Constandse, A.L. - De kerkstrijd in Duitsland (1938)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_kerkstrijd_in_Duitsland_(1938)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Constandse,_A.L._-_De_kerkstrijd_in_Duitsland_(1938).epub

bron: https://archive.org/details/constandse.kerkstrijdinduitsland/


De Kerkstrijd in Duitsland
door A.L. Constandse.
Uitgeverij “De Albatros” Den Haag.

De Kerkstrijd in Duitsland.

De strijd tussen Christelijke kerk en nationaal-socialistische partij in Duitsland heeft vele gemoederen bezig gehouden en bij vele anti-fascisten illusies gewekt. Niet gering in aantal zijn diegenen, die geloven, dat nu de christelijke kerk datgene zal doen, wat de socialisten en communisten en democraten niet hebben gekund: namelijk openlijk strijd tegen het fascisme voeren. Men leest in verschillende bladen van “de anti-fascistische geest van de christelijke kerk” en dergelijke opmerkingen, die meer op wensen dan op de werkelijkheid berusten. Want bij nader inzien zal ons blijken, dat inderdaad de kerk niet strijdt tegen de beginselen van het nationaalsocialisme, eerder deze zelf huldigt.
Trouwens, een vluchtige overdenking reeds leert, dat de grondslagen van kerk en nationaal-socialisme elkander volkomen dekken: de verheerlijkiag van de natie en de vergoddelijking van het staatsgezag; (Romeinen 13: Er is geen gezag dan van God gegeven…); het geloof aan den Verlosser, die de zwakke en kleine mens kan redden; de heiligheid van het huwelijk, en de prediking van het grote gezin; de aanvaarding en verdediging van het militaire apparaat; de tucht en de discipline die ons leert, afstand te doen van het persoonlijk geluk – en vele andere belangrijke stellingen, op economisch-politiek terrein: verdediging van den privaat-eigendom, neiging tot absolutisme en dictatuur (die aan elke kerk eigen is) handhaving van de “standen”, waarin God of de maatschappij ons hebben geplaatst en dergelijke.
Wie bovendien zijn blik laat gaan over de kaart van Europa, ontdekt, dat in het fascistische Spanje, in Italie, in Oostenrijk, in Polen de katholieke kerk geheel in dienst staat van het fascisme. De Paus heeft indertijd Mussolini een “Man Gods” genoemd, hij heeft de regering van Franco erkend, een concordaat gesloten met Hitler, de kerk in Oostenrijk en Polen feitelijk tot staatskerk doen worden. En wat de Lutherse kerk aangaat, waarmee we in Duitsland te doen hebben, deze was immer de grooste steun van de vorsten, het leger, de eigenaars en de jonkers, en de verklaarde vijand der Republiek. Men vergete bijv. niet, dat Ds. Niemöller van de belijdeniskerk tijdens den oorlog duikboot-commandant was, zeer toegewijd aan het oude regiem.
Neen, van verzet tegen de politiek van Hitler kan toch, zo bezien, moeilijk sprake zijn. En men overdenke, hoe betrekkelijk weinig predikanten en priesters gevangen zitten – hoe weinig in vergelijking met de joden, communisten, socialisten en democraten. Volgens Ds. Müller, die Niemöller verving, waren op 8 Jan. maatregelen genomen tegen totaal 110 predikanten en 38 candidaten, opdat ze niet in het openbaar konden spreken. Hoevelen van hen waren gevangen, vermeldde hij niet, maar het zijn slechts enkele tientallen. De meesten zijn uit hun ambt ontzet, of geschorst. Daar staat tegenover, dat bijv. de katholieke kerk nog kon spreken van een opleving. Het aantal priester-kloosterlingen steeg van 1935-1936 van 11,449 tot 13.300. En het aantal theologische studenten dat in 1932 bedroeg 4441, bedroeg in 1936 …. 5277, terwijl het daarvóór zelfs een hoogte had bereikt van 5788, in 1935. De bezoekers van de kerkelijke bijeenkomsten worden nimmer gearresteerd, omdat ze een kerkdienst hebben bijgewoond, en de honderd-duizenden, die elke week ter kerke gaan, staan daarom niet aan enig gevaar bloot. Terwijl toch elke, ook allerkleinste geheime bijeenkomst van vrijdenkers, marxisten, democraten groot gevaar oplevert voor alle deelnemers, die zeer spoedig verraden en in cel of concentratie-kamp terecht komen.
Mogen deze feiten dus allereerst de mening weerleggen, alsof de kerk in Duitsland tegen het politiek systeem oppositie zou voeren. Daarvan is geen sprake. En een overzicht van het standpunt der kerk kan dit nog bevestigen.

De Lutherse kerk.

De positie van de Lutherse kerk in Duitsland is immer klaar geweest: ze stond steeds in dienst van de Duitse vorsten, en later van den keizer en het Rijk. Nimmer zou men haar ervan kunnen beschuldigen, ook maar één woord of daad tegen de maatschappelijke orde te hebben geduld. Nu is dit een traditie, welke Luther zelf aan de Evangelische kerk heeft meegegeven. De Franse schrijver M. Millioud zegt in zijn boek over “La caste dominante allemande” (1915) “Wat is de Lutherse hervorming van de 16e eeuw? Een maatschappelijke beweging in godsdienstige vorm, ondersteund door de kleine geruïneerde adel en door het volk. Tegen wie richt ze zich? Tegen de rijke prelaten der katholieke kerk en ook tegen den keizer. Wie hebben er van geprofiteerd? De vorsten…. Wat deed Luther, om het hoofd te bieden aan den paus en den keizer? Hij steunde op de vorsten en droeg hun alle macht over, waarvan hij het godsdienstig gezag beroofde…” Deze schets is zeer juist. Luther bewees, hoe conservatief hij was in zijn polemieken met Erasmus, die (hoewel katholiek) veel vrijzinniger en veel minder bijgelovig was dan Luther. Maarten Luther geloofde aan het persoonlijk, vleselijk bestaan van de Duivel, van heksen, hij vertrouwde op de lichamelijke wederopstanding der doden op de dag des oordeels, hij onderschreef de katholieke leer van de trans-substantiatie (het geloof, dat bij het heilig avondmaal letterlijk en wezenlijk het brood overgaat tot het lichaam van Christus en de wijn verandert in Christus bloed). De eerste evangelische predikanten namen de biecht af, lazen de mis. Niet dáárin onderscheidden ze zich van het katholicisme, waren veeleer vromer dan de katholieken zelf. Maar ze erkenden het staatkundig gezag niet meer van den Paus en van zijn kerk, om daartegenover de macht van de absolute vorst te vergroten. De hulp, verleend aan vorsten en jonkers bracht deze kerk ook in anti-semitisch vaarwater, en het Duitse anti-semitisme, dat telkens weer de kop opstak, is door de kerk nimmer bestreden. Men moet vooral niet geloven, dat de kerk in oppositie is gegaan, omdat ze iets tegen de Jodenvervolging had!
Het anti-revolutionnaire karakter van de Lutherse kerk staat boven twijfel vast. Toen in 1525 drie grote boerenopstanden van uitgehongerde horigen Zuid-Duitsland beroerden, en Thomas Münzer hun christelijke-communistische pleitbezorger werd, schreef Luther een tweetal brochures tegen hen, waarin hij de moord op de boeren een christenplicht noemt, tot heil van de ziel der boeren zelve. “Niets is zo giftig, schadelijk of duivels als een oproerig mens”. En hij voegt er aan toe: “Zulke wonderlijke tijden zijn het, dat een vorst de hemel kan verdienen met bloedvergieten”. En eerder reeds: “Daarom, lieve Heren, redt hier, helpt hier, erbarmt u over de arme lieden! Steekt, slaat, wurgt hier, wie gij kunt! Blijft ge daarbij dood, welnu, zaliger dood kunt ge nimmer beleven, want ge sterft in gehoorzaamheid aan het woord Gods, Rom. 13.” In 1526 beantwoordt Luther de vraag, of krijgslieden zalig kunnen worden, bevestigend. Oorlogvoeren is door God ingesteld: “Wat is oorlog anders, dan onrecht en boosheid te straffen? Waarom voert men oorlog, dan om vrede en gehoorzaamheid te verkrijgen?” Indien thans de nazis betogen, dat de ware godsdienst de krijgsdienst is, kunnen ze zich op Luther beroepen. Zoals ze bij hem ook de anti-semietische strekkingen kunnen weervinden.
Dit alles is van betekenis, omdat de Lutherse kerk nimmer het Duits-nationale, Pruisische reactionnaire karakter van Luther heeft verloochend. Zonder dat te willen bewijzen aan de hand der geschiedenis van verschillende eeuwen, kunnen we het toch illustreren aan wat in de afgelopen wereldoorlog gebeurde. De dictatoriale onverdraagzaamheid had voorheen er reeds toe geleid, dat Karlstadt had moeten vluchten voor Luthers banvloek; dat de godsdienst van den vorst die van de onderdanen was, en geen afwijking daarvan werd geduld. Nu, in 1914, noemde Deismann het enig juiste beeld van Christus dàt, waarbij Christus wordt voorgesteld als een Saksisch krijgsheld. Ds. Loebel verkondigde: “Het lijden van onze vijanden moet ons aangenaam zijn”, Ds. Philips: “De goddelijke zending van Duitsland is de kruisiging der vijandige mensheid. Daarom is het de plicht der Duitse soldaten, de tegenstanders zonder mededogen te treffen.” En Dietrich Vorwerk vond een gebed uit, waarin staat, met een toespeling op het Onze Vader: “Leidt ons niet in de verzoeking, dat we te zachtmoedig zouden zijn in het uitvoeren van uw goddelijke wil.”
Wie zou menen, dat deze Lutherse kerk ooit vriendelijk gezind was jegens republiek of socialisme – wie zou geloven, dat ze ooit enige sympathie zou hebben gehad voor de democratie, vergist zich. Deze kerk heeft van 1918 af alles gedaan, om de democratie in Duitsland te ondermijnen, het socialisme te bestrijden, het nationalisme van Hugenberg en Schacht en van de Rijksweer te dienen, en later in bondgenootschap met de nationaal-socialisten Hitler aan de macht te helpen.

Het duitse katholicisme.

In tal van staten van het Duitse Rijk –dus ook Oostenrijk– heeft het katholicisme zich krachtig kunnen handhaven en ontplooien. Feitelijk echter heeft het pas na de stichting van het nieuwe Duitse Rijk in 1870 de gelegenheid gekregen, in alle landen, ook dus in Pruisen, de vleugels uit te slaan. Natuurlijk beschuldigden de Luthersen de katholieke kerk van een ultra-montaanse politiek: een politiek, die “van over de bergen” door Rome werd gedicteerd. Maar juist sinds 1870 is de politieke invloed van het Vaticaan zeer getaand, en men kan constateren, dat in elk land de katholieke kerk de nationale politiek ondersteunt, mits deze conservatief is, gericht op het behoud van eigendom, staat, militarisme, gezin en religieuze voorrechten. Geen oorlog, of hij heeft het nationale karakter van de katholieke kerk bevestigd.
Geen socialistische beweging, of ze heeft de kerk onverzoenlijk tegenover zich gehad. De doeltreffendste bestrijding van het Marxisme, lang vóór er sprake was van Hitler, kwam van Duitse katholieken, als Cathrein, wiens boek tegen het socialisme reeds in 1905 in het Nederlands werd vertaald. De samenwerking na 1918 tussen sociaal-democraten en katholieken geschiedde met volkomen opoffering door de socialisten van hun oorspronkelijke standpunt. Ze slaagden er zelfs niet in, de macht van de jonkers te breken en van Duitsland een waarlijk burgerlijke democratie te maken, waarin officieren en groot-grondbezitters als kaste zouden hebben afgedaan.
De moraal van het Duitse katholicisme is samen te vatten in de woorden, die hun leider Windhurst eens in de Rijksdag sprak: “Wanneer het volk zijn geloof wordt ontnomen, kan het de vele ellende niet meer verdragen, en staat het op.” Het geloof als politieke factor te zien, is zowel een Lutherse als katholieke Duitse “deugd” geweest, en niet alleen een Duitse!
Het is bekend, dat het katholicisme principieel niet democratisch is. De kerk, die de inkwisitie niet als een tijdelijke dwaling, maar als een eeuwig geoorloofd middel beschouwt tegen de afvalligheid – de kerk, welke een index van verboden boeken opstelt, die de nationaal-socialisten slechts stumperig hebben geimiteerd – de kerk, die het onfeilbare gezag van den Paus aan ieder oplegt, en geen persoonlijk zelfstandig oordeel erkent – de kerk tenslotte, die Franco, Mussolini, en vele andere kleine en grote dictators verdedigt en dient, kan onmogelijk principieel democratisch zijn. Ze is het tegendeel: principieel dictatoriaal. Democratisch is ze in die landen, waar ze als minderheid de democratie nodig heeft, om te kunnen groeien. Vermaard, maar niet onjuist, zijn de woorden van den katholiek Veuillot tot de liberalen, die in de vorige eeuw vertegenwoordigers waren van democratie op geestelijk terrein: “Wij eisen van U de vrijheid, op grond van Uw beginselen. Maar we weigeren U de vrijheid, op grond van onze beginselen. In de praktijk bleek het dan ook een kwestie te zijn van macht, en de strijd der Nederlandse katholieken tegen de vrijdenkersbeweging, het nieuw-malthusianisme, de arbeid van de gehuwde vrouw, – de eis, om aan dit alles een einde te maken – wijst op minachting voor de rechten ener minderheid, een minachting, die veel doet vrezen.
Overdenken we dit alles, dan kunnen we reeds onmiddellijk concluderen: dat noch de Lutherse noch de katholieke kerk enige reden kunnen hebben, zich tegen de politiek van het nationaal-socialisme te verzetten.
Welke zijn dan de ware oorzaken van deze”kerkstrijd"?

De strijd der kasten.

Het woord, dat Millioud heeft gebruikt, om het wezen te kenschetsen van de Duitse groepen, die heersen, is: “caste dominante” de kaste. Inderdaad kan men zeggen, dat der jonkers, de officieren, de kerkelijke leiders –predikanten en priesters– kasten vormden. Geen klassen. Een klasse heeft een economische en culturele functie, en wanneer ze niet meer in staat is, die uit te oefenen, ontstaat de verwording der maatschappij, de chaos en tenslotte de omwenteling, waarbij een onderliggende klasse de heersende vervangt. Het grote voorbeeld uit het verleden is de overwinning van adel en geestelijkheid door de derde stand, tijdens de Franse revolutie. Klassen zijn die van: de bourgeoisie – het proletariaat – de boeren. Een kaste echter heerst, handhaaft traditie en discipline, doch vertegenwoordigt noch economische, noch kulturele waarden. Gewoonlijk zijn kasten overblijfselen uit een voorgaande periode in de geschiedenis, resten van het verleden, fossielen, versteende standen, die –omdat ze alleen het verleden vertegenwoordigen– elke evolutie in de weg staan. Vandaar hun overwegend parasitair karakter.
In dien zin nu vormen de Duitse kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders een…. kaste. Tyrannick heersend over de geesten, met de middelen en de symbolen van het jaar nul, zich hechtend aan de economische macht der kerk, tuk op politieke invloed. Het is geen wonder, dat de halfslachtige omwenteling van 1918 –die Duitsland nog niet verloste van het feodalisme– toch veroorzaakte, dat de Duitsers bij honderdduizenden de kerk verlieten. De Katholieke kerk bleek een groter aanpassingsvermogen te hebben dan de Lutherse, doch beiden leden onder de nieuwe tijd. Naarmate de reactie echter toenam, groeide ook weer de invloed van de kerk, en in 1933, toen in Duitsland onder de democraten, de socialisten, de vrijdenkers een paniekstemming ontstond, die de nederlaag zo ontzaglijk groot maakte, vluchtten hele massa’s in hun angst naar de kerk, om daar veiligheid te zoeken tegen de nazis en door “aanpassing” en schijngeloof zich het bedreigde lijf te redden. Met reden kunnen de nazis zich er op beroepen, dat door hen het aantal afscheidingen van de kerk zo gering is geworden!
Doch daarmede dreigde tegelijker tijd de kaste der kerkelijke leiders haar oude macht terug te verkrijgen. Vooral de Rijksweer, die zich herinnerde, hoe trouw de kerk tijdens de oorlog had gediend, juichte dit “réveil” toe – een herleving van het geloof! Maar in de kringen van de nationaal-socialistische leiders ontstond wrevel over het feit, dat de resultaten van hùn overwinning dreigden te worden benut door de kerk. Want ook de nationaal-socialistische leiders vormen een…. een kaste.
Indien men het wezen van de nat. soc. leiders zou willen kenschetsen, moet men beginnen in te zien, dat de middenstand hun voedingsbodem is geweest. Verarmde en mislukte intellectuelen (en zij die het meenden te zijn) gaven den toon aan met winkeliers en handelaars en technici, die vreesden géén carriere te kunnen maken. De kleinburger is in opstand gekomen, omdat de crisis en de ontwikkeling van het kapitalisme hem geen gelegenheid meer bieden, door ontplooiing van zijn energie een welvarend man te worden.
Merkwaardig is ook, dat alle gevolgen van het kapitalistisch produktie-systeem, nog verergerd door de crisis, werden verweten aan de socialisten, die nooit anders dan deze symptomen hadden gesignaleerd, en zeker niet verwekt! De “overproduktie”, de daling van de koopkracht, de rationalisatie en de werkloosheid, het verarmen van den kleinen burger, de opeenhoping van kapitaal –gevoegd bij de noodlottige gevolgen van een verloren oorlog– dat alles werd op rekening geschoven van de “Marxisten”. Dat is begrijpelijk. Indien namelijk de kleine burger een wetenschappelijke en objectieve ontleding van de maatschappij zou nastreven, moest hij tot de ontdekking komen, dat de samenleving in toenemende mate onbewoonbaar moet worden door de blijvende crisis van het systeem. En wat er ook logischerwijze uit kan voortkomen: óf een staats-dictatuur òf een proletarische revolutie – in beide gevallen is de kleinburger zijn zelfstandig bestaan kwijt, verliest de kleine eigenaar zijn vrijheid en zijn mogelijkheden. Om aan deze ondergang te ontkomen heeft hij een opstandige beweging ontketend, teneinde zich tegen de normale ontwikkeling der maatschappij te verzetten. Daartoe was het noodzakelijk, zich meester te maken van de macht. Deze middenklasse echter, en de middenstand van beroeps-intellectuelen vormen geen basis voor de maatschappij. Ze beheersen noch de produktie of distributie, noch de kultuur. Men verwarre vooral niet het intellect met de kultuur. Zowel de middenklasse van handelaren en winkeliers als de intellectuelen hebben immer gediend. Deze dienaren van geldschieters en van het publiek, (in de handel), deze bedienden van krantenkoningen, van politieke partijen, van staat en kerk, van industrielen (de zogenaamde intellectuelen) vormen geen zelfstandige macht. Ze veroverden weliswaar de staat, maakten zich van alle openbare functies meester, doch…. wat daarna? Na een jaar van geldverslindende plundering der maatschappij moest men kiezen: òf met het groot-kapitaal, òf met het proletariaat. De kleinburger haat beide. Maar hij moest kiezen. Röhm, Strasser, Ernst neigden naar een soort verbond met het proletariaat. Het kostte hun het leven, op de beruchte 30ste Juni 1934. Onder Hitler ging de leiding de richting uit van Krupp en Thijssen, van Schacht en von Neurath, van de Rijksweeren de landjonkers.
Maar in het huidige kapitalisme, en vooral in Duitsland, zijn de uitbuitingsmogelijkheden beperkt, vooral doordat de wereldmarkt niet meer open staat, en het eigen land geringe mogelijkheden biedt. De nieuwe kaste van honderd-duizenden leiders zoekt een bestaansbasis naast de oude bourgeoisie, de officieren en de jonkers, die ze niet onteigenen kan, omdat ze daartoe steun zou moeten zoeken bij een proletarische omwenteling. Maar: bestaansmogelijkheid vindt de nieuwe kaste niet, indien ze niet een oude kaste verdringt. De kloostergoederen, het grondbezit, de rijkdom aan buitenlandse waardepapieren en de politieke macht der kerken – moeten den nazis een doorn in het oog zijn, en anderzijds magische aantrekkingskracht uitoefenen. Men tracht de kerk te onteigenen, door processen over smokkelarij van buitenlandse waarde-papieren, (deviezen). Haar morele en politieke macht te ondermijnen door het signaleren van zeden-schandalen en leugens. En Goebbels wijst er op, dat de nat. soc, leiders de “ware zielsverzorgers” van het Duitse volk zijn, niet de priesters en predikanten. In dat opzicht schijnt Duitsland een tweede hervorming te zullen beleven: ook in de zestiende eeuw maakten de vorsten zich meester van de kerkgoederen; onder het voorwendsel dat de kerk van Christus was afgedwaald.
Het aspect, dat de kerkstrijd nu verder vertoont, is feitelijk bijkomstig. De vulgair-economische ondergrond mag niet worden blootgelegd, en daarom worden ideologieën te hulp geroepen, om het naakte belang te bemantelen en…. te dienen. Niettemin zijn de wederzijdse argumenten belangwekkend genoeg.

Geestelijke wapenen.

Geestelijke wapenen zijn: argumenten en suggesties, en de laatste meer dan de eerste. Een der belangrijkste suggesties vande nazis is deze: niet de kerk, maar wij, nazis, hebben Duitsland voor een proletarische revolutie gered. De kerk was machteloos, om de débacle van 1918 te voorkomen. Ze voegde zich naar het republikeinse regiem, uit onmacht. Ze kon de groei van het kommunisme niet tegen houden. De winst van de overwinning behoort aan de nazis. De christelijke kerken zijn geen bolwerken meer tegen revolutie en socialisme, ze kunnen de ondermijning van het gezin niet voorkomen, de eigendom niet voldoende beschermen, het pacifisme –dat zich zelfs van het evangelie bedient– niet verhinderen. De ideologie der kerken, aldus der nazis, heeft schipbreuk geleden. Er is iets nieuws nodig, een nieuwe levens- en wereldbeschouwing, gebaseerd op Duitsland en op het Duitse volk alleen, op “bloed en bodem”, en niet op bijbel en Joods verleden en Romeinse tradities.
Tegen die aantijging weert de kerk zich verwoed. Ze wijst er op, dat de enige macht, die in de loop der eeuwen zowel het gezin als het gezag, het leger en de vloot, de eigendom en de staat heeft gediend, juist de kerk was. De grondslag van het oude Duitsland, van het eeuwige Duitsland, is het Christendom. Wie die basis wegneemt, ondermijnt en ondergraaft de gehele maatschappij. De rassenleer der nazis is revolutionnair, zo heet het, omdat ze wel het oude, dat zijn waarde heeft bewezen –de kerkelijke ideologie– verwerpt en vernietigt, maar er niets voor in de plaats stelt, dat ook maar enigermate duurzaam kan zijn. God, Maria, Christus, de onsterfelijkheid in de hemel – dat zijn sprekende beelden, welker gevoelswaarde ontzaglijk groot is. Ze ontroeren en suggereren. Maar welke suggestie gaat er uit van erfelijkheid en raszuiverheid, van het goddelijke Duitsland, van Hitler, de verlossende leider – wanneer de christelijke achtergrond ontbreekt?
Velen in Duitsland, die bewust de heersende klassen en oude kasten vertegenwoordigen, geven de kerk gelijk, en houden niet van de theorieën van Rosenberg en diens mythe van het bloed. Onlangs schreef de “World-Review”: “Een bekend Duits generaal liet zich dezer dagen scherp uit over de strijd tegen de kerken. – Maar ik wist niet, dat U zo godsdienstig was, zei een buitenlander. – Dat ben ik ook niet, antwoordde de generaal. Maar ik bekijk de zaak van de technische kant. Een leger, dat de oorlog ingaat zonder hoop op een leven na dit leven, zal nooit goed vechten. Hitler’s raadgevers maken, dat hij ons mensenmateriaal grondig bederft….”
Het is derhalve duidelijk, dat het niet gaat om de vraag, of men de psychische grondslag der huidige maatschappij: het patriarchale gezin, de macht van den vader, het vadercomplex zelf (God is de Vader, Christus vader en zoon beiden, Duitsland is aller moeder, Hitler is voor het gevoel ook weer vader of eniggeboren Zoon dezer Moeder) zal handhaven. Of men de gevoelens, verworven in het gezin (afhankelijkheid van den vader, liefde tot de moeder, trouw aan de familie) zal exploiteren voor politieke doeleinden – want daarover zijn de kerk en de nazis het eens. Het volk der gelovigen is de familie van broers en zusters, de vader is God, of Christus, of de Paus, of Hitler – de Moeder is Maria, of de kerk, of de natie – en voor vader, moeder en gezin moet de mens dienen, lijden en sterven. Neen, de vraag is alleen, in wiens belang deze ideologie kan worden benut en met welke symbolen. Voor honderdduizenden in Duitsland is niet de Paus, ja, zelfs niet Christus de “stedehouder Gods”, maar is Hitler de van God gezonden Verlosser, die in zijn naam regeert. Millioenen kunnen nog slechts een Godsvoorstelling aanbidden, die typisch Duits is, waarbij Duitsland wordt beschouwd als het uitverkoren volk, dat deswege ook de enig-ware God aanbidt. De christenen gaan deze nazis te lijf met hun gebod: “Ik ben de Heer Uw God. Gij zult geen andere Goden voor mijn aangezicht hebben.” Maar de nazis eisen evenzo, dat de Christenen geen andere Goden aanbidden dan die, welke geboren zijn uit de Duitse verbeelding. En in alle scherpte zou men de tegenstellingen zo formuleren kunnen: De Godsvoorstelling van de Bijbel of die van de Duitsers – Christus of Hitler – de Paus of Hitler – de partij of de Lutherse kerk – het onsterfelijke Duitsland of de katholieke “kerk van God” – het heil van het Duitse volk of de zaligheid der individuele ziel in de hemel….
Het wapen der kerk hiecbij is de bijbelse Openbaring. De strijdbijl der nazis is hun rassenleer.
In mijn boekje “Arische cultuur of Pruisendom” heb ik uitvoerig deze rassenleer uiteengezet en bestreden. (Uitgeverij de Jongh, Antwerpen.) Het gaat hier slechts om de vraag, welke praktische betekenis deze leer had. En de waarde van haar suggesties moet men niet onderschatten. Allereerst toch dient de naam “Arisch”, om aan het begrip “Duits” een wijdere betekenis te geven, het vóór te stellen als internationale cultuurfactor. Het wekken van Arisch “rassenbewustzijn” beduidt echter alleen: het kweken van een Duits nationaal bewustzijn, dat een imperialistisch karakter krijgt, omdat verbreiding der Duitse “Kultur” wordt gelijkgesteld met het redden van de Westerse, Arische beschaving. Gevolg moet zijn, dat de arbeider zijn klassenbewustzijn verliest. Hij moet ophouden, zich proletarier te gevoelen, in het besef, dat hij alleen door zijn geboorte reeds behoort tot een herenras, dat van nature kultuur draagt en wekt. En wie zou niet gestreeld zijn door zulk een theorie… als hij Duitser is?
Bovendien kon de leer dienen, om de Joden te bestrijden, en in een vulgaire concurrentie – een strijd om het bestaan, die de zwaksten opoffert – konden de Ariers zich meester maken van winkels, fabrieken, patienten, baantjes en posten, die de Joden moesten prijs geven.
Ten derde – en dat is belangrijk – konden de nazis aan het sexuele leven nieuwe zin geven. Het is onmiskenbaar waar, dat de christelijke kerk de sexualiteit als zondig heeft gebrandmerkt. Het niet-aardse, sexueel-vijandige element in het christendom blijkt nog heden uit de campagnes tegen elke gezonde sport en ontspanning, die onmiddellijk als “verwildering” wordt bestreden.
De nazis echter beamen de sexualiteit en haar aardse doel, indien ze maar dient, om “raszuivere” kinderen voort te brengen. Het sexuele leven staat in dienst van de religie van het ras, en de sexuele daad is daardoor gewijd. Met andere woorden; het kweken van grote gezinnen wordt bevorderd door een nieuwe ideologie. En niemand zal ontkennen, dat deze practische gevolgen van de rassenleer (indien ze worden bereikt) van groot belang zijn voor het behoud van de bestaande orde.

Gevolgen en vooruitzichten.

De wereld-beschouwing van de nieuwe heersende kaste nu dezer nazis moet tot noodwendig gevolg hebben, dat de bijbel –een kennelijk Joods geschrift– wordt prijsgegeven. Rosenberg (in zijn “Mythus des 20 Jahrhunderts”) tracht nog een soort “Duits Christendom” te redden, door te beweren, dat Jezus…. een Arier was, geboren in Galilea uit een Arische stam, niet van herders, maar van handwerkslieden van hogere kultuur. Christus’ strijd tegen de Joodse godsdienst zou uit anti-semitisme zijn ontstaan. Maar deze stelling der Duitse Christenen is absurd: immers, alles wat van Christus wordt verteld, hebben de Joden over hem geschreven, en die Joden waren dus even “anti-semitisch” als Christus, doch niettemin…. Joden, ook al hervormden ze hun oude geloof. Aangezien van het historisch bestaan van Jezus niets bekend is, moeten de Duitse Christenen dus gaandeweg wel komen tot een Duits geloof zonder een Christendom, dat Joods is, Wat dat zijn zal, weten we. Verheerlijking van de “Duitse God”, die zijn uitverkoren volk tot de overwinning zal voeren, en aanbidding van Hitler als nieuwe verlosser.
En toch…. We hebben er op gewezen, dat in het nationaal-socialisme met zijn kleinburgerlijk karakter wel degelijk een opstandig element schuilt tegen het grootkapitaal, geneigd tot revolutionnaire experimenten. Het moge overwonnen zijn, het is niet dood. Hetzelfde roerige element –vooral in de jeugd– uit zich nu op andere wijze: tegen de kerk en het christendom. In genoemd boek van Rosenberg valt de felle anti-christelijke strekking op, en hij verheerlijkt Germaanse deugden –ridderlijkheid, openhartigheid, persoonlijkheid, afkeer van dogmatiek– deugden, die hij plaatst tegen de inkwisitie en de geestelijke verstarring der kerk. Zijn ideaal is de natuur-mystiek, de vrije religie en het ondogmatische geloof. Wanneer men nummers raadpleegt van “Das Schwarze Korps”, het orgaan van de S.S. en van Himmler, dan treft men daarin zelfs goede actikelen tegen de zwendel met het zogenaamde “occultisme”, waarschuwingen tegen de trucs van helderzienden, telephaten en dergelijke. Men vindter redelijke weerlegging van het wondergeloof van sommige katholieke geestelijken, die in elk ongeluk, dat hun vijanden overkomt, de “vinger en de wraak Gods” zien, (Nummers van 16 Sept. en 7 Oktober 1937.) In een feuilleton, getiteld “Wo ist Gott?” wordt de persoonlijkheid Gods geloochend, wordt een zeker natuurpantheïsme gepredikt, Kopernikus verheerlijkt tegenover de kerk, en God wordt genoemd “een eeuwig scheppingsproces”, dat de natuurwetenschap leert kennen. Het is geen wonder, dat de boeken van de materialisten Darwin, Büchner, Haeckel, Bölsche weer in zeer groote oplage worden herdrukt, dat Nietzsche’s “Antichrist” zeer veel wordt gelezen, dat anticlericale werken tegen het Pausdom worden verslonden.
Deze geest echter is in zijn gevolgen zeker revolutionnair. Wie Nietzsche’s individualisme leert kennen (en zijn anti-Pruisische mentaliteit), wie de sociale consekwenties trekt uit de ethiek van de materialisten, wie de door Rosenberg verheerlijkte “Germaanse deugden” ernstig neemt, wordt een Strijder tegen elke dictatuur, tegen elke onderdrukking van de rechten der persoonlijkheid, tegen zinloos militairisme, tegen de nonsens van de “erfelijke raszuivere” eigenschappen van iemands…. karakter en geest, die met ras niets te maken hebben. Het is vrijwel zeker, dat de gevolgen van dit alles zich tegen de nazis zelf keren!
En juist, omdat de strijd tegen het christendom (waarbij men er niets anders voor in de plaats stelt dan materialistische natuurwetenschap en vage mystiek) in wezen revolutonnair is, daarom is het de vraag, of toch de conservatieve krachten in Duitsland er niet in zullen slagen, de kerk te doen zegevieren. Vooral indien een oorlog nabij is, zal de verzoening tussen nazis en kerk snel een feit zijn. Ook Mussolini is begonnen, in 1923, met een felle anti-clericale actie, en hij waagt het nu nog, te poseren voor beschermer van… de Islam. Maar er waren reden genoeg voor verzoening met de kerk en met den Paus, die grote invloed op het volk hadden en wier buitenlandse financiele relaties onmisbaar bleken, Zo kon in Duitsland ook het huidige conflict een snelle oplossing vinden, ten bate van oorlog en imperialisme.
Maar indien de strijd voortgaat? Dan zou het christendom méér worden ondermijnd dan ooit in Rusland of Spanje het geval was, dan verdwenen alle religieuze scholen, de staats-subsidies en het “Joodse” christendom. En wat er voor in de plaats zou komen, zou niet langer leven dan het regiem van Hitler, en diens legendarische reputatie. Het toekomstige Duitsland zou even goddeloos zijn, als wanneer het een grote revolutie zou hebben doorgemaakt.
De tijden voor het clericalisme –dat in Nederland nog zulk een macht is– schijnen voorbij te zijn. Ondanks het réactionnaire van het Duitse nationaal-socialisme werkt niettemin de anti-clericale en zelfs anti-christelijke strekking door. In Italie, fascistisch Spanje, Oostenrijk en Polen is de kerk nog alleen vasal van dictators en generaals, elders politiek instrument, door grootkapitalisten in eigen belang gehanteerd. Slechts een zwak vrijzinnig christendom poogt zijn onafhankelijkheid te bewaren. De eigen, innerlijke kracht van het christerdom verschrompelt, zijn maatschappelijke invloed verzwakt gaàndeweg.
Niemand is profeet. Doch indien de tekenen niet bedriegen, gaat de christelijke kerk een duistere toekomst en haar toenemend verval tegemoet.

Conclusies.

Indien de houdbaarheid en de levensduur van een beweging moeten worden afgemeten naar haar al of niet-redelijke inhoud, dan hebben noch de nationaal-socialistische, noch de kerkelijke partijen een toekomst voor zich. Indien men een andere maatstaf aanlegt, en vraagt. of ze in de moderne behoeften van de mens (materiele en kulturele) voorzien, dan luidt het antwoord even ontkennend. Het is waarschijnlijk, dat de partij en de kerk elkander wederkerig ondermijnen en verslinden in deze strijd. Het zou niet te betreuren zijn. Want Europa heeft slechts toekomst, voor zover het de vrije geest, het onafhankelijke onderzoek, de menselijke zedeleer en de sociale ordening tot ontplooiïng brengt. Moge de partij, die Hitler heeft gesticht, te gronde gaan. Doch moge de kerk, die zich op de naam van Christus beroept, haar niet overleven!

De historie herhaalt zich niet alleen. Ze wreekt zich.

13 Jan. 1938.