Stephens, David - Het geweldloos anarchisme van Leo Tolstoy

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken



Uit : Government is Violence, uitgegeven door Pluto Press



The man

Of virtuous soul commands nor obeys.

Power like a desolating pestilence

Pollutes whate’ver it touches: and obedience,

Bane of all genius, virue, freedom, truth,

Makes slaves of men, and of the human frame

A mechanised automaton.


-Shelley-


Tachtig jaar zijn nu voorbijgegaan sinds de dood van Leo Tolstoy in 1910 en toch brengen de vele essays die Tolstoy in de laatste twintig jaar van zijn leven schreef om zijn vernieuwend geweldloos anarchisme elementen aan die nu nog steeds relevant zijn. De twintigste eeuw heeft een steeds toenemend samenvloeien (en uitbreiden) gezien van anarchistische en pacifistische ideeën: de anarchistische beweging heeft het sterk escalerende militarisme en het schijnbaar onoverwinnelijke repressieapparaat onderkend als misschien wel de grootste bedreiging door de staat; de pacifistische beweging is het simplistisch afwijzen van geweld op een persoonlijk niveau overstegen om de rol van de staat in het militarisme te onderzoeken en heeft de directe actie als methode gekozen om het te bekampen. Zowel anarchisme als pacifisme hebben de staat als ‘orgaan van geweld’ als vijand en toch weigeren sommige anarchisten dit gemeenschappelijk belang in te zien. Het oktobernummer van Black Flag (uit 1986) stelt: «Veel mensen zijn zich als anarchisten gaan beschouwen. Maar hun "anarchisme" is militant liberalisme gebleven… "geweldloos anarchisme" is geen variant van het anarchisme, maar een aanval erop.»

Dit compromisloos standpunt wordt in andere landen niet overgenomen; in Duitsland, waar het anarchisme veel levendiger is dan in het Verenigd Koninkrijk, is de qua aantal grootste en de meest actieve anarchistische groep de Federatie van Geweldloze ActieGroepen met hun tijdschrift ‘Grasswürzel Revolution’. Er is geen reden voor de bestaande antipathie tussen de verschillende scholen van het anarchisme; het is al lang een ongelukkig kenmerk van de anarchisten dat ze de neiging hebben meer aandacht te hebben voor hun onderlinge verschillen dan voor hun overeenkomsten. Dat heeft de anarchisten ervan weerhouden de nood te vervullen aan een herwaardering van hun revolutionaire geschiedenis; terwijl autoritaire ideologieën elk hun hoogdag hebben gehad, is het anarchisme er nooit in geslaagd een grootschalige en duurzame samenleving te consolideren –behalve de tijdelijke en gedeeltelijke realisaties van de burgeroorlog. Anarchopacifisten vinden dat dit te wijten is aan het unieke samenlevingsmodel dat het anarchisme voorstaat; alleen staand in het afwijzen van de staat en van dwang, moeten anarchisten een dwangloze strategie voor de revolutie ontwikkelen die verschilt van de strategie die autoritaire ideologieën gebruiken. Om dat te doen moeten anarchisten bereid zijn naar elkaar te luisteren in plaats van elkaar vanuit hun stellingen te bekampen, bereid zijn om te luisteren naar de voorbeelden uit het verleden en naar anarchistische revolutionairen als Kropotkin, Emma Goldman en Alexander Berkman die, nadat ze geweld als methode hadden aanvaard, erin gedesillusioneerd raakten. Tolstoy’s argumenten over het niet samengaan van anarchisme en geweld en de strategie die hij voorstelt voor een geweldloze revolutie zijn een zinvol beginpunt voor discussie, maar het debat wordt er niet gemakkelijker op als dit soort ideeën botweg wordt afgewezen door sommige anarchisten. Albert Meltzer bijvoorbeeld, probeert in zijn ‘Anarchisme, argumenten voor en tegen’ de historische en ideologische banden tussen Tolstoy en de anarchistische beweging te ontkennen: «De "pacifistisch-anarchistische" benadering verschilt radicaal van het revolutionair anarchisme. Te gemakkelijk wordt aangenomen dat dit "al bij al anarchisme is"… de mensen hebben van figuren als Tolstoy anarchisten gemaakt –wat hij niet was; hij was ook geen christen of pacifist in de gewone zin van het woord, zoals graag wordt aangenomen.»

De geschiedenis van de anarchistische beweging en de essays in dit boek tonen aan dat dit niet klopt. Tolstoy’s politieke geschriften drukken een compromisloos verwerpen van autoriteit en al haar vallen, een vernietigende kritiek op de kerk en de staat, kapitalisme en marxisme, militarisme en patriottisme. Historisch is de bekering van Tolstoy van een ongebonden en geprivilegieerd society-auteur naar een geweldloos en spiritueel anarchist van zijn latere dagen het gevolg van twee reizen door Europa in 1857 en 1860-1861. Op dat ogenblik verlieten veel notabelen –zich beperkt voelend door de politieke en literaire repressie in het tsaristische Rusland- het land om de wind van verandering te proeven die door West-Europa waaide; andere Russische aristocraten werden geradicaliseerd door hun reizen door West-Europa waren Kropotkin, Bakoenin en Herzen. Tijdens zijn eerste bezoek aan Europa had Tolstoy een traumatische ervaring die het begin betekende van zijn evolutie; na getuige geweest te zijn van een publieke executie in Parijs schreef hij zijn vriend V. P. Botkin op 6 april 1857: «De waarheid is dat de staat een samenzwering is die er niet alleen op gericht is uit te buiten, maar in de eerste plaats op het corrumperen van haar onderdanen… Ik begrijp morele en religieuze wetten, niet verplicht voor iedereen, maar de leiding nemend naar een beloofde meer harmonieuze toekomst; ik voel de wetten van de kunst die altijd geluk brengen. Maar politieke wetten lijken me zo verbazingwekkende leugens dat ik er niet in slaag in te zien hoe de enen beter of slechter kunnen zijn dan de andere… Ik zal dan ook nooit nog een regering dienen.»

Hoe dan ook was het tijdens zijn tweede reis door Europa dat Tolstoy de man ontmoette die richting zou geven aan zijn politieke verandering. In 1860-61 bezocht Tolstoy Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland en België om ideeën te verzamelen over educatie, ideeën die hem ertoe zouden brengen verscheidene libertaire scholen op te richten in de buurt van zijn huis in Yasnaya Polyana. Tijdens zijn bezoek aan Brussel in maart 1861 belde Tolstoy –gewapend met een aanbevelingsbrief van Herzen- aan bij de wiskundeleraar Emile Durfort, in werkelijkheid de Franse anarchist Pierre-Joseph Proudhon die in ballingschap leefde na de publicatie van zijn boek ‘Over de rechtvaardigheid in de revolutie en in de kerk’ in 1858. Tolstoy vertelde later van zijn ontmoeting met Proudhon in zijn onderwijsboeken: «Vorig jaar had ik het geluk met Mr. Proudhon te spreken over Rusland. Op dat ogenblik was hij bezig met het schrijven van een boek over de wetten van de oorlog. Ik beschreef hem het laatste nieuws uit Rusland –het vrijlaten van de slaven- en vertelde hem dat er onder de leidende klassen een grote drang was om volkseducatie op te starten en dat die drang soms een vreemde vorm aannam en een soort van mode werd. "Is dat zo?", vroeg hij. Ik antwoordde dat de Russische samenleving –voor zover ik dat kon zien- begon te begrijpen dat zonder volkseducatie geen enkele staatsstructuur stabiel kon zijn. Proudhon stond op en begon de kamer op en neer te wandelen. "Als dat waar is", zei hij bijna jaloers, "dan belangt de toekomst jullie toe, de Russen." Ik vertel dit om aan te tonen dat hij –in mijn persoonlijke ervaring- de enige was die de belang inzag van educatie en de gedrukte pers in onze tijd.»

Tolstoy’s visie over eigendom werden eveneens diep beïnvloed door Proudhon, in het bijzonder door diens ‘Wat is eigendom?’, gepubliceerd in 1840, dat Tolstoy enige tijd voor hun ontmoeting had gelezen. De constitutionele bewegingen bekritiserend die de slaven had geëmancipeerd maar ze had uitgeleverd aan de macht van de landeigenaars, schreef Tolstoy op 18 augustus 1865 in zijn dagboek: «De missie van Rusland in de wereldgeschiedenis is het idee in de wereld brengen van een gesocialiseerde organisatie van het landbezit. "Eigendom is diefstal" zal een grotere waarheid blijven dat de waarheid van de Engelse grondwet, zolang de mensheid bestaat… Dit idee heeft een toekomst. De Russische revolutie kan enkel op dit idee worden gebaseerd. De revolutie zal niet tegen de tsaar en despotisme zijn maar tegen privaat landbezit.»

Naast de discussies over educatie en eigendom praatten Tolstoy en Proudhon ook over Proudhon’s boek over oorlog, nog steeds een van zijn meest controversiële boeken. Het boek, dat een paar maand na Tolstoy’s bezoek, was getiteld ‘Over oorlog en vrede’; drie jaar later –in 1864- werd het boek in vertaling uitgegeven in Rusland. Tolstoy gebruikte dezelfde titel toen hij begon aan zijn grootste literaire werk, dat veel van Proudhon’s filosofie bevat.

Bij zijn terugkeer naar Rusland gooide Tolstoy zich op de educatie, dertien scholen stichtend voor de boeren op en rond zijn landgoed bij Rasnaya Polya. De scholen zouden de volgende tien jaar onafgebroken blijven bestaat en draaiden volgens strikt libertaire principes, zoals Tolstoy beschreef in zijn essay ‘De school in Yasnaja Polyana (1862) :

«De school is vrij geëvolueerd door de principes die leeraars en leerlingen er hebben ingebracht. Ondanks de grote invloed van de leraar heeft de leerling altijd het recht gehad niet naar school te komen of –voor wie toch komt- niet naar de leraar te luisteren. De leraar heeft het recht een leerling niet toe te laten… Nu hebben we leerlingen in het eerste jaar die zelf eisen dat er toevoegingen zijn aan het programma, die ontnoegd zijn als ze in hun lessen gestoord worden en die de kleine kinderen buitenzetten die ze voortdurend tegen het lijf lopen. Naar mijn mening is deze uiterlijke wanorde nuttig en waardevol, hoe vreemd en onaangenaam dat ook mag lijken voor de leraar… Enkel de natuurlijke wetten gehoorzamend, die uit zichzelf komen, revolteren en knarsetanden ze als ze zich moeten neerleggen bij die onaangename tussenkomsten. Ze geloven niet in de wettelijkheid van bellen, uurroosters en regels… Ik ben erin geslaagd in hen een ruwe zin voor rechtvaardigheid te ontdekken. Hoe vaak regelen ze zelf de zaken volgens wie weet welke regels en slagen ze erin op die manier alle partijen tevreden te stellen!… Het beste beleid en het beste administratief systeem voor een school in het de leerlingen toestaan vrij te zijn, vrij te leren en zichzelf te besturen zoals ze dat willen.”


Tolstoy kwam terug op de kwestie van het verplicht leren in zijn ‘Brief over educatie (1902)’:

“Dat kinderen opgroeien zonder bepaalde onderwerpen niet te hebben bestudeerd is bijlange niet zo erg als wat bijna alle kinderen overkomt: ze krijgen een educatieve indigestie en walgen van educatie. Een kind of een volwassene kunnen leren als ze daar zin in hebben. Zonder die zin, die goesting, is onderwijs een kwaad –een vreselijk kwaad dat mensen mentaal kreupel maakt.”

In veel opzichten liep Tolstoy vooruit op de ideeën over vrijwillige lessen en zelfbestuur voor kinderen dat A.S. Neill in praktijk bracht in zijn school ‘Summerhill’, gesticht in 1921 en nog steeds draaiend. Je zou inderdaad kunnen zeggen dat libertair onderwijs in praktijk begon in 1861, toen de school van Tolstoy in Yasnaya Polyana opende, onder het motto ‘Kom en ga vrij’. Hoewel de scholen zelf goed functioneerden werd Tolstoy in toenemende mate lastig gevallen door de overheid, toen de kennis over hun methodes zich verspreidde. Veel van de leraars waren jonge radicalen uit Moskow en de Tsaristische politie stuurde verschillende agenten uit om die kringen te infiltreren, wat resulteerde in een raid op Tolstoy’s huis in juli 1862. Tolstoy, die niet aanwezig was, ontkwam ternauwernood aan arrestatie, terwijl Maria Tolstoy erin slaagde een stapel brieven van Alexander Herzen te verbergen door erop te gaan zitten en te weigeren recht te staan tot de politie het huis had verlaten. Hoewel zijn experimenten met libertaire opvoeding slechts sporadisch plaatsvonden (1849, 1859-1863, 1868-1875) bleef Tolstoy er wel over schrijven en boeken maken voor de lagere school. Zijn ‘Nieuw ABC (1875)’ wordt vandaag de dag nog steeds gebruikt in Rusland; zijn school werd echter overgenomen door het Ministerie van Onderwijs en werkt niet langer volgens de oorspronkelijke principes.

Tolstoy’s relatie met Proudhon kwam tot een ongelukkig eind met de dood van Proudhon in januari 1865, maar in de jaren 1890 -toen Tosloy vele van zijn beste anarchistische essays schreef- kwam hij in contact met Kropotkin. Ze correspondeerden via Tosltoy’s volgeling in ballingschap, Vladimir Tchertkoff. Tolstoy drukte zijn bewondering uit voor de Russische prins omwille van diens afwijzen van zijn geprivilegieerd positie om zo voor zijn idealen te kiezen, een voorbeeld dat Tolstoy zelf volgde in 1891, toen hij zijn landerijen opgaf en het copyright afstond voor al zijn werken sinds 1881. Tolstoy en Kropotkin hadden veel met elkaar gemeen in hun privé-leven: beiden waren ze Russische ex-aristocraten en ex-soldaten die revolutionairen werden, hun idealen uit het gewone leven van boerengemeenschappen halend; beide geloofden ze dat een leven zonder Autoriteit slechts mogelijk was als er communitaire principes werden gevolgd. Tolstoy ontwikkelde zelfs Kropotkin’s idee van wederzijdse hulp verder. Hij noemde het ‘wederzijds dienstbetoon’. Kropotkin waardeerde Tolstoy als denker en als auteur en schreef Vladimir Tchertkoff: “Om te begrijpen hoezeer ik sympathiseer met de ideeën van Tolstoy volstaat het te zeggen dat ik een dik boek heb geschreven om aan te tonen dat het leven een creatie is, niet door de strijd om het bestaan, maar door wederzijdse hulp”.

Kropotkin schreef ook verschillende essays over Tolstoy’s literaire prestaties; naast een deel in zijn ‘Idealen en Realiteiten in de Russische Literatuur’ weidde Kropotkin een essay aan Tolstoy, met de titel ‘Leo Tolstoy: zijn kunst en zijn persoonlijkheid, dat hij schreef in 1910 maar dat pas in 1958 voor het eerst gepubliceerd werd.

Op zijn beurt raadde Tolstoy Kropotkin’s ‘Conquest of Bread’ en ‘Fields, Factories and Wrokshops’ aan bij de lezers van zijn ‘Oproep aan de werkende mensen’. De twee Russen waren het –ondanks hun eensgezindheid over de slechtheid van de staat en de nood aan een gemeenschapsanarchisme- oneens over de kwestie van het revolutionair geweld; terwijl Tolstoy geweld volledig verwierp als een middel naar de anarchie, vond Kropotkin het jammer dat geweld soms nodig kon blijken te zijn. Tolstoy noemde zichzelf nooit een anarchist omwille van de toendertijdse verband met geweld, maar toonde in een brief aan Vladimir Tchertkoff (1897) een groot begrip voor de gevoelens van Kropotkin: “Zijn argumenten vóór geweld lijken mij geen uitdrukkingen van zijn mening, maar van zijn trouw aan de vlag die hij zijn hele leven al zo trouw heeft gediend. Hij kan niet zien dat –om sterk te zijn- een protest tegen verzet gefundeerd moet zijn, en dat een verzet dat zichzelf geweld toestaat geen been heeft om op te staan, en dus logischerwijs tot falen gedoemd moet zijn”.

Beiden waren ze het er echter over eens dat de golf van moordaanslagen door anarchisten, die in de jaren 1890 over Europa en de V.S. spoelde, contraproductief was; David Miller becommentarieert in zijn Anarchisme: “Nadat hij in de jaren 1870 de strategie van de opstand had gesteund en in de jaren 1880 de individuele terreurdaden, keurde hij tegen de jaren 1890 gewelddaden af tenzij ze uit zelfverdediging werden gepleegd in de loop van een revolutie..”

De visie van Tosltoy uit ‘Gij zult niet doden’ weerspiegelend, droeg Kropotkin een kritisch essay –‘Over de moord op de Oostenrijkse Keizerin’- bij aan het eerste nummer van Thertkoff’s ‘Free Word News-sheet, gepubliceerd in november 1898.

Kropotkin biedt ons een uitstekend inzicht in Tolstoy’s politieke filosofie in het artikel over anarchisme dat hij bijdroeg tot de Encyclopaedia Britannica in 1905: “Zonder zichzelf een anarchist te noemen nam Tolstoy net als zijn voorgangers in de volkse religieuze bewegingen van de 15e en 16e eeuw –Chojeki, Denk en vele anderen- een anarchistisch standpunt in tegenover staat en eigendom, conclusies trekkend uit de algemene geest van de leer van Christus en het nodige gezond verstand. Met alle kracht van zijn talent uitte hij (vooral in ‘Het koninkrijk Gods is in u’) kritiek op de Kerk, de staat, de wet in het algemeen en de toenmalige eigendomsrechten in het bijzonder.; Hij beschrijft de staat als de dominantie van de slechten, gesteund op bruut geweld. ‘Dieven’, zo zegt hij, ‘zijn veel minder gevaarlijk dan een goedgeorganiseerde overheid.. Hij uit een diepgravende kritiek op de vooroordelen over de diensten die kerk, staat en de bestaande verdeling van eigendom hebben terwijl hij van de leer van Christus de regel van ‘zonder verzet’ en het absoluut veroordelen van alle oorlogen.. Zijn religieuze argumenten zijn echter zo goed verweven met argumenten voortkomen uit een objectieve observatie van de toenmalige euvels, dat de anarchistische delen van zijn werken zowel de religieuze als de niet-religieuze lezers aanspreken.”

Kropotkin wijst terecht het religieus geloof aan als de bron van Tolstoy’s anarchisme en pacifisme: in essentie stelt Tolstoy dat het fundament van spiritualiteit rust op het principe van geweldloosheid en dat pacifisme onontkoombaar tot anarchisme moet leiden gezien de rol van de staat als het ‘orgaan voor geweld’ dat oorlog voert en interne tegenstand onderdrukt. Tolstoy beschreef zijn geloof in een niet-gedateerde brief aan Dr.; Eugen Heinrich Schmitt, uitgever van het Budapestse blad ‘Ohne Staat’: “Regering is geweld, Christelijkheid is medeleven, geen-verzet, liefde. Daarom kan een regering niet Christelijk zijn en moet een mens die Christen wil zijn geen enkele regering dienen.”

Deze ideeën zijn meest uitgewerkt in zijn belangrijkste werk over Christen anarchisme, ‘Het koninkrijk Gods is in u’ dat gepubliceerd is in 1894 en waarin Tolstoy de staat als volgt beschrijft: “Neem een mens van onze tijd, wie dan ook… hij leeft rustig voort tot om een dag mensen naar hem toe komen en hem zeggen: ‘Ten eerste moet je zweren en beloven dat je je als een slaaf zal onderwerpen aan alles wat wij je mogelijk opdragen en dat de zult gehoorzamen en als absolute waarheid aannemen wat we ook maar willen beslissen en wetten willen noemen; ten tweede moet je ons een deel van je arbeid schenken dat wij naar eigen goeddunken kunnen aanwenden en we zullen dat gebruiken om jou in slaverij te houden en je te verhinderen onze beslissingen te weerstreven; ten derde moet je verkiezen en verkozen worden onder diegenen die geacht worden deel te nemen aan de regering terwijl je goed genoeg weet dat de regering zal doorgaan, ongeacht de stomme toespraken die jij en anderen zoals jij mogen doen en geheel in overeenstemming met onze eigen goesting (dat wil zeggen: naar de goesting van diegenen die het leger ter beschikking hebben); ten vierde moet je van tijd tot tijd opdagen in een gerechtshof en deelnemen aan zinloze wreedheden die we richten tegen misleide mensen voor wiens ontsporing we zelf verantwoordelijk zijn maar die we in de gevangenis zullen gooien, zullen uitwijzen, eenzaam opsluiten en ter dood brengen. Ten vijfde –en belangrijkst van al- moet je –hoewel je op goede voet mag staan met mensen uit andere naties- ten allen tijde klaar staan om –als wij dat bevelen- diegenen die wij aanwijzen als vijanden te beschouwen en persoonlijk of met geld bij te dragen tot de ruïnering, moord en diefstal van die mannen en vrouwen, kinderen en ouderen en datzelfde van je landgenoten of zelfs je ouders aan te doen als wij dat willen.”

‘Het koninkrijk Gods is in u’ was het resultaat van een lange periode van nadenken die begon in 1881, toen Tolstoy aankondigde dat hij de literatuur opgaf en ‘Mijn biecht’ schreef, in 1884 gevolgd door ‘Wat ik geloof’ en in 1886 door ‘Wat moeten we dan doen?’ Het religieus geloof dat Tolstoy bewoog tot politieke en sociale kritiek zou duwt de atheïst –zoals Kropotkin al opmerkte- niet van zich af, gezien Tolstoy in ‘Wat is religie?’ (1902) schreef: “Echte religie is een relatie die de mens aangaat met het oneindige leven dat hem omringt, en wel een relatie die zijn leven met dat oneindige verbindt en zijn gedrag stuurt.”

George Woodcock merkt op in zijn ‘Anarchisme’: “Ik denk dat ik genoeg gezegd heb om aan te tonen dat de sociale leer van Tolstoy in essentie waarlijk anarchistisch zijn, de autoritaire orde van de bestaande maatschappij veroordelend, een nieuwe libertaire orde voorstellend en de manieren suggererend waarop die bereikt zou kunnen worden. Gezien zijn religie een natuurlijke en rationele religie is en haar Koninkrijk zoekt in de heerschappij van rechtvaardigheid en liefde op aarde overstijgt het zijn anarchistische doctrine niet, maar vult het die aan.”

Tolstoy’s idee van religie was er niet één van mystieke doctrine maar van een nieuw concept van het leven, dat geen nood had aan Kerk en clerus, litanie en ritueel; in zijn ‘Brief aan een Niet-aangesteld Officier’ (1899) schreef hij: “Het is slechts nodig met anderen om te gaan zoals we wensen dat ze zelf met ons omgaan. Daarin zit alle wet en alle profeten, zoals Christus zelf zegt. En om dat te doen hebben we geen nood aan iconen, relieken, kerkdiensten, priesters, catechismus, regeringen maar integendeel wel aan het volledig ontbreken ervan; om te gaan met anderen zoals we wensen dat ze zelf met ons omgaan is slechts mogelijk als een mens vrij is van de fabels die de priesters als enige waarheid verkopen.”

Zoals verwacht kon worden kon de Orthodoxe kerk een dergelijk ketterij niet tolereren en werd Tolstoy in 1901 geëxcommuniceerd voor zijn aanhoudende veroordelingen van de kerk als een reactionaire instelling die het militarisme van de staat ondersteunde.. Tolstoy was er niet van onder de indruk. Lang geleden al was hij overtuigd geraakt van de ‘valse christenheid’ van de kerk, zoals hij zelf schreef in zijn ‘Antwoord op het Synodische excommunicatie-edict’ (1901): Ik raakte ervan overtuigd dat de kerkdoctrine theoretisch gezien een kunstige en schadelijke leugen is, en zo goed als een verzameling groteske bijgeloven en hekserij die de hele betekenis van de leer van Christus verbergt.”

Tolstoy’s christelijkheid was in essentie revolutionair en bevrijdend.. In de woorden van Herbert Newton: “Christus stichtte geen kerk, richtte geen staat op, maakte geen wetten, legde geen regering of externe autoriteit op; hij begon simpelweg de wet van God te schrijven in de harten van de mensen, zodat ze zichzelf zouden kunnen besturen.”

Tolstoy’s spirituele anarchisme berust op het principe van totale geweldloosheid en in zijn essays geeft hij talloze redenen voor het verwerpen van geweld als middel om de anarchie te bereiken. Helemaal los nog van de praktische overweging dat het opnemen van de wapens inhoudt dat je de staat op haar eigen terrein aanvalt –waar ze het sterkst staat- stelt Tolstoy dat de greep van de staat op de media ervoor zal zorgen dat het volk gehypnotiseerd wordt om het staatsgeweld te steunen –oorlogen of interne repressie- door het zorgvuldig onderhouden van vijandsbeelden en de primaire angstreactie die deze oproepen. Verre van het volk te verlichten ‘versterkt moord slechts de hypnose’ en ‘lokken dynamiet en dolk slechts reactie uit’. De reputatie die het anarchisme opdeed door het gebruik van terroristische tactieken in Tolstoy’s tijd is tot op vandaag een voortdurende handicap geweest om brede steun te verwerven. De twintigste-eeuwse ervaring met terrorisme heeft getoond dat geweld niet heeft geholpen het staatscredo te ondergraven, maar mensen zelfs in de armen van die staat drijft. In paniek door de mediahysterie en handig gemanipuleerd door de staatsdesinformatie zullen de mensen zelf roepen om meer repressieve macht. In zijn ‘Brief aan de Russische Liberalen’ (1896) stelt Tolstoy dat geweld contraproductief is: “Het geweld van de Revolutionisten versterkt slechts de dingen waar ze tegen strijden…. Omdat het de hele groep onbeslisten –die tussen de twee partijen in staan- in het kamp van de conservatieve en reactionaire partij drijft.”

Dit mechanisme hebben staten goed begrepen; ze aarzelen niet gebruik te maken van provocateurs en terroristische aanvallen te simuleren als ze het gevoel hebben dat de wet op de interne beveiliging en repressie een beetje hulp nodig hebben. De '‘trategie van de spanning’ in Italië, de zelfmoord van de West-Duitse democratie in de jaren 1970 en de Britse manipulatie van het Noord-Ierse conflict zijn uitstekende voorbeelden van dit proces. Geweld gebruiken is de staat in de kaart spelen. Maar misschien wel Tolstoy’s meest overtuigende argument tegen revolutionair geweld als strategie om de anarchie te bereiken is dat de middelen en de doelen niet samengaan; er van uitgaand dat geweld de meest naakte vorm van dwang is, benadrukt hij dat pogingen om een antiautoritaire samenleving tot stand te brengen via een gewelddadige revolutie slechts kan uitmonden in dictatuur. In zijn evaluatie van andere anarchistische denkers, ‘Een oproep aan sociale hervormers’, schreef Tolstoy: “Als macht moet worden tenietgedaan kan dat niet door macht: macht die macht tenietdoet blijft macht.”

De bezorgdheid van Kropotkin en Alexander Berkman weerspiegelend, dat de verdediging van de revolutie de revolutie zelf zou kunnen vernietigen, redeneert Tolstoy in zijn ‘Brief aan de Russische Liberalen: “Zelfs als een poging het bestaande regime te veranderen zou slagen zou er geen garantie zijn dat de nieuwe organisatie duurzaam zou zijn en dat de vijanden van de nieuwe orde niet –op één of ander gunstig moment - zouden triomferen door geweld te gebruiken zoals dat tegen hen was gebruikt… En zo zou de nieuwe orde –tot stand gebracht door geweld- steeds moeten ondersteund worden door geweld, d.w.z. door verkeerd doen. En bijgevolg zou ze onvermijdelijk en zeer snel gecorrumpeerd worden, net als de orde die ze verving.”

In een brief over de revolutie van 1905 aan zijn vriend V. V. Stasov (op 20 september 1906) voorzag Tolstoy het lot van de Russische Revolutie van 1917: “Wat er op dit ogenblik gebeurt onder het volk (niet het proletariaat) is er belangrijk en natuurlijk goed, maar wat al die grappige partijen en committees doen is niet belangrijk en niet goed… Zoals de zaken lopen komen we zonder twijfel in een militaire dictatuur terecht, en we zullen er zeker terechtkomen via grote misdaden en de corruptie die al is begonnen. Tenzij de mensen, de echte mensen, de honderd miljoen boeren die het land bewerken, door hun passief niet-deelnemen aan geweld die hele frivole, lawaaierige en opvliegende troep onschadelijk en overbodig maken. Dus dit is wat ik denk: ik verheug me in de revolutie, maar treur om diegenen die –denkend dat ze de revolutie maken- haar vernietigen.”

Tolstoy’s ideeën over de onmogelijkheid om de anarchie via geweld te bereiken worden weerspiegeld in een briefwisseling tussen de revolutionaire veteranen Emma Goldman en Alexander Berkman (die laatste bijna 15 jaar in de gevangenis omwille van zijn deelname aan het anarchistisch terrorisme van de jaren 1890: “Er zijn momenten dat ik het gevoel heb dat de revolutie niet kan werken op anarchistische principes. Maar als de oude methodes worden gevolgd leiden ze nooit naar anarchisme.” (Berkman) “Ik heb het gevoel dat geweld in welke vorm dan ook nooit constructieve resultaten heeft gehad en dat waarschijnlijk ook nooit zal doen.” (Goldman) “Tenzij we ons afkeren van een houding tegenover de revolutie als een gewelddadige uitbarsting die alles vernietigt wat opgebouwd is over de eeuwen heen van pijnlijk en lastig labeur –niet door de bourgeoisie maar door de samenwerking van de hele mensheid- moeten we bolshevieken worden en de terreur accepteren –met al wat het betekent- of Tolstoyanen worden. Er is geen andere weg. Ik benadruk dat we –als we veranderingen kunnen ondergaan in elke andere methode om met sociale kwesties om te gaan- we ook zullen moeten leren te veranderen in de methodes van revolutie.” (Goldman)

De middelen om de anarchie te bereiken die Tolstoy voorstelde waren wat nu bekend staat als burgerlijke ongehoorzaamheid en geweldloze directe actie. Tolstoy noemde zijn strategie ‘zonder weerstand’, naar de Bijbelse tekst die zo vaak gedeeltelijk wordt geciteerd als rechtvaardiging voor wraak: “ “(Matt V, v. 38-39).

Tolstoy’s woordkeuze –‘zonder weerstand’ en ‘passieve onderwerping’- is ongelukkig omdat ze stilzwijgende aanvaarding van onderdrukking suggereert. Dat heeft ertoe geleid dat hij beschuldigd is van slaafsheid. Dat is echter verre van wat Tolstoy aanraadt; zijn ‘passieve onderwerping’ stelt hij tegenover gewelddadige wraak. Tolstoy pleit voor onbuigzaam moreel verzet tegen autoriteit. De anarchistische historicus Max Nettlau becommentarieert: “Het zou een enorm misverstand zijn Tolstoy’s filosofie te zien als een filosofie van overgave, van onderwerping aan het kwaad in de geest van ‘Christelijk’ geduld en aan alle autoriteit verschuldigde gehoorzaamheid. Tolstoy stond net voor het tegenovergestelde: hij wilde verzet tegen kwaad en voegde aan de ene methode voor weerstand –die van actieve kracht- een tweede toe: verzet door ongehoorzaamheid, met andere woorden door passieve kracht. Hij zei niet ‘verdraag het lijden dat je wordt aangedaan’ of ‘biedt ook je andere wang aan als je wordt gelagen’ maar ‘doe niet wat je bevolen wordt te doen’, ‘neem het geweer niet aan dat je wordt gegeven om je broeders mee te doden,… Als Tolstoy Godwin’s boek had gelezen zou hij er dezelfde ideeën hebben teruggevonden… De aanpak Emerson-Tolstoy-Gandhi is als strijdmiddel evenwaardig aan de revolutionaire actie in de vorm van stakingen en bovenal de algemene staking.”

Het was vanuit Tolstoy’s ideeën over niet-medewerking, weigering van belasting en geweldloos verzet tegen autoriteit dat Gandhi zijn theorie van de satyagraha ontwikkelde. De relatie tussen Tolstoy en Gandhi wa& kort (net iets meer dan een jaar), maar Tolstoy’s geschriften hadden een diepe invloed op de toekomstige exponenten van geweldloosheid. In zijn biografie ‘Alle mensen zijn broeders’ erkende Gandhi zijn schuld aan Tolstoy: “Veertig jaar geleden ging ik door een zware crisis van scepticisme en twijfel. Ik stuitte op Tolstoy’s boek ‘Het koninkrijk Gods in is u’ en was er zwaar van onder de indruk. Op dat ogenblik geloofde ik in geweld. Het lezen van dat boek genas me van mijn scepticisme en maakte me een overtuigd aanhanger van ‘ahimsa’ (geweldloosheid)… Hij was de grootste apostel van geweldloosheid dat deze tijd heeft voortgebracht.”

“Een commerciële onderneming heeft een natie van tweehonderd miljoen mensen tot slavernij gebracht… maken de cijfers niet duidelijk dat het niet de Engelsen zijn die de Indiërs tot slavernij hebben gebracht maar de Indiërs die het zichzelf aandeden? Dat de Indiërs slaven zijn is uitsluitend te wijten aan het feit dat ze zelf leven en geleefd hebben door geweld en de eeuwige wet van liefde niet erkennen die inherent is aan de mensheid. Van zodra mensen helemaal in overeenstemming leven met de liefde die zo natuurlijk is voor hun harten, een liefde die hen nu kenbaar wordt en die elk verzet door geweld uitsluit, en ze zich dan ook verre houden van elke deelname aan geweld, vanaf dat moment zullen honderden niet langer miljoenen tot slavernij kunnen brengen en zullen zelfs miljoenen niet in staat zijn één enkel individu tot slavernij te brengen.”

Volgens Tolstoy kon de staat enkel overleven met de toestemming van de geregeerden; een revolutie om de staat omver te werpen moest een persoonlijke vorm aannemen eerder dan een politieke. De Duitse anarchist Gustav Landauer ontwikkelde dit standpunt verder, argumenterend dat regering geen instituut is maar het product van een autoritaire mentaliteit: “De staat is niet iets dat vernietigd kan worden door een revolutie maar een toestand, een relatie tussen menselijke wezens; we vernietigen de staat door andere relaties met elkaar aan te gaan, door ons anders te gedragen.”

George Woodcock in zijn ‘Anarchisme’: Om die samenleving waar te maken waarin de staat en wet en eigendom afgeschaft zullen worden pleit Tolstoy –net als Godwin en voor een groot deel ook Proudhon- voor een morele revolutie eerder dan een politieke. Een politieke revolutie, zo suggereert hij, bestrijdt de staat en eigendom van buitenuit; een morele revolutie werkt binnen de kwade maatschappij en bedreigt de fundamenten ervan. Tolstoy maakt wel degelijk een onderscheid tussen het geweld van een regering -die helemaal slecht is omdat haar geweld opzettelijk is en werkt via de pervertering van de rede- en het geweld van het kwade volk –dat slechts gedeeltelijk slecht is omdat het voortkomt uit onwetendheid. Maar de enige effectieve manier die hij ziet om de samenleving te veranderen is de rede en –uiteindelijk- overtuiging en het geven van het goede voorbeeld. De mens die de staat wil afschaffen moet ophouden ermee samen te werken, militaire dienst weigeren, weigeren politieagent te worden, weigeren in een jury te zetelen, weigeren belastingen te betalen. De weigering te gehoorzamen is met andere woorden Tolstoy’s ‘grote wapen’.

Tolstoy voegt dit er nog aan toe: “En kan slechts één permanente revolutie zijn, een morele revolutie: de regeneratie van de innerlijke mens. Hoe moet die revolutie plaatsvinden? Niemand weet hoe het in de mensheid plaats zal vinden, maar iedereen voelt het duidelijk in zichzelf. En toch denkt iedereen in onze wereld over het veranderen van de mensheid en niemand aan het veranderen van zichzelf.”


-David Stephens-