Tadas/RAF R. - samenvatting Peter Kropotkin's 'Wederzijdse hulp, een factor in de evolutie'

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


Peter Kropotkin “ Wederzijdse hulp, een factor in de evolutie”

samenvatting en bespreking van Kropotkin's boek door Tadas/RAF R.


“Zo heeft (…) de leraar van de wederzijdse hulp, Kropotkin, bij ons weinig invloed uitgeoefend, kleine afgesplitste groeperingen houden zijn ideeëngoed in ere, maar in het volk van de soldaten en de technici, van de onderdanen en van de dromers schiet zij niet wortel. Men schreef bij gelegenheid daarover en prees de nobele ingesteldheid, en liet het daarbij, lachend, waarderend, hoofdschuddend. Want men was al generaties lang van mening dat enkel kanonnen en bezit realiteit hebben.” Döblin ‘Nochmal: Wissen und Verändern’

Kropotkin is één van de bekendste anarchistische denkers. Hij was geboren als prins in Moskou in 1842 en was in zijn jeugd nog in het officiële pagekorps van de tsaar. Tijdens zijn militaire detachering in Siberië raakte Kropotkin overtuigd van het disfunctioneren van de staat en van het idee dat de boeren zelf beter in staat waren om zich te organiseren, zonder staatsstructuren. Later studeerde hij in Sint Petersburg geologie, geografie, wiskunde en biologie. Hij verwierf aanzien met zijn publicaties over de geologische ontwikkeling in Azië. Hij had tijdens een reis naar Zwitserland contacten gelegd met anarchisten van de Internationale Arbeiders-Associatie. Terug in Rusland in 1872 sloot hij zich aan bij de geheime Tsjaikovsky groep, die zich voornamelijk bezig hield met het verspreiden van liberale en anarchistische literatuur. Net als andere leden van de groep kwam hij in 1874 in de gevangenis gevangenis in Rusland, wegens het verspreiden van dergelijke literatuur. In 1876 slaagde hij erin om te ontsnappen en te vluchten naar Groot-Brittannië, waar hij begon te schrijven voor Nature, The Times en Encyclopædia Britannica. Hij trok naar Zwitserland, om de anarchistische beweging verder uit te bouwen. Daar werd hij echter verbannen om vervolgens in Frankrijk opnieuw in de gevangenis te worden gegooid voor politieke activiteiten. Een petitie van veel vooraanstaande intellectuelen (o.a. Victor Hugo, Herbert Spencer) eiste zijn vrijlating. In de latere jaren van zijn leven heeft hij nog een tour gemaakt door de Verenigde Staten over Russische literatuur, waar hij een cultstatus verwierf en vaak voor duizenden personen sprak. In zijn latere jaren had hij een status gelijkaardig aan die van Voltaire, Tolstoj, Bertrand Russell of Naom Chomsky deze dagen – een subversieve intellectueel die te koppig was om getemd te worden en te beroemd om het zwijgen op te leggen. (Nicolas Walter)

Het boek “Wederzijdse hulp” is zijn invloedrijkste werk, zowel binnen de anarchistische wereld als daarbuiten. Nochtans wordt het boek niet meer echt door veel mensen gelezen. In het Nederlands wordt het momenteel nog uitgegeven door Kelderuitgeverij, maar de oorspronkelijke vertaling is haast ongewijzigd, wat het soms moeizaam maakt om te lezen.

Kropotkin broedde al lang op het idee van wederzijdse hulp, maar de uiteindelijke aanleiding was een artikel “The struggle for existence” van Thomas Henry Huxley in februari 1888 in het populair Victoriaanse tijdschrift “Nineteenth century”, waarin deze de natuur als een eeuwig strijdtoneel van allen tegen allen afschildert, en betoogde dat als men morele vooruitgang wil boeken, men zich moet afzetten van zijn amorele natuur. Kropotkin waardeerde Thomas Huxley als wetenschapper, maar dit druiste compleet in tegen de ideeën die hij had ontwikkeld. Kropotkin was bevriend met de editor van “Nineteenth century” en vroeg toestemming voor een reactie, die hij kreeg en die leidde tot een reeks van artikels en uiteindelijk tot het boek.

In zijn inleiding schrijft hij, zelf een volgeling van Darwin, dat zijn boek een reactie is op het in die tijd gangbare sociaal-darwinisme, dat verkondigt dat "dat de strijd om de bestaansmiddelen van ieder dier tegen zijn soortgenoten, en van ieder mens tegen alle andere mensen, een wet der Natuur is", die enkel kan verzacht worden door het hogere verstand en de kennis. Hiervoor bestonden voor hem geen bewijzen en het was in strijd met zijn rechtstreekse waarneming als geograaf in Siberië. Volgens hem is het noch liefde, noch persoonlijke sympathie die de dieren tot wederzijdse samenwerking brengt, maar "een instinct dat zich in de loop van de lange evolutie bij mens en dier heeft ontwikkeld (...) het is een onbewuste erkenning van de kracht die voor ieder mens gelegen is in het beoefenen van wederzijdse hulp; van de nauwe afhankelijkheid van ieders geluk van het geluk van allen; van het gevoel van rechtvaardigheid of billijkheid, waardoor ieder individu gebracht wordt tot het begrip dat ieder individu gelijke rechten heeft als hijzelf. Het is op deze brede en noodzakelijke grondslag dat de hogere zedelijke gevoelens tot ontwikkeling komen"

Om zijn stelling te staven, bespreekt hij de rol van wederzijdse hulp in het dierenrijk en in de verschillende fasen van de menselijke ontwikkeling, telkens aan de hand van talloze voorbeelden. Vooral de stukken over de “middeleeuwen” en in zekere mate ook over “onze dagen” zijn het interessantst en bieden een origineel zicht op geschiedenis.

Het boek wil het belang van de wet van wederzijdse hulp in de evolutie van de mensheid belichten, maar wil geenszins opwerpen dat dit de enige factor is die van belang is. De andere belangrijke factor is het zelfstandig optreden, dat ruimer gaat dan individualisme of zelfzucht. Het zelfstandig optreden wordt in dit boek niet besproken en is volgens Kropotkin stof voor een ander werk.

Wederzijdse hulp in het dierenrijk

“Noch Rousseau’s optimisme, noch Huxley’s pessimisme kunnen echter als een onpartijdige verklaring der natuur aangenomen worden. Zodra wij de studie der dieren beginnen - niet alleen in laboratoria en musea, maar in het bos, in de prairie, in de steppe, en in het gebergte – ontwaren wij aanstonds dat er veel gevochten wordt, dat er een ontzaglijke verdelgingsoorlog wordt gevoerd tussen onderscheiden soorten en vooral tussen onderscheiden klassen van het dierenrijk; maar tevens bespeuren wij, wellicht in hogere mate, wederzijdse steun, wederzijdse hulp en wederzijdse verdediging onder de dieren die tot dezelfde soort of althans tot dezelfde maatschappij behoren.” Hij sluit hierbij aan bij de Russische zoöloog professor Kessler, die het idee eerder al geopperd had en wiens inzichten warm onthaald werden door de Russische zoölogen, maar vrij onbekend waren buiten Rusland. Om zijn stelling te staven beschrijft Kropotkin een lange lijst van voorbeelden van wederzijdse hulp in het dierenrijk, te beginnen bij de “lagere” diersoorten: kevers, landkrabben, mieren, bijen (uiteraard)… Vervolgens de hogere diersoorten, en dan vooral de vogels, omdat daar het meeste kennis van was in die tijd: arenden, Braziliaanse kiekendieven, gieren, roodhalzige valken, pelikanen… “Gemeenschappelijk jagen en zich voeden zijn zozeer een gewoonte in de gevederde wereld dat meer voorbeelden schier onnodig zijn: het feit dient als volkomen bewezen beschouwd te worden. De kracht die uit een dergelijke samenwerking voortspruit, is in het oog vallend. De sterkste vogels zijn machteloos tegenover de gezelschappen van onze kleinste lievelingsvogels.” Hij eindigt de lange reeks van voorbeelden met de zoogdieren: jakhalzen, hyena’s, knaagdieren, hoefdieren, prairiehonden, olifanten, zeehonden… ook bij hen is het sociale leven en de wederzijdse hulp de regel, met uitzondering van de groep der katten. “Uit het bovenstaande beknopt overzicht blijkt dus reeds dat het sociale leven in het dierenrijk geen uitzondering is; het is de regel, de wet der Natuur, en het is tot de grootste ontwikkeling gekomen bij de hogere gewervelde dieren. De soorten die in eenzaamheid leven of alleen in kleine gezinnen leven zijn betrekkelijk zeldzaam en hun aantal is beperkt.” “De soorten die vrijwillig of onvrijwillig het sociale leven laten varen, zijn veroordeeld tot verval, terwijl de dieren die zich het best weten te verenigen, de grootste kans hebben om te blijven voortbestaan en zich hoger te ontwikkelen” Hand in hand met het sociale leven gaat de ontwikkeling van sociale gevoelens en het collectief begrip van rechtvaardigheid. Kropotkin erkent dat het leven een strijd is, maar het is vooral een gezamenlijke strijd tegen ongunstige levensvoorwaarden. De onderlinge strijd en mededinging voor het voedsel bestaat, maar is minder algemeen verspreid dan Darwin aangaf. Darwin zelf gaf maar vijf voorbeelden van mededinging. Zodat Kropotkin de vraag stelt: In welke mate bestaat werkelijk mededinging binnen de grenzen van elke diersoort? Waarop berust deze stelling?

“Verenigt u dus, pas wederzijdse hulp toe! Dit is het beste middel om aan elk en aan allen de grootste veiligheid te schenken, de beste waarborg van vooruitgang en van lichamelijk, verstandelijk en zedelijk voortbestaan.”

Wederzijdse hulp bij de wilden

Na zijn omschrijving van wederzijdse hulp bij de dieren, komt hij terecht bij de mens en benadrukt dat in geen enkel tijdperk oorlog de normale staat van zaken was. “Er hebben altijd schrijvers bestaan die het mensdom in een pessimistisch daglicht beschouwden. Zij kenden het min of meer oppervlakkig door hun eigen beperkte ervaring: zij wisten weinig meer van de geschiedenis dan hetgeen verteld wordt door analisten, die altijd hun aandacht schenken aan oorlogen, wreedaardigheid en verdrukking; en daaruit besloten zij dat het mensdom niets anders is dan een onsamenhangende menigte van wezens die altijd bereid zijn elkaar te bevechten en daarvan alleen kunnen afgehouden worden door de tussenkomst van een gezaghebbende macht.”

Alhoewel er relatief weinig gekend was van de levenswijze van de vroege mens, noemt Kropotkin allerlei voorbeelden van overblijfselen en sporen die aantoonden dat de mens niet in losse gezinnen woonden maar in gemeenschap. Meer aandacht schenkt hij aan antropologische waarnemingen van toen nog bestaande wilde volkeren. Bosjesmannen, Hottentotten, Aboriginals, Papoea’s en vooral Eskimo’s. Wat bij hen allen aanwezig is, is het sterke gemeenschapsgevoel, solidariteit, vriendschappelijke betrekkingen, het streven naar materiele gelijkheid. Ondanks de voor West-Europeanen wrede praktijken - kindermoord, bloedwraak... - zijn het vooral de tedere betrekkingen die overheersen. Kropotkin wil aantonen dat het leven van de vroege mens noch voldoet aan het romantische ideaalbeeld Rousseau noch aan het woeste beeld dat Hobbes schept. “De primitieve mens heeft echter een eigenschap die door de strenge eisen van zijn harde strijd voor het bestaan aangekweekt en behouden wordt, namelijk hij vereenzelvigt zijn eigen bestaan met dat van de stam. Zonder deze eigenschap zou de mensheid nooit het peil hebben bereikt waartoe zij thans gekomen is.” De solidariteit geldt enkel binnen de stam, en aldus zijn er twee ethische zijden. Betrekkingen binnen de stam en betrekkingen tussen stammen onderling.

Het is dus weinig waarschijnlijk dat het leven van de vroege mens een eeuwige strijd was van mens tegen mens, zoals Hobbes beweerde.

Wederzijdse hulp bij de barbaren

Kropotkin onderstreept dat de kleine oorlogen steevast in detail werden beschreven, terwijl over het dagdagelijkse leven nauwelijks melding was, hoewel het maar een kleine minderheid was die oorlog voerde. “De heldendichten, de opschriften op monumenten, de vredesverdragen, schier alle historische oorkonden dragen hetzelfde kenmerk. Zij verhalen ons van het verbreken van de vrede, van de vrede zelf zeggen zij ons niets. (…) De ingebeelde barbaar, de mens die vecht en doodt volgens de grillige ingeving, heeft evenmin bestaan als de bloeddorstige wilde.”

Als we echter kijken naar het leven van de volkeren die de Romeinen barbaren noemden, zien we dat de stam van de vroegere mensen uitgegroeid is tot de dorpsgemeenschap, die in verschillende vormen bestond, maar die als gemeenschappelijk kenmerk had dat de mensen leefden in gezinnen, dat privaat roerend goed werd erkend, maar dat grond gemeenschappelijk bezit bleef. Het beginsel van gemeenschappelijk grondbezit was de grondslag geweest van een hele reeks instellingen gedurende de achtereenvolgende eeuwen die er moesten verlopen eer de barbaren onder heerschappij gebracht werden van staten die op Romeinse of Byzantijnse leest geschoeid waren. Hoe volkomener het collectief grondbezit behouden was, des te zachter en voortreffelijker waren de zeden.

Gemeenschappelijke landbouw was de regel en stapsgewijs werd de kring uitgebreid waarbinnen de mensen door gevoelens van solidariteit verenigd waren. Niet alleen verenigden de tribus tot stammen, maar de stammen verenigden zich tot bondgenootschappen.

In het deel over ‘barbaren’ weidt Kropotkin uit over de Mongoolse Boerjaten waar binnen de stam niet mag gekocht en verkocht worden, hij spreekt vol lof over de Kabylen, waar geen enkel gezag bestond dan de Djemaa of volksvergadering. Het leven van de Kabylen was gedrenkt met wederzijds hulpbetoon. Toen tijdens de hongersnood van 1867-1868 de mensen over geheel Algerije omkwamen, werd Kabylië gespaard dankzij hun zelforganisatie en wederzijdse hulp, zonder steun van de regering. De Kabylen hebben twee belangrijke kenmerken “Anaya” of bescherming van waterbronnen, kanalen, moskeeën, marktplaatsen tijdens oorlog en “Cof” of een vorm van vereniging gelijkaardig aan de Gilden.

Wederzijdse hulp in de middeleeuwse stad

Tijdens de middeleeuwen bleef de dorpsgemeenschap een belangrijke instelling, maar het onzeker oorlogsbedrijf werd overgelaten aan broederschappen of krijgsbenden, wat de deur opende voor hun latere onderwerping aan militaire opperhoofden. Om de vetes tussen verschillende stammen te beslechten, werden vonnisvinders benoemd: koningen, hertogen of soortgelijken. De gewoonte ontstond om deze uit bepaalde families te kiezen, die bekend stonden om hun kennis van het oude recht. Om de geschillen te beslechten moest een geldboete betaald worden aan de vonnisvinder, die dit gebruikte om de “ scholae” of gewapende mannen te onderhouden. Tot deze taak beperkte zich de macht van de koning of vonnisvinder. De hoogste macht bleef in handen van de volksvergadering. De koning voerde zelfs geen gezag over de volksmilitie en was alleen op zijn persoonlijke domein heer en meester. De verering van de persoon van de koning bestond nog niet, hiervoor was een volledige ommekeer in het denken nodig, die slechts later plaatsvond, onder invloed van de kerk en het Romeins recht. Gaandeweg had zich het leenstelsel opgedrongen, maar de dorpsgemeenschap der boeren werd niet ontbonden en behield zijn twee voorname eigenschappen: gemeenschappelijk bezit van het land en eigen rechtspleging. Toen in de negende en tiende eeuw bij de invallen van de Noormannen, Arabieren en Oegriërs bleek dat de militaire groepen maar weinig nut opleverden bij de bescherming van het land, begon men in heel Europa de dorpen te versterken met stenen muren en citadellen. Binnen deze muren ontstond een nieuwe vrijheid en onafhankelijkheid, die een enorme artistieke en intellectuele ontwikkeling met zich mee bracht. De vrijheid en onafhankelijkheid van de steden werd bevestigd in charters: “De Gemeente is een eedverbond tot wederzijdse hulp” (mutui adjutorii conjuratio) schreef Guilbert de Nogent. Het maakte de lijfeigene vrij van alle lijfeigenschap en eigen rechtspraak was de hoofdzaak. Door de toenemende verscheidenheid aan bezigheden, bedrijven en kunsten was een nieuwe vorm van vereniging nodig, hierdoor ontstonden de gilden, wat men een uitbreiding kan noemen van de beginselen van de dorpsgemeenschap: onderlinge bijstand en eigen rechtspraak. Kropotkin haalt allerlei voorbeelden aan van broederlijkheid binnen de gilden. Vrijwel elke stiel werd verenigd door een gilde.

“Gedurende de eerste eeuwen van zijn bestaan kon de stad nauwelijks een stad genoemd worden wat de inwendige inrichting betreft, daar de middeleeuwen evenmin bekend waren met onze tegenwoordige bestuurlijke centralisatie als met de huidige territoriale centralisatie. Elke groep had zijn aandeel in de oppermacht. (…) De middeleeuwse stad doet zich dus voor als een dubbele federatie, namelijk van alle hoofden van gezinnen die verenigd waren in kleine territoriale bonden (straat, parochie, afdeling) en van individuen die verenigd waren in gilden, in overeenkomst met hun bedrijf.”

Kropotkin toont allerlei maatregelen die genomen werden om het verbruik te verzekeren. Zo was het verboden waren te kopen of verkopen in bijzonder voordelige omstandigheden waarbij anderen buitengesloten waren: “Alle waren moesten ter markt gebracht worden en aldaar voor eenieder te koop worden geboden tot het luiden van de bel het einde van de markt aankondigde. Slechts daarna was het de kleinhandelaar toegelaten de overblijvende waren te kopen, en dan nog moest hij genoegen nemen met een eerlijke winst.” In vroegere tijden nog werden ladingen levensmiddelen aangekocht door burgerlijke ambtenaren om daarna verdeeld te worden onder de burgers-kooplieden. Bij handel werd de prijs vaak vastgesteld niet door de verkoper of de koper maar door een derde persoon.

De middeleeuwse stad was ontstaan rond de marktplaats, zij bezat een onschendbaarheid en er mochten geen veten plaats vinden. Rond de gilden van kooplieden had zich op eenvoudige wijze een oligarchie kunnen ontwikkelen. Maar reeds in de tiende eeuw waren de grote ambachten eveneens verenigd in gilden, en deze waren sterk genoeg om het machtsstreven van de kooplieden in toom te houden. Door het gewicht van de ambachtsgilden werd handenarbeid aanschouwd als een eervolle bezigheid en het was een sociale plicht van de arbeider om “rechtvaardig” werk te leveren. Loonarbeid was nog niet in zwang maar zelfs dan was het loon veel hoger dan in de eerste helft van de negentiende eeuw. Een werkdag van acht uren was de norm. Veel eisen van de arbeidersbeweging van de 19e eeuw, waren reeds verwezenlijkt in de middeleeuwen. De middeleeuwse stad was feitelijk een versterkte oase te midden van horige onderdanigheid en zij moest haar plaats met de macht der wapens veroveren. De steden begonnen onder elkaar en met de boeren bondgenootschappen te smeden tegen de al te inhalige kasteelheren. De zo ontstane federaties waren een poging om wederzijdse hulp op grote schaal toe te passen, waarvan de vruchten ontzaglijk waren: het internationaal verkeer bloeide, de grondslagen van de wetenschap werden gelegd, de scheppende kunst floreerde. Maar onder invloed van het Caesarisme, rechtsgeleerden van het Romeins recht en onder gepreek van de Kerk werden staten gesticht vanuit nieuwe steden (Parijs, Madrid, Moskou). De opkomst van de Staat werd begunstigd door het feit dat er binnen de steden een groeiend verschil was tussen arm en rijk, de rijkdom enkel gebaseerd was op handel en nijverheid en de landbouw verwaarloosd was. De verbreiding van het principe van wederzijdse hulp was dus niet volledig geslaagd. De boeren voelden zich bedrogen door de steden in hun gezamenlijke strijd tegen de leenheren. Er vond aldus een nieuwe omwenteling plaats. “Tijdens de omwenteling van de elfde eeuw waren de leidende gedachten zelfvertrouwen en federalisme, soevereiniteit van elke groep. Maar de geest was veranderd, onder invloed van de kerk was er een vergoddelijking van het gecentraliseerd gezag. De scheppende geest van de massa stierf uit en alle hoop werd gesteld in één persoon, de redder der maatschappij, de “tiran”, en het werd hem toegelaten namens het openbaar belang alle gewelddaden te begaan.” Deze hoofdstukken zijn geschreven met enthousiasme en men kan soms de indruk krijgen dat hij aan de donkere aspecten wat vlotjes voorbijgaat. Toch toont hij ook de interne zwakheid die leidde tot het wegdeemsteren van de gemeenschappelijke geest.

Wederzijdse hulp in onze dagen

Alvorens zich te onderwerpen aan de militaire staat, werden nog serieuze pogingen gedaan om de maatschappij te hervormen op basis van de oude grondslagen van wederzijdse hulp. De beweging van de hervorming was niet alleen een strijd tegen de katholieke kerk, maar werd tevens geleid door het ideaal van een maatschappelijke hervorming, met name het leven in vrije broederlijke gemeenschappen. Het “ware” geloof was een geloof van broederlijkheid en duizenden mensen sloten zich aan bij de Communistische broederschappen van Moravië. Deze opstanden werden door grote slachtingen neergeslagen en de jonge militaire Staten behaalden hun eerste overwinning. Stelselmatig werden alle instellingen gebaseerd op wederzijdse hulp uitgeroeid: de dorpsgemeenschappen, de gilden. Rijke steden raakten in verval en er was een achteruitgang van nijverheid, kunst en kennis. Staatkundige opvoeding, opvoedkunde, wetenschap en recht werden de dienaren van het denkbeeld der Staatscentralisatie. Enkel de Staat kon het algemeen belang dienen. Federalisme en “particularisme” werden de vijanden van vooruitgang. Er werden geen afzonderlijke bondgenootschappen tussen burgers geduld. “Geen staat binnen de Staat!” De onderdanen werden een losse menigte van individuen. Daar waar het vroeger een plicht was om elkaar te hulp te schieten werd nu een teugelloos individualisme gepredikt. Men moest enkel zijn eigen geluk nastreven, zonder zich te bekommeren over de behoeften van zijn medemens. Door de wetenschap werd verkondigd dat de strijd van allen tegen allen het leidend beginsel van de Natuur is. Het individualisme werd enkel nog verzacht door een vorm van liefdadigheid. De dorpsgemeenschappen waren niet vanzelf ten onder gegaan. Zo werden in Frankrijk in 1787 door de regering de volksvergaderingen afgeschaft wegens “te rumoerig” en vervangen door een verkozen raad onder de rijkste boeren, de gemeentegronden werden op bevel afgeschaft en na de Franse revolutie werden ze verdeeld onder de rijkste boeren. Gelijkaardige fenomenen deden zich voor in andere staten in West- en Midden Europa. Op het einde van de negentiende eeuw waren nog vele gebruiken van wederzijdse hulp overeind gebleven, voornamelijk in Zwitserland, zoals het oproepen van helpers bij oogst of het bouwen van huizen. Kropotkin laat het niet na tal van voorbeelden van over heel Europa voor te leggen. Van zodra de staat wetten zachter maakten, ontstonden er weer tal van genootschappen, zoals de boerensyndicaten. In Zuid- en Midden Rusland ontstond na 1875 een sterke stroming tegen het individueel grondbezit. De dorpsgemeenschap werd hersteld en collectief grondbezit steeg in aandeel. Tolstoj beschreef hoe in de dorpsgemeenschap vele werken gezamenlijk werden verricht: het aanleggen van wegen, bruggen, dijken en dergelijke meer. In het begin van de staat kwam zij tussen bij de nijverheid, o.a. bij loonregelingen. Tijdens de Franse revolutie werden loonregelingen afgeschaft, maar bleef het voor de arbeiders echter verboden zelf organisaties op te richten om voor loonsverhoging te pleiten of zelfs maar de lonen op peil te houden. Na lange strijd werden weer arbeidersorganisaties toegestaan en Kropotkin beschrijft de drie groepen: vakbonden, politieke partijen en coöperaties (waaronder de Russische Artels), alle drie uitingen van wederzijdse hulp, alhoewel de politieke partijen het meest verweven zijn met egoïstische neigingen. Hij beschrijft verschillende heldendaden van de arbeidersklasse, waaraan meestal wordt voorbijgegaan in de literatuur omdat die vooral oorlogshelden verheerlijkt. Verder zijn alle moderne verenigingen - van wielerclubs tot muziekverenigingen - in meer of mindere mate uitingen van menselijk broederschap. Hoewel de kerk beweert dat de mens van nature zondig is en enkel door bovennatuurlijke ingevingen tot hogere gevoelens in staat is, zijn ook de godsdiensten en liefdadigheidsinstellingen allen ontstaan uit de humane gevoelens van wederzijdse hulp en sympathie. Nochtans kan men gemakkelijk vele voorbeelden aanhalen van wreedheid, en dan vooral van de rijke klasse ten opzichte van de lagere klasse. Hierop zegt Kropotkin: “(…) de schuld van zulke daden is niet geheel aan de misdadigheid der menselijke natuur te wijten. Wantrouwen, kwaadwilligheid voor de armere klasse, werden immers tot voor korte tijd opgewekt door het onderwijs van de mannen van wetenschap en zelfs van een gedeelte van de geestelijkheid. Heeft de wetenschap niet onderwezen dat sedert de afschaffing der lijfeigenschap, geen mens meer arm behoeft te zijn, behalve door ondeugd? En hoe weinigen in de Kerk hadden de moed de kindermoordenaars te laken, terwijl velen onderwezen dat het lijden der armen, en zelfs de slavernij der negers deel uitmaken van de Goddelijke orde!” “Kortweg, de vernielende invloed van de gecentraliseerde staat, en de leerstelsels van de dienstvaardige wijsgeren en sociologen waren niet in staat de uitroeiing te bewerken van het gevoel der menselijke solidariteit, dat in ons hart en in onze geest zo diep geworteld is, omdat het werd aangekweekt gedurende de lange tijden van onze vroege ontwikkeling.”

Conclusie

Het boek ‘Wederzijdse hulp’ is ruim honderd jaar oud. Ongetwijfeld zouden bepaalde zaken nu anders geformuleerd worden in wetenschappelijke termen. Soms gaat Kropotkin wat kort door de bocht of kan er op bepaalde elementen kritiek geleverd worden. Eén van de meest voorkomende kritieken is dat hij naïef beeld van de mensheid heeft, of de “donkere” kant van de mens en competitie ontkent. Hij benadrukt echter geregeld in het boek dat het juist enkel gaat over de rol van de wederzijdse hulp in de menselijke ontwikkeling, en dus per definitie de “donkere” kant onderbelicht. Maar het beste antwoord op deze kritiek komt van Kropotkin zelf, in een repliek op Huxley’s argument dat er een staat nodig is om de agressieve mens in bedwang te houden: ”Wij overdrijven de inferieure instincten van de massa niet, zoals zij wel doen, en sluiten niet zelfvoldaan onze ogen voor diezelfde inferieure instincten van de in de hogere klassen. Wij handhaven juist dat zowel de heersers als de overheersten bedorven worden door autoriteit; dat zowel de uitbuiters als de uitgebuitenen bedorven worden door uitbuiting; terwijl onze tegenstanders lijken te erkennen dat er een soort van zout van de aarde is – de heersers, de werkgevers, de leiders – die gelukkig genoeg voorkomen dat de slechte mensen – de overheersten, de uitgebuitenen, degenen die geleid worden – nog slechter worden dan ze al zijn. Er is een verschil, en een zeer belangrijke. Wij erkennen de onvolkomenheden van de menselijke natuur, maar wij maken geen uitzondering voor de heersers. Zij maken die, hoewel soms onbewust, en omdat we niet zo een uitzondering maken, zeggen zij dat we dromers zijn, ‘onpraktische mensen’.” Ook beweert hij niet dat de mens gedetermineerd is om “goed” of sociaal te zijn, maar de neiging tot wederzijdse hulp potentieel bij de mens aanwezig is, net zoals competitief gedrag, en de omstandigheden bepalen welke tot uiting komt. Zo is de kritiek van anarchisten op hiërarchie gebaseerd op het feit dat dit “asociaal” gedrag bevorderd.

In ieder geval is het boek een authentiek wetenschappelijk werk, gebaseerd op een nauwgezette collectie van relevante feiten. Het speelde onweerlegbaar een belangrijke rol in de verandering van het intellectuele klimaat van zijn tijd, in het aanpassen van de evolutionaire theorie aan het idee van wederzijdse hulp en in de erkenning van de belangrijke rol van samenwerking in de dieren- en mensenwereld onder biologen en antropologen. Zo werd hij bijvoorbeeld vernoemd door de vooraanstaande primatoloog Frans de Waal en heeft professor in de Biologie Lee Alan Dugatkin een boekje aan hem gewijd. Meer recent is Marylene Patou-Mathis in o. a. Préhistoire de la violence et de la guerre. Zelfs Richard Dawkins van “Het zelfzuchtige gen” geeft hem impliciet gelijk wanneer hij stelt in “The God Delusion”: “The positie die ik steeds heb ingenomen is dat veel van de dierlijke natuur inderdaad altruïstisch, coöperatief en zelfs begeleid is met welwillende subjectieve emoties, maar dat dit volgt uit, eerder dan het tegenspreekt, de zelfzucht op genetisch niveau. Dieren zijn soms leuk, soms gemeen, aangezien beiden kunnen volgen uit het zelfbelang van de genen op verschillende tijden. Dat is dan ook de reden om te spreken van “het zelfzuchtige gen” in plaats van, neem nu, “ de zelfzuchtige chimpansee.” Later geeft Dawkins ook toe dat de benaming “het zelfzuchtige gen” nogal misleidend kan zijn.

Volgens Kropotkin vormt het principe van wederzijdse hulp de basis van onze ethische concepties. Hij wordt zich ten volle bewust van het belang van ethiek, en dit is dan ook het domein waar hij zich in zijn latere jaren meer en meer in gaat verdiepen.

Na meer dan een eeuw blijft het boek relevant omdat nog steeds veel van de argumenten die worden aangehaald ter verdediging van kapitalisme en staatsinterventie sporen bevatten van het oude Sociaal-Darwinistische principe.

Hoe het wetenschappelijk ook geformuleerd wordt, Kropotkin is overtuigend genoeg om ons te doen beseffen dat de neiging tot samenwerking en wederzijdse hulp een eigenschap is die van nature in ons aanwezig is en dat we - als we iets van de toekomst willen maken - deze eigenschap zoveel mogelijk moeten koesteren en benutten. Bijna een eeuw na zijn dood is zijn voorbeeld des te bewonderenswaardiger. We hebben nood aan meer Kropotkins, en een goed begin is het lezen van zijn belangrijkste boek: “Wederzijdse hulp”.

Bronnen: Peter Kropotkin “Wederzijdse hulp” Peter Kropotkin “Memoirs of a revolutionist” Lee Alan Dugatkin “The prince of evolution” Iain McKay “Mutual aid, an introduction and evaluation”