Lehning, Arthur - Wilhelm Von Humboldt en de staat

Uit Anarchief
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Bestand:Lehning, Arthur - Wilhelm Von Humboldt en de staat.pdf


Uit Grondslagen, 1935, no. 4. En "DE DRAAD VAN ARIADNE", blz. 67 e.v.


Honderd jaar geleden (1835) stierf Wilhelm von Humboldt. Dit feit werd ook in Duitsland herdacht: een lastig jubileum voor een staat en een regiem, waarvan de culturele historie begon met het autodafé aan de voet van het standbeeld van de grote geleerde, staatsman en humanist. Zou hij heden leven - hij zou in het concentratiekamp door de soldateska van Hitler en Goering zonder twijfel tot het ware staatsbegrip worden opgevoed, indien hij althans niet bijtijds er de voorkeur aan zou hebben gegeven de grenzen van déze staat te overschrijden; minder nog dan voor 150 jaar zou het mogelijk geweest zijn het werk te doen drukken, dat pas vele jaren na zijn dood verscheen. Zijn geschriften zouden zijn verbrand door dezelfde studenten – constateerde de Berlijnse correspondent van de ‘Temps’ - die iedere dag aan zijn standbeeld voorbijgaan en indien zij het nog niet hebben gesloopt, dan is dit waarschijnlijk het geval omdat zij het werk van deze overtuigde strijder voor de vrijheid niet kennen.

Zonder twijfel is het laatste het geval. Het geldt trouwens niet alleen voor de studenten van de universiteit, waarvan hij de stichter was. Dat zijn werk niet op de index staat is dan ook minder aan culturele tolerantie dan wel aan de culturele ignorantie te danken. Von Humboldt onsterfelijke werk is dus nog in iedere duitse bibiliotheek te vinden. Maar wie leest het ? Wie kent het ?

Moeilijkheden met censuur en uitgevers waren oorzaak dat de ‘Ideen zu einem Versuch, die grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen’, geschreven in 1792, pas 16 jaar na de dood van de schrijver, in 1851, verschenen. In het buitenland werd het werk onmiddellijk op zijn volle waarde geschat. In 1854 verscheen een engelse vertaling.

John Stuart Mill werd erdoor beïnvloed bij het schrijven van zijn boek ‘On Liberty’. In het frans werd het tweemaal, in 1866 en 1867 vertaald.

Bij zijn onderzoek over de staat stelde de schrijver de vraag, waarvoor de staatsinstelling eigenlijk dient of zou kunnen dienen. Hij ging daarbij uit van het doel van de mens: de hoogste en meest harmonische ontwikkeling van zijn krachten in zijn individuele eigenaardigheden. De ideale samenleving is deze, waarin ieder mens zich uit zichzelf en voor zichzelf ontwikkelt en deze ontwikkeling is slechts mogelijk in vrijheid. Het hoogste goed van de samenleving is verscheidenheid, terwijl de inmenging van de staat alleen tot éénvormigheid kan leiden. Het beginsel, dat de regering voor het gelijk en het welzijn, zowel fysiek als moreel, voor de natie zou moeten zorgen kan slechts leiden tot het ergste depostisme. Alle ingrijpen van de staat in het persoonlijke leven van de burgers is uit den boze. Noch op het gebied van huwelijk, van moraal of religie heeft de staat een taak. De religie willen bevorderen door de staat is absurd. Voor de ware deugd is trouwens ook geen religie nodig. Ze is onafhankelijk van alle onverenigbaar met op bevel en op autoriteit gebaseerde religie. Blijft alleen nog het strafrecht. Maar ook hier is de taak van de staat gering. Een staat waar de burgers met wetten en dwang tot zedelijke handelingen zouden worden bewogen zou wel een rustige staat kunnen zijn, maar meer op een hoop weldoorvoede slaven lijken dan op een vereniging van vrije mensen. In vrijheid begane misdaden zijn nog altijd beter dan de door dwang verhinderde.

‘Door niets wordt de rijpheid tot vrijheid meer bevorderd, dan door de vrijheid zelf. Deze mening zullen diegenen wel niet aanvaarden, die zich herhaaldelijk juist van dit gebrek aan vrijheid als voorwendsel hebben bediend om de onderdrukking voort te doen duren.’

De beperking van de vrijheid door de staat heeft buitendien het nadeel dat deze een steeds groter aantal instellingen en personen nodig heeft, waarvan de meeste intussen alleen nog maar met tekens en formules te maken hebben; de zaken worden geheel mechanisch en de mensen machines; de mensen worden terwille van de zaken verwaarloosd. In de meeste staten neemt dan ook het aantal staatsdienaren en de omvang van de administratie steeds toe en de vrijheid van de onderdanen af...

‘Het ware streven van de staat moet erop gericht zijn de mensen door vrijheid daarheen te leiden, dat gemakkelijker gemeenschappen ontstaan wier werkzaamheid in plaats van de staat kan treden.’

Dit is anarchistisch gedacht.

Men rekent in het algemeen Von Humboldt niet to het anarchisme, maar tot die rechting van het liberalisme, die ‘een minimum aan staat’ voorstond en waarvan John Stuart Mill en Spencer de bekende vertegenwoordigers zijn. Men kan zich afvragen of het werk van deze tijdgenoot van de schrijver van ‘Political Justice’(1793) niet dichter bij het anarchisme staat dan men gewoonlijk aanneemt en dat men hem eigenlijk als de duitse Godwin kan beschouwen. Zijn ‘Ideeën’ zijn doordrenkt van een anti-autoritaire geest, die het tot het vrijheidsleivendste geschrift maakt dat in het duister verscheen.

Von Humboldt is ook de eerste geweest, die staat en maatschappij heeft onderscheiden en daarmee de weg heeft gewezen voor een oplossing van het probleem van de grenzen van de individuele vrijheid in de samenleving. Deze oplossing binnen het staatsverband te willen zoeken is het zoeken naar de kwadratuur van de cirkel. Tussen de staat en de vrijheid is geen compromis mogelijk.

‘Ge kunt doen wat ge wilt’, zou later Proudhon schrijven, ‘ge ontkomt niet aan het onverbiddelijke dilemma: in begrensde vrijheid of druk tot de dood, tot de brandstapel.’ ‘Hier bestaat geen tussenweg, evenzomin als tussen leven en dood.’

Dat de staat een instelling is om te verhinderen dat de burgers elkaar wederzijds verscheuren is een fraaie legende, maar wie beschermt de gemeenschap tegen de staat ? Quis custodiet custodes ?

Zonder wisselwerking van individu en gemeenschap, geen ontwikkeling van de persoonlijkheid, geen mogelijkheid van cultuur. In isolatie is ontwikkeling evenmin mogelijk als in boeien. Minder dwang van de staat, maar des te meer banden in de maatschappij, dat is Von Humboldts conclusie.

Er is nog een andere eenheid mogelijk dat de ‘Staatsanstalt’ (staatsinstelling), namelijk "Nationalanstalt’, ‘National Verein ‘(nationale gemeenschap).

De natie moet worden opgebouwd door groepen, die de vrijheid moet worden gegeven om zich door verdragen te verbinden. In deze zin geeft Von Humboldt de sleutel tot de oplossing van het staatsprobleem. Hij was de eerste anti-staatsgezinde federalist. Dat geen vrijheid en geen cultuur mogelijk is binnen de staat, dat de individuele vrijheid de vrijheid van maatschappelijke groepen tot voorwaarde heeft, dat niet door de dwang van de staat, maar door het behoren tot deze op zichzelf vrije – en door verdrag verbonden – maatschappelijke groepen die de individuele vrijheid haar natuurlijke beperking vindt – dat is de geniale ontdekking van Von Humboldt. Alleen een geest als hij, voor wie het niet om filosofische abstracties ging, maar die diep en humaan als na hem in Duitsland niet meer, een bestef had van geestelijke vrijheid en menselijke waardigheid en voor wie de vrijheid niet het einddoel was van de historie, maar het enig ware levende beginsel van individu en gemeenschap, kon toen tot deze conclusie komen.

‘Een halve eeuw later uitte Stirner in deze zin zijn protest tegen de staat en maakte met name Proudhon het federalisme tot de politieke grondslag van zijn maatschappelijk systeem. In 1851 schreef Proudhon: ‘Geen autoriteit meer, d.w.z. wat men nog nooit heeft begrepen, de overeenstemming van het belang van ieder met het belang van allen, de vereenzelviging van de collectieve soevereinitiet met de individuele soevereinitiet.’

Het is duidelijk dat deze ‘verdragen’ tussen zelfstandige maatschappelijke eenheden, die als het ware de gehele maatschappij als een net moet omspannen, het tegendeel zijn van het fictieve ‘maatschappelijke contract’ van het natuurrecht dat in Jean-Jacques Rousseau’s filosofie leidde tot de noodlottige theorie van de ‘volkssoevereiniteit’, en de zogenaamde ‘democratie’, die niet alleen de ‘tirannie der meerderheid’ betekent, maar in de praktijk heeft geleid tot het staatsdespotisme van bureaucratische partijklieken.

Von Humboldt schreef zijn ‘Ideeën’ in de tijd van de bestorming van de Bastille, die echter weldra gevolgd werd door de jacobijnse orgie, die sindsdien voortwoedt en op het ogenblik geheel Europa bedreigt met de reactie van een industrieel feodalisme en een staatsslavernij als nooit tevoren.

Het sociaal-democratische en bolsjewistische staatssocialisme, de totale staat van fascisme en nationaal-socialisme: dat alles is één, dat behoort bij elkaar als regerings- en oppositieparijten in het parlement, dat gaat aan elkaar vooraf en dat volgt elkaar op, dat is diep verbonden door dezelfde religie; de afgoderij van de staat. Wie deze opvatting tot nu toe wat vreemd vond, zal ze na het lezen van Von Humboldts werk zonder twijfel begrijpen. Sinds 150 jaar waren deze ideeën nooit zo actueel als vandaag. Er schijnt voor de mensheid en de cultuur voorlopig in deze geest niet veel te verwachten. De tijd is nog ver, dat Duitsland weer het Duitsland van Von Humboldt zal zijn.

Wanneer zal de mensheid zich van het juk van de gangsters bevrijden ?

Wil, als de nood het hoogst is, ook de redding nabij zijn, dan zal het ‘écrasez l’infâme’ toch luider moeten weerklinken en zullen meer lansen voor de vrijheid moeten worden gebroken. Indien het uur van de verlossing van het despotisme te lang op zich laat wachten, moet men zich dan niet afvragen of, waar Attila’s staatssocialisme zijn sporen achterliet, nog wel het gras van de vrijheid groeit ?