Spahr, Michael P. - Vrijheidsbezinning in tijden van dictatuur

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


Vrije Universiteit Amsterdam 30 juni 1998

Faculteit der letteren

Vakgroep Geschiedenis

Doctoraalscriptie Nieuwste Geschiedenis

Scriptiebegeleider: Dr. G. R. Zondergeld


Vrijheidsbezinning in tijden van dictatuur

Nederlandse anarchisten en de Tweede Wereldoorlog


Michael P. Spahr


Inhoudsopgave

Voorwoord

1. Inleiding

2. Grondslagen

2.1. De Theorie van het anarchisme

2.2. De Nederlandse anarchistische beweging voor 1940

2.3. De Tweede Wereldoorlog

3. Het Nederlandse anarchisme tijdens de Tweede Wereldoorlog

3.1. Een individualistische verzetsstrijder

3.2. De kunstenaar en het verzet

3.3. De syndicalistische strijd

3.4. Biografieën van het onbekende Noorden

3.5. Nederlands anarchisme in ballingschap

3.6. Gevangen anarchist en ‘vooraanstaande Nederlander’

3.7. ‘Goede’ passiviteit?

3.8. Het verhaal van vrienden en verwanten

4. Anarchisme en fascisme

4.1. Waren de rapaillisten proto-fascisten?

4.2. De Vrije Socialist: antisemitisch en antifascistisch?

4.3. ‘Foute’ anarchisten of nazi’s die ooit anarchisten waren?

5. Slotbeschouwing

5.1. Een blik vooruit

5.2. Conclusie

6. Bronnen- en literatuurlijst

6.1. Primaire bronnen

6.2. Secundaire literatuur


Voorwoord

Het onderwerp ‘anarchisme’ fascineert me al jaren. Oorspronkelijk raakte ik geïnteresseerd in de theorie vanwege mijn grote belangstelling voor het dadaïsme dat soms ‘een anarchistische kunstbeweging’ genoemd wordt. Later beleefde ik zelf experimenten met een zekere anarchistische grondslag, het anarchisme in de praktijk. Uiteindelijk ben ik in de geschiedenis terecht gekomen. In de geschiedenis komen praktijk en theorie vaak samen. Ik besloot te onderzoeken hoe dit er uitzag in het geval van de anarchistische beweging en de Duitse bezetting van Nederland. In deze doctoraalscriptie Nieuwste Geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam probeer ik de resultaten van mijn onderzoek te presenteren.

Ik wil graag al diegenen bedanken, die mij hierbij hebben geholpen. Mijn dank gaat uit naar alle docenten en studenten die me tijdens mijn studies aan de Universität Bern en de Vrije Universiteit in Amsterdam begeleid en geïnspireerd hebben. In het bijzonder wil ik mijn scriptiebegeleider Dr. Gjalt Zondergeld danken voor zijn suggesties en steun gedurende het schrijven van dit werkstuk.

Mijn dank gaat ook uit naar de medewerksters van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis en de medewerkers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, die me leuk en nuttig bronnenmateriaal ter beschikking hebben gesteld. Op deze plaats wil ik ook de medewerkers van het Project Vooroorlogse Dienstweigeraars, in het bijzonder Homme Wedman, danken. Dankzij hen ontbreekt de ‘oral history’-methode niet helemaal in deze scriptie.

Natuurlijk gaat mijn dank ook uit naar mijn anarchistische en niet-anarchistische vrienden, die me tijdens mijn studies hebben geïnspireerd en geamuseerd. Ward Oranje wil ik hartelijk danken de moeite te nemen mijn hele scriptie door te lezen en mijn soms (Zwitser-)duitsachtig Nederlands te verbeteren. Mijn dank gaat ook uit naar Michiel Eijsbouts voor de correcties op het laatste ogenblik. ‘Last, but not least’ gaat mijn dank uit naar mijn naasten. Mijn vriendin en huisgenote Malin Ahlén dank ik voor alle liefde en de gave om naar urenlange monologen over anarchisten te luisteren. Ik wil ook mijn gezin in Zwitserland danken, Verena, Jürg en Gabriela Spahr. Zonder hun materiële en morele steun zou ik deze scriptie nooit voltooid hebben.

Ik wil deze scriptie opdragen aan diegenen, die voor de ‘vrijheid van iedereen’ vechten of hebben gevochten en zich inzetten of hebben ingezet voor mensen die het slachtoffer van totalitaire terreur zijn geworden.


1. Inleiding

Toen mijn interesse voor de geschiedenis van het anarchisme werd gewekt moest ik vaststellen dat deze geschiedenis meestal loopt tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. In een van de meest overzichtelijke boeken over het Nederlandse anarchisme, ‘Piramide der tirannie’ van Hans Ramaer, werd geschreven dat de anarchisten als beweging in de illegaliteit van 1940 to 1945 geen rol van betekenis gespeeld hadden. Maar ze hadden ‘voor zover ze niet waren ondergedoken, zonder aarzeling deelgenomen aan het ondergrondse verzet.’[1] Opvallend is echter dat er in Nederland in de Tweede Wereldoorlog heel weinig anarchistische slachtoffers waren en dat belangrijke anarchistische kranten op de een of andere manier ook na de oorlog weer verschenen. Wat gebeurde met deze mensen tijdens de oorlog en de Duitse bezetting?

Ik zal proberen uit te leggen wat deze anarchisten en groeperingen tussen 1939 en 1945 gedaan hebben. Met behulp van monografieën, biografieën en het bestuderen van kranten en archieven heb ik geprobeerd een beeld te schetsen van het Nederlandse anarchisme tijdens de oorlog. Het feit dat de anarchistische beweging was opgesplitst in veel verschillende groeperingen en individuele actievoerders leidt ertoe dat ik niet met elke groepering en ieder individu rekening kon houden. Ik heb bijvoorbeeld weinig aandacht aan de christen-anarchistische groeperingen geschonken. Ik heb ook weinig over vrouwelijke anarchisten geschreven. Er is helaas heel weinig bekend over de vrouwen in de door mannen gedomineerde anarchistische geschiedenis. Deze geschiedenis moet nog worden geschreven. Niettemin hoop ik een beeld te kunnen geven van het anarchisme in Nederland gedurende de oorlogsjaren. Daarbij probeerde ik de volgende vragen in mijn achterhoofd te houden: Op welke manier gingen anarchisten met de Duitse bezetting om? Hadden ze überhaupt een keuze? Werden ze verzetsstrijder? Was er een georganiseerd anarchistisch vezet? Of bleven ze passief? Of gingen ze zelfs met de nazi’s collaboreren?

Verder wil ik kijken in hoeverre de anarchistische ideologie een rol speelde in de manier waarop anarchisten reageerden. Hoewel het anarchisme op verschillende manieren uitgelegd kan worden hebben bijna alle mensen die in deze scriptie verschijnen zich ooit ‘anarchist’ of ‘anarchiste’ genoemd. Dit is ook het belangrijkste verbindende element van dit werkstuk. Het onderwerp ‘ideologie’ brengt ons vervolgens naar een tweede grote vraag: Wat was de verhouding tussen het anarchisme en het fascisme of het nationaal-socialisme?

Op het eerste gezicht lijkt het een zeer vijandige houding. De verschillen op ideologisch gebied zijn zeer groot. Toch zijn er bepaalde overeenkomsten die ik later zal uitleggen. Ik vroeg me vervolgens af of er anarchistische fascisten of nazi’s waren. Na de Duitse inval in 1940 hadden aanhangers van rechtse ideologieën meer mogelijkheden dan ooit tevoren. Waren er ook anarchisten die deze kans grepen? Waren er zogenaamd ‘foute’ anarchisten?

Tenslotte wil ik kijken wat de gevolgen waren van deze oorlog voor de anarchistische geschiedenis. Was de Tweede Wereldoorlog een belangrijke breuk in de anarchistische geschiedenis of betekende het zelfs het einde?

Maar voor ik met de geschiedenis van het Nederlandse anarchisme tijdens de Tweede Wereldoorlog en van de verhouding tussen het anarchisme en rechtse ideologieën begin moet ik een paar woorden aan de grenzen van mijn onderzoek wijden. Het gaat hier om de beperkingen die ik me zelf heb gesteld. Ten eerste is dit de anarchistische ideologie waarmee elke persoon in deze scriptie een sterke binding had. Ik zal dus proberen een theoretische schets van het anarchisme te geven. Ten tweede heb ik me beperkt tot een land. Hoewel het anarchisme theoretisch een internationalistische stroming is, is het makkelijker onderzoek tot een land te beperken. Daarom zal ik een beeld geven van de anarchistische geschiedenis in Nederland. Ten derde is er ook een tijdsbeperking. Ik heb me vooral op de jaren 1939 tot met 1945 geconcentreerd. Om die reden zal ik aandacht aan de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog besteden. Maar ik wil wel opmerken dat ik een paar keer noodzakelijkerwijs over de ideologische, geografische en tijdelijke grensen heen moest stappen. Het eerste deel van deze scriptie gaat over de grondslagen van mijn onderzoek en de bijkomende historiografie. In het tweede deel probeer ik het Nederlandse anarchisme tijdens de Tweede Wereldoorlog te schetsen. Ik zal naar verschillende voorbeelden van anarchistisch gedrag rond de Tweede Wereldoorlog kijken. In het derde deel wil ik me met de verhouding tussen het anarchisme en het fascisme, respectievelijk het nationaal-socialisme bezig houden. Tenslotte zal ik vooruitkijken en proberen een paar conclusies te trekken.


2. Grondslagen

In dit deel gaat het me erom een grondslag te leggen voor de twee volgende delen van deze scriptie. Ten eerste wil ik een hoofdstuk over de theorie van het anarchisme schrijven. Hiermee zal ik proberen een grens te zetten tussen het anarchisme en andere socialistische stromingen, maar ook uitleggen op welke beginselen de meeste anarchisten zich beriepen.

Ten tweede zal ik de voorgeschiedenis van het Nederlandse anarchisme beschrijven. Zonder deze voorgeschiedenis is het niet mogelijk de anarchistische geschiedenis tijdens de Tweede Wereldoorlog te begrijpen.

Ten derde wil ik ook een korte schets geven van de ‘algemene geschiedenis’ van de Tweede Wereldoorlog. Hieronder valt ook een soort chronologie van de gebeurtenissen. Dit is belangrijk omdat de hoofdstukken in het hoofdgedeelte niet helemaal chronologisch opgebouwd zijn.

2.1. De theorie van het anarchisme

Als we in een krant ‘anarchie’ lezen staat dit meestaal in samenhang met een chaotische toestand die ergens heerst. Anarchie wordt vaak als synoniem voor een chaotische toestand beschouwd. Hetzelfde geldt voor anarchisten die volgens dezelfde opvatting mensen zijn die chaotische toestanden veroorzaken. Vaak noemt men ze ook terroristen.

De reden voor dit soort opvattingen is zeker te vinden in het betekenis van het begrip ‘anarchisme’, namelijk het geloof in een maatschappij zonder staat. Voor de mensen die juist in de staat de mogelijkheid zien om orde te bewaren kan anarchisme alleen tot chaos leiden. Maar volgens de anarchisten hoeft dit niet te gebeuren. Ook het verschijnsel geweld hoort niet noodzakelijk bij het anarchisme. Juist in deze scriptie zullen we nauwelijks anarchisten vinden die in het plegen van geweld als politiek middel geloofden. Het anarchisme moet dus op een genuanceerdere manier benaderd worden.

Gelukkig hebben een paar mensen dit geprobeerd. Enkele van deze schrijvers heb ik geraadpleegd om een beeld van het anarchisme te geven. Van belang zijn in ieder geval de twee standaardwerken van Guérin en Woodcock zowel als het werk van de Nederlander Anton Constandse. Aanvullend heb ik nog het boek geraadpleegd waarin een van de belangrijkste filosofen van deze eeuw, Bertrand Russell, zijn visie op de verschillende socialistische theorieën geeft.[2] Naast deze boeken heb ik nog kortere geschriften geraadpleegd. Maar laten we eens kijken waar deze mensen het over hadden.

Het begrip anarchie komt uit het Grieks en betekent ‘zonder gezag/ heerschap/ bestuur’. Deze definitie leidt ertoe dat we ook van een filosofie van de vrijheid kunnen spreken. Als synoniem voor ‘anarchistisch’ wordt dus vaak ook het begrip ‘libertair’ gebruikt.[3] Anarchisten verzetten zich echter tegen het begrip ‘liberaal’. Het verschil tussen liberalisme en anarchisme kunnen we bijvoorbeeld verklaren met de manier waarop de schrijvers van de reclamebrochure van de Pinksterlanddagen 1998 dit gedaan hebben: ‘[Anarchisten volgen] niet het liberale credo: mijn vrijheid eindigt waar die van jou begint; maar het libertaire: mijn vrijheid begint waar die van jou begint.’[4] Het element van ‘samen’ hoort er op de een of andere manier bij, en daarom is het anarchisme ook een vorm van socialisme. Een hele gemeenschap moet beter worden, niet enkele individuen.

Het vrije individu staat desondanks centraal. Als we naar de geschiedenis van de theorieën van het anarchisme kijken, komt juist dit element naar voren. Een van de radicaalste theoretici op het gebied van het individualisme was Max Stirner die in de eerste helft van de negentiende eeuw leefde. Hij noemde zich zelf ‘egoïst’, en niet anarchist. Hij wilde dat het individu zich tegen elke vorm van gezag verzet. Het ging hem in de eerste plaats om proletariërs. Het ‘plebs’ zou zich bevrijden en tegelijkertijd het eigendom van de grondbezitters veroveren en delen. Verder betekende het verzet tegen heerschap ook een verzet tegen God, dus atheïsme.[5] Dit zijn allemaal elementen die we ook bij andere anarchistische theoretici zullen terugvinden.

Stirner wordt vanwege zijn ‘egoïsme’ als individualistische anarchist beschouwd en staat daarom tegenover de zogenaamde ‘sociaal-anarchisten’. Voor Stirner vinden we al individualistisch anarchistische ideeën bij Lao-tse, maar ook in Griekse en Evangelische bronnen.[6] Maar in het algemeen zouden sociaal-anarchistische opvattingen belangrijker worden voor de anarchistische beweging. Individualistisch anarchisme is een persoonlijke levensbeschouwing die invloed heeft op de manier waarop men leeft. Sociaal-anarchisme daarentegen heeft tot tak een hele gemeenschap te verdedigen en te verbeteren.

Als een van de vaders van het sociaal-anarchisme wordt William Godwin beschouwd die al in de jaren ‘90 van het achttiende eeuw zijn theorieën formuleerde. Hij pleitte voor de strijd van de enkeling voor de gemeenschap, maar verwierp het systeem van absolute wetgeving. De staat moest volgens hem afgeschaft worden. Rede en gerechtigheid zouden een betere samenleving bevorderen. [7]

Gelijke ideeën had ook Pierre-Joseph Proudhon, bekend voor zijn uitspraken ‘eigendom is diefstal’, ‘God is het kwaad’ en ‘anarchie is orde’. Hij speelde ook een rol in de revolutie van 1848. Maar een van zijn belangrijkste bijdragen tot de theorie van het anarchisme was het geschrift ‘Du principe fédératief’ dat in 1963 verscheen.[8] Proudhon, die zich uitdrukkelijk anarchist noemde, stelde in zijn federalistische theorie voor dat het individu politiek en economisch gezien met anderen samenwerkt. Maar het individu geeft nooit meer vrijheid aan de gemeenschap dan het zelf bewaart. [9] Proudhon heeft hiermee een bijzonder voorstel gemaakt hoe het anarchisme verwezenlijkt zou kunnen worden. Dit is bijzonder omdat anarchisten meestal meer over de fouten van het bestaande systeem schreven dan over hoe concreet de eigen theorie in de praktijk omgezet kon worden.

Als belangrijkste anarchistische theoretici gelden de Russen Michail Bakoenin en Pjotr Kropotkin. Bakoenin leefde in de negentiende eeuw. Hij werd vooral bekend door zijn actief leven en zijn rol als tegenspeler van Karl Marx in de Eerste Internationale. Hoewel hij ook Hegeliaans dialectisch dacht kwam hij niet tot dezelfde conclusies als Marx. Het particuliere eigendom moest wel overgaan in het gemeenschappelijke, maar daarvoor was geen staat nodig. Met de vernietiging van staat en eigendom zou men de vernietiging van de mens voorkomen, beweerde hij.[10] Anders dan Stirner, Godwin en Proudhon leefde hij het revolutionaire leven dat hij met zijn theorieën predikte.

Hij reisde door heel Europa naar opstanden en conferenties en belandde ook een paar keer in de gevangenis. Hoewel van aristocratische afkomst was hij altijd arm en leefde van de ‘good will’ van zijn vrienden. En hoewel hij voor velen als een soort ‘vader van het anarchisme’ geldt liet hij geen enkel voltooid boek achter.[11] Toch heeft hij met zijn levenswijze de grondslag gelegd voor ‘het anarchisme van de daad’, een levensopvatting die ook door vele Nederlandse anarchisten zou nageleefd worden.

Ook van aristocratische Russische afkomst was Kropotkin. Hij leefde nog in het begin van deze eeuw en heeft eigenlijk niet veel meer nieuwe elementen tot de theorie bijgedragen. Wat we bij Bakoenin missen heeft hij echter gedaan. Hij heeft namelijk door ontzettend veel te publiceren veel ideeën op papier achtergelaten. Een belangrijk idee dat hij formuleerde was de ‘mutual aid’ theorie waarin hij voor een sterk wederkerig dienstbetoon pleitte. Hij vocht voor de communistische beginselen van het anarchisme.[12]

Een andere Russische denker die een vrij grote invloed op de Nederlandse anarchisten uitoefende was de schrijver Leo Tolstoi. Hij verenigde het christelijke geloof met een anarchistische houding. Hij was tegen de staat en de kerk, maar hij was ook een voorstander van een grote naastenliefde en geweldloosheid.[13] Hij pleitte in de eerste plaats voor een morele revolutie en minder voor een politieke.[14]

Er waren nog veel andere anarchisten die een bijdrage tot de theorie leverden. De gebroeders Reclus, Errico Malatesta, de anarchiste Emma Goldman, de guerillastrijder Nestor Machno en nog vele anderen zullen nu niet aan de orde komen. Ik wil alleen erop wijzen dat er verschillende theoretici waren die allen een bepaalde invloed op de anarchistische beweging uitoefenden. Maar deze invloed was minder dogmatisch en minder sterk aanwezig dan de theorieën van Marx en Engels en later van Lenin in de communistische beweging. Een reden hiervan is dat de ‘daad’ altijd even belangrijk was als de ‘theorie’. Verder bestond er behalve voor een zeer korte tijd in Spanje nooit de mogelijkheid om de utopie op een grote schaal in praktijk te brengen. En tenslotte heeft het individualistische karakter van het anarchisme ertoe geleid dat iedere individuele anarchist zijn eigen persoonlijke opvatting van de theorie had. Toch zijn er een paar grondgedachten: Anarchisme is socialistisch in economisch opzicht en libertair en federalistisch in politiek opzicht.

Net zoals het communisme en de sociaal-democratie was het anarchisme oorspronkelijk een arbeidersbeweging. Anarchisten maakten deel uit van de Internationale, maar werden in 1872 in Den Haag door Marx en zijn aanhangers uit de Associatie geworpen.[15] De Tweede Internationale ging zonder anarchisten verder. Enige anarchisten stichtten vervolgens een eigen Internationale in Saint Imier. Zij beschouwden deze als de ‘echte’ Internationale.[16] Het internationalisme zou ook in de twintigste eeuw een rol spelen. Maar zoals in het geval van het marxistische communisme had ook het anarchisme in elk land een andere geschiedenis en betekenis. Overal bleef het echter tot in de jaren ‘30 een beweging die zich vooral op de arbeidersklasse richtte.

De vraag of men zich überhaupt zou gaan organiseren speelde daarbij altijd een belangrijke rol. Juist in de strijd van de arbeiders vroeg men zich af of men anarchistische vakbonden moest oprichten. In landen als Frankrijk, Spanje, Engeland, Zweden en Nederland bestonden of ontstonden zogenaamde syndicalistische vakbonden. Deze vakbonden wilden geen staat of parlement die beslissingen nam, maar zelf hun lot bepalen. Theoretisch lagen ze dus heel dichtbij het anarchisme. Zo gebeurde het dus dat de begrippen ‘syndicalist’ en ‘anarcho-syndicalist’ vaak synoniem aan elkaar werden. Het syndicalisme kan zelfs als een ‘georganiseerde vorm van het anarchisme’ beschouwd worden.[17]

Syndicalisme verschilt wel van andere vormen van vakbondsstrijd omdat het in de eerste plaats niet erom gaat de relatie van de arbeider tot de werkgever te verbeteren door bijvoorbeeld hogere lonen te eisen. Syndicalisten willen juist hele bedrijven overnemen en veilig stellen dat de produktiemiddelen onderling gelijk verdeeld worden. Belangrijk is ook de decentrale organisatie van de syndicalistische vakbonden.[18] Het belangrijkste middel van de syndicalisten is de ‘directe actie’ zoals de staking in plaats van bijvoorbeeld een parlementaire strijd. Ook niet-syndicalistische anarchisten stonden de directe actie voor, maar ze waren tegen een vakbondsorganisatie.[19] Het syndicalisme stond op zich ook heel dichtbij het radencommunisme; want beiden wilden een vakbondsstrijd, maar wilden juist centrale structuren voorkomen door het vormen van kleine syndicaten of raden. Toch ging het niet om hetzelfde. De radencommunisten beschouwden zich als marxisten en geloofden dus in de marxistische maatschappij-kritiek. ‘Vrijheid’ liett zich volgens hun door maatschappelijke verhoudingen verklaren. De vrije associatie van raden kon in hun ogen niet willekeurig zijn.[20] ‘Vrije overeenkomsten’ op economisch gebied die door ‘libertaire communisten’ zoals anarchisten en syndicalisten gëeist werden waren volgens de radencommunisten ‘in strijd met iedere algemeen-geldende maatschapelijke regeling en [waren] daardoor anti-communistisch’[21]. De anarchisten bekritiseerden echter ook de radencommunisten. De alarmist Piet Koijman beweerde in de jaren ‘30 dat het ‘radencommunisme in het hoogontwikkelde kapitalistische Westen al weer zou zijn overleefd omdat het kapitalisme te gronde gaat aan de overvloed die gecreërd wordt door de enorm ontwikkelde techniek’. Hij pleitte dus voor een individueel ‘neem en eet’-anarchisme in plaats van een georganiseerd radencommunisme.[22] We kunnen concluderen dat er verschillende verwante stromingen waren. Soms zijn de ideologische verschillen heel klein. Maar vaak was dat al voldoende om niet met elkaar samen te werken. De anarchisten vormden ook zelf nooit een één geheel vormende beweging. Soms zien we dit ook terug in hoe ze zich noemden.

In Nederland hoort men vaak het begrip ‘vrij-socialisme’ in plaats van anarchisme. Er waren mensen die zich vrij-socialisten en niet anarchisten noemden, maar er bestaat geen theoretisch verschil. In de bladen die ik geraadpleegd heb werden de twee begrippen door elkaar gebruikt.[23] Ook de begrippen ‘vrije communisten’ of ‘anarcho-communisten’ ben ik een paar keer tegengekomen. Maar ook in dit geval gaat het om een synoniem in theoretisch opzicht.

In praktisch opzicht bestonden er soms wel verschillen. De anarchisten uit het Noorden van Nederland en de lezers van ‘De Vrije Socialist’ noemden zich vaak vrij-socialisten. De stedelijke anarchisten noemden zich gewoon anarchisten. Bij de anarchisten die onder de invloed van Tolstoi stonden hoorde men soms het begrip ‘christen-anarchist’ of ‘anarcho-communist’. Tenslotte waren er de anarchisten die betrokken waren in de syndicalistische beweging, en zij noemden zich vaak ‘anarcho-syndicalisten’. Anarchisten die zich geen syndicalisten noemden hadden niet per se een antisyndicalistische houding.

Deze begripsverwarring heeft daartoe geleid dat ik soms verschillende begrippen door elkaar gebruik. Meestal beperk ik me tot het begrip ‘anarchist’, en soms gebruik ik het begrip dat ook door degene over wie het gaat gebruikt werd.

2.2. De Nederlandse anarchistische beweging voor 1940

Als we naar de literatuur kijken waarin zich bepaalde schrijvers met de Nederlandse anarchisten uiteenzetten valt op dat bijna iedere schrijver sympathiseert met het anarchisme. Anton Constandse die een heleboel boeken over het anarchisme geschreven heeft geldt zelf als een van de belangrijkste Nederlandse anarchisten. Zijn boeken zijn niettemin prachtig dicht op de huid geschreven.[24] Maar ook de meeste andere literatuur die ik geraadpleegd heb werd geschreven door mensen die op de een of andere manier bij het anarchisme betrokken zijn of waren.[25] Ik heb geen diepgaande secundaire literatuur gevonden die antianarchistisch is. Het gevolg is dat de boeken meestal met liefde geschreven zijn, maar soms ontbreekt een beetje de kritische houding die we bijvoorbeeld in de literatuur over het fascisme vinden. Niettemin was deze literatuur heel nuttig. Vervolgens heb ik ook een paar doctoraalscripties geraadpleegd.[26] Omdat het onderwerp heel marginaal is bestaat er onvoldoende gepubliceerde literatuur. Ik heb wel geprobeerd zo min mogelijk op deze scripties terug te grijpen. De net genoemde literatuur en een paar andere boeken hebben me geholpen een weliswaar niet volledig, maar toch een algemeen beeld te schetsen van het anarchisme in Nederland.

Het anarchisme in Nederland heeft een lange traditie. De eerste sectie van de Internationale Arbeiders-Associatie was eerder op de ideeën van Bakoenin dan op Marx gericht. Vervolgens stemden de Nederlanders in Den Haag in 1872 tegen het voorstel van Marx om de anarchisten uit de Internationale te werpen.[27] De traditie van de provinciale zelfstandigheid in plaats van een centraal absolutistisch gezag in Nederland, maar ook de vrijzinnige theologische traditie bij luthersen, doopsgezinden en remonstranten kunnen als verklaring dienen dat Nederland ontvankelijk was voor het anarchisme.[28] In andere landen, zoals in Duitsland, speelde deze ideologie nooit een belangrijke rol. Het Nederlandse anarchisme had daardoor een zeer eigen karakter dat vaak als moraliseerend en ‘domineeachtig’ beschouwd wordt.

Een van deze ‘anarcho-dominee’s’ en zeker de bekendste Nederlandse anarchist was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Hij was niet van het begin af anarchist. Hij was lid van de Sociaal- Democratische Bond, en hij werd de eerste sociaal-democraat in de Tweede Kamer tussen 1888 en 1891, waarvoor hij bekritiseerd werd door ‘oudere’ anarchisten, bijvoorbeeld in de krant ‘De Anarchist’. Pas toen hij uit het parlement stapte koos hij voor het vrije socialisme. In 1898 werd deze keuze definitief door de oprichting van de nieuwe anarchistische krant ‘De Vrije Socialist’. Omdat hij in de arbeidersbeweging veel aanhangers had kozen nu veel arbeiders voor het anarchisme in plaats van een marxistisch socialisme.[29]

Ook in Nederland werd het anarchisme op verschillende manieren geinterpreteerd. Er waren individualistsiche anarchisten zoals Jan Poppe Hommes die alle vormen van organisatie verwierpen. Maar er waren ook anarchisten die vooral in het Noorden ‘Vrije Socialisten Verenigingen’ opgericht hadden. Domela Nieuwenhuis zelf was een tegenstander van een landelijke anarchistische organisatie.[30] Toch bestonden er ook verschillende vormen van georganiseerd anarchisme. Bepaalde bedrijven waren anarchistisch gezind. En daarbij horen eigenlijk ook de eigen anarchistische kranten die een heel belangrijke functie in de beweging innamen. Ze vormden vaak een soort ‘orientatiepunt’ voor de aanhangers van het anarchisme. Ze vertegenwoordigden echter ook verschillende stromingen. Voor de Tweede Wereldoorlog waren er nog vier belangrijke anarchistische kranten: ‘De Arbeider’ uit het Noorden, ‘De Syndicalist’ die zoals zijn naam al verraadt syndicalistisch was, ‘Bevrijding’ die door religieuze anarchisten uitgegeven werd en De Vrije Socialist.

Een zeer belangrijke vorm van georganiseerd anarchisme was de medewerking was anarchisten in politieke of culturele organisaties die op zichzelf niet anarchistisch waren, maar door de invloed van hun leden wel een vrij-socialistische kleur kregen. Dit soort organisaties waren bijvoorbeeld de Internationale Anti-Militaristische Vereniging (IAMV), later het Internationale Anti-Militaristische Bureau (IAMB), de geheelonthoudersbonden ANGOB (Algemene Nederlandse Geheelonthouders Bond) en JGOB (Jongeren Geheelonthouders Bond), de vrijdenkersvereniging ‘De Dageraad’, de vereniging Gemeenschappelijk Grond Bezit (GGB) en natuurlijk de anarcho-syndicalistische vakbeweging, met name eerst het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) en later het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond (NSV).[31]

Maar zoals in alle politieke stromingen speelde de invloed van enkele persoonlijkheden een grote rol. Deze mensen schreven in de anarchistische bladen en vervulden belangrijke functies in de anarchistisch getinte verenigingen. Hun werk vormt nu vaak de belangrijkste historische bron. In het begin van deze eeuw waren naast Domela Nieuwenhuis ook een paar andere personen heel belangrijk. Christiaan Cornelissen bijvoorbeeld is een naam die vrij vaak verschijnt. Hij speelde een belangrijke rol bij de oprichting van het NAS in 1893. Hij noemde zich zelf nooit anarchist, maar gewoon ‘syndicalist’ of ‘libertaire communist’.[32] Het NAS zelf was ook niet openlijk anarchistisch, maar vertegenwoordigde tot de jaren ‘20 het standpunt van de syndicalistische vakbondsstrijd. Ook in de structuur kunnen we de anarchistische beginselen terugzien, want het NAS was min of meer federalistisch en op lokaal niveau georganiseerd in Plaatselijke Arbeids Secretariaten. Het vormde een alternatief voor de sociaaldemocratische vakbonden, maar ook voor de arbeidsstrijd van de communisten. Het NAS hoorde vervolgens tot de groeperingen die in 1913 poogden een internationale organisatie van het revolutionaire syndicalisme op te richten. Cornelissen werd een belangrijke redacteur van hun bulletin. Na de oorlog, in 1922, zou hieruit de Internationale Arbeiders-Associatie ontstaan waaraan het NAS zelf niet wilde meewerken.[33] Veel anarchisten stonden echter niet achter de vakbondsstrijd omdat het een reformistisch karakter had en omdat bepaalde mensen betaald werden. Veel anarchisten pleitten voor de autonome strijd. Andere vormden eigen bedrijven. Dit waren vaak landbouwkoloniën, maar ook drukkerijen en kleine fabrieken. Deze mensen waren vaak leden van de in 1901 door Frederik van Eeden opgerichtte vereniging Gemeenschappelijk Grond Bezit (GGB). De gedachte erachter was het ideaal van zelfbeheer. Maar de pogingen van anarchistische ondernemers om een alternatieve economie op te richten werden vaak in eigen kring tegengehouden. Domela Nieuwenhuis zelf noemde het ‘een socialistisch ei in een kapitalistisch nest’. De meeste anarchistische bedrijven slaagden er niet in te overleven.[34] Vanaf 1925 verloor de vereniging steeds meer leden. En vooral de crisis van de jaren ‘30 betekende het einde van veel kleine bedrijven.[35]

Drie elementen van het Nederlandse anarchisme waren belangrijk voor de deelname aan bepaalde organisaties. Ten eerste waren eigenlijk alle anarchisten antimilitaristen, ten tweede waren veel anarchisten atheïsten, en ten derde was menig anarchist geheelonthouder. Het antimilitarisme kwam op verschillende manieren tot uitdrukking. Eén manier was de dienstweigering. Bijna elke anarchist die in mijn scriptie verschijnt was ooit dienstweigeraar. Al in 1901 begonnen op Tolstoi geöriënteerde christen-anarchisten op te roepen tot dienstweigering. Ook Domela Nieuwenhuis en de anarchistische dominee N.J.C. Schermerhorn stonden achter deze oproep.[36]

De twee laatstgenoemden stonden ook achter de belangrijkste anarchistisch beinvloede antimilitaristische organisatie IAMV. Deze vereniging werd in 1904 in Amsterdam opgericht tijdens een conferentie van verschillende antimilitaristen uit heel Europa. Maar ze bleef vooral in Nederland actief. Activiteit betekende vooral agitatie met het eigen blad ‘De Wapens neder’. Binnen de IAMV bestond altijd de discussie of men ook met geweldzame middelen tegen het militarisme strijden zou.[37]

Een van de bekendste theoretici van het anarchistische antimilitarisme was Bart de Ligt. Hij had theologie gestudeerd, maar had zich ook met socialistische theorien bezig gehouden. Rond 1910 begon hij te publiceren, en tijdens de Eerste Wereldoorlog koos hij voor het anarchisme.[38] Hij hoorde tot de zogenaamde christen-anarchisten. Christen-anarchisten streefden een puur en gezond leven na. Ze organiseerden zich eerst in de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten, en vanaf 1931 in de Bond van Anarcho-Socialisten.[39] Een andere belangrijke christen-anarchiste was Clara Meijer Wichman. Zij streed onder andere voor een verandering in het strafrecht. In een van haar publicaties eiste zij de vervanging van de doelstraf door een moderne pedagogiek.[40]

Het lijkt vreemd dat er christelijke anarchisten waren, want veel anarchistische theoretici pleitten, zoals de marxisten, voor het atheïsme. Maar voor allen was het grootste kwaad de kerk, ook voor christen-anarchisten. In de kerk zag men een van de onderdrukkers van de arbeiders. Om die reden deden sommige anarchisten ook in de vrijdenkersbeweging mee. Toen de sociaal democraten hun radicale houding introkken, begonnen anarchisten een belangrijke rol te vervullen in de vrijdenkersvereniging De Dageraad, die al in 1856 opgericht werd en het blad ‘De Vrijdenker’ uitgaf. Zij hielpen onder andere mee mensen bij de kerken uit te schrijven. Maar gingen ook openbare debatten aan met bijvoorbeeld dominees. Een goed gebekte jonge anarchist die op die manier in het begin van de jaren ‘20 bekendheid in de beweging kreeg was Anton Constandse.[41] Opmerkelijk is ook dat de meeste anarchisten nooit in de kerk, maar ook niet voor de wet trouwden. Ze gingen vaak vrije huwelijken aan.

Een belangrijk onderdeel van de anarchistische strijd was ook de strijd tegen het alcoholmisbruik. Het feit dat veel arbeiders hun karige loon vaak in de kroegen van hun bazen wegzopen maakte de antikapitalisten kwaad. Anarchisten die voor de ‘goed opgeleide arbeider’ vochten waren niet blij met zoveel alcoholmisbruik. Daarom werden er alternatieven gezocht. Al in 1897 richtten een paar christen-anarchisten de ANGOB op, die tot op de dag van vandaag bestaat. Hierin, en ook in de jongerenbond, zouden anarchisten altijd een belangrijke rol spelen. Het gezellige aspect van de kroegen werd door het oprichten van koffiehuizen bewaard.[42] Maar niet alle anarchisten volgden de leuze van Domela Nieuwenhuis, ‘Denkende arbeiders drinken niet, drinkende arbeiders denken niet’, op.

Zoals we gezien hebben was de rol van Domela Nieuwenhuis heel belangrijk. Maar zijn dood in 1919 betekende niet het einde van de anarchistische beweging. In tegendeel, er vond in de jaren ‘20 een bloei van de beweging plaats. Ik noem het bloei om twee redenen. In de eerste plaats bereikte de antimilitaristische beweging waarin de anarchisten grote invloed uitoefenden een hoogepunt in die tijd. Ten tweede vond er een vernieuwing binnen de beweging plaats, omdat er een nieuwe generatie van anarchisten op het toneel verscheen. Deze generatie zal het belangrijkste deel uitmaken van mijn scriptie. Maar eerst wil ik op de antimilitaristische beweging ingaan.

Rond de Eerste Wereldoorlog groeide de belangstelling voor het antimilitarisme. In 1920 werd naast het IAMV ook het Internationale Anti-Militaristische Bureau (IAMB) opgericht dat zoals de IAMV in mindere mate internationaal, maar vooral Nederlands was.[43] Het orgaan van de IAMV ‘De Wapens Neder’ had toen een oplage van 30.000 stuks. Er waren meer dienstweigeraars en protesten tegen het militarisme werden steeds heviger. Een hoogtepunt was de hongerstaking van de anarchist Herman Groenendaal die wegens dienstweigering gevangen zat. Duizenden gingen de straat op en in meerdere bedrijven werd gestaakt. De ‘Groenendaal-zomer’ waarin overigens niet alleen anarchistische antimilitaristen betrokken waren had tot gevolg dat de regering een nieuw artikel in de grondwet plaatste: Dienstweigering op grond van religieuze of ethische redenen werd een recht. [44] Maar in plaats van de militaire dienst moest men een vervangende burgerdienst doen die een jaar langer duurde. Voor veel weigeraars was dit geen alternatief, maar ‘een compromis met de staat’.[45]

Via de Groenendaalzomer komen we tot het tweede onderwerp van deze anarchistische bloei, namelijk de nieuwe jongerenbewegingen. Voor een paar jonge anarchisten gingen de demonstraties niet ver genoeg. Ze wilden een ‘echt anarchisme van de daad’. Om die reden pleegden een paar jongeren een bomaanslag op het huis van een lid van de krijgsraad in Den Haag. Niemand raakte gewond, maar veel antimilitaristen waren geschokt. Groenendaal zelf stopte de voedselweigering en de meeste organisaties veroordeelden de actie. Eén groep bleef de radicale jongeren steunen, namelijk de Sociaal-Anarchistische Jongeren-Organisatie (SAJO).[46] Leden van de SAJO hadden al zelf een paar niet geslaagde aanslagen gepleegd zoals op de beurs in Amsterdam.[47]

Piet Kooijman, Leen van der Linde en Eekhof moesten voor de bomaanslag in Den Haag het gevangenis in, Jo de Haas werd vrij gesproken wegens gebrek aan bewijs. De jongeren die achter hen stonden vormden de zogenaamde groep der alarmisten en gaven het blad ‘Alarm’ uit. De naam was afkomstig van de anarchistische guerillagroep in de Oekraïne van Nestor Machno die zich ‘Nabat: Alarm’ noemde. Belangrijke schrijvers van dit radicale blad waren Constandse en Jo de Haas, maar ook Kooijman en van der Linde, die brieven uit het gevangenis stuurden. De alarmisten waren fel tegen enige vorm van vakbondsorganisatie, en waren dus ook antisyndicalistisch. Maar ze vertegenwoordigden ook ‘traditionele’ anarchistische gedachten zoals antimonarchisme, atheïsme en antikolonialisme. Naast politiek was er ook ruimte voor kunst en literatuur die in de jaren ‘20 belangrijk was. In dit kader verschenen ook artikelen over Dada en Bert Brecht, maar ook gedichten van Theo van Doesburg, Jacq. Krul en anderen. De eerste ‘Alarm-golf’ vond tussen 1922 en 1926 plaats. Daarna verscheen het blad ‘Opstand’ waarin ook niet anarchistische revolutionaire socialisten meededen. Dit blad dat zich met gelijke onderwerpen bezig hield veranderde later van naam en heette toen ‘Recht voor allen’ zoals het eerste blad van Domela Nieuwenhuis. ‘Alarm’ verscheen nog in twee golven, namelijk tussen 1932 en ‘33 en van 1937 tot 1939. Kooijman, die sinds 1928 op vrije voet was, speelde daarin een belangrijke rol.[48]

Hij pleitte voor het ‘Neem en eet’-recht. In plaats van de vakbondstrijd zou men onder andere met dit middel strijden. Dit betekende dat men voor het eigendom geen eerbeid zou hebben en gewoon moest nemen wat men nodig had. Alleen het bezit van medeproletariërs zou ongemoeid worden gelaten. Nog een stap verder ging Kooijman rond 1935 toen hij ook kritiek op het proletariaat uitoefende. Hij vond dat een groot deel van het proletariaat belang had in het bestaan van een kapitalistisch systeem. De nieuwe revolutionairen waren volgens hem de ‘gedeclasseerden’ onder wie zich ook de massa’s van werklozen bevonden.[49]

Naast de alarmisten waren er ook nog de ‘mokers’, die ook een eigen blad uitgaven. Ook zij waren jongeren die het anarchisme op een vernieuwende manier benaderden. Herman Schuurman verklaarde de leuze ‘werken is misdaad’. Ook hij pleitte voor ‘het nemen naar behoeften’.[50] ‘Werken’ zou door ‘scheppen’ vervangen worden.[51] Mokerjongeren werkten vaak voor korte tijd, dan gingen ze op reis, studeerden en voerden acties in de beweging. Men sprak Esperanto en communiceerde op die manier met geestverwanten uit het buitenland.[52]

Deze jongeren waren ook verantwoordelijk voor de organisatie van de ‘Pinksterlanddagen’. Vanaf 1924 werden zogenaamde pinksterenmobilisaties gehouden.[53] Anarchisten uit de hele wereld, maar vooral uit Nederland, kwamen samen. Dit gebeurde op verschillende plekken. Soms werden deze ontmoetingen door de overheid verstoord. Daarom kochten een paar Noordelijke anarchisten een stukje grond bij het Friese Appelscha. Op die manier ontstond het ‘antimilitaristische, drugs- en alcoholvrije, vrij-socialistische kampeerterrain tot vrijheidsbezinning’. Sinds 1934 worden daar de Pinksterlanddagen gehouden.[54]

De jaren ‘20 betekenden voor het Nederlandse anarchisme een voorlopig laatste opleving. In het begin van de jaren ‘30 waren echter veel organisaties verdwenen. Andere leden aan ledenverlies. De syndicalistische beweging beleefde geen echte groei. Anders als de syndicalistische vakbonden in Spanje en Zweden die behoorlijk groot waren bleven de Nederlandse syndicalisten en hun organisatie vrij klein. Graf en Nelles noemden ze zelfs ‘Propagandavereinigungen’.[55] Het NAS kwam steeds meer in marxistisch vaarwater. De syndicalisten in het NAS vonden dat ‘kommunisten [...] een vijandige sfeer’ lieten ontstaan en splitsten zich vervolgens af. Op 24 juni 1923 vormden ze het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond die zich aansloot bij de IAA.[56] Het NSV was duidelijk anarcho-syndicalistisch. Men werkte samen met andere anarchistische groeperingen. Aan het eind van de jaren ‘20 toen zich het NAS tegen de Sovjetunie richtte vonden fusiebesprekingen plaats. Maar de parlametaire houding van het NAS weerhield het NSV van een samenwerking.[57] De revolutioniare socialist en Trotzkist Henk Sneevliet, de nieuwe leider van het NAS, werd een bekende links-radicale parlementariër. Maar hoewel beide organisaties in de jaren ‘30 een groot ledenverlies meemaakten, zouden ze niet meer samengaan.

Ook andere organisaties zoals de IAMV, de ANGOB en de JGOB verloren steeds meer aanhangers. Maar er was ook een vrij nieuw onderwerp dat anarchisten in een nieuwe organisatie liet deelnemen. De Oostenrijkse psycholoog Wilhelm Reich beweerde dat de onderdrukking van de arbeidersklasse samenhing met de onderdrukking van de sexualiteit. Er vonden ook in anarchistische kring, vooral in de religieus getinte krant Bevrijding, grote discussies plaats over sexualiteit. Bepaalde jongeren brachten de ‘vrije liefde’ zelfs in de praktijk. Andere anarchisten zoals Gé Nabrink werden actief in de Nieuw-Malthusiaanse Bond.[58] In 1939 was de Nederlandse anarchistische beweging echter bijna helemaal uit elkaar gevallen. De Spaanse burgeroorlog wordt vaak als hoogtepunt van deze ontwikkeling beschouwd. Tussen 1936 en 1939 vond een verschrikkelijke burgeroorlog op het Iberische schiereiland plaats. De rechtsconservatieve hoge militairen die een opstand begonnen tegen de regering wisten al gauw verschillende linkse volkslegers tegenover zich. Onder deze volkslegers bevonden zich ook anarchistische groeperingen. En voor het eerst maakten anarcho-syndicalisten deel uit van een regering. Maar de overwinning van de rechtse opstandelingen, waarbij generaal Franco een belangrijke rol speelde, was in 1939 een feit geworden. De vijanden van de anarchisten waren ondertussen niet alleen de door Mussolini en Hitler gesteunde rechtse militairen geworden, maar ook de op de stalinistische Sovjetunie gerichte communistische groeperingen. Toen Franco in 1939 aan de macht kwam bleef alleen de herinnering over aan anarchistische maatschappelijke experimenten die nooit meer in dezelfde grote zijn herhaald.[59]

Opmerkelijk is dat veel niet-Spaanse communisten, anarchisten en anderen als vrijwilliger naar Spanje gingen om mee te vechten. Ook in Nederland waren er zogenaamde spaanjestrijders. Maar er vond ook een theoretischere discussie over Spanje plaats. De vraag was: hoe zou men de Spaanse geestverwanten kunnen steunen? En omdat het antimilitarisme een sterk kenmerkend element van de Nederlandse anarchisten was vroeg men zich af: kunnen we anarchistische geweld in een noodgeval als de burgeroorlog in Spanje goedkeuren?

Drie principiele houdingen waren het resultaat. Ten eerste was er de totale afkeuring van elk vorm van geweld, die door enkele mensen als Jo de Haas en vooral religieus getinte anarchisten nagestreefd werd. Ten tweede was er de principiele afkeuring van geweld, maar de goedkeuring van morele en soms ook financiele steun aan Spaanse geestverwanten, die door een groot aantal anarchisten en ook door het IAMB vertegenwoordigd werd. En tenslotte was er de goedkeuring van het gebruik van geweld in een noodgeval, de houding die de syndicalisten voorstonden.[60] Een paar Nederlandse anarchisten reisden naar Spanje. Maar steunbetuiging gebeurde vooral met het sturen van voedsel en geld. Een manier waarvan men gebruik maakte was de in 1927 door syndicalisten opgerichte Fonds voor Internationale Solidariteit (FIS) waarmee anarchisten de mogelijkheid hadden geestverwanten die slachtoffers van fascisme en terreur geworden waren te steunen.[61] Het NSV deed eerst ook mee in het komitee ‘Rood Spanje’ waarin ook het NAS en Sneevliet’s Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij meededen. Maar in 1937 stapten de syndicalisten er uit en vormden het komitee ‘Helpt Spanje’ dat later vooral vluchtelingen zou helpen. De syndicalisten bleven wel kritisch tegenover de gebeurtenissen in Spanje. De anarchosyndicalist Albert de Jong bekritiseerde de soms inkonsequente houding van de Spaanse anarchisten.[62]

De verdeeldheid van de Nederlandse anarchistische beweging die al voor de Spaanse burgeroorlog bestond werd door deze kwestie nog versterkt. Het gevolg was dat het anarchisme in Nederland volgens menige historici ‘de Spaanse burgeroorlog niet overleefd[e]’[63]. Ook de poging van Anton Constandse om de versplinterde groepen bij elkaar te brengen lukte niet. In 1938 richtte hij de Federatie van Anarchisten in Nederland op. Maar gefrusteerd trok hij zich daarna terug.[64]

De redenen voor de achteruitgang van de beweging moeten we niet alleen bij de anarchisten zelf zoeken. Zeker ontbrak de wil om traditionele grensen te doorbreken stappen en bepaalde dogma’s te overstijgen. Toch waren er ook structurele tendenzen die tot deze situatie geleid hadden. De economische crisis en het einde van de ‘roaring twenties’ leidde ertoe dat het ‘wilde’ anarchisme minder aantrekkelijk werd. Tegelijkertijd begon de overheid repressiever te worden. In 1933 kwam het zogenaamde ambtenarenverbod. Overheidspersoneel mocht niet meer lid zijn van een als politiek extreem bekendstaande vereniging. Daartoe behoorde bijvoorbeeld het NSV. Later volgde een sterke perscensuur. En het politieoptreden tegen anarchisten nam toe.[65] Er vond dus een ontwikkeling plaats die door de discussie rond de Spaanse burgeroorlog slechts nog versterkt werd. We kunnen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zien als eindpunt van een oorspronkelijk vrij grote sociale beweging, maar ik zou deze scriptie niet kunnen schrijven als het echt het einde van de anarchistische geschiedenis betekende. Vele anarchisten gingen tijdens de Tweede Wereldoorlog door. Dit gebeurde op heel veel verschillende manieren, en daarover gaat het tweede en het derde deel van deze scriptie.


2.3. De Tweede Wereldoorlog

Historiografie van de Tweede Wereldoorlog in Nederland was voor een lange tijd bijna synoniem met het werk van Louis de Jong en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Volgens enkele historici had dit twee kanten. Aan de ene kant had het RIOD al vroeg de mogelijkheid om documenten te verzamelen en inzicht te krijgen, terwijl in andere landen archieven vaak nog gesloten bleven. Aan de andere kant vond er een soort ‘verpersoonlijking’ van de geschiedenis plaats die tot in de jaren ‘80 een ‘verlammende werking’ op andere historici had.[66] Toch bestaat er nu een redelijk omvangrijke literatuur over de Tweede Wereldoorlog.

Het is heel belangrijk verschillende historici te raadpleggen, want Louis de Jong is met bepaalde onderwerpen vrij oppervlakkig omgegaan. Een goed voorbeeld daarvan is het anarchisme. Hij geeft een weinig genuanceerd beeld van de verschillende stromingen binnen het anarchisme.

Syndicalisten, aanhangers van De Vrije Socialist en anderen worden allemaal als dezelfde soort anarchisten gezien. Dat er na de Eerste Wereldoorlog een soort bloei plaats gevonden had ontkende hij helemaal.[67] Maar we kunnen niet om het indrukwekkende werk van Louis de Jong heen als het erom gaat de oorlog in grote lijnen te beschrijven.

Toen Duitsland in september 1939 Polen binnenviel was Nederland neutraal.[68] Men was bang dat de Duitsers zouden binnenvallen, maar er was ook nog de hoop dat Nederland, zoals in de Eerste Wereldoorlog, niet betrokken zou raaken in de oorlog. Toen het Duitse leger op 10 mei 1940 het land binnenviel waren veel mensen verrast.[69]

Meteen werden veel mensen die de staat gevaarlijk achtte geïnterneerd. Het ging vooral om Nederlandse nazi’s, maar ook om Duitsers en linkse actievoerders onder wie ook communisten en anarchisten.[70] Maar het bleek al snel dat Nederland geen kans had deze oorlog te winnen. De koningin en het kabinet vluchtten naar Engeland waar ze gedurende de bezetting bleven. Op 14 mei capituleerde generaal Winkelman.[71] In Zeeland duurde de strijd nog tot 18 mei. Daarna was geheel Nederland door de Duitsers bezet.[72]

Nederland kwam onder Duits bestuur met aan het hoofd de Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart. Hij had de opdracht om Nederland voorzichtig in nationaal-socialistische richting te sturen.[73] Duitse veiligheiddiensten werden naar Nederland gebracht. Zo bestonden er naast de Nederlandse politie ook Duitse organen zoals de SD.[74] Belangrijke instellingen, zoals vakbonden, werden onder Duitse controle gesteld en langzamerhand met de nazi-ideologie gelijkgeschakeld. Sommige belangrijke posities belandden de handen van NSB’ers, maar de absolute macht bleef in Duitse handen. De Nederlandse fascistische bewegingen probeerden meer macht te krijgen. Mussert wilde eigenlijk een soort ‘Mussolini van Nederland’ worden. Daar slaagte hij niet in. De NSB, het Nationaal Front en de verschillende NSNAPen waren te klein en te weinig populair onder de Nederlandse bevolking om door de Duitsers echt serieus genomen te worden. Maar ook de Nederlandse Unie, een rechtse, maar niet per sé fascistische vereniging, die in heel korte tijd tot de grootste Nederlandse partij ooit was gegroeid, groeide niet tot een macht in de ‘Nieuwe Orde’. Ze werd later zelfs verboden.[75]

Met het Duitse bestuur kwam ook de grootschalige jodenvervolging naar Nederland. De nazi’s begonnen hun gruwelijke plannen ook in Nederland uit te voeren. Eerst werden joden uit belangrijke functies en van universiteiten verwijderd. Daarna werden ze tot bepaalde plekken zoals bioscopen niet meer toegelaten. En uiteindelijk werden ze helemaal gesegregeerd van de rest van de bevolking. Een groot deel van de joodse bevolking moest in de zogenaamde ‘jodenhoek’ van Amsterdam gaan wonen.[76]

In 1941 ging de nazificatie van Nederland door. Bepaalde Nederlanders werden gedwongen tot bepaalde nazi-organisaties toe te treden. Kunstenaars moesten bijvoorbeeld lid van de Kultuurkamer werden.[77] Mensen die niet wilden meewerken worden in de illegaliteit gedrongen. Veel Nederlanders weigerden bijvoorbeeld aan de ‘Arbeitseinsatz’ mee te doen. De arbeidsinzet was een middel om de Duitse mannelijke arbeidskracht die door de oorlog verloren ging te vervangen. Krijgsgevangenen en werklozen uit de bezette gebieden werden gedwongen in Duitsland te werken. [78]

De grootste slachtoffers van de bezetting waren echter de joden. Vanaf lente ‘42 begonnen de deportaties van joden naar ‘werkkampen’ zoals het kamp in Westerbork. Meestal betekende dit de dood in een van de vernietigingskampen. De joden die achterbleven moesten zich aan de Neurenberger wetten houden die ook in 1942 in Nederland ingevoerd werden. Huwelijken tussen joden en niet-joden werden verboden. Kort daarna moesten joden ook in Nederland de ‘jodenster’ dragen.[79] In juli ‘42 begonnen de deportaties naar Duitsland.[80] Een jaar later was bijna de hele joodse Nederlandse bevolking weggevoerd.[81] Vergeleken met andere Westeuropeese landen waren er in Nederland procentueel de meeste joodse slachtoffers. Meer dan 100000 joden werden door het regime vermoord.[82]

De oorlog duurde nog steeds voort. In juni 1941 begon de Duitse aanval op de Sovjetunie.[83] Deze opmars werd in het begin ‘43 gestuit toen Duitsland capituleerde in Stalingrad.[84] Nu was er hoop dat Nederland bevrijd zou worden. Op 6 juni 1944 begon de invasie in de Normandie. En in de herfst werd het Zuiden van Nederland door de geallieerde strijdkrachten bevrijd. Op 5 september geloofden veel mensen dat Nederland bijna bevrijd was. De bezetters verklaarden de ‘Ausnahmezustand’, de staat van beleg. NSB’ers begonnen naar Duitsland te vluchten. Maar na de zogenaamde ‘Dolle Dinsdag’ gebeurde in het Noorden van het land weinig meer.[85] De geallieerden kwamen nog niet naar het Noorden.

Een gruwelijke winter volgde. Deze zogenaamde ‘hongerwinter’ werd onder andere veroorzaakt door een gigantische roof van voedsel en andere dingen van levensbelang door de Duitsers.[86] Pas in februari ‘45 begon een nieuw geallieerd offensief dat in mei ‘45 tot de bevrijding van heel Nederland leidde.[87] Vijf jaar bezetting en fascistische dictatuur waren geeindigd.

Gedurende deze bezetting vinden we het fenomeen van de collaboratie en het verzet. Omdat beiden vrij gevoelige onderwerpen zijn waren ze vaak het object van historische controversen. Belangen van bepaalde politici, nationalisme, slechte geweten of trauma’s en frustratie over vernederingen tijdens de bezetting zijn een aantal elementen die ertoe geleid hebben dat in veel landen een soort verzetsmythe ontstond. Bijna alle door de Duitsers bezette landen bleken na de oorlog ineens‘naties van verzetsstrijders’ te zijn. Door historisch onderzoek zijn deze mythen een beetje gerelativeerd. Hier valt ook op te merken dat het verzet in de Nederlandse historiografie altijd meer aandacht heeft gekregen dan collaboratie.[88] Dit ligt er zeker aan dat het veel gevoeliger lag dan verzet. Opvallend in de Nederlandse geschiedschrijving is de ‘goed’-’fout’-scheidslijn. Sinds de jaren ‘50 betekende ‘goed’ meestaal ‘verzet’ en ‘fout’ ‘collaboratie’. Buiten Nederland werd meestal genuanceerder geoordeeld, vooral in de beoordeling van verzet. Ook in Nederland heeft men verzet niet altijd als per se ‘goed’ beschouwd.[89] Toch is de fout-goed-typering nog steeds aanwezig. Ze heeft in het moderne taalgebruik wel een andere betekenis gekregen. Maar ze blijft een heel simpele typering.

De vraag wanneer men van verzet en collaboratie kan spreken ligt moeilijk. Gerhard Hirschfeld, die een studie heeft gedaan naar collaboratie in Nederland, probeert het begrip minder waarderend te gebruiken. Hij maakt ook geen verschil tussen verschillende achtergronden van de collaborateurs. Hij beschouwt echter het attentisme, de aangepast afwachtende houding als iets anders dan collaboratie, namelijk een soort eerste reactie op de bezetting.[90] Ik vraag me echter af of we dit onderwerp kunnen beschouwen zonder een waardeoordeel te geven.

Collaboratie komt neer op elke vorm van actieve samenwerking met de Duitse bezetter. We moeten verschillende vormen van collaboratie onderscheiden. Maar het begrip op zich betekent een actieve positieve houding tegenover de bezetter.

De sterkste vorm van collaboratie was eigenlijk de hulp die de NSB aan de nazi’s verleende. Maar in mindere mate collaboreerden heel veel mensen en instellingen met de bezettingsmacht. Vanaf 1944 werkte bijvoorbeeld de helft van de bedrijven voor Duitse opdrachtgevers. Ook het gebruik van het Nederlandse overheidsapparaat en de politie werd meestal niet tegengehouden. Ook bepaalde kranten bleven verschijnen.[91] Maar eigenlijk blijft het heel moeilijk te bepalen wanneer de medewerking met de Duitsers ‘collaboratie’ genoemd kan worden. Soms gebeurde het om economische redenen, soms onder dwang. Vaak was de enige mogelijkheid om niet te collaboreren rechtstreeks naar de andere kant over te lopen.

Met de andere kant bedoel ik het verzet. Hierin gaat het in de eerste plaats om een actieve negatieve houding tegenover de Duitse bezetter. Maar net zoals met collaboratie is het ook in dit geval niet helemaal duidelijk wanneer we van verzet spreken kunnen. Kunnen we al van verzet spreken als iemand een illegale krant leest? In dit geval zou Nederland waarschijnlijk echt een ‘natie van verzetsstrijders’ geweest zijn. In nieuw onderzoek wordt daarentegen juist beweert dat Nederland, in vergelijking met andere landen zoals België en Frankrijk, een verzet van een geringe omvang had.[92] Als we verzet met grotere activiteiten, zoals sabotage, het uitgeven van illegale kranten, spionage en stakingen associeren dan is er geen sprake meer van de ‘verzetsnatie Nederland’. We moeten dus ook hier verschillende vormen onderscheiden.

In het algemeen vond een soort geestelijk verzet plaats. Een merderheid van de Nederlandse bevolking accepteerde de Duitse overheid niet. Slechts 150000 mensen op een bevolking van 8 miljoen waren lid van de NSB geworden.[93] Er vond vervolgens een soort alledaags verzet plaats.

De mensen lazen illegale kranten, luisterden naar de verboden Engelse of Nederlandse radio die vanuit Londen uitgezonden werd, weigerden lid te worden of gaven hun lidmaatschap op in verenigingen die onder Duitse controle kwamen.[94] Het lezen van verzetsbladen en het luisteren naar anti-nazi-radio was illegaal, maar werd niet zo heftig gestrafd, andere illegale activiteiten wel. Deze activiteiten waren bijvoorbeeld het uitgeven van illegale kranten. In 1941 werden er 57000 en in het eind van 1943 meer dan 450000 kranten uitgegeven.[95] Er waren ongeveer 1200 verschillende publicaties. Belangrijke kranten waren Het Parool, Vrij Nederland, De Waarheid, Trouw, De Vonk en Je Maintiendrai. Elke krant vertegenwoordigde een bepaalde politieke richting en vaak een bepaalde maatschappelijke zuil. De Waarheid was communistisch, De Vonk pacifistisch-socialistisch en Het Parool was sociaal-democratisch gekleurd. Trouw was protestants, en Je Maintiendrai was ook konservatief en een soort ondergrondse voortzetting van de Nederlandse Unie. Vrij Nederland was waarschijnlijk de belangrijkste ondergrondse krant. Deze was vrij nationalistisch, maar kwam in de loop van de oorlog steeds dichterbij Het Parool.[96] Veel steun in de bevolking hadden ook de verschillende stakingen. Op 25 en 26 februari 1941 waren er grote stakingen in Amsterdam, Haarlem, Zaandam, Weesp en Utrecht die een reactie waren op de eerste anti-joodse acties van de bezettingsmacht. De bezetters braken de stakingen met veel geweld. [97] De staking werd vaak als spontaan gezien, maar was wel gepropageerd door een aantal communistische en links-socialistische kranten en verzetsgroepen. Meerdere scholen staakten in november 1940 tegen de ontslag van joodse leraren. De volgende grote staking vond in meerdere steden plaats, maar niet in Amsterdam. Eind april en begin mei 1943 staakten de mensen als reactie op maatregelen waarin bepaald werd dat Nederlandse ex-soldaten naar Duitsland gedeporteerd zouden worden. Ook dit keer vochten de Duitsers met geweld tegen de stakende boeren en arbeiders. Honderden overleden of raakten gewond. De Duitsers lieten hun plannen varen. De derde grote staking werd door de Nederlandse overheid in ballingschap gëeist. Tussen 17 september 1944 en 5 mei 1945 vond de spoorwegstaking plaats die de bevrijding ondersteunen zou. Maar de treurige effect was dat de Duitsers als reactie voedsel aan de bevolking onthielden. 35000 mensen overleden aan honger.[98]

Een andere vorm van verzet was de hulp aan onderduikers. Onderduikers waren eerst vooral joden, ex-militairen en radicale politieke actievoerders. Later kwamen er meer mensen bij toen de Duitsers met hun verplichte ‘Arbeitseinsatz’ begonnen. In 1945 waren 550000 mensen ondergronds. De illegale Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO) probeerde het ondergrondse leven te coordineren. Hulp voor hen kwam van de Landelijke Knokploegen (LKP) die distributiekantoren kraakten en op die manier voedselbonkaarten bezorgden.[99] Naast de LKP’s waren er ook andere groeperingen die niet voor gewelddadige actie terugdeinsden. Sommige NSB’ers en Duitsers werden door deze groepen geliquideerd. De reactie van de bezetter waren de zogenaamde ‘Silbertannenmorde’. Na elke aanslag of moord op Duitsers en NSB’ers werden een of meerdere ‘anti-Duitse Nederlander’ vermoord.[100] Toch ging men door met verzet.

De Orde Dienst (OD) was een rechtse groepering die een kapitalistische continuiteit na de oorlog wilde veiligstellen. Ze waren dus anti-nationaal-socialistisch en anti-socialistisch. Velen van hen werden lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) die meehielpen met de bevrijding door de geallieerden.[101] Na de bevrijding waren deze twee groeperingen vaak verantwoordelijk voor de afrekening met collaborateurs en Duitsers.

Er waren ook spionagegroeperingen.[102] En toen de bevrijding naderde begonnen veel mensen zoals politieagenten en ambtenaren met het verzet samen te werken. En toch was de grote meerderheid van de bevolking eerder passief dan actief te noemen.

Eigenlijk valt er nog veel meer te zeggen over de oorlogsgeschiedenis. Ik zal dus in de loop van de volgende twee delen van deze scriptie op een paar elementen van de oorlogsgeschiedenis nog iets dieper ingaan.


3. Het Nederlandse anarchisme tijdens de Tweede Wereldoorlog

De literatuur, die ik in dit hoofdstuk heb geraadplegd, verschilt niet echt van de literatuur uit het eerste deel van mijn scriptie. Een boek over Nederlandse anarchisten tijdens de Tweede Wereldoorlog heb ik nergens kunnen vinden. Een soortgelijk boek over Duitse anarchisten en syndicalisten kwam een paar maanden geleden uit. Het onderwerp is dus eigenlijk nog vrij slecht onderzocht. Belangrijke aanvullingen vond ik in een aantal biografiën en het bronnenmateriaal. Het primaire bronnenmateriaal is vooral afkomstig uit het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en in mindere mate uit het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Toen Nederland in mei 1940 door de Duitsers bezet werd was er geen belangstelling meer voor het anarchisme. De bezettingsmacht bleek zich niet druk te hebben gemaakt over de paar Nederlandse anarchisten die er nog waren. Zoals we later zullen zien waren er wel fascistische groeperingen die belangstelling voor het anarchisme hadden. En in 1943 was er opeens ook belangstelling van de nationaal-socialistische overheid.

Op 24 januari 1943 schreef de SS-Hauptscharführer van de Aussenstelle Amsterdam een bericht aan de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD für die besetzten niederländischen Gebiete in Den Haag waarin hij verslag deed over ‘die Entwicklung der Anarcho-Syndikalistischen Bewegung in den Niederlanden’. Hij begon zijn verslag over de ‘Sozialist und idealistischen Weltverbesserer’ Domela Nieuwenhuis die volgens hem ‘nach und nach isoliert’ werd en ‘seine Bewegung’ aan ‘politischen Extremisten und Abenteurern’ kwijt raakte. Nadat beschrijft hij verschillende stromingen in de beweging en bepaalde ‘Personenkreise’. In deze kringen waren de ‘eigentlichen Köpfe und massgebende Mitarbeiter’ van de beweging vertegenwoordigd. Volgens hem bestond er een kring rond Gerard Rijnders waartoe ook Jo de Haas hoorde, een kring rond Anton Constandse, een kring rond Henk Eikeboom en een kring rond Albert de Jong. Hij beweerde dat er geen aanknopingspunten voor de bewering waren dat deze kringen zich met illegaal werk bezig hielden. Desondanks kon hij zich voorstellen dat enkele anarchisten binnen andere verzetsorganisaties actief waren. Of er ‘anarchistische sabotagegruppen usw.’ was hem niet bekend.[103]

Ik zal in dit deel van mijn scriptie onderzoeken of de SD gelijk had. Maar de vier beschreven kringen zullen niet de kern van mijn onderzoek vormen omdat het in dit geval om een zeer simpele schets van de anarchistische beweging ging. Toch zullen we dezelfde ‘belangrijke’ personen tegenkomen en soms zelfs dezelfde ‘kringen’. Er waren echter nog andere belangrijke mensen en groeperingen die anarchistisch of in zekere mate anarchistisch getint waren.

Ik wil me niet alleen op het potentiele of daadwerkelijke verzet beperken, maar ook kijken naar mensen die ofwel gedwongen ofwel vrijwillig niet in verzet kwamen de bezetter waren. Sterke vormen van collaboratie met de Duitsers zullen in dit deel niet aan de orde komen. Over de merkwaardige verhouding tussen het fascisme en het anarchisme schrijf ik pas in een het laatste deel. Specifieke voorbeelden van anarchistisch gedrag tijdens de oorlog heb ik om contextuele redenen ook niet in dit gedeelte geplaatst.


3.1. Een individualistische verzetsstrijder

‘Ik wil door alle smarten gaan,

Door hel en hemel beide,

En ‘t vagevuur niet overslaan,

Om ‘t eigen hart eens te verstaan;

NIET veilig aan de oever staan

En ‘t golvendeinen gadeslaan,

Neen, zelf, mij storten in d’ orkaan,

Desnoods geheel ten ondergaan!

Maar LEVEN!- zij ‘t met lijden.’[104]


Dit is een gedicht van B. van de Wal dat aan het begin van de eerste woensdag-avond-brief staat die door Jo de Haas uigegeven werd. Het beschrijft eigenlijk heel goed het leven van Jo de Haas die een bijzondere rol in de Tweede Wereldoorlog speelde. De anarchistische antimilitaristische propagandist[105] streed ook tijdens de bezetting voor zijn ideeën.

Johan de Haas werd op 1 september 1897 in de Rijp geboren. Hij ging tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de marine en weigerde dienst, toen hij op een gegeven moment zonder uniform rondliep. Zoals vele dienstweigeraars sloot hij zich aan bij de radicale anarchistische jongerenbeweging en was betrokken bij het blad ‘Alarm’. Hij werd al gauw een belangrijke spreker van de beweging. Zijn rol bij de bomaanslag rondom de hongerstaking van Herman Groenendaal is nooit echt duidelijk geworden. Hij werd niet veroordeeld zoals Piet Kooijman en Leen van der Linde. Maar hij was sindsdien omstreden in de beweging. Sommige anarchisten geloofden dat hij een verrader was. Maar hij ging gewoon door en streed voor zijn ideeën. Hij maakte zich ook sterk voor de strijd tegen de discriminatie van homoseksuelen die hij aan den lijve ondervond. Dit leverde hem zelfs binnen de beweging kritiek op die soms op een heel primitief niveau belandde. Zijn overtuiging bracht hem meerdere malen in moeilijkheden met de overheid. Net na het begin van de Tweede Wereldoorlog in oktober 1939 belandde hij in de gevangenis wegens ‘majesteitsschennis’. Hij had volgens een wachtmeester naast de oproep tot dienstweigering gezegd ‘dat bij het uitbreken van een oorlog alle vorsten met de laatste trein of het laatste vliegtuig met medeneming van het geld’ vertrekken zouden. Verder zei hij op de vraag ‘wat zou hier gebeuren?’: ‘Het geval gaat hier precies zo: De laatste trein of het laatste vliegtuig is voor de koningin.’ Na vier maanden werd hij weer vrij gelaten. De aanklager ging in hoge beroep. Maar de bezetting maakte aan deze rechtszaak een einde en de door hem voorspelde‘majesteitsschennis’ werd verwezenlijkt.[106] Jo de Haas was aanvankelijk dus nog helemaal geen slachtoffer van de bezetting.

Maar hij was toen al bezig zijn manier van verzet te plegen, namelijk het geschreven verzet tegen het militarisme. Hij gaf de brochure ‘Tussen Twee Werelden’ uit. Deze verscheen in 1940 of ‘41. [107] Ze was niet direct tegen de bezetter gericht, maar tegen het militarisme en tegen de met de nazi’s collaborerende NSB en hun antisemitisme. Jo de Haas vroeg hierin steun voor de nog gevangen gehouden dienstweigeraars, waarbij hij een lijst met namen afdrukte, en eiste hun vrijlating.[108]

Net zoals andere geestverwanten werd hij later wel voor langere tijd gevangen gehouden door de bezetter. Tussen juni 1941 en mei 1942 was hij gedetineerd in de kampen te Schoorl en Amersfoort. Hij behoorde tot de mensen die na de Duitse inval op de Sovjetunie gearresteerd werden.[109] Op beschuldiging van communisme gijzelden de Duitsers preventief een aantal linkse actievoerders, nog voor dat gestencilde illegale protestbladjes konden verschijnen. Onder hen bevonden zich ook anarchisten.[110] Jo de Haas zei dat hij geen communist was, maar ‘Anarchist, Genosse des verstorbenen Domela Nieuwenhuis’[111]. Hij bleef echter gevangen.

Nadat Jo de Haas weer vrij was gekomen werkte hij bij de Nederlandsche Coöperatieve Girocrediet-Ring, ook gewoon De Ring genoemd.[112] De Ring was een coöperatieve bank met de bedoeling ‘mensen zonder geld’ te helpen. De mensen die deze bank opgericht hadden waren tegen het kapitalisme en tegen de ‘macht van geld’. Zij wilden geld ‘tot een volkomen en stabiel ruilmiddel maken’. De leden kregen de mogelijkheid kleine renteloze kredieten aan te gaan. Natuurlijk was het ook mogelijk dat men een rekening had lopen. De Ring had ook een sociaalculturele taak. Zij exploiteerden goedkope eenkamerflats en een vakantieoorden, en zij gaven een maandblad uit. Tijdens de oorlog werd bovendien bijna elke woensdagavond een lezing georganiseerd. De directeuren waren Chris Schuurman en mr. Jan Visser.[113]

Jo de Haas werd betrokken bij de woensdagavondlezingen. Als professionele propagandist was hij daar heel goed voor geschikt. Elke lezing die hij hield gaf hij ook op papier uit en stuurde ze naar de leden van De Ring. Deze brieven heetten dus ‘woensdag-avond-brieven’. Omdat ze steeds vaker door niet-Ring-leden gelezen worden, veranderde de Haas de naam in ‘Oorlogs-brieven’[114] en verhoogde de oplage die dan een paar honderd stuks was. Deze brieven kwamen tussen mei 1942 en februari 1945 uit.[115] Ze staan niet op de lijst van illegale kranten.[116] Toch kan ik me nauwelijks voorstellen dat zoiets legaal kon verschijnen. Het schrijven van de brieven was op zichzelf verzetswerk.

Jo de Haas verzette zich met woorden tegen de oorlog, tegen het kapitalisme en tegen de kerk, maar bijna nooit letterlijk tegen de Duitsers of de nazi’s. De brieven waren echter ook niet pro- fascisme omdat ze idealen propageerden die tegenovergesteld waren aan die van het fascisme. In januari 1944 schreef hij over ‘wereldgeschiedenis’ en de verschillen tussen het fascisme en het anarchisme. Deze ideologiën zag hij als de enige die een ‘totale wereldvernieuwing bepleiten’ en zich daardoor onderscheiden van de rest welke nog ‘vleesch nog visch’ is. Hij schreef, fascisten willen ‘staatskapitalisme als doel, waardoor een totale verslaving en een onmenschelijke wreedheid als middel worden vereischt’. Daartegenover staat het anarchisme dat een ‘zoo hoog mogelijk opgevoerd humanisme en een zoo groot mogelijke vrijheid’ wil.[117] Hoewel hij niet bepaalde welke kant je moet kiezen, blijkt volgens mij zijn anti-fascistische houding duidelijk uit deze tekst.

Zoals veel linkse verzetskranten koos Jo de Haas in zijn brieven niet voor de geallieerden als alternatief voor de fascisten. Zijn strijd was gericht tegen alle partijen die oorlog voerden, want hij was in de eerste plaats antimilitarist. Het antimilitarisme van Jo de Haas kwam duidelijker naar voren dan zijn anarchisme. Het was een onderwerp dat tijdens de hele bezetting in de brieven verscheen. Zijn motto was ook dat van Domela Nieuwenhuis: ‘Geen man, geen cent en geen arbeid voor het militarisme!’[118] Ook de woorden van De Haas waren soms krachtig. Hij noemde militaristen ‘kinderverkrachters’[119], omdat ze jongeren naar het front stuurden. De reden voor het ontstaan van het militarisme zocht hij niet in het nationaal-socialisme of het kapitalisme, maar in de ‘domheid der mensen’[120]. Het fascisme en kapitalisme zijn volgens hem slechts ‘kristallisaties [van deze domheid] waartoe de oorlog kan worden teruggebracht’[121]. Toen het bleek dat het einde van de oorlog naderde, begon de Haas niet te juichen. De uitdrukking ‘het gaat goed’ die hij overal te horen kreeg was volgens hem niet juist. Hij schreef ‘het gaat niet goed’ omdat socialisten samen met kapitalisten streden. Verder beweerde hij dat het pas goed gaat ‘als militarisme overwonnen’[122] is. Hij vond dat na de oorlog deze crisis van de ‘verziekte geest’ van de mensheid nog niet geeindigd was, en hij stelde dus heel cynisch voor ‘deze vijf oorlogsjaren te prolongeren’[123]. Hij vreesde dat het einde van de oorlog de oude krachten die hij ook bestreed zou terugbrengen. En daarin had hij eigenlijk gelijk.

Het kapitalisme werd door de oorlog sterker gemaakt, beweerde hij.[124] Van het socialisme verwachtte hij niet veel. Hij veroordeelde de zogenaamde socialisten: ‘[...D]e man van het „socialisme-nu“ maakt zich voor koningschap en bourgeoisie wel zoo verdienstelijk, dat het socialisme nooit zal komen- als ‘t ligt an hem.’[125] Ook de verzetsstrijd stemde hem niet optimistisch. Verzet werd volgens hem als ‘middel der reactie’ door de ‘zure kliek’, de Nederlandse regering in ballingschap, misbruikt.[126]

Veel kritiek oefende Jo de Haas ook uit op de kerk. Meerdere brieven zijn tegen godsdienst en kerk gericht. In ‘opium’[127] schreef hij: ‘Zoolang de priesters de geesten totaal misvormen, heeft het Socialisme geen kans!’ Vervolgens noemde hij het christendom ‘christen-dom’[128] en later merkte hij op: ‘Een hemel die zeer kennelijk voor de domooren is, kan me niet bekoren’[129]. Deze woorden hebben een bijzondere kracht omdat Jo de Haas in de literatuur eigenlijk vaak als religieuze anarchist beschreven wordt.[130] We moeten wel ook zien dat hij meerdere malen werkelijk religieus klonk of zelfs een soort religie voorstond. Hij schreef over de verwachtingen van het leven na de dood, dat het een ‘Groot Geheim’ was en dat er een ‘Grote Eeuwige Heerlijke Kosmos’ op hem zou wachten.[131]

Hoewel er zeker nog hoop was in de gedachten van Jo de Haas dat het antimilitarisme zou overwinnen, zag de situatie er vlak voor het einde van de oorlog vrij donker uit. Zijn geloof in de overwinning van het socialisme was gering. In de laatste oorlogs-brief schreef hij over neergang. Hij stelde dat op dit moment een grote neergang van ‘bewegingen en menschen’ plaats vond.[132] Onbewust voorspelde hij zijn eigen lot. Kort daarna werd hij na een bezoek aan geestverwanten in Drenthe gearresteerd[133] en op 10 april 1945 door de nazis in Assen gefusilleerd. De precieze redenen voor zijn arrestatie en dood zijn niet bekend.[134] Volgens Marcel Berger werd hij door verraad in handen van de landwacht gespeeld.[135]

Postuum verscheen nog een boekje met de titel ‘De overwinning van het geweld door nieuwe religie’ dat hij waarschijnlijk in het laatste jaar van de oorlog had geschreven. Hierna bleek hij nog eens optimistisch. Hij zag de oorlog als een soort culmulatie van leugens, diefstal en geweld, maar ook als een overgangsfase van een ‘cultuurlijke’ naar een ‘creatuurlijke’ tijd. Deze creatuurlijke tijd zou uiteindelijk een religieuze tijd worden, maar zonder God en ‘andere tegenstellingen’. Een ‘éénheid der mensheid’ zou kunnen ontstaan, als iedereen meewerkte.[136]

Jo de Haas ging een stukje verder dan de meeste anarchisten doordat hij illegaal publiceerde. Maar we zullen zien dat zijn houding tegenover de oorlog en de bezetter, maar ook tegenover het verzet voor een Nederlandse anarchist zeer typerend.


3.2. De kunstenaar en het verzet

Een andere anarchist die ook eerder een individualistische strijder kan genoemd worden is Chris Lebeau. Zijn gedrag tijdens de oorlog verschilt echter van andere anarchisten.

Lebeau werd op 26 mei 1878 in een arm Amsterdams gezin geboren. Zijn vader was een aanhanger van Domela Nieuwenhuis. Deze bewondering voor Domela nam Lebeau van hem over. Maar zijn vader was ook alcoholist; dit zou Lebeau nooit van hem erven. Hij bleef altijd een overtuigde geheelonthouder.[137] Hij noemde zich ‘religieuze anarcho-communist’. Hij was echter niet christelijk, maar hing bepaalde oosterse wijsheden en de theosofie aan.[138]

Hij volgde verschillende kunstopleidingen en begon al gauw een veelzijdig kunstenaar te worden die met heel veel technieken experimenteerde en werkte. Soms gebruikte hij zijn vaardigheden voor de anarchistische beweging. Hij vervaardigde veel affiches en prenten voor onder andere De Wapens Neder, de Bevrijding, De Moker en de IAMV.[139] Maar vaak scheidde hij kunst en politiek. Hij maakte ook kunst voor de overheid.[140]

Het bekendste voorbeeld daarvan is de grote wandschilderij in het Amsterdamse stadshuis dat nu een hotel is. In 1925 kreeg hij de opdracht van de sociaal-democratische stadsregering om de trouwzaal een nieuwe vorm te geven. Hoewel hij als anarchist een voorstander van het vrije huwelijk was, nam hij de opdracht aan. [141] Niemand mocht in de zaal komen terwijl hij bezig was. Burgermeester De Vlught waagde het eens een blik om de deur te werpen. de reactie van Lebeau kan anarchistisch genoemd worden. Zonder respect voor de gezagsdrager wees hij hem de deur en schreeuwde: ‘Zeg De Vlught, wat moet dat hier? Je weet, dat hier niemand komen mag.’[142]

In 1941 werd dit beeld door de pro-Duitse overheid als ‘ont-aarde kunst’ gekenmerkt en met betegeling bedekt. [143] Het Duitse regime liet dus ook hem niet met rust. Toch bleef hij zijn principes trouw. Al voor de oorlog was hij fel antifascistisch. Omdat hij nooit in het stadshuis getrouwd was, kon hij in de jaren ‘30 een schijnhuwelijk ingaan met een gevluchte Duitse jodin en op die manier haar leven redden. Tijdens de bezetting weigerde hij lid van de Kultuurkamer te worden.[144] Nadat men hem wilde opdrachten laten uitvoeren zonder lidmaatschap, bleef hij weigeren: ‘Zolang de bezetting duurt zal hij niet in het openbaar tevoorschijn treden, noch exposeren en hij is niet van plan om als paradepaard te fungeren tijdens deze bezetting.’[145] In plaats daarvan begon hij voor het verzet te werken. Hij vervalsde persoonsbewijzen en paspoorten voor Joodse landgenoten. Op 3 november 1943 werd hij samen met zijn vrouw gearresteerd. De bezetters hadden ontdekt dat zijn vrouw hulp geboden had aan onderduikers. Bij een huiszoeking kwamen ze ook zijn activiteiten voor illegale groeperingen op het spoor. In de gevangenis kregen zijn vrouw en hij de kans om te vluchten. Een ‘goede’ agent had de sleutels naast de cel gelegd. Lebeau weigerde deze kans. Hij nam de schuld op zich, zodat zijn vrouw vrijuit ging. [146] Daarna belandde hij in Scheveningen, Vught en uiteindelijk in Dachau. Hij ging door met tekenen en maakte portretten van medegevangenen en bewakers. Hij maakte zelfs tekeningen voor de nazi-beul Fischer die hij echter niet tekende. Hij kreeg nog een kans om vrij te komen. Fischer zou hem vrijlaten als hij beloofde geen verzet meer te plegen. Lebeau antwoordde op dit voorstel dat hij, eenmaal op vrije voeten, direct weer illegale activiteiten zou ondernemen.[147] Politiek verraad wilde hij nooit plegen.

Zijn kampgenoten hielden van hem. Een keer duurfde hij het aan een bewaker die een gevangene aan het afrossen was, bij zijn slachtoffer weg te trekken. Lebeau was zo sterk dat hij deze spontane daad overleefde. Weldra begon hij als overtuigde vegetariër voedsel te weigeren, omdat er volgens hem vlees in de soep zat. Uiteindelijk stierf hij voor zijn idealisme. Hij overleed in 1945 in Dachau aan uitputting.[148]

Zijn kampvrienden in Dachau maakten een dodenmasker van hun overleden kameraad. Dit masker werd verstopt en tot de bevrijding bewaard.[149]

Het regime dat hem vermoord heeft hielp ook mee hem te blijven herinneren. Op het moment dat zegels met de koningin erop werden verboden werd onder andere een zegel, die ooit door Chris Lebeau ontworpen werd, gebruikt. Deze postzegel bleef ook na de oorlog nog een paar jaar in gebruik.[150]

Lebeau was in vergelijking met andere anarchisten vrij actief in het verzet. Dit hangt zeker samen met het feit dat hij een individualistische opvatting van het anarchisme had. Hij deed altijd wat hij noodzakelijk vond en niet wat de anarchistische beweging van hem verwachtte. Hij kon dus makkelijker met niet-anarchistische groeperingen samenwerken.


3.3. De syndicalistische strijd

Zoals ik in mijn inleidend hoofdstuk al beschreven heb was er ook een georganiseerde vorm van het anarchisme, namelijk het syndicalisme. De syndicalisten zijn een goed voorbeeld van de vroege strijd tegen het fascisme. Maar als we naar de bezettingstijd kijken is er weer meer sprake van een individualistische strijd, hoewel er nog in aan eind van de oorlog georganiseerd verzet plaats vond. Het NSV zelf zat niet in de ANTIFO, het door verschillende linkse groeperingen opgerichte komitee Anti Fascisme en Oorlog. Enkele syndicalisten deden wel mee.[151] In de krant van het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond, De Syndicalist, begon men wel al vroeg tegen het fascisme te strijden. Dat hangt in zekere zin samen met de internationaal gerichtheid van dit blad.

Als we namelijk naar andere bladen kijken, zoals De Vrije Socialist, valt op dat er eigenlijk vrij weinig over gebeurtenissen in het buitenland werd geschreven. De ondertitel van De Syndicalist daarentegen getuigt al van het internationalisme, namelijk ‘Weekblad van het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond aangesloten bij de Internationale Arbeiders-Associatie te Madrid’. Een belangrijk onderwerp vormde natuurlijk de burgeroorlog in Spanje. In deze oorlog zag men het voorspel van de Tweede Wereldoorlog. In de artikel ‘De val van Barcelona - De wereldoorlog nadert’ werd onder andere de houding van de verschillende machten tegenover Spanje geanalyseerd. De actieve rol van Duitsland en Italië stond tegenover de passieve rol van Groot- Britannie en Frankrijk. Dit werd gezien als een afspiegeling van de komende oorlog.[152] De dreiging van een Duitse aanval werd erkend. Maar in de eerste plaats vond men dat de Nederlandse staat zelf bezig was plaats te maken voor het fascisme. ‘[Wij zijn] de prefascistische periode aan het afsluiten’ was een commentaar in april 1939.[153] Felle kritiek werd uitgeoefend op het beleid tegen de vrije meningsuiting, met name de vrijheid van de drukpers. In het laatste nummer haalde dit onderwerp zelfs de voorpagina.[154]

Het antifascisme ging ook samen met een sterk antikapitalistische en antidemocratische houding. In de artikel ‘Democratie contra fascisme? - De leuze van de komende oorlog?’ was geschreven: ‘Fascisme verschilt alleen hierin met de democratie, dat de dekmantel van fatsoen, leugen en bedrog wordt afgeworpen.’[155] Een andere titel is ‘Ons standpunten en de oorlog - Niet alleen het fascisme - het kapitalisme in al zijn vormen is schuldig!’.[156] In dit opzicht verschilt De Syndicalist niet echt van andere anarchistische kranten.

Na de Duitse inval in Polen schreef Albert de Jong dat zich alles opnieuw afspeelde: ‘De herhaling van 1914 is reeds een feit. Moge de periode na 1918 zich nimmer herhalen.’[157] Dit keer zou het ‘failliet van het kapitalisme’ duidelijk worden. De syndicalisten hoopten dat er na het einde van de oorlog een succesvolle ‘opstand der volksmassa’s’ zou komen.[158]

Zoals bijna alle anarchisten bleven de syndicalisten in het geval van Nederland antimilitaristisch en pleitten voor ontwapening.[159] Dat Nederland zelf zou betrokken worden in de oorlog stond volgens de schrijvers van De Syndicalist vast. Noorwegen werd als voorbeeld gezien van een land waarin de Duitsers en niet de Engelsen binnenvielen. In het artikel ‘Wanneer wij?’ vroeg de schrijver: ‘Zal de dag komen, dat de beschermers ook hier „de Engelsen een slag voor“ willen zijn. Aan verraders zal het niet mankeren.’[160] Een maand later zou de schrijver gelijk krijgen. Voorzorgsmaatregelen werden al in 1939 genomen. Er vonden besprekingen met het NAS plaats over hoe men verder zou gaan als er een Duitse aanval zou komen. Merkwaardig genoeg vond een dergelijk gesprek in 1940, vlak voor de inval, niet plaats. Het archief van het NSV werd naar Frankrijk overgebracht en verdween na de Duitse bezetting. Een aktentas met gouden tientjes die naar de VS kon worden gebracht overleefde de oorlog en kon het blad ‘Buiten de perken’ meehelpen te financieren. Maar het NSV zelf overleefde officieel niet. Op 16 juli 1940 werd het NSV en het NAS verboden door de bezetter.[161] Het NSV ging niet door als illegale organisatie. Een georganiseerde actie na het verbod van het NSV was er wel. De Vereeniging van werklieden der Gemeente Energie Bedrijf Amsterdam ‘Vooruit’, die in de syndicalistische beweging niet van grote betekenis was[162], was in 1941 nog actief. De oude leider Josef Kasper Priem werd in februari 1941 gearresteerd nadat hij een brief rondgestuurd had waarin hij opriep tot solidariteit met joodse medewerkers die ontslagen waren. De SD Aussenstelle Amsterdam eiste terstond dat deze groepering verboden werd, omdat ze volgens hun syndicalistisch en anti-Duits was. Zij vond dat dit makkelijk te volstrekken was omdat de vakbond met zijn 70 leden vrij klein was. In mei werd de ‘Vooruit’ verboden en de secretaris Pieter Hoogwout en de opvolger van Priem Jan Hendrik Gulien gearresteerd. Ze kwamen weer vrij, terwijl Priem voor drie en half maanden de gevangenis in moest wegens het ‘deutschfeindliche Rundschreiben’.[163]

Andere syndicalisten gingen op een individualistischere manier door. Een van hen was de hoofdredacteur van het theoretisch NSV-orgaan ‘Grondslagen’[164], Arthur Lehning, die in ballingschap was. Zijn rol tijdens de oorlog zal in een apart hoofdstuk aan de orde komen. Naast Lehning was er nog een syndicalist die ook op internationaal gebied een grote rol speelde, namelijk Albert de Jong. Hij was volgens Arthur Lehning ‘vertrouwensman bij uitnemendheid’ voor de ‘buitenlandse kameraden’. Als er in Nederland iets ‘moest worden gedaan op het gebied van internationale activiteit of solidariteit, werd hij benaderd’.[165]

Een goed voorbeeld daarvan is zijn hulp aan Duitse geestverwanten. De Duitse syndicalistische vakbond FAUD (Freie Arbeiter-Union Deutschland) ging na de machtsovername van Hitler ondergronds. De bekendste leden moesten vluchten. In 1933 was het belangrijkste migratieland Nederland, later was het vooral Spanje. Tussen de FAUD en het NSV bestonden al een tijdje goede contacten. In Nederland was men ook voorbereid op de hulp aan geestverwante vluchtelingen. Al in 1927 werd het Fonds Internationale Solidariteit (FIS) opgericht om vluchtelingen te steunen. Zij woonden bij gastgezinnen en kregen 7 Gulden per week van de FIS. De gevluchte syndicalisten verbleven echter illegaal in Nederland. Het gevaar om door de Nederlandse overheid aan Duitsland uitgeleverd te worden liet menige vluchteling naar Zweden of Spanje gaan. Want in Zweden waren zij tenminste legale vluchtelingen, hoewel ze ook daar geen werkvergunning kregen. Spanje was aantrekkelijker; want het was makkelijk om daar asiel te krijgen, werkvergunningen werden ook aan migranten verstrekt en de sterke anarcho-syndicalistische beweging was veelbeloofend.[166] In Amsterdam ontstond de ‘Exil-Gruppe FAUD’ (groep in ballingschap) die illegale publikaties vervaardigde. ‘Der Fluchtweg nach Holland’ werd ook gebruikt om deze publikaties naar Duitsland toe te smokkelen. Pakketten werden naar Venlo gestuurd en daar door de Duitsers afgehaald en tussen de binnen- en buitenband van een fiets verstopt. Zo was het mogelijk Duitsland tot 1935 van syndicalistische publicaties te voorzien.[167] Een van de publicaties was een brochure met de tekst ‘Wat wij anarcho-syndicalisten willen’ die gecamoufleerd als reclamebrochure ‘Esset deutsche Früchte und ihr bleibt gesund! Werbedruck der deutschen Früchtverwertung’ Duitsland bereikte. Waarschijnlijk was de brochure vrij succesvol onder de mijnwerkers in het Ruhrgebied, want de arbeiders zouden elkaar toegeroepen hebben: ‘Heb je ook al Duitse vruchten gegeten?’[168] In 1935 werd de Duitse syndicalistische arbeid in Amsterdam stopgezet.[169]

Albert de Jong speelde een belangrijke rol in de hulpverlening aan en samenwerking met Duitse syndicalisten. Daarom was ook de Gestapo geïnteresseerd in hem. In februari 1942 wilde de bezettingsmacht hem arresteren wegens ‘Vorbereitung zum Hochverrat’. Op 7 februari volgde een arrestatie. Toen de arrestant op 19 februari in het Polizeigefängnis Düsseldorf aankwam bleek het een zekere joodse leraar met de naam Albert de Jonge te zijn. De Gestapo wilde niet geloven dat er een vergissing was gemaakt. Zij confronteerden De Jonge met de gevangen syndicalisten Julius Nolden en Viktor Händel die allebei ontkenden de man eerder gezien te hebben. Pas op 19 maart besefte de Gestapo haar vergissing. In mei werd Albert de Jonge naar Nederland teruggebracht, maar omdat hij joods was werd hij vast gehouden en naar het kamp in Westerbork gebracht.[170] Op 18 mei werd hij naar Sobibor gebracht, waar hij drie dagen later werd vermoord.[171] Tot april 1942 werden verschillende gevangenen over de gezochte Albert de Jong ondervraagd. Hierna werd het onderzoek gestaakt.[172] Waarschijnlijk zag men geen gevaar meer in het syndicalisme. Albert de Jong was ondertussen ondergedoken. Daarvoor had hij zelf meegeholpen om joden te verstoppen.[173]

Een van zijn schuilplaatsen was in het huis van de syndicalist Jan Freeling. Jan Freeling vond deze ontmoeting met De Jong zeer indrukwekkend. De Jong zou hem verteld hebben dat het anarchisme vooral als idee zou blijven bestaan. Soms was het dus belangrijker om voor jezelf te zorgen en bijvoorbeeld te studeren dan te blijven strijden voor een utopie. Freeling beschouwde dit in samenhang met de oorlog als een ‘breekpunt’ in de geschiedenis van de beweging en was daarna niet meer actief voor het anarchisme.[174]

De Jong zag zichzelf voor de oorlog als een propagandist, niet als een theoreticus. Tijdens zijn ondergronds leven had hij voor de eerste keer echt tijd om zich met diepgaande studies bezig te houden.[175] In de tijd tussen april 1943 en zomer 1944 schreef hij op verzoek van geestverwanten ‘Ons program’, een tekst over de denkbeelden van anarcho-syndicalisten en het plan voor wat ze na de oorlog moesten gaan doen: ‘[...] wij moeten nimmer doctrinair zin, nooit abstracte idealen verkondigen, maar practisch zijn, de werkelijkheid aanvaarden en een oplossing zoeken van alle vraagstukken op de grondslag der grootst mogelijke vrijheid zonder van een onbestaanbare absolute vrijheid een dogma en ons uitgangspunt te maken.’[176] Deze woorden zouden eigenlijk symbool kunnen staan voor wat er verder met het anarchisme gebeurde. Ik zal hier later op terugkomen.

Een van de andere belangrijke figuren in de syndicalistische beweging was Martin Paulissen die zich soms Jacq Rees noemde. In zijn archief heb ik bronnen gevonden die van een georganiseerd verzet getuigen. Bijzonder is dat we in dit geval samenwerking met niet anarchistische groeperingen kunnen constateren.[177]

Paulissen schreef zijn persoonlijke verhaal in een brief. Hij had na de bezetting en de ontbinding van het NSV voor anderhalf jaar nauwelijks contact met geestverwanten gehad. Pas aan het eind van 1941 begonnen anarcho-syndicalisten weer te vergaderen, maar vooralsnog werden nog geen verzetsacties gevoerd. Pas in de tweede helft van 1942 begon men op kleine schaal getypte en gestencilde beschouwingen te verspreiden. In het jaar daarop begon een belangrijke correspondentie tussen Paulissen en de Belgische syndicalist August Rosseau.[178] Rosseau was al in de jaren ‘10 actief in de anarcho-syndicalistische jeugdbeweging in Amsterdam. De uit Belgie gevluchtte jeugdleider schreef ook toneelstukken en had een grote invloed op veel jonge anarchisten rond de jaren ‘20.[179] Vanwege zijn buitenlandse afkomst mocht hij vanaf 1936 niet meer politiek actief zijn in Nederland. Onder de druk van de Nederlandse overheid ging hij voor de oorlog terug naar België waar hij nog politiek actief mocht blijven.[180]

Gecamoufleerd als familiebriefwisseling wisselden de twee mannen ideeën en contacten met Belgische en Nederlandse illegale groeperingen uit. Nu ontstonden ook betrekkingen met de radencommunistische Spartacus-groep. In augustus 1944 was men eindelijk zo ver een eigen blad uit te geven. Met een oplage van 250 tot 400 stuks verscheen de ‘Arbeiders-Eenheid’. Hoewel er een wederzijds wantrouwen was, werkte men samen met De Vonk. Het blad heette ‘De Bedrijfsraad’. Uiteindelijk vond er toch een breuk plaats. Beide groeperingen, De Vonk en Arbeiders-Eenheid, gingen alleen door en brachten bladen uit die op de arbeiderschap gericht waren. De Arbeiders-Eenheid-groep gaf het blad ‘Bedijfsgemeenschap’ uit. Deze krant werd na de oorlog legaal uitgegeven onder de naam ‘De Gemeenschap’ en ‘Socialisme van onder op!’.

Interessant is dat we in deze kranten vaak de verschillende houdingen tegelijkertijd vertegenwoordigd vinden.[181]

Martin Paulissen bleef niet de hele tijd actief als medewerker, want hij werd op 26 januari 1945 door de bezettingsmacht gearresteerd. Hij vertelt een spannend verhaal over zijn ontsnapping uit de gevangenschap. Hij zat in een trein met andere gevangenen die gebombardeerd werd door de geallieerden. Zij moesten uitstappen en te voet verder gaan. Toen ze bij een boerderij stopten kon hij ongemerkt weglopen en kon naar Enschede vluchten waar hij onderdook bij vrienden.[182] Hij werkte na de oorlog in de Giro-Credietring mee. Hij bleef veel publiceren en werd zelfs tijdelijk lid van de PvdA. Maar als actievoerder van de vrijdenkersbeweging De Dageraad bleef hij zijn anarchistische idealen trouw.

Ook de vooroorlogse NSV voorzitter Lambertus J. Bot jr. werkte mee aan Socialisme van onder op! Hij werkte voor de Rudolf Rocker Stichting die dit blad financeerde. Later werd hij voorzitter van de Nederlandse Bond van Vrije Socialisten die het blad overnam. Het blad bestond niet lang en ging op in ‘Recht voor Allen’ dat uit een samengaan van De Arbeider en Bevrijding voortkwam. Bot was daarna nog actief in de PSP. Over zijn oorlogsverleden is alleen bekend dat hij hulp aan joodse onderduikers bood. Twee joden werden zelfs in zijn huis gearresteerd.[183]

De syndicalistische beweging, die al voor de oorlog heel weinig leden had, ging nog een tijdje binnen de Eenheids Vak-Centrale door. Toen deze door communisten gedomineerd werd sloten de syndicalisten zich bij het Onafhankelijke Verbond van Bedrijfsorganisaties aan. De opvolger van De Syndicalist was eigenlijk de ‘Anarcho-Syndicalistische Persdienst’ die van 1948 tot 1960 verscheen. Albert de Jong was redacteur hiervan. Daarna gaf hij samen met zijn zoon Rudolf van 1961 tot 1965 het blad ‘Buiten de Perken’ uit.[184]


3.4. Biografieën van het onbekende Noorden

Anarchisme in Nederland bestond eigenlijk van belang in twee soort plekken: Hollandse steden (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Haarlem) en op het plattenland en in steden in Noord- Nederland (Friesland, Groningen en Drenthe).

De meeste anarchisten over wie ik tot nu toe geschreven heb, kwamen uit de Hollandse steden. Misschien komt dit omdat ze vaker op het politieke toneel verschenen. In de Noordelijke provincies daarentegen waren er vooral arbeider en ambachtslieden die anarchistisch gezind waren, maar minder tijd hadden om politiek actief te zijn. Ze vormden echter een sterk fundament voor de beweging. Als mensen zoals Jo de Haas, Albert de Jong of Anton Constandse op propagandatocht gingen, waren zij aanwezig.

Goede voorbeelden van dit soort anarchisme vinden we bijvoorbeeld in Appelscha. Appelscha gold lang als bolwerk van het anarchisme en het radicaal-socialisme. Nog in de jaren ‘30 waren er meer anarchisten en communisten dan sociaal-democraten, toen al de sterkste politieke groepering van de arbeidersbeweging. De anarchisten, die in Appelscha zelfs de sterkste groepering vormden, waren niet alleen op het politiek tonneel duidelijk aanwezig, maar speelden ook een belangrijke rol in de ‘geestelijke verheffing van de arbeidersklasse’. Ze vormden toneelgroepen, zangverenigingen en natuurlijk geheelonthoudende groeperingen.[185] Gekoppeld aan het anarchisme was natuurlijk ook het antimilitarisme. Verzet tegen het fascisme begon al vroeg. Veel gezinnen vingen in de jaren ‘30 dienstweigeraars op die uit Duitsland gevlucht waren.[186] Net voor de oorlog was de aanhang van het anarchisme echter gedaald, want veel jongeren waren vertrokken. Het ging zelfs zover dat de pinksterlanddagen in 1939 niet meer plaats vonden. Na de oorlog ging men er openlijk weer mee door, maar Appelscha was niet meer een bolwerk van het anarchisme.[187]

Voorbeelden van het Noordelijke vrij-socialisme vinden we ook in enkele biografiën.

Een bekend vrij-socialistisch gezin in Groningen was de familie Ploeger. Balster Jan Ploeger richtte samen met Jan Bijlstra in 1917 de drukkerij De Volharding op, waar ze het belangrijkste anarchistische blad van het Noorden, De Arbeider, drukten.[188] Zijn zoon, Derk Ploeger, had nog voor de Tweede Wereldoorlog de drukkerij overgenomen. Hij probeerde deze drukkerij tijdens de bezetting te blijven runnen. Maar eerst werd hij gearresteerd. Samen met andere vrij-socialisten, communisten en NSB’ers werd hij bij het uitbreken van de oorlog door de Nederlandse overheid geïnterneerd. Hij kwam weer vrij. Omdat hij voor de oorlog TBC had gehad kreeg hij een verklaring dat hij invalide was. Deze ‘vrijbrief’ hielp hem ook tijdens de bezetting de dwangarbeid te ontsnappen. Hij maakte gebruik van deze kans door voor het verzet te werken. Eerst bleef hij heel voorzichtig, want het was bekend dat De Volharding de drukkerij van de vrij-socialisten was. Hij drukkte alleen ‘s nachts en voorzag vervalsde bonkaarten en persoonsbewijzen van kennummers.

Later hielp hij bij het drukken van De Vonk in de drukkerij Siertsema in Oldehove. Hij was bang deze belangrijke krant in zijn drukkerij te vervaardigen. Pas later werden ook een paar uitgaven in De Volharding gedrukt. De twee drukkerijen werden in de laatste periode van de bezetting heel belangrijk omdat de verbindingen met het Zuiden verbroken waren en een aparte editie van De Vonk gedrukt moest worden. De eerste bevrijdingskrant van Groningen werd door hem gedrukt terwijl de Duitsers nog in de stad waren. Zijn vrouw Cathrien Ploeger-Eimers, een van de weinige anarchistes over wie iets bekend is, was er vooral mee bezig ondergedoken mensen onderdak te bieden. Er waren ongeveer dertien joden en arbeidsplichtweigeraars die tijdens de oorlog een keer bij de Ploegers gewoond hadden.[189]

Met een goed excuus redde Douwe de Wit zich aanvankelijk van vervolging. De veenarbeider uit Bolsward had een verklaring dat hij een erkend brandstofhandelaar was. Maar na een paar keer leveranties zonder bonnen te hebben gedaan werd hij verraden. Een ‘goede politie agent [...] die bleek een goed vaderlander te zijn’ liet hem lopen. Hij ging door met turf- en houthandel onder andere met leden van De Ring. Hij beschreef zijn leven als een ‘leven in overvloed’. Maar plotseling hield dit op. Hij werd door de bezetters gedwongen aan de ‘Arbeitseinatz’ in Assen mee te doen. Na een mislukte poging tyfus te simuleren moest hij vluchten. Hij kon bij vrienden uit de socialistische beweging onderduiken. Het avontuurlijke verhaal gaat ook over een onderduikadres die zich in een hooiberg bevond. Een vriendelijke boer had een soort woonkamer onder het hooi ingericht. Het was een leuke plek, maar men mocht niet roken. Douwe de Wit kwam uiteindelijk terug naar Bolsward waar hij dankzij zijn slimme vrouw niet gepakt werd en waar hij tot het einde van de bezetting bleef. Hij schreef ook over de hulp die hij en zijn vrouw aan onderduikers verleend hadden.[190]

De herinneringen van de Friese arbeider Tinus Veenstra zijn nooit in boekvorm verschenen. In zijn archief vindt men twee soorten biografiën. Het eerste is een blok met handgeschreven aantekeningen over zijn leven. Het tweede is een getypte versie waarin hij hetzelfde verhaal vertelt, maar over een fictieve ‘Theo’, zijn alter ego. Als bouwvakker vond hij ook tijdens de bezetting nog werk en kon op die manier de ‘Arbeitsdienst’ ontsnappen. Later moest hij toch nog arbeidsdienst verrichten die hij niet durfde te weigeren. Zijn bijdrage aan de strijd tegen de nazi’s leverde hij vooral door zijn vakantiehuisje ter beschikking te stellen als onderduikadres voor enige arbeidsdienst-vluchtelingen, oud-militairen en joden. Zijn vrouw en hij deden dat in de eerste plaats uit ‘diep menselijke overwegingen en niet om de vijand afbreuk te doen’. Een keer werd hij daarbij bijna betrapt. Twee mannen van de Landwacht kwamen langs. Het joodse gezin dat nog in het vakantiehuisje zat kon zich in de bos verstoppen. Veenstra werd door de mannen naar het bos gevoerd om hen aan te wijzen waar de joden zich hadden verstopt. Hij weigerde iets te zeggen en werd gearresteerd. Een intensief verhoor in het beruchte Scholtenshuis te Groningen, waar hij ook geslagen werd, kon hem niet tot verraad brengen. Na vier weken kwam hij vrij. Daarna was hij zo bang dat hij niet meer met de ondergrondse organisatie van Leeuwarden wilde samenwerken. Deze bedreigde hem vervolgens. Hij zag dus ook de andere kant van het verzet. Ook in zijn herinnering aan de bevrijding is hij kritisch over bepaalde anti-Duitse gebeurtenissen. Hij vraagt zich af of het echt nodig was een paar jonge Duitse soldaten net voor het einde van de bezetting nog te vermoorden.[191]

Een andere getuige van de oorlog over wie een boek bestaat is Harmen van Houten. Zijn herinneringen over de bezettingstijd zijn vrij bondig. In het enige hoofdstuk over deze periode schrijft hij over de laatste uren van vrijheid van Jo de Haas, die bij hem op bezoek was. Daarbij vermeldt hij ook dat er meerdere besloten bijeenkomsten waren van anarchisten tijdens de oorlog waarop bekende sprekers van de beweging langs kwamen.[192] Maar veel is er niet geschreven over de oorlog. Interessanter is eigenlijk zijn verhaal van de tijd voor de oorlog, toen hij als schipper veel tijd in Duitsland doorbracht. Hij was schipper van 1926 tot 1936, en voer tussen Drenthe en Duitsland. Dus beleefde hij meer dan drie jaren nazi-heerschap. In Dortmund had hij contact met Duitse linkse revolutionairen, vooral communisten. Hij zag hoe de nazis aan de macht kwamen en er langzamerhand vervolgingen van communisten, socialisten en joden begonnen.

Omdat er bijna geen kans was in de crisistijd alleen in de Nederlandse binnenscheepvaart te werken ging hij door. Omdat zijn vrij-socialistische gezindheid niet bekend was en omdat hij een Nederlander was, raakte hij aanvankelijk niet in problemen met de totalitaire overheid. Na een ruzie met nationaal-socialistische schippers werd hij in 1936 gearresteerd. Hoewel hij geweigerd had contributies voor de partij te betalen en nog tijdens het verhoor weigerde de Hitler-groet te geven, kwam hij vrij. Kort daarop vertrok hij met zijn vrouw en ging niet meer terug naar Duitsland.[193] Arrestaties van Noordelijke anarchisten zouden later ook in Nederland worden verricht. Toen op 25 juni 1941 als reactie op de inval in de Sovjetunie over het hele land een grote aantal communisten opgepakt werden, arresteerde de politie in Friesland ook een paar anarchisten.[194] Het is niet duidelijk of de verantwoordelijke ambtenaren wisten dat de anarchisten altijd tegen het stalinisme geweest waren en niet pas verzet zouden pleggen als de oorlog tussen Duitsland en de Sovjetunie begon. In ieder geval konden ze nu samen met communisten en revolutionair-socialisten ook een paar anarchisten met verzetspotentieel vasthouden.

De gearresteerde anarchisten kwamen eerst in de gevangenis te Leeuwarden terecht voor ze met alle anderen linkse gevangenen naar Schoorl werden gebracht. Naast Jo de Haas bevonden zich in deze groep ook Jan Veenstra, Cornelis van Echten, Jurre Hermanus van der Burg, Jan Bouma en Job Jan van der Burg. Jan Veenstra werd niet als anarchist beschouwd, maar als anti-militarist. Omdat hij penningmeester van de ‘Stichting tot Vrijheidsbezinning’ was, zou hij waarschijnlijk wel als anarchist gegolden hebben. De anderen werden in de processen-verbaal wel anarchisten genoemd. Jurre van der Burg werd ‘Wühlhuber’ genoemd die mensen tot rellen aangesticht had. Zijn naamgenoot Job van der Burg gold ook als relschopper en ‘Polizeifeind’. Hij was blijkbaar vrij brutaal tegenover de politieagenten. Jan Bouma daarentegen was een tegenstander van geweld. Maar ook hij was volgens de politie een ‘heftiger Anarchist’ en werd waarschijnlijk als een bedreiging beschouwd, want hij was ‘belesen en beredt’. Ook Cornelis van Echten was tegen geweld, maar werd wel als onredelijk beschouwd: Hij was ‘keinen vernünftigen Gründen zugänglich’.[195]

Wat er verder met de gearresteerde Friese vrij-socialisten gebeurde is niet bekend. In een bericht over de toestanden in het kamp te Schoorl is niets geschreven over hun kampleven. Er werd alleen geschreven dat communisten na een tijd van solidariteit vechtpartijen leverden. Of de anarchisten erbij hoorden wordt niet duidelijk.[196] Ook niet bekend is of ze de oorlog overleefd hebben. Het is mogelijk, want ze staan niet op de lijst met slachtoffers die in 1945 in De Vrije Socialist verscheen. [197]

Interessant in deze samenhang is wat er met anarchisten gebeurde die al gevangen waren. Er waren veel anarchisten die vóór de bezetting dienst hadden geweigeerd en in mei 1940 nog steeds gevangen zaten. Aan de ene kant zou men denken dat ze als anarchisten een bedreiging voor de nazi’s vormden. Aan de andere kant waren ze als antimilitaristen juist minder gevaarlijk dan Nederlanders die in dienst zaten. De dienstweigeraars vreesden zelf het ergste. Maar het bleek mee te vallen. Ze moesten gewoon hun straf uitzitten. Daarna kwamen ze vrij. In Veenhuizen, waar de meesten vast zaten, werd een NSB’er directeur. Maar dat had verder weinig invloed op het dagelijks leven van de gewone gedetineerde. Alleen het eten werd door de omstandigheden steeds slechter. [198]

Toen de dienstweigeraars vrijkwamen waren er verschillende reacties op de bezetting. Sommige pleegden verzet, anderen bleven passief. Iedere voormalige dienstweigeraar bleef echter het antimilitarisme trouw en vocht niet met wapens. De Groninger Klaas Schwarts, die een groot bewonderaar van Jo de Haas en met hem in 1938 en 1939 nog op een propaganda-tour door Nederland trok, is een voorbeeld hiervan. Hij zat slechts 30 dagen vast wegens dienstweigering dankzij de Duitse inval. Hij gebruikte ‘het woord’ als middel tot verzet en schreef, drukte en verspreidde pamfletten. Hij dook onder na aanleiding van de dreigende Arbeitseinsatz. In september 1944 werd hij bijna opgepakkt en werd er op hem geschoten. Zijn vader, die met hem samen was, werd gearresteerd, maar hij kon vluchten. Zijn vader kwam na een paar dagen vrij en getuigde na de oorlog tegen de Landwachters die hem gepakkt hadden. Klaas Schwarts daarentegen vond het niet belangrijk om te getuigen.[199]

Dit lijkt me een goed voorbeeld om te tonen hoe de mensen over wie dit hoofdstuk ging op de Duitse bezetting reageerden. Hoewel er onderlings verschillen waren kunnen we een paar overeenkomsten vaststellen. Verzet vond op kleine schaal plaats, bijvoorbeeld door hulp aan onderduikers te bieden en het meehelpen aan illegale publicaties. Maar men was vooral rustig en afwachtend. Dat hangt niet alleen samen met het antimilitarisme waarin allen geloofden, maar ook met de vrees dat verzet ook de terugkeer van andere ‘vijanden’ hielp, namelijk de monarchie, het kapitalisme en de christelijke en conservatieve democratie. Fré Boerema die bijvoorbeeld illegale publikaties verspreid had zei in een interview: ‘Dezelfde rotzooi kwam weer terug dus. Het [verzet] is eigenlijk voor niets geweest.’[200]

Opvallend is ook dat men soms kritisch tegenover de anti-Duitse houding was. Men zag namelijk ook dat niet alle Duitsers ‘rotmoffen’ waren. Klaas Drent vertelde dat hij blij was over de bevrijding, maar wel met bepaalde Duitsers solidair was. Hiermee bedoelde hij bijvoorbeeld Duitse dienstweigeraars.[201]

Hoewel de meerderheid van deze anarchisten niet bekend zijn geworden en weinigen in geschiedenisboeken staan waren ze meestal niet minder belangrijk tijdens de oorlog dan hun bekende geestverwanten.


3.5. Nederlands anarchisme in ballingschap

De anarchisten wisten dat de komst van de nazi’s een bedreiging vormde. Zoals we gezien hebben waren er al sinds Hitler aan de macht kwam veel Duitse gevluchte anarchisten. We kunnen daarom verwachten dat er veel Nederlandse anarchisten waren die na mei 1940 in ballingschap gingen. Toch gebeurde het niet. We moeten echter ook beseffen dat er sinds de machtsovername van Franco in Spanje bijna geen plekken meer waren waar gevluchte anarchisten echt welkom waren. Toch zaten er een paar Nederlandse anarchisten in het buitenland. Zij waren daar echter al voor de oorlog. De anarchistische dichter Jacques ‘Sjaak’ Krul, bijvoorbeeld, woonde al sinds 1936 bij zijn zwagers in Zuid Afrika en bleef er tot 1958. Of hij bewust in ballingschap ging, weet ik niet. Zijn plan om na zijn terugkeer in Nederland zijn herinneringen op te schrijven werd door zijn dood verhinderd.[202] Verder is er het geval van Alexander Cohen. De joodse publicist was oorspronkelijk anarchist, maar noemde zich op een gegeven moment ‘monarchist’. Hij leefde vooral in Frankrijk. In 1932 werd hij zelfs lid van de rechts-extreme ‘Action Française’ waartoe hij tot zijn dood in 1961 behoorde. Maar als jood ondervond hij de schaduwzijde van zijn politieke keuze. Hij moest zijn huisje aan de Vichy-regering verkopen. In ruil kreeg hij een lijfrente en een levenslang woonrecht. Tijdens een gevecht werd het huis door een bom getroffen, en hij had vervolgens niets meer. Na de oorlog kreeg hij voedselpaketten van de anarchistische Rudolf Rocker Stichting.[203] Hij was dus niet helemaal door de anarchistische internationale gemeenschap verstoten.

De syndicalist Arthur (Müller) Lehning leefde echt in ballingschap. Hij werd in 1899 in Rotterdam geboren en had de Duitse nationaliteit. Hij was al vroeg actief in verschillende anarchistische en syndicalistische groeperingen in Nederland en Duitsland. Voor de Internationale Arbeiders Associatie reisde hij door heel Europa.[204] Het hoofdkantoor hiervan was in Berlijn. Als secretaris kon hij zelfs na de machtsovername van Hitler nog in het openbaar spreken. Na de rijksdagbrand daarentegen was dat niet meer mogelijk. De I.A.A. verplaatste zich naar Spanje.[205]

Maar in 1939 werd het ook onmogelijk om in Spanje te werken. Lehning was al in augustus 1939 in Oxford. Zijn paspoort was ondertussen ongeldig geworden. Hij werd op 16 mei 1940 geïnterneerd. Met hulp van G.D.H. Cole[206] kwam hij weer vrij. Lehning bekommerde zich om het IISG in Oxford. Delen van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis werden naar Engeland gebracht, om ze voor de nazi’s te redden. Lehning probeerde zijn taak zo goed mogelijk na te komen. Dit was moeilijk, omdat hij geen financiele steun van de Nederlandse overheid in ballingschap kreeg.[207] Hij hielp dus mee belangrijke bronnen van het anarchisme, maar ook in het algemeen van het socialisme en de sociale geschiedenis te bewaren.

Tijdens de oorlog had hij actief meegeholpen in de strijd tegen Duitsland. Hij werkte voor de Britten en de Amerikanen door bijvoorbeeld documentaties over economische en financiële exploitatie in door de Duitsers bezette gebieden te schrijven. Hij werkte ook voor de BBC.[208] ‘Ik zat dus niet bij dat reactionaire Radio Oranje’, zei hij in een interview.[209] Hoewel het activiteiten waren die eigenlijk niet typerend zijn voor anarchisten of syndicalisten, verloor hij zijn idëalen niet. Na de oorlog werkte hij mee aan ‘De Vlam’. Maar hij bleef ook historische werkzaamheden verrichten voor het IISG en stichtte de Bibliotheek voor Indonesië. Enige tijd werkte hij in de nieuwe onafhankelijke republiek.[210] Dit is iets dat bij Nederlandse anarchisten zeker werd geaccepteerd. Anarchisten waren altijd anti-kolonialistisch en eisten al vroeg een onafhankelijk Nederlands Indië.

We kunnen concluderen dat ballingschap geen belangrijke rol speelde voor anarchisten gedurende de bezetting. Voor de meeste anarchisten was het achteraf gezien ook niet nodig geweest om te vluchten, voor een paar anarchisten helaas wel.


3.6. Gevangen anarchist en ‘vooraanstaande Nederlander’

Anarchisten hadden al vaak kennis gemaakt met gevangenschap, meestal omdat ze dienst weigerden. Toen Duitsland aanviel zaten enkele van hen daarom gevangen. Andere anarchisten werden door de Nederlandse overheid geïnterneerd. En een paar kwamen vanwege hun gezindheid ook tijdens de bezetting in de gevangenis terecht. Sommigen zaten voor een korte tijd, anderen kwamen nooit meer terug. We zijn hiervan een paar voorbeelden tegengekomen. Een geval is heel bijzonder.

De actievoerder en schrijver Anton L. Constandse overleefde de oorlog, maar zat de meeste tijd gevangen in Buchenwald, Haaren, Sint-Michielsgestel en Vught.[211] Dat zijn de plekken waar veel bekende Nederlandse politici belandden. Constandse was de enige ‘links radikale’ die samen met 110 andere ‘vooraanstaande’ Nederlanders kort na de bezetting gegijzeeld werd.[212] Deze mensen noemde men ook ‘indische gijzelaars’ omdat ze als repressaille voor de in het nog niet door Japan bezette Nederlands-Indië geïnterneerde Rijksduitsers vanaf midden juli 1940 gearresteerd werden.[213] Onder hun bevonden zich politici van alle partijen, professoren, plaatselijke notabelen, topambtenaren van ministeries en vier leden van het hof, maar geen communisten. Allen waren tegenstanders van de NSB. Anton Constandse zelf had vijf anti-nazi-brochures en een boekje tegen de rassenleer geschreven. Hij had ook vaak in redevoeringen en artikelen stelling genomen tegen Hitler en Mussert. Hij was ook van plan geweest om verzet te pleggen.[214]

Volgens hem zelf had hij geluk dat hij als gijzelaar geïnterneerd werd. Want zijn lot zou veel harder zijn geweest, als hij later als politieke gevangene zou gearresteerd zijn. De gijzelaars kregen bijvoorbeeld hulp van het Internationale Rode Kruis omdat ze een officiële status hadden. Hij vond dat zij beter behandeld werden dan hun lotgenoten in het concentratiekamp in Buchenwald. Hij zag met eigen ogen hoe joden, communisten, krijgsgevangen en anderen slecht behandeld worden en overleden. In vergelijking met andere gevangenen overleefden veel van de indische gijzelaars. Zij waren bijvoorbeeld vrijgesteld van de ‘moordende dwangarbeid der commando’s’. Op een gegeven moment werden ze weggevoerd van de gruwelen in het concentratiekamp en werden naar Haaren en later naar Beekvliet in Sint-Michielsgestel geplaatst waar de situatie beter was. Hier beleefde hij ook nog de zogenaamde ‘Silbertannemorde’, toen medegevangenen van hem geëxecuteerd werden nadat er aanslagen op NSB’ers en Duitsers waren gepleegd. Net voor de bevrijding van het zuiden werden hij en zijn lotgenoten naar Vught overgebracht om van daar op transport naar Duitsland te worden gesteld. Maar de dreigende aanval van de Britse troepen leidde de Sicherheitsdienst ertoe de gevangenen te laten ontsnappen.[215]

Het lot had ook hem samengebracht met vroegere politieke of ‘klassevijanden’. Vriendschappen tussen vertegenwoordigers van verschillende politieke stromingen ontstonden. De moeilijke omstandigheden van de gevangenschap hielp hij verzachten met het geven van Spaanse lessen, het houden van lezingen over schrijvers en filosofen en het organiseren van wedstrijden.[216] Maar hij deed niet mee aan de planning van een na-oorlogse politieke partij. Een aantal gegijzelde Nederlanders wilde een Nederlandse Volksbeweging oprichten. Mensen uit verschillende politieke richtingen, van sociaal democraten tot liberalen en van katholieken tot gereformeerden, hadden de idee om een doorbraakspartij te stichten die een ontzuild Nederland zou bevorderen.[217]

Misschien wist Constandse al dat deze idee uiteindelijk niet zou lukken. Bepalender was zijn ontmoeting met de directeur van ‘Het Algemeen Handelsblad’. Deze in gevangenschap gewonnen vriend gaf hem na de oorlog een baan bij deze krant, waar hij tot zijn pensioenering werkte.[218] Tijdens zijn journalistieke loopbaan gaf hij meerdere boeken uit. Na zijn pensionering bleef hij actief voor de anarchistische beweging. Hij schreef voor de anarchistische krant De AS en publiceerde boeken over de theorie en de geschiedenis van het anarchisme. Maar hij werd vooral bekend als radiospreker van de VPRO. Hij was ook nog een tijdje hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en doceerde ‘geschiedenis van Spanje en Latijns-Amerika’.[219] Anton Constandse heeft er in grote mate toe bijgedragen dat de anarchistische gedachte in het leven bleef.


3.7. ‘Goede’ passiviteit?

De anarchistische activiteiten tijdens de oorlog waren beperkt. Van ‘het anarchisme van de daad’ was in 1940 weinig terug te vinden. Anarchistische collaboratie met de bezetter bestond ook bijna niet. Een grote aantal anarchisten gedroeg zich zoals de meerderheid van de Nederlandse bevolking: ze verzetten zich geestelijk tegen de oorlog en het fascisme, maar deden weinig in de praktijk. Deze houding was niet per se inconsequent. Zoals we gezien hebben waren er anarchistische argumenten tegen het verzet. En in feite was de passiviteit een mogelijkheid om de anarchistische gedachte te redden. Ik wil kijken of dit ook daadwerkelijk gebeurd is.

Een van de bekendste Nederlandse anarchisten hoort waarschijnlijk ook tot deze groep. Pieter Adrianus Kooijman werd vooral bekend voor zijn medeplichtigheid aan de bomaanslag tijdens de Groenendaal zomer waarvoor hij de gevangenis in moest. Na zijn vrijlating publiceerde hij in verschillende anarchistische kranten. De belangrijkste publicatie was waarschijnlijk ‘Neem en eet’. Hoewel hij in anarchistische kringen een beroemdheid was, werd hij tijdens de economische crisis door werkloosheid achtervolgd. Hij had een boekwinkel die door de oorlog kapot ging. Bedreigd door de Arbeitseinsatz moest hij tijdens de bezetting een baan vinden. Zijn vriend, de psycholoog Lieuwe Hornstra die bij de Bijenkorf werkte, hielp hem aan een baan als controleur bij dit bedrijf in Den Haag. Daarvoor had hij toestemming van de politie nodig. Het probleem was dat de hoofdcommissaris Hamer een NSB’er was en van het verleden van Koijman wist. Maar Hornstra legde hem uit dat Kooijman vooral een sterk antikapitalist was en dus fel anti-Brits. Hij mocht er werken.[220] Hij overleefde de oorlog en publiceerde nog tot zijn dood in 1975. In de jaren ‘60 ontstond door de Provo beweging belangstelling voor zijn ‘neem en eet’-theorie. Ik heb geen bewijs gevonden dat hij tijdens de oorlog lid van de NSB geworden was zoals dit door de SD beweerd werd.[221]

Er waren ook veel oude anarchisten die de oorlog nog meemaakten. Over hun activiteiten tijdens de bezetting is niets bekend. Waarschijnlijk waren ze gewoon te oud om activiteiten te ontplooien. De syndicalist Johan Jacob Lodewijk ging een wettelijk huwelijk aan met een Duits-joodse vluchtelinge om haar de Nederlandse nationaliteit te bezorgen.[222] De religieuze anarchist Anneé Rinzes de Jong trouwde zijn vrouw voor de wet omdat hij bang was dat hij zou opgepakt worden. Zijn vrouw zou door dit huwelijk een betere bestaansbasis krijgen.[223] De anarcho-dominee Schermerhorn, de christen anarchist Felix Ortt, de voormalige redacteur van De Arbeider Tjerk Luitjes en anderen overleefden en publiceerden soms nog na de oorlog. Christiaan Cornelissen en Lodewijk overleden tijdens de oorlog.[224]

De publicatie van alle belangrijke anarchistische kranten werden na de bezetting stop gezet. Ook de verenigingen waarin anarchisten een grote invloed hadden staakten hun activiteit. De IAMV, de NSV en de Dageraad stopten allemaal. Er waren echter groeperingen die ook tijdens de oorlog bleven bestaan.

De vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit, GGB, bijvoorbeeld, hield niet op te bestaan. Maar al in de jaren ‘30 was deze vereniging aan het verdwijnen. De economische crisis had voor coöperatieve bedrijven tot gevolg dat ze dicht gingen. In 1939 werd al besloten dat het blad van de GGB, ‘Vrije Arbeid’, alleen maar nog zou verschijnen om ‘organisatorische redenen’. In feite betekende dit het einde van het blad, want het nummer waarin deze maatregelen bekend gemaakt werden was het laatste. Er waren nog elf aangesloten associaties waaronder ook De Volharding in Groningen. Deze besloten na de bezetting op het achtergrond te blijven bestaan. De Duitsers zouden dan niet merken dat de GGB bestond. Enkele bedrijven waren betrokken bij het verzet. De GGBsecretaris Piet Zuydendorp werd verantwoordelijk gesteld voor het drukken van illegale publicaties door de Utrechtse Typografenassociatie. Hij werd gefusilleerd.[225] De Volharding werd door De Vonk groep gebruikt, maar de GGB zelf was passief.

Tijdens en na de oorlog onstonden nieuwe coöperatieve bedrijven. Maar de GGB werd in 1957 opgeheven.[226]

Ook de Jongeren Geheelonthouderbond, JGOB, bleef bestaan. Deze jongerenorganisatie was namelijk altijd onder sterk anarchistisch invloed geweest. Hoewel de JGOB officieel nooit socialistisch was, kwamen veel leden uit vrij-socialistische kring. Ook het antimilitarisme van de jonge geheelonthouders was sterk. Maar net zoals de antimilitaristische beweging verloor ook de geheelonthoudersbeweging steeds meer leden. In het begin van de oorlog waren er nog maar 192. Ideologisch ging het ook berafwaarts. Volgens Ger Harmsen was het idealisme van de bond ‘vervaald’.[227]

Dit was waarschijnlijk de reden dat de vereniging niet verboden werd door de bezetter. Het feit dat andere jongerenorganisaties gesloten werden hielp de JGOB tot groei. Tijdens de oorlog vonden ongeveer 600 jongeren een plek in de vereniging en een mogelijkheid tot ‘vlucht van de maatschappij’, want de leden hielden zich niet openlijk bezig met het fascisme. Uit de apolitiek geworden JGOB kwam geen verzet. Voormalige leden waren wel actief in de illegaliteit. Berrie Ijzerdraat, Ab Menist en Ko Beuzemaker werden zelfs gefusilleerd voor hun activiteiten rond de verzetskrant ‘Geuzenactie’.[228]

Na de oorlog sympathiseerde de JGOB nog steeds met het vrij-socialisme. Vrije Jeugd-groepen en De Vlam werden benaderd en soms vond er een samenwerking plaats. In 1950 sloot de JGOB zich bij de Vrije Jeugd Beweging aan.[229]

De onpolitieke houding van de oorspronkelijk sterk anarchistische groepering hielp eraan mee de oorlog te overleven, maar redde de organisatie niet van de ondergang. Ook de ANGOB ging waarschijnlijk op eenzelfde manier door. Het blad ‘De Geheelonthouder’ kwam tot 1941 uit.[230]

Een zekere continuiteit van het anarchisme bleef dankzij enkele individuele anarchisten bestaan. Hun relatieve passiviteit tijdens de oorlog was een reden daarvoor. Organisaties waarin anarchisten een sterke rol vervulden daarentegen hadden zich niet door passiviteit gered. Na de oorlog naderde hun einde. De organisaties en kranten die vrijwillig hun werk stopten verschenen na de oorlog weer, soms met een andere naam en met andere mensen. Maar ook zij maakten niet echt een bloei door. We kunnen ons dus afvragen of het anders geweest zou zijn als deze groeperingen sterke verzetsgroepen geweest waren. Maar dan begeef ik me op het terrein van de ‘if-history’ en dat wil ik liever niet doen.


3.8. Het verhaal van vrienden en verwanten

In het kader van mijn onderzoek ben ik ook een paar mensen en groeperingen tegengekomen die op een of andere manier iets met het anarchisme in Nederland te maken hadden, maar niet helemaal anarchistisch genoemd kunnen worden. Hun verhalen zijn belangrijk om een goed beeld van het anarchisme gedurende de oorlog te schetsen.

De geschiedenis van ‘De Vonk’ mag in dit verband niet worden overgeslagen. Het verzetsblad De Vonk en de mensen die eraan meewerkten waren in principe niet anarchistisch. Toch was er een zekere verbinding met het anarchisme. Niet alleen de samenwerking met de Arbeiders-eenheid die we boven gezien hebben, maar ook een aantal andere feiten leiden tot deze conclusie. Het is waarschijnlijk zelfs de belangrijkste verzetsactie tijdens de Tweede Wereldoorlog waarbij anarchisten betrokken waren. Want De Vonk wordt als een van de belangrijkste Nederlandse illegale kranten gezien.

De drie belangrijkste oprichters van de Vonk groep waren Dirk Schilp, Tom Rot en Eddie Wijnkoop. De drie mannen hadden allen betrekkingen met anarchisten. Schilp noemde zich zelf ‘anarcho-socialist’. De RSAP’er Eddie Wijnkoop had nog in mei 1940 geprobeerd een eenheidsbijeenkomst met verschillende linkse groeperingen te houden. Uitgenodigd waren ook anarchisten en syndicalisten. Maar de oorlog verstoorde deze plannen. Tom Rot werkte in de drukkerij ‘De Ploeg’ en verzorgde soms uitgaven van de Vrije Anarchistische Uitgeverij van Henk Eikeboom. De drie begonnen hun samenwerking al in 1940 in een steunactie voor het gezin van de gegijzelde anarchist Anton Constandse. Na de versprijding van de ‘Open Brief aan de Nederlandse Jeugd’ van Henriëtte Roland Holst door Tom Rot ontstond het idee van een eigen verzetskrant. Rond kerst 1940 kwam De Vonk voor de eerste keer uit. In het begin was ook de anarchist Henk Eikeboom in De Vonk betrokken.[231] En zoals we al gezien hebben was de Groninger anarchist Derk Ploeger een medewerker van De Vonk.[232] Verder bestonden er contacten met Chris Lebeau, Herman Groenendaal en Albert de Jong. De Jong hielp als onderduiker mee De Vonk te verspreiden. [233] Er waren dus betrekkingen met de anarchistische beweging. Maar De Vonk vormde een plek waarop ook andere socialisten en pacifisten zich konden vinden.

De ideeën van De Vonk waren in het begin vergelijkbaar met anarchistische ideeën. De ‘Derde Front’-gedachte is hiervan een goed voorbeeld. Wat het ‘Derde Front’ was wordt het beste in De Vonk zelf verklaard: ‘Wie moet winnen? Duitsland? - Neen! Engeland? - Neen! Slechts het derde Front - Het Front van de werkers aller landen - Socialisme en internationalisme zijn synoniem!’[234] Deze opvatting vinden we bijvoorbeeld ook bij Jo de Haas en Martin Paulissen. Maar later, toen het geweld van de bezetters toenam, keerde De Vonk zich tegen deze opvatting. Men wilde nu in de eerste plaats een gezamelijk progressief verzet tegen de nazi’s waarin zelfs nationalisme als strijdmiddel geaccepteerd werd.[235] Men had ook contacten met andere ‘traditionelere’ verzetsgroepen. De Vonk was tegen het einde van de oorlog ietsje minder revolutionair geworden; men wilde door een geleidelijke, structurele ontwikkeling tot een beter maatschappij komen.[236] Haar houding tegenover geweld was niet radicaal afwijzend, maar het geweldloze verzet werd als fatsoenlijker gezien dan geweldadige strijd, die alleen geaccepteerd werd als niets anders meer mogelijk was. Men zag ook dat een ‘stille tegenwerking’ zoals hulp aan onderduikers en natuurlijk het verzet met het woord effectiever waren.[237] Dit was een houding die ook door de anarchist gesteund werd, maar andere gedachten zoals het accepteren van een vorm van nationalisme en geweld in de strijd werden met niet van alle anarchisten gedeeld en dus niet met veel enthousiasme gesteund. De anarchistische invloed op De Vonk was dus niet groot. Maar we moeten ook beseffen dat De Vonk niet altijd een gezamenlijke opvatting vertegenwoordigde.

Net voor het einde van de oorlog publiceerde De Vonk samen met Vrij Nederland en Het Parool toch weer een vrij revolutionair manifest waarvan de meeste ideeën ook vanuit anarchistische kant gesteund moesten worden. Het manifest richtte zich tegen de monarchie, het Nederlandse nationalisme en het kolonialisme. Ook het antimilitarisme bleef sterk aanwezig, hoewel men niet voor een ‘eenzijdige ontwapening’ was.[238] Dit laatste was iets dat door, bijvoorbeeld, De Vrije Socialist gëeist werd.[239] Te cocluderen valt dat De Vonk aan de ene kant in veel opzichten helemaal niet anarchistisch was. Aan de andere kant was ook de anarchistische beweging geen eenheid. Sommige anarchisten konden zich waarschijnlijk goed vinden in de ideeën van De Vonk. De leuze van De Vonk was ‘uit de vonk zal de vlam oplaaien’, een citaat van Poesjkin. De opvolger van De Vonk die na de bezetting verscheen heette dus De Vlam. Opvallend is dat er meerdere anarchisten waren die voor het blad schreven. Maar De Vlam was net zoals De Vonk geen per sé anarchistisch blad. De Vonk en De Vlam waren socialistische en pacifistische bladen waarin zich verschillende politieke stromingen vereenigden, waartoe ook enkele anarchisten hoorden.

Een bekende Nederlander die heel veel sympathie voor het anarchisme had en zeker tot de geschiedenis van het Nederlandse anarchisme hoort was Kees Boeke. Deze ingenieur ontmoette in Engeland de dochter van een ondernemersgezin die aanhangers van de quakers waren. Hij kwam onder deze invloed en werd radicaal pacifist. Toen hij en zijn vrouw, Beatrice Cadbury, uit Engeland naar Nederland terugkwamen hadden ze meteen goede contacten met geestverwanten, met name religieus getinte radicale pacifisten zoals Henriëtte Roland Holst, Bart de Ligt, Clara Meijer-Wichman en N.J.C. Schermerhorn.[240] Boeke was een van stichters van een radicaal pacifistische vereniging die zich van de IAMV afsplitste. Deze groep, die elke vorm van geweld verwierp, noemde zich eerst ‘PACO’, het woord voor vrede in het Esperanto, en later ‘War Resisters’ International’ (W.R.I.). Later zou deze beweging in de antimilitaristische beweging belangrijker worden dan de IAMV.[241]

Kees Boeke en Beatrice Cadbury hadden christen-anarchistische opvattingen zoals geheelonthouding en vegetarisme, en hielden nauw contact met de BRAC. Maar ze maakten niet deel uit van een religieus-anarchistische woongemeenschap.[242] Ze stichtten een eigen gemeenschap. Eind 1925 haalden ze hun vier kinderen van de montessorischool in Bilthoven af en begonnen met huisonderwijs. Deze radicale stap betekende het begin van de ‘Werkplaats’ of ‘Werkplaats Kindergemeenschap’, een belangrijk verschijnsel in de Nederlandse pedagogische reformbeweging. Deze vernieuwende onderwijsinstelling bleef eerst echt onafhankelijk en werd pas na de oorlog in het reguliere onderwijsbestel opgenomen. Omdat Beatrice Cadbury de dochter van een ondernemer was waren er voldoende financiele middelen aanwezig.[243] De Werkplaats is een van de weinige Nederlandse onderwijsinstellingen die op een of andere manier met de anarchistische beweging verbonden was.

Een anarchist die als dienstweigeraar moeite had werk te vinden was Bouke Koning. Hij vond een plek als tuinman voor de Werkplaats. Na de oorlog werd hij zelf onderwijzer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij samen met de onderwijzer Joop Westerweel meegeholpen een heleboel joden het leven te redden. Westerweel ging op grote schaal op zoek naar onderduikadressen voor gevluchtte joden. De twee mannen verstopten ongeveer 70 joodse jongeren of hielpen hen in veiligere gebieden te vluchten. Bekend waren de ‘60 van Loodsrecht’ die dankzij de twee mannen bij een onderwijzeres op deze plek onderdoken. Maar beide mannen werden door de nazi’s gevangen genomen. Westerweel werd gefusilleerd. Koning belandde twee keer in een kamp. De eerste keer zat hij slechts voor zes weken gevangen, maar de tweede keer werd hij bijna het slachtoffer van de ‘Todesmärsche’ naar Polen en terug naar Duitsland. Ternauwernood overleefde hij de oorlog.[244] De actie van Koning en Westerweel is bijzonder omdat de Werkplaats zelf tijdens de bezetting een vrij ambivalente houding innam.

Vanaf 1938 kwamen joodse kinderen uit Duitsland naar de Werkplaats en vonden daar een tijdelijk thuis. Maar in september 1941 eisten de bezetters de verwijdering van alle joden uit de Werkplaats. Kees Boeke, die van plan was een oase met een ‘sfeer van rust, orde en hoop’ te scheppen, voldeed aan de eisen van de nazi’s. Hij dacht dat hij op die manier tenminste de andere kinderen kon helpen. Betty was woedend en stopte met haar werk uit solidariteit met de joden. Pas in september 1942 werkte ze weer mee, toen er weer joodse kinderen in de Werkplaats onderdoken. Tegelijkertijd maakten de nazi’s gebruik van gebouwen van de Werkplaats die later ook door de Canadese militairen gebruikt werden.[245] Kees Boeke zelf had dus niet echt duidelijk voor een bepaalde kant gekozen en was ten opzichte van de bezetters voor een bepaalde tijd vrij naïef. Na de oorlog werd de Werkplaats volledig in de Nederlandse samenleving geïntegreerd en bereikte grote bekendheid toen de kinderen van koningin Juliana, Beatrix, Irene en Margriet, deel uitmaakten van de kindergemeenschap. Kees Boeke werd zelfs ‘Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw’.[246]

Het laatste voorbeeld dat ik hier geven wil zijn de ex-anarchisten in het verzet. De biografiën van twee mannen lopen bijna parallel: Jan Postma en Daan Goulooze. Beide waren betrokken in de anarchistische jongerenbeweging in het eind van de jaren ‘10 en het begin van de jaren ‘20. Beide waren lid van de SAJO en later van de Federatie van Sociaal-Anarchisten. Postma, die zes jaar ouder was dan Goulooze, had een duidelijke politieke invloed op zijn vriend. Via het NAS kwamen beide mannen steeds meer in het vaarwater van de communisten. Uiteindelijk traden ze zelfs tot de Communistische Jeugd Bond toe, en werden ze lid van de Communistische Partij van Holland.[247] Deze stap zou later consequenties hebben voor hun gedrag tijdens de oorlog. Communisten waren zeer actieve verzetsstrijders. De relatief kleine Nederlandse partij speelde een vrij grote rol in het radicale verzet.[248] Maar voor de Duitse inval op de Sovjetunie bleef de Communistische Partij Nederland vreedzaam coëxisteren met de nazi’s. Het kan zelfs als een rudimentaire vorm van collaboratie beschouwd worden.[249] In 1941 zou deze situatie spoedig veranderen.

Daan Goulooze had al in de jaren ‘30 veel internationale contacten en werkte onder andere voor de door de Nederlandse overheid verbodene PKI, de communistische partij in Nederlands-Indië. Hij werkte dus al voor de oorlog in de illegaliteit. Vanaf 1935 werkte hij steeds vaker voor de Communistische Internationale, Comintern. Hij hielp mee om zogenaamde illegale ‘apparaten’ te bouwen. Een apparaat was een groep functionarissen die illegaal actief was. Tijdens de Duitse bezetting werden deze apparaten heel belangrijk. Goulooze werd op die manier sterk betrokken bij het uitwisselen van inlichtingen en boodschappen tussen communisten in Noordwest-Europa en Moskou. Hij was verder bij andere activiteiten betrokken en begon ook met andere verzetsgroepen samen te werken. In november werd hij gearresteerd door de Gestapo. Omdat hij bij zoveel betrokken was geweest duurde het lang om hem terechttestellen. Dit droeg waarschijnlijk bij aan zijn redding. Na een tocht door meerdere concentratiekampen waarbij tijdens een vluchtpoging meerdere gevangenen sneuvelden, kon hij zich dood verklaren laten. Hij overleefde met een nieuwe identiteit.[250]

Ook Jan Postma vervulde in de jaren ‘30 belangrijke functies binnen de communistische partij. In 1933 werd hij leider van de Internationale Rode Hulp die hulp aan vluchtelingen en onderdrukten bood. Zoals we al bij de syndicalisten hebben gezien hadden politieke vluchtelingen in Nederland het moeilijk. Bovendien kwamen er honderden Duitse communisten over de grens. Het was een moeilijke taak om onderdak voor hen te vinden.[251] Omdat er meer communisten dan anarchisten vluchtten worden ze soms zelfs bij de Nederlandse anarchisten ondergebracht.[252] Dit is opmerkelijk, want deze twee stromingen werkten nauwelijks samen.

Tijdens de oorlog was Postma vanaf 1942 de leider van illegale CPN in Amsterdam. Hij nam aan verschillende vormen van verzet deel. Toen de nederlaag van de Duitsers steeds duidelijker werd was Postma naast Goulooze iemand die voor samenwerking met andere verzetsgroepen pleitte. Men deed mee aan het schrijven van gezamenlijke publicaties die nu naast de communistische verzetskrant ‘De Waarheid’ verschenen. Maar Postma werd samen met Goulooze gearresteerd. Anders dan zijn vriend werd Postma ter dood veroordeeld en op 24 juli 1944 door de bezetter vermoord.[253]

Na de oorlog werd Daan Goulooze niet als held bejubeld. De CPN begon een campagne tegen hem en beweerde zelfs dat hij voor de Duitsers gewerkt had. Zonder de zaak grondig te bestuderen werd alles wat ooit mis ging met de partij op Goulooze geprojecteerd. Hij werd geschorst als partijlid. De communisten voor wie hij zijn leven had gewaagd lieten hem in de steek. Slechts een paar goede vrienden bleven hem ondanks de druk van de CPN trouw. Hij werd daardoor zelf kritischer over het communisme en na de destalinisering werd hij een beetje gerehabiliteerd.[254]

De vader van Daan Goulooze, Daan senior, was een bewonderaar van Domela Nieuwenhuis. Hij had een grote invloed op de politieke ontwikkeling van zijn zoon. Tijdens de Tweede Wereldoorlog volgde hij echter de weg van zijn zoon en deed mee in de communistische illegale Waarheidsbeweging. Hij werd door de Duitsers gearresteerd en overleed in 1943 in Vught.[255] Een andere voormalige anarchist was Franciscus Drion. Hij was in het eind van de negentiende eeuw betrokken bij het anarchisme. Later koos hij voor de links-liberale richting en werd zelfs tijdelijk Tweede Kamer lid. Tijdens de oorlog was hij de hoofdredacteur van de ondergrondse krant ‘De Toekomst’.[256]

De zojuist genoemde voorbeelden waren zogenaamd ‘goede’ ex-anarchisten. Maar er waren ook anarchisten die in een heel andere hoek terechtkwamen.


4. Anarchisme en fascisme

Het samengaan van fascisme en anarchisme is een vrij slecht onderzocht onderwerp. Net als in het laatste deel van deze scriptie heb ik bijna geen literatuur over dit onderwerp gevonden. Ook in dit geval waren biografieën en primair bronnenmateriaal heel nuttig.

Hoewel fascisme eigenlijk de Italiaanse variant van een rechtse dictatuur was en het nationaalsocialisme een Duitse variant, gebruiken we nu vaak het begrip ‘fascisme’ als algemene term. De ideologie van het fascisme is zoals het anarchisme niet een één geheel vormende theorie, maar er kunnen bepaalde kenmerken aan het fascisme worden toegeschreven.

Onder fascisme versta ik een politieke vorm die totalitair en uiteindelijk ook centralistisch is. De staat is absoluut en heeft een ‘autonome persoonlijkheid’, die ieder individu aan zich ondergeschikt maakt. Mussolini verklaarde ooit: ‘Alles in de staat, niets tegen de staat, niets buiten de staat.’[257] Het ideaal op economisch gebied is het corporatisme. De gehele beroepsbevolking zou in corporaties georganiseerd zijn. Deze corporaties, die in handen van de staat zijn, zouden de tegenstellingen tussen de verschillende klassen wegnemen.[258] Klassenstrijd zou dus door klassenverzoening vervangen worden. Het fascisme is dus anti-communistisch, maar eigenlijk ook anti-liberalistisch. De Duitse nazi’s noemden zich zelfs socialistisch en beweerden dat zij een einde zouden maken aan het kapitalistische stelsel.[259] In de fascistische praktijk bleef echter een soort kapitalistisch systeem bestaan.

Het fascisme is anti-democratisch en dus tegen het parlementarisme. Een sterke leider zou een ‘oude orde’ herstellen en alles wat vreemd schijnt verwijderen. In Duitsland ging dit samen met een fel antisemitisme en racisme. Ook homofielen, zigeuners, Jehova’s getuigen, vrijmetselaars, ‘moderne kunstenaars’ en feministen werden door de fascisten vervolgd. Reactionaire ideeën werden als moderne oplossing aan de burger voorgeschoteld.[260] Hoewel het fascisme een internationaal verschijnsel was, was het nationalistisch.

Het fascisme verschilt met andere woorden in hoge mate van het internationalistische, libertaire, federalistische en socialistische anarchisme. Toch zijn er voorbeelden van een samengaan van deze politieke stromingen.

Een bekend voorbeeld van een samengaan van anarchisten en fascisten vinden we in de Italiaanse geschiedenis. Het gaat namelijk om de syndicalisten die achter Mussolini stonden. Mussolini die eerst zelf socialist, maar nooit anarchist was, had wel contacten met syndicalisten. Hij was een aanhanger van het middel van ‘action directe’. J. van Osta noemt hem zelfs een ‘nationaalsyndicalist’. En toen hij een eerste fascistische beweging oprichtte, waren er meerdere socialisten en syndicalisten onder zijn aanhangers te vinden.[261]

Ook in Frankrijk en Spanje vinden we voorbeelden. De Franse ideoloog van het syndicalisme Sorel werd fascist. En aan de vooravond van de Spaanse burgeroorlog gebeurde het zelfs dat fascistische falangisten en anarcho-syndicalisten op straat gezamenlijk tegen socialisten vechtten.[262] Maar hoe kunnen we dit verschijnsel verklaren?

Fascisten en nazi’s worden meestal als extreem-rechts beschouwd, anarchisten als extreem-links. Ze staan dus heel ver weg van elkaar als we de rechts-links-scheiding op een lineaire schaal bekijken. Maar vaak zijn er politieke overeenkomsten tussen de twee bewegingen. Ook nu nog zijn er vaak overeenkomsten tussen extreem-rechts en -links. Moeten we dus politieke stromingen als circulair beschouwen? In dit geval zouden de twee stromingen heel dicht bij elkaar liggen. Maar ook dat werkt niet echt, want hoe zou bijvoorbeeld een anarchist een autoritair gezag kunnen accepteren? De overeenkomsten zijn niet te verklaren met een rechts-en links-scheiding. Er zijn echter bepaalde eigenschappen in het gedrag van de aanhangers van de twee politieke stromingen die tot overeenkomsten kunnen leiden.

Rudolf de Jong somt deze ‘mentaliteitspunten die iets kunnen verklaren’ op:

1. een ‘anti’-houding: fascisten en anarchisten hebben vaak wantrouwen tegenover alles en een negatieve houding.

2. directe actie: dit wordt vaak verheerlijkt; hierbij hoort ook de geweldsdaad.

3. daadmens: de daad van één mens (‘Führer’ of individu) wordt soms overschat.

4. superioriteitsgevoel tegenover de massa: de ‘Führer’ of het sterke individu staat boven de gewone mens.

5. anti-politieke mentaliteit: allebei hebben ze vaak de simpele houding ‘alle politiek is vuil’. [263]

Een van de belangrijkste overeenkomsten tussen Nederlandse anarchisten en fascisten was het antiparlementarisme en het wantrouwen tegenover het kiesrecht. De anarchistische minachting grensde zeer dicht aan de fascistische verachting voor dit democratische instituut. Tegelijkertijd speelde ook een fel anti-burgerlijke houding een belangrijke rol voor beide. De eerste Nederlandse fascisten hadden dezelfde minachting voor alles wat burgerlijk was als de anarchisten.[264] Dit verklaart ook waarom de overstap van links naar extreem-rechts niet door het midden ging. Dit werd door Jan Nijdam in zijn scriptie opgemerkt.[265]

We kunnen concluderen dat de mogelijkheid dat een anarchist fascist wordt bestaat. Hoe was dit in de praktijk?


4.1. Waren de rapaillisten proto-fascisten?

Een merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis van het anarchisme in Nederland is de Rapaille Partij. Hoewel de anarchisten meestal tegen het parlementarisme waren bestond er ooit een anarchistische partij, die zelfs in lokale parlementen zetels haalde. In het begin van de jaren ‘20 bestond in Nederland niet alleen het algemeen stemrecht maar ook de stemplicht. Men had dus niet het recht om niet te stemmen, om bijvoorbeeld zijn antiparlementaire houding te uiten. Het gevolg voor mensen die het wel deden was een proces-verbaal.[266] Daarom richtten een paar anarchisten een soort ‘anti partij’ op, de ‘Vrije Socialistische Groep’ die later Rapaille Partij[267] heette. Het Amsterdamse partijprogramma leek op een dadaïstisch manifest. De inhoud was bijvoorbeeld ‘vrij vissen (en jagen) in het Vondelpark’, ‘afbraak van urinoirs een aanplant van bomen op grote schaal’ en een enorme prijsverlaging van bier en jenever. Op de kieslijst stonden de zwerver ‘Had-je-memaar’ die de burgerlijke naam Cornelis de Gelder droeg en de ‘anarchistische colporteur’ Bertus Zuurbier. In de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 kregen ze meteen 14.246 stemmen.[268] De meeste stemmen kwamen uit de rijke buurten in het Centrum. De Partij had het recht op drie zetels, maar er stonden slechts twee mensen op de lijst.[269] Had-je-me-maar werd wegens openbare dronkenschap gearresteerd en moest in het gevangenis een verklaring tekenen waarin hij afstand deed van de zetel.[270] In de Amsterdamse Rapaille Partij zaten mensen die ook later actief bleven in de anarchistische beweging, zoals Henk Eikeboom en Anton Bakels, maar ook de bekende bohemien en kunstenaar Erich Wichman, de broer van Clara Meijer-Wichman.

Ook in Rotterdam was er een Rapaille Partij. L.G.A. Coremans was de belangrijkste vertegenwoordiger van deze partij.[271] Toen hij aan de gemeenteraadsverkiezingen meedeed, kwam de steun, anders dan in Amsterdam, uit de verpauperde buurten van Rotterdam. Dankzij de armsten van de armen haalde ook hij een zetel in de gemeenteraad en zat er voor vier jaar.[272] Hij gold als ‘chaoot in de raadzaal’ en werd meerdere keren uit de zaal gezet. Gerard Rijnders die door het blad ‘De Vrije Socialist’ de rapaillisten steunde, vond dat Coremans een ‘paljas’ was en trok zijn steun in. In Amsterdam hadden de rappaillisten ook gauw geen belangstelling meer voor hun partij. Na het midden van de jaren ‘20 waren ze verdwenen.[273]

De Anti-Stemdwang Partij in Haarlem hoorde tot dezelfde soort partijen en werd voor ‘rapaille partij’ uitgescholden. Deze partij werd echter pas in 1927 door de leden van het vrij-socialistische gezin Oversteegen opgericht. De vader, Piet, was kandidaat voor de Provinciale Staten van Noord- Holland en werd gekozen. Zoals in het geval van Had-je-me-maar verhinderde het politieke establishment dat hij de zetel kon krijgen. Door de toepassing van het zogenaamde ‘stelsel d’Hondt’ kreeg Piet Oversteegen nooit zijn zetel. Zijn zoon George daarentegen profiteerde van het schandaal rond zijn vader en werd in 1927 als gemeenteraadslid in Haarlem gekozen.[274] Hij verscheen op klompen op de eerste raadsvergadering.[275]

Erich Wichman ging in de loop van de jaren ‘20 naar het fascistische Italië en kwam als enthousiaste aanhanger van Mussolini terug naar Nederland. Hij speelde een belangrijke rol in het eerste openlijk fascistische blad in Nederland, ‘De Bezem’. Maar hij overleed in 1929 en beleefde de groei van het fascisme in Nederland niet meer.[276] Hij bleef echter een symbool voor het samengaan van anarchisme en fascisme. Onder de mensen die hem zo zagen bevonden zich ook aanhangers van de grootste Nederlandse fascistische beweging, de NSB.

Al in 1934 noemde de NSB’er van Duyl Wichman een ‘pionier van het fascisme’ en de Rapaille Partij een ‘voorloopster van de fascistische beweging’.[277] In de zomer van 1940 toen de NSB meer belangstelling voor ‘niet-marxistisch socialisme’ en ‘anti-democraten’ kreeg werden vervolgens naast bekende vrij-socialisten ook voormalige rapaillisten benaderd. Onder hen was ook weer Coremans die door de NSB’er L. werd bezocht en om steun werd gevraagd. Getuigen delen mee dat Coremans ‘voor de eer bedankte’ en dat hij toen door de woedende L. met een revolver werd bedreigd. Coremans moest onderduiken in Brabant.[278] Hier moet opgemerkt worden dat zijn Rapaille Partij twintig jaar daarvoor geld van de miljoenair Alfred Haighton had gekregen. Haighton behoorde tot de oprichters van de eerste Nederlandse fascistische organisatie, het Verbond van Actualisten. Deze hadden Coremans tijdens zijn politieke loopbaan ook benaderd. Zijn commentaar was: ‘Als die lui werkelijk wat goeds met de arbeider voor hebben, dan wil ik wel met ze samendoen. Ze zijn te stom om zelf wat te kunnen, maar ze hebben poen, en dat komen wij hier tekort, jongen. Maar dat hoeven ze niet dadelijk te merken, anders hebben ze nog meer praats. Ik weet nog helemaal niet of het wat voor mij is, daarom laat ik die knaap maar praten en zelf zeg ik niets.’ Maar later wilde hij niets meer met deze mensen te doen hebben en er zijn geen bewijzen dat hij ooit iets voor hun gedaan heeft.[279]

De vraag of de rapaillisten proto-fascisten waren blijft bestaan. In de literatuur over het fascisme in Nederland worden vaak ook de rapaillisten genoemd.[280] Het belachelijk maken van het parlement en van de bourgeoisie was een belangrijke eigenschap van de rapaillisten. Hierin zitten de overeenkomsten met het fascisme die ik boven genoemd heb. We kunnen vervolgens zeggen dat de rapaillisten in theorie fascistische trekken hadden. Maar of dat voldoende is om het een protofascistische stroming te noemen vind ik twijfelachtig. Daarom wil ik ook naar de persoonlijke geschiedenis van belangrijke rapaillisten kijken, vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen het vooruitzicht fascist te worden veelbelovend was.

Henk Eikeboom, die in 1898 geboren werd, was al op jonge leeftijd actief in de anarchistische beweging. Hij was in het begin van de jaren ‘20 samen met Anton Bakels actief bij de ‘Vrije Socialist’. Samen wilden ze het blad vernieuwen. In een soort ‘paleisrevolutie’ gaven ze een nummer onder hun naam en zonder Rijnders uit. Na deze actie kwamen verschillende wantoestanden van het blad aan het licht. Maar uiteindelijk bleef alles bij het oude. Rijnders bleef, Eikeboom en Bakels gingen.[281] Ze gingen allebei door met schrijven en publiceren. Volgens Martin Paulissen was de ‘beruchte vrouwenversierder en manische kleptomaan’ Eikeboom de ‘eerste Nederlander die openlijk de strijd met het fascisme aanbond’.[282] In de brochure-reeks ‘Pro en Contra’ voerde hij een pennenstrijd met Erich Wichman. Wichman schreef de profascistische positie waarin hij veel bewondering voor de situatie in Italië toonde. Hij beweerde: ‘iedere geest is in zekeren zin „Fascist“ en in zekeren zin anarchist. Wie het niet beide is, is niet compleet en dus geen - mensch.’[283] Tegen deze eigenaardige redenering nam Eikeboom het in de contra-fascistische positie op. Hij noemde het fascisme ‘een kwakzalver op de kermis’ die een middel aan de man wil brengen dat hij ‘pas-ontdekt en onfeilbaar’ noemt, maar dat eigenlijk ‘reeds lang door de wetenschap als onbruikbaar op zijde geleegd’ werd. Het fascisme was volgens hem ‘niets anders dan de geest van het kapitalisme, echter ontdaan van alle versiering, schoonen schijn, frasen en leugens.’ Hij vroeg vervolgens ‘als men zich niet beter van het barbarisme redden kan, dan door vlucht tot het feodalisme, kan daar eenig goeds in te vinden zijn?’[284] Deze strijd werd niet verder voortgezet omdat Wichman nog in de jaren ‘20 overleed.

Ook meer dan zestien jaren later, toen Nederland bezet werd, werkte Eikeboom tegen het fascisme. Hij ‘schreef, tikte zelf, maakte stencils klaar en draaide die af [...] en bundelde en niette [illegale publikaties] en naaide ze soms in’[285]. Hij was betrokken bij De Vonk, waar hij bijvoorbeeld verslag deed over de februaristaking,[286] en misschien was hij in het begin ook betrokken bij ‘Het Parool’. In ieder geval moest hij gauw uit Amsterdam vluchtten en dook in juni 1941 in Den Haag onder. Volgens zijn vrienden was hij heel onvoorzichtig en vertelde iedereen waar hij ondergedoken was. In december 1941 werd hij gearresteerd. Volgens een oude vriendin van hem was hij verraden ‘waarschijnlijk door een vrouw’.[287] Nu volgde een tocht door verschillende kampen die hij uiteindelijk niet zou overleven. Op 11 mei 1945 overleed hij in de buurt van Sandbostel op een ‘verzameltocht’, een van de beruchte dodenmarsen die de nazi’s hun gevangenen lieten maken toen ze merkten dat de oorlog bijna verloren was.[288] Ook tijdens zijn gevangenschap heeft hij nog voor het verzet gewerkt. Volgens N.J.C. Schermerhorn werkte hij op de geheime drukkerij in Vught. [289]

Anton Bakels, die als dadaist gold,[290] maakte na de ‘Vrije Socialist’-tijd een carriere als journalist en uitgever. Hij was vaak in het buitenland.[291] Hij had veel contacten met geestverwanten in de hele wereld zoals Emma Goldman, Bart de Ligt, Erich Mühsam en George Woodcock. Tijdens het begin van het nazi-regime was hij in Duitsland. Hij hielp daar onder andere politieke vrienden.[292] Op een gegeven moment raakt hij zelf bijna in de problemen. Tijdens een bijeenkomst van Duitse uitgevers noemde hij de Duitse minister van buitenlandse zaken von Ribbentrop ‘een handelsreiziger in slechte champagne’. In de daaropvolgende beleidigingsproces ging hij zelfs zo ver te zeggen, ‘ik heb Oosterse talen gestudeerd, onder andere de Hebreeuwse, maar ik hoop niet dat u mij dit als een nadeel zult aanrekenen’. Hij had ontzettend veel geluk en hoefde niet naar een concentratiekamp. Ook toen hij in 1940 weer in Nederland woonde vocht hij soms met gedurfde woorden en met een ‘penetrerende overtuigingskracht’ tegen de nazi’s. Hij heeft volgens Jacques Gans ‘met onmiddelijke levensgevaar menig verzetsman gedurende de bezetting uit de handen van de Duitsers gepraat’. Er zijn nog meer anekdotes over de Tweede Wereldoorlog.

Een keer zat hij in de tram en zag een Duitse soldaat die andere mensen lastig viel. Hij zei tegen een oberst van de Grüne Polizei die naast hem stond, ‘verhaften Sie den Kerl.’ De Duitse officier vroeg dan: ‘Sind Sie Reichsdeutscher?’ En Toontje Bakels antwoordde: ‘Kaum.’ Een andere keer zag hij Duitse officieren die sigaretten voor een veel te hoge prijs wilden verkopen. Hij begon tegen hun te schreeuwen: ,Sind Sie preussische Ehrenmänner? Sie sind schmutzige Schwarzhändler!’ Ook deze keer had hij geluk en ontsnapte. Hij deed ook werk voor het verzet. Op zijn fietsje reed hij door het hele land om mensen bonkaarten en papieren te bezorgen.[293] Hij hielp nog steeds vrienden, hij gaf bijvoorbeeld financiële steun aan de joodse onderduiker E. Davids. Het is ook mogelijk dat hij soms voor De Vonk schreef, want na de oorlog schreef hij voor de Vonk-opvolger De Vlam, maar ook voor andere kranten zoals De Dageraad. Uit zijn archiefmateriaal blijkt verder dat hij nog steeds een belangrijke contactpersoon was in de internationale anarchistische en syndicalistische beweging. Correspondenties met geestverwanten in heel Europa worden weer opgenomen. Bakels bleef eigenlijk internationaal actief. Hij werkte ook weer in Duitsland, en hij deed aan meerdere internationale conferenties mee. Dit waren niet alleen anarcho-syndicalistische conferenties, maar ook conferenties van Europese bewegingen, zoals de Unie van Europese Federalisten en de Europese Beweging.[294]

Op deze plaats wil ik nog een keer op L.G.A. Coremans terugkomen. Hij bleef niet de hele tijd ondergedoken. En hij werd zelf niet verder door de bezetter bedreigd. Maar zijn zonen werden gevangen genomen. Coremans leed daaronder en probeerde zijn verdriet met jenever te bestrijden. Hij leefde zijn leven in armoede. Omdat hij katholiek was kon hij een beetje financiele steun van de kerk krijgen. De pastoor hielp hem ook nog op een andere manier. Coremans schreef veel brieven aan zijn zonen in gevangenschap. Deze brieven moesten in het Duits geschreven worden, maar Coremans sprak helemaal geen Duits, dus stuurde de pastoor hem een vertaler, de gymnasiast J.S. Rogier, de zoon van de bekende historicus. Rogier vertaalde niet alleen, maar censureerde tegelijkertijd de fel anti-Duitse uitdrukkingswijze van Coremans.[295] Na de oorlog probeerde Coremans nog een keer in de gemeenteraad van Rotterdam gekozen te worden, maar dat lukte niet. [296]

Tenslotte wil ik naar de biografie van George Oversteegen kijken, de vertegenwoordiger van de Anti-Stemdwang Partij in Haarlem. Hij kwam uit een vrij-socialistisch gezin en was dus vroeg betrokken bij deze beweging. Net zoals de rapaille partijen was ook de ASP anarchistisch geinspireerd. In het blad ‘Het Raadsheertje’ riep hij op ‘De Vrije Socialist’ te kopen. Dit blad gaf hij bijna alleen uit. Het was satyrisch en fel anti-parlementair. Opmerkelijk is wel dat hij zijn lezers ook aanbeval het fascistische blad ‘De Bezem’ te lezen. Zijn sympathiën golden op dit moment waarschijnlijk vooral het antiparlementarisme van de fascisten. Politiek bleef hij links en werkte in de raad vaak met de communist Peper samen. Rond 1930 werd hij zelf lid van de CPH, hoewel hij daarmee veel anarchistische aanhangers teleurstelde. Hij ging voor een korte tijd zelfs naar Moscou om een communistische opleiding te volgen. Teleurgesteld door het stalinisme kwam hij terug en werd gauw anticommunistisch. Hij doorliep nog een ‘religieuze fase’ na zijn communistische tijd. Hij gaf een aantal christelijke brochures uit.[297] In het begin van de bezetting had hij een boekenwinkel in Utrecht. De bezetters verdachten hem ervan zijn ondergedoken broers verstopt te hebben en deden een inval in zijn zaak. Zij vonden niets. Oversteegen probeerde kort daarop sympathiserend lid van de NSB te worden. Hij werd en bleef NSB’er tot het eind van de oorlog. Na de oorlog werd hij waarschijnlijk daarom voor een tijdje geïnterneerd. Later beweerde hij dat hij eigenlijk altijd een verzetsstrijder was geweest.[298]

Van Erich Wichman weten we niet hoe hij gereageerd zou hebben tijdens de bezetting. In het geval van George Oversteegen hebben we een voorbeeld van iemand gevonden die eerst anarchist en later fascist was geworden. De rapaillistische ideologie maakte het dus mogelijk aan de politieke rechter kant te gaan staan. Hoewel we ook zien dat Oversteegen eerst nog communist was.

Dat rapaillisten niet noodzakelijk fascisten worden zien we in alle andere voorbeelden. Drie van de bekendste rapaillisten bleken in de praktijk antifascisten. De ideologie van de rapaillisten had gevaarlijke overeenkomsten met het fascisme, maar de meeste belangrijke rapaillisten waren antifascisten. De rapaillisten zijn dus geen voorbeeld waarbij fascisme en anarchisme echt samengingen. Als we alle antiburgerlijke en antiparlamentaire stromingen voor de opkomst van het fascisme proto-fascistisch noemden, zullen ook de rapaillisten proto-fascisten geweest zijn. Maar deze verklaring lijkt me een beetje eenvoudig.


4.2. De Vrije Socialist: antisemitisch en antifascistisch?

Eigenlijk wilde Ferdinand Domela Nieuwenhuis dat het door hem opgerichtte blad ‘De Vrije Socialist’ na zijn dood werd opgeheven. Maar tegen de wil van Domela zette Gerard Rijnders het blad voort. Vanaf 1919 tot 1940 bleef dit blad onder zijn leiding. Het blad was vervolgens heel omstreden in de anarchistische kring en verloor veel lezers. Sommige anarchisten beweerden dat Rijnders een te autoritaire stijl had.[299] Dat blijkt ook uit het verhaal van Eikeboom en Bakels. Er bleven echter genoeg vrij-socialisten trouw aan het omstreden blad, zodat het verder uitgegeven werd. In de tijd voor de oorlog verscheen het nog twee keer per week.

Dat ‘De Vrije’ zoals het blad soms ook genoemd werd verder omstreden bleef kunnen we door de twee volgende merkwaardige verschijnselen verklaren. Ten eerste verschenen er in de jaren ‘30 een aantal artikelen die in zekere zin antisemitistisch van aard waren. Ten tweede verscheen het blad tot met 31 augustus 1940. Het werd dus gedurende de bezetting nog voor drie en een half maanden legaal uitgegeven. Het is het enige anarchistische blad dat niet onmiddelijk na de bezetting verboden of door de uitgevers vrijwillig werd opgeheven.[300] De kwestie of De Vrije Socialist tijdelijk fascistisch geworden was ligt voor de hand. Ik zal eerst het verschijnsel ‘De Vrije en het antisemitisme’ verder uitleggen en proberen een oordeel te formuleren. Daarna wil ik het onderwerp ‘De Vrije en de Tweede Wereldoorlog’ onderzoeken.

Op 7 januari 1939 verscheen het artikel ‘Twijfelachtige vaderlanders’ dat een storm van verontwaarding tot gevolg had. De schrijver S.[301] wiens echte naam nooit bekend werd gemaakt beweerde in dit artikel dat de orthodoxe joden zich geen Hollanders mogen noemen. Hij schreef: ‘Door hun afwijzing van dat opgaan, de assimilatie, hebben de orthodoxe Joden met hun voor de overige bevolking krenkende en beledigende gebruiken, zich een apart en bepaald vijandig volk getoond’. Zijn conclusie is dat het enige vaderland van de joden Palestina is.[302] Hoewel S. zijn artikel tegen orthodoxe joden richtte en niet direct tegen alle joden kunnen we van antisemitisme spreken. De stelling dat iemand niet tegelijkertijd gelovig jood en Nederlander kan zijn impliceert dat het jodendom strijdig is met de Nederlandse cultuur. De opvatting dat joden iets anders zijn dan Nederlanders beschouw ik als een oorzaak van het antisemitisme.

Reacties tegen op deze stelling bleven niet uit. In andere linkse kranten zoals ‘Het Volk’ en De Syndicalist werd heftig tegen deze woorden geageerd. In De Syndicalist verschenen gedurende een maand elke week artikelen over het onderwerp. Albert de Jong schreef dat de joodse godsdienst, net als alle andere godsdiensten, bestreden moest worden, maar dat ‘Joden - als mensen’ verdedigd moesten worden.[303] ‘Een Vrouw’ riep de vrouwen op om gezamelijk tegen het uit elkaar vallen van de anarchistische beweging te strijden. Daarvoor zouden de vrouwen inspiratie van de bekendste joodse anarchiste, Emma Goldman, krijgen. En net als andere critici eiste zij dat De Vrije moest worden opgeheven als het niet mogelijk was ‘de krant uit fascistisch vaarwater te halen’. [304] Scherpe kritiek kwam ook van oude mannen uit de beweging. Christiaan Cornelissen schreef: We moeten ‘het treurige lot der vervolgde Joden [...] verzachten’ in plaats van het te vergroten.[305] En ook B. Reyndorp kwam met een zelfde kritiek toen hij schreef dat ‘de tijdstip van de plaatsing van dit artikel zeer ongelukkig’ was.[306]

Weinig critici mochten echter hun mening in De Vrije geven. Een van hen was M. Lansink sr. die vond dat dit soort van artikelen het anarchisme in het vaarwater van de NSB leider Mussert bracht. Hierop antwoordde de redactie dat de hele discussie een ‘gasconnade’ tegen De Vrije was, begonnen door het concurrerende blad De Syndicalist.[307] De strijd tussen de verschillende bladen en niet de inhoud van de artikel werd als oorzak voor protesten gezien. Daarentegen steunde de redactie de inhoud van een ander ‘protestartikel’. M. Moerekerken schreef: ‘Laten wij dit wel voor ogen houden, vooral ten aanzien van de Joden, daar zij onze morele steun heden méér dan nodig hebben, niet door het verzwijgen der feiten; door hun zwakheden en fouten te verdoezelen; doch daarnaast ook hun goede kwaliteiten, die eveneens tot het wezen van het Jodendom behoort, naar voren te brengen.’[308] De redactie was zich bewust van er in Duitsland gebeurde en merkte dat men met dit soort artikelen niet echt meehielp in het strijd tegen het fascisme.

De Vrije was namelijk wel antifascistsich. We zien dit bijvoorbeeld in een artikel met de naam ‘Sieg Heil!’ waarin het fascisme met de alcohol werd vergeleken. De alcohol is volgens de schrijver niet ‘het gevaarlijkste hersenvergif. Wie ‘s avonds van alcohol dronken is, is de volgende dag weer nuchter. Wie aan de fascistische „cocktail“ zich overgeeft is permanent bezopen.‘ Verder schreef hij onbewust voorspeelend: ‘Wat zal de ontnuchtering daarvan vreselijk zijn!’[309] Maar het antifascisme ging soms wel samen met een soort antisemitisme. In het artikel ‘Rond de Duitse- Joodse tragedie’ beweerde J. Drenth dat er een ‘Joods probleem’ was dat opgelost moest worden. Hij voegde daaraan toe dat het niet het belangrijkste ‘levens-probleem’ was en schreef ‘wij willen ten sterkste protesteren tegen de onmenselijke manier, waarop de Duitse machthebers menen, dit probleem te moeten stellen en oplossen’.[310]

Ook hierna verschenen altijd weer lange of korte artikelen die joden en het jodendom als centraal thema hadden. De houding van De Vrije Socialist kwam neer op een paar punten. Het eerste punt was ‘assimilatie’. Volgens de schrijvers van De Vrije moesten de joden zich ‘assimileren en ervoor zorgen, dat aan de assimilatie niets in de weg wordt gelegd. Daarmee zal ook het anti-semitisme spoedig verdwijnen’[311]. Ook dit veronderstelde weer dat de joden anders waren dan Nederlanders. Zo werd bijvoorbeeld geschreven dat de joden ‘-op enkele lofwaardige uitzonderingen na- tot in een bijna vijftigjarige generatie Joden gebleven [waren], een natie vormend in de natie’[312] en dat het beter voor hun was niet meer aan ‘hun natie te hangen’[313]. De stelling van deze schrijvers was dat ‘assimilatie’ tot het eind van het antisemitisme zou leiden, maar ze zagen niet dat het voor joden soms nog steeds moeilijk was om in bepaalde groeperingen binnen te komen, omdat ze joods waren. Een zeker antisemitisme leefde in de jaren ‘30 nog steeds onder brede kringen van de Nederlandse bevolking. In deze niet-joodse kringen werd het de joden duidelijk gemaakt dat zij niet helemaal mochten assimileren.[314]

Een tweede punt was de houding tegenover godsdienst. Een keer per week waren er twee van de vier bladzijden aan min of meer religieuze thema’s gewijd. Natuurlijk werd er de vrije gedachte gepropageerd. Godsdiensten werden aan de kaak gesteld. Daarbij hoort ook de joodse godsdienst. En daarmee motiveert De Vrije ook zijn houding tegenover de joden.[315]

Dat er belangrijke verschillen tussen de christelijke godsdiensten en de joodse te vinden zijn, komt minder aan de orde. Een verschil is bijvoorbeeld dat veel joden minder verzuild waren dan christenen. Slechts een minderheid vormde een gemeenschap waarin het joods-zijn bijna het hele dagelijkse leven bepaalde.[316] Omdat de joden een kleine gemeenschap vormden was het ook niet mogelijk om alles binnen een zuil te houden. Ze moesten zich dus vaak sterker aan andere maatschappelijke groeperingen en instellingen ‘assimileren’ dan christelijke Nederlanders die in de eigen zuil konden blijven.

Het derde opvallende punt in de houding van De Vrije was het antizionisme. Omdat De Vrije in het zionisme een nationalistische en imperialistische stroming zag werd het bestreden. Het werd ook als een oorzaak van het antisemitisme gezien.[317] In het laatste had De Vrije waarschijnlijk gelijk. En in de antizionistische houding lag De Vrije op een gelijke lijn als andere socialistische groeperingen.[318] Maar ook in dit geval werd niet echt genuanceerd verslag gedaan. Dat zich binnen de joodse gemeenschap een strijd om het zionisme afspeelde[319], werd niet echt weergegeven. Men krijgt het gevoel dat zionisme en jodendom bijna identiek zijn.

Het vierde punt is het kapitalisme van de joden. Niet alleen het nationalisme en imperialisme, maar ook het kapitalisme van joden werd bekritiseerd. Dit element van de houding tegenover de joden getuigt weer sterker van antisemitisme. De joden kregen namelijk een bepaalde eigenschap toegedicht: Het kapitalisme zou in hun bloed zitten. Toch de joden zouden daarom niet vernietigd werden. Het kapitalisme zou vernietigd werden. De joodse arbeiders zouden in deze strijd meedoen. En dat was dus volgens de schrijver van dit artikel een manier van assimilatie.[320]

Rijnders die waarschijnlijk achter een groot deel van deze artikelen stond ontkende een antisemiet te zijn. Maar hij had ook later nog vreemde opvattingen. In een van zijn tijdens de oorlog gepubliceerde brochures gaf hij zijn visie op de rassentheorie. Hij schreef dat de joden tot het ‘Kaukasische ras’, zoals de Europeanen, behoren, maar dat ze nu voor het ‘uiten een afzonderlijke „volksgroepering“ te zijn gestraft worden’.[321]

Het toedichten van bepaalde eigenschappen aan de joodse bevolking en de roep om assimilatie getuigen van een antisemitisme. Omdat de Nederlandse joden niet gelijk aan andere maatschappelijke groeperingen behandeld werden, ben ik van mening dat het hier om een soort antisemitisme ging. De Vrije schreef nooit dat gereformeerden zich moesten assimileren of dat katholieken bepaalde typerende eigenschappen hadden.

We kunnen concluderen dat De Vrije Socialist antisemitische eigenschappen had, maar als we naar het volgende onderwerp kijken moeten we ook zien dat er tijdens de bezetting bijna geen woord aan het onderwerp ‘joden’ gewijd werd. De Vrije was antisemitisch gekleurd, maar daarom niet fascistisch. Dat bepaalde uitspraken de andere kant hielpen werd in mei 1940 herkend. Een ‘Joodse vraag’ bestond er voor De Vrije niet meer.

De Tweede Wereldoorlog was aanstaande. De Vrije Socialist koos niet voor een bepaalde kant maar voor het onbeperkt antimilitarisme dat we ook al bij andere anarchistische groeperingen hebben gezien. Op 26 juni 1939 verscheen al een speciaal ‘anti-oorlogsnummer’. De dreiging van de oorlog werd dus gezien. Deze dreiging nam nog toe met het Hitler-Stalin-Pact. De Vrije verzette zich helemaal tegen dit pact. Ze beweerden zelfs dat de ‘enige ware vijanden van dit „pact“ zullen wij zijn: de anarchisten’. De schrijver vroeg zich namelijk af waarom niet alle ‘verslavenden regeringen’ aan dit pact meededen.[322]

Na de aanval op Polen verscheen een groot artikel met de titel ‘Hitler’. Hitler zelf werd niet als het grootste kwaad gezien. De ‘brandstichters’ waren volgens de schrijver de ‘Duitse militairen en bezitters’. Toch werd ‘Hitler’ als een metafoor van het kwaad gebruikt, toen iedereen die macht had, ook de parlementen, als ‘Hitler’s’bestempeld werden. De conclusie was dat het probleem van de oorlog niet door de strijd tegen Hitler, maar door ontwapening moest worden opgelost.[323]

‘Oorlogvoerende arbeiders denken niet, denkende arbeiders voeren de oorlog niet‘ en de oproep tot ‘de oorlog aan de oorlog’ waren de kreten van De Vrije Socialist.[324] Consequent werd elke vorm van gewapende oorlog bestreden. De oorlog in Finland zou met door zich verzettende arbeiders opgelost kunnen worden.[325] Maar het militante verzet van Finse arbeiders tegen de Sovjetunie werd veroordeeld. In De Vrije werd geschreven: ‘Hulp aan Finland? Neen! Partijkiezen voor Finland is even mensonterend als partij te kiezen voor Sovjet-Rusland!’ En vervolgens werd beweerd: ‘Vrede is alleen mogelijk door anti-militarisme.’[326] Het bolsjewisme werd natuurlijk fel verworpen, maar ook anarchistische groeperingen die zich niet tegen de militante strijd verzetten werden veroordeeld.

De oplossing voor het bedreigde Nederland was volgens De Vrije ‘neutraal blijven’. Als voorbeeld werd Denemarken genomen waar na de inval van Duitsland ‘slechts drie doden’ vielen. Nederland zou neutraal blijven in plaats van zich te bewapenen.[327] De Vrije besefte dat de oorlog met Duitsland voor de deur stond. Toen de staat van beleg af werd gekondigd, nam De Vrije al de positie in die het na de bezetting zou bewaren: ‘[W]e kunnen niet veel verliezen [...] Laat ons dus rustig zijn. Het hoofd koel en het hart warm.’[328]

In de traditionele mei-nummer werd nog een keer opgeroepen tot antimilitarisme.[329] Iets dat op een manier door aanhangers van De Vrije gedaan werd. Als we namelijk de dienstweigeraarslijst, die elke week gepubliceerd werd, bekijken, zien we dat deze lijst steeds langer werd. Maar de oorlog en de bezetting kon ook met dit middel niet meer voorkomen worden. Op 4 mei was er een uitspraak in De Vrije dat het fascisme in Nederland al begonnen was, omdat generaal Winkelman meer macht kreeg.[330] Een paar dagen na deze uitspraak werd Nederland bezet. De Vrije Socialist werd tijdens de aanval niet uitgegeven.

Voor ik De Vrije tijdens de bezetting onderzoek wil ik nog eens op de positie tegenover het fascisme voor de bezetting kijken. De positie tegenover Hitler was, zoals beschreven, dezelfde als tegenover andere machtige leiders. In de artikel ‘Chamberlain of Hitler?’ was het antwoord: ‘Machthebbers zijn voor ons in diepste wezen allen gelijk’.[331] De anti-Hitler-houding was in de eerste plaats een anti-macht-houding, niet een antifascistische houding. Maar dat Hitler niet geliefd werd kwam ook naar voren, bijvoorbeeld doordat De Vrije moppen over Hitler publiceerde.[332] In een andere artikel werd erop gewezen dat er gruwelen in het ‘Derde Rijk’ gebeuren, hoewel de verslaggever vond dat het niet heel erg was.[333] De Vrije leek vrij naïef over Hitler en de gebeurtenissen in Duitsland.

Een veel sterkere positie nam De Vrije in tegenover de NSB. De NSB werd fel afgewezen. Ze werd vaak bekritiseerd. Maar volgens De Vrije zou ze niet verboden worden. ‘Laat ze praten’, eiste een schrijver van De Vrije. De NSB zou volgens hem op die manier niet op straat gaan vechten en zou laten zien dat de nationaal-socialistische ideeën niet vernieuwend waren. ‘Het is alles oud [...] Nieuw zijn alleen hun vlagetjes, insignes, hun rethorieke poppenkasterijen en hun strijdkreetjes.’[334] Duidelijk kwam ook de houding tegenover jodenprogroms van de NSB naar voren. Zij werden veroordeeld en de Nederlandse regering werd ervan beschuldigd op het rechte oog blind te zijn.[335] Toen de Tweede Kamer een paar maanden later over maatregelen tegen pogroms van knokploegen van de NSB praatte, verscheen ook weer de andere houding van De Vrije tegenover de joden. ‘Wij gunnen de Joden bescherming, hoewel wij het beter achten dat zij zichzelven beschermen’, vond een schrijver en stelde voor ook voor bescherming van andere minderheidsgroeperingen zoals de vrije socialisten te zorgen.[336] En later verscheen een nog heftiger commentaar over dit onderwerp dat weer de al bekende positie laat zien. ‘De Joden moesten ophouden met het zich veilig denken achter beschermer. Zij moeten zichzelven beschermen. Zij moeten zich veel meer assimileren, breken met hun „natie“- en kliekgeest.’[337] Duidelijk wordt in dit geval dat de anti-NSB-houding van De Vrije niet samenging met een duidelijke solidariteit met de joodse bevolking.

De benadering van de NSB voor de bezetting, zoals we al in het laatste hoofdstuk gezien hebben, werd niet goedgekeurd. ‘De NSB speelt een smerige rol’ is de naam van een artikel, waarin de NSB voor de ‘exploitatie’ van de anarchistische beginselen en Ferdinand Domela Nieuwenhuis veroordeeld werd. De NSB was volgens de schrijver een ‘bedrieger’.[338] De NSB werd echter niet geboycot. Meerdere malen gingen sprekers van De Vrije debateren met NSB’ers. De anarchist G.J. de Bruin deed bijvoorbeeld verslag van een vergadering van de NSB die hij bezocht had. Omdat een uitgenodigde NSB-spreker niet kwam opdagen begon hij over de verschillen tussen het anarchisme en het nazisme te praten. Deze verschillen waren volgens hem de tegenstelling dictatuur en vrijheid, de nationaal-gerichtheid van de NSB en het internationalisme van de anarchisten, de partij van de nazi’s tegenover de anarchistische individualistische overtuiging en uiteindelijk het kapitalisme van de nazi’s en het anti-kapitalisme van de anarchisten. Hij kwam er levendig uit en riep op dat alle anarchisten naar dit soort vergaderingen moesten gaan.[339]

Kort na het verschijnen van dit verhaal werd Nederland bezet. Op 23 mei 1940 kwam De Vrije weer uit. De redactie wilde ook onder de ‘gewijzigde omstandigheden’ gewoon doorgaan. Gewijzigd waren wel een aantal dingen in De Vrije: Het citaat van Domela Nieuwenhuis en de ondertitel ‘sociaal-anarchistisch blad’ die altijd aan het begin stonden, en de dienstweigeraarslijst waren verdwenen. Het blad kwam eerst maar een keer per week uit. De inhoud leek gecensureerd en bestond uit berichten over geïnterneerden, boekbesprekingen en de algemene kreet ‘laten we maar rustig doorgaan’.[340] Het laatste doet denken aan de uitspraak van generaal Winkelmann na de capitulatie van het Nederlandse leger.[341] ‘Rust en orde bewaren’ en ‘vertrouwen op de toekomst’ waren ook de kreten van De Vrije. In dit opzicht verkeerde deze krant niet in een radicale uitzonderingspositie in het Nederland na de Duitse inval.

Omdat De Vrije het enige anarchistische blad was dat doorging volgden gauw oproepen tot medewerking van voormalige schrijvers van andere kranten. Maar in de eerste plaats wilde men de lezers van de ‘gevluchte’ bladen zoals De Syndicalist, De Vrijdenker of De Arbeider op zijn zijde krijgen.[342] De Vrije was dus de enige vertegenwoordiger van het anarchisme op het gebied van kranten in bezet Nederland.

Rijnders vond het niet erg om door te gaan. Hij motiveerde deze beslissing met het smoesje dat de NSB en christelijke bladen ook doorgingen. Zijn medewerkers schreven in andere artikelen dat ze deze stap geweldig vonden. In het artikel ‘Nú geen lafheid meer’ schreef E. Zwart dat het ‘geen tijd om bang te zijn’ was, en hij toonde ook bewondering voor de strijd voor ‘menselijkheid en recht’ van Rijnders.[343]

Ook werd een soort verzoening gepropageerd. Er zou geen vijandschap heersen, ook niet tegenover de Duitsers[344]. De NSB werd getolereerd. Het colporteren met de NSB-krant ‘Volk en Vaderland’ zou niet gehinderd worden en provocaties zouden worden vermeden.[345] Maar de positie tegenover de NSB veranderde in principe niet. Al gauw drukte De Vrije weer felle anti-NSB artikelen af. Soms verschenen in het blad, dat vanaf midden juni weer twee keer per week uitkwam, meerdere artikelen die tegen de Nederlandse nazi’s gericht waren. Een verslag over een ‘N.S.B.- meeting’ werd als ‘kinderachtige gedoe’ afgedaan. Verder werd er geschreven: ‘Alles bijeen was deze N.S.B.-betoging niet veel zaaks. De Nederlanders zijn vooralsnog voor het overgrote deel niet ontvankelijk voor de nationaal-socialistische gezindheid en hoe meer de N.S.B. ageert, hoe minder dat het wordt.’[346] Ook de Nederlandse Unie werd niet als een alternatief, maar als hetzelfde als de NSB gezien.[347] De kritiek op de NSB en de NU betekende echter niet dat de Duitsers bekritiseerd werden.

In een ‘open brief’ aan de nieuwe machthebbers schreef E. Zwart: ‘Wij zijn u niet onsympathiek gezind [...] kunt u die N.S.B.-ers niet een beetje tot orde roepen?’[348] Vertrouwde men dus de Duitsers? Zoiets blijkt tenminste ook uit een ander commentaar, waarin dezelfde schrijver vertelde dat hij de macht liever aan de Duitsers dan aan de NSB of de katholieken of sociaaldemocraten zou geven.[349] Deze houding moet als pro-Duits uitgelegd worden. Het was waarschijnlijk echter niet een pro-Duitse gezindheid maar andere redenen die daartoe leidden. Ten eerste was er een naïef optimisme dat er een ‘nieuwe tijd’ zou komen die beter was dan de tijd voor de oorlog. ‘Kop op! Fris en moedig vooruit!’[350] was de kreet. Ten tweede was er de nihilistische houding ten opzicht van het gezag dat al voor de oorlog bestond, namelijk dat het eigenlijk geen groot verschil maakte wie aan de macht was. ‘Inmiddels is ons gezagsverandering of gezagsbestendiging vrijwel onverschillig. Het liefst hebben wij „laat zitten wat zit“, maar als de zitters worden verjaagd en vervangen door andere, ook al goed. Wij gaan door.’ Op die manier werd tegen het gezag aangekeken. Volgens de schrijver van dit artikel is het niet erg dat het ‘Oranjehuis’ en de oude regering weg is, want het oude gezag ‘was niet beter’. Gemotiveerd werd dit door het voorbeeld van de imperialistische oorlog in het indonesische Atjeh die rond de eeuwwisseling door de Nederlandse regering gevoerd werd.[351] De derde reden waarom de Duitsers niet veroordeeld worden was de angst dat De Vrije verboden zou worden.

Minder begrijpelijk is dat in een ander artikel Hitler geciteerd werd: ‘Hitler heeft het onlangs gezegd en vóór hem is het zo vaak gezegd: Het gezond verstand moet zijn rechten hernemen. Geen zware theorieën, geen buitenissigheden: gezond verstand bij de arbeiders. Lukt het nooit om dit voldoende te bevorderen, dan blijven oorlog en honger de mensenwereld tot schande strekken.’[352] Dit ‘gezonde verstand’ moest dan wel Hitler vervangen bleek later in een ander artikel: ‘Eén volk? Best. Maar dan de mensheid. Eén land? Hoel [sic!] goed. Maar dan de wereld. Eén Führer? Uitstekend. Maar dan het gezond verstand.’[353] Oude anarchistische idealen gingen dus samen met begrip voor Hitler.

De nationaal-socialistische ideologie werd ten dele wel bestreden: ‘Wij hebben een buitengewone aversie tegen al dat gezwam over ras- en volkssuperieuriteit. Wij kennen slechts de mens en de menselijkheid gaat bij ons boven alles. Dat geleuter over die ras- en volkseigenschappen moest nu eens uit zijn. Men kan weten, dat alle rassen en volken hun goede en slechte menselijke eigenschappen hebben. Die goede eigenschappen van elkander overnemen, elkander van de slechte eigenschappen genezen... dat is urgent... Dat zou „wedergeboorte“ zijn van de mensenwereld.’[354] Dit was waarschijnlijk de scherpste uitspraak tegen het fascisme die De Vrije ooit maakte tijdens de bezetting. Indirect nam dit blad nog een paar keer stelling tegen de ideologie. Dat gebeurde vooral door de nog steeds kritische houding tegen oorlog en militarisme. En tegelijkertijd werd ook voor de welvaart van de arbeider gestreden. Bijvoorbeeld werd minder arbeidstijd, meer loon en meesprakerecht in bedrijven geeist.[355] Ook een citaat van Domela Nieuwenhuis stond vanaf 13 juni weer bovenaan.

Als we dit soort antifascistische uitstapjes bekijken komt het niet onverwacht dat De Vrije Socialist na 31 augustus 1940 verboden werd. Volgens Gerard Rijnders waren de hele tijd ‘beslagneming, huiszoekingen, roof en plunderingen [...] aan de orde van de dag’. De SD kwam een paar keer langs om de uitgevers van De Vrije te waarschuwen.[356] Na het verbod ging Rijnders door en gaf brochures over de oorlog uit. Hij publiceerde een ‘libertaire serie’ en een ‘vredeskalender’. Deze serie werd uitgegeven door de Bibliotheek voor Ontspanning en Ontwikkeling, die later ook verboden werd.[357] Het is indrukwekend dat de B.O.O. tussen 1906 en 1947 tenminste 380 boeken en brochures uitgaf.[358]

Na de oorlog kwam De Vrije weer opnieuw uit. Er waren pogingen om een gezamenlijk anarchistisch blad uit te geven. In 1946 bestonden dit soort plannen tussen De Vrije, Socialisme van onder op! en De Vlam. Maar niemand was bereid zijn eigen blad af te staan. Rijnders bleef hoofdredacteur tot zijn dood in 1951.[359] De Vrije bestond tot in de jaren ‘90 als tijdschrift. In 1998 komt geen eigen blad meer uit, maar een brochurereeks.[360]

Afsluitend concludeer ik dat De Vrije Socialist in principe niet fascistisch was, niet net voor noch tijdens de oorlog. Maar een vorm van antisemitisme en de naïeve houding tegenover Hitler en de Duitse bezettingsmacht bewijzen wel dat het blad ook ‘foute’ trekken had. Afsluitend zal ik zeggen dat bepaalde antifascistische uitspraken tijdens de bezetting de eer van het blad een beetje gered hebben. De Vrije Socialist onder het bestuur van Rijnders was niet tijdelijk fascistisch geworden, maar het kwam er in de buurt.


4.3. ‘Foute’ anarchisten of nazi’s die ooit anarchisten waren?

We hebben gezien dat er stromingen binnen het anarchisme waren die vrij dichtbij het fascisme kwamen. De rapaillisten waren geen fascisten, maar hun mentaliteit had bepaalde overeenkomsten met het fascisme. Gerard Rijnders van de Vrije Socialist bleef een vrije-socialist en pleegde zelfs een soort verzet tijdens de bezetting, maar sommige van zijn ideeën waren antisemitisch. Het antisemitisme was ook een verschijnsel dat bij andere anarchisten voorkwam. We vinden antisemitisme al bij Bakoenin en Proudhon.[361] Ook ‘niet zo joodsgezind[e]’ Amsterdamse Anarchisten zouden bijvoorbeeld antisemitische leuzen zoals ‘Koop niet bij Joden’ op de Harlemmerweg geschilderd hebben.[362] Wanneer deze gebeurtenissen plaatsvonden is niet duidelijk. Maar we moeten dit antisemitisme in het kader van een algemeen links antisemitisme plaatsen. Toch kunnen we antisemitisme in De Vrije van 1939 gegeven de situatie in Duitsland als ‘fout’ beschouwen. Duidelijk fascistisch waren echter anarchisten die op een gegeven moment lid worden van een nationaal-socialistische of fascistische partij.

De anarchist Wim Mager beweerde dat veel anarchisten van een fascistische partij lid werden om deze te ondermijnen. Er zou zelfs een chauffeur van Mussert geweest zijn, een zekere Bonset, die anarchist was. De voormalige IAMV secretaris Simon Kaper stelde dat er een verbroedering tussen NSB’ers, communisten en anarchisten plaats vond omdat ze samen in de meidagen 1940 geïnterneerd werden.[363] Zij werden allen als vijanden van de Nederlandse staat beschouwd. Voor sommigen maakte dit een overstap van rechts naar links makkelijker.

Ook bepaalde alarmisten zouden de nazi-kant gekozen hebben. Voor hun was deze stap gemakkelijker omdat ze al ‘ontworteld en onthecht van het arbeiders-anarchisme waren’ en zelfs tegenover bepaalde arbeiders kwamen staan.[364] Wim Jong beweerde dat een alarmist, Errico Ferdinad, bij de SS ging om tegen het Britse imperialisme te vechten. Hij raakte al snel gewond in Joegoslavië.[365]

Twee voorbeelden van fascistische ex-anarchisten zijn de broers Oversteegen. Ook Joop, de broer van George kwam in aanraking met het fascisme. Joop was een aanhanger van ‘het anarchisme van de daad’. Hij was lid van de Vrije Jeugd Vereniging en werkte een tijdje in de commune ‘De Ploeg’ mee. Al in 1934 stichtte hij met de Amsterdammer A. Suurmond en de Amstelvener J.N. Swierstra de Nationaal Socialistische Werknemer Organisatie (NSWO). Binnen twee maanden had deze organisatie 5000 leden waaronder communisten en anarchisten. Het laatste verontrustte de NSBleiding en Overstegen werd geroyeerd. Daarna vond hij een plek bij de Nationaal Socialistische Nederlandse Arbeider Partij van majoor Kruyt (NSNAP-Kruyt). Rond 1936 deed hij mee in de groep van Hein van Waveren, de NSNAP-‘NACI’. Zijn partij-lidmaatschap bracht hem in mei 1940 naar een interneringskamp in Hoorn. Zijn rol tijdens de oorlog is niet echt duidelijk. Maar in 1941 was hij lid van de NSNAP-van Rappard geworden en werkte als bouwvakker en misschien als propagandist in Noord-Frankrijk. Maar hij deed niet meer mee toen deze NSNAP groep deel van de N.S.B. werd. Na de oorlog beweerde ook hij dat hij in feite een verzetsstrijder was en de vijand ondermijnde. Verwanten van hem beweerden echter dat hij zijn zoon had gedwongen tot dienst in de SS. Deze sneuvelde aan het oostfront. Waarschijnlijk zat Joop Oversteegen nog gevangen.[366] Opvallend is dat hij, zoals zijn broer, beweerde nooit echt fascist geweest te zijn. Maar dat beweerde waarschijnlijk de meerderheid van ex-nazi’s na de oorlog.

Twee andere voorbeelden vinden we in de kunstenaarswereld. De beeldhouwer Johan Polet was NSB’er geworden. Dit is zeer pijnlijk, want hij had het Ferdinand Domela Nieuwenhuis-monument gemaakt.[367] Maar zoals we gezien hebben werd juist Domela door mensen als Mussert misbruikt. Polet was al in 1929 in fascistisch vaarwater gekomen. Hij was de voorzitter van het ‘Comité ter behartiging van de belangen der nabestaanden van Erich Wichman’ dat geld verzamelde voor het gezin van de overleden kunstenaar. In dit comité bevonden zich ook een paar mensen uit de fascistische ‘De Bezem’-groep.[368] Tijdens de bezetting hoorde Polet bij een groep collaborerende kunstenaars die lid van de Kultuurkamer werden. Hij stemde tegen een voorstel van Nederlandse beeldhouwers om alle instellingen van de ‘Nieuwe Orde’ van de nazi’s te boycotten. Als vertegenwoordiger van de SS-ideologie was hij zelfs lid van de Kultuurraad geworden. Toch zou hij belangrijk steun aan vervolgde joden en aan de illegaliteit hebben gegeven.[369]

Een andere ex-anarchist die nazi geworden was, was Nico de Haas. Ook hij kwam uit een anarchistisch gezin en was in zijn jeugd betrokken bij de anarchistische jongerenbeweging. Al tijdens zijn lidmaatschap bij het VJV begon zijn kunstenaarsloopbaan. Hij ontwierp bijvoorbeeld voorpagina’s van anarchistische jongerentijdschriften. Hoe belangrijk de grafische uitdrukkingswijze is in het voeren van propaganda leerde hij vooral toen hij lid was geworden van de Communistische Partij. Als een belangrijk middel in de klassenstrijd ziet hij de fotografie. Samen met andere communistische kunstenaars zoals Joris Ivens en Cas Oorthuys richt hij de Vereeniging van Arbeidersfotografen op. Hun foto’s in hun tijdschriften ‘De Arbeiderspers’ en ‘Wij’ geven deze mannen ook nu nog een plaats in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Nico de Haas, die ook schrijver was, publiceerde ook de ‘vijf punten van de Nieuwe Fotografie’ in navolging van ‘de vijf punten in het Nieuw Bouwen’ van Le Corbusier. Maar in 1936 veranderde hij plotseling van politieke kleur, hij werd lid van de NSB.[370] Zijn vriendschap met Rost van Tonningen liet hem al gauw in het uiterst rechtse hoek van de NSB belanden. Hij hoorde bij de zogenoemde ‘volksche’ groepering die in het algemeen nog racistischer was dan de rest van de NSB. Hij begon vervolgens oude Germaanse symbolen in zijn kunst te integreren. Tijdens de bezetting ontwierp hij een nieuwe munt die ook verspreid werd.[371] Hij bracht ook radicale kunstopvattingen binnen de nationaalsocialistische beweging. Verder werkte hij mee aan verschillende NSB-kranten waarin hij soms een leidende functie had. In Storm, Hamer, Groot Nederland en het Nationale Dagblad schreef hij ook. Zo vormden zijn gedichten een heel belangrijk deel van de publicaties van Groot Nederland.

Interessant is dat hij bepaalde anti-fascistische schrijvers zoals Henriette Roland Holst, Jef Last en Theun de Vries bleef waarderen. Maar hij wist dat men daarom niet zijn nazi verleden zou vergeten. Hij verdween na de oorlog. Eerst vocht en fotografeerde hij in de Franse vreemdelingenlegioen in Indochina onder de naam B. Andrix. Daarna woonde hij in Marokko. Met een nieuwe identiteit ging hij uiteindelijk terug naar Europa. Als Bernhard Berger werkte hij in Duitsland als architect en schilderer. Zijn eerste novelle ‘Tha-kanee’ verscheen zelfs in een bloemlezing, waarin ook Hölderlin, Thomas Mann, Rilke, Hesse, Tucholsky, Brecht en Kafka gepubliceerd werden. Later ontwierp hij weer politieke grafiek, bijvoorbeeld anti-kerncentrale-kunst voor de Deutsche Grünen. [372] Hij stapte dus uiteindelijk weer aan de linkse kant van de politiek.

De reden waarom deze mensen hun anarchistische gezindheid voor de fascistische verruild hadden vinden we in de verklaringen aan het begin van dit deel. De bewering, ondermijnende plannen te hebben gehad, vind ik niet erg geloofwaardig. We moeten ons bewust zijn dat het resultaat van het meest verschrikkelijke politieke experiment van deze eeuw niet bekend was toen deze anarchisten hun gezindheid veranderden. Velen geloofden zelfs dat het fascisme hen sneller de verwezenlijking van het anarchisme zou brengen dan het actievoeren binnen anarchistische groepringen.[373] Opvallend in de net genoemde voorbeelden is dat ze allemaal uit anarchistische gezinnen kwamen. Hun ouders, broers en zussen waren ook anarchisten. Was het misschien ook een soort rebellie tegen hun achtergrond dat ze opeens fascisten werden? Deze verklaring lijkt me niet zo gek. Er was bijvoorbeeld een zekere Thijs Vlam die in de jaren ‘30 dienst moest weigeren omdat het een soort familietraditie was. Hij kwam tijdens zijn gevangenschap nog wel voor het anarchisme op, maar in 1939 of 1940 werd hij lid van de NSB. Tijdens de oorlog sneuvelde hij aan het oostfront.[374]

Het is duidelijk dat het onderwerp ‘anarchisme en fascisme’ verder onderzoek en discussie verdient.


5. Slotbeschouwing

5.1. Een blik vooruit

Voor ik conclusies wil trekken wil ik nog even kijken naar wat er na de oorlog gebeurde. Jo de Haas en Chris Lebeau werden op verschillende manieren herdacht. In Appelscha werd een gedenkteken voor Jo de Haas opgericht.[375] Lebeau herdacht men vooral als kunstenaar, onder andere met een grote tentoonstelling in 1987.[376]

De syndicalisten gingen op verschillende manieren door. Nog steeds verschijnt ‘De Anarcho- Syndicalist (De AS)’, een tijdschrift dat zich met verschillende anarchistische onderwerpen bezig houdt.

Van de anarchisten in het Noorden zijn nog een paar in het leven, en we kunnen ze soms nog op het ‘Kampeerterrein tot Vrijheidsbezinning’ zien. De Pinksterlanddagen hebben daar ook in 1998 plaats gevonden. Ze kregen dit jaar zelfs aandacht in belangrijke bladen zoals De Volkskrant en Vrij Nederland.

Arthur Lehning en Anton Constandse hebben door hun activiteiten na de oorlog en vooral door hun publicaties veel van het anarchisme voor ons bewaard.

Sommige verenigingen en kranten gingen ook na de oorlog nog door. Meestal veranderden ze hun naam. Dit betekende ook dat ze met andere mensen of groeperingen gingen samenwerken. Een goed voorbeeld is de IAMV die met de Jongeren Vredes Actie de Algemene Nederlandse Vredesactie vormde.[377]

Opvallend is dat bepaalde anarchisten het dogma van het antiparlemetarisme verwierpen en tijdelijk in politieke partijen particepeerden. Ik noem het antiparlementarisme een dogma omdat het niet duidelijk is in hoeverre we in de theorie van het anarchisme begrip voor parlemetaire representatie kunnen vinden. In Nederland werd het antiparlementarisme vooral na de ervaringen van Domela Nieuwenhuis in de Tweede Kamer een soort dogmatisch stokpaardje. Toch het is zeker niet het ergste wat een pragmatisch anarchist kan doen. In de geschiedenis zien we dat vooral het anarchistische pacifisme op die manier een plek in de PSP vond.[378] Vandaag de dag zullen we zeker ook anarchistische gedachten in ‘Groen-Links’ en bij ‘De Groenen’ vinden.

Wat we hier zien is dat het anarchisme vooral als idee en als inspiratiebron overleeft. Dit kunnen we bijvoorbeeld ook in de ‘Ban-de-bom’-vredesbeweging en de Provo-beweging in de jaren ‘60 herkennen. De provo Roel van Duyn zei zelf: ‘Provo beschouwt het anarchisme als inspiratiebron voor het verzet. Provo wil het anarchisme vernieuwen en het onder de jeugd brengen.’ Hij gaf toe dat hij veel aan het anarchisme ontleende. Het ontbreken van een organisatorisch verband kwam van de vrije socialisten, het subculturele karakter van de Moker-jongeren en de ascetische inslag van de religieuze anarcho-socialisten. Maar van Duyn stond vooral onder de indruk van de theorie van Piet Kooijman. De ‘gedeclaseerden’ van Kooijman noemde hij het ‘provotariaat’. Dit bestond uit beatniks, studenten, artiesten en werkloze jongeren die tegenover het ‘klootjesvolk’, de verslaafde consumenten, stonden.[379] En juist Van Duyn ging later het parlement in. Hij is thans gemeenteraadslid in Amsterdam van De Groenen.

Anarchistische ideeën vonden later ook ingang in de de Provo opvolgende Kabouter-beweging, in de kraakbeweging, maar ook in de vrouwen- en milieubeweging.

De breuk die rond 1940 gebeurde betekende niet het einde van de anarchistische geschiedenis.


5.2. Conclusie

Zoals we gezien hebben kunnen we het Nederlandse anarchisme tijdens de Tweede Wereldoorlog als één geschiedenis beschouwen. Het Nederlandse anarchisme tussen 1939 en 1945 kent verschillende geschiedenissen.

Een geschiedenis is de geschiedenis van het verzet. Deden de anarchisten zonder aarzeling aan het verzet mee? Nee. Theoretisch was iedere mens die zich nog anarchist noemde antifascist. In de praktijk deden veel anarchisten mee aan kleine illegale activiteiten zoals de hulpverlening aan onderduikers. Maar verzet op grote schaal, zoals het verzet van de communisten, bestond niet. Ten eerste ontbrak er een krachtige organisatie. Veel anarchisten lagen met elkaar overhoop zodat er geen eigen organisatie opgebouwd kon worden. Sommige anarchisten deden wel mee aan andere verzetsgroepen. Ten tweede waren veel anarchisten kritisch tegenover andere verzetsgroepen. Er werd gevreesd dat het verzet de ‘oude krachten’, die men ook niet wilde, terug aan de macht zou helpen. Anarchisten hadden geen ‘oranjegevoel’. Deze gedachte werd niet pas na de oorlog als smoesje gebruikt, maar was al tijdens de bezetting aanwezig. Een derde punt is dat het antimilitarisme bij de Nederlandse anarchisten heel sterk was. Verzet was voor velen slechts met woorden mogelijk. En dit gebeurde, zoals we gezien hebben, soms ook. We kunnen de verzetskwestie ook op een andere manier benaderen. Veel anarchisten waren namelijk al voor de oorlog in een soort verzet tegen de overheid of leefden zelfs in de illegaliteit. Dit verzet werd alleen vaak niet voortgezet zoals dit in het geval van de communisten wel gebeurde.

Een andere geschiedenis is de geschiedenis van de collaboratie. Anarchisten die openlijk collaboreerden met de Duitse bezetter waren toen al geen anarchisten meer, maar waren zelf nazi’s geworden. Overeenkomsten tussen het fascisme en het anarchisme betekenden niet dat anarchisten met nazi’s gingen samenwerken. Het betekende wel dat sommige anarchisten naar de andere kant overliepen. Bepaalde anarchisten waren naief tegenover het fascisme. Er was ook op een ‘fout’ moment een vorm van antisemitisme in bepaalde vrij-socialistische kringen. Dat leidde echter niet tot collaboratie. Anarchisten werden door hun marginale positie in de samenleving vaak ook niet gedwongen tot coöperatie met de vijand. En we moeten ook beseffen dat anarchisten in het algemeen niet meer vatbaar voor fascistische ideeën waren dan aanhangers van andere politieke stromingen.

De Tweede Wereldoorlog was wel een bijzondere gebeurtenis in de anarchistische geschiedenis. Voor de oorlog was er meer hoop dan ooit een anarchistische maatschappij te kunnen verwezenlijken. Tijdens de oorlog vroegen veel anarchisten zich af hoe het verder moest.

Anarchisten die door de omstandigheden gedwongen waren over hun lot na te denken kwamen vaak tot de conclusie dat het anarchisme vooral als inspiratiebron moest voortbestaan. Na de oorlog ging het dan ook die kant op met het anarchisme. Maar het was niet alleen de Tweede Wereldoorlog die tot deze ontwikkeling geleid heeft. De utopie van de anarchistische samenleving werd al voor de oorlog, vooral door de Spaanse burgeroorlog, vernietigd.

Er is geen eind gekomen aan de anarchistische geschiedenis. Het lijkt erop dat het anarchisme ook het volgende millennium zal binnendringen. Een conclusie die de anarchist van de eenentwintigste eeuw uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog kan trekken is dat het belangrijk is met andere groepen samen te werken als men zich tegen slechte omstandigheden wil verzetten. Soms is het pragmatisch als men niet te sterk aan bepaalde dogmas vasthoudt. Dit betekent echter niet dat men bepaalde idealen niet kan nastreven. De verwezenlijking van een grote individuele vrijheid combineren met de sociale gedachte is geen slecht idee. Misschien zullen de ideeën van Jo de Haas, Albert de Jong, Anton Constandse, Piet Kooijman en alle andere anarchisten ooit weer van belang zijn.


6. Bronnen- en literatuurlijst

6.1. Primaire bronnen

6.1.1. Archieven

Anton Bakels (IISG)

Jo de Haas (IISG)

Martin Paulissen (IISG)

Tinus Veenstra (IISG)


6.1.2. Niet gedrukte bronnen

Akten der Geheimen Staatspolizei - Staatspolizeistelle Düsseldorf, dossier ‘Albert de Jong’ (RIOD, inventarisarchief 213).


Brieven van of aan ‘Der Befehlshaber der Sicherheitspolizei un des SD für die besetzten niederländischen Gebiete’ en processen-verbaal van de Gemeente Politie te Ooststellingwerf, Bolsward en Leeuwarden (RIOD, HSSPF 158a c, 158b, 158h l, 158i b, d en e).


Project Vooroorlogse Dienstweigeraars, transcripties IISG, interviews met:

Fré Boerema (interviewer: Andreas R. Mebius), 1991.

Klaas Drent (interviewer: Els Werkman m.m.v. Erik Wijnholds), 1991.

Jan Freeling (interviewer: Sicco Wittermans m.m.v. Thea Hoekstra), 1991.

Klaas Schwarts (interviewer: Gerard Dijkman), 1993.

Catharina Skörop-Boll (interviewer: Woudina Kampen), 1993.

Jaap Sterk (interviewer: Marike Jongman m.m.v. Mariët Bloemhof), 1991.

Jur Zuidema (interviewer: Niels van der Graaff), 1991.


6.1.3. Gedrukte bronnen

Eikeboom, Henk, en Wichman, Erich, ‘Pro en Contra’, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.


Fragmenten uit brieven van Wim Jong aan Hans Ramaer over anarchisme, geweld, activisme..., in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990. In memorian (Lijst van joodse slachtoffers die uit Nederland werden gedeporteerd), Den Haag 19952, 355. (RIOD)


Meijer Wichman, Clara, Het recht tot straffen, in: Ramaer, Hans, De piramide der tirannie. Anarchisten in Nederland, Amsterdam 1977.


De Nederlandsche Coöperatieve Girocrediet-Ring U.A. Wat is en wil De Ring? overdruk van een propaganda-artikel, dat door een bevriend blad werd opgenomen, ‘s Gravenhage [1939 of 1940]. Proudhon, Pierre-Joseph, Über das Prinzip der Föderation, in: Ramm, Thilo (Hg.), P.J. Proudhon, Ausgewählte Texte, Stuttgart 1963.


Reclamebrochure voor de Pinksterlanddagen 1998.


Schuurman, Herman, Werken is misdaad, in: Ramaer, Hans, De piramide der tirannie. Anarchisten in Nederland, Amsterdam 1977.


De Syndicalist, 1939-1940. (IISG)


De Vrije Socialist, 1939-1940, 1945. (IISG)


Westerbork kartotheek. (RIOD)


6.2. Secundaire literatuur

6.2.1. Scripties

Burght, Fike van der, Die Moker en Alarmgroepen bestonden niet om te bestaan als groep. Sociaal anarchistiese jeugdbeweging in Nederland 1918-1928, (Scriptie UvA) Amsterdam 1982. Deursen, Mark van, Dienstweigering in Nederland 1923-1940. Scriptie Universiteit Nijmegen, Nijmegen 1994.

Ebbes, Peter, Jo de Haas: uit het leven van een propagandist voor de anti-militaristische-, socialistische- en vrije gedachte, Scriptie RUG, Groningen 1984. Kloosterman, Elly, De Nederlandse anarchisten en de Spaanse Burgeroorlog. Hoe de Nederlandse anarchistische beweging uiteenviel door de gewelddadige strijd in Spanje tussen 1936 en 1939, Scriptie RUU, Utrecht 1979.

Nijdam, Jan Hendrik, De NSNAP-Kruyt. Een nationaal-socialistische splinterpertij in Nederland (1933-1941), oftewel: van kwaad tot erger..., Scriptie VU, Amsterdam 1986.


6.2.2. Artikelen in kranten

Berger, Marcel, Herdenking Jo de Haas, in: De Vlam, 20/10/45. (RIOD)

Boogard, Frank van den, Nico de Haas. Van links revolutionair tot nationaal socialist, in Jong Holland, no. 6, 1988, 16-25. (RIOD)

Broos, Kees, Drieloop, driespruit en driekruinenboom. Germaanse symbolen op Nederlandse munten, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 1988. (RIOD)

Dongen, Nol van, George Oversteegen. ‘Ik kan de wereld niet meer torsen’, in: De Groene Amsterdammer, 1/8/1990. (RIOD)

Gans, Jacques, In Memoriam. Toontje, in: De Telegraaf, 23/6/1964. (RIOD)

Harmsen, Ger, De Jong als geschiedschrijver van Nederland in oorlogtijd, in: De Groene Amsterdammer, 27/12/1969, ook gepubliceerd in: Jong, Louis de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 14, Amsterdam 1991, 74-90.

Jong, Rudolf de, Honderd jaar geleden werd De Vrije Socialist opgericht, in: De Vrije Socialist Honderd Jaar, (Uitgave: Recht voor allen, pinksterlanddagen 1998) Amsterdam 1998.

Kilian, Kitty, Lebeau’s grote werk in ‘The Grand’, in: NRC Handelsblad, 7/4/1992. (RIOD)

Leeuwen, Fred van, Bouke Koning - lotgevallen, in: Op de hoogte, VIII/3 (29/6/76). (RIOD)

Linden, Frénk van der, ‘Ach, hoe warm gloeit mijn hart als de anarchistische vlag wappert’. Het ongebroken idealisme van Arthur Lehning, in: NRC Handelsblad, 5/12/1992. (RIOD)

Schermerhorn, N.J.C., Henk Eikeboom, in: De Vlam, 1/9/45. (RIOD)

Slechte, C. H., Coremans. Een vergeten Rapaljaan, in: Spiegel Historiael, mei 1972, p. 274-279. (RIOD)


6.2.3. Naslagwerken, brochures, monografiën en biografieën

Aarts’ Letterkundige Almanak voor het Anne Frank-herdenkingsjaar 1995, De laatste bladzijde... Gewijd aan uitgevers, drukkers, boekhandelaren, typografen en omslagontwerpers die stierven in de oorlogsjaren 1940-1945, Amsterdam 1995. (RIOD)

Baele, Els van, Chronologie schets, in: Hunink, Maria, Kloosterman, Jaap en Rogier, Jan (redactie), Voor Arthur Lehning, Baarn 1979.

Becker, Frans, en Frieswijk, Johan, Bedrijven in eigen beheer. Kolonies en produktieve associaties in Nederland 1901-1958, Nijmegen 1976.

Berendsen, Hans, en Weeda, Rik, Uit de vonk zal de vlam oplaaien (Poesjkin): een analyse van de activiteiten en ideeën van de humanistisch-socialistische verzetsgroep rondom het illegale verzetsblad de Vonk, 1940-1945, Groningen 1980.

Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (BWSA), deel 1 - 7, Amsterdam 1986-1998.

Bois, Mechteld de, Chris Lebeau 1878-1945, Assen /Haarlem 1987.

Bultsma, Volkert, en Tuin, Evert van der, Het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond 1923-1940, Amsterdam 1980.

Collectief, Het Radencommunisme. Grondbeginselen van communistische productie en distributie, onder redactie van A.G. Dekker, L. Hornstra en P. Rodenko, Den Haag.

Constandse, Anton, Anarchisme van de Daad, Den Haag 1969.

ibid., De alarmisten 1918-1933, Amsterdam 1975.

ibid., De bron waaruit ik gedronken heb. Herinneringen van een vrijdenker, Amsterdam 1985. Derekamp, Paul, Lambertus J. Bot, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 6.

Gevers, Dick, Anarchisten en Anti-Semitisme, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.

Graf, Andreas G. en Nelles, Dieter, Studie zu Widerstand und Exil deutscher Anarchisten und Anarchosyndikalisten, in: Berner Rudolf, Die unsichtbare Front. Bericht über die illegale Arbeit in Deutschland (1937), (herausgegeben, annotiert und ergänzt durch Graf und Nelles) Berlin/Köln 1997.

Graaff, Bob de, Collaboratie en verzet. Een vergelijkend perspectief, in: Jonker , J.P.B., Kersten, A.E. en Plaat, G.N. van der (red.), Vijftig jaar na de inval. Geschiedschrijving en de Tweede Wereldoorlog, ‘s Gravenhage 1990.

Harmsen, Ger, Daan Goulooze. Uit het leven van een communist, Utrecht 1967.

ibid., Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, Amsterdam 1961.

ibid., De geschiedenis van de Jongelieden Geheelonthoudersbond. Van oprichting tot opheffing 1912-1950, [1962].

Hazekamp, Arie, Anarchisme in Noord-Nederland. 1918-1940, Amsterdam 1997.

Have, W. ten, Gezag in een vacuüm?, in: Jonker, J.P.B., Kersten, A.E. en Plaat, G.N. van der (red.), Vijftig jaar na de inval. Geschiedschrijving en de Tweede Wereldoorlog, ‘s Gravenhage 1990. Hirschfeld, Gerhard, Bezetting en collaboratie. Nederland tijdens de oorlogjaren 1940-1945, Haarlem 1991.

Hofman, Jack (eindred.), Ontwapend. Geschiedenis van 25 jaar PSP , Amsterdam 1982.

Hondius, Dienke, Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding, ‘s Gravenhage 1990.

Hornstra, L, P.A. Kooijman. Neem en Eet, Den Haag 1967.

Houten, Harmen van, Anarchisme in Drenthe. Levensherinneringen van een veenarbeider, Baarn 1985.

Hunink, Maria, Kloosterman, Jaap en Rogier, Jan (redactie), Voor Arthur Lehning, Baarn 1979.

Hunink, Maria, De papieren van de revolutie. Het IISG 1935-1047, Amsterdam 1986.

Jacobs, Pszisko, Henk Eikeboom. Anarchist, Haarlem 1986.

Jochheim, Gernot, Antimilitaristische Aktionstheorie, Soziale Revolution und Soziale Verteidigung. Zur Entwicklung der Gewaltfreiheitstheorie in der europäischen antimilitaristischen und sozialistischen Bewegung 1890-1940, unter besonderer Berücksichtigung der Niederlande, Frankfurt a. M. 1977.

Jong, Albert de, Documentatiemap: Albert de Jong (samengesteld door Rudolf de Jong), Utrecht 1988.

Jong, Louis de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 1-14, Amsterdam 1969-91.

De Jong, Rudolf, Anarchisme en ander rechts tuig, in: ibid. (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.

Jonge, A. A. de, Crisis en critiek der democratie. Anti-democratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de wereldoorlogen, Assen 1968.

Joosten, Leonardus Martinus Henricus, Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940, Hilversum/Antwerpen 1964.

Kessler, Mario, Antisemitismus, Zionismus und Sozialismus. Arbeiterbewegung und jüdische Frage im 20. Jahrhundert, Mainz 19942.

Kuipers, Hans-Jan, De wereld als werkplaats. Over de vorming van Kees Boeke en Beatrice Cadbury, Amsterdam 1992.

Nelles, Dieter, en Klan, Ulrich, Es lebt noch eine Flamme. Rheinische Anarcho-Syndikalisten/innen in der Weimarer Republik und im Faschismus, Grafenau-Döffingen 1986.

Noordegraaf, Herman, Anneé Rinzes de Jong, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 5.

Osta, J. van, Nationalisme en fascisme in Italië, in: Bosch, A., en Wessels, L.H.M., Veranderende grenzen. Nationalisme in Europa, 1919-1989, Nijmegen 1992.

Pauw, J. L. van der, Coremans, de Rapaljaan. Opkomst en ondergang van L. G. A. Coremans en zijn Rapaille Partij, Rotterdam 1986.

Ploeger, Derk, en Ploeger-Eimers, Cathrien, Dagelijks leven in de vrij-socialistische beweging in Groningen door hen zelf verteld, (opgeschreven door Wilbert Dekker, A.L. Constandse, Wantje Fritschy) Groningen 1979.

Ramaer, Hans, De piramide der tirannie. Anarchisten in Nederland, Amsterdam 1977.

ibid., De Alarmbeweging (1931-1939). Gesprek met een anarchist, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.

ibid., Het individualisme van Anton Constandse, Moerkapelle 1995.

Russell, Bertrand, Roads to Freedom. Socialism, Anarchism and Syndicalism, London 196611.

Saltet-Heddema, Sixta, Herinneringen aan Chris Lebeau, in: Bois, Mechteld de, Chris Lebeau 1878- 1945, Assen /Haarlem 1987.

Scheffer, H.J., Johan Jacob Lodewijk, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 2.

Schuur, J.K.G., Appelscha. Bolwerk van anarchisme en radicaal socialisme, Oosterwolde 1996.

Spoor, Ronald, Alexander Cohen, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 4.

Uittenhout, Ruud, Gerard Rijnders, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 5.

ibid., Gerhard Rijnders: Anti-semiet?, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.

Welcker, Johanna M., Franciscus Drion, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 1.

Winkel, Lydia E., De ondergrondse pers. 1940-1945, Amsterdam 19892.

Wit, Douwe de, Overdenkingen van een arbeidersjongen. Het levensverhaal van Douwe de Wit, (op papier gezet door E. de Jong) 1973.

Zondergeld, Gjalt, Een kleine troep vervuld van haat. Arnold Meijer en het Nationaal Front, Houten 1986.

ibid., Anarchisme en fascisme, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990.

ibid., Non-violent Resistance in the Netherlands During World War II, in: Grünewald, Guido (ed.), Dungen, Peter van den (ed.), Twentieth-century peace movements.Successes and failures, Lewiston 1995.

michael spahr, amsterdam, 30 juni 1998.


[1]Ramaer, Hans, De piramide der tirannie. Anarchisten in Nederland, Amsterdam 1977, 59.

[2]Guérin, Daniel, L’anarchisme. De la doctrine à l’action, Saint-Armand 1969; Woodcock, George, Anarchism. A History of Libertarian Ideas and Movements, Singapore 19838; Constandse, Anton, Anarchisme van de Daad, Den Haag 1969; Russell, Bertrand, Roads to Freedom. Socialism, Anarchism and Syndicalism, London 196611.

[3]Guérin, 13-15.

[4]Reclamebrochure voor de Pinksterlanddagen 1998.

[5]Constandse, Anarchisme, 22-24.

[6]ibid., 21 en 25.

[7]ibid., 25-26.

[8]ibid., 26-27.

[9]Proudhon, Pierre-Joseph, Über das Prinzip der Föderation, in: Ramm, Thilo (Hg.), P.J. Proudhon, Ausgewählte Texte, Stuttgart 1963.

[10]Constandse, Anarchisme, 27-30.

[11]Woodcock, 134-135.

[12]Constandse, Anarchisme, 27-30.

[13]ibid., 114-117

[14]Woodcock, 217.

[15]Constandse, Anarchisme, 175.

[16]Woodcock, 229-230.

[17]Russell, 55-60.

[18]Guérin, 68.

[19]Constandse, Anarchisme, 120-125.

[20]Zo wordt het verschil door de redactie in de inleiding van het boek ‘Het radencommunisme’ beschreven (Collectief, Het Radencommunisme. Grondbeginselen van communistische productie en distributie, onder redactie van A.G. Dekker, L. Hornstra en P. Rodenko, Den Haag, 6-7.).

[21]Zo wordt de verschil door de radencommunisten in 1931 zelf uitgelegd (Radencommunisme, 81-84.).

[22]Geciteerd in: Radencommunisme, 11.

[23]‘De Vrije Socialist’ heeft bijvoorbeeld de ondertitel ‘sociaal-anarchistische tijdschrift’.

[24]Constandse, Anton, De bron waaruit ik gedronken heb. Herinneringen van een vrijdenker, Amsterdam 1985; Constandse, Anton, De alarmisten 1918-1933, Amsterdam 1975.

[25]Hazekamp, Arie, Anarchisme in Noord-Nederland. 1918-1940, Amsterdam 1997 (deze brochure werd door De Vrije Socialist uigegeven). Hans Ramaer en Rudolf de Jong die ik allebei citeer zijn onder andere uitgevers van De Anarcho-Syndicalist (De AS).

[26]Bultsma, Volkert, en Tuin, Evert van der, Het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond 1923- 1940, Amsterdam 1980 (dit boek was oorspronkelijk een scriptie aan de VU); Deursen, Mark van, Dienstweigering in Nederland 1923-1940. Scriptie Universiteit Nijmegen, Nijmegen 1994; Burght, Fike van der, Die Moker en Alarmgroepen bestonden niet om te bestaan als groep. Sociaal anarchistiese jeugdbeweging in Nederland 1918-1928, Scriptie UvA, Amsterdam 1982; Kloosterman, Elly, De Nederlandse anarchisten en de Spaanse Burgeroorlog. Hoe de Nederlandse anarchistische beweging uiteenviel door de gewelddadige strijd in Spanje tussen 1936 en 1939, Scriptie RUU, Utrecht 1979.

[27]Constandse, Anarchisme, 175.

[28]Ramaer, Piramide, 15.

[29]Constandse, Anarchisme, 175.

[30]Hazekamp, 6.

[31]ibid., 9-14.

[32]Lehning, Arthur, Christiaan Cornelissen, in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, deel 2, 35-38.

[33]Bultsma/Van der Tuin, 6-14.

[34]Hazekamp, 12-14.

[35]Becker, Frans, en Frieswijk, Johan, Bedrijven in eigen beheer. Kolonies en produktieve associaties in Nederland 1901-1958, Nijmegen 1976, 284.

[36]Jochheim, Gernot, Antimilitaristische Aktionstheorie, Soziale Revolution und Soziale Verteidigung. Zur Entwicklung der Gewaltfreiheitstheorie in der europäischen antimilitaristischen und sozialistischen Bewegung 1890-1940, unter besonderer Berücksichtigung der Niederlande, Frankfurt a. M. 1977, 106-107.

[37]ibid., 119-127.

[38]ibid., 183-185.

[39]Ramaer, Piramide, 24 en 171.

[40]Meijer Wichman, Clara, Het recht tot straffen, in: Ramaer, Piramide, 114-120.

[41]Hazekamp, 11.

[42]ibid., 10.

[43]Jochheim, 231-234

[44]Zondergeld,Gjalt, Non-violent Resistance in the Netherlands During World War II, in: Grünewald, Guido (ed.), Dungen, Peter van den (ed.), Twentieth-century peace movements.Successes and failures, Lewiston 1995, 161-164.

[45]Deursen, 12.

[46]Harmsen, Gerrit Jan, Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, Amsterdam 1961, 156.

[47]Constandse, Bron, 21.

[48]ibid., 25, 31-36, 56.

[49]ibid., 36-42.

[50]ibid., 38.

[51]Schuurman, Herman, Werken is misdaad, in: Ramaer, Piramide, 137-141.

[52]Burght, 27-29.

[53]Hazekamp, 23.

[54]Schuur, J.K.G., Appelscha. Bolwerk van anarchisme en radicaal socialisme, Oosterwolde 1996, 267-269.

[55]Graf, Andreas G. en Nelles, Dieter, Studie zu Widerstand und Exil deutscher Anarchisten und Anarchosyndikalisten, in: Berner Rudolf, Die unsichtbare Front. Bericht über die illegale Arbeit in Deutschland (1937), (herausgegeben, annotiert und ergänzt durch Graf und Nelles) Berlin/Köln 1997, 111.

[56]Bultsma/Van der Tuin, 40-41.

[57]ibid., 97-112.

[58]Ramaer, Piramide, 49-51.

[59]Een beschrijving van de gebeurtenissen in Spanje vinden we bijvoorbeeld in: Constandse, Anarchisme,143-153.

[60]Kloosterman, 89.

[61]Bultsma/Van der Tuin, 93.

[62]ibid., 151-152.

[63]Kloosterman, 91.

[64]Ramaer, Piramide, 59.

[65]Bultsma/Van der Tuin, 140-143.

[66]beschreven in: Graaff, Bob de, Collaboratie en verzet. Een vergelijkend perspectief, in: Jonker , J.P.B., Kersten, A.E. en Plaat, G.N. van der (red.), Vijftig jaar na de inval. Geschiedschrijving en de Tweede Wereldoorlog, ‘s Gravenhage 1990, 104-108.

[67]Deze kritiek werd onder andere uitgeoefend door Ger Harmsen (Harmsen, Ger, De Jong als geschiedschrijver van Nederland in oorlogtijd, in: De Groene Amsterdammer, 27/12/1969, ook gepubliceerd in: ‘reacties’ in deel 14 (blz. 76-77.) van: Jong, Louis de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 1-14, Amsterdam 1969-91.)

[68]De Jong, Koninkrijk, deel 2, 58.

[69]ibid., 434-436.

[70]ibid., deel 3, 196-201.

[71]ibid., 400-405.

[72]ibid., 480.

[73]ibid., deel 4, 1-39.

[74] ibid., 86-89.

[75]ibid., 124-546.

[76]ibid., 742-892.

[77]ibid., deel 5, 271.

[78]ibid., 665-676.

[79]ibid., 1064-1107.

[80]ibid., deel 6, 226.

[81]ibid., deel 7, 296-318.

[82]Jochheim citeert van een lijst van slachtoffers gepubliceerd door het RIOD, 519.

[83]De Jong, Konikrijk, deel 5, 86.

[84]ibid., deel 10a, 22.

[85]ibid., 1-530.

[86]ibid., deel 10b, 94.

[87]ibid., 1128-1384.

[88]De Graaff, 105.

[89]ibid., 107-108.

[90]Hirschfeld, Gerhard, Bezetting en collaboratie. Nederland tijdens de oorlogjaren 1940-1945, Haarlem 1991, 14-15.

[91]ibid., 253-259.

[92]De Graaff, 95.

[93]Zondergeld, Resistance, 169.

[94]ibid., 169-170.

[95]ibid., 179.

[96]Gedetaillerdere informatie vinden we in door het RIOD uitgebrachte boek van Lydia Winkel (Winkel, Lydia E., De ondergrondse pers. 1940-1945, Amsterdam 19892).

[97]Zondergeld, Resistance, 171.

[98]ibid., 172.

[99]ibid., 172-173.

[100]De Jong, Koninkrijk, deel 7, 1257-1277.

[101]Zondergeld, Resistance, 176-177.

[102]ibid., 177.

[103]De citaten en de informatie las ik allemaal in het ‘Bericht über die Entwicklung der Anarcho- Syndikalistischen Bewegung in den Niederlanden’ aan de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD für die besetzten niederländischen Gebiete, RIOD, HSSPF 158i e.

Er waren volgens de SD vijf ‘Personenkreise’:

1. ‘Ferdinand Domela Nieuwenhuis’:- ‘verstorben’

2. ‘Kreis um Rijnders’: Gerhard Rijnders en Jo de Haas

3. ‘Kreis um Constandse’: Anton Constandse, Jan Kolthek, Adrianus Johannes Lannoij, Piet A. Kooiman, Johannes Richter en F.J.E. van der Roest (de laatste drie zouden ‘angeblich heute Mitglieder der N.S.B. sein’)

4. ‘Kreis um Eikeboom’: Henk Eikeboom, Wim Bruin, Cor Hessels, Gerardus Leonardus Telling, Theodor Willem Harsman, Willem Johannes Cappel, M. Stevens en Ethel MacDonald

5. ‘Kreis um Albert de Jong’: Albert A. de Jong, Otto Vonk, Müller-Lehning (‘deutscher Emigrant, soll nach England geflüchtet sein.’), Ludwig Joseph Henricus Marie Madlener, August Rousseau en Caspar Joseph Priem.

[104]Woensdag-avond-brieven, no. 1, 1942. Alle woensdag-avond-brieven bevinden zich in het archief van Jo de Haas in het IISG. De meeste informatie in dit hoofdstuk komt uit dit archief.

[105]Peter Ebbes noemt Jo de Haas in zijn doctoraalscriptie ‘een van Nederlands laatste goeie en markante spreker-propagandisten voor de anti-militaristische en vrijdenkers beweging’. (Ebbes, Peter, Jo de Haas: uit het leven van een propagandist voor de anti-militaristische-, socialistische- en vrije gedachte, Scriptie RUG, Groningen 1984, 106.)

[106]Ebbes, 6-17.

[107]ibid., 91.

[108]Tussen Twee Werelden, in het archief van Martin Paulissen (IISG).

[109]Ebbes, 17-18.

[110]De Jong, Koninkrijk, deel 5, 99-102. In de processen-verbaal van de politie blijkt dat er ten minste vijf anarchisten bij hoorden, niet twee zoals De Jong beweerde (RIOD, HSSPF 158b).

[111]RIOD, HSSPF 158b.

[112]Ebbes, 17.

[113]Over De Ring, die niet meer bestaat, is niet veel geschreven, en het archief is verdwenen. De informatie en citaten heb ik uit een brochure genomen: De Nederlandsche Coöperatieve Girocrediet-Ring U.A. Wat is en wil De Ring? overdruk van een propaganda-artikel, dat door een bevriend blad werd opgenomen, ‘s Gravenhage [1939 of 1940].

[114]Oorlogs-brieven, no. 29, 1/8/43.

[115]Woensdag-avond-brieven, no. 1, geen datum (eind mei of begin juni ‘42), tot met Oorlogsbrieven, no. 58, 12/2/45.

[116]Hiermee bedoel ik het werk van Lydia Winkel.

[117]Oorlogs-brieven, no. 33, 1/1/44.

[118]in: Oorlogs-brieven, no. 53, 18/11/44.

[119]ibid., no. 38, 22/4/44.

[120]ibid., no. 29, 1/8/43.

[121]ibid.

[122]ibid., no. 43, 28/7/44.

[123]ibid., no. 50, 22/10/44.

[124]ibid., no. 42, 25/6/44.

[125]ibid., no. 57, februari 1945.

[126]ibid., no. 50, 22/10/44.

[127]ibid., no. 54, 1/1/45.

[128]Woensdag-avond-brieven, no. 28, 3/6/43.

[129]Oorlogs-brieven, no. 31, 10/10/43.

[130]Bijvoorbeeld schrijft Ramaer: ‘Jo de Haas propageerde [...] een geweldloos antimilitarisme en een religieus getint anarchisme’ (Ramaer, Piramide, 161).

[131]Woensdag-avond-brieven, no. 10, 26/8/42.

[132]Oorlogs-brieven, no. 58, 12/2/45.

[133]De laatste uren in vrijheid worden door Harmen van Houten beschreven die waarschijnlijk de laatste anarchist was die Jo de Haas nog in vrijheid zag. Houten, Harmen van, Anarchisme in Drenthe. Levensherinneringen van een veenarbeider, Baarn 1985, 224-6.

[134]Ebbes, 19.

[135]Berger, Marcel, Herdenking Jo de Haas, in: De Vlam, 20/10/45.

[136]Ebbes, 97-99.

[137]Bois, Mechteld de, Chris Lebeau 1878-1945, Assen /Haarlem 1987, 36-37.

[138]De Jong, Rudolf, Chris Lebeau, in: BWSA, deel 6, 137.

[139]Bois, 37-48 en 156-158.

[140]Mulder, Hans, Chris Lebeau. Een leven zonder compromis, in Vrij Nederland, 19/10/1985.

[141]Kilian, Kitty, Lebeau’s grote werk in ‘The Grand’, in: NRC Handelsblad, 7/4/1992.

[142]Bois, 194.

[143]Kilian.

[144]Mulder.

[145]Saltet-Heddema, Sixta, Herinneringen aan Chris Lebeau, in: Bois, 291.

[146]Mulder.

[147]Bois, 48-49.

[148]Mulder.

[149]Saltet-Heddema, in: Bois, 293.

[150]Aarts’ Letterkundige Almanak voor het Anne Frank-herdenkingsjaar 1995, De laatste bladzijde... Gewijd aan uitgevers, drukkers, boekhandelaren, typografen en omslagontwerpers die stierven in de oorlogsjaren 1940-1945, Amsterdam 1995, 14.

[151]Bultsma/Van der Tuin, 138.

[152]De Syndicalist, 4/2/39.

[153]ibid., 1/4/39.

[154]ibid., 11/5/40.

[155]ibid., 18/2/39.

[156]ibid., 8/4/39.

[157]ibid., 9/9/39.

[158]ibid., 30/12/39.

[159]Deze houding vinden we in meerdere artikelen in De Syndicalist van 1939 en 1940.

[160]ibid., 15/4/40.

[161]Bultsma/Van der Tuin, 154.

[162]In Bultsma/Van der Tuin is bijna niets over hun geschreven.

[163]Documenten van de SD Aussenstelle Amsterdam, HSSPF 158Hl.

[164]Het blad verscheen van 1932 tot begin 1936 (Bultsma/Van der Tuin, 123.

[165]De citaten staan allemaal in de rede die Lehning bij de crematie van de Jong hield (in: Jong, Albert de, Documentatiemap: Albert de Jong (samengesteld door Rudolf de Jong), Utrecht 1988, 8).

[166]Graf/Nelles, 110-114.

[167]Nelles, Dieter, en Klan, Ulrich, Es lebt noch eine Flamme. Rheinische Anarcho-Syndikalisten/ innen in der Weimarer Republik und im Faschismus, Grafenau-Döffingen 1986, 170-172.

[168]De Jong, Documentatiemap, 29.

[169]Graf/Nelles, 117.

[170]Akten der Gestapo Düsseldorf, dossier ‘Albert de Jong’ (RIOD, inventarisarchief 213).

[171]Deze informatie heb ik gevonden in: Westerbork kartotheek (RIOD) en In memorian (Lijst van joodse slachtoffers die uit Nederland werden gedeporteerd), Den Haag 19952, 355.

[172]Gestapo-Akten Düsseldorf (RIOD, inv.archief 213).

[173] Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland , deel 1, ??

[174]Interview met Jan Freeling, Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.

[175]ibid., 18.

[176]De Jong, Documentatiemap, 15-18.

[177]Archief van Martin Paulissen, map 36, IISG.

[178]Brief van M. Paulissen aan Lydia Winkel van het RIOD. (Archief Paulissen, map 36, IISG.) Lydia Winkel heeft deze informatie bijna onverandert in haar boek overgenomen (Winkel, 75-76.).

[179]Harmsen, Ger, Daan Goulooze. Uit het leven van een communist, Utrecht 1967, 13-14.

[180]Bultsma/Van der Tuin, 141.

[181]Brief Paulissen aan Winkel (Archief Paulissen, map 36, IISG).

[182]Archief Paulissen, map 2, IISG.

[183]Derekamp, Paul, Lambertus J. Bot, in: BWSA, deel 6, 32, en Ramaer, Piramide, 60.

[184]De Jong, Documentatiemap, 19, en Ramaer, Piramide, 60.

[185]Schuur, 220-221.

[186]ibid., 265.

[187]ibid., 260.

[188]Hazekamp, 14.

[189]Ploeger, 88ff.

[190]Wit, Douwe de, Overdenkingen van een arbeidersjongen. Het levensverhaal van Douwe de Wit, (op papier gezet door E. de Jong) 1973, 95-107.

[191]Archief van Tinus Veenstra, map 1 en 3, IISG.

[192]Van Houten, 225.

[193]ibid., 183-224.

[194]Dit blijkt uit de processen-verbaal van de Gemeente Politie te Ooststellingwerf, Boolswaard en Leeuwarden (RIOD, HSSPF 158b).

[195]De informatie komt allemaal uit de processen-verbaal (RIOD, HSSPF 158b).

[196]Bericht aan de Befehlshaber der Sicherheitspolizei, 16/7/41, RIOD, HSSPF 158a c.

[197]De Vrije Socialist, 1/9/45.

[198]Dit blijkt uit interviews met Fré Boerema, Klaas Drent en Jur Zuidema, Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.

[199]Interview met Klaas Schwarts, Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.

[200]Interview met Fré Boerema, Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.

[201]Interviews met Klaas Drent, Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.

[202]Constandse, Alarmisten, 39.

[203]Spoor, Ronald, Alexander Cohen, in: BWSA, deel 4, 32.

[204]Baele, Els van, Chronologie schets, in: Hunink, Maria, Kloosterman, Jaap en Rogier, Jan (redactie), Voor Arthur Lehning, Baarn 1979, 419-464.

[205]Linden, Frénk van der, ‘Ach, hoe warm gloeit mijn hart als de anarchistische vlag wappert’. Het ongebroken idealisme van Arthur Lehning, in: NRC Handelsblad, 5/12/1992.

[206]Cole was een socialistische politicus, historicus en theoreticus van het ‘guild socialism’. Deze theorie is verwant aan het syndicalisme en volgens mij ook aan het anarchistisch federalisme van Proudhon. (Zie bijvoorbeeld: Russell, 64-67.)

[207]Hunink, Maria, De papieren van de revolutie. Het IISG 1935-1047, Amsterdam 1986, 139ff.

[208]Baele, 464-467.

[209]Linden.

[210]Baele, 467-503.

[211]Constandse, Alarmisten, 40.

[212]Ramaer, Hans, Het individualisme van Anton Constandse, Moerkapelle 1995, 13.

[213]De Jong, Koninkrijk, Deel 4, 339-346 en 355-357.

[214]Constandse, Bron, 95-98.

[215]ibid., 100-114.

[216]Ramaer, Constandse, 13-14.

[217]De Jong, Koningrijk, Deel 9, 1232-1235.

[218]Ramaer, Constandse, 14-22.

[219]ibid.

[220]Hornstra, L, P.A. Kooijman. Neem en Eet, Den Haag 1967, 12, en Constandse, Alarmisten, 39.

[221]zie voetnoot 104.

[222]Scheffer, H.J., Johan Jacob Lodewijk, in: BWSA, deel 2, 87.

[223]Noordegraaf, Herman, Anneé Rinzes de Jong, in: BWSA, deel 5, 140.

[224]Deze informatie komt ook uit verschillende delen van het BWSA.

[225]Becker/Frieswijk, 295.

[226]ibid., 296.

[227]Harmsen, Ger, De geschiedenis van de Jongelieden Geheelonthoudersbond. Van oprichting tot opheffing 1912-1950, [1962], 61-66.

[228]ibid.

[229]ibid., 66ff.

[230]Dit blijkt uit de verzameling in het IISG.

[231]Berendsen, Hans, en Weeda, Rik, Uit de vonk zal de vlam oplaaien (Poesjkin): een analyse van de activiteiten en ideeën van de humanistisch-socialistische verzetsgroep rondom het illegale verzetsblad de Vonk, 1940-1945, Groningen 1980, 30-43.

[232]Ploeger, Derk, en Ploeger-Eimers, Cathrien, Dagelijks leven in de vrij-socialistische beweging in Groningen door hen zelf verteld, (opgeschreven door Wilbert Dekker, A.L. Constandse, Wantje Fritschy) Groningen 1979, 93.

[233]Berendsen/Weeda, 122.

[234]citaat in: ibid., 41.

[235]ibid., 53-57.

[236]ibid., 84.

[237]ibid., 91-92.

[238]ibid., 94ff.

[239]zie hoofdstuk 4.2.

[240]Kuipers, Hans-Jan, De wereld als werkplaats. Over de vorming van Kees Boeke en Beatrice Cadbury, Amsterdam 1992, 152.

[241]Jochheim, 234.

[242]Kuipers, 153-157.

[243]ibid., 9.

[244]Leeuwen, Fred van, Bouke Koning - lotgevallen, in: Op de hoogte, VIII/3 (29/6/76).

[245]Kuipers, 39-41.

[246]ibid., 44.

[247]Harmsen, Goulooze, 14-40.

[248]De Graaff, 99.

[249]Hirschfeld, 254.

[250]Harmsen, Goulooze, 58-145.

[251]ibid., 62-67.

[252]Dit blijkt uit een verhaal van Catharina Skörop-Boll die zei: ‘Wij waren zelfs zo antifascistisch geworden dat wij communisten in huis namen uit Duitsland.’ (Project Vooroorlogse Dienstweigeraars.)

[253]Harmsen, Goulooze, 132-138.

[254]ibid., 146-167.

[255]ibid., 10-13.

[256]Welcker, Johanna M., Franciscus Drion, in: BWSA, deel 1, 32-33.

[257]geciteerd in: Joosten, Leonardus Martinus Henricus, Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940, Hilversum/Antwerpen 1964, 14.

[258]ibid., 14-15.

[259]Zondergeld, Gjalt, Een kleine troep vervuld van haat. Arnold Meijer en het Nationaal Front, Houten 1986, 17-18.

[260]ibid., 21-22.

[261]Osta, J. van, Nationalisme en fascisme in Italië, in: Bosch, A., en Wessels, L.H.M., Veranderende grenzen. Nationalisme in Europa, 1919-1989, Nijmegen 1992, 305.

[262]Zondergeld, Gjalt, Anarchisme en fascisme, in: Jong, Rudolf de (uitg.), Anarchisten en fascisme. Studiedag zat. 7 apr. 1990, Amsterdam 1990, 17-19.

[263]De Jong, Rudolf, Anarchisme en ander rechts tuig, in: ibid., Anarchisten en fascisme, 1-3.

[264]Zondergeld, in: De Jong, Anarchisten en fascisme, 17-19.

[265]Nijdam, Jan Hendrik, De NSNAP-Kruyt. Een nationaal-socialistische splinterpertij in Nederland (1933-1941), oftewel: van kwaad tot erger..., Scriptie VU, Amsterdam 1986, 250.

[266]Ramaer, Piramide, 37.

[267]Na de succesvole verkiezingen werd de ‘Vrij Socialistische Groep’ hoe ze zich toen nog noemde door het blad ‘De Nederlander’ voor ‘Rapaille Partij’ uitgescholden. (Pauw, J. L. van der, Coremans, de Rapaljaan. Opkomst en ondergang van L. G. A. Coremans en zijn Rapaille Partij, Rotterdam 1986, 11.)

[268]Van der Pauw, 9ff.

[269]Jacobs, Pszisko, Henk Eikeboom. Anarchist, Haarlem 1986, 44 en 238.

[270]Van der Pauw, 9ff.

[271]ibid., 45-48.

[272]Slechte, C. H., Coremans. Een vergeten Rapaljaan, in: Spiegel Historiael, mei 1972, p. 274- 279.

[273]Van der Pauw, 45-48.

[274]Nijdam, 306.

[275]Jacobs, 45.

[276]Jonge, A. A. de, Crisis en critiek der democratie. Anti-democratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de wereldoorlogen, Assen 1968, 54-55.

[277]Van der Pauw, 75.

[278]ibid., 76.

[279]ibid., 50-55.

[280]Bijvoorbeeld in: De Jong, Koninkrijk, deel 1, 247-248.

[281]Jacobs, 40-42.

[282]Archief van Paulissen, map 1, IISG.

[283]Erich Wichman in ‘Pro en Contra’, in: De Jong, Anarchisten en Fascisme.

[284]Henk Eikeboom in ‘Pro en Contra’, in: De Jong, Anarchisten en Fascisme.

[285]Jacobs, 196.

[286]Berendsen/Weeda, .

[287]Jacobs, 197-201.

[288]ibid., 201-212.

[289]Schermerhorn, N.J.C., Henk Eikeboom, in: De Vlam, 1/9/45.

[290]Van der Pauw, 9.

[291]Jacobs, 175.

[292]De meeste informatie komt uit het archief van Anton Bakels op de IISG (krantenknipsels, soms van eigen artikels, brieven, programa’s van conferenties).

[293]Gans, Jacques, In Memoriam. Toontje, in: De Telegraaf, 23/6/1964.

[294]Archief Bakels, IISG.

[295]Van der Pauw, 77ff.

[296]ibid., 48.

[297]Nijdam, 305-323.

[298]Dongen, Nol van, George Oversteegen. ‘Ik kan de wereld niet meer torsen’, in: De Groene Amsterdammer, 1/8/1990.

[299]Ramaer, Piramide, 36ff.

[300]Uittenhout, Ruud, Gerhard Rijnders: Anti-semiet?, in: De Jong, Anarchisten en fascisme, 21- 22.

[301]De schrijvers in de ‘Vrije Socialist’ schreven vaak onder schuilnamen wat waarschijnlijk met de repressieve wetgeving samenhing.

[302]De Vrije Socialist, 7/1/1939.

[303]De Syndicalist, 14/1/39.

[304]ibid., 21/4/39.

[305]ibid., 28/2/39.

[306]ibid., 4/2/39.

[307]De Vrije Socialist, 24/1/39.

[308]ibid., 21/1/39.

[309]ibid.

[310]ibid., 14/1/39.

[311]ibid., 19/4/39.

[312]ibid., 31/5/39.

[313]ibid., 10/6/39.

[314]Hondius, Dienke, Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding, ‘s Gravenhage 1990, 32-34.

[315]Deze houding vinden we een paar keer in februari en maart 1939 in De Vrije Socialist. [316]Hondius, 20.

[317]De Vrije Socialist, 19/4/39.

[318]Een overzicht over en voorbeelden van de verhouding tussen antisemitisme, zionisme en socialisme (helaas niet over het anarchisme) vinden we in: Kessler, Mario, Antisemitismus, Zionismus und Sozialismus. Arbeiterbewegung und jüdische Frage im 20. Jahrhundert, Mainz 19942.

[319]Hondius, 20-21.

[320]De Vrije, 10/6/39.

[321]Uittenhout, Anti-semiet?, 23.

[322]De Vrije Socialist, 30/8/39.

[323]ibid., 9/9/39.

[324]bijvoorbeeld in: De Vrije Socialist, 4/10/39.

[325]ibid., 10/1/40

[326]ibid., 20/1/40.

[327]ibid., 13/4/40.

[328]ibid., 27/4/40.

[329]ibid., 1/5/40.

[330]ibid., 4/5/40.

[331]ibid., 21/10/39.

[332]ibid., 14/10/39.

[333]ibid., 20/5/39.

[334]ibid., 4/3/39.

[335]ibid., 3/6/39.

[336]ibid., 22/11/39.

[337]ibid., 10/4/40.

[338]ibid., 20/4/40.

[339]ibid., 27/4/40.

[340]ibid., 23/5/40.

[341]Have, W. ten, Gezag in een vacuüm?, in: Jonker e.a., 178.

[342]In De Vrije Socialist van juni en juli 1940 verschenen dit soort oproepen.

[343]ibid., 15/6/40.

[344]ibid.

[345]ibid., 22/6/40.

[346]ibid., 29/6/40.

[347]ibid., 10/8/40.

[348]ibid., 29/6/40.

[349]ibid., 10/7/40.

[350]ibid., 3/7/40.

[351]ibid., 29/6/40.

[352]ibid., 3/7/40.

[353]ibid., 28/8/40.

[354]ibid., 20/7/40.

[355]ibid., 6/7/40.

[356]In de eerste nummer na de oorlog werd een korte geschiedenis van De Vrije tijdens de oorlog verteld (De Vrije Socialist, 1/9/45).

[357]Uittenhout, Anti-semiet?, 21-22.

[358]Uittenhout, Ruud, Gerard Rijnders, in: BWSA, deel 5, 234.

[359]ibid., 235-236.

[360]Jong, Rudolf de, Honderd jaar geleden werd De Vrije Socialist opgericht, in: De Vrije Socialist Honderd Jaar, (Uitgave: Recht voor allen, Pinksterlanddagen 1998) Amsterdam 1998.

[361]Gevers, Dick, Anarchisten en Anti-Semitisme, in: De Jong, Anarchisten en fascisme, 12.

[362]Deze informatie heb ik uit de scriptie van Jan Nijdam die zelf informatie kreeg van een gesprek tussen Ruud Uittenhout en de anarchist Wim Mager. (Nijdam, 257-263.)

[363]ibid.

[364]Ramaer, Hans, De Alarmbeweging (1931-1939). Gesprek met een anarchist, in: De Jong, Anarchisten en fascisme.

[365]Fragmenten uit brieven van Wim Jong aan Hans Ramaer over anarchisme, geweld, activisme..., in: De Jong, Anarchisten en fascisme, 37.

[366]Nijdam, 290-304.

[367]Boogard, Frank van den, Nico de Haas. Van links revolutionair tot nationaal socialist, in Jong Holland, no. 6, 1988, 16-25.

[368]De Jong, Koninkrijk, deel 1, 269.

[369]ibid., deel 5, 274-279. De Jong vermeldt geen bron. Het is dus niet duidelijk of dit verhaal helemaal klopt.

[370]Boogard.

[371]Broos, Kees, Drieloop, driespruit en driekruinenboom. Germaanse symbolen op Nederlandse munten, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 1988.

[372]Boogard.

[373]Nijdam, 262-263.

[374]Interview met Jaap Sterk (Project Vooroorlogse Dienstweigeraars).

[375]Constandse, Alarmisten, 39.

[376]Bois.

[377]Ramaer, Piramide, 60.

[378]Hofman, Jack (eindred.), Ontwapend. Geschiedenis van 25 jaar PSP, Amsterdam 1982, 20.

[379]citaten uit: Ramaer, Piramide, 62-65.