De Weerdt, Denise - De cooperatiës als grondslag van de arbeidersbeweging (1876-1885)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken



Geschreven: 1960-1967

Bron: S.M. Ontwikkeling nr. 144 Antwerpen (Een reeks bestaande uit losstaande maar genummerde delen, geschreven door verschillende auteurs over verschillende onderwerpen

Deze versie: spelling

Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive

Laatste bewerking: 21 juli 2009


De coöperatieve beweging heeft zich in België gedurende de XIXe eeuw in drie perioden ontwikkeld. De eerste werd reeds in een voorgaand hoofdstuk behandeld.

Rond 1860 verspreidde de mare van het succes van de Engelse pioniers van Rochdale zich in België en enkele jaren nadien ontwikkelde zich de tweede fase van de coöperatie bij ons. De toen levende generatie spande zich in om de coöperatie opnieuw tot leven te brengen. Maatschappijen voor onderling krediet en volksbanken werden opgericht. Deze instellingen gingen niet uit — het weze onmiddellijk gezegd — van de arbeiders, maar van de burgerij. Inderdaad was de verbruikscoöperatie zeer goed gezien in het burgermilieu en werd ze aangeprezen in de dagbladen, die uitgingen van de heersende klasse.

In 1864 werd te Luik de eerste volksbank gesticht. L’Equité, association pour l’achat et la vente d’objets de consommation. Haar doel was aan de leden fondsen te verstrekken voor hun handels-, industriële en huiselijke aangelegenheden. Zij nam de spaargelden van haar leden op en gebruikte deze als kapitaal voor een gezamenlijk en onderling krediet. De leden deelden in de winst naargelang het gestorte kapitaal. Ieder lid moest minstens 200 fr. bijdragen. Deze som mocht gestort worden in successieve betalingen van 2 fr. per maand of zelfs van 50 ct. per week.[1] Het volgende jaar ontstonden twee andere volksbanken te Hoei en te Verviers. In 1866 was Gent aan de beurt, in 1867 gevolgd door Namen en Sint Niklaas. Onder de leden van die banken telde men vooral kleine burgers, handwerkers en handelaars.

Daarnaast trof men, eveneens rond 1864 ontstaan, enkele coöperatieve maatschappijen aan, nl. La coopérative de Grévignée gesticht door de arbeiders en meestergasten, La Prévoyante te Verviers, La Sincérité te Ensival en l’Espérance van Dison. De leden van de vrijmetselaarsloge van Brussel, met burgemeester J. Anspach vooraan, stichtten in maart 1868 een maatschappij voor voedselvoorziening, onder de naam van Les Ateliers réunis. Hun activiteit uitte zich vooral in het openen van eethuizen, waar de arbeiders zich aan gunstige prijzen voedsel konden verschaffen.

Eén van de enige door de arbeiders zelf gestichte maatschappijen was nog steeds de Alliance Typographique van Brussel (1842), die stand kon houden omdat zij ontstaan was uit het milieu van de meest onderlegde arbeiders. De andere coöperaties uit de vroegere periode waren meestal ten onder gegaan door de onwetendheid der niet-geletterde leden.


Het standpunt van de Internationale

Op het ogenblik dat de Internationale tot stand kwam was de activiteit van de arbeiders in het coöperatief leven bijna tot op het nulpunt gedaald.

In de eerste congressen van de Internationale kwam de coöperatie echter reeds ter sprake. Haar belangstelling was vooral gevestigd op de productiecoöperatie, zoals dit werd uitgedrukt in de rede van de Engelse afgevaardigde op het eerste congres van Genève in 1866: La coopération de production est plus ecommandable que la coopération de consommation.[2]

Het standpunt van de Belgen kwam pas in de volgende congressen naar voren. Te Genève was immers geen enkele van onze landgenoten aanwezig. Over het algemeen was de houding van de leden van de Internationale ten opzichte van de coöperatie weinig gunstig, vervuld met wantrouwen of onverschilligheid. Op de latere congressen veranderde dit, niet in het minst door de tussenkomst van de Belgische afgevaardigde César De Paepe. Hij vestigde in een resolutie de aandacht van de congresleden op het werkelijk belang, dat de stichting van coöperaties in de schoot van een arbeiderspartij kon hebben: “Le Congres invite d’une manière pressante les membres de l’Internationale dans les différents pays, à user de leur influence pour amener les sociétés de métier ou syndicats à appliquer leurs fonds à la coopération de production, comme le meilleur moyen d’utiliser, dans le but de l’émancipation des classes ouvrières, le crédit qu’elles donnent maintenant à la classe moyenne et au gouvernement.”[3] Door zijn besliste houding en verklaringen beïnvloed, gaf de Internationale inderdaad opdracht aan haar secties zoveel mogelijk te werken aan het stichten van productiemaatschappijen of welke coöperaties ook, die van direct nut konden zijn voor de werklieden.

Vreemd genoeg richtten zij eerst verbruikscoöperaties op, niettegenstaande hun voorkeur voor de productieve vorm. Te Brussel werd La Fourmi gesticht. De inschrijvingsrechten bedroegen 100 fr. die maandelijks konden afbetaald worden of die men afhield van de eerste ristorno’s indien de leden die som niet konden betalen. Weinige tijd nadien ontstond, eveneens te Brussel, La Ruche, die in 1869 260 leden telde.

In het begin van hetzelfde jaar zag La Mutualité van Luik het licht. De toetreding werd hier gemakkelijker gemaakt voor de arbeiders, daar de inschrijvingsrechten slechts 30 fr. bedroegen. Toch bleef het nog steeds een zware last voor de leden om dit beginkapitaal op te brengen.

In het Centrum hadden zich rond de in 1869 ontstane Solidarité van Fayt en tiental secties gevormd. Zij hadden als voornaamste doel door de aankoop van levensmiddelen in het groot de prijzen voor hun leden lager te stellen. In 1872 opende de Solidarité het eerste Volkshuis van België.

Het enige teken van productiecoöperatie van de Internationale viel te bespeuren in Brussel. Op 10 februari 1869 hadden grote feestelijkheden plaats ter gelegenheid van de eerste steenlegging van het Atelier Social, gesticht door de maatschappij der marmerbewerkers.

Alhoewel de verbruikscoöperatie geen al te grote ontwikkeling genomen had, stelde in 1870 de Mutualité van Luik voor de afzonderlijke verbruiksmaatschappijen in een nationale federatie te verenigen. Op het congres van 9 en 10 april 1871 te Luik werd hierover gehandeld. De congresleden aanvaardden het voorstel en beslisten een centrale winkel te stichten. Al die beslissingen leidden echter tot geen merkbare resultaten. De onervarenheid van de arbeiders was hier weer eens de storende factor. Het was reeds moeilijk voor de arbeiders om in hun ongunstige levensomstandigheden het beginkapitaal tot deelname aan de coöperatie bijeen te krijgen. Er werd hen weliswaar krediet verleend, maar zij hadden niet altijd de mogelijkheden of de wilskracht om regelmatig af te betalen en verlieten de maatschappij. Daarenboven konden de coöperaties de twisten en de val van de Internationale in 1872 niet overleven, terwijl ook het Atelier Social der marmerbewerkers mislukt was.

De mogelijkheden van de coöperatie om een effectieve verbetering in de materiële toestand van de arbeiders te brengen, was echter in de geest van de oud-leden achtergebleven. Men had reeds enige ervaring opgedaan betreffende het organiseren van eventueel later op te richten maatschappijen en het is een feit dat onder de stichters van Vooruit oud-leden van de Internationale waren. Samenvattend kan de tweede golf van coöperatie in België, met de pogingen van de Internationale, in volgende overzichtelijke tabel overschouwd worden:

- 1864: de Equité van Luik. De Volksbank van Luik. De Caisse d’avance van Brussel.

- 1865: De Volksbank van Hoei. De Volksbank van Verviers

- 1866: De Volksbank van Gent.

- 1867: De Volksbank van Namen. De Volksbank van Sint Niklaas-Waas. Een productiecoöperatie (bakkerij) te Brussel. Een productiecoöperatie van schilders te Brussel. Het Werkmansgenootschap tot Aankoop van Levensmiddelen te Gent. Veel leden van de Vereniging van de Gentse textielwevers, Vooruit, hadden zich hierbij aangesloten.

- 1868: La Fourmi te Brussel. Les Ateliers réunis te Brussel. Les restaurants économiques te Luik.

- 1869: La Mutualité te Luik. Het Atelier der marmerbewerkers te Brussel. La Ruche te Brussel. De Solidarité van Fayt (Henegouwen).[4] Daarenboven kende de streek van Namen rond 1875 een coöperatieve beweging, die van verbruikscoöperaties ging tot volksbanken. Van 1877 tot 1889 verscheen er zelfs een weekblad, Le Coopérateur de Namur die sedert 1887 de naam Le Coopérateur belge droeg. Zij stond niet in verband met de arbeidersbeweging.[5]


De renaissance van de coöperatieve beweging: de stichting van “Vooruit”

Terwijl voorheen het coöperatief leven in België steeds in handen geweest was van de kleine burgerij, behalve de maatschappijen van de Internationale, zou dit rond 1880 veranderen. De stichting van Vooruit te Gent was de eerste steen voor de buitengewone ontwikkeling en kracht van de socialistische arbeiderscoöperaties.

In 1873 werd een wet gestemd, die het ontstaan van coöperatieve maatschappijen zou aanmoedigen. Vroeger bestonden de verbruiks- en productiemaatschappijen, zowel als de volksbanken, in feite, maar niet in rechte. Op 18 mei 1873 erkende de staat niet alleen de coöperaties als handelsmaatschappijen met winstgevend doel, maar bood hen ook voordelen aan bij hun oprichting. Aan de stichters werd een zeer grote vrijheid verleend in het bepalen van de duur van de maatschappij, de rechten van de leden, toelating en uitsluiting en de verdeling van winsten en verlies. Toch geloven we niet dat deze wet enige invloed gehad heeft op de stichting van de Vrije Bakkers te Gent, waaruit de socialistische maatschappij Vooruit ontstaan is. Nergens wordt er in de verhalen over de stichting van die maatschappij gesproken over die wet. De omstandigheden van het ontstaan van de Vrije Bakkers waren trouwens te toevallig om met die wet in verband te staan.

Het brood, tweede hoofdbestanddeel van het voedsel van de Vlaamse arbeider, was in de jaren 1872-73 zeer duur, men betaalde 50 à 52 ct. per stuk. Daarenboven was het heel dikwijls van minderwaardige kwaliteit en niet zelden vervalst. Deze omstandigheid kwam echter de stilgevallen werkersbeweging ter hulp. Na het uiteenvallen van de Internationale kwamen te Gent nog enkele leden samen om te trachten de beweging nieuwe activiteit in te blazen. De broodprijs was het onderwerp van de dag en zij besloten zelf brood te gaan bakken om aan hun leden te verkopen. Het feit dat zich in de kelder van hun voorzitter, Pol Verbauwen, een bakkersoven bevond, maakte hen het oprichten van een coöperatieve bakkerij gemakkelijker. Zij begonnen met een dertigtal leden, meestal wevers, die gedurende 10 weken spaarden voor een beginkapitaal. Elk van hen legde wekelijks 50 ct. opzij met het gevolg dat zij na tien weken elk 5 fr. stortten en in totaal over 150 fr. beschikten om te starten. In februari 1874 begon men te bakken. De nodige bloem werd gekocht met een som van 259,74 fr. die men bekomen had door de leden een week brood vooruit te laten betalen. Daar men uit 100 kg bloem niet meer dan 128 kg brood mocht bakken, leverde de eerste oven een zeer kleine winst op, waardoor het aantal leden zeer klein bleef. In 1874 waren ze ten getale van 54. Een andere reden voor dit klein getal leden was dat zij het brood zelf in de bakkerij moesten halen.

Daarenboven was daar nog de slechte faam van Verbauwens huis, centrum van de internationalisten. Daarom namen de vroegere administrateurs van de Internationale, Delahaye en Blansaer, de leiding van de Vrije Bakkers over. Zij trokken meer leden aan door het brood thuis te laten bezorgen en door de winst groter te maken. Zij namen goedkopere bloem, waardoor zij meer dan 128 kg brood uit 100 kg bloem verkregen. Het gevolg was dat zij in 1875 een groter lokaal moesten zoeken. De uitgekeerde winst bedroeg 7 à 8 ct. per brood. Pas echter was de maatschappij aan het bloeien of de kas, met 567 fr. inhoud werd gestolen. Het verlies werd ingewonnen doordat de leden een half jaar van hun deel in de winst afstonden. Enkele cijfers bewijzen de opgaande bloei van de Vrije Bakkers[6]: Van einde 1873 tot einde 1874 beliepen de wekelijkse stortingen 275 fr. en werden gemiddeld 550 broden per week verbruikt. Van 1875 tot 1877 verbruikte men 850 broden per week, terwijl het aantal leden steeg tot 89.

In 1878 werden door de regeling van het werk en een beter toezicht 67.747 broden gebakken, wat ongeveer 1.300 broden per week betekende. De winst bedroeg 4.511 fr. te verdelen onder 166 leden.

In 1879 werden 244.883 broden geleverd, wat een jaarlijkse winst van 16.907.39 fr. opleverde. Op het einde van december was het ledental tot 602 gestegen. Op het einde van 1880 had men 1.500 leden. Op 6 maand tijd had men een winst gemaakt van 27.275,18 fr. op het verbruik van 288.889 broden. Dit betekende voor de leden 9 ct. winst per brood terwijl nog 525 fr. bij het reservefonds kon gevoegd worden.

Daarenboven had de maatschappij in de afgelopen 6 maanden nog 439,75 fr. ondersteuning aan zieke leden verleend. Inderdaad deed de coöperatie tevens dienst als mutualiteit; deze functies zouden pas in 1886 gescheiden worden.

Achter deze tekens van bloei lagen echter moeilijkheden verscholen. In 1879 waren de administrateurs van de Vrije Bakkers aan het twisten gegaan met de socialistische leden van de maatschappij. De Vrije Bakkers wilden vooral een neutrale vereniging zijn. Zij waren fier op hun bloei en stonden argwanend tegenover de inmenging van de socialisten in hun beheer. Zij vreesden dat er te veel geld, de leden toekomend, voor propagandadoeleinden zou gebruikt worden.[7] De socialisten trachtten inderdaad zoveel mogelijk invloed te krijgen in de Vrije Bakkers door hun kandidaten in het bestuur te laten verkiezen: zij hadden ingezien dat de coöperatie een zeker middel was om het succes van een arbeiderspartij te verzekeren. De conservatieve leden van de Vrije Bakkers doorzagen dit en telkens als er een voorstel van socialistische zijde kwam verwierpen zij dit. Een scheuring kon niet lang uitblijven. 150 leden van de Vrije Bakkers namen hun ontslag en stichtten een uitgesproken socialistische maatschappij. Zij noemden zich de Vooruit, waarvan Anseele en Van Beveren de voornaamste leiders waren. Zij wilden beginnen met een bakkerij om daarna alle takken van handel en industrie in hun coöperatie te betrekken. Gesticht op 21 november 1880, telden zij na 6 maanden 274 leden. Hun eerste kapitaal, 2.000 fr. werd hen verstrekt door het syndicaat van de Broederlijke Wevers. Reeds van het begin af konden zij op ieder brood een ristorno van 6 ct. geven; zij verkochten hun brood aan 34 ct. het stuk, terwijl het in de kleinhandel 40 ct. kostte. Het was van betere kwaliteit en het gewicht was juist.

Op het einde van november 1881 was het ledental tot 750 gestegen en sloten zij hun eerste half jaar met volgende balans:

Inkomsten Uitgaven
einde mei 1881 2.634,40
juni 1881 4.609,58 3.606,08
juli 1881 3.839,28 4.918,28
augustus 1881 7.700,64 3.694,56
september 1881 13.672,31 9.795,04
oktober 1881 16.051,84 11.784,56
november 1881 13.793,70 20.038,75
Winst: 8.463.48 fr. 62.301,75 53.837,27


In mei 1882 ontving men 92.471,38 fr. terwijl de uitgaven 80.734 fr. bedroegen; men telde 1.150 leden. Het ristorno werd op 7 ct. per brood gebracht en 204,30 fr. werden afgestaan als hulp voor de politieke organisaties.

In 1883 verlieten zij hun eerste lokaal, de Zacheus, wegens gebrek aan ruimte en vestigden zich in een oude fabriek op de Garenmarkt. Zij openden er, naast de bakkerij, een winkel, een koffiehuis en een vergaderzaal. Het eerste Vlaamse Volkshuis was geboren. De nieuwe bakkerij was mechanisch ingericht en de eerste van haar soort in België. Aanvankelijk lieten de moeilijkheden niet op zich wachten. Het invoeren van mechanieken lokte een staking onder de bakkers van Vooruit uit. De inrichting van de bakkerij had de fondsen opgeslorpt en de leden boden vrijwillig hulp: zij stonden hun bierbonnetjes af om de huur van het nieuwe lokaal te betalen. Vermits de som nog niet voldoende was, leende de weversmaatschappij opnieuw 4.000 fr.

De coöperatie speelde eveneens een opvoedende rol: zij leerde de arbeiders sparen. Het ristorno werd eerst per trimester en daarna per semester uitbetaald. Deze vorm van sparen werd zeer op prijs gesteld door de leden, zodanig dat, na een daling van de bloemprijzen, de prijs voor het brood behouden werd om zo een groter ristorno te kunnen uitbetalen. Het systeem werkte schitterend: in 1885 had men reeds 1.750 leden.

De Vooruit spoorde haar leden aan de voordrachten van de partij in het Volkshuis bij te wonen. Om de drie maanden werden algemene ledenvergaderingen gehouden, waar men de vooruitgang van de maatschappij openlijk besprak en verdere beslissingen van het bestuur meedeelde. Het bijwonen van deze vergaderingen was verplicht: afwezige leden kregen 25 ct. boete.[8]

Later, toen de Vooruit eveneens winkels voor koloniale voedingswaren, kleren, stoffen en schoenen opende, werd het ristorno ook toegepast op de verkoop van die waren.

Wij hebben tamelijk lang stil gestaan bij het ontstaan van Vooruit om bepaalde redenen. Haar evolutie heeft aangetoond hoe een coöperatie kon ontstaan uit de werking van een handvol arbeiders, die zeker niet altijd eensgezind waren, maar bezield met de vaste wil en overtuiging eindelijk eens iets te bereiken. Daarenboven was de coöperatie Vooruit door haar werking en inrichting een voorbeeld voor de socialistische kernen van andere steden.

Het oprichten van de coöperaties in de schoot van de partij kwam inderdaad overeen met de politiek van de socialisten. Op een congres van 1880, dat handelde over de coöperatie, werd dit op aandrang van de Gentenaars Anseele en Van Beveren, besloten. De Brusselse socialisten waren de eerste om Vooruit na te volgen. Hun orgaan, La Voix de l’Ouvrier, brak een lans voor het oprichten van een coöperatieve bakkerij. Een 30-tal arbeiders konden op 4 maanden een kapitaal van 600 fr. bijeen krijgen.

Na een jaar hard werken huurden zij, evenals Vooruit, een bakkersoven in een café en zij begonnen in september 1882. Zij kochten bloem op krediet en leverden het brood bij de leden thuis met een hondenkar.

Hun coöperatie functioneerde in het begin eveneens als mutualiteit. Zij stichtten een hulpkas voor zieke leden, aan wie zij gedurende bepaalde tijd gratis brood leverden. Zij droeg geen politiek karakter, alhoewel zij opgericht was door de socialisten, die uit schrik hun werking te benadelen geen uitgesproken sympathie voor de socialistische partij betuigden. De vooruitgang in de hoofdstad was trouwens aanvankelijk trager dan in een echte industriestad als Gent met haar massa arbeiders. In 1886 had zij nog maar 600 leden.[9] De actie van Vooruit verspreidde zich verder over het land.

In september 1883 gaf Anseele te Verviers een voordracht over de voordelen van de coöperatie. Na zijn toespraak lieten 75 toehoorders zich inschrijven en bewerkten de oprichting van een coöperatief molenaars- en bakkersbedrijf.[10]

Te Jolimont had de Solidarité van Fayt na de val van de Internationale stand gehouden en het Volkshuis behouden. Pas in 1886 kwam de coöperatieve beweging er opnieuw tot bloei, evenals te Luik en in de Borinage.

In ieder geval had de Vooruit het signaal gegeven voor een nieuwe strijd. De woorden van Anseele, dat het leveren van goed brood door de socialisten, het beste propagandamiddel was, bleken steek te houden. Doch niet alleen haar geldelijk succes maakte de Vooruit in die tijd belangrijk, ook de plaats die ze innam in de organisatie van de opkomende arbeiderspartij was kenmerkend. Zonder haar voortdurende hulp zou de BWP waarschijnlijk nog moeilijker doorgedrongen zijn in het Belgische politieke leven.



[1] P. Michotte: Les théories économiques en Belgique de 1830 à 1880, blz. 132 (1904).

[2] L. Bertrand: Histoire de la coopération en Belgique, I, blz. 371.

[3] id., ibid., I, blz. 374.

[4] V. Serwy: La coopération en Belgique, I, blz. 163.

[5] L. Delsinne: Le Parti Ouvrier Belge, blz. 106.

[6] Avanti: Een Terugblik, I, blz. 334 e.v.

[7] P. De Witte: Geschiedenis van Vooruit, blz. 103.

[8] V. Serwy: op. cit., II, blz. 29.

[9] L. Delsinne: op. cit., blz. 110.

[10] V. Serwy: op. cit., II, blz. 396-397.


https://www.marxists.org/nederlands/