PP - Een sociale verhouding kun je niet opblazen.

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


Een sociale verhouding kun je niet opblazen – een evaluatie van anarchistisch terrorisme


Door: P.P./Buiten de Orde

Gepubliceerd: 08 augustus 2013

Tags:


‘Een sociale verhouding kun je niet zomaar opblazen. Het volledig instorten van deze maatschappij zou geen garantie bieden op wat haar zou vervangen. Tenzij een meerderheid van de mensen over de nodige ideeën en organisaties beschikte om een andere samenleving waar te maken, zouden we snel zien dat de oude wereld terug tot leven komt. Dat is immers wat de mensen zouden kennen, waar ze in zouden geloven, hoe hun persoonlijkheid gevormd zou zijn.

Dit artikel is afkomstig uit het onvolprezen kwartaalblad Buiten de Orde, uit het eerste nummer van 2013 dat als thema 'geweld' heeft. Er staat nog veel meer lezenswaardigs in dat (en andere) nummers. Een abonnement nemen is dan ook aangeraden. Losse nummers zijn te koop in oa. Het Fort van Sjakoo (Amsterdam) en de Rooie Rat (Utrecht)

Voorstanders van terrorisme en guerrillaïsme moeten weerstreefd worden omdat hun actie vanguardistisch en autoritair zijn, omdat hun ideeën verkeerd zijn en los staan van de resultaten van hun acties; omdat moorden niet gerechtvaardigd kan worden; en tenslotte omdat hun acties hetzij nutteloze repressie uitlokken zonder positieve resultaten of anders een autoritair regime.

Aan hen die politiek geweld overwegen, zeggen we: kijk eerst naar jezelf. Is destructiviteit een uitdrukking van angst of van liefde? Er zijn politieke tradities en politieke mogelijkheden die je nog te onderzoeken hebt.

Aan de samenleving die omstandigheden voortbrengt van armoede, passiviteit, egoïsme, oppervlakkigheid en destructiviteit – waartegenover een reactie van politiek geweld kan groeien – zeggen we: wees gewaarschuwd. Die omstandigheden moeten veranderd worden. Zoals een Frans socialist zei in 1848: “Als je niet streeft naar menselijke verbondenheid zeg ik je dat je de samenleving blootstelt aan onvermijdelijk sterven in doodsangst.”’[1]

Guerrilla’s proberen in plaats van de mensen te handelen – ze proberen massale acties te vervangen door individuele handelingen – en houden zo de tegenstelling in stand tussen de leiders en de volgers


Dat is de conclusie van You Can't Blow up a Social Relationship, een brochure van Tom Wetzel uit 1978 die ook vandaag de dag even relevant en belangrijk is als toen ze geschreven werd. Gebeurtenissen in de voorbije jaren hebben uitgebreid de juistheid van de kernpunten aangetoond:

1. Dat de gekozen middelen de resultaten bepalen – gruwelijke middelen geven gruwelijke resultaten;

2. Dat stadsguerrillaïsme bijna altijd leidt tot repressie (en weinig anders, laat staan positieve resultaten) – dat maakt het erg moeilijk om constructief politiek werk te doen, te organiseren of aan propaganda te doen en te informeren;

3. Dat ‘succesvol’ stadsguerrillaïsme onvermijdelijk leidt tot autoritaire oplossingen;

4. Dat die resultaten bepaald worden door het wezen zelf van het guerrillaïsme. Het steunt zwaar op de kapitalistische media voor zijn impact, waarbij het een politieke handeling opvoert als spektakel dat los staat van de alledaagse levens van gewone mensen, die daarmee gereduceerd worden tot passieve toeschouwers. Ondertussen bezorgt het de door het kapitaal beheerste media een perfecte gelegenheid om het publiek in de ‘beschermende’ armen van de staat te drijven. Met andere woorden: guerrilla’s proberen in plaats van de mensen te handelen – ze proberen massale acties te vervangen door individuele handelingen – en houden zo de tegenstelling in stand tussen de leiders en de volgers (de toeschouwers, in dit geval).

Waar de auteurs van het pamflet terrorisme verwerpen, moet benadrukt worden dat ze niet voor politieke passiviteit pleiten. Ze pleiten niet tegen de vele vormen van directe actie, die een essentieel onderdeel uitmaken van elke massabeweging die streeft naar fundamentele sociale verandering. Voorbeelden van zulke directe actie behelzen onder meer wilde stakingen, bedrijfsbezettingen en burgerlijke ongehoorzaamheid. Ze kleineren ook niet de stillere maar even essentiële inspanningen van hen die educatief werk doen. Uiteindelijk moeten we ook benadrukken dat de auteurs geen pacifisten zijn; ze gaan er van uit dat er situaties kunnen zijn waarin gewapende zelfbescherming noodzakelijk kan worden.[2]


Terrorisme en de grondleggers van het anarchisme.

Sinds jaar en dag proberen sommigen de anarchistische beweging te koppelen aan een tactiek die er van uit gaat dat een kleine minderheid – soms een individu – door een grote daad een omwenteling in beweging kan zetten.

Peter Kropotkin schreef in 1887 in Le Revolté al dat een ‘structuur die steunt op eeuwen van geschiedenis niet vernietigd kan worden met een paar kilo dynamiet’


De zogenaamde ‘propaganda van de daad’ krijgt echter al sinds jaar en dag lik op stuk vanuit de anarchistische beweging zelf, ook van anarchisten die de tactiek oorspronkelijk verdedigden. Al vanaf 1887 begon een aantal belangrijke anarchistische figuren afstand te nemen van individuele gewelddaden. Peter Kropotkin schreef dat jaar in Le Revolté dat een ‘structuur die steunt op eeuwen van geschiedenis niet vernietigd kan worden met een paar kilo dynamiet’.[3] Een aantal anarchisten pleitte voor het afzweren van dit soort tactieken ten gunste van collectieve revolutionaire actie, bijvoorbeeld in de arbeidersbeweging. De anarcho-syndicalist Fernand Pelloutier pleitte in 1895 voor een hernieuwde anarchistische betrokkenheid in de arbeidersbeweging omdat anarchisme heel goed zonder de ‘individuele bommenlegger’ kon.[4]


Repressie van staatswege (waaronder ook de gehate Franse ‘lois scélérates’ uit 1894) van de anarchistische beweging en de arbeidersbeweging in het algemeen die volgde op de enkele succesvolle bomaanslagen en moorden kunnen hebben bijgedragen tot het opgeven van dit soort tactieken. Al kan anderzijds repressie ook net hebben bijgedragen tot deze daden. Het afsplitsen van de Franse socialistische beweging in velerlei groepen en – na de onderdrukking van de Commune van Parijs (1871) – de executie en ballingschap van vele Communards naar strafkolonies, versterkte individualistische politieke woorden en daden.

De anarchistische geschiedschrijver Max Nettlau voorzag in een complexer concept van de propaganda van de daad toen hij zei dat ‘iedereen openstaat voor een ander soort argument, dus propaganda kan niet gediversifieerd genoeg zijn als we iedereen willen bereiken. We willen dat onze propaganda allen bereikt en doordringt, ongeacht levenswijze, sociale en politieke achtergrond, thuis in de kunst, in de educatie en in de recreatie. Er zou propaganda moeten zijn in woord en daad, het platform en in de pers, op elke straathoek, op de werkplaats en op het thuisfront: daden van revolte, en het voorbeeld van ons eigen leven als vrije mensen. Wie het met elkaar eens is kan samenwerken; als ze het niet eens zijn, zouden ze moeten verkiezen elk op eigen lijn verder te werken en niet elkaar moeten proberen te overtuigen van de superioriteit van hun eigen methode.[5]

…de staat wordt vernietigd door nieuwe omgangsvormen


Latere anarchisten die pleitten voor de propaganda van de daad (in brede zin) waren onder andere de Duitse anarchist Gustav Landauer en de Italianen Errico Malatesta en Luigi Galleani. Voor Landauer betekende ‘propaganda van de daad’ de verwerkelijking van libertaire omgangsvormen en gemeenschappen die anderen zouden inspireren om de samenleving te transformeren.[6] In ‘Zwakke Staatsleiders, Zwak Volk’ schreef hij dat de staat niet iets is ‘dat men kan breken om het te vernietigen. De staat is een relatie tussen mensen… de staat wordt vernietigd door nieuwe omgangsvormen.’[7]

Anarchisten – die zich afzetten tegen elke vorm van onderdrukking en die strijden voor de volledige vrijheid van elk en die dus instinctief zouden moeten terugdeinzen voor alle gewelddaden die het verzet tegen onderdrukking overstijgen en die op hun beurt onderdrukking worden – worden zo in de afgrond van de brute macht geleid (E. Malatesta)


Malatesta daarentegen beschreef ‘propaganda van de daad’ als gewelddadige lokale opstanden die erop gericht waren om de op handen zijnde revolutie de lont aan het vuur te leggen. Hij nam duidelijk afstand van het gebruik van terrorisme en gewelddadige fysieke macht: ‘Geweld (fysieke macht) om een ander te kwetsen – de brutaalste vorm van strijd tussen mensen – is uit de handeling zelf corrumperend. Het leidt er door haar aard toe de beste gevoelens van de mens te verstikken en de antisociale eigenschappen te ontwikkelen: woestheid, haat, wraak, de geest van dominantie en tirannie, misprijzen voor de zwakken, dienstbaarheid tegenover de sterken. En die schadelijke neiging manifesteert zich eveneens als het geweld ten goede aangewend wordt. (...) Anarchisten – die zich afzetten tegen elke vorm van onderdrukking en die strijden voor de volledige vrijheid van elk en die dus instinctief zouden moeten terugdeinzen voor alle gewelddaden die het verzet tegen onderdrukking overstijgen en die op hun beurt onderdrukking worden – worden zo in de afgrond van de brute macht geleid. De opwinding die een aantal recente explosies hebben teweeggebracht en de bewondering voor de moed waarmee de bommenwerpers de dood in het aangezicht keken, volstaat voor veel anarchisten om hun programma te vergeten, en zich op een pad te begeven dat de meest absolute ontkenning is van alle anarchistische ideeën en gevoelens.[8]


Het anarchisme versus de ‘lone wolf’ na de Eerste Wereldoorlog.

De propaganda van de daad, als gewelddadig vorm van directe actie zoals bom- en andere moordaanslagen, werd door de overgrote meerderheid van de anarchistische beweging opzij geschoven na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en de Russische Revolutie (1917-1921). Hier zijn verschillende redenen voor, maar belangrijk waren alvast de staatsrepressie, het organisatieniveau van de arbeidersbeweging (in bijzonder het nieuwe belang van het anarcho-syndicalisme in Zuid-Europese landen als Frankrijk, Italië en Spanje) en de invloed van de Russische Revolutie. Hoewel de Leninistische these over de rol van de voorhoede(partij), samengesteld uit professionele revolutionairen, niet zo heel haaks stond op de revolutionair-socialistische organisatie, maakte het de individuele propaganda van de daad veel minder relevant. Desondanks bleef de propaganda van de daad populair in sommige anarchistische kringen.

Breder beschouwd bleef directe actie centraal staan in de libertair-socialistische beweging, in het bijzonder in de anarcho-syndicalistische beweging, bijvoorbeeld in de sabotage, in het concept van de ‘revolutionaire staking’ (geïnspireerd op George Sorel), enzovoort. In de jaren 1950 refereerde de Situationistische Internationale ernaar door het organiseren van ‘situaties’. Geen verrassing gezien de invloed van het radencommunisme op Guy Debord. De autonomenbeweging en de stadsguerrilla droegen het concept van de directe actie de jaren 1970 binnen. In die periode werden ‘subverteren’ of ‘adbusting’, ‘taarten’ van mensen, guerrillacommunicatie en andere vormen van geweldloze en soms tegelijk artistieke en politieke acties populair als een nieuwe vorm van directe actie. Het experimentele theater (bijvoorbeeld Living Theatre) vermengde directe acties met artistieke elementen, zoals Breton, de surrealisten en Arthur Rimbaud hen al hadden voorgedaan. Het belang van rellen en rebellie in het tot stand brengen van een opstand is nooit ontkend, van anarcho-syndicalisten over autonomen over antiglobalistische ‘black blocs’.

Het idee van de ‘attentats’ en de guerrilla kreeg vernieuwde aandacht in de jaren 1970 en ’80, in het bijzonder van stadsguerrilleros en in de Duitse en Italiaanse autonome beweging, die een belangrijke rol speelde in de kraakbeweging en de sociale centra. In veel gevallen waren het echter communistische’ stromingen hierbinnen die naar de wapens neigde te grijpen en het idee van de ‘propaganda van de daad’ terug vernauwde tot terrorisme. Noemen we maar de RAF, de CCC in België, Action Directe, Rode Brigades, de Weathermen, Tupamaros, enzoverder.

In de jaren 1990 bleken deze groepen in belangrijke mate ingezet te zijn in de zogenaamde ‘strategie van de spanning’. Extreem-rechtse groepen, geheime loges, ridderordes, al dan niet maffieuze en ‘legitieme’ economische organisaties en inlichtingendiensten[9] probeerden door terreur staatsgrepen uit te lokken, te organiseren en te rechtvaardigen.


Moreel en strategische onoverkomelijke argumenten

Al veel vroeger kon de strategie – gezien de tekst van Tom Wetzel – al rekenen op fundamentele kritiek uit anarchistische hoek.

Er is niet enkel een ethische discussie, waarin anarchisten door de band genomen altijd het standpunt hebben ingenomen dat (fysiek) geweld een vorm van macht is en dus te vermijden. De invloed van Tolstoj, Thoreau, Gustav Landauer en anderen op de vredesbeweging, de burgerrechtenbeweging, de feministische beweging en zelfs de geopolitieke geschiedenis (Zuid-Afrika, Gandhi in India, etc.) is enorm geweest. Er is ook altijd het tactische probleem geweest met de ‘attentats’ en het illegalisme, waar het zogenaamde ‘insurrectionalisme’ haar nieuwste adem in lijkt te hebben gevonden. Het insurrectionalisme zelf lijkt echter afstand te nemen van het anarchisme, getuige de aanhoudende aanvallen en distantiëringen.

Met andere woorden: zelfs als dat moreel verantwoord zou zijn, volstaan bommen niet om de samenleving te veranderen. Afhankelijk van de context werkt het ons in grote mate zelfs tegen. Waarmee de tekst van Tom Wetzel relevant blijft. De tekst is te vinden op anarchyisorder.org.


 =CITATEN UIT DE BROCHURE VAN TOM WETZEL=:
 “De ervaring wijst uit dat het machtigste wapen van wie het bestaan van terrorisme wil gebruiken          om de ‘democratische’ rechten achteruit te dringen, net ligt in het opwekken door media, politie en politiek van een sfeer van hysterie. In die omstandigheden kan de impact van het terrorisme niet meer goed ingeschat worden. Maar de mensen zullen meer nodig hebben voor ze opstaan tegen de druk om te berusten in een voortschrijdende groei van repressie.”
 “Bovendien toont de recente geschiedenis ons dat democratieën de gelegenheid zullen grijpen die   (politiek) geweld biedt om ‘links’ als geheel te onderdrukken of stokken in de wielen te steken. Bommi Baumann oudgediende van een Duitse terroristengroep heeft een boek geschreven (‘Hoe het allemaal begon’). Hij vertelt daarin dat de eerste bommen en wapens werden aangeleverd door een politieagen: ‘we waren een heel specifiek onderdeel van de politiestrategie’ (p. 37). Stom genoeg denkt hij de betekenis niet verder door: ‘Het is me nog steeds niet duidelijk welke rol we daarin speelden.’ (p 85).
 “Waar terroristen door hun eigen daden zulke doelen dienen, dragen ze bij tot de vernietiging van de politiek en het onmogelijk maken van diverse mogelijkheden om ideeën te verspreiden nog voor ze ten volle benut zijn. Natuurlijk zal de staat verschillende repressieve methodes inzetten als ze enig ernstig verzet ondervinden of als ze een sociale crisis moet beheersen waarbij ze verzet ondervindt. Terrorisme en guerrillaïsme kunnen niet aangevallen worden simpelweg omdàt ze repressie uitlokken. Even belangrijk is het feit dat er niets is dat het de moeite waard maakt: de guerrillas worden uitgeroeid en wat blijft is de repressie (en een ‘recht en orde’-mentaliteit onder de bevolking).

Een zich ontwikkelende massabeweging zal ook repressie uitlokken, maar zal ook mensen vormen met duidelijke doelstellingen en de organisatorische middelen om ze te bereiken. Ze zal in staat zijn veel duurzamere manieren te bouwen voor (gewapend) verzet. In een sociale crisis waarin allerlei soorten positieve ontwikkelingen ontstaan, zal een losstaande groep terroristen uiteindelijk irrelevante confrontaties veroorzaken en het politieke debat vernauwen tot ‘zijn ze (overheid of terroristen) te ver gegaan?’ in plaats van ‘hadden de arbeiders die fabrieken moeten overnemen?’. Terrorisme vernietigt de politiek.”

 “Het is een fragmentaire visie op revolutie als in essentie gelijk te stellen met illegaliteit of als gewapende confrontatie met de repressieve instrumenten van de staat. Het verduistert de kern van onze verwerping van deze maatschappij, die zich niet beperkt tot een walging van staatsgeweld – de gevangenis, de brutaliteit, marteling en moord – maar die het geheel van hiërarchische omgangsvormen tussen mensen viseert, met competitie in plaats van samenwerking. Het ‘opnemen van de wapens’ zelf mag dan de wet uitdagen, maar zegt niets over waarvoor er gevochten wordt. De essentie van revolutie is niet een gewapende confrontatie met de staat maar het wezen van de beweging die de revolutie voert, en dat zal afhangen van de relatievormen en ideeën in de groepen, de gemeenschapsraden, de arbeidersraden, enz die ontstaan in een sociaal conflict.”
 “Het is moeilijk een ‘strategie’ te vinden die minder anarchistisch, minder libertair is. Het derdehandse Leninisme over de arbeidersaristocratie, het voorhoede denken, het grondig elitaire en millenaristische dromen over totale vernietiging, enz sluiten allen elke andere uitkomst uit dan een dictatoriaal regime. (…) Hoe meer we de bestaande relaties willen vervangen door een bewuste en zelf-actieve mensen die de beweging in beweging zetten en sturen, hoe contraproductiever en tegenstrijdig terrorisme wordt omwille van het elitarisme en het inherent manipulatieve karakter ervan.”
 “Terrorisme recyclet de oude valstrik van het passieve volk voor wie gevochten wordt, in wiens plaats de guerrilla-groep worstelt en lijdt. Terwijl de sympathiserende mensen dit spektakel aanschouwen, vervliegt de tijd – en daarmee de kans om een eigen antwoord op de sociale crisis te ontwikkelen. Tegen de tijd dat het drama een tragedie geworden is en de guerrilla’s door op het podium liggen, stelt het publiek vast dat het omsingeld is met prikkeldraad, en, terwijl het tegen deze tijd misschien zelf het podium op zou willen, staat er een tank in de weg. Het publiek verspreidt zich en vervalt in passiviteit. Wie moeilijk blijft doen, wordt naar buiten gesleurd en verdwijnt in de concentratiekampen. Terrorisme spruit voort uit de traditie van voorhoedestrategieën voor de revolutie. Waar die normaalgesproken enkel repressie overleveren is de enige andere mogelijke uitkomst een autoritair ‘links’ regime. Dat komt omdat de mensen er niet toe gekomen zijn om zelf een democratische beweging te bouwen.”
 “Er is ongetwijfeld veel bewijs voor een neiging tot doodsverheerlijking van de dood en geweld bij terroristen en guerrilla’s. (…) Veel van deze mensen zijn actief geworden in terroristische activiteiten door omstandigheden en toevallige ontmoetingen, zoals Baumans boek aantoont. Ze raken verstrengeld in een sfeer van zelfverheerlijking en isolatie van de wereld. Zelfs hun relaties met hun achterban zijn eenzijdig eerder dan verbredend. Deze onwerkelijke situaties brengt trekken van waanzin met zich mee waardoor een escalerende reeks handelingen als gerechtvaardigd en rationeel lijken. Elke inspanning van de media, politie en politici om een karikatuur te maken van deze demonische bloeddorstige monsters zal dienen om hun eigen barbaarsheid en corruptie te vergoelijken.”
 Gewapende strijd houdt in dat mensen gedood zullen worden en er is geen ontsnappen aan het feit dat geweld mensen bedreigt. Maar libertairen zouden hopen hun menselijkheid te bewaren door de verzekeren dat gewapende strijd slechts een verlengde zou zijn van een politieke beweging wiens hoofdactiviteit zou zijn het verspreiden van ideeën en het opbouwen van een alternatieve organisatie. De krachten van de repressie (politie, leger) en de heersers zelf zouden niet uitgesloten zijn van dergelijke pogingen. Er zou in feite veel aandacht zijn voor het opbreken van hun eenheid om de nood om geweld te minimaliseren. In deze situatie zou iedereen een keuze kunnen maken. Libertairen bieden mensen de hoop dat ze kunnen veranderen. We bieden mensen ons vertrouwen dat een zelfbestuurde samenleving meer bevrediging zal brengen voor iedereen. En dat geldt ook voor de huidige heersers, zelfs als we de beperkingen erkennen van de karakters die mensen in hun leven hebben ontwikkeld, in bijzonder diegene die zich aangepast hebben aan het uitoefenen van macht. [In feite zullen onze leiders en hun functionarissen in dat geval waarschijnlijk sterven in de poging hun privileges te beschermen – het zou in tegenspraak zijn met de aard en het ego van de machtigen om gewoon op hun rug te rollen en zich over te geven – het zou veronderstellen dat ze tegen eigen belangen zouden handelen, en die kans is klein.]


Noten.

1. Tom Wetzel.

2. Chaz Bufe, See Sharp Press, 1989.

3. Geciteerd in: Billington, James H., Fire in the minds of men: origins of the revolutionary faith (New Jersey: Transaction Books, 1998), p. 417.

4. Robert Graham, Anarchism: A Documentary History of Libertarian Ideas, Volume One (Black Rose Books). http://blackrosebooks.net/anarchism1.htm. Retrieved October 26, 2010.

5. Max Nettlau, An Anarchist Manifesto.

6. Gustav Landauer, Anarchism in Germany, 1895.

7. Der Sozialist (1910).

8. Malatesta, Violence as a Social Factor (1895).

9. Kernwoorden hier zijn GLADIO (stay-behindnetwerken na WOII die Europa moesten verdedigen ingeval van een Russische inval), Bende van Nijvel, P2 (Propaganda 2, met leider Licio Gelli), Iran-Contra schandaal. Er is verschrikkelijk veel informatie hierover te vinden en verdere verdieping past niet in dit bestek. Het boek Crapule de Luxe van Walter Baeyens is een goed begin voor de Belgische situatie, maar ook op internet is er veel te vinden.