Domela Nieuwenhuis, F. - Peter Kropotkine (z.j.)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_Peter_Kropotkine_(z.j.)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_Peter_Kropotkine_(z.j.)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Domela_Nieuwenhuis,_F._-_Peter_Kropotkine_(z.j.).epub

Tekst automatisch gegenereerd vanuit markdown:

Bibliotheek voor Ontspanning en Ontwikkeling.
Nr. 4. Serie VI.

Peter Kropotkine
van Prins tot Anarchist
F. Domela Nieuwenhuis.
De Roode Bibliotheek Amsterdam.

Voorwoord.

Nu wil ik u eens een en ander vertellen uit het leven van een werkelijk groot man.
Niet van een man die groot was in moorden en rooven en plunderen, want het zijn dezulken wier heldendaden bij voorkeur verteld worden om ze te bewonderen.
Het was geen keizer of koning, geen aanvoerder van een legermacht, die dood en verderf rondom zich verspreidde, die honderden steden innam en verwoestte, die duizenden liet sneuvelen op het slagveld, om zijn roemrijken intocht te maken onder een juichend volk, wadend door het bloed dat door hem vergoten werd, zooals een Cesar Karel de Groote Napoleon, von Moltke en dergelijken.
Het was geen zeeheld die een heele zilveren vloot stal voor heeren staten om daardoor te blijven voortleven door alle eeuwen heen in liedjes die de kinderen nog zingen te zijner eer, d1e schepen stuk schoot, om de bemanning te laten verzuipen in de zee als ratten en muizen, zooals een Michiel de Ruyter.
Niets van dat alles is van hem te vertellen. Hij was integendeel een man, die, van vorstelijke afkomst, brak met zijn heele omgeving‚ om een schitterende positie, die hem wachtte, prijs te geven, om zijn vermogen te doen verbeurd verklaren en een zeer onzeker leven in den vreemde te gaan leiden. Hij “verlaagde” zichzelf door af te dalen van de hoogte, waarop hij stond om te gaam leven met en onder het volk. Hij, die rijk was, gaf alles prijs om na een stormachtig leven stil en eenvoudig te gaan leven van de opbrengst van zijn pen, en hard, heel hard te gaan werken, ver van de weelde van een hof nu in afzondering zijn leven wijdende aan anderen.
We zullen u een en ander vertellen namelijk van prins Peter Kropotkine, een Rus, en wij zijn vast overtuigd dat gij hem lief zult krijgen evenals wij, omdat hij meer goed heeft gedaan in het belang der menschheid, dan al die mannen, die in de geschiedenis geboekt staan als de Groote, de Machtige, de Moedige; deze Kropotkine schreef zijn Gedenkschriften, een prachtig boek, dat ook in het Hollandsch verschenen is bij den uitgever P. M. Wink te Amersfoort, waarin hij de merkwaardigste gebeurtenissen zijns levens beschrijft. Dit boek is echter te duur voor velen en ook te groot, want het bestaat uit 2 deelen. Om hem nu ook in ruimeren kring, vooral onder de arbeiders voor wie hij altijd streed en werkte, bekend te maken, geven wij hierbij een uittreksel uit dat boek. Wie er meer van wil weten, hij moet dus het boek zelf ter hand nemen, maar dit uittreksel geeft een goed overzicht over het leven van dezen nobelen mensch, die zichzelf gaf aan zijn beginsel, brekende met zijn verleden, met zijn familie, met zijn omgeving, om zich geheel te kunnen wijden aan de zaak die hem lief was.
Van zulk een rijk leven, getuigende van toewijding en beginseltrouw, gaat ongetwijfeld kracht uit en daarom doet het allen bepaald goed, als zij een tijdlang leven met een groot man.

1. Peter’s jeugd.

Op 9 December 1842 werd Peter geboren te Moskou‚ uit een vorstelijk geslacht, daar hij afstamde van zekere Rostislaw Mistislawitsch den Dappere, een grootvorst van Kiew en zijn voorvaderen grootvorsten waren van Smolensk. Als het erop aankomt, heeft zijn familie meer aanspraak op den Russischen troon dan keizer Nikolaas II, die van het geslacht der Romanows is, een soort van indringers. Het wapen der familie was dan ook het wapen van Smolensk, gedekt door den hermelijnen mantel en de kroon der Monomachen.
Zijn vader was het type van den soldaat uit het tijdvak van keizer Nikolaas I, wij bedoelen zulke menschen, die met minachting neerzien op allen, die geen uniform dragen. In Rusland is de militaire loopbaan dan ook zoo wat de eenige, waarin men het tot eer en roem en aanzien kan brengen.
Ofschoon hij deel had genomen aan den Turkschen oorlog van 1828, schijnt hij niet veel kruit geroken te hebben, want het eenige heldenstuk dat hij wist te vertellen, bestond daarin dat hij zich met zijn trouwen bediende Frol op zekeren nacht had moeten verdedigen tegen een woedenden aanval van Turksche honden. Als hij het eerekruis van St. Anna “wegens dapperheid” heeft gekregen en ook den gouden degen, dien hij droeg, dan was het niet omdat hij zich onderscheiden had in den krijg maar om een andere reden, die een eigenaardig licht werpt op de tijdsomstandigheden.
Een Turksch dorp brandde bijna geheel af. In een der lichte houten huizen was een kind achtergebleven en Frol, de bediende van den ouden Kropotkine, stortte zich in de vlammen en redde het kind, waarop de bevelvoerende officier, die getuige van deze daad was, aan Kropotkine het eerekruis schonk.
Als vader dit vertelde en de kinderen dan zeiden: “maar, vader, Frol had toch het kind gered,” dan antwoordde hij heel naïf: “wat maakt dat uit? Was hij niet mijn ijjfeigene? Dat is dus precies hetzelfde.”
Ja, al het goede wat de lijfeigenen deden, dat eigenden zich de meesters toe en zoo droeg vader Kropotkine het eerekruis dat Frol had verdiend, maar hij vond dat “precies hetzelfde”.
Lijfeigenen, wat zijn dat?
Een beetje meer dan slaven, die heelemaal het eigendom waren van den heer en die over hun leven en lichaam naar welgevallen konden beschikken.
Peter’s vader ging door voor een rijk man en iemands rijkdom werd afgemeten naar het aantal “zielen” dat men had: Zielen beteekende zooveel als mannelijke lijfeigenen, want de vrouwen telden niet mee, die hadden zeker geen ziel. Nu bezat vader Kropotkine 1200 “zielen” in drie verschillende provincies. In Moskou een stoet van 50 bedienden te houden en op het land 25 meer, dat scheen niet veel. Vier koetsiers met twaalf paarden, drie koks voor de tafel binnen en twee voor de bedienden, een dozijn huisknechts achter tafel en vele dienstmeisjes in de keuken, dat was het personeel van een rijk man in Rusland. Achter elks stoel stond bij den maaltijd een bediende met een bord in de hand. Zoo’n huishouden was feitelijk een heele hofhouding.
Nu zou zoo’n inrichting vreeselijk veel geld kosten, wanneer alle levensmiddelen te Moskou moesten gekocht worden, maar in den tijd der lijfeigenschap ging dit heel anders toe.
Als de winter aanbrak, zette de oude heer Kropotkine zich eenvoudig voor zijn schrijftafel neer en schreef aan zijn opzichter te Nikolskoje in het gouvernement Kaluga, dat hij 25 boerensleden met twee paarden bespannen, van elk huis één paard er van elke twee huizen één slede en één man moest zenden, beláäden elk met zóóveel schepel haver, zóóveel schepel rogge en zóóveel schepel tarwe en daarbij in ijs verpakt alle kippen, ganzen en eenden, die in dezen winter geslacht werden. Zoo ging het een paar bladzijden voort met aan het eind de bedreiging met straffen, als de opzichter niet stipt alles naar de bevelen ten uitvoer bracht.
Bij zekere gelegenheid ontdekte de oude heer, dat er gestolen was en nu had men het lieve leventje gaande. Bij het onderzoek der rekeningen meende hij, dat er hooi te weinig was. De koetsier werd gehaald. Vader sprong op hem toe en ranselde hem, maar de koetsier zeide: Uw Hoogheid moet zich vergist hebben. De oude heer rekende nog eens na en bevond toen dat er meer hooi op den zolder was dan er zijn moest. In plaats dat het schelden ophield, begon hij nu te schelden dat de paarden geen vol rantsoen gehad hadden. En zoo ging het door totdat er op eens stilte na den storm kwam. De oude heer zette zich voor zijn schrijftafel en schreef op een stuk papier: “neem Makar –dat is een der lijfeigenen– mee naar het politiebureau en laat hem 100 slagen met de roede geven.”
Aan tafel werd hij gemist.
“Waar is Makar?” vroeg de vrouw van den ouden heer. “Roep hem binnen.”
Makar kwam niet. Nogmaals werd het bevel herhaald. En daar kwam hij aan, bleek en met verwrongen gelaat, terwijl hij de oogen beschaamd neersloeg. Hij had zijn pak slaag ontvangen en ging nog gebukt onder de straf.
De kinderen bemerkten het heel goed. Dadelijk na het eten‚ liep Peter weg en toen hij Makar aantrof in een donkeren gang, wilde hij hem de hand kussen. Maar Makar wilde niet en trok zijn hand weg, zeggende: “Laat mij alleen! Zult gij ook eens precies hetzelfde doen, als gij groot zijt?”
Peter antwoordde: “Neen, neen, nooit!”
Nu ging de oude heer Kropotkine door voor een goeden grondbezitter, want zoo’n pak slaag hoorde tot de zeldzaamheden, terwijl het bij anderen dikwijls schering en inslag was.
Het slaan van lijfeigenen was aan de orde van den dag en het was de politie en de brandweer, die het meestentijds moesten doen op last van den grondbezitter.
Een eigenaardig staaltje van de verhoudingen is ook dit:
Bij een generaal kwam men tot de ontdekking, dat het aantal zielen zoo langzaam vermeerderde en toen beval deze dat 5 jongens trouwen moesten met vijf meisjes en wel binnen 10 dagen. De paren werden voorgeschreven en dit veroorzaakte groote ontsteltenis onder de betreffende jongelieden, die dikwijls een andere keuze hadden. Zulke huwelijken op bevel waren zeer gewoon. Soms als de bedienden merkten, dat men hen met elkaar wilde uithuwelijken en zij wilden dit niet, dan traden de jongen en het meisje, die door zoo’n bevel bedreigd werden, samen op als peet bij den doop in een boerenfamilie, want dan mochten zij volgens de kerk niet trouwen.
Nu gebeurde het ook eens, dat een kleermaker Andreï verliefde op een buurmeisje. Hij hoopte, dat de oude heer hem tegen een jaargeld zijn handwerk als kleermaker vrij zou laten uitoefenen en dat hij door vlijtig te werken zooveel geld zou overhouden, dat hij het meisje kon loskoopen. Anders toch zou zij door te trouwen met een lijfeigene eveneens lijf-eigene zijn geworden van den heer van haar man. Echter, er dreigde zoo’n gedwongen huwelijk met een der huismeiden. Beiden werden toen peet en het huwelijk kon niet doorgaan.
Toen Andreï echter zijn plannen meedeelde, werd hij kort en goed naar het leger gestuurd om soldaat te worden.
En dat was me wat in dien tijd!
Vijf en twintig jaar lang moest men onder de wapenen staan en het soldatenleven was zeer hard. Een soldaat was heelemaal prijs gegeven aan de willekeur der officieren. De wreedheid, waaraan de soldaten blootstonden, overtreft alles wat men zich kan voorstellen. Soms kregen zelfs in het kadetten-korps, dat toch bestond uit de zoons van adellijken huize, de kadetten om een sigarette 1000 slagen met een berkenroede in het bijzijn van het geheele korps. Geschiedde dit niet jaarlijks een paar malen, dan zei de chef der militaire school, grootvorst Michaël: er is geen krijgstucht.
Men kan begrijjpen, hoe het dus met de gewone soldaten toeging.
Als een soldaat gevonnist werd door den krijgsraad, dan werden 1000 man in twee rijen met de gezichten naar elkaar toe opgesteld, elk met een stok ter dikte van een pink, de veroordeelde werd drie, vier, vijf tot zeven maal toe tusschen de twee rijen heengesleept en kreeg dan van elken soldaat een slag. Dit heette spitsroeden loopen. Na 1000 of 2000 slagen werd het slachtoffer, bloedspuwend, naar het hospitaal gebracht en verpleegd, om de tuchtiging voort te zetten, zoodra de gevolgen van de eerste strafoefening eenigermate waren verdwenen. Stierf de ongelukkige bij de geeseling, dan kreeg het lijk de nog ontbrekende slagen. Geen wonder dat soldaat worden met schrik en beven werd te gemoet gezien en om zelfmoord te voorkomen, werd zoo iemand alvast in ketenen geklonken en bewaakt. Zoo moest ook Andreï 25 jaar het verschrikkelijke lot van soldaat dragen.
Dat lijfeigenen ook menschen waren en gevoel bezaten, dat wilde of kon men niet aannemen in de hoogere kringen. Natuurlijk dat zij allen droomden van de vrijheid, maar het bleef meestentijds bij droomen, daar de grondbezitter alleen tot vrijgeving te bewegen was door een hooge som geld.
Eenige jaren later sprak Peter eens met zijn vader, die zich niet erg vinden kon in den nieuwen toestand na de afschaffing der lijfeigenschap en toen durfde hij zijn vader zeggen: “gij moet toegeven, dat gij uw lijfeigenen dikwijls wreed hebt gestraft, ook zonder reden.”
Daarop gaf deze ten antwoord: “met het volk kan men niet anders klaar komen.”
En dit was het algemeene gevoelen, want ter juister beoordeeling moet men zich herinneren dat de oude Kropotkine doorging voor een der besten.
Maar keeren wij na deze uitweiding over de lijfeigenschap terug tot ons verhaal.
Toen Peter 3½, jaar oud was, verloor hij zijn moeder reeds, die een bizondere, artistiek aangelegde vrouw moet geweest zijn. Hij had een broer van ongeveer 1½ jaar ouder, Alexander geheeten, met wien hij van kindsbeen af in de hartelijkste betrekking stond en buitendien een broeder van 12 jaar, Nikolaas, en een zuster van 11 jaar, Helena. De beide jongsten kwamen onder leiding van een Duitsche kinderjuffrouw en een oude vertrouwde Russische kindermeid; zij leefden niet in het groote huis maar in een klein gebouw, dat op de plaats stond. Vader zagen zij zelden. Ook toen deze na twee jaar hertrouwde met een nichtje van generaal Timsfejew, een almachtigen generaal, die heelemaal het oor van den keizer had, en die als de “eenoogige duivel” meer gevreesd dan bemind was. Ofschoon zijn aanstaande vrouw niets bezat, durfde hij het huwelijksvoorstel van den generaal niet van de hand slaan en met groote praal werd het huwelijk gesloten.
Toen ter tijd lieten alle aanzienlijke Russen hun kinderen opvoeden door Franschen en zoo gebeurde het dat Alexander en Peter een goed betaalden Franschen gouverneur, monsieur Poulain, en een schraal betaald Russisch student Smirnow tot opvoeders kregen.
Over de wijze van leven in het ouderlijke huis wordt een goed licht geworpen door de mededeeling, dat de kinderen ’s ochtends, onder geleide van den Franschen gouverneur, aan het ontbijt mochten komen van vader en moeder om heel vormelijk en plechtstatig hun opwachting te maken. De kinderen zeiden dan: “Bonjour, mon cher papa” (dag lieve papa) en “Bonjour, ma chère maman” (dag lieve mama) en kusten hun de hand. Dan volgde de gouverneur om te zeggen: “Bonjour, monsieur le prince” (dag meneer de prins) en “Bonjour, madame la princesse” (dag mevrouw de prinses) en daarna verliet het troepje de kamer om aan ’t werk te gaan.
In de leerkamer was ook een berkenstok, waarvan monsieur Poulain somwijlen gebruik maakte als het werk niet vlotten wilde, totdat zuster Hélène, die de kostschool verlaten had, eens hoorde hoe haar jongere broertjes huilden van het slaan. Zij ging naar papa om zich te beklagen, dat haar jongere broertjes heelemaal in handen waren gegeven van een “afgedankten Franschen trommelslager.”
Eerst werd Hélène braaf uitgescholden, maar ten slotte prees vader het, dat zij opkwam voor haar broertjes en het gevolg was dat de stok voortaan alleen gebruikt werd voor den hond.
De kinderen werden niet overladen met speelgoed en zij moesten zich dus zelven maar bezig houden, wat zij dan ook deden door roovertje en soldaatje te spelen. Zij leerden van alles, ook dansen en zij deden na wat zij zagen. Zoo waren ze eens in het theater en zagen ze daar een groote balletdanseres optreden in haar zwierige en sierlijke bewegingen. Natuurlijk werd de voorstelling zoo goed en zoo kwaad het ging, den volgenden dag thuis nagebootst. Het vermakelijkste was dat alle voorstellingen altijd eindigden met de hel. Alle kaarsen op één na werden uitgedaan en die laatste plaatsten de kinderen, om vlammen af te beelden, achter een transparant, terwijl Alexander en Peter, verborgen voor de toeschouwers, als verdoemden een vreeselijk gehuil aanhieven. Misschien dat de kinderen door die prachtige voorstelling verlost werden van alle vrees voor het eeuwige vuur. Reeds vroegtijdig bezochten zij den schouwburg en de invloed van goede akteurs heeft zeker meegewerkt, om bij de beide jongens reeds vroegtijdig kunstzin te ontwikkelen.
Toen Peter acht jaar oud was, gebeurde er iets wat een grooten invloed op zijn verder leven uitoefende.
Ter eere van de 25-jarige troonsbestijging van keizer Nikolaas kwam deze ook naar de oude hoofdstad des lands, waar hem een schitterend gekostumeerd bal werd aangeboden door den adel van Moskou, en daaraan mochten ook kinderen meedoen. Alexander en Peter werden echter nog te jong geacht, maar door een bizondere omstandigheid mocht Peter toch meegaan. Zekere mevrouw, die bevriend was met de familie, zou als Perzische vorstin meedoen aan de voorstelling met haar 10-jarig zoontje, dat als Perzische prins een buitengewoon rijk kostuum zou dragen. Echter het knaapje werd vlak vóór het feest ziek en nu dacht de moeder dat een der beide knapen hem zou kunnen vervangen. Het kostuum werd aangemeten en daar het te kort was voor Alexander en Peter best paste, zou deze als Perzische prins meegaan.
De keizer was verrukt over de rijke kostumen, voorstellende de bonte rij der volkeren, waaruit het Russische rijk bestond en plotseling werd de kleine Peter Kropotkine op den arm genomen door een der kamerheeren om hem te plaatsen op het keizerlijke platform. En daar stond hij nu te midden van generaals en allerlei dames, die nieuwsgierig naar hem keken. De keizer nam hem zelfs op den arm en vroeg hem of hij veel van suikergoed hield, waarop Peter met kinderlijke natuurlijkheid zei, dat hij veel meer hield van wafeltjes, die men bij de thee presenteerde. Dadelijk liet de keizer den inhoud van een vollen schotel in zijn hooge muts ledigen door een der bedienden, waarop Peter zei: “ik zal ze voor Sascha (zijn broeder Alexander werd zoo genoemd) meenemen.” De broeder des keizers haalde een grap uit, die hem aan het huilen bracht.
Hij zei: “als je een zoete jongen bent, dan gaat het zóó met je” en hij streek met zijn groote hand van boven naar beneden, “maar als je stout bent, dan gaat het zóó” en nu streek hij met de hand naar boven en wreef hem op gevoelige wijze den neus, die reeds van nature de neiging had omhoog te krullen. De dames trokken echter partij voor hem. Een harer nam hem naast zich op een hoogen stoel met vergulde leuning. Toen hij zijn hoofd op haar schoot neerlegde, sliep hij heel spoedig in, zoodat onze Peter eens rustig geslapen heeft op den schoot van de kroonprinses.
Toen zij wachtten in de voorzaal op het rijtuig, om naar huis gebracht te worden, zei een der familieleden tot Peter: “gij zijt page geworden,” waarop het kind antwoordde: “ik ben geen page, ik wil naar huis.”
En ja, de grootste eer, die men zich denken kan, viel te beurt aan dezen kleinen jongen, de keizer liet hem voor page opleiden.
Alexander ging naar het kadettenkorps te Orel, een kleine provinciestad, maar tegen wat geld kreeg de oude heer het gedaan, dat hij een plaats kreeg bij het kadettenkorps te Moskou.
Maar Peter genoot de hooge eer in het pagenkorps te Petersburg een plaats te krijgen, want het sprak vanzelf dat alle kinderen militairen werden. Dat was de eenige stand die overeenkwam met de waardigheid van den adel. De oude heer zou zich met alle kracht ertegen verzet hebben, als zijn zoons anders wilden. Er werd eigenlijk niet gevraagd of men er lust in had, het sprak vanzelf dat zij militair werden en papa Kropotkine was wat blij, dat de zaken aldus geregeld waren.
Als de kinderen naar een der buitengoederen gingen, waren zij altijd met monsieur Poulain. Hoe heerlijk genoten zij daar in de bosschen, op de heuvelen, aan de rivieren. Eens zou Alexander haast verdronken zijn bij gelegenheid van de ontmoeting met een wolf, maar Poulain wist hem te redden, zoodat hij aan dezen zijn levensbehoud had te danken.
Toen Alexander in 1852 naar het kadettenkorps ging, zagen de twee broers elkaar nog maar af en toe des zondags, maar Peter moest wachten tot hij 15 jaar oud was. Monsieur Poulain werd ontslagen en Peter ging naar een gymnasium te Moskou. Alleen meneer Smirnow bleef en onder diens invloed kon Peter voldoening schenken aan zijn letterkundige neigingen.
De invloed van den student Smirnow was groot en deed vooral den letterkundigen aanleg ontluiken, die bij den jongen Peter aanwezig was evenals bij zijn broeder Alexander. Maar deze had meer aanleg voor poëzie, zoodat de anderen hem plagend “onzen poëet” noemden.
En verbeeldt u nu eens, twaalf jaar oud gaf Peter met zijn broer reeds een dagblad uit. Nu moet men niet dadelijk denken aan zoo’n groot blad als de Nieuwe Rotterdammer of het Handelsblad, neen, het was een zeer bescheiden blaadje, waarin heel alledaagsche gebeurtenissen geboekt werden, die echter geen zier minder interessant waren dan de berichten, die men dikwijls leest in de groote bladen. Of men daarin leest: de keizer van Duitschland is op de jacht geweest en schoot 2 reeën en eenige faisanten dan wel in dat kleine blaadje: Smirnow schoot twee lijsters, dat is toch precies hetzelfde. Toen dit hen niet bevredigde, begon hij met een maandschrift, waarin Alexander de verzen leverde en Peter novellen en allerlei “gemengd nieuws.” De abonnementen die het had, waren dat van de uitgevers zelven en van Smirnow, die zijn abonnementsprijs betaalde in zóó en zóóveel bladen papier en andere onkosten had men niet, daar het geschreven werd.
In het kadettenkorps waar Alexander was, kreeg het spoedig eenige bekendheid, maar helaas! toen werd daar door een paar kameraadjes een konkurreerend tijdschrift opgericht. En dit had het voordeel een kritikus te bezitten. Natuurlijk gingen beiden direkt aan het kibbelen met dat gevolg, dat de beste krachten van het nieuwe tijdschrift naar hen overliepen, zoodat het tweede weldra stierf. Twee jaar bestond het blad; een nieuwe omgeving en een geheel nieuw leven maakten, dat het niet kon blijven voortbestaan.

2. Peter in het Pagenkorps.

Toen Peter 15 jaar was, mocht hij naar het Pagenkorps te Petersburg gaan en vader was daarover ten zeerste tevreden, ja eigenlijk vereerd.
Dat Pagenkorps was zooveel als een keurkorps, waar jongelingen van den hoogsten adel ten getale van hoogstens 150 hun opleiding kregen, die later zooveel als de lijfgarde des keizers werden. De zestien eerste leerlingen der hoogste klasse werden “kamer-pages” en deze verrichtten den persoonlijken dienst bij de verschillende leden van de keizerlijke familie: keizer, keizerin, grootvorsten en grootvorstinnen. Dit gold natuurljk voor de grootstmogelijke eer. Zij hadden natuurlijk de meeste kans later een schitterende loopbaan te maken hetzij als adjudant van den keizer of een der grootvorsten, hetzij in staatsdienst.
Die school was verdeeld in 5 klassen. Peter ondervond de eerste teleurstelling, omdat hij niet geplaatst kon worden in de 4e klasse, daar hij niet voldoende kon omgaan met de tiendeelige breuken en dat terwijl bij met alle andere vakken goed mee kon gaan met de jongelui van de vierde klasse. Hij beklaagde zich bij den inspekteur, maar deze antwoordde lachend: “je weet wat Cesar verklaarde? Het is beter de eerste in een dorp te zijn dan de tweede in Rome” maar dit stelde hem niet erg tevreden, want hij antwoordde dat hij liever de laatste was als hij maar zoo gauw mogelijk uit het Pagenkorps kon komen. Het schijnt dus dat die “eer” hem niet zoo erg verblindde.
In den beginne had hij, als zoovelen, in de “hoofdstad en de Finsche moerassen” veel last van cholera nostras en van typheuse koortsen.
Er ging juist een nieuwe geest over Rusland na den dood van den verschrikkelijken despoot Nikolaas I. In naam was chef der school generaal Zheltukhin, een krasse oude man, maar in werkelijkheid een oude Fransche officier in Russischen dienst, kolonel Girardot. Dat was een klein, heel mager mannetje met sluwe oogen, een echte tiran, die zich voordeed ais een welmeenend vadertje, maar wee dengene, die zich niet voor zijn wil buigen wilde.
“De kolonel komt” – dat was het groote woord onder de jongelieden om ze allen bang te maken.
De eerste klasse speelde natuurlijk den baas over alle anderen en men had op de school een soort van “groentijd”, waarin de pas aangekomenen blootstonden aan allerlei plagerijen.
Zoo hadden in den winter tevoren de groenen ’s nachts in hun nachthemden als paarden in een cirkus moeten ronddraven, terwijl de anderen met dikke gutta-percha zweepen in de handen klaar stonden om de jongens zonder mededoogen te ranselen. Gewoonlijk eindigde het cirkus op afschuwelijke, oostersche wijze. Overigens als op zoovelen van die scholen waren de zedelijke begrippen niet hoog en smerige praatjes aan de orde van den dag.
De kolonel wist dat alles heel goed, hij hield er een heel stel spionnen op na, die hem alles vertelden, maar hij deed alsof hij er niets van wist en sloot er zijn oogen voor.
Maar de nieuwe geest had zich ook getoond op de school en de leerlingen der derde klasse, onder wie sterke jongens waren, onderwierpen zich niet zoo gedwee als voorheen. Het gevolg daarvan was een heel oproer en de jongens van de eerste klasse, onder wie de kamerpages, liepen een leelijk pak slaag op van de jongens der derde klasse. Het gezag der laatsten was daardoor leelijk ondermijnd en de gutta-percha slangen bleven voortaan buiten gebruik.
Maar de jongens van de eerste klasse, die veel jonger waren, moesten toch nog veel verdragen. Het is geen mooie karaktertrek van groote jongens, als zij bij voorkeur hun overmacht laten gelden over kleinere, die niet tegen hen zijn opgewassen.
Er was een mooie tuin aan het gebouw verbonden vol oude boomen, maar de jongens van de vijfde klasse hadden er niet veel plezier van. Zij werden gedwongen een mallemolen voort te duwen, waarin de kamerpages zaten en zij moesten evenals de kegel-jongens de ballen teruggooien, als de anderen kegelden.
Peter zag dit en bleef daarom liever boven om te lezen.
Een roodharige kamerpage ontdekte dit en beval hem naar beneden te gaan en den mallemolen te draaien.
“Ik kan niet, gij ziet dat ik lees,” antwoordde Peter.
De roodharige wilde op hem losstormen, maar Peter maakte zich klaar om zich te verdedigen. Roodhaar trachtte hem met zijn pet in ’t gezicht te slaan, maar hij pareerde en de pet vloog op den grond.
“Raap haar op!” riep hij toornig.
“Doe het zelf!” antwoordde Peter.
Roodhaar was woedend, maar toch durfde hij niet voortgaan, althans Peter werd niet afgeranseld, ofschoon de andere veel grooter en sterker was.
Ondanks allerlei bevelen en plagerijen lukte het niet om Peter te bewegen naar beneden te gaan.
Toen er regenweer kwam, bleef men meestal binnen en nu ontstond er een rookklub in den toren, waar steeds gezellig de kachel brandde. De kamerpages rookten er dapper op los, maar als een andere jongen rookte, dan kreeg hij straf van hen. Meestal deed men dit na tienen als allen te bed waren. Er werden dan twee kleinere jongens uit de vijfde klasse op wacht gezet, die uit hun bed werden gehaald en op de trap heen en weer moesten loopen om direkt te zeggen als de kolonel kwam. Echter die jongeren besloten dit voortaan te weigeren.
Op zekeren avond kwamen aan de beurt vorst Shabovskoy, die al langer daar was en Selanoff, een nieuweling en een heel schuchtere knaap. De eerste weigerde, men liet hem met rust. Toen de tweede weigerde werd hij met stevige bretels geslagen, maar twee andere jongens, ijlings wakker gemaakt, liepen gauw naar den kolonel. In dien tusschentijd kwam men bij Peter, zeggende dat hij de wacht had. Toen werden de bretels genomen om hem af te ranselen. Hij weerde ze zoo goed mogelijk af, toen op eens het kommando klonk: de eerste klasse naar den kolonel.
Dadelijk hielden de vechtersbazen op.
“Niets zeggen!” riepen zij hem toe.
“De das er dwars overheen, netjes!” zei Peter, terwijl zijn schouders en hals brandden van de slagen.
Den volgenden dag toen zij allen in het gelid stonden, zei de kolonel dat het treurig was dat kamer-pages een jongen, die terecht geweigerd had hun bevelen op te volgen, ranselden en dan nog zoon schuchteren, tengeren jongen. Allen voelden dat de kolonel den Jesuït uithing en zij hadden daarom des te meer het land aan hem.
Voordat de jongens der lagere klassen weigerden, hadden zij overwogen of het wel mooi was om het den kolonel te gaan zeggen. Dat was toch eigenlijk klikken. Maar men was tot de slotsom gekomen, dat dit in deze omstandigheden wel mocht, want de kamer-pages gedroegen zich niet als kameraden.
Het scheen den kolonel niet te bevallen, dat Peter in den beginne zoo dikwijls in het hospitaal lag en hij scheen dit toe te schrijven aan gemaakte ziekte. Eens dat hij de ronde deed, zei hij schertsend in het Fransch: “hier ligt een jong mensch, die zoo gezond is als de nieuwe brug en hij is hier in het hospitaal.” Eerst antwoordde Peter ook schertsend, maar toen hij de kwade bedoeling bemerkte, zei hij: “hoe kunt gij dit zeggen? Ik zal den dokter verzoeken om u de kamer te verbieden.”
De kolonel ging twee passen terug en terwijl zijn donkere oogen vuur schoten, zei hij: “heb ik u beleedigd? Goed, wij hebben twee pistolen in de zaal, zullen wij vechten?”
“Ik scherts niet en ik zeg u, dat ik uw beleedigingen niet langer duld”, zei daarop Peter.
Van dien tijd af herhaalde hij zijn aardigheden niet.
Reden tot straffen gaf Peter niet en als hij soms wat verzuimde, werd hij niet door den kolonel gestraft, maar door den kamerpage die boven hem stond. Eens bijvoorbeeld maakte Peter bij het middagmaal een fysische ontdekking, hij bemerkte namelijk, dat het geluid, door een glas gegeven, afhangt van de hoeveelheid water die erin is en hij trachtte met 4 glazen een koor te vormen. Maar de kolonel stond juist achter hem en zonder hem iets te zeggen, gaf hij arrest aan zijn kamerpage. Deze was een flinke jonge man, die zelfs weigerde Peters verontschuldiging aan te hooren, zeggende: “goed zoo, ik weet, dat hij een hekel aan u heeft.”
Zijn kameraden waarschuwden Peter en zeiden: “Pas op, ondeugende jongen, wij willen geen straf voor u oploopen.” Echter zij wisten allemaal, dat de kolonel het land had aan Peter. Achttien maanden lang onthield hij hem de epauletten, die de nieuwelingen meestentijds mochten dragen na een verblijf van een of twee maanden. Maar Peter trok er zich niets van aan en voelde zich er niets ongelukkig om. Eindelijk kreeg hij ze en nog wel onder bizondere omstandigheden. Toen hij onder leiding van een officier flink afgeëxerceerd was, wilde deze hem voor den kolonel laten exerceeren. Tot tweemalen toe weigerde de kolonel en toen voelde die officier zich beleedigd.
Maar de invloed van den kolonel was sterk aan het tanen. Zijn ideaal was om aan het hof mooi gekamde, mooi opgekrulde, meisjesachtig uitziende jongelieden te leveren, zoo in het genre van den tijd van Lodewijk XIV.
Als onze kolonel repetitie hield van de hofceremonies, waarbij een page een rood gestreepten doek omsloeg, om de keizerin voor te stellen, die den handkus toeliet, dan naderden de scholieren de Keizerin-pop met bijna godsdienstigen eerbied, volbrachten de ceremonie van den handkus met den meesten ernst en verwijderden zich weer met een zeer elegante buiging. Maar nu maakten zij veelal plompe buigingen, zoodat allen het uitschaterden van het lachen, terwijl de kolonel van woede buiten zichzelf was.
Vroeger werd het als gunst beschouwd om bij wijze van opsiering der zaal een matinée aan het hof te mogen bijwonen, nu werd het opgenomen als een last.
Toen de kleinere jongens eens bij gelegenheid werden meegenomen naar het paleis om daar te spelen met de jonge grootvorsten, en zagen dat deze bij een spelletje knoopen maakten in hun zakdoeken en daarmede duchtig sloegen, deed een hunner hetzelfde en sloeg den grootvorst zoo lang, tot hij begon te huilen.
Vroeger leerde men zoo wat niets dan al die kunsten en grimassen aan het hof, nu veranderde dit geheel en men begon ernstig te studeeren. De kolonel raakte uit den tijd en het duurde niet lang of hij werd ontslagen.
De nieuwe gouverneur was een vooruitstrevend, hoogst beschaafd artillerie-officier en de keizerin, die het goed vond voor den kroonprins om wat omgang te hebben met flinke jongens, liet hem sommige lessen op die school bijwonen, zoodat de jonge Kropotkine de schoolbanken gedeeld heeft met den kroonprins, den lateren keizer Alexander III.
Er kwamen professoren der universiteit om les te geven aan de inrichting en het onderwijs werd langzamerhand uitstekend.
Onder de leeraren was er een, de leeraar in het schrijven, die het hard te verantwoorden had in de tamelijk oproerige klasse. Deze had het met zijn leerlingen op een akkoordje gegooid door te zeggen: “elk uur één grap, maar niet meer.” Nu gebeurde het eens dat een der jongens de groote tafelspons met inkt en krijt nam en deze wierp naar den leeraar, al lachende roepend: “vangen!” De inkt spatte hem in ’t gelaat en op zijn overhemd. Dit was toch wat heel erg, maar in plaats van de zaak voor den direkteur te brengen, nam hij zijn katoenen zakdoek en veegde zich het gelaat af, zeggende: “heeren, dat is één grap vandaag en geen meer! Mijn overhemd is bedorven.” Het laatste zei hij met gedempte stem, want hij was een arme man. De jongens voelden zich toen beschaamd en zij zeiden tot hun kameraad: “dat was lomp van jou” en een hunner riep: “het is een arme man en jij hebt hem zijn overhemd bedorven, dat is schandelijk!”
De dader bood zijn verontschuldiging aan en de leeraar antwoordde alleen met treurige stem: “leeren moet men, leeren meneer.” Hierop werden allen stil en werkten met grooten ijver.
De jeugd is veelal wreed en vraagt in baldadigheid zich zelve niet af, of men iemand benadeelt.
Een andere gebeurtenis had plaats met den teekenleeraar, die het er overigens zelf een beetje naar maakte, want hij hield zich bijna uitsluitend bezig met hen, die privaatles van hem kregen of die hem betaalden, opdat zij bij het examen de door hem verbeterde teekeningen konden toonen en daardoor een hooger totaalcijfer konden krijgen. Op zekeren dag traden twee der beste leerlingen met sigaretten in den mond op hem toe en vroegen hem om vuur. Het was maar een grap, want het kwam bij niemand op om in de klasse te rooken. De leeraar stuurde hen niet weg, zooals verwacht was, maar schreef hen in zijn dagboekje op en zij werden zwaar gestraft. Dat zouden de anderen hem betaald zetten; de heele klas werd voorzien van linialen die zij ter leen kregen van de hoogere klassen en nu zou men een helsch lawaai maken om den leeraar zoodoende weg te jagen. Natuurlijk moesten allen meedoen, maar men heeft altijd lafbekken, die de anderen in den steek laten. Wat deed men nu om allen mee te laten doen? Op een gegeven teeken zouden allen den rug toedraaien aan den leeraar en dan zouden zij met de linialen slaan op de lessenaars. Afgesproken werd, dat een der jongens met zijn teekening naar den leeraar zou gaan om hem zijn teekening te toonen en op het oogenblik dat deze weer naar zijn plaats terugkeerde, zou het spektakel beginnen. Alles liep precies van stapel, terwijl nog onder het lawaai werd geroepen: “eruit! weg met hem!” De leeraar stond verbluft te kijken en ging toen weg. Een officier kwam binnen, het lawaai duurde voort, toen kwam de onder-direkteur en kort daarna de directeur zelf. Dadelijk hield het lawaai op. Door de zaal dreunde de stem van hem: “de eersten dadelijk in arrest!” Daar Peter nummer één van de klas was, ging hij dadelijk naar het zwarte hok. Hij woonde dus het vervolg niet bij, maar hoorde later, dat de twee, die vuur gevraagd hadden, beschouwd werden als de belhamels en een pak slaag met de roede kregen. Tien dagen lang bleef Peter in arrest en zoo’n tijd door te brengen in een hok zonder boeken, dat was vreeselijk vervelend. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om in afschuwelijke verzen een gedicht te maken ter verheerlijking van de daden zijner klasse. Natuurlijk werden zij de helden van de school. Vier weken lang mocht geen enkele leerling des zondags naar huis toe, maar men maakte het zichzelf en elkaar zoo gezellig mogelijk. De teedere mama’s brachten allerlei snoeperijen, terwijl diegenen die geld hadden, van allerlei kochten om het onderling te verdeelen en den tijd zoo goed mogelijk door te brengen.
Eén ding had de school er door gewonnen. De teekenleeraar heeft het aanbrengen afgeleerd, maar de lust in het teekenen was ook verloren gegaan, daar niemand wilde leeren teekenen van den man, die te koop was.
Terwijl Alexander op de kadettenschool te Moskou en Peter te Petersburg was, hadden deze beide broeders een levendige briefwisseling en wel over onderwerpen, waarover gewone jongens zich niet druk maken. Natuurlijk gaven zij eerst een beschrijving van hun omgeving. Later werden de onderwerpen heel wat diepzinniger en bovenal zochten zij naar een wereldbeschouwing. Als kinderen gingen zij natuurlijk naar de kerk; ook te Petersburg bezocht Peter de kerk, maar indruk maakte de voorstelling –zoo zouden wij haast schrijven, maar het gewone woord is de godsdienstoefening– nooit op hem, zij was hem al te theatraal, hij bemerkte te spoedig het gemis van echt gevoel en dat hinderde hem. Een protestantsche kerk, die hij bezocht, beviel hem niet veel beter en hoewel hij zijn ouderen broeder graag volgde, toch voelde hij zich ook niet aangetrokken tot de konfessie van Augsburg en het Luthersche geloof zooals Alexander, en in ’t algemeen konden godgeleerde betoogen hem nooit interesseeren.
Later kwam Alexander tot het Agnosticisme van Kant en de “betrekkelijkheid der begrippen”; daarover schreven de beide jongens –anders waren zij toen nog niet– elkaar lange brieven. Weer wat later werden de natuurwetenschappen behandeld, tot zij bij Darwin aanlandden, die toen zijn Ontstaan der soorten uitgegeven had. Jaren lang schreven zij toen over de verschilpunten van Weissmann en Spencer. Ook de ekonomie kwam aan de orde en vooral Alexander toonde daarin een groote mate van belangstelling.
De twee eerste zomers bracht Peter door op het buitengoed zijns vaders te Nikolskoye. Hoe hoopte hij zijn broeder weldra terug te mogen zien, maar deze was blijven zitten in zijn klas en nu verbood vader, die boos op hem was, om elkaar te zien.
’s Zomers waren er altijd veel gasten thuis en vooral dien eersten zomer. Op zekeren dag fluisterde de oude hofmeester Frol Peter in ’t oor: “kom in het koetsiers-huis, Alexander is daar.” Hij vloog erheen en spoedig lagen beide broeders, die elkaar zoo innig liefhadden, in elkanders armen.
Alexander had uit de kadettenschool weten te ontsnappen en was toen te voet daarheen geloopen. Den volgenden dag keerde hij terug en hij had het geluk, dat zijn vlucht onopgemerkt was gebleven. En de bedienden van vader hielden ook allemaal hun mond, wel wetende welke straf er voor hem zou zijn gevolgd.
Peter maakte in datzelfde jaar kennis met een stuk volksleven, daar er een groote jaarmarkt werd gehouden te Nikolskoye. Op aanraden van zijn broeder Alexander maakte hij een statistiek op van de hoeveelheid zoowel als van de waarde der ter markt gebrachte en verkochte waren. Na het einde der groote godsdienstoefening ter eere van de heilige maagd van Kazan, ging onze Peter aan den arbeid, om aan honderden personen te vragen, wat de waarde was der door hen aangevoerde waren. De zaak liep nog al goed van stapel en vooral nadat de kooplieden gehoord hadden dat de “oude vorst” er niets van af wist en ook niets van zou hooren en hij heel gewoon met sommigen koppen thee zat te drinken in de herberg, gaven zij hem de gevraagde inlichtingen. Wat vooral een goeden indruk achterliet, waren het degelijk verstand en de gezonde zin van de Russische boeren. Als men tot de boeren spreekt, moet men geen abstrakte begrippen brengen, maar als men duidelijk en begrijpelijk spreekt, liefst met voorbeelden tot verklaring, dan begrijpen ze iemand best. Ook trof hem de geest van gelijkheid, die bij de landlieden in ’t algemeen wordt gevonden. De boer is wel onderworpen aan den grondeigenaar en de politie, maar hij beschouwt hen niet als boven zich staande. Hij onderwerpt zich wel aan de macht, maar ligt er niet voor in het stof.
Na de vakantie teruggekeerd brak er een stormachtige tijd voor het Pagenkorps aan. Daar was een officier, die vreesde niet genoeg gerespekteerd te worden en deze bemoeide zich met zaken, die de jongelui meenden dat hem niet aangingen. Peter gaf eens lucht aan de algemeene ontevredenheid hierover en het gevolg hiervan was, dat hij weken lang in arrest moest en het had heel weinig gescheeld of hij zou zijn weggejaagd.
Toen stierf de weduwe van keizer Nikolaas I en dit bracht een groote stoornis in den arbeid op school.
Zoolang toch het lijk in de kathedraal plechtstatig lag, moesten de pages behalve anderen ook dag en nacht aldaar de wacht houden. Drie kamerpages en drie eeredames stonden steeds vlak bij de kist, die op een verhevenheid was geplaatst, terwijl een twintigtal pages plaats nam op de platform, waar in tegenwoordigkeid van den keizer en zijn geheele familie tweemaal daags litanieën werden gezongen.
De helft van het korps werd dus bij afwisseling elke week in de vesting, waar het lijk lag, ingekwartierd. Des daags was de dienst niet zwaar, maar ’s nachts, als zij moesten opstaan, de hof-uniform aantrekken en dan onder het treurig gelui der vesting-klokken door de donkere en duistere binnenplaatsen der vesting naar de kathedraal gingen, overviel hun dikwijls een huivering bij de gedachte aan de gevangenen, die in deze Russische bastille opgesloten waren.
“Wie weet,” zoo dacht hij meermalen, “of ik ook niet eens vroeger of later tot hen zal behooren!”
En hij heeft het later dan ook maar al te zeer ondervonden.
Gedurende de plechtigheid had er iets plaats, dat heel ernstige gevolgen had kunnen hebben. Boven de lijkkist had men onder den koepel van den dom een baldakijn gemaakt, waarboven een reusachtige vergulde kroon, vanwaar een kolossale met hermelijn gevoerde purperen mantel afhing naar de vier dikke zuilen, die den koepel droegen. Bij nader inzien bleek het dat de kroon bestond uit verguld papier en hout, dat de mantel alleen beneden van zijde maar boven van rood doek was en de hermelijnen voering niets anders was dan katoen met zwarte eekhoornstaartjes, terwijl het Russische wapen, met krip omfloersd, van bordpapier was. Alles dus van klatergoud als op een kermis. De massa, die even voorbij de kist mocht loopen, dacht dat alles echt was en vond het prachtig.
Nu is het de gewoonte in Rusland, dat bij het lezen eener litanie. alle aanwezigen brandende kaarsen in de hand hebben, die daarna worden uitgeblazen. De zoon van grootvorst Konstantijn blies op zekeren dag zijn kaars uit, door haar evenals anderen omlaag te draaien. Nu vatte het gaas vlam en spoedig stond alles in brand. Reeds vielen hier en daar brandende stukjes stof naar beneden en dreigden de zwarte sluiers der dames in brand te steken. Alexander II, een oogenblik verschrikt, herkreeg direkt zijn tegenwoordigheid van geest en zei: “de lijkkist moet weg”. Alle kamerpages traden toe om de kist op te heffen. Spoedig echter was de brand uit, niets meer vindende om zich aan mede te deelen. Opmerkelijk was het hoe drie dames, die naast de kist stonden met lange zwarte slepen en kanten sluiers, die van haar schouders afhingen, zelfs niet de geringste beweging maakten, maar daar stonden als drie schoone, in steen gehouwen zuilen.
Op de school liep alles in de war. Onderwijs werd er niet gegeven en de jongelieden vermaakten zich zoo goed en zoo kwaad als het ging in een kamer, die men hun had aangewezen. Daar stond een kast, waarin een mooie verzameling modellen van allerlei diersoorten voor het onderwijs in de natuurlijke historie. Het gelukte hun de kast te openen en nu ging men er zich op zijn manier mee vermaken. De dieren werden in de potsierlijkste houdingen opgezet: apen reden op leeuwen, schapen speelden met luipaarden, een giraf danste met een olifant, enz. Een menschen-schedel werd gebruikt voor het maken van een spook-verschijning, waarmede zij des nachts anderen kameraden en den officieren schrik aanjoegen. Juist bracht toen een Pruisische prins, de latere keizer Friedrich, een bezoek aan de school en toen de direkteur hem die kast wilde laten zien, bemerkte hij dat zij leeg was. De direkteur keek ontzet en wees om toch wat te doen op een paar zeesterren, die naast de kast aan den muur hingen, de prins deed alsof hij niets gezien had, terwijl de ondeugende jongens alle mogelijke gezichten trokken, om niet uit te barsten in lachen.
Had Peter eerst nog wat tijd voor zelfstandig onderzoek, door te snuffelen in de bibliotheek, in de hoogere klassen had men te veel te doen dan dat daar tijd voor overbleef. Wis-, natuur- en scheikunde kwamen aan de orde. De geschriften van Darwin, Tyndall, Karl Vogt, Moleschot, enz. werden bestudeerd, terwijl Claude Bernard voor de fysiologie werd behandeld. Eenige leerlingen richtten zelf een laboratorium in, om proeven te nemen. Eens hadden zij bijna het huis in brand gestoken en meer dan eens waren de vertrekken gevuld met chloor- en andere stinkende dampen.
De direkteur nam dit alles nog al leuk op en zijn vrouw zei slechts, terwijl zij haast stikte van het hoesten: “natuurlijk, als het noodig is, dat gij bij uw studiën zulke afschuwelijk stinkende stoffen moet gebruiken, dan valt daar niets tegen te doen.”
Na tafel zette mevrouw zich gewoonlijk aan de piano en de jongelui zongen dan tot ’savonds laat duëtten, trio’s en koren uit opera’s. Ook werkten zij soms heele opera’s door, waarbij zij en haar dochter de rollen vervulden van prima donna.
Soms gingen zij naar de Italiaansche opera, waar een rij sterren van de eerste grootte zongen onder groote belangstelling van het Russische publiek. Men had eigenlijk twee partijen, de bewonderaars der Italiaansche opera en de aanhangers van het Fransche tooneel, dat toen reeds in kiem den smerigen Offenbach’schen ondergrond toonde, die een paar jaar later zijn drabbig water over heel Europa uitstortte. Dit sloeg over op de school, waar men de twee stroomingen kon waarnemen. Merkwaardig dat de Italiaansche opera in betrekking stond tot de radikale beweging en de revolutionaire recitatieven uit Wilhelm Tell en de Puriteinen steeds luiden bijval vonden. Zoo speelde ook de muziek een voorname rol in den ontwikkelingsgang van Peter en de andere jongelieden.
Het spreekt van zelf dat de krijgswetenschappen en de krijgsgeschiedenis niet vergeten werden. Het onderwijs was praktisch ingericht en dit stelsel werd ook toegepast op de vestingkunde. Des zomers moesten zij hun kennis op het veld toonen. Er bleef echter altijd genoeg tijd over voor ontspanning, zoodat men de musea kon bezoeken of de verschillende keizerlijke fabrieken, waarin speelkaarten, geweven stoffen, ijzer, porcelein of glas werden vervaardigd. Men roeide soms op de Newa en maakte voldoende lichaams-oefeningen, zoodat op de school zoowel voor de ontwikkeling van den geest als voor die van het lichaam werd gezorgd.

3. Het leven in het kamp te Peterhof.

Des zomers brachten de jongelieden van het Pagen-korps een geruimen tijd, tezamen met die van de andere militaire scholen, door in het kamp bij Peterhof in den omtrek van Petersburg. Zij hadden daar een plezierig leventje, sliepen in tenten, baadden in de zee en hielden daar allerlei oefeningen in de vrije lucht. Het hoofddoel was de militaire tucht, die allen tegenstond maar waaraan men zich wel moest onderwerpen. Op zekeren avond, juist toen zij wilden gaan slapen, alarmeerde de czaar het kamp. Dat gaf me een beweging. Binnen enkele minuten stonden een paar duizend jongelieden bij hun vaandel en de kanonnen der artillerie donderden door de stilte van den nacht. Alles werkte mede om de jongelieden op te winden en toen Alexander een aanval kommandeerde, marcheerden de kolonnes recht op hem aan en de keizer, die te voet was, maakte door drie krachtige sprongen plaats voor die aanrukkende kolonnes. Allen voelden de opwindende werking van de muziek en van het opmarcheeren, want al was het honderdmaal de keizer in eigen persoon of de kommandant, dien allen vereerden, geen enkele page of kadet zou om hem een duimbreed zijn geweken of halt hebben gemaakt. Hij was een hinderpaal en men zou over hem heen zijn gegaan.
“Waarom stond hij ons in den weg ?” zoo zeiden zij later. En in zulke gevallen zijn jongelieden met het geweer in de hand gevaarlijker dan oude soldaten.
De deelneming aan de groote manoeuvres van het garnizoen van Petersburg het volgende jaar was heel nuttig voor onzen Peter, want hij verklaarde daardoor een beetje achter de schermen te hebben gezien wat eigenlijk oorlogvoeren beteekent. Hij zag hoeveel meer er afhing van de stemming der troepen dan van de tucht alleen en daarom zijn alleen geestdrift en vertrouwen in staat om de soldaten buitengewone inspanningen te laten doen.
Wat in het kamp ook veel geschiedde?
Praktisch landmeten en bevestigingswerken maken. Men kreeg de opdracht: ga en maak een plattegrond b.v. van dit meer, dit park, die wegen. Na een haastig ontbijt en een stuk roggebrood in den zak ging zoo’n jong man heen, volbracht zijn taak en was het werk goed, na vergeleken te zijn bij nauwkeurige plattegronden die men had, dan kreeg hij een optisch of geometrisch instrument als prijs. Dit werken is Peter later in Siberië uitstekend ten goede gekomen.
De hoogste klassen werden in afdeelingen van 4 leerlingen om de twee dagen naar verschillende dorpen gebracht, ver van het kamp, waar zij dan met behulp van meettafel en teleskoop gedetailleerde opnamen moesten doen van grootere afstanden. Het leven onder de landelijke bevolking oefende den besten invloed uit op de geestelijke en zedelijke ontwikkeling.
Deze praktische werkzaamheden werden met het meeste plezier gedaan en zij waren ook het best om de leerlingen de juiste kennis der dingen te verschaffen. Natuurlijk was daar het hoofddoel om hen voor te bereiden op den oorlog, maar zij zouden denzelfden ijver hebben ontwikkeld voor het traceeren van een spoorbaan, het bouwen van een blokhuis of het aanleggen van een tuin of veld.
Ofschoon in de jaren van 1857 tot ’61 Rusland een tijd van rijke ontwikkeling der geestelijke krachten doormaakte, (Peter had weinig bekenden te Petersburg behalve den kleinen kring van bloedverwanten en dus hij stond buiten die radikale beweging), maar toch overal, zelfs in dien kring deed zich de werking gevoelen.
Zoo las hij het tijdschrift van Alexander Hersen, den grooten vluchteling, dat een nicht hem verschafte, als hij daar zondags den dag kwam doorbrengen. Bijna met aanbidding zag hij naar het medaljon op den omslag, waarop de vijf mannen waren afgedrukt, die als hoofdschuldigen van den opstand van 1825 door keizer Nikolaas I waren opgehangen.
In ’t begin van 1860 gaf Peter zijn eerste revolutionaire tijdschrift uit, dus op ruim 17-jarigen leeftijd. Zijn revolutionaire gevoelens gingen niet verder dan tot de noodzakelijkheid eener konstitutioneele regeering. Hij schreef over de verkwistingen aan het hof, over de dommigheden der ambtenaren. Drie afschriften werden er van gemaakt, die heimelijk gesloten werden in de lessenaars van drie kameraden uit de hoogere klassen, van wie hij vermoedde, dat zij ook belang stelden in de openbare aangelegenheden. Hij verzocht overigens zijn lezers, hun schriftelijke mededeelingen achter de schotsche klok in de bibliotheek neer te leggen.
Den volgenden dag ging hij met kloppend hart zien of er iets lag en jawel twee kameraden schreven hem, elk afzonderlijk en zonder iets van elkaar af te weten, dat zij het met den inhoud eens waren, maar zij raadden hem groote voorzichtigheid aan. Bij het tweede nummer deed hij hetzelfde, maar tot zijn verbazing vond hij niets achter de klok. In de plaats daarvan kwamen de beide kameraden tot hem. Zij vertelden dat het tijdschift zijn doel bereikt had, want het bracht hen bijeen.
Buiten hen waren er hoogstens nog twee, die iets gevoelden voor zulk een streven. Het tijdschrift zou niet meer verschijnen, maar voortaan vormden zij een klub, die alles besprak en waarvan de leden zouden trachten nog een paar anderen voor zich te winnen.
De grootste vraag, die toen allen bezig hield, was de afschaffing der lijfeigenschap. Al wat eenigszins gerangschikt kon worden onder de intellektueelen was ervoor en onder de boeren zelven deden allerlei geruchten de ronde. Zoo heette het, dat keizer Napoleon I bij het sluiten van den vrede den czaar de voorwaarde had opgelegd om de lijfeigenen vrij te maken. Anderen hadden hun hoop gesteld op Garibaldi en zeiden: “als Garibaldi niet komt, komt er niets van terecht”.
Daarentegen was de hofkliek, vooral onder den druk der groote grondbezitters ertegen. En zooals altijd, werd er geducht geïntrigeerd.
Op 5 Maart (17 Maart van onze jaartelling) stormde de bediende van Peter binnen met het theeblad, roepende: “vorst, vrijheid! Het manifest is hierover aan de winkels aangeplakt.”
Binnen enkele minuten was hij aangekleed om naar buten te gaan. Toen kwam een kameraad binnen, die zei: “Kropotkine, vrijheid. Hier is het manifest. Mijn oom hoorde gisteravond dat het bij de vroege mis zou worden afgelezen in de Isaäk-kathedraal; wij gingen er dus heen. Er waren niet veel menschen, alleen boeren. Het manifest werd na de mis voorgelezen en rondgedeeld. Zij begrepen den zin ervan goed. Toen ik uit de kerk ging, zeiden twee boeren, die aan den uitgang stonden, op zulk een komieken toon tot mij:”Hoe nu, meneer – is alles over?" En zij maakten een beweging met de hand om te wijzen, hoe zij hem hadden weggestuurd. Jaren van blijde verwachting lagen uitgedrukt in dit gebaar van het wegzenden van den heer!"
Het manifest verleende wel de vrijheid, maar over twee jaar. Er was parade. Toen zij was afgeloopen, riep Alexander II, terwijl hij in het zadel bleef, luide: “de officieren herwaarts!” En toen zei hij met luide stem eenige woorden, waarvan alleen verstaanbaar waren: “de officieren…. de vertegenwoordigers van den adel in het leger…. een eeuwenlange ongerechtigheid heeft een einde genomen…. ik verwacht offers van den adel…. de loyale adel zal zich scharen om den troon”…. enz. De officieren juichten en toen was het gedaan.
Een algemeene groote geestdrift.
Toen Peter in Augustus 1861 en later in den zomer van 1862 weer te Nikolskaye kwam, bemerkte hij hoe de boeren zich rustig en verstandig geschikt hadden in de nieuwe levensvoorwaarden en al viel het hun hard den loskoopprijs voor het land op te brengen als schadeloosstelling voor den adel, zij schatten de bevrijding van persoonlijke knechtschap zoo hoog dat zij de lasten wel wilden dragen. Het was eigenaardig om waar te nemen dat bij de boeren met al hun aangeboren goedmoedigheid en zachtheid elk spoor van onderworpenheid was verdwenen. Tot hun heeren spraken zij als hunsgelijken, alsof er nooit andere verhoudingen tusschen hen onderling hadden bestaan.
De huisbedienden kwamen er het slechtste af, daar zij geen land kregen en ook niet zouden geweten hebben wat er mede aan te vangen. Zij kregen alleen de vrijheid en anders niet. De meesten gingen naar elders, liefst bij menschen van den koopmanstand, die er trotsch op waren den koetsier van vorst Zus of Zoo of den kok van een bekenden generaal in hun dienst te hebben. Allen die een handwerk kenden, zochten en vonden werk in de steden.
Voor vele landheeren was de vrijlating een goede zaak; Peter’s vader b.v. kreeg van land, dat hij voor 11 roebel den akker verkocht in het vooruitzicht der vrijmaking, nu 40 roebel, dus 3½ maal hooger dan de marktprijs.

4. Het hofleven te Petersburg.

In Juli 1861 werd Peter benoemd tot sergeant van het Pagenkorps, omdat hij nummer 1 van de klasse was. Dit ging meestentijds voor een eer door. Er was toen reeds verzet tegen die benoeming, want verschillende officieren beweerden dat er niets van de tucht zou terechtkomen wanneer hij sergant werd. De voorrechten, aan die plaats verbonden, waren: behandeling als officier en doordat zoo iemand gedurende dien tijd kamerpage van den keizer was, gaf deze persoonlijke aanraking allicht aanleiding tot latere bevoorrechting. Voor hem zelf was het grootste genot dat hij nu vrij was van allen inwendigen dienst in de school en dat hij een eigen kamer kreeg.
De kamerpages moesten dikwijls in het paleis zijn, bij de groote en kleine morgenrecepties, de bals, andere recepties, galadiners en dergelijke. In de kerstweek en ook in de nieuwjaars- en paaschweek werden zij dagelijks op het paleis ontboden, soms wel tweemalen daags. Bovendien moest Peter als sergeant den keizer elken zondag bij de parade in de rijschool bericht geven, dat “alles in de kompagnie van het Pagen-korps in orde was.” Want het was altijd alles in orde, ook al lag een derde der leerlingen ziek in het hospitaal.
Het hofleven heeft iets schilderachtigs en zoo maakt het ondanks zijn oppervlakkigheid indruk. Men moet ook niet vergeten dat de keizer toen nog in Peter’s oogen een held was, die geen waarde toekende aan hofceremonies, maar reeds om zes uur ’s morgens zijn dagtaak begon.
Van de onwaarde van dit leven werd hij overtuigd, doordat het hem gegeven was achter de schermen te zien en zoo verdween de stralenkrans, die de verbeelding had gevlochten om het hoofd van den keizer.
Op elken feestdag was er een morgenreceptie, waar de officieren tot den rang van kapitein toe en de groot-waardigheids-bekleeders van den burgerlijken dienst moesten verschijnen om een buiging te maken bij het voorbijgaan van den keizer en zijn familie, die zich in plechtstatigen stoet naar de kerk begaf. Afgezien van een paar devote hovelingen en eenige jonge dametjes was er onder de 10 deelnemers niet een, die zoo’n receptie anders beschouwde dan als een vervelenden plicht.
Twee- of driemalen in den winter waser ten paleize groot bal. De plichten van den sergeant-kamerpage waren niet gemakkelijk. De keizer danste niet, maar bewoog zich voortdurend onder zijn gasten, en zijn kamerpage moest hem steeds volgen op zoo’n afstand dat hij het gemakkelijk kon hooren als de keizer wat zei, zonder dat hij hem lastig viel door al te dicht bij hem te wezen. Vooral was dit lastig, als hij zich begaf te midden van een dicht opeengedrongen schare dames.
Wanneer hij ten paleize was, bleef hij daar ook eten en de bedienden brachten dan allerlei nieuwtjes uit de schandaalkroniek van het keizerlijke huis. Deze wisten alles wat geschiedde in de verschillende paleizen. Vooral de verhouding van den keizer tot vorstin X werd openlijk bepraat. Eens toen zij in de kleedkamer waren, heette het: “de vorstin heeft heden haar congé gekregen, ditmaal voor goed.” Een half uur later zag men die dame met oogen, opgezwollen van het huilen, naar de mis gaan. De bedienden wisten er reeds alles van en gaven op hun wijze kommentaren op die gebeurtenis en zooals het altijd gaat, dezelfde lieden die daags te voren voor die dame kropen, hadden nu allerlei op haar te zeggen.
Er heerschte op het paleis een volslagen spionnen-stelsel. Geen minister, geen gouverneur trad de werkkamer des keizers binnen, om zijn rapporten te brengen, zonder geïnformeerd te hebben aan den keizerlijken lijfdienaar of Z. M. dien dag goedgemutst was en naar gelang van de stemming liet hij een zaak rusten of legde hij haar den keizer voor. Op de bekendheid met de keizerlijke luimen berustte de heele kunst om zijn plaats te behouden.
Het gebeurde op een der eerste dagen van de maand Januari 1862, dat de keizer snel zonder geleide naar de zalen ging, waar afdeelingen van alle regimenten van het Petersburger garnizoen voor de parade bijeen waren. Deze had gewoonlijk plaats in de open lucht, maar werd toen wegens de harde vorst binnen gehouden en zoo moest hij nu voor het front der troepen afstappen.
Zoodra de keizer optrad als opperbevelhebber der troepen, was de funktie van den kamerpage afgeloopen. Maar toen Peter, die toen nog vol bewondering voor den keizer was, bemerkte dat hij geheel alleen was en niemand uit zijn gevolg zich liet zien, toen zeide hij tot zichzelven: “ik wil hem niet alleen laten” en volgde hem.
De keizer was toen zoo haastig, dat Peter de grootste moeite had hem te volgen. Het was alsof hij wegliep voor een groot gevaar. En zijn opgewondenheid sloeg op Peter over, die bereid was elk oogenblik voor hem in de bres te springen. Bij het laatste bataljon matigde hij zijn spoed. De keizer kwam in een andere zaal, zag rondom zich en ontmoette den blik van den jongen Kropotkine, waaruit nog de opgewondenheid over den dollen marsch schitterde. Twee zalen achter hen kwam de jongere adjudant in groote haast aanloopen. Peter verwachtte niet anders dan een scherpe berisping, maar in plaats daarvan zei de keizer, misschien in woorden zijn innigste gedachten verradend: “Gij hier? dappere knaap.” En terwijl hij langzaam voortging, liet hij dien raadselachtigen vagen blik in de verte rondzweven, die reeds dikwijls bij hem was opgemerkt als een teeken van voortdurenden angst.
De keizer was over ’t algemeen niet bemind, hij was een zwak man, op wien men geen staat kon maken, en bovendien wraakzuchtig. Veel sympathieker was de keizerin, die echter geen gelukkig huiselijk leven leidde. Zij deed al haar best om haar oudsten zoon een goede opvoeding te geven, die op 22-jarigen leeftijd stierf. De tweede, Alexander, de latere keizer Alexander III, die nu troonopvolger werd, was een geheel ander type, een man zonder eenige ontwikkeling en een echte nakomeling van Paul I, op wien hij in uiterlijk ook geleek, heftig van karakter en zeer hoogmoedig, een van het echte tirannensoort.
De kursus liep ten einde en als sergeant moest Kropotkine aan den kapitein een opgaaf doen van de regimenten, waarin elk der pages, die bevorderd zouden worden tot officier, wilde intreden.
“Keizers-kurassiers”, “lijfgarde van Preobrazkensky”, “garde-kavallerie”, zoo luidden de antwoorden.
“Maar gij, Kropotkine?: Artillerie? Kozakken?” – zoo vroeg men hem, maar hij kon geen antwoord nog geven. Een garderegiment wilde hij niet kiezen, want dat was hetzelfde als zijn leven te wijden aan parades en hofbals. Hij wenschte een universiteit te bezoeken, maar dat ging niet meer, dat zou wezen een volslagen breuk met zijn vader. En zijn gedachten wendden zich meer en meer naar Siberië, om daar de groote hervormingen toe te passen, waartoe besloten was of die nog verwacht werden. Alleen hinderde het hem dat hij dan gescheiden zou zijn van zijn broeder Alexander.
Eindelijk was zijn keuze bepaald en hij schreef op de lijst: Kropotkine naar de bereden Amoer-Kozakken.
Toen de kapitein dit zag staan op de lijst, zei hij: “Kropotkine moet toch altijd grappen maken. Heb ik u niet gezegd, dat ik vandaag de lijst moest opsturen aan den grootvorst?”
Hij kon zich niet voorstellen dat die keuze werkelijk ernst was. Echter Peters vader kwam tusschenbeide en verbood zijn zoon naar Siberiê te gaan, wat direkt gemeld werd aan den grootvorst als chef der militaire scholen.
Een bizondere gebeurtenis maakte ten slotte, dat hij toch naar Siberië ging.
Er brak namelijk een ontzettende brand uit en het gebouw van het Pagenkorps dreigde ook in vlammen op te gaan. Het scheen dat de overheid heelemaal het hoofd had verloren, terwijl de brandweer nog zeer primitief was. Kropotkine bleef onder alles zeer kalm en wist van den onder-direkteur een schriftelijk bevel te krijgen om aan generaal Annenkoff te verzoeken een der brigades van Binnenlandsche Zaken naar de Bank te brengen. Hij onderscheidde zich bij deze aangelegenheid bizonder en toen hij, nadat men den brand meester was geworden, de plaats van den brand nog eens in oogenschouw kwam nemen, ontmoette hij grootvorst Michaël, dien hij vergezelde op den rondgang.
Zoo kwam hij in gesprek met dezen, die hem vroeg hoe hij op het zonderlinge denkbeeld was gekomen om naar de Amoer te gaan. In alle gevallen, zei hij, zal ik voor u een aanbevelingsbrief schrijven aan den gouverneur-generaal.
Wacht, dacht hij, als ik dien heb, dan ben ik klaar en krijg ik wel de toestemming van mijn vader.
Dit bleek werkelijk het geval te zijn. De weg naar Siberië stond voor hem open.
Die brand was een keerpunt in de politiek van den keizer zoowel als in de Russische geschiedenis van die periode. Immers de brand was aangestoken, zonder dat men ooit te weten is gekomen door wien. Maar de Polen en de Russische revolutionairen werden voor de daders gehouden en zoo werd die brand het begin der reaktie.
Veertien dagen later, op 13 (25) Juni brak het gewenschte tijdstip aan. De keizer nam zelf een soort van examen af in alle mogelijke oefeningen, waarbij de aspiranten kompagniën moesten kommandeeren en Kropotkine trotsch te paard voor het bataljon reed. Toen kregen ze hun patent als officier.
De keizer riep daarna de nieuw benoemde officieren rondom zich, wenschte hen geluk met hun bevordering en sprak toen nog wat over soldatenplicht en loyale gezindheid, eindigende met de woorden, uitgesproken met bizonderen klem: “maar als een uwer –wat God moge verhoeden!– zich illoyaal zal gedragen tegenover den czaar, tegenover troon en vaderland, merk goed op wat ik zeg, dan zal de volle gestrengheid der wet hem treffen zonder de ge-ring-ste er-bar-ming.”
Met een verwoeden blik gaf hij de sporen aan zijn paard en sprong weg.
“Reaktie, met volle kracht achterwaarts” – zei Kropotkine tot zichzelven, toen zij naar het korps teruggingen.
Voordat hij Petersburg verliet, kwam hij nog eenmaal in aanraking met den keizer. De officieren, die pas benoemd waren, werden aan den keizer voorgesteld op het paleis. De zeer bescheiden uniform, die Kropotkine droeg, trok algemeen de aandacht. Hij stond achteraan in de rij der honderden officieren, maar de keizer vond hem toch en vroeg hem: “gij gaat naar Siberië? Heeft uw vader het eindelijk toegestaan?” Hij antwoordde bevestigend. “Hebt gij geen vrees om zoo ver weg te gaan?” Hij zei met warmte: “neen, ik wil werken. Er moet in Siberië zooveel te doen zijn om de groote hervormingen toe te passen, die daar ingevoerd moeten worden.” De keizer keek hem strak aan en zei: “welnu, ga dan! Men kan overal nuttig zijn”.
Petersburg zag er somber uit. Soldaten marcheerden door de straten. Kozakken-patrouilles reden om het paleis. De vesting kon alle gevangenen ternauwernood omvatten. De triomf der reaktie was in vollen gang.
Kropotkine was blij de hoofdstad te verlaten en naar verre gewesten te gaan.
Daar staat hij, de jonge man, hoog aangeschreven als een knap officier, beschaafd, algemeen ontwikkeld, rijk, met de schoonste vooruitzichten om een schitterende loopbaan te maken.
We zullen zien hoe hij dat alles vrijwillig wegwerpt, om de zaak van het onderdrukte volk te gaan dienen.

5. Peter in Siberië.

Vijf jaren bracht hij in Siberië door, vijf jaren die veel bijdroegen tot zijn karaktervorming. Hij leerde allerlei menschen kennen, hoog- en laaggeplaatsten, vagebonden en zoogenaamd onverbeterlijke misdadigers. Hij leerde ook hoe weinig de regeering, ook al is zij bezield met de beste voornemens, aan de boeren vermag te geven. Ook zijn behoeften leerde hij op de groote tochten die hij deed, beperken tot een minimum. Met enkele ponden brood en eenige onsen thee in een leeren tasch, een ketel en een bijl aan den zadelknop en een zeemleeren lap onder het zadel, groot genoeg om als veldleger te dienen, ging hij door het gebergte, met bosschen bezet of met sneeuw bedekt, om zijn ontdekkingstochten te maken.
Toen hij te Irkutsk, de hoofdstad van Oost-Siberië, kwam, werd hij door den jeugdigen gouverneur-generaal hartelijk ontvangen. Deze zoowel als de chef van den generalen staf waren mannen met vooruitstrevende denkbeelden, zoodat hij zelfs bij den laatsten een volledige verzameling vond van de revolutionaire geschriften van Alexander Herzen.
Men kreeg het daar druk, want men had een opdracht van het ministerie te Petersburg om plannen te ontwerpen tot een algeheele reorganisatie van het provinciaal bestuur, van de politie, van de rechtspraak, van de gevangenissen, van het verbanningsstelsel, van het stedelijk zelfbestuur en alles op breede liberale grondslagen.
Kropotkine werd sekretaris van twee kommissies, een tot hervorming van het gevangenis- en verbannings-wezen en een tot voorbereiding van een stelsel van stedelijk zelfbestuur. En met de hem eigene geestdrift toog hij aan het werk.

De reaktie had Siberië nog niet bereikt en de politieke ballingen werden aldaar met de meest mogelijke mildheid behandeld. Hoe gemoedelijk het daar toeging, blijkt b.v. uit het voorbeeld van den dichter Mikhaïloff die in 1861 verbannen werd naar Siberië. Toen hij te Tobolsk kwam, richtte de gouverneur ter zijne eere een gastmaal aan, waaraan alle ambtenaren deelnamen. Echter het zou niet lang meer duren of de geest der reaktie kwam ook daarheen waaien.
De Poolsche revolutie of opstand, die in 1863 uitbrak, werd op de wreedste wijze in bloed gesmoord. Hoeveel duizenden er omkwamen, hoeveel honderden er werden opgehangen, hoeveel tienduizenden opgezonden werden naar de verschillende provincies van Rusland en Siberië is nooit geheel vastgesteld, het zal wel niet vastgesteld kunnen worden. Officieele lijsten, die altijd beneden de werkelijkheid zijn, geven de cijfers der uit Polen verbannenen op 18.672 mannen en vrouwen aan, van wie 10.407 naar Oost-Siberië werden gezonden.
Verschillende liberale personen, zooals de chef van den staf werden ontslagen. De nieuwe gouverneur was een goedmoedig man, maar die het liefst van alles met rust werd gelaten. Te Petersburg wilde men niets meer weten van hervormingen en ten gevolge daarvan liggen daar alle honderden hervormings-plannen uit alle deelen van Rusland begraven. Men ging aan het bouwen van nieuwe, verbeterde gevangenissen, die nog vreeselijker waren dan de oude onverbeterde. Pas 35 jaren later heeft men het hervormingswerk weer opgevat, maar de werkelijke verbeteringen laten nog altijd op zich wachten.
Toen Kropotkine zag, dat er geen ruimte meer was voor hervormingswerk, nam hij in 1863 met graagte een uitnoodiging aan om een bezoek te brengen aan de Amoer-provincie.
Graaf Mouravieff had het groote gebied van den linkeroever van de rivier Amoer en langs de kust der Stille Zuidzee tot aan de golf van Peter den Groote (Wladivostok) zoo maar geannexeerd. De regeering was bang voor verwikkelingen, maar liet hem begaan. Om die inbezitneming niet slechts in naam maar in de daad te doen plaats vinden, ging hij langs het geheele stroombed der Amoer en haar zuidelijken zijtak, de Usuri, dat is over een uitgestrektheid van 2500 mijlen een reeks zelfstandige kolonies vestigen, om zoo een geregelde verbinding te maken tusschen Siberië en de kust der Stille Zuidzee.
Daarvoor had men menschen noodig en wat deed hij nu?
Ontslagen misdadigers, die in de keizerlijke mijnen werkten als lijfeigenen, werden in vrijheid gesteld. Zoo werden er twee nieuwe Kozakkengemeenten gevormd. Dan nam hij ook duizend menschen, die tot dwangarbeid veroordeeld waren, meestal dieven en moordenaars om hen daarheen te zenden. Hij hield bij hun vertrek een karakteristieke kleine toespraak: “mijne kinderen, gaat heen en weest daar vrij, bebouwt het land, maakt het tot Russisch land, begint een nieuw leven.” Daar de Russische boerenvrouwen bijna altijd vrijwillig haar mannen volgen als zij tot dwangarbeid worden veroordeeld in Siberië, hadden vele kolonisten hun gezinnen bij zich. Maar ook met hen die geen familie hadden, maakte de graaf korte wetten. Op de vraag: “hoe zal men den landbouw uitoefenen als men geen vrouw heeft? Men moet ons vrouwen geven,” antwoordde hij: best. En hij gaf bevel alle tot dwangarbeid veroordeelde vrouwen –ongeveer honderd– vrij te laten, zij werden verzocht zelve een man te kiezen. Toen men echter spoedig moest afreizen, daar de rivier begon te dalen, liet hij de lieden paarsgewijze aan den oever komen, zegende hen en zei: “ik verbind u in het huwelijk, kinderen. Weest goed voor elkaar: gij, mannen, mishandelt uw vrouwen niet en – weest gelukkig.”
Kropotkine bezocht de kolonisten zes jaar later en hij kon niet zeggen dat deze huwelijken minder gelukkig waren dan de meeste andere. De bisschop der Amoerprovincie erkende ze overigens, zoodat de kinderen in de kerkboeken ingeschreven werden.
Over het algemeen had Mouravieff hiermede succes, minder echter met een paar duizend man van de straf bataljons, die hij als “aangenomen zoons” onderbracht in de Kozakkenfamilies of als huishoudens vestigde in de dorpen der Siberiërs. De “zoons” liepen weg van hun aangenomen vaders en versmolten in de aan- en afstroomende bevolking der Siberische steden, waar zij als daglooners leefden van de hand in den tand, hun verdiensten meestentijds verdronken en zorgeloos leefden.
Nu moesten er jaarlijks heele massa’s zout, meel, gezouten vleesch, enz. verscheept worden voor het onderhoud van het garnizoen zoowel als van de kolonisten naar de beneden Amoer en naar Chita. Men maakte dan een vlot van ongeveer 150 schuiten, die bij hoog water in het voorjaar de Ingoda, Shilka en Amoer afdreven. Men deelde ze in smaldeelen van 20 à 30 schuiten, die men onder de bevelen steilde van een aantal kozakken en burgerlijke ambtenaren, die meestal niets afwisten van de scheepvaart, maar dit geschiedde om zorg te dragen dat de voorraad niet zou worden aangegeven als “gestolen” of “verloren”.
Kropotkine, die ook niets van scheepvaart afwist, werd eveneens scheepsgezagvoerder. Onder zich had hij menschen uit de klas der boven geschetste “zonen”, die op den morgen der afvaart uit de kroegen gehaald moesten worden en zoo stombezopen waren, dat zij pas na een koud bad in de rivier tot bezinning kwamen.
Bij dag ging alles vrij goed, daar de stroom de schepen vanzelf voortdreef, maar toen de duisternis viel, moest men de schepen vastleggen aan den oever. Nu hield een vaartuig, dat ver af lag van dat waarop Kropotkine was, pas stil toen het vastzat aan den voet van een vreeselijk hooge, onoverkomelijk rotspunt. Het zat onbewegelijk vast, terwijl de rivier snel aan het dalen was en men kon het met geen mogelijkheid loskrijgen. Kropotkine roeide naar het naast-bijgelegen dorp om hulp te krijgen van de Kozakken. Honderd Kozakken, zoo mannen als vrouwen, kwamen hulp verleenen maar voor de lossing was het niet mogelijk een verbinding te maken tusschen de schuit en den vlakken oever, zoo diep lag het water onder de rotspunt. Daar kwam een lek in de schuit en het water spoelde het meel en zout weg. Hulpeloos stond men erbij, zelfs wist men niet wat te doen, onervaren als men was. Gelukkig kwam er een schip rivier-afwaarts. Nu werd het lek gestopt, het water uitgepompt en de lading overgebracht in een leege schuit, die vlak bij lag. De reis kon voortgezet worden en zonder noemenswaardige avonturen bereikte men de plaats van bestemming aan de Amoer.
Nadat de schuiten afgeleverd waren, voer men 1000 mijlen ver de Amoer af op een der postbooten. Over het achterdeel der boot was een dek en voorop stond een met aarde gevulde kist, waarop een vuur voor het koken der spijzen. De heele bemanning bestond uit drie man en deze behoorden tot de “zonen”, drie vagebonden er ofschoon Kropotkine een zwaren zak met papieren geld, zilver en koper bij zich had, hij had een voortreffelijk reisgezelschap in zijn drie vagebonden.
Later was hij aan boord van een groot overdekt schip en toen er een tyfon blies uit de Gele Zee, konden zij gelukkig een toevlucht zoeken in een kleinen zijtak van de Amoer, want zoo’n storm raast met geweldige woede. De schuiten waren zeker stuk geslagen, althans men zeilde een, twee dagen zonder iets te ontdekken. Toen men eindelijk een dorp bereikte, vernam men dat daar geen schuiten voorbij waren gekomen, maar wel had men een massa stukken hout zien afdrijven. Geen twijfel of een 40-tal schuiten met een lading van ongeveer 2000 ton waren verloren gegaan. Dit beteekende hongersnood voor de beneden Amoerstreek, als er niet tijdig in het voorjaar levensmiddelen werden gezonden. Maar hoe kon dat? Het einde van den waterrijken tijd was nabij, de scheepvaart moest weldra ophouden en een telegraaflijn was er niet langs de rivier. Men besloot dat een deel zoo spoedig mogelijk naar den mond der Amoer zou zeilen om in Japan koren in te koopen vóórdat de scheepvaart geëindigd was. Intusschen zou Kropotkine zoo gauw mogelijk stroomopwaarts gaan om den omvang der geleden verliezen vast te stellen en de 2000 mijlen der Amoer en Shilka opwaarts af te leggen per schip, te paard of met een stoomboot. Hoe sneller hij de overheid te Chita kon waarschuwen om levensmiddelen te zenden, hoe beter! Na veel moeite, –want hij moest per roeiboot gaan, daar er in geen twee weken een stoomboot kwam,– en in elk dorp, d.w.z. alle twintig mijlen andere roeiers nemende, bereikte hij de plaats des onheils om aldaar te konstateeren dat 44 schuiten waren stuk geslagen door den storm en 2000 ton meel in de golven was verloren gegaan.
Na een paar dagen haalde hem een stoomboot in, waarvan de kapitein zich gek had gezopen en in een vlaag van delirium over boord was gesprongen. Hij was wel gered, maar lag ziek in zijn kooi.
Men verzocht Kropotkine het kommando op zich te nemen en daar hij het niet kon afslaan, werd hij nu gezagvoerder van een boot. Gelukkig dat alles uitstekend vanzelf ging, zoodat hij zoo goed als niets te doen had en alleen den geheelen dag op de brug pareerde. En zoo bereikte hij Transbaikalië. Daar kon hij in de strafkolonie Kara in overleg met den gouverneur zorg dragen dat dadelijk alle mogelijke levensmiddelen ingescheept werden naar de beneden Amoer-streek om te voorkomen dat daar hongersnood zou uitbreken. En daarop vertrok hij naar Irkutsk, waar hij totaal uitgeput van vermoeienis aankwam tot verbazing der lieden aldaar, dat hij die reis zoo snel had kunnen maken. Nu kon hij eens goed uitslapen, maar de rust duurde niet lang. Een week toch daarna vroeg de gouverneur-generaal hem: “zijt gij voldoende uitgerust? Zoudt gij in staat zijn morgen als koerier naar Petersburg te gaan en zelf rapport uit te brengen over het verlies der schuiten?”
3200 mijlen in 20 dagen af te leggen, namelijk van Irkutsk naar Nijni Novgorod, –vandaar kon hij den spoortrein nemen,– dat was nog al wat. Maar vooruit ging het. Dag en nacht moest hij nu in postwagens zitten, die op elk station van paarden wisselden. Meermalen braken de raderen der wagens in het bevroren spoor. De rivieren begonnen te bevriezen en hij moest in een boot over de Ob midden door het drijfijs heen, dat elk oogenblik het zwakke vaartuig dreigde plat te drukken. De Tom wilde men hem niet overvaren, tenzij hij schrifteljk een verklaring opmaakte, dat hij “volgens Gods wil was gezonken en niet door de schuld der boeren.” Zoo volbracht hij met vele bezwaren en niet zonder gevaren de reis, bereikte Moskou en vertrok vandaar dadelijk naar Petersburg. En wat de jeugd in staat is te doen, dat kon men toen alweer zien. Immers denzelfden dag van zijn aankomst aldaar leverde hij zijn rapporten in en bracht een bezoek bij een tante, die zei: “wij hebben van avond een kleine danspartij. Komt gij ook?” En in plaats van rust te nemen, danste hij dien geheelen nacht tot den morgen toe.
Eerst wilde men het niet gelooven dat die schuiten stukgeslagen waren, men onderstelde aan het ministerie dat alles was gestolen en dat dit stukslaan slechts een voorwendsel was, maar toen Kropotkine verzekerde dat hij er zelf bij was geweest, moest men het wel gelooven, want hij stond goed aangeschreven als page en bovendien hij was slechts een paar maanden in Siberië, dus te kort om de lui aldaar te dekken, als het zwendelarij was.
Na een kort verblijf te Petersburg vertrok hij weer naar Irkutsk, waar zijn broeder Alexander officier was in het regiment der Irkutsk-Kozakken en met dezen zou hij aldaar eenige maanden doorbrengen.
De wegen waren uitstekend, de kou niet zeer streng en de koetsiers der sleden werden in goede stemming gehouden door groote fooien.
Weet ge hoe zoo’n reis toeging?
Lang uitgestrekt lag men in een slede, gehuld in dikke dekens, van binnen en van buiten voorzien van pels. Zoo ingebakerd lijdt men ook bij 4 tot 6 graden Fahrenheit vorst weinig van de kou. Bij elk station wisselde men van paarden en slechts eenmaal daags nam hij een uur rust om te middagmalen en zoo kwam hij na 19 dagen te Irkutsk aan. Dat was me nog een andere manier van reizen dan tegenwoordig!
Kropotkine werd benoemd tot attaché van den gouverneur-generaal van Oost-Siberië voor de Kozakken-aangelegenheden met Irkutsk tot standplaats. Eigenlijk had hij daar niet veel te doen en daarom nam zoo’n werkzame man als hij gaarne een voorstel aan om een aardrijkskundige onderzoekingsreis in Mantsjoerije te ondernemen.
Transbaikalië is rijk aan vee en de aldaar gevestigde Kozakken wilden een direkte verbinding met de Midden-Amoer, om een betere afzetmarkt voor hun goederen te krijgen. Zij hadden van de Mongolen gehoord, dat het niet moeilijk zou zijn over het groote Khingan-gebergte de Amoer te bereiken. Als men recht door oostwaarts ging, dan kwam men op een ouden Chineeschen straatweg, die over den Khingan naar de stad Merghen aan de Nonni, een zijtak van de Sungari in Mansjoerije voerde, vanwaar men langs een voortreffelijken straatweg aan de Midden-Amoer komt.
Kropotkine kreeg de leiding van een handelskaravaan, die nu Kozakken wilde uitzenden naar dien weg. Niemand scheen die streek ooit bezocht te hebben behalve een Russische fotograaf, dien zij daar gedood hadden en twee Jesuïten, die de geografische breedte der plaats bepaald hadden. Zelfs de Chineesche aardrijkskundigen wisten er niets van. En daar Tsurukhaitu nu het hoofdpunt is van den Trans-Mantsjoerijschen spoorweg, smaakt Kropotkine de voldoening de pionier te zijn geweest van deze grootsche onderneming.
Gewapend met een pas van den gouverneur-generaal “voor den koopman van het tweede gilde te Irkutsk” begon hij met zijn geleide de reis. Het was niet gemakkelijk om onbekend te blijven, daar de Kozakken verbazend nieuwsgierig zijn en alles uitvragen. Kropotkine had echter het voordeel dat hij meermalen had meegespeeld in theatervertooningen te Chita en Irkutsk, ja eenmaal schreef hij een geestdriftvollen brief aan zijn broer, om zijn wensch te kennen te geven de militaire loopbaan op te geven en bij het tooneel te gaan. En hij moet zijn rol goed gespeeld hebben, want de Kozakken behandelden hem als een kleinen koopman. Hadden zij het geweten, ze zouden het overal hebben uitgeflapt.
Het gezelschap bestond uit 11 Kozakken, één Tungus en Kropotkine, allen te paard. Zij hadden 40 paarden ter verkoop met twee karren, waarvan één tweewielig om het linnen, het lint en alles te omvatten wat men als koopman had meegenomen. Alle Kozakken spraken Mongoolsch en de Tungus verstond de Mantsjoerijsche taal. Natuurlijk wisten de Kozakken dat zij met Kropotkine reisden, maar geen hunner verraadde hem, daar zij begrepen dat het welslagen der onderneming ervan afhing. Kropotkine droeg een lang blauw katoenen gewaad en de Chineezen letten niet op hem. Wapenen hadden zij niet bij zich, alleen de Tungus had een geweer om op wild te schieten. De Chineesche soldaten kregen brandewijn, maar toen het op was, lieten zij de karavaan alleen. Deze ging in oostelijke richting en na 4 of 5 dagen kwam zij over berg en door dal op den Chineeschen straatweg, die over den Khingan zou voeren naar Merghen. Onderweg haalde men een ouden, erbarmelijk uitzienden Chineeschen ambtenaar in, die reisde in een tweewielige kar. Hij vertelde dat geen gebergte hen meer scheidde van de Amoer, alleen heuvelen.
Veertien dagen later bereikten zij de Amoer en toen de Kozakken de majestueuse rivier met haar blauwachtig water zagen, schitterden de oogen dier Siberiërs, die anders zoo weinig vatbaar waren voor indrukken.
De halfblinde Chineesche ambtenaar wilde hun den toegang beletten, want hij vertrouwde den pas niet, maar Kropotkine hakte den knoop door en zeide: “nu is er genoeg gepraat”, gaf het bevel aan de manschappen om op te zitten. De karavaan brak op, nadat men den ouden man de verzekering had gegeven dat het zijn schuld niet was dat zij toch in Mantsjoerije was binnengekomen.
Te Merghen dreef men wat handel en bereikte de Chineesche stad Aigun aan den rechteroever van de Amoer tegenover de Russische stad Blagoveschensk.
Den geheelen zomer door werden tochten gemaakt op de Amoer, zelfs tot aan de monding of liever tot den zeeboezem, waar Nikolajewsk gelegen is en vandaar ging hij per stoomboot de Usuri opvaren in gezelschap van den gouverneur-generaal. Ook de Sungari midden in Mantsjoerije voer men op tot Ghirin toe. Een arts, een astronoom, twee topografen en Kropotkine gingen gezamenlijk met 25 man soldaten onder bevel van kolonel Cheraeff dezen tocht doen. Landen deed men zelden, daar er geen tijd te verliezen was, ook lagen er niet veel plaatsen aan de oevers en was de vaart in den beginne wat lastig, later ging het veel gemakkelijker en in enkele weken bereikte men de hoofdstad der Mantsjoerijsche provincie. De autoriteiten zagen de ongenoode gasten met argwaan aan en dit was niet te verwonderen, daar zoo’n dito “bezoek”, acht jaar geleden door Mouravieff gebracht, geleid had tot de inlijving van de Amoer en de Usuri. Toen men te Ghirin kwam, hadden alle kooplieden zich voorzien van verroeste zwaarden uit eenig oud arsenaal. Wel belette men het betreden der straten niet, maar alle winkels werden gesloten en de kooplieden durfden niets verkoopen. Levensmiddelen werden bij wijze van geschenken aan boord der boot gezonden.
Het doel was bereikt, men had gezien dat de Sungari bevaarbaar was en men had een prachtige kaart ontworpen, zoodat het mogelijk was den terugweg met volle stoom af te leggen, want als men niet wilde overwinteren, was het geraden spoedig den terugtocht te aanvaarden.
Met de Chineesche bevolking, die de aanmatigende ambtenaren haatte, knoopte men hartelijke betrekkingen aan.
Eenmaal liep Kropotkine, toen het reeds donker werd, door een schilderachtig gelegen dorp. Een honderdtal Chineezen verzamelde zich weldra en ofschoon men elkanders taal niet verstond, onderhield men zich met elkander op vriendschappelijke wijze door gebaren en bewegingen. Het interesseerde hun vooral, waarom hij, ofschoon nog jong, reeds een baard droeg, terwijl zij dit pas deden met hun 60ste jaar. Toen hij hun te kennen gaf, dat hij dezen opat, als hij niets meer had, lachten zij en de aardigheid ging weldra van mond tot mond. Zij leidden hem rond, toonden hun huizen en allen deden zij hem uitgeleide naar de boot. Een politieman was er niet in dat dorp en in andere dorpen, waar er wel een was, kon men niet met de Chineezen in aanraking komen. Vermakelijk was het om de gezichten te zien, die achter zoo’n politieman getrokken werden. De politie was daar evenals overal gehaat door de bewoners.
Deze heele expeditie is in de vegetelheid geraakt, ofschoon zoowel de astronoom als Kropotkine verslag ervan gaven aan het Siberisch Aardsrijkskundig Genootschap. Bij een brand te Irkutsk gingen de voorhanden zijnde exemplaren der Mededeelingen, zoowel als de oorspronkelijke kaart der Sungari verloren, en pas in 1898 bij de werkzaamheden aan de Trans-Mantjoerijsche spoorlijn groeven Russische aardrijkskundigen de berichten weer op en zagen daaruit, dat de groote rivier reeds 35 jaren geleden door deze expeditie was onderzocht.
Als attaché van den gouverneur-generaal deed Kropotkine nog vele onderzoekingen, waardoor hem wel bevordering en onderscheidingen ten deel vielen, maar van de uitvoering der hervormingen kwam niets.
De lustin wetenschappelijk onderzoek was sterk gewekt en in 1866 ondernam hij voor het laatst een lange reis om een direkte verbinding te vinden tusschen de goudmijnen der provincie Yakutsk en Transbaikalië. Met een ouden jager als gids bereisde hij het 250 mijlen breede bergland langs de dalen der rivier Lena en de holle wegen, zooals ze precies waren opgegeven op een kaart, die een inboorling, een Tungus, ze met zijn mes had geteekend op een stuk berkenschors. Zij bereikten langs dien weg de stad Chita, deze weg moet thans van veel nut zijn, daar men daarlangs vee vervoert van het zuiden naar de goudmijnen.
Veel heeft Kropotkine geleerd gedurende die jaren in Siberië, daar hij goed opmerkte en een helder verstand bezat. Zoo zag hij de beteekenis van den opbouwenden arbeid, door de ongenoemde massa volbracht, die zoo zelden in boeken vermeld wordt, want deze heeft een heel groot aandeel van alle gewichtige geschiedkundige gebeurtenissen, zelfs in den oorlog, waarin het volgens Tolstoï meer aankomt op de massa dan op de aanvoerders.
Kropotkine zag het groote onderscheid in tusschen een op bevel en tucht berustend handelen en een handelen, dat steunt op den grondslag van gemeenschappelijk begrijpen. Het eerste is goed bij een militaire parade maar het schiet te kort in het praktische leven, waar alleen iets kan bereikt worden door de inspanning van velen in gelijke richting. De kiemen van zijn later anarchisme werden hier door eigen aanschouwing en kombinatie gelegd.
Hij ondervond dat er voor de massa der bevolking langs den gewonen weg van besturen niets werkelijk nuttigs tot stand kon worden gebracht. En wat voor Rusland geldt, dat geldt van alle andere landen evenzeer, ja van deze nog meer omdat alles gaat over zooveel schijven, terwijl in een autokratisch land soms iets nuttigs tot stand komt door den krachtigen wil van een enkel persoon. Zeker mannen van initiatief heeft men overal noodig, echter is de stoot gegeven, dan moet de onderneming niet op militaire wijze, maar langs den weg van onderling overleg worden uitgevoerd.
Ofschoon zijn broeder Alexander in 1864 te Irkutsk was gekomen en beiden toen veel aan elkander hadden, snakten zij naar geestelijk leven en dat vond men niet in Siberië. Het oproer der Poolsche ballingen in 1866 opende hun beiden ook de oogen voor de valsche positie, waarin zij verkeerden als Russische officieren.
Sinds het onderdrukken van den opstand in Polen waren 11.000 lieden vandaar naar Siberië gesleept: studenten, kunstenaars, voormalige officieren, edellieden en vooral intelligente handwerkslieden uit Warschau, die voor het meerendeel dwangarbeid moesten verrichten hetzij om schuiten te bouwen ter bevaring van de Amoer, hetzij in de keizerlijke ijzer- en zout-werken. Na een paar jaren waren zij meestal door uittering bezweken. Ondanks weinig kans van slagen kwamen deze mannen, minder gedwee en onderworpen als de Russen in ’t algemeen zijn, tot opstand en deze werd dan ook weldra bedwongen en gesmoord als altjd in bloed. Intusschen al was de opstand feitelijk een dwaasheid, het lot der Poolsche ballingen is daardoor toch veel verbeterd en de dood der oproerlingen heeft dus toch vruchten afgeworpen.
Echter dit oproertje bracht de twee gebroeders tot nadenken. Gelukkig dat Alexander, wiens eskadron naar het oproer werd gezonden, vrij bleef om daarheen te gaan, want hoogstwaarschijnlijk zou hij de gehoorzaamheid hebben geweigerd.
Beiden besloten zij, die nooit militair geweest waren in hun hart, om de militaire loopbaan eraan te geven en naar Rusland terug te keeren. Dit geschiedde in het jaar 1867.
Zij gingen daardoor een onzeker leven te gemoet, maar liever dit dan bij voorkomende gelegenheden gebruikt te worden, om anderen neer te schieten, die pogingen deden zichzelve te ontworstelen aan den druk.

6. Peter’s reis naar West-Europa.

Peter was gelukkig. Hij had zijn doel bereikt. Hij kon zich wijden aan de wetenschap, die hij zoo zeer liefhad. Op de banken der gehoorzalen van de Petersburger hoogeschool nam hij plaats naast veel jongere lieden, maar daar bekommerde hij zich niet over. Zijn vader, die een afkeer van burgerkleeren had, was boos over dit besluit en beide broeders moesten zichzelven door het leven zien te slaan. Vijf jaar heeft hij zoo geleefd en hard gewerkt.
Zijn verblijf in Siberië had hem tot een ontdekking gebracht, die zijn voornaamste bijdrage was aan de wetenschap. Hij had namelijk ontdekt dat alle kaarten foutief waren en dat de hoofdlijnen van de vorming der bergen van Azië niet loopen van het noorden naar het zuiden, of van het westen naar het oosten, maar van het zuidwesten naar het noordoosten, dus in schuine richting. Deze ontdekking geeft een verklaring van den fysischen grondslag van dit groote werelddeel, voor de verdeeling der klimaten, der fauna en flora, ja zelfs voor zijn geschiedenis. Welk een vreugde zulk een ontdekking brengt, dat is niet in woorden te brengen.
Kropotkine werkte grootendeels voor het Russisch Aardrijkskundig Genootschap en wel als sekretaris van de sektie voor fysische aardrijkskunde.
Het was in de jaren 1869 tot 71, dat koene Noorsche zeehondenjagers de scheepvaart openden op de Karische zee. Dit feit verwekte nieuwe geestdrift voor Pool- expedities, die ten slotte leidden tot het omzeilen van Azië door Nordenskjöld, en andere expedities. Ook het Russische genootschap wilde zoo’n expeditie op touw zetten. (Men bood hem de leiding van een verkenningstocht naar een land ten noordwesten van Nova Zembla), maar voor het tot een beslissing kwam, weigerde de regeering, die de kosten zou dragen, de noodige gelden en de expeditie kwam niet tot stand.
In plaats daarvan kreeg hij een opdracht om in Finland en Zweden een onderzoek te doen naar de verschillende ijslagen. Na vele reizen in Finland ging hij naar Zweden, waar hij dikwijls aangename uren doorbracht met Nordenskjöld. Op zijn tochten werd ook zijn aandacht getrokken door sociale aangelegenheden en deze gedachten oefenden een beslissenden invloed uit op zijn verdere ontwikkeling. Onderweg kreeg hij een telegram om hem de betrekking van sekretaris van het Aardrijkskundig Genootschap op te dragen, maar na ernstige overweging antwoordde hij telegrafisch: “hartelijk bedankt, maar kan niet aannemen.”
Terwijl hij in Finland vooral geologische studies maakte, greep hem een andere gedachte aan, die hem ernstiger bezig hield. Hij zag namelijk hoe groot het aandeel was, dat de Finsche boer nam aan het omwoelen en bewerken van den harden leembodem en nu vroeg hij zich af: “wat voor nut heeft het, om tot deze boeren te spreken over de Amerikaansche machines, als zij ter nauwernood brood genoeg hebben, om hun leven te rekken van den eenen oogst tot den anderen, wanneer de pacht, die zij moeten betalen voor de harde leemklompen, in dezelfde mate stijgt, naar gelang zij door hard werken den grond verbeteren? Zij bijten zich de tanden uit den mond aan hun steenhard roggebrood, dat zij tweemalen in het jaar bakken; ze zijn tevreden met een stukje vreeselijk sterk gezouten stokvisch en een dronk dunne melk. Hoe kan ik hen spreken over Amerikaansche machines, als zij al hun veldvruchten moeten verkoopen om hun pacht en hun belastingen te betalen? Ik moet met hen leven om hen te helpen eigenaars of vrije gebruikers te worden van het land. Dan zullen zij wat hebben aan het lezen van boeken, nu echter niet.”
En hij dacht aan de boeren te Nikolskoje, die nu vrij heeten, maar…. zonder weiden. Ze worden steeds armer tengevolge van een verkeerd belastingstelsel.
Zeker de wetenschap is iets heerlijks, maar wat baat zij, als zij niet helpt de lasten der zwoegers te verminderen, het leven minder zwaar te maken? Zoolang men vechten moet om een stuk beschimmeld brood machtig te worden, zoolang gaat alle andere begeerte als die naar kennis te loor. Al die woorden van werken voor den vooruitgang der menschheid, van de zegeningen der beschaving, wat voor waarde hebben zij, zoolang de bevorderaars van den vooruitgang op een afstand blijven van hen, die zij zoogenaamd vooruit willen brengen?
Ziedaar den tweeden grooten strijd, dien hij had door te maken. Hij moest kiezen: òf een wetenschappelijke loopbaan, die hem min of meer afzonderde van het werkelijke leven òf te werken voor het volk, opdat de weg geopend werd dat dit meer welvaart en minder zorg zou hebben en daardoor ook van die wetenschap zou kunnen profiteeren.
Hij koos alweer het laatste, omdat dit hem boven alles ging.

De reaktie was in heel Rusland in vollen gang en natuurlijk dat Petersburg, een centrum van geestelijk leven, daar sterk onder leed.
Alexander II was geen bepaald gemeen mensch, maar bij hem gingen gepaard een buitengewone goedheid met een koelbloedige wreedheid. Bovendien hij was geheel in de macht van Schuwaloff en Trepoff en pas na het schot van Vera Zassulitch op laatstgenoemde lekte een en ander uit. Het is vreeselijk hoe er gestolen werd. Alexander II wist het, maar wat zou hij doen? Juist de dieven waren zijn beschermers tegen de revolutie.
De beste letterkundige krachten waren òf in ballingschap òf zuchtten in de gevangenissen. Men was algemeen bang om zich vrij te uiten. In plaats van naar de ltaliaansche of Russische opera te gaan, die vroeger bij voorkeur bezocht werden, ging men naar de Variétés, die niet veel om het lijf hadden.
Mouravieff had beloofd de radikale elementen te Petersburg geheel en al uit te roeien en dus allen die vroeger op eenigerlei wijze hadden deelgenomen, leefden in vrees dat zij in de klauwen van den despoot, met den bijnaam “den beul” zouden vallen. En ondanks de vreeselijk moeilijke omstandigheden begon er toch te Petersburg een beweging te ontstaan onder de jeugd van beiderlei geslacht, een beweging die zich steeds uitbreidde. Vooral in de vrouwenwereld kwam nieuw leven. Zoo nam de vrouw van zijn broeder Alexander deel aan een pedagogischen kursus. Er werd gewerkt voor een medische akademie voor vrouwen. Kursussen werden gehouden over allerlei onderwerpen, die bezocht werden door vrouwen. Vrouwen vertaalden, gaven uit, drukten, bonden boeken in om werk te krijgen voor de armste medeleden der zusterschap. Daar de regeering de toelating van vrouwen tot de bestaande universiteiten verbood, spanden de vrouwen zich in voor de opening van eigen universiteiten. Vele professoren boden zich vrijwillig aan om daar voordrachten te houden. De vrouwen wisten toegang te krijgen tot het anatomisch laboratorium en maakten zulke vorderingen, dat de anatomen geheel voor haar zaak werden gewonnen.
Zoodra de vrouwen hoorden dat sommige Duitsche universiteiten vrouwen toelieten, snelden velen daarheen. Te Zürich alleen telde men meer dan 100 vrouwelijke studenten aan de universiteit en de polytechnische school. Ondanks den haat van den keizer jegens ontwikkelde vrouwen, ondanks de staatspolitie, ondanks de spotternijen en schimpscheuten, wisten de vrouwen een heele reeks van onderwijs-inrichtingen te openen. Toen enkelen harer uit het buitenland terugkeerden met den dokterstitel, dwongen zij de regeering in 1872 om haar toe te laten uit privaatmiddelen een medische universiteit te openen. En toen de regeering de Russische vrouwelijke studenten uit het buitenland terugriep wegens haar veelvuldigen omgang met revolutionaire vluchtelingen, wisten zij verlof te krijgen tot de oprichting van vier eigen universiteiten binnen het rijk, die weldra duizend bezoekers hadden.
Een kloof tusschen beide geslachten, tusschen de ouderen en de jongeren bestond niet of werd overbrugd. Waren de ouderen korrekt in haar kleeding, zij braken nooit met de jongere studenten, die als typische Nihilisten met kort haar de krinoline versmaadden en die een eenvoudig, zelfs sober leven leidden. Zij traden ook niet alleen op voor de rechten der vrouwen, maar werkten voor de massa des volks, zij wilden niet alleen het individueele recht op hooger ontwikkeling, maar veelmeer het recht om nuttig te mogen werken onder het volk, de massa. Vandaar haar succes.
Vader Kropotkine had zich maar slecht kunnen schikken in de nieuwe toestanden. Nu nam bovendien zijn gezondheidstoestand af. Had hij de hoop gekoesterd, dat zijn beide zoons als berouwvolle zoons waren teruggekeerd en hem gevraagd hadden om ondersteuning, niets daarvan kwam in, de zoons wisten het gesprek altijd te vermijden door ongedwongen te zeggen: “bekommer u daarover niet, wij komen heel goed uit.” Toen zij in 1871 hun vader bezochten, begrepen zij dat dit wel de laatste maal zou wezen, dat zij hem zagen. En ja, toen Peter thuis werd geroepen, kwam hij juist tijdig om de begrafenisplechtigheid bij te wonen. Hij bemerkte spoedig de verandering, die te Moskou had plaats gevonden en het bleek hem, hoe in de huizen van den adel de strijd tusschen vaders en zoons werd gestreden, zooals Turgenjeff dezen in zijn roman van dien naam had geschetst.
In een dier huizen werd toen de eerste vergadering gehouden van een te Moskou gestichte “groep”, waarvan ook Tchaykowsky lid was en de “sympathieke misdadigster” van Kara, Natalie Armfeldt –het huis waarin die groep gesticht werd, was van haar familie– over wie Kennan spreekt in zijn “Ballingen uit Siberië”. En geen steenworp van het huis af, waar de oude heer Kropotkine stierf, ontving de zoon den als boer verkleeden Stepniak, die uit een dorp ontvlucht was, waar men hem gevangen had genomen wegens socialistische propaganda onder de boeren.
Kropotkine besloot een reis te maken naar westelijk Europa in het jaar 1872. Zoo kwam hij te Zürich, de akademie waar zoo heel veel Russische studenten waren en de Russische taal alle andere overheerschte. De meesten leidden een ongelooflijk sober leven: thee en brood, wat melk en een dun plakje vleesch, gebraden op een spirituslamp, ziedaar hun onderhoud, maar zij kruidden den maaltijd door levendige gesprekken over het nieuwste in de socialistische wereld of het laatst verschenen wetenschappelijke werk.
De beruchte Internationale, in 1864 te Londen gesticht, was toen nog op haar hoogtepunt, ofschoon de oorlog van 1870/71 natuurlijk drukkend werkte op de ontwikkeling. Reeds in Rusland had hij er veel over gelezen in de bladen, maar haar doel en strekking waren hem niet bekend. Te Zürich werd hij lid van een plaatselijke afdeeling en nu las hij dag en nacht kranten brochures, enz. om zich goed op de hoogte te stellen en spoedig ontdekte hij dat een nieuwe wereld zich voor hem ontsloot, een wereld, die hij alleen kon leeren kennen, als hij toetrad tot de Internationale en met de arbeiders hun dagelijksch leven meeleefde. Met dat doel vertrok hij naar Genève, een middelpunt van de internationale beweging.
De sekties in die stad vergaderden in het gebouw der vrijmetselaars; meer dan 2000 menschen woonden de algemeene vergaderingen bij in de groote zaal, terwijl de kleinere vergaderingen of allerlei kursussen plaats vonden in de bijzalen bijna elken avond.
Een der hoofdleiders was de Rus Nikolaas Otin, maar de eigenlijke ziel der beweging was een zeer sympathieke Russin, bekend onder den naam van madame Olga. Het liefst was Kropotkine met de arbeiders, al was het dan ook onder het genot van een glas zuren wijn. Daar waren toen veel vluchtelingen uit Frankrijk na de gewelddadige onderdrukking der Kommune. Men moet onder hen geleefd hebben om te weten, welke offers door arbeiders zijn gebracht voor de beweging, daar degenen die als lid bekend stonden, gevaar liepen ontslagen te worden, terwijl het bijwonen van vergaderingen tot in den nacht en het lezen en studeeren, alles moest verkregen worden door zijn nachtrust gedeeltelijk op te offeren.
Hij zag hoe zij hun best deden om zich vrij te maken uit hun knechtschap, maar waar waren de menschen die de massa wilden dienen zonder haar te maken tot voetbank voor hun eigen eerzucht? Er kwam twijfel bij hem op aan de zuivere bedoeling van de agitatie en daartoe droeg veel bij de omstandigheid, dat men ter wille van de verkiezing van een advokaat een werkstaking als ontijdig afbestelde. En Kropotkine verliet deze sekte om zich aan te sluiten bij een andere, die bekend stond te bestaan uit Bakunisten. De naam “anarchist” was toen nog weinig gebruikelijk. Later ging hij naar Neuchâtel en leefde hij onder de horlogemakers in de Jura. Men weet dat de oppositie tegen het autoritair optreden van den Algemeenen Raad der Internationale, waarvan Marx en Engels de ziel waren, uitging van de zoogenaamde Jura-federatie. Daar kwam hij in aanraking met verschillende oud-Kommunards en vooral met Malon. Hij spreekt met veel sympathie over de arbeiders-bevolking uit die streken en langzamerhand ontwikkelde zich zoodoende het theoretische anarchisme. Jammer dat hij nooit in aanraking kwam met zijn landgenvot Bakunine, die te Locarno woonde en die veel invloed had op de meesten hunner, een invloed die minder berustte op zijn geestelijke autoriteit dan op zijn zedelijke persoonlijkheid.
Toen Kropotkine weer naar Rusland terugkeerde, had hij veel gezien en geleerd. Vooral had hij opgemerkt dat het doel dat men stelde en de eischen die men deed, meestentijds veel te vaag en te algemeen waren en toch moest volgens hem niet de hoofdzaak zijn, hoe men revoluties kon vermijden, maar de vraag hoe men de grootste resultaten kon verkrijgen bij de grootst mogelijke beperking van den burgeroorlog en een minimum van wederzijdsche verbittering. En dat is alleen mogelijk, wanneer het onderdrukte deel der maatschappij zich een zoo helder mogelijke voorstelling vormt van het doel en de wegen, die daartoe kunnen voeren en zich met de grootst mogelijke geestdrift wijdt aan het nastreven van dit doel.
Hij nam een aantal revolutionaire boeken en verschillende jaargangen van socialistische bladen mede en nu was de groote moeilijkheid om deze over de grenzen te krijgen. Opzettelijk ging hij naar Krakau, om daar den eenen of anderen jood te vinden, die hem behulpzaam zou zijn in het binnensmokkelen van die boeken. Voor dat doel werd hem toegezonden de vertegenwoordiger der internationale Maatschappij voor vodden en beenderen. Een hoogst elegant heer verscheen bij hem en na de boeken gezien te hebben, zei deze dat hij liever niet met het smokkelen van boeken te doen had, want bij het minste wordt de zaak dan opgeblazen tot een politieke zaak en dan zou zoo’n zaak een verbazende som gelds kosten, om de vodden- en beenderenmaatschappij schoon te wasschen van elken blaam.
Maar de zaak kwam toch goed in orde.
Over de kosten waren zij het spoedig eens. Op de vraag wat het zou kosten, luidde het antwoord: wat wilt ge betalen? Kropotkine schudde den inhoud zijner beurs uit op de tafel en zei: zooveel heb ik noodig voor de reis, de rest is voor u; ik zal derde klasse reizen.
“Ho, ho, ho,” riep de koopman. “Wat zegt ge daar, meneer? zoon edelman derde klasse reizen! Dat nooit. Neen, neen, neen, dat gaat niet…. Acht roebels is voor ons genoeg en dan nog een roebel voor den kommissionair, als gij het goed vindt. Wij zijn geen straatroovers, maar drijven eerlijke zaken.”
En zij weigerden beslist meer geld aan te nemen. Tegenover de vele bewijzen van oneerlijkheid van de Joodsche grenssmokkelaars staat dit bewijs van hun nette behandeling en wat meer zegt, nooit is hem een geval ter oore gekomen, waarin zij iemand verraden hebben, of dat zij misbruik maakten door een overdreven prijs zichzelven te bevoordeelen.

7. Terug in Rusland. Gevangenneming.

Toen Kropotkine terugkwam, was de Nihilistische beweging in Rusland in vollen gang. Deze wordt veelal verkeerd begrepen. Meestal vereenzelvigt men haar met het terrorisme, maar ten onrechte, het was een beweging der jongeren tegen het konventioneele der ouderen, zooals men haar het best vindt weergeveven in den roman “Vaders en Zoons van Turgenjeff.” Ook de roman “Wat te doen?” van Tchernychewsky teekent die beweging zeer goed.
Het duurde niet lang of Kropotkine was opgenomen in een kring, die bekend stond onder den naam van Tchaykovsky-kring. Den leider kende hij reeds en met hem bleef hij steeds bevriend.
Echter In dat jaar 1872 had deze kring niets revolutionairs, het doel ervan was zich te ontwikkelen. Daartoe brachten zij goede boeken in omloop en pas langzamerhand werd hij een middelpunt van socialistische propaganda. Men begon ook directe verbindingen aan te knoopen met de arbeiders in Petersburg zoowel als in de provinciesteden.
Nu werden alle geheime genootschappen sterk vervolgd.
Juist toen Kropotkine in dien kring werd opgenomen, hadden er heftige diskussies plaats over de vraag, in welke richting men werkzaam zou zijn. Zou men de radikale en socialistische propaganda voortzetten onder de beschaafde jeugd of zou men als hoofdzaak menschen voorbereiden, die in staat waren de groote, trage massa der arbeiders op te heffen en den voornaamsten arbeid te verrichten te midden der boeren en der stedelijke arbeiders?
Het tweede program won het over het eerste.
De ouderen wilden niets weten van die socialistische neigingen en de jongeren waren niet van plan hun denkbeelden te laten varen. Huiszoekingen waren aan de orde van den dag en elkeen, die een kursus volgde van hooger onderwijs, was reeds verdacht bij de staatspolitie. Droeg een meisje kort afgesneden haar of een blauwen bril of had een student in den winter een schotsche plaid, dit waren altemaal kenteekenen van “politieke onbetrouwbaarheid.”

Na den dood van zijn vader dacht Kropotkine er ernstig over om zich te Tambov te vestigen, waar hij een landgoed geërfd had, en om daar werkzaam te zijn in de Zemstvo, “de provinciale en distrikts-vertegenwoordiging.”
Eenige boeren en arme priesters uit de buurt smeekten hem om het te doen, maar toen hij eens eenige personen bij elkaar had en hij legde hun de vraag voor: “gesteld, dat ik een poging deed om een school, een model-boerderij, een koöperatieve onderneming in het leven te roepen en dat ik tevens de verdediging op mij nam van den boer uit ons dorp, wien laatst onrecht werd gedaan – zou de overheid mij dan mijn gang laten gaan?” Zij antwoordden allen: “neen, nooit!”
Een oude priester raadde hem tot de boeren te preeken met den bijbel in de hand, maar de rol van ’n Wicklef kon hij niet vervullen.
In den kring waartoe hij behoorde, daagde de vraag op om een geschikt plan van aktie te maken ter verkrijging van een konstitutie en toen men besloot dat elk lid zijn persoonlijke gevoelens moest opgeven en al zijn kracht daarop aanwenden, toen deed hij het voorstel om zich voor den schijn af te scheiden en slechts omgang te houden met één lid van den kring om op de hoogte van alles te blijven. Want zijn arbeidsveld zou dan blijven aan het hof en onder de hoogere ambtenaren. Daar hij onder hen veel kennissen had, die walgden van den toestand, zou hij trachten hen tot een organisatie te brengen, ten einde gezamenlijk invloed op den keizer uit te oefenen en hem zoodoende een konstitutie af te dwingen.
Dit voorstel werd door den kring niet aangenomen en van achteren bezien was Kropotkine daar blijde om, daar deze manier van werken weinig overeenkwam met zijn innerlijk wezen.
Men was er meer voor om een groote socialistische massa-beweging onder de arbeiders en boeren voor te bereiden dan om een aanslag te doen op het leven van den keizer. En feitelijk heeft de keizer zijn leven te danken aan dien gehaten kring. Immers er kwam eens uit het zuiden een jongmensch met het vaste plan om den keizer te vermoorden, maar toen de leden van dezen kring het hoorden, trachtten zij hem af te brengen van zijn voornemen, en verklaarden zelfs, dat als hij zich niet wilde laten raden, zij hem zouden laten bewaken en met geweld beletten, dat hij zoo’n aanslag deed.
Zóó beslist verzetten de jongeren zich toen tegen een strijdwijze, die zij later, nood gedwongen, toen er niets anders overbleef, toe gingen passen.
Daar het winterpaleis toen slecht bewaakt werd, kan men gerust zeggen dat zij het leven gered hebben van Alexander II.
Er volgden twee jaren van een leven vol agitatie en afwisseling, dat een diepen indruk achterliet op zijn leven.
Natuurlijk moest hij zijn rapport klaarmaken en afleveren aan het Aardrijkskundig Genootschap, alsook daarvoor nog een ander werk doen. Zijn vrienden vonden dit allemaal goed en dus dit nam veel tijd in beslag, maar op de vergaderingen van den kring ontbrak hij nooit. Deze hadden plaats in een klein huis in een voorstad van Petersburg, waarvan huurster was Sophia Perovskaya onder een aangenomen naam en met den valschen pas van een handwerksvrouw. Zij was de dochter van den voormaligen militairen gouverneur van Petersburg en van een oude aristokratische familie. Als men haar met een katoenen doek om ’t hoofd haar twee emmers water op de schouders uit de Newa had zien aandragen, zou niemand in haar het meisje hebben herkend, dat eenige jaren geleden schitterde in de fijnste gezelschappen der hoofdstad.
Zij was een strijdster zoo vast en betrouwbaar als staal. Eenmaal zei zij: “wij hebben wat groots begonnen. Twee geslachten zullen misschien bij het werk te gronde gaan en toch – het moet gedaan worden.”
Met zulke personen, die hun leven geven voor de zaak die zij voorstaan, doet men wonderen, want zij zijn tot alles in staat.
Er heerschte altijd een kameraadschappelijke toon, het was allen om de zaak te doen. Brochures werden gedrukt en verspreid, terwijl zij zelven zoo sober mogelijk leefden; meestal aten zij onder het werk door roggebrood met komkommers en een stuk kaas en daarbij dronken zij een massa slappe thee.
Zij kwamen in aanraking met de wevers en arbeiders in de katoenfabrieken, waarvan er duizenden ’s winters te Petersburg werken om de drie zomermaanden veldarbeid te gaan verrichten. Deze leefden meestal in kleine groepen of “artels”, bestaande uit 10 à 12 personen, die gemeenschappelijk een kamer huurden, tezamen aten en alle uitgaven samen droegen. Door hen kwamen zij in aanraking met andere artels van steenhouwers, timmerlieden, enz. Zij mengden zich geheel onder hen en als zij onder de boeren gingen, moesten zij natuurlijk als zoodanig gekleed gaan, want anders zou het argwaan gewekt hebben. Alles werd gedaan om maar te ontwikkelen. En in de kringen der werklustige arbeiders bracht Kropotkine de gelukkigste uren van zijn leven door, in de overtuiging dat hij nuttig werkte door hen van allerlei op de hoogte te brengen, natuurlijk altijd op den achtergrond de vraag wat men in Rusland moest doen.
O, die menschen wisten heel goed waaraan zij zich blootstelden, maar als men hun zei dat zij vandaag of morgen naar Siberië gezonden werden, dan luidde hun antwoord: “och wat, in Siberië leven ook menschen en niet alleen beren en waar menschen leven, daar kunnen ook andere menschen bestaan. De duivel is nooit zoo zwart als hij wordt afgeteekend.”
Gevangennemingen waren toen aan de orde van den dag.
Telkenmale drong de politie binnen in de vergaderzalen, die men had in de voorsteden van Petersburg en het ergste was dat dan al de betrekkingen tot de arbeiders der wijk afgebroken waren. Geen student kon zich ten slotte ongemerkt vertoonen in een arbeiderswijk en de arbeiders zelven waren geheel door spionnen omgeven, die al hun gangen nagingen. Meermalen waren leden van den kring genoodzaakt elken nacht ergens anders te gaan slapen.
Steeds werd de kring kleiner en algemeene vergaderingen steeds moeilijker. Slechts 5 of zes personen moesten al het werk ten slotte opknappen.
Een heele vereeniging van machinisten werd gevangen genomen en kort daarna werden ook twee wevers gepakt, zeer onbetrouwbare mannen, die zelfs geld van hun kameraden wegnamen en die wisten, dat Kropotkine leefde onder den naam van Borodin. Deze hebben bepaald de politie op het spoor gebracht van Borodin, den man in boerenkleeren, die het woord voerde in de vergaderingen der wevers. Het duurde niet lang of de heele kring was gevangen op twee na en een van de twee was Kropotkine.
Vluchten was het eenvoudigst geweest, maar dan was ook alles weg en dus nam men liever een paar nieuwe leden op in den kring, die zich belasten zouden met het werk. Daar men niets schriftelijk kon doen wegens huiszoeking en overvallen der politie, moesten alle lijsten van leden of adressen of namen onthouden worden en dit had natuurlijk groote bezwaren.
Kropotkine moest een ander verblijf nemen en verschijnen onder een aangenomen naam. Echter allerlei vreemdsoortige personen dwaalden om zijn huis heen en drongen onder allerlei voorwendsels zijn kamer binnen. Ook had hij in zijn straat, een deftige straat, een van de gevangen genomen wevers opgemerkt en dus begreep hij, dat het op zijn huis gemunt was.
Nu moest hij op een vrijdagavond verschijnen in de zitting van het Aardrijkskundig Genootschap om zijn rapport over de ijsformaties in Finland en Rusland voor te lezen. Er werd levendig diskussie gevoerd, maar het geheel was een succès voor hem. Men stelde hem voor als voorzitter der sektie voor fysische aardrijkskunde en dat terwijl hij in het onzekere verkeerde of hij niet dienzelfden nacht zou moeten doorbrengen in de gevangenis der zoo beruchte derde afdeeling.
Vermoeid ging hij dienzelfden avond nog naar huis, ofschoon het beter geweest zou zijn niet naar huis te gaan. De politie verscheen echter dien avond niet. Hij vernietigde alles wat zou kunnen kompromitteeren en pakte alles samen om zijn woning te verlaten. Hij wist heel goed dat men zijn kamer bewaakte, maar had de hoop dat zij niet dan ’s avonds zouden komen, zoodat hij zich dan in het duister ongemerkt kon verwijderen. Toen hij zich in het duister klaar maakte, zei een der dienstmeisjes: “gij doet beter, als gij de bediendentrap afgaat.” Hij begreep de bedoeling maar al te goed. Er stond slechts één rijtuig voor de deur, waar hij insprong, den koetsier bevel gevende hem te brengen naar Nevsky-Prospekt. Reeds meende hij gered te zijn, daar hij niets bemerkte van een vervolging, toen een tweede rijtuig hem snel nareed en inhaalde. Daarin zag hij een dier beide gevangen genomen wevers zitten naast een hem onbekenden persoon. Toen deze een beweging met de hand maakte, alsof hij Kropotkine iets wilde zeggen, zei Kropotkine tot zijn koetsier dat hij moest stilhouden. Misschien, dacht hij, heeft hij mij wat belangrijks te zeggen. Maar jawel, nauwelijks had het rijtuig stilgehouden of de geleider, die een geheim politieman was, zei: “meneer Borodin, vorst Kropotkine, ik neem u gevangen.”
Hij gaf den politiespion, die nooit ontbreekt in de hoofdstraat van Petersburg, een teeken, sprong dadelijk in zijn rijtuig en toonde een papier, dat den stempel droeg van de Petersburger politie. “Ik heb een bevel,” zei hij, “om u bij den gouverneur-generaal te brengen om een verklaring te geven.” Tegenstand zou niets gegeven hebben en dus hij reed daarheen. De wever bleef in zijn rijtuig zitten en volgde.
Wat moet er toen weer zijn omgegaan in het hart van Kropotkine, toen hij de droeve ervaring opdeed, dat hij door eenige personen uit de klasse, wier vrijmaking hij beoogde, laaghartig verraden werd!
Toevàllig had hij even vóór het verlaten van het huis een paar brieven ontvangen en ofschoon hij den eenen vernietigd had, den anderen had hij bij zich en ofschoon deze niets bizonders bevatte, vond hij het veiliger dezen weg te doen. Onder voorwendsel dat de politieman zijn identiteit moest bewijzen, gebruikte hij den tijd, dien de politieman noodig had om in zijn zak te zoeken, om dien brief ongemerkt op den grond te laten vallen. Toen zij echter de woning van den gouverneur-generaal bereikten, overhandigde de wever den brief aan den politieman, zeggende: “ik heb gezien, hoe meneer het papier liet vallen en heb het opgeraapt.”
Toen hij voorgebracht werd, duurde het niet lang of men bracht hem naar zijn woning, waar alles doorsnuffeld werd, zonder dat er ook maar iets gevonden werd, waardoor de een of ander zou kunnen worden gekompromitteerd.
Daarna ging hij naar de derde afdeeling, die toen almachtig heerschte. De gendarmerie bekommerde zich om niets of niemand, de minister was dikwijls niet eens bekend met hetgeen daar gebeurde.
Om 4 uur ’s morgens begon het verhoor.
“Gij zijt aangeklaagd te behooren tot een geheim genootschap, waarvan het doel is de omverwerping van den bestaanden regeeringsvorm en van samenzwering tegen den geheiligden persoon van zijn keizerlijke majesteit. Erkent gij die misdaad begaan te hebben?”
– “Ik zal u geen antwoord geven, totdat men mij voor het gerecht brengt, waar ik openlijk kan spreken.”
– “Schrijf dit op,” zei de rechter tot den klerk, “hij bekent zich niet schuldig. Toch moet ik u enkele vragen doen. Kent gij iemand met name Nikolaas Tchaikovsky?”
– “Als gij uw vragen voortzet, schrijf dan bij elke vraag, die gij tot mij gelieft te richten, zonder meer: Neen!”
– Wanneer wij u vragen of gij, ik wil b.v. zeggen, den heer Polakoff kent, over wien gij een poosje geleden hebt gesproken?"
– “Zoodra gij mij dergelijke dingen vraagt, schrijf dan alleen: Neen. En als gij mij vraagt of ik mijn broeder of zuster of stiefmoeder ken, schrijf dan eveneens: Neen! Gij krijgt geen antwoord van mij, want als ik”ja" zei, zoudt gij dadelijk tegen den betreffenden persoon iets kwaads beginnen, een huiszoeking bij hem doen of iets nog ergers en dan zeggen “dat ik zijn naam had genoemd.”
Op alle vragen luidde dus het antwoord: “Neen!”
Dit duurde een uur en Kropotkine zag daarbij, dat alle gevangenen, met uitzondering van de twee wevers, zich dapper hadden gedragen.
Bij het terugbrengen naar zijn cel zei een officier der gendarmerie: “wat begint gij, vorst? Uit uw weigering om op vragen te antwoorden, zal men een geducht wapen tegen u smeden.”
– “Heb ik daartoe dan niet het recht?”
– “Ja, maar – gij weet…. ik hoop, dat gij u goed zult bevinden in deze kamer; zij is verwarmd sinds uw gevangenneming.”
Kropotkine viel weldra in diepen slaap en toen hij ’s morgens gewekt werd, kreeg hij zijn ochtendthee. Weldra kwam er een ander, die hem ongevraagd in het oor fluisterde: “hier is papier en potlood; schrijf uw brief.”
Het was een vriend, die bij name bekend was en door wiens bemiddeling de korrespondentie gewoonlijk werd gevoerd met de gevangenen der derde afdeeling.
Van alle kanten hoorde men kloppen, maar zoolang men deze manier, waardoor de gevangenen onder elkaar spraken door middel van tikken, niet kent, begrijpt men daar letterlijk niets van.
Toen het onderzoek was afgeloopen, werd hij vervoerd in een rijtuig op vier wielen en met een dikken officier der gendarmerie naast zich, die alleen maar snurkte, zeker om niets te hoeven te zeggen.
“Gaan wij naar de Livobsky-gevangenis?” vroeg Kropotkine.
Geen antwoord!
Toen men echter over de Neva-slotbrug reed, wist hij er alles van. Immers deze geleidde naar de Petrus- en Paulus vesting.
Toen hij door een donkeren, overwelfden gang voor de poort der vesting reed, na een laatsten blik geworpen te hebben over de mooie rivier, zei hij tot den officier:
– “Hier zal ik nu een jaar moeten blijven.”
– “Waarom zoo lang?” antwoordde deze, die nu de spraak scheen terug te krijgen. “Uw zaak is zoo goed als onderzocht en komt misschien binnen 14 dagen voor de rechtbank.”
– “Mijn zaak is zeer eenvoudig. Maar vóórdat ze mij voor de rechtbank brengen, zullen zij trachten alle socialisten in Rusland gevangen te nemen en die zijn talrijk, zeer talrijk; in twee jaar zijn zij daar nog niet mee klaar.”
In de ontvangkamer gelaten leverde de officier zijn gevangene af en de kommandant nam hem in ontvangst. Hij zette een gezicht alsof hij zeggen wilde: “ik ben een soldaat en doe slechts mijn plicht.”
Toen gingen zij weer in het rijtuig tot voor een tweede poort, die na eenig wachten geopend werd door een afdeeling soldaten. Vandaar te voet door nauwe gangen en een derde ijzeren poort, die een donker overwelfden gang opende, en zoo bereikte men een kleine, donkere en vochtige kamer. Hij moest zich daar ontkleeden en het gevangenispak aantrekken, dat bestond uit een groen flanellen kamerjapon, groote en ongelooflijk dikke wollen kousen en schuitvormige gele pantoffels, die zoo groot waren, dat hij ze bij het loopen moeilijk aan kon houden. Zelfs een zijden ondervest, dat hij in de vochtige vesting graag had aangehouden, moest hij uittrekken, al was het onder protest, maar daardoor kreeg hij dit zeker op bevel van den kommandant een uur later terug.
Nu werd hij gebracht naar zijn cel, een zware eikenhouten deur sloot zich achter hem, een sleutel draaide in het slot en ziet, daar was hij in een half-duistere ruimte.
Hij, de man met de schitterendste vooruitzichten, in alle opzichten voorbestemd om een voorname plaats in te nemen in de hoogste kringen, hij vond zijn plaats, als zoovelen in Rusland, in de gevangenis!

8. Zijn vlucht uit de gevangenis.

Toen hij eenmaal in die beruchte Petrus- en Paulus-vesting was, daagden voor zijn geest al de gruwelen, die daar gepleegd waren van den moord met eigen hand door Peter I gepleegd op zijn zoon Alexis tot de behandeling van vorstin Tarakanova in een cel, die bij een overstrooming met water werd gevuld, zoodat de ratten, om zich voor verdrinken te redden, tegen haar opkropen, tot de martelingen der Decembristen. Maar boven alles dacht hij aan Bakunine, die zes jaar aldaar had versmacht om er flink en frisch uit te komen en deze gedachte gaf hem moed, want zij deed hem tot zichzelven zeggen: “hij heeft het uitgehouden en dat moet ik ook, ik wil hier niet ondergaan.”

Zijn kamer was eigenlijk de kasemat voor een groot kanon en het venster het daarbij behoorende schietgat. Zonnestralen konden er nooit binnendringen, daar de muren te dik waren. In dat vertrek bevond zich een ijzeren ledikant, een kleine eikenhouten tafel en een dito kruk om op te zitten. Op den grond lag gekleurd vilt en de wanden waren behangen met geel papier. Aan de binnenzijde stond een waschtafel en daar was een dikke eikenhouten deur, waarin een schaftgat om het voedsel door aan te reiken en daarboven een smal gat met een glazen schijf en aan de buitenzijde een schuifje, den zoogenaamden Judas, waardoor men altijd begluurd kon worden. Buiten in den gang liep een schildwacht heen en weer en telkens moest hij door dat glaasje naar binnen turen.
Overal heerschte een pijnlijke stilte en daardoor terneergedrukt begon hij te zingen. Spoedig klonk hem in de ooren: “meneer, ik verzoek u om niet te zingen.”
Het antwoord: “ik wil en ik zal zingen.”
– “Gij moogt niet.”
– “Ik wil toch zingen.”
– Toen kwam de kommandant om het verbod nog eens te herhalen.
– “Maar mijn keel zal dichtgroeien en mijn longen krachteloos worden, als ik niet spreek en niet mag zingen.”
– “Zing dan zachter, min of meer voor uzelven” – zei hij op bijna smeekenden toon.
Maar het duurde niet lang of alle lust tot zingen was eruit.
Om zijn lichaam krachtig te houden, maakte hij kamergymnastiek en allerlei oefeningen.
Pen en inkt kreeg men alleen bij bizonder verlof van den keizer, Om zich dus bezig te houden, ontwierp hij in zijn hoofd allerlei vertellingen, maar dit was vreeselijk inspannend.
Echter op eens kreeg hij pen en inkt en dat geschiedde door toedoen van zijn broeder Alexander. Toen deze de gevangenneming van zijn broeder hoorde, ging hij van Zürich, waar hij woonde, direkt naar Rusland, om zijn beminden broeder door zijn gevangenschap heen te helpen. Hoe gelukkig was Peter toen hij Alexander zag, maar aan den anderen kant was hij bevreesd dat ook hij spoedig zou worden weggevoerd door de Kozakken, omdat hij een beetje opgewonden was en zoo moeilijk zijn verontwaardiging kon bedwingen.
Het Aardrijkskundig Genootschap wenschte dat Kropotkine zijn boek over den IJstijd zou voltooien en Alexander bracht de heele Petersburger wetenschappelijke wereld in beweging om vergunning daartoe te krijgen en zoo gelukte het na twee of drie maanden om zijn broeder pen en inkt te bezorgen “alleen tot zonsondergang,” om zijn rapport af te maken.
Dat was natuurlijk een uitkomst voor hem. De Akademie van wetenschappen stelde haar schoone bibliotheek ter zijner beschikking en zoo was een der hoeken van zijn cel opgevuld met boeken en kaarten, Zweedsche publikaties en Engelsche tijdschriften.
Voor het drukken van het eerste deel zorgde zijn broeder, het tweede bleef onvoltooid achter bij zijn vlucht en pas in 1895 vond men het manuskript en gaf het aan het Aardrijkskundig genootschap, dat het hem naar Londen toezond.
Het schijnt, dat hij ook boeken van buiten mocht hebben, althans hij las verschillende werken, die hem door zijn verwanten werden toegezonden, altijd na vijven, –in den winter na drieën– als wanneer hij moest ophouden, daar pen en inkt hem ontnomen werden. Hij kreeg dan een kleine lamp om bij te lezen of te doen wat hij wilde.
Niet het geringste geluid werd vernomen, behalve het kraken van de laarzen van den schildwacht, het weinig hoorbare geruisch bij het optrekken van de Judasschuif en het luiden der klokken van de kathedraal der vesting. Alle pogingen om gehoor te krijgen door op de muren te tikken of op den grond te stampen, waren vruchteloos. Er waren er zes uit den kring in de vesting, maar zij waren verstrooid in de zes en dertig kazematten, al de anderen zaten elders.
Een half uur luchten in een vijfhoekige ruimte gaf een beetje afleiding. Men kon daar de vergulde spits der kathedraal zien en deze gaf dan tevens te kennen of de zon scheen dan of het nevel was. Soms zag hij daar de 18-jarige dochter van den kommandant, die de plaats schuchter overstak, als schaamde zij zich de dochter te zijn van den cipier. Het ergste was het vocht in de cel, waar het water letterlijk van den muur afdroop en ten gevolge daarvan begon Kropotkine aan rheumatiek te lijden.
Eerst kreeg hij somwijlen bezoek van zijn broeder Alexander en zijn oudere zuster in tegenwoordigheid van een officier der gendarmerie. Kort na zoo’n bezoek ontving hij een brief over het afdrukken van zijn boek, echter niet van zijn broeder maar van een vriend en dit maakte hem ongerust, hij vreesde dat zijn broeder was gevangen genomen. Die onzekerheid maakte hem onverschillig voor alles, den geheelen dag liep hij rusteloos rond en steeds dacht hij aan de gevangen-neming van zijn broeder. Veel later vernam hij, dat zij werkelijk plaats had gehad en dat hij getransporteerd was naar Oost-Siberië. 12 jaar bleef hij daar en in Rusland kwam hij nooit weer.
Ten gevolge van de talrijke gevangennemingen werden de gevangenissen steeds voller en zoo gebeurde het dat hij ontdekte een buurvrouw te hebben gekregen en ofschoon het, 15 maanden lang een stilte was geweest als die van het graf, nu hoorde men van alle zijden met den voet op den grond stampen en op die manier ging men met elkander praten.
Op zekeren dag kreeg Kropotkine een onverwacht bezoek en wel van grootvorst Nikolaas, den broeder des keizers, alleen vergezeld door zijn adjudant. Nadat de deur achter hem gesloten was, kwam hij met versnelden pas op Kropotkine toe en zei: “dag Kropotkine. Hoe is het mogelijk, dat gij, een kamerpage en sergeant van het Pagenkorps, in zulke zaken verwikkeld zijt en u nu hier in deze afschuwelijke kazemat bevindt?”
– “Elkeen heeft zoo zijn eigen meening.”
– “Meening? Dus uw meening was een revolutie uit te lokken?”
Het scheen dat hij “bekentenissen” wilde ontlokken en daarom zweeg Kropotkine, die dit spoedig begreep.
– “Gij ziet! Gij schaamt u nu” – zei de grootvorst en daarop antwoordde Kropotkine dadelijk vrij scherp:
“ik heb den ambtenaar mijn antwoord gegeven bij het verhoor en er niets verder aan toe te voegen.”
– “Maar begrijp toch goed, Kropotkine,” zei nu de grootvorst vertrouwelijk, “ik spreek tot u niet als ambtenaar, die een verhoor wil instellen, maar geheel als privaatpersoon – geheel als privaatpersoon,” herhaalde hij zachter.
Kropotkine antwoordde, dat hij steeds een officieel persoon bleef en hij hem onmogelijk kon beschouwen als een privaatpersoon.
Na over onverschillige dingen gesproken te hebben, zei hij: “zijt gij niet in Siberië door den omgang met de Decembristen op zulke gedachten gekomen?”
– “Neen, ik heb slechts één Decembrist gekend en met hem geen gesprek van eenige beteekenis gevoerd.”
– “Hebt ge ze dan te Petersburg opgedaan?”
– “Ik ben steeds dezelfde geweest.”
– “Hoe zoo? Waart ge reeds zoo in het Pagenkorps?”
– “In het korps was ik een jongen en wat iemand in zijn jeugd onklaar voor den geest zweeft, dat krijgt op een mannelijken leeftijd vaste vormen.”
Maar de konversatie begon Kropotkine te vervelen, daar hij heel goed begreep hoe het te doen was om bekentenissen los te krijgen en toen de grootvorst dan ook zei: “maar hoe kondt gij u inlaten met al dat volk, boeren en menschen zonder naam?” toen antwoordde hij scherp en kortaf: “Ik heb u reeds verklaard, dat ik den onderzoekingsrechter mijn antwoorden heb gegeven.”
Op eens verliet de grootvorst de cel.
Later kwamen door dit bezoek heele legenden, en heette het, dat deze grootvorst behulpzaam was geweest in de vlucht.
Twee jaren verstreken en nog was de zaak niet voor de rechtbank geweest. In Maart of April 1876 heette het, dat het onderzoek geëindigd was en de zaak verwezen naar de gewone rechtbank. Nu werd hij overgebracht naar de onderzoekingsgevangenis, gebouwd naar het model van Fransche en Belgische gevangenissen. Intusschen de gezondheid van Kropotkine had veel geleden en men meende dat hij hoogstens nog enkele maanden had te leven. Zijn bloedverwanten maakten zich ongerust en deden hun best een invrijheidsstelling te krijgen tegen borgtocht, maar dat lukte niet, het eenige dat verkregen werd, was dat hij naar het militaire hospitaal werd gebracht. Daar had hij een ruime kamer gelijkvloers, dicht bij de kamers van de wacht. Een groot venster, voorzien van tralies op het zuiden, kwam uit op een kleinen boulevard, bezet met twee rijen boomen, aan den anderen kant waarvan 200 werklieden bezig waren op een groot plein houten barakken op te slaan voor typhus-ziekten. Elken avond zongen zij wel een uur lang in koor, zooals alleen groote timmerlieden-artels in staat zijn te vormen. Het venster bleef den geheelen dag open en hij kon zich koesteren in de stralen der zon, hem zoo lang ontzegd. Werkelijk beterde hij aanmerkelijk, zoodat hij zijn arbeid weer kon hervatten. Hij wist zijn vrienden kenbaar te maken met zijn verblijf.
Allerlei plannen tot ontvluchting werden door zijn vrienden gemaakt, het een nog avontuurlijker dan het andere. Op onverwachte wijze kwam er een oplossing.
– “Vraag om verlof voor een wandeling” – fluisterde eens een der soldaten hem in. Hij deed dít en zoo kreeg hij verlof elken namiddag om 4 uur een uur lang rond te loopen op de binnenplaats. Deze was 300 schreden lang en meer dan 200 breed en heelemaal met gras bedekt. De deur was open, zoodat hij ongehinderd de straat, het hospitaalgebouw aan den overkant en de voorbijgangers kon zien. Aan het eene einde stond de gevangenis, een smal, ongeveer 150 passen lang gebouw, aan welks beide uiteinden schild-wachthuisjes waren. De beide schildwachten liepen heen en weer en hadden een voetpad gemaakt op het gras. Daar nu mocht hij wandelen, terwijl de twee schildwachts voortgingen heen en weer te loopen, zoodat hij nooit meer dan een 10 of 15 pas van een hunner verwijderd was. Drie hospitaalsoldaten zaten op den drempel der deur.
Aan het tegenovergestelde einde van deze ruime plaats werd hout afgeladen van een dozijn karren en door ongeveer 12 boeren opgestapeld tegen den muur. De heele plaats was door een hooge heining van dikke planken omgeven. De poort stond open, opdat de karren in- en uit konden rijden. Nu stond de kans van ontvluchting veel beter en van allerlei plannen werd dat van Kropotkine goedgekeurd.
Ziethier het plan:
Een dame zou in een open rijtuig aan het hospitaal komen, zij zou daar uitstappen en het rijtuig wachten op straat een 50tal passen voor de poort. Als Kropotkine om 4 uur naar buiten wordt gebracht, loopt hij een poos heen en weer met den hoed in de hand en dit beteekent voor een vriend, die de poort voorbijgaat, dat alles in de gevangenis in orde is. Dan moet van buiten door middel van een teeken worden meegedeeld dat op straat alles veilig is. Dit kan geschieden door een licht of door een toon. De koetsier zou b.v. zijn verlakten hoed zoo kunnen optillen, dat de zonnestralen teruggekaatst zouden worden op het hoofdgebouw of hij kon een lied zingen en dit voortzetten tot de straat veilig is. Het beste was gebruik te maken van het kleine herbergje, dat men van de plaats uit ziet. De schildwacht zal hem naloopen als de hond den haas, maar hij zal een bocht maken, terwijl Kropotkine rechtuit loopt en deze zal hem dus vijf of tien passen voor blijven. Op straat gekomen springt Kropotkine in het rijtuig en in vliegende vaart rijdt men weg. Schiet de wacht – daar valt niets tegen te doen en buitendien gewaagd moet er worden.
De voorbereidselen duurden ongeveer een maand en het gevaar dreigde, omdat zijn gezondheid zoo sterk verbeterd was, dat hij teruggebracht zou worden naar de onderzoekingsgevangenis.
Op 29 Juni, den Peter- en Paulsdag werd de uitvoering vastgesteld. Zijn vrienden zouden op het teeken, dat “alles binnen in orde” was, antwoorden met het laten opgaan van een kleinen rooden kinderballon als teeken dat ook “buiten alles in orde” was. Dan zou het rijtuig komen en een lied worden gezongen ten bewijze dat de straat veilig was.
Op 29 Juni ging Kropotkine naar buiten, nam zijn hoed af en wachtte op een ballon. Maar er was niets te zien. Een half uur verliep en toen hoorde hij op straat een rijtuig aanrollen en een man een onbekend lied zingen, maar…. geen ballon. Het uur was om en met gebroken hart keerde Kropotkine terug naar zijn kamer.
Wat was het geval geweest?
In heel Petersburg was geen ballon te krijgen geweest en toen men er eindelijk een ontdekte, was het een oude, die niet wilde opstijgen. Men vulde hem op met waterstofgas, maar hij ging niet op. De tijd drong intusschen. Een dame bevestigde hem boven op haar parasol en liep op en neer langs den hoogen muur, terwijl zij de parasol hoog boven haar hoofd hield, maar Kropotkine kon daar niets van zien.
Later is gebleken dat juist dit niet doorgaan van het plan zijn geluk is geweest, daar de weg in de straat versperd was op dien dag door een goed dozijn karren, die hout naar het hospitaal brachten. Hij zou dus gepakt zijn geworden.
Nu werd een heel systeem van signalen bedacht en ingericht langs alle straten waar men door moest gaan. Ook had men het herbergje afgehuurd, en aan het open venster had men een vioolspeler gezet, die klaar stond, om zoodra het signaal hem bereikt had: “de straat is veilig”, op zijn viool te spelen.
Op den volgenden dag was de onderneming vastgesteld. Er scheen eenige verdenking te bestaan, want Kropotkine hoorde den officier der patrouille den voor het venster staanden schildwacht vragen: “waar zijn uw scherpe patronen!” Onbeholpen wilde de soldaat die uit de patroontasch halen en toen dit niet gauw genoeg ging, snauwde hij den soldaat toe: “heeft men u niet gezegd, dat gij hedennacht uw scherpe kogels in uw jaszak moest hebben?” En hij bleef zoolang bij den man staan, tot hij de patronen in zijn zak had gedaan. “Let scherp op!” zei hij bij ’t weggaan.
Den volgenden dag des middags om 2 uur kwam een dame, een bloedverwante van hem in de gevangenis en verzocht hem een horloge te mogen geven. De direkteur stond dit toe en zoo kreeg hij het horloge, dat een klein briefje bevatte in cijferschrift om hem bekend te maken met het heele plan. Deze brutaliteit liep gelukkig goed af.
Om 4 uur kwam Kropotkine buiten en gaf zijn signaal. Eerst vernam hij nu het rollen van een rijtuig en een paar minuten later drongen de tonen van de viool uit het herbergje door tot op de binnenplaats. Maar toen was hij juist aan het andere einde van het gebouw en toen hij aan het eind van het paadje was dat het dichtst bij de poort was, ongeveer 100 pas er af, was de schildwacht hem dicht op de hielen. “Nog eens heen en weer” – dacht hij, maar voordat hij het andere einde van het paadje had bereikt, hield de viool op eens op.
Meer dan een kwartier van angstige spanning verliep er, voordat de oorzaak der onderbreking duidelijk werd. Er reed nl. een dozijn zwaargeladen karren met hout door de poort en bewoog zich naar het tegenovergestelde einde der binnenplaats. Daarop begon de vioolspeler een opwekkende mazurka. Toen Kropotkine aan het einde van het voetpaadje was dat het dichtst bij de poort was, bevende bij de gedachte dat de mazurka wel kon ophouden, voordat hij het bereikte, draaide hij om, de schildwacht had 5 of 6 pas achter hem halt gemaakt en zag naar den anderen kant.
“Nu of nooit,” dacht Kropotkine, hij slingerde zijn groene flanellen kamerjapon weg en zette het op een loopen. Ternauwernood had hij een paar passen gedaan, toen de boeren, die het hout opstapelden, riepen: “hij loopt weg! Houdt hem tegen! Pakt hem” en zij wilden hem den weg aan de poort versperren. Kropotkine vloog zoo hard als hij kon. De schildwacht liep hem met de drie soldaten, die op den drempel zaten, achterna en zijn vrienden, die dit tooneel zagen van uit het herbergje dachten niet anders of een hunner had hem gepakt, maar hij behield zijn voorsprong. Tot zijn schrik zat in het rijtuig een burger met een militaire muts op, die zijn gelaat niet van hem afwendde. “Verraden!” – was zijn eerste gedachte. Hij wilde niet in het rijtuig springen, als er een vijand in zat, maar weldra zag hij dat het in orde was.
“Spring erin, gauw, gauw!” riep die persoon, een revolver klaar houdende en den koetsier heftig tot spoed aansporende zei hij: “rijd! rijd snel of ik schiet u neer, kerel.”
Het paard in vollen galop.
“Pakt ze! Grijpt ze!” – klonk het gillend uit verschillende kelen, terwijl de vriend in het rijtuig hem voorzag van een hoogen hoed en een elegante overjas. Er dreigde vooral gevaar van een soldaat, die aan de poort van het hospitaal, ongeveer tegenover de plek waar het rijtuig wachtte, op post stond. Deze kon het instijgen beletten of wel het paard tot staan brengen. Daarom had een vriend de opdracht, de aandacht van dien soldaat door een gesprek af te leiden.
Dit gelukte uitstekend.
Die soldaat was werkzaam geweest in het laboratorium van het hospitaal en die vriend van Kropotkine onderhield hem over een bepaalden parasiet van het menschelijke lichaam.
“Hebt gij al gezien, hoe ’n geduchten staart hij heeft?”
– “Wat zegt gij, een staart?”
– “Ja, zeker, onder den mikroskoop is hij wel zoo dik als dit.”
– “Kom, maak mij toch niets wijs! Dat weet ik beter. Dat was het eerste, wat ik onder den mikroskoop heb gezien.”
Dit gesprek had plaats, terwijl Kropotkine hem voorbijliep en in het rijtuig sprong.
Het geluk diende hem wel, want het gelijkt wel wat op ’n sprookje en toch is het zoo gebeurd.
Het rijtuig zwenkte en was haast omgeslagen en toen ging het in hollende vaart verder. Overal langs den weg ontdekten zij vrienden en zoo bereikte men een huis, waar de koetsier werd weggestuurd. Een oogenblik later viel Kropotkine in de armen zijner schoonzuster, die in grooten angst had zitten te wachten. Dadelijk werden de kleeren verwisseld en de baard afgeschoren. Tien minuten later verlieten zij het huis en namen een rijtuig om te rijden naar de eilanden, waar de Petersburger aristokratie den ondergang der zon gaat aanschouwen. Zij gingen toen naar een der eerste restauraties, waar niemand hen zoeken zou.
Geen twee uren, nadat zij het huis hadden verlaten waar zij het eerst heen waren gereden, werd het huis van onder tot boven doorzocht evenals de woningen van bijna alle vrienden, maar niemand dacht er aan, dat de vluchteling zou zitten te dineeren in zulk een voorname restauratie.

De czaar was woedend, dat zoon vlucht bijna voor zijn oogen op klaarlichten dag was gelukt en hij had het bevel gegeven: “hij moet gevonden worden.”
De politie stelde alles in het werk om den vluchteling te krijgen, maar …. te vergeefs!
Deze wist noordwaarts naar een afgelegen haven van de Finsche golf te komen en ging vandaar scheep naar Zweden. Op het punt zijnde af te varen vernam hij van een vriend, die hem vergezeld had, dat zijn zuster en de zuster zijner schoonzuster, die hem sints zijn broeder en diens vrouw zich in Siberië bevonden, eens in de maand hadden bezocht in de gevangenis, zelven waren gearresteerd wegens het verleenen van hulp bij de ontvluchting.
Toch na eenigen tijd vastgehouden te zijn, werden zij vrijgelaten, omdat zij er heelemaal geen aandeel aan gehad hadden. De echtgenoot van de tweede, een bekend advokaat deed alles om de invrijheidsstelling te bewerken, maar het gezegde van de officieren der gendarmerie verklaart den geest voldoende. Zij zeiden namelijk: “wij weten wel dat zij niets te maken heeft gehad met de vlucht, maar ziet ge, wij hebben den keizer op den dag harer gevangenneming verwittigd, dat de persoon, die alles voor de viucht op touw had gezet, was ontdekt en gevangen genomen. Nu zal het eenigen tijd duren, tot wij hem daarop voorbereid hebben, dat zij niet de ware schuldige is.”
Zoo kwam Kropotkine gelukkig en wel te Christiania en wachtte daar een boot af naar Hull en nooit begroette hij een vlag zoo hartelijk als de Amerikaansche, die vroolijk woei van het schip waarop hij zich bevond.

9. Ten tweeden male in Europa.

Het plan was. om een paar weken of maanden in het buitenland te blijven, ten einde het geschreeuw zijner vervolgers te doen bedaren, en dan naar Rusland terug te keeren, nadat zijn gezondheid wat hersteld zou zijn, maar het lot heeft gewild dat hij nooit meer den Russischen bodem betrad.
Hij nam den naam Levashoff aan en vertrok naar Edinburg, daar te Londen te veel Russische spionnen waren die hem op de hielen zaten.
De anarchistische beweging was toen aan het opkomen in West-Europa en deze sleepte hem geheel mede. Daar volgens hem een socialist steeds door eigen arbeid zijn brood moet verdienen, zoodat hij niemand tot last wordt, trachtte hij werk te vinden te Edinburg. En dit gelukte hem aan het natuurwetenschappelijk tijdschrift Nature, waarin hij de gelegenheid vond artikelen en boekbeschouwingen te schrijven. Overigens meermalen als er niets van hem geplaatst was, nam hij het voor lief met brood en thee.
Daar hij door dezen aardrijkskundigen arbeid niet aan Engeland gebonden was, ging hij naar Zwitserland en vestigde zich te Chaux-de-Fonds.
De tweespalt in de Internationale ontwikkelde zich steeds meer, daar het niet gold een strijd tusschen twee personen Marx en Bakunine, maar een verschil tusschen het federalistische en het centralistische beginsel, tusschen de vrije aktie der volksmassa en de langzame verbetering der bestaande kapitalistische verhoudingen door middel van de wetgeving. De Jurabond nu was het middenpunt der federalisten. Bakunine was juist gestorven (6 Juli 1876) maar de Jura-federatie behield haar plaats. Onder haar leden waren het vooral James Guillaume, Adhémar Schwitzguébel en Spichiger, drie Zwitsers, met wie hij veel omging. Ook leerde hij toen verschillende voortvluchtige leden der Parijsche kommune kennen, onder wie Elysée Reclus, de beroemde aardrijkskundige, en Lefrancais, Pindy, Paul Brousse en anderen; ook de Italianen Cafiero en Malatesta, die beiden hun vermogen prijs gaven ter wille van de revolutie. In dat jaar had een manifestatie plaats te Bern en daar de wind der reaktie woei door Zwitserland, verbood de regeering het dragen van de roode vlag der arbeiders. Op den gedenkdag der kommune begaven zij zich van alle kanten naar Bern, om aldaar, zonder te letten op het verbod, de roode vlag door de straten te dragen. Er had een botsing plaats, bij welke gelegenheid een paar kameraden een sabelhouw opliepen en twee politiemannen een ernstige verwonding, maar de roode vlag kwam goed en wel in het werkmansgebouw, waar toen een zeer opgewekte vergadering plaats vond.
Een proces had er plaats tegen een 30-tal Zwitsersche burgers, die zelven verlangden vervolgd te worden, maar de straffen waren licht, niet hooger dan 3 maanden gevangenschap. Echter de regeering verbood nu officieel het dragen van de roode vlag in het kanton. De Jurabond besloot haar toch te ontplooien te St. Imier, waar men dat jaar kongres had. Bijna allen waren ditmaal gewapend en vastbesloten de banier te verdedigen. Een sterke politiemacht was opgesteld op een plein om den stoet tegen te houden en op een veld dichtbij stond een afdeeling soldaten klaar onder voorwendsel van een schietoefening. Maar toen de overheid door de ernstige houding der betoogers begreep dat er een bloedbad zou plaats vinden, liet de burgemeester den stoet ongestoord gaan.
De strijd tusschen anarchisme en sociaaldemokratie werd steeds heftiger. Twee kongressen hadden in 1877 plaats in België, het eene door de Internationale te Verviers en het andere als Internationaal Socialisten-kongres te Gent. Op het laatste zouden de Duitschers een poging doen, om de geheele Europeesche arbeiders-beweging in één organisatie samen te brengen onder leiding van een centraal bestuur. Onder den naam van Levashoff ging Kropotkine daarheen en ofschoon op ’t kongres slechts 9 anarchisten waren, gelukte het toch de doorvoering van het centralisatieplan te verijdelen.
De Gentsche politie was te weten gekomen, wie Levashoff was en het bevel werd gegeven om hem gevangen te nemen, omdat hij onder een valschen naam in zijn hôtel was. De kameraden wisten hem te verbergen, zoodat hij den volgenden morgen goed en wel naar Engeland werd getransporteerd. Daar bleef hij niet lang. Hij ging naar Parijs, waar de arbeiders-beweging weer wat begon op te leven na de onbarmhartige onderdrukking der kommune. Hij en anderen richtten de eerste socialistische groepen op. Toen in 1880 de amnestie voor de kommunards kwam, ontstond er weldra een levendige beweging. Door een toeval werd hij niet met een paar andere kameraden verbannen. De politie wilde namelijk Levashoff pakken, maar nam een verkeerde, een Russisch student, wiens naam veel gelijkenis van klank had. Na een maand nog te Parijs te zijn gebleven, vertrok hij weer naar Zwitserland.
In Rusland zelf namen de zaken een geheel nieuwen keer na den Russisch-Turkschen oorlog. Vooral het schot van Vera Zassulitch op den gehaten generaal Trepoff en haar vrijspraak maakten een verbazenden indruk, ook op de West-Europeesche arbeiders. Vier aanslagen hadden er in 1878 plaats en ten gevolge daarvan werd ook de toestand in Zwitserland gespannen. Buitenlanders werden uitgebannen, Zwitsers broodeloos gemaakt.
En zoo kwam het dat Kropotkine, door den nood gedwongen, met twee vrienden, Dumartheray en Herzig in Februari 1879 onder den titel Le Révolté te Genève een blad uitgaf, dat eerst om de twee weken verscheen. Met 23 frank begon men, maar het sloeg in, want ofschoon gedrukt in 2000 exemplaren, binnen enkele dagen was het uitverkocht. Kropotkine meende dat het niet genoeg was als de bladen een kroniek van klachten over de bestaande toestanden was, neen hij wilde theoretische artikelen waaruit het ontkiemen van nieuwe vormen van sociaal leven zou blijken en dus in die richting ging hij nu aan het werk met behulp van zijn twee medewerkers.
Op eens weigerde de drukker na 5 nummers met drukken door te gaan. Dumartheray tastte door en zei: “de zaak is heel eenvoudig, wij koopen een eigen drukkerij op drie maanden krediet en in drie maanden tijds hebben wij haar afbetaald.”
“Maar wij hebben geen geld, slechts een paar honderd franks” – antwoordde Kropotkine.
– “Geld? onzin! dat zullen wij hebben. Wij zullen maar dadelijk de letters bestellen en ons volgend nummer uitgeven. Geld zal er wel komen.”
Hij had goed gezien, de zaak kwam klaar. In radikale partijen is altijd meer behoefte aan mannen dan aan geld. Aanpakken is de boodschap, de rest volgt van zelf.
De meeste artikelen van Kropotkine uit dezen tijd zijn later uitgegeven door Reclus, tijdens de gevangenschap van Kropotkine, onder den titel: Paroles d’un Révolté (Woorden van een Opstandeling).
Daar het blad in Frankrijk verboden was, moest het er worden binnengesmokkeld.
Reclus interesseerde zich steeds meer voor de onderneming en ten slotte sloot hij zich geheel bij hen aan. Daar hij Kropotkine uitnoodigde om hem behulpzaam te zijn bij zijn monumentale werk, de Géographie universelle, wat de Aziatische bezittingen van Rusland betrof, ging Kropotkine, ook met het oog op de gezondheid zijner vrouw, te Clarens wonen in 1880, omdat Reclus daar verblijf hield. Uit dezen tijd dateert ook zijn Woord aan de Jongelieden, dat in honderdduizenden exemplaren in alle talen verspreid is geworden. De omgang met beschaafde menschen van gelijke gedachten werkte zeer gunstig en zelfs beweert hij toen den grond te hebben gelegd voor bijna al wat hij later geschreven heeft.
De goed gelukte aanslag op keizer Alexander II in 1881 was oorzaak, dat een wilde vrees zich meester maakte van de hofkringen. Een geheim verbond werd gevormd, dat ten doel had het leven van den czaar te beschermen; officieren van alle rangen traden toe en ontwikkelden hun spionnage-talent in alle kringen der maatschappij. Een nog geheimer verbond, de heilige Liga, vormde zich, die tot doel had de revolutionairen op alle mogelijke wijzen tegen te werken. Zij stond onder leiding van grootvorst Wladimir, den broeder van den czaar. Tot het doel behoorde ook, om de vluchtelingen, die als leiders der laatste samenzweringen werden beschouwd, te dooden. Kropotkine behoorde tot dit getal en de grootvorst verweet in heftige bewoordingen lafheid aan de officieren der Liga en betreurde het, dat er onder hen geen enkele was, die deze vluchtelingen naar de andere wereld wilde helpen. Deze bizondere opdracht kreeg een officier, die tegelijkertijd met Kropotkine in het Pagen-korps was geweest.
Eigenlijk was het dwaas om te onderstellen dat vluchtelingen in het buitenland samenzweringen op touw zouden zetten en dit geschiedde dan ook niet. Zij zouden het laf hebben gevonden een plan te ontwerpen zonder zelf ter plaatse aanwezig te zijn.
Kort na dezen aanslag werd Kropotkine uit Zwitserland verbannen, juist toen hij in Juli 1881 terugkwam uit Londen, waar hij een anarchistenkongres had bijgewoond. Daar zijn vrouw op het punt stond het baccalaureaat te krijgen aan de universiteit te Genève, vestigden zij zich te Thonon aan den Savooischen oever van het meer van Genève.
Dat zijn leven bedreigd werd, bleek ook uit een waarschuwing, die hij ontving uit een der hoogste kringen van Rusland. Zelfs de naam der dame, die men uit Petersburg naar Genève had gezonden, om aldaar het middenpunt der samenzwering te zijn, werd hem bekend gemaakt. Hij deelde dit mede aan den korrespondent van de Times te Genève, opdat deze, als er soms iets gebeurde, het publiek kon maken. Maar aandoenlijk was het om te zien hoe de boerin, waar ze kost en inwoning vonden te Thonon, hem maakte tot voorwerp van haar bizondere zorg. Altijd liet zij, als het wat laat was, onder eenig voorwendsel haar man meegaan om Kropotkine te vergezellen met een lantaarn of wel zij droeg haar broeder op hem, zonder dat hij het bemerkte, op eenigen afstand te volgen.
Zoodra zijn vrouw haar examen had gedaan, vertrokken zij naar Londen, waar zij bijna een jaar bleven. In Engeland was het een doode boel. Geholpen door enkele Engelsche arbeiders brachten zij in kleinen kring de Russische aangelegenheden ter sprake en ook het socialisme in het algemeen. Maar zij voelden zich zoo eenzaam in Londen en alle pogingen om wat leven te brengen, waren zoo hopeloos, dat zij weer naar Frankrijk trokken en al bestond de kans dat ze spoedig gevangen zou worden genomen, “beter een Fransche gevangenis dan dit graf.”
Zij vestigden zich weer te Thonon ten huize van hun zorgzame oude kostvrouw.
Nooit waren daar zooveel Russische spionnen geweest en deze zullen natuurlijk allerlei wonderbare berichten hebben ingezonden, want een spion moet natuurlijk berichten inzenden. Ook de Fransche politie zat hem op de hielen. Eens kwam de gendarme van de plaats een bezoek brengen bij zijn kostvrouw. Hij vroeg naar een drukpers, maar die was er niet, hij had misschien het geluid eener naaimachine gehoord en dit daarvoor gehouden.
– “Wat doet hij den heelen dag?” vroeg hij aan de vrouw.
– “Hij schrijft.”
– “Hij kan toch niet altijd schrijven.”
– “’s Middags zaagt hij hout in den tuin en tegen vier à vijf uur gaat hij geregeld uit.”
Het was toen November.
– “Ah, daar hebben wij het! Als het duister wordt!” – Zoo dacht hij en schreef in zijn boekje: gaat nooit uit, behalve als het duister wordt.
Toen hij in 1882 te Londen was, deelde iemand hem mede dat er een persoon was, die zich uitgaf voor een “eerlijk” agent der Russische regeering en graag met Kropotkine in onderhandeling wilde treden.
“Zeg hem, dat, als hij in mijn huis durft komen, ik hem de trap zal afsmijten” – luidde het antwoord van Kropotkine.
Meneer is natuurlijk nooit verschenen.
Wat de spionnen aangaat, deze treden meestentijds zoo onhandig op, dat zij alleen gevaar opleveren voor jonge en onervaren lieden. Veelal fantaseeren zij erg, om zich een gewichtig air te geven, maar dikwijls is het wel waar wat ze zeggen, alles hangt hierbij echter af van de inkleeding.
Zoo o.a. op hun reis van Parijs naar Londen in 1881 ontmoetten zij een spion, die waarschijnlijk een dubbelzinnige rol speelde. Hij had een bericht aan Rochefort verkocht, die het in zijn blad, de Intransigeant, publiceerde. Alles was wel waar, wat hij vertelde, maar hoe vertelde hij het!
Hij schreef: “ik nam. in den wagon plaats onmiddellijk naast Kropotkine en zijn vrouw.” Juist, daar zat hij en hij trok hun aandacht door zijn gemeene gelaatsuitdrukking. “Zij spraken steeds Russisch, om niet verstaan te worden door hun medereizigers.”
Weer was het feit waar, maar de gevolgtrekking onjuist, want zij spraken altijd Russisch onder elkaar, gelijk begrijpelijk is. “Toen zij naar Calais kwamen, dronken zij beiden bouillon.” Ook alweer waar! “Hierop verdwenen zij plotseling beiden en ik zocht ze vergeefs op het perron of ergens anders, en toen zij weer te voorschijn kwamen, was hij verkleed en een Russisch geestelijke volgde hem en verliet hem niet meer, tot zij te Londen aankwamen; toen verloof ik den priester uit het gezicht.” Alles waar. De vrouw van Kropotkine had kiespijn en nu verzocht hij den restaurateur hem in zijn privaatkamer te laten, ten einde de kiespijn te verdooven. Daar zij het Kanaal zouden oversteken, verruilde hij zijn vilten hoed met zijn pelsmuts. Dat was de “verkleeding.” En ook die priester was er bij. Wat toch was het geval? Een Grieksch priester vroeg aan het buffet iets, wat niemand begreep: “Agua, agua” en daarop zei Kropotkine: geef dien heer een glas water. De priester bedankte hem met oostersche overdrijving. De vrouw van Kropotkine, die medelijden met hem had, sprak hem aan, maar hij begreep alleen Nieuw Grieksch. Eindelijk bleek het, dat hij een paar woorden kende van een der Zuid-Slavische talen, waaruit zij opmaakten: “ik ben een Griek; Turksch gezantschap, Londen.” Toen deelden zij hem mede dat zij ook naar Londen gingen en hij dus met hen kon reizen. Onze verslaggever schreef verder: “hij steeg aan Charing Cross uit, maar verliet het station niet dan ’n half uur na aankomst van den trein, nadat hij zich eerst overtuigd had, dat alle anderen zich verwijderd hadden. Ik hield mij ter zijde en wachtte achter een pilaar verscholen. Toen zij zeker waren, dat alle reizigers het perron hadden verlaten, sprongen zij plotseling in een cab. Toch volgde ik hen en hoorde hoe de koetsier aan den uitgang het adres opgaf aan den politieagent: No. 12 straat zóó en zóó en liep achter den cab aan. In de buurt waren geen rijtuigen te krijgen en ik spoedde me dus naar Trafalgar Square, waar ik er een vond. Toen reed ik achter hen en zag hen uitstijgen aan het vermelde adres.” Hoe geheimzinnig schijnt dit? Hoe zat het echter in elkaar? Een Russisch vriend zou hen komen halen, hij versliep zich en zoo was hij niet aan het station. Zij wachtten nu een half uur en reden toen naar zijn huis. “Daar zaten zij tot 2 uur achter neergelaten rolgordijnen en toen kwam er een groote man naar buiten en keerde na een uur met hun bagage terug.” De opmerking der gordijnen was juist, wegens de mist stak men het gas aan en liet men de gordijnen zakken.
Het is zeer leerzaam om te zien hoe de berichten gefabriekt worden.
Toen Kropotkine van Thonon naar Londen ging, bezocht hij in het voorbijgaan Lyon, St. Etienne en Vienne, in welke plaatsen hij voordrachten hield en vriendschappelijke betrekkingen aanknoopte met verschillende arbeiders.
Tegen het einde van 1882 heerschte er een geweldige krisis in de zijde-industrie te Lyon, terwijl ook de wijnarbeiders in die streek zeer gedrukt waren. De opgewondenheid nam toe en de woede der armen wendde zich vooral tegen de plaatsen van vermaak en weelde, die in tijden van wanhoop en ellende te meer hinderen, omdat zij aan de arbeiders de zelfzucht en de teugelloosheid der rijkere klassen duidelijk maken. Op zekeren nacht was door een onbekende een dynamietpatroon neergelegd in een café, dat den geheelen nacht openbleef en waar men de heeren met hun prostituées kon zien brassen en pret maken. Een toevallig daar aanwezig socialistisch arbeider sprong toe, om de brandende lont te dooven en vond daarbij den dood, terwijl slechts enkele bezoekers lichte verwondingen opliepen. Den volgenden dag ontplofte een patroon voor de deur van een aanwervingsbureau en het heette in de stad dat de anarchisten het groote standbeeld der maagd Maria, dat een der heuvelen in den omtrek der stad kroont, in de lucht zouden doen springen. Een ware paniek brak te Lyon uit en een 60-tal anarchisten, allemaal arbeiders, met uitzondering van Emile Gautier, die juist in de omstreken voordrachten hield, werden gevangen genomen.
De pers ruide voortdurend op en eischte de gevangenneming van Kropotkine als den leider der agitatie.

10. Kropotkine ten tweeden male gevangen genomen.

Kropotkine kreeg nu in de kleine plaats zijner inwoning zoo vele brieven, blijkbaar van spionnen der internationale politie, om hem te spreken over dynamiet-aanslagen of hem de toezending van dynamiet aan te kondigen, dat hij er een verzameling van maakte onder het opschrift “Internationale Politie” en die later bij de huiszoeking ten zijnent in haar handen viel. Toch durfde men er geen gebruik van maken voor de rechtbank, maar men heeft ze ook niet terug-gegeven.
Toen volgde een huiszoeking op Russische manier en zijn vrouw, die zich op reis naar Genève bevond, werd gevangen genomen en onderzocht, echter zonder eenig gevolg. Tien dagen verliepen, dus tijd genoeg om weg te gaan als hij gewild had. Onder de vele brieven, die hij ontving, was er een, misschien wel van een lid van het corps diplomatique om hem aan te raden weg te gaan, want anders had hij kans te vallen als eerste offer van een uitleveringstraktaat, dat juist was gesloten tusschen Rusland en Frankrijk. Hij bleef echter waar hij was en toen de times in een telegram meldde dat hij verdwenen was, schreef hij zelf aan dat blad om zijn adres op te geven onder verklaring dat hij het plan niet had de plaats te verlaten.
In den nacht van 22 December werd hij gearresteerd, juist drie of vier uur na het overlijden van een broeder zijner vrouw, die bij hem woonde en die leed aan de tering. En hier zien wij weer hoe onmeedoogend de politie optreedt. Zijn vrouw was kapot en hij vroeg om hem tot de begrafenis bij haar te laten, op zijn woord van eer belovende zich daarna aan de poort der gevangenis te bevinden. De politie weigerde en dienzelfden nacht werd hij naar Lyon vervoerd.
Een Engelschman kwam namens een in de politiek zeer hooggeschat man in Engeland met een som gelds, die als borgstelling moest dienen om hem in vrijheid te laten. Kropotkine weigerde maar nooit vergat hij dit roerende aanbod.
Nu was het mooiste dat de beklaagden niet in aanklacht waren gesteld wegens de ontploffingen –wat ook al te gek was geweest– maar omdat zij leden waren van de Internationale. Daarbij kwam dat men in het eerste geval kwam voor een Jury, die waarschijnlijk zou hebben vrijgesproken en in het tweede voor een politierechtbank, die zich meer zou gedragen naar den wensch der regeering.
In Januari 1883 kwam het proces voor. De aanklacht was bespottelijk, daar elkeen wist dat geen enkel Lyonsch arbeider ooit lid was van de Internationale. Het mooiste hierbij was de verklaring van den chef der geheime politie, die eerlijk scheen in zijn verhoor.
Kropotkine vroeg hem:
– “Hebt gij ooit te Lyon hooren spreken over de Internationale?”
– “Nooit” – antwoordde hij geërgerd.
– “Toen ik van het Londensche kongres van 1881 terugkwam en opnieuw den grond trachtte te bereiken voor de Internationale in Frankrijk, had ik toen succes?”
– “Neen, de arbeiders vonden, dat de Internationale niet revolutionair genoeg was.”
– “Dank u wel,” zei Kropotkine en tot den aanklager voegde hij hier aan toe: “nu hebt gij uw heele stelsel in duigen zien vallen door uw eigen getuige.”
Toch werden allen veroordeeld wegens deelneming aan de Internationale. Vier kregen de hoogste straf, onder wie Kropotkine, nl. 5 jaar, de anderen van één tot vier jaren.
Hoe ’n vooropgezette meening men had, bleek hieruit: twee brieven waren bij Kropotkine gevonden, de een aan een ontmoedigden Franschen arbeider handelende over algemeene zaken, de ander was lang maar bevatte een uiteenzetting aan een schoenmaker, met wien hij in aanraking was en diende om hem uiteen te zetten hoeveel beter zijn opstellen zouden zijn, als hij in het vervolg punten en komma’s zette, wat hij geregeld verwaarloosde. Dus ook een brief zonder eenig belang voor de aanklacht. Maar meneer de aanklager voegde er een zeer pathetischen kommentaar aan toe, die te vermakelijk is dan dat hij vergeten mag worden.
“Mijne Heeren, gij hebt dezen brief gehoord,” zoo begon hij, zich tot de rechtbank wendende. “Gij hebt hem vernomen. Op het eerste gezicht schijnt er niets bizonders in te staan. Hij bevat onderricht in de spraakleer aan een arbeider. Maarrr….” en hier trilde zijn stem van diepe aandoening… “dit geschiedde niet, om een arbeider te leeren, wat hij waarschijnlijk door luiheid op de school had verzuimd. Het geschiedde niet, om hem in staat te stellen eerlijk zijn brood te verdienen …. Neen, mijne Heeren …. hij leerde hem dat alleen, om hem met haat te vervullen tegen onze verheven en schoone instellingen, om hem des te beter het gif van het anarchisme in te gieten, om hem tot een geduchten vijand van de maatschappij te maken …. Vervloekt zij de dag, waarop Kropotkine zijn voet heeft gezet op Frankrijks bodem!”
Met grooten pathos werd die laatste zin uitgeschreeuwd haast, de beklaagden lachten en de rechters keken hem verbaasd aan, alsof zij dachten: nu wordt het toch wat al te gek!
De belooning kon niet uitblijven.

Na de veroordeeling ontving de aanklager zoowel als een ander ambtenaar van de Russische regeering het ridderkruis van St Anna en…. de republiek stond het aannemen der orde toe!
Zoo heeft het beroemde bondgenootschap met Rusland zijn oorsprong gehad in het proces te Lyon.
De Fransche pers keurde de veroordeeling af als zijnde niet gerechtvaardigd.
Een pdar maanden bleef Kropotkine, die niet in hooger beroep ging, nog in de gevangenis te Lyon. Zij is een moderne celgevangenis. In Maart werden 22 hunner, die veroordeeld waren tot langer dan één jaar, naar de centrale gevangenis te Clairvaux gebracht.
Dadelijk werd hun meegedeeld dat voor hen de bepalingen voor de gevangenis in vóórarrest bleven gelden. Zij behoefden geen gevangeniskleeren aan te trekken, geen gedwongen arbeid te verrichten en mochten rooken. Bovendien mochten zij voedingsmiddelen uit de kantine en dagelijks een kan wijn tegen een zeer billijken prijs en van goede kwaliteit koopen. De behandeling was beleefd. Gautier en Kropotkine kregen, behalve de drie ruime kamers, die men den gevangenen aanwees, nog een afzonderlijk vertrek voor hun werk en toen Kropotkine’s vrouw te Parijs bekend maakte, dat haar man boeken noodig had, bood de Akademie van Wetenschappen haar bibliotheek aan en stelde Renan in een vriendelijk schrijven haar eigen bibliotheek beschikbaar. Zij hadden een kleinen tuin, waarin zij zich met kegelen mochten vermaken. Bovendien bewerkten zij een strookje grond langs den muur om aldaar salade en radijs, benevens eenige bloemen te teelen. Dadelijk richtte men klassen van onderwijs op en zoo gaf Kropotkine gedurende de drie jaren die hij daar was, les in de aardrijks-, wis- en natuurkunde aan zijn kameraden en was hij hun tevens behulpzaam in het aanleeren van vreemde talen. Ook oefende men zich in het boekbinden.

Maar met de gezondheid werd het minder, hij kreeg malaria, vergezeld van scheurbuik. Zijn vrouw vestigde zich te Clairvaux en mocht zij hem het eerste jaar slechts eens in de twee maanden zien in tegenwoordigheid van een bewaarder, die tusschen hen inzat, toen zijn vrouw te Clairvaux woonde, stond men haar toe om haar man dagelijks te spreken in een der wachthuisjes binnen den muur van de gevangenis. Ook kreeg hij zijn eten uit de herberg, waar zij woonde. Later mochten zij zelfs wandelen in den tuin van den direkteur en dan hield meestal een der kameraden hen gezelschap.
In Frankrijk is men allang vrij van den midden-eeuwschen geest van wraak, die heerscht in de Engelsche gevangenissen. De gevangene behoeft niet te slapen op houten planken of slechts om den anderen dag op een matras, hij heeft een behoorlijk bed. Hij wordt niet gedwongen tot vernederenden arbeid, zooals touw pluizen en het wieldraaien, integendeel hij verricht nuttigen arbeid, zoodat de gevangenis den indruk geeft van een fabrieksplaats, waar verschillende artikelen geproduceerd worden. Alles door elkaar genomen kan men deze gevangenis beschouwen als een der beste van Europa. En toch zijn de resultaten even pover als die in andere oud-modische gevangenissen. Een der regenten zei eens tot Kropotkine: “tegenwoordig is de leuze, dat de gevangenen in onze gevangenissen verbeterd zullen worden. Dat is louter onzin en ik zal er mij nooit toe laten leiden om zulk een leugen te vertellen.”
Men wilde daar toen juist het beginsel van volkomen stilzwijgen invoeren, maar dit strijdt te veel met de menschelijke natuur dan dat men het konsekwent kon volhouden. Ook sluit de eenzame opsluiting de onderlinge verstandhouding der gevangenen niet uit.
Hoofdzaak is echter dat men in de gevangenis den wil der menschen breekt. De invloed der gevangenissen werkt allerverderfelijkst op den mensch zoowel lichamelijk als geestelijk. En al had Kropotkine zich persoonlijk niet te beklagen over de behandeling, voor een werkzaam en onafhankelijk mensch is de beperking van de vrijheid en van de werkzaamheid zulk een groote ontbering, dat al het andere hem niet de moeite waard is. Echter wie zich geheel en al aansluit aan een vooruitstrevende partij, moet erop rekenen, dat hij eenige jaren doorbrengt in de gevangenis. Het schijnt dat de vooruitgang niet veroverd kan worden, zonder dat er slachtoffers vallen.
In den herfst van 1885 werden alle kameraden vrijgelaten behalve drie, onder wie Kropotkine, maar toen werd het geroep om invrijheidsstelling steeds onstuimiger met het gevolg dat hij in Januari 1886 de vrijheid herkreeg. In de Kamer had de minister-president verklaard dat er diplomatieke bezwaren bestonden tegen de vrijlating van Kropotkine, wat met andere woorden wilde zeggen dat czaar Alexander III ertegen was. Vreemd om zulke woorden te moeten hooren uit den mond van een regeeringspersoon van een onafhankelijk rijk, maar sinds dien tijd en vooral sinds het onzalig bondgenootschap van Frankrijk en Rusland heeft men nog heel wat anders te hooren gekregen.
Kropotkine bleef toen een paar weken bij Elie Reclus, den oudsten dier merkwaardige familie, maar nadat hij voor duizenden personen een voordracht had gehouden over het anarchisme, verliet hij Frankrijk nog vóórdat men hem er uit kon zetten.
Hij vestigde zich toen te Harrow, waar zijn vrouw en hij zich bizonder toelegden op het verbouwen van groenten.
Een groote slag trof hem, toen het bekend werd dat zijn broeder Alexander, die nog steeds in Siberië vertoefde een einde had gemaakt aan zijn leven, want al was de korrespondentie tusschen beiden niet levendig in de omstandigheden, waarin beiden verkeerden, toch hadden beide broeders veel te veel met elkander verkeerd dan dat de dood van den eenen niet een diepen indruk maakte en een ledige plaats veroorzaakte in het leven van den ander.

11. In Engeland terug en nu voor goed.

Sinds heeft Kropotkine onafgebroken in Engeland geleefd en wist hij zich daar in de wereld der geleerden een eervolle plaats te verschaffen, ja hij vond daar een werkkring als schrijver, die hem een behoorlijk materieel bestaan bezorgde. Hij kreeg uitnoodigingen uit alle deelen des lands, om over het gevangeniswezen, maar meestal om over het anarchistisch-socialisme voordrachten te houden en zoo bezocht hij bijna elke groote stad in Engeland en Schotland. Daar hij meestal na de voordracht de eerste uitnoodiging de beste aannam, logeerde hij nu eens in het paleis van een rijke en dan in de armelijke woning van een arbeidersgezin. De socialistische beweging was in die jaren in vollen gang. Des avonds kwamen dan ook velen, die tot alle klassen der maatschappij behoorden, bijeen in de prachtige ontvangkamer van den rijken zoowel als in de kleine kamer van den arbeider en dan hadden tot laat in den nacht groote diskussies plaats over socialisme en anarchisme, blijde verwachtingen wekkende in de hutten der armen maar die ook vrees joegen onder de paleisbewoners. De rijken wilden weten wat de socialisten eigenlijk wilden en welke koncessies gedaan moesten worden om een gewelddadigen strijd te voorkomen en daarbij hoorde men zelden het socialistisch streven uitmaken voor onrechtvaardig of als onzin beschouwen. Maar een revolutie heette in Engeland onmogelijk, want, zooals een ervaren parlementslid zich eens tegenover Kropotkine uitdrukte, “Engeland is, parlementair gesproken, een land van het ‘linker-centrum’ en schrijdt voorwaarts langs den weg der kompromissen.”
Het was opvallend hoe ’n groot aantal mannen en vrouwen uit de middenklasse flinkweg optraden in socialistische vergaderingen en hoe deze zich niet ontzagen bij werkstakingen in de parken met den stoet mee te loopen.
Het duurde niet lang of Kropotkine richtte een anarchistisch-kommunistisch maandblaadje op, Freedom, dat heden nog verschijnt. En tevens hervatte hij zijn werk over het anarchisme daár, waar hij het had moeten laten bij zijn gevangenschap.
Na het afbrekende werk in zijn Woorden van een Opstandeling gaf hij nu het opbouwende deel uit van een anarchistisch-kommunistische maatschappij. Eerst als artikelen verschenen in de Révolté kwamen zij later meer uitgewerkt uit als boek onder den titel: La conquête du Pain (De verovering van het brood.)
Meer en meer bewoog Kropotkine zich in de wetenschappelijke wereld door allerlei geschriften te vervaardigen, die hoog gewaardeerd werden en die getuigenis aflegden van zijn degelijkheid en ernstige studie. Zoo verschenen, ook eerst als artikelen in de Nineteenth Century, zijn beschouwingen over Fields, Factories and Workshops (Uit het veld, de fabriek en de werkplaats.)
Later kwam in datzelfde tijdschrift een reeks van artikelen uit, die ook alweer in boekvorm verzameld, een prachtige bijdrage leverde over wederkeerig dienstbetoon. Hij vulde daardoor de door Darwin geformuleerde wet van den strijd om het bestaan aan, door gewapend met feiten aan te toonen, hoe dit dienstbetoon een even machtige, zoo niet machtiger vorm is om de wereld voorwaarts te brengen. Hij toonde dit dienstbetoon aan onder de dieren, onder de Wilden, onder de Barbaren, in de Middeneeuwsche stad, onder ons.
En zoo bleef Kropotkine steeds voortwerken, ook al nam hij geen ijverig aandeel meer aan de praktische beweging. Er valt dus verder uit zijn leven niet veel meer te vertellen.
En zoo stond hij daar voor ons op zijn 67sten verjaardag als een man, die getoond heeft alles over te hebben voor zijn denkbeelden als een man groot in wetenschappelijke beteekenis maar wat veel hooger moet staan aangeschreven als een man van een nobel karakter. De adel zat bij hem niet in zijn afkomst maar in zijn ziel.
Hij, die als ’t ware voorbestemd scheen om in zijn land een eerste rol te spelen, hij deed vrijwillig afstand van alles. Zijn vermogen verloor hij, omdat de landgoederen, hem toebedeeld na den dood zijns vaders door de regeering gekonfiskeerd werden; zijn vrijheid bracht hij ten offer, daar hij liever de gevangenis inging dan in meerdere of mindere mate de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor toestanden, zoo schandelijk als ze in Rusland gevonden worden.
Rusland verliest zijn beste, zijn edelste zonen hetzij op het schavot, waar een einde gemaakt wordt aan hun leven, hetzij in ballingschap in Siberië, waar zij langzaam maar zeker ten doode gedoemd worden, hetzij in ballingschap in andere landen, waar zij verre van het veld van werkzaamheid wat zij zouden verkiezen, verre van den strijd om een betere toekomst voor het land hunner geboorte, dat zij liefhebben, gedwongen zijn een zwervend leven te leiden, meermalen ten prooi aan armoede en zorg.
Zoo er een land bestaat waar veel gestreden en geleden is voor een betere toekomst, dan is het Rusland, want men staat versteld over het aantal helden en heldinnen, die het martelaarsboek vullen met hun namen en hoevelen zijn er wier namen nooit aan de vergetelheid ontrukt worden! En eigenaardig, meestentijds zijn het jongelieden van beiderlei geslacht, voortgesproten uit den hoogsten adel. Een Kropotkine, een Tolstoï, een Sophia Perovskaja, een Bakunine, een Tcherkesoff en zoovele anderen.
Zij zijn allen afstammelingen van de eerste en hoogstgeplaatste familiën des lands. Zij waren het die hun leven gaarne gaven als een losprijs voor velen en van wie men geneigd is met den beroemden Russischen romanschijver Turgenjeff te zeggen, dat zij heiligen zijn.
Moge vooral de jongelingschap door het voorbeeld van zoo’n leven, rijk in daden, aangespoord worden, om het niet alleen mooi te vinden en dan weer het nietige leven van zoovelen te gaan leven, die hun jeugd als ’t ware wegwerpen, maar om opgeroepen en aangespoord te worden om zoo niet geheel dan toch minstens voor een deel een leven te gaan leiden van toewijding en opoffering voor wat het dan ook zij, mits ernstig bedoeld en moedig volbracht. Bovenal kan hun hierbij als wegwijzer dienen het zoo welsprekende, wegslepende en bovenal ware Woord aan de Jongelieden van Kropotkine. Het leven van zulk een man kan niet vruchteloos geweest zijn!

Aanhangsel: Het Czarenrijk voor de instorting

(Geschreven in 1908)

Czaar Nicolaas II.

Toen czaar Nikolaas II in den herfst van het jaar 1903 voor een jachtpartij de reis maakte naar Mürzsteg op Oostenrijkschen bodem, was elkeen, die hem vroeger had gezien, getroffen door het groote verschil van uiterlijk in vergelijking van voorheen. Een waas van droefgeestigheid lag over zijn wezen. En toen hij uit den Russischen hof-trein te Weenen stapte en begroet werd door keizer Frans Jozef van Oostenrijk, toen zag men tusschen deze beiden een zeer groot kontrast. De jeugdige alleenheerscher van Rusland met den loop van een grijsaard en de grijze monarch van Oostenrijk in jeugdige vlugheid! Dit onderscheid kon niemand ontgaan en dat vooral omdat de jonge czaar in zijn oogen dezelfde schrikachtigheid vertoonde, die zijn vader zoo ruimschoots bezat na den aanslag op zijn leven te Borki.
Hoe was zulk een verandering mogelijk in zoo korten tijd? Wel is waar kruipt de tijd voor de ballingen in Siberië en voor den armen, geduldigen moujik (boer) die noch lezen noch schrijven kan, maar voor hervormers snelt hij tweemalen gauwer dan in de rest van Europa.
Nikolaas II, die bij zijn troonsbestijging de verwachting opwekte dat hij de korruptie in het leger, in den Staat en in de maatschappij krachtig te lijf wilde gaan en den reusachtigen muur van tuschenpersonen, vooral van politie en priesters, wegbreken, opgericht tusschen den troon en het volk, was een oud man geworden, wiens handen gebonden waren en geheel in de macht van zijn eigen bureaukratie. De muur, dien hij had willen omverhalen, was integendeel hooger geworden en geleek op een gevangenis waarin de czaar zelf opgesloten zat. Een later geslacht zal nooit weten dat op den Russischen troon ooit een monarch heeft gezeten, die na een bitteren strijd tegen bureaukratie en priesterschap met gebroken energie ten slotte niets anders was dan een leede pop in hun handen.
De tijd ligt alweer ver achter ons, waarin de czaar dacht de apostel van den vrede te zijn niet alleen voor Rusland maar voor de geheele wereld. Hij, de heerscher van het groote autokratische rijk, heeft zich teruggetrokken in zijn familie-kring, zijn dagelijksch werk verrichtende met nauwgezetheid, maar meer ook niet. Zijn heele leven is verdeeld tusschen zijn werk aan zijn schrijftafel en den kring der zijnen en het verloopt met groote eentonigheid. Hetzij hij in het prachtige Winterpaleis verblijf houdt, zoo vol van treurige herinneringen, hetzij in het aardsche paradijs van Livadia, zijn dagelijksch leven loopt in denzelfden tredmolen.
Evenals de meeste vorsten staat Nikolaas vroeg op, maar in tegenstelling van de meerderheid houdt hij niets van plechtstatigheid, weelde en hoffeesten en ook schept hij geen behagen in het genot van een goede tafel. Vóór zevenen staat hij op en met behulp van zijn dienaar Ivan kleedt hij zich. Deze Ivan was reeds bij hem, toen hij nog prins was.en is de eenige persoon in wien hij een onbepaald vertrouwen stelt. Dan gaat hij dadelijk aan het werk en verdiept zich in allerlei rapporten en staatsstukken, meestal van vertrouwde en geheime raadgevers, die somtijds geen officieele personen zijn, maar menschen die zijn aandacht trokken en zijn vertrouwen wisten te wekken. Deze rapporten zijn de schrik van de staats-ambtenaren, want dikwijls is het geschied, dat de een of ander, die het volste vertrouwen meende te bezitten, daardoor op eens geheel in ongenade viel.
Zijn eerste ontbijt wordt dikwijls opgediend op zijn schrijftafel en hij gebruikt het onder zijn werk. Het is eenvoudig, gewoonlijk bestaande in thee en brood, zelden met eieren of koud vleesch. Dan werkt hij tot 10 uur en neemt hij zijn tweede ontbijt in den kring van zijn familie en ook dat is verre van weelderig. Hij houdt niet van lang tafelen en tegen 11 uur verschijnen dan ook reeds de raadslieden der kroon. Met dit werk en met het ontvangen van verschillende personen is hij bezet tot 3 uur, om te gaan eten en dit doet hij wederom in zijn familiekring. Slechts zelden noodigt hij iemand aan tafel uit. Maar aan zijn avondeten heeft hij graag gasten en dan is de tafel voorzien van uitgezochte spijzen en fijne wijnen. Over het algemeen is hij afkeerig van sterke dranken. Bier ziet men zelden aan tafel, daar de czaar het niet drinkt, maar hij is een liefhebber van Fransche champagne. Deze ontbreekt dan ook nooit aan tafel, maar zelden drinkt hij meer dan twee of drie glazen. Nikolaas II is in dit opzicht zeer matig.

Gewoonlijk trekt hij zich tusschen 10 en 14 uur terug. De tijd na het souper beschouwt hij als den tijd, die hem toekomt. Veelal brengt hij dezen door te midden der zijnen, maar in den lateren tijd verdiept hij zich veelal in allerlei mystieke geschriften. De bekende “okkultist” Philippe, een man van zeer twijfelachtige reputatie, wist grooten invloed op hem te krijgen en een invloed die zeer verderfelijk werkte. Vóór alle belangrijke besluiten, die genomen worden, hebben séances plaats, waar de geesten van afgestorven czaren worden opgeroepen. Deze tijd is voorbij, daar Philippe verdrongen is door een ander, die nu de machtigste man in geheel Rusland is, met name Besobrassoff. De geheele bureaukratie met de almachtige politie aan het hoofd is bezig te werken aan zijn val en al zal men zijn doel wel bereiken, in den tusschentijd ligt geheel Rusland in ’t stof geknield voor dien man.
De geschiedenis van zijn opkomst en macht, van zijn val en terugkeer na enkele jaren, is echt Russisch en levert een karakteristiek van het Russische hof en het maatschappelijk leven.
Toen Alexander III, na den aanslag op zijn leven in den trein te Borki, overal samenzweerders en moordenaars zag, vergif vreezende in elken spijs en in voortdurende onrust om in de lucht te gaan, wantrouwde hij de politie en de soldaten, die hem omringden en zag uit naar alleriei voorzorgsmaatregelen om zich te beschermen tegen mogelijke samenzweringen. Besobrassoff, een stillevend officiertje met juist genoeg middelen om te leven zonder te werken, kwam den czaar tegemoet door hem de oprichting aan te bevelen van het “Heilig Verbond”. Dit Verbond had ten doel de persoonlijke bescherming van den czaar en alle leden verplichtten zichzelven bij eede om zelfs met levensgevaar hun taak trouw te vervullen. Deze bestond in het bespioneeren van hun kollegas in openbare betrekkingen, aan het hof en in het leger en in het onderzoeken wie al dan niet revolutionaire neigingen bezat. De namen der leden bleven geheim. Niemand kende ze behalve Besobrassoff die de ziel van het verbond was. Zelfs de leden kenden elkaar niet als zoodanig. Personen van allen rang en stand maakten daar deel van uit. Alle leden moesten hun rapport direkt aan Besobrassoff indienen en deze leverde op zijn beurt een dagelijksch rapport in aan den czaar. Als deze eenige verdenking had tegen grootwaardigheidsbekleeders, dan gaf hij de zaak tot onderzoek aan Besobrassoff, die het heele verbond aan het werk zette om de noodige inlichtingen te krijgen.
Alexander III had zoo doende een lijfgarde van politie rondom zich en de overleden minister Von Plevhe, toen directeur der politie te Petersburg, nam er een aktief deel aan. Later beschouwde hij het als een staat in den staat, die hij graag had willen ontbinden, maar hij durfde niet om den wantrouwenden czaar.
Toen echter Nikolaas II den troon besteeg, werd het Heilig Verbond ontbonden. De jonge czaar wilde met dit onderling bespioneeringstelsel niets te maken hebben.
Maar toen zijn plannen em meer vrijheid te verleenen schipbreuk leden, begon ook bij hem het gevoel van vrees voor samenzwering en moord op te komen. Op zijn verzoek werd het Heilig Verbond weer opgericht en Besobrassoff, die van zijn hoogte was afgevallen door de ontbinding van het verbond, kwam op nieuw aan het hof en nu zou het verbond dienen niet alleen om den czaar te beschermen tegen de gevaren van samenzwering tegen zijn persoon maar ook om de politieke aktiviteit van de ministers te bewaken en den czaar en Rusland te beschermen tegen exploitatie door personen in de hoogste staatsbetrekkingen.
Besobrassoff is het hof van appèl in Rusland en bekleed met de grootste macht. Hij bracht minister Witte ten val en hij ontdeed zich van den minister van oorlog Koeropatkine en den minister van Buitenlandsche zaken, graaf Lamsdorff, welke beiden hem ten val wilden brengen.
Men kan bezwaarlijk aannemen dat Besobrassoff, deze nieuwste gunsteling van den czaar, alleen de belangen van Rusland en van zijn keizerlijken meester op het oog heeft. Witte’s val was het gevolg daarvan, dat deze een hinderpaal was voor de financieele operaties van Besobrassoff. Korteling geleden richtte deze een maatschappij op tot exploitatie van de mijnen en bosschen in Korea, waarin de czaar aandeelen nam tot een bedrag van 500.000 roebels. Daarvoor wilde hij nu dat de Russische staatkunde in het verre Oosten geleid zou worden in zijn banen. Witte was daarvoor niet te vinden. Besobrassoff nu op zijn beurt had niet op met den spoortrein in Mantsjoerije, die Witte waarschijnlijk niet had laten bouwen met het oog op de zaken van Besobrassoff’s maatschappij, en drong aan op de oprichting van een gouverneurschap in het verre oosten, dat voorzien zou zijn van een bizondere onbeperkte macht. Witte veroordeelde de ondernemingen van Besobrassoff in verschillende rapporten aan den czaar en omgekeerd wist de laatste op te zetten tegen Witte. En het eind van de geschiedenis was, dat de czaar aan Witte zijn ontslag gaf, Besobrassoff staatssekretaris werd en het gouverneursschap werd ingesteld, bekleed met al het gezag dat Besobrassoff eraan verleenen wilde.
Deze gunsteling<ref>Deze nieuwe, onverwachts aan den hemel der Russische bureaukratie verschenene, bleek tot de “vallende sterren” te behooren, want hij is nu in het genot van een langer verlof naar de Riviera. Toch behoort het niet tot de onmogelijkheid, dat hij straks weer met nieuwe glorie aan den horizont verschijnt.</ref> brengt dikwijls de avonduren met den czaar door. Te midden van hun gesprekken en plannen wordt de czaar plotseling aangegrepen door een diepe melancholie, hij breekt dan het gesprek af, roept zijn vertrouwden kamerdienaar en vraagt naar de gezondheid van de czarin en de kinderen ten prooi aan vrees voor eenigen aanslag.
Het is niet lang geleden dat de czaar, de czarin en het geheele hof met moeite ontkwamen aan een vreeselijken dood. De zaak droeg zich toe als volgt: de eigenaars van de firma Savinkoff en Belikoff, die de grootste manufakturenzaak in Petersburg hebben en millionairs zijn, vierden het jubileum van hun firma en boden bij die gelegenheid een rijke schenking aan voor de oprichting van een kathedraal in Tsarkoje Selo.
De nieuwe kerk werd gewijd aan de nagedachtenis van czaar Alexander III. De gift der firma werd aanzienlijk verhoogd door giften van andere patriotische menschen te Petersburg en de ontworpen bouw was spoedig zoo ver gevorderd dat zij ingewijd kon worden en bij die wijding zouden de czaar, de czarin en het geheele hof aanwezig zijn. De toestemming van den minister van openbare werken was noodig en daaraan ging een inspektie vooraf evenals bij alle openbare gebouwen.
De geheime politie had bericht gekregen dat er een aanslag beraamd was op den dag der inwijding. Een nauwkeurig onderzoek van het geheele gebouw volgde en waarlijk men ontdekte een kompleet stel mijnen onder den steenen vloer van het schip der kerk en een weinig dieper een onderaardschen gang, die nog niet heelemaal klaar was maar die blijkbaar ten doel had het Zomerpaleis van de keizerlijke familie te bereiken. Natuurlijk waren de czaar en de czarin niet bij de plechtige inwijding der kerk. De onderaardsche gang werd geheel vernietigd en de keizerlijke familie kwam niet naar Tsarkoje Selo dan nadat de noodige zekerheid was verschaft dat er geen aanslag kon geschieden. De architekt en al de werklui die gewerkt hadden aan den bouw der kerk werden gepakt en in stilte terechtgesteld.
Te Petersburg zei men dat toen de czaar door het hoofd der politie werd ingelicht over den aanslag, hij bleek werd en zeide: “ben ik dan een hinderpaal op den weg van dit misleide volk”?
Sints dien tijd had er een groote verandering plaats bij den czaar en in zijn leefwijze. Evenals onder Alexander III zijn de straten nu afgezet door militairen en politie als de czaar uitrijdt en het keizerlijke rijtuig rent door de geheel ledige straten, alsof het door furies achtervolgd wordt. Als de keizer per spoor reist, is de geheele lijn aan beide zijden afgezet door Kozakken en hij verlaat zijn verblijf nooit dan in gevallen van de hoogste noodzakelijkheid.
Wie zal er zich over verwonderen dat de geest van Nikolaas II steeds achterdochtiger wordt en dat het geestelijk lijden zeer ongunstig terugwerkt op zijn fysiek gestel? Hij heeft geen plezier in sport of spelen, die hem dikwijls zijn voorgeschreven door de doktoren om zijn spieren te sterken. De czaar heeft afstand gedaan van bijna alle genoegens des levens en gaat nog alleen maar op jacht, ofschoon zelfs hierin een duidelijk waarneembare mindering bestaat.
Nikolaas II was vroeger een hartstochtelijk jachtliefhebber en een voortreffelijk schutter en nu schiet hij bijna heelemaal niet meer.
Als hij eens lust krijgt in jagen, dan wordt er een groote jacht georganiseerd in het prachtige hertenpark van Bielowitz in de provincie Grodno, het geliefde jachtveld van den keizer. Overigens hij heeft verschillende bosschen en parken tot zijn beschikking, maar geen enkel evenaart in grootte of hoeveelheid wild dat van Bielowitz. Dit is 90.000 ciatines breed en heeft een oppervlakte van ongeveer 360.000 acres en behalve herten vindt men er ook vossen, wolven, beren, lynxen en auerochsen. Het schieten op deze laatste dieren is zijn lievelingswerk en zelfs mogen de houtvesters er niet op schieten zonder keizerlijke vergunning. Vroeger ging de czaar dikwijls op de jacht, vergezeld van de czarin die zelve zeer bedreven is in het schieten. De hoorn der jagers klonk vroolijk door de bosschen en de czaar verloor in de schoone omgeving der natuur en bij prettig gezelschap zijn droefgeestigheid. En als de czarin dan een meesterlijk schot deed, dan was hij dikwijls zelfs vroolijk en opgewekt.
Dat alles is voorbij! Gedeeltelijk misschien omdat hij lijdt aan een aandoening van het oog ten gevolge van zenuwachtigheid, ofschoon sommigen zeggen dat dit het gevolg is van een stoot met een degen, dien hij op zijn hoofd kreeg van een fanatiek Japanner tijdens zijn reis om de wereld, en gedeeltelijk omdat men altijd bevreesd is voor mogelijke gevaren voor den czaar.
Het kost zelfs heel wat moeite om zoo’n jacht-partij te organiseeren. Immers hoe zwaar moet het vallen om een grondgebied van 360.000 acres, grootendeels bedekt met dichte bosschen, te beschermen tegen de duizenderlei gevaren, waarmede het nihilisme en de revolutie in Rusland het leven van den czaar bedreigen. De voorbereiding duurt weken. Een leger van soldaten omringt het geheele park en alles wordt dagen lang onderzocht door sterke detachementen troepen en politie, totdat eindelijk de chef der politie kan zeggen: “alles is klaar!” Maar dan is nog niet alles klaar, dan is alleen het ruwste werk gedaan en er moet nog veel geschieden totdat het schieten kan beginnen. De czaar neemt zijn keuken met zich mede, een voorzorg uit den tijd van Alexander III, die in voortdurende vrees leefde voor vergiftiging. Deze keukens zijn kleine, lage huizen op wielen, die gemakkelijk getrokken kunnen worden door twee stevige paarden, zelfs over den ruwsten grond. Twee zulke wagens worden meegenomen, een voor de eigenlijke keuken en een ander voor alle benoodigdheden, behalve glaswerk en porcelein. Zelfs het water om te koken en te drinken wordt zoodanig klaargemaakt dat vergiftiging onmogelijk is. De wildopjagers moeten wel gewapend zijn voor de gevaarlijke dieren, die men ontmoeten kan, maar niemand durft, als de czaar zelf gaat schieten, de boeren wapenen die gewoonlijk als wildopjagers dienst doen en soldaten worden in hun plaats gezet. Deze worden als boeren gewapend en verdeeld in kleine groepen, voor wie geheime politie, ook gekleed als boeren, als gidsen dienen. Overal zit geheime politie tusschen, en zelfs onder de gasten vindt men deze.
De czaar weet dit alles, maar hij weet ook dat als van de twee man niet één tot de geheime politie behoort, de nihilisten en revolutionairen hem in de vermomming van de politie zouden naderen. En juist daarom is alle plezier voor den czaar van het jagen af, ofschoon het vroeger zijn grootste genoegen was.
Het is daarom volkomen waar, dat de man die voortdurend leeft in vrees voor zijn leven een pop is in de handen zijner omgeving, en ook dat zijn leven tegenwoordig meer bedreigd wordt dan ooit. Het nihilisme, een speciaal Russisch produkt, is in de laatste jaren internationaal geworden, vooral doordat het in verbinding is getreden met het Europeesch anarchisme en als een natuurlijk gevolg loopt het leven van den czaar nu niet alleen gevaar van zijn eigen onderdanen, de nihilisten, maar ook van de internationale anarchisten.
Toen Nikolaas II de gast was van den keizer van Oostenrijk, was heel Europa verbaasd over de voorzorgsmaatregelen, die ongewoon zijn in Europeesche landen. Toen later de czaar prins Dolgorouki van Darmstadt naar Rome zond om den koning van Italië te melden dat hij zijn bezoek aan Rome uitstelde, toen zocht men naar de redenen van zoo’n besluit, dat aldaar wel eens opgevat kon worden als een persoonlijke beleediging. Sommigen zeiden dat de czaar bevreesd was voor de agitatie der Italiaansche sociaaldemokraten, die hem dreigden met demonstraties, anderen meenden dat er eenige politieke breuk moest ontstaan zijn tusschen Rome en Petersburg en dat daarom signor Zanardelli, de Italiaansche premier, de Italiaansche sociaaldemokraten had toegestaan te agiteeren tegen Rusland en de ontvangst van den czaar. Nu zou het zeer moeilijk zijn geweest voor de sociaaldemokraten om in grooten getale op te trekken door een militair cordon van drie man diep, door straten gesloten voor den handel en een plechtige demonstratie te houden. En wat zou het beteekend hebben als een enkele kreet was vernomen van: weg met den czaar? Deze zou het niet gehoord hebben te midden van het hoera-roepen, gedeeltelijk op kommando, gedeeltelijk vrijwillig. Zoo iemand zou ook dadelijk door de politie zijn opgepakt.
Wie kan ook naïf genoeg zijn om te gelooven dat Zanardelli de regelen niet kende van het internationaal gebruik en te kort zou schieten in het verleenen van voldoende bescherming aan den persoon van den czaar? Neen, de reden van het uitstel lag dieper, was sterker dan iemand te Rome of Petersburg kon of wilde zien. De werkelijke reden was, dat te Rome een anarchistische aanslag op den czaar verwacht werd.
Kort vóór zijn reis naar Oostenrijk, kreeg de politie te Petersburg een vertrouwelijke mededeeling dat drie Italiaansche anarchisten hun woning verlaten hadden en in de richting van Rusland waren afgereisd. De Russische regeering kreeg een paniek en de heele reis was bijna in het water gevallen. Toch besloot de czaar naar Weenen te gaan, maar onder de grootste voorzorgs-maatregelen. Men weet hoe de czaar bijna geen voet in de hoofdstad zette maar haastig van het station naar het kasteel van Schönbrunn reed, dat gesloten is en toen door naar Mürzsteg, waar hij veiliger meende te zijn. En toen ging hij, zonder Weenen aan te doen, naar Darmstadt. Daar kreeg het hoofd der politie de verdere mededeeling, dat deze drie genoemde anarchisten verdwenen waren zonder een spoor achter te laten en dat het uitvoerend komitee besloten had om gebruik te maken van de tegenwoordigheid van den czaar te Rome ten einde een aanslag op zijn leven te doen. Dit alles werd aan Nikolaas gezegd en toen werd afgezien van dit bezoek tot op later tijd. Dit is achter de schermen afgespeeld en verklaart de oorzaak van de sensationeele weigering van den czaar om naar Rome te gaan.
Als de Avanti, het officieele orgaan van de Italiaansche sociaaldemokraten, er zich op beroemt dat het den czaar uit Rome heeft gehouden, dan dekt het zich met vreemde veeren, want de czaar week niet voor de schetterende taal der socialistische pers, maar uit vrees voor een anarchistischen moordaanslag. Misschien was de Russische politie te voorzichtig, maar toch dit is de verklaring van dit uitstel.
Nikolaas II, die geestelijk en fysiek precies het tegenovergestelde van zijn vader is, schijnt toch denzelfden weg naar den Kalvariënberg te moeten bestijgen als deze. Alexander, op den troon gekomen na den verschrikkelijken dood zijns vaders, wilde Rusland te vuur en te zwaard bevrijden van het nihilisme en van alle revolutionaire ideën. En deze sterke, machtige man kende geen vrees, zijn onmeedogende hand drukte op Rusland. Te spoedig was de kracht van hem gebroken. De held werd een hulpbehoevend man, die uit vrees voor den dood geestelijk en lichamelijk binnen zijn vier muren geleek op een schipbreukeling en hij begroette den dood als een bevrijder. Men zegt dat toen de schaduw des doods hem aanraakte, Alexander III met een zachte zucht van verlichting deze gedenkwaardige woorden mompelde: “het einde is nabij… rust, rust, eindelijk…”
Gelijkt het lot van den teeren zoon niet geheel op dat van den sterken vader? Niet met vuur en zwaard maar met de wapenen van vrede, vrijheid en humaniteit wilde Nikolaas een einde maken aan het nihilisme en de revolutionaire denkbeelden. Hij ging zijn vijanden te gemoet met open vizier. De uitkomst was dezelfde. Rusland staat waar het was: de knoet en de revolver, despotisme en revolutie komen in dagelijksch konflikt en het leven van den czaar wordt nu als voorheen bedreigd door duizend gevaren. Nikolaas die trotsch de woorden sprak bij zijn troonsbestijging: “ik wil leven voor Rusland en sterven voor Rusland – het doet er niet toe hoe ik sterf”, verschuilt zich nu evenals zijn vader achter militaire cordons van drie en vier man diep. Een ongewoon geluid, een persoon die plotseling in zijn tegenwoordigheid komt, alles beangstigt hem. De laatste maal reed hij naar Bielowitz in een open rijtuig, schijnbaar verdiept in gedachten, sprong hij plotseling op met een schreeuw. De schaduw van een vogel was gegaan over het keizerlijke rijtuig bij volle daglicht en de czaar dacht aan iets –misschien een bom– dat in zijn rijtuig werd geworpen. Nikolaas is zeer zenuwachtig, alles rondom zich ziet hij met wantrouwen aan en evenals zijn vader is hij bang voor vergif en dolk, voor revolver en dynamiet. Als zoo’n leven van vrees en zorg een sterk gestel als dat van Alexander III kon ondermijnen, dan kan men zich zeker wel voorstellen dat de gezondheid van een Nikolaas II, nooit bizonder sterk, daarvan in heviger mate de gevolgen zal ondervinden.
Zij die in de onmiddelijke omgeving van den czaar verkeeren, maken zich ernstig bezorgd en in medische kringen wordt er geen geheim gemaakt van het feit dat de gezondheid van den czaar vernietigd wordt als hij zijn leven niet aangenamer kan maken en de zenuwachtige stemming verliest, die hem altijd doet denken aan vermoording. Misschien dat veelvuldige bezoeken aan andere landen een gewenschte afleiding zouden bezorgen. Maar de laatste reis oefende alles behalve een heilzamen invloed uit en dat kon ook niet anders, want hij neemt die gedachte mee op reis en als een nachtmerrie drukt zij op hem. En ten slotte keert hij zenuwachtiger en somberder terug.
De sterke vader van den teederen Nikolaas sprak profetisch op zijn doodsbed te Livadia de woorden: “het einde is nabij… rust, rust, eindelijk…”!
Hoe dikwijls moet hij denken aan deze woorden van zijn stervenden vader! De ware tragedie van het martelaarschap van den czaar ligt opgesloten in deze eenvoudige woorden.
Waarlijk het is geen benijdenswaardig lot dat van den czaar aller Russen en als hij als een vergeten burger hier of daar op een villa leefde met zijn gezin, zijn sombere gedachten zouden hem wel verlaten en hij kon nog eens een gelukkig leven leiden, gelukkiger dan nu hij als alleen-heerscher duizenden en duizenden ongelukkig maakt.
Nikolaas II is een zwakkeling, die in geen enkel opzicht berekend is voor de taak, die hij heeft te vervullen. Als hij het ongeluk niet gehad had op een troon geboren te zijn, hij zou een gewoon burger zijn geweest, die wel in geen enkel vak zou hebben uitgemunt, maar die als goed huisvader in den kring der zijnen een kalm en aangenaam leven had geleid. Hij was dan misschien een zegen geweest voor een kleinen kring, terwijl hij nu de vloek is van een zeer wijden kring.

Zijn omgeving.

De czaar heet wel almachtig te zijn en toch heeft hij feitelijk niet veel in te brengen. Tegenover de meening, dat de czaar maar één woord behoeft te spreken, maar één vinger behoeft te verroeren om alle booze geesten uit zijn rijk, die nu den boventoon voeren, te verbannen, staat de veel juistere, dat hij van zijn vroegste jeugd af aan opgesloten in den cirkel der hofomgeving en der etikette, onderwezen door speciaal daartoe uitgezochte mannen, totaal zonder menschenkennis, zonder inzicht in zaken, zonder te weten wat in zijn land omgaat, totaal onbekwaam is voor zijn taak. Gescheiden door den hemelhoogen muur der bureaukratie en der hofkliek blijft hij geheel buiten elke aanraking met zijn volk en heeft dus niet de minste voeling met zijn onderdanen. De in zijn, met driedubbele postenketen omringde, paleizen opgesloten alleenheerscher houdt niet van lastige kwesties, van afbreken en van opbouwen; hij wil tijd en gelegenheid hebben tot het instudeeren van toosten en speeches, tot het uitdenken van kostumes voor een bal masqué et paré, tot het houden van spiritistische séances waar hij allerlei “getrouwe geesten” oproept; en – op alles wat men hem voorlegt teekent hij “soglasien” (toegestemd).
Laat ons nu de omgeving van den czaar eens wat nader beschouwen.
Dan treffen wij in de eerste plaats de czarin aan, een Hessische prinses, die volgens sommigen een vroolijk, aardig meisje was, maar spoedig den invloed onderging van haar omgeving. Zoo’n leven als de czarenfamilie leidt, is geen leven. Daar moet zelfs de meest opgewekte natuur bij ondergaan.
Men weet dat Nikolaas II als kroonprins leefde met een burgermeisje, bij wie hij een paar kinderen had en op wie hij smoorlijk verliefd was, zoodanig zelfs dat hij om met haar te kunnen blijven leven afstand van den troon wilde doen. Maar ten slotte verkoos hij voor zichzelven ter onzaliger ure den troon boven zijn geliefde en gekoppeld aan zijn nicht, prinses Alice van Hessen, kwam hij langzamerhand onder de bekoring, die van deze uitging en algemeen wordt beweerd dat zij een zeer gelukkig leven met elkander leiden.
De czarin houdt veel van een huiselijk leven en brengt het grootste gedeelte van haar dag door met haar kinderen, wier maaltijden, naar bed gaan, in één woord wier leven door haar geregeld wordt. Soms verschijnt de czaar ook in de kinderkamer met haar en dan kunnen beiden alle zorgen voor ’n oogenblik vergeten om tezamen met de kinderen te stoeien, te lachen en pret te maken, gelijk zulks in een burgerhuishouding veelal de gelukkigste oogenblikken van den dag vormen.
De taal aan het hof is niet de Russische, ook niet de Duitsche, maar de Fransche. De czarin spreekt overigens met moeite Russisch en beiden spreken vloeiend Fransch. Wel bevinden zich vele Duitsche bedienden in haar gevolg en met deze spreekt zij haar moedertaal, maar de czaar spreekt niet vloeiend Duitsch en vandaar dat die taal op den achtergrond is gedrongen. Echter de Duitsche prinses van oorsprong heeft een voorkeur behouden voor Duitsche boeken en dagbladen en stelt veel belang in de Duitsche literatuur.
Zij is zeer eenvoudig en houdt niets van hof-partijen en alle ceremonieele ontvangsten. In kleeding eenvoudig schikt zij zich ook zeer weinig op met sieradiën van kostbaren aard en als zij in engeren kring dames ontvangt, is zij er op gesteld dat ook zij geen bizondere weelde ten toon spreiden. Dit is hard voor de Russische dames, die graag zich optooien en zich nu de gelegenheid zien afgesneden om tegen elkaar te konkurreeren in rijkdom en opschik. Natuurlijk is dit bij officieele partijen anders en dan wordt er zorg gedragen dat de czarin alle andere dames eklipseert. Op het laatste staatsbal, toen de czarin voor het eerst in het publiek verscheen na haar ziekte en verblijf te Livadia, was elkeen verbaasd over de weelde, die zij in haar kleeding ten toon spreidde. Toen zij met den czaar de rijke Nikolaaszaal, gevuld met 3000 gasten in galakostuum, binnentrad, moet dit het effekt gemaakt hebben van een verhaal uit den Duizend-en-Een nacht.
De sombere stemming van den czaar, de druk van haar omgeving, de vrees voor aanslagen, dit alles ontnam haar spoedig haar natuurlijke vroolijkheid en opgesloten achter dikke muren met haar kinderen weerkaatst dit alles droevig op haar af, zoodat. ook een ernstige, droefgeestige plooi op haar gelaat is te zien. Dit paar, dat onder andere omstandigheden geplaatst, waarschijnlijk een gelukkig gezin had gevormd, leeft nu te midden der grootste en schitterendste omgeving, een alles behalve benijdenswaardig bestaan.
Ofschoon zij dikwijls als een goede engel optreedt, gelukt dit haar niet altijd, want hoe besluiteloos en zwak Nikolaas ook is, als hij eenmaal iets besloten heeft, houdt hij er met koppigheid aan vast, gelijk veelal domme menschen doen. Dit bleek in de romantische zaak van groot-vorst Paul Alexandrovitch. Deze, een zoon van czaar Alexander II en dus een oom van den tegenwoordigen czaar, bekleedde een zeer hooge plaats als kommandant der garde. Hij huwde met prinses Alexandra Georgina van Griekenland, maar zijn vrouw stierf na drie jaar, hem twee kindertjes achterlatende, prinses Marie en grootvorst Dimitri. Men zei dat de grootvorstin zich zelve met vergif van kant had gemaakt na de ontdekking van de ontrouw van haar echtgenoot. De groot-vorst werd verplaatst naar Moskou, waar hij kennis maakte met de vrouw van een ingenieur, genaamd Pistolkoff. Deze kennismaking werd een intieme verhouding en heel Moskou kwam in opschudding, toen de bedrogen echtgenoot aan Pobjedonoszeff, den prokureur der heilige synode, om echtscheiding vroeg. Deze werd verkregen. Ofschoon de grootvorst aan den czaar beloofd had alle betrekking met mevrouw Pistolkoff af te breken, bleek het dat enkele weken na het vertrek van den grootvorst uit Rusland beiden als man en vrouw leefden en als zoodanig in de hotels afstapten. De czaar was daarover zeer vertoornd en beval hem direkt per brief afstand van haar te doen en haar naar Rusland weg te zenden. In plaats van te gehoorzamen gaf de grootvorst zijn neef, den czaar, zijn voornemen te kennen haar te huwen en vroeg hij hem zijn toestemming. De grootvorst wees op zijn vader, die na den dood van zijn vrouw een morganatisch huwelijk aanging met prinses Dolgourouki, om op die wijze de drie kinderen die hij bij haar had, te legitimeeren en dat nu die kinderen beschouwd werden als legitieme kinderen van een czaar en aan het hof verkeerden. Toen hij geen toestemming kon krijgen, trouwde hij in 1902 in het geheim. De czarin trad tusschen beiden om haar man zachter te stemmen, maar de czaar was onverzettelijk. Toen hij van dit geheime huwelijk hoorde, beval hij den grootvorst te verbannen en dit wil zeggen het verlies van alle titels, ambten en materieele voordeelen. Hij leeft nu als een stil burger en is er heel wat beter aan toe dan zijn neef, daar hij zeer mooi en onbezorgd kan leven.
Een dergelijk lot ondergingen de grootvorsten Michael Michailoviteh en Nicolai Konstantinovitch en zij kunnen allen de woorden, die Paul Alexandrovitch eens kort na zijn verbanning schreef, tot de hunnen maken: “ik leef liever rustig als een gewoon burger dan de eer te genieten van een grootvorst in Rusland en geen sekonde zeker te zijn van zijn leven.”
Rusland heeft het genoegen een 50-tal grootvorsten en grootvorstinnen te bezitten, die allen “verzorgd” worden door het land. Bij de geboorte van iedere grootvorstin wordt een som van 1 millioen roebels in de bank belegd. Elk der grootvorsten krijgt een hooge jaarlijksche toelage, bij meerderjarigheid een half millioen roebels, om zich een paleis te laten bouwen. Voor armoede en onderwijs is geen geld voorhanden, maar voor apanages (jaarlijksche schenkingen) aan grootvorsten wel.
De czaar heeft geen civiele lijst. De kroon-domeinen worden beschouwd als het partikulier eigendom van het Keizerlijke Huis, evenals de goud-, zilver- en platinamijnen, die in de gouvernementslanden gevonden worden. Het beheer daarvan staat onder het “eigen Kabinet van Zijne Majesteit”.
De opbrengsten der kroondomeinen worden niet op de begrooting verantwoord. De kroondomeinen omvatten plus minus 2000 vierkante kilometer. Eigenlijk bestaat er geen onderscheid tusschen de kroondomeinen en de bezittingen van den fiskus in Rusland, want de czaar kan met de gouvernementslanden en zelfs met de partikuliere eigendommen doen wat hem belieft.
De eenige post die betrekking heeft op het keizerlijke huis is het ministerie van het Hof. Voor 1902 kostte dat ministerie een som van 15.715.243 roebels. Allen hangen dus in meerdere of mindere mate van den czaar af.
Op de begrooting van het ministerie van finantiën vindt men een afzonderlijken post: “Sommen, waarvan de bestemming en het gebruik aan Z. M. den czaar bekend zijn”, zonder dat er ooit verantwoording van wordt gedaan. Dit fonds van 12 tot 15 millioen roebels per jaar, dat uit ’s lands middelen wordt opgebracht, dient voor den czaar om daaruit zijn gunstelingen, die zich zoogenaamd bizonder verdienstelijk hebben gemaakt, te beloonen. Zoo krijgen de ministers nieuwejaars-cadeaux van 200.000 roebels. Wijlen minister Sipjagin kreeg bij zijn optreden als minister 300.000 roebels voor het “inrichten” zijner ambtswoning. En zijn weduwe, die een rijke vrouw is, kreeg 100.000 roebel smartegeld en een pensioen van 12.000 roebel ’s jaars.
Van Petersburg naar Tsarkoje-Selo, een der vele zomerverblijven van den czaar, werd een speciale spoorlijn aangelegd voor de keizerlijke familie met twee kostbare afzonderlijke stations. Die spoorlijn, die langs een geheel vlak terrein loopt, kostte de kleinigheid van 5 millioen roebels of 250.000 per werst. Als er zoo wordt omgesprongen met de gelden uit ’s lands schatkist, dan moet men zich niet verwonderen, dat de bodem steeds leeg is.
Een bizonder kenschetsend staaltje is hetgeen gebeurde bij gelegenheid van het huwelijk der jongste zuster van den czaar, grootvorstin Olga Alexandrowna met Z.K.H. prins Peter Alexandrovitch van Oldenburg. In de maand Juli van het jaar 1901 las men het volgende bericht in het officieele orgaan van het ministerie van Landbouw:

“Dank zij de werkkracht van Z.K.H. den prins Peter Alexandrovitch van Oldenburg zal spoedig in Gagry (een landgoed dat zich 10-12 kilometer langs de kust van de Zwarte Zee uitstrekt, niet behoorende tot het kroondomein en dus gouvernements- of nationaal eigendom) een Sanatorium worden gemaakt, waarvan de inrichting door den prins geheel en al op zich is genomen en waartoe hem, op allerhoogst bevel, het gouvernements-landgoed Cagry met een oppervlakle van 14.000 deciatines ter beschikking wordt gesteld. Een groot deel van het landgoed wordt bestemd voor het sanatorium en de daarbij behoorende gebouwen.

1000 hektares, waarop de ruïnes en de tempel zich bevinden, worden door den prins tot zijn persoonlijk gebruik gekocht, tegen 100 roebel de deciatine, terwijl 1000 deciatines in perceelen verdeeld worden, om te worden verkocht aan partikulieren, onder voorwaarde dat daar villa’s gebouwd en cultures beproefd zullen worden.
De opbrengst van den verkoop dier perceelen zal de kosten der oprichting van het sanatorium bestrijden, maar, aangezien deze som met de opbrengsten van het landgoed daartoe niet voldoende zullen zijn, wordt het mogelijk geacht om, voor dit doel, uit ’s lands middelen alsnog gedurende 10 jaren een som van 100.000 roebels per jaar te verstrekken.”

Luister nu wel hoeveel deze transaktie kostte aan de schatkist. De prins kocht 1000 deciatines à 100 roebel de deciatine en de andere duizend mag hij parcelleeren (in deelen brengen).
Voor zijn perceel van 1000 deciatines betaalde hij dus 100.000 roebels (gesteld dat dit werkelijk het geval was).
De prijs wordt geschat in die prachtige streek op 50 roebel per vierkante sajène. De deciatine beslaat ongeveer 2400 vierkante sajènes, dus alleen van het terrein, dat den prins werd toegewezen, is de waarde van dit laatste: 1000 x 2400 x 50 = 120 millioen roebels, uit ’s lands kas genomen en weggegeven.
Is niet alle kommentaar hier overbodig? En kan het ons bij zulke feiten verwonderen dat de finantiën van Rusland zich in zoo’n berooiden toestand bevinden? En dit is slechts één voorbeeld uit velen!
Onder de grootvorsten onderscheidden zich verschillenden, die dan ook bizonder gehaat zijn onder het volk. Zoo b.v. de onlangs in de lucht gevlogen grootvorst Sergius, zwager en oom van den czaar, wiens partikulier leven van dien aard was dat de bizonderheden moeilijk neergeschreven kunnen worden en wiens openbaar leven één reeks van gewelddaden en willekeurige handelingen was. Geen mensch schier, die zijn dood niet in zijn hart toejuichte. Het was als het ware een verademing, dat men van zulk ’n individu ontslagen was.
Een andere grootvorst is Wladimir, die aansprakelijk gesteld wordt voor de slachting der weerlooze arbeiders, die op 22 Januari 1905 onder aanvoering van den priester Gapone en andere priesters naar het paleis wilden, om de wenschen der arbeiders bekend te maken aan den czaar, die immers “vadertje” van zijn volk heet, en waarbij zij onthaald werden op het schieten en den knoet der Kozakken.
Het was daarom dat twee voorname Russische schilders, Soesikof en Poljenof, hun lidmaatschap opzegden van de Keizerlijke Akademie, die staat onder het voorzitterschap van dien grootvorst, ofschoon die betrekking jaarlijks een salaris geeft van 2000 roebels. En een ander kunstenaar uit Moskou, Serof, die den titel voert van Academicus, een onbezoldigde eerepost, bedankte om diezelfde reden. Indien allen op zulk een wijze handelden, dan zouden die grootvorsten wel anders gaan handelen dan zij gewoonlijk doen.
Een voorname rol aan het Hof speelt de Keizerin-weduwe, de moeder van den czaar, die gesteund door de reaktionaire leden der familie eigenlijk voor keizerin speelt en de jonge gemalin van den czaar menigmalen veel leed heeft berokkend. Het is een publiek geheim, dat deze beide vrouwen alles behalve goed met elkander leven en gelijk meestentijds bij alle vriendelijkheid in het openbaar steeds in het geheim bezig zijn elkaar te bestoken en tegen elkaar te intrigeeren. Zelfs moet die verhouding ongunstig terugwerken op het huwelijksleven van den czaar.
Volgens de Russische opvatting komt geen der rechten, waarop de keizerin aanspraak maakt, haar toe, zoolang de moeder des keizers nog leeft. De keizerin-weduwe laat zich dus ter dege gelden en deed van geen enkele harer funkties afstand ten behoeve van haar schoondochter en het gevolg hiervan is dat deze meermalen in een zeer scheeve positie komt te staan. Zij is niets bemind, althans niet in de ook maar eenigzins vooruitstrevende kringen en men stelt haar verantwoordelijk voor de handelingen van haar zoon, voor zooverre deze zich niet los kan maken van de slechte tradities van zijn vader, die een zeer streng en hardvochtig despoot was. Daarbij kwam dat de keizerin haar man slechts meisjes schonk en geen troonopvolger. Ondanks de gebeden van den invloedrijken priester Johann en de beevaarten van den czaar gelukte het maar niet aan het keizerlijke paar om een zoon te krijgen, totdat eindelijk in het vorige jaar hun een zoon is geboren tot groote vreugde van het volk, dat daarnaar heette te verlangen.
Dr. Hugo Ganz, die een reis heeft gemaakt door het ondergaande czarenrijk en die in de gelegenheid was met verschillende personen van naam en positie te spreken, verzekert dat hij in heel Rusland geen spoor heeft gevonden van liefde voor het vorstenhuis. In vertrouwde kringen spreekt men vrijweg over de dynastie Saltikow, daarbij zinspelende op den bekenden eersten minnaar van de beruchte keizerin Katharina II. De keizerlijke familie toch is een zeer nette familie! Men denke slechts aan de drie keizerinnen Anna, Elisabeth en vooral Katharina II, een dochter van den onbemiddelden Pruisischen generaal Von Anhalt-Zerbst, die met twee japonnen en drie paar kousen naar Rusland kwam.
Met Peter II stierf in 1730 het geslacht der Romanof’s uit. Deze heeft grootvorst Paul, zoon (?) en opvolger van Katharina II nooit als zijn kind erkend, maar omdat de naam Romanof veel beter klank heeft in Russische ooren, heeft de dynastie Holstein-Gottorp dien Russischen naam gaan voeren, ofschoon zij er geen recht op had.
Onder de personen, die op czaar Nikolaas II een grooten en verderfelijken invloed uitoefenden, behoort in de allereerste plaats de prokureur der Heilige Synode Pobjedonoszew, wel eens en niet ten onrechte gedoopt met den naam van Ruslands Torquemada. Deze man is feitelijk de booze geest van Rusland, die elke vooruitstrevende beweging tracht tegen te houden, een echte fanatieker, die er zich niet het minst van zou aantrekken, indien tot meerdere eere Gods heele hekatomben revolutionairen aan den galg werden gebracht.
De kerk oefent in een land als Rusland met een bevolking, die nog steeds in de grootste onkunde wordt opgevoed, een verbazenden invloed uit en zelfs de czaar, die in bijgeloof en domperij is opgegroeid, zit zoodanig onder de macht der kerk, dat hij er zich onmogelijk aan kan ontworstelen. Integendeel hij is het willig en gehoorzaam instrument, waarvan de prokureur der synode zich bedient, om al zijn wandaden achter te verbergen. Van hem hoort men betrekkelijk het minste en toch reikt zijn macht het verste. Onlangs heette het dat hij zijn ontslag zou hebben ingediend en als het waar is, zou dit de opruiming zijn van een der grootste struikelblokken op den weg der hervorming. Maar het kwaad, door zoo’n man gesticht, heeft zulke diepe sporen achtergelaten, dat het zelfs de vraag is of met het verdwijnen van den man het stelsel wel zal worden verwijderd.
Een andere man, die op het lot van Rusland veel invloed heeft gehad, is de minister Von Plehwe wiens gewelddadige opruiming ook een zucht van verlichting te weeg bracht. Dr. Ganz noemt hem “een booswicht zonder geweten, een cynicus zonder eenig beginsel, een va-banque speler, voor wien de staatkunde en het spel met menschenlevens niet meer zijn dan een aangename zenuw-prikkeling.” Deze minister was het vleesch-geworden regeerstelsel. Een politiestaat heeft politie-zielen noodig en die vindt men in Rusland veelvuldig. Was hij slechter dan zooveel anderen? Wij zouden het niet durven zeggen. Maar hij was brutaler, hij maakte de slechtheid tot een stelsel.
En zoodanig was hij overtuigd van zijn eigen populariteit, dat hij jaarlijks 800.000 roebels gebruikte voor zijn persoonlijke bewaking en veiligheid. Hebben zulke lui somwijlen toch ondanks alle slechte eigenschapen veel talent, dit kan van Plehwe niet gezegd worden. Er was niets groots aan hem, hij was geheel en al de ambtenaar, die boven aan den hiërarchischen ladder stond en die nu alle middelen gebruikte, de smerigste niet uit gezonderd, om zich te handhaven op zijn plaats. Evenals indertijd generaal Ignatieff beschouwd werd als de “vader der leugen”, die ten slotte niet eens meer wist wat waarheid was, evenzoo geldt dit van Plehwe, van wien men in Rusland getuigt: elk woord dat hij zegt is een leugen. Om den czaar geheel in zijn macht te krijgen en te houden heeft hij voortdurend gewerkt met de revolutie. Zelfs zegt men dat hij met Alexejew de eigenlijke bewerker is van den Japansch-Russischen oorlog, omdat hij dezen noodig had om zichzelf te handhaven en ook om de algemeene aandacht af te leiden van de binnenlandsche toestanden en zich bovendien te ontdoen van vele ontevredenen. Hij is terechtgesteld en heeft zijn rechtvaardige straf ondergaan, gelijk duizenden en duizenden hem die in Rusland toewenschten en al was men overtuigd dat met zijn dood nog geen einde zou komen aan het verderfelijke stelsel, waarvan hij de zoo getrouwe vertegenwoordiger was, toch kreeg men een gevoel van voldoening en verademing, dat toch een enkele maal de schurk zijn gerechtvaardigd lot niet ontkwam.
Iedereen begreep in Rusland hoe het einde van Plehwe moest wezen en de tijd van minister Witte, den grooten financier op wien de Fransche finantieele wereld haar vertrouwen had vastgezet, brak aan maar om zeer kort te duren. En toch is het tienjarig tijdvak van de ekonomisch-finantieele werkzaamheid van dien staatsman niet erg bevredigend en gelukkig geweest voor Rusland. De industrie kwijnend, de belastingen stijgende, de bevolking steeds meer verarmend, de staats-schuld toegenomen met een milliard en als gevolg daarvan een evenredige vermeerdering van rente-betaling, het stelsel van het brandewijn-monopolie mislukt, de Russische fondsen dalende, krediet aanzienlijk verminderd, rente-standaard gestegen. Niemand kan beweren dat dit een schitterend resultaat genoemd kan worden.
We zouden nog kunnen spreken over generaal Trepoff, den almachtigen politiechef te Petersburg, die nu het oor van den czaar schijnt te hebben, zoodat hij zoo wat doen en laten kan wat hij wil. Dit gaat echter zoo lang als het duurt, want hoe menig persoon, die een tijdlang oppermachtig heerschte, werd niet reeds in de diepte gestort.
Onwillekeurig denken we hierbij aan Subatoff, die een tijdlang ook alle macht in handen had en plotseling wegens misbruik van macht en gezag ontheven werd van zijn ambt om naar het gouvernement Tamboff te worden gezonden. Omdat hij een type is van een Russische ambtenaar, is het verhaal van zijn loopbaan karakteristiek. Afkomstig uit den Kaukasus, waar zijn ouders leefden als arme boeren ter nauwernood genoeg hebbende om in hun levensonderhoud te voorzien, had hij het geluk (?) met andere jongens uit hetzelfde dorp voor een paar roebels of zelfs voor een paar kopeken gekocht te worden. Eerst diende hij in het leger, om daarna geplaatst te worden bij de politie. In die betrekking kwam hij veel in aanraking met arbeiders en voerde een heel stelsel in om de nihilistische en revolutionaire denkbeelden verre van hen te houden. Daartoe vond hij een soort officieel socialisme uit en ontwikkelde zijn plannen, die hij over de hoofden zijner chefs heen direkt toezond aan de grootvorsten en den czaar. De vroeger onbekende distriktsinspekteur werd op een goeden dag aan het hoofd der politie geplaatst, om zijn plannen ten uitvoer te brengen. Hij verleende een grootere mate van vrijheid tot het houden van vergaderingen aan de arbeiders en zoo werd hij bij velen zeer populair. Zijn aktiviteit in het behartigen der belangen van het volk was een doorn in het vleesch van allen die boven hem stonden. Subatoff wist dit alles best en begreep dat ook die aanvallen tegen hem voornamelijk gericht waren door hen die bovenaan stonden, omdat hij hunsgelijke niet was en ook omdat deze niet wilden dat de ontevredenheid des volks zou weggenomen worden, want zij meenen somwijlen dat de politie haar eigenlijke reden van bestaan zou verliezen als de maatschappij verlost werd van de vrees voor moord en revolutie. Toen hij bemerkte dat hij òf zijn denkbeelden moest opgeven òf daarmede vallen, toen woog de sympathie voor het arbeidersvolk bij hem niet zoo zwaar als zijn schitterende positie en van een man die de gewenschte hervormingen zou voorbereiden en brengen, werd hij een onderdrukker des volks. Nu kwam hij in de gratie en werd hij ’t hoofd van het departement der staatspolitie te Petersburg, ontving den titel van Excellentie en dekoraties. Geen woord jaagt den czaar grooter schrik aan dan het woord “revolutie” en als er het een of ander opstootje plaats had, meermalen door de politie zelve verwekt en de czaar, daarover onderricht, vroeg naar de oorzaak, dan heette het steeds: nihilistische en revolutionaire agitatoren hitsten het volk op.
Subatoff speelde zijn rol goed. Hij beschikte ook over groote geldsommen en had in zijn dienst een heel leger agenten, hij kon dus precies arrangeeren wat hij noodig had. Zoo had hij de hand in de troebelen onder de werklieden te Kiew zoowel als in die te Odessa. Te Kiew verloren velen het leven, maar daar geschiedde het dat toen de kommandant bevel gaf tot vuren aan de troepen, die opgesteld waren tegen de arbeiders, een officier voor het front trad om de soldaten te verbieden‚ te schieten, hen toeroepende: “alleen een schurk durft vuren op zijn hongerende broeders.” De bevolking sympathiseerde met de arbeiders, groote meetings van meer dan 10.000 personen werden gehouden en de staking groeide aan tot een opstand, die ten slotte op bloedige wijze is onderdrukt door von Wahl, den beruchten gouverneur van Wilna. Toen dergelijke troebelen in den Kaukasus uitbraken, had Subatoff een prachtig idee. Hij liet wapenen koopen en toezenden aan de voornaamste leiders der revolutionaire beweging. Daarop liet hij door de politie de wapenen konfiskeeren en hen in de gevangenis werpen, aan wie ze gericht waren onder voorwendsel van het binnensmokkelen van wapenen en het opzetten van het volk tot een gewapend verzet tegen de overheden. Hoe ernstig de opstand werd, bleek hieruit dat het te Baku tot een formeel gevecht kwam tusschen stakers en Kozakken, bij welke gelegenheid de vice-gouverneur der stad doodelijk gewond werd.
Een hooge ambtenaar liet zich over het optreden der Kozakken in dier voege uit: “Ik kan niet begrijpen waarom men in Europa zoo’n drukte maakt over zoo weinig dooden. Zou men misschien verwachten dat men er niet op schoot? Als iemand eens besloten heeft te schieten, dan moet hij het flinkweg doen in het midden der rijen en de orde is hersteld. Er is geen andere weg. Maar omdat zij vallen in een strijd met de overheden schrijft en praat men erover. Als echter duizenden vermoord worden door hun eigen schuld en zorgeloosheid op de jaarmarkten, dan zegt niemand er iets van. Na de laatste markt te Kiew werden niet minder dan 5000 menschen in de hospitalen behandeld. Daaronder waren 696 licht gekwetsten, 317 waren door mes-steken ernstig verwond, 3 door vuurwapens, 1160 gevallen van andere kwetsuren, 14 met verstuikte leden, 78 met gebroken armen en beenen, en 422 met brandwonden; een totaal cijfer van meer dan 2700. Daarbij moeten 2500 personen gevoegd worden, die door de politie opgepakt werden smoordronken liggende op de straat, onder wie verschillenden zwaar verwond, terwijl 70 werden gedood, omdat zij door de menigte vertrapt werden. Ik herhaal dus: 2700 gewond en meer dan 70 gedood, zietdaar het resultaat van een feest dat eenige dagen duurde. Daarover zegt niemand iets, maar wanneer soldaten in een strijd met opstandelingen eenige enkele personen neerschieten, dan is heel Europa in rep en roer. Het Russische volk moet anders behandeld worden dan het Europeesche. God moge ons bewaren, als de sterke hand van het gezag niet langer meer gevoeld wordt”!
Eindelijk kwam Subatoff ten val. Zijn voornaamste agent te Odessa vroeg na de troebelen in die stad om extra-betaling. Subatoff die zeker een slechte bui had, zond hem slechts 300 roebels. Deze schreef hem daarover en zei aan het eind van zijn brief: “uw Excellentie heeft een kleine vergissing gemaakt met een nul, ik verzoek u dus de toezending van het bedrag der derde nul.” Subatoff zond hem dit geld niet, ofschoon hij vroeger voor dergelijke diensten 5 à 6000 roebels betaald had, maar droeg hem aan de politie te Odessa voor tot een arrest van 8 dagen wegens beleediging van zijn Excellentie Subatoff. De man onderging zijn straf, maar vrijgekomen reisde hij onmiddelijk naar Petersburg en eischte van Subatoff niet alleen de 2700 roebels die hem toekwamen, maar bovendien 1000 roebels als vergoeding voor dit arrest van acht dagen. Een heftig tooneel had er tusschen deze twee personen plaats dat eindigde met het ontslag van den agent uit de staatspolitie en het uit zijn bureau werpen van hem. De agent schreef daarop een uitvoerig rapport over de troebelen te Odessa en de rol, die Subatoff daarin speelde. Hij wist dit in handen te brengen van den czaar en daarop volgde het ontslag van Subatoff op raad van Plehwe zelf. Maar ter nauwernood teruggekeerd te Odessa werd die agent ’s nachts op straat dood gevonden. Deze daad toont de macht der door Subatoff in het leven geroepen geheime organisatie.
De Russische bureaukratie, van den hoogsten minister af tot den laagsten klerk toe in den een of anderen uithoek in het verre oosten, beschouwt den staat en het volk als voorwerpen, die men kan plunderen zooveel als men wil. Feitelijk bestaat de ambtenaarswereld uit een bende misdadigers in dienst der orde. De camarilla der ambtenaren houdt in het groote rijk erger huis dan ooit tevoren en ondanks dat de meerderheid zucht onder het juk en vraagt om hervormingen, komt men daar niet toe. Twee verklaringen zijn mogelijk: òf dat dit geschiedt met medeweten van of onder goedkeuring van den czaar, òf wel zijn macht is niet groot genoeg om die zijner ambtenaren te breken, de almacht der autokratie kan geen perken stellen aan de almacht der ambtenaren. En deze laatste verklaring is zielkundig de eenig juiste.
Om met goed succes een hervorming door te voeren, zou men minstens over 100.000 eerlijke ambtenaren moeten kunnen beschikken. En waar zijn deze te vinden? Waar moet men dus den schoonmaak beginnen in deze met mest en vuil dichtbedekte Augiasstal? Zelfs een Herkules zou niet in staat zijn dit werk tot een goed einde te brengen. Van de prilste jeugd –zegt een bekend schrijver,– zijn den Rus deze drie dingen ingeprent, dat het vaderland te vinden is in het Winterpaleis der residentie, dat de werkelijke patriotten verblijf houden in Siberië of op het eiland Sachalin en dat het plichtsgevoel wordt uitgedrukt in de woorden: na ons de zondvloed!
De ministeries doen ons denken aan de fabel van den Russischen fabeldichter, die ons verhaalt van een zwaan, een snoek en een kreeft, gespannen voor één voertuig om het te trekken. De wagen kwam natuurlijk niet vooruit, want de zwaan vloog omhoog, de snoek wilde in het water en de kreeft kroop achteruit.
De ambtenaarswereld is in de geheele wereld een bron van koruptie, maar zoo erg als in Rusland is het toch nergens. Het is bekend hoeveel er aan de maat en den strijkstok blijft hangen, als men bij aannemingen in aanraking komt met de ministeries –en dat kwaad bestaat overal in meerdere of mindere mate– maar de korruptie is in Rusland een stelsel geworden.
In grooter steden, zooals Petersburg, Moskou, enz. kan men tegen Nieuwejaar en Paschen op de schrijftafel van elken huiseigenaar van eenige beteekenis een rij gesloten couverten gereed vinden liggen met geldelijke bedragen en bestemd als douceurtje voor den kommissaris van politie, voor den adjunkt, voor de plaatselijke chefs en eindigende met den agent, die in de nabijheid van het huis geposteerd staat. Evenzoo gaat het met de winkeliers, slagers, enz. en op verschillende plaatsen behoeft het hoofd der politie geen cent uit te geven voor eten en drinken, terwijl andere leveranciers het wel uit hun hoofd zullen laten hun rekeningen in te dienen, als zij er niet om gevraagd worden. En wie dit nalaat, staat voortdurend bloot aan allerlei onaangenaamheden met de politie. Hoe komt het anders, dat haast alle ministers groote fortuinen nalaten? En dat niet in Rusland alleen, maar in alle landen. Men heeft ze gekend, mannen als Thiers, Gambetta, Ferry – als arme advokaatjes die blij waren als iemand hen trakteerde en die later stierven, millioenen nalatende. Hoeveel ambtenaren en staats-dienaren, die persoonlijk geen fortuin hebben, ziet men geregeld verteringen maken, die het vier en vijfdubbele deel van hun traktement bedragen, zonder daarbij schulden te maken! Ingenieurs in staatsdienst, belast met leveranties, bouwwerken, enz. worden dikwijls gefortuneerde menschen, terwijl hun traktementen, al zijn ze eenigzins ruim, hen toch geenszins in staat stellen op zoo’n weelderigen voet te leven als zij veelal doen. Bij aannemingen van rijkswege komt men niet tot gunning, als men niet zorgt voor de noodige “smeer”. Dat weten alle personen wel, die hiermede te maken hebben en als alle groot-fabrikanten, leveranciers, enz. eens vrijelijk uit de school zouden klappen, men zou versteld staan over de dingen die men hooren zou. Maar dit blijft een gesloten boek, omdat het belang van beide partijen meebrengt mondje dicht te houden.
In het demokratische Amerika spreekt men over de beruchte Tammany Hall en haar invloed is ontzaggelijk groot en dus deze kwaal is niet een specifiek bestanddeel van een autokratischen staat. Men vindt ditzelfde overal, maar het eenige onderscheid bestaat hierin, dat men het in Rusland schaamteloozer doet dan ergens elders. Een eerlijk ambtenaar is in Rusland een absoluut onbekend wezen en zoolang de korruptie als regeer-stelsel bestaat, zoolang is er niet veel verbetering te verwachten.
Laat ons den staat van zaken eens hooren op het eiland Sachalin, waar een kolonie “misdadigers” is gevestigd door de Russische regeering. Deze inrichting is met de beste bedoelingen begonnen. Zij die naar Sachalin verbannen zijn, moeten hun vonnis afzitten in de gevangenis, maar zoodra zij teekenen van berouw geven, worden zij uit de gevangenis gelaten om als kolonisten te gaan leven. Deze ontvangen verlof om te huwen en men heeft de hoop op die wijze de menschen terug te geven aan de maatschappij. En daarbij heeft men het vooruitzicht deze woeste landen te bevolken. In zoo’n plan ligt een humanitaire strekking en werd het ten uitvoer gebracht door ernstige en eerlijke ambtenaren, dan zou het een zegen kunnen zijn voor het volk en den staat. Het tegendeel is het geval en de kolonies op Sachalin zijn plaatsen van de afschuwelijkste moreele en fysische ontaarding. Men richtte afzonderlijke gevangenissen op voor mannen en vrouwen, althans zoo was het oorspronkelijk plan der regeering, maar de ambtenaren bekommerden zich daar niet om en de ballingen niet als menschen maar als beesten beschouwende sloot men mannen en vrouwen op in dezelfde gevangenissen, waar zij als dieren in een stal werden opgeborgen. Daar men pas permissie kan krijgen na een jaar, is dus elke vrouw minstens een jaar opgesloten in de gevangenis van de mannen. Na dien tijd kan zij dan in een hut gaan wonen naast de gevangenis tezamen met andere mannen en vrouwen, die in dezelfde kondities verkeeren. De permissie om te trouwen hangt af van de plaatselijke autoriteiten, onder wie zulke schurken zijn, dat zij deze permissie alleen geven, als zij gekocht wordt voor geld of voor ander gunstbetoon van de arme vrouw. Eindelijk is zij dan vrij, maar meestentijds naar lichaam en geest meer gedemoraliseerd dan tevoren. Er zijn nu 23.000 mannen, van wie niet meer dan 3000 vrije menschen. Van de vrouwen zijn er ongeveer 4000 vrij, onder wie de meisjes geboren uit vrije ouders. In de mannengevangenis zijn echter slechts 3000 vrouwen tegenover 20.000 mannen. Het gevolg hiervan is dat de vrouwen vandaag met dezen man, morgen met een ander gaan en somwijlen met verschillenden tegelijkertijd. Een verder gevolg is dat ziekelijke kinderen met overgeërfde misdadige neigingen geboren worden en dus door de ellendige toepassing is de uitwerking een geheel andere dan oorspronkelijk bedoeld was. In plaats van het peil te verhoogen, worden de menschen daar verlaagd. Maar dit is nog niets in vergelijking van het lot der kinderen, die in de gevangenis geboren worden. De knapen worden op 10 à 11-jarigen leeftijd door de ambtenaren voor geld verkocht als arbeiders aan de vrije mannen op het eiland. De meisjes worden overgeleverd aan de gevangenen of aan de vrije mannen als vrouwen verkocht. De autoriteiten te Petersburg weten heel goed dat die handel daar gedreven wordt, maar gevoelen zich onmachtig om hem tegen te gaan.
Het is al straf genoeg om als ambtenaar naar Sachalin te gaan. Men vindt daar dan ook het minste soort. Wilde men een verbetering, men zou alweer moeten beginnen om ze allemaal te ontslaan en te doen vervangen door anderen en beteren. Maar waar deze te vinden? Hier stuit men dus alweer op dezelfde moeilijkheid als straks en daarom al weet men dat de toestand aldaar ellendig en demoraliseerend is, toch blijft men hem in stand houden, machteloos als men zich gevoelt, om hierin iets ten goede te veranderen. Zoo worden de beste plannen verijdeld en elke poging tot beterschap stuit af op de bureaukratie, op een korps ambtenaren, door een hoog personaadje betiteld met den eervollen naam van “bandieten, die ambten bekleeden en bandieten met dolken en revolvers”, menschen die niet het minste belang hebben bij de welvaart van het land, maar zeer veel bij het onverminderd behoud van hun macht. De ambtenaar (tchinovnik) is een persoon zonder eenig ander ideaal dan om promotie te maken en op te klimmen in rang en hij is tevreden, wanneer hij hier of daar een “warm plaatsje” heeft gevonden, waar hij met de schatkist, de leveranties en dergelijken te doen heeft, om daardoor een gemakkelijk, goed leventje te leiden, zich te verzekeren voor een goeden ouden dag als hij straks met pensioen op stal wordt gezet en binnen het raam van het uiterlijk fatsoen aan zijn lusten bot te vieren.
Rusland staat in dezen zeer ongunstig aangeschreven en de tirannie van den omkoopbaren ambtenaarstand is dan ook onhoudbaar en onverdragelijk, maar het kwaad schuilt niet speciaal in Rusland, het schijnt te liggen aan het ambtenaarstelsel. Tusschen Rusland en andere landen is slechts een gradueel verschil, want in alle staten is de bureaukratie met haar formaliteiten en paragrafen een der rotte plekken van den staat en daar zij steeds uitbreidt, wordt haar macht steeds grooter en omvangrijker.
Men zegt dat de rechterlijke ambtenaren een uitzondering vormen in Rusland en een bij uitnemendheid goede reputatie genieten. Maar hiermede stemt heelemaal niet overeen het gezegde van een advokaat, met wien dr. Ganz een onderhoud had over de rechtstoestanden. Deze toch vertelt wel eerst dat de rechters, betrekkelijk gesproken, den eerbiedwaardigsten stand vormen onder onze ambtenaren en voor het meerendeel niet vatbaar zijn voor omkooping, maar op de vraag of de rechters niet onafhankelijk zijn, luidt het antwoord: wij kunnen geen onafhankelijke rechters gebruiken. En dan gaat hij voort, zeggende: “voor elke welgevallige uitspraak is een ruime belooning van den senaat te wachten.” Het een spreekt het andere te duidelijk tegen en het is daarom dat wij niet veel zouden geven voor de onomkoopbaarheid en onafhankelijkheid van den rechterlijken stand. In alle landen wordt datzelfde praatje verkocht, maar wie de rechtsspraak nagaat, komt tot de ontdekking, dat geen stand bij het volk slechter staat aangeschreven, omdat dit weet hoe er voor den arme b.v. geen recht is te verkrijgen en daarom spreekt men van “draai-banken” in plaats van “rechtbanken”, daarom leven spreuken voort die kenteekenend zijn, zooals: “het geld wat stom is, maakt recht wat krom is” en als de Justitia wordt voorgesteld met het eene oog geblinddoekt, dan geeft men daar deze verklaring van, dat zij het eene oog geopend houdt om met scherpte het kleine onrecht van den arme te zien maar het andere gesloten houdt om het groote onrecht van den rijke niet te zien. Alweer geen principieel, maar een gradueel verschil. Wee degenen die in de handen van zulke personen valt! Wie recht om een koe, geeft er een toe – zoo zegt een Hollandsch spreekwoord en dit kenschetst overal de rechtsspraak. Daarom is voor den arme geen recht te krijgen en om de onomkoopbaarheid en onafhankelijkheid van den rechterlijken stand, een praatje dat de heeren zelven uitstrooien om zich met een soort van heiligenwaas te versieren, geven wij dan ook nergens iets. De ervaring leert ons in dezen heel andere dingen.
Maar zoo gaat het in alle kringen der maatschappij en wie de gelegenheid heeft wat dieper door te dringen, komt tot de konklusie niet dat er iets rots is in den staat, maar dat de heele staat rot is.
Een eigenaardig licht op het leven der zoogenaamde “hoogste tienduizend” is geworpen door het schandaal dat zeer onlangs plaats greep in de Keizerlijke wedrenklub te Tsarkoje Selo. Deze klub, aan ’t hoofd waarvan twee grootvorsten staan, nl. Dimitri Konstantinovitch en Wladimir Alexandrovitch, is de aanzienlijkste sportklub in Rusland en de leden die daarin worden toegelaten, behooren tot de hoogste aristokratie. De klub, die een vennootschap is, jaarlijks een dividend uitdeelende van 80%, weet haar inkomsten op echt Russische wijze te trekken uit de schromelijkste bedriegerijen en afzetterijen. Het is gebleken dat de wedrennen niets anders zijn dan een middel om het geld te kloppen uit de zakken van het publiek en bij een der laatste wedrennen, in Polen gehouden, kwam dit op zulk een schandalige wijze aan ’t licht, dat het zelfs in ’t publiek werd behandeld. De pers, die anders zoo tam is, hield er zich mede bezig en de “Technische Kommissie” voelde zich zelfs verplicht een onderzoek in te stellen. En wat is toen gebleken? Dat morfine werd toegediend in vele gevallen aan renpaarden òm hen ongeschikt te maken tot rennen, dat allerlei trucs werden uitgehaald om hooge winsten te maken en dat alleen dat paard den prijs kon winnen, dat vooraf als prijswinner was aangewezen. De kommissie, belast met het onderzoek, moest uitspraak doen en drie personen, van wie bewezen was dat zij de paarden morfine hadden gegeven, werden voor een jaar buitengesloten om mee te mogen doen. Zoo werd op 27 Juli 1903 bij den wedren de prijs gewonnen door het paard "“Irish Lad”, de prijs van de czarin. En nu gebeurde er iets echt Russisch. Een beroep op den grootvorst, die aan het hoofd der klub staat, werd gedaan en deze besliste dat de prijzen moesten worden gegeven aan de winners, dat de paarden in kwestie wel mochten meeloopen en twee van de drie veroordeelden zagen hun straf veranderd van een jaar in negen en drie maanden, terwijl nummer drie heelemaal vrij kwam. De wedrenklub betaalt als gewoonlijk haar 80% en alles wordt op den ouden voet voortgezet, alsof er niets gebeurd was.

Het Leger.

In een autokratischen staat als Rusland is het leger natuurlijk nummer 1. Elkeen die carrière wil maken, tracht natuurlijk een plaats te krijgen in het leger. En daar vindt men dezelfde kwalen als in de burgerlijke samenleving, haast zouden wij zeggen in verdubbelde mate. Uit de Gedenkschriften van Kropotkine kan men leeren, hoe de adelstand bij voorkeur zijn zoons laat dienst nemen en geen wonder, dat is de weg om in Rusland tot grootheid te komen. Maar de korruptie in het leger is zoo verbazend erg, dat zij die in de rest der Russische maatschappij haast nog overtreft en dat zegt wat. Daarbij komt dat de officier, hij zij ondergeschikt of staf-officier er op is aangewezen om door bijverdiensten zijn miserabel traktement aan te vullen. Als men de uitgaven en inkomsten van een luitenant met elkander vergelijkt, dan komt men tot de konklusie, dat hij er zelfs met inachtneming der grootste zuinigheid onmogelijk komen kan en dat hij door elkaar een maandelijksch tekort heeft van 12 tot 25 roebels. De tweede luitenant krijgt maandelijks 39½ roebel, de eerste luitenant 41 roebels, waarbij voor woning komt respektievelijk 5 roebels 83 kopeken en 1 roebels 66 kopeken. Volgens nauwkeurige berekeningen in officieren-kringen heeft hij minstens 68 roebels 83 kopeken per maand noodig, waarbij alles zoo zuinig mogelijk is berekend.
Wat moet nu zoo’n luitenant doen, die geen middelen heeft? Hij valt in handen der woekeraars. De kapiteins zijn er niet beter aan toe, maar dan zijn zij gewoonlijk gehuwd. Echter de schulden uit den luitenantstijd hangen hem als een blok aan ’t been en zoo is hun lot soms nog miserabeler dan dat der luitenants. De armoede onder de officieren is dikwijls zoo groot dat zij genoodzaakt zijn soldatenvoedsel te eten, waarvoor zij slechts 5 à 6 kopeken moeten betalen, daar zij niet in staat zijn de 50 kopeken te betalen voor een middagmaal in een goedkoop restaurant. Het is wel vreemd dat men de steunpilaren der orde, de verdedigers van Rusland tegen nihilisme, revolutie en verraad zoo slecht bezoldigt en feitelijk is men daardoor zelf de oorzaak van de groote korruptie, die in het leger heerscht. Zoodra deze officier, die als luitenant en kapitein veelal ten prooi is geweest aan zorg en armoede, nu bevorderd wordt lot hoofd van een regiment, gaat hij zijn schade inhalen en verrijkt zich ten koste van het regiment. Vele officieren worden bij het begin van hun loopbaan tot misdaad gedreven, gedeeltelijk door nood, gedeeltelijk door de bekoringen van de maatschappij. Het begint gewoonlijk met valsch spelen en eindigt met het verkoopen van militaire geheimen aan vreemde mogendheden.
Niemand in Europa heeft er eenig denkbeeld van hoeveel officieren jaarlijks gedegradeerd of naar Siberië gezonden worden wegens valsch spelen, verraad en het verkoopen van militaire stukken.
Het natuurlijk gevolg hiervan is dat de lust om officier te worden steeds afneemt bij het jongere geslacht en er zelfs een groot gebrek aan officieren bestaat. Op het einde der maand Augustus 1903 werd het leger vermeerderd met 1307 officieren. Van dit aaniíal behoorden er 704 bij de infanterie, 511 bij de artillerie, 164 bij de kavallerie en 79 bij de genie en andere takken van dienst. In het jaar 1902 kwamen er meer dan 2000 van dezelfde militaire voorbereidingscholen en in 1904 bedroeg dit cijfer 2648, dus het dubbele cijfer van 1903. Dit gebrek aan officieren wordt vooral gevoeld aan de westelijke grens, waar het grootste deel van het leger is gekoncentreerd en de officieren houden niet van den dienst, omdat de regimenten ingekwartierd worden in kleine steden en in forten. In vele regimenten is een tekort aan officieren van 25%. Als dit gebrek in vredestijd bestaat, dan kan men begrijpen hoe het dubbel en driedubbel gevoeld wordt in oorlogstijd. Het Ministerie van Oorlog is reeds gedwongen geweest bij dienstorder te bepalen dat bij mobilisatie de vaandeldragers der reserve en non-aktieve onderofficieren de plaats van officier kunnen vervullen, maar men is in militaire kringen overtuigd dat men door dien maatregel het tekort niet zal wegnemen.
Het Russische officierenkorps, de laatste steunpilaar van de Russische autokratie, is op bedenkelijke wijze aan het waggelen. Daarbij komt dat het ook smeult in het leger zelf en dat de revolutionaire denkbeelden zijn binnengedrongen onder officieren en soldaten, zoodat men niet al te vast op hen kan vertrouwen. Vele officieren staan onder heimelijk toezicht der politie en een vrij groot aantal is onlangs gearresteerd en gevonnist onder verdenking van revolutionaire gevoelens. Eenerzijds ondermijnt dit de positie van den officier in de maatschappij, anderzijds draagt het bij om de lust om in het leger dienst te nemen te doen verminderen.
In het leger heeft men twee revolutionaire vereenigingen ontdekt, die elk geheel onafhankelijk van de andere werken. De eene is de “Revolutionaire Legervereeniging” en de andere de “Militaire revolutionaire organisatie”. Beiden hebben zich uitgestrekt over het geheele leger en omvatten duizenden leden. Om deze op het spoor te komen, heeft generaal Koeropatkine alle regimenten onder politietoezicht gesteld. De politie heeft tot taak om alle officieren te bespioneeren van den kolonel af tot den jongsten luitenant uit, om zooveel mogelijk door te dringen in hun privaatleven en van alles nauwkeurig rapport uit te brengen aan den chef der geheime politie te Petersburg. Dat dit een groot wantrouwen heeft gebracht in het officierskorps, dat behoeft zeker niet gezegd te worden. Als niemand zeker is of de kollega met wien men spreekt, al dan niet behoort tot de geheime politie, dan moet dit een ellendige geest te weeg brengen en alle kameraadschappelijkheid gaat verloren. En dit wantrouwen is nog versterkt door het besluit van den minister van oorlog, waarbij alle officieren worden opgeroepen elkander te bespioneeren.
Als generaal Koeropatkine gemeend heeft op die wijze den revolutionairen geest in het leger te smoren, dan heeft hij daarbij zeker vergeten hoe hij een nog grooter kwaad in het leger heeft binnengevoerd, waarvan de ellendige gevolgen niet kunnen uitblijven.
Ziethier een der besluiten van den minister van oorlog, waarvan het doel is de namen te krijgen van alle leden der Revolutionaire Legervereeniging:

“Kolonel. – Mij is gerapporteerd, dat een revolutionaire vereeniging met name Revolutionaire Legervereeniging onder de officieren van verschillende regimenten is opgericht. Zij moet reeds uit meer dan 100 leden bestaan en de revolutionaire vlugschriften waren uitgedeeld aan de officierentafels en elders. De namen dier officieren moeten verschaft worden en zij moeten streng worden gestraft. Daarom, kolonel, moeten die officieren van uw regiment, die vertrouwd worden, door u worden belast met een nauwkeurig nagaan van hun kameraden in het regiment. Ik moet uzelf vragen om te onderzoeken of die vlugschriften gelezen worden door de officieren van uw regiment; zoo ja, wie ze leest en wie ze verspreidt. Gij moet dan uw eigen lijsten opmaken over de leefwijze van uw officiëren buiten dienst. Ik verwacht dat deze bevelen stipt zullen worden opgevolgd.

Koeropatkine.”

Het gevolg van deze circulaire was dat de minister, die de namen wilde weten van de 100 officieren behoorende tot deze revolutionaire vereeniging, de namen ontving van meer dan 1000 officieren, die allen verklaard werden leden te zijn. De helft van deze mededeelingen bleek totaal ongegrond, wat echter niet verhinderde dat alle aangegeven officieren gearresteerd werden en met uitzondering van een klein aantal dat op zijn post was gelaten, allen hun positie verloren. Ofschoon niet het minste tegen hen kon worden gevonden, werden ongeveer 700 officieren gevonnist en verbannen naar Siberië. Generaal Koeropatkine wilde de namen van 100 kennen, hij kreeg ze van 1000 en meende nu allen revolutionairen geest uit het officierskorps te hebben uitgebannen.
Kort daarna werd hij echter overtuigd, dat hij den naam van geen enkel lid had ontvangen en dat integendeel het aantal leden voortdurend stijgende was. Het aanbrengsysteem droeg slechte vruchten. Niet alleen bleek het onvoldoende om de schuldigen aan de justitie over te leveren maar het ondermijnde de discipline onder de officieren en bracht een groote politieke agitatie in het leger te weeg.
Generaal Koeropatkine bedacht een nieuwe truc. Hij liet zelf revolutionaire vlugschriften door zijn agenten maken en verdeelen onder de officieren. Maar met hetzelfde gevolg. Meende hij op die wijze zijn doel te bereiken en erachter te komen welke officieren revolutionaire denkbeelden hadden, het tegenovergestelde had plaats.
Beide vereenigingen hebben hun vertrouwde leden in de onmiddelijke omgeving van den minister en den staf en vóórdat de vlugschriften nog verspreid waren, was een cirkulaire gericht aan de leden om hen te waarschuwen voor den valstrik, hun gelegd door den minister van oorlog. Het waren nu juist de officieren met revolutionaire denkbeelden die de vlugschriften terugzonden aan den minister met de verzekering dat zij sterk gekant waren tegen de denkbeelden, daarin ontwikkeld.
Intusschen verschillende, meestal onschuldige personen werden gearresteerd en het gebeurde niet zelden dat verschillenden dier gearresteerden hun onschuld bewezen door te bekennen dat zij agenten waren der geheime politie, die het uniform droegen bij wijze van vermomming. Men beweert dat geen enkele der gearresteerde officieren behoorde tot de revolutionairen. Het spioneer-stelsel werkte dus verkeerd en verschillende personen van hoogen rang, onder wie zelfs die door huwelijk vermaagschapt waren aan den czaar, werden verbannen. Dit kan geen verwondering wekken, als men weet hoe in 1881 zelfs een grootvorst, met naam Nikolaï Konstantinovitch, een kleinzoon van czaar Nikolaas I, toen 31 jaar oud, werd gearresteerd als gevaarlijk voor den staat en voor de rechtbank gebracht.
Deze grootvorst werd als Nihilist verbannen naar Taschkent in Centraal Azië, waar hij nog leeft. Zijn zaak wekte veel opschudding. Niemand wist precies hoe die zaak in elkaar zat. Sommigen beweerden dat de grootvorst een vrijdenker was, die met lichaam en ziel toebehoorde aan de Nihilistische beweging. Anderen verklaarden dat hij smoorlijk verliefd was op een nihilistisch meisje, dat alleen met hem wilde leven als hij zich liet opnemen in de rijen der Nihilisten. Weer anderen schreven het daaraan toe, dat hij gedupeerd in zijn eerzucht tot de Nihilisten was overgegaan. Maar de waarschijnlijkste verklaring is deze, dat hij het slachtoffer is geworden van een gemeene intrigue, op den bodem waarvan wel een vrouw was. Hij had namelijk intieme betrekkingen aangeknoopt met de vrouw van zijn adjudant en was door dezen op heeterdaad betrapt. De adjudant, die zijn vrouw liefhad en reeds lang verdenking had op den grootvorst, die bekend stond als een Don Juan, verliet den dienst en zwoer zich te wreken op den grootvorst. Dit kon hij nog al gemakkelijk, daar zijn vrouw de dochter was van den machtigen politie-direkteur te Petersburg. Met behulp van schoone vrouwen die dienst deden als lokaas, werd de grootvorst ertoe gebracht om nihilistische vergaderingen bij te wonen. Revolutionaire boeken en vlugschriften werden in zijn slaapkamer binnengesmokkeld en geheimzinnige handen vonden daar deze geschriften en zoo kreeg hij aan het hof den naam van revolutionair. De wreker wachtte slechts op een gelegenheid om den strik toe te trekken. Eens werden onder den vloer van zijn kamer bommen ontdekt en al het gereedschap en materiaal benoodigd om ze te maken. Hij werd ontmaskerd als nihilist en gearresteerd. Zijn ontkenning hielp niets tegenover de getuigen die tegen hem optraden en in zijn schrijf-bureau vond men het plan van een mijn, die onder het Winterpaleis zou aangelegd worden. De rechters bevonden hem schuldig en de czaar was onverbiddelijk. De grootvorst werd in ballingschap gezonden en zij die hem ontmaskerd hadden, ontvingen allerlei onderscheidingen. Allerlei geruchten deden de ronde. Men zei dat de getuigen allen politiemannen waren, maar al werd het gefluisterd, niemand durfde het openlijk verklaren uit vrees dat men zelf als Nihilist verdacht zou worden. Een Russisch spreekwoord zegt: “naar het fort van Peter en Paul leiden vele wegen, maar uit dat fort geen enkele”.
En het volk had er plezier in dat het spionnen-stelsel zich gekeerd had tegen hen, voor wier veiligheid het was uitgevonden. Niemand toch bleek meer veilig te zijn en elkeen staat bloot aan de willekeur en boosaardigheid van zijn buurman.
Het geval van kolonel Grimm als spion levert een prachtige illustratie van de korruptie in het leger en daarom is het bizonder leerzaam.
Tegen het einde der maand Februari van het jaar 1902 werd een groote konsternatie te weeg gebracht in de kringen van den staf door een anoniemen brief van een dame uit Nice aan den czaar en den minister van oorlog. De inhoud van dien brief luidde letterlijk:

Sire,

Ik heb mijn geboorteland verlaten met een vloek in ’t hart en ben naar Nice gevlucht. Ik ben met zelfverwijt vervuld over mijn misdaad en met haat tegen mijzelve. De wet waarborgt straffeloosheid aan den aanbrenger. Ik wil geen voordeel door deze inschikkelijkheid maar zoodra ik mijn denkbeelden heb bijeengezameld, zal ik naar Rusland terugkeeren en mijzelve stellen in handen der justitie om de straf te ondergaan voor mijn daad.

Sire,

De schandelijkste misdaad die bekend is in de maatschappij en in den staat is verraad tegen zijn geboorteland; en van deze vreeselijke misdaad beschuldig ik mijzelf tegenover uw Majesteit. Uw Majesteit zal meenen te doen te hebben met een krankzinnige en uzelven afvragen: Hoe is het voor een vrouw mogelijk verraad te plegen tegen haar land? Indedaad, Sire, ik heb verraad gepleegd tegen mijn land en in den schandelijksten vorm, want ik heb militaire geheimen verkocht aan vreemdelingen. Ik was niet de handelende spion, ik was slechts de tusschenpersoon, de bemiddelaarster tusschen de verraderlijke Russische spionnen en vreemde agenten. Als verdediger en beschermer van Rusland’s veiligheid en als opperhoofd van het Russische leger kan Uw Majesteit mij nooit vergeven. Maar Uw Majesteit moge het als verzachtende omstandigheid aannemen als ik u zeg hoe lang ik gestreden heb tegen de verzoeking maar dat zij mij te sterk was, omdat zij tot mij kwam in een vorm, waardoor niet alleen een beroep werd gedaan op het sluimerend verlangen in elk menschelijk hart naar een beter materieel bestaan en naar bevrijding. van zorg, maar ook op mijn gevoel als vrouw. Ik viel ten laatste en van toen af bestond er geen mogelijkheid om op de helling stil te blijven staan; ik moest blindelings gehoorzamen aan de bevelen der verraderlijke Russische spionnen. O welk ’n uren van marteling heb ik verduurd! Onophoudelijk, dag en nacht, geplaagd door de vrees voor plotselinge ontdekking, werd ik ook bedrogen in mijn vrouwelijke verwachting en als ik niet reeds vóor langen tijd besloten heb de pijniging van deze onuitsprekelijke marteling te eindigen door een revolverschot, dan geschiedde dit door de begeerte om mijzelve eerst te wreken op hen, die mij tot zulk een laagheid hebben verleid.

Sire,

Geef het bevel om kolonel Grimm te Warschau te arresteeren. Hij is de gevaarlijkste spion in het geheele Russische rijk. Hij naderde mij eerst onder het mom van een vriend en later onder dat van een vurig bewonderaar, om mij te vernederen tot een spion en eindelijk mij schandelijk te bedriegen. Sire, het groote militaire distrikt Warschau is vol spionnen; zij die eraan meedoen, leven in weelde voor het schandeloon, verkregen door het verraad van militaire geheimen. Voordat ik kolonel Grimm ontmoette op mijn weg, was ik de gerespekteerde weduwe van een artillerie-kapitein, die Zijn Majesteit 15 jaar lang trouw gediend heeft. Kolonel Grimm maakte mij tot een spion, daarom zal mijn wraak op hem neerkomen.

Sire,

Mogelijkerwijze zullen pogingen gedaan worden om uw Majesteit te misleiden door mij gek te verklaren en door de ontdekking dat in geheel Warschau niets wordt gevonden wat gelijkt op een spion. Ik heb in mijn bezit de bewijzen van mijn beweringen, die tot Uwer Majesteits beschikking staan, maar die ik alleen ter hand kan stellen aan een vertrouwd agent van uw Majesteit, daar ik vrees dat zij anders op den weg van Nice naar Petersburg zullen verdwijnen, wat zeer te betreuren zou zijn, in aanmerking genomen dat zij niet kunnen vervangen worden. Kolonel Grimm die als hoofd van dit zeer uitgebreid spionnenstelsel, al zijn superieuren onder zijn duim heeft, zou dan misschien in een positie zijn om alle onderzoek ijdel te maken."

Aan het ministerie van oorlog kwam het duplikaat van dezen brief zonder handteekening met het volgende postscriptum aan generaal Koeropatkine:

“Uw Excellentie,

Hoed u om dezen brief in de prullemand te gooien. Ter bestemder tijd zal ik mijn anonimiteit opheffen. Ik heb buitendien maatregelen genomen dat deze mijn beschuldiging komt in handen van den czaar.”

Dadelijk na de ontvangst van dezen brief ging generaal Koeropatkine naar het Winterpaleis om te informeeren bij zijn adjudant of de czaar zoo’n geheimzinnigen brief reeds in handen had, want hij meende den czaar niet te moeten storen door mededeeling van anonieme brieven. Maar er kwam ook al bericht van den czaar om den minister dadelijk bij zich te ontbieden.
Toen generaal Koeropatkine in het kabinet van den czaar kwam, vond hij dezen in gepeins gebogen over den anoniemen brief uit Nice en den generaal sterk aanziende zei hij:
“Wat is er gaande te Warschau”?
“Uwe Majesteit, ik heb daareven een anoniem schrijven uit Nice ontvangen, meldende dat militaire geheimen verraden zijn aan vreemde mogendheden door een aantal officieren van hoogen rang in het militair distrikt van Warschau. Kolonel Grimm, die verbonden is aan den kommandeerenden generaal Puzyrewski, wordt uitdrukkelijk genoemd. Ofschoon ik geen geloof hecht aan deze anonieme mededeeling, die mij meer toeschijnt als een daad van wraak van de zijde eener jaloersche vrouw, zoo al niet een eenvoudige grap, heb ik onmiddelijk op mij genomen een onderzoek in te stellen en mij hierheen gehaast om rapport te brengen aan Uwe Majesteit.”
“Is kolonel Grimm nu te Warschau”?
“Ja uwe Majesteit, ik wil hem laten arresteeren.”
“En generaal Puzyrewski”?
“Is te Nice.”
“Te Nice”? vroeg de czaar verwonderd.
“Ja, met zijn vrouw op verlof”, antwoordde de minister snel.
“Met zijn vrouw? Als ik mij niet vergis, was aan Puzyrewski verlof gegeven wegens den dood van zijn vrouw. Kan hij weer zoo spoedig getrouwd zijn”?
Generaal Koeropatkine toonde verlegenheld en stamelde:
“Vergeef mij, Uwe Majesteit, ik vergiste mij; het is een vrouwelijke bloedverwante –zoo vertelde men mij althans– die den generaal naar Nice vergezelde.”
De czaar fronste de wenkbrauwen en hij zei knorrig op bevelenden toon:
“Laat Puzyrewski direkt bevolen worden zich te Petersburg te verantwoorden. Ik heb vast besloten deze zaak te onderzoeken tot op den diepsten grond. Niets mag mij verborgen worden. Hoort gij”?
Generaal Koeropatkine wilde gaan, maar de czaar riep hem terug en beval hem zich in verbinding te stellen met Sipjagin, den minister van Binnenlandsche Zaken, ten einde de identiteit van de anonieme schrijfster op het spoor te komen.

Terugkomende op zijn bureau deelde hij de anonieme beschuidiging mede aan den gouverneur van Warschau, generaal Czertkoff, welke beschuldiging kolonel Grimm en vele andere officieren in verdenking bracht van spionnage in ’t belang van vreemde mogendheden en tegelijkertijd beval hij de arrestatie van kolonel Grimm. Hij deelde mede dat de czaar van de zaak afwist en alle mogelijke licht verlangde. Ook keurde hij het af in den gouverneur-generaal, dat hij generaal Puzyrewski niet had teruggehouden, die reeds bij het leven zijner vrouw een intrigue had met de tooneel-speelster Laska, om .haar te vergezellen op een plezierreisje door Frankrijk en Italië, gedurende hetwelk hij haar voor zijne vrouw liet doorgaan. Natuurlijk geschiedde alles onder de striktste geheimhouding.
Een onderhoud had plaats tusschen generaal Koeropatkine en Sipjagin, ten gevolge waarvan laatstgenoemde bevel gaf aan de pers, om alle eventueel geschrijf over deze zaak te onderdrukken. De politiechef te Warschau moest de pers te Warschau muilbanden, opdat er niets nog zou worden bekend gemaakt.
Drie geheime politiemannen gingen op ontdekking naar Nice. De een moest doorgaan voor een Pool om de daden en konversatie van de aktrice Laska te bewaken, die daar verkeerde met generaal Puzyrewski. De tweede deed zich voor als een Russisch ambtenaar van hoogen rang, die moest spreken over de nauwe betrekking waarin hij stond met het hof, om zoo doende het vertrouwen te wekken van de anonieme schrijfster, terwijl de derde, een Fin, het toeleggen moest op generaal Puzyrewski.

Toen de gouverneur-generaal van Warschau die tijding kreeg van den minister van oorlog, was hij zoo woest, dat hij zich niet in kon houden en zijn bedienden in de antichambre hem hoorden schreeuwen. Hij liet, nadat hij wat bekomen was, de verschillende vertrouwde superieuren bij zich op de kamer komen om een onderlinge beraadslaging te houden. De anders zoo joviale man was ernstig en toen de heeren bijeenwaren, nam hij het woord en zei: “heeren, ik heb daareven een dringende boodschap uit Petersburg gekregen van Z. Excellentie den minister van Oorlog, die ik ter uwer kennis wensch te brengen.”
Hij las deze woord voor woord voor en riep toen uit: “wat zegt gij daarvan, heeren? Zijn er spionnen onder ons”?
Allen stonden bleek rondom hun chef en riepen eenparig: “een verachtelijke beschuldiging! Er zijn geen spionnen onder ons. Generaal Puzyrewski is een man van eer en beiden, hij zoowel als wijzelven achten kolonel Grimm als een flink en trouw kameraad. Verdedig onze eer, Excellentie! Een kommissie van onderzoek moet dadelijk worden ingesteld, waaraan het gemakkelijk zal vallen de ongegrondheid van deze bewering aan te toonen.”
Met het bevel van strikte geheimhouding ging het gezelschap uiteen, alleen de kommandant der stad, kolonel Kowalowski, bleef achter om de order te ontvangen tot arrestatie van kolonel Grimm.
Kowalowski vond kolonel Grimm niet in zijn huis en ging toen naar de restaurant Englischer Hof, waar hij meestal was. Om alle opzien te vermijden liet hij de twee officieren die hij had meegenomen, achter aan het einde van de straat en ging alleen de restaurant binnen. Vroolijk riep kolonel Grimm hem bij het binnenkomen toe: “bravo, zeer verheugd u te zien! Kellner, geef gauw een couvert voor den kolonel”.
Natuurlijk sloeg kolonel Kowalowski deze vriendelijke uitnoodiging af en verzocht Grimm om met hem mede te gaan. Kolonel Grimm verliet het vertrek met de woorden: “Jongens, binnen enkele minuten ben ik weer bij u terug.” Beiden stapten in het rijtuig, dat voorstond en pas toen het rijtuig stil hield aan het einde van de straat en de twee officieren, de een op den bok en de ander binnenin, plaats namen, begon kolonel Grimm te begrijpen, dat er wat ernstigs aan de hand was en bleek wordend zei hij: “om Godswil, wat is er gaande”?
“In naam des keizers verklaar ik u gearresteerd”, zei de ander.
Grimm zei niets, totdat hij door kolonel Kowalowski werd afgeleverd aan den gouverneur-generaal met de woorden: “de bevelen van Uw Excellentie zijn opgevolgd”.
Generaal Czertkoff zei tot kolonel Grimm: “gij weet, waarom gij gearresteerd zijt”?
Grimm schudde het hoofd en vroeg verwonderd: “Ik? Met Uwer Excellentie’s verlof ik heb er niet het flauwste idee van”!
“Gij zijt beschuldigd van spionnage”, zei de generaal.
Grimm schudde weer met het hoofd, maar toen de gouverneur-generaal er bijvoegde: “ontkennen is vruchteloos”, naderde hij hem en fluisterde hem enkele woorden in het oor waarop hij bleek werd.
De generaal herstelde zich spoedig en gaf bevel om Grimm te verwijderen en verder Grimm’s vrouw onder bewaking te stellen en zijn verblijf te verzegelen. Grimm echter schudde verachtelijk het hoofd en riep luide: “zeer goed, generaal, als mij het lot van een spion wacht, dan wacht dit anderen even goed. Ja, het is waar dat ik een spion ben, maar ik ben niet de eenige in het militaire distrikt van Warschau. In plaats van mij in bescherming te nemen, laat ge mij in de moeilijkheid zitten; het zij zoo! Ik zal dan ook niemand sparen.”
Toen hij weg werd geleid, dreigde hij den gouverneur-generaal en de andere tegenwoordig zijnde officieren met den vuist. Toen zonk het hoofd hem neer op de borst en hij hernam de rustige en peinzende houding, die hij had getoond sints zijn arrestatie.
Den volgenden dag werd de vierschaar over hem gespannen. De eenige vraag is deze: was kolonel Grimm al dan niet schuldig aan spionnage? Hij had schuld beleden in tegenwoordigheid van den gouverneur-generaal en den kommandant der stad en dus het eenige wat noodig was om de schuld vast te stellen, was klaar en de krijgsraad, zonder in bizonderheden te treden, kon hem dadelijk ter dood veroordeelen, welk vonnis voltrokken kon worden binnen 24 uur. Grimm’s vrouw werd gearresteerd en zijn huis verzegeld.

–EINDE–

<references />