zoo goed als tegen hem gewaarschuwd had. Dadelijk vroeg Bakunine opheldering aan haar en pas op 3 Augustus nam Marx een schrijven van haar op, gedateerd van 20 Juli, waarin zij dit bericht tegenspreekt en er aan toevoegt, dat zij “nooit den geringsten twijfel gekoesterd heeft aan de loyauteit van Bakunine’s karakter en de oprechtheid zijner overtuiging.” Ondanks dat lanceerde Marx in 1853 hetzelfde gerucht, zooals blijkt uit een artikel van Alexander Herzen, waarin men leest: “terwijl Bakunine in de Saksische vesting Königstein was opgesloten in afwachting van zijn terdoodveroordeeling, verkondigde Marx in zijn blad, dat Bakunine een agent was van de Russische regeering.” Bakunine schrijft daarover later: “Herzen heeft mij zelf gezegd, dat burger Karl Marx, later een van de voornaamste grondleggers der Internationale geworden en dien ik altijd beschouwd had als een man van groot talent en vol toewijding aan de groote zaak der vrijmaking van den arbeid, ijverig had deelgenomen aan die lasteringen. Ik verwonderde mij daar niet te veel over, wetende door mijn ervaring uit het verleden –want ik ken hem sints 1845– dat de beroemde Duitsche socialist, wiens groote eigenschappen ik steeds heb gehuldigd terwijl ik nooit zal nalaten daaraan ten volle recht te doen wedervaren, in zijn karakter sommige treffen heeft, die men minder verwonderd zou zijn aan te trekken bij een belletristischen jood, korrespondent van Duitsche bladen, dan in een ernstig en vurig verdediger van de menschheid en de rechtvaardigheid. Toen ik dus in 1862 te London kwam, onthield ik mij, om hem een bezoek te brengen, natuurlijk weinig verlangende naar de hernieuwing der kennismaking met hem. Maar op mijn doorreis te London zijnde in 1864 kwam hij mij zelf opzoeken en verzekerde hij mij, dat hij noch direkt noch zelfs indirekt deel had genomen aan deze lasterpraatjes, die hij zelf als laag had beschouwd. Ik moest hem wel gelooven.” Bakunine op zijn beurt gedroeg zich nooit onedel tegenover Marx, maar had ondanks alles een zeker respekt voor hem, zooals blijkt uit een brief, dien hij 28 Oktober 1869 schreef aan Herzen en waarin hij over Marx schrijft: “Ik heb hem geprezen, ik heb meer dan dat gedaan: ik heb hem den titel van reus gegeven. Om twee redenen, waarde Herzen. Ten eerste ter wille van de rechtvaardigheid. Alle laagheden terzijde latende die hij tegen ons heeft uitgebraakt, zullen wij niet miskennen, ik althans niet, de groote diensten die hij aan de zaak van het socialisme heeft bewezen sints bijna 25 jaren…. Hij. is ook een der eerste organisatoren, zoo niet de stichter van de Internationale. Naar mijn meening is het een groote verdienste die ik hem altijd zal toekennen, hoe zijn houding jegens ons ook zij…. Marx is ontegenzeggelijk een man van groot nut in de Internationale. Tot heden nog oefent hij op zijn partij een verstandigen invloed uit en is hij de krachtigste steun van het socialisme, de sterkste steun tegen de overheersching der denkbeelden en neigingen van de bourgeoisie. En ik zou het mijzelven nooit vergeven, als ik ook maar getracht had zijn weldadigen invloed uit te wisschen of zelfs te verzwakken met het eenvoudige doel om mij op hem te wreken.”<ref>Théologie politique de Mazzini et l’Internationale.</ref>
Het was na de ontvluchting van Bakunine uit Siberie, dat de Free Press, een blad waarvan Marx vast medewerker was, een ongeteekend artikel bevatte, beginnende met de woorden “een ander dezer agenten is weer vrijgelaten.” Herzen schreef naar aanleiding daarvan: “onder de Russen is niemand zoo dom om geloof te slaan aan dezen lasterpraat en niemand verachtelijk genoeg om hem te herhalen.” Bakunine schreef zelf in een Engelsch blad, dat als zijn “nobele” vriend, het hoofd der Duitsche kommunisten, zijn lagen lasterpraat wilde onderteekenen, hij hem niet met de pen in de hand, maar met de hand zonder pen zou antwoorden." Uiterlijk verlieten beiden elkaar als heele goede vrienden, zoo schreef Bakunine na een bezoek hem in 1863 gebracht door Marx, maar hij g1ncr dezen toch geen tegenbezoek maken.
Uit denzelfden koker kwam later op nieuw dezelfde laster, want op het kongres der Internationale te Bazel had Liebknecht hem alweer voorgesteld als een spion der Russische regeering. Op verzoek van Bakunine werd een jury benoemd van 10 leden, onder wie César de Paepe, Moritz Hess, Eccarius behoorden en met algemeene stemmen verklaarde deze, dat Liebknecht verkeerd had gehandeld door zulken lagen laster te herhalen. Liebknecht reikte Bakunine daarop de hand met de verklaring, dat hij Bakunine hield voor een eerlijk mensch en een goed revolutionair. “Ik heb mij bedrogen ten uwen opzichte”, zoo zei hij, “ik heb bijgedragen om lasterlijke beschuldigingen te propageeren, ik ben u herstel van eer schuldig.” Daartoe beloofde hij een artikel in de Duitsche pers te schrijven tot rektifikatie. Maar ondanks zijn formeele belofte is dat artikel nooit verschenen. Wel nam hij ook daarna korrespondenties op uit Parijs, waarin dezelfde lasterpraat opnieuw werd herhaald, zonder dat hij er ooit tegen opkwam. Zoo bleef men dus den laster exploiteeren, om te beter te kunnen optreden tegen Bakunine.
Maar wie de beide karakters, zoowel dat van Marx als dat van Bakunine gadeslaat, die moet tot de overtuiging komen, dat die mannen op elkander moesten botsen. De een is de man der theorie, de nauwgezette werkman in de studeercel, gevormd in de dialektiek der universiteit, een Duitsch geleerde in den geheelen opzet en samenstelling van zijn werk, de ander de man der aktie, meer het natuurkind dat vrij en frisch optreedt zonder schoolsche geleerdheid. De een gefatsoeneerd naar de vormen der wetenschap, vol eerbied voor autoriteit, ondanks zijn vechten tegen alle autoriteiten, daar hij zijn autoriteit wilde zetten in de plaats dier anderen; de ander de man van impulsies, die alles omver wilde halen, wat als versperring aan de vrije ontwikkeling van den mensch in den weg stond. Ofschoon uitgaande van dezelfde premissen was hun wereld-beschouwing een geheele andere, wij beschouwen ze als de personifikatie van twee beginselen: gezag en vrijheid.
Een redevoering, uitgesproken bij gelegenheid van het 17de jaarfeest van den Poolschen opstand van 1830, werd oorzaak dat Bakunine uit Frankrijk werd gezet. Hij vestigde zich nu te Brussel, maar nauwelijks brak de Februari-revolutie uit of hij was weer te Parijs en hoewel zijn hulp veel waard was in den beginne – Caussidière zei van hem dit merkwaardige woord: wat een kerel! Goud waard op den eersten dag: op den tweeden moet men hem neerschieten“! – men raakte met hem verlegen en zond hem weg met een opdracht om in Rusland een agitatie te verwekken. Te Praag zou een Slavonisch kongres worden gehouden. Bakunine ging er heen om te trachten een Pan-Slavonischen Raad op te richten. Het gelukte hem aldaar, in vereeniging met den Serviër Zach, om een oproeping te richten aan de Europeesche volkeren, ten einde een Pan-Europeesch volkerenkongres bijeen te brengen. De wrijving tusschen Duitschers en Czechen werd oorzaak van een oproer te Praag op 12 Juni en tengevolge daarvan spatte het kongres uiteen<ref>De bekende novellist Sacher Masoch deelt uit de Mémoires van zijn vader, direkteur van politie te Lemberg in 1848 mede, hoe aangenaam de indruk was, door Bakunine op hem gemaakt maar hoe hij betreurde het steeds toenemende antagonisme tusschen Duitschers en Czechen. "In het huis te Praag, waar mijn familie op de eerste verdieping woonde, waren op een der andere verdiepingen verschillende afgevaardigden van het Slavonisch kongres ingekwartierd en onder hen ook Bakunine. In een der gesprekken die hij met Bakunine had, zei deze toen reeds: "wat wij noodig hebben, is de volledige anarchie, Daaruit alleen kan de nieuwe wereld, die wij willen opbouwen, tot heil der menschheid ontstaan. In plaats van op zichzelven staande revolutionaire opstanden moeten we een toestand invoeren, die bestaat in een aanhoudenden onverbiddelijken oorlog tegen den staat en de maatschappij. Niet met barrikades en ook niet met den dolk der Carbonari, neen de wetenschap zal ons steeds nieuwe en betere wapenen leveren, bovenal reken ik allermeest op de volmaking der ontploffingstoffen. Deze zullen in de toekomst de artillerie der revolutie uitmaken. Men zal niet op de straat gaan en met de soldaten vechten, men zal slechts de regeerende kringen en wel onafgebroken decimeeren, zoowel hen die de staten besturen als de aristokraten en kapitalisten."</ref>.
Generaal Windischgrätz verliet met zijn soldaten de stad en bedreigde haar met een bombardement, als de rust niet hersteld werd. Bakunine deed al zijn best om de bevolking aan te vuren, maar toen het bombardement begon en heftiger werd, liet de stadsbevolking het komité alleen staan en gaf zich over. Natuurlijk moest Bakunine zorgen dat hij uit de voeten kwam. Verkleed zwierf hij in Duitschland rond, vol hoop op een nieuwen opstand der Czechen in Boheme, om daarvan een hefboom te maken tot verdere revolutionaire aktie der Slaven. Zijn revolutionair instinkt dreef hem mnaar Dresden, waar het ook niet pluis was. Indedaad voelde de koning van Saksen zich niet veilig meer in zijn eigen hoofdstad en hij achtte het beter om op 4 Mei 1849 de stad te verlaten en te gaan naar de vesting Königstein. Dit was voor het volk het signaal om te beginnen. Een”voorloopige regeering" werd benoemd, men zou Dresden in staat van tegenweer brengen. Bakunine was weer in zijn element. Afkeerig van kleine middelen gaf hij aan de kommandanten der barrikades de schriftelijke machtiging van het Bewind, om elk huis in brand te steken, wanneer men de soldaten daaruit niet op andere wijze kon verdrijven. Hoewel de bevolking zich dapper verdedigde tegen de koninklijke troepen, tegen de overmacht was men niet bestand. De leden van het Bewind vluchtten. Bakunine werd op 10 Mei gevat en geboeid naar Dresden gebracht. Hij werd ter dood veroordeeld, maar de koning “begenadigde” hem door dit vonnis te veranderen in levenslange gevangenisstraf. Op verzoek der Oostenrijksche regeering werd hij in Mei 1850 aan dat land uitgeleverd. Men hoopte van hem bizonderheden te vernemen over de Slavonische beweging, maar hij antwoordde niet eens op de hem gestelde vragen. Daarop werd hij in Maart 1851 vervoerd naar de gevangenis te Olmütz, waar hij zes maanden lang aan den muur geketend zat. Toen werd hij ook in Oostenrijk ter dood veroordeeld, maar alweer werd hij bewaard voor de volvoering van dit vonnis, doordat hij op verzoek van de Russische regeering aan Rusland werd uitgeleverd.
Dus tot twee malen toe is Bakunine ter dood veroordeeld en tot twee malen toe ontkwam hij aan de voltrekking van dit vonnis!

In Rusland bleef hij tien jaar lang gevangen, eerst drie jaar in de beruchte Peter- en Paulsvesting te Petersburg. Deed men pogingen om hem te doen buigen, alles stuitte af op zijn onverzettelijken wil en hij werd als een “gevaarlijk mensch” –het woord is van czaar Nikolaas I– gevangen gehouden. Na de eerste drie jaren bracht hij de volgende drie door in Schlüsselburg, waar hij de spruw kreeg, al zijn tanden verloor en vreeselijk geleden heeft. Uitgesloten van de amnestie bij de troonsbestijging van Alexander II –deze schrapte persoonlijk zijn naam van de lijst der begenadigden– kreeg hij de keuze om òf gevangen te blijven òf verbannen te worden naar Siberië. Hij verkoos het laatste en werd in April 1857 naar Tomsk in Westelijk Siberië vervoerd. Daar vond hij ook zijn vrouw, de dochter van een Poolschen balling. In 1859 verhuisde hij naar Irkoutsk in Oostelijk Siberië, waar hij in dienst trad bij de Amour-maatschappij. Toen hij door middel van Katkoff 6000 roebels machtig was geworden, gebruikte hij dit geld om te ontsnappen en werkelijk gelukte het hem naar Japan te vluchten. Van daar ging hij naar San Francisco en daar aangekomen verschafte zijn landgenooten hem geld, om naar New York te gaan. Het was December 1861 en op 27 December van dat jaar stond hij te London voor Alexander Herzen en Ogarjoff, nadat hij van 10 Mei 1849 af, dus ruim 12½ jaar had doorgebracht in Saksische, Oostenrijksche en Russische gevangenissen en Siberië. En zoo’n man moest nog onder de verdenking staan een politiespion te zijn!
In den beginne werkten Herzen en Bakunine samen, maar ten opzichte van Polen bestond tusschen hen geen eenstemmigheid. Bakunine won het in de redaktie van De Klok, door openlijk partij te kiezen voor de opstandelingen in Polen, maar het was de ondergang van dat blad. Man der daad liet hij het niet bij sympathie-betuigingen, hij ging in 1863 naar Zweden en hoopte vandaar uit gedaan te krijgen, dat de Finsche revolutie de Poolsche zou helpen. Tevens koesterde hij de verwachting van een algemeenen boerenopstand in Rusland. Zijn kleine expeditie mislukte echter, de middelen waarover hij beschikte, waren te gering. Door deze onderneming geraakte hij in verdere oneenigheid met Herzen.
In 1864 ging Bakunine naar Italië en woonde twee jaren in Florence en nu begint weer zijn werken voor de Anarchie. Hij vormde daar de Alliantie der sociale demokratie, de voorloopster der Alliance, die een paar jaar later ontstond. Die eerste was voornamelijk gericht tegen Mazzini en had een revolutionair socialistisch program, waarin front werd gemaakt tegen het godsdienstig fanatisme van Mazzini, het wilde “de volledige ontkenning van elke autoriteit en van elk geweld’. Over ’t algemeen beschouwt men in Italië Bakunine als den man, die het socialisme aldaar bracht.”Aan hem danken wij onze eerste revolutionaire opvoeding" – zegt Malatesta. In 1866 ging hij naar Napels, stichtte aldaar een nieuwen internationalen broederbond in den geest zijner Alliantie en vond veel bijval bij de jeugd. De namen van graaf Cafiero, Caporusso, Malatesta en anderen treffen wij aan onder degenen, die zich rondom hem schaarden om te werken aan de afschaffing van den staat in zijn politieke, juridieke, sociale en godsdienstige verwerkelijking en aan de reorganisatie der maatschappij door het vrije initiatief der vrije individuen in vrije groepeeringen.
Toen in 1867 te Genève het eerste Kongres der Vredes- en Vrijheidsliga bijeenkwam, was ook Bakunine daarheen getrokken. Dáár te midden van ontboezemingen over ontwapening en strijd tegen den oorlog wierp hij zijn ideën van opstand tegen de bureaukratie, de centralisatie en het geweld. Hij ijverde voor de heerschappij van de vrijheid en de autonomie niet alleen van elke natie, maar ook van elke provincie en elke gemeente. De staat moest verdwijnen en alles zich oplossen in een autonomie der gemeente (kommune). Van het eerste oogenblik dat hij in de openbare internationale beweging optrad, deed hij zich kennen als anarchist.
Waarom Bakunine Italië verliet, om zich te Genève te vestigen, is ons onbekend, maar wel zien wij hoe hij aldaar de Alliance de la démocratie socialiste stichtte en deze wordt de twistappel tusschen hem eener- en Marx met de Internationale andererzijds. Van de zijde van Marx werd het hem ten kwade geduid, dat hij deel uitmaakte van zulk een bourgeois-organisatie als de Vredes- en Vrijheidsliga, maar dit zou dan evenzeer gegolden hebben voor Johann Philip Becker, die een der oproepers tot dit kongres was, en anderen die tevens tot de Internationale behoorden. Bakunine trachtte samenwerking te verkrijgen tusschen de Vredes- en Vrijheidsliga en de Internationale, daar hij zeer goed begreep hoe men zonder het arbeidselement onmachtig zou blijken om iets uit te voeren. Uit dezen tijd dateert zijn verhandeling: Le Fédéralisme, le socialisme et l’antithéologisme, die echter ook al onvoltooid is gebleven. Zijn standpunt leert men daaruit echter voldoende kennen. In Juli 1868 sloot hij zich als lid van de centrale sektie der Internationale te Genève aan. Het Brusselsche kongres der Internationale (1868) verklaarde, dat “de afgevaardigden der Internationale gelooven, dat de Vredesliga geen reden van bestaan heeft met het oog op het werk der Internationale en zij noodigen deze liga uit zich bij haar aan te sluiten en haar medeleden om zich in de eene of andere sektie der Internationale te laten opnemen.”
Op het kongres der liga te Bern in 1868 deed Bakunine een laatste poging, om haar te brengen tot de erkenning van de rechten der arbeiders. Hij trad op voor de “ekonomische en sociale gelijkmaking (égalisation) der klassen eú individuen”. Van dit woord maakte Marx gebruik om te beweren dat Bakunine het klassen-standpunt niet aanvaardde, maar dit was enkel woorden-zifterij, want Bakunine zei duidelijk: “ik wil de opheffing (suppression) der klassen in ekonomisch en sociaal zoowel als in politiek opzicht”. Volgens de Mémoire présentée par la fédération jurassienne à toutes les fédérations de l’Internationale (Memorie, aangeboden door de Jura-federatie aan alle federaties van de Internationale) heeft ook de Algemeene Raad der Internationale het woord “égalisation” erkend als een drukfout. Verder sprak Bakunine zich scherp uit tegen het Kommunisme, waaronder men toen staatskommunisme verstond: “ik verafschuw het kommunisme, omdat het de loochening is der vrijheid en ik niets menschelijks kan begrijpen zonder vrijheid. Ik ben geen kommunist, omdat het kommunisme alle krachten der maatschappij koncentreert in den staat en daardoor laat opslokken, omdat het noodzakelijkerwijze voert tot de centralisatie van het eigendom in de handen van den staat, terwijl ik de afschaffing van den staat wensch – de radikale uitroeiïng van het denkbeeld van gezag en voogdijschap van den staat, dat onder het voorwendsel de menschen te moraliseeren en te beschaven, hen tot op den dag van heden tot knechtschap gebracht, onderdrukt, uitgebuit en bedorven heeft. Ik wil de organisatie van de maatschappij en van het kollektieve of sociale eigendom van onderen naar boven, door de stem der vrije associatie en niet van boven naar beneden door eenige autoriteit, welke ook, zooals altijd het geval was. Daar ik de afschafing van den staat wil, wil ik de afschaffing van het persoonlijk erfelijk eigendom, dat slechts een staatsinrichting is, niets anders dan een gevolg van het staatsbeginsel zelf. In dien zin ben ik kollektivist en in ’t geheel geen kommunist.”
Men lette wel op, dat toen de anarchisten zich kollektivisten noemden, terwijl nu omgekeerd de kollektivisten niets anders zijn dan staatssocialisten, daar het kollektieve begrip wil zeggen: in handen van den staat.
De minderheid, die uit de Vredesliga ging, stichtte nu de Alliance, maar wilde zich van den beginne af in verbinding stellen met de Internationale. De Algemeene Raad dezer vereeniging sloeg de aansluiting aan de de Internationale af, daar hij in de Alliance een staat zag in den staat. Toen deze later aan dien Algemeenen Raad vroeg of hij haar beginselen deelde, –want in dat geval zou zij zich kunnen ontbinden en overgaan in sekties der Internationale,– antwoordde die Raad geen uitspraak te kunnen doen over de wetenschappelijke waarde van het program der Alliantie, maar geen bezwaar te maken als de sekties der Alliantie zich vervormden tot sekties der Internationale en dus de Alliantie zich ontbond. Dit geschiedde en de Algemeene Raad was tevreden. Later beweerde men van Marxistische zijde, dat die aansluiting slechts voor den vorm plaats had gehad en dat de geheime organisatie der Alliantie toch was blijven bestaan, maar dat Bakunine dit gedaan had om de leiding van het geheel aan Marx te kunnen betwisten.
Men moet trachten in dezen billijk te oordeelen. Aan de eene zijde begrijpen wij volkomen, dat Marx bevreesd was voor zijn Internationale, die bedreigd werd door den invloed van Bakunine en dat hij in elkeen, die deze aanrandde, een vijand zag. Maar aan de andere zijde kennen wij de houding van Marx tegenover Bakunine en den instinktmatigen afkeer van dezen voor Slavische invloeden en dus de botsing kon niet uitblijven. Allicht is men geneigd alles toe te schrijven aan persoonlijke kwesties, maar men vergeet hoe moeilijk personen en zaken van elkander onderscheiden kunnen worden en hoe in elk geval –al loochenen wij het persoonlijk element van den strijd allerminst– achter de personen-kwestie wel degelijk een beginselverschil verborgen lag. Prof. Quack zegt zeer juist: “wie goed inzag, dat geheel het systeem der anarchie het geweldigste gevaar en een modderpoel kon worden voor het reeds georganiseerd socialisme, was Marx.” Juist, de vrijheid was het grootste gevaar voor het autoritair georganiseerd socialisme en dus Bakunine moest uit de Internationale worden geworpen, de noodzakelijkheid dwong hiertoe. De twee beginselen van gezag en vrijheid, gepersonifieerd in deze twee krachtige persoonlijkheden, botsten op elkander, omdat zij als tegenstellingen onmogelijk kunnen samengaan.
Hebben wij vroeger aan de hand van prof. Quack de leer van Marx in 12 punten, de nieuwe wetstafelen der sociaaldemokratie, samengevat, wij willen nu de leer van Bakunine op dezelfde wijze door hem zien samenvatten in deze 8 punten:

  1. Een samenleving zonder gezag of dwang of leiding. Volledige vrijheid en gelijkheid van allen moeten de voorwaarden der samenleving zijn. Zoodra er behoefte ontstaat aan samengaan en samenwerken, zullen de menschen zich vanzelf aan elkaar sluiten, maar altijd tijdelijk. De organisatie, die zoo ontstaat, is een levende, geheel verschillende van die welke wij door de verstijving van staat en wet ondergaan. Alles zal gaan van beneden naar boven. Geen éénvormigheid, maar variëteit. Gemeenschappelijk overleg zal telkens, bij elke fase van ontwikkeling, een evenwicht vestigen. Zoo komt het leven tot volle ontplooiïng en kracht. Het leven is een voortdurende wording. Dwazen zijn het, die met zwakke kribben en staketsels den bruisenden zwellenden stroom een bepaalde door hen bedachte richting zouden willen geven! Die wording is de ontwikkeling. De hoogste trap der vrijheid staat op het eind der baan. Met moeite en door strijd zal men haar bereiken. De solidariteit is de natuurlijke grondwet der menschelijke samenleving, en de geschiedenis is niets anders dan de reeks der achtereenvolgende manifestaties dier wet. Geen genot voor den mensch, als het niet gemeenschappelijk plaats heeft. De vrijheid van het individu is tevens de vrijheid van ieder, want een persoon is door die wet der solidariteit slechts vrij, wanneer zijn vrijheid haar bekrachtiging vindt in de vrijheid van alle menschen, zijn gelijken. Die solidariteit is het eenige gezag, waarvoor men moet buigen en geen ander is denkbaar.
  1. Uitgangspunt en doel der samenleving is de soevereiniteit van het individu. Elk mensch moet bewust de wet voor zichzelven stellen en in vol bewustzijn, als hij wil, overleg met anderen plegen of volgen. De mensch is geen ambtenaar der gemeenschap, maar autonoom. Echter niet het geïsoleerde individu, maar het individu levende in den dampkring der solidariteit. Een alleenstaand persoon is een abstraktie, een fiktie. Hij zou het verpersoonlijkt egoïsme zijn en op die fiktie bouwde de vrijhandelschool der ekonomisten haar meedogenloos stelsel. De menschheid is niet een massa op zichzelf staande en rollende atomen, die in bonte mengeling door elkander en in strijd tegen elkander zich bewogen, maar elke mensch hangt samen met zijn groep. Als eisch mag hij stellen dat elkeen de materieele en moreele middelen moet bezitten om zijn humaniteit te ontwikkelen. Bij weigering revolteert hij en in dat verzet bezegelt hij de waarde zijner individualiteit.
  1. Het begin moet zijn om den staat af te breken. Elke staat moet zijn een dwangstaat en eenmaal daaraan gewend geraakt, schuift men alles op dien staat, die alles doen moet wat men zelf nalaat. De staat demoraliseerde het vrije initiatief en de zedelijke kracht van het individu. Geen verbetering van den staatsvorm, neen het staats-, het gezagsidee zelf moet vernietigd worden. De Kommune van Parijs viel door de fouten der Jakobijnen en Blanquisten, die het oude staatsidee bleven huldigen. Men moet komen tot de vestiging van vrije kommunes, zooals de middeneeuwen ze kenden. Geen gecentraliseerde staat, dus ook geen gecentraliseerde arbeidersstaat, waarop het stelsel van Marx logisch uitloopt. Geen parlementair socialisme, waarbij dit zich stelt op den grondslag zelf van den staat. De anarchisten moesten zijn: anti-parlementair, anti-staatsch, anti-étatisten en dus anti-autoritair.
  1. Vooral op godsdienstig terrein moet men anti-autoritair zijn. Men moest wel degelijk den strijd aanbinden tegen de fiktie der Godheid. Beiden, kerk zoowel als staat, moeten van den aardbodem verdwijnen, want zoolang de mensch zich niet weet vrij te maken van deze twee instellingen, zal hij nimmer vrij zijn.
  1. De bestaande orde moet overal vernietigd worden. De mensch moet niet afwachten den algeheelen omkeer dien de maatschappelijke orde in de geschiedenis ondergaat, hij moet daden verrichten en overal vernielen waar hij kan. Aanslagen moeten gewaagd worden. De tijd is rijp. Overal bestaat een algemeene warboel. Men moet zich niet laten afschrikken omdat men een kleine minderheid is, neen alle groepen die een nieuw denkbeeld vertegenwoordigen, telden in den beginne altijd weinig aanhangers. Vrijheid wordt niet gegeven, men moet haar nemen. De mensch bezit alleen die rechten, die hij al worstelend heeft veroverd. Het beginsel van verzet moet aangekweekt worden. De werkstakingen wijzen op een kollektieve beweging in dien geest. Individueel verzet en waagstukken zullen niet achterblijven en het onmiddelijke doel van alles moet zijn de vernieling der bestaande orde. De sociale revolutie is een wild en woest werk, dat mannenkracht en vurige energie vordert. Alleen de geweldenaren zullen den prijs winnen.
  1. Het individu-mensch moet komen tot een toestand van gemeenschap. Niet een gereglementeerd stelsel van rechten en plichten, maar een doorgaande plooi van ’t leven moet zij zijn. Alles behoort aan allen. Geen autoritaire regeling zal alles ordenen, maar onderlinge schikking zal den toon moeten aangeven. De maatschappij kan slechts een gevolg wezen van het toepassen van den onderlingen steun. Alles zou zaak van gewoonte zijn: de volledige erkenning der gelijkheid onder de menschen, de drang om zich te vereenigen, de associatie om te produceeren en te verteren, de aaneensluiting om zich te verdedigen, zich te federeeren, en geen andere rechters te eerbiedigen ter vereffening van geschillen dan scheidslieden die zij in eigen boezem vonden. Geen vast stelsel mag de dingen in een kleurslijf knellen. Ofschoon hij zich kollektivist noemde, verdiepte hij zich niet in het zoo samengestelde stelsel van Marx, neigde hij naar het kommunisme en de leefregels der Kozakken stonden hem daarbij voor oogen. De broeiende anarchie zou het kommunisme opwekken, dat zich dan door gewoonte zou verwerkelijken.
  1. Terwijl Marx de klasse der arbeiders in gesloten kolonnes als een leger wil laten oprukken tegen het kapitaal en zijn organisatie daartoe strekken moet, neemt Bakunine de arbeiders in ruimeren zin. Hij beschouwt de kwestie niet als een uitsluitende maag-kwestie, hij erkent ook het recht op intellektueel en artistiek genot. Blijft Marx volgens hem op de eerste sport der ladder staan, Bakunine wil hooger op en wil met de bevrediging der materieele behoeften gepaard doen gaan de volledige ontwikkeling der individueele oorspronkelijkheid van elken mensch, opdat hij zich geheel kon ontplooien zooals hij is.
  1. Wanneer nu prof. Quack het verschil tusschen beide personen wil terugvoeren daarop, dat bij Marx het relatieve der menschelijke ontwikkeling op den voorgrond treedt, terwijl Bakunine aan het absolute blijft hangen, dan gevoelt hij meer te zeggen dan hij verantwoorden kan, want hij voegt er direkt aan toe, dat Bakunine tegen die onderscheiding in verzet zou komen. Quack meent dat in het anarchisme het idealistisch moment, het geloof aan een natuurlijke orde, het geloof aan de absolute goedheid der menschen sluimert. Marx had den tijd, Bakunine daarentegen haast. Marx wist niet zoo muurvast wat hij zou verkrijgen, Bakunine wist dat er na de verdelging van het bestaande een idyllische toestand zou aanbreken.

Dit staat vast, dat ondanks de vele teleurstellingen en droeve ervaringen Bakunine een onverstoorbaar vertrouwen had op de goede natuur van den mensch, zooals zoo aandoenlijk blijkt uit een der laatste brieven uit de verzameling zijner uitgegeven korrespondentie. Het is een brief aan een onbekende, die hem veel kwaad moet hebben gedaan gedurende zijn leven, maar wien hij ondanks dat de hand wil reiken, als hij zijn trouw betuigt aan de Russische zaak. Hij eindigt zijn schrijven met deze woorden: “tracht in de betrekkingen tot nieuwe lieden, met wie gij in nadere betrekking zult treden, zooveel waarheid, oprechtheid en hartelijkheid te leggen, als het aan uw gesloten natuur mogelijk zal zijn. Versta toch eindelijk, dat men op jesuïtische spitsboeverij niets wat levend en vast is kan opbouwen; zie in, dat de revolutionaire werkzaamheid, wil zij tot een resultaat leiden, nooit in gemeene en lage hartstochten een steunpunt mag zoeken en begrijp, dat zonder hoogere, het spreekt vanzelf menschelijke idealen geen revolutie tot overwinning kan leiden<ref>Wij kursiveeren.</ref>.”
Zoo schrijft alleen een van nature idealistisch aangelegd man!
Keeren wij terug tot de geschiedenis.
Op het kongres der Internationale te Bazel verscheen Bakunine en daar wist hij zijn invloed te doen gelden, zoodat men tegen de meening van Marx, die zelf niet op het kongres tegenwoordig was, aannam een resolutie, door Bakunine voorgesteld, tot afschaffing van het erfrecht. Marx was in zijn eigen vereeniging verslagen en dat heeft hem zeker hoog gezeten. Uit een brief van Bakunine aan Herzen uit ’t jaar 1869 blijkt echter dat hij Marx nog ontzag en wel om twee redenen:

  1. omdat hij was een der eerste grondleggers van de Internationale; en
  2. om een politieke reden, die hierin bestond, dat hij ofschoon gevoelende dat het tusschen hem en Marx tot een botsing moest komen, niet wegens persoonlijke beleedigingen, maar wegens een principieele vraag, te weten: het staatskommunisme, de tijd daartoe nog niet gekomen was. “Ik ontzag Marx en stak hem zelfs in de hoogte uit taktiek, uit persoonlijke politiek…. Wilde ik mij thans in een openlijken strijd met Marx storten, ik zou drie vierden der Internationale tegen mij hebben. Ik zou in het nadeel zijn en slechts den grond onder mijn voeten verliezen. Begin ik echter den strijd met een aanval op zijn troepen, dan krijg ik het meerendeel op mijn hand en Marx zelf, in wien een grenzenloos gevoel voor leedvermaak over anderen steekt, zal zeer tevreden zijn, dat ik zijn vrienden te lijf ga en toetakel. Mocht ik mij hierin vergissen en ging hij ze beschermen, zoo zou hij toch de eerste zijn, die een openlijken krijg begon; ik zou terugwijken en ‘le beau rôle’ hebben.”

In dat jaar vestigde hij zich metterwoon te Locarno, waar hij met zijn vrouw een kleine woning betrok en met haar en zijn éénjarig zoontje als in een aardsch paradijs vertoefde, alleen bevreesd “dat de weekheid van leven en lucht in hem de wildheid der socialistische drijfveeren, die geen verschooning kenden, zou temperen en verzachten.” Uit geldnood begon hij nu het werk van Marx Das Kapital in het Russisch te vertalen!
Intusschen zat hij niet stil, maar bewerkte de sekties van de Jura en het was de Fédération Jurassienne, die zonder den oorlog van 1870 reeds vroeger in strijd was gekomen met den Algemeenen Raad der Internationale. En achter deze twee zaten Bakunine en Marx.
De intrigues begonnen en het scheen alsof het doel alle middelen heiligde, althans de oude beschuldiging van Russisch spion werd weer opgewarmd en verbreid. En daarbij werd gebruik gemaakt tegen Bakunine van een vermogenden Rus, met name Outin, die hem overal bestookte, zelfs door dezen binnen te loodsen in de redaktie van de Egalité. Op een kongres te Chaux-de-Fonds (1870) ontstond strijd over de vraag of de sektie der Alliance van Genève al dan niet zou worden opgenomen in de Fédération Romande. Toen de meerderheid van 21 personen zich er voor verklaarde, vertrok de minderheid van 18 met den president. De breuk was volkomen. Na allerlei twistgeschrijf met den Algemeenen Raad stelde Bakunine de Jurasekties op eigen beenen. Zij draaiden den rug toe aan de Fédération Romande en konstitueerden zich 31 Oktober 1871 als Fédération Jurassienne.
Het was de anarchistische fraktie die zich meer en meer in de Internationale deed gelden.
De houding van beide personen tegenover den oorlog van 1870 en de kommune van 1871 is ook karakteristiek, omdat zij zoo geheel hun persoonlijkheid teekent. Marx zat in zak en assche bij de uitbarsting van den oorlog in 1870, omdat daardoor alle banden van broederschap, door de Internationale geknoopt tusschen de arbeiders der verschillende landen, wreed werden losgescheurd door den nationalen haat, die, spekuleerende op alle lagere hartstochten, de menschen tegen elkander opzette, als waren het dieren. Bakunine daarentegen meende dat juist door dien oorlog het beginsel kon zegepralen, dat voor onmiddellijke verwerkelijking vatbaar was, namelijk het idee der kommune. Hij schreef op 31 Augustus 1870 uit Locarno: “als uit dezen oorlog niet onmiddelijk een sociale revolutie voorkomt, zal het socialisme in Europa voor langen tijd worden vernietigd”. En vol hoop was hij voor de dingen die komen zouden, zooals bleek uit het ineenzakken van het keizerrijk en de vestiging der republiek. “Tot nog toe is het in Frankrijk geen echte revolutie, maar het zal er eene worden: ik stort mij daarin op leven en dood.” Ook schreef hij: “die oorlog geeft mij de koorts.” Vol brandend verlangen schreef hij zijn Lettres à un Frangais sur la crise actuelle (Brieven aan een Franschman over de tegenwoordige krisis), waarin hij betoogt dat na de nederlagen van Napoleon, twee wegen openstaan: òf zich onderwerpen aan Duitschland met afstand van Elzas en Lotharingen plus 5 milliard oorlogschatting en de aanvaarding eener regeering, zooals Bismarck haar zal opleggen, òf een levée en masse (het volk in de wapenen) waarbij het volk de middelen aanwent om zichzelf te redden. De bourgeoisie zal wel den eersten weg kiezen, omdat de tweede zooveel is als de sociale revolutie. Wel was het keizerrijk gevallen, maar de keizerlijke machine bleef voortwerken. Aan dat bestaande administratieve mechanisme durfde men niet te tornen, want dan moest men het stuk slaan en de revolutionaire kommune uitroepen, ontdaan van elk centraliseerend bestuur en van elke voogdijschap. Als Parijs begon, zou het voorbeeld een dergelijke beweging uitlokken in de provincies. Deze brochure was de voorrede der beweging, die op 28 September 1870 te Lyon begon. Bakunine was aldaar reeds den 11den gekomen. Er werd een comité central du salut de la France gevormd, waartoe ook Cluseret behoorde. Op 26 September werd het volgende manifest aangeplakt:

"Fransche Republiek, Revolutionaire Federatie der Kommunes.

De ongelukkige toestand, waarin het land zich bevindt, de onmacht der officieele macht en de onverschilligheid der bevoorrechte klassen hebben de Fransche natie gebracht aan den rand des afgronds.
Als het volk, revolutionair georganiseerd, niet haastig handelt, is zijn toekomst, is de revolutie, is alles verloren. Gedragen door de ontzaglijke grootte van het gevaar en in de meening, dat wanhopig handelen van het volk geen enkel oogenblik vertraagd mag worden, stellen de gedelegeerden van het gefedereerde comité du Salut de la France voor, vereenigd tot comité central, de volgende beslissingen te nemen:

Artikel één. Het administratieve en regeeringstoestel van den staat zijn afgeschaft daar ze onmachtig zijn geworden.

Artikel twee. Alle straf-, en civielrechtelijke gerechtshoven zijn opgeheven en vervangen door de volksjustitie.

Artikel drie. De betaling van belastingen en hypotheken is opgeheven. De belastingen zijn vervangen door kontributies der gefedereerde kommunes, die geheven worden van de rijken overeenkomstig de behoeften van het welzijn van Frankrijk.

Artikel vier. De staat kan, daar hij heeft opgehouden te bestaan, niet meer tusschen beiden treden bij de betaling van privaatschulden.

Artikel vijf. Alle bestaande geestelijke organisaties zijn opgeheven en in alle gefedereerde kommunes vervangen door Comités du salut de la France, die alle macht uitoefenen onder onmiddellijke kontrole des volks.

Artikel zes. Elk komité van de hoofdplaats van een departement zal twee afgevaardigden zenden, om de revolutionaire konventie van het Salut de la France te vormen.

Artikel zeven. Deze konventie zal dadelijk tezamen komen op het stadhuis te Lyon, daar dit de tweede stad van Frankrijk is en de gelegenheid bestaat om energiek zorg te dragen voor de verdediging van het land.

Deze konventie, door het geheele Fransche volk ondersteund, zal Frankrijk redden.
Te wapen!!!"

Onder de onderteekenaren staat nummer één Bakunine.
Op 27 September kwam hij met eenige anderen op het balkon van het stadhuis, waarin zij waren binnengedrongen en verklaarde dat de ambtenaren waren afgezet, het vaderland in gevaar en Cluseret aangewezen als generaal der revolutionaire troepen in zuidelijk Frankrijk. De reaktionaire stedelijke raad zat echter nog op het stadhuis en liet Bakunine gevangen nemen door de nationale garde. Hij bleef daar eenige uren totdat hij bevrijd werd. Allerlei besluiten werden genomen, maar Bakunine schijnt daar, om welke reden weten wij niet, niet bij tegenwoordig te zijn geweest. De reaktionairen staken het hoofd op, de raad kwam weer tezamen en door een volksvergadering werden den raad de volgende eischen gesteld: afzetting der militaire autoriteiten, verkiezing der officieren door de soldaten, algemeene volkswapening van alle bruikbare burgers, vrijlating der soldaten die gevangen zaten wegens politieke en tuchtvergrijpen, bezetting van het fort door het volk, het aftrekken der soldaten naar den vijand, requisities bij de rijken.
De raad verklaarde de eischen als volkomen gerechtvaardigd, maar tevens dat hij ze niet kon volvoeren. Hier was Bakunine wel tegenwoordig. Deze poging tot opstand mislukte geheel. Bakunine schreef den 28sten een brief, waarin hij zegt dat de beweging zou gelukt zijn zonder het verraad van Cluseret en hij voegde er bij: “ik verlaat Lyon met een hart vol droefheid en sombere voorgevoelens. Ik begin nu te denken, dat het met Frankrijk gedaan is. Het zal een onderkoningschap van Duitschland worden. In plaats van een levend en werkelijk socialisme zullen wij het doktrinaire socialisme der Duitschers krijgen, dat niet meer zeggen zal dan wat de Pruisische bajonet zal toelaten te zeggen. Het bureaukratisch en militair intellekt van Pruisen, vereenigd met den knoet van den czaar te Peterburg zullen voor minstens 50 jaren de rust en orde op het heele vasteland van Europa verzekeren. Vaarwel vrijheid! Vaarwel socialisme! Vaarwel gerechtigheid voor het volk en triomf van de humaniteit! Dit alles had uit het tegenwoordige ongeluk van Frankrijk kunnen voortkomen, ja het zou eruit zijn voortgekomen, als het volk van Frankrijk, het volk van Lyon maar gewild had.” Hebben de laatste 30 jaren der 19e eeuw deze woorden niet bevestigd?
Bakunine ging naar Marseille. Over zijn aandeel aan de beweging aldaar weten wij niets, alleen dat op 31 Oktober de revolutionaire kommune zegepralend tot stand kwam en was niet het Macchiavellisme van Gambetta er tusschen in gedrongen, wie weet hoe de zaken daar geloopen waren. Bakunine was toen niet meer te Marseille.
Daar het gevaarlijk voor hem was daar te blijven, reisde hij met afgeknipt hoofdhaar en baard en een blauwe bril op in ’t midden van Oktober per scheeps-gelegenheid naar Genua, om vandaar weer naar Zwitserland terug te keeren.
Op 13 Augustus 1871 werd hij bij verstek veroordeeld tot verbanning naar een bevestigde plaats (vesting) wegens deelneming aan den opstand van 25 Sept. te Lyon. Een nieuw vonnis dus bij de velen, die hij reeds gehad heeft!
Was de aanslag te Lyon gelukt, dan had Bakunine een manifest gereed dat zou worden bekend gemaakt en uitgevoerd. Zooals gezegd, er kwam niets van terecht, maar voor Bakunine’s inzichten in verband met de kommune te Parijs, die volgens sommigen gehandeld heeft naar deze ideën, is het belangrijk genoeg om het mede te deelen.
Aan ’t hoofd ervan stond “Vernietiging” en het opschrift luidde: “Fransche Republiek,” en daaronder “Revolutionaire kommune van….” Het manifest bevatte 15 artikelen en 5 overgangsmaatregelen en luidde als volgt:

Artikel 1. De revolutionaire kommunes van Parijs, Lyon, Marseille, Lille, Bordeaux, Nantes, enz. die op solidaire en eenvormige wijze de revolutionaire beweging ter onderwerping van de keizerlijke dwingelandij hebben voorbereid en geleid, verklaren dat zij haar taak slechts dan als afgedaan zullen beschouwen, wanneer zij den triomf der revolutie hebben verzekerd door toepassing der gelijkheidsbeginselen die zij belijden. Dienovereenkomstig vereenigen zij zich op federatieve wijze, gedragen zij zich voorloopig autoritair en houden zij zich aan de navolgende voorschriften.

Artikel 2. Overwegende dat het stelsel van politieke en ekonomische exploitatie, waaronder Frankrijk tot op dezen dag heeft geleefd, de bezitters van den aan het publiek toebehoorenden rijkdom uit het oogpunt van het recht heeft geplaatst in een wezenlijk abnormalen toestand en aan hun bezitstitels een evident karakter van onwettigheid heeft gegeven, wordt een algemeen beslag gelegd op alle openbare, private, roerende en onroerende eigendommen, die verspreid zijn over de oppervlakte der Fransche Republiek.

Artikel 3. Om dezelfde redenen worden alle schulden, hypotheken en verplichtingen, aangegaan onder de vorige regeeringen, daaronder begrepen de gekonsolideerde of vlottende openbare schuld, hetzij deze aangaat staat, departement of gemeente, vernietigd en beschouwd als niet gedaan.

Artikel 4. Overwegende dat de overdracht van eigendom door het recht van erfenis de bron is van alle ongelijkheid en de voornaamste voeding van dien geest van egoïsme en individualisme, die het belang van enkelen doet verkiezen boven het belang van allen, wordt het erfrecht afgeschaft.

Artikel 5. Overwegende dat de zuivere en eenvoudige rechtvaardigheid de grondslag en het volksbelang het doel van elke wet moet zijn, worden alle onder de vorige regeeringen geldende wetboeken, besluiten en reglementen afgeschaft.

Artikel 6. Als natuurlijk gevolg der voorgaande bepalingen wordt het tot heden geldende belastingstelsel, dat slechts een gedwongen heffing was, waarvan de onbillijke omslag de arbeiders en boeren terneerdrukte, geheel en al afgeschaft.

Artikel 7. Alle magistraatspersonen, ambtenaren en bedienden van de vervallenverklaarde regeering, verspreid over de rechtbanken, administraties, ontvangers, kantoren, openbare diensten, enz. met en benevens de politie-agenten van elken rang en soort, worden naar huis gezonden.

Artikel 8. Het leger te land en ter zee wordt ontbonden, uitgenomen dat deel van het leger, dat in de koloniën is gelegerd en over welks toestand later zal worden beschikt.

Artikel 9. Overwegende dat de georganiseerde eere-diensten onder het volk de onwetendheid en het bijgeloof onderhouden, en het volk dus voorbereiden om het despotisme te dulden en te bevestigen, worden alle eerediensten afgeschaft en hun dienaren uit hun ambt ontzet.

Artikel 10. Alle godsdienstige vereenigingen, gemeenschappen en broederschappen van mannen en vrouwen zijn ontbonden.

Artikel 11. Zij, die iets van de in beslag gelegde eigendommen zullen trachten te verbergen, te ontrooven of naar den vreemde over te brengen, zullen behandeld worden als dieven.

Artikel 12. De doodstraf wordt bij voorbaat uitgesproken tegen al degenen, die door eenigerlei handeling of kuiperij de werking der revolutionaire kommunes zullen trachten te belemmeren of sommige der afgeschafte instellingen zullen pogen weder in ’t leven te roepen.

Artikel 13. De revolutionaire kommunes zullen overal waar het noodig is gedelegeerden zenden, hetzij om nieuwe kommunes te vestigen of om er de uitgevaardigde bepalingen in toepassing te brengen.

Artikel 14. De revolutionaire kommunes en haar gedelegeerden zullen alle reklames en voorstellen, die de handteekening dragen van minstens honderd burgers of burgeressen, in overweging nemen: echter zal daaraan dàn alleen gevolg worden gegeven wanneer die voorstellen op generlei wijze de ontwikkeling en uitvoerbaarheid der revolutionaire gelijkheidsbeginselen verhinderen.

Artikel 15. Om de uitvoering van al deze bepalingen te vergemakkelijken, wordt een blijvende revolutionaire militie van valiede burgers van elken ouderdom gekonstitueerd door vrijwillige verbintenis van zes maanden of meer. De soldaten en onderofficieren van het ontbonden leger, die in deze militie willen treden, hebben daartoe de bevoegdheid, maar de officieren, die dit voornemen ook zouden hebben, moeten, om opgenomen te worden, vooraf overtuigende bewijzen van toewijding aan de revolutionaire zaak leveren.

De 5 overgangsbepalingen luiden:

1°. De revolutionaire kommunes zullen arbeiders-kommissies benoemen met opdracht om den arbeid te reorganiseeren.

2°. Die kommissies zullen in handen der arbeiders of arbeidersvereenigingen stellen al de kapitalen die hun noodzakelijk zijn. Deze maatregel zal zich niet enkel uitstrekken tot de arbeiders in nijverheid of landbouw, maar tot alle personen die werk zullen verlangen.

3°. Het ruilverkeer zal geheel en al vrij zijn: intusschen zullen in alle steden magazijnen worden opgericht en de voortbrengers zullen dáár hun produkten kunnen ruilen tegen een vergoeding, waarvan het éénheidsbedrag en de aard later zullen worden vastgesteld.

4°. De kapitalen, die aan de arbeidersvereenigingen zullen worden verschaft, zullen gebracht worden op rekening der kommune en op de registers der arbeids-kommissies. De soort van kapitaal, zijn waarde, de plaats waar het in werking wordt gesteld, de naam van den bezitter, zullen zorgvuldig worden opgeteekend.

5°. Indien arbeiders of arbeidersvereenigingen door hun werken er toe geraken om kapitalen voor zich voort te brengen, kunnen zij in volle vrijheid daarvan genieten, tot op hun dood of tot op het zich terugtrekken van twee derden der geassocieerden en derhalve tot de ontbinding der vereeniging.

Gedurende de kommune te Parijs schijnt Bakunine in Zwitserland te zijn gebleven, Frankrijk was voor hem gesloten. In Duitschland was hij vogelvrij. Maar zijn hart zal wel gepopeld hebben. Hij zag hoe de kommune verkeerd ging door het oude staatsidee en al voorzag hij haar val, hij had zoo graag gezien dat zij als de ware kommune, als het symbool der anarchie, te gronde zou zijn gegaan. In hoeverre hij pogingen deed om afleiding te bezorgen aan de kommune te Parijs door bewegingen in de provincies te ondersteunen, weten wij niet. Er schijnen toen plannen bestaan te hebben bij Johann Philip Becker en W. Rüstow, om van uit Genève een opstand in Zuidelijk Frankrijk te bewerken<ref>Rügg deelt deze bizonderheid mede in de Neue Zeit, Jahrg.1888.</ref>, maar het is niet waarschijnlijk dat Bakunine in die plannen betrokken was, want hij stond sints lang niet meer in betrekking tot Becker en zijn vrienden. In de nalatenschap van Bakunine is een fragment gevonden over de kommune en het staatsbegrip, dat later verschenen is, waaruit wij zijn denkbeelden precies leeren kennen. Uit een brief van 16 April zien wij dat hij Parijs verloren acht, daar in de provincies geen enkele ernstige beweging ontstond, maar dat hij twee wenschen had in het geval van mislukking, die hij aldus formuleerde: “mogen ten eerste de Versaillanen Parijs niet anders overweldigen dan met openlijke ondersteuning der Pruisen! Mogen ten tweede de Parijzenaars bij hun ondergang op zijn minst half Parijs in den val medeslepen! Dan zal het sociaal-revolutionaire vraagstuk, in weerwil van alle overwinningen der militairen, als een ontzettend onwederlegbaar feit voor goed opgeworpen zijn.”
Het is bekend dat Marx de kommune eigenlijk afkeurde en met wantrouwen begroette, ook al heeft hij dadelijk na haar val de volle aansprakelijkheid ervan mede op zich genomen in het meesterlijk Manifest, dat door den Algemeenen Raad der Internationale werd gepubliceerd. Blijkens hetgeen hij zeide tijdens het kongres der Internationale in 1872, op een vergadering te Amsterdam, gaf hij als zijn meening te kennen dat de kommune te Parijs was gevallen, omdat zij niet gelijktijdig in alle hoofdsteden, te Berlijn, Madrid, enz. is uitgeroepen. Hij dacht er dan ook niet aan om er heen te gaan, maar wel wilde hij, zooals wij reeds mededeelden, bevelen zenden naar Parijs. Een kommandant over een leger te Parijs, die te London zetelt!
In 1871 verschenen, van de hand van Bakunine twee brochures: l’Empire Knouto-Germanique et la Révolution sociale (het Knoeto-Germaansche keizerrijk en de revolutie) en La théologie politique de Mazzini et l’Internationale (de politieke theologie van Mazzini en de Internationale). Nadat hij in de eerste een afscheid had toegeroepen aan Frankrijk, toonde hij aan hoe de gezeten burgers haast nog banger zijn voor de sociale revolutie dan voor de Pruisen. En toch de staatsregeering verhindert overal de vrije ontplooiing der volkskrachten. De gezeten burgers denken vooral aan tucht en discipline van den staat. Bakunine wil ook wel discipline, maar een vrijwillige, die voortkomt uit eigen aandrift en geen passieve gehoorzaamheid zooals de staat eischt. Overigens hij heeft niet den bijgeloovigen eerbied voor het algemeen stemrecht, want zoolang het volk ekonomisch overheerscht wordt door een minderheid, die het eigendom en het kapitaal in handen heeft, zijn de verkiezingen illusoir. Het proletariaat is dan niet bestand tegen de intrigues der klerikale, adels- en bourgeoispolitiek, zoodat het er telkens inloopt. Het is een ongeluk dat de boeren en de arbeiders in de steden niet samengaan. De boer haat elke regeering, want steeds nemen allen hem af wat hij heeft. Men moet den boeren de gronden der geestelijkheid geven en dan zullen de boeren goed vechten, want zij doen het voor hun eigen land. De Bonapartisten zijn bereid Frankrijk aan de Pruisen over te leveren om zoo doende hun keizer hersteld te krijgen. Pruisen en Rusland zijn aan elkander vastgeketend, zoodat de sociale revolutie nu staat tegenover een Knouto-Germaanschen staat. Dit zal duren totdat Duitschland ontwaakt tot het begrip der vrijheid.
In de tweede bestrijdt hij Mazzini, voor wien hij bij alle verschil van beginsel persoonlijk de grootste sympathie koesterde, en diens mystiek en metafysisch standpunt. De misdrijven van Mazzini bestaan hierin, dat hij de kommune van Parijs in haar strijd voor de vrijmaking van alle arbeiders heeft gelasterd en de Internationale heeft vervloekt.
Noemde Mazzini de Internationale den duivel, Bakunine aanvaardde dien naam en zei: "wij zijn de partij van den satan. En wat wil die duivel? Hij wil:

  1. dat aan elk arbeider verzekerd zij de volle opbrengst van zijn produktief werk;
  2. dat, zoolang de arbeidersmassa’s in ellende blijven, al de politieke hervormingen en omwentelingen niets ter wereld baten;
  3. dat dus alle politieke kwesties ondergeschikt blijven aan de ekonomische eischen;
  4. dat de arbeiders zichzelven zullen vrijmaken;
  5. dat bij goede nationale en internationale organisatie geen macht ter wereld iets tegen hen vermag;
  6. de afschaffing van elke heerschappij;
  7. de solidariteit van alle arbeiders der wereld; dat de werklieden van alle vakken en bedrijven zich vereenigen, als één man optreden en zich bij werkstakingen en in eischen tot verkorting van den arbeidsdag doen gelden, om zoo te komen tot de internationale bevrijding."

Hij noemt Mazzini den grooten revolutionair, de reinheid en goedheid zelve en hij waardeert het in hem, dat deze hem verdedigde, toen hij, smachtend in Siberië, door de Duitsche joden der emigratie nog met lastertaal werd achtervolgd. Tegen Marx nam toen Mazzini de partij op van Bakunine en als hij nu staat tegenover Mazzini en de partij van Marx opneemt, dan komt dit omdat zijn beginselen hem verbieden anders te doen.
Mazzini bouwde zijn theorie op de plichten. Hij wilde het volk vervormen tot kleine gezeten burgers en had geen oog voor den kollektieven arbeid van het geheele volk. Toch bestaan er maar twee vormen van samenleving: òf die van de tegenwoordige bourgeoisie, de exploitatie van den een door den ander òf die van het kollektief eigendom der rijkdommen, voortgebracht door den kollektieven arbeid, en dat is de sociale vorm. De twee historische fikties: God en de Staat, hebben onberekenbaar veel kwaad gedaan in Azië, het christendom zal de menschen niet aan vrijheid kunnen helpen. Het heil der toekomst kan alleen komen uit de spontane organisaties die tot federatie leiden, uit de volledige autonomie, die niets wil weten van het vervloekte gezag.
Bakunine werkte aan een groot werk, dat onder den titel van “God en de staat” zijn beginsel volledig zou ontwikkelen. Het verscheen echter nooit en wat wij er van bezitten, zijn slechts fragmenten zooals bij hem steeds. Maar toen de kritici hem verweten dat het een fragment was, ontwapende hij hen door te zeggen: “mijn leven zelf is een fragment.” In dat geschrift verwerpt hij elk idealistisch stelsel en elken vorm van gezag, hetzij dit uitgaat van een soeverein of van algemeen kiesrecht. “De vrijheid van den mensch bestaat alleen daarin dat hij gehoorzaamt aan de wetten der natuur, omdat hij ze zelf als zoodanig heeft erkend en ze hem niet door een vreemden wil, welke dan ook, menschelijk of goddelijk, kollektief of individueel, is opgelegd.” En hij geeft dezen heerlijken lofzang op de vrijheid, dien wij het Hooglied der vrijheid zouden willen noemen: “ik ben slechts waarlijk vrij als alle menschelijke wezens die mij omringen, mannen zoowel als vrouwen, gelijkelijk vrij zijn. De vrijheid van anderen, verre van te zijn een grens of de ontkenning van mijn vrijheid, is er integendeel de noodzakelijke voorwaarde en bevestiging van. Ik word alleen in waarheid vrij door de vrijheid van anderen, zoodat hoe talrijker de vrije menschen zijn die mij omringen, hoe dieper en breeder hun vrijheid is, hoe uitgebreider en dieper en breeder mijn vrijheid wordt. De slavernij der menschen stelt integendeel een beletsel op aan mijn vrijheid of wat op hetzelfde neerkomt, hun dierlijkheid is een ontkenning van mijn menschelijkheid, omdat nog eens ik niet waarlijk vrij kan worden tenzij mijn vrijheid of wat hetzelfde wil zeggen, tenzij mijn waardigheid als mensch, mijn menschelijk recht, dat daarin bestaat om aan niemand te gehoorzamen en mijn handelingen alleen te bepalen overeenkomstig mijn eigen overtuiging, rekening houdende met het eveneens vrije bewustzijn van allen, bevestigd worden door de toestemming van iedereen. Mijn persoonlijke vrijheid dus bevestigd door de vrijheid van iedereen strekt zich uit tot in het oneindige.”
Hij beschouwt den staat als een “geschiedkundige tijdelijke inrichting, een voorbijgaanden vorm der maatschappij”, deze behoort evenals de godsdienst tot een lageren trap van ontwikkeling. Uit den godsdienst is de staat voortgekomen, want er is “geen staat zonder godsdienst en hij kan ook niet zonder godsdienst zijn.” Vandaar dat “de regeeringen het godsgeloof niet zonder goeden grond beschouwen als een wezenlijke voorwaarde van haar macht.”
“Er is een klasse van menschen, die al gelooven zij zelven ook niet, toch noodzakelijk doen moeten alsof zij geloofden. Deze klasse omvat alle kwelgeesten, onderdrukkers, uitzuigers der menschheid, priesters, monarchen, staatslieden, soldaten, financiers, ambtenaren van alle soort, politiemannen, gendarmes, gevangen-bewaarders en beulen, kapitalisten, woekeraars, fabrikanten en huiseigenaars, advokaten, ekonomen, politici van alle schakeering, allen tot den laatsten winkelier toe zullen steeds in koor de woorden herhalen van Voltaire: wanneer er geen god bestond, dan moest men hem uitvinden,”want niet waar, het volk moet toch godsdienst hebben." Hij vergelijkt den godsdienst bij de veiligheidsklep der machine. De staat zal eenmaal verdwijnen en het gezellig samenleven der menschen, dat zal voortbestaan, zal dan berusten op onderlinge verdragen, die rechtskracht hebben. In de toekomst zal men krijgen een “vrije vereeniging van individuen in gemeenten, van gemeenten in provincies, van provincies in naties en eindelijk van naties in de vereenigde staten van Europa en later van de heele wereld.” Maar elk dezer behoudt het onbeperkte recht op volledige zelfstandigheid, mits de innerlijke regeling van provincie of gemeente niet de zelfstandigheid en vrijheid der naturen bedreigt. Alle rechten en plichten zijn voor hem gebaseerd op de vrijheid, zoodat het recht van vrije vereeniging en vrije scheiding het eerste en belangrijkste van alle politieke rechten is, zonder welke elke verbinding een vermomde centralisatie is. Alleen door middel van revolutie kan dit doel bereikt worden. Het eenige, wat wij doen kunnen, is haar te organiseeren en te verhaasten. Wij moeten aan den nieuwen tijd “vroedvrouwendienst” verleenen, om “de geboorte der revolutie te bevorderen.” Een heel groot aantal menschen wordt niet vereischt om de revolutie te beginnen. “Voor de internationale organisatie van heel Europa zijn honderd vastberaden en ernstig verbonden revolutionairen voldoende. Twee à driehonderd revolutionairen zijn voldoende voor de organisatie van het grootste land.” Zijn leer over recht, staat en eigendom noemt hij anarchisme. “In één woord, wij verwerpen elke wetgeving, elk gezag, elken geprivilegeerden, gepatenteerden, officieelen en wettelijken invloed, ook wanneer hij verkregen zou zijn door middel van algemeen kiesrecht, in de overtuiging dat iets dergelijks alleen bereikt kan worden ten bate van een heerschende minderheid van uitzuigers ten nadeele van de geknechte groote massa. In dezen zin zijn wij in waarheid anarchisten.”
Intusschen werkte Bakunine krachtig mede aan de oprichting van sekties der Internationale, allen in anarchistischen zin. Had hij eerst de Egalité op zijn hand, dat blad werd door de Marxisten veroverd. Hij vervolgde echter zijn werk in de Solidarité onder Guillaume, opgevolgd door de Révolution sociale en toen dit verdween door het Bulletin de la Fédération Jurassienne. Met leede oogen zag de Algemeene Raad, d.w.z. Marx den toenemenden invloed van Bakunine, zichtbaar o.a. op het kongres van Sonvillier op 31 Oktober 1871 en in den zomer van 1872 gaf die Raad een cirkulaire uit, getiteld: Les prétendues scissions de l’Internationale (De beweerde scheuringen in de Internationale).
Marx wist zich als een bekwaam politikus den steun te verzekeren van de Blanquisten en toen daagde hij Bakunine en zijn aanhang voor den rechterstoel van het kongres, dat in 1872 te ’s Gravenhage samengeroepen werd. Reeds dadelijk was de keuze der plaats ongelukkig, want Bakunine, die in Zwitserland zat en dus van geen enkele zijde vrij de reis kon maken daar hem de toegang was ontzegd tot alle omliggende landen, was niet in de gelegenheid daarheen te komen. Wel waren er zijn vrienden Guillaume, Schwitzguebel, Joukowski en Cafiero. Alles was bijeengezameld wat tegen Bakunine kon worden aangevoerd, vooral ook de Russische zaken die de meesten niet konden beoordeelen wegens gebrek aan kennis der Russische taal; er was braaf stemming gemaakt en enkele twijfelachtige sekties, o.a. een Australische, moesten meehelpen om het uitbanningswerk van den gehaten Bakunine door te drijven.
Een kommissie van 4 personen werd benoemd, waarvan twee gebleken zijn mouchards te zijn, en aan deze vier werd de Belg Splingard als vijfde toegevoegd. De zittingen dezer vijf leverden geen resultaat op, totdat de kommissie eindelijk buiten Splingard om, die daartegen later protesteerde, door Marx zoodanig was bepraat, dat zij tot het volgende besluit kwam:

  1. De Alliance heeft bestaan, maar het is niet voldoende bewezen of zij nog bestaat;
  2. Door de statuten en brieven van Bakunine is bewezen, dat hij trachtte de Alliance te grondvesten en dat het hem misschien gelukte;
  3. Burger Bakunine heeft zich bediend van bedriegelijke manoeuvres om zich meester te maken van het geheele of gedeeltelijke vermogen van anderen, wat oplichterij (escroquerie) is en dat buitendien hij of zijn agenten tegenover hen die hun plicht niet vervulden, overgingen tot bangmaken.

Zoo gelukte het Marx inderdaad zijn zin door te drijven. Bakunine en de zijnen werden uit de Internationale geworpen, maar deze zegepraal van Marx was tegelijkertijd de dood dier vereeniging. Ter juiste beoordeeling moet men aandachtig nalezen: l’Alliance de la Démocratie socialiste et l’Association Internationale des Travailleurs. Rapports et Documents publiés par ordre du Congrès International de la Haye, waarin dus de akte van beschuldiging voorkomt met toelichtingen en tevens het antwoord daarop door de partij van Bakunine: Mémoire présentée par la Fédération Jurassienne de de l’Association Internationale des Travailleurs.
De zetel van den Algemeenen Raad werd verlegd naar New York en dit besluit met drie stemmen meerderheid doorgedreven, werd oorzaak dat de verbonden frakties van Marxisten en Blanquisten, die eendrachtig samengingen tot uitbanning van Bakunine, uit elkander spatten, want dadelijk daarna vertrokken de Blanquisten van het kongres. Later deed Marx het voorkomen, alsof de Internationale te gronde was gegaan aan de kommune. Neen, het was zooals prof. Quack het juist inziet: “in de dogmatiek van het socialisme, zooals Marx die had geformuleerd, was geen plaats voor het anarchisme.” Marx had “tucht en gezag” noodig voor zijn Internationale en dus de anarchistische elementen moesten er tegen elken prijs uit. Bakunine noemde het kongres te ’s Gravenhage een “vervalsching van Marx” en het wil ons voorkomen dat de uitzetting een vooraf opgemaakte zaak was, waarvan men op het kongres alleen de sanktie verlangde. Nog in September van hetzelfde jaar hielden de Spaansche, Italiaansche en Jura-federatie met afgevaardigden uit andere landen een anti-autoritair kongres te St. Imier, waarin de besluiten van het Haagsche kongres van nul en geener waarde werden verklaard. Dit alles doet ons levendig denken aan den tijd, toen men verschillende pausen had, een te Rome en een te Avignon, die elkander in den ban deden. In een brief aan de kameraden der Jura-federatie schreef Bakunine (1873): vóór het kongres van Genève in 1873 was het niemand veroorloofd de Internationale te verlaten, maar na de beide kongressen, waarvan het Marxistische een begrafenis was, is aan elkeen zijn vrijheid van handelen hergeven, de zegepraal is beslist. Door geboorte zoowel als door opvoeding was hij een bourgeois en kon dus alleen maar theoretische propaganda maken. De tijd daarvoor is nu voorbij. In de negen jaren van haar bestaan heeft de Internationale meer ideën ontwikkeld dan noodig waren om de wereld te redden, gesteld dat ideën haar redden kunnen. De tijd voor daden en handelingen is aangebroken. Vóór alle dingen de organisatie der arbeidersklasse. Hij nu bezat geen fyzieke kracht genoeg meer voor den strijd. Er bestaat nog een raad: de internationale reaktie heeft haar zetel niet in Frankrijk, maar te Berlijn en wordt evenzeer vertegenwoordigd door het socialisme van Marx als door de diplomatie van Bismarck; haar doel is de Pan-germanisatie van Europa. Zij stelt zich tusschen de arbeiders en hun eindelijke vrijmaking in en moet met alle kracht worden bestreden.
Lag in die woorden niet een profetische beteekenis?
De Alliance beweerde de ware Internationale te zijn en het is merkwaardig, dat op vier kongressen, die de Internationale hield na het Haagsche, te weten: te Genève, Brussel, Bern en Gent, de toon werd aangegeven door de aanhangers der Alliance. De zegepraal van Marx in de Internationale was er dus eene van zeer twijfelachtig allooi.
Ongetwijfeld is de invloed van Bakunine groot geweest in de Romaansche landen op Italie, Spanje, Fransch Zwitserland en Frankrijk, om niet te gewagen van zijn invloed op de Slavische landen. Veel hierover moet nog opgehelderd worden. Zoo zou hij in 1874 hebben deelgenomen aan een anarchistischen aanslag en opstand te Bologna en slechts ter nauwernood zijn ontkomen. Nog in datzelfde jaar 1874, toen hij het deel van zijn erfenis waarop hij recht had, van zijn familie kreeg, verhuisde hij van Locarno, waar hij zeer armoedig leefde en er zonder Cafiero’s hulp ellendig aan toe zou zijn geweest, naar Lugano, waar hij stil leefde in herinneringen aan het verleden. Ziek geworden liet hij zich naar Bern brengen bij zijn vriend dr. Gustav Vogt en blies aldaar den laatsten adem uit op 1 Juli 1876. Een eenvoudige grafsteen op de begraafplaats te Bern wijst de plek aan, waar de overblijfselen van Bakunine rusten. Scheen het alsof bij zijn graf de haat zweeg, daar socialisten van verschillende richting zeer waardeerende woorden spraken, dit duurde niet lang, want weldra zorgden de sociaal-demokraten er voor, dat gemeene levensberichten van hem verschenen in verschillende hunner organen. Er vormde zich na zijn dood een internationaal komité tot het verzamelen en uitgeven zijner handschriften. Ongetwijfeld is hem de schoonste hulde gebracht door dr. Netlau, die met onbegrensd geduld en weergalooze pieteit alles bijeenverzameld heeft, wat betrekking heeft op Bakunine, om met den autocopyist vijftig exemplaren te vervaardigen, die hij aan bibliotheken en eenige vrienden heeft gegeven. Het geheel is voltooid in 3 groote deelen en levert natuurlijk een onschatbare bijdrage voor het leven van Bakunine, zoodat geen levensbeschrijver, wien het om waarheid te doen is, er buiten kan om uit die bron te putten.
Merkwaardig is zeer zeker deze geheele strijd, omdat het twee beginselen geldt. Het staatssocialisme en het anarchisme, gezag en vrijheid kwamen in strijd met elkander en dit kon niet anders, want beiden staan als tegenstellingen tegenover elkander, zoodat ook na den dood van Marx en Bakunine, deze twee hoofdvertegenwoordigers der beide beginselen, de strijd voortgezet is en moest worden.

2. De anarchistische beweging in de verschillende landen.

Was eerst de richting van Proudhon en diens mutuellisme overheerschend, zoowel in Frankrijk als in Belgie, later verkreeg het kollektivisme de overhand onder de anarchisten. Het was vooral dr. Cesar de Paepe uit Belgie, die daartoe veel bijdroeg. In een redevoering, die hij in 1863 hield te Patignies, zei hij: “het einddoel dat de revolutie najaagt, is de vernietiging van alle macht, dat beteekent –na een vervorming der maatschappij– de verdwijning van de politiek door de sociale ekonomie, van de regeeringsorganisatie door de industrieele en dat is de anarchie.” En dan geeft hij de verheerlijking der anarchie in deze woorden:
“Anarchie, droom van de beminnaars der algeheele vrijheid, afgod der ware revolutionairen! Langen tijd hebben de menschen u belasterd en onwaardig beleedigd; in hun verblinding hebben zij u verward met de wanorde en den chaos, terwijl integendeel de regeering, uw gezworen vijandin, slechts het resultaat is van de sociale wanorde, van den ekonomischen chaos, gelijk gij zult zijn het resultaat van de orde, de harmonie, het evenwicht, de rechtvaardigheid. Maar reeds hebben de profeten u gezien onder den sluier die de toekomst bedekt en hebben u geproklameerd tot het ideaal der demokratie, de hoop der vrijheid, het hoogste doel der revolutie, de soevereine der toekomstige tijden, het beloofde land der herboren menschheid!… Voor u vielen de Hébertisten in 1793, zij dachten niet dat uw ure nog niet was gekomen! En in deze eeuw hoeveel denkers hebben geen voorgevoel gehad van uw komst en zijn ten grave gedaald, terwijl zij u begroetten evenals de patriarchen stervend den verlosser begroetten! Dat uw rijk kome, anarchie!”
Hij behoorde toen tot de mutuellisten, die verlangen dat “niemand beroofd of onderdrukt zal worden, die alleen de wederkeerigheid, de juiste rechtvaardigheid eischen, evenzeer bij den ruil der waarborgen en verzekeringen tegen ongevallen als bij den ruil der produkten en bovendien eischen dat de waarde van 2 slechts tegen 2 kan worden verruild en niet tegen 1 of 3 en die hopen, dat de arbeider als heer van zijn geheele arbeidersprodukt dit alleen zal ruilen tegen een ander van gelijke waarde, zoodat hij naar gelang van zijn behoefte zijn produkt kan terugkoopen voor den verkoopsprijs.”
Maar in 1867 was hij het, die op het kongres der Internationale te Lausanne het kollektivisme verdedigde tegen het staatskommunisme eener- en het mutuellisme andererzijds. Men vergete vooral niet, dat toen het revolutionair kollektivisme hetzelfde was als het kollektivistisch anarchisme.
Vreemd mag het heeten dat behalve de Paepe zoovele anderen, die nu in de sociaaldemokratie een voorname plaats bekleeden, evenzeer begonnen zijn als anarchisten, zooals Paul Brousse en Jules Guesde te Parijs, Turati en Andrea Costa in Italie en verschillende anderen.
Tal van personen werkten mede om naast het dwang-socialisme der sociaaldemokraten het zaad der anarchie kwistig uit te strooien in de maatschappij. Het werk van Proudhon en Bakunine is niet met hun persoon ten grave gedaald, integendeel het is voortgezet en is een kracht waarmede rekening moet worden gehouden.

Onder hen denken wij allereerst aan Elysée Reclus (geb. 1830), den wereldberoemden aardrijkskundige, die in zijn prachtwerk Géographie Universelle in 20 deelen een monument van vlijt en arbeid nalaat, een gunstige getuigenis afleggende van den schrijver en een aanwinst voor de wetenschap. In 1871 nam hij deel aan de kommune, maar reeds bij den eersten uitval van 3 April, waarbij Gustave Flourens zoo treurig aan zijn einde kwam, werd hij krijgsgevangen gemaakt; ten gevolge van de bemiddeling van vele buitenlandsche geleerden werd zijn straf bepaald op verbanning buiten Frankrijk. Werkende en levende te Clarens in Zwitserland bleef hij een vraagbaak en toevlucht voor de anarchisten en steeds wist hij tijd te vinden naast zijn omvangrijke studie, om propagandistisch te werken voor de anarchie. IJverig medewerker was hij aan het weekblad Le Révolté, dat in 1878 door zijn vriend Peter Kropotkine werd opgericht te Genève, later verplaatst naar Parijs ten jare 1885, om in 1887 verdoopt te worden in La Révolte.
Ofschoon tijdelijk gestaakt na de veelvuldige aanslagen is het later weer herrezen onder Jean Grave en leeft nog steeds onder den titel Les Temps Nouveaux.

Het is Reclus, die duidelijk de dwaasheid der onderscheiding tusschen “evolutie” en “revolutie” aantoonde, door te zeggen dat beiden zijn twee opeenvolgende handelingen van éénzelfde verschijnsel. Men zou kunnen zeggen dat de revolutie het eindpunt is van een reeks van evoluties. Beiden verschillen dus alleen in het tijdperk van haar verschijning, maar vormen geenszins een tegenstelling, daar zij elkander aanvullen en veelal ongemerkt schier in de geheele natuur in elkander overgaan<ref>Even schoon als waar schreef reeds prof. de Bosch Kemper in zijn Wetenschap der Zamenleving: “wanneer de zamenleving een plant gelijk was, zou men zich kunnen voorstellen een geleidelijke ontwikkeling, waarin, bij wijze van evolutie, de bladen zich langzaam ontplooiden en de knop zich opende om de schoonste bloem te doen aanschouwen; nu de aardsche zamenleving slechts de grondstof levert, waarin de geest een rijk des geestes opricht, vinden er, bij den overgang van het natuurlijke leven tot het geestelijke leven veel meer revolutiën dan langzame evolutiën van den eenen goeden toestand tot den anderen plaats.”</ref>. Zijn boek, verschenen als n°.19 der sociologische bibliotheek van Stock te Parijs; L’évolution, la révolution et l’idéal anarchique (de evolutie, de revolutie en het anarchistisch ideaal) ontvouwt dit in breedere trekken. Idealist blijft Reclus in alles wat hij schrijft en doet, gelijk vooral blijkt uit het kleine stukje in de Almanach de la question sociale van Argyriadès (Jaarg.1897), waarin hij tegenover de Civitas Dei der katholieke kerk plaatst de cité du bon Accord, de stad der kollektieve vriendschap, waarin allen brood zullen vinden door gemeenschappelijk arbeiden. Daar hij de vrijheid voor zich wenscht, wil hij medewerken haar te verschaffen aan allen. “Zoodra een mensch is toegerust met eenig gezag, hetzij kerkelijk hetzij militair hetzij administratief of financieel, openbaart zich zijn natuurlijke neiging om er zonder kontrole gebruik van te maken; geen gevangenbewaarder die niet een gelukkig gevoel van zijn almacht heeft bij het draaien van den sleutel in het slot der gevangenisdeur, geen boschwachter die niet met blikken van haat tegen stroopers het eigendom van zijn meesters bewaakt, geen deurwaarder die niet een soevereine minachting gevoelt voor den armen drommel, dien hij sommeert.” Daarom wil hij een maatschappij zonder gezag. Ook zijn broeder Elie heeft verschillende nuttige sociologische werken geschreven<ref>Wij noemen: Les Primitifs, le Primitif d’Australie, Démonisme et Animisme, welke drie werken in het Hollandsch verschenen zijn bij J. Sterringa onder den titel: De oorspronkelijken, De mensch van den Australischen bodem en Demonisme en Animisme, studiën over de ontwikkeling der godsdiensten.</ref>, die zich in dezelfde richting bewegen.

Naast en met hem werkte de Rus Peter Kropotkine<ref>In zijn onlangs in ’t Engelsch verschenen Memoirs vindt men zijn uitvoerige levensbeschrijving, tegelijkertijd een belangrijk stuk kultuurgeschiedenis uit de laatste helft dezer eeuw. Weinig boeken, zoo aantrekkelijk van inhoud en vorm –gedenkschriften waarin de persoon zelf alleen ten tooneele treedt waar het noodig is, maar zonder de gewone aanstellerigheid of konfidentiezucht, aan zulke beschrijvingen eigen– zijn in den laatsten tijd uitgekomen. Het is in een vertaling van mijn hand in het Hollandsch verschenen bij Grentzebach en Wink onder den titel: Gedenkschriften van een revolutionair.</ref>. Deze prins behoorde tot den oudsten Russischen adel, die volgens zijn verklaring voor de rechtbank te Lyon in 1883, 16 jaar oud zijnde, op de school der pages kwam, na afloop daarvan werd hij op 19½ jarigen leeftijd adjudant van den gouverneur generaal der provincie Amoer in Siberië. Hij had de gelegenheid te zien, hoe het liberalisme van die dagen slechts een masker was en hij zocht in de wetenschappelijke studie te vinden wat de krijgsdienst hem niet schonk. Zes en twintig jaar oud verliet hij het leger om te gaan zitten op de banken der universiteit te Petersburg. Reeds in zijn jeugd –zijn vader had veel lijfeigenen, of liever slaven– had hij dingen gezien gelijk aan die welke beschreven staan in de Negerhut van oom Tom door mevr. Beecher Stowe en had hij in de hut van den armen geleerd dezen lief te hebben, aan het hof had hij de grooten leeren verachten. Op een reis in het buitenland gedurende 1871 en 72 kwam hij in aanraking met de socialisten, werd lid der Internationale en keerde als socialist terug. Zijn sympathie was niet platonisch, neen hij wierp zich volop in de revolutionaire beweging, hield onder een aangenomen naam voorlezingen onder de arbeiders over de Internationale. Maar –als zoovelen– in 1873 verraden, werd hij naar de beruchte Peter- en Paulsgevangenis gezonden, waar hij drie zware jaren doorleefde. Daar beleefde hij het, dat negen zijner medegevangenen krankzinnig werden en elf zich van kant maakten. Ziek van ontbering en smart werd hij uit de citadel naar het hospitaal overgebracht, van waar hij op 29 Juni 1876 wist te ontvluchten om zich te Genève te vestigen.
Alles: rang, eer, vermogen gaf hij prijs om zich te kunnen wijden aan den zwaren dienst der ontvoogding van de massa. Meende hij dat Frankrijk meer vrijheid schonk, hij ondervond hoe hij ook daar in 1881 gevangen werd genomen wegens deelneming aan de Internationale, die verboden was, en gewikkeld in het beroemde Anarchistenproces, dat in 1882 te Lyon voor de rechtbank werd behandeld en met tal van anderen werd ook hij veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. In Januari 1886 kwam hij op vrije voeten uit de gevangenis te Clairveaux, om niet ver van de wereldstad London te gaan wonen, waar hij zijn kost verdient met literarischen arbeid in tijdschriften en voor uitgevers. Toen hij nog gevangen zat, verscheen door de zorg van Elysée Reclus een boek van zijn hand Paroles d’un Révolté (woorden van een opstandeling) of eigenlijk een verzameling van vroeger geplaatste artikelen. Prof. Quack noemt het geschrift “een teeken der tijden” en den schrijver “een type uit het einde onzer sombere eeuw”. Goed, maar dan toch een zeldzame type, want dat soort menschen is dun gezaaid in onzen belangzuchtigen en belangzoekenden tijd. Hij zegt van hem: “als later een moderne Dante de Hel der negentiende eeuw zal beschrijven, dan zal hij op één der kringen van dien trechtervormigen afgrond, diep in de laagte, deze gestalte ontmoeten. Dáár legeren zich dan om hem heen scharen van lotgenooten, schimmen van nihilisten en anarchisten, die hem, den vorst, ruw gemeenzaam als metgezel behandelen. Zij heffen een vervaarlijk verwijtend geschreeuw aan. Zij roepen het uit, hoe zij branden van verlangen om onder de groene takken der eikeboomen den zachtblauwen door de zon verlichten hemel te zien. Hij echter daalt al dieper en dieper, zwijgend, vastbesloten, den éénen cirkel na den anderen.”En zij – zij moeten hem volgen." De bedoeling dezer woorden is ons niet recht duidelijk.
Onder zijn andere werken heeft veel opgang gemaakt zijn Conquête du Pain (Verovering van het brood), dat in verschillende talen, ook in het Hollandsch, werd vertaald. Uit dit geheele werk straalt een bizondere goedmoedigheid, waar het aankomt op de toekomstige maatschappij. Telkens wordt gesproken van “burgers van goeden wil, die hun diensten zullen aanbieden”, straks weer van dezulken die zich beijveren zullen om dadelijk alles te inventariseeren, enz. Het gaat ons wel wat heel spoedig, om aan te nemen dat b.v. de kommune van Parijs binnen 24 uur zal weten hoeveel levensmiddelen er voorhanden zijn en binnen tweemaal vier en twintig uur millioenen exemplaren nauwkeurige tabellen van alle waren met vermelding der plaatsen waar zij zijn opgestapeld en der wijze van verdeeling, ter verspreiding gereed zullen zijn. Het tooverstokje uit de sprookjesboeken is hier ook wel wat sterk gebruikt. Steeds wordt er gerekend op het gezond verstand, het organiseerend talent, enz. des volks, en wij geven direkt toe dat dit, en bloc genomen grooter zal blijken te zijn dan men in den regel onderstelt, maar toch moet men er meer rekening mede houden dan Kropotkine doet, dat een volk, door armoede en ellende, door politie, justitie en leger jaren lang in bedwang gehouden, plotseling in vrijheid gekomen niet direkt zijn aard kan wijzigen en de gebreken afleggen, waarmede het tengevolge van het dwangstelsel behebt is en ook dat de tegenpartij alle middelen zal aanwenden, om de menschen afkeerig te maken van den nieuwen toestand, desnoods door het ophitsen tot moorden, enz. ten einde terug te keeren tot den ouden. Ook is hij veelal te vaag. Zoo b.v. wil hij dat een groote stad als Parijs de hand zal leggen op de huizen en fabrieken, dat zij betrekkingen aanknoopt met de landbouwers ten platten lande, dat zij de spoorwegen zal naasten. Maar wie is dat? Is dat het wettig gekozen lichaam van den gemeenteraad die dit alles doen moet of wie anders? Dienaangaande mocht wel wat meer helderheid worden aangebracht.
Als wij lezen: “onze taak is het te zorgen dat geen enkel mensch gebrek heeft aan brood van den eersten dag der revolutie af en zoolang als zij duurt”, dan vragen wij wie die “ons” is. Wij vinden dat Kropotkine in dit boek een optimisme betoont, dat grenst aan het ongelooflijke en een mate van goedmoedigheid ontwikkelt, die voor zijn persoon pleit, maar die moet uitloopen op de grootste teleurstellingen in de praktijk.
Zijn “wederkeerig hulpbetoon” (Mutual aid) is een schoone studie, waarin met de erkenning van den Darwinistischen strijd om het bestaan deze natuurwet wordt aangevuld door die andere, die ons spreekt in de natuur van wederkeerig hulpbetoon. Zijn Anarchistische moraal, zijn studie over de gevangenissen, zijn l’Anarchie, sa philosophie, son idéal (De anarchie, haar wijsbegeerte, haar ideaal) verdienen allen ten zeerste bestudeering. Ook zijn studie Fields, factories and workshops (Van veld, fabriek en werkplaats) toont den ernst van zijn veelzijdig werken. En steeds beweegt hij zich in de lijn der anarchie, waarvan hij een overtuigd aanhanger is. Toen zich in de Internationale een partij vormde, die evenmin een gezag binnen deze vereeniging als eenig ander gezag erkende, noemde zij zich eerst federalistisch, toen anti-autoritair of vijandig tegenover den staat. Hij vermeed het toen zich anarchistisch te noemen. Het woord Anarchie –zoo schreef men in dien tijd– scheen de partij te veel vast te koppelen aan de aanhangers van Proudhon, wier hervormingsdenkbeelden de Internationale bestreed. Maar juist om verwarring te stichten, maakten de tegenstanders gebruik van dat woord; buitendien maakte het de bewering mogelijk, dat reeds uit den naam der anarchisten bleek, dat zij alleen de wanorde en chaos nastreefden, zonder aan de rest te denken. De anarchistische partij aarzelde niet om den naam aan te nemen, dien men haar gaf. In den beginne hield zij nog vast aan het scheidingsteeken tusschen An en Archie met de bewering dat het woord An-archie, grieksch van oorsprong, in dien vorm beteekende heerschappij-loosheid en niet “wanorde”, maar weldra besloot zij om den korrektor de onnutte moeite en den lezer de omschrijving in het Grieksch te besparen en bediende zich van den naam, zooals hij was. Hij wil de vereeniging van kommunisme en anarchie en vandaar dat hij en de zijnen zich bij voorkeur noemen: kommunistische anarchisten. Niet dus het dwangkommunisme, het ideaal der Duitsche socialistische school van Marx, maar het kommunisme zonder regeering, het kommunisme van vrije menschen, de samensmelting van de twee idealen, die de menschheid door alle eeuwen heen heeft gekoesterd: de ekonomische gelijkheid en de politieke vrijheid.
Kropotkine beschouwt den staat, betrekkelijk van laten oorsprong, als een trap in het ontwikkelingsproces, die de menschheid spoedig achter den rug zal hebben. Alsdan zal de gezellige samenleving de menschen steunen op onderlinge verdragen en de staat zal overbodig zijn. De anarchie is de “onvermijdelijke, naaste, hoogere ontwikkelingsvorm der maatschappij.” Reeds ziet hij hoe “vrije vereenigingen het geheele veld van menschelijke werkzaamheid zich toeëigenen.” Gemeenten zullen bestaan, maar deze zijn “geen ophoopingen van menschen op zeker gebied, zij kennen noch grenzen noch muren; zij is de groepeering van gelijkgezinden, geen streng afgesloten geheel. De verschillende groepen in een gemeente zullen zich aangetrokken gevoelen tot dergelijke groepen in andere gemeenten; zij zullen zich even vast met deze verbinden als met hun medeburgers en zoo zullen gemeenschappen van belangen tot stand komen, wier medeleden verstrooid zijn over duizend steden en dorpen.” Tot zulke gemeenten zullen de menschen “door middel van verdragen” komen. Zij zullen “verplichtingen tegenover de maatschappij op zich nemen”, die harerzijds zich verplicht tot zekere dingen tegenover hen. Men zal de nakoming dier verdragen niet afdwingen, er zullen noch straffen noch rechten zijn. De nakoming zal voldoende verzekerd zijn “door de behoefte van elkeen aan medewerking, hulp en welwillendheid” en wie zijn verplichtingen niet vervult, dien zal men kunnen buitensluiten. “Tegenover de weinige anti-sociale handelingen, die nog zullen plaats hebben, zal het beste middel zijn een liefdevolle behandeling, zedelijke inwerking en vrijheid.” De toekomstige maatschappij zal de taak, tegenwoordig door den staat vervuld, met gemak overnemen. “Onderstelt dat er een straat noodig is. Dan zullen de bewoners der naburige gemeenten zich met elkander verstaan en zij zullen hun zaak beter beredderen dan de minister van publieke werken. Of men heeft een spoorweg noodig. Ook hier zullen de deelnemende gemeenten iets geheel anders tot stand brengen dan de ondernemers, die alleen slechte wegen bouwen en daarbij millioenen verdienen. Of er is behoefte aan scholen. Men zal ze minstens even goed kunnen inrichten als de heeren te Parijs. Of de vijand valt in ’t land. Wij verdedigen dan ons zelven in plaats van te vertrouwen op generaals, die ons toch maar verraden zullen. Of de boeren moeten gereedschappen en machines hebben. Dan onderhandelen zij met de stadsarbeiders, deze leveren ze aan hen tegen den kostenden prijs in ruil voor hun produkten en de ondernemer, die nu èn boer èn arbeider besteelt, kan gemist worden. Of er ontstaat een klein geschil of een sterkere tracht een zwakkere te onderdrukken. In het eerste geval zal het volk een scheidsgerecht weten te vormen en in het tweede zal elk burger het zijn plicht achten zelf in te grijpen en niet eerst wachten op de politie, men zal evenmin behoefte hebben aan politie als aan rechters en gevangenbewaarders.”
Tegelijk met Kropotkine werd te Lyon ook veroordeeld de advokaat Emile Gautier, die door zijn geschriften spoedig naam had verkregen. Ofschoon hij voor de rechtbank de stoute woorden sprak: “als er na uw vervolging slechts één anarchist overblijft, zal ik die ééne zijn”, bemerkte men maar weinig van hem na zijn terugkeer uit de gevangenis. Door zijn voorrede van het boek van Sébastien Faure La Douleur Universelle bleek het dat hij nog niet dood was voor het anarchisme, althans zijn sympathie behoorde blijkbaar nog aan die zijde. Verder willen wij in Frankrijk nog noemen Jean Grave, den schoenmaker-typograaf-wijsgeer, die èn als redakteur van de Temps Nouveaux èn door zijn drie boekdeelen La société mourante et l’anarchie (de stervende maatschappij en de anarchie), La société au lendemain de la révolution (de maatschappij op den dag na de revolutie) en La société future (De toekomstige maatschappij)<ref>Het eerste en derde verschenen in het Hollandsch bij J. Sterringa.</ref> een brandpunt der anarchistische beweging te Parijs werd. Nieuws bevatten die boeken niet, maar zij populariseeren de anarchistische leer. Verder Sébastien Faure, die het Jesuïtenkleed aflegde om het te ruilen voor dat van den anarchistischen propagandist, het land doortrekkende om zijn evangelie overal met kracht van redenen en met een groote mate van welsprekendheid te ontvouwen. Meermalen liep hij gevangenisstraf op, maar zijn ijver bekoelde daardoor niet. In zijn boek: La douleur universelle schrijft hij de oorzaken der algemeene smart allereerst en allermeest toe aan het Gezag en zelfs is hij van meening dat het gezag het privaateigendom in de wereld bracht, meer dan dat het privaateigendom de bron zou zijn van het gezag. Nadat hij een tijdlang het weekblad Le Libertaire had uitgegeven, wist hij eenige maanden lang een dagblad te doen verschijnen Le Journal du Peuple, maar dit kon het niet houden. Daarna besloot hij alleen zijn weg te gaan en naast het weekblad Le Libertaire, dat hij na de verdwijning van zijn dagblad weer opvatte, gaf hij een korten tijd Les Plebeïennes uit, dat alleen door hem geschreven werd, echter om zeer spoedig ten grave te dalen.
A. Hamon heeft na het ophouden van het verdienstelijke tijdschrift van den Belg Fernand Brouez La societé nouvelle dit voortgezet onder den naam van Humanité nouvelle, rondom zich vormende een schare van anarchistische schrijvers, die op elk gebied streden en ijverden voor de vrijheidlievende opvatting. Ook mag Emile Pouget niet vergeten worden, die door zijn in den Parijschen tongval geschreven Père Peinard veel invloed heeft uitgeoefend op de arbeidersbevolking der Fransche hoofdstad. Moest de uitgave een tijdlang gestaakt worden, in het jaar 1900 verscheen het weer, om links en rechts zijn geeselslagen uit te deelen, maar het verdween ook weer spoedig.
Geheel op zichzelf staande als scherpschutter op eigen risiko werkte ook Zo d’Axa met zijn L’Endehors (de buiten alles staande), omdat hij buiten de wet, buiten de school staande als geïsoleerd zoeker zijn eigen weg ging.

Ook Charles Malato werkt in die richting evenals de “roode Louise”, de naam waaronder elkeen Louise Michel herkent, de vrouw die met zeldzame offervaardigheid en grooten moed de zaak der verdrukten steeds voorstond en verdedigde met volkomen terzijdestelling van haar persoon. Ofschoon te London wonende is zij met haar geest steeds te midden van haar Fransche volk en komt zij van tijd tot tijd voordrachten houden in Frankrijk<ref>Zie haar Mémoires. Als onderwijzeres werkzaam te Parijs sloot zij zich in 1871 aan bij de kommune en nam tot het laatste deel aan de straatgevechten. Tot deportatie veroordeeld ging zij naar Nieuw Kaledonië, om in 1880, door de amnestie begenadigd, in Frankrijk terug te keeren. In 1883 wegens deelneming aan een manifestatie der Esplanade des Invalides tot 6 jaren gevangenis-straf veroordeeld, kwam zij in 1886 op vrije voeten. Toen zij bemerkte dat men haar krankzinnig wilde verklaren, om haar in een gesticht te kunnen opsluiten, nam zij liever de wijk naar London, waar zij nu een kalm leven leidt. Zij wordt het volgende jaar (20 April 1833 geboren op ’t kasteel Broncourt) 70 jaar oud.</ref>.
Het is onmogelijk in dezen volledig te zijn, want onmiskenbaar openbaart zich in letterkunde en kunst op elk gebied een anarchistische strooming en zonder bepaald een plaats in te nemen onder de militante anarchisten, werken tal van personen mede om de geesten te revolutioneeren in vrijheidlievende richting.
In Italië was het de edele graaf Cafiero, die zijn vermogen toewijdde aan de zaak der arbeiders, aan de Internationale; was het de vurige Malatesta die reeds als knaap mededeed om de roode vlag te planten te Benevento en die zijn leven deels in de gevangenis deels in ballingschap doorbracht, maar altijd werkte voor de belangen van het lijdende volk en in de richting der anarchie; was het de geleerde rechtsgeleerde Merlino, zoon van een hoog rechterlijk ambtenaar te Napels, die als ekonoom zich onderscheidde om ten slotte in zijn land teruggekeerd een soort van parlementair anarchisme voor te staan was het Amilcare Cipriani, die reeds als 15jarige knaap en sinds dien tijd steeds deel nam aan alle veldslagen voor de Italiaansche onafhankelijkheid. Onder Garibaldi strijdende moest hij na het optrekken van Garibaldi naar Aspromonte en diens nederlaag aldaar het land verlaten. Maar men vindt hem weldra in Griekenland om de Grieken te helpen tegen koning Otto. Toen de Fransche republiek in 1870 werd uitgeroepen, snelde hij naar Parijs en onderscheidde zich door zijn dapperheid in den slag bij Montretout zoodanig, dat hem het legioen van eer werd aangeboden, welke ridderorde hij weigerde als in strijd met zijn denkbeelden. Hij nam deel aan de kommune als adjudant van Flourens, maar na den uitval van 3 April werd hij tegelijk met Elysée Reclus gevangen genomen om op 4 April door den krijgsraad ter dood te worden veroordeeld. Op 6 April zou de terechtstelling plaats hebben, maar ten gevolge van een kwetsuur aan zijn been bleef hij eenigszins achter en dat was zijn geluk, want er kwam een order van Thiers om hem naar Belle-Isle te transporteeren en later werd zijn vonnis veranderd in levenslange deportatie in een versterkte vesting. Na de amnestie van 1880 keerde hij naar Parijs terug, maar weldra werd hij uit Frankrijk verbannen. In Italie teruggekeerd werd hij wegens een oude zaak, met hem voorgevallen te Alexandrië, veroordeeld tot 25 jaar naar het bagno. Op de laaghartigste wijze behandeld in de gevangenis heeft het volk hem bevrijd door hem telkens en telkens te kiezen als parlementslid. Na zijn bevrijding ging hij weer naar Parijs en bleef daar, steeds werkende voor de vrijheid en de verbroedering der volkeren. Hoe diep bewogen was hij, toen hij zag hoe de sociaaldemokraten de vrijheid vertrapten en smoorden op de internationale kongressen door de uitsluiting der anarchisten! Want de vrijheid ging hem bovenal en waar hij deze verdrukt zag, daar was hij op zijn post om haar te verdedigen. Als zoodanig behoort hij onder de anarchisten, ofschoon zijn gevoel hem meer aan hun zijde brengt dan het klare bewustzijn van de anarchistische idee.

De vader van het Duitsche anarchisme kan men August Reinsdorf noemen. Als jong werkman zwierf deze veel rond in Duitschland, maar ook in Zwitserland, waar hij te Genève veel omging met Johann Philipp Becker, Bakunine, Kropotkine, Brousse en anderen en later geruimen tijd te Zürich leefde. Onder een anderen naam ging hij in 1877 naar Duitschland, want hij kon het niet langer uithouden “in dit vrije land, waar men mij overal kent en voor een menscheneter houdt”. Zoo kwam hij te Berlijn ook in aanraking met Most en steeds was hij een voorstander van de propaganda der daad. Volgens hem was er “slechts één logische opvatting van het moderne socialistische ideaal, dat is de anarchie en dit ideaal kon slechts op één wijze vervuid worden, nl. door de toepassing der anarchistische taktiek.” De sociaaldemokraten ontzagen zich niet om hem evenals zoovelen te brandmerken als een politiespion en nu moge men zeggen wat men wil èn van den persoon èn van de denkbeelden van Reinsdorf, over zijn karakter kan maar één oordeel zijn en dat valt ten gunste van hem uit. Zijn grootsche plan van den aanslag op den Niederwald en de mislukking ervan bespreken wij elders, genoeg zij het hier te konstateeren dat hij als een held op het schavot is gestorven onder het uitspreken der woorden: “weg met de barbaarschheid! leve de anarchie”! Voor de rechtbank antwoordde hij op de vraag: wie hij was? met de woorden: ik ben anarchist. En toen men hem vroeg, wat hij daaronder verstond, luidde zijn antwoord: “een maatschappij, waarin elk mensch van normalen aanleg al zijn bekwaamheden geheel kan ontwikkelen. Om dit mogelijk te maken, moet aan niemand een bovenmatige arbeidslast worden opgelegd; nood en ellende moeten verdwijnen; elke dwang moet ophouden; alle domheid en alle bijgeloof moeten uit de wereld worden verwijderd’. En in zijn verdedigingsrede zei hij, dat”de anarchistische beweging zou zegevieren, ook al waren er 10 rijksgerechtshoven".

Onder de Duitsche sociaaldemokraten neemt Johann Most ongetwijfeld een voorname plaats in. Deze werkman –hij was boekbinder van zijn vak– ontwikkelde een ongekende agitatorische werkzaamheid, beschikte over een groote, pakkende welsprekendheid, zoodat hij een vergadering wist mee te slepen en in geestdrift te brengen, bezat een groot gemak om denkbeelden in zich op te nemen en in zich te verwerken. In Oostenrijk, Duitschland, Engeland en de Vereenigde Staten heeft hij gewerkt en op de internationale beweging oefende hij veel invloed uit. Toen hij na de socialistenwet Duitschland verliet, was hij nog sociaaldemokraat, maar behoorende tot de revolutionaire school, zelfs toen hij ten spijt der Duitsche leiders op eigen initiatief zijn Freiheit te London uitgaf, en eerst onder den invloed van den Belg Victor Dave zoowel als door de houding, die zijn oude strijdmakkers tegen hem aannamen, werd hij anarchist. Hij vond te London een trouwen en opofferingsgezinden makker in Johann Neve, die later te Luik vertoevende zich liet verlokken op Duitsch grondgebied te komen om op aanwijzing van den Oostenrijkschen anarchist Peuckert aan de politie te worden overgeleverd, en in 1887 door het hooge Rijksgerechtshof te Leipzig veroordeeld te worden tot 15 jaar tuchthuis om in de gevangenis van Halle te sterven.
In Engeland ondervond Most de vrijheid van pers, die aldaar bestond, want wegens een artikel over de vermoording van den Russischen keizer Alexander II liep hij een straf van 16 maanden hard labour (dwangarbeid) op. Gedurende zijn gevangenschap werd het blad de Freiheit nog tweemalen gekonfiskeerd en de Engelsche politie joeg den drukkers zoodanig den schrik in, dat geen hunner het durfde uitgeven. Zoo was men gedwongen met het blad naar Zwitserland te gaan, maar ook de Bondsraad van de vrije Zwitsersche republiek had besloten een einde te maken aan de verschijning van dat blad. Most vond bij zijn ontslag uit de gevangenis de zaken zoo staan. Hij stelde direkt voor om het blad onder zijn volle verantwoordelijkheid weer te London te doen verschijnen, maar de lui waren finantieel uitgeput en toonden ook weinig ijver voor de zaak. Toen Most een uitnoodiging uit Amerika kreeg, om daar een rondreis te maken, nam hij dit aanbod aan en verplaatste hij de uitgave van dat blad naar New-York.
In 1882 zette hij den voet op Amerikaanschen bodem en bleef daar sints dien tijd werkzaam voor het kommunistisch anarchisme en redigeert tot heden toe het weekblad, de Freiheit. Overal vormden zich groepen, want Most ontwikkelde ook aldaar de oude agitatorische kracht. Reeds na een half jaar vormde men de Amerikaansche federatie der Internationale arbeidersvereeniging, die op het kongres van Pittsburg in Oktober 1883 volgens het ontwerp van Most de volgende beginsel-verklaring aannam:

  1. Verwoesting der bestaande klassenheerschappij met alle middelen, d.w.z. door een energiek, revolutionair en internationaal optreden;
  2. Oprichting van een vrije maatschappij, berustende op een genootschappelijke organisatie van de produktie;
  3. Vrije ruil van gelijkwaardige produkten door de produktieve associaties zelven en zonder tusschen-handel en profijtmakerij;
  4. Organisatie van het opvoedingswezen op den grondslag van gelijkheid, wetenschap en godsdienstloosheid;
  5. Algeheel gelijke rechten voor allen zonder onderscheid van geslacht en ras;
  6. Regeling van alle openbare aangelegenheden door vrije kontrakten der autonome (onafhankelijke) gemeenten en verbindingen.

Toen men den opgang zag, dien Most maakte, sloeg de schrik om het hart der kapitalisten en zij zochten een gelegenheid om hem onschadelijk te maken. Op 23 April 1886 hield Most te New-York een vurige redevoering over de bewapeningsvraag en hij riep de talrijke aanwezigen op, om zich te voorzien van geweren, revolvers, bommen, enz., opdat zij toegerust zouden zijn tegen den dag der beslissing. Gevolg hiervan was een aanklacht tegen Most en een bevel tot gevangenneming werd uitgevaardigd.
In dien tusschentijd had te Chicago op 4 Mei de beruchte bommenzaak plaats, waardoor de kapitalisten uit vrees hun verstand heelemaal verloren. Op 11 Mei nam men Most gevangen en ofschoon hij tegen borgstelling weer op vrije voeten werd gesteld, begon men op 27 Mei reeds zijn proces en op 2 Juni volgde zijn veroordeeling tot 1 jaar strafgevangenis en 500 dollar boete of 500 dagen. Ofschoon men trachtte om hem in de zaak der beklaagden van Chicago te mengen, daartoe zag men geen kans. Anders zou hij ongetwijfeld mede zijn opgehangen. Nu kwam hij vrij met 1 jaar zitten op Blackwells Island. Na zijn invrijheidstelling hernam hij zijn plaats als redakteur der Freiheit. Steeds wijdt Most zijn krachten aan de propaganda voor het anarchisme en hoe onvermoeid hij daarin nog is, ondanks het klimmen zijner jaren –hij is nu 54 jaar oud– toonde hij door een groote propagandareis te maken door de geheele Vereenigde Staten, waarvan hij nu onlangs weer in gezondheid te New-York is teruggekeerd (Maart 1900).
Tijdens zijn gevangenschap in Amerika (1886) verscheen een brochure: Acht Jahre hinter Schloss und Riegel (acht jaren achter slot en grendel), waarin zijn veelbewogen en uiterst roerig leven wordt geschetst. Verschillende agitatorische kleine brochures zijn door hem uitgegeven, waarin hij op zijn eigenaardige, pakkende, scherpe, drastische wijze zijn denkbeelden uiteenzet en zijn tegenpartijders te woord staat.
In hoeverre men Wilhelm Hasselmann, die in Duitschland ook een tijdlang veel invloed in de partij had, kan rekenen tot de anarchisten, weten wij niet. Wel is het bekend dat hij een gloeienden haat had tegen de “partijpausen” en dat hij, naar Amerika uitgeweken, omdat de grond in Duitschland hem te warm werd, aldaar in revolutionairen geest heeft gewerkt, maar in de latere tijden verdween hij geheel van het tooneel.
Onder de anarchisten, die in de beweging een rol speelden, neemt ook Joseph Peuckert een plaats in, maar voor de meesten gaat hij door voor een politie-spion, waartoe zijn houding in zake Neve veel heeft bijgedragen –en de onthullingen van den voormaligen politiespion Max Trautner, die ook tegen betaling van geld aandeel heeft gehad aan de gevangenneming van Neve, laten dienaangaande haast geen plaats voor twijfel meer over– en daarom laten wij hem rusten, in de onmogelijkheid zijnde om hier ter plaatse ons in deze kwestie te verdiepen.
Door de opportunistische houding der sociaaldemokraten ontstond er oppositie in de Duitsche partij, maar al stond de zaak een oogenblik kritiek voor de officieele partij, toen dr. Bruno Wille te Berlijn in een reusachtige vergadering velen scheen mee te slepen, toch gelukte het aan Bebel, Liebknecht en de hunnen meer door hun persoonlijken invloed en hun traditioneele positie dan door hun zakelijke weerlegging, om deze oppositie der “Jongen” uit de partij te verbannen. Eenmaal eruit schoven deze meer en meer naar de anarchisten toe, maar sommigen hunner werden moedeloos en trokken zich terug, anderen moesten veelal om den broode het land verlaten en de overblijvenden verloren zich te veel in theoretische bespiegelingen dan dat zij in het praktische leven veel invloed konden uitoefenen. Behalve Wille vinden wij aan die zijde Gustav Landauer, Wilh. Spohr, Albert Weidner, Bernard Kampffmeyer en eenige anderen, die den Sozialist uitgaven. Later verscheen daarnaast een tweede blad Neues Leben, maar voerde reeds het eerste een kwijnend bestaan, voor twee bladen was heelemaal geen plaats. Moest de Sozialist het opgeven, Neues Leben bestaat nog en dit kleine weekblaadje vertegenwoordigt dus het anarchisme in Duitschland. Ontzettend moeilijk is het in de gegeven verhoudingen óm in Duitschland propaganda te maken voor het anarchisme, daar de bladen voortdurend gekonfiskeerd, de redakteuren gevangen gezet worden. En daarbij komt dan nog de gloeiende haat, waarmede de sociaal-demokraten de anarchisten vervolgen, zoodat zij zelfs beweren dat het aan de sociaaldemokratie te danken is, dat het anarchisme zoo weinig voet kreeg in Duitschland.
Noemden wij in het begin van dit hoofdstuk dr. Cesar de Paepe als een der ijverigste voorvechters der socialistische beweging in België, hoorden wij hoe hij eerst optrad als pleitbezorger van het anarchisme, later ging hij geheel het spoor der Duitsche sociaaldemokratie op, ofschoon hij te vrijen blik op de dingen had dan dat hij de oogen zou sluiten voor de vrijheidlievende ideën, eenmaal door hem zelven gekoesterd. Hij was te kritisch en te eklektisch dan dat hij partijleider kon zijn in de slechte beteekenis van het woord. Op het kongres der Internationale te Lausanne in 1867 verdedigde hij het kollektivisme –dat was toen de naam van het kollektivistisch anarchisme– tegen het staatskommunisme eener- en het mutuellisme van Proudhon anderzijds.

Naast hem streed Victor Dave, die als student te Luik als afgevaardigde werd gezonden naar het internationaal kongres. In Zwitserland kwam Dave in kennis met Bakunine en ondervond in hooge mate diens invloed. Later werd hij de leermeester van Most in het anarchisme. Afkeerig van het parlementarisme staat hij steeds vijandig tegenover allen, die het socialisme gevoerd hebben op de banen van het parlementarisme. Hij woont nu te Parijs en is daar letterkundig werkzaam.
Aan het te Brussel verschijnende blad Liberté, in de jaren 1871 en 72, werkten behalve de Paepe en Dave ook Hector Denis, Guillaume Degreef en anderen mede, die toen ter tijd allen de banier der vrijheid flink omhoog hielden. Een bekend figuur in de Belgische beweging is ook “vader” Rottmeyer, van afkomst een Duitscher gelijk zijn naam duidelijk doet zien, een revolutionair van temperament, die de propaganda der daad beschouwde als het eenige praktische middel tot verwerkelijking van socialistische doeleinden. In geen land ter wereld is het opportunisme zoo welig opgeschoten onder de socialisten als in België, zoodat er een mengelmoes is ontstaan onder den naam van Parti Ouvrier, waarin men van alles vindt maar waarin het socialisme pas in de laatste plaats in aanmerking komt. Toch is het anarchisme er nooit geheel verdrongen, getuige het Moineau die nu boet in de gevangenis voor een misdrijf, voor een aanslag te Luik, die niet door hem gedaan is<ref>Deze is onlangs (1901) vrijgelaten, om zijn plaats onder de anarchisten weer in te nemen.</ref>, getuige het Flaustier<ref>Ook deze vermeerderde het korps der overloopers, daar hij in den schoot der Parti Ouvrier is teruggekeerd.</ref>, die in den laatsten tijd in anarchistische richting propaganda maakt, getuige het dr. Hénault te Luik, die in het Walenland veel invloed heeft. Op den duur kan de vrijheid toch niet gesmoord worden.
De Spaansche socialistische beweging was en is nog overwegend anarchistisch. Vooral Barcelona is het centrum der anarchistische beweging en dank zij de federalistische organisatie bleef de Internationale er voortbestaan, al werd zij ook buiten de wet gesteld. Hoewel heel wat gruwelijker vervolgd dan de Duitsche sociaaldemokratie, sints de invoering der socialistenwet, bleven de anarchisten daar voortwerken zonder te verloopen tot een gewone hervormingspartij. De opstand in Karthagena, te Xerès in het zuiden van Spanje, de aanslagen te Barcelona, alles droeg bij tot een barbaarsche vervolging, zoodat de oude inquisitie op het fort Montjuich weer werd ingevoerd en de doodstraf, op enkelen toegepast, heel wat menschlievender was dan de martelingen, die velen ondergingen.
In den beginne droeg ook de Russische beweging, met uitzondering van eenige Blanquisten en zeer enkele Marxisten, een anarchistisch karakter, al verschilde men ook ten opzichte van de middelen, die tot het doel moesten voeren. Pas tegen 1880 trad men op voor onmiddellijke politieke hervormingen door een centralistische organisatie en sints 1883 kan men zeggen dat de meeste woordvoerders Marxistische sociaaldemokraten zijn. In den laatsten tijd dringt echter het anarchisme weer meer naar voren, waartoe de geschriften van den te London levenden W. Tcherkessof niet weinig bijdragen. Zijn kritiek op Marx en Engels draagt een sterk afbrekend karakter en sints er gaten zijn ontdekt in de onfeilbaar geachte leer van Marx, sints deze beschuldigd is van wetenschappelijk plagiaat, op ekonomisch gebied van Thompson, en wat het beroemde Kommunisten-manifest aangaat van Victor Considerant, is diens zon wat aan het tanen geraakt, want een autoriteit, die betwijfeld wordt, houdt op autoriteit te zijn.

Bestand:Fotos/chicago.jpg
De martelaren van Chicago

Wat Amerika aangaat, wij spraken er reeds over hoe vooral Most een anarchistischen geest in de beweging heeft geblazen. Te Chicago waren alle hoofdleiders in 1886 anarchisten en toen de bourgeoisie de arbeiders-beweging den kop wilde indrukken door het laten werpen van een bom op de Hooimarkt aldaar, tengevolge waarvan 7 politieagenten den dood vonden, toen richtte zij haar aanval op de anarchisten, als de toongevers in de beweging. Men weet hoe acht personen, te weten: August Spies, Albert Parsons, Louis Lingg, Adolph Fischer, Georg Engel, Samuel Fielden, Michael Schwab en Oscar Neebe, gevangen werden genomen<ref>Hoezeer zij zelven overtuigd waren, dat het proces met vrijspraak moest eindigen, blijkt hieruit, dat Parsons, de eenige die had weten te ontvluchten, zich op den dag der behandeling van het proces vrijwillig aan de rechtbank aanmeldde, om het lot zijner vrienden te deelen. Weinig kon hij toen vermoeden, hoe hij door zijne schoone daad het hoofd legde in den muil van den leeuw, die straks zou toebijten.</ref>, van wie de zeven eersten ter dood werden veroordeeld, nadat het proces zoo wat anderhalf jaar slepende was gehouden, en de achtste tot 15 jaar gevangenisstraf.
Ondanks de pogingen, van verschillende zijden aangewend, heeft de bourgeoisie haar wraak uitgeoefend en de vijf eersten werden inderdaad opgehangen, of liever vier hunner, daar het Lingg gelukte zichzelven in de gevangenis van kant te maken, terwijl Fielden en Schwab gratie kregen, d.w.z. hun straf veranderd zagen in levenslange gevangenstraf. Zeldzaam was dit proces, omdat allen zich flinkweg als anarchisten bekenden en voor de rechtbank deden uitkomen dat het te doen was om in hun personen het anarchisme te treffen, maar ook om den heldenmoed waarmede zij allen stierven<ref>De volgende weinig bekende bizonderheid is te eigenaardig om haar niet te melden. Juist in dien tijd maakte Liebknecht met Aveling en diens vrouw Eleanor Marx een voordrachtenreis door Amerika en bij die gelegenheid bracht Liebknecht een bezoek aan Parsons in Cook County’s gevangenis. Nadat hij aan Parsons, dien hij niet kende, was voorgesteld, zei hij tot dezen op meewarigen toon: “het doet mij in mijn ziel leed, meneer Parsons, om u in dezen treurigen toestand aan te treffen.” Parsons, slagvaardig als altijd, antwoordde hem: “dit gezegde herinnert mij aan een goede anekdote. Gij zult wel eens gehoord hebben van William Lloyd Garrison en Wendell Phillips. Toen Garrison te Boston in de gevangenis zat wegens de agitatie tegen de slavernij, kreeg hij een bezoek van Wendell Phillips, die toen een zeer gematigde houding had aangenomen. Phillips zei tot Garrison:”het doet mij leed, om u hier achter de tralies te moeten zien." Garrison antwoordde: “en het doet mij leed u niet aan mijn zijde te mogen zien.” Liebknecht begreep den zet en verwijderde zich spoedig. (Medegedeeld door Charles uit Boston).</ref>. Hun pleidooien voor de rechtbank zijn een ware akte van beschuldiging tegen de geheele maatschappij<ref>Verschenen in het Hollandsch bij J. Sterringa onder den titel: Woorden voor ’n rechter (?) stoel. Verantwoording der veroordeelde Chicagoër anarchisten. Men vergelijke ook het schoone hoofdstuk over deze terechtstelling in De Anarchisten van John Henry Mackay bij denzelfden uitgever. Vergelijk ook Aug. Spies Reminiscenzen en Anarchism: its philosophy and scientific basis as defined by some of its apostles by A.R. Parsons, alsmede Life of Albert R. Parsons with history of the labor movement in America.</ref>. Later zijn Fielden en Schwab vrijgelaten en de gouverneur Altgelt heeft officieel erkend, dat hier een gerechtelijke moord heeft plaats gevonden, daar geen der beklaagden de bewuste bom heeft geworpen. Deze terechtstelling gaf natuurljk een grooten terugslag op de geheele beweging en jaren zijn noodig geweest om de verstrooide elementen weer tezamen te brengen. Aan den anderen kant heeft deze daad den arbeiders getoond, wat hun van de zijde der bourgeoisie te wachten staat, zoodra deze gevaar voor haar heerschappij begint te duchten. Het goed geredigeerde dagblad Vorbote, dat te Chicago verschijnt, is het bewijs dat de anarchistische strooming nog niet ingedamd is, maar steeds voortgaat zich een weg te banen onder het Amerikaansche volk. Als propagandisten voor die richting zijn vooral bekend Lucy Parsons, de vrouw van den gehangen Albert en Emma Goldmann, terwijl de onlangs gehouden en goed geslaagde propagandareis van Most toont, dat de anarchistische idee nog genoeg aanhang vindt in de Vereenigde Staten van Noord Amerika. De Free Society, thans uit San Francisco naar Chicago verplaatst, maakt in de Engelsche taal propaganda voor het anarchisme.
Heeft Lombroso getracht in de anarchisten, althans in velen hunner, de misdadigerstype terug te vinden, anderen beweren dat de studie der fysionomie van velen hunner, o.a. van de martelaren van Chicago, een ieder noopt in hen energieke gelaatstrekken te ontdekken, gepaard met een hoogen graad van intelligentie.
In een Duitsch boekje Die Hintermänner der Social-demokratie von einem Eingeweihten, afkomstig uit het jaar 1890 vinden wij de opmerking, dat de schrijver door langdurig verkeer met vele bekende anarchisten er toe gekomen is hen te onderscheiden in twee soorten:

  1. de mannen, vervuld van haat, die verstandelijk alleen de schaduwzijden der hedendaagsche wetenschappelijke toestanden opmerken en wier hartstochtelijk temperament hen er toe voert om den vernielingsoorlog tegen het bestaande als heiligen plicht te beschouwen; en
  2. de goedmoedige, weekhartige menschen, op wie de ellenden van anderen dieper indruk maken dan eigen nood. Dweepende met vrijheid, gelijkheid en broederschap trachten zij een ideaal te vervullen, waarin deze als grondslagen zijn aangenomen.

Zou er niet een derde richting naast geplaatst moeten worden, waarin die beiden vermengd worden gevonden? De meeste personen laten zich niet zoo klassificeeren, daar zij karaktertrekken uit verschillende klassen bezitten.
Hamon heeft in zijn Psychologie de l’anarchiste-socialiste de kurieuse poging gedaan om uit een onderzoek naar de wijze, waarop verschillende anarchisten zijn gekomen tot hun anarchisme, te geraken tot de samenstelling van den “gemiddelden” anarchist. Zijn zielkundige ontleding naar de hersengesteldheid van den socialist-anarchist heeft hem tot de ontdekking gebracht, dat deze zich onderscheidt door:

  1. den geest van verzet;
  2. de liefde voor vrijheid;
  3. de liefde voor het Ik of individualisme;
  4. de liefde tot anderen of altruïsme;
  5. gevoeligheid;
  6. gevoel voor recht;
  7. logische zin;
  8. lust naar kennis;
  9. geest van proselieten maken.

Wij hechten hieraan niet de minste wetenschappelijke waarde, maar deelen die ontleding mede om der kuriositeit wille. Dit is zeker dat ondanks de telkens herhaalde verklaringen van sociaaldemokraten, waaraan zij blijkbaar zelven niet gelooven, dat het anarchisme dood is, de anarchistische richting in alle landen haar invloed doet gelden indirekt, daar het aan haar is te danken dat de sociaaldemokratie nog niet dieper is gezakt in het moeras der hervormingen op de grondslagen van den hedendaagschen staat, direkt, doordat het overal den vrijheidlievenden geest aankweekt en bevordert en in alle kringen der maatschappij de idee der vrijheid en individualiteit tegenover gezag en dwang van boven hoog houdt.

E. Individueel anarchisme.

Naast het kommunistisch-anarchisme heeft men het individueele, waarin de soevereiniteit van het individu tot het uiterste wordt doorgedreven. Het onderscheid tusschen beide richtingen wordt duidelijk aangegeven door Mackay in zijn boek De Anarchisten. Daarin laat hij een diskussie voeren door de vertegenwoordigers der beide richtingen en dan geeft de individualist bij hem het volgende onderscheid: beiden zijn het eens over de autonomie van het individu, zijn zelf heerschappij en het recht van zijn eigen wil, maar de kommunist-anarchist bouwt naar zijn ideaal het ideaal der menschheid en meent dat elk “echt en waarachtig” mensch onder dat ideaal even gelukkig moet zijn als hijzelf. Daarentegen wil de individueele anarchist aan een ieder de vrijheid geven om te leven volgens zijn eigen ideaal. Hij wil dat men hem met rust late en verschoond blijven van eischen, die hem gesteld worden in naam van “het ideaal der menschheid”. De eerste strijdt enkel en alleen voor zijn eigen vrijheid, de tweede voor wat hij noemt de vrijheid van anderen. Terwijl de kommunist-anarchist den godsdienst wil afschaffen, de priesters verjagen, de geloofsleer uitroeien, meent de individualist dat door steeds toenemende kennis de godsdienst zich zelf zal afschaffen. Als weten de plaats van gelooven inneemt, vraagt geen mensch naar een kerk, naar een godsdienst, naar een dogma en dus er is voor die dingen geen plaats meer. Terwijl de kommunist-anarchist wel vrije liefde wil, maar dat de aan de vereeniging van man en vrouw ontsproten kinderen zullen behooren aan de maatschappij, die voor de opvoeding verplicht is te zorgen en de afzonderlijke gezinnen, zoowel als de alleenloopende personen op zullen gaan in de groote familie der menschheid, wil de individualist de vrije vereeniging van twee menschen, die samenblijven zoolang zij het zelven willen, de vereeniging voor één nacht, één lente, levenslang precies zooals het hun goeddunkt.
Terwijl de kommunist-anarchist het privaateigendom wil afschaffen en zegt dat de staat moet vallen opdat het eigendom valle, want de staat beschermt het eigendom, beweert de individualist dat de staat moet vallen opdat het eigendom zou kunnen bestaan, want de staat onderdrukt het eigendom, hij wil het onrechtmatige eigendom verdrijven door van elkeen een bezitter te maken, hij wil de organisatie van het vrije krediet d.w.z. de mogelijkheid voor een ieder om in het bezit te geraken van arbeidsmiddelen.
De individualist wil dus het persoonlijk eigendom niet afschaffen, maar behouden. Echter ter juister beoordeeling moet er bijvoegd worden: persoonlijk eigendom voor eigen gebruik.
Niets is dwazer en meer onwaar dan dat men de individueele anarchisten uitmaakt voor Manchester-lui, die willen toepassen de leer van het: laat-maar-waaien, laat-maar-gaan. Immers tusschen beiden ligt een diepe klove. De Manchester-lui verkondigden de vrije konkurrentie, maar zij lieten de arbeidsmiddelen als privaat-eigendom bestaan. Daarentegen gaat de individualist uit van de onderstelling, dat de mogelijkheid voor een elk bestaat om te komen in het bezit der arbeidsmiddelen en dus tegen elk monopolie dezer in handen van enkelen.
Uitgaande van de juiste grondbeginselen van Adam Smith, dat de arbeid de ware maat is van den prijs, dat rijkdom de jaarlijksche opbrengst is van de aarde en den arbeid, dat het produkt van den arbeid de natuurlijke belooning ervan is of het arbeidsloon, dat vóór de periode der toeëigening van den grond en de opeenhooping van het kapitaal, het geheele produkt behoorde aan den arbeider, daar er geen gedeelte af moest voor een eigenaar of baas, heeft men nagelaten –en zelfs Adam Smith maakte zich ook aan die fout schuldig– de gevolgen te trekken die noodzakelijk moesten voortspruiten uit die leer. Pas een halve eeuw later kwam men daartoe en zoo werd het socialisme niet anders dan de nieuwe ekonomie, die de logische konklusies trok uit de beginselen, neergelegd in het boek van Adam Smith. Dit socialisme zag in, dat de eenige weg, om den arbeid het genot te bezorgen van zijn geheele produkt, daarin bestond om alle monopolies af te schaffen. Hierover waren alle socialisten het eens, maar er ontstond scheiding ten opzichte van den weg waarlangs men tot dit doel moest geraken. Warren, Proudhon en anderen wilden daartoe den weg der vrijheid; Louis Blanc, Marx en anderen die van het gezag. Staats-socialisme en anarchisme waren geboren.
Staatssocialisme als de leer volgens welke alle zaken moeten bestuurd en geregeld door de regeering, die het volk zelf door algemeen kiesrecht had aangewezen, dus de heerschappij van de helft plus één, zonder te letten op den wil van het individu, die moet opgaan in den wil van de gemeenschap of beter gezegd van de helft plus één. Het middel om zich te ontdoen van de daardoor ontstane monopolies is om alles te maken tot één groot monopolie.
Anarchisme als de leer volgens welke alle zaken bestuurd en geregeld moeten worden door de individuen of door vriwillige associatie van personen, die zich tot een bepaald aantal groepeeren of van zoo’n groepeering deel uitmaken zoolang zij zulks zelven verkiezen en dat de staat zal moeten worden afgeschaft.
En hoe onzuiver het is, om den individueelen anarchist uit te maken voor een gewonen Manchesterman of liberaal, dat blijkt ten duidelijkste uit hetgeen een hunner, Benjamin Tuecker, dienaangaande zegt: “de Manchestermannen gelooven in de vrijheid van de arbeiders tot onderlinge mededinging in zooverre het betreft daardoor hun loonen te verlagen, maar niet in de vrijheid van de kapitalisten tot onderlinge mededinging in zooverre het betreft daardoor hun woekerwinsten te verlagen. Laissez faire (laat maar gaan) was een goede saus voor den gans, arbeid, maar een zeer schrale saus voor den zwaan, kapitaal. Maar hoe deze inkonsekwentie op te ruimen, hoe dien gans voor te dienen met die saus, hoe het kapitaal te stellen ten dienste van zakendoende menschen en arbeiders tegen den kostenden prijs of vrij van woekerwinst – zietdaar het groote vraagstuk.”
In zooverre het kommunistisch-anarchisme indedaad dwang zou willen uitoefenen door b.v. te noodzaken in kommunisme te leven of allen te pressen hun kinderen ter opvoeding af te staan aan de gemeenschap, wordt hier een heilzame reaktie uitgeoefend door het individueel anarchisme en omgekeerd zoodra het individueel anarchisme op de eene of andere wijze zou willen verhinderen dat de menschen zich groepeerden in gemeenschappen, daar treedt het kommunistisch-anarchisme weldadig op, om hier tegen in verzet te komen. Beide vormen kunnen best naast elkander bestaan en als dan de voordeelen van het kommunisme door besparing van veel arbeid en kosten veel grooter zijn, dan zullen de individualisten van zelf en uit eigen vrije verkiezing dien vorm verkiezen boven den individueelen en zijn er bij wien trots dat alles het individueele leven boven alles gaat, welnu welk bezwaar zou er ter wereld bestaan, om dit niet toe te staan of toe te laten?
Reeds Cicero begreep, dat “het wezen der vrijheid is om te leven precies zooals men verkiest”. En de Engelsche wijsgeer Herbert Spencer, die moeilijk valt te klassificeeren, want terwijl hij zooveel argumenten aan de hand heeft gedaan aan de anarchisten en de staatsidee krachtig bestreed, heeft hij toch ook front gemaakt tegen de anarchisten, sprak eenmaal het volkomen anarchistische denkbeeld uit: “de mensch moet de vrijheid hebben om te gaan en te komen en te zien, om te gevoelen, te spreken, te werken, voedsel, kleeding, huisvesting te krijgen en voor elk zoowel als voor allen de behoeften der natuur te bevredigen. Hij moet vrij zijn, om alles te doen wat hetzij direkt hetzij indirekt noodig is ter voldoening van elke geestelijke en lichamelijke behoefte.” En als ideaal eener maatschappelijke orde beschouwt hij het, als “iedereen met het vrije uitleven van zijn eigen wezen ook de funktie eener sociale eenheid vervult en daardoor dat alle anderen hetzelfde doen, zal de eenling in staat worden gesteld zijn eigen leven te leven.”
Josiah Warren (1799-1874) is een van de voorgangers op den weg van het individualistisch anarchisme. Eenmaal deel uitmakende van de Owensche kolonie New Harmony, kwam deze tot de meening dat het mislukken zijn oorzaak had in het beginsel der associatie. Het individu is aldaar te veel aan banden gelegd en kan zich niet in volle vrijheid ontplooien. Hij wil daarom geen regeering, geen wetten, geen uitwendig gezag maar ook geen reglementen, geen statuten, geen uitvoerende macht of bestuur, geen organisatie. Elk moet geheel kunnen doen en laten, wat hij goed acht of waarin hij lust of plezier heeft. Volgens dien regel stichtte hij in 1851 het dorp Modern Times op Long Island bij New York. Op verschillende plaatsen richtte hij zoogenaamde “time-stores” (tijdwinkels op), waar de waren konden ingeruild worden tegen andere waren of ook tegen arbeidsbanknoten, waarop de waarde stond uitgedrukt in den arbeidstijd, vereischt voor de vervaardiging van een waar met een kleine verhooging, die een kompensatie was voor den tijd, door den kooper in den winkel doorgebracht. Hij schreef een boek, getiteld: Equitable commerce, a new development of principles as substitutes for laws and government, for the harmonious Adjustment and Regulation of the pecuniary, intellectual and moral intercourse of mankind, (Billijke handel, een nieuwe ontwikkeling van beginselen in plaats van wetten en regeering tot harmonische regeling en verdeeling van het geldelijk, verstandelijk en zedelijk verkeer der menschen) en een ander: A brief Inquiry into the natural rights of man, his duties and interests, with an outline of the principles, laws and institutions by which Liberty, Equality and Fraternity may be realized throughout the world (Een kort onderzoek naar de natuurlijke rechten van den mensch, zijn plichten en belangen, met een schets der beginselen, wetten en instellingen, waardoor vrijheid, gelijkheid en broederschap verwerkelijkt kunnen worden door geheel de wereld). Veel invloed is er niet van hem uitgegaan, althans in Europa, en zijn geschriften zijn hier vrij wel onbekend, zelfs de naam van den persoon kan zich niet verheugen in groote bekendheid. Overigens wat de denkbeelden aangaat, was dit niet noodig, want Proudhon wilde en trachtte in hoofdzaak hetzelfde.
Er waait ontegenzeggelijk een anarchistische geest door de geschriften van Emerson, Wendell Phillips, door de gedichten van Walt Whitman, zelfs een Benjamin Franklin, een Jefferson, een Thomas Paine zijn er niet vrij van en dat komt omdat èn in Engeland èn in Amerika een individualistische neiging bij velen wordt aangetroffen, die zich in ’t algemeen openbaart in de zucht, de dikwijls vage zucht naar vrijheid en die zich bij enkelen, tot klaar bewustzijn gekomen, omzet tot anarchisme.
Hoeveel verder zou men nu zijn, als men getracht had de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 om te zetten in daden, waar deze zegt: “wij erkennen dat alle menschen gelijk zijn geschapen met zekere onschendbare rechten; dat hiertoe gerekend worden leven, vrijheid en het zoeken naar geluk; dat er een bestuur door het volk is aangesteld, dat zijn macht ontvangt uit de handen van het volk zelf, om deze rechten te handhaven; dat als het bestuur deze rechten schendt, het volk het recht heeft verandering te brengen in het bestuur of het af te zetten en een nieuw te benoemen, welks grondbeginselen waarborgen, dat het het heil der natie zal bevorderen”! Omdat de demokratie met haar algemeen kiesrecht, doorgevoerd in alle opzichten, zonder de ekonomische gelijkheid niets beteekent, kon men komen tot een konsekwent doorgevoerde plutokratie en mammondienst, gelijk men haar aantreft in de Vereenigde Staten, ondanks zulk een verklaring.
Een ander Amerikaan was Thoreau (1817–1862), die in zijn geschriften Anti-slavery en Reform Papers anarchistisch denkt en schrijft. Beschuldigd van scepticisme, cynisme, menschenhaat, hoogmoed en kwade trouw, omdat hij opkwam tegen negen tienden van de beste instellingen, vervolgde hij zijn weg trots goed en kwaad gerucht. Zijn streven is “terug tot de natuur’, gelijk hij dit uiteenzet in Walden or Life in the Woods<ref>Het is naar dit boek, dat dr. Frederik van Eeden zijn kolonie Walden te Bussum dien naam gaf. Wij meenen dat Thoreau voor het eerst is ingeleid in Nederland in het weekblad Morgenrood, waarin een artikel van hem werd opgenomen. Men vergelijke: Thoreau, His life and aims (Thoreau, zijn leven en streven) door H.A. Page. (London. Chatto en Windus).</ref> (Walden of het leven in de bosschen) en ofschoon geen tegenstander van de beschaving toonde hij aan ten koste van welke offers de voordeelen der beschaving zijn verkregen en wilde hij aanwijzen, hoe men alle weldaden der beschaving deelachtig kon worden, zonder er de tegenwoordige nadeelen van te ondervinden.
Toen de edele John Brown, over wiens lijk heen de afschafing der slavernij in de Vereenigde Staten is verkregen, ter dood werd veroordeeld, toen was het Thoreau, die een prachtig”Pleidooi voor kapitein John Brown" leverde. In zijn opstel “Ongehoorzaamheid aan de wetten” vertelt hij hoe hij zes jaren lang geen belasting betaalde en daarvoor in de gevangenis werd gezet, maar hoe het kwam, dat hij er slechts één nacht in bleef, dat deelt hij niet mede. Maar door dat middel toonde de staat hoe ’n arme idioot hij was en het laatste overblijfsel eerbied dat hij nog voor den staat had, ging verloren om plaats te maken voor een gevoel van medelijden. De belastingweigering werd door hem aanbevolen als de vreedzame omwenteling, waartegen niets zou blijken bestand te zijn. Als een duizendtal menschen weigerden dit te doen en de staat geplaatst werd tusschen de keuze om òf alle rechtvaardige menschen op te sluiten in de gevangenis òf af te zien van oorlog en slavernij, dan zal hij niet aarzelen wat te kiezen. Als de ontvanger der belastingen of eenig ander staatsambtenaar vraagt, zooals een hunner indedaad deed aan Thoreau – wat hij dan moest doen? moet het antwoord luiden: als gij iets wenscht te doen, welnu doe dan afstand van uw betrekking. Als de onderdaan gehoorzaamheid heeft geweigerd en de ambtenaar zijn betrekking heeft opgegeven, dan is de revolutie voltooid. Het kostte hem minder moeite om strijd op te loopen wegens ongehoorzaamheid aan de wetten dan dat het hem zou kosten om ze te gehoorzamen. Hij voor zich zou niet willen gevoelen dat hij niet zou kunnen leven buiten de bescherming van een staat, van een regeering, want dit geeft altijd het bewijs van eigen zwakte, zoodat men behoefte heeft aan een steun van buiten.
Een wijs man zal niet toelaten dat hij gebruikt wordt als een stuk klei, waarmede een gat gestopt wordt om den wind tegen te houden. Hij acht zichzelf van te hooge afkomst om iemand toe te behooren, om onderworpen te zijn aan een kontrole of om de nuttige dienaar en het instrument te zijn van onverschillig welken meester ter wereld. Men hoeft niet te wachten totdat men de meerderheid heeft overreed om slechte wetten af te schaffen, neen de individueele daad van weigering werkt veel krachtiger tot die afschaffing. Stemmen is altijd een loterij en een verstandig mensch laat het recht niet over aan de kans, evenmin als hij het wil bepaald zien door de meerderheid, want in het werk der meerderheid steekt weinig deugd. De mensch is niet geboren om gedwongen te worden, hij wil vrij ademen, hij moet kunnen handelen naar zijn lust en naar de tijdsomstandigheden. Thoreau beschouwde het individu als de basis der samenleving en als een mensch vrij denkt, vrij bemint en helder ziet, dan zal wat niet bestaat hem niet langer toeschijnen te bestaan en lage wetgevers of hervormers zullen hun best doen zonder dat hij ooit in hun macht is of komt.
Het was in de jaren vóór 1848, een tijd van opgewekt geestelijk leven, toen de linkerzijde der Hegelianen de wereld haast uit haar hengsels tilde door de radikale geschriften, die zij deed verschijnen. David Friedrich Strausz en Ludwig Feuerbach – deze twee namen reeds zijn voldoende om te herinneren aan de revolutie, te weeg gebracht onder de theologen en filosofen van die dagen. Dan kwamen Bruno Bauer, Arnold Ruge, Karl Marx, Friedrich Engels, Karl Grün en zoovele anderen, die ons met Ulrich von Hutten omtrent dien tijd zouden doen uitroepen: het was ’n lust om te leven! En dan Proudhon niet te vergeten, van wien Karl Grün getuigt, dat hij was de “Fransche Feuerbach, de praktische Feuerbach, die niet naar het Wezen van het christendom, maar naar het wezen van het eigendom vraagt. De vraag is dezelfde, slechts van een anderen kant bekeken, het is de vraag, vanwaar komt de afhankelijkheid, de slavernij in de wereld? Feuerbach antwoordt: daar vandaan, dat de mensch den arbeid zijns geestes vervreemdt en heeft overgeleverd aan een transcendent wezen als eigendom. Proudhon zegt: daar vandaan, dat de mensch zijn wezen, den arbeid en zijn produkt vervreemdt en in den bovenmenschelijken God den eigenaar aanbidt, van wiens genade hij leeft. Wat wil Feuerbach? Den god der religie en den absoluten geest der wijsbegeerte oplossen, om den mensch op zijn waar standpunt te stellen. Wat wil Proudhon? Het eigendom opheffen, den eigenaar rechteloos verklaren, om het wezen van den mensch, den arbeid, tot eere te brengen.” Karl Grün trachtte het Duitsch socialisme aan de Duitsche wijsbegeerte te verbinden. Hij bestreed den staat, die moest verdwijnen, om plaats te maken voor de vrije maatschappij, voor een zelfregeering van vrije, zelfstandige menschen.
Maar daar verscheen in 1844 een boek, dat de heele wereld in ontsteltenis bracht. Het was getiteld: Der Einzige und sein Eigenthum (de Eenling en zijn eigendom) door Max Stirner, de pseudoniem waaronder dr. Johann Casper Smidt heeft geschreven (1806–1856). Dadelijk werd door de regeering beslag gelegd op de nog niet door den uitgever verzonden exemplaren, 250 in getal, maar na eenige dagen werd het beslag opgeheven, omdat het boek “te ongerijmd” was om gevaarlijk te kunnen zijn. Maakte het in den aanvang opgang, het werd zeer verschillend beoordeeld, daar de een geen woorden genoeg vond om het te bewonderen en den schrijver als een genie te beschouwen, terwijl de ander het onzin vond en het boek met een schouderophalende minachting ter zijde legde. Het duurde echter niet lang of het boek was vergeten, en dat bleef het, totdat er in 1882 een nieuwe uitgave verscheen en eindelijk vond de schrijver in den bekenden John Henry Mackay een geestdriftvollen aanhanger, die een levensbeschrijving van hem gaf getuigende van groote piëteit op een wijze, gelijk Bakunine deze vond in dr. Nettlau. Hij beschouwt het boek van Stirner als het Vademecum van het anarchisme. Een Fransche vertaling verscheen en nu pas na een halve eeuw begint men het boek in zijn geheele opvatting te begrijpen en te waardeeren.
Toch blijft het een zeer uiteenloopend oordeel dat geveld wordt, want prof. Quack noemt het “pikant in den slechten zin van het woord, want door het geheele boek straalt het doel van den schrijver heen, om ten koste van alles opzien te baren” en het ging hem bij de lezing, als woonde hij een “studenten-commers” bij, gezeten aan “een smalle tafel onder het genieten van een niet te tellen reeks glazen bier, om met de studenten der filosofie of theologie te disputeeren, soezen, schateren, schetteren, lachen, vloeken en door te slaan”. Hij vindt dat er “een atmosfeer van bier en van tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek hangt”. Dus met andere woorden acht hij het een kroegenfilosofie. Daarentegen verklaart Franz Mehring, tegenwoordig een verwoed Marxist, die dus waarlijk niet uit vooringenomenheid zoo zal schrijven, dat “men Marx en Engels geen onrecht aandoet door den naam van hen in één adem te noemen met dien van Max Stirner.” En van dit boek getuigt hij: “als er ooit een boek is geschreven, waarop de dikwijls misbruikte vergelijking toepasselijk is: het is geschreven met het hartebloed van zijn schrijver, dan geldt het van der Einzige und sein Eigenthum”. Arnold Ruge noemde zijn werk een “bevrijdende daad”, daar het “de bevrijding is van de domste van alle domheden, van de sociale handwerkersdogmatiek, dit nieuwe christendom dat de eenvoudigen prediken en welks verwezenlijking een laag schaapstalleven zou zjn.” En Feuerbach karakteriseerde hem als “der gewaltigste und freieste Schriftsteller, den ich kennen gelernt.” (de machtigste en vrijzinnigste schrijver, dien ik heb leeren kennen). Het ging dezen stouten denker als zoovelen vóór hem –en hoevelen nog na hem?– hij was arm, zóó arm dat hij in 1853 tweemalen wegens schuld in de gevangenis kwam, eenmaal voor 21 dagen en later voor 36 dagen en toen hij stierf, nam bijna niemand er notitie van, terwijl anderen vergood en gehuldigd worden die verre beneden hem staan. Zijn streven kan het beste samengevat worden in dit woord van hem: “wer ein ganzer Mensch ist, braucht keine Autorität zu sein” (wie een geheel mensch is, behoeft geen autoriteit te zijn).
Max Stirner is de konsekwente individualist of wil men liever de wijsgeer van het Egoïsme. Hij verdeelt zijn boek in twee afdeelingen, namelijk: de Mensch en het Ik. Hem gaat niets boven het Ik. Was tot nu toe gesproken over de rechten en de plichten van den mensch, waar deze beginnen en eindigen, hij proklameert de soevereiniteit van het individu. Want of wij het weten willen of niet, wij zijn allemaal egoïsten.
Om het boek goed te begrijpen, moeten wij het plaatsen in de lijst van zijn tijd en dan zullen wij zijn op positie b.v. tegen het kommunisme, dat hij natuurlijk alleen kende in het utopistische staatskommunisme van Weitling, vatten. Van een vrij, kommunistisch-anarchistisch streven was toen geen sprake, en dus hij moest wel zoo schrijven als hij deed. Stirner kende niet de sociale ontwikkeling der moderne maatschappij en dus zijn konklusies moet men altijd uit dat oogpunt beschouwen. Al zoekt hij ook de hoogste kracht in het individu, hij is daarom niet tegen samenwerking. Hooren wij wat hij daarover schrijft (bl.240 en vlg.): “de eenling staat op zichzelf, hij is geen lid eener partij. Hij vereenigt zich vrij en scheidt zich weer vrij af. De partij is niets anders dan een staat in den staat en in dien kleinen bijenstaat moet dan eveneens weer”vrede" heerschen als in den grooten. Juist zij, die het hardst roepen dat er in den staat een oppositie moet zijn, ijveren tegen elke oneenigheid der partij. Een bewijs dat zij ook maar één staat willen. Niet op den staat, maar op den eenling lijden alle partijen schipbreuk." En hij betoogt dat “de partij niet bestaan kan met onpartijdigheid en daarin openbaart zich juist het egoïsme. Wat gaat mij de partij aan? Ik zal er genoeg vinden, die zich met mij vereenigen, zonder te zweren bij mijn vaandel.” Op de vraag of de eenlingen een partij vormen? antwoordde hij: hoe kunnen zij zichzelven zijn, als zij tot een partij behooren! En vraagt men: moet men het dan met geen partij houden? dan zegt hij: “juist doordat men zich bij hen aansluit en in hun kring treedt, knoopt men een vereeniging met hen aan, die zoo lang duurt, als partij en ik hetzelfde doel najagen. Maar vandaag deel ik nog de richting van de partij en morgen reeds kan ik het niet meer en word haar”ontrouw“. De partij heeft niets bindends (verplichtend) voor mij en ik respekteer haar niet; bevalt zij mij niet meer, dan sta ik vijandig tegenover haar. Een egoïst kan dus nooit partij nemen? Zeker, maar hij kan zich niet door de partij laten inpakken. De partij blijft voor hem ten allen tijde niets anders dan partij; hij is van de partij, hij neemt deel.”
Dus Stirner, de individualist bij uitnemendheid, spreekt van een “vereeniging van egoïsten”, d.i. een gezellige samenleving der menschen, op grond van de voorschriften van het algemeen welzijn, die treden in plaats van den staat met zijn wetten. Daarin zien sommigen een inkonsekwentie, want zooals Mehring zegt: “in elke vereeniging houdt het Ik op de Eenige te zijn.” Toch meenen wij dat dit zeer goed samengaat, als men maar vrije vereenigingen heeft, waarin de eenlingen samengaan zoo lang en voor zooverre zij gevoelen samen te kunnen gaan zonder hun zelfstandigheid prijs te geven. Geen enkel individualist zal er tegen zijn uit “Prinzipienreiterei” ooit te willen samen gaan met een ander, want als eenige éénlingen hetzelfde willen, dan worden zij onwillekeurig en zonder andere banden dan de eigen vrije verkiezing tot elkander gedreven. Ook den individualist zal men zooveel gezond verstand moeten toekennen, dat hij weet hoe de mensch een sociaal wezen is en zich dus onmogelijk geheel kan afscheiden van anderen, maar er bestaat een groot onderscheid tusschen den eenling, die zoogenaamd in het algemeen belang opgaat in het geheel en tusschen de som van eenlingen, die elk op zichzelven staan maar die telkens als er drang naar bestaat, bij elkander komen om straks, als die drang weer ophoudt, uit elkander te gaan.
Tegenover zijn recensent Mozes Hesz geeft Stirner eenige voorbeelden van reeds bestaande vereenigingen. “Misschien loopen op dit oogenblik voor zijn venster kinderen samen om een kameraadschap voor spelen te vormen; hij ziet ze goed aan en hij denkt vroolijke, egoïstische vereenigingen te zien. Misschien heeft Hesz een vriend, een beminde; dan kan hij weten, hoe het hart trekt naar het hart, hoe deze twee zich egoïstisch vereenigen, om aan elkander genot te hebben en hoe geen van beiden daarbij te kort komt. Misschien ontmoet hij een paar goede bekenden op straat en wordt hij uitgenoodigd hen naar een wijnhuis te vergezellen; gaat hij mede, om hun een liefdedienst te bewijzen, of ‘vereenigt’ hij zich met hen, omdat hij zich daarvan genot voorstelt. Moeten zij wegens de ‘opoffering’ daarvoor bedanken of weten zij het, dat zij tezamen voor een uurtje een ‘egoïstische vereeniging’ vormden?”
Het was Albert Lange, die zijn spijt uitdrukte dat Stirner zijn boek niet heeft aangevuld door een tweede gedeelte, en die onderstelt dat “ik om uit mijn beperkt Ik te geraken, op mijn beurt een soort idealisme welk dan ook, kan maken als de uitdrukking van mijn wil en mijn denken.” Maar zoo vergeet men dat Stirner niet optrad om op te bouwen, alleen om af te breken en hij zegt nergens dat op zijn grondslagen eenig sociaal stelsel kan worden opgebouwd. Men zou haast geneigd zijn te zeggen, dat deze gedachte verre van hem was, want hij schrijft ergens: “vrienden, onze tijd is niet ziek, maar hij is oud en zijn laatste ure sloeg; plaag hem niet meer met uw geneesmiddelen, maar verlicht hem den doodstrijd door hem te verkorten en laat hem – sterven.” Dus hij ziet den doodstrijd van den tijd en wat nut zou het dan kunnen hebben om aan te komen dragen met een nieuw stelsel? Wat er dan komen zal of gebeuren, hij weet het niet en hij spreekt er niet over. Niemand kan meer geven dan hij heeft en het is alleen de vraag of wat hij geeft, de moeite van het geven wel waard is.

Ongetwijfeld blijft het boek van Max Stirner een verschijnsel van blijvende waarde en wel verre van het te beschouwen als een produkt van kroegenfilosofie, meenen wij dat het te meer gewaardeerd zal worden, naarmate men meer de individualiteit der menschen zal huldigen en in plaats dat deze huldiging zal strekken ten nadeele van het sociale leven, achten wij het voor de maatschappij het beste, als deze zich in alle vrijheid kan voltooien, want een maatschappij van menschen bij wie de individualiteit sterk spreekt, zal heel wat hooger staan dan een verzameling van automaten, die alle bewegingen nadoen, door enkelen voorgedaan. Mackay verwijt onzen tijd, dat “wij een geslacht zijn tusschen nacht en dag in. Half ontwaakt wrijven wij ons nog de slaapdronken oogen uit en wagen het nog niet in het volle licht te zien. Wij kunnen ons niet scheiden van de oude woningen van onze begrippen, al vallen ze ook boven onze hoofden in elkaar; wij zijn nog te laf, om het oude huis te verlaten en ons toe te vertrouwen aan de zee van het zelfbewustzijn, dat ons alleen kan dragen naar den anderen oever; wij hebben nog geen recht vertrouwen op de toekomst, ofschoon of veeleer omdat wij geen vertrouwen meer in ons zelven hebben” (bl.161). Met andere woorden: wij hinken nog te veel op twee gedachten, staan wel met den eenen voet in de nieuwe wereld maar durven den anderen nog niet geheel wegtrekken uit de oude.
Onder zijn aanhangers mag wel in de eerste plaats genoemd worden Mackay, die hem in zijn levensbeschrijving<ref>Max Stirner. Sein Leben und sein Werk von John Henry Mackay. Deze bezorgde ook een uitgaaf zijner Kleinere Schriften und seine Entgegnungen auf die Kritik seines Werkes: Der Einzige und sein Eigenthum. Aus den Jahre 1842–47.</ref> het schoonste monument heeft willen stichten naast den steen op het graf, waarop met vergulden letters de naam staat vermeld van den eenvoudigen man, wiens leven één onafgebroken strijd was tegen vooroordeelen op godsdienstig, politiek en sociaal gebied en ook met zorg en verdrietelijkheden.
Ofschoon het bijna niet is aan te nemen, dat Nietzsche, de ongelukkige krankzinnige wijsgeer, die veel invloed uitoefende op de gedachten der intellektueel ontwikkelden, Stirner’s werk niet zou hebben gekend, zooals van hem wordt verzekerd van bevriende wijze, toch is een sterke verwantschap van denkbeelden tusschen beiden niet te ontkennen.
In Amerika hebben de individualisten een sterken verdediger in Benjamin Tucker, den leerling en vriend van Josiah Warren, aan wien hij zijn merkwaardig boek Instead of a Book by a man too busy to write one (In plaats van een boek door iemand die het te druk heeft om er een te schrijven) ook heeft opgedragen. Dit boek bevat de artikelen van zijn hand in Liberty. Het is veelal polemisch van karakter, daar hij links en rechts nu eens aanvallender- en dan verdedigerwijze te werk gaat. Het kommunisme bestrijdt hij en hij ontzegt het recht aan Most, Kropotkine en de kommunistische anarchisten om zich anarchisten te noemen, daar de begrippen van kommunisme en anarchisme zich niet met elkander verstaan. Op de beschuldiging van Most dat de individueele anarchisten konsekwente Manchesterlui zijn, antwoordt Tucker dat dit zoo is, want het Manchesterbeginsel is de vrijheid en konsekwent Manchesterdom is konsekwent aanhangerschap der vrijheid. De eenige inkonsekwentie van de Manchesterlui ligt in hun ontrouw aan de vrijheid. En die ontrouw aan de vrijheid is juist de noodlottige inkonsekwentie der Freiheit-school (Most, c.s.), daar het eenige verschil tusschen de aanhangers van deze en de Manchesterlui hierin bestaat dat in vele opzichten, waarin de laatsten ontrouw en de eersten getrouw zijn, terwijl in anderen de laatsten ontrouw en de eersten getrouw zijn. Werkelijk anarchisme is konsekwent Manchesterdom en kommunistisch of pseudo-anarchisme is inkonsekwent Manchesterdom. Tucker en de zijnen sluiten zich dan ook aan bij Proudhon, den “vader van de anarchistische school van het socialisme, den anarchist bij uitnemendheid”. Hun invloed is betrekkelijk niet groot, ofschoon men niet vergeten moet dat de individualistische neigingen van Amerika een ruim veld van werkzaamheid voor hen openen, meer dan in Europa waar de militaire dressuur in de opvoeding gewerkt heeft om de individualiteit niet als het hoogste, maar als een bijkomstigheid te beschouwen.

F. Het anarchisme van de daad.

In de verschillende programma’s der sociaaldemokratische partij stond te lezen, dat men om zijn doel te bereiken gebruik zou maken “van alle ons ten dienste staande middelen”. En geen wonder, want die partij was op voet van oorlog met de geheele maatschappij. Waar nu de vijand, d.i. de bezittende klasse, roof pleegde op den arbeid der werklieden en geweld uitoefende tegen hen, om hen er onder te houden, daar wordt het begrijpelijk dat het gewone à la guerre comme à la guerre toepassing begon te vinden.
De aarde is het gemeenschappelijk eigendom van de bewoners, de gemeenschappelijke voorraadschuur, gevuld door den gemeenschappelijken arbeid. Hieruit volgt dat de gemeenschap, d.w.z. de som der bewoners, het recht heeft om alle voortbrengselen van den gemeenschappelijken arbeid tot zich te nemen. Maar als de gemeenschap dat recht bezit, heeft dan niet een gedeelte ervan, dat er behoefte aan heeft, het recht om een deel ervan te nemen? En heeft een gedeelte ervan dit recht, heeft dan ook niet het individu, een enkel persoon, het recht om persoonlijk zijn aandeel te nemen uit de gemeenschappelijke opbrengst? Als men het eigendom in het groot ontkent, hoe kan men dan verlangen dat het in het klein wordt erkend? Wanneer men het recht op bestaan van elk mensch aanneemt, dan volgt hieruit dat men erkent het recht van elk op de middelen waardoor men bestaat, op de levensvoorwaarden, dus op een voldoende hoeveelheid voedingsmiddelen, kleedingstoffen, onderdak, in één woord op datgene wat een mensch behoeft om te leven. Ziethier de redeneering waartoe men logisch moest komen, als men konsekwent voort-redeneerde. Evenzoo ten opzichte van het geweldplegen. De machthebbers plegen voortdurend geweld. Zij dwingen iemand om te dienen als soldaat, zij dwingen iemand om belasting te betalen, zij sluiten den mensch, die in verzet komt voor zijn recht, achter slot en grendel op, ja ontzien zich niet, om waar de doodstraf bestaat, deze toe te passen. De gevangenissen zitten opgevuld met menschen, die als slachtoffers eener verkeerde samenleving door middel van geweld worden gestraft. Maar waarom zou dan de mensch niet het recht hebben zich met geweld te verzetten tegen hen, die hem geweld aandoen? Als een koning of keizer zijn legerbenden uitzendt om een stuk land hier of daar te veroveren, wat hetzelfde is als stelen, en daartoe de bevolking bestrijdt en vermoordt, dan wordt hij ingehaald als een held en toegejuicht door een geheel volk. Maar als een privaatpersoon hetzelfde doet, en dan nog wel voor zijn onderhoud, dan wordt hij gestraft en opgesloten. Het standpunt van den zoogenaamden roover in een der novellen van Sacher Masoch, wordt zoo goed omschreven in de woorden: “wie niets heeft, voert oorlog tegen hem die bezit, zoo was het van het bestaan der wereld af. Er was een tijd toen de menschen elkander beroofden en vermoordden, zooals nu nog de dieren doen, maar later maakten de kinderen van Kaïn, die zich verzadigd hadden aan het bloed hunner broeders, het onder elkander uit en gaven wetten en sinds leven zij, die het eigendom hebben, op kosten van hen, die zonder bezit zijn. Wil men zich als voedsel der rijken laten gebruiken, welnu men onderwerpe zich, maar als men niet genegen is schoenen te laten snijden van eigen vel voor de voeten van anderen, dan moet men in verzet komen. Vatten zij door middel van hun betaalde dienaren u, welnu gij hebt u niet te beklagen, als zij u opsluiten en ophangen, maar omgekeerd heeft men ook niet zoo’n toon aan te slaan, wanneer die dienaren op hun beurt worden gevangen en gedood. In oorlogstijden gaat het zoo toe en men leeft op sociaal gebied in oorlogstoestand.”
Ook Albert Lange acht dit standpunt volkomen verklaarbaar, zooals blijkt uit deze woorden: “dat een mensch een rechtsorde zal erkennen, zonder zijn toedoen in ’t leven geroepen of geworden, als deze hem berooft van alles en van elk aandeel aan de goederen en genietingen der maatschappij en zelfs van de middelen, om zich zulke goederen op een stuk van den aardbodem door zijn arbeid te verwerven, dat is evenmin te verwachten of te eischen, als dat een man, dien men vogelvrij heeft verklaard, de leden der maatschappij ontziet, die hem verbannen en vervolgen. De maatschappij moet, als zij zulke onterfden in haar schoot bergt, toestaan dat deze naar het vuistrecht grijpen en zijn zij velen in getal, dat zij de heele bestaande rechtsorde omverwerpen en zich op de puinhoopen inrichten zooals zij kunnen, onverschillig of die inrichting beter dan wel slechter is dan de vroeger bestaande.”
En zelfs Lombroso schijnt dit te gevoelen, waar hij schrijft: “men kan niet ongestraft het geweld verheerlijken, al denkt men ook slechts aan een zeer bepaalde soort van toepassing. Vroeger of later gaat het evangelie der macht van de eene partij op de andere over.” En hij wijst er op, dat de ultramontanen den dolkstoot van Ravaillac, de konservatieven de slachting der Parijzer kommunards, de republikeinen de bommen van Orsini verheerlijken, ja alle partijen prijzen de heerlijkheid van bloedige daden, als zij er voor zich nut uit getrokken hebben. Waar men een Napoleon I bewondert, daar kan men zich niet verwonderen, dat de brutale uiting van geweld van tijd tot tijd tot uitbarsting komt.<ref>In een vrij lijvige brochure van dr. Sagittarius, die onlangs verscheen bij D. Reidel te Dordrecht en getiteld: Is diefstal eigendom? vonden wij vooral in het zesde hoofdstuk: gij zult niet stelen, dit standpunt besproken en op een streng logische wijze behandeld. De eigendomsvraag wordt in dat boekje zoo klaar en helder uiteengezet, in een betrekkelijk korte ruimte, dat wij den lezers die brochure niet anders dan ten zeerste kunnen aanbevelen.</ref>
Van de theorie tot de praktijk –dat is grootendeels een temperamentskwestie, en de zoogenaamde propaganda der daad is niets anders dan de persoonlijke toepassing van een algemeene theorie. Volkomen juist schreef eens de Révolté: de daad laat zich niet raden of bespreken of beschrijven, men doet haar!… Somwijlen doet een volbrachte daad meer dan een geheele lange periode van geschrijf: de Révolté zal altijd de eerste zijn om hen toe te juichen die handelen. Wij zijn er dus verre van af om de propaganda van de daad te verwerpen. Alleenlijk (wij hebben het gezegd en herhalen het) zij kan niet het werk zijn van een blad… Wij hebben niet aan de personen te zeggen: doet dit of doet dat! Als zij niet bewust en overtuigd zijn, moeten zij weten wat hun te doen staat.

Treft het b.v. een onverlaat, een menschelijk monster zooals een Canovas in Spanje, die gedood werd door den dolk van Angiolillo, feitelijk wordt de dader toegejuicht in alle kringen, omdat allen gevoelen hoe het land gezuiverd is van een tiran. Treft men daarentegen een bejaarde vrouw, zooals de keizerin van Oostenrijk, die viel door de hand van Luccheni, dan verliest men de sympathie der massa. Het oordeel hangt dus veel af van het offer dat valt. Zijn niet een Harmodius en Aristogiton wegens den moord op den tiran Pisistratus, is niet Brutus wegens den moord op Cesar, is niet Wilhelm Tell wegens den moord op den wreeden Gessler geprezen en bewonderd? Werden zij niet de helden van tooneelstukken?
Is het niet Schiller, die treffend schetst hoe de propaganda der daad ontstaat, als hij zingt:

Wenn der Gedrückte nirgends Recht kann finden,

Wenn unerträglich wird die Last – greift er
Hinauf getrosten Muthes in den Himmel
Und holt herunter seine ew’gen Rechte,
Die droben hangen unveräusserlich
Und unzerbrechlich, wie die Sterne selbst –
Zum letzten Mittel, wenn kein andres mehr
Verfangen will, ist ihm das Schwert gegeben!

Wilh. Tell, 2de Bedrijf, 2e Tooneel.

Is het niet Goethe, die zijn Faust laat zeggen dat in den aanvang niet was het woord, niet was de zin, niet was de kracht, maar de Daad?
De propaganda der daad op zichzelve is echter nog geen anarchisme, al wordt zij veelal door anarchisten ter hand genomen. Onder de Russische nihilisten, onder de Fenians in Ierland, onder sociaaldemokraten zelfs zal men mannen en vrouwen vinden, die haar toepassen en dus is zij niet verbonden aan een bepaalde richting, zij is veelmeer een temperamentskwestie.

Toen Emile Henry zijn bom wierp in het Café Terminus, schreef Octave Mirbeau: “Een doodsvijand van de anarchie had niet beter gehandeld dan deze Emile Henry, toen hij zijn onverklaarbare bom wierp”, en toch na zijn logische verdedigingsrede, waarop wij straks terugkomen, zal niemand meer kunnen beweren dat zijn bom “onverklaarbaar” is. En zelfs zooverre ging Mirbeau, dat hij schreef: “Elke partij heeft haar misdadigers en gekken, omdat elke partij haar menschen heeft.” En ook Elisée Reclus schreef in de Travail van Luik: “Als men een persoon wil treffen, gaat men hem vinden, men maakt de zaak met hem uit, maar men laat niet onschuldigen het gewicht zijner vijandschap gevoelen. De anarchie is het hoogste punt van humanitaire theorie. Wie zich anarchist noemt, moet goed en zachtzinnig zijn.
Alle aanslagen in het genre van gisteren (sprake is van den aanslag van Emile Henry) beschouwen de ware kameraden als misdaden. Als zij, die dergelijke daden van barbaarschheid vervullen, dit doen met het doel om propaganda te maken voor de anarchistische ideën, dan bedriegen zij zich zeer.
Men zal tot zoodanig punt van walging geraken voor de kameraden, zij zullen zulk een afschuw inboezemen, dat men zelfs niet meer zal willen spreken over de anarchie.
Toch is het denkbeeld schoon, groot. Dat men het eerbiedige! De lieden, die door middel van het kwaad handelen, bevuilen onze leeringen. Ongelukkigerwijze zijn er velen zoodanig onder ons.”<ref>Deze woorden komen voor in het werkje van Dubois Le péril anarchiste en uit die bron door verschillende schrijvers overgenomen. Maar Reclus zelf antwoordde op een vraag dienaangaande: “ik heb nooit de woorden gezegd of geschreven, die Félix Dubois me toedicht in zijn Péril anarchiste. Ik heb trouwens gelegenheid gehad om ze formeel te logenstraffen in een brief aan het dagblad Le Temps. Ik erger me bovendien dat mij zinnen worden toegeschreven die in zulk een slechten stijl zijn opgesteld. Ge zult mij een dienst bewijzen met ze tegen te spreken.” Voor de propaganda der daad vergelijke men ook: De Ravachol à Caserio par Varennes en de dissertatie van den heer F.B. Enthoven: Studie over het anarchisme van de daad.</ref>
Toch geldt ook hier het woord van mad. de Staël: tout comprendre est tout pardonner (alles begrijpen is alles vergeven). En op het begrijpen, het verklaren komt alles aan. Denkt men soms dat een logisch denker als Emile Henry er iets om zou geven om te weten of anderen zijn daad goed- dan wel afkeurden? Neen, de verklaring is alles, de goed- of afkeuring is van zuiver persoonlijken aard.
In December 1876 publiceerde het Bulletin de la Fédération Jurassienne een verklaring van de Italiaansche federatie, geteekend door Enrico Malatesta en Carlo Cafiero, waarin gezegd wordt: “de Italiaansche federatie gelooft dat de daad van opstand, bestemd om de socialistische beginselen door daden te bevestigen, het beste en eenige propagandamiddel is, dat zonder de massa te bederven en te bedriegen, kan doordringen tot in de diepste sociale lagen en de levende krachten der menschelijkheid tot zich trekken in den strijd, door de Internationale gevoerd.”
In 1877 voegden zij de daad bij het woord. Met een troep opstandelingen deden zij een aanval op Beneventum, namen de stad in bezit “à main armée au nom de la révolution sociale” (gewapenderhand in naam van de sociale revolutie) zooals het heet in het Manifest van Cafiero, zetelden op het stadhuis, verbrandden de archieven, annexeerden de belastingen en verdeelden het geld onder ’t volk. Het duurde niet lang, slechts twee dagen, dat zij in ’t bezit van het stadhuis bleven, want weldra daagden de troepen op en toen was het tijd om zoo spoedig mogelijk weg te gaan, niet bestand als men was tegen de overmacht.
Het was Kropotkine, die op het Kongres der Fédération Jurassienne in 1878 verklaarde, dat “door daden van verzet de anarchisten in het volk het gevoel en het volksinitiatief wakker trachten te maken uit het dubbele oogpunt van gewelddadige onteigening van het eigendom en de desorganisatie van den staat.”
Uit Rusland kende Kropotkine overigens deze wijze van werken te goed en zag hij de noodzakelijkheid ervan te zeer in dan dat hij haar zou afkeuren. Stepnjak schreef in zijn Onderaardsch Rusland dat men “na 1866 òf blind òf huichelaar moest zijn om te gelooven aan beterschap langs anderen weg dan dien van ’t geweld.”
In dat jaar vuurde Karakosoff in den zomertuin te Petersburg op keizer Alexander II, zonder te raken, en deze vorst wierp zich toen uit vrees in de armen der reaktie. De terroristen in Rusland waren allen voorstanders en beoefenaars van de propaganda der daad. Het schot van Wera Sassulitsch op generaal Trepoff opende de periode van het stelselmatige terrorisme (1878). Vijf maanden na de vrijspraak van Wera volgde de moord van generaal Mesentzeff, chef der gendarmerie en van de heele hofkliek. De aanslag van Hartmann, de ontploffing in het winterpaleis en eindelijk de welgeslaagde aanval op ’s keizers leven zijn zoovele gebeurtenissen van algemeene bekendheid, die het bewijs leveren, hoe het terrorisme der Nihilisten het antwoord was op het terrorisme van de regeering. En wie zal de talrijke kleinere aanslagen optellen, wie het ontzettend aantal slachtoffers melden, dat alleen in Rusland is gemaakt? En die terroristen waren èn martelaren èn helden, die in toewijding en belangeloosheid het bovenmenschelijke schier bereikten, zoodat zelfs wanneer men de taktiek afkeurt, men de personen moet eerbiedigen, die zichzelven gaven voor een zaak, door hen voor goed en heilig geacht. Zij waren machtige persoonlijkheden, de typen van individueele kracht die geen knechtschap duldden. Wij komen op hen nader terug in het hoofdstuk over het Nihilisme.
Spanje is een land waar de sociaaldemokratie nooit goed heeft kunnen aarden, wel het anarchisme en Barcelona, de intellektueele hoofdstad van Spanje en daarom van veel grooter belang dan het bureaukratische Madrid –in Nederland bestaat hetzelfde onderscheid tusschen Amsterdam en ’s Gravenhage– was steeds het brandpunt ervan. Maar niet alleen in Katalonië, ook in de zuidelijke provincies tierde het anarchisme welig. In het jaar 1882 en volgende was het de zoogenaamde Mano Negra (zwarte bende), die stad en land afliep in de provincie Andalusië, om boerderijen en huizen in brand te steken, om bommen te werpen in kerken, om grondeigenaars te vermoorden, het vee te vergiftigen en geruimen tijd maakte zij den schrik uit van de bevolking, bovenal van de meer gegoeden.
Onder de anarchisten heerschte verdeeldheid over dit optreden, daar sommigen het toejuichten en anderen het ten sterkste afkeurden, tengevolge waarvan in de Spaansche federatie een splitsing kwam. Uitzonderings-wetten werden in 1883 gemaakt, niet minder dan 2000 anarchisten gearresteerd onder voorwendsel dat zij behoorden tot de Mano Negra en met gestrengheid werden de anarchisten overal vervolgd. In 1884 had een monster-proces plaats: 7 anarchisten werden ter dood veroordeeld en honderden tot levenslange of tijdelijke gevangenisstraffen. Tot het jaar 1891 hoorde men weinig van de anarchisten in Spanje, maar in Augustus 1891 hadden hongeroproeren plaats in de stad Xeres in Andalusië, die met geweld werden onderdrukt en eindigden met het worgen van een viertal zoogenaamde raddraaiers: Lamela, Zarzuela, Busiqui en Lebrijano op 10 Februari 1892. Bij die gelegenheid hadden een 500 tal gewapende boeren zich meester gemaakt van de stad Xeres met het doel om hun nog gevangen gehouden kameraden te bevrijden. Een paar uren lang waren zij indedaad de baas in de stad en het zag er een oogenblik kritiek genoeg uit voor de overheid, maar na een verbitterd gevecht met het garnizoen moesten zij zich terugtrekken met achterlating van gewonden en dooden. Men vergete echter niet dat alle revolutionaire woelingen kortweg betiteld werden met den naam anarchistisch. Deze nu bleven voortduren in verschillende provincies. Kort daarna sprongen er een paar dynamietpatronen voor de woning van den burgemeester en van den militairen gezaghebber. Dientengevolge werden 157 personen, bekend als anarchisten, kort en goed gearresteerd. Men moest weldra ruim de helft vrij laten, zonder hun zelfs te zeggen waarom zij gearresteerd waren. Toen het proces zou plaats hebben van de 68 beschuldigden, die nog van de 157 gevangen genomen personen zaten, zat de schrik er zoodanig in, dat niemand deel wilde uitmaken van de jury. Toen zond de regeering al de gevangenen eenvoudig naar Cadix, waar men wel een veroordeeling hoopte te verkrijgen. De advokaat-generaal aldaar eischte voor elken beklaagde zestig jaar, zegge: zestig jaar gevangenisstraf. Een nieuw ministerie verving dat van Canovas en dezelfde rechterlijke ambtenaar, die dien waanzinnigen eisch deed, smeekte toen om vrijspraak voor al de aangeklaagden en verklaarde nu plotseling dat de politiegetuigenissen hem thans meer dan verdacht voorkwamen. Vrijspraak volgde, maar een hunner, die bizonder gehaat was door de regeering, Fermin Salvochea werd dadelijk na zijn vrijspraak opnieuw gearresteerd en door een opzettelijk hiertoe benoemden krijgsraad veroordeeld tot 12 jaar dwangarbeid. Gelijktijdig met hem werden 9 anderen veroordeeld tot levenslange eenzame opsluiting, 2 tot 20 jaar, 3 tot 12 jaar en 1 dag, 1 tot 15 jaar en 1 tot 8 jaar en één dag. Dat was de wraakneming op de overrompeling van Xeres en tevens op een bizonder gehaat persoon, wiens groote populariteit een doorn was in het oog der regeering.
Hoe weinig men den schrik er in bracht, blijkt uit het feit dat in het jaar 1892 in Spanje ruim 60 min of meer ernstige opstanden uitbraken en wel voor het meerendeel in Katalonië en Andalusië. Hier vond men een burgemeester dood gestoken in zijn bed, daar werd een groot grondbezitter door middel van dynamiet gedood, elders een rechter geworgd. In één woord de revolutie was in vollen gang. Maarschalk Martinez Campos werd gouverneur van Katalonië om aan dien toestand met geweld een einde te maken. Een waar schrikbewind werd nu ingevoerd. Tal van menschen werden gearresteerd en maanden lang in vuile, stinkende cachotten geworpen, om straks “wegens gebrek aan bewijs” te worden losgelaten. Het was Paolina Pallas, die de provincie van dien onmensch wilde verlossen en een bom wierp tijdens een revue der troepen op 24 September 1893, toen Martinez Campos aan het hoofd van zijn staf zijn troepen inspekteerde. Zijn paard werd gedood maar zelf liep hij met een kleine verwonding vrij; een officier uit zijn gevolg, werd zwaar gewond.
De man, die haar geworpen had, bleef kalm met de armen kruiselings op de borst staan, roepende: “ik heb het gedaan! Leve de anarchie!” Gevangen genomen erkende hij dat het hem te doen was Barcelona te bevrijden van zijn beul, betuigde zijn spijt toen hij hoorde dat Campos slechts gekwetst was en stierf als een held op 6 Oktober, doodgeschoten in de citadel Montjuich. Vóór zijn dood, toen de soldaten hun geweren op hem aanlegden, riep hij met krachtige stem: “de wraak zal verschrikkelijk zijn.”
Nu dat was zij dan ook. Op 7 November, een maand nadat Paolino Pallas was doodgeschoten, werd in het Liceo-theater te Barcelona, juist tijdens de opvoering van Wilhelm Tell, een bom geworpen. Het publiek applaudiseerde bij het doodschieten van den Oostenrijken tiran, den landvoogd Gessler door Tell, die in zijn tijd ook een propagandist van de daad was, toen plotseling een bom geworpen werd tusschen de toeschouwers, die uiteenspringend een stuk of dertig heeren en dames doodde en een nog grooter aantal min of meer kwetste. Barcelona was geruimen tijd als een doode stad, waaruit de rijken vloden en die door anderen zooveel mogelijk werd vermeden. De gemeenteraad verzocht aan de regeering de terugroeping van Martinez Campos en daar er juist een oproer uitbrak onder de Mooren. in Marokko, stuurde men hem daarheen en raakte Barcelona van hem verlost. Door de gruwelijkste martelingen wist men aan andere beschuldigden den naam van den hoofddader, Salvador French, te ontrukken, die daarop den 1sten Januari 1894 te Saragossa werd gevangen genomen. French joeg zich vóór zijn arrestatie een kogel door ’t hoofd, maar hij was niet doodelijk getroffen en ook een poging om vergif in te nemen, mislukte. In het hospitaal gebracht en zich nauwelijks kunnende bewegen werd hij toch met zware ijzeren ketenen aan zijn bed geklonken. Hersteld zijnde werd hij op alle mogelijke wijze gemarteld, totdat hij zich voor den schijn bekeerde om wat beter behandeld te worden en op 21 November, dus ruim een jaar na den aanslag in het Liceo-theater, werd hij ter dood gebracht. Juist op het laatste oogenblik weigerde hij het doodvonnis te onderteekenen en riep hij: leve de anarchie! Alle pogingen van den geestelijke en van zijn vrouw om hem te bekeeren waren vruchteloos en den eenen voet op het schavot zettende riep hij: weg met alle godsdiensten! en met den anderen het schavot betredend, zei hij: leve de anarchie! Terwijl de beul hem handen en voeten knevelde, hief hij een anarchistisch lied aan, om daarna geworgd te worden.
Op grond van de aanklacht, dat zij als vrienden van Pallas met hem vergaderingen hadden bijgewoond ten doel hebbende de hedendaagsche maatschappelijke toestanden te vernietigen, werden vijf anderen Cercezuela, Archs, Sabat, Bernat en Sagas ter dood veroordeeld en gefusilleerd, terwijl vier anderen, met name: Miralles, Mir, Carbonnel en Villarubias tot levenslangen dwangarbeid werden veroordeeld.
Geen middel ontzag men in Spanje om de anarchisten te vervolgen. Zoo werd in 1896 te Barcelona in de straat Cambios Nuevos een bom geworpen tijdens een processie, ten gevolge waarvan 12 personen gedood en 35 gewond werden, veelal vrouwen en kinderen, die deelnamen aan de processie, en soldaten die de straten afzetten, en dit gaf aanleiding tot een nieuwe vervolging van alle vooruitstrevende, bovenal anti-klerikale elementen. Een 400tal personen van allerlei richting: vrijdenkers, republikeinen, vrijmetselaren, anarchisten, sociaaldemokraten, werden gearresteerd. Onder hen prof. Tarrida del Marmol, direkteur der polytechnische school te Barcelona en 5 andere professoren, allen behoorende tot de liberale partij. Maar deze ontkwamen in tijds aan de martelingen, anderen aangedaan. Door allerlei folteringen zooals het uitrukken der nagels, het schenden der geslachtsdeelen, het laten loopen gedurende den geheelen nacht onder het toedienen van zweepslagen, het verstrekken van zoutevisch zonder water om den dorst te lesschen, het onthouden van slaap, het opzetten van een ijzeren helm, onmenschelijke mishandelingen die terug deden denken aan de tijden der inquisitie, zijn bekentenissen afgedwongen en ten gevolge daarvan werden in de maand Mei van het jaar 1894 zes personen gefusileerd in de grachten van het fort Montjuich, te weten: Marcel Archs, Joseph Sabat, José Codina, Mariam Cerezuela, José Bernat en Jalme Sagas. En op welke wijze gevonnist werd, kan men afleiden uit de woorden van den prokureur-generaal, dus van een rechterlijk ambtenaar, die letterlijk zei: “wij moeten de oogen sluiten voor de rede. Wij moeten geen rekening houden met wetteljke bepalingen en ondanks het gemis aan bewijzen, verklaren dat al de beklaagden daders en medeplichtigen zijn.”<ref>Men raadplege hierover het boek van Tarrida del Marmol Les inquisiteurs d’Espagne en de brochure van een der slachtoffers, Joseph Thioulouse, die bij Revers te Dordrecht verscheen met afbeeldingen onder den titel: De schanddaden te Montjuich. De gruwelen der Spaansche inkwisitie tijdens het proces te Montjuich.</ref> Dus ondanks het gemis aan bewijzen, eischte hij den dood van 28 beklaagden, vorderde hij levenslange galeistraf voor 50 hunner en wilde hij dat de anderen verbannen werden. De openbare meening was oorzaak, dat van de 28 maar 8 ter dood werden veroordeeld, een 20tal tot de galeistraf en 63 vrijgesproken. Op 4 Mei 1897 werd de doodstraf voltrokken aan vijf van de acht, die gefusilleerd werden. Zij stierven met kalmte, betuigende hun onschuld en roepende : “moordenaars! leve de anarchie! Wij zijn onschuldig! Leve de sociale revolutie! De dood aan de inquisitie!”
Het is nu voldoende bewezen dat geen hunner zich schuldig heeft gemaakt aan het geïnkrimineerde feit. De werkelijke dader is in Amerika gestorven en heette –dit is twee jaren later uitgekomen– François Goro, die op zijn sterfbed verklaarde den aanslag alleen te hebben gedaan en dat de anderen allen onschuldig waren. De openbare meening, vooral in Engeland, was toen zoo sterk, dat eindelijk de nog gevangen gehouden martelaren van Montjuich werden vrijgelaten, ofschoon men hen zeer bemoeilijkte. Velen hunner zijn naar Frankrijk en Engeland gegaan, waar zij een goed onthaal vonden bij hun vrienden.
Is het wonder dat na zulke feiten iemand zich geroepen gevoelde den eersten minister Canovas, het ondier dat dit alles toeliet en gebood, van kant te maken? Het was de Italiaan Michael Angiolillo, die Spanje verloste van dezen tiran door een revolverschot op 8 Augustus 1897. Zijn lot was te voorzien. Ofschoon noch Canovas noch Angiolillo militairen waren, werd hij gesteld in handen van een krijgsraad en eenstemmig zonder rekening te houden met de daad zelve of met de beweegredenen, die tot die daad leidden, ter dood veroordeeld. Zelfs behandelde men de zaak met gesloten deuren, maar toch hoe dik de muren waren, men weet wat de gevangene gezegd heeft voor zijn rechters. En dan treft het ons hoe hij met alle kalmte verklaarde geen medeplichtigen te hebben, hoe hij zeide geen moordenaar te zijn maar iemand die recht doet, die begaan met het tooneel van ellende gezocht heeft naar de verantwoordelijke personen en ze vond boven de gendarmes die als beulen fungeerden, boven de officieren die als rechters dienst deden, in den persoon, die alle bevelen gaf. “Is het een slechte daad om een bloeddorstigen tijger neer te vellen, wiens klauwen de borst vaneenscheuren, wiens kaken menschenhoofden vermalen? Is het een misdaad, om het kruipende vergiftige ongedierte te verpletteren? Welnu, mijn slachtoffer was alleen erger dan 100 tijgers, erger dan 1000 kruipende dieren. Hij verpersoonlijkte in zich het hatelijkste wat zich laat denken: de godsdienstige wreedheid, de militaire brutaliteit, de onverbiddelijkheid der overheid, de tirannie van de macht en de begeerigheid der bezittende klassen. Ik heb er Spanje, Europa, de heele wereld van bevrijd. Ziet waarom ik geen moordenaar ben, maar iemand die recht doet.” Op 20 Augustus besteeg hij het schavot zonder hulp van den beul en zette zich zonder zichtbare aandoening op de bank van de gewurgden en een oogenblik later was hij een lijk. Hij had nog juist den tijd om het woord “Germinal” uit te spreken, daarmede doelende op de toekomst waarin het zaad van vrijheid en broederlijkheid zou opschieten.
En inderdaad het was alsof Spanje verademde toen het bevrijd was van den tiran, die loodzwaar op allen drukte en wel verre van een misdadiger te zien in den man, die zijn leven getroost gaf om velen te redden, erkende men hetzij luide hetzij in stilte in hem een weldoener en evenals een Wilhelm Tell in Schiller een welsprekenden vereerder vond, evenzoo zal een later geslacht Angiolillo verheerlijken als een tirannen-moordenaar en hem weten te waardeeren.
August Reinsdorf is haast een type van den propagandist van de daad. Een man van overtuiging, stil, min of meer in zichzelf teruggetrokken, vastberaden, trachtte hij een kleine schaar van vastberaden mannen, bezield met een revolutionairen geest, aan te kweeken, die door daden zouden afdwingen wat langs anderen weg onmogelijk scheen. De propagandist der daad is van meening, dat als elke fabrikant of baas of patroon, die zich bizonder brutaal en willekeurig gedroeg tegenover zijn arbeiders, op staanden voet werd doodgeschoten, dat als een dergelijk lot trof den rechter, den politieman, den regeeringspersoon, die zich schuldig maakte aan verregaande tirannie tegenover beklaagden of ondergeschikten, schrik gebracht zou worden onder die personen, zoodat in ’t vervolg voorzichtiger gehandeld zou worden. Op de gemaakte opmerking: dat geeft niets, want zulke personen worden immers vervangen door anderen, luidde het antwoord: dat weten we ook wel, maar doen die hetzelfde, dan wacht hun ook een dergelijk lot en zoudt ge niet meenen dat als dit flink werd doorgezet, een weldadige schrik zou worden ingeboezemd, die zulke personen in toom hield? Immers het Damokleszwaard der wraak zweefde altijd boven hun hoofden.
Reeds in 1877 schreef Reinsdorf: “òf de menschheid wordt van bovenaf kunstmatig georganiseerd –wat onnatuurlijk is– en dan heeft zij behoefte aan een autoritaire regeering en is zij niet vrij; òf zij organiseert zich vrij van onderop naar haar behoeften, en dan is elke regeering overbodig, ja zelfs schadelijk.” De leer van welke autoriteit ook is even belachelijk als die van God. Alleen de knecht zal knechtsch handelen, de vrije menschheid zal, van dwang verlost, al die eigenschappen ontwikkelen, die wij nu alleen bewonderen bij hen, die sterk genoeg zijn een deel van hun menschzijn te redden uit de tegenwoordige ontzedelijkende en onmenschelijke toestanden.
In 1878 viel het schot van Hödel op den Duitschen keizer; maar trof geen doel. Het werd gevolgd door dat van dr. Nobiling. Deze verwondde den keizer en weldra volgde de socialistenwet, waardoor de socialisten nu wettelijk buiten de wet werden gesteld, wat zij feitelijk reeds waren. Dat die aanslagen op den Duitschen Keizer als vertegenwoordiger der Duitsche tirannie in stilte en soms luidruchtig onder het proletariaat goed werden opgenomen, blijkt uit de 800 processen wegens majesteits-beleediging, die volgden. De houding der sociaaldemokraten in Duitschland was toen eenvoudig laf en legde getuigenis af van vrees.

Reinsdorf stond al lang gesignaleerd bij de politie en bij de sociaaldemokraten, zoodat hij gevangen werd genomen, maar men kon hem niets bewijzen dan dat hij leefde onder een valschen naam en een dolk bij zich droeg. Zoo kwam hij er met enkele maanden af. Een poging om hem te wikkelen in het hoogverraads-proces tegen Dave en de zijnen mislukte, maar hij bleef voortdurend het voorwerp eener drijfjacht van de zijde der politie. Hij vertrok naar Frankrijk en maakte daar kennis met verschillende voorstanders van de propaganda der daad. Tevens was hij een ijverig medewerker aan de Freiheit van Most. In Duitschland teruggekeerd, vestigde hij zich te Elberfeld, meenende aldaar een goed veld voor zijn propaganda te vinden, omdat in het Wupperthal de tegenstellingen zoo scherp mogelijk aan ’t daglicht traden.
Op 28 September 1883 zou het Germania-gedenkteeken worden onthuld in den Niederwald bij Rüdesheim. Daar zou de keizer bij tegenwoordig zijn en Bismarck en al wat er groots en machtigs in Duitschland leefde. Reinsdorf vond dit een eenige gelegenheid voor een aanslag, waarbij dat heele troepje met elkaar de lucht zou ingaan. Alles werd door hem persoonlijk voorbereid, maar hem trof een ongeluk, tengevolge waarvan hij in het hospitaal werd gebracht om daaruit pas op 21 Oktober ontslagen te worden. Hij moest dus alles overlaten en verdeelde op zijn ziekbed de rollen onder zijn medeplichtigen. Maar de lont, die de ontploffing moest veroorzaken, was vochtig en ontbrandde dus niet. Zoo mislukte het plan en toen Reinsdorf dit hoorde, zeide hij kortweg: zoo iets kan ook alleen mij gebeuren (so etwas kann auch nur mir passiren). Maar uitstel is geen afstel, met die gedachte troostte hij zich. Een bekend politieman, Rumpff, beijverde zich bizonder om de daders van den aanslag, die men nog altijd niet wist te vinden, hij liet rechts en links anarchisten arresteeren, om ze aan een streng onderzoek te onderwerpen. Alles te vergeefs! Reinsdorf, die na zijn ontslag uit het hospitaal naar Hamburg was gegaan, maar ook daar ziek werd en in het hospitaal werd verpleegd tot 9 Januari 1884, werd op 11 Januari gearresteerd en naar Frankfurt vervoerd, om daar door Rumpff te worden verhoord. Op alle vragen van dezen bij het konfronteeren met getuigen: Herr Reinsdorf, was haben Sie hierauf zu sagen? luidde steeds hetzelfde antwoord van hem: der Herr Reinsdorf hat Ihnen gar nichts zu sagen. Op deze wijze zou men zijn doel nooit bereikt hebben, maar bierhuisgeklets werd oorzaak dat een der leden van de groep erin liep en gevangen genomen wist men van dezen te hooren, wat men weten wilde. Van 15 tot 22 December werd het hoogverraadsproces van Reinsdorf en zijn medeplichtigen behandeld voor het Hooge gerechtshof te Leipzig. Even laf en treurig als de houding was zijner mede-aangeklaagden Bachmann, Rupsch en Küchler, even stout en hooghartig gedroeg Reinsdorf zich voor het gerecht. Op de vraag: wie zijt gij? antwoordde hij: ik ben anarchist. En toen hem gevraagd werd: wat is anarchisme? luidde het antwoord: “een maatschappij waarin elk normaal mensch zijn geheelen aanleg ten volle kan ontwikkelen. Om dit mogelijk te maken, moet aan niemand een bovenmatige arbeidslast worden opgelegd; nood en ellende moeten verdwijnen; elke dwang moet ophouden; alle domheid en elk bijgeloof moet worden opgeruimd”. Hij erkende de aanlegger te zijn van den aanslag op den Niederwald en betreurde het dat hij door ziekte verhinderd was het plan zelf ten uitvoer te brengen, want dan was het beter gelukt. Hij verklaarde verder dat de anarchistische beweging zou zegepralen, ook al waren er duizend rijks-gerechtshoven en hij zei met vaste stem: “ik beschouw de geheele zaak –nl. dat ik hier sta– als een machtsvraag. Indien wij Duitsche anarchisten een paar legerkorpsen tot onze beschikking hadden, behoefde ik niet te spreken tot een rijksgerechtshof. Ik heb niets meer te zeggen. Doet wat gij wilt.”
Het vonnis was de doodstraf met den bijl en op 7 Februari 1885 werd hij te Halle onthoofd. Zijn laatste woord was: Nieder mit der Barbarei! Hoch die Anarchie! (weg met de barbaarschheid! leve de anarchie!)
Van de aangeklaagden werden er nog twee<ref>Een hunner, Rupsch, werd “begenadigd”’ en zag zijn straf veranderd in levenslange tuchthuisstraf. Hij zit nog in de gevangenis.</ref> ter dood veroordeeld, een ander tot 15 jaar<ref>Deze, Holzhauer, hing zich den 19 September van datzelfde jaar in de gevangenis op.</ref> tuchthuis, een tot 10 jaar tuchthuisstraf, terwijl 3 werden vrijgesproken.
De ijverige politiekommissaris Rumpff onderging een gelijk lot, want op 13 Januari 1885 werd hij te Frankfurt doodgestoken, dus nog vóórdat Reinsdorf zijn straf onderging. Als dader werd gepakt en ter dood gebracht de 22-jarige schoenmakersgezel Julius Lieske, die echter tot het laatste toe zijn onschuld volhield. Men mag de theorie afkeuren, de daad zelfs duivelsch achten, toch dwingt de persoon van Reinsdorf eerbied af en als hij wijst op den voortdurenden moord, begaan op arbeiders en hun gezinnen in fabrieken, op ’t land en in werkplaats, dan zal men toch moeten erkennen, dat een gevoel van medelijden met het lot zijner medemenschen een machtige faktor is geworden, die hem bracht tot de propaganda der daad. Zonder een ontzaggelijke hoeveelheid liefde is deze haattheorie niet denkbaar. Hij op zijn beurt vond het lijden waaraan de proletariërs bloot stonden door het kapitalistische stelsel, gerugsteund door de regeering, duivelsch. Hetzij dat de bommen van Ryssakoff, Jelaboff, Sophia Perowskaja, Mikhaïloff, Helfmann, Kibaltchitck in Rusland, in het algemeen de terroristische beweging in dat land er aanleiding toe gaven, hetzij andere omstandigheden er toe geleid hebben, b.v. de hoop om de beweging, die te langzaam ging, een sneller pas te bezorgen, in elk geval naast de propaganda door woord en geschrift kwam nu die van de daad meer en meer aan de orde. In Frankrijk was het Emile Florion, die in 1881 een aanslag beraamde op Gambetta, maar toen hij dezen niet kon vinden, toen schoot hij zijn revolver af op zekeren dr. Meymar, den eersten gedekoreerden bourgeois, dien hij vond. Als motief gaf hij in het verhoor op, dat hij uit haat tegen de maatschappij eerst een uitzuiger, en dan zichzelven wilde dooden.
Te Percy les Forges had in 1882 een groote dynamiet-diefstal plaats en op 24 Maart van dat jaar loste de 20-jarige anarchist Fournier twee schoten op den fabrikant Bréchard. De jury sprak hem vrij, nadat hij verklaard had door ellende gedreven zijn aanslag te hebben gedaan, ten einde de bezittende klasse te wijzen op de ellende, die onder de arbeiders werd geleden. In 1882 had ook een gemeenschappelijk optreden plaats te Monceau-les-Mines, in Frankrijk, bij welke gelegenheid een kerk in brand werd gestoken. Drie en twintig beschuldigden kwamen voor de rechtbank en enkelen moesten op de galeien hun verzet boeten. De plundering van eenige bakkerijen te Parijs door hongerlijders na een meeting op de Esplanade des Invalides in Maart 1883 bezorgde Louise Michel en Emile Pouget vijf jaren opsluiting in de gevangenis wegens aansporing tot plundering. Eenige maanden tevoren was een bom ontploft in het café Bellecour te Lyon, waar één persoon gedood en meerdere gewond werden. Ofschoon de dader wist te ontsnappen, heeft men Cyvoct als dader of medeplichtige vervolgd en hoewel vrijgesproken wegens dat misdrijf, werd deze ter dood veroordeeld wegens provokatie tot moord als beheerder van een anarchistisch blad te Lyon. Dat dit vonnis, dat veranderd werd in ballingstraf op een der Duivelseilanden waar hij jaren lang doorbracht om niet lang geleden te worden vrijgelaten, veel kwaad bloed zette, is zeker. Later is gebleken dat een ander de brieven had geschreven, die hem zijn straf bezorgden. In Frankrijk werd in de bladen een strijd gevoerd over het al of niet wenschelijke van de propaganda der daad, die ook bestond in het individueel aanranden van het eigendomsrecht. Tegenover hen die daartoe aanraadden, stond het orgaan van Grave, Reclus, Kropotkine, waarin men o.a. leest: “aan de arbeiders te zeggen: doet dit, verbrandt dat, hangt dezen persoon op, dat is kinderspel, want met alle reden kan de lezer zich afvragen: waarom doet hij die ons dit voorspreekt, niet zelf wat hij ons aanraadt.” De propaganda van de daad, door dat blad voorgestaan, bestaat veeleer hierin: “profiteeren van alle levensomstandigheden om zijn handelingen in overeenstemming te brengen met zijn denkbeelden, zietdaar een propaganda van de daad die langzaam maar op den duur werkt en die resultaten zal hebben.” De voorstanders richtten te London een blad op, l’International, maar daar het geen naam bevatte noch van een redakteur noch van een drukker kan het ook zeer goed van de politie zijn uitgegaan, die maar al te dikwijls de hand heeft gehad in allerlei aanslagen, om dan juist op het goede tijdstip slachtoffers te maken, die voor geruimen tijd onschadelijk werden gemaakt. Zoo vond men daarin een kursus van praktische scheikunde ten gebruike van anarchisten, later afzonderlijk verschenen in een brochure, l’Indicateur Anarchiste. In Frankrijk bleef de propaganda van de daad individueel en al is het waar dat misdadigers tegen het gemeene recht er meermalen profijt van trokken, om hun daden te verdedigen met een beroep op de anarchistische theorieën, ofschoon zij niets hadden uit te staan met het anarchisme, toch zijn er daden genoeg geschied, die niet plaats vonden om zichzelven te verrijken, zooals b.v. die van Duval, Pini en die dus geenszins uit hetzelfde oogpunt mogen worden beschouwd. Pini verdedigde voor de rechtbank het recht op diefstal als een vorm om het privaateigendom te vernietigen, als een begin van onteigening toegepast in het klein.
In de maand December van ’t jaar 1891 had er een poging plaats om het kommissariaat van politie te Clichy in de lucht te doen vliegen. Eenige maanden later had er een ontploffing plaats in een huis op de boulevard Saint Germain, waar een magistraatspersoon woonde. Eenige dagen later in een ander huis in de Rue Clichy, waar eveneens een magistraatspersoon woonde. De dader was Ravachol, die een gierigen heremiet had vermoord te Chambles en het graf van de markiezin van Laroche-taillée had geschonden om haar kleinodiën te stelen. Geen wonder dat de schrik sloeg om het hart van velen. Ravachol was geen lafaard, zooals men hem verweten heeft, integendeel zijn daden legden getuigenis af van een groote dosis moed, hij was overtuigd geen misdaad te hebben gepleegd en de verdediging die hij had willen houden –hij werd hierin belet door den voorzitter der rechtbank– is een merkwaardig stuk, omdat het de verklaring bevat zijner handelingen. Zijn verdediging is een aanklacht tegen de maatschappij. Hij betoogt dat in een maatschappij, die het recht op het leven ontkent voor velen, dezen het recht hebben zich toe te eigenen wat zij behoeven voor hun onderhoud. Het recht op diefstal, op moord wordt door hem volmondig erkend in zulk een maatschappij. Men weet dat Ravachol zijn hoofd verloor onder den valbijl der guillotine den 10-den Juli 1892 te Mont Brison. Maar het scheen alsof zijn daad het begin was eener periode van aanslagen, die overal schrik en beving ten gevolge hadden.
De bekende schrijver Paul Adam publiceerde een artikel: Lof van Ravachol, waarin hij schreef: “de politiek was geplaatst buiten onze bemoeiïng, als de legende van het offeren, van de toewijding des levens voor het menschelijk geluk, niet plotseling was herboren in deze periode met het martelaarschap van Ravachol… Na zooveel rechtskundige debatten, kronieken en oproepingen tot den wettelijken moord blijft Ravachol de propagandist van het groote denkbeeld der oude godsdiensten die het zoeken van den individueelen dood voor het welzijn der wereld predikten; de verloochening van zichzelven, van zijn leven en van zijn naam door de opwinding der armen en nederigen. Hij is beslist de vernieuwer van het wezenlijke offer.” En het slot: “rondom zich heeft Ravachol de smart gezien en hij heeft de smart van anderen verheerlijkt door de zijne als zoenoffer aan te bieden. Zijn liefde, zijn onmiskenbare belangeloosheid, de kracht zijner daden, zijn moed tegenover den onverbiddelijken dood verhoogen hem tot den luister der legende. In dezen tijd van cynisme en ironie is een heilige onder ons geboren. Zijn bloed zal het voorbeeld zijn, waarin nieuwe moed en nieuw martelaarschap zich zal drenken. Het groote denkbeeld van algemeen altruïsme zal bloeien in de roode plas aan den voet der guillotine. Een vruchtbare daad zal vervuld worden. Een gebeurtenis in de menschelijke geschiedenis zal in de jaarboeken der volkeren opgeteekend worden. De wettelijke moord van Ravachol zal een nieuw tijdvak openen.” Dit klinkt anders dan de gewone veroordeelingen van Ravachol.
In het jaar 1892 brak een groote werkstaking uit in de fabrieken van Andrew Carnegie te Homestead in Amerika, bij gelegenheid waarvan een bloedige botsing plaats had tusschen stakers en de Pinkertonsche politie-bende –de Pinkertons vormen een privaatpolitie, wier hulp men tegen betaling van geld kan koopen– met het gevolg dat aan weerskanten ongeveer 200 dooden vielen. Een jeugdige anarchist Berckmann schoot op een der direkteuren Frick, die licht gewond werd en vruchteloos op Leishman, daar het wapen ketste. Deze daad werd niet alleen in Amerika, maar ook in Europa, o.a. in de Révolte, geprezen als een “echt anarchistische daad”, daar Berckmann het volk wilde bevrijden van een zijner grootste onderdrukkers en daarom werd hij vergeleken bij Brutus en Aristogithon. Hij boette zijn daad met zware en lange gevangenisstraf (22 jaar), daar men uit dit eene misdrijf op juridisch-sofistische wijze zes misdrijven maakte, te weten;

  1. een poging tot moord op Frick;
  2. een aanval op Leishman;
  3. het binnendringen in een huis met misdadig plan;
  4. dito;
  5. dito;
  6. het dragen van verborgen wapens.

Most dacht daar anders over en keurde de daad af, betreurde het, dat de energie van ’n Berckmann niet bespaard bleef voor een grootere en passender daad en hij zei dat een goede daad daarom nog geen propaganda der daad was in de oogen van sommigen. De geweldenaar bij uitnemendheid schreef naar aanleiding van dezen mislukten aanslag in een onderzoek voor zijn eigen forum (het blad de Freiheit van Februari 1892) aldus: “verwerpt gij de propaganda der daad op zichzelve?
Neen!
Gelooft gij, dat zij te meer gevolg zal hebben, naarmate de volksgeest er voor is voorbereid door woord en geschrift en sneller en krachtiger slag op slag volvoerd kan worden? Ja.
Is het uw meening, dat ook in landen, waar de revolutionaire beweging nog in de kinderschoenen steekt en waar de dragers van het bestaande met gemak slagen van dien aard kunnen beantwoorden met de vernietiging en verlamming van alle revolutionaire strijders, de propaganda der daad verdient toegepast te worden? Neen.
Hebt gij echter vroeger niet in dit opzicht meermalen zonder onderscheiding opgehitst? Ja.
Zijt gij tammer, vreedzamer, zachter geworden? Neen!
Zijn het de ervaringen, die gij in den loop van den tijd opgedaan hebt en die u beter leerden berekenen, die u tot deze onderscheiding hebben gebracht? Ja.
Het is dus niet uw meening, dat men b.v. in Amerika de propaganda der daad niet voor altijd moet opgeven? Neen.
Gij zijt misschien overtuigd dat juist in dit land, als eenmaal de tijd is gekomen, d.w.z. als de onvermijdelijke voorwaarden daartoe zijn ingetreden, de propaganda der daad zich werkzamer zal betoonen dan ergens anders? Ja.
Auguste Vaillant wierp in 1893 een bom in de Fransche kamer, een politieke aanslag die gemakkelijker te begrijpen is, want volgens parlementair standpunt heeft men de kans door nieuwe verkiezingen een betere kamer te krijgen, daar zij aangezien wordt voor de hoofdschuldige voor de verwaarloozing van de belangen des volks. Hij hield een korte redevoering voor de gezworenen, die zijn lot in handen hadden, waarin hij zich plaatst op dit standpunt, dat twee partijen een duel hebben en nu hij zijn tegenstander slechts gewond heeft, is het natuurlijk dat deze op zijn beurt hem treft door hem te dooden. De rechtbank doet hem lachen, want”gij atomen verloren in de stof, gij, omdat ge macht bezit, wilt ge uws gelijken oordeelen“? Hij heeft zijn bom in de Kamer geslingerd, omdat daar de lieden zijn,”die het meest verantwoordelijk zijn voor het maatschappelijk kwaad“. Het vonnis was de doodstraf, zijn antwoord was: leve de anarchie! Kalm en waardig als ‘n wijsgeer deed hij afstand van het leven in een wereld, waarin voor hem en duizenden anderen geen plaats was.
Minder goed te begrijpen waren andere aanslagen, b.v. die van den jeugdigen Emile Henry, die door een Octave Mirbeau niet erkend werd als anarchist, want het was tegenwoordig mode bij alle misdadigers om zich anarchist te noemen. Men leze echter de streng logische verdediging of verklaring, die hij aflegde voor zijn rechters en men zal niet meer in twijfel trekken of men in dien energieken jongen man al dan niet een anarchist aantreft, men zal hem niet rangschikken onder de misdadigers of dwazen, zelfs al kan men niet meegaan met zijn redeneeringen. Emile Henry was getuige geweest van de Drakonische maatregelen der regeering en de vreeselijke vervolgingen der anarchisten na den aanslag van Vaillant in het Palais Bourbon (het gebouw waar de Fransche kamer vergadert). Hij had gezien hoe de anarchist niet langer als mensch, maar als wild beest werd belaagd en behandeld. De bourgeoisie vervolgde alle anarchisten, omdat één anarchist een aanslag deed, daarna ging hij haar ook te lijf als geheel zonder aanzien des persoons, en wierp hij, zonder te vragen wie de bezoekers waren, een bom in het café Terminus. Hij opende door dezen aanslag een nieuwe rubriek. Naast de politieke kreeg men nu de sociale aanslagen en zijn verdedigingsrede is eigenlijk een uiteenzetting van het goed recht dezer. Hij begreep zelf dat zijn daad door velen miskend en veroordeeld, door zeer weinigen begrepen zou worden. Emile Henry is de dader van den dynamietaanslag in de rue des Bons Enfants, die aan 5 menschen direkt het leven kostte en den dood van een zesde indirekt ten gevolge had; ook van den aanslag in het café Terminus waarbij één mensch dadelijk viel als slachtoffer, een tweede later ten gevolge zijner wonden en een zeker aantal anderen gekwetst werd, alsook van de zes revolverschoten die hij afvuurde op hen, die hem na dezen aanslag vervolgden. Hij begrijpt volkomen dat, nu hij in handen zijner vijanden is gevallen, deze op weerwraak bedacht zijn en hij onderwerpt zich daar gelaten aan. Een korten tijd aangetrokken door de sociaaldemokratie liet hij haar varen“uit afkeer van al wat inlijving is om een rangnummer in te nemen in het stamboekleger van den vierden stand." De eerste aanslag was een antwoord op de gebeurtenissen te Carmaux tijdens de werkstaking en de tweede op de vreeselijke vervolgingen waaraan de anarchisten blootstonden van de zijde der regeering na den mislukten aanslag van Vaillant. Het recht van vereeniging was opgeheven, de organen der vrijheids-idée, de bladen en brochures in beslag genomen. De anarchist was vogelvrij. En in de kamer verklaarde de minister Raynal dat deze maatregelen een gunstig resultaat hadden. Dit beschouwde Henry als een uitdaging den anarchisten toegeworpen. Hij nam dus den handschoen op en de aanslag in café Terminus was zijn”antwoord op al de vrijheidsschendingen, gevangennemingen, huiszoekingen, wetten tegen de pers, massa uitbanningen van vreemdelingen, guillotinades“. Op de vraag waarom hij zoo maar allen trof zonder onderscheid des persoons, schuldig en onschuldig, antwoordde hij:”de bourgeoisie heeft van de anarchisten een ’bloc’ (geheel) gemaakt. Eén enkel man, Vaillant, wierp een bom en negen tienden der anarchisten kenden hem niet eens. Maar dat hinderde niets. Men vervolgde in massa. Alles wat slechts in betrekking stond tot iets wat naar anarchisme zweemde, werd belaagd. Welnu! waar gij dus al de aanhangers eener idee aansprakelijk stelt voor de daden van één man en ze ‘en bloc’ treft, daar slaan wij ook raak ‘en bloc’. Waar de bourgeois niet den minsten eerbied hebben voor het menschelijk leven, zooals men ziet op het slagveld van den arbeid waar ze bij duizenden sneuvelen, mannen, vrouwen, kinderen, daar moeten zij zich niet verwonderen dat de lijdenden hun tanden laten zien en des te geweldiger treffen naarmate men gewelddadiger tegen hen optreedt. Hij slingerde het zijn rechters in ’t gezicht:”hebt toch tenminste den moed uwer misdaden, heeren bourgeois, en erkent dat onze weerwraak ruimschoots gerechtvaardigd is“. Hij weet dat men hem veroordeelen zal, ook onder de arbeiders, zelfs onder individuen, die zich anarchist noemen, maar zich haasten alle solidariteit af te werpen met de propagandisten van de daad.
Natuurlijk werd hij ter dood veroordeeld, zooals hij verwacht had, en ook hij stierf kalm en waardig op 21 Mei 1894 en toen zijn hoofd reeds onder den valbijl lag, was zijn laatste kreet een snerpend:”moed kameraden! leve de anarchie!"

In datzelfde jaar trof de dolk van den Italiaan Caserio den president der Fransche republiek Carnot te Lyon en wederom zag men in dien zachtzinnigen jongen man den overtuigden mensch, wiens houding voor de rechtbank niet komedieachtig was maar vastberaden en in het volle bewustzijn zijn plicht gedaan te hebben. Zoo iemand, dan gedroeg hij zich als een der klassieke helden uit de oudheid, die in de geschiedboeken als tirannen-moordenaars geboekt staan. Niet dat Carnot zoo’n tiranniek man was —daartoe was hij zelfs te middelmatig!– maar Carnot was de drager van het gezag, het hoofd der republiek en als zoodanig richtte Caserio den dolk op hem, evenals Lodewijk XVI in zekeren zin boette voor de misdaden zijner voorgangers. Ook hij gaf voor de rechters een verklaring af meer dan een verdediging, want er viel niets te verdedigen. Zelfs Lombroso, die zich vermaakt met het opsommen van fysieke en zielkundige afwijkingen van de vervolgde anarchistische partij, tegen wie hij zoo vijandig mogelijk staat, was verplicht te erkennen, dat de jonge bakkers-gezel was een onesto nato, een van nature eerlijk man. En prof. Ferrero te Bologna, die brieven van hem uitgaf, kort vóór den aanslag geschreven, gaf een karakteristiek, volgens welke hij een man van eer is, een politieke “misdadiger” in de volle beteekenis van het woord. “Zijn verstand was gezond, zijn denkbeelden beslist en geenszins vol fantasiën. Hij spreekt niet veel, maar hij handelt, hij is een man met een bepaald doel voor oogen en vol toewijding aan zijn overtuiging…. In een tijd van revolutie zou hij misschien de rol gespeeld hebben van een energieken, machtigen leider, in Italië zou hij 30 jaar geleden een overste in het vrijkorps van Garibaldi zijn geweest; opgegroeid in een andere omgeving zou hij een goed soldaat, een zendeling of een onderzoekingsreiziger zijn geworden.” Vervolgd door de politie, omdat hij, hoe bedeesd ook van aard, een geestdriftig propagandist was, werd hij opgejaagd als een stuk wild. Haat werd ruimschoots gezaaid door huiszoekingen, vervolgingen, ballingschap, uitzonderings-wetten, en het kan moeilijk verwonderen dat de kollektieve wraak der guillotine represailles te voorschijn moest roepen door middel van dynamiet en dolk, want heeft de wet haar beul, de gesmoorde gedachte heeft evenzeer haar wrekers. De drie guillotines van Ravachol, Vaillant en Emile Henry, onder het presidentschap van Carnot opgericht, richtten de aandacht van Caserio vooral op hem en als hij zijn daad verrichtte, dan is hij toch ontwijfelbaar daartoe geleid door zijn liefde tot de onderdrukten en door zijn haat tegen alle onrecht. Zijn levensgeschiedenis is van het begin tot het einde één aanhoudende lijdensgeschiedenis. In zijn jeugd was hij mystiek geloovig, meenende zijn ideale wereld te hebben gevonden in de bijbelsche beloften der christelijke profeten. Hij verloor wel zijn geloof maar met dezelfde warmte en gloed werkte hij aan de komst dier ideale wereld in ’t verschiet. En ging hij den weg des gewelds op, die niet lag in zijn zachtzinnige natuur, hij deed dit, gedreven door de handelingen der machthebbers. “Als de regeeringen tegen ons geweren, ketenen en kerkers toepassen, moeten wij anarchisten, die ons leven verdedigen, rustig tehuis blijven? Zullen wij ons idee verloochenen, dat de waarheid is? Neen, wij zullen integendeel de regeeringen beantwoorden met dynamiet en bommen, met staal en dolk. In één woord, wij moeten alles doen wat wij kunnen, om de bourgeoisie en de regeeringen te verpletteren.” En hij geloofde aan den dag der gewelddadige revolutie, die een einde zal maken aan koningen en presidenten, ministers en senatoren, afgevaardigden en rechters.
Toen het vonnis over hem werd uitgesproken: de doodstraf, toen liet hij met volle kracht het woord hooren: leve de sociale revolutie! Floot de menigte hem uit op den weg naar de guillotine, hij zag ernstig en medelijdend op haar neer en legde zijn hoofd gelaten onder het mes. De kreet: “Moed, kameraden! Leve de anarchie!” werd afgesneden door het mes, dat het jonge hoofd scheidde van het lichaam.
In datzelfde jaar had ook het zoogenaamde “procès des trente’ (proces der dertig) plaats, die beschuldigd werden van samenzwering tegen den openbaren vrede. 22 hunner werden vrijgesproken, 1 veroordeeld wegens diefstal tot 15 jaar dwangarbeid, 1 wegens dito tot 8 jaar, 1 tot 6 maanden wegens dragen van wapenen, terwijl 4 bij verstek tot 20 jaar werden veroordeeld. Later bij een revisie van het vonnis werden deze vrijgesproken.
Lombroso, die zoogenaamd een studie heeft gemaakt van de anarchisten, gaat uit van de zonderlinge meening, dat anarchisme zoo wat hetzelfde is als misdadigheid en nu meent hij uit een paar portretten van personen te kunnen bewijzen, dat die personen de type van den misdadiger hebben en omdat zij ijverige anarchisten waren, daarom waren nu ook alle ijverige anarchisten misdadigers. Toch durft hij niet allen over één kam te scheren, zoodat hij de ijverige aanhangers van het anarchisme voor ’t grootste gedeelte uitmaakt voor misdadigers of gekken, menigmaal beiden gelijktijdig,”met uitzondering van mannen als Kropotkine, Reclus en Ibsen“. Lombroso is zeker bang dat hij dan zelf onder de gekken gerangschikt zou worden. Wij laten het den lezer over of aan zulke beweringen een werkelijke wetenschappelijke gedachte ten grondslag ligt. Zoo zou hij Pini en Ravachol ter dood veroordeeld hebben, maar Caserio en Henri niet. Is het niet vreemd, dat men wel het recht ontzegt aan de anarchisten om geweld te plegen, maar toch het recht wil verleenen aan de tegenstanders, om hen met geweld te bestrijden? Als men in het eene geval doorgaat voor misdadig of gek, waarom dan niet in het andere?
De laatste aanslag was die op den president<ref>Dit is de derde president, die op gewelddadige wijze aan zijn einde kwam en telkens was de dader een ander geesteskind. Abraham Lincoln viel door de hand van iemand, die niet precies toerekenbaar was; Garfield door iemand die meende een gode-wel-gevallig werk te doen, zoodat hij zich verbeeldde een instrument te zijn in de hand van God. Juist hieruit blijkt voldoende, dat aanslagen en gewelddaden geen beslist anarchistische propaganda is.</ref> der Vereenigde Staten Mc Kinley (1901) door den Pool Czolgosz. Een storm van verontwaardiging ging uit haast alle kringen op tegen den dader en dat van menschen, die heel rustig duldden dat wekelijks in diezelfde Vereenigde Staten eenige Negers worden gelyncht, dat duizenden en nog eens duizenden op Kuba, op de Filippijnen, in Atjeh, in China, in Zuid-Afrika, ja waar niet al worden vermoord onder toelating van heel de beschaafde wereld! Nog niet lang geleden, tijdens de verkiezingskampagne, werd Mc Kinley voorgesteld door velen als een ramp voor Amerika, wiens verdwijning dus een zegen zou zijn en nu mengen diezelfde personen zich in het koor van hen, die den”afschuwelijken" moord afkeuren en betreuren. Zijn opvolger Roosevelt spreekt van den dader als van een geheel “gedemoraliseerd misdadiger”. Zonderling steekt tegen deze beschuldiging de houding van Czolgosz voor de rechtbank en tijdens zijn gevangenschap af. Niets wat ook maar eenigszins wees op reklame of aanstellerij. Steeds was hij kalm en waardig, in het volle bewustzijn een goede daad verricht te hebben. Op het laatste oogenblik, toen hij op den elektrischen stoel werd gebonden, ten einde te voldoen aan den “loop der gerechtigheid”, zei hij kalm: “ik heb den president doodgeschoten, omdat hij een vijand was der brave werklui en ik sterf omdat ik meende dat het ten nutte zou zijn van het goede volk.” En nadat hij zijn leedwezen betuigd had zijn vader niet nog eens te hebben gezien, zei hij nog: “ik betreur mijn misdaad niet”, met bizonderen nadruk op de woorden: “betreur” en “niet.” Zoo iemand, dan kon hij betuigen zijn leven te hebben gegeven tot een rantsoen of losprijs voor velen. Afgezien van alle andere overwegingen of van waardeering of veroordeeling der daad zal de ernstige mensch aan Czolgosz onmogelijk kunnen voorbijgaan zonder een gevoel van eerbied voor een man, die zoo goed wist wat hij deed en zoo kalm bereid was de volle aansprakelijkheid te dragen van zijn daad.
Dr. Schemeil schreef in de Bassir naar aanleiding van dezen aanslag o.a. het volgende: “de moord op den president der Vereenigde Staten hield de geheele pers bezig, werd het voorwerp van groote diskussies, bracht de gekroonde hoofden veel meer in verwarring dan de moord van een geheel rustig volk dat nederig zijn tribuut betaalde, veel meer dan de moord van duizenden individuen in dien wreeden en onrechtvaardigen oorlog in Zuid-Afrika, veel meer nog dan de moord der publieke belangen, alle dagen gepleegd en in alle landen onder de meest beschaafde regeeringen. Hij hield hen bezig niet om de kwalen der maatschappij op te zoeken en te trachten ze te genezen, maar wel om de beweging der anarchisten, die vreeselijke onderdrukkers, te verlammen!!!! De twee groote keizers die het roer der wereld in handen houden, hebben zich verbonden en zijn gaan nadenken, niet om hun hoogmoed te fnuiken en te trachten het lot der volkeren te verbeteren, maar om den schepter te handhaven die hun toestaat de menschen als beesten te leiden, ten einde aan de bende dieven het middel te verzekeren om zich door diefstal en woekerwinst te verrijken, dieven die het arme volk berooven door zich het produkt van zijn arbeid toe te eigenen en die zelven genieten van de volledige vrijheid, door de wetten gesteund en de regeeringen beschermd.”
Prof. Huxley zegt, dat men de gewelddaden van enkelen, die zich anarchisten noemen of door anderen zoo genoemd worden, niet verwisselen moet met het eigenlijke doel der anarchistische beweging. Deze laatste wil de grootstmogelijke individueele vrijheid of een toestand, die elke heerschappij van den een over den ander uitsluit. De goed begrepen anarchie zal zich in geval van verwerkelijking hoogstwaarschijnlijk toonen als het meest volkomen maatschappelijk stelsel; alle moordwapenen konden dan veranderd worden in landbouw- of andere gereedschappen, rechters en politie zouden overbodig worden, zoodra geen mensch den ander niet meer bedreigt, maar allen voortdurend alleen het goede doen. Voor dit stelsel van algemeene rechtvaardigheid hebben allen vrees, die gewoon zijn uit de huid van het arbeidende volk riemen te snijden. Tegen beter weten in roepen zij onophoudelijk tot de heele wereld dat het doel van de anarchisten alleen bestaat in moord en doodslag, brandstichting en dergelijke baldadigheden, die –dit zij in ’t voorbijgaan opgemerkt– door de heerschende klasse dagelijks worden begaan.
Dit onbevooroordeelde oordeel getuigt van meer gezond verstand dan de bespottelijke meening van hen, die verspreiden dat de anarchisten alles willen vernietigen, alsof men op zulk een grondslag zou kunnen voortbouwen! Was het niet beter te streven naar een verklaring van de meeningen van een Elysée Reclus, Kropotkine en zoovele anderen, die toch geen gekken of ezels zijn, dan om te veroordeelen wat men niet kent?
Ook vergete men nooit dat de anarchisten nooit beweerd hebben dat de vrijheid de volmaaktheid zal brengen –de mensch bereikt deze nooit!– maar alleen dat haar resultaten verre te verkiezen zullen zijn boven die welke het gezag meevoert.
Wij zouden nog kunnen herinneren aan Willis, die tijdens de Russische feesten een revolverschot loste op de Place de l’Opéra, aan Léauthier, die Georgewitch trof, aan Etiévant die door zijn verdediging getoond heeft zeer goed te weten wat hij deed, en aan vele anderen. Maar onwillekeurig bepaalt men zich bij de meest geruchtmakende zaken en personen en die hebben wij nu behandeld.
In Ierland zijn bet de Fenians, die de propaganda der daad ter hand namen. Een tijdlang hebben zij onder allerlei namen als Maanlichters, Onoverwinnelijken, enz. schrik gebracht over de wereld. O’Donnovan Rossa heeft onder hen een zekeren naam gekregen. Het aantal aanslagen, door hen verricht, is groot en onder deze zal ieder zich nog herinneren den dood van den onderkoning, lord Cavendish, in het Phoenixpark te Dublin. Verschillende personen werden daarom opgehangen, anderen gestraft met levenslangen of tijdelijken dwangarbeid.
In Oostenrijk heeft men Kammerer en Stellmacher als de vertegenwoordigers van de terroristische richting, die de propaganda der daad voorstonden, opgehangen (1884). Zij hadden, om geld voor de propaganda te maken, alle hun ten dienste staande middelen gebruikt zooals roof en moord. Het schijnt dat de politie de band in die zaken had en men beweert dat op een anarchistische konferentie te Zürich, waar de politieagent Kaufmann een referaat hield over de roof- en moordpolitiek en de politieagent Schröder het voorzitterschap bekleedde, besloten werd in die richting werkzaam te zijn. Gevolgen hiervan waren de uitzonderingswetten en de kleine staat van beleg over Weenen, waardoor een 500 tal personen uit de stad werden gezet, in de hoop om op deze wijze de arbeidersbeweging geheel te fnuiken. De Italiaan Lucheni deed in 1898 een goedgeslaagden aanslag te Genève op het leven der oude keizerin Elisabeth van Oostenrijk en zit daarvoor levenslang in de gevangenis. Zijn aanslag scheen minder gericht tegen de persoon der keizerin als zoodanig, maar hem was het te doen zich als arm mensch te wreken op de wereld en daarom nam hij de eerste de beste, die hij krijgen kon. Dit is het standpunt der wanhoop, dat door de verzadigden niet begrepen kan worden, maar volkomen verklaarbaar is op dat der hongerlijders. En verklaren moet het streven zijn, want afkeuren en veroordeelen is gemakkelijk, maar om billijk te zijn moet men trachten zich in te denken in de gedachten van den dader. Een bekend anarchist getuigde van hem: n’est pas anarchiste, c’est un idiot qui anarchiste (dat is geen anarchist, maar een idioot die in anarchisme doet).

Nadat reeds tweemalen een aanslag op ’t leven van koning Humbert gedaan was, eens door Passanante 1879<ref>In zijn verdediging voor de rechtbank te Napels zei hij geen persoonlijken haat te voeden tegen Koning Humbert of tegen de tegenwoordige regeering, maar tegen alle koningen, omdat zij de verwezenlijking van mijn ideaal: de algemeene republiek beletten. Politieke hervormingen gaven volgens hem niets. “De oude regeering was gesymboliseerd door drie F’s: Festa, Farina, Forca (feesten, meel, galg). De tegenwoordige regeering kan het worden door drie P’s: Parlate, Pagate, Piangete (Praten, betalen, weenen).” Was dat de taal van een gek of van een man van overtuiging, die bereid was daarvoor te sterven?</ref> en een andermaal door Acciarito (1897), die beiden mislukten, is een derde van Bresci te Monza gelukt (1900). Deze zei: “ik heb niet koning Humbert van Italië gedood, ik heb een princiep gedood.” Hij ondergaat nu evenals de beide anderen een gevangenstraf, die in wreedheid alles moet overtreffen, daar zij uitloopt op krankzinnigheid, gelijk reeds het geval is bij den tweeden. Want de doodstraf is als inhumaan in Italië afgeschaft, ofschoon zij als humaan geprezen moet worden, zoolang zij vervangen wordt door zulke straffen. Van Bresci heeft men blijkbaar niets slechts weten te vertellen en prof. Lombroso beschouwt hem als een geheel normaal mensch, als een gelegenheidsmoordenaar. Ofschoon hij geen medeplichtigen had, zijn 2000 min of meer anarchistisch gezinde personen gevangengenomen en korter of langer tijd gebleven, zonder dat men schijnt te begrijpen dat wie op deze wijze wind zaait, noodzakelijk storm zal oogsten.
Onder de propaganda der daad valt ook de nieuwste vorm van verzet, het zoogenaamde lijdelijk verzet, dat bestaat in weigering van al wat door den staat verplichtend is opgelegd, zooals dienstweigering, eedweigering, belastingweigering, enz. In navolging van de Duchoboren in Rusland is die leer ook in Europa doorgedrongen en vindt zij hier en daar ingang. Meenen velen dat van zulk individueel verzet geen kracht kan uitgaan en keuren zij het daarom af, al hebben zij achting voor hen, die zich daardoor blootstellen aan allerlei straffen, anderen daarentegen zijn van oordeel, dat het voorbeeld van den enkeling het krachtigst aanspoort tot navolging, overeenkomstig het bekende gezegde: leeringen wekken, maar voorbeelden trekken. Van het oogpunt van den staat is deze propaganda even gevaarlijk, want waar moest men naar toe met de legers, als de dienstweigering algemeen werd, waar met den staat en zijn inrichtingen, als het denkbeeld van belastingweigering doordrong? Vandaar dat dezulken zware straffen oploopen. Nu zijn er onder die weigeraars sommigen die niet willen omdat zij het gezag ontkennen van een ander om over den mensch te heerschen en anderen, die den krijgsdienst weigeren, omdat Jezus gezegd heeft: wederstaat den booze niet en zij dat beginsel verheffen willen als grondregel der maatschappij. Ten onzent heeft men den jongeling de Bruin, die den krijgsdienst weigerde, gestraft met 1 jaar gevangenisstraf en later bij herhaling der weigering tot 1 jaar en 4 maanden.
Zoo heeft men in Frankrijk de godsdienstige sekte der Hinschisten, in Rusland de Duchoboren, in Oostenrijk de Nazareners en misschien elders nog anderen, die liever alles verdragen dan om opgeleid te worden in de moordkunst als soldaten. Wil de eerste soort propagandisten het geweld keeren met geweld, de laatste wil het geweld overwinnen door de liefde er tegenover te plaatsen. Welk dier beide methodes men volgt, zal wel grootendeels afhangen van het temperament des menschen. Lijdelijk verzet moge schoon zijn, maar als het er op aankomt, gaat de natuur boven de leer. De trek van zelfbehoud is den menschen zoodanig ingeboren, dat hij niet zal zijn uit te roeien en als de keuze gegeven is om òf zelf onder te gaan òf een ander er onder te brengen, dan zal die trek bij allen, met uitzondering misschien van een enkele, de uitwerking hebben, om het laatste boven het eerste te verkiezen.
De propaganda der daad kan men geen uitsluitend anarchistisch beginsel noemen, al is het ook dat bovenal anarchisten er gebruik van maakten, want men treft onder alle partijen lieden aan die haar toepassen als het er op aankomt en feitelijk is het ’t middel, waarvan de heerschende partij, die beschikt over alle machts-middelen, zich bedient tegenover anderen om den baas te blijven. Wanneer men die leer zelf toepast in alle gestrengheid, door de weerspannigen te dooden, op te sluiten en op alle mogelijke wijzen te vervolgen, dan mist men feitelijk het recht er anderen lastig om te vallen, die met het volste recht zeggen kunnen: wij passen dezelfde middelen toe, die gij tegen ons aanwendt. Het is de maatschappij, die geheel op het geweld steunt, en die op haar beurt de geweldsmannen voortbrengt, wier streven het is die maatschappij omver te werpen.
Verheerlijkt in theorie en in dicht wordt de daad in den regel geprezen, als zij past in het kader en veroordeeld, als de daad niet bevalt of hinderlijk is voor de tijdelijke machthebbers. Weest doeners des woords – zoo luidt het veelal, maar wee als het doen tegen den stroom ingaat en toch begrijpen wij den dichter, die de daad verheerlijkte in deze woorden:

Ja, de gedachte maakt vrij! Wat verlossing bereidt aan de volkren

Zijn de ideën, de hoog’re, die ’t nieuwe, vooruitgang, bedoelen.
Maar wat de wijze bedacht, moet vorm nog verkrijgen en leven,
Niet de gedachte alleen roept gewenscht verbet’ring te voorschijn,
Doch slechts de daad.

G. Eenige sympathiseerende theoretici.

Ofschoon de lijn niet met wiskunstige zekerheid is te trekken, toch kan men bij de sympathiseerende theoretici zeer goed bemerken of hun neiging gaat in de richting van den staat dan wel of de vrijheidsidée hen daarvan afvoert. Zoo staan een Bastiat, een Molinari theoretisch meer aan de zijde van hen, die bevreesd zijn voor uitbreiding van staatsbemoeiïng, zoo heeft Mill nu eens neigingen naar rechts en dan naar links, maar er is toch ook een kategorie van menschen wier hoofdneiging zich openbaart in afkeer van al wat den staat betreft en in de grootst mogelijke vrije ontwikkeling van het individu alleen heil ziet.

Herbert Spencer

Onder hen neemt een eerste plaats in de veelzijdige HERBERT SPENCER (1820–?), een encyklopedische kop zooals er weinigen worden aangetroffen. Lewes vroeg in zijn Geschiedenis der Wijsbegeerte of “Engeland ooit een denker van fijner kaliber heeft voortgebracht”; Darwin zag in hem den “grootsten, thans levenden wijsgeer van Engeland, misschien wel de gelijke van wien ook in vroegere tijden”, terwijl ook Mill hem zeer hoog schatte en op één lijn plaatste met Auguste Comte, den Franschen wijsgeer, die in zijn tijd reeds de stelling verdedigde, dat het in de toekomst meer een beheer over zaken dan een regeeren over personen zal zijn. Reeds spraken wij over het standpunt dat hij innam in een zijn eerste werken, de Social Statics en hoe hij later introk wat hij toen had beweerd. In zijn Data der sociologie schetste hij de faktoren en sociale verschijnselen, eerst de uiterlijke, nl. het milieu met klimaat, geaardheid van bodem, fauna en flora en daarna de innerlijke, d.w.z. de lichamelijke, gemoeds- en geestelijke kenteekenen van den primitieven mensch.
In 4 hoofdpunten schijnen maatschappijen en individueele organismen hem toe met elkander overeen te stemmen:

  1. zij nemen onmerkbaar toe, zoodat enkelen worden tot duizenden;
  2. terwijl de struktuur in den beginne zoo eenvoudig is, dat zij bijna geen struktuur schijnt, wordt deze bij het groeien meer samengesteld;
  3. terwijl in den oorspronkelijken onontwikkelden toestand ternauwernood wederzijdsche afhankelijkheid der deelen bestaat, neemt deze toe, tot zij ten slotte zoo groot wordt, dat het leven van elk deel dat van de rest tot voorwaarde heeft;
  4. het leven der maatschappij duurt langer en is onafhankelijk van dat der eenheden, die haar vormen, die geboren worden, groeien, werken, zich vermenigvuldigen en sterven, terwijl het maatschappelijke lichaam, dat zij vormen, geslachten overleeft en daarbij aan volledigheid en veelzijdigheid toeneemt.

De maatschappelijke ontwikkeling volgt dus de algemeene ontwikkelingswet, die geldt voor alle andere organismen.
Toch miskent hij het onderscheid tusschen beiden niet, dat hierin bestaat:

  1. maatschappijen hebben geen bepaalden uitwendigen vorm;
  2. het levende weefsel, waaruit een individueel orgamisme bestaat, vormt een gesloten geheel, de levende elementen eener maatschappij zijn min of meer verstrooid over een deel der aarde;
  3. de laatste levende eenheden van een individueel organisme hebben meestal haar betrekkelijken toestand bepaald, die der sociale organismen kunnen zich van plaats tot plaats bewegen;
  4. het belangrijkste onderscheid bestaat hierin: terwijl in het dierlijke lichaam een bizonder weefsel met gevoel is begaafd, zijn in het maatschappelijke alle eenheden met gevoel begaafd.

Hij zegt: “wij mogen dat onderscheid nooit over ’t hoofd zien. Het herinnert er ons aan, dat in het individueele organisme het welzijn van alle overige deelen wel terecht is onderworpen aan het welzijn van het zenuwstelsel, waarvan de vreugde- of smartvolle werkzaamheid het wel of wee van het leven uitmaken, maar dat in het politieke lichaam dit niet of slechts tot op zekere hoogte kan gelden. Het is juist, dat het leven van alle deelen van een dier moet opgaan in dat van het geheel, terwijl het geheel een korporatief bewustzijn heeft, dat vreugde of smart kan ondervinden. In de maatschappij is die verhouding echter een andere. Want haar levende eenheden verliezen haar individueel bewustzijn niet en kunnen dit niet verliezen en de gemeenschap als geheel heeft geen korporatief bewustzijn. Dat is de eeuwige reden, waarom het niet juist is het welzijn der burgers ten offer te brengen aan een aangenomen welzijn van den staat en waarom aan de andere zijde de staat alleen bestaat voor het welzijn der burgers. Het korporatieve leven moet hier het leven der deelen dienen en niet omgekeerd.”
Hij maakt dan ook een onderscheiding der maatschappelijke type in militaire, gemengde en industrieele. In den militairen staat is de dwang het beginsel, waarop de samenwerking der menschen berust en de ontwikkeling tot de zuivere industrieele type kenmerkt zich als een langzamen overgang tot een steeds meer vrijwillige samenwerking, en daardoor als een steeds meer toenemende verwezenlijking van de wet der gelijke vrijheid.
Spencer is vóór alles de man der evolutieleer, maar ons dunkt dat daarvan een groot misbruik gemaakt wordt door haar te stellen tegenover de revolutieleer, wat volkomen onjuist is, gelijk wij elders reeds opmerkten. Welk revolutionair toch is een tegenstander der evolutie? Wij kennen dezulken niet. Immers de revolutie wordt niet buitengesloten door de evolutie of omgekeerd. Het zijn twee opeenvolgende fasen in de periode van ontwikkeling.
Bij Spencer is de hoofdvraag: hoe kunnen de ware rechten der individuen behouden en tegen uit- en inwendige vijanden beschermd worden? En elk regeerstelsel mag nooit iets anders zijn dan een stelsel van middelen tot bereiking van dit doel. Hij is tegen de richting, die aandringt op uitbreiding der staatsbemoeiing en daar hij haar het sterkst vertegenwoordigd ziet in het socialisme, is hij sterk gekant tegen het socialisme, waarin hij ziet den aanstaanden vorm der slavernij.
Hij sprak zich hierover in dezen zin uit: “onder de beschouwingen, waarop ik bizonder den nadruk gelegd wilde zien, is misschien de praktisch belangrijkste deze, dat geen duurzame verbetering eener maatschappij mogelijk is zonder een verbetering der individuen, dat de maatschappelijke type en de vormen hunner werkzaamheid noodzakelijkerwijze bepaald worden door het karakter der eenlingen en dat zij zich ondanks alle oppervlakkige wijzigingen, wat haar wezen betreft, niet sneller kunnen veranderen dan de individuen zich veranderen en dat dus al die plannen van snelle en fundamenteele reorganisatie, die tegenwoordig zoovelen betooveren, zonder gevolg moeten zijn en eenvoudig zullen eindigen met een terugkeer tot een toestand, die zich van de vroegeren alleen onderscheidt naar den oppervlakkigen vorm. Het is even onmogelijk uit lagere menschen door een bizondere soort van sociale schikking een goede maatschappij te vormen als het onmogelijk is uit slechte bouwstoffen door een bizondere methode van bouwen een goed huis te maken. Echter ik geloof, dat geen argumenten, hoe afdoend zij ook mogen zijn, eenigen invloed zullen hebben; want in de groote perioden van sociale veranderingen zijn de werkende krachten te machtig dan dat zij zich laten kontroleeren door individueele invloeden. Ik geloof dat het socialisme onvermijdelijk is, maar dat het ’t grootste ongeluk zal zijn, dat de wereld ooit heeft beleefd en dat het eindigen zal in een militair despotisme van de ergste soort.” Hij vreest met groote vreeze, dat wij een staat te gemoet gaan, waarin “geen man kan doen, wat hem bevalt, maar elkeen doen moet, wat hem wordt opgedragen.”
Nu kent hij, vreemd genoeg, het socialisme alleen in den vorm der sociaaldemokratie en hij brengt op rekening van het socialisme datgene, wat alleen op rekening mag gesteld worden van de sociaaldemokratie. Zoo is hij slecht te spreken over de Duitsche sociaaldemokratie en verklaart de groote afmetingen, die de socialistische beweging in Duitschland gemaakt heeft, uit de militaire, burgerlijke en industrieele dwangorganisatie in dat land. Ten gevolge daarvan en van jongsaan daarin opgevoed kan de Duitscher zich in ’t algemeen moeilijk iets anders voorstellen dan een bureaukratischen staat en evenals andere partijen is ook deze de afspiegeling van zoo’n inrichting in het klein. Van vrijheid binnen die partij is al evenmin sprake als van vrijheid binnen den Duitschen staat. Bij elken stap dien men zet in het leven, stuit men op de politie, op den eenen of anderen ambtenaar en de aartsvaderlijke zorg der regeering voor haar onderdanen –dat is de juiste benaming, want in tegenstelling met Engeland waar de ambtenaren overtuigd zijn de dienaren van het publiek te zijn, dat hen betaalt, beschouwen de ambtenaren in Duitschland zich als een klasse, die staat boven het publiek en het publiek als hun ondergeschikten of onderdanen– strekt zich veelal uit tot in het bespottelijke en kleingeestige. Een vrije geest voelt zich allicht gebonden, maar diep ongelukkig moet hij zich gevoelen in landen als Duitschland, Turkije en Rusland.
In zijn Inleiding in de sociologie zegt hij: “een volk dat zelf noch goed noch wijs is, kan geen goed en wijs autokraat kiezen. De goedheid en wijsheid zullen de successieve families van een erfelijke oligarchie, voortgekomen uit een slecht en onverstandig volk, niet meer karakteriseeren dan zij het een dynastie van vorsten doen. Geen enkel vertegenwoordigend stelsel, beperkt of algemeen, direkt of indirekt, zal iets anders doen dan de gemiddelde natuur der burgers vertegenwoordigen. Onze vriend heeft slechts de verkiezingsredevoeringen te bestudeeren; hij zal zien hoe men stemmen wint door ongerijmde vooroordeelen te vleien en niet te verwezenlijken verwachtingen te koesteren, maar dat men stemmen verliest als men vrijuit strenge waarheden zegt en zijn best doet hersenschimmige hoop te vernietigen. Deze lezing zal hem de idee benemen dat een volk dat zelf niet verstandig is, zich een regeering kan geven naar believen. Men merke op hoe de dingen plaats hebben en men zal zien dat de verkiezingsdistilleerketel niet alleen wijsheid maar ook dwaasheid distilleert, als men er de geduchte giststof der hartstochten en politieke denkbeelden inwerpt; soms is het de dwaasheid die de overhand heeft. Door de zaak van nabij te bezien, zal hij bemerken dat het geweten van het gekozen lichaam lager staat dan het gemiddelde geweten van het individu maar ook dat het verstand van het gekozen lichaam deelt in die laagheid. In een kollege is de verstandige minderheid bloot gesteld om door de zotte meerderheid te worden overweldigd, dikwijls eindigt het hiermede dat de zotheid alleen vertegenwoordigd is. In de vergadering regeert de massa van middelmatigheden de enkele verheven geesten: de verheven menschen zijn verplicht alleen denkbeelden te verkondigen, die binnen elks hevatting liggen en de diepere, de betere gezichtspunten voor zichzelven te houden. Onze vriend heeft zich slechts te herinneren, welke tusschenroepen de abstrakte beginselen in het parlement ondervinden en hij zal dadelijk gevoelen dat de wijsheid moet zwijgen, om aan de zotheid over te laten zich volop te ontplooien. Als hij een sprekend voorbeeld begeert om aan te toonen dat het verstand der leden als lichaam een resultaat geeft beneden dat wat het verstand van het gemiddelde lid zou opleveren, hij zal dit vinden in het groote aantal beschikkingen, die elkander tegenspreken en in de verwarring van taal die onlangs protesten hebben verwekt der rechters tegen de Acts (Handelingen) van het parlement.”
Met afkeer voor dit alles moet wel iemand vervuld zijn, die als Herbert Spencer doortrokken is van vrijheidsideën en die als ideaal van een maatschappelijken vorm stelt, dat “elkeen met het vrije leven van zijn eigen wezen ook de funktie eener sociale eenheid moet vervullen en doordat alle anderen hetzelfde doen, moet de enkeling in staat worden gesteld zijn eigen leven te leven.” Wanneer er gewezen wordt op de analogie, die bestaat tusschen regeering en volk met vader en kind, dan zegt hij dat deze alleen gerechtvaardigd wordt door de kinderachtigheid van het volk, dat aan zulk een analogie gelooft. Neen, alles-omvattende staatsfunkties vormen een karaktertrek van een laag maatschappelijk type en volgens hem toont het opgeven van funkties juist den vooruitgang tot een hooger maatschappelijk type. Noemt hij het groote politieke bijgeloof van het verleden het goddelijk recht der koningen, dat van heden is het goddelijk recht der parlementen. Van het hoofd van den enkelen is de olie tot zalving nu gedropen op dat van velen. Is de vorm veranderd, het wezen is blijven bestaan en doet zulks, zoolang men een goddelijk recht, welk ook, erkent. Noemt men het eerste de monarchale leugen, men zou het tweede de parlementaire bedriegerij kunnen noemen, want het onderscheid tusschen het goddelijk recht van den koning en van den “gekozen persoon” komt in beginsel op hetzelfde neer. Het is niet te doen, om volgens een geestige uitdrukking andere pruiken te zetten op hetzelfde kopstuk, want daardoor tasten wij het kwaad niet in den hartader aan.
In theorie staat Spencer aan de zijde der anarchie en had hij haar besproken en kennis genomen van de denkbeelden van Kropotkine en anderen, hij zou veel trekken van overeenkomst tusschen dezen en zichzelven hebben ontdekt. Wij hebben ons steeds verwonderd dat Spencer zich niet heeft uitgelaten over de anarchistische beweging, tenzij hij dit deed voorzichtigheidshalve, daar hij niet tegen haar kon en niet voor haar wilde optreden. Dit alles neemt echter niet weg, dat hij veelal argumenten aan de hand deed, waarvan de anarchisten zich bedienen als geheel passende in hun gedachtengang.
Tot zijn school behoort Auberon Herbert, die het socialisme op dezelfde gronden bestrijdt, omdat hij het ook alleen als dwangsocialisme kent, maar die overigens de meerderheidsleugen geeselt, het geweld als oplossing van sociale vraagstukken belachelijk maakt, de regeering elke funktie wil ontzeggen behalve die van politie, om ook dat te beschouwen als een kwaad van korte noodzakelijkheid. Ook hij levert bouwstoffen, die door de anarchisten worden gebruikt als passende geheel in hun kader.

Wordsworth Donisthorpe

Naast hen vormt een eigenaardige persoonlijkheid, de rechterlijke ambtenaar WORDSWORTH DONISTHORPE en zijn boek Individualism, a system of politics<ref>Individualisme, een stelsel van politiek.</ref>. Benjamin Tucker zegt van hem en de zijnen: “in beginsel bepleiten zij het politieke geloof dat een advokaat vindt in Liberty (het blad van Tucker). Alleen zij noemen individualisme wat Liberty noemt anarchisme”. Een hunner drukt het aldus uit: “als wij lijden onder een vergif, dan vinden wij goed om een tweede vergif te nemen, dat als tegengif werkt op het eerste. Maar als wij verstandig zijn, beperken wij onze tweede dosis vergif zoodat de vergiftige gevolgen van beiden te zamen worden herleid tot een minimum. Als wij er meer van nemen, dan brengt het uit zichzelf vergiftige gevolgen te voorschijn boven die, welke noodzakelijk zijn om het eerste vergif zoo goed mogelijk tegen te gaan. Als wij er minder van nemen, zal het eerste vergif tot op zekere hoogte zijn slechte uitwerking ongehinderd doen. Dit voorbeeld illustreert de verhouding van den individualist tegenover den socialist eenerzijds en tegenover den anarchist anderzijds. Ik erken dat een regeering een kwaad is. Zij beteekent altijd het gebruik van geweld tegenover onzen medemensch en op zijn best zijn onderwerping in meerder of minder mate aan den wil van een meerderheid van zijn medeburgers. Maar als deze georganiseerde of geregelde tusschenkomst naar het uiterlijk was afgeschaft, zou de enkele mensch niet ontkomen aan aanvallen. Hij zou in een maatschappij als de uwe, blootstaan aan veel meer geweld en bedrog, wat een grooter kwaad zou zijn dan de tusschenkomst van een regeering behoeft te zijn. Maar als de regeering haar tusschenkomst opdringt boven het punt van het behoud der ruimstmogelijke vrijheid, gelijkelijk voor alle burgers, dan is zij zelve de aanvaller en niet de minste omdat haar motieven goed zijn.” Dus, zegt Tucker, individualisme wil een organisatie ter handhaving van de ruimstmogelijke vrijheid gelijkelijk voor alle burgers, maar dat is hetzelfde wat het anarchisme wil. Het individualisme wil zoo’n organisatie niet langer dan strikt noodzakelijk is, het anarchisme evenmin. Volgens hem zijn er niet drie, maar twee standpunten: dat van de autoritaire socialisten, die een regeering en een staat willen en dat van de individualisten en anarchisten, die tegen een regeering en tegen een staat zijn.
Donisthorpe ziet in het socialisme het groote gevaar op den weg van den socialen vooruitgang, dat te meer te vreezen is, omdat die leer overal wint in populariteit. Lord Wemyss verdeelde in een redevoering, die hij hield in het Hoogerhuis, de socialisten in drie klassen, nl. de socialisten van de straat, van de school en van den senaat. De eerste klasse achtte hij geen ernstige beschouwing waard. En wat het socialisme van den kommunist aangaat, hij paste daarop deze vier regels toe:

What is a communist? One who has yearnings

For equal division of unequal earnings:
An idler or bungler, or both, he is willing
To fork out his penny and pocket your shilling!

(Wat is een kommunist? Iemand die verlangt naar een gelijke bedeeling van ongelijke inkomsten. Een leeglooper, of knoeier, of beiden, die van zins is zijn penny te geven en uw shilling op te steken). Bepaald vleiend is die beschrijving niet en zeer vreemd in den mond van een lid van het Hoogerhuis, want die beschrijving past geheel op de kapitalisten, alleen met dit onderscheid dat zij niet van zins zijn dit te doen, maar het dagelijks in de werkelijkheid verrichten.
Vreemd echter alweer dat Donisthorpe het socialisme bestrijdende zich alleen bepaalt tot het dwangsocialisme van de sociaaldemokraten, alsof er geen ander, steunende op de vrije samenwerking, bestond.
Hij noemt de geheele geschiedenis der beschaving “de geschiedenis van den strijd om een betrekking te vestigen tusschen de maatschappij en haar eenheden, tusschen het geheel en zijn deelen, die noch absoluut socialisme noch absolute anarchie is, maar een staat, waarin door aktie en reaktie van beiden op elkander zulk een schikking kan plaats vinden, dat het welvaren van het geheel en dat zijner eenheden eventueel zullen samenvallen en niet vijandig zijn tegenover elkander. Dat is het vraagstuk van de beschaving, van de ontwikkeling van het hyper-organisme; het hebben van een geheel zonder de individualiteit der eenheden, waarin het is samengesteld, te schaden. Het einddoel dat wij steeds zullen naderen, maar nooit bereiken, zal zijn volkomen burgerlijke vrijheid of de grootste vrijheid die samengaat met de meeste welvaart van de maatschappij als een geheel, en de volkomen wet of zulk een ondergeschiktheid van den individueelen wil aan dien der maatschappij als zich verdragen laat met de meeste welvaart van het individu.” Is dat niet precies hetzelfde, wat de anarchisten willen? En al bestrijdt hij de anarchisten, al werpt hij bezwaren op, waarvan hij de oplossing verlangt “van de vier lichten der anarchie” (Herbert Spencer, Auberon Herbert, Benjamin Tucker en Victor Yarros), dit alles neemt niet weg, dat hij zelf als individualist tegen elken dwang is, opgelegd aan het individu voor gemeenschappelijke dingen en dat hij dus in den grond der zaak sympathiseert met het streven der anarchisten. Zeker, wij gevoelen de moeilijkheid der vraag, hoe men het onrecht kan verwijderen dat iemand toestaat te genieten van hetgeen een ander heeft tot stand gebracht, maar meenen dat men door dwanginrichtingen verder van huis is dan dat men vrij daarvan laat genieten, maar hem tevens doet gevoelen, hoe zijn eergevoel moest verlangen, dat als hij er van wil genieten, hij ook zijn deel aan den arbeid wil leveren. Van de vrijheid is in dezen meer te verwachten dan van dwang. Of dit onrecht ooit geheel zal kunnen worden vermeden, is de vraag die wij maar aan de toekomst moeten overlaten, intusschen ernaar strevende zoo’n toestand steeds meer te naderen.
Overigens wat deden deze individualisten anders dan de voetstappen drukken van den grooten wijsgeer Spinoza, die in zijn Ethica<ref>Klassieke schrijvers. B. de Spinoza, Ethica. Uit het Latijn door W. Meijer. Amsterdam, S.L. van Looy.</ref> als grondwet der natuur afkondigt: “elkeen bemint zichzelf en beschermt zijn eigen bestaan. Alles wat fysiek of psychisch mijn bestaan helpt, wat een alzijdige krachtsontwikkeling te voorschijn roept, wat een lageren op een hoogeren trap voert, dat alles is geluk; alles wat het tegendeel uitwerkt, is lijden. Hoe sterker ons zieleleven, hoe grooter onze vreugde; hoe grooter onze vreugde, hoe grooter onze volkomenheid. Elkeen heeft recht op alles, zoover als zijn macht uitstrekt. Maar daar elk mensch zijn eigen Ik het best kan samenhouden met andere menschen, zijn volkomenheid kan ontwikkelen en zijn macht uitoefenen, ontstaat de noodzakelijkheid, dat niemand het zijn van een ander belemmert, dat elkeen zijn recht in zooverre begrenst, om van anderen niet te verlangen dat zij datgene zullen verdragen en doen, wat men zelf niet verdragen of doen wil. Daartoe vermaant mijn eigen belang. Want belemmer ik het zijn, de ontwikkeling van anderen, dan wordt ook mijn eigen wezen niet zoo rijk en ontwikkeld als het zou worden door de wisselwerking met het wezen van anderen.”
Of die in zijn Godgeleerd-staatkundig Vertoog<ref>Klassieke schrijvers: B. de Spinoza, Godgeleerd-staatkundig Vertoog. Uit het Latijn door W. Meijer. Amsterdam, S.L. van Looy.</ref> een pleidooi levert in Hoofdst. XX voor volkomen vrijheid van meening: “het is echter onmogelijk, dat iemands overtuiging geheel ter beschikking van een ander staat; daar immers niemand zijn aangeboren recht of vermogen van vrij te redeneeren en over allerlei zaken te oordeelen op een ander kan overbrengen en evenmin daartoe kan gedwongen worden. Vandaar dat men elke heerschappij over de gemoederen gewelddadig acht en dat naar het algemeen gevoelen de hooge regeering den onderdanen onrecht doet en inbreuk maakt op hun goed recht, wanneer zij een ieder wil voorschrijven wat hij als waarheid te omhelzen of als onwaarheid te verwerpen heeft en door welke denkbeelden elk zich bij zijn godsvereering moet laten leiden. Om in dezen te beslissen heeft ieder zijn aangeboren recht, dat hij, al wilde hij het, niet kan opgeven.”
Hij beschrijft in datzelfde hoofdstuk het einddoel van den staat met de volgende woorden: “het einddoel van den staat is niet om te heerschen, noch de menschen door vrees in bedwang te houden en onder de heerschappij van een ander te brengen, maar wel, ieder van vrees te bevrijden en hem, voor zoover dat mogelijk is, in veiligheid te doen leven, d.i. hem zijn natuurlijk recht om te bestaan en werkzaam te zijn, zonder schade voor zichzelf en een ander, op de beste wijze te waarborgen. Het is niet het doel van den staat, de menschen van redelijke wezens tot beesten of zelfbewegende poppen te maken, maar wel dat hun geest en lichaam hunne verrichtingen ongestoord volbrengen en zij van de rede in vrijheid gebruik maken, niet met elkander wedijveren in haat, toorn of bedrog, en elkander geen kwaad hart toedragen. Het doel van den staat is dus inderdaad de vrijheid.”
Maar dezelfde wijsgeer spreekt geheel anders in het vijfde hoofdstuk van het Godgeleerd-staatkundig Vertoog, waar hij zegt, dat “geen maatschappij stand houdt zonder een bestuur en zonder dwang, en dus ook zonder wetten, bestemd om ’s menschen lusten en teugellooze begeerten te matigen en te bedwingen.”
En in het Staatkundig Vertoog Hoofdstuk III zegt hij niet alleen, dat “ieder burger niet zijn eigen meester is maar afhankelijk is van den staat, welks bevelen hij zonder onderscheid moet opvolgen”, maar hij gaat zelfs zoo ver, dat “ook elk onderdaan, al meent hij ook dat de staatswetten onbillijk zijn, niettemin verplicht is die nauwgezet op te volgen”.
Echter in dit opzicht is Spinoza weinig duidelijk of durft hij de konsekwentie niet aan van de door hem gepredikte vrijheid, want terwijl hij in Hoofdstuk XVI op het stuk van godsdienst erkent dat men God boven alles moet gehoorzamen, beroept hij zich op de vele dwalingen om het betoog te leveren, dat een ieder zich onder voorwendsel een uitloopende meening te hebben de vrijheid kon veroorloven, alles te doen wat hij wenschte. En aangezien op zulk een wijze het recht van den staat in elk opzicht geschonden wordt, neemt hij aan dat “aan de overheid, die volgens goddelijk en natuurlijk recht alleen bevoegd is om de rechten van den staat te bewaren en te beveiligen, boven allen het recht toekomt, in zaken den godsdienst betreffende, bepalingen te maken naar haar goedvinden, en dat allen gehouden zijn haar besluiten en voorschriften dienaangaande op te volgen, krachtens de haar verpande trouw, die God zeer zeker beveelt in acht te nemen”. Hij schijnt niet te gevoelen, dat als hij dat recht aan de overheid schenkt, hij de vrijheid van den mensch op ’t stuk van godsdienst maakt tot een wassen neus. Men leze vooral de hoofdstukken XVI, waarin hij de grondslagen van den staat, het natuurlijk en burgerlijk recht van iederen mensch en het recht der hooge overheden behandelt, XVII, waarin hij betoogt dat niemand al het zijne kan overdragen aan de openbare macht, en XX waarin wordt aangetoond, dat in een vrij gemeenebest het ieder vrij staat te denken wat hij wil en wat hij denkt te zeggen.
Dus hier wil hij den dwangstaat en dáár de vrijheid, welke twee zaken toch niet met elkander te rijmen zijn. Het “niet heerschen en niet beheerscht worden” toch is een anarchistisch beginsel, waar tegenover staat de noodzakelijkheid van het dwangapparaat van den staat. Hij hinkt hier op twee gedachten. Overigens vrijheid van denken beteekent al heel weinig, wanneer zij niet de voorbereiding is voor vrijheid van handelen. En het mag zeker vreemd klinken, als men een man, die op jeugdigen leeftijd den banvloek en vervolging der Joodsche synagoge trotseerde, hoort verklaren aan het einde van dat Vertoog, dat hij volgaarne zich wil onderwerpen aan het onderzoek en oordeel van de overheden van zijn vaderland en “mochten zij meenen dat iets van hetgeen ik gezegd heb, in strijd met ’s lands wetten, of schadelijk voor het algemeen belang, dan houde men dat voor niet gezegd; ik weet dat ik een mensch ben en heb kunnen dwalen”. Zou het onderscheid ook gelegen kunnen zijn in den leeftijd, zoodat de jeugdige Spinoza vol geestkracht en geestdrift gestorven zou zijn voor zijn overtuiging, terwijl de andere meer bedacht was op zelfbehoud, rust en kalmte? Prof. Menzel<ref>Wandlungen in der Staatslehre Spinoza’s. 1898.</ref> spreekt het vermoeden uit, dat Spinoza wellicht ten gevolge van de beroeringen, die in 1672 onze republiek hebben geteisterd, op het laatst zijns levens meer behoudend is geworden, zooals ook blijkt uit zijn later geschreven Staatkundig Vertoog<ref>Klassieke schrijvers: B. de Spinoza’s Staatkundig Vertoog. Uit het Latijn door W. Meijer. Amsterdam, S.L. van Looy.</ref>. In deze verhandeling zien wij hoe hij zelfs een voorlooper is van Henry George, daar hij een pleidooi geeft voor het brengen van akkers en grond en zoo mogelijk ook de huizen in staatseigendom, nl. in handen van hem die regeert, terwijl deze dan voor een jaarlijkschen huurprijs ze verhuurt aan de burgers, d.w.z. aan stedelingen en landbouwers. Hij helt hier over tot het staatssocialisme.
Bij alle groote geesten ziet men den hoogsten wensch om zijn eigen leven te kunnen leiden op zijn wijze, om zichzelf te kunnen zijn en te ontplooien en vandaar dat een anarchistische ader loopt door de werken van alle schrijvers, die gelden als voorgangers van het menschelijk geslacht. Het is alleen het woord anarchie, dat velen afschrikt, maar zij hebben, onbewust veelal, anarchie gepredikt en gezaaid.

Max Nordau

Wie de Leugens der maatschappij leest van Max Nordau en vooral het hoofdstuk De politieke leugen, en daarin ziet hoe deze schrijver zegt dat de staatsmachine in de praktijk nog precies dezelfde is gebleven en met dezelfde kracht werkt als in het sombere tijdperk der midden-eeuwen, met dit onderscheid dat als zij tegenwoordig minder zwaar drukt op het individu, dit alleen is toe te schrijven aan slijtage. Als men hoort hoe deze van meening is, dat “de beperking van vrijheid, die de regeering aan ieder persoon oplegt, in geen verhouding staat tot de zegeningen, die zij hem verschaft en het parlement beschouwt als een”inrichting tot streeling der ijdelheid en tot bevordering van de persoonlijke belangen der afgevaardigden“. Als men uit zijn mond verneemt dat de wijze, waarop een mandaat moet worden verkregen, van meet af alle edele karakters tegen de borst stuit en dat de slimste en brutaalste regeert, dat terwijl in theorie de beste en verstandigste burgers tot vertegenwoordigers der natie worden gekozen, volgens de praktijk het juist de eerzuchtigsten en ruwsten zijn, die zich het meest op den voorgrond dringen. Ziet als men deze en dergelijke dingen leest bij schrijvers van naam, wier werken door velen worden gelezen, dan zal men moeten toestemmen dat door hen anarchisme gepredikt wordt zonder het woord te gebruiken en dat zij dus het volk bewerken in anarchistisch denken en werken.
Wanneer de te vroeg ontslapen Fransche wijsgeer Guyau zegt,”dat het leven zich slechts kan handhaven op voorwaarde van zich te verspreiden evenals het sap van de plant stijgt, steeds stijgt en noopt tot bloeien of zij wil of niet, soms zelfs al gaat dit gepaard met haar dood“; wanneer hij zoo juist opmerkt dat”wij niet genoeg hebben aan onszelven, dat wij meer tranen hebben dan noodig is voor ons eigen lijden, meer vreugde dan voor ons eigen bestaan gerechtvaardigd is“, dat”men behoefte heeft om anderen te helpen, om met zijn schouder mede te helpen duwen aan den wagen dien de menschheid pijnljk voorsleept, in elk geval er om heendraait," dat wij ons leven, ons eigen leven moeten ontwikkelen in alle richtingen, om het grootst mogelijke genot te smaken en het meest mogelijke geluk te verspreiden – wat doet hij dan anders dan koren aanbrengen op den molen van het anarchisme, dat immers niets anders wil dan den mensch in al zijn volheid te doen ontplooien en dus alle belemmeringen uit den weg te nemen, die dit beletten?

Novicow

Wanneer de Russische schrijver Novicow in zijn Gaspillages des sociétés modernes (Verspillingen in de moderne maatschappijen) ons vertelt dat “de staat tot oorsprong heeft een bende tot plundering. De overweldiger vergenoegde zich eerst met het maken van razzias, daarna vestigde hij zich metterwoon op een grondgebied om er de belastingen ten zijnen voordeele te heffen. Maar de verovering heeft tot doel den rijkdom. Het is dus een onderneming begonnen met het doel van winst. Men tracht zich meester te maken van de macht wegens de voordeelen die zij verschaft. En in de republieken is dit precies hetzelfde als in de monarchiën. Men heeft terecht gezegd dat Frankrijk toebehoort aan 50.000 politiekers. Zij bekleeden ook den eersten rang in de Vereenigde Staten, waar deze loopbaan een der meest winstgevende is. De geheele organisatie der moderne staten is gemaakt met het doel om voordeelen te bezorgen aan enkele tienduizendtallen personen. Vandaar de overdreven centralisatie, de waarneming van alle sociale betrekkingen, de eenheid van kerk en staat, de konfiskatie van het openbaar onderwijs ten bate der regeering, ten einde den geest der toekomende geslachten te fatsoeneeren in een richting konform aan het belang der regeerders. Vandaar, gelijk Tolstoï zegt, een stelselmatig hypnotiseeren van de volksmassa door middel van een samenstel van ceremonieele en andere instellingen.” Maar dat geheele boek is één doorloopende aanklacht van de hedendaagsche maatschappij op een wijze, die moeilijk overtroffen kan worden door den heftigsten anarchist.
Op wetenschappelijk gebied is de oogst groot, als men op deze wijze wilde voortgaan bijeen te garen, want de wetenschappelijke mensch, die zich vrij beweegt zonder zich in te rijgen in het keurslijf van kerkelijke, staatkundige of maatschappelijke vooroordeelen, hij wil het zelfonderzoek, het zelfdenken bevorderen en dus afkeerig van alle voorschriften, gemaakt om anderen aan den leiband te doen loopen, zal hij boven alles werken in vrije richting. Maar juist daardoor levert hij bouwstoffen aan den anarchist, die ook niets anders verlangt dan dat elk mensch in vrijheid kan opgroeien, zijn eigenaardigen aanleg kan vervullen en zijn eigen leven zal kunnen leiden. Wilhelm von Humboldt in zijn merkwaardig geschrift: Ideen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamheit des Staats zu bestimmen, en ook Pestalozzi, de bekende baanbreker op pedagogisch gebied, waren evenzoo besmet met socialistische ideën in vrijheid-lievende richting als Fröbel.

Friedrich Nietzsche

Men moge het betreuren of niet, maar een feit is het dat Friedrich Nietzsche, de ongelukkige wijsgeer, die zijn leven in krankzinnigheid eindigde, veel invloed uitoefende, vooral op het jonge geslacht. Bij velen zijn Nietzsche’s werken het evangelie, waarbij men zweert. Gold hij eerst als de bij uitstek aristokratische wijsgeer, die met zijn “Uebermensch” de heerschappij der genieën of heroën op de wijze van Carlyle proklameerde, later ontdekte men een anarchistischen ader in zijn werken en zag men zelfs in Nietzsche den voortzetter van het werk van Max Stirner. Vooral zijn gloeiende haat tegen den staat en zijn hooghouden van het Individu boven alles, voerde hem tot het anarchisme, maar zijn voorname natuur had een afkeer van het “kanailje” en hij zag niet de anarchie (regeeringloosheid) aan het eind van de ontwikkeling, integendeel de archie (heerschappij) van de sterken en machtigen, hetzij in den vorm van een aristokratie, een soort van kaste van hoogere menschen, hetzij als tyrannie, als geweldheerschappij van een Napoleon I of dergelijken “Uebermensch”. Het ideaal van het socialisme noemt hij “Pöbel-Mischmasch (gepeupel-mengelmoes) en met spot overlaadt hij alle”gelijkmaking“. Maar evenzeer afkeerig is hij van den staat, zoodat hij schrijft:”Dort, wo der Staat aufhört, – so seht mir doch hin, meine Brüder! Seht ihr ihn nicht, den Regenbogen und die Brücke des Uebermenschen"? (waar de staat ophoudt – ziet daarheen, mijn broeders! Ziet gij hem niet, den regenboog en de brug van den Uebermensch?). Door sommigen beschouwd als een gek, wiens werken slechts gekken kunnen aantrekken, is hij in de oogen van anderen de grootste, de laatste der wijsgeeren. Wij meenen dat het tegenwoordige geslacht nog te dicht bij hem staat, om hem de plaats te geven, waarop hij aanspraak heeft, maar begrijpen tevens den invloed, die van hem uitgaat en die behalve in den eigenaardig-schoonen vorm ook gezocht moet worden in het oorspronkelijke zijner opvattingen en zijn verheerlijking van het Individu, die vooral aantrekkelijk is voor sterke individuen. Soms doet hij ons aan Multatuli denken, vooral in het aristokratische zijner neigingen, maar hij miste dat medegevoel, dat medelijden met de onterfden der maatschappij.

Moritz von Egidy

Een eigenaardige figuur was ook de gewezen Pruisische infanterie-officier, later Saksische kavallerie-officier Moritz von Egidy, die een zelfstandige plaats innam en bovenal den nadruk legde op het “ethische” element. Vrijheidlievend als hij was, voelde hij zich getrokken tot de anarchie, maar het gewelddadige karakter, dat daaraan kleefde, stuitte hem tegen de borst en tegenover de zoogenaamde “bloed”-anarchisten noemde hij zichzelven een “Edel-Anarchist.” Zijn leer was doortrokken van zeker mystiek christendom, zoodat hij een christen-anarchist kan worden genoemd. “Als wij van het woord anarchisme alles, maar ook werkelijk alles, afschrappen wat misdadig is of ook maar het onzuivere, wat zich daaraan verbindt in onze gedachten; schrappen wij evenzeer ook van het woord christendom alles, maar ook werkelijk alles, wat tegen de rede indruischt of zich onnoodig daaraan verbindt in onze gedachten – dan krijgt elk van beide begrippen een gestalte, die zoodanig op de andere gelijkt, dat zij in elkander overgaan.”
Wat hem hindert in het anarchisme, wat hem toeleek de grootste fout in het anarchisme te zijn, is zijn naam. “Waarom”zonder heerschappij“, waarom niet liever”zelfzucht“,”zelfbeheersching“? Tucht en heerschappij zijn waarde-grootheden zonder welke wij ons menschelijk bestaan niet kunnen voorstellen. Het komt alleen hierop neer, wie de heerschappij over ons uitoefent en wie de tuchtroede over ons zwaait: hetzij anderen hetzij wij zelven.” Als men nagaat hoeveel vooroordeelen een man als hij heeft moeten overwinnen en hoe kort hij in zelfstandigheid zich heeft kunnen bewegen, daar de dood hem verraste (1900), dan zal men begrijpen dat van hem veel verwacht kon worden, wat nu niet in vervulling kon komen. Toch was het reeds een daad voor iemand van zijn stand en afkomst, om sympathiek te staan tegenover de anarchistische beweging.

Emerson

Emerson in Amerika leverde een krachtig pleidooi voor het Individualisme in zijn verhandeling Self-reliance (zelfvertrouwen), waarin hij aanspoorde tot het zichzelf-zijn, zelfvertrouwen. “Slechts wanneer iemand allen steun van buiten van zich afschudt en alleen staat, zie ik dat hij sterk is en overwinnen zal.” Het is alsof men Ibsen hoort spreken. “Wij moeten alleen gaan. Isolatie moet de ware maatschappij voorafgaan. Vertrouw op uzelf en laat u niet storen door het publiek, dat toch maar middelmatig is, en wanneer gij niet begrepen wordt in ’t eerst, later, als de gezichtseinder van het publiek opgeklaard is, dat het u begrijpt, zal het u navolgen en naspreken…. Iemand die op zijn eigen voeten staat, is sterker dan iemand die op zijn hoofd staat. Niemand, behalve gijzelf, kan u vrede brengen. Niets kan u vrede brengen behalve de triomf van beginselen.”<ref>Hij begint zijn verhandeling met deze schoone dichterlijke regelen: Man is his own star; and the soul that can / Render an honest and a perfect man, / Commands all light, all influence, all fate; / Nothing to him falls early or too late. (De mensch is zijn eigen gesternte en de ziel die een eerlijk en volmaakt mensch kan geven, beveelt over alle licht, allen invloed, over het geheele lot; niets valt hem vroeg of te laat toe).</ref> Evenzoo Clemenceau in Frankrijk, die onlangs zijn standpunt omschreef op een wijze, die hem een plaats verzekert onder de anarchisten:
“Is er een meester noodig? De menschheid heeft met allen een proef genomen: met den wettigen meester bij de gratie Gods, met den Cesar, naar wiens opvatting het vaderland één groot kerkhof moet zijn, en toen ook met den anoniemen, onverantwoordelijken meester: het volk, dat niet weten wil en dat niet weten kan.
Allen zijn zij slechte en onrechtvaardige meesters geweest en het schijnt dat de leuze moet zijn: Heelemaal geen meester!
Dat de mensch zich-zelf zij, vrij, goed of slecht, groot of klein, vrekkig of verkwistend, met zijn goede of zijn slechte eigenschappen, maar dat hij zich zelf zij!
Laat geen verdrukker hem zijn slechtheid, zijn laagheid, zijn baatzucht opdringen….
Wij maken hier een revolutie, de grootste en de schoonste: de vreedzame revolutie door de gedachte.
Revoluties met kruit en lood maakten wij reeds genoeg: zij hebben ons slechts in plaats van den eenen meester een anderen gegeven. Onze revolutie zij een revolutie naar de Vrijheid!”<ref>Door zich tot senator te laten kiezen, heeft hij dit standpunt weer opgegeven, tenzij hij misschien een parlementair anarchist is evenals de Italiaan Merlino.</ref> (Rede aan een eeremaaltijd voor Urbain Gohier).

Verder Fouillée, Urbain Gohier, de Pressensé en anderen in Frankrijk, Gumplowiez in Oostenrijk, zij sturen allen aan in anarchistische richting, al voelen zij veelal aristokratische neigingen, omdat zij zich verheven wanen boven den grooten hoop der stervelingen –en geboren of opgevoed onder een gelukkig gesternte zijn zij dat ook inderdaad– ja al zijn zij voorstanders van een sociaal-aristokratie in tegenstelling van sociaaldemokratie.

Eduard Douwes Dekker

Maar een afzonderlijke plaats in deze rij van mannen willen wij toekennen aan den door zijn vaderland zoo ondankbaar behandelden en veelal miskenden Nederlandschen denker, Eduard Douwes Dekker (1818-87), meer bekend onder zijn aangenomen naam Multatuli (ik heb veel geleden). Begonnen met de mishandelingen te beschrijven, waaraan de Javaan blootstond, in zijn boeiend geschreven Max Havelaar of de Koffieveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappij, welk boek “een rilling deed gaan door het land”, helaas! van te korten duur, toonde hij even goed met scherpen blik te zien wat er ontbrak aan onze maatschappij. Zijn betoog: Er ontbreekt veel aan het welzijn des volks, gesplitst in drieën, nl. een beschrijving van den zedelijken, verstandelijken en materieelen toestand des lands, is één doorloopende, welsprekende filippika tegen de geheele maatschappij en staat daar als een monument van zijn edel hart zoowel als van zijn scherp oordeel. Hij was het, die de slavernij der zwarten een gruwel noemde, maar betrekkelijkerwijze te verkiezen boven de slavernij van den blanken slaaf. De eerste was openlijk, oprecht, frank, de slaaf werd beschermd door de wet, de tweede is ook slavernij, ook een gruwel, maar bovendien nog verzwaard met huichelarij en valschheid. Bitter maar waar zegt hij: “de invoering eener gereglementeerde slavernij, met verplichting aan den kant des meesters om z’n eigendom behoorlijk te onderhouden, zou voor menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen – als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor ’n blanke en daarom is ’t onmogelijk. Dáárom en niet omdat onze zeden zouden verheven zijn boven de begrippen, die de slavernij dulden. Integendeel ze staan daar beneden en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid van ’t patronaat, met ’n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht. Want de werkman in onze maatschappij is slaaf. Z’n maag levert hem gebonden over aan ieder, die hem ’n maal aardappelen met azijn betaalt. Hij is slaaf, minus ’t recht op onderstand, minus registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus rente en risico. Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, of ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig… welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf die werken kan en betaalt hem als z’n voorganger, met ’n maal aardappelen daags.”
Wie zoo schrijft, peilt de diepte der wond, waaraan de maatschappij lijdende is. Het parlementarisme is door niemand zoo afdoend ten toon gesteld in zijn geheele naaktheid als door hem<ref>Men vergelijke zijn Duizend-en-eenige Hoofdstukken over specialiteiten en wel MVIII.</ref> en als hij dan zegt, dat “juist de voorstanders van den parlementairen regeeringsvorm, zij die ’n afschuw voorwenden van alleenheersching, een allerzotst individualisme voorstaan bij ’t aanprijzen van specialiteiten,” als bij schrijft dat op de politieke markt de waar, die men verkoopt, nooit de tentoongestelde of geannonceerde is, want dat men daar “spreekt over eerlijkheid en bedoelt winst; over begrippen, meeningen, inzichten, overtuiging en bedoelt belang; over rechtskwestiën en bedoelt onrecht; over staathuishoudkunde en bedoelt diefstal; over vrijheid en bedoelt dwingelandij; over menschenrecht en bedoelt moord”, dan treft hij het kwaad zoo in den hartader, dat men er versteld over staat. Tuchteloos als hij is, behoorde hij tot geen enkele partij en ofschoon somwijlen aristokratisch in zijn neigingen –aristokratisch in den zin van het beste, het hoogste– toch staat hij steeds aan de zijde der verdrukten en mishandelden. Voor hem is de hoofdzaak: de roeping van den mensch is mensch te zijn. Het meerderheidsbeginsel, het vertegenwoordigend stelsel, het gezag, hoe wordt het alles door hem op de ontleedtafel der kritiek gelegd en – dan blijft er weinig van over.
Welk een indruk moet niet zijn Vorstenschool maken wegens de denkbeelden, daarin uiteen gezet! Zijn onovertroffen Sprookjes van het Gezag zijn een gulden boekje, een vademecum voor alle anarchisten, die doen zeggen: wie zoo schrijft, is in zijn ziel anarchist. Het is moeilijk een man als Multatuli te klassificeeren, want hij was een “wilde” in de rechte beteekenis van het woord. Misschien werd hij het nooit beter dan in deze weinige regelen van een kritikus: “wat Multatuli was? Een politikus? Een agitator? Een onderzoeker? Een vrijdenker? Een dichter? Alles is niet toepasselijk op hem, nu eens zegt het te veel en dan weer te weinig, ik weet geen betere benaming dan deze: hij was een ketter in alles en overal. Een ketter tegenover den lieven Heer, tegenover den staat, tegenover de moraal en de zeden, tegenover de wetten der aesthetica zoowel als van het fatsoen, tegenover de dogma’s der vooruitstrevenden zoowel als tegenover die der theologen. Wil men hem in een rubriek plaatsen en vergelijken, dan moet men een mengelmoes maken: een vermenging van Lessing, Fichte, Heine, Lassalle en Rabelais en dan heeft men nog geen begrip van het specifiek-oorspronkelijke en indrukmakende van zijn geest en van zijn elementaire heftigheid.”
Multatuli was een afbreker, een terreinzuiveraar, een baanbreker en zonder de eigenlijk gezegde moderne arbeidersbeweging te kennen, te begrijpen, te waardeeren, heeft hij toch ontzagljk veel gedaan om de geesten los te maken van vooroordeelen op godsdienstig, zedelijk, staatkundig en maatschappelijk gebied, heeft hij zooveel geesten verlost uit de boeien van opvoeding en gezag en vatbaar gemaakt voor nieuwe indrukken. Nooit drong iemand sterker aan op zelfdenken, zelf-willen, zichzelf zijn, dan hij. Door die eigenschappen heeft hij het smerige werk van vuil opruimen volbracht, dat noodzakelijk was, om nieuwe fundamenten te kunnen leggen voor een schooner en solieder gebouw in de plaats van die, waarop onze verrotte samenleving staat, elk oogenblik dreigende met ineenstorting.

Naast en veelal met hem werkte de “niet-eervol” ontslagen ingenieur S.E.W. Roorda van Eysinga, wiens pen als in gal gedoopt was en die ook werkte in de richting van het anarchisme, waarin hij was binnengeleid door zijn vriend Elysée Reclus, toen beiden nog woonden te Clarens, aan het meer Leman.
Ook in de kunst, in de letteren, overal openbaart zich een vrije, individueele anarchistische strooming. Het heerlijke boekje van Richard Wagner, de Kunst en de Revolutie in 1849 geschreven en nog frisch als verscheen het heden, toont hoe het “werkelijk wezen der kunst is de industrie, haar zedelijk doel winst maken, haar aesthetisch voorwendsel verstrooiïng voor menschen die zich vervelen”, hoe de “zeer heilige en hoog adelijke god Vijf Procent, het hoofd en de regelaar is van de feesten onder hedendaagsche kunst,” hoe de moderne kunst is de “onderdanige dienaar van Merkurius”, maar tevens hoe het streven moet zijn den schoonen en sterken vrijen mensch te vormen. En in plaats dat de revolutie der menschheid, die sints duizenden jaren duurt, den slaaf heeft vrij gemaakt, is de vrije mensch tot slaaf geworden. Is het doel der kunst: de schoone en sterke mensch, het middel om daartoe te geraken is de revolutie, die den mensch kracht, kunst en schoonheid geeft. Als de mensch weet dat hij zelf het doel is van zijn bestaan en dus een zelfdoel, zal hij door de ware vrijheid kunnen komen tot een gelijke kracht, door de kracht tot de ware liefde, door de ware liefde tot de schoonheid. Welnu de werkzaamheid der schoonheid is de kunst. Als het verkrijgen van het levensonderhoud voor den vrijen mensch niet meer het doel is des levens, als de industrie niet meer onze meesteres, maar onze dienares is, zullen wij het doel des levens stellen in de vreugd om te leven en door de opvoeding zullen wij onzen kinderen de geschiktheid en kracht geven, waardoor zij die vreugd op de bestmogelijke wijze zullen smaken. De kunst is de hoogste aktiviteit van den zinnelijk schoon ontwikkelden mensch, die in harmonie is met zichzelven en met de natuur. Eerst als de mensch vrij is, zichzelf, eerst dan kan de kunst bloeien en groeien.“<ref>Men zegt dat het beeld van den jongen Bakunine hem bij de schepping van zijn Siegried, Wagner voor den geest heeft gestaan.</ref> Zoo zien wij dat ook deze kunstenaar de vrijmaking beoogde van de zuivere menschelijke natuur in al haar spontaneïteit en verzeild raakte in den stroom van denkbeelden der meest vooruitstrevende denkers van dezen tijd, welken stroom men volgens de hedendaagsche terminologie het anarchisme noemt.
Kan niet het geheele werken van een der ontegenzeggelijk grootste tooneeldichters van onzen tijd, van Ibsen worden geresumeerd in deze woorden: de opstand van het individu tegen de maatschappij? Verkondigt hij niet bij monde van dr. Stockmann in den Vijand des Volks de stelling, dat”de sterkste is hij die alleen staat“? En noemt hij niet den zondvloed”de eenige revolutie, niet gemaakt door een knoeier die halverwege blijft staan"? En wordt niet de letterkunde over ’t algemeen beheerscht door dien geest? Een Zola in zijn Parijs, zijn Werk, een Octave Mirbeau in zijn Mauvais bergers, een Henri Leyret, een Lucien Descaves, een Whalt Witman in Amerika, een Dickens, Oscar Wilde in Engeland, om niet van Shelley, John Ruskin en anderen te spreken, en slechts enkelen te noemen uit de veelheid, zij bewerken den menschelijken geest in die richting en of het kommunistisch anarchisme in laatster instantie een droom is van filantropen en fanatieke mystieken, die van een mensch een engel en van de aarde een paradijs maken, zooals Yves Guyot zegt, dat zal te bezien staan. In elk geval men ziet hoe naast het streven om de maatschappij, de gemeenschap alles en het individu niets te maken, zich overal openbaart een richting, waarin de hoofdzaak is: ZICHZELF TE ZIJN. Onverschillig hoe de heerscher heet: autokraat, parlement of staat, men ontkent het recht om te heerschen en wil evenmin beheerscht worden. Het individu heeft de samenleving geschapen en niet omgekeerd, het individu bestond vóór de samenleving zoodat men zeggen kan: de samenleving is om den mensch en niet de mensch om de samenleving. Niemand kan ontkennen dat de samenleving winnen zal in kracht, als de individuen zich ontwikkeld hebben tot de hoogste schoonheid en de meeste energie; wel verre van een vervelende gelijkvormigheid te krijgen, zal de verscheidenheid alsdan oneindig veel rijker en schooner zijn dan zij nu is of zijn kan. En waar in wetenschap en kunst een dergelijke strooming is waar te nemen, noem haar individualistisch, anarchistisch of hoe ook, daar kan men niet ontkennen, dat voor de toekomst gewerkt wordt in die richting.

2. De Internationale.

Naarmate de verkeersmiddelen de onderlinge verbindingen der volkeren gemakkelijker maakten, naar die mate ontstond steeds meer de behoefte aan nauwere aaneensluiting op elk gebied. Vandaar dat de 19e eeuw genoemd kan worden de eeuw der internationale verbindingen. Het was een talentvolle Fransche vrouw, eene leerlinge van Saint Simon, met name Flora Tristan die in 1843 het eerst het denkbeeld opperde van een internationale vereeniging van proletariërs uit alle landen. Zij noemde de vereeniging, die zij wenschte, een Union Ouvrière en zei: “ik stel u een algemeene vereeniging voor tusschen arbeiders en arbeidsters, zonder onderscheid van beroep, hetzelfde koninkrijk bewonende, een vereeniging die ten doel heeft de arbeidersklasse te konstitueeren en verschillende inrichtingen op te richten (Palais de l’Union Ouvrière), gelijkelijk verdeeld over geheel Frankrijk. Daar zouden de kinderen van beide geslachten van 6 tot 18 jaar worden opgevoed en men zou er gebrekkige of gewonde arbeiders, alsook ouden van dagen, opnemen.” Op den adelstand volgde de bourgeoisklasse, die reeds talrijker en nuttiger was, maar nu blijft de vereeniging der arbeidersklasse over. Als zij zich vereenigt, zal zij sterk zijn en van de bourgeois kunnen eischen èn het recht op arbeid èn de organisatie van den arbeid. Daar deze Union Ouvrière uitgaat van de algemeene eenheid, moet zij geen onderscheid maken tusschen de verschillende nationaliteiten en ook elk individu, vreemdeling geheeten, kan van de voordeelen der vereeniging profiteeren. Haar vaandel is de witte kleur, het symbool der eenheid en haar devies is: Union ouvrière réclamant le droit au travail et l’organisation du travail<ref>Arbeidersvereeniging, die het recht op arbeid en de organisatie van den arbeid eischt.</ref>.
Wel bestond te Parijs de door Duitsche vluchtelingen gestichte demokratisch-republikeinsche geheime bond der “Geächteten” in 1834 en daaruit ontwikkelde zich in 1836 de nieuwe geheime “Bund der Gerechten”, maar deze vereenigingen droegen een algemeen karakter en beperkten zich niet tot de arbeiders. Weer later ontwikkelde zich uit dezen Duitschen een internationale bond, genaamd “Kommunistischer Arbeiter-Bildungsverein”, op welks lidmaatschapskaarten de woorden stonden: Alle menschen zijn broeders. In 1847 werd het eerste bonds-kongres gehouden, waar besloten werd tot reorganisatie van den bond, zoodat hij het karakter van een geheimen konspiratiebond verloor en waar hij tot naam kreeg “Bund der Kommunisten”. Op het tweede kongres, in datzelfde jaar gehouden, was ook Marx tegenwoordig –Engels was reeds op het eerste geweest– en beiden kregen de opdracht om een manifest samen te stellen. Dit geschiedde en kort vóór de Februari-omwenteling te Parijs verscheen het, om toen echter vrij onopgemerkt voorbij te gaan. Dit is het beroemde Kommunisten-manifest, waarin het oude bondsmotto: Alle menschen zijn broeders, vervangen werd door een nieuw: Proletariërs van alle landen! vereenigt u!
In 1849 vinden wij twee vrouwen Pauline Rolland en Jeanne Deroin aan het hoofd van de Fédération ouvrière de 1849, die echter door Louis Bonaparte werd ontbonden. Toch droomden allen meer van een algemeen revolutionaire dan wel van een uitsluitende arbeiders-Internationale.
Deze laatste zou pas later ontstaan en wel als gevolg van de groote wereldtentoonstelling te London in het jaar 1862. Het was bij die gelegenheid dat eenige industrieelen en enkele dagbladen het denkbeeld opperden om Fransche arbeiders naar de tentoonstelling te zenden. De Opinion nationale schreef: “Het bezoek dat zij zouden maken aan hun Engelsche kameraden zou tusschen hen betrekkingen vestigen, die in alle opzichten voordeelig zouden zijn. Terwijl zij zich rekenschap konden geven van de groote artistieke en industrieele werken der tentoonstelling, zouden zij beter de solidariteit gevoelen, die hen verbond; de oude hefboomen der internationale oneenigheid zouden verdwijnen en de jaloezie zou plaats maken voor de heilzame pogingen van een broederlijken wedijver.” Eigenaardig dat de industrieelen het program der Internationale ontwikkelden, niet wetende hoe dat plan eenmaal ten uitvoer zou worden gebracht in zoo geheel tegenovergestelde richting als zij bedoeld hadden. Napoleon III dacht gunstig over het plan en toen reeds droomende zijn rijk te doen steunen door arbeiders en boeren, liet hij uit elk vak door middel van algemeen kiesrecht mannen kiezen, die als afgevaardigden naar London gingen. Op 5 Augustus organiseerden de Engelsche arbeiders voor “hun broeders uit Frankrijk” in Free Mason’s Tavern een feest en zoo werd de grond gelegd voor de latere Internationale met bekulp van den Franschen tiran Napoleon.

Kort na den terugkeer der afgevaardigden brak de Poolsche opstand uit en het schijnt dat Napoleon daaraan steun wilde verleenen en daarom door de arbeiders druk liet uitoefenen op de openbare meening. Er werden kollekten gehouden in de werkplaatsen, om een deputatie van arbeiders naar London te zenden, ten einde met de Londensche arbeiders een groote sympathie-betooging op touw te zetten. Aan een groote meeting in St. Paul Hall op 22 Juli 1863 namen Fransche arbeiders deel. Later werd door de Engelsche arbeiders een adres van sympathie voor de Polen naar Frankrijk verzonden, waar men een nieuw komité koos, dat naar London zou gaan, om een vereeniging op te richten.
Op 28 September 1864 werd een groote vergadering uitgeschreven van arbeiders van alle naties in St. Martins Hall te London, gepresideerd door prof. Beesly. Onder de deelnemers behoorden o.a. de beroemde Italiaan Mazzini, Karl Marx, Tolain en vele anderen. Mazzini wilde er een sterk gecentraliseerde vereeniging van maken in den geest der Carbonari in Italie, maar hij werd door Marx verslagen, die de plaatselijke autonomie wilde respekteeren en slechts een federalen, vrij lossen band wenschte. Het gevolg was dat Mazzini, die den klassenstrijd niet begreep en zich daarom vijandig daar tegenover plaatste, zich boos terugtrok. Marx werd de ziel van de vereeniging. Het Inaugureel adres werd door hem gesteld evenals de ontwerp-statuten, die later werden aangenomen. De Generale Raad, die te London zetelde werd samengesteld uit drie Engelschen: de president, de penningmeester en de sekretaris, waartoe gekozen werden Odger, Wheeler en Cremer, en als korrespondeerende sekretarissen voor de verschillende landen: le Lubez voor Frankrijk, majoor Wolff (de sekretaris van Mazzini) voor Italie, Karl Marx voor Duitschland, Holthorp voor Polen, Jung voor Zwitserland. Het Manifest begint met de herinnering aan het feit, dat de nood der arbeidersklasse in de jaren van 1848 tot 1864 niet is verminderd, ofschoon deze periode wijst op een weergalooze ontwikkeling van industrie en handel. De bedwelmende vermeerdering van rijkdom en macht komt echter volgens de verklaring van den premier-minister Gladstone uitsluitend ten bate der bezittende klassen<ref>Men heeft beweerd dat Marx hier de woorden van Gladstone vervalscht heeft en in elk geval is het waar dat hij onvolledig heeft aangehaald, zoodat wel geen vervalsching van de woorden, maar toch van den zin plaats had. Immers de schrijver aan wien Marx de woorden van Gladstone ontleende, zei wel: “this intoxicating augmentation of wealth and power is entirely confined to classes of property” (deze bedwelmende vermeerdering van rijkdom en macht komt geheel ten bate der bezittende klasse), maar Gladstone liet erop volgen: “now the augmentation of capital is of indirect benefit to the labourer because etc.” (nu is de vermeerdering van kapitaal indirekt voordeelig voor de arbeiders omdat enz.) en deze woorden liet Marx weg. In diezelfde redevoering zei Gladstone o.a. nog: “the average condition of the British labourer, we have the happiness to know, was improved during the last 20 years in a degree which we know to be extraordinary and which we may almost pronounce to be unexampled in the history of any country and of any age” (de gemiddelde toestand van den Britschen arbeider, wij hebben het geluk dit te konstateeren, was gedurende de laatste 20 jaren vermeerderd in een mate die wij buitengewoon mogen heeten en waarvan wij mogen zeggen dat zij zonder voorbeeld is in de geschiedenis van eenig land en van eenige eeuw). Uit het geheele betoog kan men dus duidelijk zien, dat Gladstone zeer zeker niet bedoeld heeft, wat Marx hem in den mond heeft gelegd, nl. dat de vermeerdering uitsluitend ten goede is gekomen aan de bezittende klassen. Zie Brentano, die deze kwestie uitvoerig behandelt en het antwoord van Engels.</ref>. Het wijst op de berichten der fabrieksinspekteurs, waaruit men de ware arbeiderstoestanden in al hun afschuwelijkheden leert kennen en daarnaast op de keerzijde der medailje: de koncentratie van rijkdom, de samenvoeging van grondbezit. De produktiemiddelen komen telkens in minder handen. “Noch de volmaking der machines, noch de toepassing van de wetenschap op industrie en landbouw, noch de verbetering der verkeersmiddelen, noch nieuwe koloniën of landverhuizing, noch de verovering van nieuwe markten, noch de vrijhandel of al deze dingen tezamen genomen, zijn in staat geweest de ellende der nijvere massa op te heffen.” Integendeel de sociale tegenstellingen werden verscherpt. Hongerdood werd bijna een sociale instelling te midden van deze periode van bedwelmenden ekonomischen vooruitgang. Hierbij kreeg men den sneller terugkeer, den meer uitgebreiden omvang en de doodelijker uitwerking der sociale pest, die men handels- en industrieele krisissen noemt. Toch waren twee feiten opmerkelijk:

  1. de wettelijk vastgestelde tienurendag met zijn heilzame gevolgen voor het Engelsche proletariaat, waardoor direkt werd ingegrepen in den grooten strijd tusschen vraag en aanbod. Daarom “was de tienurenwet niet alleen een groot praktisch resultaat, maar ook de zegepraal van een beginsel: voor het eerst moest de ekonomie der bourgeoisie het onderspit delven tegenover de ekonomie der arbeidersklasse”; en
  2. de koöperatieve beweging.

Het werd duidelijk dat geassocieerde arbeid mogelijk was en dat men kon komen tot afschaffing van loonarbeid. Maar de koöperatie moest uitgebreid worden tot nationale evenredigheden en derhalve bevorderd door staatsmiddelen. Dit nu zou alleen mogelijk zijn, als de arbeidende klasse de politieke macht veroverde. En dat kan, daar de arbeiders de macht van het cijfer bezitten. De broederband der arbeiders zal in staat stellen dat doel te bereiken en daarom moeten zij schouder en schouder staan en als strijdkreet aannemen het woord: Proletariërs van alle landen, vereenigt u! In korte woorden wordt hier meesterlijk het standpunt der arbeidersklasse tegenover de middenklasse uiteengezet. Eigenaardig is het echter dat dit laatste gedeelte zoo geheel samenstemt met den eisch van Lassalle: produktieve associatie met staatskrediet, die later door Marx zoo vinnig is bestreden en als utopisch afgewezen. En dan mag niet vergeten dat de leuze van vereenigen op zichzelf wel wat vaag is, als men niet scherp weet waarrondom men zich vereenigt. Laveleye merkt terecht op, dat Michel Chevalier en Stuart Mill best dit manifest konden onderteekenen, maar hij voegt er zeer juist aan toe, dat revolutionaire bewegingen steeds toenemen in geweldig optreden, zoodat de ontwerpers in den regel weldra worden overtroffen. Aan de statuten gaan eenige overwegingen vooraf, die aldus luiden:

Overwegende dat de vrijmaking der arbeiders het werk moest zijn der arbeiders zelven; dat de pogingen der arbeiders om hun vrijmaking te veroveren niet moeten leiden tot de vestiging van nieuwe privilegies, maar om voor allen gelijke rechten en plichten te vestigen en de beheersching van elke klasse te vernietigen:

Overwegende dat de ekonomische onderworpenheid van den arbeider aan de bezitters der arbeidsmiddelen, d.w.z. van de bronnen des levens, de eerste oorzaak is van politieke, zedelijke en stoffelijke slavernij;
Overwegende dat de ekonomische vrijmaking der arbeiders bijgevolg het groote doel is waaraan elke politieke beweging als middel ondergeschikt moet zijn;
Overwegende dat alle pogingen tot nu toe gedaan schipbreuk hebben geleden bij gemis van solidariteit tusschen de arbeiders in de verschillende beroepen van elk land en van broederlijke eensgezindheid tusschen de arbeiders der verschillende landen;
Overwegende dat de vrijmaking van den arbeid geen plaatselijk, geen nationaal maar een sociaal vraagstuk is en alle landen omvat waarin het moderne leven bestaat en hun theoretische en praktische medewerking ter oplossing noodig heeft;
Overwegende dat de beweging, die op nieuw onder de arbeiders der meest industrieele landen van Europa verschijnt, nieuwe hoop doet ontstaan en een plechtige waarschuwing is om niet meer te vervallen in de dwalingen en hen drijft om dadelijk hun nog geïsoleerde pogingen samen te doen;
Om deze overwegingen hebben de ondergeteekenden, leden van den raad gekozen door de vergadering, gehouden in St. Martin’s Hall op 28 September 1864 de noodige maatregelen genomen om te stichten de Internationale Arbeiders-vereeniging. Zij verklaren dat deze internationale vereeniging evenals alle vereenigingen of personen die zich aansluiten, zullen erkennen als grondslag van hun gedrag tegenover hun medemenschen: de waarheid, de zedelijkheid, de gerechtigheid, zonder onderscheid van gelaatskleur, geloof of nationaliteit. Zij beschouwen het als een plicht om voor allen te eischen de rechten van mensch en burger: geen plichten zonder rechten, geen rechten zonder plichten."
Hier moeten wij reeds melding maken van een vervalsching, die heeft plaats gehad en waarvan wij in geen enkele geschiedenis noch van het Socialisme noch van de Internationale melding vinden gemaakt, maar wel in de zakelijke Mémoire présentée par la Fédération Jurassienne de l’Association universelle des Travailleurs à toutes les fédérations de l’Internationale, gedateerd van 15 April 1873. Elkeen, die het verschil van Marx en Bakunine naar waarheid wil beoordeelen, is verplicht ook van dit stuk kennis te nemen. In de derde overweging staan heel onschuldig een paar woorden ingelascht, die in de oorspronkelijke overwegingen niet stonden, nl. de woorden: als middel. In de oorspronkelijke statuten, opgemaakt op het kongres te Genève in 1866, lezen wij: “que l’émancipation économique des travailleurs est le grand but auquel doit être subordonné tout mouvement politique”<ref>Dat de ekonomische vrijmaking der arbeiders het groote doel is waaraan elke politieke beweging moet worden ondergeschikt gemaakt.</ref>. Hoe komen er nu de woorden “comme moyen” bij? In de Engelsche vertaling zijn ze gevoegd door Marx, nl. as a means en uit de Engelsche vertaling zijn ze weer overgenomen in den Franschen tekst en deze is toongevend voor de meeste schrijvers. Is dit per ongeluk gebeurd of met opzet? Het eerste is niet denkbaar en wij staan dus voor een opzettelijke vervalsching van Marx, om den schijn te geven aan de Internationale, dat zij altjd gewild heeft, wat Marx persoonlijk wilde, maar wat niet is aangenomen op het kongres te Genève (1866), nl. dat de politieke aktie het praktische middel was, wat de Internationale aanwendde om de ekonomische vrijmaking te verkrijgen. Deze vervalsching werpt een eigenaardig, minder gunstig licht op Marx, voor wien blijkbaar alle middelen goed waren, als ze maar hielpen om hem zijn doel te doen bereiken.
Ook een tweede vervalsching vindt men in de Engelsche uitgave, nl. de woorden: “den Algemeenen Raad autoriseerende zelf nieuwe leden zich toe te voegen”. In den oorspronkelijken Franschen tekst der Statuten, opgemaakt te Genève, staan die woorden niet. En nu heeft later de Algemeene Raad gedaan, alsof de Engelsche tekst van 1867 de origineele was en de Fransche statuten uit het jaar tevoren een ontrouwe vertaling. Althans men heeft op de konferentie te London in 1871, bestaande uitsluitend uit de vrienden van Marx aangenomen in de 9e resolutie:

“gezien de overwegingen der origineele Statuten, waarin staat: ‘de ekonomische vrijmaking der arbeiders is het groote doel waaraan elke politieke beweging als middel ondergeschikt moet worden’.

Overwegende dat ontrouwe vertalingen der origineele Statuten aanleiding hebben gegeven tot valsche verklaringen, die schadelijk zijn geweest voor de ontwikkeling en aktie van de Internationale Arbeiders-vereeniging”,

Zoo dekreteert men dus dat de valsche statuten de oorspronkelijke zijn, om er zich op te kunnen beroepen, een herhaling van de valsche dekretalia<ref>Zoo heeten de Zendbrieven (Epistolae Decretales) van den bisschop te Rome, die een bestanddeel uitmaakten van het kanonieke recht.</ref> der katholieke kerk, waarop men zich beriep, om de onfeilbaarheid van den paus op het beruchte koncilie van 1870 er door te halen.
Marx heeft door de stichting der Internationale een lang gekoesterden wensch vervuld gekregen, want gelijk Engels ergens meedeelt, had hij de hoop “een arbeidersvereeniging te stichten, die de meest vooruitstrevende landen van Europa en Amerika zou omvatten, en die het internationaal karakter der socialistische beweging zoowel tegenover de arbeiders zelven als tegenover de bourgeoisie en de regeeringen om zoo te zeggen aanschouwelijk moest ten voorbeeld strekken – het proletariaat tot bemoediging en versterking, zijn vijanden tot schrik.”
Men had dus naast de zwarte Internationale der katholieke kerk, en de gouden Internationale der kapitalisten eindelijk ook de roode Internationale der arbeiders gekregen, die heel wat schrik en beroering te weeg bracht in de wereld.
Het eerste kongres zou in 1865 te Brussel plaats hebben, maar de Belgische regeering legde moeilijkheden in den weg, zoodat men zich dat jaar tevreden moest stellen met een konferentie te houden van den Generalen Raad met de weinige leidende komités op het vasteland. In 1866 had het eerste kongres te Genève plaats, waar ongeveer 60 afgevaardigden tezamen waren gekomen, maar Marx zelf was er niet, evenmin als op de latere kongressen, behalve op dat in den Haag in 1872. Dit is een bizonderheid, die zeker niet oneigenaardig mag heeten, daar toch elkeen wist dat hij de spil was waar-rondom de Internationale geheel of grootendeels draaide. De statuten, door Marx ontworpen, werden daar aangenomen. Op dit kongres vormden de Mutuellisten of Proudhonisten de meerderheid, zoodat dan ook het Fransche blad La Liberté te Parijs als slotsom van dit kongres aangaf een uitspraak, die overgenomen werd in het Compte-Rendu van het kongres en aldus luidde: “Het is de formeele loochening van het Kommunisme: de erkenning van het individueele recht als grondslag der toekomstige maatschappij. Het socialisme, de oude utopiën verwerpende, wordt nu bepaald als mutuellisme. Het is eindelijk uit de periode der mystiek gekomen in de wetenschappelijke en positieve methode.” De onderwerpen die behandeld werden, betroffen meer praktische vraagstukken, zooals: de arbeidersvereenigingen, de koöperatieve genootschappen, direkte en indirekte belastingen, het internationaal krediet, de verkorting van den werkdag, de arbeid van vrouwen en kinderen, de staande legers, de godsdienstige denkbeelden, de macht van Rusland en het herstel van Polen, de secours mutuel (onderlinge hulpverschaffng) in internationale associaties.
London bleef voor 1867 de zetel van den Generalen Raad, welks leden allen op één na werden herkozen.
Op het tweede kongres, te Lausanne gehouden in 1867, werd allereerst ter sprake gebracht een voorstel van Perron, dat aanleiding gaf tot heftige diskussies en dat hierin bestond: zal de berooving der politieke vrijheden niet een beletsel zijn voor de sociale vrijmaking der arbeiders en de voornaamste oorzaak van sociale troebelen? Welke zijn de middelen om het herstel der politieke vrijheden te verhaasten? Zou niet het onbeperkte recht van vergaderen en pers een eisch zijn, door alle arbeiders gesteld? Na veel diskussie nam men de volgende motie aan: "overwegende dat de berooving der politieke vrijheden een beletsel is voor de sociale ontwikkeling des volks en voor de vrijmaking van het proletariaat, verklaart het kongres:

  1. dat de sociale vrijmaking der arbeiders onafscheidelijk is van hun politieke;
  2. dat de vestiging der politieke vrijheden een maatregel is van absolute noodzakelijkheid."

Maar wat het kongres vooral belangrijk maakte, zoodat men kon zeggen dat men een schrede voorwaarts ging in socialistische richting, was de diskussie naar aanleiding van een resolutie over de koöperatieve genootschappen, waarin werd gezegd dat het noodzakelijk is dat het proletariaat zich goed overtuige van deze gedachte: dat de sociale vervorming niet zal kunnen plaats hebben op een radikale en afdoende wijze dan door middelen, die werken op het geheel der maatschappij en overeenkomstig de wederkeerigheid en rechtvaardigheid, dat de Belg César de Paepe, zelf Proudhonist zooals hij zeide, een amendement voorstelde om verschillende van de middelen in studie te nemen en daaronder noemde hij de vervorming der cirkulatiebanken tot “banques de crédit gratuit”, het brengen van den grond in kollektief eigendom der maatschappij, het afschaffen der intestaat-erfenissen binnen zekere graden van bloedverwantschap, een belasting op de erfenissen in de zijlijn, enz. enz. Tegen zulk een eisch kwamen de mutuellisten van de oude soort, zooals Tolain en Coullery, ten sterkste op en deze behaalden met 27 tegen 11 stemmen de zegepraal. Maar de Paepe zei direkt, dat hij het volgend jaar de zaak weer ter sprake zou brengen. Ook nam men op dit kongres het besluit afgevaardigden te zenden naar het Congrès de la Paix et de la Liberté, dat te Genève zou vergaderen, daar de “émancipation sociale était inséparable de l’émancipation politique” (de sociale vrijmaking onafscheidelijk was van de politieke). Dáár op dat kongres was ook Michael Bakunine, de man die straks lid zou worden van de Internationale en met wien de strijd zou worden aangebonden door Marx. Men kan gerust aannemen, dat als Marx tegenwoordig was geweest op het kongres, dit voorstel niet zou zijn aangenomen, want het was volgens hem de eerste stap, om zich voor manifestaties op sleeptouw te laten nemen door de liberale bourgeoisie. Zoo manifesteerden de Parijsche arbeiders op het graf van Manin (2 Nov. 1867), zoo protesteerden zij tegen de wederbezetting van Rome. Men haalde zich daardoor den haat van Napoleon III en zijn regeering op den hals. De vervolgingen begonnen en daardoor won de vereeniging aan populariteit. Veroordeelingen volgden wegens het deelnemen aan een niet geoorloofde vereeniging van boven de 20 personen, wier leiding te London zetelde. De Internationale moest zich ontbinden, maar haar leden sloten zich nu persoonlijk aan. Werkstakingen hadden plaats, die zooals die in de bouwvakken te Genève met behulp der Internationale gelukten en zoo ontstond langzamerhand de legende dat de Internationale over schatten had te beschikken.
Geen wonder dat het derde kongres te Brussel in 1868 door een veel grooter aantal afgevaardigden, namelijk 98, werd bezocht. Daar kwam de strijd over het brengen van den grond in kollektief eigendom op nieuw aan de orde en ditmaal werden de Mutuellisten verslagen, al was het met een kleine meerderheid. Men ziet hoe de vereeniging vooruitschoof. Oorspronkelijk bedoeld als één groote algemeene, internationale trade union werkte zij nu aan de opheffing van het loonstelsel, “dezen nieuwe vorm van slavernij.” En dat door alle arbeids-middelen te brengen aan de gemeenschap. Het kollektivisme –zoo noemde men dit stelsel– werd de nieuwe leer van de Internationale Het was de Paepe, die aan Marx deze zegepraal bezorgde. Deze was het ook, die op datzelfde kongres voorstelde een algemeene werkstaking als antwoord der arbeiders op een oorlogsverklaring der vorsten en dit voorstel werd toen met algemeene stemmen aangenomen.
De Internationale wies intusschen steeds in macht en aanzien bij de arbeiders. De groote werkstaking te Creusot in Frankrijk en die te Seraing in Belgie droegen naast de vervolging der vereeniging in Frankrijk veel bij tot haar bloei. Ze werden gevolgd door allerlei andere stakingen.
Het Engelsche blad, de Times, maakte zich ongerust over den verbazenden opgang der Internationale in geheel Europa en schreef: “men moet opklimmen tot den oorsprong van het christendom of tot den inval der barbaren, om een beweging te kunnen vinden gelijk aan die der hedendaagsche arbeiders.”
Volgens Elysée Reclus was de stichting der Internationale na de ontdekking van Amerika en de omvaring van de Kaap de Goede Hoop het belangrijkste feit in de geschiedenis. Hadden Kolumbus, Magelhaen en anderen de materieele eenheid der aarde gekonstateerd, de Internationale leidde haar moreele eenheid in, reeds te voren voorgevoeld door vele wijsgeeren en revolutionairen.
In September 1869 daagde het vierde kongres te Bazel bijgewoond door 80 afgevaardigden, en dit besloot, dat “de maatschappij het recht bezit het privaateigendom af te schaffen en te veranderen in gemeenschappelijk eigendom en verklaarde deze verandering als een noodzakelijkheid.” Op dit kongres was voor het eerst Bakunine aanwezig, die op het Vredes- en Vrijheidskongres te Bern in 1868 het onderspit had gedolven en daarop met zijn aanhangers stichtte de Alliance internationale de la démocratie socialiste. Ofschoon Marx het pleit won, wat de eigendomvraag aangaat, hij leed een nederlaag op het punt van het erfrecht, dat tegen den zin van Marx op de dagorde kwam. Deze noemde de algemeene afschaffing van het erfrecht, door sommigen gewenscht, een “vieillerie Saint-Simonienne” en stelde het rapport van den Generalen Raad, waarin als overgangs-maatregelen voor het erfrecht werden aangegeven:

  1. uitbreiding van de belasting op het erfrecht, en
  2. beperking van het recht van vermaken.

Bakunine vooral wist te bewerken dat het rapport van den Generalen Raad werd verworpen met 37 tegen 19 stemmen en 6 onthoudingen. Voor Marx een vingerwijzing dat het groote gevaar voor zijn invloed in de Internationale lag in den persoon van Bakunine, die zou trachten de vereeniging meer in revolutionair vaarwater te drijven dan Marx wel wilde.
Het jaar 1870 was in de beweging van zeer veel belang. Eerst de Fransch-Duitsche oorlog, die aanleiding gaf aan den Generalen Raad tot de uitvaardiging van een manifest van 23 Juli, waarin de oorlog voor Duitschland werd verklaard tot een verdedigingsoorlog. De Duitsche arbeiders moesten zorg dragen dat de oorlog dat karakter bleef bewaren en niet ontaardde in een oorlog tegen het Fransche volk. Na den val van het keizerrijk bestond bij Marx ongetwijfeld het plan, om socialistische opstanden in bijna alle landen van Europa te verwekken en de kommune te proklameeren niet alleen in Frankrijk maar ook in de groote steden van Europa. Dit plan mislukte door de uitroeping der republiek door de blauwe demokraten en doordat de beweging in Duitschland in de kiem werd verstikt, daar generaal Vogel von Falkenstein de chefs der Duitsche Internationale liet gevangen nemen, zoodat er in de gelederen der arbeiders een ware paniek ontstond. Wij kunnen dit plan afleiden uit de redevoering van Marx, gehouden te ’s Gravenhage bij gelegenheid van het kongres in 1872, waarin hij zei: “de revolutie moet solidair zijn en wij vinden een groot voorbeeld in de kommune te Parijs, die gevallen is, omdat niet gelijktijdig in alle hoofdsteden, te Berlijn, Madrid, enz. een groote revolutionaire beweging is uitgebroken, die in verbinding stond met dezen geweldigen opstand van het proletariaat te Parijs.”
Toen hij de mislukking van een socialen opstand te Parijs alleen zag, was hij niet sympathiek tegenover dezen gezind, ook al nam hij na den ondergang der kommune in zijn meesterlijk manifest den schijn aan van goedgezindheid en al aanvaardde hij rondweg de solidariteit met haar. En dat deed hij, toen hij schreef, dat “het Parijs der arbeiders met zijn Kommune eeuwig verheerlijkt zou worden als de roemvolle bode eener nieuwe maatschappij. Zijn martelaren zijn gegrift in het hart der arbeidersklasse. De geschiedenis heeft zijn vernietiging nu reeds aan den schandpaal genageld en alle gebeden der geestelijken zijn niet in staat haar te verlossen”! Dat is andere taal dan die van Vollmar, den sociaaldemokratischen afgevaardigde in den Duitschen Rijksdag, die op den partijdag te Stuttgart in het jaar 1898 onder toejuiching van de aanwezigen verklaarde dat de Parijsche arbeiders beter hadden gedaan te slapen dan de kommune uit te roepen! Zoo juist zet Marx ook uiteen, dat de arbeidersklasse de gereed zijnde staats-machine niet maar eenvoudig in bezit kan nemen en in beweging brengen voor eigen gebruik.
Het wantrouwen tegen den “Duitschen Jood Marx” was echter door hemzelven gewekt en in de Romaansche landen bleef dit bij zeer velen bestaan. De poging van den Generalen Raad –en de Generale Raad was feitelijk Marx,– om de kommune te leiden van uit London door het geven van allerlei orders, was alleen in staat om hem belachelijk te maken en Tcherkesoff zegt dan ook naar waarheid: “Bismarck en Wilhelm, die voorgaven het kommando te voeren, waren althans op het slagveld. Maar de Generale Raad, door Marx en Engels geleid, bleef liever in veiligheid bij den haard om instrukties te geven. En welke instrukties”!
Na de verplettering der kommune in 1871 was het tijdstip ongunstig, in aanmerking nemende de opgewonden stemming tegen haar in geheel Europa, om een openbaar kongres te houden en men vergenoegde zich dan ook met een konferentie te London van 17 tot 23 September. Algemeen toch meende men dat het de Internationale was, die de kommune in het leven had geroepen en dus alle haat der bourgeoisie tegen de kommune werd in verdubbelde mate overgebracht op de Internationale. En toch staat geschiedkundig vast, dat dit niet het geval is geweest. Integendeel, de kommune werd in den beginne met wantrouwen aangezien door de mannen der Internationale en bij de verkiezingen voor leden der kommune op 26 Maart werden van de ongeveer 90 plaatsen slechts een twaalftal ingenomen door voorstanders en leiders der Internationale en zelfs verklaarde later een orgaan der partij: “de Internationale heeft noch de kommune in het leven geroepen, noch was zij identisch met haar. Maar de medeleden der Internationale waren de ijverigste en trouwste verdedigers der kommune, omdat zij haar beteekenis voor de arbeiders-klasse begrepen hebben” en ook Rudolph Meyer verklaart in zijn Emanzipationskampf des vierten Standes:" ik wil de Internationale niet in bescherming nemen, maar als geschiedschrijver wil ik de waarheid berichten en deze is, dat de opstand der kommune, evenals tot hiertoe elke burgeroorlog in het moderne Frankrijk, door de bourgeoisie is begonnen en geleid; de Internationale heeft alleen voor de eerste maal medegewerkt als de machtigste en meest zelfstandige bondgenoote, daar de arbeiders niet meer slechts kanonvleesch zijn in de handen van eerzuchtige bourgeois, maar zelfstandige doeleinden najagen." De bekende Fransche ekonoom Molinari verklaarde eveneens dat de Internationale als zoodanig geen deel had genomen aan de kommune.
Op 12 November 1871 had te Sonvillier in de Berner Jura een kongres plaats van de Romaansche sekties in Zwitserland en zoo kwam de Fédération jurassienne tot stand, die protesteerde tegen het despotiek gedrag van den Generalen Raad en de resoluties genomen op de te London gehouden konferentie, waar in een “onderonsje” werd bepaald dat “in den tegenwoordigen krijgstoestand der arbeidersklasse haar ekonomische aktie en politieke werkzaamheid onafscheidelijk aan elkander verbonden waren.” Het orgaan der Fédération jurassienne was de Révolution Sociale, die te Genève verscheen maar spoedig gestaakt moest worden bij gebrek aan geld. Voortaan gaf men een veertiendaagsch Bulletin uit, dat eerst geautografeerd verscheen. In België verklaarde een landelijk kongres op 24 December 1871, dat de “Internationale niets anders is of ooit geweest is dan een groepeering van federaties, die geheel autonoom zijn en dat de General Raad niets anders is of ooit geweest is dan een centrum van korrespondentie en inlichtingen.”
In Italië nam men op het kongres te Bologna (12 Maart 1872) aan, om ‚in den Generalen Raad te London en in dien van de Jura niets anders te erkennen dan eenvoudige bureaux van korrespondentie en statistiek" en op het kongres te Rimini op 5 Augustus 1872 nam men een resolutie aan op voorstel van Cafiero en Andrea Costa tegen den Generalen Raad, omdat deze een leer had willen opleggen in strijd met de revolutionaire gevoelens der Italianen.
Op het kongres te Saragossa (4 April 1872) verklaarden de Spanjaarden zich homogeen met de Jura-Federatie. De oppositie tegen den autokratischen Generalen Raad nam bij den dag toe in verschillende landen en Marx, die zijn positie in de Internationale bedreigd zag en vooral het gevaar duchtte van de zijde van Bakunine, moest een beslissenden slag slaan. Daarvoor werd in 1872 een kongres belegd te ’s Gravenhage en zoo gewichtig werd dit geacht, dat Marx voor het eerst van zijn leven een kongres der Internationale kwam bijwonen.
Vooraf echter was genoeg geïntrigeerd om zeker te zijn van de overwinning. Allereerst was de plaats, waar het kongres belegd was, een plaats waar zijn tegenstander Bakunine, die in Zwitserland woonde en ingesloten zat, daar hij in al de omliggende landen was uitgewezen, onmogelijk kon komen. Men schreef later zijn afwezigheid aan lafheid zijnerzijds toe, maar vergat te zeggen dat de Algemeene Raad juist een plaats gekozen had, waar zijn verschijning onmogelijk was. Dan heeft men met de mandaten geknoeid om stemmen te winnen, terwijl men zich ook verzekerd had van den steun der Blanquisten. Van 2 tot 7 Sept. vergaderde het kongres. Met 26 van de 41 tegenwoordige afgevaardigden werd Bakunine en met 25 stemmen Guillaume, die wel tegenwoordig was, plechtstatig gebannen uit de Internationale<ref>De minderheid, die tegenstemde, bestond uit 4 Spanjaarden, 5 Belgen, 2 Jurassiens, 2 Hollanders en 1 Amerikaan.</ref>. De derde persoon Schwitzguebel kwam er genadiger af, hij mocht er in blijven. Verder ontbrak de tijd om het vonnis uit te spreken over drie anderen, te weten: Malon, Bousquet en Louis Marchand, zoodat deze niet wisten welk lot hun eigenlijk beschoren was. Tegenover de federalisten, (de Spanjaarden, Belgen en vertegenwoordigers van de Fédération jurassienne) die den Generalen Raad wilden afschaffen, daar men geen uitvoerend orgaan noodig had en een korrespondentie-bureau voldoende was, werd aangenomen op het kongres om de macht van dien Raad te vergrooten door hem de bevoegdheid te geven sekties en federaties te schorsen, hoewel met beroep op een volgend kongres. Direkt tegen Marx was de aanval gericht van Guillaume, toen deze zeide: “men beweert dat de Internationale de vinding is van een bekwaam man, bekleed met onfeilbaarheid in sociaal en politiek opzicht, tegen wien geen recht van oppositie bestaat. Onze vereeniging zou moeten gehoorzamen aan het despotiek gezag van een Raad, ingesteld om een nieuwe orthodoxie te handhaven. Wij daarentegen meenen dat de Internationale spontaan geboren is uit de hedendaagsche ekonomische omstandigheden en wij willen geen chef, die oordeelt over ketterijen.” Maar Marx zegevierde en de politieke weg werd geheel aangegeven door het voorstel van den Blanquist Vaillant, door de meerderheid aangenomen, dat de verovering der politieke macht de eerste plicht was van het proletariaat. Van deze overwinning, door Marx behaald, kon worden getuigd: nog één zoo’n overwinning en wij zijn voor goed verloren. Dadelijk immers daarna liet Marx aannemen, dat de zetel van den Generalen Raad werd verplaatst naar New-York en men kan gerust zeggen dat het Haagsche kongres den doodsteek gaf aan de Internationale. De Blanquisten, met wier hulp Marx een oogenblik tevoren de overwinning had behaald over de federalisten, waren over die verplaatsing zoo boos, dat zij direkt het kongres verlieten en Ranvier, die als voorzitter fungeerde, zelfs zijn hamer overgaf in handen van een ander. De eigenlijke meening van Marx kunnen wij afleiden uit de vertrouwelijke mededeeling in zijn brief over het program der Duitsche sociaaldemokratische partij: “de Internationale aktie der arbeidersklassen hangt in geen enkel opzicht af van het bestaan der Internationale Arbeidersorganisatie. Die Internationale was slechts de eerste poging, welke door den stoot dien zij gaf een blijvend gevolg zou hebben, doch in haar eersten historischen vorm na den val der Parijzer kommune niet langer was vol te houden.”
In een redevoering, door Marx te Amsterdam gehouden na afloop van het kongres zei hij: “het kongres in den Haag heeft gewichtige dingen volbracht. Het heeft de noodzakelijkheid geproklameerd, dat de arbeidende klassen op politiek zoowel als op sociaal terrein de oude maatschappij bevechten, die ineenzakt en wij wenschen ons zelven geluk, van nu aan in onze statuten deze resolutie der Londensche konferentie te zien opgenomen. Een groep heeft zich onder ons gevormd, die de politieke onthouding der arbeiders eischt. Wij hebben er op gestaan te verklaren, hoe gevaarlijk en noodlottig wij deze beginselen voor onze zaak houden. De arbeider moet eenmaal de politieke suprematie veroveren om de nieuwe organisatie van den arbeid te vestigen, hij moet de oude politiek, die de oude instellingen vasthoudt, omverwerpen, of het zal hem gaan als de eerste christenen, die het versmaad en verzuimd hadden en nu nooit hun rijk van deze wereld zagen. Maar wij hebben geenszins voorgegeven, dat om dit doel te bereiken de middelen identiek moesten zijn. Wij kennen de meening, die men hebben moet tegenover de instellingen, zeden, tradities der verschillende landen en wij loochenen niet, dat er landen zijn, zooals Amerika, Engeland en als ik uw instellingen goed ken, Holland, waar de arbeiders tot hun doel kunnen komen door vreedzame middelen. Als dit waar is, moeten wij erkennen, dat het geweld in de meeste landen van het vasteland de hefboom van onze revolutie moet zijn; op het geweld zal men te zijner tijd een beroep moeten doen, om eindelijk de heerschappij van den arbeid te vestigen.” Hieruit zien wij duidelijk hoe Marx zich verheugde dat eindelijk het denkbeeld van de verovering der politieke macht in de Internationale zegevierde, maar zooals wij zeiden, deze zegepraal was tegelijkertijd de dood der Internationale.
De Jurassiens hielden daarop een kongres te Saint Imier in Zwitserland, waarop zij beslisten zich niet te onderwerpen aan de besluiten van het Haagsche kongres en Bakunine en Guillaume te blijven beschouwen als leden der Internationale.
Tevens noodigde men alle federaties der Internationale uit om een verdrag van solidariteit aan te gaan op deze grondslagen: geen Raad die een leer oplegt, geen Raad die het recht heeft sekties te schorsen, geheele autonomie in leerstellingen, administratieve autonomie, federatieve solidariteit.
Drie maanden later verklaarde het kongres der Spaansche Federatie te Cordova, dat het kongres te ’s Gravenhage “verkeerd in zijn oorsprong, samenstelling, besluiten, geheel en al ging in strijd met den gang dien het proletariaat moest volgen” en nam het verdrag aan van solidariteit, waartoe te Saint Imier was besloten.
De Belgische Federatie verklaarde reeds op het kongres te Brussel (25 December 1872), dat “de besluiten van het kongres te ’s Gravenhage, genomen door een kunstmatig gevormde meerderheid van nul en geener waarde waren en ze niet te erkennen omdat zij”willekeurig, autoritair en strijdig zijn met den geest van autonomie en de federalistische beginselen."
Ook de Amerikaansche Federale Raad, samengesteld uit afgevaardigden van alle Amerikaansche federaties, nam op 16 Januari 1873 de onwettigheid van de samenstelling van het kongres van ’s Gravenhage en van zijn beslissingen aan als strijdig met het grondbeginsel der vereeniging en verklaarde in verbinding te zullen treden met alle federaties en met de meerderheid samen te werken tot de verwerkeijking van een internationaal kongres.
De Generale Raad te New-York vaardigde een manifest uit, om te betoogen dat een centrale macht noodzakelijk was en waarin hij trachtte aan te toonen, dat men met de anarchie als beginsel onmogelijk den strijd kon aanvaarden met de georganiseerde machten der bourgeoisie. Het ging er toen mede als met de koncilies der christelijke kerk. In plaats van één hield men 2 kongressen te Genève in 1873, nl. dat der Marxisten op 8 September en dat der uitgeslotenen op 2 September. Op dat laatste kreeg van den Abeele de opdracht, om naar het Marxistenkongres te gaan en zoo mogelijk aldaar een vereeniging der beide frakties tot stand te brengen. Deze poging tot toenadering stuitte af op den onwil der Marxisten en zoo had men nu twee Internationales.
Dat kongres der autonomisten telde 28 afgevaardigden. De onderscheiding van beide vereenigingen bestond feitelijk tusschen het al of niet aannemen der diktatuur van Marx. Eigenaardig dat men ook weer hier het Germaansche of gezagselement en het Romaansche of vrijheidlievend element kon waarnemen. Eccarius, de oude adjudant van Marx, van wien hij zich had afgescheiden, zei bij de sluiting van dit kongres: “de oude Internationale, gegrondvest op 28 September 1864 in St. Martins Hall, waarvan de opbouw zeven jaar geleden op het kongres te Genève werd voltooid, is dood; de tegenwoordige, zeer veel van haar verschillende, leeft; het initiatief hadden de Londensche politieke vakvereenigingen en de niet-politieke Proudhonisten genomen; deze legden meer gewicht op het unionisme, gene op de verwerkelijking hunner ideën. In Bazel moesten de Proudhonisten het onderspit delven en intusschen was het element der vakvereenigingen begraven in de personaliteiten van den Londenschen raad; te Parijs daarentegen waren de vakvereenigingsmannen machtiger geworden in de plaats der Proudhonisten. Ín 1870 zou een kongres alles weer in het rechte spoor hebben kunnen brengen, maar de oorlog richtte de oude vereeniging te gronde. Doordat aan den Generalen Raad nieuwe leden werden toegevoegd, werd het evenwicht verbroken en reeds 12 maanden vóór het Haagsche kongres was deze verdeeld in twee vijandige kampen. De bevoegdheid om federaties uit te sluiten had men verlangd en verkregen – maar door haar toe te kennen is ten slotte de oude vereeniging te niet gegaan.”
Men besloot tot de opheffing van den Generalen Raad en ofschoon men veelal in dezen strijd een personen-strijd tusschen Marx en Bakunine heeft gezien, zit de zaak feitelijk dieper. In die twee personen botsten twee beginselen op elkaar. Marx bootste in de organisatie van de Internationale de katholieke kerk na met een Generalen Raad, nationale, provinciale, plaatselijke algemeene sekretarissen en tegen die geheele centralistische inrichting verzetten zich vele anderen. Vandaar het verschil, vandaar de woede! Het eene program (dat van Marx) van toekomstige sociale vernieuwing was de gecentraliseerde Volksstaat, het andere de Vrije Federatie van vrije groepen. Tusschen deze twee beginselen liep de strijd en loopt hij nog en het is te verwachten dat noch het een noch het andere zal tot stand komen, maar een tusschending, dat van beiden iets overneemt. Toch zal de vrijheid ten slotte zegevieren, al moet zij ook 40 jaren in de woestijn van het min of meer sterke staatssocialisme ronddwalen.
De Marxisten vergaderden ook te Genève met een 30-tal afgevaardigden. Twee hoofdpunten werden behandeld:

  1. dat de arbeidersklasse deel moest nemen aan den politieken strijd en zoo noodig zich verstaan met de bourgeoisie, ten einde alle hervormingen te verkrijgen, die ten nutte kwamen aan de arbeiders, en
  2. dat de arbeiders zich overal moesten organiseeren in vakvereenigingen, die nationale federaties moesten vormen, die zich vereenigen zouden tot een algemeene vakvereeniging.

Te Brussel vergaderden de autonomisten in 1874, bijna uitsluitend Belgen, zoodat het internationaal karakter verloren ging. Het was aldaar dat César de Paepe zijn belangrijk rapport over de openbare diensten leverde. Het achtste kongres kwam in 1876 te Bern bijeen, maar was evenmin internationaal, daar er voornamelijk afgevaardigden waren van de Fédération jurassienne. Dat een nieuwe fase van ontwikkeling meer en meer zich openbaarde, bleek ten duidelijkste uit het standpunt, dat men innam tegenover de kommune. Hadden de anarchisten tot nu toe de kommunalistische beweging te Parijs beschouwd als geheel in overeenstemming met hun beginsel, nu sprak men duidelijk uit, dat de kommune, ofschoon anarchistisch in haar oorsprong, halverwege bleef staan en dat kon niet anders, omdat toen ter tijd de anarchistische beginselen nog te weinig waren doorgedrongen in de geesten. Kropotkine wees er terecht op, dat de kommune om zoo te zeggen geboren is tusschen twee tijdvakken van ontwikkeling in het modern socialisme. “In 1871 had het autoritair kommunisme, gouvernementeel en min of meer godsdienstig in 1848, geen vat meer op de praktische en libertaire geesten van onzen tijd. Waar tegenwoordig een Parijzenaar te vinden die zich zou laten opsluiten in een Phalanstère of kazerne? Anderzijds bleef het kollektivisme, dat het loonstelsel en het kollektief eigendom wilde spannen voor éénzelfde kar, onbegrijpelijk, weinig aantrekkelijk, vol moeilijkheden in zijn praktische toepassing. En het vrije, het anarchistische kommunisme begon pas op te komen, ternauwernood durfde het de aanvallen trotseeren van de bewonderaars van het gouvernementalisme. De onbeslistheid heerschte in de geesten en de socialisten hadden de stoutmoedigheid niet om zich te werpen op de vernietiging van het privaateigendom, daar zij geen goed omlijnd doel voor oogen hadden. Toen liet men zich in slaap wiegen door deze redeneering, die de inslaapsussers sints eeuwen herhalen: laat ons eerst ons verzekeren van de zegepraal, men zal daarna zien wat men zal kunnen doen…” De kommune ging niet over tot de onteigening der kapitalen noch tot de organisatie van den arbeid… Zij brak ook niet met de traditie van den staat, van het vertegenwoordigend stelsel en zij trachtte niet in de kommune die organisatie van het eenvoudige tot het samengestelde toe te passen, die zij invoerde door de onafhankelijkheid en de vrije federatie der kommunes te proklameeren… Het Parijsche volk liet zich bepalen bij het gouvernementeel fetischisme… Het zond zijn kinderen naar het stadhuis om het daar immobiel maken te midden van de paperassen; gedurende de inspiratie die ontstaat uit de voortdurende aanraking met de massa, zagen zij zich tot onmacht gedoemd. Verlamd verlamden zij op hun beurt het volksinitiatief<ref>Kropotkine, Paroles d’un Révolté en men vergelijke ook vooral diens studie over de revolutie.</ref>. Men besloot op dit kongres om tegen het volgende jaar (1877) een algemeen socialistisch kongres te Gent bijeen te roepen. Dit kwam werkelijk bijeen, maar het verschil tusschen autoritairen en libertairen accentueerde zich steeds scherper, de anarchisten bleven telkens in de minderheid –er waren er negen, onder wie Kropotkine, die onder den naam van Levashoff optrad– en men verklaarde dat de beginselen te veel uiteenliepen om gemeenschappelijk te kunnen samenwerken. Ook had in dat jaar een kongres plaats te Verviers. De tweede Internationale ging dus te gronde evenals de eerste. Marx had zich heelemaal teruggetrokken en verdiepte zich van dien tijd af in zijn ekonomische studiën, waarvan het groote werk Das Kapital de vrucht was.
Het kongres te Freiburg in 1878 had alleen eenig belang door een memorie van Kropotkine en Elysée Reclus, waaruit men zien kon hoe meer en meer klaarheid en bepaaldheid in de geesten kwam. Zij verklaren zich revolutionair, omdat de vooruitgang nooit plaats heeft door een vreedzame evolutie, maar door een plotselinge revolutie. Gaat de voorbereiding van denkbeelden langzaam, de verwerkelijking ervan heeft snel plaats. Zij verklaren zich tevens internationale kollektivisten, omdat het leven zonder sociale groepeering onmogelijk is. Zij willen bij het volk èn door de theoretische propaganda en vooral door opstanden den geest, het gevoel, het initiatief van het volk doen ontwaken, op tweeërlei wijze, nl. door de gewelddadige onteigening van het eigendom en door de desorganisatie van den staat. Daarom wenschen zij dat het kongres zich zal uitspreken:

  1. voor de kollektieve onteigening van den socialen rijkdom;
  2. voor de afschaffing van den staat in al zijn vormen, zelfs als centraal agentschap der openbare diensten.

Wat de middelen betreft, zij staan voor:

  1. de theoretische propaganda;
  2. de aktie van revolutionaire volksopstanden, terwijl zij tegen het algemeen kiesrecht zijn, daar het stemmen niet beschouwd kan worden als een rechtsbeginsel in staat om de zoogenaamde volkssoevereiniteit te verwezenlijken.

Maar het zaad, door de Internationale uitgestrooid, was niet verloren gegaan, was niet op onvruchtbaren akker gevallen, neen het had vrucht gedragen. In de verschillende landen ging men ijverig zich organiseeren en toen deze organisatie een zeker punt had bereikt, toen ontstond opnieuw de behoefte aan internationale verbinding<ref>Men vergelijke vooral de Gedenkschriften van een Revolutionair door Kropotkine en de beschrijving die hij daar geeft van de Juro-federatie.</ref>.
Op het einde van 1880 richtte de Landelijke Raad der socialistische partij in België een uitnoodiging aan de socialisten der geheele wereld om een kongres te houden in Zwitserland, ten einde een nauwere aaneensluiting te verkrijgen. Oorspronkelijk te Zürich belegd werd het aldaar verboden, maar het kwam toch bijeen en wel te Bern in Oktober 1881. Men besloot aldaar geen algemeen program op te stellen, maar de tijd scheen nog niet rijp voor het herstel der Internationale, althans deze poging bleef op zichzelve staan. Eerst in 1888 werd onder leiding van het Parlementair komité der Trades Unions in Engeland een kongres van afgevaardigden der vakvereenigingen gehouden te London, waar 6 naties vertegenwoordigd waren, te weten: Engeland, Frankrijk, België, Denemarken, Italië en Holland. Tengevolge van de exceptioneele verhoudingen in Duitschland en Oostenrijk, die internationale verbindingen als misdaad straffen, waren deze beide landen niet op het kongres vertegenwoordigd.
Met vijf natiën tegen een (Engeland) besloot men een nieuwe Internationale tot stand te brengen op een grondslag ruim genoeg om het geheele proletariaat te omvatten. Men nam aan:

  1. alle arbeiders uit te noodigen zich te vereenigen in vakvereenigingen en verschillende groepen;
  2. alle vakvereenigingen en korporatieve groepen uit te noodigen om met of zonder steun der gemeenten Arbeidsbeurzen op te richten, die zich onderling zullen vereenigen in alle vraagstukken van vakbelang en statistiek;
  3. de georganiseerde arbeiders zullen zich vormen tot klasse-partij tegenover alle andere politieke partijen op politieken en ekonomischen grondslag ter vrijmaking der arbeidende klasse;
  4. elke partij en elk der natiën zal een nationaal komité vormen en deze nationale komité’s zullen voortdurend in onderlinge verbinding staan om tusschen de arbeiders van alle landen overeenstemming tot stand te brengen omtrent alle kwesties, die hun belangen betreffen;
  5. een internationaal kongres zal elk jaar plaats hebben in een der landen, die tot deze organisatie behooren;
  6. op het aanstaand internationaal kongres zullen de bizonderheden geregeld worden van de internationale organisatie, die de nationale komité’s der verschillende landen verbindt.

Dit aanstaand internationaal kongres zou gehouden worden te Parijs in 1889, terwijl de uitnoodigingen en de regeling opgedragen werden aan de Fédération des travailleurs socialistes de France, dit waren de Possibilisten van Paul Brousse. Hiermede namen de Guesdisten en Blanquisten geen genoegen en zoo geschiedde het dat twee uitnoodigingen gericht werden tot het houden van één kongres. Ondanks de pogingen om eenheid te verkrijgen, gedaan voornamelijk door België en Holland, stuitte alles af op den onwil der Guesdisten en zoo geschiedde het dat in het gedenkjaar der Fransche revolutie te Parijs twee internationale socialistische kongressen tezamen kwamen, dat der Possibilisten, het talrijkste, waar o.a. naast de Franschen Joffrin en Lavy (nu de rechterhand van minister Millerand) aanwezig waren de Engelschen Hyndman, Annie Besant, John Burns, Herbert Burrows en Fenwick, de Italianen Cipriani en Costa, de Belgen César de Paepe en Jean Volders, en dat hetwelk was samengeroepen door verschillende personen uit de internationale beweging, waar o.a. tegenwoordig waren Liebknecht, Bebel en Vollmar uit Duitschland, Guesde, Lafargue en Vaillant uit Frankrijk, Morris, Cunningham Graham en Eleanor Marx-Aveling met haar man uit Engeland, Anseele uit België, Domela Nieuwenhuis uit Nederland. Uit de behandelde punten, die zich voor namelijk uitstrekten tot het gebied der internationale arbeidsbeweging, ziet men dat er geen fundamenteel verschil bestond, maar de verschillen tusschen de Fransche socialisten aanleiding hadden gegeven, dat er twee kongressen plaats vonden. Het anarchistische element liet zich hooren bij monde van den Franschman Montant en den Italiaan Merlino, terwijl Domela Nieuwenhuis het nut van het parlementarisme in twijfel trok en herinnerde hoe de samenstelling van het woord “parlement” (parler et mentir, praten en liegen), zeer juist de zaak weergaf, wat een protest uitlokte van de zijde van Liebknecht<ref>Van dien tijd dateert de wrok van Liebknecht tegen Domela Nieuwenhuis. De kritiek toch van Recht voor Allen beviel vooral den Duitschers niet en toch erkende het Engelsche blad Commonweal van 17 Aug. 1889, dat “het verslag over het Parijsche kongres, openbaar gemaakt door Recht voor Allen van 4 Aug., het zuiverste rapport was dat wij in eenig sociaaldemokratisch orgaan aantroffen en dat de vele misgrepen, die begaan werden, aan de kaak stelde”. Ook het Belgische blad Le Peuple erkende dat “de kleingeestigheid en bekrompenheid van enkele personen de samensmelting der werklieden-organisaties hebben doen mislukken.” Dit is nooit vergeven aan D.N. en inde ira (vandaar de toorn) der Duitsche leiders tegen onzen persoon.</ref>.
In 1891 werd het tweede kongres gehouden en wel te Brussel. Onder de Fransche vertegenwoordigers scheen een soort van wapenstilstand te zijn gesloten, althans men bemerkte te Brussel weinig van de twisten onder de partijen in Frankrijk. De anarchisten als zoodanig werden uitgesloten, maar daar zij toegelaten werden, voor zooverre zij afgevaardigden waren van vakvereenigingen, was het anarchistische element toch aanwezig. Op dit kongres was de hoofdschotel de houding der socialisten tegenover het militarisme. Tegenover de Platonische verklaring dat de Internationale Socialistische partij de eenige ware vredespartij is en de verantwoordelijkheid van den oorlog voor de geschiedenis en de menschheid wierp op de heerschende klasse, een verklaring door Liebknecht en Vaillant ontworpen, stelde Domela Nieuwenhuis voor, dat het kongres zou besluiten, dat de socialisten van alle landen een oorlogsverklaring zouden beantwoorden met een beroep op het volk tot dienstweigering en een algemeene werkstaking. Dit gaf aanleiding tot vinnige debatten, terwijl bij den uitslag der stemming bleek dat Engeland en Frankrijk alleen met Holland stemden en de meerderheid tevreden was met die algemeene verklaring.
Het derde kongres werd gehouden te Zürich. Meende men de anarchisten geweerd te hebben door te zeggen, dat “toegelaten werden tot het kongres alle arbeiders-vakvereenigingen, voorts de socialistische partijen en vereenigingen, die de noodzakelijkheid der arbeiders-organisatie en der politieke aktie erkenden”, dit bleek het geval niet te zijn. De anarchisten waren niet tegen de politieke aktie, maar verstonden daaronder niet de parlementaire aktie, die eigenlijk onder dat woord was bedoeld. Toch sloot men hen uit, voornamelijk op aandrang van de Duitsche officieele partij, die bij toelating der Jongen uit Berlijn het kongres zou hebben verlaten. Een tegenkongres werd des avonds door de uitgeslotenen belegd, waar echter ook verschillende afgevaardigden van het andere kongres tegenwoordig waren, die ijverig deelnamen aan de diskussies. Opnieuw gaf de kwestie van het militarisme, door Holland op de dagorde gebracht, aanleiding tot heftige diskussies. Ten opzichte van de politieke taktiek bepaalde men, dat de politieke aktie slechts een middel was ter verkrijging van de ekonomische vrijmaking der arbeiders en daarom verklaarde het kongres:

  1. dat de nationale en internationale organisatie der arbeiders in vakvereenigingen en andere organisaties noodzakelijk was;
  2. dat de politieke aktie noodig is, zoowel voor het doel der agitatie en de onbewimpelde verkondiging der beginselen van het socialisme, alsook voor het oogmerk ter verkrijging der dringend noodige hervormingen. Daarom beveelt het kongres den arbeiders van alle landen de verovering en uitoefening der politieke rechten aan, die zich als noodzakelijk voordoen om de eischen der arbeiders in alle wetgevende en administratieve lichamen op de nadrukkelijkste en werkzaamste wijze te doen gelden, voorts zich meester te maken van de politieke machts-middelen, om deze, die nu middelen der heerschappij van het kapitaal zijn, om te zetten in werktuigen ter bevrijding van het proletariaat;
  3. dat de keus der vormen en wijzen van den ekonomischen en politieken strijd moet overgelaten worden aan de nationaliteiten zelven naar gelang van omstandigheden, maar het kongres verklaart het noodzakelijk: dat het revolutionaire doel der socialistische beweging op den voorgrond blijft staan en in geen geval de politieke aktie als voorwendsel mag dienen voor kompromissen en allianties, die een benadeeling van onze beginselen of van onze zelfstandigheid zouden veroorzaken.

Men verklaarde zich voor het proportioneele kiesrecht, het recht van initiatief en referendum van het volk<ref>En dat niettegenstaande de geestelijke adviseur der Duitsche sociaaldemokratie, Karl Kautsky, nog kort tevoren in een brochure: Der Parlementarismus, die Volksgesetzgebung und die Sozial-demokratie had betoogd, dat “de volkswetgeving voor ons, Oost-Europeanen, behoort tot den inventaris van den toekomststaat.” Men ziet hoe Duitschland ondanks zichzelf werd voorwaarts gedrongen, om zich nu voor deze zaken te verklaren. Dit geschiedde onder den indirekten invloed van het anarchisme, zonder hetwelk de Duitsche sociaaldemokratie ongetwijfeld veel gauwer en dieper naar omlaag was gegleden.</ref>. Uit alles blijkt dat de breuk met heel en half anarchisme volkomen was, ofschoon men het noodig had geoordeeld op het eind van het kongres aan het autoritair kollektivisme plechtig den zegen te doen uitdeelen door den ouden Friedrich Engels, bij wijze van apotheose op het tooneel gebracht.
Het vierde kongres te London in 1896 zette het werk in die richting voort. Nog eenmaal werd de strijd gevoerd tusschen het anarchisme en de sociaal-demokratie, maar eindigde met de nederlaag van de anarchisten, nadat twee sprekers: Jaurès en Hyndman vóór en twee anderen: Tom Mann en Domela Nieuwenhuis tegen de uitsluiting der anarchisten het woord hadden gevoerd. De laatste zei duidelijk: “spreekt u vierkant uit en gij zult geen last meer van ons hebben, maar verbergt u niet achter dubbelzinnige formules. Als gij zegt dat alleen de voorstanders der parlementaire aktie deel kunnen nemen aan de kongressen, dan zult gij ons niet meer in uw midden zien en gij kunt zonder stoornis uw kongressen voortaan houden”. Hoe het te doen was om de anarchisten te weren, blijkt uit een voorstel dat de parlementairen te London hadden willen doen en ook geformuleerd hadden, ofschoon zij het ter elfder ure niet ter tafel hebben durven brengen en waarin gezegd werd: “de anarchisten en hun bondgenooten, zelfs wanneer zij zich anti-parlementaire kommunisten noemen, kunnen geen deel nemen aan dit kongres, tot welke organisatie zij ook behooren.” Het was onderteekend o.a. door Bebel, Liebknecht en Singer voor Duitschland, Adler en Kautsky voor Oostenrijk, Greulich en Brandt voor Zwitserland, Troelstra en van Kol voor Nederland, Sanial voor Amerika, Branting voor Zweden, Plechanoff voor Rusland, Bertrand voor België. Een der Fransche afgevaardigden, Eugène Guérard, aan wiens brochure over het kongres te London wij deze bizonderheid ontleenen, schreef dan ook terecht dat op dat kongres, in strijd zelfs met de leer van Karl Marx, de ekonomische aktie ondergeschikt is gemaakt aan de politieke, het tegenovergestelde dus van hetgeen stond geschreven in de Statuten der oude Internationale.
De scheiding is een voldongen feit en in het jaar 1900 werden dan ook te Parijs twee kongressen samengeroepen, het Internationaal Revolutionair kongres, waar vrije socialisten en anarchisten elkander zouden ontmoeten en het Internationaal socialistenkongres, dat voor de parlementairen was bestemd. Reeds dadelijk openbaarde het zich welk van beiden door de regeering voor het gevaarlijkste werd gehouden, want de Fransche republikeinsche regeering, radikaal en door de aanwezigheid van Millerand in het ministerie ietwat sociaaldemokratisch getint, verbood het eerste kongres als vallende onder de “lois scélérates” van het jaar 1894, indertijd als kamerlid heftig bestreden door Millerand, maar nu door hem toegepast tegen die gehate anarchisten. Het andere kon rustig vergaderen, althans van de zijde der regeering, ofschoon inwendig bestookt, daar de twee frakties der Fransche sociaaldemokraten, de zoogenaamde Guesdisten en de voorstanders van Millerand-Jaurès, vinnig tegenover elkander stonden. Terwijl de rapporten van het eerste kongres, in druk verschenen in de Temps Nouveaux, aantoonen hoe het socialisme daar schering en inslag was en men werkte voor het leggen van nieuwe grondslagen voor een andere maatschappij, bleek uit de debatten van het tweede, hoe de ziel der parlementairen heel ergens anders huist dan in het socialisme. Men heeft daar een poging gedaan om de oude Internationale te herstellen, die nu door dit jongere geslacht genoemd werd “de droom van koene, groothartige mannen, die met hun denkbeelden hun tijd verre vooruit waren en die onder de massa het zaad uitstrooiden, waaruit de hedendaagsche internationale is opgegroeid” –Marx dus ook al onder de droomers gerekend, straks onder de utopisten; zoo krijgt ieder zijn beurt!– door de oprichting van een duurzame, internationale centrale kommissie, bestaande uit een vertegenwoordiger van alle aan het kongres deelnemende landen. Brussel werd verheven tot zetel van het internationaal sekretariaat.
Maar de hoofdschotel was of een sociaaldemokraat deel kan uitmaken van een bourgeois-ministerie en in hoeverre men bondgenootschappen kan aangaan met de burgerlijke partijen. Een resolutie van Kautsky, die door den Italiaan Ferri niet onaardig van caoutchoue wordt genoemd –een woordspeling schijnt dit geweest te zijn: van het Duitsche woord Kautschuk en den naam Kautsky– werd aangenomen, die met zoovele “als” en “maars” was doorweven, dat zij behendig tusschen de moeilijkheden doorzeilde zonder te zeggen waar het op stond. Werd eenerzijds verklaard dat de “verovering der regeeringsmacht dáár waar zij gecentraliseerd is, niet stukswijze plaats kan hebben en de intrede van een enkel socialist in een burgerlijk ministerie niet beschouwd kan worden als het normale begin der verovering van de politieke macht, maar steeds slechts een voorbijgaande noodhulp bij uitzondering kan zijn in een gedwongen toestand”, anderzijds zei men, dat de beslissing of die gedwongen toestand, al dan niet aanwezig is, een vraag van taktiek en niet van beginsel is. Het goochelen met “taktiek” ten opzichte waarvan men verschillen mag, en “beginsel”, waarin allen één moeten zijn, (Liebknecht schermde daar steeds mee) dat ons steeds doet denken aan “blijk” en “schijn” van minister van Huisde in Multatuli’s Vorstenschool, is een der kenmerken van alle kongressen. Zeer geestig was de bestrijding dier resolutie door Ferri, waar deze zei dat de bourgeoisie naar gelang van de ontwikkeling van het socialisme verschillende methoden toepast tot bestrijding. De zuigeling socialisme wordt gelasterd en bespot, het kind met reaktionaire maatregelen vervolgd, den jongeling tracht zij te hypnotiseeren en van het pad der deugd af te brengen. Zij is gelijk aan een schoonmoeder die graag haar dochter uithuwelijkt. De dochter wordt mooi opgesierd, zij maakt avances en als de jongeling door haar tegemoetkoming is gevangen, dan wordt hij een tamme, bedwongen, ongelukkige gemaal. Verder zei hij dat de resolutie van Kautsky was samengesteld uit “als” en “maar”, zij had haar achterdeurtjes. Door haar wordt voor het terugkeeren van een geval Millerand wel de deur gesloten, maar het venster is open. Het beginsel wordt op een plakaat geschreven en gered, maar in de praktijk is alles geoorloofd. Zoo spreekt men wel van een “gevaarlijke” proefneming, maar men zal zeggen: wij zijn zulke sterke kerels, dat wij het toch wagen! De resolutie beveelt een bourgeois-taktiek met socialistische beginselen aan. Wij komen daardoor op een leelijke helling. Er bestaat geen onderscheid tusschen taktiek en beginsel. De praktijk is slechts toegepaste theorie en theorie niets anders dan een algemeene praktijk. Toch hielp dit alles niet. De logika moest het tijdelijk afleggen voor het vermeende partijbelang, alsof zulk een overwinning over de logika zich niet te eeniger tijd wreekt! Met 29 tegen 9 stemmen werd de caoutchouc-resolutie van Kautsky aangenomen, welk resultaat aanleiding gaf tot stormachtige tooneelen. De Guesdisten riepen: A Châlons (waar stakende arbeiders door de gendarmes werden neergeschoten) en: Les bons ministeriels! (die brave ministerieelen!)
Het geheele kongres miste elk socialistisch karakter en in geen enkel opzicht onderscheidde het zich van een gewoon radikaal. Overigens de belangstelling, die dat van 1889 trok, was in de pers verre te zoeken. Met platonische verklaringen brengt men geen oude maatschappij ten grave en sints alles door de parlementen moet beslist en afgemaakt worden heeft een groot deel van het proletariaat zichzelf onmondig verklaard en zich opnieuw –ditmaal uit eigen verkiezing!– onder voogdijschap gesteld. Het zijn de “arrivistes” –dit woord van Lafargue is zeer juist gekozen– d.w.z. de menschen die er gekomen zijn of komen willen, die in het kamp van het internationaal sociaaldemokratisch proletariaat den boventoon voeren. Verschillende sociaal-demokraten zijn dan ook reeds door minister Millerand onder dak gebracht, zooals Lavy die zijn sekretaris is, Jaurès die lid is geworden van den Hoogen Arbeidsraad en vele anderen. Overigens is het zeer begrijpelijk dat elkeen, die de macht heeft baantjes te begeven –en daarin bestaat de groote macht van ministers– liever betrekkingen geeft aan neefjes, vriendjes en vrienden van vriendjes dan aan hem geheel onbekende personen, tenzij hij daarin alweer voordeel ziet ter versterking zijner positie, en in plaats van hen hierover hard te vallen, moeten wij eerlijk erkennen dat wij in hetzelfde geval hetzelfde zouden doen. Wil men dus het kwaad in den hartader aantasten, men ontneme den ministers de macht om personen te benoemen tot allerlei betrekkingen. Dit is het eenige middel dat beterschap kan brengen en paal en perk stelt aan allerlei soort van korruptie.
Wij hebben gezien hoe de lucht langzamerhand is gezuiverd en hoe bij het verdwijnen van alle tusschen-schakels de tegenstelling hoe langer hoe scherper is geworden: sociaaldemokratie òf anarchie, beter gezegd sociaal-anarchie. Ook zou men de tegenstelling kunnen maken staats-socialisme òf vrij socialisme, daar bij de eenen de verovering en inbezitneming van de staatsmacht de hoofdzaak is, terwijl de anderen juist werken voor de opheffing of afschaffing van den staat. Hoe zouden beiden kunnen samengaan, daar beider doel in zoo geheel tegenovergestelde richting loopt? De bekende Blanquist Edouard Vaillant omschreef de socialistische aktie als “de diktatuur der arbeidersklasse” en ofschòon het misschien onvoorzichtig was dit openlijk te zeggen, toch is het een feit, dat die gedachte leeft in de ziel der sociaaldemokraten.
Jaurès heeft gezegd dat het wezen van het socialisme politiek is en Rouanet omschreef het socialisme als de verovering der publieke macht. Dit is dus niet meer het middel om tot het doel te geraken, maar is zelf doel geworden. Overigens wij hebben ten dezen opzichte niet de uitingen van dezen of genen schrijver, die door anderen worden geloochend, wij hebben een officieele uitspraak van een officieel kongres en dus de uitspraak van de sociaal-demokratie in haar geheel. Op het kongres te London in 1896 toch is aangenomen, dat de “verovering der politieke macht het middel bij uitnemendheid is, waardoor de arbeiders kunnen komen tot hun vrijmaking, tot de bevrijding van den mensch en burger, waardoor zij de internationale socialistische republiek kunnen vestigen.” In dat opzicht zijn de Engelsche Fabians het eerlijkst, die rondweg zeggen: “het socialisme, voorgestaan door de Vereeniging van Fabians, is uitsluitend staatssocialisme. De moeilijkheid is in Engeland niet om meer politieke macht aan het volk te verzekeren, maar om het volk te overtuigen om beter gebruik te maken van de macht die het reeds heeft.” En wanneer het Engelsche blad, de Clarion getuigt: “ontwikkeling eener ware demokratie – dat is, ik ben er zeker van, de meest dringende en wezenlijke taak, die voor ons ligt. Dat is de leer, die onze tienjarige socialistische veldtocht ons heeft geleerd. Dat is de leer, die het gevolg is van al mijn kennis en ervaring der politieke dingen. Vóórdat het socialisme mogelijk kan zijn, moeten wij een natie van demokraten vormen,” dan is Bernstein het hiermede eens<ref>Men vergelijke zijn zooveel geruchtmakende brochure: Die Voraussetzungen der Sozialdemokratie.</ref> en gaat men met laatstgenoemden een stap verder, om den naam te veranderen en te spreken van een “demokratisch socialistische hervormingspartij”, dan zal men eerst de scheiding gemaakt hebben, die in de werkelijkheid reeds voltrokken is. De demokratie is de wettige erfgename van het liberalisme en er is volgens Bernstein “geen liberaal denkbeeld, dat niet ook behoort tot den gedachten-kring van het socialisme.” De sociaaldemokratie is dus een gewone hervormingspartij op den grondslag van de bestaande maatschappij met heel in de verte het doel: socialiseering der arbeidsmiddelen evenals de geloovigen het Milennium plaatsen in de verre toekomst.
Terwijl bij de sociaaldemokraten het individu opgaat in de gemeenschap, deze alles en het individu niets is, gaan de anarchisten uit van het individu, om een maatschappij niet van slaven, maar van vrije individuen te verkrijgen. Wie het individu doodt, vernietigt het beste, het edelste, het hoogste in den mensch, die alleen door zijn individualiteit het recht krijgt zich mensch te noemen. Den mensch tot “iemand” te maken – zietdaar het doel en waar al die iemands door onderlinge belangen gedreven worden tot’gemeenschap, daar zullen zij zich tot een maatschap vormen en zijn er soms, die zich daarin niet thuis gevoelen, ook hun blijve het recht gegeven individueel te leven. Met Stuart Mill zijn wij het eens, waar deze zegt, dat aan dien vorm der maatschappij de toekomst behoort, die de meest mogelijke individueele vrijheid waarborgt aan allen.

3. Het nihilisme in Rusland.

Rusland met zijn onmetelijk groot gebied en zijn Slavische bevolking vormt een wereld op zichzelf en de beweging heeft aldaar zoo’n eigenaardig karakter gedragen, dat een afzonderlijke behandeling noodzakelijk mag worden geacht. Is in de Westersch Europeesche landen –Engeland, Frankrijk, België, Holland– het absolutisme geknot door de konstitutioneele vormen, naarmate men meer oostwaarts gaat, vindt men het absolutisme nog in zijn kracht. Zoo is Pruisen een beste overgang om te komen tot Rusland en Bo-russia (Pruisen) toont nog veel overeenkomst met Russia (Rusland). De dynastie der Hohenzollern en die der Romanofs vertoonen in absolutistische neigingen de grootste trekken van overeenkomst en de slaafsche aard, door het absolutisme gekweekt, behoort even eigenaardig thuis in Duitschland als in Rusland. Welke eenmaal de invloed zal zijn van Rusland, dat valt moeilijk te bepalen, maar dit mag zeker worden geacht, dat het een land der toekomst is en dat “eerst na de 19e eeuw Rusland zijn volledige ontplooïïng en invloed zal hebben.” Zei Napoleon I eens, dat de wereld of liever Europa op het eind dezer eeuw republikeinsch of kozak zal zijn, deze voorspelling wordt meer en meer bewaarheid, maar het droevige ervan is dat de wereld trots al het geroep van vooruitgang zich eer in de kozakkenrichting dan in die der republiek ontwikkelt, ja dat het kozakkendom zelfs zijn invloed laat gevoelen in de republiek. Maar als men de namen van Alexander Herzen, Turgueneff, Bakunine, Tchernichewsky, Stepniak (Kravchinsky), Kropotkine en Tolstoï noemt en den invloed nagaat, door hen uitgeoefend op de geheele geestelijke ontwikkeling van de laatste helft der XIXe eeuw, niet alleen in hun land maar ook op de geheele wereld, dan ziet men dat daar in dat groote Rusland krachten van belang sluimeren, die doen vermoeden dat uit dat oosten nog iets anders dan barbaarschheid westwaarts zal gaan.
Om Rusland goed te begrijpen, moet men rekening houden met zijn kollektivistische kommune, de Mir op het land, en de Artel in de industrieplaatsen, beiden de kiemen eener regeling van de gemeenschap bevattende en het zal de vraag zijn of Rusland dezelfde ontwikkeling zal moeten doormaken als de westersche landen, zooals Marx en Engels beweren, dan wel of men op die oorspronkelijke vormen, die daar nog behouden werden, niet de nieuwe denkbeelden kan enten, om zoo tot een bevredigende oplossing te geraken. Zoo vindt Herzen in de Russische Landgemeente met gemeenschappelijk grondeigendom, met een verkozen bestuur en met gelijk recht van elk lid den sleutel tot de oplossing der sociale vraag, het reddende beginsel, dat ten grondslag moet dienen tot de vervorming der maatschappij. De Artel is een vrije vereeniging van beroepsgenooten, die gezamenlijk werken aannemen om gezamenlijk te verdienen. Het was de Italiaansche staatsman Cavour, die eens gezegd moet hebben tot een Russisch diplomaat: “wat uw land later meester zal doen maken van Europa, dat zijn niet uw legers, maar dat is uw kommunaal stelsel.”
Velen beschouwen Herzen (1812-1871) als den vader van het Nihilisme, maar dit is het geval niet, men zou hem veeleer een voorlooper van het Nihilisme kunnen noemen. Ontegenzeggelijk heeft hij een verbazenden invloed gehad op zijn landgenooten en zijn blad De Klok vond ondanks alle maatregelen van douane en politie groote verspreiding in Rusland. De meeste universiteiten stonden onder zijn invloed en men kan gerust zeggen dat de jeugd in die dagen voornamelijk werd opgevoed door Herzen, zooals b.v. blijkt uit de Gedenkschriften van Kropotkine. Men sprak toen ook van Herzenisten en niet van Nihilisten. Maar Herzen bleef ook niet staan op het standpunt, oorspronkelijk door hem ingenomen, hij ging achteruit en de beweging vooruit, met het gevolg dat hij langzamerhand van haar vervreemdde en ofschoon men later vol eerbied was voor Herzen als den veteraan der partij, ging men zijn eigen weg, ja men was feitelijk over hem heengegaan. Er was een tijd toen hij schreef: “wij bouwen niet, wij breken af. Wij kondigen geen nieuwe openbaringen aan, wij verwijderen de oude leugen. De tegenwoordige mensch, een treurige pontifex maximus, gaat de brug alleen stellen, een toekomstige onbekende andere zal er over heengaan… laat ons niet blijven aan den ouden oever. De wereld waarin wij leven, sterft af en de opvolgers moeten haar, willen zij vrij adem scheppen, eerst begraven; in plaats daarvan trachten de tegenwoordige menschen haar te genezen en vertragen haar dood. De menschen zijn met zooveel moeite gekomen tot hun tegenwoordige manier van zijn, deze schijnt hun zoo’n gelukkige toevlucht na de dwaasheid van het feodalisme en de domme onderdrukking die daarop volgde, dat zij vreesden voor verandering. Zij zijn gewoon geraakt aan die vormen, de gewoonte heeft de plaats van liefde ingenomen, de horizont is enger geworden, de vlucht van de gedachte is verlaagd, de wil is verzwakt. Van de oude wereld overgaande in de nieuwe moet men niets met zich meenemen. Leve de chaos, de verwoesting, plaats voor de toekomst.”
Dit klinkt nihilistisch genoeg en zij, die zulke uitspraken lezen, zullen zich niet kunnen voorstellen dat Herzen een tegenstander was van het Nihilisme, waarvan hij later getuigde: “het nihilisme is logika zonder orde, wetenschap zonder dogma, onvoorwaardelijke onderwerping aan de ervaring en onafwijsbare aanneming van alle konsekwenties, die door het verstand geëischt worden, omdat zij volgen uit de voorop aangenomen manier van beschouwing. Het Nihilisme verandert niet een Iets in een Niets, maar het ontdekt dat dit Niets, dat voor een Iets werd gehouden, een zinsbedrog is.”
Met de jaren werd de geduchte anarchist een gewoon evolutionair socialist. Maar een ander wist het hart der Russische jeugd beter te treffen, dat was Tchernichewsky (1829-1889), door dr. Cesar de Paepe genoemd een “zeer verdienstelijk ekonoom” en door Marx “de geleerde en uitstekende kritikus”.

Vooraf echter ga een enkele verklaring omtrent het woord Nihilist. Het is afgeleid van Nihil, niets en zou dus beteekenen een voorstander van het niets, wat vrij wel onzin is. Het was de romanschrijver Turgueneff, die in zijn roman “Vaders en Zoons” den naam van Nihilisten het eerst gebruikte. Kropotkine zei daarvan: “de naam is in ’t geheel niet slecht gekozen, omdat hij een denkbeeld uitdrukt: hij drukt de ontkenning uit van het geheel der feiten van de hedendaagsche beschaving, gegrond op de onderdrukking van de eene klasse door een andere, de ontkenning van het bestaande ekonomische stelsel, de ontkenning van het gouvernementalisme en de macht, van de bourgeois politiek, van de officieele wetenschap, van de bourgeoismoraal, van den dienst in dienst der uitzuigers, der gewoonten en grootsche of verfoeilijke gebruiken van huichelarij, de erfenis van verleden eeuwen aan de hedendaagsche maatschappij – kortom, de ontkenning van al wat de bourgeoisbeschaving nu met vereering omringt.”
Onder de Nihilisten vindt men echter zeer verschillende bestanddeelen, want het absolutisme maakt het in Rusland noodzakelijk voor elkeen, die oppositie maakt, om zich te scharen onder de vaan van het Nihilisme. Men vindt onder hen dan ook liberalen, die tevreden zouden zijn als Rusland een konstitutioneel keizerrijk werd op de wijze der westersche landen, maar evenzeer de heftigste anarchisten.
Toen de zware hand van keizer Nikolaas I niet meer drukte op het Russische volk, ging er een gevoel van verademing op en men koesterde de hoop dat zijn opvolger keizer Alexander II een tijdvak van hervormingen zou openen. Waren tot nu toe alle vrijheids-droomen met geweld onderdrukt, zooals de samenzwering der Dekabristen in December 1825 (naar die maand hebben zij hun naam verkregen), die eindigde met de terechtstelling der hoofddeelnemers, zooals de samenzwering in Maart 1848, die eenzelfden verloop nam –onder de deelnemers behoorde de bekende schrijver Dostoïevsky, die het lijden in Siberië zoo hartroerend wist te teekenen– men hoopte op betere tijden en Alexander Herzen meende dat met den nieuwen keizer een nieuw en beter tijdvak zou aanbreken. Ook Tchernichewsky had aanvankelijk goede verwachtingen van den keizer, maar allengs begreep hij dat al wilde deze misschien zelf wel goed, hij zoodanig in het net van adel en geestelijkheid verstrikt zat, dat hij wel doen moest, wat deze hem voorschreven. De zoogenaamde boerenvrijmaking bleek weldra slechts schijn te zjn en in plaats van op den keizer stelde Tchernichewsky zijn hoop op de boeren zelven, om zich vrij te vechten door opstanden. Zijn artikelen in het tijdschrift De Tijdgenoot, getuigende van veel scherpzinnigheid en onbevooroordeeldheid, oefenden veel invloed uit. Men denke aan zijn kritiek op John Stuart Mill, Malthus en anderen. Spoedig werd hij beschouwd als een der leiders, vooral van de akademische jeugd en daarom moest hij bovenal onschadelijk worden gemaakt. In 1862 werd hij gearresteerd en in de beruchte Peter- en Paulcitadel moest hij twee jaar zuchten, om daarna vervoerd te worden naar Siberië, vanwaar hij niet meer terugkeerde. Gedurende zijn preventieve gevangenschap vervaardigde hij een boek: Que faire? (Wat te doen?), dat een verbazenden opgang in Rusland maakte. Hij koos den vorm van den roman en ofschoon hij daarin geen meester bleek te zijn, het was hem meer te doen om de ideën, die hij ontwikkelde, dan om den vorm waarin zij gegoten werden. Hoofdzaak daarin was het vraagstuk van het huwelijk, en aan de samenleving van man en vrouw wenschte hij drie voorwaarden te stellen, te weten: afzonderlijke vertrekken voor beiden, een binnentreden bij elkander na ontvangen verlof en een onthouding om elkander allerlei vragen te doen. Zoo meende hij de onafhankelijkheid der vrouw te kunnen handhaven en het beginsel van gelijk recht voor man en vrouw te kunnen doorvoeren. Ook bespreekt hij daarin de produktieve associatie, die volgens hem leiden moet tot gemeenschappelijk samenwonen en tot onderlinge ontwikkeling. Het blijkt welk ’n indruk de denkbeelden van Fourier op hem hadden gemaakt. In een zijner personen teekent hij den nieuwen mensch der dienende liefde, een type van dwaze menschen in de oogen der wereld, maar die voor hem zijn de zuurdeesem van het leven, zonder hetwelk de wereld zou versuffen en verwelken. Natuurlijk was Tchernichewsky verloren en deze veelbelovende man viel dus mede als slachtoffer van het absolutisme. Terecht is van hem getuigd, dat hij drie groote diensten bewees aan Rusland, te weten: hij wist verhefing te geven aan de schoone letteren, aan de kunst in het algemeen, hij bracht helderheid op ekonomisch gebied en hij oefende invloed uit op de sociale positie van de vrouw.
Meende Alexander II met de verwijdering van Tchernichewsky het socialisme in Rusland te hebben gedood, het tegendeel bleek weldra het geval te zijn. Men doodt geen denkbeelden, door de dragers ervan te kerkeren, te verbannen of te dooden. Terwijl de machtige vorst daalde in de achting van alle weldenkende, vooruitstrevende menschen, steeg de eenvoudige Tchernichewsky tot den rang van een heilige.

Al ondervond de revolutionaire beweging in Rusland de inwerking der denkbeelden van West-Europa, tot nu toe had men om zoo te zeggen de binnenlandsche strooming: twee andere mannen van beteekenis Michaël Bakunine en Peter Lavroff brachten er een internationale strooming in. De eerste als stichter of bevorderaar der anarchistische of federalistische internationale, de tweede als wijsgeer en staatkundig schrijver. Over Bakunine hebben wij reeds uitvoerig gesproken, maar even moet de plaats worden aangewezen van den algemeen beminden “vader” der Russische kolonie, Peter Lavroff<ref>Vergelijk: Historische Briefe von Peter Lawrow aus dem Russischen übersetzt von S. Dawidow mit einer Einleitung von Dr. Rappoport. (De spelling van den naam verschilt van die bij Kropotkine, maar er bestaat meermalen groot verschil in de spelling der Russische namen).</ref>, die in 1899 te Parijs stierf. Geboren in 1823 was hij op 19-jarigen leeftijd officier en twee jaar later professor in de wiskunde aan de artillerieschool. Door zijn aktief deelnemen aan het politieke leven werd hij in 1866 gearresteerd en ondanks het volkomen gemis aan bewijzen verbannen. In zijn ballingschap schreef hij zijn Geschiedkundige brieven, die zulk een grooten invloed uitoefenden op de Russische jeugd. Het gelukte hem in 1870 te ontsnappen en opgenomen in de wetenschappelijke wereld door prof. Broca, die hem deel liet uitmaken van de Revue d’anthropologie, en binnengeleid in de socialistische wereld door Varlin, verdeelde hij voortaan zijn leven tusschen zijn wetenschappelijke studie en de revolutionaire beweging. Lavroff was federalist, maar voor ’t oogenblik zag hij veel voordeelen in de centralisatie. Dit standpunt vertegenwoordigt hij in het tijdschrift Vperiod (Voorwaarts) dat hij in 1873 te Zürich uitgaf en later te London, waar hij tot 1876 woonde, om in dat jaar weer naar Parijs terug te keeren. Tegen den invloed van Tolstoï en diens lijdelijk verzet kwam hij met alle energie op als een “historische onzedelijkheid”. Van 1892–96 werkte hij aan de uitgave van het Materiaal voor de geschiedenis der revolutionaire socialistische beweging, waarschijnlijk het meest kompleete werk over die periode, die hij betitelde met den naam van “de lente der beweging”. Hoewel beiden (Bakunine en Lavroff) nog al uit elkaar liepen, daar de eerste een hartstochtelijk verdediger was van de uiterste partij en de tweede meer overhelde tot gematigde denkbeelden, beiden gingen hierin samen, dat voor Rusland de revolutie het eenige middel was tot grondige verandering. Wat in Rusland een eigenaardig kenmerk is der beweging, is dit, dat bijna al de deelnemers in het drama der revolutionaire beweging behoorden tot de hoogste klassen der maatschappij. Men denke aan Bakunine, Kropotkine, Lavroff, Sophia Perovskaja en zoovele anderen. En een tweede merkwaardigheid is de sterke deelneming van jonge vrouwen aan de beweging, wat waarschijnlijk is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat zoovelen het land werden uitgedreven bij gebrek aan universiteiten, waar de toegang voor haar was opengesteld, om vooral te Zürich te gaan studeeren, welke stad de kweekplaats werd der revolutionaire propaganda. Geheime genootschappen werden gevormd. Om het volk te kunnen bereiken en propaganda te maken, gingen verschillende personen, zoo mannen als vrouwen, werken in fabrieken of op het veld, afstand doende van de gemakken des levens en het brood der armoede deelende met de arbeiders. Er is in die dagen een geestdrift, een toewijding ontwikkeld zonder weergade in de geschiedenis, zoodat het niet verwonderen kan, dat tijdens het zoogenaamde proces der vijftig in 1877 de indruk kon worden samengevat in de woorden: dat zijn heiligen!
Onder de talrijke genootschappen aan de universiteiten waren er twee, die den meesten invloed verwierven, dat was de Lavristy, die zich noemde naar Lavroff en meer vredelievend werkte en de andere de Tchaykovsky, ook zoo genoemd naar den leider, een student die in 1873 naar Amerika ging en thans in ballingschap leeft in Engeland. In dat laatste genootschap heerschte meer de geest van Bakunine. Onder de leden behoorde de toen 30-jarige prins Kropotkine, de jeugdige Sophia Perovskaja, die in 1881 is opgehangen, Serge Kravchinsky, meer bekend als Stepniak, en anderen.
Reeds in 1866 had een aanslag plaats op den czaar door Karakosoff, een jong mensch van adel die ziekelijk was, maar de uitwerking was verkeerd, daar juist door dien aanslag de populariteit van den keizer werd verhoogd. In 1871 volgde de samenzwering van Netchaïeff, die ontdekt werd en tot gevolge had, dat 87 personen terecht stonden. De keizer wierp zich steeds meer in de armen der reaktie. Eenige jaren later had het proces der vijftig plaats (1877) bij welke gelegenheid een heldenmoed werd betoond, die aan het ongelooflijke grenst. Onder de beklaagden waren 16 vrouwen, onder wie de edele Sophia Bardina, wier verdediging voor de rechtbank een ware propagandarede was. De laatste zitting van dit opzienbarend proces droeg bovenal een tragisch karakter. Verreweg de meeste beklaagden hadden elke verdediging ambtshalve geweigerd, maar in de laatste zitting maakte Tsitsianof gebruik van het recht om het laatste woord te hebben. Ternauwernood was hij zijn pleidooi begonnen of hij kreeg een bloedspuwing en viel bewusteloos op den grond. De tweejarige preventieve gevangenschap had hem gebroken. Thékoidzé nam het woord voor hem op, maar hetzelfde tooneel herhaalde zich. Ook hij was teringlijder. Toen stond een boer uit Smolensk, Peter Alexieff op, die in een prachtige redevoering de geheele maatschappij met haar uitzuigstelsel onderwierp aan een scherpe kritiek. Behoeft het vermeld dat hij zijne rede niet kon voltooien, maar op bevel der rechters met geweld werd weggesleept door de gendarmen? Ballingschap naar Siberië was het vonnis.
Het monsterproces der 193 in het volgende jaar leverde eene gelijke uitspraak. Eén ding vergat de regeering, nl. de ontzettende propaganda, die gemaakt werd door deze processen, en al behaalde zij formeel de overwinning, daar zij de macht in handen had, elkeen gevoelde dat zij zedelijk de nederlaag leed. In 3 jaar tijds werden meer dan 1400 agitatoren gevangen genomen en 37 gouvernementen werden volgens een rapport van den minister aan den czaar “door de socialistische epidemie aangetast”. In zijn geschrift: Het onderaardsch Rusland teekent Stepniak de wording van den terrorist. Was de propagandist in het eerste tijdvak in karakter meer godsdienstig dan revolutionair, de onverbiddelijke werkelijkheid gaf een hevigen stoot aan de geestdrift en het geloof in het socialisme. Na de eerste mislukte pogingen hoopte hij niet meer op de overwinning en verlangde hij meer naar de doornenkroon dan naar den lauwertak. Hij onderging het martelaarschap met de gelatenheid en den ernst van den christen der eerste eeuwen, hij was geheel liefde en kon niemand haten, zelfs niet zijn beulen. Dat was het tijdvak van 1872-75.
Van 1875 dagteekenen de eerste vereenigingen, de zoogenaamde Buntari (verwoeden) te Kiew, Odessa en Charkoff, wier doel was een onverwijlden opstand te organiseeren. Vandaar demonstraties bij elke gelegenheid, maar het baatte niets, de hulpmiddelen der revolutionairen waren te klein en die der regeering te groot. Men bespeurde dat het eenige resultaat was het opofferen van de beste jeugdige krachten. Sints 1878 hadden er dan ook geen demonstraties meer plaats.
Het schot van Wera Sassulitch (Februari 1878), geen terroriste, op generaal Trepoff die zich onderscheiden had door de mishandeling van den student Bogoljubow in de gevangenis, en haar vrijspraak door de gezworenen, maakten diepen indruk. Die daad gaf een machtigen stoot aan het terrorisme. Onmachtig als men was de regeering flinkweg van voren aan te pakken en te bestoken, begreep men dat het eenige middel was haar in den rug aan te vallen. Op 16 Augustus 1878 werd de gehate chef der gendarmerie, generaal Mesentzeff, gedood door Stepniak en sints dien tijd volgden vele aanslagen elkander op.
Kolonel Heyking, chef der gendarmerie te Kiew, prins Alexis Kropotkine (neef van den anarchist), gouverneur van Charkoff en anderen vielen, generaal Drenteln ontkwam nog aan ’t gevaar, alom heerschten schrik en beving. Het was de strijd geworden van oog om oog, tand om tand. De regeering liet de vrijheidsmannen ophangen, dezen gebruikten dolk en pistool om zich en hun vrienden te wreken. Het was geen wettelijk, maar toch wel een wettig verzet.
Hoort hoe Stepniak den terrorist teekent: “stout als de satan, die tegen zijn god in opstand komt, heeft hij een eigen wil gesteld tegenover dien van den man, die zich te midden van een slavenvolk het uitsluitend recht van ‘willen’ heeft aangematigd. Maar hoe verschillend is deze aardsche god van den Jehovah van Mozes! Hoe kromt hij zich onder de koene slagen van den terrorist! Hoe verschuilt hij zich, hoe beeft hij! Het is waar: nog staat hij op zijn voeten, want de door onzichtbare hand geslingerde bliksem mist dikwijls, doch wanneer bij treft, doodt hij. Maar de terrorist is onsterfelijk, de hem ontrukte leden vernieuwen zich op wonderbaarlijke wijze vanzelf en hij staat verheven, bereid tot altijd nieuwen strijd, totdat hij zijn tegenstander ter dood en daardoor zijn vaderland tot vrijheid gebracht heeft. En reeds ziet hij hem wankelen, het hoofd verliezen, de onzinnigste besluiten nemen, die slechts zijn val kunnen bespoedigen. Het is deze verterende strijd, deze grootsche zending, deze zekerheid van de eerlang te behalen overwinning, die koude en berekenende geestdrift verleent, waardoor hij de wereld in verbazing brengt. Wanneer hem door de natuur een karakter werd toebedeeld, dat tot een verheven vlucht in staat is, zal er een held uit hem worden; bezit hij een hard karakter, dan wordt dit van ijzer en indien van ijzer, zoo zal hij, den diamant gelijk, onoverwinnelijk worden.” Hij ziet in den terrorist de “type der individueele kracht, die geen knechtschap duldt”. Al strijdt hij voor het volk, hij strijdt ook voor zichzelf, hij heeft gezworen vrij te zijn en al wijdt hij zijn sterken arm aan de zaak des volks, hij vergoodt het niet meer.

De regeering gevoelde al den ernst van den strijd, gelijk blijkt uit de proklamatie van Alexander II aan de geheele Russische maatschappij, om de Kramola (de revolutionaire benden) te bestrijden. Vooral het geheime genootschap Land en Vrijheid (Semlja i Wolja) werd vervolgd. Men richtte den strijd nu tegen den keizer zelf. Op 2 April 1879 loste de 30-jarige leeraar Solovjeff vijf schoten op den keizer, die geen van allen troffen. Het rijk werd nu verdeeld in zes distrikten, over elk waarvan een gouverneur-generaal werd aangesteld, die de meest onbeperkte macht kreeg. De revolutionairen vormden een uitvoerend bewind, het exekutief komité, waarvan de voormalige lijfeigene, Andreas Scheljaboff, de ziel uitmaakte en naast wien Sophia Perovskaya<ref>De portretten van Schelbajoff en Sophia Perovskaya zijn minder goed gelukt, maar dit moeten de eenigen zijn, die van hen bestaan. Men begrijpt dat het niet heel veilig is in landen als Rusland, om portretten van zich te laten maken.</ref> werkte. Dit komité veroordeelde den 26 Augustus 1879 den keizer ter dood en men gaf hem hiervan bericht. Het werd een strijd op leven en dood. In November 1879 werd een aanslag ten uitvoer gebracht op den trein, waarin de keizer zou zitten, maar hij mislukte, doordat een andere trein voorafging, die van de rails werd geslingerd en verbrijzeld. Scheljaboff en Sophia Perovskaya hadden de mijn zelven aangelegd, maar wisten toen aan de vervolging te ontkomen. Op 5 Februari 1880 volgde de aanslag in het winterpaleis van den keizer te Petersburg, maar weer was het een kleinigheid, die alles deed mislukken. Opgehouden door een bezoek van vreemde vorsten kwam de keizer te laat aan tafel en daardoor ontkwam hij aan de ontploffing, waardoor zalen en muren uit elkaar scheurden. Maar de derde maal ontkwam hij niet. Scheljaboff had de leiding van dezen aanslag, maar twee dagen tevoren werd hij door een ongelukkig toeval gevangen genomen, zoodat hij zijn laatsten plicht niet kon volbrengen. Deze taak bleef toevertrouwd aan Sophia Perovskaya, die met hem en drie anderen hetzelfde levenseinde vond. Pas 10 dagen na den aanslag werd zij gearresteerd. Op 1 Maart 1881 van de parade komende, reed de keizer in zijn slede den eersten post voorbij, toen er een bom ontplofte, die hem echter niet raakte. Toen hij naar de plaats des onheils ging, had een tweede ontploffing plaats, die wel doel trof maar tegelijkertijd den werper (Grinewizki) doodde. Scheljaboft, Michaïloff, Kibaltchick, Ryssakof, die de eerste bom geworpen had, en Sophia Perovskaya werden opgehangen op 3 (15) April daaropvolgende, terwijl Jesse Helfmann genade kreeg, omdat zij in zwangeren staat verkeerde, d.w.z. werd niet gedood maar in de gevangenis gestopt, waar zij een jaar later stierf. Sophia verzocht den rechters om toch niet te letten op haar geslacht en alzoo te mogen sterven met haar vrienden. Het indienen van een gratieverzoek, dat haar verdediger voor haar als van adel opstelde, wees zij van de hand met de woorden: “ik zal door mijn dood meer nut doen aan de heilige zaak van Ruslands bevrijding dan als mij het leven wordt geschonken.” De voltrekking van het doodvonnis was verschrikkelijk, de ongelukkigen werden meer geworgd dan opgehangen, zoodat de korrespondent der Kölnische Zeitung getuigde: “ik ben in het oosten getuige geweest van vele terechtstellingen, maar zulk een heb ik nooit beleefd” en van Sophia verklaarde deze: “Sophia Perovskaya toonde een wonderbare standvastigheid; zij had zelfs lichtrood gekleurde wangen, haar gezicht was als altijd ernstig, zonder eenige uitdrukking van pralerij, maar vol echten moed en voorbeeldelooze toewijding.” Het was Sophia Perovskaya, die Turgueneff voor den geest stond, toen hij zijn “op den drempel” schreef. Het exekutief komité richtte een schrijven aan den nieuwen czaar, waarin de toestand duidelijk werd uiteengezet en tevens de voorwaarden werden opgenoemd, die vervuld moesten worden om de revolutionaire beweging te doen eindigen. Hoe gematigd overigens die voorwaarden waren, kan men uit dat stuk zien. Ze waren:

  1. algemeene amnestie voor allen, die’ tot nu toe veroordeeld zijn wegens politieke misdrijven;
  2. verkiezing van vertegenwoordigers van het geheele volk tot onderzoek naar de beste vormen van het maatschappelijke en staatkundige leven, naar den wensch en de behoefte des volks.

De alsdan gehouden verkiezingen moesten plaats vinden onder de volgende voorwaarden:

  1. de afgevaardigden worden uit alle klassen en standen der maatschappij zonder onderscheid gekozen en wel in verhouding tot het aantal inwoners;
  2. kiezers en afgevaardigden worden geenerlei beperkingen opgelegd;
  3. verkiezingen en verkiezingspropaganda zullen volkomen vrij zijn.

Te dien einde zal de regeering tot de bijeenkomst der volksstanden als voorloopigen maatregel toestaan:

  1. volkomen vrijheid van het woord;
  2. volkomen vrijheid van de pers;
  3. volkomen vrijheid van vergadering;
  4. volkomen vrijheid van kiesprogramma’s.

Het Exekutief (Uitvoerend) komité eindigt met te zeggen: “wij verklaren plechtig voor het vaderland en de gansche wereld, dat onze partij zich zonder voorbehoud aan de nationale vergadering zal onderwerpen, als deze op grond van vorengestelde voorwaarden is bijeengekomen, en dat zij niet veroorloven zal, dat men zich tegen de regeering, door de nationale vergadering gewettigd, zal verzetten.”
Dus met andere woorden: geef ons een konstitutioneelen regeervorm met de noodige waarborgen, zooals men die heeft in de westersche landen van Europa en wij zullen onze propaganda staken.
Niemand kan beweren dat deze voorwaarden veeleischend waren en men weet niet waarover zich meer te verwonderen: over de verblindheid der regeering, die zulke voorwaarden weigert te aanvaarden dan wel over de gematigdheid eener revolutionaire partij, die zich met zulk een schralen oogst tevreden verklaart. Maar – wien de goden willen verderven, dien slaan zij eerst met blindheid.
Die voorwaarden werden gedaan op 10 (23) Maart 1881 en nog eens herhaald in het laatste nummer van de Narodnaja Wolja (Maart 1882).
Maar het antwoord der regeering bestond in nieuwe terechtstellingen, duizendvoudige verbanningen naar Siberië, tal van geweldenarijen tegen de pers en elke ietwat liberale neiging. Het kulminatiepunt der beweging was echter bereikt, een beweging kan niet altijd op zoo’n hoogte blijven en al deed het Nihilisme later nog meermalen van zich spreken, er ging toch niet meer die werking van uit als vóór 1881.
Onder de revolutionaire figuren, van wie Stepniak het portret teekende, komen voor Jakob Stephanowitsch, Demetrius Clemens (Steblin Kamenski), Valerian Ossinsky, Peter Kropotkine, Demetrius Lisogub, Wera Sassulitch, Sophie Perovskaya. En als men die korte levensbeschrijvingen leest, gevoelt men eerbied voor zooveel overtuiging en toewijding, als door dezen worden tentoongesteld, zelfs dan wanneer men hun daden afkeurt of betreurt dat zooveel opoffering verloren ging voor zoo weinig resultaat.
Het blad Zemlia i Volia (Land en vrijheid) protesteerde tegen het stelselmatig terrorisme en zei, dat op den dag waarop de vrijheid en de veiligheid gewaarborgd zijn tegen willekeur, het terroristische stelsel zal ophouden, want “het is door deze middelen dat wij zullen komen tot de vrijmaking van het proletariaat. De eene klasse alleen kan in opstand komen tegen de andere en het volk kan het stelsel vernietigen waardoor het verpletterd wordt”.
De sociaaldemokratie kreeg meer vat op de beweging en men ziet voormalige revolutionairen, zooals Axelrod, Wera Sassulitch en vooral Plechanow jverig werken om de beweging te brengen onder de hoede der Marxisten. Toech ziet men daarnaast de andere, de anarchistische strooming, die aanhangers genoeg heeft in Rusland. Men moet niet vergeten, dat ook in den goeden tijd twee groote richtingen werden gevonden onder de revolutionairen; de eene was die der federalistisch gezinde socialisten de Narodniki, de oude mannen van Land en Vrijheid, die voornamelijk de verdeeling der gronden op hun program plaatsten als hoofdpunt. Zij werden ook wel genoemd de mannen der “Zwarte Verdeeling”, hieronder den grond bedoelende en naar den titel van het blad, dat zij sints Januari 1880 uitgaven (Tchorniy Peredel). De andere werd gevormd door de eigenlijk gezegde terroristen, die den naam kregen van de mannen van den Volkswil (Narodnaja Volja). Maar beide partijen sloten een kompromis en uit beiden werd samengesteld het Exekutief komité, waarover wij reeds spraken.
De kracht der Nihilistische beweging was gebroken, daar velen der energiekste en vurigste mannen en vrouwen waren opgehangen en anderen hun leven gebroken zagen in de Siberische ballingschap, waarover de Amerikaansche schrijver George Kennan zulk een leerzaam boek heeft geschreven: “Leven en lijden der ballingen in Siberië.” Ook was het eenigen weinigen gelukt naar het buitenland te ontsnappen, zooals Bakunine, Kropotkine, Stepniak, Lavroff, Tcherkesoff en anderen, die gedeeltelijk te London leven, gedeeltelijk te Parijs leefden zooals Lavroff.
In den laatsten tijd bewijzen de aanslagen op twee ministers, die beiden gedood werden, de verschillende aanslagen op den politiechef, generaal Trepoff, de onderscheidene studentenoproeren en ook het ontwaken van krachtig leven onder de arbeiders en boeren, het weder-opleven van de meer revolutionaire nihilistische beweging.
Maar de beschrijving van de Russische beweging zou niet volledig zijn, als wij geen melding maakten van een man, die, hoewel in anderen geest werkende toch ook arbeidde aan de ondermijning van het gezag. Wij bedoelen graaf Leo Tolstoï, die zegt niet revolutionair te willen werken door geweld te stellen tegenover geweld, maar wiens lijdelijk verzet, zich openbarende in weigering van krijgsdienst, belastingbetaling, eed, enz. in één woord alle dingen die den mensch in aanraking brengen met den staat, toch evenzeer revolutionair werkt, al is het in anderen vorm.
Geboren in 1828 behoorde ook hij tot de aanzienlijkste geslachten van Rusland. Na het leven volop genoten te hebben, kwam hij tot zichzelven en vormde zich een ernstige levensbeschouwing op den grondslag der Bergrede. Dat hij het lot niet deelde van zoovele Nihilisten, door verbannen te worden naar Siberië, is alleen te danken aan de omstandigheid dat men hem niet aandurft, gedragen als hij wordt door de sympathie van duizenden, vooral in Engeland, waar zijn letterkundige werken hoog staan aangeschreven. Levende op zijn landgoed Jasnaïa Poljana verricht hij veel arbeid, ook handenarbeid, is eenvoudig in alle opzichten en wordt door zijn omgeving aangezien voor een soort van heilige. Eindelijk heeft de Heilige Russische Synode den banvloek over hem uitgesproken als een afvallige (1901), maar niettemin blijft hij rustig leven op zijn landgoed, ofschoon het verblijf te Moskou hem ontzegd moet zijn. Hoewel oud van jaren, openbaart hij een groote vruchtbaarheid van geest door de talrijke werken, die hij nog steeds uitgeeft op allerlei gebied. Wij hebben reeds vroeger een en ander over hem medegedeeld en kunnen dus met deze korte aanstipping voldoen, maar meenden zijn naam niet onopgemerkt te mogen laten te dezer plaatse, waar wij kortelijk de Russische beweging behandelen. Hoofdzaak is voor hem, dat elke hervorming moet uitgaan van het innerlijke van den mensch zelf en dat de richtsnoer van het leven is aangegeven in de woorden: “ik ben in het midden van u als één die u dient” (Luk. 22:27) en dus het beginsel der dienende liefde moet volgens hem gemaakt worden tot het grondbeginsel des levens.<ref>Zie voor meer bizonderheden Hoofdstuk I, afdeeling B, Christelijk anarchisme.</ref>

4. Moderne staatsromans.

Na de reis naar Ikarië van Cabet en de stichting der kolonie volgens dat plan hoorde men in geruimen tijd niets van dergelijke boeken, totdat tegen het laatst der eeuw zoowel de behoefte naar zulke tastbare vormen eener gemeenschap als de lust tot proefnemingen met nieuwe kracht ontwaakte. Vooral het Anglo-Saksische ras houdt niet van bespiegelingen, maar wil liefst op aanschouwelijke wijze de doorvoerbaarheid van een plan zien aangetoond. Praktisch als het is, wil het proefnemingen wagen en zien, om daarna te oordeelen.

In 1887 verscheen er in Amerika een boekje Looking backward, 2000–1887, in het Hollandsch vertaald onder den titel In het jaar 2000<ref>Internationale Bibliotheek. Edw. Bellamy. In het jaar 2000. Vertaling van F. van der Goes.</ref>, dat een ongekenden opgang zou maken. In betrekkelijk korten tijd werden er 300.000 exemplaren van verkocht en hoe groot nu het aantal is, kan moeilijk begroot worden, ofschoon men weet dat het de half millioen verre overtreft. De schrijver Bellamy (1850–1899) was binnen korten tijd de meest bekende auteur van zijn tijd, die mannen als Marx en Engels direkt in de schaduw stelde. Waaraan was die verbazende opgang te danken?
Bellamy vertelt ons zelf, dat hij zich vooraf zeer weinig heeft bezig gehouden met de wijsbegeerte van het klassenonderscheid. in onze maatschappij of met sociologie en ekonomie, ook dat hij er nooit aan gedacht had op sociaal gebied als hervormer op te treden. Als letterkundige was hij bezig aan een roman uit het sociale leven, waarvan de handeling plaats had in de verre toekomst. Daarin speelde de produktie en de verdeeling der goederen een ondergeschikte rol. Daar hij nu voor een schildering van de toekomstige ekonomische toestanden geen aanknoopingspunt vond in het heden, moest er wat nieuws worden gemaakt en nu kwam hij op de gedachte om met behulp eener militaire organisatie de heele manier van produceeren en uitdeelen te regelen en de heele maatschappij op die militaire leest te schoeien. Zoo zette hij zijn roman in elkaar, die bizonder in den geest van het publiek viel. Dus deze sensatieroman heeft zijn ontstaan te danken aan een gelukkigen oogenblikkelijken inval en is geenszins het weldoordacht werk van iemand, die zich ernstig bezig hield met de toekomstige vormen eener maatschappij. In Liberty van Tucker kon men toen ter tijd lezen: “men heeft zeker al gehoord van het zotte boek Looking backward, dat door ongeveer 1 millioen menschen gelezen, door velen van wie Edward Bellamy, de schrijver, beschouwd wordt als een soort messias en zijn boek als den bijbel van het socialisme. De opgang van dit boek is een der grootste dwaasheden, die ooit bestaan hebben. Aangenomen dat het bewezen kon worden, dat de heer Bellamy dit boek geschreven heeft als een satire op het socialisme en het voltooide manuskript als geschikt voor den druk heeft ter hand gesteld aan de heeren Harper en Zoon en dat deze firma, ofschoon het manuskript niet geheel verwerpende, toch weigerde om het uit te geven, wanneer de satire niet wat minder overdreven gegeven en er een grootere mate van waarschijnlijkheid aan toegekend werd, aangenomen dat dit een feit is –en het wordt overal bekend gemaakt– dan wordt niet alleen een man onmogelijk gemaakt, die nu als socialist poseert, maar aan duizenden zwakgeestige maar welmeenende personen zouden daardoor misschien lange en profijtlooze geestelijke wandelingen en aan dit land een bittere autoritair-socialistische ervaring bespaard worden. Persoonlijk kan ik niet instaan voor de juistheid der beschuldiging, maar ik kan wel zeggen, dat ik mijn kennis heb gekregen door een lid der firma Harper en Zoon en door drie personen, aan wier geloofwaardigheid ik geen reden heb te twijfelen. Is deze voorstelling der zaak geheel en al onjuist, dan moet zij geloochend worden; is zij gedeeltelijk onjuist, dan moet zij verbeterd worden, maar is zij juist, dan is het hoog tijd, dat het volk hiermede in kennis wordt gesteld.”
In elk geval wij hebben hier niet te doen met een wetenschappelijk man en kunnen dus zijn voorstelling niet ernstig opnemen, veel minder zijn boek verheffen tot het evangelie van het socialisme. Het is een roman van voorbijgaanden aard en reeds nu na ruim 10 jaren is hij bij velen al niet meer bekend dan bij naam. En dat is gelukkig ook, want als een socialistische maatschappij den dwangvorm van het daarin voorgestane staatssocialisme moet aannemen, dan ziet het er ongelukkig met den vooruitgang van het menschelijk geslacht uit. Een maatschappij van goedgevoede staatsslaven zonder initiatief en zonder wil, dat kan niemand een verheffende toekomst achten.
De voorstelling van den schrijver is deze: zekere Julius West, een rentenier, die zich weinig of niets aantrekt van hetgeen er in de wereld omgaat, wil gaan trouwen, maar wordt in zijn plannen gedwarsboomd door een werkstaking, zoodat zijn nieuwe huis niet wordt afgemaakt. Hierover vertoornd ging hij naar bed, maar daar hij leed aan slapeloosheid, had hij in zijn huis te Boston een onderaardsch gewelf laten maken, waar zijn bed stond, terwijl hij door een luchtpijp den noodigen aanvoer van frissche lucht kreeg. Sliep hij eenige nachten niet, dan liet hij zich door een magnetiseur hypnotiseeren en des ochtends door zijn knecht wakker maken. Ook ditmaal deed hij zulks, maar men vergat hem wakker te maken, want er had een geweldige brand plaats, zoodat het heele huis van hem boven zijn hoofd afbrandde met zijn knecht inkluis. Algemeen dacht men dat ook dr. West was verbrand. Een eeuw ruim later, in het jaar 2000, gaat men op die plek een laboratorium bouwen en bij het leggen der fundamenten stuitte men op een gewelf, en het openende, vond men er den slapenden man. In het huis van dr. Leete gebracht, wordt hij voorzichtig wakker gemaakt en nu krijgt men in het boek de beschrijving hoe de wereld er in dien tijd uitzag. Het volk was de eenige kapitalist en grondeigenaar en om nu alles in orde te houden had men den algemeenen arbeids-plicht ingevoerd van 21 tot 45 jaar. Na dien tijd is men geheel vrij om te doen wat men wil. De eerste drie jaren zijn gewijd aan het grove werk, gedurende welken men staat onder strenge tucht en de jonge lieden zijn zeer blij deze school te verlaten en over te gaan tot de betrekkelijke vrijheid van den bedrijfsarbeid. In navolging van het leger speelt de tucht in die maatschappij een groote rol. “Verwaarloozing van arbeid, bepaald slecht werk of andere grove nalatigheid bij menschen met kwade gezindheid – de tucht in het leger is veel te streng om iets van dit alles toe te staan. Een man, die in staat is zijn plicht te doen en dezen bij voortduring weigert, wordt op water en brood in de cel gezet tot hij zijn werk hervat.” Men heeft verschillende klassen en rangen, een heele bureaukratische, hiërarchische inrichting. Door drie klassen loopt de bevordering naar den officiersrang en vandaar door de luitenantsplaatsen naar den kapiteins- of hoofdmans- en den kolonels- of opzichtersrang. Dan komt de generaal van het gild, onder wiens onmiddellijk toezicht alle werkzaamheden van het gild worden verricht. Deze generaals hebben een prachtige positie, die allen toelokt, maar boven hen staat de chef van een der 10 groote afdeelingen of groepen van verwante vakken. Deze tien opperhoofden hebben elk een twaalf- tot twintigtal gildegeneraals onder zich. Eindelijk staat boven deze tien opperofficieren, die zijn raad uitmaken, de hoofdaanvoerder, die tevens president is van de Vereenigde Staten. Iedereen moet van onderop beginnen en alle rangen doorloopen. De generaal van het gild benoemt voor de rangen onder hem, maar hij zelf wordt niet benoemd, hij wordt gekozen en wel niet door zijn ondergeschikten, neen door de eereleden van het gild, dat zijn dezulken die hun tijd hebben uitgediend en dus 45 jaar zijn en daarboven. Hoe de schrijver over de anarchisten denkt, ziet men daaruit, dat hij hen voorstelt als de partij van de roode vlag, die betaald werd door de groote monopolies, om den vreesachtigen schrik aan te jagen en zoo alle werkelijke hervormingen tegen te houden. Nadat alles nauwkeurig is verklaard aan Julius West, gaat hij zelf met dr. Leete, of wel met diens vrouw en dochter, de nieuwe maatschappij van Boston in oogenschouw nemen. Hij vindt geen armoede. Het gebruik van geld is onbekend. In de plaats van de vroegere winkels vindt men magazijnen, waar men stalen kan zien van hetgeen men wenscht en daarna zijn bestellingen doen. De waarde van het genomene wordt op de kredietkaart, die elkeen heeft, afgeschreven. De scholen staan voor iedereen open en naast de geestelijke ontwikkeling, draagt men ook zorg voor de lichamelijke, zoodat men een gezond en sterk geslacht heeft aangekweekt. Gevangenissen bestaan er niet, elk misdrijf wordt als een ziekte beschouwd en behandeld in een ziekenhuis. Rechtbanken, juristen en advokaten, dat alles is verdwenen. Alle kwesties onderling worden beslecht door een enkelen rechter en alleen voor hoogst ernstige zaken zijn drie rechters noodig. Alles is eenvoudig, omdat er geen privaateigendom bestaat en al is het erfrecht niet geheel afgeschaft, het is beperkt tot gebruiksvoorwerpen, waardoor men voorkomen heeft de ophooping van rijkdommen.
Het zou in dien nieuwen toestand slechts een last worden om veel te erven, want men zou geen raad weten met al die voorwerpen, daar zij toch niet verkoopbaar zijn. De familie behoudt meestentijds enkele zaken, waarop zij gesteld is, tot herinnering of aandenken, maar laat gewoonlijk alle verdere rechten op de nalatenschap varen. Wat de vrouw betreft, haar positie is een geheel zelfstandige. Er heerscht in het vrouwelijk arbeidsleger dezelfde tucht en aan het hoofd ervan staat een vrouwelijk generaal. Daar de vrouw een onafhankelijke plaats in de maatschappij inneemt, is de omgang der geslachten ongedwongen en eerlijk. Het huwelijk is heilig en steunt nu natuurlijk op liefde. Ongehuwden worden beschouwd als menschen, die tekort schieten in hun verplichtingen. In ‘t geheel ziet men de ontwikkeling eener kollektivistische maatschappij, steunende op dwang en tucht. Natuurlijk raakte Julius West verliefd op de dochter van dr. Leete, maar opnieuw gaat hij droomen, en wakker geworden bevindt hij zich weer in de oude maatschappij der 19de eeuw.
Hoewel geen utopie in den engeren zin van het woord, levert de schets van Fritz Mauthner: Een Aturiër op de bovenwereld een aardige kritiek op de bovenwereldsche aarde<ref>Dit boekje doet ons denken aan de geestige Onderaardsche Reis van Niels Klim van Lodewijk von Holberg uit het jaar 1741, in het Hollandsch vertaald onder de benaming van Klaas Klim, waarin de staten met hun vele wetten geestig worden bespot, maar waarin zonderlingerwijze de eigendomsverhoudingen heelemaal niet ter sprake komen.</ref>. Aturiërs kunnen niet liegen en nu moet natuurlijk de Aturiër, die een bezoek aan onze aarde maakt, steunende op en doortrokken met leugens, aldoor allerzonderlingste ervaringen op doen. Ook de lezing van George Pellerin’s Le monde sous deux mille ans<ref>De wereld over twee duizend jaar.</ref> is niet onaardig, hoewel het boekje weinig bekend is. Eenzelfde onbekendheid heeft het boek van Chirac: Si … étude d’après demain (Als… een sociale studie van overmorgen). Deze stelt iemand voor, die gevlucht was naar de Zwarte Zee, om met de Russische boeren te leven in hun Mir, maar toen hij hoorde hoe in Europa de strijd was losgebarsten en hoe men ook in Frankrijk aan het verwerkelijken was van het socialisme, keerde hij naar zijn land terug. In Duitschland hadden de aanhangers van Karl Marx aanvankelijk getriomfeerd, maar toen de maatschappij aldaar verpletterd werd onder het gewicht van reglementen en bepalingen, veel scherper dan tevoren, werd alles wederom omvergeworpen en de arbeiders hadden hun socialistischen kanselier zelven doen vallen na hem eerst te hebben toegejuicht en een bourgeois-diktator, de zoon van Bismark, zwaaide den schepter. In Frankrijk teruggekomen vindt hij daar een algeheele regeling der publieke diensten. Nergens een regeering, maar het beheer der dingen voor het hoogste nut der personen. Bevreesd voor centralisatie en hiërarchie heeft deze schrijver getracht dit bezwaar zooveel mogelijk te ondervangen. Vandaar dat het dwangstelsel bij hem niet op den voorgrond treedt zooals bij Bellamy.
Ook de bekende dichter William Morris waagde zich aan een utopie en wel zulk eene, die volgens Quack “uit het oogpunt van kunst en stijl de eenige is uit den kring der zoogenaamde staatsromans, die naast de Utopia (van Thomas Morus) zijn rang houdt,” omdat “die andere staatsromans zwaar zijn van beweging en knarsend en romantisch opgesierd als Cabet’s Icarie, gelijkvloersch, eenigszins vulgair, leuk betoogend als Bellamy’s geschrift of handig kunstmatig prospectus-achtig in elkaar gezet als Herztka’s Freiland.” Zijn boek heet News from Nowhere (Nieuws uit Nergensoord)<ref>Internationale Bibliotheek: William Morris, Nieuws uit Nergensoord. Vertaling van F. van der Goes.</ref> en reeds die naam doet denken aan Thomas Morus, die immers ergens zegt, dat hij er eerst over gedacht heeft, zijn utopia te noemen Nusquama van Nusquam, nergens. En het is er de waardige evenknie van. Morris heeft getracht den dwang zooveel mogelijk te verwijderen en een maatschappij in te richten op vrijen grondslag overeenkomstig zijn anarchistische overtuiging en krijgt men van Bellamy’’s maatschappij den indruk: ik wou er graag weer uitloopen en liefst zou gauw mogelijk, – in Morris geschetste wereld wil men wel vertoeven, want er is plaats voor de ontwikkeling van het individu, dat bij hem niet ondergaat in de gemeenschap. Doordat hij bedacht is op de artistieke omgeving, maakt hij deze ook aantrekkelijk. Wat er ons in hindert, is dat alle vorderingen van den menschelijken geest op zij worden gezet, zoodat machines, spoorwegen, ijzeren bruggen, enz. verdwijnen en het landwerk weer de plaats inneemt van den machinalen arbeid. Wij kunnen ons den tegenzin begrijpen tegen de moderne fabrieken, waarin de mensch in plaats van een zelfdenkend en zelfhandelend wezen wordt verlaagd tot een werktuigelijk handlanger, een aanhangsel der machine, maar wij vragen ons zelven af, of dit gevolg noodzakelijk verbonden is aan de machine en of niet bij het gemeenschappelijk bezit der machines zoowel als bij de verdere volmaking ervan alle nadeelen kunnen weggenomen worden, die er nu aan kleven. Neem b.v. den eentonigen, geestdoodenden en verstompenden arbeid van den letterzetter en zeg dan of de zetmachine, die den mensch daarvan verlost, niet een zegen mag heeten. En dit geldt van verreweg de meeste vakken evenzeer. In de maatschappij, zooals hij zich die droomde, is de gemeente, de kommune het zwaartepunt en daarin regelen de burgers alles volgens onderlinge vrije schikkingen. Geen staat of regeering drukt terneer, geen wet of gezag speelt den baas over den mensch en tegenover het tijdvak der georganiseerde tirannie, tegenover de piramide der slavernij steekt schitterend af de gemeenschap van vrij denkende, vrij handelende menschen.
Hoe Morris denkt over het parlementarisme, kan men hieruit afleiden dat hij het parlementsgebouw heeft gemaakt tot een “mest-markt”, want “ons tegenwoordig parlement kan bezwaarlijk onder één dak worden gebracht, daar het ’t geheele volk omvat”. En eigenaardig is het kleine hoofdstuk, dat handelt over de politiek, feitelijk alleen om te zeggen “dat wij met politiek erg gelukkig zijn, omdat – wij geen politiek kennen”. Maar evenmin kent men daar rechtbanken, politie, justitie, wetten, gevangenissen, enz. Werd de onwillige bij Bellamy in een cel gezet op water en brood –en dit onderstelt een gebouw met cellen en wat is dat anders dan een gevangenis? en ook cellenbewaarders en wat zijn dat anders dan gevangenbewaarders?– laat hij den man, die geweld pleegt, aan zijn eigen nadenken en berouw over.
Eigenaardig is het hoe hij de meerder- en minder-heidskwestie oplost. Iemand komt met een voorstel, een plan of wat ook. Vindt hij bij niemand steun, dan vervalt het vanzelf, maar vindt hij steun, dan wordt er over beraadslaagd, de argumenten voor en tegen worden bekend gemaakt en overwogen. Eindelijk gaat men tot stemmen over. Is het verschil van voor- en tegenstanders gering, dan wordt de zaak verdaagd; verschilt het veel, dan vraagt men aan de minderheid, of zij zich bij den wil der meerderheid wil neerleggen. Meestal geschiedt dit, maar bij weigering wordt de zaak uitgesteld. Zoo tracht men te geraken tot zooveel mogelijk overeenstemming en kan men het niet gedaan krijgen dat niemand zich beklaagt, toch tracht men door overreding en uitstel het aantal tegenstanders tot een minimum te beperken en dit zou dan niet verplicht zijn aan iets te werken, wat tegen zijn wil werd tot stand gebracht. Natuurlijk is de maatschappij op den arbeid gegrondvest en waar elkeen de vrijheid heeft om te doen wat hij het best en het liefst kan doen, daar zal men dezen verrichten ook zonder dwang.
Als men vraagt hoe men tot die betere maatschappij is gekomen, dan luidt zijn antwoord: door een algemeene, in alles doorgevoerde werkstaking. Voor Morris is deze de revolutie. Daardoor kwam men tot een wapenstilstand, later tot een vergelijk en toen kwam de tijd van gelijkheid en gemeenschap. Hij eindigde met wakker te worden en te bemerken dat hij niet leefde in de schoone wereld die hij gedroomd had, maar, zegt hij, als ook anderen kunnen zien wat door hem is aanschouwd, dan is het een openbaring eer dan een droom.
Men zal goed doen ook zijne schoone fantasie over John Ball, getiteld: a dream of John Ball (een droom van John Ball) te lezen.

De bekende dr. Hertzka gaf in zijn Freiland ook een toekomstbeeld, maar hem was het tegelijkertijd te doen om velen op te wekken tot een proefneming met de door hem verwerkelijkte denkbeelden. Dit boek tracht ook zooveel mogelijk de vrijheid van het individu te handhaven naast het leven in de gemeenschap. Zijn doel was om, bij onbeperkte toekenning van het individueel zelfbepalingsrecht, aan elk die arbeidt het geheele en onverkorte genot der vruchten van zijn eigen arbeid te waarborgen. Later gaf hij nog een boek uit: Entrückt in die Zukunft, sozialpolitischer Roman, in het Hollandsch vertaald onder den titel: Een droombeeld van de Toekomst.<ref>Bij P.W. Wezel te Haarlem.</ref> Dit boek is weer evenals verreweg de meeste Duitsche wat zwaar op de hand, men mist er de artistieke meesterhand in van een Morris. Maar aan deze boeken is een geschiedenis verbonden, want het gelukte Hertzka geestdrift genoeg te verwekken om zijn ideën ten uitvoer te gaan brengen en verschillende Freilandvereenigingen te stichten. Tot tweemalen toe werd een proefneming gedaan, eens in Afrika en een tweede maal in Venezuela, maar beiden zijn jammerlijk mislukt. Wat eigenaardig mag heeten, is dat dr. Hertzka zelf thuis bleef en niet als Cabet medetoog naar verre gewesten om te zorgen dat zijn denkbeelden trouw werden nagekomen. Men zou geneigd zijn hieruit af te leiden dat hij zelf niet te veel vertrouwen in de uitvoerbaarheid zijner plannen stelde.

Wij moeten ook nog melding maken van een boekje, dat kwam van de zijde der landnationalisators en getiteld: My dictatorship, in het Hollandsch vertaald onder den titel: Toen ik dictator was.<ref>Bij H.D. Tjeenk Willink te Haarlem.</ref> Daarin wordt een maatschappij geteekend, waarin de single-tax<ref>Een belasting op den grond als eenige belasting.</ref> van Henry George is ingevoerd onder het absoluut diktatorschap van een aanhanger van diens leer. Als de grond in aller handen is, zoodat de toegang tot de schatkamer der natuur is geopend en al wat daaruit te voorschijn wordt gehaald, toebehoort aan den man, die den grond bewerkt, dan zal volgens dezen schrijver geen armoede meer bestaan en het fundament is gelegd voor het kommunisme, dat hij acht “den laatsten vorm van maatschappelijke samenleving”. Ook wil de schrijver zijn toevlucht niet nemen tot dwang, want zijn “ideaal van een modelstaat gaat niet op in een verzameling van eenige millioenen stuks menschelijk vee, dat goede voeding heeft en een dak boven het hoofd”.
De Italiaan dr. Giovanni Rossi (Cardias) heeft in zijn boek Utopie und Experiment<ref>Dit is een Duitsche vertaling van enkele werkjes van Rossi: un comune socialista; Cittadella in Comune di Stagno Lombardo, Cremona; Cecilia in Palmeira, Parana, Brazilia; Parana; XX seculo, verzameld en vertaald door Sanftleben.</ref> zoowel zijn utopiën als zijn proefnemingen medegedeeld, een boek dat een voorlooper is van Bellamy’s Het jaar 2000. Het dateert reeds van 1878. Het eigenaardige is dat hier tweeërlei proefnemingen worden verhaald, eene in kollektivistischen en een in anarchistischen zin. De eerste had plaats te Cittadella bij Stagno Lombardo, in de provincie Cremona, de tweede te Cecilia bij Palmeira, Parana in Brazilie. Beiden mislukten. De schrijver voegt nu aan de beschrijving dezer proefnemingen toe een utopie, die hij betitelt: Parana in de 20ste eeuw, waardoor hij het bewijs levert, dat het vertrouwen in zoo’n kolonie bij hem nog ongeschokt is. Hij noemt haar een visioen van een beschonken mensch door hemzelven verteld. Het boek is zeer leerzaam en aanbevelenswaardig vooral voor hen, die lust hebben in de stichting van zulke kolonies.
Echt sociaaldemokratisch is weer het boek van Johann Petzler, getiteld: Grosse Jubiläumsfeier und imposanter Triumphzug in Erinnerung des hundertjährigen Bestehens der Sozialdemokratischen Staatseinrichtung in Britannien 1897. (Groot jubilaeum en indrukwekkende triomftocht ter herinnering van het honderdjarige bestaan der sociaal-demokratische staatsinrichting in Britannië). Deze schrijver had reeds vroeger, 1879, in zijn: Die sociale Baukunst (de sociale bouwkunde) getoond, hoe zijn liefhebberij was om een staatsgebouw in elkaar te knutselen. Nu gaat hij een stap verder en met het oog der verbeelding ziet hij reeds het bestaan van zulk een maatschappij gedurende 100 jaar, zonder zich de vraag te stellen of het waarschijnlijk is dat denkende menschen zich vrijwillig 100 jaar lang zullen neerleggen bij een toestand, waarin hun de vrijheid wordt beroofd. Om een kleine proeve te geven van het stelsel dat daar heerscht, willen wij aanhalen de 3 straffen, die toegepast worden tegen hen, die tegen de tucht misdoen. Overigens de schrijver zegt zelf dat “dezelfde tucht als een geregeld leger van werkelijke soldaten” vereischt wordt in het groote arbeidersleger en daar wij weten dat de tucht in het leger berust op blinde gehoorzaamheid aan de superieuren, in wier handen men wordt tot willooze werktuigen, komen wij tot de konklusie, dat het ideaal van dezen schrijver is een maatschappij van willooze individuën, die onder tucht staan van de personen, welke boven hen zijn gesteld.
Welnu er bestaan dan drie straffen:

  1. lichte vergrijpen, die bekend worden gemaakt in de betreffende vakbladen;
  2. bij grootere vergrijpen tegen den arbeidsplicht en tucht wordt een arbeider afgeroepen van zijn lichten en aangenamen arbeid en gezet aan zwaren;
  3. bij hardnekkige weigering om te werken en willekeurig vernielen van materiaal en het stuk maken van gereedschap wordt een arbeider gestraft als een misdadiger en in de gevangenis gestopt, waar hij zwaar moet werken en soberen kost krijgt.

Overigens komt deze voorstelling overeen met hetgeen rondspookt in de hoofden der meeste sociaaldemokraten. Of was het niet Emile Vandervelde, die in de zitting der Belgische Kamer van 8 Maart 1895 verklaarde: “als er een socialistische regeering is, zou deze genoodzaakt zijn om een korps gendarmes te houden ten einde de misdadigers tegen het gemeene recht te arresteeren en daarom willen wij niet tegen de begrooting stemmen en moeten wij buiten stemming blijven”?
Wij zouden nog kunnen spreken over verschillende geschriften van deze soort, die min of meer belangrijk zijn, zooals Caesars Column, a story of the twentieth century by Edmund Boisgilbert (Caesars kolom, een geschiedenis der 20ste eeuw), een tegenhanger van Bellamy’s boek, waarvan de inhoud door dezen schrijver wordt samengevat in het motto: “in plaats van Bellamy’s schilderij van vrede en tevredenheid hebben wij een toekomst van geweld en bloed, de resultaten van den hoogmoed en zelfzucht der beschaving.” Verder het boek van Paul Mantegazza: Het jaar 3000. Een droom, wat echter minder een sociale dan wel een medische en technische utopie was. Dan het boekje in het Nederlandsch van J.R. getiteld: Het jaar 1999, waarin ook een poging gedaan wordt, om de maatschappij te vervormen tot een gezellige wereldorde, waarin elkeen werkt, maar gemeenschappelijk met eenige anderen verbonden tot een kring van werkers, een vriendenkring dus als grondslag van de geheele maatschappelijke organisatie. Ook Elysée Reclus, de beroemde aardrijkskundige, gaf in den Almanach de la Question sociale van Argyriadès van 1897 in tegenstelling van de Civitas Dei der katholieke kerk een korte schets van “la Cité du bon Accord”, de stad van goede harmonie, waarin elk brood zal hebben maar ook vrijheid en waarin het begrip van staat geheel ter zijde is gesteld. Paul Adam ontwierp in zijn Lettres de Malaisie ook een utopie, althans hij toonde in die brieven de bespottelijke inrichting der hedendaagsche maatschappij, terwijl Bellamy in een tweede boek Equality het eerste haast te niet deed. Men zegt dat de denkbeelden van dit tweede, waar meer ruimte is gegeven voor vrijheid en individueele ontwikkeling, de zijnen zijn, terwijl hij in het eerste boek een satire heeft willen schrijven op den dwangstaat der sociaaldemokratie.
Vermelden wij ook nog Oswald Kühler’s Der sozial-demokratische Staat. Grundzüge einer muthmasslichen ersten Form sozialdemokratischer Gesellschafts-Verfassung (De soc.dem. Staat. Grondtrekken van een vermoedelijk eersten vorm van een sociaaldemokratische maatschappelijke regeling) en A.J. Burgeon’s “Sozialismus für Alle”, als zoovele bewijzen, dat de utopisten nog verre van uitgestorven zijn.
Ofschoon het terrein vrij wel schoon gemaaid is, gelukte het Jean Grave toch nog een aardig boek uit te geven, getiteld: Les aventures de Nono, dat geïllustreerd bij Stock te Parijs verscheen en dat een uitstekend boek is voor jongelieden, om hen in te wijden in het land van Autonomie, een toekomstwereld bevrijd van alle akeligheden, die onze hooggeroemde beschaafde maatschappij nog maar al te zeer aankleven.
Men ziet dat de oogst rijk is en velen in het rijk der fantasie zoeken, wat hun in de werkelijkheid niet is geschonken. Meer dan als spelingen van het vernuft kunnen deze boeken niet beschouwd worden, daar de maatschappij als levend en groeiend organisme niet gemaakt wordt naar zoo’n boek, maar zich ontwikkelt uit vorige toestanden om ten slotte te komen waar zij wezen moet.

5. De sociaal-anarchie en de toekomst.

De dwaling, alsof het socialisme zou zijn voortgekomen uit het brein van den een of anderen denker en dus iets kunstmatigs zou zijn, heeft langzamerhand plaats gemaakt voor een gezonder en beter opvatting. “Die Zeit macht ihre Geister, Die Geister nicht die Zeit”<ref>De tijd maakt zijn eigen geesten, de geesten maken niet den tijd.</ref> – zegt Goethe naar waarheid. Het waren integendeel de treurige verhoudingen, die bestonden en waarop de aandacht viel van menschen met hart, om naar aanleiding daarvan hun verstand te scherpen ten einde te zoeken naar de oorzaken van zulke treurige gevolgen. Zij toonden aan dat het stelsel, dat tot zulke uitkomsten leidt en leiden moest, noodlottig was en dat allereerst diende uitgemaakt te worden of de mensch om de produktie dan wel de produktie om den mensch was. Het laffe deelingspraatje heeft zoo wat afgedaan en zij die het nog trachten te gebruiken, worden vrij wel door ieder verstandig mensch uitgelachen.
Aan den eenen kant zag men vooral in de laatste eeuw een vooruitgang op industrieel en wetenschappelijk gebied, die aan het ongelooflijke grensde. De voortbrenging is zoo reusachtig gestegen, dat men een opeenstapeling van waren heeft gekregen, die fabelachtig mag heeten, terwijl deze nog oneindig zou kunnen worden vermeerderd, als niet bij gebrek aan afnemers die voortbrenging moest worden beperkt. Dit is de reden waarom sommigen groote rijkdommen verwerven. Maar aan den anderen kant ziet men een vermeerdering van armoede en ellende of althans wanneer men dit ontkent, men bespeurt niet dat deze vooruitgang bijdraagt tot uitroeiïng der armoede of verlichting van den druk dergenen, die gedoemd zijn tot zwaren arbeid.
Integendeel “de kloof tusschen den rijken man aan de eene en den armen Lazarus aan de andere zijde werd wijder en de strijd om het bestaan werd slechts verscherpt”. In het zoo schoone eerste hoofdstuk van het werk van Henry George, getiteld: “Vooruitgang en Armoede,” spreekt deze de bewering uit, dat in de gegeven omstandigheden “stoffelijke vooruitgang uitloopt op nog zwaarder verdrukking der laagste klassen” en zegt hij dat het er veel van heeft “alsof een reusachtige wigge werd gedreven in de maatschappij, niet in haar bodem, maar door haar midden”, zoodat zij, “die boven het punt van scheiding zich bevinden, worden opgeheven, maar die er onder zijn worden ineengeperst en verpletterd.” Inderdaad dit is het groote raadsel, dat de Sphinx van het noodlot voorhoudt aan onze beschaving en dat deze moet oplossen, op straffe van vernietigd te worden en te gronde te gaan, want “zoolang de aangroeiende rijkdom tot niets anders dient dan tot opeenstapeling van groote vermogens, tot vermeerdering der weelde en tot verscherping van de tegenstelling tusschen het Huis van Hebben en het Huis van Ontberen, is de vooruitgang niet waarachtig en kan hij niet duurzaam zijn”. En dan wijst hij erop, dat er gebrek is, waar groote staande legers op de been worden gehouden, maar ook, waar staande legers slechts bij naam bekend zijn; waar bezwarende tarieven even dwaas als verkwistend den handel belemmeren, maar ook, waar de handel zoo goed als vrij is; waar een eenhoofdig bestuur nog heerscht, maar ook, waar het staatkundig gezag geheel in de hand des volks ligt; in landen waar papiergeld is en in landen waar goud en zilver het eenige betaalmiddel zijn. Dus daarin kan de oorzaak niet gelegen zijn en er moet een gemeenschappelijke oorzaak wezen, die er aan ten grondslag ligt.
Feitelijk zijn alle voorwaarden aanwezig om aan allen een behoorlijk, menschwaardig bestaan te bezorgen. Neem b.v. het westelijke deel van Europa of de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Daar vindt men rijke zeekusten, breede binnenwateren, flinke havens, vruchtbare landouwen, onuitputtelijke mijnen, een gematigd klimaat en een arbeidzame bevolking, dus met andere woorden alles is aanwezig om aan allen welvaart en voorspoed te bezorgen. En toch vindt men daar heele drommen werkloozen, scharen bedelaars, landloopers, krankzinnigen, gevangenen.
Is het wonder dat dergelijke verschijnselen, die zich naast elkaar openbaren, aanleiding geven tot nadenken?
Het socialisme is dan ook een natuurlijk verschijnsel, voortgekomen uit den bestaanden toestand zelf.
In een maatschappij van wezens, die er zich op beroemen met rede begaafd te zijn, zou men verwachten dat men allereerst deze vraag zou beantwoorden: wat moet er gedaan worden om, gegeven een zeker aantal menschen, die wonen op een bepaalde uitgestrektheid land aan kost, inwoning en kieeding te helpen, in één woord aan de eerste voorwaarden om als menschen behoorlijk te kunnen leven.
Maar niets van dat alles. Enkelen wisten zich te verrijken door zich land en water toe te eigenen en lieten hetzij door list, hetzij door geweld anderen voor zich werken, die afgescheept werden met een bedrag, groot genoeg om niet te sterven, maar te klein om er behoorlijk van te leven<ref>De armen hebben steeds zich hooren voorzingen: “Ontberen moet gij, steeds ontberen”! / Zoo luidt het eeuwige gezang, / Dat ieder onzer klinkt in de ooren, / Dat we, uur aan uur, ons leven lang / Met schorre stem herhalen hooren. (Goethe’s Faust.)</ref>. Mill kon naar waarheid getuigen, dat “de sociale organisatie van het hedendaagsch Europa tot uitgangspunt heeft de verdeeling van een eigendom, dat het resultaat was niet van een billijke verdeeling of van winsten met behulp der industrie, maar van verovering en geweld”. Dus onze maatschappij is volgens dezen denker een roofmaatschappij. Juist die onrechtmatige verdeeling van den rijkdom in omgekeerde reden tot den arbeid zelf, moest wel tot nadenken brengen en zoo waren het de socialisten, die zochten naar een anderen vorm voor de verdeeling van den rijkdom der aarde.
Allerlei formules werden aangegeven, steunende echter op een gemeenschappelijk eigendom van den grond en den bodem als het voornaamste arbeidsmiddel waar men niet buiten kan. Zoo weet men dat de Saint-Simonisten een verschillende belooning wilden toekennen aan de drie faktoren: Arbeid, Kapitaal en Talent, maar of een dergelijke verdeeling wel zal leiden tot de volledige vrijmaking van den arbeid, betwijfelen wij ten zeerste. Anderen willen het verbruik geregeld zien naar het arbeidsprodukt, zoodat als de arbeidsdag in Amerika 9 uur bedraagt en de gemiddelde waarde van de voortbrengst van elk werkman aldaar 10.194 frank per jaar, te Parijs 11 uur en een gemiddelde opbrengst van 6.123 frank per jaar, in geheel Frankrijk 12 uur en een gemiddelde opbrengst van slechts 3.342 frank, de verhouding bij de verdeeling van de arbeidsopbrengst zou moeten zijn in verhouding van 100, 60 en 33. De onbillijkheid van dezen maatstaf ter regeling van de belooning springt te zeer in het oog dan dat er vele woorden aan gewijd behoeven te worden. Immers ongelijkheid in natuur-gaven mag niet leiden tot ongelijkheid van rechten bij de verdeeling van het arbeidsprodukt, daar de kracht der spieren, de sterkte der zenuwen en de macht der hersenen afhankelijk zijn van omstandigheden, waaraan het individu zelf al heel weinig heeft bijgedragen. Een dergelijke belooning zou voeren tot de grootstmogelijke onbillijkheden en het resultaat daarvan zou zijn een zeer ongelijke maatschappij evenals de tegenwoordige. Het kwaad zou dus niet worden opgeruimd, hoogstens verplaatst.
Weer anderen willen loon naar werk of elkeen overeenkomstig zijn bekwaamheid. Als de arbeidsvergoeding evenredig is aan de arbeidsinspanning, dan is dit ongetwijfeld minder onrechtvaardig, maar bij eenig nadenken zal men moeten toegeven, dat die maatstaf toch ook niet rechtvaardig en dat de arbeidsinspanning ook niet zoo precies te bepalen is. Immers reeds dadelijk bespeurt men de moeilijkheid om een onderscheid in waarde te bepalen tusschen spier-, zenuw- en hersenarbeid. Elke arbeid heeft onmiddellijk ten gevolge een zekere slijtage van de lichaamsdeelen, die gebruikt worden. Elke gedachte zoowel als elke armbeweging vereischt een bepaalde hoeveelheid voedsel om het geleden verlies van levenskracht te herstellen. De ingenieur van Kol, schrijvende onder het pseudoniem van Rienzi, meent dat er wel werktuigen uitgevonden kunnen worden ter bepaling van de verschillende krachten, zoodat men bij elken arbeid door middel van de zoogenaamde dynamografen (krachtschrijvers) zal kunnen zeggen: zooveel spier-, zooveel zenuw- en zooveel hersenarbeid is er verbruikt. Door de trillingen in de potloodstreep wordt zichtbaar aangetoond wanneer iemand vermoeid is door hand- of van hersenarbeid. De vraag of handen- dan wel hersenarbeid den voorrang heeft, is vrij wel gelijk aan die der wijsgeeren, welke hun tijd verspilden met de vraag of de kip er eerder was dan het ei of wel het ei eerder dan de kip. Beiden kunnen ook niet gescheiden worden, daar er geen spier- of handenarbeid bestaat zonder hersenarbeid en evenmin hersenarbeid zonder spierarbeid. Beiden zijn even onmisbaar. Evenzeer als de valsche tegenstellingen van geest en stof, van lichaam en ziel bestreden moeten worden, evenzoo moet dit geschieden met de tegenstelling van handen- of spier- en hersenarbeid. Een Fransch schrijver, wijzende op de te eenzijdige ontwikkeling der hersenen in onze maatschappij, zei eens: “onze hersenen richten ons te gronde, alleen de spieren kunnen ons redden” en hij bedoelde hiermede den nadruk te leggen op het onafscheidelijk verband tusschen beiden voor een gezonde algeheele ontwikkeling der maatschappij. Het is mogelijk dat de uitdeelingsmethode bij de uitvinding van zeer volmaakte werktuigen zeer juist zou werken, vooral wanneer men er aan kon verbinden een werktuig, dat in het lichaam weer inpompte aan voedsel of andere benoodigdheden, wat er uitgepompt was door den arbeid. Maar hoe vernuftig dit ook schijnt, het blijft de vraag of zulk een methode rechtvaardig is en ook of zij niet weer de ongelijkheid, al is het in anderen vorm, zal doen terugkeeren, terwijl het samengestelde en ingewikkelde der zaak haar minder aanbevelingswaardig maakt. Het is voornamelijk onder de kollektivisten, dat men dezen maatstaf van verdeeling aanbeveelt.
De natuurwetten munten altijd uit door een bizonderen eenvoud, zoodat zij vallen binnen elks bereik. Zoolang men verband ziet tusschen werken en genieten, –waarop men wel terug zal komen, omdat dit niet ligt “in den aard der dingen”, in de natuur– verdient de oude kommunistische formule: “elkeen geeft naar zijn kracht en elkeen ontvangt naar zijn behoeften” verreweg de voorkeur. Wij voor ons kennen alsdan geen maatstaf, die zoo eenvoudig en tegelijkertijd zoo billijk is. Immers van niemand kan meer gevraagd worden dan hij kracht bezit en als men vraagt wie iemands kracht kan bepalen, dan zal het antwoord toch wel moeten luiden: het individu zelf. En al schijnt de formule dat elkeen ontvangt naar zijn behoeften eenigszins vaag, toch meenen wij dat ook de inhoud daarvan de eenige is, die aanspraak kan maken op juistheid en billijkheid. Wie zal de behoeften bepalen? zoo vraagt men en het antwoord luidt: wel, het individu zelf. Als men weet dat er genoeg is voor allen, dan zullen er geen verschillen ontstaan over de hoeveelheid die elkeen voor zich neemt. Neem b.v. de table d’hôte in een hôtel. Ofschoon er geen geschreven wetten of reglementen bestaan, gedraagt elkeen zich in den regel behoorlijk tegenover de anderen. Niemand zal den ander lastig vallen over de portie, die men neemt, omdat elkeen weet dat hij immers genoeg kan nemen om in zijn behoefte te voorzien. Is de voorraad groot genoeg, dan rijst er heelemaal geen bezwaar, want elkeen kan immers krijgen wat en zooveel als hij verkiest. Wanneer dit niet het geval is, welnu, wat is dan billijker dan dat men op rantsoen wordt gesteld evenals in een belegerde stad? En dit op rantsoen stellen zal er dan bovendien het eerste en spoedigste toe leiden, om den voorraad zoodanig te vermeerderen, dat elkeen naar verkiezing kan nemen. Kropotkine zegt dat de staathuishoudkunde even goed een wetenschap moet worden als de fysiologie (leer van de verrichting der organen in den mensch) en betitelt haar als de fysiologie der maatschappij (sociale fysiologie), om haar dan aldus te bepalen: de studie van de behoeften der menschheid en van de middelen om ze te bevredigen met zoo gering mogelijk verlies van menschelijke arbeidskrachten. Onmiskenbaar toch is het doel der voortbrenging om de gevoelde behoeften te bevredigen. Naarmate de mensch zich meer mensch gevoelt, stijgen zijn behoeften en ook te dien opzichte zal men dan den eenig rationeelen maatstaf aanleggen, nl. eerst het noodige voor allen, daarna het aangename en eindelijk het overbodige, d.w.z. voor elkeen datgene waarin hij het meeste lust heeft.
Ons komt het steeds voor, dat vele bezwaren, die nu worden opgeblazen tot hemelhooge bergen, in de praktijk zullen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Men zal zich vereenigen, zoodra een gemeenschappelijk belang daartoe drijft, men zal weer uiteengaan elk zijn eigen weg, als verkregen is wat men wenscht. En als algemeene formule kan niemand er iets op tegen hebben, om ernaar te streven “een maatschappij te vormen of voor te bereiden, die aan elk mensch de voorwaarden verzekert voor zooveel geluk als in elk tijdperk mogelijk zal zijn, in verband met den trap van ontwikkeling die de menschheid zal hebben bereikt”<ref>Sébastien Faure La douleur universelle. (Instaurer un milieu social qui assure à chaque individu toute la somme de bonheur adéquate à toute époque, au développement progressif de l’humanité).</ref>. Iets dergelijks stond ook Spinoza voor den geest, waar hij “het einddoel van den staat niet daarin zoekt om te heerschen, noch om de menschen door vrees in bedwang te houden en onder de heerschappij van een ander te brengen, maar wel ieder van vrees te bevrijden en hem, voor zoover dat mogelijk is, in veiligheid te doen leven, d.i. hem zijn natuurlijk recht om te bestaan en werkzaam te zijn zonder schade voor zichzelf en een ander, op de beste wijze te waarborgen. Het is niet het doel van den staat, de menschen van redelijke wezens tot beesten of zelfbewegende poppen te maken, maar wel dat geest en lichaam hunne verrichtingen ongestoord volbrengen en zij van de rede in vrijheid gebruik maken.”<ref>Godgeleerd-staatkundig Vertoog, Hoofdstuk 20.</ref> Spinoza kent alleen aan den staat als doel toe, wat slechts toepasselijk is op de maatschappij. Zegt men nu dat dit het streven is van het anarchisme en men heeft de vrees voor ’n woord overwonnen, dan zijn wij overtuigd dat alle weldenkenden dien weg opwillen. En al weten de anarchisten zeer goed, dat de maatschappij, het resultaat van eeuwenlangen strijd en onrecht<ref>Multatuli schreef zeer scherp, maar niettemin waar: “na 18 eeuwen goddienerij, na 4 à 5 eeuwen ridderschap en adel, nu ten laatste in de handen van bankiers te vallen – onze vooruitgang is van zonderlingen aard.”</ref>, niet op één enkelen dag kan worden verbeterd, toch moet men werkzaam zijn in die richting. Maar dan ook alles verwijderen, wat storend in den weg staat om dat doel te bereiken. En alle denkers, de besten uit alle tijden, reiken elkaar de hand waar zij erkennen, dat het lichtend ideaal, het leven in gemeenschap en broederlijkheid, geschetst door den schrijver der Handelingen, als een profetische openbaring geschreven zal worden boven den ingang van het Paradijs der menschheid.
Heeft men de huichelarij wel eens genoemd de onbewuste hulde, die de ondeugd brengt aan de deugd, men ziet ook hier hoe dikwijls de menschen, die uitgaan en uitgezonden zijn om het socialisme te vloeken, ten slotte het zegenen evenals zulks het geval was met Bileam uit de legende.
Schreef niet dr. Kuyper: “het socialistisch stelsel heeft al de sympathie van ons hart, spreekt het paradijs-heimwee onzer ziele toe en draagt, in tegenstelling met het concurrentie-stelsel, voor ons besef een hemelsch karakter”? Erkende hij niet: “metterdaad is de paradijs-toestand een toestand van menschelijke saamleving zonder particulieren eigendom, zonder arbeid in het zweet des aanschijns, zonder strijd over het mijn en dijn, zonder concurrentiestelsel en zoo ook zonder overheid”? Vreemd dat dezulken, die zoo spreken, achteruit krabbelen, waar het er op aan komt om dat hemelsch ideaal te verwerkelijken!
Zegt niet mr. N.G. Pierson: “de strijd tegen het socialisme –hoewel nog meer tegen het communisme, want het socialisme, wel bezien, is een compromis– is een strijd waarin men moet wenschen verslagen te worden; in dien zin namelijk, dat men wenschen moet te kunnen gelooven aan de nuttigheid en uitvoerbaarheid van hetgeen van die zijde wordt voorgesteld… Het heeft zijne priesters, zijne profeten, zijne martelaars, die ons, gelijk alle priesters, profeten en martelaars, vaak met bewondering vervullen. Maar wij kunnen niet aannemen, dat het een bruikbaren vorm voor het maatschappelijk leven heeft uitgedacht, en allerminst een vorm, die boven den bestaanden te verkiezen is”<ref>Leerboek der Staathuishoudkunde.</ref>.
Maar de socialistische beweging ontwikkelde zich niet, zooals de besten onder de socialisten haar gehoopt en verwacht hadden. Groot was de teleurstelling, die daardoor het deel werd van degenen, die het ernstig meenden met het socialisme. Toen zij in de oppositie waren gegaan, was het hun niet te doen om daardoor persoonlijk beter vooruit te komen. “Wie afkeurt, toone dat z’n oordeel rijp is, dat hij gewerkt heeft, en uit traagheid niet zich wijdde aan ‘t hedendaagsche modevak, aan ’t pis-aller der luiaards: oppositie." Zij zochten in den staat niet “hun zetel, hun carrière, een kaatsbaan voor de heeren van het hof, een draaibank van fortuintjes, een fabriek van Neurenberger eerzucht-duikelaars.”<ref>Multatuli.</ref> Die teleurstelling was grootendeels eigen schuld, omdat zij de menschen beoordeelden naar zichzelven en niet zooals zij in de werkelijkheid waren. Hun was het socialisme het doel, zelfs als gingen zij er persoonlijk bij onder; den anderen een middel om er te komen.
Neen, even hoopvol als de socialisten, vooral na 1880, de toekomst ingingen, niet twijfelende of de 19de eeuw zou niet ten grave dalen zonder een revolutie, die wel niet dadelijk alles in het goede spoor zou brengen, maar toch weer een krachtdadigen duw zou geven, blijkbaar noodzakelijk om den wagen van den vooruitgang een goed eind voorwaarts te doen gaan, althans uit het mulle zand te heffen waarin hij vast zat, –even teleurgesteld waren zij bij de intrede der 20ste, omdat de uitslag zoo weinig beantwoord had aan aller verwachtingen. Ik zeg opzettelijk aan aller verwachtingen, want er was in die dagen geen enkele “geachte” socialist van welke school ook, of hij leefde in de blijde hoop der dingen die aanstaande waren. Met welke stoute verwachtingen ging men het jaar 1889 niet te gemoet, het eeuwfeest der groote Fransche revolutie, die den bourgeois de heerschappij over de wereld schonk! De herinneringen van die dagen zouden herleven en wie weet –zoo dachten velen– of daardoor niet de geestdrift zou gewekt worden in de hoofden en harten der arbeiders, om hen een poging te doen wagen tot vrijmaking uit het huis der dienstbaarheid, waarin zij ondanks alle mooie woorden van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap gebleven waren. En ook de bourgeoisie gevoelde zich alles behalve op haar gemak. Getuige het de 1ste Mei van het jaar 1890, toen het internationale proletariaat voor de eerste maal uitvoering zou geven aan het besluit van het Internationaal kongres te Parijs van 1889, om in alle landen op te treden met denzelfden eisch, namelijk den achturigen arbeidsdag. Wij herinneren ons nog levendig, hoe de bourgeoisie zich had gewapend, om elke poging tot verzet nogmaals te smoren in bloed en het was voor de regeerende klasse een ware herademing, toen de berichten van overal meldden, dat er nergens iets gebeurd was.
Allen dachten dat het kapitalisme reeds zoover gevorderd was in het ontbindingsproces, dat het slechts een kleinen schok noodig had om uiteen te vallen. Zelfs mannen als Engels lieten zich verleiden, om zich te wagen op het gladde ijs der profetie en voor Duitschland den tijd vast te stellen op 1898. In den Almanach du Parti Ouvrier pour 1892 kan men in een artikel van zijn hand lezen, dat naar alle waarschijnlijkheid het stemmencijfer op sociaaldemokraten, dat in 1890 een totaal bedroeg van 1.427.298, zou stijgen in 1895 tot minstens 2½ millioen en dit getal zou omstreeks 1900 toenemen tot 3½ à 4 millioen. En hij voegt hieraan toe de woorden: “een aangenaam ‘einde der eeuw’ voor onze bourgeoisie”! Als hij was blijven leven, had hij kunnen zien, hoe hij zich ten tweeden male vergist had, want evenals hij in de Inleiding tot Marx’ "Klassenkämpfe in Frankreich 1848–1850" omtrent de revolutie van 1848 schreef:”de geschiedenis heeft ons en allen, die eveneens dachten, in het ongelijk gesteld“, evenzoo zou hij nu ervaren, hoe jammerlijk zijn profetie in het water viel en hoe het kapitalisme nog vast in het zadel zit, vaster dan men wel denkt.
De hoofdsterkte der Duitsche sociaaldemokratie ligt volgens hem geenszins in het aantal kiezers, want men wordt pas kiezer op 25-jarigen leeftijd, maar soldaat op 20-jarigen, en daar het jonge geslacht aan de partij het grootste aantal rekruten levert, volgt hieruit dat het Duitsche leger meer en meer aangestoken wordt door het socialisme.”Hebben wij nu 1 soldaat op de vijf, binnen enkele jaren zullen wij er 1 op de drie hebben, en tegen het jaar 1900 zal het leger, vroeger het meest Pruisische element van het land, voor de meerderheid socialistisch zijn. Dit tijdstip nadert onophoudelijk evenals een gevolg van het noodlot. De Berlijnsche regeering ziet het aankomen, evengoed als wij, maar zij is onmachtig. Het leger loopt haar tusschen de vingers weg."
En Bebel sloot zich bij deze beschouwingen van Engels zoodanig aan, dat hij op den partijdag te Erfurt zei: “ik ben overtuigd dat de verwezenlijking van onze laatste doeleinden zoo nabij is, dat er weinigen in deze zaal zijn, welke die dagen niet zullen beleven.” En toen Engels een omkeer van zaken in het vooruitzicht stelde tegen het jaar 1898 en Vollmar daarmede den spot dreef, schreef Bebel aan Engels: “oude, gij en ik, wij zijn de eenige ‘Jongen’ in onze partij.”
Men ziet hieruit welke sanguinische verwachtingen men toen koesterde.
Vergelijk hiermede de werkelijkheid en men begrijpt de teleurstelling, die zoovelen heeft aangegrepen, want een ieder gevoelt dat het militarisme eer versterkt dan verzwakt is en de oorlogen zoowel van Engeland in Zuid-Afrika als van de verbonden mogendheden in China, om niet eens te spreken van den oorlog van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika tegen Spanje, zijn zoovele bewijzen dat de macht van het ontwakende proletariaat niet groot genoeg was om ze te voorkomen of te stuiten.
Verre daarvandaan dat het socialisme het militarisme heeft verzwakt en ondermijnd, kan men zien dat de militaristische geest met zijn tucht en blinde gehoorzaamheid is binnengedrongen in de rijen der socialisten, om er zijn voor den vrijen en onafhankelijken geest verwoestenden invloed te doen bemerken. Of ziet men niet hoe de militaire dressuur weerkaatst wordt in de Duitsche sociaaldemokratische partij en allen die zich naar dat model hebben gevormd?
Evenwel het kapitalisme zat nog veel sterker in den stijgbeugel dan een hunner vermoedde. Zij hadden zich blijkbaar allen vergist. En wat zagen wij toen gebeuren in het laatste tiental jaren der 19de eeuw? Velen begonnen te denken: onze tijd houdt het nog wel uit en – na ons de zondvloed! Zij kozen den praktischen weg en trachtten onder dak te komen. Alleen de “onpraktische” menschen, de “dwepers” die uit beginsel den strijd waren begonnen, bleven ijveren voor het socialisme. De partij der strevers<ref>Geestig geschreven is Le manuel de l’arriviste. (Het Handboek van den arrivist) door Château, bij Villerelle te Parijs.</ref> –arrivistes, zooals Lafargue hen zeer juist betitelde– vond een nieuw en groot veld van werkzaamheid. Niet meer in zijn isolement zoekt men zijn kracht, men ging zich aanpassen aan de bestaande wereld en sommigen konden die kunst zoo uitnemend toepassen, dat zij zich thuis gevoelden in het gezelschap van keizers en koningen, grootwaardigheidsbekleeders van kerk en staat. Ja, hoeveel idealen zijn niet reeds te pletter geslagen tegen de rots der werkelijkheid! Hoeveel strijders, die in hun jeugd trouw zwoeren aan het vaandel, om “te strijden op het slagveld des geestes tegen domheid en tiranny,” zag men niet vallen, “het worstelen moede”, om de zaak der vrijheid te verraden om den lieven vrede; om een betrekking; om een eervolle onderscheiding; om een leven van gemak en weelde, aantrekkelijker dan zich altijd geminacht en achteruitgesteld te zien!
Nooit is een beweging zuiverder en meer idealistisch dan bij haar optreden. Geen eerzucht bederft haar, want er is niets bij te winnen en alles bij te verliezen. Men kent nog geen intrigues, geen kompromis, geen geest van opportunisme, gereed om de beginselen te plooien naar de belangen. Een weldadige geest van solidariteit, vrijheid en broederschap bezielt nog allen en men kan naar waarheid van alle deelnemers getuigen, dat zij één zijn van ziel en van geest. Het is in zulke tijden, dat de menschen zich weten te verheffen tot die hoogte, waarop zij in staat zijn hun goed, hun rust, zelfs hun leven ten offer te brengen voor hun beginselen. Dat zijn de apostelen, gereed om als de omstandigheden het eischen, martelaren te worden voor de zaak, waarmede zij zoodanig zijn ineengegroeid, dat de dood hun meer welkom toeschijnt dan een leven met prijsgeving van hetgeen hun boven alles lief en dierbaar is.
Treffend is de overeenkomst tusschen onzen tijd en het begin onzer jaartelling en al werd hierop reeds zoo dikwijls en van zeer verschillende zijden de aandacht gevestigd, toch moet het herhaald worden, omdat het waar is. Toen zoowel als nu een oude wereld aan het langzaam maar gestadig afbrokkelen en daarnaast een nieuwe wereld in wording, waarnaar men tastend zoekt zonder haar streng omlijnd voor zijn verbeelding te zien.
Dr. Kuyper omschrijft den toestand in het oude Rome met korte woorden aldus:<ref>Dr. Kuyper “Het sociale vraagstuk en de christelijke religie”.</ref> “ook toen het evenwicht der standen verbroken; tartende weelde naast schreiende nooddruft; onmetelijke kapitalen opeengehoopt en schamele armoede weggestopt in Rome’s achterbuurten: en als noodwendig gevolg hiervan: bederf in het staats-beheer; zingenot in stee van zedelijke aandrift toongevend in de publieke opinie; en de door nood en hartstocht vervoerde menigte elk oogenblik gereed tot opstand, moord en plundering.”
Geldt ditzelfde niet woordelijk van onze maatschappij? Ja, wordt men niet onwillekeurig getroffen door de sterke overeenkomst tusschen de maatschappij te Rome in het tijdvak der keizers en die van onze eeuw? Alleen zou men kunnen zeggen dat de weelde toen slechts kinderspel was in vergelijking van thans, en dat ondanks de afschafing der wettelijke slavernij de tegenstelling der standen nu nog scherper is dan toen, want wel is de slavernij afgeschaft, maar het heerenschap is gebleven, en zoolang dit bestaat, is die afschaffing slechts een verandering van naam.
De leer van den eenvoudigen timmermanszoon uit Palestina, “den Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid,” borg in haar schoot een vernieuwing der wereld, en ondanks de bitterste vervolgingen waaraan haar aanhangers blootstonden –men denke b.v. aan Paulus, die vijfmaal veertig slagen min één ontving, die driemaal met de roede gegeeseld, eenmaal gesteenigd is, die “in slagen uitstekender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal” is geweest– wisten zij in het betrekkelijk korte tijdsverloop van drie eeuwen de wereld te veroveren, zoodat een der beste keizers, de wijsgeerig aangelegde Juliaan, door de christenen voorzien van den bijnaam de Afvallige, na een leven van strijd tegen de naar zijn meening verderfelijke sekte der christenen, stervend moest zeggen: “zoo hebt gij toch overwonnen, gij vervloekte Galileër”!
De groote Fransche revolutie van 1789, door de opkomende burgerij begonnen om zich los te worstelen uit het juk der voorrechten van adel en geestelijkheid, zoodat men het toen de natuurlijkste zaak ter wereld vond, dat “de burgerij betaalde met haar goed, de adel met zijn bloed en de geestelijkheid met haar gebeden,” baande den weg, om de heerschappij te verzekeren aan de bourgeoisie, maar wederom ten koste van de produktief arbeidende klasse, die in naam ook vrij werd, maar in werkelijkheid alle middelen miste om daartoe te geraken. En zoo heerscht dan thans in geheel Europa een welgedane bourgeoisie over een verarmenden, werkenden stand, die gestadig haar kapitaal moet voeden en gedoemd is, om hetgeen voor die kapitaalvoeding geen dienst meer kan doen, te laten verzinken in het moeras van het proletariaat. Een sociale nood, nog daardoor verergerd, dat de weelderige bourgeoise haar weelde ook uitstalt."
Gehoor gevende aan de oproeping van den christen-staatsman Guizot: “enrichissez-vous” (verrijkt u!) deed de bourgeoisie niets anders dan langs alle wegen en met alle middelen schatten op te hoopen, want menschen-vleesch was goedkoop –het kostte niets op de arbeids-markt sints de afschaffing van de slavernij– en al is men te “beschaafd” en te “fatsoenlijk”, om de menschen in een gloeiend gemaakt Molochsbeeld levend te roosteren, zooals die onbeschaafde heidenen deden, al stoot men hun niet het mes in de borst gelijk een Jeftha deed met zijn dochter, men laat de menschen, in volle vrijheid, zich doodwerken in fabriek of op werkplaats, op het veld of in de steden. De jaarlijksche hekatomben, die door de arbeidende klasse gebracht worden aan het kapitalistische stelsel, zijn zelfs niet bij benadering vast te stellen. Om hiervan een voorstelling te krijgen, neme men het volgende feit in oogenschouw:
De bevolking van Europa is ongeveer 300 millioen zielen. Daarvan sterven jaarlijks ongeveer 15 millioen. Was nu de algemeene sterfte gelijk aan die onder de gegoeden, dan zou die sterfte normaal moeten bedragen 5 millioen. Dat maakt dus een verschil van 10 millioen menschen. Waar blijven die? Dat is de jaarlijksche hekatombe, door onze “beschaafde” maatschappij gebracht op het altaar van het kapitalisme. De tegenwoordige inrichting der maatschappij verplettert als een groote bankschroef de massa des volks bij iederen draai onverbiddelijker. Met ijzingwekkende kalmte verkondigt de wetenschap bij monde van haar vertegenwoordigers als de som harer wijsheid, dat “jaarlijks een deel der bevolking moet sterven uit ellende, zelfs te midden der meest welvarende naties”<ref>J.B. Say.</ref>. Men heeft Akademies van wetenschappen, waarin de knapste der knappen een plaats vinden; men heeft tal van universiteiten, waar honderden hoogleeraren onderwijs gaven om duizenden jonge mannen binnen te leiden in de geheimen der wetenschap – en ondanks dat alles durft men zulk een getuigenis geven als het resultaat zijner wijsheid!
Als prof. Quack, zelf een woordvoerder van de liberale partij, haar verwijt dat zij overal in Europa in den regel niets deed, “niets voor de regeling van het arbeids-contract tusschen werkgever en werkman, niets voor de instelling van arbeidsraden ter beslechting van geschillen tusschen patroons en arbeiders, niets voor de wettelijke voorschriften betreffend de gezondheid en veiligheid der werklieden in de fabrieken, niets voor vak-onderwijs der werklieden, niets voor toepassing van een leerling-stelsel, niets voor werkelijke Zondagsrust, niets voor bestrijding van waren-vervalsching, niets voor al die onderdeelen der staatsbemoeiing”<ref>Sociaal Weekblad, Jaarg. 1888. Men zal zeggen dat deze woorden geschreven zijn in het jaar 1888 en dat sints dien tijd juist heel wat gedaan is op het gebied der sociale wetgeving in de verschillende landen van Europa. Dat is gedeeltelijk zoo. Maar waarom? Juist omdat men uit zijn slaap is wakker geschud door het socialisme, zoodat men zulks niet deed uit zichzelven maar uit den drang van onderen op. Dat de talrijke aanslagen op regeerings-personen in den loop der 19de eeuw hebben bijgedragen tot de “bewijzen van bezorgdheid”, door vele regeeringen aan den dag gelegd ten opzichte der arbeidersklasse, kan moeilijk worden ontkend. Marx noemde de revolutie de lokomotief van den vooruitgang en zeer zeker zijn de revolutie en de vrees voor revolutie de twee machtigste faktoren geweest, om de menschheid in voorwaartsche beweging te brengen.</ref> en als hij dan den staat der liberalen ten opzichte van al die vraagstukken ondeugend vergelijkt bij koning Louis Philippe, die gedurende een reis in den Elzas bij het zien van zooveel ellende en nood onder de werklieden, de schrale troost uitsprak: “ik kan er slechts bij zuchten”, dan begrijpt men toch zeker wel hoe groot de tekortkomingen zijn, waaraan men zich schuldig maakte. En scherper kan de signatuur van onzen tijd niet geteekend worden dan geschiedde door dienzelfden schrijver in zijn boek over het socialisme: “die niets hadden, hadden toch eigenlijk haast geen recht om te leven.” Het “hebben” verdrong het “zijn.” Dit alles was de onuitgesproken conclusie van een tijdvak, dat zich er op liet voorstaan zich te bewegen op het standpunt van de zoogenaamde “vrijheid van arbeid.” Vrijheid, vrijhandel waren de leuzen, maar inderdaad en feitelijk werd het een tijd van monopolisten. Het bijéénbrengen van groote massaas kapitaal onder een gemeenschappelijk toezicht van enkelen werkte als monopolie. Gevestigd werd zoodoende de financieele feodaliteit, de machtigste onderdrukking die ooit ter wereld bestaan heeft. De beurs gaf den toon aan, en de firma Gauwdief, Gannef en Cie bloeide."
Het Mammonisme vierde nooit grooter triomfen dan in de zoo hooggeroemde 19de eeuw en ondanks de ophemeling van hetgeen er gedaan wordt voor de arbeidende klasse, kan men moeilijk met zelfverheffing neerzien op ’n tijd, waarvan gezegd kan worden dat nog steeds de regel geldt: “de sterkere eten de zwakkere op. Niet als de Kannibaal zet men den tand in elkanders vleesch, maar de machtige mergelde den zwakkere uit door een wapen waartegen geen verweer was.”<ref>Dr. A. Kuyper.</ref> Men doodt veel veiliger met hooge procenten, met bedriegelijke zaken, geholpen door het zoogenaamde recht en wet met behulp der justitie, dan dat men zich waagt en den moed bezit zijn tegenpartijder het mes in de borst te steken. Van onzen tijd geldt nog precies hetzelfde, wat de oude Prediker reeds roerend klagend van den zijnen getuigde: “Ik zag van alle de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden, en zie, er waren de tranen der verdrukten, en aan de zijde hunner verdrukkers was macht; maar zij hadden geen trooster.” Welnu, als trooster trad in het begin onzer jaartelling het christendom op en waar dit blijkbaar fiasko heeft gemaakt, daar nam het socialisme de rol van trooster voor de onderdrukten over en dat wel niet door een schoone toekomst in een denkbeeldig hiernamaals, maar door de aarde tot een plaats van gelukzaligheid te willen maken.
Maar niet alleen dat de overeenkomst groot is tusschen de Romeinsche wereld uit den keizertijd en onzen tegenwoordigen tijd, evenzeer is dit het geval tusschen het oorspronkelijke christendom en de sociaaldemokratie in den loop hunner ontwikkeling.
Het christendom bracht indertijd een evangelie, een blijde boodschap aan de armen, de onderdrukten, de onterfden. Onder de eerste aanhangers der christelijke leer vond men niet vele geleerden of rijken of machtigen, maar bijna uitsluitend het zoogenaamd gemeene volk: visschers, handwerkslieden, bedelaars. Zelfs de voorgangers waren eenvoudige visscherlui, zooals Petrus en anderen, of handwerkslieden zooals Paulus, die tenten-maker was. Zij werkten om den kost te verdienen en na volbrachte dagtaak gingen zij hun beginsel verkondigen zonder eenige eerzucht of hoop op winstbejag. Steeds had men te kampen met geldgebrek en talrijk zijn de klachten, dat de gaven zoo slecht inkwamen. Maar ’n Paulus is er b.v. grootsch op, dat hij nooit ten laste der gemeente kwam en steeds voorzag in zijn eigen nooden. Langzamerhand vormde zich een groep van sprekers, gedeeltelijk omdat zij zooveel spreekbeurten hadden te vervullen op verschillende plaatsen, dat zij er geen werk bij konden verrichten, gedeeltelijk ook omdat zij uit hun werk werden gestooten en dus wel moesten omzien naar ’n andere betrekking. Zoo ontstonden de betaalde propagandisten of geestelijken. Onder hen kreeg men spoedig rangen, zoodat de mindere broeders op het platteland bleven en de bestbespraakten een plaats vonden in de steden. Dezen begonnen een soort voogdijschap uit te oefenen. Zij werden machthebbenden of bisschoppen. Onder de bisschoppen kregen die der voornaamste plaatsen een soort van overwicht. Rome, Alexandrië en Byzantium waren de drie plaatsen die om den voorrang streden, totdat eerstgenoemde stad het won en het pausschap was geboren. Men zag dus het hiërarchisch stelsel langzaam en natuurlijk opgroeien.
Precies op dezelfde wijze ging het in de sociaal-demokratische beweging. Wie werden sociaaldemokraat? Op enkele uitzonderingen na de proletariërs, arme fabrieks- en handwerkslui, geminacht door de geleerden en machthebbenden, gehaat en vervolgd door de regeerders en de officieele, toongevende wereld. Hun woordvoerders waren voor het meerendeel mannen, die veel geleden hadden, die weggejaagd werden uit de fabriek, uit de werkplaats, wier kostwinning hun was ontnomen, omdat zij op den voorgrond traden of werden gedrongen. Een nieuw bestaan moest voor hen gezocht worden. Zij werden òf bierhuishouder òf sigarenwinkelier òf redakteur van een blad òf drukker. Zij hielden op werkman te zijn in den engeren zin des woords. Nu is elk mensch in meerdere of mindere mate afhankelijk van het milieu waarin hij verkeert, en met de veranderde leefwijze begon bij hen onmerkbaar en onwillekeurig ook een verandering van inzicht te komen. Zij waren niet meer de loonarbeiders van vroeger, die dagelijks de zweep van den patroon of baas gevoelden. Zij vertegenwoordigden niet meer de zuiver proletarische beweging, en gerukt uit de rijen der proletariërs, boetten zij er hun revolutionaire overtuiging bij in. Zij begonnen te spreken over verbetering van den toestand der kleine luiden binnen het raam der hedendaagsche maatschappij. Voorzichtigheid was aan te raden. Reeds eenmaal hadden zij hun bestaan in de waagschaal gesteld, zij zouden nu meer denken aan vrouw en kinderen, zij hadden iets te verliezen. Zoo liet de nieuwbakken kleinburger zijn proletarisch-revolutionair standpunt varen en werd een zeer praktisch kleinburgerlijk socialist. In het Kommunistenmanifest schreven reeds Marx en Engels zoo terecht: “de middenstanden, de kleine industriëel, de kleine koopman, de handwerksman (waarmede bedoeld wordt de kleine eigen-baas), de boer, zij allen bestrijden de bourgeoisie om hun bestaan als middenstand voor den ondergang te vrijwaren. Zij zijn dus niet revolutionair, maar konservatief. Wat meer is, zij zijn reaktionair. Zij trachten het rad der geschiedenis terug te draaien.”
Naarmate de sociaaldemokratische partij in breedte won –en daar de meeste menschen zich laten verblinden door den schijn, werd op dezen groei, b.v. bij de stembus, gewezen– verloor zij in diepte en een vermeerdering van hoeveelheid beteekende nog lang niet een vermeerdering van hoedanigheid. Integendeel het werden de vertegenwoordigers van de middenstanden, die nu den toon aangaven in de sociaaldemokratische partij en daarom kan het den oplettenden waarnemer niet ontgaan, dat onder zulke omstandigheden de sociaaldemokratie meer en meer een reaktionaire partij is geworden in den zin, door Marx aangegeven.
Langzamerhand triomfeerde het christendom en in de 4de eeuw achtte een keizer Konstantijn het in zijn politiek belang om zich te bekeeren en christen te worden. De officieele wereld volgde natuurlijk den keizer, en de christelijke godsdienst werd staatsgodsdienst. Maar de oprechte christenen zagen dit alles met groote ongerustheid aan: zij begrepen dat zoodra een beweging dienst moet doen in het belang der politiek, zij reddeloos verloren is. Konstantijn heeft door den triomf, dien hij bezorgde aan de christelijke kerk, het christendom en den geest van Jezus gedood. Natuurlijk werden de kleine sekten, die van dien geest vervuld waren en niet mee offerden op het altaar van den schijn, als scheurmakers en ketters verjaagd uit de gemeenschap en ten bloede toe vervolgd. In de kerk van Jezus was ten slotte geen plaats voor den geest van Jezus!
Marx schreef eens zeer snedig: “Hegel merkt ergens op, dat alle groote wereldhistorische gebeurtenissen en personen om zoo te zeggen tweemalen plaats vinden. Hij heeft vergeten erbij te voegen: de eene maal als tragedie, de andere als farce.”<ref>Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte.</ref> Aan dat woord worden wij onwillekeurig herinnerd, wanneer wij de oud-christelijke partij van vroeger (kerk) en de sociaaldemokratische van heden met elkander vergelijken. Het christendom zette zich vast in het katholicisme; de naam was behouden, maar de geest was eruit. Kan niet evenzeer thans gezegd worden: het socialisme zette zich vast in de sociaaldemokratie?
In beide bewegingen openbaarde zich een streven naar één groote partij en niets was onaangenamer dan de zich telkens openbarende meeningsverschillen. Maar men vergat, dat juist de tijden waarin de grootste verscheidenheid van ideën bestond, tevens de tijden waren van den grootsten vooruitgang. In een der brieven van Paulus (1 Kor. Hoofdst. 1:12) spreekt hij ervan, dat de een zegt: “ik ben van Paulus; ik ben van Kefas; ik ben van Apollos; ik ben van Christus.” Hinderde dit iets aan den vooruitgang van ’t christendom? Tijdens de hervorming hetzelfde verschijnsel. De een riep: ik ben van Luther, de ander: ik ben van Zwingli, een derde: ik ben van Thomas Müntzer, een vierde: ik ben van Kalvijn. En toch ondanks al die meeningsverschillen baande de hervorming zich een weg. En nu weer hetzelfde. De een zegt: ik ben van Proudhon, de ander: ik ben van Marx, een derde: ik ben van Bakunine, een vierde: ik ben van Tolstoï. Schaadt dit aan den vooruitgang der ideën? Juist niet, want het brengt tot vergelijken, dus tot denken. Niets werkt nadeeliger dan het streven naar het groote eenheidsfeest, waar men de ideën ten offer brengt op het altaar der zoogenaamde eensgezindheid, ten einde groot en machtig te schijnen naar buiten. Dezelfde methode, die de katholieke kerk ook toepast. Niets is gevaarlijker dan de geest van tucht, blinde gehoorzaamheid, want de geest is het die levend maakt, terwijl de letter doodt.
Beiden hebben hun dogma, plechtig afgekondigd op koncilies of kongressen, het alleenzaligmakende. Wat er van het recht der vrije kritiek terecht komt, leerde ons nog de Duitsche partijdag te Lübeck (1901), waar Ed. Bernstein, sinds jaar en dag een der geestelijke adviseurs der partij als redakteur van het tijdschrift Die neue Zeit, en vroeger zeer gesteld op den naam van den “rooden Ede”, op straffe van uitbanning genoodzaakt werd plechtig zijn dwalingen te herroepen of althans zich te onderwerpen aan de wenschen der partij onder luide teekenen van goedkeuring der partijgenooten. Van Galileï vertelt men altijd, dat hij na zijn herroeping voor de geestelijke vierschaar bij het verlaten der zaal gemompeld zou hebben: en zij (de aarde) beweegt zich toch! Van Bernstein is zoo iets niet vernomen. Tragedie en… farce!
Bebel schreef eens: “wat principieele of ernstige verschillen aangaat over de taktiek der partij, daar kan geen kwestie van zijn. Nergens bestaan beginselverschillen. De partij staat bij alle aanhangers op den grondslag van één eenig beginsel, neergelegd in het program. Er is geen plaats in de partij voor iemand die een andere meening zou willen hebben; hij moet gaan naar de anarchisten of wel aanlanden in het kamp der bourgeoisie. De partij heeft niets met hem te maken.”<ref>Neue Zeit 1895, bd. I.</ref>
Beiden hebben hun opperhoofd: de katholieke kerk de paus, en de sociaaldemokratische partij de diktatuur van het proletariaat, wat neerkomt op de diktatuur der leiders.
Beiden hebben hun censuur en stellen de discipline als voorwaarde voor elk goed partijgenoot. Wat komt er terecht van het individu, als bewaarheid wordt, wat Guesde op het socialistisch kongres van 1899 zei: “in de eerste plaats heeft men de socialistische pers, die geheel onder de kontrôle gesteld moet worden van de gefedereerde organisaties; er kan geen onafhankelijke pers zijn op den dag waarop een centrale organisatie van het socialisme bestaat. Na de pers de gekozenen; hun onafhankelijkheid moet geheel verdwijnen. Zij behooren zelfs niet meer toe aan hun kiezers, zij behooren toe aan het proletariaat van Frankrijk.”
Beiden hebben hun boek, dat heilig wordt geacht en dat wegens zijn duisterheid de noodige kommentaren behoeft, door de schriftgeleerden gegeven. Bij de christenen is het de bijbel, bij de sociaaldemokraten het Kapitaal van Marx.
Opmerkelijk is in schier alle punten de overeenkomst tusschen beide bewegingen.
Daar zijn er ook, die jaren lang meegedaan hebben in de socialistische beweging, ja vooraan hebben gestaan, maar die den moed opgaven, ziende hoe zij zich ontwikkelde, hoe enkelen zich omhoog wisten te werken juist door de beweging om, eenmaal omhoog gekomen, haar min of meer den rug toe te draaien. En het volk, telkens bedrogen, liet zich steeds weer opnieuw misleiden, scheen maar niet vatbaar om zelfstandig zijn eigen zaken te doen zonder voogden, die zich opwierpen, of leiders die door hun radde tong steeds de menigte wisten te biologeeren om hun plaats ondanks alles in te nemen. Zij zeiden: het geeft altemaal niets, want straks zult gij ervaren dat zij die nu meegingen, u weer alleen laten staan, als zij kans zien, al is het met ontrouw aan het beginsel, om zelven een positie te verwerven. Wilt gij telkens op nieuw beginnen, om telkens weer dezelfde teleurstelling te ondervinden, ik dank u vriendelijk.
De pessimist is hier aan ’t woord.
Toch dient opgemerkt, dat er ook worden gevonden, die juist door het partijleven tot de konklusie kwamen, dat ze als individu sterker staan in den strijd, dan in permanent samengaan met anderen. Men hoort hen noemen individualisten.
Men luistere eens naar hetgeen Emerich Madach zegt in zijn Tragedie van den mensch (vertaling van A.S.C. Wallis):

O Farao, gij dweept: de menigte,

Geloof mij, werd door ’t lot bestemd tot lastdier,
Dat onder ’t zware juk gelaten voortzwoegt,
En ’t opgelegde daaglijksch werk verricht.
Dat, wat gij prijs geeft, komt haar niet te baat,
Want morgen zoekt ze zelve een nieuwen meester.
Of meent ge, dat gij haar beheerschen zoudt,
Zoo zij niet voelde dat ze een heer behoeft,
Zoo zelfbewustzijn zetelde in haar borst?

ADAM:

Wat klaagt ze dan, of door haar dienstbaarheid
Ze bitter leed?

LUCIFER:

Ze klaagt, ’t waarom niet wetend.
Ze klaagt, wijl iedren mensch de zucht tot heerschen
Is ingeschapen. Dit gevoel, en niet
De naastenliefde voert den grooten hoop
In de armen van de vrijheid – geen klaar inzicht,
Alleen een flauw besef drijft deze slaven
Tot nieuwigheên, tot strijd met al ’t bestaande,
Vol hoop dat zij in ’t nieuwe eenmaal belichaamd
Hun droomen van geluk aanschouwen zullen.
Het volk is als de zee; hoe ’t zonlicht straal,
Het dringt niet in de diepte, daar woont duister;
Alleen de golf aan de oppervlakte schittert, –
En gij zijt nu toevallig deze golf.

ADAM:

Waarom juist ik?

LUCIFER:

Of een, die u verwant is,
Die goed den prikkel weet voor ’t volk te kiezen,
En als der vrijheid veel bewonderd held
Zich op uw eereplaats vermag te dringen.
De menigte zal er niets bij gewinnen.
De naam slechts wisselt, maar de heerscher blijft.

Hier vinden wij zoo juist gezegd, dat als het volk voldoende zelf bewustzijn had, genoeg gevoel van eigenwaarde, dat het dan onmogelijk zou zijn als heerscher op te treden. Er schuilt een ontzaggelijke dosis waarheid in het woord: wat een volk verdient te zijn, dat is het ook. Als een tiran het volk beheerscht, dan levert dit het bewijs, dat de slaafsche zin van ’t volk het den mensch mogelijk maakt zich tot tiran op te werpen. Zou het mogelijk zijn, om tiran te wezen over een inderdaad vrij, zichzelf bewust volk? Immers neen! Het is dus niet de tiran, die het volk tot slaven maakt, maar de slaafsche zin des volks is het, waardoor de mogelijkheid geopend wordt aan den tiran, om zich als zoodanig een plaats te veroveren.
Zoodra een denkbeeld overigens in aanraking komt met de werkelijkheid, wordt het zooveel geschaafd en gefatsoeneerd, dat al wat er frisch en edel was, er wordt afgewreven, om dan toepassing te vinden in de maatschappij.
Alweer wordt deze gedachte op meesterlijke wijze vertolkt in het treurspel: Jezus van Nazareth van Nicolai graaf Rehbinder in het volgende gesprek:

PILATUS:

Zeg, wat kan het baten,
Dat gij uit al uw macht de harde rots
Van menschenwaan en menschendwaasheid beukt?
Die rots toch zal niet wanklen of bezwijken;
Maar gij ligt aan zijn voet verpletterd neer!
Wat kan een enkele, ook de beste, scheppen?
Zijn dood bluscht al het licht door hem ontstoken,
En over zijn ontzielde lichaam gaan
De golven van het menschdom kil voorbij.
Gelooft gij, als ge aan ’t kruis gestorven zijt,
Dat van uw leer een spoor zal overblijven?
Bij ’t stilstaan van uw hart is de invloed uit:
Uw leer verdwijnt, gelijk uw volgers vloden.

JEZUS.

Wat eeuwig is, zal eeuwig ook bestaan.
Wie ’t goede zaad in de aarde heeft gestrooid,
Die kan getroost van d’akker gaan; want later,
Hoelang ’t ook duurt, eens zal toch de oogsttijd komen,
Al wordt de zaaier ’t offer van zijn werk.

PILATUS:

Gesteld, wij nemen aan, het zal zoo komen
Dat uwe leer niet met u ondergaat,
Dat ze over de aarde zich verbreidt en groeit,
Ja, dat zij eens de wereld zal beheerschen;
Meent gij dat dan uw leer dezelfde blijft?
Met u verdwijnt haar reine helderheid.
Daar ze onder menschen zich verbreiden moet,
Zal ook in haar ziel zich weer iets menschlijks mengen.
En onder menschen wordt zij menschenwerk.
Ja, menig lage drijfveer van ’t gemoed
Zal met den nieuwen godsdienst zich bedekken:
De heerschzucht, vormendienst en willekeur,
Gewetensdwang en huichlarij, die zullen
Ook uwe* leer misvormen en misbruiken;
Want zij, die haar als priesters eens verkonden,
Zij volgen wis den weg van alle priesters.
Zij zullen zich van ’t priesterschap bedienen,
Om zich voor u en God in plaats te stellen.
Zeg, zoudt ge daarin dan uw leer herkennen?
Moet die verbastring ’t loon zijn van uw streven?
Is dat de moeite waard, er voor te sterven?
Geloof mij, Jezus! zoo gij eenmaal nog
Terug kondt keeren in de wereld, o!
Dan zouden zij, die naar uw naam zich noemden,
U weer vervolgen, evenals men thans doet,
En, zoo het kon, ten tweeden maal u kruisen.

JEZUS:

De toekomst staat met d’uitslag van mijn pogen
In Godes hand. Ik heb mijn werk volbracht,
Mijn strijd volstreden – wijl ’k niet anders kon.

Hoe menschkundig is dit gezegd! En tevens hoe juist geeft Jezus aan, waarom hij ondanks de onweerlegbare argumenten van Pilatus toch zijn werk voortzet, ten einde toe. Hij kon niet anders. Juist, de innerlijke aandrang was bij hem te sterk, hij had een ander mensch moeten zijn om het op te geven. Dat was hij niet, en dus hij ging voort, zonder te letten op den uitslag van zijn pogen.
Het schijnt dat de mensch zelden zichzelf kan zijn. Steeds moet hij leunen op iemand of iets, zoodat hij, geestelijk gesproken, altijd op krukken loopt. Nauwelijks heeft hij de eene kruk weggeworpen of hij voelt behoefte aan een nieuwe en meent zonder krukken heelemaal niet te kunnen loopen. Vandaar dat de doodsure van een oud dogma geregeld de geboorte-ure werd van een nieuw dogma. En de anarchist, die hem toeroept: werpt toch uw krukken weg en staat op uw eigen beenen, wordt beschouwd als ’n gek of een dweper. Het is zoo gemakkelijk als een ander voor ons denkt en handelt. Aan de menschelijke traagheid en gemakzucht is het toe te schrijven dat de kerk en de staat zooveel macht over den mensch uitoefenen. Het is de kerk die bepaalt wat men moet gelooven, het is de staat die ons voorschrijft wat men moet doen. En tusschen beiden als tusschen twee molensteenen wordt het vrije initiatief van den mensch plat gedrukt. Zoozeer zit het hebben van ’n dogma erin, dat sommigen zelfs het niet-hebben van ’n dogma alweer verheffen tot ’n dogma. Mijn beginsel is om geen beginsel te hebben –zoo zeggen zij dan en intusschen bedekken zij hun beginselloosheid met– een beginsel. Het moet den mensch echter niet te doen zjn om het eene juk af te schudden, ten einde dadelijk zich een ander op te leggen, al is het ook een zelfgekozen juk. Geen verandering van meesters, maar afschafing van het meesterschap – zietdaar waarnaar men streven moet als een mensch, die gevoel bezit van zijn roeping en eigenwaarde.
Dikwijls hoort men beweren dat

sociaaldemokratie en anarchie

twee lijnen zijn, waarvan de eene het verlengstuk is van de andere en vooral van sociaaldemokratische zijde hoort men dikwijls beweren: ook wij erkennen de anarchie als een schoon, heerlijk en heilig ideaal, maar men kan daartoe niet op eens komen, wij moeten door de sociaaldemokratie heen geraken tot de anarchie. Dus de sociaaldemokratie zou zijn een fase van overgang om tot de anarchie te komen.
Die bewering berust op ’n dwaling. Sociaaldemokratie en anarchie zijn niet twee lijnen, die ten slotte elkander raken en dus in één punt samenloopen, integendeel het zijn twee evenwijdig loopende lijnen, die elkander nooit zullen raken. Beider methode, beider liefde, beider beginsel zijn in lijnrechte tegenspraak met elkander. Geen wet! – zoo roept de een. Alles door de wet! – antwoordt de ander. De wet is een pest, een boei! – herhaalt de een. En de ander zegt: de wet is het plechtanker der maatschappelijke orde. Geen gezag! – zoo luidt het alweer eenerzijds, want daarin ligt het beginsel der slavernij opgesloten. Wel gezag – klinkt het ons anderzijds toe, want daarin ligt de waarborg voor elks vrijheid. De anarchist staat dus tegenover alle gezag, wet en regeering, de sociaaldemokraat gelooft in deze alle drie en wil de funkties ervan uitbreiden. Men wachte zich echter, om mede te werken aan de verwarring, door de sociaaldemokraten met opzet gesticht, door socialisme en sociaaldemokratie tot woorden van gelijke beteekenis te maken en door elkaar te gebruiken. Welke overeenkomst bestaat er nu tusschen twee dusdanig uiteenloopende beginselen? Tenzij men misschien de homoeöpathische methode wil toepassen en gelijk met gelijk wil bestrijden, zoodat men door overlading van wetten wil komen tot haar afschaffing, maar dat is toch de bedoeling niet.
Is het uitgangspunt van den anarchist het individu, dat van de sociaaldemokratie is de gemeenschap, om niet te zeggen de staat. Zoolang nu de soevereiniteit der gemeenschap, door de sociaaldemokraten verlangd, niet hetzelfde is als de soevereiniteit van het individu, levende in de gemeenschap, zoolang zijn beiden tegenstellingen, die zich niet oplossen in hoogere eenheid.
En het mag wel ’n bewijs heeten van de moeite om zich zuiver rekenschap te geven van hetgeen anderen willen, wanneer men ziet, dat zelfs een man als prof. Quack, die er blijkbaar naar streefde om dit wel te doen, zegt, dat “voor een deel de anarchie slechts nederkomt op een consequent en vast doortrekken van de gegevens der individualistische economische maatschappij. De anarchisten gebruiken slechts op hunne wijze, ter vernietiging van de bestaande maatschappij, het middel, dat de absolute voorstanders van de vrijheid van het contract, als fatsoenlijke mannen van zaken, ter ontwikkeling van de hedendaagsche samenleving aanwenden.” Ja, hij durft zelfs schrijven, dat Bakunine en Kropotkine “de hand reiken aan den Manchester-man,”go-ahead" en “struggler for life”. Niets is meer onwaar dan dat. Immers de Manchesterman proklameert de vrijheid, nadat de arbeidsmiddelen zijn gemonopoliseerd in handen van enkele bevoorrechten en de anarchist zegt, dat er alleen dan sprake kan zijn van vrijheid, als de toegang ter verkrijging der arbeidsmiddelen voor allen is opengesteld. Is dat niet een hemelsbreed verschil? De Manchesterman is gelijk aan hen, die een tweegevecht laten houden tusschen een geharnast ridder, toegerust met de beste wapenen en wiens lichaam gedekt wordt door een pantser, en een naakt mensch, die over niets de beschikking heeft dan over zijn vuisten en beenen. De anarchist daarentegen maakt eerst beide partijen in alle opzichten gelijk, om ze daarna in het strijdperk onder gelijke voorwaarden den strijd niet tegen elkaar, maar naast elkaar tegen de storend werkende krachten der natuur te doen voeren. Wat de Manchesterlui doen noemen wij dus niet elkander de hand reiken, integendeel geheel iets anders willen. Als de Manchesterman schermt met de vrijheid van het individu, dan is dit een masker, waarachter hij zich verbergt, want bij hem is geen sprake van vrijheid, waar hij de arbeiders, gestooten uit het bezit van alle arbeidsmiddelen, aan handen en voeten gebonden overlevert aan de genade en ongenade van de bezitters dier middelen.

Gezag en vrijheid.

Vergissen wij ons niet, dan zien wij in slagorde opgesteld twee partijen, waarvan de eene strijdt onder het vaandel van het gezag en de andere onder dat van de vrijheid. Aan de eene zijde, nl. die van het gezag, staan allen opgesteld, van den paus te Rome tot den sociaal-demokraat toe, die elkander de hand reiken over alle verschillen heen tot behoud der maatschappelijke orde en aan de andere de voorstanders der vrijheid. Feitelijk bezit men o zoo weinig vertrouwen op de vrijheid. Zelfs de mannen der wetenschap deinzen terug voor de reuzengestalte der vrijheid, wier macht niemand kan berekenen, als zij zich eens zal ontplooien in al haar kracht en heerlijkheid. Hoe weinigen zien nog met Cicero in, dat “het wezen der vrijheid is om te leven precies zooals men verkiest”? En zelf maakt hij een beperking, waar hij in zijn De Republica (over de Republiek) schrijft: “de vrijheid kan geen vaste woning hebben in eenigen staat, behalve daar waar de wetten gelijk zijn en de macht der openbare meening de hoogste.” Hieruit toch blijkt dat men niet leven mag precies zooals men verkiest, maar zooals de wetten het u toelaten! Hoe weinigen durven het Spencer nazeggen: “de mensch moet de vrijheid hebben om te gaan en te komen en te zien, om te gevoelen, te spreken, te werken, om voedsel, kleeding, huisvesting te verkrijgen en om voor elk zoowel als voor allen in de natuurlijke behoeften te kunnen voorzien. Hij moet vrij zijn, om alles te doen, wat, hetzij direct hetzij indirect, noodig is ter voldoening aan elke geestelijke en lichamelijke behoefte.” Maar dadelijk daarna bemerken wij, dat hij deze vrijheid lang niet opvat, zooals men het zou vermoeden. Immers hij laat dan volgen deze woorden: “dit is echter niet de echo van enkelen, maar van allen. Allen zijn toegerust met eigenschappen. Daarom moeten allen vrij zijn om die dingen te doen, waarin de toepassing ervan bestaat. Dat wil zeggen, dat allen recht moeten hebben op vrijheid van handeling. En vandaar komt er noodzakelijkerwijze een beperking bij. Want als de menschen gelijke aanspraken hebben op de vrijheid, die noodig is voor de toepassing hunner eigenschappen, dan moet de vrijheid van elkeen gebonden zijn door de gelijke vrijheid van allen. Wanneer twee individuen in het najagen van hun respektieve doeleinden verschillen, blijven de bewegingen van den een slechts in zooverre vrij als zij niet in aanraking komen met de gelijke bewegingen van den ander. Deze bestaanssfeer waarin wij geworpen zijn, geen ruimte latende voor de onbeperkte werkzaamheid van allen en toch allen door hun konstituties gelijke aanspraken bezittende op zulk een onbeperkte werkzaamheid, bestaat er geen andere manier dan om de onvermijdelijke beperking gelijkelijk te verdeelen. Wij komen daarom tot het algemeene voorstel, dat elk mensch de meest volledige vrijheid mag eischen om zijn eigenschappen toe te passen, die overeen te brengen is met het bezit van gelijke vrijheid voor elk ander.”<ref>Social Statics.</ref> Deze beperking heft feitelijk zijn eigen bepaling van vrijheid geheel op.
Wat vrijheid is, valt moeilijk te zeggen, omdat het een betrekkelijk begrip is, een tegenstelling. Men is vrij van iets en nu hangt het er maar van af, wat dit iets is. Zoo spreken de antirevolutionairen van een “vrije” school, d.i. de godsdienstige in tegenstelling van de staatsschool. Vrij wil dus hier zeggen, vrij van staatsdwang, maar heeft overigens met de vrijheid niets te maken. Zoo siert zich de minst vrije instelling met het woord vrij, alleen uit tegenstelling.
Vrijheid is op zichzelve een ding zonder inhoud, iets negatiefs. Vrijheid is de atmosfeer waarin men wil ademen en leven. Vrijheid is de vorm, waarvan de inhoud is gelijkheid. Deze twee behooren bij elkander en vormen als ’t ware een twee-eenheid. De gelijkheid draagt de vrijheid in zich. Wie zal zich b.v. aan een ander onderwerpen, als hij dit niet behoeft? Alleen zij, die gelijkelijk onafhankelijk zijn en toegerust met gelijke machtsmiddelen, zijn vrij. En waarom? Omdat zij gelijk zijn. De gelijkheid draagt dus de vrijheid in zich, want ongelijkheid beteekent willekeur en knechtschap.
De sociaal-anarchie nu eischt een drievoudige vrijheid voor den mensch:

  1. een ekonomische of de vrije toegang tot de arbeidsmiddelen;
  2. een verstandelijke of de gelegenheid om vrij te denken en te onderzoeken;
  3. een zedelijke of de gelegenheid om vrij zijn aanleg, zijn neigingen te kunnen ontwikkelen,

Bakunine zegt dit zeer juist: “het eerste woord van de algemeene vrijmaking kan slechts zijn de vrijheid, niet de zoo hoog geprezen politieke bourgeoisvrijheid, aanbevolen als een voorwerp van verovering, die volgens Marx en zijn aanhangers voorafgaat, maar de groote menschelijke vrijheid, die alle dogmatische, metafysische, politieke en juridische ketenen verbrekende, waarmede de geheele wereld nu is vastgeketend aan iedereen, aan de gemeenschap zoowel als aan de individuen, de algeheele vrijheid van beweging zal geven, als men eens voor goed is bevrijd van alle inspekteurs, direkteurs en voogden.
Het tweede woord van deze vrijmaking is de solidariteit. Niet de solidariteit van Marx, van bovenaf naar beneden georganiseerd door eenige regeering en opgelegd aan de volksmassa, hetzij door list, hetzij door geweld; niet die solidariteit van allen, welke de ontkenning is van de vrijheid van ieder en die daardoor een leugen wordt, een fiktie die de slavernij heeft tot werkelijke aanvulling, – maar de solidariteit die integendeel de bevestiging en verwerkelijking is van alle vrijheid, haar bron niet ontleenende aan eenige politieke wet, maar die, welke in de kollektieve natuur van den mensch ligt en ten gevolge waarvan niemand vrij is, als alle menschen die hem omringen en ook maar den geringsten invloed, hetzij direkt, hetzij indirekt, uitoefenen op zijn leven, het niet evenzeer zijn. Deze solidariteit heeft tot basis de gelijkheid, den kollektieven arbeid, verplichtend voor elkeen, niet krachtens wetten, maar door de macht der dingen, en het kollektieve eigendom, als besturend gids hebbende de ondervinding, d.w.z. de praktijk van het kollektieve leven en van de wetenschap en zij heeft tot einddoel de konstitutie van de menschheid, bijgevolg de ruïne van alle staten.”
Nu heeft men aan het anarchisme verweten, dat het niet alleen de uitoefening van politiek gezag verwerpt, maar ook elk administratief beheer, zonder hetwelk men zich toch geen geregelde wijze van produceeren kan voorstellen. Maar dit is onjuist. Het verwerpt alleen een vast en duurzaam administratief beheer, omdat beheerder zal blijken een andere naam te zijn voor bestuurder en heerscher. Elke groep van menschen, die zich vereenigt tot eenig doel, zal natuurlijk een regeling maken voor dat werk, een regeling echter die elk oogenblik veranderd kan worden, als men ziet dat zij niet goed werkt en die in elk geval afloopt met dat werk, zoodat elk nieuw werk zijn eigen regeling heeft overeenkomstig de eischen, die daarvoor noodig worden geacht.
Juist omdat de traditie der geheele wereld, gegrond op de algemeene ervaring, geleerd heeft dat de macht den mensch bederft, is het anarchisme er op uit, om dat bederf te voorkomen door de toekenning van geen de minste macht van den een over den ander. De neiging der menschen, om hetzij als bestuurders, hetzij als beheerders of onder welken anderen naam ook, hun eigen gevoelens en gewaarwordingen als een gedragsregel aan anderen voor te schrijven, kan alleen beteugeld worden door gebrek of gemis aan macht. Zelfs de beste mensch wordt door de macht bedorven en daarom heeft deze een heiligen schroom om met macht bekleed te worden. Tegenover den stelregel: ieder moet op zijn manier zalig kunnen worden, die alleen deze aanvulling behoeft, dat men ook de vrijheid moet hebben om niet zalig te worden, plaatst men veelal den stelregel dat elkeen op zijn manier gelukkig zal moeten kunnen worden, zonder dat de wijze waarop hem door anderen wordt voorgeschreven. En hoe ernstiger men het neemt met de macht die men bekleedt, hoe onverdraagzamer men wordt. Een treffend voorbeeld wordt gegeven in Robespierre, die de menschen onder de guillotine bracht, tot hun eigen geluk, omdat zij niet op zijn manier gelukkig wilden worden. Alle pogingen, om de verschillende menschen te gieten in één en denzelfden vorm, moeten beschouwd worden als uit den booze, omdat zij een dwang uitoefenen op den geest, die niet anders dan schadelijk kan werken op ’s menschen ontwikkeling.
In het algemeen kan men zeggen, dat niemand zoo geschikt is eenige zaak te bepalen of te behandelen als hij, die er persoonlijk belang bij heeft, terwijl het ook onzinnig moet toeschijnen, dat een mensch zijn leven niet zou mogen aanwenden tot zijn eigen nut, zooals het hem goeddunkt. Alles goed en wel, zegt men, mits men door zijn vrijheid niet die van anderen te na komt of beperkt. Alsof de vrijheid van anderen een beperking zou zijn van mijn eigen vrijheid! Het tegendeel is waar. Mijn vrijheid onderstelt de vrijheid van anderen. Zonder deze is mijn vrijheid niet veel waard. Ik word niet in waarheid vrij, tenzij door de vrijheid van anderen, zoodat naarmate het aantal vrije menschen, dat mij omringt, talrijker is en hoe grooter en sterker hun onafhankelijkheid, naar die mate ook mijn eigen vrijheid grooter en sterker en uitgestrekter wordt. Zou b.v. een werkelijk vrij mensch gelukkig kunnen zijn te midden van een slaafsch volk? De slaafsche zin van anderen knaagt aan eigen vrijheid. Zoozeer hangen de menschen onderling van elkander af.
Vrijheid voor een enkel individu of voor enkelen is geen vrijheid. Vrijheid voor mij en slavernij voor u beteekent slavernij voor ons beiden. Niemand werd ooit geboren met een zadel op zijn rug, opdat een ander erop zou rijden en niemand werd ooit geboren met sporen aan zijn hielen om hem in staat te stellen op een ander te rijden. Wij zijn allen gelijk geboren en het is onze taak om als geljken met opgerichten hoofde naast elkander te staan. Niemand zij heer of meester, opdat niemand knecht of slaaf behoeft te zijn. Nog beter: elkeen zorge meester te zijn over zichzelven, want wie zichzelf bezit, is sterker dan die een stad inneemt en wanneer het eigen Ik is veroverd, alsdan kunnen er geen zegepralen meer behaald worden.
Vrijheid onderstelt de afwezigheid van alle andere dan door de natuur ons opgelegde belemmeringen in de uitoefening van den persoonlijken wil. Aan de natuur-wetten zijn wij van zelf gebonden, in dien zin zijn wij nooit vrij. Evenmin kunnen wij ons ooit onttrekken aan den invloed van erfelijkheid, aan de indrukken en de omgeving onzer eerste jeugd, altemaal bepalende faktoren in ons ontwikkelingsproces. In dien zin kan er dus geen sprake zijn van een vrijen wil. Maar wij bedoelen onder vrijheid in deze beteekenis van het woord het wegnemen van alle belemmeringen, die kunstmatig door wetten, bepalingen, reglementen voor ons gemaakt worden.
Welke dwaalbegrippen er dienaangaande nog bestaan, kan men o.a. zien in het boekje van Rienzi: Socialisme en Vrijheid, een vat van tegenstrijdigheden, daar de schrijver bijna geregeld op de eene bladzijde tegenspreekt wat hij op de andere heeft beweerd. Daarin wordt gezegd: “vrijheid en gezag behoeven geenszins vijanden te zijn, zij kunnen elkander steunen en zich te zamen ontwikkelen. Vrijheid zij het doel, gezag het middel; vrijheid zij het recht, gezag de waarborg van dat recht.”
Afgezien daarvan dat de vrijheid nooit doel kan zijn, maar altijd middel of voorwaarde, hoe kan gezag het middel zijn om tot het doel, vrijheid, te komen? Het is precies hetzelfde als dat men de cellulaire gevangenis gebruikt als het beste middel om de menschen tot vrijheid op te voeden! Zoo weinig logisch zijn soms schrijvers, die door zoo’n behandeling van een onderwerp meer verwarring stichten dan goed doen!
Maar men vergete nu aan den anderen kant niet, dat men niet moet vervallen in de ergste slavernij, die er bestaat, nl. dat de mensch zijn eigen slaaf wordt. Is het waar, dat “de mensch vrij is, ook al was hij in ketenen geboren” (Schiller), het is evenzeer waar, dat de mensch ondanks alle andere vrijheden toch niet vrij is, zoolang hij slaaf is van zijn eigen lusten en begeerten. Vrijheid is niet het willekeurige, maar het plichtmatige en daarom zal men steeds zien dat de werkelijk vrije mensch het stiptst is in de vervulling zijner plichten. De innerlijke drang werkt veel sterker dan de uiterlijke dwang. En is het ter laatster instantie niet de gehoorzaamheid aan de rede, die vrij maakt? Schiller zong zoo schoon:

Freiheit liebt das Thier der Wüste

Frei im Aether wohnt der Gott,
Ihrer Brust gewaltige Lüste
Zähmet das Naturgebot.
Doch der Mensch in ihrer Mitte
Soll sich an den Menschen reihn
Und allein durch seine Sitte,
Kann er frei und mächtig sein.

(Vrijheid bemint het dier der woestijn, vrij in de lucht woont de godheid, het natuurgebod beteugelt de geweldige driften van haar borst. Maar de menschen tusschen God en dier in moeten zich bij elkaar aansluiten en alleen door hun karakter kunnen zij vrij en machtig zijn).
Evenals Multatuli de vrije studie zoo juist bepaalde door te zeggen dat zij bestaat in “het onbelemmerd streven naar waarheid”, evenzoo is de vrijheid het onbelemmerd leven overeenkomstig het weten en geweten. Prof. van Melle schrijft in zijn Inaugureele redevoering: “wie ware vrijheid zoekt, zoekt naar zelfbepaling; zoekt naar de verwezenlijking van zijn innigste zelf; zoekt naar die wetten welke, omdat zij voortvloeien uit de diepte van eigen aanleg, nimmer als vreemde dwang kunnen gevoeld worden.” Bij de volledige vrijheid wordt verlangd, dat niemand ons belemmert om in praktijk te brengen datgene, wat naar onze innige overtuiging het meest heilzame is voor ons zelf en voor anderen. De ware vrijheidsvriend is niet tevreden met vrijheid van denken, hij wil ook vrijheid van handelen. Handeling toch volgt op de gedachte, het eene is waardeloos zonder het andere. Een vrijdenker, die geen vrij handelend mensch is, is zulks maar half. Wat beteekent de vrije gedachte zonder het recht om zijne gedachten in toepassing te brengen? Vrijheid van denken zonder vrijheid van handelen is en blijft altijd half werk. De meeste kwalen ontstaan niet door te veel, maar door te weinig vrijheid. Echter men mist in den regel het vertrouwen op de vrijheid, die men wel voor zichzelven goed acht, maar die men niet dan met schroom toekent aan anderen. En toch had alweer Schiller gelijk, toen hij zei: “für den Mensch, wenn er die Ketten bricht, für den freien Mensch zittre nicht (sidder voor den mensch, als hij de ketenen verbreekt, voor den vrijen mensch sidder niet).”
Tot welke hoogte de mensch overigens komen kan, wanneer hij een opleiding in vrijheid heeft genoten, daarvan kunnen wij ons zelfs bij benadering nog geen voorstelling maken. Zoo terecht meent Stuart Mill, dat “de staat, die zijn burgers tot dwergen maakt, opdat zij meer leerzame werktuigen in zijn handen mogen zijn, al is het voor nuttige oogmerken, zal ondervinden, dat men met kleine menschen geen groote dingen kan doen en dat de volmaaktheid eener machine, waar hij alles aan opgeofferd heeft, hem in het eind tot niets zal dienen, door gebrek aan levende kracht, die hij verkozen heeft te vernietigen, opdat de machine des te gemakkelijker zou werken”. Het karakter wordt gedood en geknot en wij hebben meer behoefte aan karakter dan aan bekwaamheid en wee onzer als eenmaal van ons getuigd moet worden:

Eine grosse Epoche hat unser Jahrhundert geboren

Aber der grosse Moment findet ein kleines Geschlecht.

(Een groot tijdvak heeft onze eeuw gebaard, maar het groote moment vindt een klein geslacht).
Wij begrijpen dat men het gezag laat zetelen in God en dit moet de geloovige zelfs doen. Maar zoodra men het geloof laat vallen, is ook de grond onder de voeten van het gezag weggenomen. Van dat oogenblik zweeft het in de lucht. Sociaal kontrakt, wet, algemeen welzijn – wat zijn het anders dan subjektieve uitingen zonder eenigen zedelijken grond? Welk mensch heeft het recht een medemensch te gebieden, over hem te heerschen, en hoe kan hij dit doen tenzij door middel van geweld? En of dat geweld nu bestaat in de sterkere vuisten, in het algemeen kiesrecht geholpen door de gewapende macht of door iets anders, dat komt feitelijk geheel op hetzelfde neer. Wat is algemeen kiesrecht anders dan vuistrecht minus het vechten? Een van beiden dus: òf een uitwendig gezag, afgeleid uit God als bron, òf de mensch zichzelf tot gezag. Wat daartusschen ligt is onlogisch, is inkonsekwent.
Wij zijn tegen het gezag, omdat het in alle opzichten verkeerd werkt, zoowel op hem die het uitoefent als op hem over wien het wordt uitgeoefend. Het maakt tirannen en kruipers, nooit vrije menschen.
Waaruit ontstaat al ons lijden?
Uit een onvoldane behoefte.
Waarom wordt die behoefte niet voldaan?
Door dwang hetzij van een wet, een reglement, een bedreiging, hetzij van zeden en gebruiken.
Iemand heeft honger. De magazijnen, ook van eetwaren, liggen tot barstens vol. Toch eet hij niet. Waarom niet? Omdat zijn geweten –een aangeleerde les, want het geweten spreekt naar het geleerd is in de omgeving waarin men leeft– hem verbiedt te nemen wat hij behoeft, of wel omdat hij vrees koestert voor politie, justitie en gevangenis. Hij heeft behoefte aan spijs, en door dwang wordt hij belet aan die behoefte te voldoen.
Twee jongelieden wenschen elkaar geheel toe te behooren en toch ontzeggen zij zich dien wensch. Waarom? Omdat zij geleerd hebben dat het in strijd met de “eer” is, om met elkander te gaan leven zonder te trouwen of wel omdat zij geen toestemming kunnen krijgen. Dwang belet hen dus aan hun innige begeerte te voldoen. Men zegt wel eens dat met het wegvallen van de kapitalistische produktiewijze de vrijheid voor elk zal worden verkregen. Maar is dat wel waar? Zeker, met het wegvallen van die produktiewijze zal verdwijnen de vorm van gezag, die daaraan verbonden is, maar daarom nog niet elke vorm van gezag. Wie zegt u dat dit de laatste vorm van gezag is? Wij zullen niet onderzoeken of het privaateigendom uit het gezag dan wel het gezag uit het privaateigendom is ontstaan, een wijsgeerige kwestie die alweer gelijkenis toont met de vraag wie er het eerst is geweest: de kip of het ei, maar zeer zeker bestaat er wisselwerking tusschen beiden. Dat brood vrijheid zou zijn is niet waar, want het is zeer wel denkbaar dat een tiran zorgt voor brood voor allen. Daarentegen is vrijheid wel brood, want het is ondenkbaar dat een indedaad vrij volk of vrij mensch vrijwillig den hongerdood zal ondergaan. Daarom is het logisch juist, dat de strijd niet alleen tegen het privaat-eigendom maar ook tegen het gezag moet worden gericht.
Maar wat is gezag? Gezag uitoefenen is het opleggen van mijn wil aan een ander, al strijdt het ook met diens wensch en onderstelt tevens het bezit van machts-middelen, welke dan ook, om bij weigering hem te dwingen, zich naar den zin van mij te schikken. En voor vrijheid ken ik geen betere bepaling dan die door Spinoza werd gegeven in deze woorden: “dat voorwerp heet vrij, dat bestaat wegens de noodzakelijkheid zijner natuur en door zichzelf bepaald wordt tot handelen; noodzakelijk echter en veel meer gedwongen datgene, wat bepaald wordt door een ander tot bestaan en werken op bepaalde en vaste wijze.”
Nu is het gezag veel minder schadelijk, als het zich toont zooals het is, b.v. als blinde gehoorzaamheid tot het perinde ac cadaver in de Jesuïtenorde, dan als het zich uiterlijk toont in de kleeren der vrijheid. Het is afschuwelijk maar konsekwent, als een Jesuït bij Bungener zegt: “de vrijheid is de bron van alle ongeluk en de moeder van alle kwaad, het gezag is de orde, het geloof, de deugd, alles. Neen, de mensch is niet vrij geboren; hij is niet vrij, hij kan het niet zijn, nimmer zal hij het worden. Weet gij waarom gij ons haat, gij wijsgeeren, staatslieden, despoten van allen naam en soort? Het is niet omdat wij despoten zijn; het is wel omdat wij het met meer moed, met meer ernst, met gelukkiger uitslag zijn dan gij. Gij bestrijdt de vrijheid omdat zij u hinderlijk is; wij, omdat wij er niet aan gelooven. Gij ketent den mensch en hij spartelt tegen; wij, wij maken van hem een lijk en hij spartelt niet meer tegen. Maar het geheim van onze kracht is, dat wij zelven lijken zijn in de hand van de macht, die ons steunt en drijft. Gij meent dat die macht te Rome haar zetel heeft. Dat is een dwaling. Het hecht zoowel als de punt is overal. Gij meent dat die macht in zekere menschen vertegenwoordigd is. Ook dit is een dwaling. Al onze superieuren zijn lijken. Onze generaal is een lijk. De paus is een lijk. Zoek dus die macht nergens of overal, want overal is zij. Te Parijs, te Rome, in de woestenijen der nieuwe wereld, overal waar een mensch is, omdat overal waar een mensch is, driften zijn en bij gevolg een slaaf die op zijn meester wacht. Ook helpt het u weinig dat gij ons haat, die op grond van goddelijk of menschelijk recht, op eigen gezag of als lasthebbers van het volk, over de volkeren wilt heerschen. Gij zijt onze bondgenooten, onze medestanders, onze broeders in dien eeuwigen arbeid, die zich ten doel stelt het menschelijk geslacht tot slaaf te maken. Vermoordt ons, gij zult ons terugvinden in anderen, wat zeg ik? in uzelven. Verstrooit den geest, die in ons woont en gij zult dien met de lucht inademen. Ja, wij zijn het vleeschgeworden despotisme, maar het despotisme is de natuur der dingen, is de mensch, is God.” Daarom het is niet dat handjevol Jesuïten, dat de wereld tot huichelarij dwingt, maar het is de huichel-achtige natuur des menschen, die het den Jesuïten mogelijk maakt hun heerschappij over de wereld uit te oefenen. Ontneemt dus den bodem aan het Jesuïtisme, door de menschen op te voeden tot vrije, zelfdenkende, onafhankelijke menschen en gij zult zien dat het verdwijnt zonder opheffing bij de wet, zonder dwangmaatregelen. Het is de vrijheid alleen, die de onvrijheid met wortel en tak kan uitroeien. Is er geen vraag meer naar een artikel, het aanbod houdt vanzelf op.
En dat is dan ook het onderscheid tusschen de meeste menschen en de anarchisten. Elkeen gelooft in de vrijheid voor zichzelf, de anarchist alleen gelooft in de vrijheid voor allen. De anarchist gelooft in de vrijheid als het beginsel om goed te handelen. De tooverklank reeds van het woord is voldoende, om geestdrift te wekken en al wordt deze ook uitgedoofd door de maatschappelijke samenleving, geheel verstikt kan zij nooit worden.
Met hetzelfde cynisme bespreekt de Amerikaan Lloyd de kwestie of de groote trustbestuurders al dan niet monsters zijn van slechtheid en hij antwoordt: “onze tirannen zijn onze eigen idealen, vleesch geworden in mannen, geboren om ons te gebieden. Wat deze mannen zijn, dat hebben wij van hen gemaakt. Alle regeering is vertegenwoordiging, ook de regeering in de industrie. Wij zijn van den weg af, zoo wij de oplossing onzer vraagstukken zoeken in het geloof, dat onze zaken-koningen slechter soort menschen zijn dan wij zelven. Zij zijn alleen sterker in het slechte. Er is een wedstrijd in het slechte en de winners zijn de sterksten. Doch als er lager was dan laag, dan zouden zij het zijn die meekampen en als ze niet winnen, gaan schelden. De mannen, die de leiders zijn, zijn de ware vertegenwoordigers van den geest onzer eeuw en zij die daartegen opkomen, zijn niet van onzen tijd, hoogstens zijn zij de voorbereiders, de voorspellers van een nieuwen tijd.” En volkomen juist is zijn konklusie: “de overeenkomst van de woorden weten en geweten is niet toevallig. Wij moeten kennen wat recht is, eer wij recht kunnen doen. Als de feiten maar bekend worden, dan kan de mensch evenmin de monopolies verduren als hij de slavernij en de Romeinsche overheersching heeft kunnen verdragen. De eerste stap tot verandering is dat het volk verandering begeert. Als zij eerst weten, zullen ze begeeren. Om hen te helpen weten, begeeren, om nieuwen haat te wekken tegen het slechte, nieuwe liefde voor het goede, nieuw medegevoel voor de slachtoffers der macht en om door meer weten een nieuw geweten te wekken, is deze verzameling feiten bijeengebracht.”
En nu vragen wij of dit alles beter kan en zal worden, wanneer de bestaande monopolies volgens den wensch der sociaaldemokraten zullen worden gekoncentreerd in nog grootere mate, nl. tot één groot staats-monopolie? Zeker, het is mogelijk dat alsdan allen brood krijgen, maar ten koste van het beste en edelste in den mensch, zijn vrijheid. Goed gevoede staatsslaven onder zelf gekozen meesters kunnen moeilijk het ideaal zijn van vrije burgers in een vrije maatschappij. En die schrijver had volkomen gelijk, dat zoo onze beschaving verwoest wordt, gelijk Macaulay voorspeld heeft, dit niet zal zijn door de barbaren uit de onderste lagen der maatschappij, neen ONZE BARBAREN KOMEN VAN BOVEN.
Ter juiste beoordeeling vergete men nooit dat het kapitalisme onmogelijk zou kunnen bestaan of voort-bestaan, als de niet-bezitters niet in hun hart bezitters waren en de stille hoop koesterden het te worden. Bij zeer velen is het meer de wangunst die voorzit, dan wel het rechtvaardigheidsbeginsel. De machtigere of rijkere is in zjn hart niet slechter dan de zwakkere, want ternauwernood ziet men een uit de lagere klasse omhoog komen, of hij doet op zijn beurt hetzelfde, wat hij vroeger zoo scherp veroordeelde, en dat soms op nog ergerlijker wijze, zooals reeds in den volksmond is aangenomen in het bekende woord: als niet wordt tot iet, wordt hij allemans verdriet. En alles bijeengenomen is dit zeer begrijpelijk, want staat men tusschen de keuze om hamer of aambeeld te zijn, om uit te zuigen of uitgezogen te worden, dan verkiest men het eerste. De patroon kan niet anders dan uitzuigen op straffe van ondergang – daar is hij patroon voor. Wordt dus de werkman patroon, dan komt hij in dezelfde omstandigheden en moet dus doen als deze, want het patroon-stelsel brengt dit noodzakelijk met zich mede.
Men heeft allerlei slagwoorden, die dienst doen om den waren staat van zaken aan de oogen te onttrekken, maar ontleedt men ze, dan bemerkt men spoedig, dat zij als dooddoeners moeten werken.
Verdedigers van de maatschappelijke orde, die de grootste wanorde is, getuige het ’t feit dat zij niet anders dan door geweld in stand kan worden gehouden, vindt men eigenlijk niet meer en Heine had volkomen gelijk, toen hij konstateerde dat het “voor het kommunisme een onberekenbaar gunstige omstandigheid is, dat de vijand, dien het bestrijdt, bij al zijn macht in zichzelf geen zedelijk steunpunt bezit. De tegenwoordige maatschappij verdedigt zich alleen uit noodzakelijkheid, zonder geloof in haar goed recht, ja zonder achting voor zichzelve, geheel op dezelfde manier als die oude maatschappij, wier verrotte balken ineenstortten, toen de zoon van den timmerman kwam”. Het zou dan ook uiterst moeilijk zijn dit te doen, als men voor zich heeft een maatschappij, wier welsprekendste bewijzen van welvaart zijn: het armhuis, het ziekenhuis, het gekkenhuis en het tuchthuis. Voeg hierbij de gevangenis van het lichaam of de kazerne en de gevangenis van den geest of de kerk en gij begrijpt dat de maatschappij is zooals zij is. Wij erkennen, zoo zegt men, dat de toestanden dringend behoefte hebben aan verandering, maar dat kan niet op eens, dat moet een geleidelijke ontwikkeling zijn zonder schokken en stooten.
Dus langs den weg der evolutie?
Hier krijgen wij dus de veel gebruikte onderscheiding tusschen

evolutie en revolutie,

door velen ten onrechte beschouwd als een tegenstelling. En toch het tegendeel is waar, de evolutie en de revolutie zijn twee elkander opvolgende fasen van éénzelfde verschijnsel. Beide fasen verschillen alleen ten opzichte van het tijdstip der verschijning. Men zou de revolutie kunnen noemen het eindpunt der evolutie. Ziet hoe het kuiken zich ontwikkelt in het ei, hoe de bloesem zwelt aan den boom, tot het tijdstip dat het kuiken de schaal met geweld stuk pikt om verlost te worden uit de schaal, die te eng is geworden, dat de bloem openbarst omdat zij het niet meer houden kan.
Is deze laatste revolutionaire handeling in strijd met de voorafgaande evolutionaire ontwikkeling? Geenszins, integendeel, zij is er de sluitsteen van. Vooral de Darwinisten gebruiken dit argument en zich beroepende op het: natura non facit saltus (de natuur maakt geen sprongen) wisten zij den revolutionair dood te slaan met de bewering, hoe de geheele natuur aanwees, dat alles geleidelijk en langs de lijn der evolutie ging, zoodat het ingrijpen door middel der revolutie tegen-natuurlijk was. Veel juister was de opvatting van prof. de Bosch Kemper, waar hij in zijn boek: De wetenschap der samenleving schreef: “wanneer een samenleving een plant gelijk was, zou men zich kunnen voorstellen een geleidelijke ontwikkeling, waarin, bij wijze van evolutie, de bladen zich langzaam ontplooiden en de knop zich opende om de schoonste bloem te doen aanschouwen; nu de aardsche samenleving slechts de grondstof levert, waarin de geest een rijk des geestes opricht, vinden er, bij den overgang van het natuurlijke leven tot het geestelijke veel meer revolutiën dan langzame evolutiën van den eenen goeden toestand tot den anderen plaats. De natuurlijke zelfzucht – bij gevoel van zwakte een oorzaak van regeeringloosheid en blinde onderworpenheid, bij gevoel van kracht eene bron van willekeur en overmoed, doet bij de ongelijke ontwikkeling der individuën allerlei botsingen in de samenleving ontstaan – autocratische staatsveranderingen, geweldige opstanden, wijd uitgestrekte omwentelingen, die in elken tijd een anderen vorm aannemen, maar een algemeene oorzaak bezitten in de krachtige neigingen van onderdrukkers en onderdrukten om aan het bestaande een andere gedaante te geven.” En hij noemt de geweldige omwentelingen “evenzeer als de zonden treurige, maar tevens hoogst weldadige openbaringen van het verkeerde. Naarmate de volken in ontwikkeling toenemen, zullen de evolutiën van een krachtig vooruitgaand volksleven de revolutiën vervangen. Men moet de oorzaken der omwentelingen nauwkeurig opsporen, naar die verkregen kennis kunnen zij voorkomen worden, evenals men de natuurrampen ontwijkt door op de natuurverschijnselen acht te geven, niet door kunstmatige organisatiën, maar door zoo mogelijk de oorzaken van het kwaad weg te nemen”. Dus de revolutiën een onvermijdelijk element in den evolutionairen ontwikkelingsgang. Maar nu kwam bovendien onlangs de bekende plantkundige en Darwinist, prof. Hugo de Vries, met talrijke proefnemingen aandragen, om te bewijzen dat de natuur juist wel sprongen maakt en dat dus de wetenschap juist wel revolutionair werkt. Hij toonde aan dat de schommelvariatie in de natuur niet en de sprongvariatie wel bijdraagt tot de vorming der soort. Geen tegenstelling dus tusschen evolutie en revolutie, de natuur werkt niet alleen langs den geleidelijken weg maar ook met sprongen – zietdaar de waarheden waartoe de wetenschap ons noopt. Men zal dus verstandig doen het totaal onwetenschappelijke praatje van evolutie en revolutie als tegenstelling in de rommelkamer van verouderde vooroordeelen te plaatsen. De vraag of de evolutie dan wel de revolutie het zal winnen, is dus een dwaze, die geen recht van bestaan heeft.
Het Darwinisme met zijn bekende formule van “strijd om het bestaan” moet ook dikwijls dienst doen tegen het socialisme. en er heeft een strijd plaats gehad tusschen twee groepen geleerden, waarvan de eene in het Darwinisme een bondgenoot zag van het socialisme (prof. Virchow) en de andere daarentegen in het Darwinisme een middel zag om de onuitvoerbaarheid van het socialisme aan te toonen (prof. Häckel). Allereerst zij opgemerkt, dat de strijd om ’t bestaan te eenzijdig opgevat wordt als een strijd tusschen de individuen van dezelfde soort. Ook Darwin wees er in zijn Afstamming van den mensch op, hoe bij tal van gezellig levende dieren de strijd om de bestaansmiddelen tusschen de individuen ophoudt en vervangen wordt door samenwerking. Hij beweerde dat in zulke gevallen de geschiktsten niet degenen zijn, die lichamelijk het sterkst waren of het slimst, maar zij die geleerd hebben zich zóó te vereenigen, dat zwakken en sterken elkaar wederkeerig steunen ter bevordering van de welvaart der gemeenschap. “Die maatschappijen zouden het meest bloeien en de meeste nakomelingen verwekken, die het grootste aantal hulpvaardige leden bevatten.”
Maar veelal wordt vergeten, hoe er naast “den strijd om het bestaan” in de natuur een andere natuurwet kan worden waargenomen, niet minder krachtig werkende, nl. het wederkeerig hulpbetoon als faktor tot ontwikkeling. Het is vooral Kropotkine, die deze wet heeft nagegaan onder de dieren, onder de wilde en onbeschaafde volkeren, in de middeneeuwen, in den modernen tijd in aansluiting met anderen.
De groote Russische zoöloog, prof. Kessler zegt: “als zoöloog, die mijn geheele leven gewijd heb aan de wetenschap, gevoel ik mij genoopt te protesteeren tegen het misbruik van de uitdrukking”strijd om het bestaan“, die aan de dierkunde ontleend is en waarschuw ik tegen het overschatten van haar beteekenis. De dierkunde en de verwante wetenschappen, die ook het leven van den mensch betreffen, leggen steeds den nadruk op datgene, wat zij de meedogenlooze wet van den strijd om het bestaan noemen; maar zij vergeten dat er nog een andere wet is, die wij de wet van het onderling hulp-betoon zouden kunnen noemen en die althans voor de dieren van veel meer belang is dan de eerstgenoemde. De behoefte om het geslacht voort te planten, brengt planten en dieren noodzakelijk bij elkander en hoe meer de individuen bij elkander blijven, te meer helpen zij elkander en te grooter is de kans, dat die soort in den strijd om het bestaan winnen en in geestelijke ontwikkeling zal vooruitgaan. Onder alle klassen van dieren, en vooral onder de hoogere, heerscht de gewoonte elkaar te helpen en talrijk zijn de voorbeelden, ontleend aan het leven der kevers, vogels en zoogdieren. Ik zal den strijd om het bestaan niet ontkennen, maar ik houd vol, dat de vooruitgang in het dierenrijk, vooral die van het menschdom, veel meer bevorderd is door wederkeerige hulp dan door strijd…. Alle organische wezens hebben twee voorname behoeften: zich te voeden en hun geslacht voort te planten. De eerste brengt hen tot strijd en tot wederkeerige verdelging, terwijl de behoefte tot paring hen er toe brengt elkaar te naderen en te helpen. Ik ben echter geneigd te gelooven, dat in de ontwikkeling van het organische rijk wederkeerig hulpbetoon der individuen een veel belangrijker rol speelt dan hun onderlinge strijd.” Het streven der natuur moet samengevat worden in de woorden: “voert geen strijd om voedsel. Strijd voeren is altijd nadeelig voor de soort en er zijn tal van middelen om dien te ontgaan.” Dus de natuur leert ons: “vereenigt u en helpt elkander. Dat is het zekerste middel om aan allen de grootste veiligheid te verschaffen, dit de beste waarborg voor leven en vooruitgang op stoffelijk, geestelijk en zedelijk gebied.”
Dit nu wordt door hem in tal van voorbeelden aangetoond.
Beweerde Hobbes dat de natuurstaat niet anders was dan een voortdurende strijd tusschen de individuen, die elkaar in hun leven ontmoetten, die dwaling vond haar oorsprong in de meening, dat het menschdom zijn loopbaan begonnen is als op zichzelf staande gezinnen. Maar het gezin is geen oorspronkelijke instelling, het wijst op een veel latere periode in de menschelijke ontwikkeling. Binnen de grenzen van den stam heerschte wel degelijk het beginsel: elk voor allen, zoolang de vorming van het gezin de eenheid van den stam niet had verbroken.
Het is dus een dwaling, als men het Darwinisme als wapen wil gebruiken, om het tegennatuurlijk karakter van het socialisme te bewijzen. Den socialisten wordt zoo dikwijls verweten: gij kunt best kritiseeren en afbreken, wij zullen de laatsten zijn om te ontkennen dat in die kritiek op de bestaande maatschappij niet een groote dosis waarheid steekt, al is zij veelal eenzijdig en overdreven, maar als het op opbouwen aankomt, dan zijt gij verbazend zwak. En toch hoe heilzaam kritiek is, men kan daarvan niet leven en als zij niet opbouwend tevens is, dan zal men wel weten te vernielen, maar niets daarvoor in de plaats geven.
Als antwoord op die opmerking zeggen wij: maar moet niet altijd het negatieve voorafgaan? Men kan toch niet bouwen op dezelfde plek, waarop een ander, een vermolmd huis staat, zonder het eerst naar den grond te gooien! Dus afbreken, om te kunnen opbouwen. Buitendien wanneer eens een enkele maal een schets gegeven wordt van een maatschappij der toekomst, zooals men zich die voorstelt met de gegevens van heden, dan worden in den regel de hoofdlijnen onbesproken gelaten en op allerlei kleinigheden van ondergeschikt belang blijft men dood. Alsof niet de ontwerpers van zulke schetsen –en meer kan het nooit wezen– zeer goed weten, dat hun werk onvolledig en gebrekkig is, alsook dat één enkele uitvinding in staat is hun fantasiën met één rukwind der werkelijkheid om te blazen. Weet men ook niet, hoe waar het is, wat Schiller zei:

Das Alte stürzt, es ändert sich die Zeit

Und neues Leben blüht aus den Ruïnen.

(Het oude stort ineen, de tijd verandert en nieuw leven ontluikt uit de ruïnes)?
Eerst moet het oude gebouw omvergehaald, het puin opgeredderd, om op de puinen van het oude iets nieuws en beters te kunnen bouwen. De revolutionaire methode is in dezen veel korter en zuiniger dan die der hervormingsgezinden. Zij staan gelijk met twee personen, die b.v. een bakkerij willen oprichten. De een beschikt over een groot kapitaal, kan dus eenige perceelen afbreken en op dien grond een mooie fabriek oprichten, overeenkomstig de eischen des tijds voorzien van alle nieuwste, tijd- en geldbesparende machines. De ander daarentegen moet in het klein beginnen, om telkens een perceel bij te koopen tegen veel geld en een nieuwe machine aan te schaffen. Het blijft eigenlijk altijd knoeiwerk ondanks grooter onkosten, want als ten slotte de rekening werd opgemaakt van beiden, dan zou het blijken hoe de eerste heel wat voordeeliger alles had tot stand gebracht dan de tweede en heel wat spoediger tot zijn doel kwam. Evenzoo gaat het hier en het blijft altijd de vraag, of Herbert Spencer niet gelijk heeft in deze opmerking: “de steenen van een huis- kunnen niet gebruikt worden op een andere wijze, vóórdat het huis zelf naar den grond is gehaald. Als de steenen door cement zijn verbonden, zal het bizondere moeite veroorzaken, om hun tegenwoordigen staat te vernietigen, voordat zij weer bruikbaar zijn. En als het cement ze eeuwen lang heeft bevestigd, gaat het afbreken gepaard met zulke moeiljkheden, dat het bouwen met nieuwe materialen meer ekonomisch uitkomt dan het herbouwen met oude.”
Dit is een praktische opmerking, waarvan de waarheid zal worden erkend door alle bouwers. En nu mag het slooperswerk dikwijls als minderwaardig worden beschouwd, toch is het niet geraden voor elkeen zich daaraan te wagen, want het kon best gebeuren, dat men zichzelf onder de puinen begroef. Maar evengoed als de bouwlieden aan den tempel te Jeruzalem na den terugkeer der Joden uit de ballingschap moesten werken met den troffel in de eene en het zwaard in de andere hand, evenzoo moet dit nu geschieden. Opbouwen en zich verdedigen tegen alle aanvallen moet gelijktijdig geschieden, ook op maatschappelijk gebied.
Voor de groote massa, die niets bezit, is dit afbreken ook geen gewaagd werk, want minder kunnen zij er niet op worden. Schier elke verandering is voor haar verbetering. Dit is de konditie, waarin de arbeidersklasse der geheele wereld zich bevindt. Daarentegen is het te begrijpen, dat allen, die iets te verliezen hebben, bang zijn voor dien “leap in the dark” (sprong in het duister), zooals anderen het noemen, die liever blijven bij het behoud van hetgeen zij hebben, al gaat dit ook ten koste van het meerendeel hunner medemenschen, dan dat zij zich wagen zouden aan het onbekende, het onzekere. Zij brengen het oude gezegde in toepassing, zoo in-konservatief van strekking, omdat het de dood is van elke verandering: “wat je hebt, mijn kind, dat weet je. Wat je krijgt, dat weet je niet.” Ook ten opzichte hiervan staan de belangen van hen, die volgens het Kommunistenmanifest “niets te verliezen hebben dan hun slavenketenen” en alles te winnen, een wereld van welvaart, genot en vrijheid, in tegenstelling met hen, die wel wat te verliezen hebben, tegenover elkander, gescheiden door een klove, die zoo wijd gaapt, dat zij niet te overbruggen is, zoolang het kwaad niet in den wortel wordt aangetast. Alles is een “eeuwig worden” en daarom blijft niets bij het oude. “Alles wat bestaat, is waard dat het te gronde gaat”; evenals de zaadkorrel sterft, maar na het leven geschonken te hebben aan iets anders, evenzoo gaat het in de gansche wereld en de dichter sprak het zeer goed uit, toen hij deze gedachte weergaf in den volgenden kernachtigen zin:

Was in Unsterblichkeit soll leben

Muss erst im Leben untergehn.

(Wat onsterfelijk zal voortleven, moet eerst in het leven ondergaan).

Egoïsme en altruïsme.

Ook wordt veel gesproken over den geest der gemeenschap, die onder de menschen is wakker geworden en opnieuw maakt men een tegenstelling, die in waarheid geen tegenstelling is. Men spreekt over egoïsme en altruïsme en schrijft dan het eerste toe aan het tijdvak dat achter ons ligt en het tweede als het meer en meer drijvende beginsel van onzen tijd. Ego beteekent Ik, Alter beteekent een Ander. Wij krijgen dus de tegenstelling van een leven voor zich en een leven voor anderen. En zegevierend hoort men soms zeggen: onze tijd staat in het teeken van het altruïsme. Men spreekt over den individueelen en den socialen drang als de twee spillen, waarom de samenleving draait. Maar alweer: bestaat er wel zulk een tegenstelling? Men wijst op het tijdvak van de Manchesterschool en het daarmede samengaande liberalisme als het individualistische tijdperk. Zeker, dat individualisme was atomisme, als vormden de menschen een hoop atomen naast elkander zonder innerlijke verbinding in plaats van een organisme, waarvan het welzijn der verschillende deelen noodzakelijke voorwaarde is voor het welzijn van het geheel. Maar het eigenbelang, d.w.z. het belang van den individueelen mensch staat niet tegenover het algemeen belang, want hoe kan ik gelukkig zijn bij het ongeluk van anderen? Elkeen begint bij zichzelven en ondanks alle mooie praatjes zal de zorg voor zich-zelven, ingedreven als zij is in elk wezen, de allereerste zijn waarmede men zich bezig houdt. Ja, het goeddoen aan anderen komt zelfs voort uit de zorg voor zichzelven. Daarom bewijst het niets voor een altruïstischen geest, die zou rondwaren, wanneer men aantoont hoeveel meer er gedaan wordt voor het volk in vergelijking van vroeger. Want vooreerst, het zou zeer moeilijk zijn het bewijs te leveren, dat er zooveel meer wordt gedaan, alsof niet tal van liefdadige instellingen dateeren uit ’n vroegeren tijd, en dan ten tweede zijn dit niets anders dan teekenen van filantropie en deze is en blijft altijd een goedheid en geen recht, dus voldoet het juist niet aan hetgeen vereischt wordt. In een gezonde maatschappij vervalt immers alle filantropie en zoolang deze bestaat, kan men zeggen dat de toestand ongezond is. “Onder eenigen vorm –welke dan ook– zal het ‘recht op arbeid’ voor iederen mensch moeten worden erkend” – zoo zegt Quack, maar wat hebben wij aan theoretische erkenningen, zoolang wij het privaateigendom onaangetast laten en niet aan elkeen de toegang is gewaarborgd tot de arbeidsmiddelen? Dat recht toch werd reeds in Frankrijk erkend door de Nationale Konventie van 1793, verklarende dat “ieder mensch het recht heeft op onderhoud door den arbeid, mits hij daartoe in staat is en op kosteloozen bijstand, indien hij buiten staat is te werken” en die “het onderhoud der armen een nationale schuld” noemde in plaats van de opheffing der armoede als zoodanig te erkennen. Hier schuilt een inkonsekwentie die niet is weg te nemen. In de verklaring der rechten van den mensch wordt het verschaffen van arbeid of het verzekeren van bestaans-middelen aan hen die ongeschikt zijn tot den arbeid een plicht genoemd der maatschappij. Babeuf zoowel als Fourier verkondigden dat denkbeeld; de Nationale Vergadering van 1848 kondigde het plechtstatig af. Bismarck sprak het groote beginsel uit in den Rijksdag van 1878: “geef den arbeider het recht op arbeid, zoolang hij gezond is, verzeker hem verpleging als hij ziek is, waarborg hem een goede verzorging als hij oud is”, met een beroep op een paragraaf in het Pruisische Landrecht van 1794. Maar nog steeds wordt gewacht op de eerste schreden in die richting. En met al het geroep op het doordringen van het gemeenschapsgevoel is zelfs dat weinige, wat gedaan is ter voorziening in den nood, niets anders dan zuiver egoïsme, ten einde te verhoeden erger dingen, waarvoor men vreesde. De grondslag van al dat altruïsme is niets anders dan egoïsme, al is het hoogstens in verfijnden vorm. Neen, het is niet waar, dat de mensch zichzelf achterstelt bij een ander, want als het er op aankomt is elkeen zichzelf het naaste, en degenen, die anders spreken, maken zich schuldig aan zelfbedrog of aan huichelarij, omdat zij best weten dat zij juist door dat voorgeven te beter hun eigen Ik kunnen dienen.
Als een vader het laatste stuk brood ontneemt aan zijn kind, dan stemt elkeen toe, dat deze geleid wordt door zijn baatzucht, die hem boven alles ging. Als daarentegen een moeder zich ontdoet van haar kleeren, om haar kleinen lieveling te dekken en zelve liever zit te rillen van de kou, dan te denken dat haar kind koude zou lijden, dan wordt die daad geprezen en daarin het bewijs gezien van zelfverloochenende liefde.
Toch, hoe verschillend die twee handelingen zijn als resultaat voor de menschheid, beide personen worden gedreven door dezelfde drijfveer, nl. het jagen naar genot. Immers als de mensch, die het laatste stuk brood wegneemt, liever dan het een ander af te staan, of zijn eigen kleeren uittrekt om er anderen mede te dekken, hier geen genot in vond, dan deed hij het niet.
Beiden handelen dus om zichzelven, door voldoening te verschaffen aan datgene, waartoe zij onweerstaanbaar gedrongen worden. Het motief is dus hetzelfde, alleen de aard van de handeling verschilt. Genot najagen, smart verwijderen –eigenlijk is beiden hetzelfde– zietdaar bij allen het streven.
Geen woordenspel dus, dat te dikwijls dienst moet doen om achter mooie woorden juist het best vrij spel te kunnen laten aan zijn egoïsme, zooals Mefistofeles in den Faust dit zoo juist begreep, toen hij zei: “Want juist daar waar de zin ontbreekt, kan ‘t passend woord zijn plaats bekleeden; met woorden wordt perfekt gestreden, met woorden een systeem bereid en aangekweekt."
Wanneer Max Stirner, de apostel van het egoïsme, stoutweg zegt: “Mij gaat niets boven mij”, dan klinkt dat vreeselijk, maar als wij eerlijk tot onszelven inkeeren en oprecht willen zijn, dan zullen wij moeten erkennen dat wij allen handelen naar die leer. En wie zoo durft spreken en daarnaar doet, die heeft de majesteit van het Ik veroverd. Immers dat wil zeggen: laat u niet vertrappen, denk hoog over uw eigen Ik. Wanneer alle Iks zoo deden, zou er dan nog sprake kunnen zijn van vertrapping? Juist omdat men te min denkt over zichzelf, juist daarom laat men zich dingen welgevallen die geen mensch met gevoel van eigenwaarde zal dulden. De individuën maken de samenleving. Zou niet de som van hoog staande individuën noodzakelijk tot uitkomst hebben een hoog staande maatschappij? Heusch men behoeft niet bang te zijn voor overdreven individualisme, want anderen zorgen er wel voor, dat als de individualiteit te sterk op den voorgrond dringt, deze weer omlaag wordt gerukt. Goethe merkte zoo terecht op, dat “wij in den grond der zaak allen kollektieve wezens zijn, wat wij ons ook mogen verbeelden, want hoe weinig hebben wij en zijn wij, dat wij in den strikten zin ons eigendom noemen! Wij moeten allen ontvangen en leeren, zoowel van hen die vóór ons waren als van hen die met ons leven. Zelfs het grootste genie zou niet ver komen, als het alles te danken wilde hebben aan zijn eigen innerlijk leven”. Er dreigt dus veel grooter gevaar dat de mensch zijn individualiteit zal laten verstikken, dan dat zij een te groote rol zal spelen in het leven. Zeker ook de omgang, het verkeer met anderen vormt op zijn beurt individuën, zoodat hier wederzijdsche inwerking plaats heeft van de deelen op het geheel en van het geheel op de deelen. Is er juister vergelijking mogelijk dan die van de maatschappij bij het menschelijke lichaam? Als één lid lijdt, al is het ’t kleinste, dan lijdt het geheele lichaam. Eerst dan: is het organisme gezond, als alle deelen in de schoonste harmonie tot elkander staan.
Het was op den laatsten dag van Sokrates’ leven, dat zijn vrienden bij hem kwamen in de gevangenis om afscheid van hem te nemen. Toen het einde begon te naderen, vroeg een hunner, Crito, aan den meester:”wat kunnen wij doen voor uw kinderen“? De wijsgeer gaf hierop ten antwoord:”niets anders dan dat gij zorg draagt voor uzelf. Daarmede doet gij mij en den mijnen en uzelf den grootsten dienst, al belooft gij nu niets. Maar wanneer gij uzelf verwaarloost, zult gij er niets meer om doen, al belooft gij nu veel en met sterke bewoordingen."
Een zonderling antwoord schijnbaar en toch welk een diepe zin van waarheid ligt daarin opgesloten!
Het minste, wat een mensch voor anderen, voor de gemeenschap kan doen, zal wel zijn, te zorgen, dat hij niemand van die anderen tot last zij of worde. Dus draag zorg voor uzelf, daarmede doet gij anderen een dienst. Hier komt te pas het door Multatuli zoo juist gekozen gezegde van “naastbijliggende plichten”.
Aan zieken heeft de gemeenschap niet veel. Zorg dus, uit liefde voor de anderen, voor uw eigen gezondheid.
Aan armen heeft de gemeenschap niet veel. Zorg dus, uit liefde voor de anderen, voor uw eigen welzijn.
Aan onwetenden heeft de gemeenschap niet veel. Zorg dus, uit liefde voor de anderen, voor uw eigen kennis.
Ziet ge wel, hoe men “egoïst” moet zijn, ten einde “altruïst” te kunnen wezen? Met andere woorden, dat hier geen tegenstelling bestaat, maar beide begrippen, goed verstaan, elkander volkomen dekken? Wat van de bloem geldt: “siert de roos zichzelve, zij siert meteen de gaarde”, is evenzeer waar van den mensch: wie het best zijn roeping als individu vervult, strekt meteen der menschheid tot eer.
Let er maar eens op, hoe van elk edel individu als ’t ware stralen uitgaan, die licht werpen op zijn geheele omgeving. Als dus met de verbetering der toestanden geen verhooging van het peil van het individu gepaard gaat, dan verzinken de verbeteringen toch spoedig in het niet. Raadplegen wij in alles de natuur, want de mensch staat niet boven of buiten haar, hij is immers zelf een stuk natuur. Streven wij naar de juiste kennis van den samenhang van het menschelijk geslacht en van elk afzonderlijk mensch. Het was de fout van het liberalisme, dat het zorg droeg voor enkele deelen van het maatschappelijk lichaam, maar andere en wel de meeste verwaarloosde. Kon het resultaat dus anders wezen dan een totaal ziek lichaam?

Tegenover hen, die de ethische zijde op den voorgrond wenschen geplaatst te zien, vragen wij hoe dit kan bij een uitgehongerde bevolking, die aan elk ding gebrek heeft. Hoe plat materialistisch het moge klinken, wij beweren dat de ethische vraag allereerst een eetvraag is.

“Nichts mehr davon ich bitt’ Euch! Zu essen gibt ihm, zu wohnen

Habt ihr die Blösse bedeckt, giebt sich die Würde von selbst.”

(Niets meer daarover, verzoek ik u. Geeft hem te eten, te wonen! Als gij de naaktheid bedekt hebt, volgt de waarde vanzelf) – zoo schrijft Schiller terecht. En daarom had Lassalle gelijk, toen hij de sociale vraag als “maagkwestie” op den voorgrond plaatste, al wist hij even goed als alle moraliteitspredikers, die zelven volop het goede der aarde genieten en zoeken, dat de mensch niet leeft bij brood alleen. Voedingsmiddelen zijn deugdmiddelen en dus: begint met het begin. Zegt niet ondoordacht: wat moeten de rijke lui, die overvloed van voedingsmiddelen hebben, dan deugdzaam zijn, want gij zegt daaraan niet goed; zegt alleen dat zij de voorwaarden bezitten om goed te zijn, indien niet andere dingen ze weer neutraliseerden. Of zoudt gij ontkennen dat armoede leidt tot slechtheid? O, het is zoo gemakkelijk braaf te zijn, als men alles heeft wat men begeert. Beschaving kan niet bloeien zonder materieelen welstand. Wie al zijn tijd noodig heeft om zich door middel van zijn arbeid te vrijwaren voor honger, koude en ziekte, hoe kan hij aan andere dingen denken?
De moraal is ’n mooi ding, vooral voor de welgestelde lieden, die met een mooie, goed gewaarborgde toekomst op de wereld komen evenals de slak met haar huisje op den rug. Maar niet alle dieren hebben dat voorrecht en de moraal van slakken past niet voldoende voor elk schepsel. En wanneer wij niet op de bewering van een medemensch, die zegt: ik moet toch ook leven, durven antwoorden: daar zie ik de noodzakelijkheid niet van in –het feitelijke antwoord dat de bezitter praktisch geeft aan den niet-bezitter– dan schiet er niets anders over dan te erkennen, dat de mensch, die niets meer heeft, alle middelen mag aanwenden om aan den kost te komen. Ook de bekende kardinaal Manning erkende, dat “voor het natuurlijk recht op het leven alle menschelijke wetten wijken”. Dus voor den honger-lijder bestaat geen wet, geen deugd, geen zedelijkheid, voor hem bestaat slechts één vraag en dat is deze: hoe kan ik voldoening schenken aan de behoefte mijner maag, die om voedsel vraagt?
De erkenning, dat de 19de eeuw in haar volheid het tjdvak is geweest der voldane “bourgeoisie” (prof. Quack) is ook pas afgedwongen door het socialisme en deze ziet terecht in, dat als “niet alle voorteekenen bedriegen, ook met het einde der 19de eeuw het tijdvak der alleenheerschappij van de bedrijvige middenklasse, het ‘régime’ der liberale partij, is gesloten”. En hoe zwaar de beschuldiging ook klinke, zij is volkomen gerechtvaardigd, dat “de heeren staathuishoudkundigen doen, alsof zij dat alles niet zien, en hoofdstukken beramen voor een nieuwe mathematische waardeleer of een puntige theorie over prijsvorming. Zij zijn als die koning der West-Gothen, van wien Jornandes in zijn kroniek verhaalt. De strijd woedt; de krijgers storten op elkander: tegen de Longobarden vechten de scharen. Doch ter zijde van het slagveld zit de koning onder een boom met een zijner hovelingen te schaken en bedenkt hij op ’t schaakbord nieuwe zetten. Daar komt de neêrlaag van zijn leger met rollende daverende donderslagen en sleurt hem en zijn trawanten en zijn schaakspel in den jammer van dood en verderf.”
Is dit niet met andere woorden hetzelfde, als wat wij meermalen zeiden: de staatslieden staan redeloos, de mannen der wetenschap radeloos en te midden daarvan gaat het volk reddeloos te gronde, als het niet zijn eigen zaken buiten dezen om ter hand neemt?
Vooral blijkt dit ten opzichte van het vraagstuk der werkloosheid, dat onoplosbaar is binnen het raam der hedendaagsche maatschappij. Immers deze berust op het loonstelsel en juist dat stelsel heeft de werkloosheid ten gevolge. Wil men een zaak met goed gevolg bestrijden, dan moet men de oorzaak opsporen en opheffen. Strijd tegen de gevolgen zonder wegneming der oorzaak is gelijk aan het vullen van het vat der Danaïden, waar men eerst den bodem heeft uitgenomen. Onverschillig daaraan voorbij te gaan, gelijk de priester en de Leviet het deden in de bekende gelijkenis tegenover den man, die gewond en hulpbehoevend op den weg lag, is op den duur onmogelijk, want bemoeit de maatschappij zich niet met de werkloozen, dan kan men ervan op aan, dat op zekeren dag de werkloozen zich met de maatschappij gaan bemoeien en dan op nog al hardhandige wijze. Leest wat de geleerde ekonomen schrijven over dat vraagstuk en men staat versteld over de onbeholpenheid, die zij ten toon spreiden. En toch in het teeken der werkloosheid gaat deze maatschappij te gronde. Op onzen tijd met al zijn geleerdheid is het oude woord toepasselijk: “des avonds zegt gij: het zal een schoone dag worden, want de hemel ziet rood en des morgens zegt gij: heden zal er onweder komen, want de hemel ziet treurig rood. Gij huichelaars! De gedaante des hemels kunt gij beoordeelen, waarom niet ook de teekenen des tijds”? Dat woord slaat nog altijd den spijker zoo juist op den kop. Want feitelijk weten wij veel meer af van den loop der hemellichamen, de gedaante des hemels, de wetten die daar heerschen dan van hetgeen rondom ons plaats vindt vlak voor onze voeten in de menschenmaatschappij.
De toepassing van den stoom op de nijverheid, de sterkere verdeeling van den arbeid in de groot-industrie en de opeenhooping van het kapitaal door middel der trusts – zietdaar drie oorzaken, die tot werkloosheid leiden en daar het niet te verwachten is, dat hierin verandering komt, zal zij noodzakelijk moeten toenemen in de toekomst. Elke nieuwe uitvinding, getuige van den menschelijken geest die werkt om den mensch te bevrijden van allen eentonigen en geestdoodenden arbeid, moet daarom met schrik en beving worden te gemoet gezien. Men denke b.v. aan de zetmachine. Alweer dus staat onze huidige samenleving eigenlijk vijandig tegenover den vooruitgang. Eén enkele uitvinding kan een heelen tak van nijverheid zoodanig revolutioneeren, dat hij verdwijnt. En wij denken aan de voordracht van den bekenden scheikundige Berthelot, die over de rol der scheikunde in de maatschappij der toekomst sprekende, zei dat omstreeks het jaar 2000 geen landbouw en geen boerenstand meer zullen bestaan, geen kolenmijnen zullen worden geëxploiteerd, daar de brandstoffen zullen zijn vervangen door scheikundige en natuurkundige verwarmingsmethoden. Men zal de zomerwarmte en de hitte van het binnenste der aarde exploiteeren en van beide warmtebronnen zal een onbeperkt gebruik kunnen worden gemaakt. Wordt zulks verwerkelijkt, dan zullen tal van andere vraagstukken opgelost worden, b.v. het moeilijkste van allen, de voortbrenging der voedingsmiddelen. Dit is van zuiver scheikundigen aard, want op denzelfden dag dat men op goedkoope wijze kracht krijgt, zal men met koolstof uit de koolzuren, met waterstof en zuurstof uit het water en met stikstof uit de atmosfeer levensmiddelen maken van allerlei soort. Wat tot nog toe de planten deden, zal dan de nijverheid doen en wel op volmaakter wijze dan de natuur het tot nog toe vermag. Er zal dan een omwenteling komen, waarvan men zich thans nog geen begrip kan maken; moestuinen, wijnbergen en velden zullen verdwijnen, de menschen zullen zachtaardiger en beter worden, want zij zullen niet meer leven van moord, van de vernietiging van levende wezens. De aarde zal een tuin zijn, waarin men naar eigen lust gras en bloemen, bosschen en struikgewas zal kunnen laten groeien en waar de menschheid zal leven in den overvloed der gouden eeuw. Daarom zal hij nog niet ontaarden, want een deel van het geluk is de arbeid, en de mensch zal arbeiden zoo goed als ooit, omdat hij dan niet meer zelfzuchtig, alleen voor zichzelf, maar beter dan ooit, ook voor anderen zal werken om de geestelijke, zedelijke en artistieke ontwikkeling van allen tot steeds hooger trap te brengen. Is het niet Zola, die in zijn laatsten roman Travail (Werk) de elektrische kracht noemde de noodzakelijk geworden, werkende oorzaak voor alle werk, voor alle gemeenschapsleven, die de wetenschap beschouwt als de groote bevrijdster van den mensch, als de revolutionaire bij uitnemendheid, waardoor het mogelijk wordt gemaakt op de puinhoopen der oude, vernietigde, weggeveegde wereld de verheven en zuivere droom van het anarchisme te verwerkelijken: den vrijen mensch in de vrije maatschappij, elk wezen bevrijd van alle banden, genietende tot in het oneindige van alle gevoelens en van alle talenten, uitlevende zijn recht om te leven en gelukkig te zijn door het gemeenschappelijk eigendom van alle goederen der aarde?
De helderziende mannen der wetenschap weten wel waar de fout schuilt, zooals een Sismondi, die het immers zoo juist uitdrukte: “wat het geneesmiddel aangaat, ik heb den moed niet het aan te geven, want als men dat doet, zou men de tegenwoordige eigendomswetten moeten aantasten.” En prof. Quack getuigt: “trouwens geheel de leer van den eigendom zal allengs worden herzien”, alleen hij durft de zaak niet voldoende aan, waar hij wel het bijna absoluut karakter van het eigendom afkeurt en wil omzetten in een behoorlijk begrensd karakter, uitgaande van het beginsel, dat de uitoefening van het eigendomsrecht aan de gemeenschap niet mag schaden, maar niet gevoelt dat het eigendomsrecht òf volstrekt moet zijn òf verloren is, evenmin als een gezag, dat aan beperkende bepalingen verbonden is, gezag kan worden genoemd. Immers wie zal bepalen of dat recht schaadt aan de gemeenschap? Haalt men hierbij de willekeur niet binnen? En hoe als het blijkt dat het eigendomsrecht als zoodanig schade toebrengt aan de gemeenschap? Men durft de kwestie blijkbaar niet aan.
De fundamenten der hedendaagsche maatschappij, de pilaren die het heele gebouw dragen, zijn het GEZAG en het EIGENDOM. En nu moge men toestemmen dat beiden niet deugen in den vorm, waarin zij nu optreden, daar zijn wij niet mede tevreden. Men moet het bewijs leveren, niet dat daarop een ongezonde maatschappij kan worden opgebouwd –dat weten wij immers aan de bestaande– maar dat het mogelijk is daarop een gezonde te stichten. Aan de vruchten kent men den boom en geen weldenkend mensch kan de vruchten van deze maatschappij goed achten. Stuart Mill is in dezen uiterst voorzichtig, maar zegt niettemin naar waarheid: “wij weten te weinig van hetgeen zoowel de individueele werkzaamheid als het socialisme, beiden in hun uitmuntendste gestalte, kunnen tot stand brengen om met grond te kunnen bepalen welke van beiden overwinnen en aan de menschelijke maatschappij haar laatsten vorm geven zal.” Of het echter waar is, dat bij algemeen onderwijs en een doeltreffende bepaling van het aantal leden der maatschappij alleen geen armoede zou kunnen bestaan, zelfs niet onder de tegenwoordige instellingen, betwijfelen wij ten zeerste. En wel

  1. omdat algemeen onderwijs zonder andere hervormingen zeer goed kan samengaan met onderdrukking en onrecht, getuigen het de verschillende landen waar algemeen onderwijs, zelfs leerplicht wordt aangetroffen, en
  1. omdat bij algemeene doorvoering van de beperking der gezinnen noodzakelijkerwijze de voordeelen weer verloren gaan, die nu enkelen ervan trekken door hun gezin te beperken.

Mill zegt dat “het beginsel van persoonlijk eigendom nog nergens in zijn ware gedaante de proef heeft doorstaan”, maar hij vergeet mede te deelen waarin die ware gedaante bestaat, zoodat deze bewering aan een onderzoek wordt onttrokken. Hij verstaat onder persoonlijk eigendom het waarborgen aan de individuën van de vruchten van hun eigen arbeid, maar wat is dit anders dan wat de socialisten willen, nl. het arbeidsprodukt aan dengene, die den arbeid verricht? Of bij de onmogelijkheid om elks afzonderlijk aandeel aan het arbeidsprodukt te bepalen, het gezamenlijk arbeidsprodukt aan de gezamenlijke leden der maatschappij. De oude formule toch: aan elk het produkt van zijn arbeid met den nadruk op het woord zijn, is gebleken onjuist te zijn, daar niemand van het werk zijner handen kan zeggen: dit is het produkt van mijn werk en van mijn werk alleen, daar de gansche maatschappij heeft medegewerkt, ja niet alleen deze maatschappij, waarin wij leven, maar ook de vorige op wier schouders wij staan, ten einde den enkeling in staat te stellen om van den arbeid van anderen te leven. Zelfs de voorgeslachten hadden er deel aan en daarom kan de juistheid dier formule onmogelijk den toets van een nauwgezet onderzoek doorstaan. Maar de schrijver van het gulden boekje On liberty (over de vrijheid) waagt een gissing en meent dat de zegepraal aan zoodanig stelsel zal toebehooren, dat “de grootste uitbreiding der menschelijke vrijheid en spontaneiïteit gedoogt”.
Wij zien dat gemeenschappelijk eigendom en vrijheid niet noodzakelijk behoeven samen te gaan, getuige het de dwang in de kloosters, in Paraguay en elders.
Wij zien tevens dat persoonlijk eigendom en vrijheid heelemaal niet samengaan, getuige het de hedendaagsche maatschappij.
Zaak is het dus om een vorm te vinden, waarin gemeenschappelijk eigendom gepaard gaat aan de vrijheid. Men verlieze hierbij vooral niet uit het oog het onderscheid tusschen eigendom en bezit, waarop wij vroeger wezen. De opheffing van het privaateigendom onderstelt niet noodzakelijk de opheffing van het privaat-bezit.
Herbert Spencer<ref>Vergelijk zijn Algemeene Grondstellingen, vertaald door Th. van Tricht en verschenen bij S.L. van Looy, bl.469.</ref> vindt “oppergezag en ondergeschiktheid” zeer natuurlijk, want “zoolang de menschen zoo geaard zijn, dat zij op elkander inwerken, hetzij door fysieke kracht of door kracht van karakter, moet de strijd om de oppermacht ten slotte beslist worden ten gunste van den een of den ander en het verschil, eens aangevangen, moet de neiging hebben steeds kennelijker te worden”. Hij acht het ontstaan van verschil onder de menschen bij afwezigheid van volmaakte eenvormigheid in het leven, dat elk hunner leidt, noodzakelijk en dit verschil leidt ten laatste “tot sociale differentiaties” en “zelfs toevallig veroorzaakte ongelijkheden van gezondheid moeten, door het medebrengen van ongelijkheden van fysieke en geestelijke vermogens, het juiste evenwicht der onderlinge invloeden onder de eenheden verstoren en het evenwicht, eens verstoord, moet onvermijdelijk verloren gaan”. Maar vergeet hij niet, dat er een verschil bestaat tusschen gelijkheid en gelijkvormigheid? Vergeet hij niet, dat er geen sprake van kan zijn om de inwerking, den invloed van den eenen mensch op den anderen op te heffen –wat overigens onmogelijk zou zijn– maar wel of aan deze inwerking de macht wordt verleend, om den eenen de gelegenheid te bezorgen zijn wil, des noods door middel van geweld, aan den ander op te dwingen? Gelijkvormigheid zou de dood zijn en wordt door niemand gewenscht, maar wel geljkheid van voorwaarden, voor elkeen geopend. Niemand zal iets hebben tegen den invloed, uitgeoefend door meer verstand en hooger zedelijkheid, indien daaraan maar geen uitwendige machtsmiddelen worden verbonden, waardoor men anderen zal kunnen dwingen.
De onderstelling zou dwaas zijn, dat de autoritaire socialisten er met opzet naar streven zouden, om een deel hunner individueele vrijheid ten offer te brengen aan een bepaalde maatschappelijke orde, neen, wij moeten aannemen dat zij streven naar dien bepaalden maatschappelijken vorm, omdat zij meenen, dat deze den grond der individueele vrijheid van beweging voor elk mogelijk maakt, die noodig is voor den hoogst ontwikkelden vorm van individueel welzijn. Maar zij verkeeren in dwaling, als zij meenen in hun stelsel die mate van individueele vrijheid, welke zij voor zich zelven wenschen, voldoende aan allen te kunnen waarborgen. Zij maken zich schuldig aan een denkfout, die ernstige gevolgen na zich sleept, want door en in hun stelsel komt niet alleen de vrijheid niet tot haar recht, maar het is integendeel de dood voor de individueele vrijheid.
Ontegenzeggelijk bestaat er een streven om de maatschappij te sterken en de macht van het individu te verminderen, want het valt niet tegen te spreken dat de bevoegdheid en de macht van den staat tegenwoordig veel verder reiken dan een 25 of 50 jaar geleden. Men beweegt zich in de richting van het staats- en gemeentelijk socialisme, door sommigen betiteld met den naam van uitvoerbaar socialisme. De scherpe tegenstelling tusschen de sociaaldemokratie en de andere partijen is reeds verdwenen. Een splitsing in den vierden stand, de onmondigen in de oogen der liberale bourgeois, is in vollen gang. De kleine middenstand reikt steeds meer de hand aan de aristokratie onder de arbeiders en zoo wordt langzamerhand gevormd een vijfde stand, bestaande uit de werkloozen en alle ongelukkige slachtoffers der hedendaagsche maatschappij. De vakbonden, op het behoud van zichzelven bedacht, laten de werkloozen schieten in plaats van te begrijpen dat juist zij het zijn, die door onderkruiperij, uit nood gedwongen, de vijanden worden van de georganiseerde arbeiders. Dit blijkt telkenmale bij elke werkloozenbeweging. Men denke b.v. aan de houding van het orgaan der sociaal-demokratie te Berlijn, dat de werkloozen misschien nog erger uitschold dan de andere bladen, door hen uit te maken voor “Balonmütze’ (zooveel als souteneurs),”Lumpen“, enz. Geen enkel woord van protest werd uit den mond der sociaaldemokraten in den Rijksdag gehoord tegen de Berlijnsche sabelpartij. En dat van lieden, die zich uitgeven voor de vertegenwoordigers van de arbeidende klasse! Alle verbeteringen komen hoogstens alleen het georganiseerde proletariaat ten goede en als dit gemeene zaak maakt met de bourgeoisie tegen de werkloozen, in plaats van te begrijpen dat één enkele uitvinding een heel vak zoodanig kan revolutioneeren dat de groote meerderheid der vaklieden op straat komt te staan en dus het lot deelt der werkloozen –is niet elk werkman feitelijk een kandidaat-werklooze?– dan wordt daardoor het belang gediend niet van het proletariaat, maar van den bourgeoisstaat.
Engels begreep dit zeer goed, zooals blijkt uit het slot van zijn boek: De toestand der arbeidende klasse in Engeland:”een blijvende verbetering kan voor twee ‘beschermde’ deelen der arbeidende klasse alleen worden erkend. Vooreerst de fabrieksarbeiders. En ten tweede de groote vakvereenigingen. Maar wat de groote massa aangaat, de toestand van ellende en onzekerheid waarin zij nu leeft, is even laag als ooit, zoo niet lager. Het Oost-einde van London is een uitgestrekte poel van blijvende ellende en verwoesting, van uithongering voor wie zonder werk zijn en van ontaarding, fysiek en zedelijk, voor hen die een korte poos werk hebben. En zoo gaat het in alle andere groote steden – met uitzondering van de bevoorrechte minderheid der arbeiders zoowel in de kleinere steden als in de landbouw-streken." Wat hij toen schreef (in 1844) is nog steeds van kracht. En ook: “de fabriekswetgeving, eertijds de schrik der patroons, werd niet alleen met genoegen door hen toegepast, maar zij breidden haar meer of min uit over het geheel der industriën. De vakvereenigingen, niet lang geleden genoemd het werk des duivels, worden nu door de patroons gevleid en beschermd als rechtmatige instellingen en een energiek middel om gezonde, ekonomische denkbeelden onder de arbeiders te verspreiden.”
De sociaaldemokratie verliest door de toevloeiïng van de kleinburgerlijke elementen, die meer en meer de eerste viool in de partij gaan spelen, haar proletarisch karakter en als men de programma’s der sociaaldemokratische partij en die der radikalen met elkander vergelijkt, dan ontwaart men principieel geen verschil, althans wat het optreden in het heden betreft. Een Vollmar, een Bernstein en zoovele anderen zijn de wegbereiders van deze overbrugging tusschen de aristokratie van het proletariaat en den kleinen middenstand, terwijl de eigenlijke revolutionaire, proletarische bestanddeelen als ketters worden uitgeworpen en vervolgd. Door den loop der tijden schuiven alle partijen op en de sociaaldemokraten zijn fatsoenlijk geworden door de anarchisten, op wier hoofd nu alle schalen van toorn door de bezittende klasse worden uitgestort. En toch zijn het de anarchisten alleen, die nu feitelijk het vaandel van het socialisme omhoog houden.
Zoo reikt prof. Quack de hand aan de sociaaldemokraten, waar hij zich voorstander betoont van uitbreiding der staatsbemoeiïng, al erkent hij dat zij inkrimping van de vrijheid voor enkelen kan zijn, ofschoon verzekerende de vrijheid der meesten –kan men daar wel zoo zeker van zijn?– en ook daardoor dat zij den staat als orgaan der gemeenschap de voorbereidende maatregelen laat nemen. Hij wil uitbreiding van het arbeidsveld van staat en gemeente, daarbij den regel volgende om met het eenvoudigste te beginnen en later, zoo noodig, het meer samengestelde ter hand te nemen. In de tweede plaats wil hij een betere positieve regeling der privaat-rechtelijke verhoudingen onder de menschen, zoodat niet het individu maar de gemeenschap het uitgangspunt wordt. En dan rijzen in de derde plaats vragen als deze: kan de staat optreden op het groote gebied der maatregelen, die de produktie beter regelen en haar aanpassen aan de konsumtie? Kan de staat invloed uitoefenen op de verdeeling van den rijkdom? Zietdaar het gebied waarop volgens hem “de sociale politiek onzer dagen experimenteert”. Wij zouden willen vragen of dit niet een experimenteeren in corpore vili (op het levende lijf) is, waaraan de menschen worden blootgesteld? Maar tijd gewonnen is veel gewonnen, zoo denken de heeren, en hiermede gaat –om met Rodbertus te spreken– wel een driehonderd of vijfhonderd jaren voorbij en daarna de zondvloed! Alweer dus diezelfde leer, die onder andere vormen telkens weer boven drijft.
Ook wij zijn van meening, dat het staatssocialisme in de lucht zit en eruit moet, maar wij gelooven dat de menschheid blij mag zijn over den invloed, door de anarchistische idee uitgeoefend, waardoor dit staats-socialisme zich niet kan ontwikkelen in zijn geheele vrijheid-moordende gedaante en dus sterk getemperd zal moeten optreden. Dit wordt erkend zelfs door tegenstanders als Bernstein, waar hij zegt: “als ik de verbitterde tegenstander ben van de anarchie, die diefstal en moord predikt, ik ben ook een tegenstander van de anarchie, die het belang der politieke aktie van de arbeidersklasse en van het gebruikmaken van de wetgeving miskent. Maar ik erken en ik heb sints lang erkend in het libertair anarchisme een natuurlijke en gezonde reaktie tegen het overdreven étatisme.”
De aanbidding van den staat, dien modernen afgod, die boven de individu’s verheven, ons aller welzijn heeft of heet te bevorderen, zal als alle afgoden blijken niets te zijn en al helpt waarschuwing tegen die richting niets, toch kan het zijn nut hebben het woord van Ihering, den scherpzinnigen Duitschen rechtsgeleerde in herinnering te brengen, waar hij schrijft: “mag de staat alles wat hem goed, zedelijk en doelmatig toeschijnt tot wet verheffen, dan zijn er voor dat recht geen grenzen; de beweging die de staat veroorlooft, is dan enkel een koncessie, een gift! Die beschouwing van een alles opslokkende en alles uit zichzelf te voorschijn brengende staatsalmacht is, trots het schitterende gewaad waarin zij zich zoo gaarne kleedt, trots de hoogdravende frases van volkswelzijn, van eerbiediging van objektieve beginselen, van zedewet, is en blijft een ellendig voortbrengsel der willekeur, de theorie van het despotisme, om het even of zij door een volksvergadering dan wel door een absoluten monarch in praktijk worde gebracht. Haar aan te nemen, beduidt voor het individu zedelijke zelfmoord. Men beneemt den mensch de mogelijkheid om goed te zijn, omdat men hem de mogelijkheid om het goede uit eigen beweging te doen niet vergunt.”
Juist zoo is het en al ware het alleen daarom, men zou goed doen den weldadigen invloed van het anarchisme in deze richting te erkennen. Geen zegepraal dus voorloopig van het staatssocialisme, geen zegepraal van het anarchisme, maar een ietwat wonderbaarlijk mengelmoes van beiden of een naast elkander gaan van beide stroomingen met af en toe eenige toenadering door middel van een kompromis. Zietdaar wat wij verwachten van de naaste toekomst.
Wanneer wij zoo de geschiedenis van het socialisme door de verschillende eeuwen volgen, dan is het onmiskenbaar, dat de voorvechters dier richting steeds de voorhoede waren van den vooruitgang. Hoogstens kan men zeggen dat zij hun tijd vooruit waren, maar tevens gaven zij in hoofdzaak de lijnen aan, waarlangs de vooruitgang zich zou bewegen. Zij waren veelal de helderste denkers, maar tevens de diepstvoelende menschen, wier hart hun geen vrede schonk als zij zien moesten hoe het geluk van enkelen was opgebouwd op het ongeluk van de groote massa. Wat een rijkdom van ideën welt niet op uit de werken vooral van Fourier en Owen, zoodat er eigenlijk geen hervorming gedurende den loop der laatste eeuw heeft plaats gevonden, of de grond-gedachte ervan vindt men bij hen terug. En wanneer men dan, lettende op den grooten rijkdom van gedachten, door hen aan het menschdom gegeven, zich afvraagt: hoe komt het dat de socialistische idee nog betrekkelijk zoo weinig in de maatschappij is doorgedrongen? dan rijst natuurlijk de vraag: wat mag wel de reden zijn, dat die zoo schoone idee zoo dikwijls in de praktijk mislukte?
Men spreekt tegenwoordig veel over wetenschappelijk en utopistisch socialisme en aan de hand van Engels ziet men de ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap, maar men vergeet dat het zoogenaamd wetenschappelijke socialisme geen enkele waarheid omvat, die niet teruggevonden wordt in het zoogenaamd utopistisch socialisme. De geschiedenis der ontwikkeling van het kapitaal, de opzuiging van de kleine producenten door de groote, de theorie van de waarde en meerwaarde, de ekonomische opvatting der geschiedenis – ziet, dat alles vindt men terug bij de oudere socialistische schrijvers. Wie zich de moeite geeft om hun geschriften te bestudeeren of zelfs te doorbladeren, hij komt tot de overtuiging dat al het zoogenaamd nieuwe reeds oud is.<ref>Men leze de interessante artikelen van prof. Quack over Thompson’s oude vergeten boeken en over Thomas Hodskin’s onzin, verschenen in de Gids van 1902, waarin hij ten duidelijkste aantoont, dat de zoogenaamde ontdekkingen van Marx op ekonomisch gebied allen terug zijn te vinden bij deze twee Engelsche ekonomen.</ref>
Het ligt voor de hand, dat de ernstige denker zich de vraag wel moet stellen: als in het socialisme der gedachte zooveel waarheid schuilt, hoe komt het dan toch dat het socialistische woord zoo weinig vleesch is geworden, d.w.z. zich niet in daden heeft omgezet?
Ons antwoord moet zijn: omdat het produktie-proces de verwerkelijking nog niet toeliet. Er werd niet voldoende geproduceerd en zoolang dit niet het geval is, moet elke poging tot verwerkelijking van het socialisme mislukken. Gemeenschappelijk hongerlijden is een pover ideaal. Dit nu kan niet meer gezegd worden. Bij onvoldoende gegevens over de opbrengst der aarde moet men zich bepalen tot hetgeen men weet, en dan kan men met grond beweren, dat de opbrengst van Europa en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika groot genoeg is, om meer dan voldoende te voorzien in aller behoefte. Maar die produktie is verbazend gestegen door toepassing van de uitvindingen der wetenschap, door een rationeelen, planmatigen landbouw, die den nu nog te veel heerschenden roofbouw moet vervangen, door de aanzienlijke besparingen die verkregen kunnen worden, en zij is nog vatbaar voor een vermeerdering boven alle berekening. Zoodra dus aan deze voorwaarde is voldaan, wordt een der oorzaken weggenomen, die de mislukking van het socialisme moest bewerken. Eerst moet de materieele mogelijkheid bestaan en anders is elke poging tot verwerkelijking te vroeg en dus niet levensvatbaar. Ook hier geldt het diepzinnige woord uit een der brieven van Paulus:
“toen de tijd vervuld was, zond God zijn zoon”, wat met andere woorden wil zeggen: toen de bestemde tijd aanwezig was. En evenzoo hier: wanneer de tijd vervuld, rijp is, dan zal zonder twijfel het socialisme in praktijk gebracht worden door den drang der noodzakelijkheid. De wet der causaliteit leert ons, dat alles, wat is, noodzakelijk zóó moet zijn zooals het is. Alleen, wie kan vooruit bepalen of de tijd al dan niet rijp is? Bij mislukking is men dadelijk bij de hand om te spreken over gebrek van inzicht, maar de beste stuurlui staan aan wal.
En dan is de mislukking toe te schrijven aan de autoritaire toepassing van het socialisme. Want al wat met dwang gaat, mist daardoor alle levensvatbaarheid. Alle socialistische plannen nu hadden een kazerne-achtig karakter en dit stootte af. Alle socialisme was feitelijk dwangsocialisme en een vrijheidlievend mensch moet daarvan walgen. Wij kunnen ons best voorstellen dat individualisme en kommunisme in de maatschappij naast elkaar leven, zoodat elkeen overeenkomstig zijn natuur het een of andere kiest. Dwingt men de menschen, dan neemt men ze er tegen in. Laat men hen vrij, dan zal die vorm het winnen, die de meeste levensvatbaarheid heeft. Niet door te veel, integendeel door te weinig vrijheid leden alle revoluties schipbreuk. Natuurlijk kan men zich niet voorstellen, dat als menschen, die steeds in boeien vastgesmeed zaten, vrij komen, alles dadelijk goed zal gaan. Het is zeer wel mogelijk dat er uitspattingen van allerlei aard zullen plaats vinden, maar wij zien geen enkele reden waarom de uitspattingen der vrijheid erger en schadelijker zouden zijn dan die van den dwang, welke een maatschappij als de onze te voorschijn roept, waarin achter een zeer dun laagje vernis de mensch zich nog vertoont in zijn dierlijke gedaante. Krab den Rus af en de Tartaar komt te voorschijn, zegt het spreekwoord. Wij kunnen het gerust aldus variëeren: Krab den bourgeois af en de kannibaal komt te voorschijn.
En zietdaar wat de grootste reden van het mislukken was. Het socialisme kon niet verwerkelijkt worden bij gebrek aan socialisten, evenals in Frankrijk de republiek niet gedijen kan bij gebrek aan republikeinen. Republikeinen worden er niet geboren, evenmin socialisten, ze moeten opgevoed en ontwikkeld worden.
Dus opvoeding en ontwikkeling – zietdaar den weg om erin te slagen<ref>Den Feind den wir am tiefsten hassen / Der uns umlagert schwarz und dicht / Das ist der Unverstand der Massen / Den nur des Geistes Schwert durchbricht. (Den vijand dien wij het ergste haten, die ons zwart en dicht omringt, dat is het onverstand der massa, dat alleen door het zwaard des geestes kan worden doorbroken).</ref>. Waarin bestonden deze tot hiertoe? Kan men zeggen dat de opvoeding op de school tot doel had of heeft de vorming van zelfdenkende en zelfoordeelende menschen? Men moet al zeer naïef zijn, om dat te gelooven. Neen, de onderwijzers zelven, veelal hongerlijdende proletariërs, doen onbewust dienst als geestelijk machtsmiddel in de handen van het kapitalisme, om de jeugd van jongsaan op te leiden tot onderwerping en gedweeheid.
Zeer juist heeft men begrepen, dat wie de jeugd heeft, beschikt over de toekomst en daarom moet men zich niet verwonderen dat de school in alle landen aanleiding heeft gegeven tot zulk een vinnigen strijd. “Met een volwassen geslacht is nooit veel te beginnen in dingen van het politieke zoowel als van het geestelijke leven, in zaken van smaak zoowel als van karakter. Weest daarom verstandig; begint in de scholen en het zal gaan” – deze menschkundige opmerking van den denker Goethe is overeenkomstig de ervaring en de Jesuïten, die steeds meesterlijk weten te spekuleeren op de zwakheden van het menschelijk geslacht<ref>Wij moeten bij de opvoeding juist spekuleeren op de sluimerende goede eigenschappen van het kind.</ref> om deze reeds van jongsaan te kweeken, opdat zij er zich volwassen geworden moeilijk of niet aan kunnen ontworstelen, brachten dit in toepassing door te zeggen: geeft ons de kinderen.
Heel de school is gebaseerd op leugen en huichelarij. En hoe kan dit anders, waar de onderwijzer is een ambtenaar, dus een der raderen van den staatswagen, wijl zijn plicht is om te werken aan de instandhouding van den staat of van de gemeente, die een deel van den staat vormt. Wanneer onder de tegenwoordige omstandigheden de meester het kind niet belet om te denken, dan heeft hij door deze negatieve rol reeds veel gedaan. Met hoeveel geestelijke leugens wordt de geest van het kind op de school gevoed! Liefde tot het vaderland, het land waarin men honger mag lijden, werkloos mag rondloopen, als loonslaaf werken om de nationale rijkdommen te vermeerderen zonder er zelf van te genieten, en dat men moet liefhebben als het beste van alle vaderlanden, ofschoon het zijn kinderen echt stiefmoederlijk bedeelt en behandelt; gehoorzaamheid aan de wetten, door de rijken gemaakt om de armen te onderdrukken; eerbied voor het eigendom door de proletariërs, die zelven niets bezitten; eerbied voor het recht en de justitie door hen, die niets hebben te verdedigen; eerbied voor de vrijheid door hen, die, zelven slaven zijn en morgen zullen sterven als zij niet het geluk hebben werk te vinden; tevredenheid, terwijl men ter nauwernood voldoende heeft om in zijn allernoodzakelijkst onderhoud te voorzien; de zegen van den arbeid, terwijl men van jongsaan ondervindt, dat de adelbrief van den arbeid, de eelt der handen, hoog gewaardeerd wordt in woorden, maar dat men zeer scheutig is dezen aan anderen over te laten; de macht der kennis, terwijl men later zal bemerken dat kennis met een onafhankelijk karakter een voorwaarde is om het niet ver te brengen in de wereld, en dat de oude Prediker het bij het rechte einde had, toen hij zei: Kennis is goed, maar met een erfdeel, dus als er een zak met guldens bij komt – zietdaar de sociale deugden die op school worden aangekweekt, opdat men ze zal toepassen in een anti-sociale maatschappij! Waarom leert men dat? Om dat alles op lateren leeftijd als burger in praktijk te brengen.
De school, zooals zij nu is, staat dus de vorming tot mensch in den weg. Of moet niet het doel zijn de kinderen te ontwikkelen<ref>Dit ligt ook in het woord educatio van e en ducere, uittrekken en in het Duitsche Erziehung van er en ziehen, dus niet van buiten naar binnen, maar van binnen naar buiten. En zoo moet het ook zijn! Zeer juist drukt Krythe het uit in zijn Einfache Lieder der Liebe und Freundschaft gewidmet (Eenvoudige liederen, gewijd aan de liefde en de vriendschap) waar hij zegt: Erziehende Kunst. / Meint ihr, Erziehen sei Schaffen, dann werdet ihr immer betrogen / Weder Gutes noch Böses schafft ihr hinein noch heraus. / Pfiegend das Gute, damit es so üppig gedeihe und wachse / Dass es das Böse erstickt, das ist erziehende Kunst. (KUNST DER OPVOEDING. Meent gij dat opvoeden scheppen is? Dan zult gij steeds bedrogen uitkomen. Noch het goede noch het kwade schept gij erin of eruit. Het goede aankweeken, opdat het welig groeie en gedije, opdat het ’t kwade verstikt, dat is de kunst der opvoeding).</ref>, d.w.z. los te maken van de wikkels waarin het zich bevindt, ten einde zich te vertoonen zooals zij zijn? Rousseau omschreef het zoo juist, toen hij zei: “de opvoeding heeft plaats òf door de natuur òf door de menschen òf door de dingen. De inwendige ontwikkeling onzer eigenschappen en organen is de opvoeding van de natuur: het gebruik dat men ons leert maken van deze ontwikkeling is de opvoeding door de menschen en het verkrijgen van onze eigen ervaring over de dingen die ons treffen is de opvoeding.” Ontwikkelen dus, en niet omwikkelen of inwikkelen. Mensch zijn dat is een wezen zijn met eigen wil en initiatief, met zelfstandigheid en karakter, hatende alle uitwendig gezag en steunende op zichzelf en op hetgeen men zelf goed vindt, en strevende om zijn leven in te richten volgens de voorschriften der rede. Dat alles nu is alleen mogelijk, als het kind van jongsaan in vrijheid is opgevoed. Het gevoel van eigenwaarde moet worden aangekweekt en dat is alleen mogelijk door de kennis van zichzelf en van het milieu waarin men leeft. Men zorge vooral den mensch niet af te scheiden van de natuur, want hij is immers een stuk van de natuur, waartoe hij behoort<ref>Men vergelijke de kostelijke voordracht van Multatuli over Vrije Studie, die zoo heel veel stof tot nadenken geeft door den rijkdom van gedachten en de oorspronkelijkheid van opvatting.</ref>. Praxis, de werkelijkheid, dat is de echte natuur en daar geldt steeds: tweemaal twee is vier, niet meer en niet minder. “Grauw, vriend! is alle theorie. En groen des levens gulden boom.” Niet in bespiegelingen, in geleerde betoogen, in fijne formules zoeke men zijn kracht –er is reeds meer dan genoeg bespiegeld, betoogd, geformuleerd– maar in DOEN. Immers van formules kan de mensch niet leven en toch maakt men daarvan allereerst en allervaakst het meeste werk. Men werpe “geen parels voor de zwijnen”. Leert aan kinderen geen algebra, maar het a b c‚ eischt niet van menschen, die nog niet rijp zijn voor dingen en handelingen, gaande boven hun begrippen en dus over hen heen gaande, maar leert hen eerst begrijpen en daarna ook dienovereenkomstig handelen. Want “gij zijt ten slotte – wie gij zijt. Gij moogt een pruik met duizend krullen dragen, op ellenhooge stelten jagen, toch blijft gij altijd wat gij zijt.” (Goethe). Men beginne echter steeds met het begin, dat is met zichzelven. Zelfkritiek, zelfverbetering is de eerste en beste voorwaarde om verder te komen. Dat zag ook Bakunine goed in, toen hij schreef: “de mensch komt in opstand eerst tegen zichzelf, daarna tegen de maatschappij.” Waar dit verzuimd wordt, daar mist men de eerste voorwaarde tot beterschap. Laat ons beter worden en ’t zal beter zijn, dat geldt ook hier. Zoodra de richting van denken en gevoelen bij de menschen verandert, zal men zien dat ook het geheele samenstel der maatschappij zal worden gewijzigd. Men belooft veelal meer dan men met den besten wil geven kan. Het volk riep dan: men heeft ons bedrogen. De leiders zeiden: met het volk is letterlijk niets aan te vangen. En toch alles was natuurlijk en de schuld lag èn bij het volk, dat zich liet bedriegen doordat het op anderen en niet op zichzelf vertrouwde en bouwde, èn bij de leiders, die zich opwierpen tot voogden. De gemakzucht, de traagheid schudt graag alles van zich af op anderen en juist dat eeuwige afwentelen was de oorzaak, dat de brutalen de halve wereld hadden, want zij durven alles. Evenals de enkele mensch de volle verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor de door hem gepleegde daden, evenzoo moet dit ook de menschheid doen. Nu weten wij zeer goed dat de mensch het produkt is van de omstandigheden, maar men vergeet te dikwijls dat de mensch ook een omstandigheid is: de mensch en de omstandigheden staan niet als het ware vijandig tegenover elkaar, maar vullen elkander aan. Zelfs de groote voorvechters van de materialistische opvatting der geschiedenis kunnen niet nalaten, om den mensch mede te beschouwen als een faktor, waarmede de omstandigheden rekening hebben te houden. Fr. Engels zei dat in de toekomst “de grens der levensvoorwaarden die den mensch omringen en die hem tot nog toe beperkte, nu onder zijn beheer en toezicht komt; eerst nu wordt hij werkelijk keer der natuur, omdat en terwijl hij heer van zijn eigen samenleving is geworden. De wetten hunner samenleving die den menschen tot nu toe als vreemde hen beheerschende natuurwetten toeschenen, worden nu door hen met volkomen zaakkennis toegepast en tevens beheerscht…. Eerst nu zullen de menschen hun geschiedenis met vol bewustzijn zelve maken.” En ook Kautsky geeft toe, dat “de gang der ontwikkeling volstrekt niet onafhankelijk is van enkele persoonlijkheden. Elke persoon die in de maatschappij leeft, oefent er meer of minder invloed op uit. Enkele personen, uitstekende door begaafdheid of maatschappelijke stelling, kunnen op den loop der dingen voor geheele staten, gedurende eene reeks van jaren grooten invloed uitoefenen.” Het laat zich zelfs aanzien, dat de macht der persoonlijkheid over de maatschappelijke verhoudingen door den tijd eer grooter dan geringer zal worden. Te dikwijls ondervindt hij nog de waarheid van het: “ik, ellendig mensch, het goede wat ik wil, doe ik niet, maar het kwade wat ik niet wil, dat doe ik”. De groote moeilijkheid bestaat daarin om voor zichzelf het milieu te vinden, waarin men zich het best kan ontplooien en ontwikkelen. Want alleen dáár, waar de mensch zich kan ontwikkelen in de volheid van zijn onafhankelijkheid, waar zijn individualiteit tot geheelen wasdom komt, daar toont hij zich in al zijn kracht, daar openbaart hij het wezen van zijn bestaan. Robert Owen heeft in zijn New Moral World zeer goed uiteengezet, dat elk individu zóó is georganiseerd, dat hij gemaakt is om te ontvangen wat men gemeenlijk noemt een slecht karakter, wanneer hij is geschapen met wat nu genoemd wordt een ongunstige verhouding van de elementen zijner natuur en van zijn geboorte af geplaatst is onder de ongunstigste omstandigheden; dat elk individu zóó is georganiseerd, dat hij gemaakt is om te ontvangen een gemiddeld of middelmatig karakter, wanneer hij geschapen is met wat nu genoemd wordt een gunstige verhouding van de elementen zijner natuur en van zijn geboorte af geplaatst is onder ongunstige omstandigheden of wel wanneer een ongunstige verhouding aanwezig is van de elementen zijner natuur en uitwendige omstandigheden gunstig waren; dat elk individu zóó is georganiseerd dat hij gemaakt is om een verheven karakter te ontvangen, wanneer zijn oorspronkelijk gestel de beste verhouding bevat van de elementen der menschelijke natuur en wanneer de omstandigheden die hem van zijn geboorte af omgeven en door het leven heen van dien aard zijn, dat zij alleen verheven gewaarwordingen te weeg brengen of met andere woorden wanneer de wetten, instellingen en gewoonten, waaronder hij leeft, in overeenstemming zijn met de wetten zijner natuur. De levensvraag voor de toekomst is het gebied van het individu in zijn vrijheid tegenover de maatschappij af te perken of liever hoe den mensch zóó op te voeden, dat hij zelf uit eigen aandrift deze grenzen trekt. Geen enkel persoon toch is een geheel op zichzelf staand wezen en het is een groote dwaling om te meenen dat de menschen niets te maken hebben met elkanders gedrag; dat zij zichzelven niet behoeven te bekommeren om het welzijn van anderen, want één mensch kan b.v. een brandpunt van besmetting worden, waardoor tal van anderen worden aangestoken. Wij hebben dus met elkander te maken. Dat staat als een paal boven water. Zelfs het grootste genie zou, aan zichzelf overgelaten, versuffen en ondergaan. De mensch is nu eenmaal, om met Darwin te spreken, een sociaal dier, dat door zijn sociaal instinkt tot gezelligheid, tot aansluiting werd gedreven, waarschijnlijk omdat het zich te zwak gevoelde om alleen te staan. Als zoodanig is hij een troepen- of kuddendier. Maar naarmate de mensch stijgt in ontwikkeling, naar die mate treedt de individualiteit meer en meer op den voorgrond en de hoogste eindvorm, gelijk zelfs tegenstanders der anarchie getuigen, is de ten top gevoerde individualiteit. Op een lager standpunt gaan gedweeheid, gehoorzaamheid, volgzaamheid door voor groote deugden. Darwin haalt bij voorkeur de bavianen aan. Carl Vogt deelt uit dr. Brehm’s Illustrirtes Thierleben over de apenmaatschappijen het volgende mede: “het lid eener troep dat de meeste ervaring bezit, wordt aanvoerder of leidaap. Deze waardigheid wordt hem echter niet door het”algemeen stemrecht" opgedragen, maar eerst na een zeer hardnekkigen kamp met andere mededingers toegekend. De langste tanden en sterkste armen beslissen. Wie er zich niet goedschiks aan wil onderwerpen, wordt door beten en klappen geringeloord, totdat hij tot rede is gebracht. Den sterke komt de kroon toe, in zijn tanden ligt zijn wijsheid. Dit is echter ook zeer verklaarbaar: de oudste apen zijn steeds ook de sterkste en aan hen moeten ook goed- of kwaadschiks de jongere onervarene zich onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en wel in elk opzicht. “De leidaap oefent zijn ambt met groote waardigheid uit. Reeds de achting, die hij geniet, geeft hem een zekere zekerheid en zelfstandigheid in zijn handelingen, die aan zijn ondergeschikten ontbreekt.” En Vogt voegt hierbij de opmerking: “wij weten niet, of het verschil tusschen de moraliteit, die in deze apenmaatschappij geheel van den wil des stamhouders afhangt en die van een horde Nieuw-Hollanders, waar evenzeer de sterkste de wet maakt, groot genoeg kan schijnen, om het geheele onderscheid van een Rijk daarop te gronden. Het theoretische absolutisme kent immers volstrekt geen andere moraal, dan die des heerschers. Hij maakt de wet, hij schrijft het geloof voor, hij bepaalt de moraal –wie anders handelt, wie anders denkt, dien heeft hij het recht te dooden of te straffen,– is de moraliteit van een absoluut despotisme theoretisch een andere dan die eener apenfamilie”?
Daar nu de menschen nog zoo dicht staan bij den staat der barbaarschheid, dat zij nog feitelijk heelemaal dien lageren aard vertoonen –wat beteekenen enkele duizenden jaren in de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch?– kan van zeer velen, zoo niet de meesten gezegd worden dat zij staan op bavianen-hoogte in de konstellatie van den kuddenstaat. Wij meenen verre boven de apen te staan, maar let eens op onze menschenmaatschappij en vraagt uzelven eens af, of er onder andere benamingen niet tal van leid-apen zijn, die blind gehoorzaamd worden? En als nu de menschen voor het meerendeel nog zooveel trekken van den bavianenaard hunner voorouders vertoonen, dan ligt het voor de hand dat gewerkt moet worden in de richting van de anarchie, omdat deze het is die de verlossing uit den bavianentijd en dus de werkelijke menschwording van den mensch bevordert. Darwin geeft dit zelf ook te kennen, waar hij schrijft: “aldus drijven de sociale instinkten, die door den mensch zijn verkregen, toen hij nog zeer onbeschaafd was en waarschijnlijk reeds door zijn voormalige, op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot vele zijner beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald door de uitgedrukte wenschen en het oordeel zijner medemenschen, en ongelukkig nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten. Maar zoodra de gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te redeneeren zich meer ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid van het oordeel zijner medemenschen kan beoordeelen, zal hij zich onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde gedragslijn aangedreven gevoelen. Dan zal hij zeggen: Ik ben de opperste rechter van mijn eigen gedrag en met de woorden van Kant: Ik zal niet in mijn eigen persoon de waardigheid der menschheid schenden.”<ref>Ein Jeder giebt den Werth sich selbst. Wie hoch ich / Mich selbst anschlagen will, das steht bei mir. / So hoch gestellt ist Keiner auf der Erde / Dass ich mich selber neben ihm verachte. (Schiller. Wallenstein’s Tod). (Een elk geeft de waarde aan zichzelf. Hoe hoog ik mij zelf wil schatten, dat staat aan mij. Zoo hoog staat niemand op aarde, dat ik mijzelf naast hem veracht).</ref>
Dus op lager, dierlijk standpunt is de mensch een troepen- of kuddendier met alle eigenschappen, aan dien staat verbonden, maar door toenemende ontwikkeling zal hij zich uit dien toestand weten te verheffen tot een individueel wezen, tot een IKHEID.

De majesteit van het ik te veroveren, dat moet het streven zijn van den mensch, wiens gevoel van eigenwaarde tot ontwikkeling is gekomen en alle belemmeringen, die haar in den weg gesteld worden, moeten opgeruimd worden. De Duitsche dichter Chamisso schildert ons den ongelukkigen Schlemihl, die zijn schaduw verloren had. Hoeveel ongelukkiger echter zijn degenen, die zelfs geen schaduw van individualiteit bezitten! Heerlijk is het gezegde van de Génestet: “wees uzelf! zei ik tot iemand. Maar hij kon niet, hij was niemand.” Juist dat niet-kunnen-zichzelf-zijn is het ongeluk van zoovelen, omdat zelfdenken en zelfdoen van jongsaan verhinderd werden zich te ontwikkelen. Hoe werken de scholen mede om het denken tegen te houden! Hoe klein is nog het aantal van hen, die met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, met eigen hersenen denken! Deze menschen zonder schaduw, zonder individualiteit zijn de vloek der moderne wereld en wie soms meenen mocht, dat een verzameling van nullen bij elkander gevoegd een grootheid wordt, die vergist zich jammerlijk. Ibsen, die zoo ver ging om te beweren, dat “de sterkste man degene is, die alleen staat”, zag dan ook in den staat den vloek van het individu en hij hoopte bij een revolutie te mogen zijn, waarin het te doen is om den staat op te heffen, daar hij in de vrijwilligheid en het geestelijk verwante het eenig beslissende element zag voor een vereeniging en het begin van een vrijheid, die iets waard is. En wat is de anarchie anders dan een gezindheid, waarvan Göthe gewaagde:

Freigesinnt, sich selbst beschränkend

Immerfort das Nächste denkend;
Nicht vom Weg, dem grade, weichend
Und zuletzt das Ziel erreichend.

(Vrij gezind, zichzelf beperkend, steeds het naaste denkende; niet afwijkende van den rechten weg en ten laatste het doel bereikende).
Teekent niet de heerlijke Prometheus-tragedie het lot en het lijden van den Titan, die de menschen wil veredelen en beschaven, ze onafhankelijk wil maken van de willekeur der goden, een tragedie die nu nog na 20 eeuwen wordt bewaarheid, want “ook wij staan aan de grenzen van de ons bekende wereld, op de rots van een afgrond, vastgeklonken aan de noodzakelijkheid…. in ons de voorwetenschap, dat God als een schuldige zal straffen elkeen, die arbeidt aan de beschaving, onzen ijver zal beloonen met verdenking, onze moeite met ontevredenheid, onze bestrijding van kwalen met nieuwe overstelping, terwijl alles sterft, behalve de weemoed” (dr. A. Pierson).
Opvoeding en ontwikkeling is de weg om tot beterschap te komen, maar dan is het noodig om het onderwijs in een geheel andere bedding te brengen. Het was Thiers, die eens zei: “er zijn slechts twee middelen om de kalmte in het land te brengen en de gevaarlijke denkbeelden te vernietigen: de oorlog naar buiten of de opheffing der lagere scholen.” Dit wil met andere woorden zeggen dat er voor hem slechts twee middelen bestonden om de maatschappelijke orde te bewaren, te weten: verdierlijking der proletariërs of wel hen te maken tot kanonvleesch. Hoe kan men van regeeringen, bezield met zulk ’n geest –en zoo zijn ze allen!– verwachten, dat zij ernstig een rationeel en vrij onderwijs voor het volk zouden wenschen? De scholen zijn voor haar een noodzakelijk kwaad, waar zij niet buiten kunnen, en daarom maken zij ze tot africhtings-inrichtingen, waarin goede en gedweeë burgers worden gevormd, die gehoorzamen aan de regeeringen.
Aan den eenen kant dus ontwikkeling, zelfontwikkeling van het individu en aan den anderen de ontwikkeling van den ekonomischen toestand, die zich zoodanig “zuspitzt”, dat hij ondragelijk wordt voor de groote massa. In dat opzicht gaat Amerika met zijn trusts allen anderen voor en zoo is het te verwachten, dat daar sterke botsingen plaats vinden tusschen arbeid en kapitaal, gelijk reeds zichtbaar is in de reusachtige werkstakingen en in den werkloozenoptocht van Coxey naar Washington. Al is het mogelijk, dat de revolutie wederom zal beginnen op het kraaien van den Gallischen haan, zooals Marx het uitdrukte, wij meenen dat Amerika, hetwelk Europa in ekonomisch opzicht veel vooruit is, ook in dezen zal voorgaan. Daarom moet men zich niet voorstellen dat plotseling en op eenmaal de doodzieke maatschappij bevrijd zal worden van alle kwalen en rampen, neen wij zullen een periode krijgen van telkens zich herhalende revoluties of de “revolutie in Permanenz”, want Marx reeds begreep zeer goed dat de belangen der kleinburgers en die der proletariërs niet dezelfde zijn. Hij schreef: “De demokratische kleinburgers willen de revolutie zoo spoedig mogelijk laten eindigen, maar ons belang en onze taak is om de revolutie permanent te maken, tot de min of meer bezittende klassen verjaagd zijn van de macht en het proletariaat de macht heeft veroverd en de vereeniging der proletariërs niet alleen in één enkel land, maar in alle landen der geheele wereld zooverre gevorderd is, dat de konkurrentie der proletariërs in deze landen heeft opgehouden en dat althans de beslissende produktieve krachten gekoncentreerd zijn in handen van het proletariaat.” Echter juist die kleinburgerlijke elementen, die zich vastgenesteld hebben in de sociaaldemokratische partij, zullen het blok aan het been van het proletariaat worden. Door de koncessies der regeerende klasse heeft deze bijgedragen om de sociaaldemokratie te doen meedoen aan de wettelijke bescherming van den arbeid, ja zelfs bedient zij zich van de voormannen der sociaal-demokratie als raadgevers en uitvoerders en deed zij daardoor een der handigste zetten, die ooit op het politieke schaakbord zijn gezet. Van wettelijke bescherming tot staatssocialisme il n’y a qu’un pas, zooals von Vollmar ook erkend heeft, waar hij zei “dat de sociaaldemokratie allerwege feitelijk gestreefd heeft en nog streeft naar een heele reeks van maatregelen, die men heel best staatssocialistisch kan noemen.” Die koncessies worden door de sociaaldemokraten beschouwd, zooals zij zeggen als “afbetaling op de groote rekening”, maar als men weten wil hoe de regeerende klasse ze beschouwt, dan onthoude men het woord van Chamberlain, den Engelschen minister en vroegeren radikaal, die het geheim verklapte: “de offers door de bezittende klasse gebracht ten gunste van het proletariaat moet zij slechts beschouwen als een matige verzekeringspremie, waardoor zij zich behoedt tegen het uitbarsten der anders onvermijdelijke sociale revolutie.”
Wijst men op het waanzinnige en domme denkbeeld, om bij de volmaaktheid der moderne wapenen de proletariërs te brengen tot een gewapend verzet, waarin zij noodzakelijk verpletterd moeten worden en het alleen komt tot een verbazend bloedbad, men vergeet hoe de wetenschap ook middelen aan de hand geeft, die even ontzettend van uitwerking, door de goedkoopte vallen binnen het bereik der proletariërs. Wie zegt ons dan of de nieuwe bewapening van de arbeiders niet dezelfde rol zal spelen voor de vrijmaking van het proletariaat, als het kruit indertijd gedaan heeft om de volkeren te bevrijden van het geharnast adeldom? De zwaarden en harnassen der middeneeuwsche roofridders verouderden en werden niets waard, – zou hetzelfde niet kunnen plaatsvinden met de geweren en kanonnen van onzen tijd? Hebben de Kubanen, de Boeren niet getoond, hoe een guerilla-oorlog tegen een veel machtiger vijand met succes gevoerd kan worden en hoe daarin al de middelen der moderne krijgswetenschap feitelijk omver worden geworpen of ondeugdelijk bleken te zijn?
Het dynamiet –en dit geldt in nog sterkere mate van andere, nog sterker werkende ontploffingsmiddelen– is terecht genoemd de reductio ad absurdum (herleiding tot het ongerijmde) van het ruwe geweld. Immers er bestaat dan een geweld, waardoor het geweld van den geweldenaar te niet wordt gedaan. Tegenover dat verwoestend geweld, dat elk persoon tot zijn beschikking heeft, slaat de wijsheid van den absoluten staat bankroet. Tegen dynamiet helpen geen bepalingen of wetten, maar alleen de welvaart en de vrijheid der volkeren. Willen de regeerders dit niet inzien ondanks de opgedane ervaring, zij zullen steeds meer door eigen schade en schande moeten leeren wijs te worden.<ref>Machiavelli wist dit reeds zeer goed en schrijft daarom in zijn beroemd werk over den Vorst het volgende: “wie gelooft, dat tusschen iemand die de wapenen in de hand heeft en iemand, die geen wapenen bezit, een verhouding van gelijkheid kan bestaan, die is een dwaas. Het strijdt tegen het verstand, dat iemand, die de wapenen bezit, gaarne gehoorzaamt aan hem, die geen wapenen bezit en dat de ongewapende veilig is tegenover een goed toegeruste.” Internationale Bibliotheek: N. Machiavelli, De Vorst. Vertaling van J.T. Jelgersma. Amsterdam, S.L. van Looy.</ref>
Alles gist en het is feitelijk een algemeen zoeken en tasten. Onze tijd is met recht een tijd van overgang, waarvan menigeen zegt: ik wou dat hij overging. Wat een warrelstroom van denkbeelden! En toch struikelend en dwalend zal men verder komen. Onlangs lazen wij een aardig beeld, dat ook soms op dit alles toepasselijk is. Zijt gij wel eens verdwaald geweest op een vlakte bij dikke mist? Men gaat dan steeds den verkeerden kant op in de stellige verbeelding de goede richting te hebben en – men dwaalt steeds verder af. Er is maar één middel, om weer in de goede richting te komen, hoe dwaas het moge schijnen, men moet zijn eigen Ik verloochenen en tegen eigen overtuiging in den verkeerden weg inslaan en, o wonder, men komt weer terecht. Als men dit toepast op ons maatschappelijk en geestelijk leven, dan zal men meermalen opmerken hoe het ook daar zoo gaat.
Hier zonderen menschen zich af van de wereld, om in kommunistische kolonies te leven, hopende zoo handelende de grondslagen te leggen eener nieuwe groepeering zooals de toekomst haar zal willen, wel wat gelijkende op de vrome monniken van vroeger, die afkeerig van de aanraking dezer slechte wereld zich terugtrokken achter hooge muren, om daarachter te leven in gemeenschap en broederlijkheid. Dáár weigeren jongelieden den krijgsdienst, mishandeling en gevangenis trotseerende, liever dan zich te laten africhten tot moordenaar en door hun individueel voorbeeld den weg te wijzen, waarlangs men komen kan tot afschaffing van een der grootste rampen van onzen tijd: het militarisme. Ginds ziet men anderen, die hun leven geven tot een zoenoffer voor anderen door tirannen te vermoorden, in de vaste verwachting dat als hun voorbeeld navolging vindt en elke regeerings-persoon, die onrecht doet, elke rechter die onbillijk vonnist, elke patroon die willekeurige daden verricht, getroffen wordt als straf voor zijn misdrijf, de tirannen zich wel tweemaal zullen bedenken, voordat zij zich blootstellen aan de gerechte wraak der getiranniseerden. Weer elders zien wij…. maar waar zouden wij ophouden, als wij wijzen moesten op alle teekenen des tijds, die toch de kenmerken zijn van een steeds toenemende ontevredenheid met het bestaande. Men voelt hoe men bezig is te ontgroeien, ja gedeeltelijk reeds ontgroeid is aan het maatschappelijk kleed, waarin men gestoken is en toch weet men nog niet, welk kleed passen zal voor het hedendaagsche geslacht. Gaat men daarbij uit van zichzelven, vraagt men telkens: wat zou ik voor mezelven wenschen? en wil men dit dan maken tot algemeen richtsnoer, voorzeker zou men daardoor zich bewegen in de goede richting. En dan zal het kwade zichzelf verbeteren, want al wat tegen de natuur, tegen de rede indruischt, bezit geen levensvatbaarheid en dus het kan niet blijven bestaan. Is “al wat bestaat, waard dat het ten onder gaat”, wij moeten niet vergeten dat het toch in het ontwikkelingsproces zijn dienst heeft gedaan. Als wij staan op de schouders onzer voorgangers, dan zien wij natuurlijk verder dan zij, maar zou het niet dwaas zijn om met verachtelijke minachting of schamper hoongelach laag neer te zien op hen, vergetende dat als zij ons niet waren voorgegaan, wij niet op hun schouders hadden kunnen klimmen en dus onze hoogte niet hadden kunnen bereiken?
Men heeft de voorhoede. Dat zijn de menschen die wij teekenden in dit boek, zij waren de baanbrekers, de pioniers die den weg open maakten waarlangs anderen nu loopen. Zij werden door hun tijdgenooten uitgemaakt voor dwazen, droomers, dwepers<ref>Onwillekeurig denken wij hier aan het antwoord van koningin Louisa uit Multatuli’s Vorstenschool op de beschuldiging harer moeder, dat zij een dweepster is: Is het dwepen, / Wanneer ik wil, dat allen die als gij / En ik geschapen zijn, die zich als wij / Bewegen, aadmen, minnen, en, als wij, / Hun blikken richten op onsterfelijkheid…. / Is ’t dwepen, moeder, als ik wil dat zij / Niet lager staan dan ’t stomme dier des velds, / Dan ’t redelooze vee?</ref>. Waarom? Om dezelfde reden waarom men in het land der hinkenden iemand, die niet langer hinken wilde, bitter beklaagde en hem gelijk achtte aan een kreupele. En omdat hij niet meer wilde hinken maar gaan, gaan zonder krukken of behulp van anderen, daarom werd hij uitgemaakt voor allerlei. De dwaasheid van gisteren bleek echter meermalen de wijsheid van heden te zijn. Zou de dwaasheid van heden dan ook niet somwijlen de wijsheid van morgen kunnen zijn? De schoone droom eener betere toekomst wordt toch ook wel eens verwerkelijkt, vooral wanneer zij, die hem droomden, met alle kracht en hartstocht werken om hem tot werkelijkheid te maken. Want vanzelf komt hij zeker niet tot werkelijkheid, de tijd der wonderen uit de fabelwereld is voorbij. En al ware het dat wij ons bedrogen, dat de pogingen en voorstellingen eener toekomende maatschappij mochten blijken onbereikbaar te zijn, dan hebben wij gedwaald, omdat wij gerekend hebben dat de natuur des menschen hooger was en niet lager; dan hebben wij gedwaald, omdat wij dus een te hooge voorstelling maakten van den mensch; omdat wij meenden welvaart, vrede en vrijheid te kunnen verwerven voor allen. Maar - in zulke dwalingen gevoelen wij ons gelukkig, meer dan dat wij mede gedaan hadden met den grooten hoop, spekuleerende op de lagere hartstochten en zwakheden van den mensch. En het korte leven te verzoeten door wat men spottend hoort begroeten als “een droombeeld van den nieuwen tijd,” dit schenkt ook eenige voldoening.

In zijn tooneelstuk Koningsrecht laat mr. Paap door den ouden Frits zeggen: “wie wat goeds wil, wie goede daden wil, die heeft om zich de menschen, die heeft vóór zich en achter zich de oogen van den draak, wiens hart boosheid en wiens hoofd domheid is. Het is een laf beest. Het steekt de tong maar uit. Maar het hindert je, je werk te doen.
De zotten hinderen je, de gemeenen werken je tegen. Tegen die twee heb je te strijden. Het is nog de vraag, aan wie je den meesten tijd van het korte leven verliest, aan de zotten of aan de gemeenen. Te midden van die twee sta je als een gek. Altijd strijd en altijd allen tegen allen. Elke goede daad maakt de ziel grooter, den wil krachtiger. En dat je alleen bent, ook dat is niet erg. Wie uitsteekt, is zichzelf genoeg. Maar…. je zou iets willen bereiken. En dat is het, wat droevig kan maken, je bereikt niets. Godendroomen worden niet verwezenlijkt, maar menschendaden moeten wij trachten te doen.”
Welke vormen de maatschappij ook aanneme, steeds zal de vrije mensch erop bedacht zijn, dat het individueel karakter niet ondergaat, want dit kan niet geschieden dan ten koste der maatschappij. Overeenkomstig den stelregel, dat, als één lid lijdt, het geheele lichaam lijdt, moeten wij streven naar de juiste kennis van den samenhang van het menschelijk geslacht en van elk afzonderlijk mensch, of wel naar de plaats die de mensch moet innemen in de natuur. En de weg zoo dikwijls bewandeld door de baanbrekers eener nieuwe wereld, zal ook thans ten opzichte van het socialisme weer dezelfde zijn als van oudsher is aangegeven, kort maar duidelijk, in deze woorden:

Erst verachtet man es

denn belacht man es
denn betrachtet man es
endlich macht man es.

(Eerst veracht men het, dan lacht men het uit, dan overdenkt men het en eindelijk brengt men het in toepassing).

–EINDE–

<references />