Pépé - Anarchisme in de praktijk: verschil tussen versies

Uit Anarchief
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regel 1.169: Regel 1.169:




=====3. ORGANISATIE (intern) / NETWERK (exter=====n)
=====3. ORGANISATIE (intern) / NETWERK (extern)=====
 
======3.1. Weerstand + streven naar alternatieven combineren======


3.1. Weerstand + streven naar alternatieven combineren
Ze wilden zowel de belangen van de leden verdedigen (en hun situatie verbeteren) op korte termijn als op lange termijn de revolutionaire transformatie van de samenleving tot stand brengen.
Ze wilden zowel de belangen van de leden verdedigen (en hun situatie verbeteren) op korte termijn als op lange termijn de revolutionaire transformatie van de samenleving tot stand brengen.
Natuurlijk heeft deze doelstelling gevolgen voor de organisatie, haar structuur en haar netwerk. We hebben er al op gewezen dat de kracht van het anarchisme haar diversiteit kan zijn, als die diversiteit maar tot meer eenheid leidt. Het lijkt me gunstig op verschillende niveaus actief te zijn en om op die manier als organisatie zo veel mogelijk aspecten van de realiteit te blijven aanvoelen en overzien. Om ook aan de buitenwereld te tonen dat enorm veel aspecten samen horen.
Natuurlijk heeft deze doelstelling gevolgen voor de organisatie, haar structuur en haar netwerk. We hebben er al op gewezen dat de kracht van het anarchisme haar diversiteit kan zijn, als die diversiteit maar tot meer eenheid leidt. Het lijkt me gunstig op verschillende niveaus actief te zijn en om op die manier als organisatie zo veel mogelijk aspecten van de realiteit te blijven aanvoelen en overzien. Om ook aan de buitenwereld te tonen dat enorm veel aspecten samen horen.
Regel 1.178: Regel 1.179:




3. 2. Verzet latent en taai, traag maar vasthoudend en explodeerde als  
======3. 2. Verzet latent en taai, traag maar vasthoudend====== en explodeerde als  
omstandigheden daartoe leidden.
omstandigheden daartoe leidden.
         Verzet sporadisch, weinig planmatig en op behoud gericht: behoud van  
         Verzet sporadisch, weinig planmatig en op behoud gericht: behoud van  
Regel 1.203: Regel 1.204:




3. 3. Collectieve beslissingen zijn moeilijk (binnen de organisatie, mondiaal,…) en vergen aangepaste structuren om de basisdemocratie te waarborgen.
======3. 3. Collectieve beslissingen zijn moeilijk====== (binnen de organisatie, mondiaal,…) en vergen aangepaste structuren om de basisdemocratie te waarborgen.
Er moet gezocht worden naar beslissingsmodellen die de ‘gewone’ machtsstructuren kunnen vervangen. Hierbij mag niet vergeten worden dat mensen zich moeten ‘deprogrammeren’ voor ze in een niet-hiërarchisch systeem functioneren: de opvoeding in de ‘gewone’ wereld vormt een karakter dat daaraan aangepast is. Diezelfde aanpassing moeten mensen doen aan een niet-hiërarchisch systeem. Hierbij moeten ze ondersteund worden (zonder ze te sturen of te dwingen, want dan vervalt alles terug in de ‘gewone’ gewoontes en wordt het doel gemist).
Er moet gezocht worden naar beslissingsmodellen die de ‘gewone’ machtsstructuren kunnen vervangen. Hierbij mag niet vergeten worden dat mensen zich moeten ‘deprogrammeren’ voor ze in een niet-hiërarchisch systeem functioneren: de opvoeding in de ‘gewone’ wereld vormt een karakter dat daaraan aangepast is. Diezelfde aanpassing moeten mensen doen aan een niet-hiërarchisch systeem. Hierbij moeten ze ondersteund worden (zonder ze te sturen of te dwingen, want dan vervalt alles terug in de ‘gewone’ gewoontes en wordt het doel gemist).



Versie van 23 dec 2021 18:21



ANARCHISME IN PRAKTIJK:

HOE, WAAROM EN WAARHEEN?


Pépé 2001.



VOORWOORD:

Telkens weer bedenk ik hoe anders het had kunnen lopen als ik niet in contact was gekomen die mij toelieten of in staat stelden in deze richting te groeien. Hoe je het ook draait of keert zijn ook in iemands politieke vorming de persoonlijke contacten en de individuele ervaring doorslaggevend. Waarom ben ik ‘anarchist’ geworden? Per toeval en uit noodzaak. Wat anders? Ik was niet van plan een ‘anarchist te worden’.

Met vallen en opstaan ben ik verdergegaan in een richting, ik ben geboeid en gedégouteerd geweest door de anarchistische beweging, heb de mensen verwenst en gemist, gehaat en liefgehad. Ik heb dromen gehad en ben hopeloos geweest. Heb vaarwel gezegd en met open armen of net wijfelend mensen en ideeën begroet. Ben stom geweest en ben slim geweest.

Ik heb kortom niet anders gedaan dan alle anderen. Ieder moet zijn weg gaan.

Het anarchisme is intussen meer dan de helft van mijn leven mijn weg geweest, eerst diffuus en instinctief, later rationeler en met meer twijfels over een aantal zaken. Omdat ik het gevoel had dat er op organisatorisch vlak nogal wat fout liep (en nog steeds loopt), dat de beweging niet haar potentieel waarmaakt, en er geen platforms waren om deze zaken te bespreken of samen aan te pakken ben ik gegeven moment gaan nadenken, lezen en discussiëren.

De tekst die je hier vindt is daar een resultaat van. Mijn hart gaat echter niet zozeer uit naar letters op papier, maar naar een werkelijkheid die bevredigend en bevrijdend is. Dat is waar het mij om gaat. Deze tekst is in essentie mijn voorstel aan de anarchistische beweging en aan allen die ermee in aanraking komen.

Dit is mijn uitnodiging de moed niet te laten zakken: Anarchisme of barbarie. Anarchie is orde.

Pépé.


INHOUD:

Een woordje uitleg over het ‘anarchief’ 2

ANARCHISME IN PRAKTIJK: 4

Hoe, waarom en waarheen? 4

INHOUD: 6

I. THEORIE VAN HET ANARCHISME. 9

I. A. WERELDBEELD: systeem of paranoia; Vriendelijk Fascisme? 9

I. B. DE WERELDGESCHIEDENIS IN EEN NOTEDOP 15

I. C. THEORIE VAN HET ANARCHISME. 51

II. PRAKTIJK VAN HET ANARCHISME. 64

II. A. GESCHIEDENIS VAN DE ANARCHISTISCHE BEWEGING. 64

DE BOUW VAN ‘HET’ SOCIALISME. 81

DE AFWERKING / DE AFREKENING: 20e eeuw. 96

DEKOLONISATIE. 102

DE JAREN ’60. 103

DE JAREN ‘70. 105

DE JAREN ’80-’90. 107

CONCLUSIE 115

II. B. BEWEGING NU: sterktes en zwaktes 116

II. C. TOEKOMST: een voorstel 146

KADER voor een toekomst. 147

BIBLIOGRAFIE. 159

III. ANARCHISTISCH KOOKBOEK 166

1. Anarchisme 166

A. Hedendaags anarchisme 169

B. Anarchistisch uitgangspunt. 192

C. Werkvelden van de anarchistische beweging. 199

D. Doelstellingen. 203

2. ANARCHISTISCH BESLISSEN. 216

1. Strategie. 218

2. SWOT-analyse: 223

3. Vergaderstructuur. 224

4. EVALUATIE: 235

5. ALGEMEEN: 236

3. ANARCHISTISCHE ACTIE. 238

ROLLENSPEL 251



I. THEORIE VAN HET ANARCHISME.

I. A. WERELDBEELD: SYSTEEM OF PARANOIA; VRIENDELIJK FASCISME?

Centraal in het anarchistische wereldbeeld lijkt het door talloze anarchisten vaak gebruikte begrip ‘systeem’ of ‘de megamachine’,… te staan. Veel mensen knappen af op het gebruik van het woord: het is vaag, de toon is negatief en wordt gemakkelijk afgedaan als paranoia. Maar het is veel meer dan dat. Het is het gevoel machteloos te worden meegesleept in een brede stroom waarbij het onduidelijk is (en blijft), wie de maatschappelijke richting bepaalt en wie nu eigenlijk deze richting ook echt uitwil. Want de negatieve effecten van de huidige maatschappelijke organisatie zijn duidelijk, die spreken voor zich: kernenergie, seksisme, kernwapens, honger, hoge werkdruk, ziektes, concurrentie binnen de arbeidersklasse, algemene malaise en psychologische problemen bij veel mensen, verkeersdoden, een verstoord ecologisch evenwicht, oorlog, vluchtelingen, genetische manipulatie, onhaalbare sociale zekerheid, nationalisme, ‘atomisering van de samenleving’,… Het valt te betwijfelen of er veel mensen zijn die dat allemaal OK vinden… maar waarom veranderen we dan niet van richting? Is niet iedereen gewoon de pedalen kwijt? Heeft iemand nog antwoorden?

Dat anarchisten als Lewis Mumford (auteur van o.m. ‘The megamachine’) niet alleen staan met dit gevoel toont het boek van Miel Dekeyser aan: ‘1984: Krijgen [George] Orwell en [Aldous] Huxley gelijk?’. Dekeyser plaatst de twee auteurs van respectievelijk ‘1984’ en ‘Heerlijke Nieuwe Wereld’ tegenover elkaar en stelt de vraag of hun voorspellingen zijn uitgekomen: “Dat onze maatschappij voor Huxley’s consumptieparadijs gekozen heeft, blijkt overduidelijk. Maar dat het doel voorlopig buiten het bereik blijft, is even evident. De drie statussymbolen van de ‘Kranige Nieuwe Wereld’ worden nochtans onvermoeibaar verspreid. Seks, spel en slaaptabletten zijn de middelpuntvliedende krachten die de individuen verstrooien in onze sneldraaiende maatschappij. (…) Conclusie: Huxley is de meeste veldslagen aan ’t winnen, maar de oorlog nog niet. Daarom wordt Orwell er nog wel eens bijgeroepen om over de schouder van het individu mee te kijken. Het is evenwel een individu dat niet aan verzet denkt, maar alleen aan verbruik. Dat doet dan ook niet verwonderd wanneer hij loerende lenzen ontwaart in winkels en warenhuizen, langs drukke straten en op overvolle pleinen. Weggemoffeld in de massa voelt hij zich zelden prooi voor de politie. Het lijkt er wel op dat het bestendig begluren een vorm van noteren is. En daarmee is de verbruiker volledig vertrouwd. Computers, kassa’s, elektronische klokken, meters en tellers noteren ononderbroken wat hij koopt, tankt of verbruikt, wat hij ontvangt en wat hij uitgeeft. (…) Dat is de Huxleyaanse triomf: de consument heeft zichzelf klaargestoomd om geconsumeerd te worden. Het systeem [!] dat hij met hand en tand verdedigt, is in staat om hem met huid en haar te verslinden. … Daarom is hij zich dan ook diep bewust van zijn eigen onbenul, vast overtuigd van zijn vervangbaarheid…. Het berooft hem van bezit, maar het verlost hem van verantwoordelijkheid.” (Dekeyser, 1984: 242, 243)

Dekeyser gebruikt inderdaad zelf ook de dezelfde ‘vage’ term ‘systeem’. Maar ook ‘gewone’ mensen doen dat. Herinner je “Het systeem is rot tot op het bot” van de Witte Mars. Er is weinig kans dat veel mensen uit de Witte Mars de term kenden van Mumford of zelfs van Dekeyser. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat Mumford de onmiskenbaar autoritaire reflex binnen (een deel van) de Witte Mars zou goedgekeurd zou hebben, al zou hij het met de slogan op zich wel eens zijn. Maar het wijst wel op hetzelfde gevoel van stuurloosheid en machteloosheid dat volgens Erich Fromm de psychologische ingesteldheid is die het fascisme voortbrengt, zeker als dat gevoel samengaat met een conformerende drang en in een context waarbinnen elk protest hoe dan ook 'in goede banen wordt geleid' wordt.

Bertram Gross, ook uitvoerig geciteerd door Dekeyser, gaat in zijn boek ‘Friendly Fascism’ nog een stapje verder. In dat boek gaat hij in de geschiedenis op zoek naar wat de gemeenschappelijke, institutionele kenmerken zijn van de regimes die als ‘fascistisch’ worden omschreven. Hij komt tot een schokkende definitie. Schokkend in haar elementaire eenvoud, maar ook en vooral in haar consequenties: "De structuur die fascistische regimes definieert is een door bedrijven gedomineerde alliantie tussen grootkapitaal en een sterke regering die de uitbreiding van een bedrijfsoligarchie ondersteunt." (Gross cit. in ‘tekst themastand’ van Tegenstroom)

Natuurlijk valt er veel meer over fascisme te zeggen ‘als specifieke sociale organisatie met een eigen historiek in dynamiek’. Sommigen zullen tegenwerpen dat niet elke dictatuur ‘fascistisch’ is en dat de term door Gross verkeerd werd gekozen. Gross wil echter naast de werken die op de verschillen en specificiteit ingaan ook een onderzoek doen naar wat de gemeenschappelijke kenmerken ervan zijn.

De definitie van Gross lijkt echter wel van toepassing op de sociale organisatie van de hedendaagse samenleving: de sterke banden tussen ’kerk’, ‘kapitaal’ en ‘staat’ lijken duidelijk, al is de zeggenschap over kapitaal en staat geëvolueerd en zelfs vaak van eigenaar gewisseld. Soms viel zowat alle zeggenschap in één instituut of zelfs bij één persoon samen. De economische invloed van het Vaticaan groeide, terwijl de zwakkere pausen in tegenstelling tot hun gezaghebbender ambtgenoten alle politieke invloed verkwanselden, enz. Dat de waarheid dus oneindig veel complexer is dan dat, is een feit. Dat de historische trend naar hiërarchisering bestaat, is evengoed een feit: een trend naar complexe relaties tussen kerk, staat en kapitaal die misschien wel de bevolking tegen elkaar uitspelen, maar het volk nooit rechtvaardig kunnen behandelen en het toelaten zelfstandig te worden.

Misschien nog de allerbelangrijkste argumenten om het hartsgrondig met Gross eens te zijn de persoonlijke ervaring van actievoerders: de arrestaties, beledigingen, processen, het doodzwijgen, het doodknuffelen, de minachting, intimidatie, de misvattingen en het gedrag van de ‘onafhankelijke’ pers, het verraad van vakbonden en andere organisaties die er zijn ‘in ons belang’,…

De strategie van macht (zij het die van kerk, staat en kapitaal,...) is altijd tweeledig: het ‘fabriceren van toestemming’ enerzijds en repressie anderzijds. Het geheel waarbinnen dat gebeurt werd hierboven ‘het systeem’ genoemd: een diffuus fascisme. Het systeem begrijpen is belangrijker dan individuele verantwoordelijkheden vast te stellen. De structuur brengt de details voort.

Dat ‘het systeem’ roekeloos omspringt met haar ‘grondstoffen’ om zichzelf in stand te houden (of liever: dat iedereen gedwongen is op die manier –uit overlevingsdrang- het systeem in stand te houden) is duidelijk. Die grondstoffen kunnen ecologisch van aard zijn (waterschaarste; broeikaseffect; afvalbergen van huishoudelijke, agrarische en industriële aard, kernafval; allerlei chemicaliën; …) of menselijk -Human Resources- (burn-out en psychische problemen, escapisme en nood aan leidersfiguren; massale hongersterfte; massale sterfte door epidemieën als AIDS, malaria,…; oorlogen in ongeziene frequentie op ongeziene schaal ; …) en dierlijk (jaarlijks miljoenen dieren voor voeding, kleding, ‘wetenschappelijke’ proeven,...).

Misschien zijn er argumenten om één en ander anders te bekijken. De conclusie van de meeste anarchisten is duidelijk: in de grote lijn is het ‘vriendelijk’ ‘fascisme’ de maatschappelijke structuur waarin we leven. Dat is wat anarchisten bedoelen als ze die vage term ‘het systeem’ gebruiken.

Samengevat zijn er een aantal factoren die de wereld ‘gemaakt’ hebben tot wat hij nu is: ze hebben er althans een bepalende invloed op gehad. Zonder volledig proberen te zijn is dit de lijst die we terugvinden: -kerk / religie / filosofie: maatschappelijke invloed (rechtstreeks en psychologisch); -staatvorming, nationalistische concurrentie en repressie van de ‘binnenlandse vijand’; -opkomst en primaat van het kapitaal ten ‘nadele’ van de erfelijke adel; -technologie, creatie van de (arbeiders)massa en arbeidsethos en de uitbouw van transport; -uitbouw van de massacommunicatie, Public Relations en propaganda; censuur; -intensief gebruik van steeds meer hulpbronnen (natuurlijk, menselijk, dierlijk: steeds grotere nood aan ‘primaire accumulatie’ ); territoriale uitbreiding in kolonisatie.

Daarnaast hebben onnoemlijk veel concrete gebeurtenissen en situaties de realiteit dialectisch bepaald. Maar er zijn een aantal andere factoren die in ons verhaal geen plaats vonden, die als het ware onder de opsomming hierboven verborgen zitten: de (on)gelijkwaardigheid tussen man en vrouw; racisme; de versnelling van tijd en een steeds grotere impact van tijd; de ‘dood van God’; scholing en verkiezingen als disciplinering; medische wetenschap en epidemieën; andere voedingsproducten en productiewijzen (bemesting,…); baanbrekend wetenschappelijk werk als de ontdekking van rubber, evolutieleer , het feit dat de aarde om de zon draait en niet omgekeerd en het gezag van de ‘objectieve’ wetenschap; demografische ontwikkelingen; misoogsten; …

Al die dingen hebben hun invloed gehad op de psychologische / individuele, sociale / economische en de politieke gesteldheid.


I. B. DE WERELDGESCHIEDENIS IN EEN NOTEDOP

We kunnen dit verhaal misschien het best beginnen met een citaat van Erich Fromm. Om het nazisme te begrijpen gaat hij op zoek naar de fundamenten van het mens-zijn. Daarbij combineert hij de inzichten van geschiedenis, psychologie en sociologie. “De sociale geschiedenis van de mens begint bij zijn opstijgen vanuit een toestand van ongedeelde eenheid met zijn natuurlijk milieu tot een besef van zichzelf als een van omgevende natuur en medemens gescheiden individueel zijn. En toch bleef dit besef uiterst vaag en zwak gedurende lange perioden der geschiedenis, en was de individuele mens ook toen nog nauw verbonden met de natuurlijke en maatschappelijke wereld waaruit hij verrees. Zich deels bewust van zichzelf als afzonderlijke eenheid, voelde hij zich deels ook onderdeel van hem omringende wereld. Het groeiproces van het individuele in zijn opkomst uit oorspronkelijke bindingen, een proces dat wij ‘individuatie’ mogen noemen, schijnt wel zijn top in de moderne geschiedenis te hebben bereikt –in de eeuwen tussen Hervorming en dit heden. In de levensgeschiedenis van een menselijk individu ontdekken wij hetzelfde proces. Een kind wordt geboren en is dan niet langer één met zijn moeder, maar wordt een biologische entiteit, van haar onafhankelijk. En toch blijft dit kind gedurende een aanzienlijke periode functioneel met de moeder één, al is deze biologische scheiding ook het begin van individueel menselijk bestaan.” (Fromm 1952 : 26) De bewering van Fromm hierboven wijkt niet erg af van de algemene interpretatie van de geschiedenis, zeker in dit tijdperk van ‘postmodernisme’ en ‘individualisme’ en de ‘atomisering van de maatschappij’. Fromm ziet deze evolutie ook in de economische geschiedenis, hoewel hij er ongetwijfeld geen natuurwet in ziet. Wel ziet hij in die individualisering een streven van de mens, die zijn vrijheid met wisselend succes vorm geeft. Een streven dat op de nodige psychologische en sociale weerstanden stuit ook. Deze stelling is één van de openingsstellingen uit een boek dat een verklaring probeert te vinden voor het ontstaan en groeien van het fascisme / nazisme (‘De angst voor vrijheid’).

In feite kan –in tegenspraak met Fromm hierboven- de geschiedenis evengoed worden gezien als een neigen naar steeds verdergaande machtsconcentratie: de eigenlijke beslissingen worden (ook fysiek) steeds verder van de mensen weg genomen: ‘Rome’, ‘Brussel’, ‘Genève’, ‘Washington’,… zijn niet enkel steden maar worden ook als begrip gebruikt voor hun respectieve invloedssferen: de Kerk, Europese Unie, Wereld Handels Organisatie, Verenigde Staten,… Chomsky ziet deze evolutie ook: “Nu je een transnationale economie hebt, krijg je een transnationale staat. Niet toevallig. De Financial times beschreef dit een paar jaar geleden als een de facto wereldregering, ingerekend de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, en GATT, dat nu de Wereldhandelsorganisatie geworden is, de G8 enzovoort."

We kijken met andere woorden aan tegen een maatschappelijke hiërarchisering van de wereldwijde samenleving parallel met de persoonlijke individualisering. Daarnaast is die vrijheidsdrang ook niet nieuw. Zo vindt Peter Marshall in zijn geschiedenis van het anarchisme inspiratie in de Tao, een oude Chinese filosofie die onder meer stelt: In een goedgeordende samenleving “volgt mens de aarde. De aarde volgt de hemel. De hemel volgt de Tao. De Tao volgt wat natuurlijk is.” (Wei Lang in Demanding The Impossible, p. 57) Centraal in het Taoïsme staat ‘wu-wei’ (letterlijk ‘zonder artificiële, bedachte activiteit die zich bemoeit met natuurlijke en spontane ontwikkeling’) dat taalkundige gelijkenissen heeft met de Griekse term ‘an-archia’ (letterlijk ‘zonder leider / heerser’). Belangrijk hier is niet de vraag of Taoisme gelijkgeschakeld kan worden met anarchisme maar de vaststelling dat het in de geschiedenis deel uitmaakt van dezelfde stroom. Zeker als men beschouwt waartegenover zowel Tao als het anarchisme stelling tegen innemen. In die tijd nam het Taoïsme duidelijk afstand van het Confucianisme dat traditioneel ‘mannelijke’ waarden als plicht, (externe) discipline en gehoorzaamheid naar voor schoof.

Het centrale punt hier is dat deze twee stromingen of tendenzen, de ‘libertaire’ en de ‘autoritaire’ blijkbaar al sinds mensenheugenis ‘naast’ elkaar bestaan. Dat er twee historische maatschappelijke trends zijn waartussen de krachtsverhoudingen steeds opnieuw bepaald moeten worden, die hun uitdrukking elke dag opnieuw krijgen in het (samen-)leven van mensen. Krachtsverhoudingen en levens die steeds nieuwe vormen aannemen.


DE BOUWSTENEN: tot de 18e eeuw.

Kerk, staat, kapitaal en psychologie.

Fromm is bij uitstek iemand die zo veel mogelijk verschillende factoren wil combineren. Hij laat zowel Marx als Freud los op de geschiedenis waarbij hij schaamteloos interpreteert, bekritiseert en combineert. Één van de zeer belangrijke gebeurtenissen in die historiek is volgens hem de houding die Luther en Calvijn hebben gehad tegenover de vrijheid en de eeuwige schuld van de mens. Drie grote mogelijk manieren om voor de vrijheid te vluchten acht hij verantwoordelijk voor het ontstaan van het fascisme / nazisme: autoritarisme, destructivisme en automatisch conformisme.

Hij begint de beschrijving bij de Middeleeuwen om het ontstaan van het kapitalisme te verklaren:

“In het kader van het middeleeuws systeem was het kapitaal de dienaar van de mens, maar binnen het modern systeem werd het zijn meester. In de middeleeuwse wereld waren de economische handelingen middel tot een doel, en dit doel was het leven zelf of, zoals de Katholieke Kerk dit stelde, het zielenheil van de mens. Economische handelingen waren noodzakelijk en zelfs rijkdom kon voor Gods doeleinden dienstig zijn, maar al deze uiterlijke activiteit bezat slechts zin en waarde in zover daarmee het leven en zijn doelen zelf bevorderd werden? Economische activiteit en winstbejag als een doel op zichzelf kwamen de middeleeuwse denker even ongerijmd voor als hun ontbreken voor het hedendaags denken zou zijn.

Het is vervolgens in de kapitalistische economie, dat succes, materiële winst en economische activiteit tot doel op zich worden. De mens krijgt tot levenslot, bij te dragen aan de groei van het economisch systeem, kapitaal te verzamelen, niet voor eigen geluk of heil, maar als een doel op zichzelf. De mens werd een tandrad in de gigantische machine der economie –groot indien in het bezit van veel kapitaal, nietig indien zonder bezit- maar nooit meer dan een radertje en dienst van iets dat buiten hemzelf lag. En deze bereidheid, zich aan buitenmenselijke doeleinden te onderwerpen, was in wezen door het Protestantisme voorbereid, hoe vreemd ook de goedkeuring van zulk een overheersing van economische activiteiten zou zijn aan de eigen gedachten van Luther en Calvijn. Het was hun theologische leer welke de bodem voor deze ontwikkeling had bereid, door ’s mensen geestelijke ruggengraat, zijn gevoel van waardigheid en trots, te breken en hem voor te houden, dat zijn activiteit slechts op doelen buiten hemzelf gericht is.

Als een der hoofdzaken in de leer van Luther vonden wij in een vorig hoofdstuk de zware klemtoon op de verdorvenheid der menselijke natuur, en de nutteloosheid van wil en streven. En ook Calvijn legde dezelfde nadruk op de menselijke slechtheid, om in het centrum van zijn gehele systeem de gedachte te stellen, dat de mens zich in zijn trots tot het uiterste moet vernederen, en er bovendien geen ander doel voor het menselijk leven bestaat, dan alles de heerlijkheid Gods. En daarmee maakten zowel Luther als Calvijn de mens psychologisch rijp voor zijn rol binnen de moderne maatschappij –voor een houding en een besef van eigen nietigheid en een bereidheid, het leven uitsluitend aan vreemde doeleinden te onderwerpen. Eenmaal bereid, niets anders te zijn dan het middel tot de heerlijkheid van een God zonder rechtvaardigheid of liefde, was deze mens ook voldoende voorbereid, de rol van knecht der economische machine –en eventueel van een ‘Führer’- op zich te nemen.

De ondergeschiktheid van het persoonlijk leven als een middel tot economische doelen wortelt in het specifieke van de kapitalistische productie, waarin de opeenhoping van kapitaal tot taak en doel der economische activiteit geworden is. Men werkt ter wille van de winst, maar van een winst die niet bedoeld is om uitgegeven te worden maar als nieuwe kapitaalinvestering…” (Fromm 1952 : 85, 86).

Fromm noemt hier de traditionele vijanden van het anarchisme op in zijn beschrijving: drie soorten instituten die –soms in samenwerking, soms in hun onderlinge strijd om macht het volk verdrukkend- elk op hun manier de bevolking (het proletariaat, de arbeidersklasse,…) proberen te beheersen en naar hun behoeften te vormen en te plooien. We hebben het over ‘staat’, ‘kerk’ en ‘kapitaal’.

Er zijn talloze voorbeelden te geven van spanningen tussen (en binnen!) deze drie. Denken we maar aan de hierboven genoemde Reformatie, oorlogen tussen naties, dodelijke concurrentie tussen grootkapitalisten. Denken we maar aan de vorming en de opkomst van de nationale staat (weg van het feodalisme) in o.m. Duitsland, Frankrijk,… Denken we maar aan de strijd om de hoogste wereldse macht tussen de kerk en de verschillende Europese staten. Denken we maar aan het verzet van de adel tegen de sterker wordende en relatief nieuwe klasse van handelaars die de adel achteruitschoof. Denken we maar aan het feit dat winst (en zeker rente) voor de Katholieke Kerk eeuwenlang een zonde geweest is, wat rechtstreeks aanleiding heeft gegeven tot weerstand tegen ‘Joodse woekeraars’ die niet door dit verbod gebonden waren (en bij wie de Kerk zelf ook regelmatig moest gaan lenen).

Toch gaan deze drie hand in hand door de geschiedenis. Ze zijn min of meer samen ontstaan, samen opgegroeid. Ze hebben onderling een relatief evenwicht gevonden. Het aantal ‘volksvertegenwoordigers’ dat voor, na of tijdens hun openbaar ambt terecht kunnen in de hogere regionen van de bedrijfswereld is veelzeggend. De ‘wereldlijke’ invloed van de Kerk op de staat hoeft weinig betoog, noch in het ‘Westen’ (de Katholieke Kerk) als in het ‘Oosten’ (de Imam’s). De hoeveelheden geld die bijvoorbeeld het Opus Dei als gift krijgt van bedrijfsleiders (een voorname doelgroep van de ‘soldaten van de paus’, zoals ze soms genoemd worden). De synergie ‘staat’ en ‘kapitaal’ is historisch gegroeid. Zo bijvoorbeeld in de V.S.: “Doorheen het grootste deel van de negentiende eeuw stelden ondernemingscharters en ondernemingswetten grenzen aan de levensduur van ondernemingen. Ze regelden de relatie tussen aandeelhouders en directeurs / managers; ze hielden directeurs, managers en aandeelhouders verantwoordelijk voor het leed die hun beslissingen veroorzaakten... Tegen de vroege twintigste eeuw waren ondernemingen en de grote 'trusts' van de 'Robber Baron' (dievenbaron) machtig geworden dankzij overheidsuitgaven gedurende de Burgeroorlog, massa's subsidies van het Congres en gunstige wetsinterpretaties door VS- rechters. In 1886 gaf het VS - hooggerechtshof te kennen dat een onderneming een 'natuurlijk persoon’ was. De leiders ervan waren dus niet rechtstreeks verantwoordelijk te stellen. Het proces was begonnen, ..." (tekst themastand)

Het verhaal in Europa was niet anders met bijvoorbeeld de Oost- en West-Indische Compagnieën. Of de ‘kerstening’ van de ‘Indianen’ bij de ‘ontdekking’ van ‘Amerika’ door de zendelingen van de Katholieke Kerk.


Technologie.

Een andere bepalende factor in dit proces is ongetwijfeld de technologie, wiens verhouding met de samenleving door Lewis Mumford in zijn boek ‘Technics and Civilisation’ in drie overlappende fases wordt verdeeld: het ‘eotechnic’ (de tijd van hout en water), het ‘paleotechnic’ (de tijd van steenkool en stoom) en het ‘neotechnic’ (de tijd van elektriciteit en legeringen en recenter de ‘nieuwe technologie’). Hij ontwaart nog een andere breuklijn:

“Wat ik democratische techniek zou noemen is de kleinschalige productiemethode die hoofdzakelijk bouwt op de menselijke bedrevenheid en dierlijk energie maar die altijd, zelfs bij het gebruik van machines, onder de actieve leiding van de ambachtsman of de landbouwer blijft, waarbij elke groep zowel haar eigen gaven ontwikkelt via aangepaste technieken en sociale rituelen als de gaven van de natuur verstandig gebruikt. Deze technologie had een beperkt bereik, maar juist omwille van haar wijde verspreiding en haar bescheiden eisen had ze een groot aanpassings- en recuperatiecapaciteiten.

Deze democratische techniek heeft tot de dag van vandaag elke historische cultuur gesteund en aangemoedigd tegen, en verlost van de voortdurende neiging van de autoritaire techniek om zijn macht te misbruiken. Zelfs als ze in dienst stond van de meest autoritaire regimes, bleef er in de werkplaats of de boerderij een graad van autonomie, keuzevrijheid en creativiteit. Geen koninklijke scepter, geen slavendrijverszweep, geen bureaucratische richtlijn liet zijn merkteken achter op het textiel van Damascus of de potterij van het 5e eeuwse Athene.

Als deze democratische techniek teruggaat tot het vroegste gebruik van werktuigen, is autoritaire techniek een recenter verschijnsel: ze ontwikkelt vanaf de 4e eeuw voor Christus in een nieuwe verhouding tussen technische uitvindingen, wetenschappelijke observatie en gecentraliseerde politieke controle, die ontstaan gaf aan de bijzondere levenswijze die we nu –en zonder ze op te hemelen- als ‘beschaving’ kunnen bestempelen. Onder het nieuwe instituut ‘koningschap’ werden activiteiten verenigd die tot dan toe verspreid, gediversifieerd en op mensenmaat waren geweest. Ze werden nu gecentraliseerd op een monumentale schaal in een geheel nieuw soort godsdienstig-technologische massa-organisatie. In de persoon van een absoluut heerser, wiens woord wet was, kwamen krachten met kosmische afmetingen op aarde nedergedaald, de inspanningen mobiliserend en verenigend van duizenden mensen die tot dan al te autonoom en te gedecentralisserd waren geweest om vrijwillig eensgezind te werken voor doelstellingen die achter de dorpshorizon lagen.

Niet dat Mumford technologie als dusdanig verwerpt:

“…ik toon hoeveel heilzamer haar echte verbeteringen zullen zijn eens we het hele systeem onder controle krijgen en het voor onze eigen doeleinden gebruiken in plaats van de megamachine toestaan ons voor haar doeleinden te gebruiken. …Eens volledig geïnstalleerd zouden onze hele levens in de handen zijn van hen die het systeem controleren. … De klucht van de hele zaak is dat deze misval van technologie het ultieme doel is geweest van bijna alle utopias…” (Mumford, 1986, p15)

Een aspect dat traditioneel nauw samenhangt met technologie is haar verhouding met / invloed op de ecologische wereld. Zo is steenkool in Engeland ondermeer zo belangrijk geworden omdat tegen die tijd de meeste bossen waren gerooid (behalve die in eigendom van kerk en andere rijken waren; we hebben het vooral over de bossen op collectieve grond). Het feit dat steeds meer bossen werden geprivatiseerd speelt natuurlijk een rol. Het verhaal toont aan dat zovele factoren in heel concrete verhalen echt op elkaar inwerken. Het ecologische feit bijvoorbeeld dat een heel aantal mijnen toen bovengrondse mijnen waren maakte het massale gebruik mogelijk, net zoals de waterpomp op stoom de ondergrondse mijnbouw mogelijk maakte. Het toont ook aan dat ecologische problemen niet het absolute alleenrecht is van onze tijd.


Arbeidsorganisatie en disciplinering: het creëren van de massa.

Mumford hemelt ook de periode voor de industriële revolutie niet op. “Ook al moeten we de voorgaande tijd niet idealiseren en niet vergeten dat er ook toen echt kapitalistische verhoudingen heersten…”, stellen ook John en Paula Zerzan (Zerzan J. en P., 2000) in een artikel met een titel die dadelijk de teneur weergeeft: ‘Industrialisering en disciplinering’. Daarin gaan ze in de geschiedenis van Engeland zoeken naar de oorsprong van ‘de moderne begrippen arbeidsdeling, vooruitgangsideologie en arbeidersbeweging’.

Twee belangrijke elementen brengen ze daarbij nog aan. Enerzijds in wijzen ze ook op de politieke dimensie van die industrialisering.

“De in die tijd (+1750) overheersende vorm van nijverheid was het thuiswerken of ‘uitbesteden’, waarbij de werkers de goederen thuis makten en de kapitalisten in hoofdzaak handelaren waren die de grondstof leverden en de eindproducten verkochten. …De mensen werkten zonder toezicht voor verschillende opdrachtgevers en beschikten zelf over hun tijd, waardoor zij een zekere onafhankelijkheid behielden.”

Dit was het geval door wat ze deden en op welke manier, maar evengoed voor wanneer en hoe lang, wat meestal betekende dat ze het op eigen manier deden in hun eigen tempo, net genoeg om te overleven. En dat kon niet als de winsten van de handelaars ‘gemaximaliseerd’ wilden worden.

Ook de politieke instabiliteit die vanaf de acttiende eeuw toenam was hierbij een factor:

“Toen de bazen eenmaal goed door hadden dat zij te maken hadden met een weerspannige, vijandige werkende klasse met een moraal, arbeidsgewoonten en een cultuur die gebroken moest worden, werd het fabriekswerk op zich het voornaamste middel om een vijandig karakter veilig en betrouwbaar te maken. … In zijn klassiek geworden werk ‘The Wealth of Nations’ zag Adam Smith heel goed dat het succes van het industriële kapitalisme vooral een gevolg was van de arbeidsdeling, dat wil zeggen een steeds verdergaande specialisatie en verdwijnende veelzijdigheid. Hij zag ook dat de arbeidsdeling evenzeer te maken heeft met de productie en de verdeling van goederen. En de nieuwe orde hangt ook samen met consumptie en met de behoefte zeker te zijn van de beheersing van de productie… Tussen haakjes, de vraag van bisschop Berkeley uit 1755 ‘of het scheppen van behoeften niet de meest voor de hand liggende voor de hand liggende manier is om mensen tot werklust te brengen’, is alleszins ter zake. …Dat allerlei goedkope, als twee druppels water op elkaar lijkende spullen een lokmiddel konden worden was vooral doordat plezierige dingen van vroeger onder dwang verdwenen waren. Als er meer ruimte was voor eigen initiatieven en meer keuzemogelijkheid, veranderde het vermaaks- en consumptiepatroon. Dit was natuurlijk één van de dingen waar het fabrieksstelsel een einde aan moest maken, ‘de door economen zo betreurde neiging om minder te werken als het voedsel goedkoop was’, zoals Christopher Hill schreef.” (Zerzan J. en P., 2000)

Diezelfde Hill wordt even later nogmaals geciteerd:

“Wat verloren ging door de fabrieken en door de opdeling van de gemeenschappelijke grond was de onafhankelijkheid, de afwisseling en de vrijheid die de kleine producenten hadden genoten”,

waarna de Zerzans verder gaan:

“Adam Smith gaf toe dat de nieuwe arbeidsdeling een ‘geestelijke verminking’ tot gevolg had. Robert Owen had het ook over deze verandering toen hij in 1815 verklaarde dat ‘de algemene verbreding van manufacturen over een land een ander karakter…een diepgaande verandering in het algemene karkater van de massa van de mensen tot gevolg heeft’. In 1819 was de hervormer Francis Place, toen hij het had over de bevolking van het geïndustrialiseerde deel va Lancashire, blij te zien dat waar het ‘tot voor kort heel gevaarlijk zou zijn geweest 500 mensen waar dan ook bij elkaar te brengen… rustig 100.000 mensen bij elkaar kunnen zijn zonder dat er een rel ontstaat’.”

Toch rest er nog het tweede aspect dat de Zerzans naar voor brengen en dat vooral van belang is in het licht van de geschiedenis van het verzet tegen het industriële kapitalisme. Hij plaats bovenstaande analyse in de geschiedenis van het verzet tegen deze evolutie en gaat daarnaast in op de houding van de marxisten ertegenover. Die zien het communisme als hoogste stadium van het kapitalisme: “Dit hangt nauw samen met het marxistische begrip ‘revolutionaire instandhouding’, dat wil zeggen dat de proletarische revolutie de verworvenheden en de productiviteit van het kapitalistische economisch model niet zal verstoren.” (Zerzan J. en P., 2000)

De houding van het marxisme tegenover arbeid en de arbeidsdeling, de rol die ervoor is weggelegd of de organisatiewijze van die arbeid is fundamenteel gelijk aan de houding van het kapitalisme. We komen hier verder nog op terug, al kunnen we nu al stellen dat die houding van het marxisme tegenover de disciplinering via arbeid, arbeidsdeling (en dus het ‘proletariaat’) de specialisering en de daarmee samenhangende, door zijn monopolie altijd autoritaire ‘deskundigheid’ mee heeft geleid tot de splitsing van de ‘1e Internationale’, waarvan de gevolgen niet te overschatten zijn voor het socialisme.

Een belangrijk aspect waar hier op gewezen wordt is dus ook de organisatievorm (van de arbeid) zelf, die bepalend is voor zoveel van de andere factoren die we hier proberen te beschrijven. Organisatievormen zélf blijken niet zonder wijd uitdijnende en verstrekkende gevolgen en zijn in die zin ook niet waardenvrij te beoordelen, een stelling die in de politieke context bij niemand vragen oproept maar vaak over het hoofd wordt gezien bij het beschouwen van economische organisaties. Er wordt wel aandacht geschonken aan ‘organisatiecultuur’, hoewel dan meestal enkel of hoofdzakelijk vanuit het standpunt van de ‘efficiëntie’ en dus de winst. De focus blijft geheel de traditionele context van het bedrijf, er wordt weinig aandacht geschonken aan de karaktervormende aspecten van deze organisatievorm, die gekenmerkt wordt door hiërarchie. Waarmee we terug aanbeland zijn bij de samenhang tussen maatschappelijke processen en psychologische invloed en effecten waar ook Fromm zo veel aandacht voor heeft. De cirkel lijkt rond.


Kolonisatie: ‘externe primaire accumulatie’

Om kort te gaan zijn er misschien nog drie stadia te ontwaren in de evolutie nadat de funderingen hierboven waren gelegd. In een eerste stadium begon hun onderlinge chemie te werken. In een tweede kreeg de ‘nieuwe wereld’ vorm. Dat gebeurde in de hele ‘ontdekte’ wereld op vrij analoge manier.

Nieuw ontdekte gebieden dienden in de eerste plaats voor de primarie accumultaie: ze werden leeggehaald om de economische machinerie in het moederland te voeden. Dit bracht ook in Europa (politieke en andere) aardverschuivingen teweeg.

Het volgende citaat draagt een heel aantal van de elementen met zich mee en kijkt vanuit een niet-Europees standpunt; het werpt ook licht op de tegenstand die de ‘nieuwe wereld’ opriep:

“Land en vrijheid.

De Mexicaanse Revolutie bestond in feite uit twee revoluties. De eerste stond onder leiding van twee guerillaleiders uit het volk, Pancho Villa in het noorden en Emiliano Zapata in het Zuiden. Hun doel was sociale rechtvaardigheid gebaseerd op lokaal zelfbestuur te bewerkstelligen. De tweede werd geleid door mensen met meer opleiding uit de middenklasse, intellectuelen, veefokkers en kooplui, die een modern, democratisch, progressief Mexico voor ogen hadden dat vanuit het midden door een sterke nationale regering geleid werd.

Zowel de boerenleiders als de leiders uit de middenklasse voelden zich in hun verwachtingen teleurgesteld door het langdurige bewind van Porfirio Diaz, die tussen 1877 en 1911 met ijzeren vuist over Mexico regeerde. Diaz, die zelf een dappere guerillastrijder onder Benito Juarez was geweest, had het presidentschap verkregen onder het banier van de Latijns-Amerikaanse liberalen. Voor hem hield het begrip ‘orde en vooruitgang’ geen democratie of sociale rechtvaardigheid in; het betekende snelle economische ontwikkeling ten gunste van een elite, waarbij ondemocratisch middelen het doel heiligden.

Aanvankelijk sloofde Diaz zich uit voor de middenklasse. Er verschenen nieuwe groepen zakenlieden, bestuurders en veefokkers op het toneel, toen hij buitenlandse en nationale investeringen in olie, spoorwegen en landontwikkeling begon te stimuleren. (Tijdens zijn regime breidde het spoorwegnet in Mexico zich uit van 1150 kilometer in 1881 tot 14.500 kilometer in 1900.) Maar door dit beleid zagen duizenden traditionele boeren en handwerkslieden zich genoodzaakt land- of fabrieksarbeider te worden, terwijl het haciëndasysteem, dat door liberale hervormingswetten werd versterkt, de traditionele boerengemeenschappen van hun laatste erfelijk bezit beroofde.

Land, water en bossen werden door de haciënda’s opgeslorpt. Steeds meer boeren verloren hun land en waren gedwongen als slaven op de enorme plantages te werken. Een daarvan, de Terrazas-plantage in Chihuahua, was groter dan België en Nederland bij elkaar, en het kostte een hele dag en een nacht om er per trein doorheen te rijden. Buitenlandse bezittingen waren al even uitgestrekt. In 1910 bezaten de Verenigde Staten alles bij elkaar 22 procent van het grondoppervlak van Mexico, ruim 40 miljoen hectare, waaronder een groot deel van de rijkste mijn-, landbouw- en bosgebieden. Alleen al de bezittingen van William Randolph Hearst besloegen zo’n 3,2 miljoen hectare.

Schuld werd de belangrijkste keten van de campesino –schuld bij de winkel van het bedrijf waarvoor hij werkte, een schuld die van generatie op generatie werd overgeheveld. In 1910 was 98procent van de landbouwgrond in Mexico had niets. De bevolking bestond voor 80 procent uit mensen van het platteland, en bijna 90 procent was analfabeet. Maar het ontwikkelingsbeleid van Diaz maakte ook van duizenden boeren en handwerksleiden land- en fabrieksarbeiders. Diaz moest sterke veiligheidstroepen op de been brengen om te voorkomen dat er vakbonden kwamen, om stakingen te breken en te zorgen dat de arbeidskrachten goedkoop bleven, omdat anders noch zijn lokale aanhang noch het toenemende aantalbuitenlandse belanghebbenden profijt zouden trekken van of zouden investeren in de explosief groeiende Mexicaanse economie.

Ontevredenheid en rebellie onder de arbeiders op het land en in de fabrieken werden daardoor onvermijdelijk. Porfirio Diaz had een wreed en sarcastisch antwoord voor hen klaar: ‘Maak ze af zolang ze nog heet zijn!’

Binnen twee maanden brachten twee industriële stakingen zijn bewind aan het wankelen. In 1906 riepen de arbeiders in de kopermijn van Canacea niet alleen het dictatorschap van Mexico maar ook zijn buitenlandse bondgenoten ter verantwoording. Diaz moest de Arizona Rangers inschakelen om de opstand van de mijnwerkers te onderdrukken, om ‘Amerikaanse levens en bezittingen te beschermen’. In december kwam de Kring van Vrije Arbeiders van de textielfabriek in Rio Blanco in opstand tegen een situatie die totale afhankelijkheid van de winkel van de fabriek, een abominabele behuizing, het gebruik van persoonsbewijzen en pasjes en censuur op de te lezen lectuur inhield. Ditmaal stuurde Diaz het federale leger erop af om op de arbeiders te schieten, hun lichamen op goederenwagons te laden en ze naar Veracruz te vervoeren, waar ze in zee werden gegooid.

Het beleid van Diaz, opgelegd aan een hoofdzakelijk agrarische maatschappij, zorgde voor een uitermate sterke klasse van landeigenaren, een zwakke burgerij, een vertrapte boerenbevolking en een arbeidersbeweging die niet van de grond kon komen. Uiteindelijk bracht het onvermogen om het regime te legitimeren een diepgaande vervreemding van de leiding teweeg. Langzaam maar zeker werden zelfs de geïsoleerde middenklassen, die aanvankelijk door Diaz bevoordeeld waren, afvallig. Ze voelden zich buitengesloten omdat de grootste winsten naar buitenlandse bedrijven gingen, die veel belang hadden bij exportgoederen uit Mexico, maar die zich nauwelijks bekommerden om de interne economische groei van het land.

Onderdrukking, gebrek aan mogelijkheden, nationalistische sentimenten (die veefokkers uit Arizona, die bezittingen van Hearst), ontvankelijkheid voor economische crises in het buitenland, aanspraken op het land en nieuwe aanspraken op de macht brachten tenslotte de boeren, de arbeiders, de middenklasse en de provinciale elite bij elkaar in een revolutie. Zoals dat zo vaak gebeurt was de maatschappij de staat ontgroeid en had de staat dit niet in de gaten. Maar een diepere onderliggende kwestie voor Mexico en geheel Latijns-Amerika gold de maatstaven waarmee het ‘modern zijn’ gemeten moest worden in een traditionele agrarische maatschappij. …” (Fuentes, 1992: 286,288,289)

Fuentes is, in tegenstelling tot de meeste van de auteurs hierboven, niet van enige anarchistische sympathieën te ‘verdenken’. Daarvan getuigt ook zijn analyse over het ‘legitimeren van het regime’ en vindt de ‘vervreemding van de leiding’ een probleem. Ook volgend citaat is daar een goed voorbeeld van:

“Wij hebben de hoop gekoesterd dat de initiatieven die ontstaan uit een crisis in de onderste gelederen zich zullen uitbreiden. Maar wij vrezen ook dat wij niet genoeg tijd hebben –dat instituties die ten onder gaan in de schulden, inflatie en onbeantwoorde verwachtingen, door het leger of door volksopstanden omvergeworpen zullen worden, en dat fascistische of zelfs wrede ideologische groeperingen het voortouw zullen grijpen.” (Fuentes, 1992: 343)

Toch haalt hij in zijn beschrijving een goed deel van de elementen aan die wij ook hierboven hebben aangeduid als voorwaarden voor de dynamiek van dit systeem en de geschiedenis van de wereld sinds het ontstaan van die dynamiek. Het verhaal dat hij doet gaat in grote lijnen op voor de niet-Europese wereld en zelfs voor de dynamiek binnen dat Europa zelf. Een groot verschil kan misschien de kolonisatie zijn, daar waar de expantiedrang binnen Europa relatief beperkt is gebleven. Op ‘uitzonderingen’ na, natuurlijk. Denken we maar aan de rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland. Het lijkt erop dat de economische expantie buiten Europa belangrijker was dan de politieke, terwijl dat binnen Europa net omgekeerd was.


DE AFWERKING: 20e eeuw.

Wereldoorlogen.

Tot een volgend groot keerpunt: de twee Wereldoorlogen, die volgden op een economische crisis zonder weerga. De overschakeling naar een oorlogseconomie en de disciplinering en propaganda die dat met zich meebracht lijkt de elites in zowat alle landen goed uitgekomen te zijn. De effecten ervan zinderen ook nu nog rechtstreeks door, gaande van het uitvinden van een aantal managementconcepten als ‘logistiek’ en ‘assessment-centre’ (de V.S.) tot het ‘Ijzeren Gordijn’ (een nazi-term) tot het gebruik van (nationalistische) propaganda door alle kampen en het uitroeien of kanaliseren van elk ‘binnenlands gevaar’: de radicale vakbond Industrial Workers of the World in de V.S. en de anarcho-syndicalistisch C.N.T. in Spanje, vakbonden in Duitsland en Italië die gedeeltelijk collaboreerden en zeker het verzet niet organiseerden, het hoogtepunt van de Marxistische dictatuur onder Stalin,… Maar ook het concept ‘autostrade’ is een militaire uitvinding (nazi-Duitsland). Ook het taylorisme stamt uit die tijd. De investeringen van de Amerikaanse autoindustrie (Ford-isme) en de productie van de Volkswagen zijn er directe resultaten van.

Dat de geopolitieke krachtsverhoudingen fundamenteel gewijzigd werden door bijvoorbeeld het economisch bankroet van Engeland, het Marshall-plan en de verdeling van Europa in ‘invloedssferen’ hoeft geen betoog. Amerika werd, naast Rusland, de belangrijkste internationale macht. Voor de ‘omschakeling van de economie van de V.S. naar een ‘vredeseconomie’, die er in feite nooit is gekomen, hadden de V.S. een sterke handelspartner nodig. Daarom werd Europa in de heropbouw gesteund, temeer daar in het ‘communisme’ al snel (en niet zo onterecht) een nieuwe vijand werd gevonden. Getuige van de nieuwe wereld is dit citaat uit een brochure van De Morgen, ‘van Marshall tot Maastricht’:

“In april 1945 heeft hij [Jozef Stalin] tegen Tito’s rechterhand, Milovan Djilas, gezegd waar het hem werkelijk om te doen was: ‘Deze oorlog is niet zoals vroegere oorlogen. Wie nu een gebied bezet, legt daar ook zijn eigen maatschappelijk systeem op. Zo ver als je legers op het terrein geraken, zo ver voer je ook je systeem in. Het kan helemaal niet anders zijn’.” (Brochure De Morgen, 1997: 6)

Ook de controle van overheidswege werd zwaar uitgebouwd. Dat zowel de V.S. als de Sovjet-Unie hoge nazi-functionarissen inschakelden in hun geheime diensten (de C.I.A. werd zelfs door enkelen daarvan uitgebouwd ter vervanging van de vroegere inlichtingendienst) zegt daarover genoeg. Daarenboven stelt De Morgen:

“Het Marshall-plan werd vanaf het begin begeleid door CIA-topfiguren. De bedoeling was enerzijds het communisme te isoleren in het oosten en anderzijds de naoorlogse zeer populaire communistische partijen in het westen de wind uit de zeilen te nemen. Natuurlijke bondgenoten in die strijd waren de conservatieve politieke partijen en de Katholieke Kerk. Met name in Italië uitte het Vaticaan een grote bezorgdheid over de steile opgang van de communisten. Voor de Amerikanen waren de vakbonden belangrijke targets in hun strijd tegen de Sovjet-Unie. … Later hebben de Amerikanen zonder veel problemen toegegeven dat er enorm veel occulte financiering is geweest van vakbonden, politieke partijen en drukkingsgroepen. De V.S. steunden daarbij openlijk de Europese politieke beweging, vanuit de wetenschap dat een eengemaakt Europa, economisch gekoppeld aan de V.S., een perfect militair blok kon vormen tegen de Sovjets.” (Brochure De Morgen, 1997: 3)


Propaganda: de voltooiing van de massa.

Een gerenommeerd analist van massamedia en massacommunicatie is zonder enige twijfel Noam Chomsky. Deze taalkundige heeft zich zijn leven lang geëngageerd in allerlei sociale bewegingen. Vanuit zijn bewogenheid schreef hij ettelijke boeken over de buitenlandse politiek van de V.S. en de rol van de binnenlandse pers daarin. Daarnaast verzorgde hij een aantal ‘pamfletten’ of brochures en tal van radioprogramma’s.

Er zijn drie belangrijke mechanismen binnen de informatiewereld die een ‘ruis’ veroorzaken:

*technische druk: frequentie en volume, voorspelbaarheid, compositie, sensatie, plaats, officieel karakter, Hilton-effect (bijeentroepende journalisten die elkaars voornaamste informatiebron worden), Westers monopolie op persagentschappen,...

*politieke druk: maatschappelijke bandbreedte en gatekeepingspricipe via taal, subtiele vervorming van de feiten, fouten en selectie, zelfcensuur en waakhondfunctie, interventie en censuur voor alternatieve media,...

*economische druk: eigenaars, adverteerders, concentratie,...

Natuurlijk moet er meer over gezegd worden dan dat. In zijn brochure ‘Media Control’ schetst Chomsky het ontstaan voor deze ‘moderne overheidspropaganda’. De eerste operatie van die soort ziet hij in de Verenigde Staten tijdens de eerste WereldOorlog:

“In 1916 werd Woodrow Wilson tot president verkozen onder het platform “Vrede zonder Overwinning. Dat was in het midden van de Eerste Wereldoorlog. De bevolking was extreem pacifistisch en zag geen reden zich in een Europese oorlog te mengen. De Wilson-Administratie wilde de oorlog echt en moest daar dus iets aan doen. Ze richtten een overheids-propagandacommissie in – de Creel-Commissie- die er binnen de zes maanden in slaagde van een pacifisctische bevolking in een hysterische, oorlogzuchtige bevolking te veranderen die alles wat Duits was wilde vernietigen, die de Duitsers wilde vierendelen, ten oorlog wilde gaan en de wereld wilde redden. Dat was een enorm succes en leidde tot nog meer succes. Op datzelfde moment en na de oorlog werden dezelfde technieken gebruikt om een hysterische ‘Red Scare’ of ‘Rode Bangmakerij’, zoals het genoemd werd, op te zwepen, die er vrij goed in slaagde de vakbonden te vernietigen en zulke gevaarlijke problemen te elimineren als vrijheid van pers en vrijheid van politieke overtuiging. Er was veel steun vanuit de media, vanuit het bedrijfsestablishment dat in feite veel van het werk organiseerde en ‘pushte’, en het was over de hele lijn een groot succes.

Onder diegenen die er actief en enthousiast aan deelnamen waren de progressieve intellectuelen, mensen van de John Deweykring die er, zoals hun geschriften uit die periode aantonen, veel eer uit haalden dat ze aangetoond hadden dat wat ze de ‘meer intelligente leden van de samenleving’ noemden, namelijk zichzelf, in staat waren een twijfelende bevolking in de oorlog te drijven door haar bang te maken en haar jingoist fanatisme te ontlokken. De daarvoor gebruikte middelen waren omvangrijk. Zo werd bijvoorbeeld een groot deel van de gruweldaden door de Hunnen gewoon gefabriceerd: Belgische babies met afgerukte armen, alle soorten vreselijke dingen die je nog steeds in geschiedenisboeken leest. Ze werden gefabriceerd door het Britse Ministerie van Propaganda, wiens eigen voornemen in die tijd was, zoals ze het zelf stelde ‘de gedachten van de hele wereld te controleren’. Maar crucialer was dat ze de gedachten van de ‘intelligenter leden van de samenleving’ in de V.S. wilden controleren, die dan de propaganda die ze bekokstoofde konden verspreiden en zo het pacifistische land tot oorlogshysterie konden bekeren. En dat werkte. Het werkte erg goed. En het leerde een les: staatspropaganda die ondersteund werd door de geschoolde klassen en waarvan geen afwijking wordt toegestaan kan groot effect hebben. Het was een les die Hitler en vele anderen leerden, en die tot op deze dag geldt.” (Chomsky 1991: 1,2)

Alsof dat nog niet genoeg is gaat hij verder over de visie op democratie die erachter schuilt. Hij neemt ook hier weer geen blad voor de mond. Hij ziet twee varianten op de definitie van ‘democratie’:

“Eén opvatting over democratie bestaat eruit dat in een democratische maatschappij de bevolking de mogelijkheid heeft om op een betekenisvolle manier te participeren en het beheer van haar eigen zaken en dat de informatiekanalen open en vrij zijn. In een woordenboek zou je een soortgelijke definitie vinden. Een alternatieve visie op democratie bestaat eruit dat de bevolking geweerd moet worden uit het beheer van haar eigen zaken en dat de informatiekanalen gesloten en strikt gecontroleerd moeten zijn. Dit lijkt misschien een vreemde opvatting van democratie, maar het is wel de heersende opvatting. In feite is het dit al lang, niet enkel in de praktijk, maar zelfs in theorie. Er is een lange geschiedenis die teruggaat tot de eerste democratische revoluties in 17e eeuws Engeland die deze visie vooropstelt.” (Chomsky, 1991: 1)

Chomsky staaft deze stelling over de heersende visie van democratie aan de hand van uitspraken van Walter Lippman (een vooraanstaand Amerikaans denker op het vlak van de liberale democratie en ‘deken’ van Amerikaanse journalisten):

“Lippman beargumenteert dat er in een goed functionerende democratie verschillende klassen van burgers zijn. Eerst en vooral is er de klasse die een actieve rol moet spelen in het algemene bestuur. Dat is de gespecialiseerde klasse. Dat zijn de mensen die analyseren, uitvoeren, besluiten nemen,… Dit is een klein gedeelte van de bevolking. Natuurlijk is eimand die deze ideeën voortbrengt deel van dit percentage, en zij zeggen wat er met die anderen moet gebeuren…

Dan is er ook nog de verbijsterde massa, die ook haar functie heeft in de democratie, zei hij (Chomsky doelt op Lippman): toeschouwer te zijn, niet deelnemen in de actie. Maar hun functie is ruimer, omdat het een democratie is. Nu en dan wordt ze toegestaan hun gewicht aan het ene of het andere lid van de gespecialiseerde klasse te lenen. Ze mag met andere woorden zeggen ‘We willen jouw om onze leider te zijn’ of ‘We willen dat jij onze leider wordt’.” (Chomsky 1991: 3)

“Deze theorie stelt dat enkel een kleine elite, de intellectuele waar de Deweyisten het over hebben, kan bepalen wat het gemeenschappelijk belang is, wat het is waar wij allemaal om geven, en dat deze dingen ‘het begrip van het grote publiek te boven gaan’. Deze stelling gaat honderden jaren terug. Het is ook een typische Leninistische visie. In feite lijkt het veel op het Leninistisch concept dat een voorhoede van revolutionaire intellectuelen de staatsmacht in handen nemen en daarbij volksrevoluties gebruikend als de kracht die hen daartoe in staat stelt, om dan de domme massa’s naar de toekomst te drijven die ze in hun domheid en incompetentie zelf niet kunnen betrachten. De liberaal-democratische theorie en het Marxisme-Leninisme staan heel dicht van elkaar in hun gemeenschappelijke ideologische a priori’s.” (Chomsky, 1997: 3)

“Er is dus sprake van een specialisatie en een schaalvergroting waarbij de bevolking haar greep verliest op het maatschappelijke proces. Hieruit volgt dat het bepalen van het ‘algemeen maatschappelijk belang’ toebehoort aan een elite, aangezien de domme massa hiertoe niet in staat is. Zij verworden tot toeschouwers van het democratisch proces.” (Vanden Berghe, 1997: 14)

Dat is wat Raoul Vaneigem en andere Situationisten de ‘spektakelmaatschappij’ noemden: een maatschappij waarin de deelnemers toeschouwers van hun eigen leven worden, gehypnotiseerd door het geflikker van de feestverlichting en monddood door het alles overstemmende lawaai van de draaimolens die het uitzicht belemmeren.

Ook de privé-sector laat zich hierin niet onbetuigd:

“… een leidende hedendaags theoloog en criticus van het buitenlands beleid, Reinhold Niebuhr, die soms ‘de theoloog van het establishment’ wordt genoemd, de goeroe van George Kennan en de Kennedy-intellectuelen en anderen, stelde dat ‘rationaliteit een erg selectief verspreide vaardigheid is’. Slechts een klein aantal mensen hebben die. De meeste mensen worden enkel geleid door emotie en impulsen. Diegenen die rationaliteit hebben creëren nodige illusies en krachtige emotionele simplificaties om de naïeve sullen min of meer in het spoor te houden. Dit werd een belangrijk onderdeel van de hedendaagse politieke wetenschap. In de jaren ’20 en vroege jaren ’30 verduidelijkte Harold Lasswell, de grondlegger van de moderne communicatie en één van leidende Amerikaanse politieke wetenschappers, dat we niet moeten toegeven aan ‘democratische dogma’s’ over mensen die het best in staat zouden zijn om hun eigen belangen in te schatten. Want dat is niet zo… De logica is duidelijk. Propaganda is voor een democratie wat de knuppel is voor een totalitaire staat. Dat is wijs en goed omdat, nog een keer, de gemeenschappelijke belangen de verblinde meute ontgaan… De V.S. waren pioniers in de public relations-industrie. Haar voornemen was ‘het publieke brein te controleren’, zoals haar leiders het verwoordden. Ze leerden veel van de successen van de Rode Bangmakerij en haar naweeën. De industrie kende een enorme expansie in die tijd. Voor enige tijd slaagde ze er tijdens de jaren ’20 in een bijna complete subordinatie van het publiek aan het bedrijfsleven teweeg te brengen. Dat was zo extreem dat onderzoekscommissies van het Congres het begonnen te onderzoeken naarmate de jaren ’30 vorderden… ” (Chomsky, 1991: 4, 5)

Al het voorgaande toont duidelijk aan dat op verschillende manieren door verschillende media met elk hun eigen specifieke dynamiek en rol wordt ingewerkt op het publiek. Hoofdzakelijk is het effect dat mensen afhaken en meestromen. De wereld gaat te snel en het is te moeilijk om ‘mee’ te blijven: je hebt er toch geen grip op. Je houdt je met je eigen leven bezig. ‘Je valt toch niemand lastig?’ En anders gebruiken we de knuppel alsnog.


Staat, kerk en kapitaal (revisited).

Een ander aspect dat nadere aandacht verdient is de relatie en onderlinge beïnvloeding tussen ‘staat’ en ‘kapitaal’. De zeggenschap van de tienduizenden lobbyisten (getuige het M.A.I., het Witboek van Jaques Delors waarin gewoon hele delen van rapporten van de European Round Table of industrialists (ERT) werden gecopieerd,…) op allerlei niveaus in onder meer de hierna genoemde organisaties (bijlange na niet de enige) dwingt mij ertoe Gross (in zijn Friendly Fascism) op zijn minst het voordeel van de twijfel te geven. Maar laat ons een aantal concrete zaken en de hoofdrolspelers erin van naderbij bekijken.

Vanuit de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) groeide wat nu de Europese Unie wordt genoemd. In de loop van dat proces nam ook de (militaire) dekolonisatie horde na horde. De resultaten van dat proces (de natievorming, de controle over de grondstoffen via bedrijven als de Generale Maatschappij in België,…) zijn nog altijd te zien. Temeer dat het Marshall-plan ook daar werd verdergezet onder de vlag van de Bretton Woods-instellingen: Internationaal MuntFonds (IMF), WereldBank (WB) en Global Agreement on Tarrifs and Trade (GATT) net voor en net na het einde van WO II. Dezelfde tactiek werd trouwens ook voor Oost-Europa gebruikt na de ‘val van de muur’ en wel via de Europese Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling (EBRD).

Ik citeer hier de tekst die ik ooit voor Tegenstroom schreef voor een themastand op het Leuvense Wereldfeest. De gegevens zijn hier en daar wat gedateerd maar de grote lijnen blijven onverminderd gelden.

"=====Bedrijven?=====

"Zij beschouwen globale economieën als entiteiten met een grote onafhankelijkheid tegenover de oorspronkelijke thuismarkt. De besten onder hen vinden manieren om productie en marketing te organiseren zodat efficiëntie bijna gemaximaliseerd kan worden in weerwil van wettelijke hindernissen die opgeworpen worden door thuis- en gastoverheden. Deze verklaring is mogelijk slechts tijdelijk geldig; we verwachten dat de globalisatie zal intensifiëren met de verdere opening van markten." uit: 'European Industry: A partner of the developing world' p.3, een uitgave van de Europese Ronde Tafel van industriëlen.

Heeft U enig idee waar dit koeterwaals op slaat?

Wie is de ERT? Wat is globalisering? Efficiëntie maximaliseren? Wettelijke hindernissen? Opening van markten? Allemaal voor de specialisten? Niks mee te maken? Of toch?

Om al die vragen te pogen te beantwoorden is het goed eens te gaan kijken naar de bedrijven waar we werken en producten van kopen.We kunnen het best een tijdje terug beginnen. Wat zijn nu die 'globale ondernemingen'? In de Verenigde Staten ontstonden ze zo:"Doorheen het grootste deel van de negentiende eeuw stelden ondernemingscharters en ondernemingswetten grenzen aan de levensduur van ondernemingen. Ze regelden de relatie tussen aandeelhouders en directeurs / managers; ze hielden directeurs, managers en aandeelhouders verantwoordelijk voor het leed die hun beslissingen veroorzaakten... Tegen de vroege twintigste eeuw waren ondernemingen en de grote 'trusts' van de 'Robber Baron' (dievenbaron) machtig geworden dankzij overheidsuitgaven gedurende de Burgeroorlog, massa's subsidies van het Congres en gunstige wetsinterpretaties door VS- rechters." In 1886 gaf het VS - hooggerechtshof te kennen dat een onderneming een 'natuurlijk persoon was. De leiders ervan waren dus niet rechtstreeks verantwoordelijk te stellen. Het proces was begonnen, ..."

Een voorbeeld van vandaag de dag: Nestlé

Helmut Maucher de grote baas, directielid, ex-CEO, … moet niet direct de werkloosheid schuwen want tegelijkertijd is hij de voorzitter van IKK en ERT. (zie Lobby's)

Kunstmatige babyvoeding? Volgens UNICEF sterven elk jaar anderhalf miljoen baby's omdat ze geen borstvoeding krijgen. De WereldGezondheidsOrganisatie pleit dan ook voor het uitbannen van promotie voor kunstmatige babyvoeding. Toch blijft Nestlé agressief zo'n producten promoten. Bovendien doet ze dat onder het mom een liefhebbende, verzorgende organisatie te zijn die bezorgd is om de gezondheid van kinderen.

Desgevraagd geeft Nestlé de volgende verklaring niet, … ze lekte wel toevallig uit:"In vele (zoniet alle) opkomende markten is het eenvoudigweg onmogelijk winst te maken zonder openlijk normale Westerse ethische principes te overtreden."

Op dezelfde manier reageert bv. ook de wapenindustrie. Zij zouden de vrede helpen bewaren want zij zijn goed voor de werkgelegenheid. De houtindustrie is goed voor het milieu, want na de kaalslag worden er soms terug nieuwe bomen geplant. De auto-industrie zorgt voor Uw vrijheid. McDonald's is lekker, voedzaam en lief voor uw kinderen.

Ondertussen zijn 51 van de grootste economieën ter wereld in feite MultiNationale Ondernemingen (MNO's). Er zijn zo'n 44.000 MNO's met een jaarlijkse omzet van 7.000 miljard $. Dat is zo'n 245.000 miljard BEF. Hun aandeel in 's werelds Bruto Binnenlands Product is daarmee gestegen van 17% (jaren '60) tot bijna 33% in 1995.


Lobby's?

Nu heeft soort altijd soort gezocht. Gemeenschappelijke belangen konden best gemeenschappelijk behartigd worden. Daarom heeft de rijkste klasse zich verenigd. Zeker nadat hun winst bv. rond de eeuwwisseling onder druk kwam te staan door het verzet van grote lagen van de bevolking, die zich eveneens verenigden. Op dit moment zijn die ondernemersverenigingen legio. Ze worden lobby's genoemd. In Brussel alleen al zouden er meer dan 4.000 lobbyisten werken, die de beleidsmensen 'adviseren' en 'informeren'. Voorbeelden van die bondgenootschappen zijn de Internationale Kamer van Koophandel (IKK, met Helmut Maucher aan het hoofd), de Europese Ronde Tafel van industriëlen (ook met Maucher als voorzitter), het Vlaams Economisch Verbond (VEV), UNICE, ONA, ARHI, WEF, …

Op die manier zijn MultiNationale Ondernemingen's actieve spelers geworden in het openen van de markten en het verwijderen van grenzen voor handel en investeringen. Zo zegt Y. Berthelod, 'Executive Secretary' van de VN-commissie voor Europa over het ERT-rapport 'European Industry and the developing world': "Het onderzoeksrapport zal een basis vormen voor politieke begeleiding."

Jaques Delors, toen voorzitter van de Europese Commissie, zei over zijn 'Witboek over de eengemaakte Europese markt' (vastgelegd in het Verdrag van Maastricht): "Zij [de ERT] waren één van de drijvende krachten achter de eengemaakte markt." Inderdaad: hele stukken van zijn Witboek kwamen bijna letterlijk uit ERT-rapporten. Het mooiste voorbeeld daarvan is het pleidooi voor infrastructuurwerken en de hieruitvolgende beslissingen rond: · de Kanaaltunnel, · de HogeSnelheidsTreinen, · de Scanlink (een brug tussen Denemarken en Noorwegen doorheen milieugebieden) · en de 40.000 km. nieuwe autosnelwegen doorheen Europa (zoals bv. door de Aspevallei, in de Pyreneëen en tal van wegen in België). · de Ijzeren Rijn.

Een van de fora waar lobbygroepen en beleidsmakers elkaar ontmoeten voor hun intieme plannen is een jaarlijkse bijeenkomst in Davos, Zwitserland: het WereldEconomisch Forum. Daar ontmoeten meer dan 1.000 bedrijfsleiders bijna evenveel hoge politici en ambtenaren, hoofden van instituten en denktanken en journalisten elkaar. De grote man achter 'Davos' is Klaus Schwab, professor economie in Genève, die een bedrijf oprichtte om deze conferentie mogelijk te maken. De jaarlijkse kost bedraagt meer dan 10 miljoen dollar.

De jaarlijkse winst bedraagt 12 miljoen dollar. Deze kosten worden graag gedragen door de bedrijven en de banken, die minstens een omzet van 1 miljard dollar moeten hebben om toegelaten te worden. De politici, waaronder bv. de presidenten van China, Frankrijk, Polen, Mexico, de eerste ministers van India en Rusland, de vice-president van de Verenigde Staten, … betalen natuurlijk niets. De eenmaking van West- en Oost-Duitsland werd daar versneld door gesprekken tussen Bondskanselier Kohl en eerste minister Modrow; de Klerk ontmoette er voor het eerst Nelson Mandela en Buthelezi.

Nog anders is de AdviesRaad voor Handel en Industrie (ARHI) die formeel en informeel betrokken wordt bij de onderhandelingen binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Zoals bij de onderhandelingen over het Multilateraal Akkoord over Investeringen. Voor elke sessie waren er ontmoetingen tussen de onderhandelaars en vertegenwoordigers van de ARHI. De ARHI houdt zich niet enkel bezig met economie op zich. Er zijn ook werkgroepen over onderwijs, chemicaliën, …

Maar ook op binnenlands niveau zijn ondernemers actief. Zo slaagden ze er in de sociale verkiezingen te laten uitstellen door de Minister van Arbeid. De vakbonden mochten zich eens tijdens de sociale verkiezingstijd strijdbaar kunnen opstellen bij de onderhandelingen over de CAO's. In volle politieke verkiezingstijd dan nog!

De overheden worden (niet geheel onwillig) druk bewerkt. Niet verwonderlijk zegt Maucher:"Markteconomie is de logische aanvulling op demcoratie en subsidiariteit, omdat het leidt tot decentralisatie van controle en uiteindelijk tot de optimale verdeling van macht. Vroeg of laat lijkt kapitalisme als economisch systeem tot democratie." Anders gezegd:"Overheden moeten begrijpen dat de ondernemers niet zomaar een drukkingsgroep zijn maar een bron die hen zal helpen de juiste maatregelen te nemen."


Instellingen? overheden?

Begrijpen ze dat ook? En wie zijn ze, die overheden? En welke invloed heeft dat alles voor die overheden. Noam Chomsky, linguist en bekend criticus over de rol van de media alsook de VS-buitenlandse politiek, … denkt er het volgende over:"Nu je een transnationale economie hebt, krijg je een transnationale staat. Niet toevallig. De Financial times beschreef dit een paar jaar geleden als een de facto wereldregering, ingerekend de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, en GATT, dat nu de Wereldhandelsorganisatie geworden is, de G8 enzovoort."

WereldBank, IMF, WHO, EU? Nog tijdens wereldoorlog II werd een oplossing gezocht voor de negatieve gevolgen van de oorlog. De Verenigde Staten was het enige land wiens productiemiddelen nog intact waren. In 1944 werden in Bretton Woods (VS) twee organisaties opgericht.

Ze hadden tot doel:"een systeem gebaseerd op privé-eigendom, vrijheid van ondernemen, open markten en vrijhandel te bewaken." (Eisenhower, VS-president)

Het IMF moest op korte termijn leningen geven aan landen met een crisis in hun buitenlandse handel. De WereldBank moest de stukgeslagen economieën herstellen door ontwikkeling op lange- en middellange termijn te stimuleren. Bv. door infrastructuurwerken te bekostigen. De WB moest ook borg staan voor privé-leningen. Europa had echter geen behoefte aan leningen met interest. Het Marshall-plan (41 miljard dollar tegen '53) werd dan maar de motor van de reconstructie. De VS maken er nog steeds de dienst uit. In de WB zijn zij de enigen met een vetorecht; alle presidenten komen uit de VS.

Over de Wereldbank zegt pierre Galand, secretaris-generaal van Oxfam-België: "Nu ik de gelegenheid had de voorbije drie jaar het gedrag van de Wereldbank te observeren, wil ik mijn collega's in de NGO's vervoegen in de mening dat enkel verzet kan leiden tot een alternatief van gerechtigheid en co-existentie voor de volken van onze planeet. Het is mij duidelijk dat de WereldBank niet te humaniseren valt."

Per dollar die de VS-overheid in de WB steekt (door er aandelen van te kopen, waardoor ze meer stemmen krijgen) komt er 1,19 dollar terug naar de privésector van de VS via door de WB gesubsidieerde projecten. Elk continent heeft een eigen afdeling van de WB. In Europa heeft de Europese Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling (EBRD) een belangrijke rol gespeeld in het openbreken van de Oosteuropese economieën.

Even later kwam er nog GATT bij als derde been van de Bretton Woods instellingen. Recentelijk mondde dat akkoord uit in het installeren van de WereldHandelsOrganisatie, een instelling die op wereldschaal de handel probeert te reguleren, of was het dereguleren?

Een andere machtsfactor is de G8, waarin de leiders van de 8 meest geïndustrialiseerde landen de toestand in de wereld bespreken en hun hete kolen stoven. De OESO is meer van hetzelfde (namelijk de 29 rijkste landen). Een andere speler in het veld is de Verenigde Naties, vroeger Volkerenbond.

David C. Korten, die aanwezig was op een diner met o.a. de president van de algemene vergadering van de VN en de secretaris-generaal van de IKK, over de VN:"Diegenen onder ons die deze zaken al langer bestuderen weten al lang van de sterke band tussen WHO, WB en IMF en de bedrijfsagenda. De VN leek daar tegenover een opener, demcoratisch en mensvriendelijk instituut. Wat ik zag was jammer genoeg sterke bewijzen van het feit dat dergelijke verschillen, die ik de VN toekende, grotendeels cosmetisch zijn." Ook daar zijn de VS (en dus de bedrijven) inderdaad de baas (cfr. De Golfoorlog).

Nog dichter bij huis is er nog zo'n instelling: de Europese Unie, begonnen als Economische Gemeenschap voor Kolen en Staal en nu uitgegroeid tot de hoogste Europese publieke macht. Aan de zijde van de EU zit bv. de ERT terwijl het parlement zo goed als niks te zeggen heeft. Het lijkt er dus op dat Chomsky inderdaad gelijk heeft. De besluitvorming komt verder en verder van het individu af te liggen, ver weg in transnationale overheden, gestuurd door de bedrijfswereld.

Bertram Gross ging in zijn "Friendly Fascism" op zoek naar de institutionele structuur van fascistische regimes. Hij zegt:"De structuur die fascistische regimes definieert is een door bedrijven gedomineerde alliantie tussen grootkapiaal en een sterke regering die de uitbreiding van een bedrijfsoligarchie ondersteunt." Slik? Vrijhandel? Handel in vrijheid? Vrijheid voor wie? Liberalisering? Globalisering?


Vrijhandelsakkoorden?

Welke akkoorden worden er dan gesloten om die vrijhandel mogelijk te maken? Er zijn voorbeelden ten overvloede. Er is General Agreement on Tariffs and Trade geweest, dat later tot de WereldHandelsOrganisatie (WHO) heeft geleid. Er is het Noordamerikaanse Vrijhandelsverdrag (NAFTA) voor Canada, de VS en Mexico, Mercosur in Zuid-Amerika, de Europese Monetaire Unie (EMU), … Er zijn de bilaterale Structurele AanpassingsProgramma's van het Internationaal Munt Fonds, waarbij landen geld krijgen op voorwaarde dat ze hun economieën liberaliseren.

Dat alles zou goed zijn voor de bevolking, want goed voor de economie.

Het recentste offensief was het Multilateraal Akkoord over Investeringen (MAI). Daarin wordt heel duidelijk hoe de hoge heren hun visioen zagen te verwezenlijken. Het MAI werd eerst binnen de Wereld-HandelsOrganisatie besproken, maar stuitte daar op grote weerstand van de armere landen. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling nam het op in zijn agenda, om later met een afgerond akkoord tussen de rijken, de armen onder druk te kunnen zetten het toch te ondertekenen, echter wel zonder inspraak.

Basisprincipes van het MAI zijn:

  • volledige liberalisering van alle sectoren behalve politie en leger
  • opheffen van beperkingen op buitensporig kapitaalsverkeer
  • controle door een rechtbank van 'experts' zonder openheid voor niet-bedrijven
  • afbraak van sociale en milieustandaarden tot op het laagste niveau
  • benchmarking: volgens een ERT-rapport "een manier om statistieken of de praktijk van beleidsmaatregelen te vergelijken om het vermogen van een economie te vergroten."
  • patenten op leven

Die basisprincipes gelden voor alle 'vrijhandelsakkoorden', ook bij het op stapel staand verdrag tussen de EU en de VS, die daardoor de facto een MAI opleggen aan de rest van de wereld. Bij dit soort besprekingen is het traditie het publiek onwetend te laten. Bespreking gebeuren achter gesloten deuren. Was het niet dat Franse activisten de plannen voor het MAI gestolen hadden, zouden we er nog steeds niet over gehoord hebben.

Voorlopig zou het MAI-proces stilliggen. Maar ook al komt dit MAI er nooit, de globalisering gaat door. De eisen van het MAI zijn de heel concrete resultaten van de ideologie die neoliberalisme heet, gewoon een ander woord voor globalisering.

In een ERT-rapport zeggen ze het zo: "de globalisering van markten en industriën is een belangrijke nieuwe trend in de wereldeconomie, en het is één van de invloedrijkste nieuwe concepten inzake management. De onderliggende verschijnselen zijn, aan de ene kant, 'vraag'-geleid: consumentenvraag op verschillende continenten en in verschillende landen is snel eenvormig aan het worden, vooral bij mensen onder de leeftijd van 30 jaar. Industriële organisatie is, aan de andere kant, eeen zeer grote factor. In deze context betekent dit dat de internationale bedrijfsactiviteiten niet langer als een losse portfolio gehouden en gebruikt worden, maar strategisch (niet gestandaardiseerd) gelinkt om 'synergieën' te bereiken."

Wablief ? Globalisatie is een gestuurde evolutie naar grotere machtsconcentratie, met voornamelijk economische motieven.


Realiteit?

Wat betekenen die MAI's, SAP's, GATT's, NAFTA's, EU's en wat nog al nu concreet?

  • In India betekenen de eisen van de WereldBank inzake landbouw dat de reëele prijzen met 50% gestegen zijn
  • Voor iedere dollar die de VS-overheid in de WereldBank steekt, krijgt de privé-sector in de VS 1,19 $ terug door contracten voor projecten die gefinancierd worden door de WereldBank

"Vandaag concurreren landen zelfs voor buitenlandse privé-investeringen door het liberaliseren dereguleren van hun economieën (in het rapport noemen we dit competitie in regels, de inistutionele kamp tussen nationale regelgeving)" Helmut Maucher in European Industry: 'A partner of the developing world'

  • 90% van de verhandelde 4.500.000.000.000 BEF. is niet verbonden met echte handel, maar met handel in geld
  • 40% van de echte handel gebeurt binnen de bedrijven zelf
  • 40% van de echte handel gebeurt tussen de bedrijven onderling
  • WerelBankdirecteur Preston kreeg een salaris van 300.000 dollar per jaar, terwijl de Wereldbank winst maakte
  • In 1997 fusioneerden in de VS bedrijven ter waarde van 1 triljard dollar, bijna 50% meer dan in het recordjaar 1996
  • Sinds het afsluiten van de vrijhandelsakkoorden in Mexico evolueerde de situatie er tussen 1982 en 1992 als volgt:
  • de kindersterfte door ondervoeding is verdriedubbeld, het minimumloon daalde met 60%

* het percentage mensen onder de armoedegrens steeg van 48,5% tot 66%

  • de schuld steeg tussen 1982 en 1994 van 82 miljard dollar tot 140 miljard dollar
  • sub-sahara Afrika betaalde in de jaren '80 100 miljard dollar van hun schuld af; toch verdriedubbelde die schuld tot 300 miljard dollar
  • volgens een IMF-rapport zijn een paar van de gemiddelde resultaten van de Structurele Aanpassings Programma's de volgende:
  • het begrotingstekort steeg van 12,3% van het BrutoNationaal Product tot 16% van het BNP
  • de verhouding tussen de schulden tegenover de uitvoer evolueerde van 451% tot 482%
  • De VS-hoofdonderhandelaar bij het voorbereidende werk voor de conferentie van Rio schatte dat 80% van de milieuwetgeving van de VS illegaal kan worden verklaard voor de WereldHandelsOrganisatie-tribunalen
  • We beleefden in begin '98 het warmste kwartaal sinds de metingen. Toch is er geen broeikaseffect, zeggen ze. De autoindustrie is dan ook de één van de meest meest winstgevende, ...
  • De grondstoffentransfers van arm naar rijk bedroegen meer dan 400 miljard $ tussen 1982 en 1990,

"het equivalent (in de huidige wisselkoersen) van zo'n zes Marshall-plannen die het zuiden aan het noorden gaf"

En hoe staat het met U? Heeft U het zo goed? Bent U gelukkig en vrij? Heeft U zeggenschap over Uw leven?

"Dit proces van wereldwijde accumulatie en uitsluiting mondt uit in een globale aanval op elementaire mensenrechten, met erg zichtbare gevolgen, lijden, honger, thuisloosheid, werkloosheid, verslechterende gezondheid, landloosheid, analfabetisme, verscherpte onevenwichten tussen mannen en vrouwen, explosieve groei van de 'informele sector' en de ondergrondse economie, de vernietiging van het gemeenschapsleven, … besparingen op de sociale voorzieningen en arbeidswetgeving, vermeerdering van het geweld in alle lagen van de maatschappij, versnellende vernietiging van het milieu, groeiende raciale, etnische en religieuze onverdraagzaamheid, massale migratie (om economische, politieke en natuurgebonden redenen), verstrakkende militaire controle en repressie, …" (Uit het manifest van 'People's Global Action')


(einde tekst themastand - 1997)


I. C. THEORIE VAN HET ANARCHISME (samenvattend).

ANARCHISME:

«Geregeerd worden, dat is in het oog gehouden worden, geïnspecteerd, bespionneerd, bestuurd, gereglementeerd, gedecreteerd, in een ruimte opgesloten worden, geïndoctrineerd, vermoord, gecontroleerd, geschat, geëvalueerd, gecensureerd, gecommandeerd worden door wezens die daartoe de bevoegdheid nach de kennis of het vermogen bezitten. Geregeerd worden, dat is bij elke handeling, bij elke transactie, bij elke beweging worden opgemerkt, geregistreerd, geteld, geprijsd, gezegeld, opgemeten, aangeslagen, tot bijdrage verplicht, gepatenteerd, vergunning verleend, gemachtigd, aanbevolen, flink aangepakt, gehinderd, hervormd, opgevoed, verbeterd. Het is onder het voorwendsel van het openbaar nu en in naam van het algemeen belang worden gebrandschat, afgericht, afgeperst, uitgebuit, toegeëigend, uitgeknepen, bestolen en vervolgens bij de geringste weerstand, bij de eerste klacht worden gestraft, beboet, door het slijk gehaald, gesard, achter zijn vodden gezeten, de mantel uitgeveegd, afgerost, ontwapend, gekneveld, gevangen gezet, gefusilleerd, gemitrailleerd, berecht, veroordeeld, gedeporteerd, geofferd, verkocht, verraden en tot overmaat van ramp uitgespeeld, gejonast, beledigd en onteerd. Ziedaar uw regering. Ziedaar haar recht. Ziedaar haar moraal!» (P.J. Proudhon)

“Als ik een antwoord zou moeten geven op de vraag ‘Wat is slavernij?’ en antwoordde met één enkel woord –Moord-, dan zou iedereen mijn redenering onmiddellijk begrijpen. Ik zou geen ingewikkeld discours meer nodig hebben om aan te tonen dat de macht om iemand van zijn geest, wil en persoonlijkheid te ontdoen een macht is over leven en dood. En dat het verslaven van iemand gelijk staat met moord. Waarom kan ik dan die andere vraag ‘Wat is eigendom?’ niet in dezelfde geest beantwoorden –Diefstal- zonder ervan te worden verzekerd dat ik niet zou worden gehoord, zelfs als die tweede redenering gewoon dezelfde is als de eerste!” (P.J. Proudhon)

« [Anarchisme is] de naam die gegeven wordt een een principe of een theorie van het leven en zich gedragen waarbij de samenleving wordt uitgewerkt zonder regering. Harmonie wordt in zo een samenleving bereikt –niet door onderwerping aan de wet of gehoorzaamheid aan welke autoriteit dan ook- maar door vrije overeenkomsten die gesloten worden door de diverse groepen die territoriaal en per beroepsactiviteit worden opgericht om de productie en de consumptie te organiseren en om de oneindige behoeften en betrachtingen te bevredigen van een beschaafd wezen. In een samenleving die volgens die richtlijnen is georganiseerd zouden de vrijwillige organisaties, die nu al alle velden van de menselijke activiteit beginnen bedekken, nog uitbreiding nemen zodat ze de plaats van de staat in al zijn functies kunnen vervangen. Ze zouden een verweven netwerk vertegenwoordigen van een oneindig aantal groepen en federaties van alle afmetingen en intensiteit; lokaal, regionaal, nationaal en internationaal; tijdelijk en permanenter; voor alle doeleinden (productie, consumptie, uitwisseling, communicatie, sanitaire regelingen, opvoeding en onderwijs, wederzijdse bescherming, verdediging van het territorium,… Aan de andere kant zouden ze de in aantal steeds toenemende noden bevredigen op sociaal, wetenschappelijk, artistiek of literair vlak. » (P. Kropotkin)

“[De Franse Revolutie], die haar verheven werk met de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens’ is begonnen, zou dit werk pas voltooid hebben wanneer zij –niet alleen in uw land maar over het hele aardoppervlak- de op gerechtigheid gebaseerde maatschappij had opgebouwd, een maatschappij, die ieder van haar leden, mannen en vrouwen, bij hun geboorte de gelijkheid vanaf het begin zal moeten garanderen, voor zover die gelijkheid van de sociale organisatie afhankelijk is, het natuurlijk verschil tussen individuen buiten beschouwing gelaten; een maatschappij die economisch en sociaal gezien aan iedereen een even grote reële mogelijkheid zal bieden om –al naar gelang ieders persoonlijke werkkracht en vermogens –de hoogste toppen van het menszijn te bereiken, eerst door opvoeding en onderricht, vervolgens door ieders eigen werk, vrijelijk in groepsverband of niet- zowel arbeid met de spieren als met de zenuwen, hand- en hoofdarbeid, die de inige wettige bron van alle persoonlijke niet erfelijke eigendom wordt en uiteindelijk beschouwd zal worden als de voornaamste basis van alle politieke en maatschappelijke rechten. (…) Wij zijn socialisten.” (M. Bakoenin)

“Revolutie is het creëren van nieuwe, levende instituten, nieuwe groepen en nieuwe sociale verhoudingen. Het is ook het vernietigen van privileges en monopolies, de geest van een nieuwe rechtvaardigheid en broederschap, van die vrijheid die het hele leven van de samenleving zou moeten bepalen, het morele gehalte en de materiële omstandigheden van de massas, hen ertoe brengend hun eigen toekomst in de ogen te kijken door intelligente directe actie. Revolutie is de organisatie van alle publieke diensten door diegenen die ze realiseren, in hun eigen belang zowel als in het belang van het publiek. Revolutie is de vernietiging van alle dwang; autonomie voor groepen, communes en regios. Revolutie is de vrije federatie die in het leven wordt geroepen door het verlangen naar menselijke broederschap, door individuele en collectieve belangen en door de eisen van productie en defensie. Revolutie is de oprichting van ontelbare vrije groepen die gewordteld zijn in evenzovele ideeën, verlangens en smaken die kunnen worden aangetroffen in mensen. Revolutie is de vorming en verspreiding van duizenden gemeenschaps-, regionale en nationale vertegenwoordigende lichamen die, terwijl ze geen wetgevende macht bezitten, dienen om de wensen van mensen te verwoorden en te coördineren, over lange afstanden en korte en gebruik makend van rapporten, advies en voorbeelden. Revolutie is de vrijheid die getemperd wordt in de vuurproef van de actie: het overleeft zolang de onafhankelijkheid overleeft. Dat wil zeggen tot op het moment dat anderen de macht grijpen dank zij de vermoeidheid van de massas en de onvermijdelijke teleurstelling die onmogelijk hoge verwachtingen met zich mee brengen, de meer dan waarschijnlijke fouten en tekortkomingen van mensen. Tot zij zo in staat zijn een macht uit te bouwen, gesteund door een leger van dienstplichtigen of huurlingen, de wet opleggen en de beweging op haar weg stoppen. Op dat punt begint de reactie.” (E. Malatesta)


Het anarchisme is een stroming binnen de bredere golf van het ‘socialisme’. Het gaat er hier niet om alle interne discussies te voeren of zelfs maar op te sommen. Wat anarchisten scheidt is minder belangrijk dan wat hen verenigt. Er bestaat trouwens niet zoiets als een anarchistisch manifest: het anarchisme beroept er zich net op dat de concrete vorm die het aanneemt door ieder zelf te bepalen is, net omdat er geen algemeen geldende regels of wetten zijn waaraan de strijd of de toekomst zich laat onderwerpen.

De soms vrij fundamentele verschillen zijn vooral te verklaren door het feit dat ieder vanuit zichzelf de wereld beschouwt, daarbij ook vanuit de persoonlijke en psychologische wereld dat beeld kleurend. Veel anarchisten diepen ook diverse aspecten tot op de bodem uit, vertrekkend vanuit die persoonlijke achtergrond.

Voor de geschiedenis van het anarchisme zijn er verschillende bronnen. Eén heel belangrijk werk is ‘Demanding The Impossible, a history of anarchism’ van Peter Marshall. Marshall staat positief tegenover het anarchisme zonder zijn kritische zin te verliezen of zonder ook negatievere kanten van diverse anarchisten te beschrijven.

Belangrijk is dat ook hij in de geschiedenis twee stromingen ziet: één naar meer hiërarchie en een andere naar meer vrijheid. Marshall maakt hierbij misschien de vergissing te gemakkelijk dit streven naar meer vrijheid met het anarchisme te vereenzelvigen en dus stromingen of mensen daartoe te rekenen die dat zelf helemaal niet zouden doen. Temeer daar de term anarchisme zo beladen is met allerlei nachtmerrieachtige connotaties als ‘chaos’, ‘wanorde’, ‘terreur’ en ‘geweld’, een gemene en misplaatste verdachtmaking.

Op het eerste zicht hebben Michael Bakoenin en Leo Tolstoy, Henry Thoreau en Murray Boochin, Emma Goldman en P.-J. Proudhon, Max Stirner en Errico Malatesta, Erich Fromm en Lewis Mumford, George Orwell, Louise Michel, Aldous Huxley, Oscar Wilde, Chomsky en Vaneigem, Nestor Makhno, Colin Ward, Durruti, Rudolf Rocker, Peter Kropotkin, William Blake en zovele anderen misschien niet veel met elkaar te maken. Toch waren het allemaal anarchisten. We gaan hier dus expliciet op zoek naar wat hen bindt en níet naar wat hen scheidt. Discutabel kan deze manier van beschrijven zijn waar ook ‘randgevallen’ in de lijst van anarchisten worden opgenomen. Anarchisten worden bijvoorbeeld aan de rechterflank vaak opgevreeën door extreemrechts: Kropotkin, Landauer, Nietzsche, Proudhon, Warren en zovele andere worden gerecupereerd en misbruikt. Dit is niet altijd zonder reden: het anti-semitisme en hevig sexisme van Proudhon is spreekwoordelijk,…

Er valt natuurlijk veel meer over ‘de theorie van het anarchisme’ te zeggen dan wat hier nu volgt , maar het volstaat de grote lijn voor ons te zien.


“Anarchie is orde !

‘Anarchie is orde’ is één van de krachtige uitspraken van P.-J. Proudhon. Hij bedoelde daarmee dat vrijheid de moeder is van de orde, en niet omgekeerd, zoals zo vaak gezegd wordt. Concreet betekent dit dat anarchisten, die in de ideeën van Proudhon een inspiratiebron vinden, er van uitgaan dat rechtvaardigheid, solidariteit en harmonie niet kunnen zonder dat de mens vrij is. De onvrijheid, die op zich onrechtvaardig is, zal altijd nog meer onrecht voortbrengen. Een andere revolutionaire denker, Kropotkin (Rusland, eind 19e - begin 20e eeuw) stelde zelfs dat naarmate een ‘beschaving’ een hoger niveau bereikt er steeds meer onderlinge hulp en solidariteit is. Een ‘evolutieleer’ die tegen ‘de wet van de sterkste’ ingaat.

Vrijheid, solidariteit, orde, rechtvaardigheid… Daarmee hebben we al een aantal belangrijke begrippen van het anarchisme gegeven. Geef toe dat je zo’n woorden niet altijd hoort als mensen het over ‘anarchisten’ hebben. Meestal gebruikt men dan woorden als terreur, bommen, chaos, geweld, maffia,… Op enkele uitzonderingen na, klopt dit beeld van de geniepige bommenleggers in zwarte capes van geen kanten met de echte geschiedenis van deze stroming binnen de ‘arbeidersbeweging’ of het ‘socialisme’.

En die eeuwenlange geschiedenis van het anarchisme is rijk en gevarieerd. De anarchistische beweging (anarchisten organiseren zich niet in politieke partijen die de ‘massa’ moeten ‘leiden’, hoe het wel kan wordt onder meer hier onderzocht) heeft zich in alle belangrijke sociale strijden gemengd op basis van deze uitgangspunten. De ‘klassenstrijd’ of economische strijd via autonome vakbonden als de CNT in Spanje, de ‘Wobblies’ in de V.S.,… De ‘feministische’ strijd voor gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. Antiracisme, antifascisme, milieubehoud.… anarchisten probeerden al deze ‘deelstrijden’ samen te brengen en in hun onderlinge samenhang te zien. De strijd moet volgens anarchisten op wereldschaal en op alle vlakken tegelijk gevoerd worden.

Naties en landsgrenzen zien wij als pogingen om de mensen te verdelen en te controleren en tegen elkaar op te zetten. Kijk maar naar de ‘delokalisering’ van Renault en zovele andere bedrijven naar ‘lage loonlanden’. Dit terwijl de macht van ‘het kapitaal’ (de bedrijfsleiders, de Wereld Handelsorganisatie,…) zich niets van de grenzen moet aantrekken.

Klassen ? Strijd ? Klassenstrijd ? Anarchisten geloven dat alle individuen gelijkwaardig (en niet ‘gelijk’!) zijn. Toch zien we rond ons grote verschillen, die allemaal met macht te maken hebben. Mannen over vrouwen. Rijken over armen. Mensen over dieren. Blanken over zwarten…. Nu is het zo dat deze machtsongelijkheden zichzelf in stand houden en andere creëren. Macht over anderen betekent onvrijheid. Onvrijheid betekent chaos en conflict.

Wij zien dus dat de machtigen anderen minder machtig maken over hun eigen leven, simpelweg door het feit dat ze machtig zijn. In de economie is deze strijd een klassenstrijd tussen diegenen die geld hebben en diegenen die enkel hun arbeid kunnen verkopen om te overleven. Het antwoord op die strijd noemt directe actie, bevrijding, emancipatie, verzet, revolutie… En dat antwoord willen anarchisten leveren, niet zozeer met woorden maar met daden. Mensen kunnen niet bevrijd worden. Dat moeten we zelf doen, door ons solidair te organiseren in deze sociale ‘oorlog’.

Vanuit dit alles stellen anarchisten dan ook ‘Geen rechtvaardigheid = geen vrede’. Zolang er heersers zijn in de klas, thuis, op het werk,… zullen mensen zich daar terecht tegen verzetten. Vanuit die drang tot verzet leven anarchisten. Vrede, ja. Maar niet tot elke prijs. Waar mensen onderdrukt worden, kan er geen sociale vrede zijn.

Het verzet van anarchisten krijgt vele vormen. Er is geen strakke partijlijn, geen Centraal Comité dat over de zuiverheid waakt. Geen vastgelegde theorie die als een Bijbel wordt gehanteerd. Ieder mens, en dus ook elke anarchist legt zijn/haar eigen nadrukken in de theorie en in de praktijk. Zo zijn er anarchisten die zich in de praktijk specifiek met één thema (vluchtelingen, vrouwen, mannen, dieren, milieu,…) bezig houden. Zonder echter uit het oog te verliezen dat elke machtsvorm met alle machtsvormen samenhangt. Je kunt geen deeltjes oplossen als ‘het systeem’ rot is.

‘Het systeem’ is het geheel van alle oorzaken en gevolgen die de wereld in een bepaalde richting duwen, we hebben het dus over het amalgaam van mensen en organisaties die de wereld meer dan andere bepalen en de logica die ze daarvoor gebruiken. Je kunt immers niet zeggen wie nu precies individueel verantwoordelijk is voor het leed op de wereld. Het zijn niet ‘de joden’ of ‘de vreemden’ of ‘de mannen’ of… De hele wereld hangt samen. Alles heeft invloed op alles.

Daarom vinden de meeste anarchisten het ook belangrijk om ook nu al dingen te verwezenlijken. Concrete dingen doen zonder te wachten op ‘de grote revolutie’ of ‘de grote leider’ die ons de hemel op aarde zal brengen. Maar ook concrete dingen doen zonder op toestemming of goedkeuring van de ‘leiders’ of ‘verantwoordelijken’ te wachten. Anarchisten trekken zich bijvoorbeeld meestal niets aan van betogingverboden. Zij nemen gewoon de ‘vrijheid van meningsuiting’, die wel in de grondwet staat, maar in praktijk niet altijd wordt gerespecteerd, en ze organiseren zich. Zo organiseerden een aantal anarchisten voor een groot deel de laatste anti-NSV-betoging in Leuven, waar zo’n 1.500 mensen aan deelnamen. Bedoeling was niet een confrontatie aan te gaan met deze neonazi’s (wij geloven niet in een wettelijk verbod op extreemrechts of betogingen ervan), maar van het ze fysiek duidelijk te maken dat ze voor een groot deel van de bevolking niet welkom waren door te proberen ze te verhinderen hun parcours af te wandelen. Daarom wandelden we zelf dat parcours af in omgekeerde richting, met als ‘eisen’ een sociaal programma dat de tegenpool vormt van hun rechts en nationalistisch discours.

Verder zijn er de LETS (Local Exchange and Trade System), waar mensen klusjes voor elkaar doen zonder dat daar geld bij te pas komt. Ook in Leuven is er zo’n groep. Omzeggens niemand ervan herinnert zich nog dat LETS uit anarchistische kringen is ontstaan (in Canada). Verder zijn een heel aantal anarchisten werkzaam in coöperatieven (bedrijven in gemeenschappelijk bezit en zonder directie of leiding), collectieven en basisgroepen.

Ook projecten als Anarchistisch actieblad De Nar en info-/actiecentrum Tegenstroom zijn resultaten van de anarchistische beweging, net als de verschillende ‘Reclaim The Streets’-acties die Leuven al gekend heeft. Verder zijn er talloze actiegroepen, die ondermeer het thema van de dioxine-uitstotende verbrandingsovens op de politieke agenda hebben gezet, die leegstaande panden ‘kraken’, die actie voeren in Kleine Brogel tegen de atoomwapens in België en de wereld,… voor elk wat wils, dus. Dit alles noemen anarchisten directe actie: als een probleem zich voordoet onmiddellijk ingrijpen door mensen en voor mensen zelf, zonder te moeten wachten tot corrupte politici toch weer de foute beslissing nemen.

De verhoopte ‘revolutie’ is eigenlijk alleen een hoogtepunt in de voortdurende strijd die de machtigen tegen de machtelozen voeren en waar de machteloos gemaakten op antwoorden door hun eigen leven terug in handen te proberen te nemen. Die hoogtepunten gaan soms gepaard met openlijke conflicten met politie en leger of met fascistische milities, die de bevolking onder de knoet willen houden. Anarchisten hebben daarbij altijd het geweld tot een minimum proberen te beperken. Sommigen van hen, zoals Tolstoy en Gandhi zijn daar goede voorbeelden van. Bij dat alles mag ook niet vergeten dat onderdrukking ook geweld is: wie iemand doet verhongeren of laat verhongeren pleegt een gruwelijke daad. Vanuit deze visie eisen anarchisten het recht op voor de mensen om zichzelf te beschermen tegen ‘het systeem’.

Door dit alles, en het feit dat anarchisten zich vooral met de praktijk bezig houden (fietsacties, actiekampen, betogingen, bezettingen, stakingen, in zelfbeheer nemen van fabrieken en leegstaande gebouwen,…) is de repressie ook vandaag nog intens. Talloze anarchisten hebben met politie en gerecht te maken gehad. Misschien schrikt je dat af, maar anarchisten doen gewoon wat ze ‘preken’, in tegenstelling tot sommigen die vanachter hun bureau de plannen maken die de ‘massa’ moet uitvoeren.

Wees onmogelijk: eis het realistische, in vrijheid en solidariteit.

Anarchie is orde, kortom.”

Verder kan nog worden ingegaan op de rol van educatie en cultuur: anarchisten doen meer dan actie voeren.

Het aantal tijdschriften, sinds de punkgolf vaak ‘zines’ genoemd, spreekt boekdelen. Vooral de subcultuur van die punkgolf heeft ook de hedendaagse anarchistische beweging cultureel bepaald: het uiterlijk, de muziek, de organisatiegewoontes (of het gebrek daaraan), het individualisme, het machoaspect,… Niet voor niets zijn sommige van de ‘politiek correcte’ punkgroepen beter bekend zijn en meer gerespecteerd worden dan de meest succesvolle anarchistische organisaties uit een iets verder verleden. Veel aandacht krijgt de persoonlijke rebellie, het afzetten tegen ‘het klootjesvolk’ en ‘intellectualisme’, strategie, vergaderingen,…

Anderzijds zijn nogal wat anarchisten in het vormings- en educatiewerk beland met hun engagement. Dat doen ze bij allerlei NGO’s, gaande van anarchistische tijdschriften als De Nar of via de meer traditionele organisaties (Netwerk Vlaanderen, Vlaams Overleg Duurzaam Ondernemen, Elker-ik, het Vrouwen Overleg Komittee…). In tegenstelling tot veel andere politieke bewegingen maken ze hier zelden of nooit gebruik van om hun eigen beweging te versterken (als wervingskanaal, een platform voor hun boodschap,…). Nu is het zo dat deze mensen vaak niet (lang) meer echt tot de anarchistische beweging behBestand:Voorbeeld.pngoren: daarop is de beweging zelf niet gericht in haar organisatievormen (veel kortlevende, erg themagebonden groepen, veel vergaderingen, geen echte mobilisatiestructuur,…). Het grootste deel van de beweging studeert of stempelt, twee overlevingsvormen die engagement in de beweging wel mogelijk maken.

Bookchin zette de activiteiten van anarchisten in een schema:

1.STAAT 4. POLITIEK (parlementaire democratie,…) (directe democratie,…)

2.(LOON-)ARBEID & CONSUMPTIE 5. SOCIAAL EN ECONOMISCH KAPITAAL (netwerk van wederzijdse hulp, vrijwilligerswerk,…)

3.PERSOONLIJKE LEVENSSFEER 6. PSYCHOLOGISCH KAPITAAL (experimenteel) (klassiek)


In het schema staat het bovenste blok (1. en 4.) voor de publieke levenssfeer: het algemeen belang, de menselijke waardigheid,… De twee onderste blokken (2., 3., 5., 6.) voor de private levenssfeer: het overleven, eigenbelang, particularisme en sociabiliteit,… Het onderste blok staat voor het zoeken naar een veilige thuishaven, geluk,… Ruwweg komt het erop neer dat de linkse helft staat voor de ‘gewone’ wereld. De rechterhelft staat voor het (anarchistisch?) veroveren van de ruimte, het zelf invullen van de realiteit.

Voorbeelden van ‘psychologisch kapitaal’ kunnen zijn: cultuur, kunst en vrijetijdsbesteding alternatieve woon- en leefvormen, bevrijdingsstrijd van de vrouw, seksuele bevrijding, bevrijding van homoseksualiteit, antiautoritaire opvoeding, zelfbevrijding en –verwezenlijking, sport en gezondheid,…

Voorbeelden van ‘sociaal en economisch kapitaal’ ziet Bookchin in coöperatieven, LET’s (Local Exchange and Trade Systems) voedselteams, vrije scholen, culturele initiatieven, vakbonden,…

Het ‘politieke’ luik ziet Bookchin in de organisatieprincipes van anarchistische groepen, de groene partijen in hun beginfase, actiegroepen,...

De meeste concrete groepen en initiatieven dragen meerdere aspecten in zich. Waardevol aan het schema is vooral de mogelijkheid om de verschillende (mogelijke) ‘fronten’ van elkaar te onderscheiden. Bookchin doet dit om zich toe te spitsen op één ervan, het politieke luik, waarvoor hij zijn ‘Libertair Municipalisme’ ontwikkelt. De andere velden schuift hij weg als ‘achterhaald’ om zich uitsluitend op dat éne veld te concentreren. Hij wil, kort gezegd, parallelle besluitvormende organen creëren die daarbij anarchistische methodes gebruiken en een confronterende strategie hanteren.


II. PRAKTIJK VAN HET ANARCHISME.

II. A. GESCHIEDENIS VAN DE ANARCHISTISCHE BEWEGING.

II. A. 1. BOUWSTENEN van verzet: TOT 18E EEUW.

Peter Marshall denkt in de geschiedenis twee aan elkaar tegengestelde stromingen terug te vinden: die naar meer hiërarchie en die naar meer vrijheid. Enerzijds zien revolutionairen die tweespalt graag als (instinctieve of spontane) klassenstrijd: de strijd, het onderscheid tussen de machthebbers en de machteloos gemaakten waarbij die laatsten voor de vrijheid kiezen. Nu mag het zo zijn dat het vrijheidssentiment, de koppige eigentrots wel degelijk een kenmerk is van hele brede lagen van die ‘verworpenen der aarde’, tegelijk is het ook zo ‘dat er geen meesters bestaan, alleen slaven’. Dat met andere woorden de slavernij in eerste plaats ook iets is dat die slaven zelf minstens tolereren. Dat velen onder hen immers ook de hiërarchie verdedigen, iets waar de Katholieke Kerk (en religie in het algemeen, gaande van het Boeddhisme tot New Age) haar rol in heeft gespeeld: veel arbeiders vonden het de natuurlijke orde dat zij paria’s waren en dat er dus niets fundamenteel hoefde te veranderen.

Deze twee breuklijnen lopen dan ook door de geschiedenis van ‘het verzet’ dat we hier proberen te beschrijven.

Zoals gezegd vindt Marshall de eerste sporen van de ‘libertaire’ stroming terug in zo onverwachte hoek als Taoisme, (Zen)Boeddhisme, Christendom en Islam. Evengoed zijn er sporen te vinden in de maatschappijvormen van ‘primitieve’ ‘volkeren’ over de hele wereld. In wetenschappelijke kringen heeft met name de archeologie en vooral de antropologie de ‘anarchie’ weer aan de oppervlakte gebracht. Het anarchisme als politieke stroming is duidelijk van latere datum. Er wordt dan ook gerefereerd naar ‘anarchieke’ (‘anarchic’) samenlevingen.

Erich Fromm (een sociaal-psycholoog die in zijn trilogie ‘De angst voor vrijheid’, ‘Zelfstandige mens’ en ‘De gezonde samenleving’ eerst op zoek gaat naar de oorzaken voor het nationaal-socialisme, om van daaruit alternatieven te ontwikkelen op individueel en maatschappelijk niveau) ziet het zo:

“De sociale geschiedenis van de mens begint bij zijn opstijgen vanuit een toestand van ongedeelde eenheid met zijn natuurlijk milieu tot een besef van zichzelf als een van omgevende natuur en medemens gescheiden individueel zijn. En toch bleef dit besef uiterst vaag en zwak gedurende lange perioden der geschiedenis, en de individuele mens ook toen nog nauw verbonden met de natuurlijke en maatschappelijke wereld waaruit hij verrees. Deels zich bewust als een afzonderlijke eenheid, voelde hij zich deels ook onderdeel van hem omringende wereld. Het groeiproces van het individuele in zijn opkomst uit oorspronkelijke bindingen, een proces dat wij ‘individuatie’ mogen noemen, schijnt wel zijn top in de moderne geschiedenis te hebben bereikt –in de eeuwen tussen Hervorming en dit heden.

In de levensgeschiedenis van een menselijk individu ontdekken wij hetzelfde proces. Een kind wordt geboren en is dan niet langer één met zijn moeder, maar wordt een biologische entiteit, van haar onafhankelijk. En toch blijft dit kind gedurende een aanzienlijke periode functioneel met de moeder één, al is deze biologische scheiding ook het begin van individueel menselijk bestaan.” (Fromm 1952 : 26)

Het citaat raakt heel kernachtig een aantal fenomenen aan die voor de anarchistische analyse van groot belang zijn.

Hoewel dat zeer zeker interessant zou zijn is er hier te weinig plaats om de hele geschiedenis van economie en hiërarchie te beschrijven. Een aantal auteurs doet dat wel. Alexandra Kollontai, Murray Bookchin, Kroptkin en anderen een historisch ‘oercommunisme’ zonder hiërarchie of macht menen te ontwaren en van daaruit vertrekken om de toekomst te ontwerpen. Arbeidsverdeling volgens seksegebonden rollenpatronen zouden de eerste uitingsvormen geweest zijn van autoriteit. Hun bevindingen lijken recentelijk door een aantal bevindingen uit de zgn. ‘sociaal-biologie’ –en dan voornamelijk door de ‘feminalogische’ strekking erbinnen- gestaafd te worden.

Economie (net als alle andere aspecten van ‘samen-leven’) evolueert voortdurend, maar nergens gelijk. De evolutie verloopt ook niet spontaan of gelijkmatig, maar onder invloed van een veelheid aan krachten en gebeurtenissen. Het is ook moeilijk aan te nemen dat die evolutie doelmatig zou zijn, wat niet betekent dat individuen en groepen geen plannen zouden maken of hun wensen zouden proberen te bevredigen of dat er geen trends kunnen worden aangeduid. Zo kan zelfs worden gesteld dat ‘de’ bedoeling van ‘het’ kapitalisme winst (groei) is. Hij maakt een strikt onderscheid tussen ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid tot’. ‘Vrijheid van’ is volgens hem niet genoeg om een bevredigend leven te leiden en het gebrek aan ‘vrijheid tot’ leidt enkel tot frustratie en gebrek aan zelfvertrouwen (en zo tot een mentale dispositie die het nazisme / fascisme tot voedingsbodem kan dienen. Drie grote mogelijk manieren om voor ‘vrijheid’ te vluchten acht hij verantwoordelijk voor het ontstaan van het fascisme / nazisme: autoritarisme, destructivisme en automatisch conformisme. Daaruit kan niet ‘de’ geschiedenis een reeks doelstellingen worden aangemeten.

De bewering van Fromm, een belangrijk sociaal-psycholoog, hierboven wijkt niet erg af van de algemene interpretatie van de geschiedenis, zeker in dit tijdperk van ‘postmodernisme’ en ‘individualisme’ en de ‘atomisering van de maatschappij’. Het is dan ook heel verleidelijk de stelling van Fromm als een gegeven natuurwet te aanvaarden. Fromm ziet deze evolutie ook in de economische geschiedenis, hoewel hij er ongetwijfeld geen natuurwet in ziet.


STAAT.

Met ‘anarchiek’ wordt een “staat van staatloosheid” bedoeld (Taylor, 82: 4). Anarchisten zien immers een fundamenteel onderscheid (en zelfs vijandschap) tussen samen-leving en staat. Die afwezigheid van de staat en het primaat van de samenleving is echter niet genoeg om die samenleving anarchistisch te noemen: “Veel van deze organische samenlevingen zouden natuurlijk heel restrictief lijken voor de moderne libertair. Ze worden immers vaak gekarakteriseerd door differentiatie op basis van leeftijd en geslacht. Ze hebben een sterke collectieve morele en religieuze systemen die mensen doen conformeren. Machtige morele en sociale druk en bovennatuurlijke sanctionering worden opgevoerd om op enig antisociaal gedrag te wegen. En toch tonen ze, zelfs met hun beperkingen, aan dat de Hobbesiaanse nachtmerrie van universele oorlog in een ‘staat van natuur’ een mythe is. Een samenleving zonder hiërarchie in de vorm van regelgevers en leiders is geen utopische droom maar een integraal onderdeel van de collectieve menselijke ervaring. Anarchisten willen de oude patronen van samenwerking en wederzijdse hulp van deze samenlevingen combineren met een moderne zin voor individualiteit en persoonlijke autonomie.” (Marshall, 1993: 13)

Een heel belangrijk fenomeen in de geschiedenis die we hier beschrijven is de opkomst van de ‘moderne’ staat: “De staat verscheen pas rond 5500 voor Christus in Egypte … De staat verscheen hand in hand met economische ongelijkheid. Pas wanneer een samenleving een surplus kon produceren die kon worden toegeëigend door enkelen konden privaat eigendom en klassenverhoudingen zich ontwikkelen. Toen de rijken de steun van de sjamaan en de soldaat inriepen ontstond de staat als een vereniging die opperste autoriteit opeiste binnen een bepaald territorium. Wetten werden gemaakt om privaat eigendom te beschermen en werden afgedwongen door een speciale groep gewapende mannen…

Kropotkin argumenteert in zijn studie naar de oorsprong van de staat dat het Romeinse Rijk een staat was terwijl dat de Griekse polis en de Middeleeuwse stadsrepublieken dat niet waren. Hij draagt aan dat de staat in Europa hoogstens uit de 16e eeuw stamt, toen die de vrije steden en hun federaties overnam. Dat resulteerde in een ‘Driedubbele Alliantie’ van heren, advocaten en priesters die de samenleving domineerden. Later werden zij vervoegd door de kapitalisten die de staat verder versterkten en centraliseerden en het vrije initiatief vermorzelden. De bevolking werd intussen overgehaald mee te werken aan dat proces en raakte gewend aan die vrijwillige slavernij.” (Marshall, 1993: 17, 18)

Want ook de voorbeelden die hier volgen moeten in hun perspectief geplaatst worden als ze getoetst worden op hun waarde voor de hedendaagse samenleving en de anarchistische beweging in het bijzonder: “Terwijl de grote Middeleeuwse rebellieën duidelijk libertaire en egalitaire aspiraties hadden, hadden ze plaats in een wereldbeeld dat weinig belang hechtte aan het individu. Iedere persoon had zijn of haar toegewezen plaats in een hiërarchische samenleving die bestond in een lange Scheppingsketen die bij God begon. De koning werd beschouwd als de aardse vertegenwoordiger van God en heerste onder goddelijk gezag. De boerengemeenschap was gebaseerd op wederzijdse hulp en gewoonte, maar liet weinig ruimte voor non-conformisme of autonomie. Zelfs de Middeleeuwse steden met hun gilden die door Kropotkin zo bezongen werden hadden strikte regels en gedragscodes. Pas met de Reformatie en de Renaissance in Europa werd het individu beschouwd als een autonoom persoon met recht op een individuele beoordeling.” (Marshall, 1992: 96)

Intussen (vanaf + 1500) waren er in de kolonies, na de vaak hartelijke ontvangst ter plaatse, soms bloedige gevechten van de ‘inboorlingen’ tegen de bezetters. Kerk en leger stonden in voor het onderdrukken van dat verzet. Daarnaast werden ook daar mensen medeplichtig gemaakt: hoe talrijk de ‘Afrikaanse’ ‘koningen’ die eigen of andermans onderdanen aan de slavenhandelaars en andere ‘resources’ aan andere handelaars verkochten. Hoe talrijk de ‘Indiaanse’ verkenners in de legers van de ‘conquistadores’ van de verschillende naties.

Hoeveel oorlogen, collectieve zelfmoorden, hoeveel opoffering en zoeken naar bundeling van krachten tussen autonome stammen,… om weerstand te bieden: tot de dag van vandaag leeft de ziel van dat verzet nog steeds verder. Vooral op het ‘Amerikaanse’ continent zijn er nog ontelbare (al dan niet levende) sporen van dit verleden te vinden. De ‘dekolonisatie’ vond er ook vroeger plaats dan op het ‘Afrikaanse’ continent.

Het moet daarbij gezegd dat de macht en invloed van kerk en staat na de desintegratie van het Romeinse Rijk -door intern verval en onder druk van buitenaf die samen met de Romeinen ook hun levensstijl en gebruiken grotendeels overboord gooide- bijlange na niet zo groot was als die nu is. De staatvorming heeft overal veel moeite gekost. De onafhankelijke steden gaven die autonomie niet zomaar op en het heeft eeuwen van politiek gemanoeuvreer en geweld gekost om de steden te onderwerpen. De eerste voorbeelden van dienstweigeren in Nederland hadden hier bijvoorbeeld mee te maken.

Daarnaast was deze evolutie ook de rechtstreekse aanleiding voor de schaalvergroting van de oorlog: waar voorheen Poperinge en Ieper met elkaar concurreerden en oorlog voerden ging de strijd bijvoorbeeld tussen ‘Vlaanderen’ en ‘Holland’. Tot voorheen hadden de ‘gewone mensen’ relatief weinig gevolgen daarvan te dragen: oorlog werd door een professionele beroepsklasse gevoerd. Steeds frequenter werden gebieden overheerst door ‘buitenlandse bezetters’, die zoals steeds zowel verwelkomd als bitter bekampt werden.


KERK EN RELIGIE.

Evengoed is de macht van de kerk (onder het Romeinse Rijk de staatsgodsdienst geworden, na in oorsprong de strijd ermee te hebben aangebonden) met de val van dat Rijk mee ingestort. Het monopolie ervan (of van welke religie dan ook) was in het ‘wereldlijke leven’ lang niet zo absoluut, waar een lange traditie van ‘afwijking’ van getuigt.

Tao en Boeddha.

Die traditie zien we zoals hierboven al aangehaald in het ‘Oosten’ met het Taoisme en het Zen-Boeddhisme. Beide formuleren duidelijk maatschappelijke kritieken en dragen oplossingen voor die problemen aan die duidelijk libertaire (in de richting van het anarchisme gaande maar hiërarchie niet noodzakelijk volledig negatief beoordelende) tendensen vertonen. Vele verzen en concepten konden zo uit anarchistische pamfletten komen. Zo bijvoorbeeld: “Paarden leven op droge grond, eten gras en drinken water. Als ze plezier hebben wrijven ze hun nekken tegen elkaar. Als ze kwaad zijn draaien ze om en slaan hun hoeven naar elkaar uit. Tot zover gedragen ze zich naar hun natuurlijke ingesteldheid. Maar gebreideld en gebit, met een metalen plaats op hun voorhoofd, leren ze kwaad kijken, het hoofd draaien om te bijten, te weerstreven, de bit uit hun mond te krijgen of de breidel erin. En zo wordt hun natuur misvormd.” (Chuang Zu in Marshall, 1992: 58)

Denk daarbij ook aan het feit dat daar toen (en nog steeds) zo veel verschillende religies min of meer vreedzaam naast elkaar bestonden. Interessante vraag hierbij zou kunnen zijn aan welke kant Marshall Confucius zou plaatsen en waarom.

Oude Grieken.

Denken we ook maar aan het aantal bekende Oud-Griekse filosofen en hun vaak tegengestelde filosofieën (en godsconcepten, die echter erg onbelangrijk lijken in de filosofie van die tijd). De libertaire tendens van stoïcijnen, cynici enz. spreken boekdelen, net als de democratische organisatie van Athene op gegeven moment, onvolmaakt als ze was met de rijken die slaven bezaten en het uitsluiten van vrouwen uit de besluitvorming.

Islam.

Ook in de Islam vindt Marshall die anarchistische tendensen terug. Rond 487 na Christus verschijnt de profeet Mazdak in Perzië.

“Hij geloofde dat alle mensen gelijkwaardig geboren worden maar lijden onder de ongelijke verdeling van de goederen en vrouwen (sic). Gezien het feit dat de meeste gevechten hierrond draaiden veroordeelde hij privaat bezit en het huwelijk. Mensen zouden hun goederen en vrouwen moeten delen zoals ze dat deden met water, vuur en graasweiden. Ze zouden ook respect moeten hebben voor dieren en zo een eind maken aan slachting. Mazdak’s ideaal was een stoïcijns en simpel leven en hij streefde genoegen en soberheid na.

De volgelingen van Mazdak namen van de rijken en gaven wat ze zelf niet nodig hadden aan de armen. Ze riepen zelfs op om de koning af te zetten. Onder elkaar hadden ze geen private bezittingen en wisten hun kinderen niet wie hun vader was. Duizenden vervoegden de beweging maar in 523 pCn organiseerde Koning Qobbath een bloedbad. Mazdak werd gearresteerd en geëxecuteerd in 528 of 529 voor Christus. Zijn volgelingen werden zo goed als uitgeroeid hoewel Babik zonder succes probeerde de beweging nieuw leven in te blazen in de negende eeuw. Sommige van Mazdak’s leringen vonden later weerklank in de Ismaeliya-beweging in haar geheel en in het bijzonder in de invloedrijke culturele organisatie die bekend was als Ikhwan al-Safa (de Broeders van Reinheid). Mogelijks is er ook Al-Quramitta erdoor beïnvloed, die de eerste Islamitisch-Socialistische samenleving organiseerden in Zuid-Irak en Bahrein. In het Midden-Oosten wordt de term ‘Mazdak’ nog steeds gebruikt om iemand te beschrijven die rebelleert en onhandelbaar is.”

Natuurlijk is het weinig anarchistisch als de mannen ‘de vrouwen moeten delen’. Daar kan iedereen het over eens zijn. Als we echter sporen van dat anarchisme zoeken, kunnen we evenmin de andere trekken negeren, die wel duidelijk libertair zijn. Bij het spoorzoeken is dit een algemeen probleem.

Europees Christendom.

Maar ook in Europa wordt er lustig ‘afgeweken’ van de autoritaire, dogmatische norm en de groeiende centralisering: “In het Europa van de Middeleeuwen, toen de kerk als instituut de macht begon te delen met de aardse heersers en haar eigen dogma’s begon op te leggen, ontwikkelde zich een ondergrondse beweging binnen het Christendom die vaak een revolutionaire vorm aannam in tijden van onrust en schaarste. Het daagde de macht van staat en kerk uit en probeerde een samenleving te organiseren die gebaseerd was op de gemeenschap van de apostelen. De bekendste ‘ketterij’ toen werd bekend onder de naam ‘Ketterij van de Vrije Geest’. Hoewel nu minder bekend dan de Kathaarse ketterij, was ze heel waarschijnlijk belangrijker in de sociale geschiedenis van West-Europa (…) In haar bestaan ontwikkelde de ketterij drie (…) Ten eerste geloofden de aanhangers dat ‘God al is wat is’ en dat ‘Elk gecreëerd ding heilig is’. Aan het einde van de tijd zal alles tot God terugkeren zoals een druppel wijn in de zee. Ten tweede dachten zij dat er geen hiernamaals is waar gestraft of beloond wordt, maar dat hemel en hel veeleer toestanden zijn van de ziel op deze wereld. Ten derde, en dit had heel belangrijke morele en politieke consequenties, geloofden zij dat iemand die weet heeft van God in de hemel is en niet in staat zonden te begaan: ‘Elk creatuur is in zijn natuur gezegend’. Verenigd met God stijgt het individu boven alle wetten, kerken en rites uit en kan het doen wat het ook maar wil (…).” (Marshall, 1992: 87)

Deze stellingen zijn in grote mate gelijklopend aan de visie van de latere ‘libertijnen’ als De Sade. “De ‘Ketterij van de Vrije Geest’ vormde een clandestiene traditie die niet enkel boven water kwam in de grote boerenopstanden van de Middeleeuwen en aan de extreemlinkse zijde van de Engelse Revolutie, maar welde ook op in de geschriften van William Blake (ook wel de ‘grootvader van het anarchisme’ genoemd). Een moderne versie van de sekte van de ‘Vrije Geest’ met haar nadruk op totale emancipatie van het individu en de roep om universele vrede en liefde kan zelfs worden herkend in de tegencultuur van de ‘jaren ‘60’. Onvermijdelijk hadden zulke libertaire stellingen revolutionaire gevolgen voor de Middeleeuwse samenleving. Tegen het midden van de 14e eeuw creëerden de fundamentele economische en sociale veranderingen ernstige spanningen. Onrust onder de boeren brak uit, niet zozeer waar ze welvarend en relatief vrij waren, maar waar een veelheid aan wereldlijke en kerkelijke heren in hun nadeel probeerden hun zeggenschap te vergroten en te formaliseren. Onder de onteigende en ontwortelde armen groeide het verlangen naar een terugkeer naar de natuurlijke rechtvaardigheid van de Tuin van Eden. Maar de grote massale opstanden die tot stand werden gebracht –t.t.z. de Engelse Boerenopstand in 1381, de Hussitische Revolutie in Bohemen in de stad Tabor in 1419–’21, de Duitse Boerenopstand die geleid werd door Thomas Münzer in 1525 en de Commune van Münster in 1534- waren vaak contradictoir. Het is niet altijd gemakkelijk er de anarchistische wortels in te herkennen. Terwijl ze duidelijk millenaire (‘gelovend in het Duizendjarige Rijk op Aarde) en libertaire hoop koesterden hadden ze gewoonlijk realistische en beperkte sociale doelstellingen. Hun roep om vrijheid was ongetwijfeld libertair maar eindigde vaak in autoritaire leiding. De Boerenopstand in Engeland in 1381 begon als een massaal protest van de vrijboeren in Essex en Kent tegen steeds stijgende belastingen, in bijzonder de ‘Poll Tax’ die pas was ingevoerd. Ze vreesden dat de edelen probeerden de feodale status van de vrijboeren te vernietigen en hen slaven wilden maken.” (Marshall, 1992: 89)

Geholpen door de inwoners van Londen namen ongeveer 100.000 boeren onder leiding van Wat Tyler en Jack Straw de stad in. Tijdens de onderhandelingen werden de boerenvertegenwoordigers gearresteerd en later onthoofd en de beweging werd verslagen. De Poll Tax-rellen enkele jaren terug, vooral onder impuls van de anarchistische beweging doet sterk aan dit verhaal denken (de leiders werden dan wel niet vermoord tijdens onderhandeling: tot onderhandelingen is het niet gekomen maar de tientallen gewonde manifestanten spreken boekdelen).

Inderdaad verstrakt de greep van de kerk (hoogtepunt van de pauselijke macht rond 12e en 13e eeuw) –gelijkopgaand met de versterking van de staat (vorming vanaf 14e eeuw)- in absolute zin pas met het verstrijken van de tijd. Dit is geen tegenspraak met het feit dat de kerk eigenlijk al voor de centralisatie van de staat de grootste centrale macht was (door het feit dat de kerk toentertijd zonder vergelijking de grootste organisatie was: ze had een uitgebreid communicatienetwerk, was dogmatisch en hiërarchisch en het best in staat tot propaganda, zeker met de dreiging van de Inquisitie om haar te ondersteunen). In hun onderlinge concurrentie zijn ze allebei gegroeid, daarbij voornamelijk de voorheen ‘vrije’ ruimte innemend. Dat ze op een ander ogenblik tot hun hoogtepunt zijn gekomen is van secundair belang.

Religiositeit was sowieso één van de belangrijkste elementen in de sociale coherentie, terwijl de mogelijke afwijking relatief groot was (wat niks afdoet aan de paranoia van de Inquisitie en zovele andere pogingen van deze of gene kerk om haar invloed te vergroten). De impact van de kerken in Afrika is bijvoorbeeld enorm en één van de redenen waarom AIDS, door Islam en Katholicisme niet genoeg reden om de dogma’s te herzien, er verder blijft woekeren. Deze impact hadden kerken vroeger zelden.


VROEGSOCIALISME.

Naast de religiositeit ‘strictu sensu’ was de utopie over het algemeen de grote gelijkenis tussen de verschillende verzetsbewegingen (maar ook de bestaande orde). De utopieën tierden welig, gaande van Plato tot Thomas More, Saint-Simon en de millenaristen (waaronder Sint Augustinus, wiens uitspraak ‘Love, and do what you will’ een minder bekend kerkelijk dogma is). Maar ook andere denkers proberen hun invloed te laten gelden: Rabelais, Etienne de la Boétie, Denis Diderot, Rousseau, Locke, Jonathan Swift, Edmund Burke, Thomas Paine, De Sade, Fourier,…

Het proces dat Kropotkin hierboven beschrijft van de trend naar (vrijwillige) slavernij leidde evengoed tot pogingen om onder die slavernij uit te komen: elke stap in het proces stuitte op één of andere vorm van weerstand. Hierbij wordt onmiddellijk opgemerkt dat de brede ‘massa’ niet direct aan zet was; het was niet op haar initiatief dat dit proces tot stand kwam.

Het verzet in die fase (die bijvoorbeeld in de ‘Derde Wereld’ veel later is gekomen) is sporadisch, weinig planmatig en op behoud gericht: behoud van traditie, behoud van productiemiddelen en rechten. Organisaties zoals we ze nu kennen bestonden amper, laat staan dat ze de volumes aannamen die ze nu aannemen. Door de sociale cohesie was dat ook minder nodig. Op het eerste zicht daarmee in tegenspraak kan evengoed gesteld worden dat één van de grote moeilijkheden bij het organiseren net de belangenverschillen was van zo diverse groepen als “verpauperde plattelanders, dagloners, zelfstandige arbeiders die amper het water boven hoofd konden houden, fabrieksarbeiders enzomeer. Niet alleen was hun objectieve situatie verre van homogeen, maar de neerslag ervan op het bewustzijn was dit evenmin. In de mate dat er sprake kon zijn van een spontaan klassenbewustzijn was het een mengeling van desperaat verzet, teruggrijpen naar een geïdealiseerd verleden en sporen van toekomstgericht denken. Zoals de kapitalistische productiewijze uiteindelijk de maatschappij in een meer geuniformiseerde vorm zou persen, zo zou dit klassenbewustzijn pas later, en van buitenaf aangebracht, tot meer eenheid komen. Het kan nauwelijks verwondering baren dat ook de eerste socialistische ideologen van vele ruiven eten, vaak weinig consistent zijn, en met de meest uiteenlopende oplossingen voor de pinnen komen.” (Doom, ???: 113)

Luddieten.

Dat betekent echter niet dat mensen zich niet zouden organiseren. “Rond 1811 opereerde o.m. in Lancashire, Nothingham, Yorkshire… de Luddieten, genaamd naar de reële (???) leider King Ludd. De ‘Luddieten’ sloegen ‘s nachts toe, waren gemaskerd en ramden de inboedel van de fabrieken kort en klein. De beweging kende diverse op en neer gaande getijden, net als de repressie trouwens. Ook in 1830, toen de Belgische onafhankelijkheid werd bevochten, werden gevallen van machine-vernietiging vastgesteld. In 1831 kwamen de Lyonese zijdewevers in opstand tegen de lage tarieven opgedrongen door de fabrikanten. Zowel de ‘chef D’ateliers’ (kleine zelfstandigen) als de ‘compagnons’ (die tegen stukloon werkten) trokken aan hetzelfde zeel, onder de strijdleuze ‘vivre en travaillant ou mourir en combattant’ (‘werkend leven of strijdend sterven’). Na enkele dagen van verbitterde gevechten, waarbij meer dan 600 doden en gewonden vielen, waren ze meester van de stad. Deze overwinning verheugde de ‘canuts’ uiteraard ten zeerste, maar nu zij het pleit –zo leek het- beslecht hadden, ontstond er de grootste verwarring, daar eigenlijk niemand wist wat aan te vangen. ‘Le tarif’ –het stukloon-, daar was het dus allemaal om te begonnen, maar er was in Lyon niemand meer waarmee men daarover kon onderhandelen, en een alternatieve wijze van produceren was er niet. Door gebrek aan perspectief moest de beweging wel te pletter lopen. De stad werd door het leger heroverd. Een ander bewijs van het onvoldragene van het streven van de onderste lagen van de bevolking, is dat ze aanvankelijk, bij ontstentenis van eigen ideologie, strategie of leiders, opgetrokken achter een vlag die in feite de hunne niet was. …” (Doom, ???: 113, 114)

Vragen kunnen inderdaad gesteld worden over de coherentie en consequentie van de meeste van deze bewegingen. Zo pleitten de zo geroemde ‘Levellers’ (één van de meest bekende van deze ‘oude’ verzetsbewegingen uit Engeland) in feite, als zovele andere, voor een vrij conservatieve invulling van de democratie: privaatbezit werd niet enkel als een noodzakelijke voorwaarde voor vrijheid beschouwd, maar ook als essentiële stimulans voor arbeid; het stemrecht moest voorbehouden worden aan het volk, namelijk ‘alle vrijgeboren mannen boven de 21 jaar, behalve diegenen in loondienst’.

Ranters.

Er zijn tal van dergelijke pogingen om organisaties van één of andere slag op te starten, meestal verspreid en zonder gecentraliseerde controle op lidmaatschap, maar waarin mensen elkaar vonden om concreet in actie te komen als de kans of noodzaak zich aandiende. De ‘organisaties’ worden dan ook beter als bewegingen gedefinieerd. Als voorbeeld van het niet-georganiseerd raken van bewegingen gelden de ‘Ranters’, die “niet alleen een schakel zijn in de lijn die loopt tussen Joachim van Fiore en William Blake maar ook tussen het boerencommunisme en het moderne anarcho-communisme. Ze inspireerden zich op de ‘Broederschap van de Vrije Geest’ uit de Middeleeuwen en werden voorlopers van de tegencultuur in de huidige eeuw” (Marshall, 1992: 107)

“Zelfs in al hun enthousiasme en originaliteit slaagden de ‘Ranters’ er nooit in een coherente of georganiseerde beweging te vormen. Ze sloten aaneen in losse verzamelingen of affiniteitsgroepen, waarschijnlijk met elk ongeveer een dozijn leden. Ze werden vooral door de lagere strata van de stedelijke bevolking gesteund die de aspiraties van John Ball deelden. De ‘Ranters’ werden enige tijd vrij talrijk, vooral in Londen, en op hun hoogtepunt was er geen deel van Engeland dat niet hun invloed gevoelde.” (Marshall, 1992: 106)

De ‘Ranters’ zwoeren de ‘Diggers’ en de ‘Levellers’ af omdat die geweld niet principieel veroordeelden. De vrijheid die vrouwen hadden bij de ‘Ranters’ is een waar tegengif bij alle echt en ingebeeld puritanisme dat de Middeleeuwen zo vaak en zo gemakkelijk wordt toegeschreven.

Enerzijds waren de acties erop gericht zich af te scheiden van de wereld (de ‘Diggers’ op Georges Hill,…) en een eigen samenleving op te bouwen. Anderzijds zijn er tal van voorbeelden waar de acties zich duidelijk tegen de bestaande orde keerden en probeerden zo veel en zo breed mogelijk te mobiliseren.


Hongeropstanden.

Door de relatieve gebondenheid van deze vormen van expliciet verzet aan materiële economische) omstandigheden worden ze vaak met de term ‘hongeropstanden’ samengevat, een term die en aantal fundamentele aspecten bedekt:

“Na de mislukte oogst van 1709 ontstonden er relletjes onder de scheepsjagers van de Tyne. Naar aanleiding van de sterke stijgingen van de voedselprijzen in 1727 plunderden de arbeiders van de tinmijnen in Cornwall de graanopslagplaatsen in Falmouth en haalden de arbeiders van de kolenmijnen in Somerset de tolbekken op de weg naar Bristol neer. Tien jaar later verzamelden de arbeiders van de tinmijnen in Cornwall zich opnieuw in Falmouth om de uitvoer van graan te beletten en een jaar later waren er relletjes in Tiverton. De hongersnood van 1739 – 1740 leidde tot een ‘opstand’ in Northumberland en Durham, waarin vrouwen een hoofdrol schijnen te hebben gespeeld: ze gingen aan boord van schepen, braken pakhuizen open en van de Guld in Newcastle bleef alleen een ruïne over. Uit diezelfde tijd dateren berichten over aanvallen op graanhandelaren in Noord- en Zuid-Wales. In 1748 en 1753 gebeurde in verschillende delen van het land ongeveer hetzelfde; in de jaren 1756 – 1757 was er praktisch geen graafschap dat het ministerie van binnenlandse zaken geen berichten stuurde over het vernielen van korenmolens of van ontmoetingsruimten van Quakers (die vaak eigenaars van molens waren, BM, de vertaler van de tekst) of over het mishandelen van bakkers en graanhandelaars. Ondanks strenge straffen gebeurde in latere slechte jaren van die eeuw hetzelfde: in 1762, 1765 – 1767, 1774, 1783, 1789, 1795 en 1800. Deze bereidheid om zelf het heft in handen te nemen vormt de ziel van de strijd in de textiel, die voor Engeland en de kapitalistische ontwikkeling zo belangrijke nijverheidstak, waar bijvoorbeeld de ‘instelling van de arbeiders in de wolindustrie eeuwenlang vooral gekenmerkt werd door ontevredenheid’ … Dat blijkt ook afdoende uit populaire balladen uit die tijd, bijvoorbeeld over de rellen van de Londense wevers die in 1675 de regering in paniek brachten.” (Zerzan P. en J., 2000)

Vroegsocialisme.

Het mag duidelijk zijn uit al het voorgaande dat ‘honger’ echt niet de enige motivatie was voor deze opstanden. De term die Doom gebruikt –Vroeg-Socialisme- dekt volgens mij dan ook beter de lading dan ‘hongeropstanden’. Dat blijkt ook uit het verhaal van de Franse Revolutie (1789), die we verderop in een case verder bespreken.

Verzet was latent en taai, traag maar vasthoudend en explodeerde als de omstandigheden daartoe leidden. Enkele voorbeelden hebben we hierboven al aangehaald in het kader van het verzet tegen de industrialisatie. Een voorbeeld uit hetzelfde artikel van de Zerzan’s verhaalt van “een opstand aan het einde van deze periode, de ‘laatste arbeidersopstand’ van landarbeiders, in 1830, zegt veel over de algemene verandering die plaats had gehad. Evenals bij de uitbarstingen van 1816 en 1822 was er op het platteland veel eigendom vernield en waren grote delen van Kent en East Anglia in handen van de opstandelingen. De hertog van Buckingham verwoordde de bezorgdheid van de regering toen hij verklaarde dat het hele land in handen van de opstandelingen was. Maar ondanks enkele succesvolle weken zakte de beweging in elkaar bij het eerste krachtsvertoon in elkaar. De geschiedkundige Pauline Gregg beschreef de plotselinge terugval in apathie en wanhoop; zij waren ‘niet gewend zich te laten gelden’, hun vroegere traditie en initiatief had het afgelegd tegen de algemene triomf van de nieuwe orde.”

Doom concludeert hierover: “Groepen verwerven hun bewustzijn door de actie, en het is vrijwel steeds zo dat de eerste pogingen gericht zijn op het aanbrengen van kwantitatieve verbeteringen binnen de eigen directe levenssfeer. Voor de arbeiders betekende dit verbetering van de werkvoorwaarden, hogere lonen, kortom het verbeteren van de levensomstandigheden. In praktisch alle landen waren er wettelijke beperkingen op het verenigingsrecht ingesteld, zoals de Combination Acts in Groot-Brittanië of de wet Le Chapelier in Frankrijk (en België). De zogenaamde ‘mutuelles’, steunfondsen en ziekenkassen die oogluikend geduld werden –zoals de ‘Broederlijke Wevers’ te Gent- fungeerden evenwel als verdoken stakingskassen.” (Doom, ?: 116)


DE BOUW VAN ‘HET’ SOCIALISME.

We hebben het vorige deel beëindigd met de beschrijving van de verdoken stakingskassen. Naar het begin van de 19e eeuw krijgt het socialisme inderdaad steeds meer vorm. We hebben in dat verband al de ‘creatie van de massa’ aangehaald. Door de uniformisering van de armen in de fabrieken en de disciplinering die dat met zich meebracht, ondersteund door de daarmee samenhangende veranderingen in de sociale structuur en de materiële omstandigheden werd de noodzakelijke voorwaarde geschapen voor een min of meer gestructureerde beweging. De opkomende rationaliteit en wetenschap beïnvloedden eveneens de manier waarop de revolutionaire strategie werd beschouwd: in veel gevallen weg van het mysticisme en een poging om het wereldbeeld en de doelstellingen in een coherent geheel te gieten.

In veel opzichten is het anarchisme van de huidige ‘socialistische’ stroming de onderstroom die het dichtst in de buurt komt van dit oorspronkelijke ‘socialisme’ (over de wenselijkheid hiervan kan gediscussieerd worden). Belangrijk hierbij is dat de breuklijnen die er nu zijn binnen dat socialisme toen misschien in theorie niet kleiner waren, maar dat de stroming in ieder geval nog minder in verschillende kampen verdeeld was. Hoewel het socialisme niet op een bepaald ogenblik door een bepaald iemand is ontworpen: het is steeds een amalgaam geweest van allerlei invloeden, die soms met elkaar in botsing kwamen. Ook die botsingen proberen we gedeeltelijk in beeld te brengen.

Het moment dat we kozen om dit tweede deel te beginnen is arbitrair. Doom situeert dat begin bijvoorbeeld in 1848. Daarvoor haalt hij een aantal argumenten aan. Ten eerste het feit dat in 1848 ‘veel regimes wankelden maar zelden vielen. Ten tweede wordt het ‘Communistisch Manifest geschreven. Ten derde, zo citeert hij Hobsbawm, “kwamen de liberalen van West-Europa tot twee belangrijke ontdekkingen: dat revolutie gevaarlijk was en dat enkele van hun eisen (vooral op economisch terrein) ook zonder revolutie konden vervuld worden. De bourgeoisie hield op een revolutionaire kracht te zijn.”

Veel historici nemen de Franse Revolutie (1789) als keerpunt in de geschiedenis van de sociale strijd. Voordien “was het sociale vraagstuk een boerenvraagstuk”. Daarbij waren de “economische en sociale tegenstellingen die tussen grootgrondbezitters en onderhorigen. Van de grote West-Europese boerenopstanden –de Franse Jaquerie in 1358, de Engelse opstand van Wat Tyler met zijn boerenleger in 1381, de Duitse boerenoorlog in 1524- tot de Omwenteling van 1789, beheerst het landbouwvraagstuk de sociale verhoudingen… De vrijheid, aan de landbouwbevolking geschonken, vrijheid te kopen en te verkopen, zich te verplaatsen, zich grond aan te schaffen, te huwen, uit te wijken, heeft een nieuw tijdperk ingeluid, en de overgang van de overheersend agrarische naar de industriële beschaving mogelijk gemaakt… Zoals de sociale evolutie tot de achttiende eeuw gebonden was aan de landbouweconomie, zo is zij sedert de negentiende eeuw aan de ontwikkeling van het fabriekswezen gebonden.” (Verstraeten, 1965: 11-13)

Ook al zijn deze argumenten terecht houden we hier uit praktische overwegingen toch gewoon de eeuwwisseling als eikpunt.

Centraal staat hier de uitbouw van het socialisme, dat steeds meer de enige revolutionaire speler werd, dat wil zeggen: de enigen die het systeem niet zozeer van binnenuit wilden veranderen, maar inzagen dat een fundamentele verandering nodig was maar door de geprivilegieerden noodzakelijkerwijs zou worden beantwoord met een fysieke strijd.

Over een aantal grondvoorwaarden is hierboven al gesproken: technologie, omschakeling van een agrarische naar een industriële economie (met de creatie van de massa),… Daarnaast zijn er nog een aantal fenomenen die ermee samenhangen:

  • aangroei van de stedelijke bevolking door dalend sterftecijfer en stijgend geboortecijfer en de ‘plattelandsvlucht’
  • verval van de landelijke huisnijverheid en het daarmee samenhangende verlies van (relatieve) autonomie
  • ontbinding van de stedelijke bedrijfseconomie en geleidelijke afbraak van de gilden
  • verheviging van de kolonisatie (voornamelijk. in Afrika)
  • groeiende internationale rol van de V.S. en Japan

Concreet was de periode na 1800 het tijdperk van het liberalisme: de vrijhandelsakkoorden volgden elkaar met grote snelheid op (hoewel natuurlijk beschermende maatregelen niet wegvielen). Het primaat van de handel had ook gevolgen voor het protest dat zich voornamelijk op economisch vlak uit. “In Groot-Brittannië werden de Combination Acts in 1824 herroepen, doch vrijwel onmiddellijk werden door talrijke wettelijke beperkingen de vakverenigingen andermaal beteugeld. Toch kenden ze groot succes, en rond 1830 waren er 100.000 leden aangesloten bij de ‘National Association for the protection of labour’, die evenwel ter ziele ging. In de aanvangsfase was er geen gebrek aan enthousiasme, doch het mangelde aan organisatorische ervaring en geldelijke middelen, zodat syndicaten even snel over kop gingen als ze opgericht werden.” (Doom,?: 116)


REFORMISTEN EN RADICALEN.

Het strijdperk werd, naarmate de industrialisatie vorderde, steeds meer exclusief de werkvloer, daar waar voorheen een hele reeks waarden, belangen en gebeurtenissen een rol speelden, zowel in de theorie als in het mobiliseren en de praktijk. De strijdmethoden evolueerden mee en het belangrijkste wapen van de ‘arbeiders’ werd de (algemene) staking. Binnen de vakbonden, die onder meer de stakingskassen organiseerden, splitste de beweging zich toen al in ‘reformisten’ enerzijds, die ‘vakbondseisen’ stelden als verkorting van werktijd of beginnende arbeidsreglementering, en anderzijds de ‘radicale vleugel’ die ‘politieke eisen’ stelde. Toen al werd duidelijk dat die eerste eisen relatief gemakkelijk konden worden afgedwongen van de staat, die er zelf ook belang bij had de arbeiders niet te laten verhongeren. Die reactie maakte de tweespalt binnen het arbeiderskamp alleen maar groter: het ‘verdeel en heers’ bleek nog steeds efficiënt.

De weigering van de radicalen "het politieke terrein" te betreden, hetzij om macht te verwerven binnen de staatsapparaten en uiteindelijk zelf de staat in handen te nemen, hetzij om door revolutie de staatsmacht te breken [of over te nemen, nvdr] wordt ook door andere stromingen gedeeld. De onderliggende redenering kan zeer uiteenlopend zijn.


DE COÖPERATIEVE STROMING.

“Eén van deze strekkingen stelt het oprichten van een alternatieve productievorm, de coöperatie, als directe doelstelling voorop. De aanhangers van deze strategie menen dat het erop aankomt een soort tweede circuit te laten tot stand komen, dat het kapitalisme geleidelijk aan terugdringt. Door het concrete voorbeeld van deze pilootprojecten zullen steeds meer mensen zich hiertoe aangetrokken voelen, waardoor het kapitalisme als het ware weggeconcurreerd wordt. Binnen deze context lost het politieke probleem zichzelf wel op, zodat elke voorafgaande poging om het politieke met het politieke te bekampen, nutteloze energieverspilling betekent. Het coöperatie streven bestrijkt twee deelterreinen: de productie en de distributiesector.” (Doom, ?: 116, 117)

Nu zijn er in principe drie opties mogelijk voor deze aspecten: een productiecoöperatief, een consumptiecoöperatief en de combinatie ervan (minder of meer exclusief voor de medewerkersters). “In feite ontstond er een keten van kleinwarenhuizen, waarvoor het kapitaal werd bijeengescharreld door vele kleine aandelen. In tegenstelling tot een kapitalistische onderneming, werd er geen winst uitbetaald naar ratio van het aandelenpakket, maar werd bij aankoop van goederen ristorno verleend in de vorm van zegeltjes. De verbruikscoöperaties kenden een groot succes, naderhand ook in België waar ze nog steeds –zij het kommervol- bestaan.” (Doom, ?: 117)

Een voorbeeld van vertegenwoordigers ziet Doom in Robert Owen en zijn ‘The New Lanarck Mills’. “Owen, soms de vader van het Engelse socialisme genoemd, … erkende Godwin als zijn filosofische meester.” (Marshall 1992: 192) William Godwin wordt vrij algemeen beschouwd als de grootvader van het anarchisme, wat niet betekent dat ook Owen als anarchist kan worden beschouwd: “Sinds de activiteiten van de Engelsman Owen is de coöperatiebeweging onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het socialisme. Het was Owen (1771 – 1853) die aandrong op het stichten van verbruikerscoöperaties. Toen deze zag dat zulke coöperaties bij de (arbeidende) bevolking aansloegen, zette Owen zich tevens in om de vakverenigingen van de grond te krijgen. In zijn ogen moesten die verenigingen niet zo zeer strijdorganen zijn, maar productieassociaties. De koppeling van consumptie- en productieassociaties zouden dan de basis kunnen vormen van de nieuwe maatschappij. Het opzetten van zulke associaties kon reeds een aanvang nemen voordat het bestaande maatschappelijk bestel fundamenteel omgevormd was. En waar de koppeling van consumptie- en productieassociaties een succes werd, konden er ‘kolonies’, nieuwe gemeenten gesticht worden door groepen mensen, die een patroon van gemeenschappelijke productie en consumptie vormden.” (Holterman in De AS #106, 1982: 2)

Concreet was Owen mede-eigenaar van één der modernste katoenspinnerijen in Schotland, die hij ombouwde tot “een instelling waarin efficiëntie en een humane arbeidssituatie werden gecombineerd. Niet alleen waren de werkdagen korter en de lonen hoger, de kinderarbeid beperkt en gecombineerd met schoolse opleiding, maar er werd zelfs winst gemaakt.” (Doom, ? :117)

In het politieke klimaat net na de Napoleontische oorlogen slaagde hij er niet in ook in de rest van Engeland dergelijke projecten op te starten: het enige antwoord op de economische depressie was keiharde repressie. Owen waagde zijn kans in de Nieuwe Wereld, waar hij ‘New Harmony’ stichtte. De nieuwe kolonie ging ten onder: “Hij (Josiah Warren, die algemeen beschouwd wordt als de eerste echte Amerikaanse anarchist) werd eerst lid van Robert Owens utopische kolonie New Harmony, maar verliet die in 1827 omwille van de regelingen omtrent het gemeenschappelijk bezit en de systemen van collectieve autoriteit die naar zijn gevoel initiatief en verantwoordelijkheid verhinderden en individualiteit onderdrukte. Warren vond dat het gefaald had de drang naar persoonlijke autonomie en de eis van gemeenschappelijke conformiteit te verenigen; de ‘gemeenschappelijke belangen’ van de leden waren in direct conflict met hun individuele persoonlijkheden en de omstandigheden. Die ervaring bracht Warren er niet toe het principe van coöperatief leven af te zweren, maar maakte hem ervan bewust dat de samenleving zich naar de noden van het individu moest buigen en niet omgekeerd. (…) Hoewel hij zijn principes onafhankelijk van hem uitwerkte wordt Warren de ‘Amerikaanse Proudhon’ genoemd. Net als Proudhon richtte hij zich vooral op bezit als de sleutel van menselijke vrijheid. Elk individu heeft recht op de producten van zijn of haar arbeid, maar niemand kan helemaal zelfvoorzienend zijn. De bestaande productiemethoden maakten een arbeidsverdeling onvermijdelijk. Om deze tegenstrijdigheid te overwinnen stelde Warren, net als Owen een ruil voor van eenheden die gebaseerd waren op de arbeidstijd [die nodig was voor de productie van het product, nvdr], met het bijkomende voorbehoud dat de intensiteit van het werk in rekening moest worden gebracht bij het evalueren van de arbeid van het individu. Hij wilde een ‘evenwaardige handel’ tot stand brengen waarin alle goederen geruild worden tegen hun productiekost. Daarom stelde hij ‘werkbriefjes’ voor om het conventionele geld te vervangen, er van uit gaand dat elke verkoper accuraat zijn of haar werktijd zou berekenen. Op die manier zouden winst en intrest uitgeroeid worden en zou een grotendeels egalitaire orde ontstaan. Nadat hij ‘New Harmony’ verlaten had probeerde Warren zijn systeem uit in een Tijdswinkel die hij in Cincinatti opstartte. Die overleefde drie jaar en demonstreerde de praktische waarde van zijn ideeën. Goederen werden aan kostprijs verkocht en gebruikers gaven de winkelhouder werkbriefjes die het equivalent waren van hun eigen werk om dat van hem te vergoeden.” (Marshall, 1992: 384, 385)

Marshall verduidelijkt niet waarom de ‘Tijdswinkel’ na drie jaar ophield als de resultaten dan toch zo veelbelovend waren. Over het daaropvolgende project, de ‘Village of Equity’ of het ‘Dorp van de Gelijkwaardigheid’, dat Marshall “de eerste anarchistische gemeenschap in welk land ook sinds de ‘Diggers’ die van hen wilden opstarten” noemt (Marshall, 1992: 386) zegt hij dat die door ziekte ineenklapte, waarna hij “onmiddellijk in 1846 een andere gemeenschap, ‘Utopia’, oprichtte, voornamelijk met voormalige leden van Fourieristische gemeenschappen.” (Marshall, 1992: 386) (In 1850 vertrok Warren uit Utopia, dat tot 1860 bleef bestaan, om de ‘City of Modern Times’ of de ‘Stad van de Moderne Tijden’ te starten.)

Want Warren was bijlange na niet de enige die met dit soort projecten bezig was. “Ook bijvoorbeeld bij de Duitse anarchist Landauer vormden de ‘kolonies’ (Siedlungen noemt hij ze), de gemeenten, de kern van zijn socialisme. Andere bekende propagandisten van de coöperatiegedachte van rond 1850 waren de Fransen Charles Fourier en P.J. Proudhon. De laatste onder meer met zijn ‘ruilbeurs’. In het anarchosyndicalisme hebben zijn denkbeelden zich met ideeën over bedrijfsraden en arbeiderszelfbestuur doorgezet.” (Holterman in De AS, 1982: 2)

Proudhon zette na een ontnuchterende parlementaire activiteit zijn ‘Volksbank’ op met “gratis krediet om de weg te tonen naar een ‘mutuele’ transformatie van de economie. [Proudhon ontwikkelde het concept van de ‘mutual aid’ of ‘wederkerige hulp’; naar hedendaagse normen is de term vertaalbaar als ‘solidaire economie’, hoewel de inhoud wel geheel anders is dan de concrete hedendaagse interpretatie van dat laatste concept, nvdr) Haar functie was beperkt tot de ruil van artikelen voor een equivalente som geld en het uitschrijven van renteloze leningen. De waarden van artikelen zou gebaseerd worden op het totaal aan arbeid en de bijhorende uitgaven die nodig waren voor de productie. Het was duidelijk een consensuele strategie naar verandering. Het zou immers in eerste instantie voordelen brengen voor de kleine ondernemer en arbeiders die dezelfde belangen delen. Meer nog zou het de motor van het kapitalisme niet beïnvloeden omdat Proudhon bleef geloven dat competitie de ‘specerij is van de ruil, het zout van het werk. Competitie onderdrukken is vrijheid zelf onderdrukken’. Uiteindelijk werd de effectiviteit van de Volksbank nooit getest gezien ze, ondanks de zevenentwintigduizend deelnemers, binnen het jaar ineenklapte. Het was er nauwelijks het moment naar om radicale experimenten te beginnen. Zware repressie volgde op de geslaagde staatsgreep van Louis Napoleon in December 1848. Proudhon zelf werd in januari gearresteerd (…) waarna hij tot drie jaar cel werd veroordeeld.” (Marshall, 1992: 244, 245)

Op al deze pogingen kwamen verschillende reacties. Enerzijds was het zo dat “sociaal-liberalen rond 1860 eveneens de coöperatiegedachte propageerden. Zij stoelden daarbij op een leer van de staatsonthouding, die anarchisten zal aanspreken. De staat moet niet de problemen oplossen, maar de mensen zelf. Sociaal-liberalen hielden zich daarbij vooral bezig met de arbeider als consument, en trachtten dus aan te zetten tot het opzetten van consumptiecoöperaties.” (Holterman in De AS, 1982: 2, 3)

Anderzijds werden vragen gesteld uit anarchistische hoek. We gaan hier verder in de tekst dieper op in, maar willen u hier toch al de belangrijkste kanttekeningen en kritieken meegeven. Enerzijds werd de vraag natuurlijk gesteld of de arbeiders in zo’n coöperatie of associatie nu niet zelf kapitalisten werden. “In deze afweging vonden sommige anarchisten een reden de coöperatieve beweging af te wijzen. Zij concentreerden zich liever op het ontwikkelen van strijdorganisaties van arbeiders (vakorganisaties; aanzetten tot de ‘algemene staking’). Het coöperatiewezen legt niet alleen een ideologische complicatie bloot. Er speelt nog iets heel anders. Het verleden heeft getoond dat door wanbeheer of zelfs frauduleus handelen van iemand de coöperatie, de deelgenoten en andere belanghebbenden nadeel berokkend kon worden. De kas bleek leeg; de eigendommen van de coöperatieve waren verdwenen of werden achtergehouden; bij opheffing van de coöperatie vielen de eigendommen toe aan een enkel iemand; het faillissement van de coöperatie bleek in werkelijkheid de financiële ondergang van een individu in te houden. In naam leek het dat er sprake was van een coöperatie. Deze bleek vaak niet opgezet naar geldende wettelijke regels, waarvan het gebruik om fundamentalistische redenen werd afgewezen. Dit betekent dat de beschermfunctie van recht geheel werd ontbeerd.” (Holterman in De AS, 1982: 3)

Deze laatste tekst valt uiteen in twee delen. De tweede paragraaf houdt twee hoofdzaken in. Ten eerste wordt de vraag gesteld naar ‘wanbeheer’ en ‘fraude’, maar stelt algemeen het omgaan met ‘afwijken’ aan de orde. Waar in de ‘Stad van de Moderne Tijden’ nog met een soort excommunicatie werd gereageerd (geen handel, niet praten; de tolerantiegraad lag er wel heel hoog), gingen toch snel stemmen op om andere straffen in te stellen. Verder werden natuurlijk ook vragen gesteld over de organisatorische haalbaarheid (efficiëntie, effectiviteit,…). Ten tweede wordt de verhouding met de gevestigde orde als probleem aangedragen.

Kropotkin van zijn kant breidde ook alm voort op dit thema en verwijt de meeste van dergelijke projecten dat ze zich van de samenleving isoleren en de maatschappelijke strijd verzaken. In zijn tekst ‘Kleine Communale Experimenten & Waarom Ze Falen’ vat hij het zo samen:

“Zo zijn we tot de volgende conclusies gekomen: Trachtingen naar het Communisme hebben tot hiertoe gefaald omdat:

  • ze waren gebaseerd op een impuls met een religieus karakter eerder dan een gemeenschap simpelweg te beschouwen als een middel tot economische consumptie en productie (hij doelt hiermee op het primaat van de gemeenschap op het individu en de autonomie)
  • ze zich van de maatschappij hebben geïsoleerd (en zo alle maatschappelijke dimensies uit het oog verloren)
  • ze vervuld werden door een autoritaire geest
  • ze geïsoleerd waren in plaats van gefedereerd
  • ze van hun leden zo veel arbeid eisten dat die geen vrije tijd meer overhadden
  • ze volledig geschoeid waren op de leest van de patriarchale familie in plaats van naar de zo compleet mogelijke emancipatie van het individu te streven.

Communisme als uitmuntend economisch instituut verzekert op geen enkele manier de hoeveelheid vrijheid van het individu, de oprichter, de rebel tegen kristalliserende gebruiken. Het kan autoritair zijn, wat noodzakelijkerwijs tot de dood van de gemeenschap leidt, en het kan libertair zijn, wat in de twaalfde eeuw zelfs onder het gedeeltelijke communisme van de jonge steden van die tijd heeft geleid tot de creatie van een jonge beschaving vol onbuigzaamheid, een nieuw springtij voor Europa. De enige duurzame vorm van communisme is daarentegen een waarbinnen, gezien de nauwe contacten tussen de mensen die het met zich meebrengt, alle mogelijke moeite wordt gedaan om de vrijheid van het individu in alle richtingen uit te breiden.

Onder deze omstandigheden, onder invloed van dit idee, zal de vrijheid van het individu, die al vergroot wordt door de hoeveelheid vrije tijd waarvan hij zich verzekerd weet, op geen andere manier worden besnoeid dan vandaag gebeurt door stadsgas, de deur aan deurlevering van eten door grote winkels, moderne hotels, of door het feit dat we gedurende de arbeidstijd zij aan zij werken met duizenden andere medearbeiders.

Met anarchie als doel en middel wordt communisme mogelijk. Erzonder wordt het onvermijdelijk slavernij en kan het niet bestaan.” (Kropotkin, 1901: 14)


De eerste paragraaf hierboven wijst op de opkomst van de hedendaagse ‘arbeidersbeweging’, die Doom van zijn kant als volgt beschrijft: “De eerste grootschalige beweging van de arbeiders om het algemeen stemrecht af te dwingen kreeg vorm in het Chartisme. In 1836 werd de ‘London Working Men’s Association’ opgericht, die zou uitgroeien tot een massabeweging die de allures van de eerste arbeidersparij aannam. Waarmee nog niet gezegd is dat het om een socialistische partij ging. Daarvoor waren de invloeden van het radicalisme nog te duidelijk. Binnen het Chartisme waren er twee grote tendenzen: de ‘moral force’, die zich vooral richtte tot de ‘arbeidersaristocratie’, stelde haar hoop op opvoeding en bewoog zich strikt binnen de wettelijke grenzen. De aanhangers van de ‘physical force’, gingen een stap verder door te stellen dat men het stemrecht enkel door een krachtmeting, een algemene staking bijvoorbeeld zou kunnen afdwingen.” (Doom, ?: 121)

De Chartisten startten twee petities. De eerste in 1837 voor algemeen mannelijk stemrecht, gelijke kiesdistricten, geen cijns voor het zich verkiesbaar stellen, jaarlijkse parlementen, geheime verkiezingen en een vergoeding aan parlementsleden. In 1840 de tweede waarbij ook een aantal sociale eisen zijn opgenomen en waarbij wordt samengewerkt met de ‘unions’. De daaropvolgende golf met een mars op Londen wordt afgeblazen uit schrik voor het leger dat prompt wordt opgesteld en de mars staat op te wachten.

De tekst van Doom moet echter ook gerelativeerd worden. De ‘London Working Men’s Association’ werd door tal van organisaties voorafgegaan, zoals de ‘Grand National Consolidated Trades Union’ van Owen. Feit blijft wel dat het anarchisme de hele negentiende eeuw marginaal bleef, ondanks de vele grote libertaire denkers en de invloed van de door Godwin geïnspireerde Owen op de arbeidersbeweging. Belangrijk hierbij was de rol van de rattenvanger vcan het socialisme, Karl Marx en zijn vuile oorlog tegen het anarchisme .


MARX; BROEDERSTRIJD.

Een heel andere reactie kwam er van Marx, die in 1848 zijn ‘Communistisch Manifest’ schreef. Marx, die voorheen nog ronduit positief was geweest over het werk van Proudhon ‘Qu’est-ce que la propriété?’ (uit 1840), zette zich meer en meer af van Proudhon. Hij schakelde zich in in een stroming die onder meer door Blanqui werd vertegenwoordigd. Blanqui, lid van een geheim genootschap naar de filosofie van Babeuf, pleitte tegen het algemeen stemrecht dat er ‘enkel toe kon leiden dat de positie van de rechterzijde werd verstevigd omdat het immers niet zo is dat fabrieksarbeid of lage inkomens automatisch resulteren in een stemgedrag dat de onderdrukkers zou afstraffen, gezien het feit dat de heersende klassen niet enkel een ideologische greep hebben op grote delen van het volk dat niet politiek geschoold is maar ook over allerlei afschrikkingstechnieken (ontslag, woningroof,…) om de onwilligen te intimideren.

Een kleine bewuste groep moest de macht grijpen en een overgangsregime installeren dat een politiek voert in functie van de belangen van de volksmassa waardoor deze ook politiek gevormd wordt. Ook Bakoenin probeerde in zijn ‘revolutionair romanticisme’ dit soort genootschappen op te richten. Bakoenin’s relatie met Marx was lange tijd heel goed. Hij ging er zelfs mee akkoord de ‘International Working Men’s Association’ (IWMA, ook wel de ‘Eerste Internationale’ genoemd, gegroeid uit de bond van Robert Owen), die Marx net had helpen opstarten, mee verder uit te bouwen.

Het mutualisme van Proudhon (met ‘federalisme als organisatiewijze, wederkerigheid als economisch principe en anarchie als doel’) werd als politieke lijn aangenomen van de IWMA. Toch groeide de breuk tussen de twee stromingen binnen de organisatie en de brede beweging. Waar Bakoenin meer en meer naar het anarchisme opschoof, ging Marx steeds verder de Blanquistische toer op. Daarnaast ontwikkelde Marx zijn eigen economische filosofie, die steeds meer haaks bleek te staan op de visie van Proudhon, tot dan toe de dominante stroming binnen de ‘Internationale’. Door allerlei politieke manoeuvres vanwege Marx en ‘zijn’ Marxisten (Marx zei dat hij zelf niet eens een Marxist was) spatte de ‘Internationale’ uiteen. Zeker hebben de karakters van de twee antagonisten, Marx en Bakoenin, hier een rol in gespeeld. Marx en zijn opvolgers namen voortaan steeds meer de leiding in de sociale strijd.

Met de ‘Commune van Parijs’ in 1871 (een voorbeeld van wat Kropotkin ‘Municipaal Communisme’ noemde; vergelijk met het ‘Libertair Municipalisme’ van Murray Bookchin) is de grootste afzonderlijke groep onder de opstandelingen nog wel ‘Proudhonistisch’. Die poging tot revolutie bracht Marx ertoe zijn mening minstens op papier voor enige tijd te herzien en hij betuigde zijn respect voor wat de Parijse bevolking tot stand had gebracht. Nadien nam hij terug meer afstand en bekritiseerde de anarchisten bij elke gelegenheid (soms terecht) met vlijmscherpe retoriek.

Verder groeide ook de diversiteit binnen de anarchistische beweging zelf: van ‘anarcho-kapitalisten’ over ‘anarcho-syndicalisten’, individualisten, het ‘anarchisme van de daad’, het ‘anarcha-feminisme’,… tot ‘anarcho-communisme’.

De breuk is nooit meer hersteld en leeft tot de dag van vandaag voort, soms in alle hevigheid. Een aantal concrete voorvallen die perfect in de aard van de verschillende opvattingen hun oorzaak vinden maakt de kloof steeds groter, ook vandaag op een moment dat zeker in het ‘Westen’ bezwaarlijk kan gesteld worden dat het revolutionair socialisme nog een grote rol speelt.

Onder meer de gebeurtenissen van de Russische Revolutie (1917) en de Spaanse Burgeroorlog (1936-1937), twee van de grootschaligste (nationale?) opstanden van de twintigste eeuw, maken de breuk definitief en onherroepelijk.

De Commune van Parijs kan als het einde van deze periode gezien worden, omdat dat de laatste keer was dat het erop leek dat de twee stromingen toch samen verder door de geschiedenis zouden trekken, hoewel ook daar de breuklijnen al duidelijk waren.


DE AFWERKING / DE AFREKENING: 20E EEUW.

De twintigste eeuw, met de wereldoorlogen als eikpunt zoals we reeds in het vorige deel van de tekst hebben besproken, is in de eerste plaats het tafereel geweest van de nederlaag van het anarchisme als brede stroming met een zekere impact op de geschiedenis. Zeker in het ‘Westen’, maar ook in het ‘Oostblok’, dat ten onder ging in de Marxistische dictatuur ‘van het proletariaat’ (sic). De onderlinge strijd heeft daar zeker toe bijgedragen, maar ook de veranderende omstandigheden. Zo moet worden opgemerkt dat bijna alle voorbeelden van ‘den grooten strijd’ gesitueerd worden binnen een omschakeling van een agrarische samenleving naar een industriële samenleving, die soms door de Marxisten werd betracht of anders door de oude orde zelf.

De grote bewegingen steunden in grote mate op net die elementaire autonomie binnen de agrarische samenleving en het verzet tegen de sociale machine, die het pleit gewonnen heeft. Dat geldt niet alleen voor die pogingen die serieus door anarchisten werden aangewakkerd (Russische Revolutie, Spaanse Revolutie, Mexicaanse Revolutie,…) maar ook voor diegene waar de anarchisten een veel kleinere rol in speelden (Nicaragua, Cuba,…).


DE ARBEIDERSBEWEGING.

De arbeidersbeweging werd zoals gezegd steeds meer ingelijfd in de vakbonden, die steeds explicieter een reformistische koers gingen varen en zich grotendeels beperkten tot looneisen en algemeen stemrecht. Die vakbonden zetten daarnaast ook vaak coöperatieven allerhande op. De opkomst van de katholieke arbeidersbeweging (o.a. Daens) liep daaraan parallel.

De wereldoorlogen veroorzaakte ook zware discussie binnen dat radicale kamp. De meeste ‘internationalisten’ vonden dat de arbeiders niet de oorlog van de heren moesten uitvechten. De wereldwijde arbeidersklasse moest weigeren aan de oorlog deel te nemen, een stelling die in het begin vrij veel instemming vond die met grote campagnes werd omgezet in haatcampagnes tegen alles wat ‘rood’ was en ‘tegen de nationale belangen’ inging. Hierop was onder meer Kropotkin een uitzondering: hij vond de strijd tegen Duitsland primair; het gaf zijn prestige een knauw die hij nooit meer te boven is gekomen (ook niet binnen de anarchistische beweging zelf).

De repressie was dan ook al voor de wereldoorlogen zeer hard, temeer tegen de vaak tegen de oorlog mobiliserende anarchisten en andere radicalen, wat natuurlijk de reformistische positie versterkte. In dit verband is de ‘Red Scare’ tegen de ‘Industrial Workers of the World’ al ter sprake gekomen.


Wobblies.

De I.W.W. (waarvan de leden ook wel ‘Wobblies’ werden genoemd) was een revolutionaire vakbond in de Verenigde Staten. “De industriële vakbonden die de I.W.W. wilde, waren fundamenteel anders dan de reformistische industriële vakbonden van die tijd of van het soort dat ontstond met het Congres over Industriële Organisatie (CIO) in de jaren 1930. Hervormers zagen de industriële bonden als een effectiever mechanisme om de arbeiders een groter deel van de kapitalistische taart te bezorgen. De I.W.W. stelde voor dat de vakbonden een nieuwe taart bakten, enkel voor de werkers. Voor Wobblies was het bouwen van de vakbonden een manier om een nieuwe samenleving te bouwen binnen de grenzen van de oude. Stakingen en andere militante acties waren evenzoveel gevechten in de klassenstrijd en een regeling gewoon een tijdelijk staakt-het-vuren. Het uiteindelijke doel was niet een gunstige overeenkomst maar een herordening van de samenleving.” (Georgakas in Solidarity Forever, 1985: 5)

De geschiedenis van de Wobblies weerspiegelt grotendeels de geschiedenis van het socialisme. Er waren duidelijk twee strekkingen binnen de I.W.W., die zich op zich al afzette tegen de ‘reformistische vakbonden’. Eén strekking wilde de vakbond een politieke vleugel geven terwijl de andere zwoer bij buitenparlementaire oppositie en met name de twee geduchte wapens die ze daarbij gebruikte: sabotage (vertraging, materiële schade,…) en (algemene) staking (naast propaganda via strijdliederen). De zware repressie (en infiltratie vanwege staat en bedrijfsleiders) samen met de geboorte vade Amerikaanse Communistische beweging deed de organisatie in 1924 exploderen. Twee hoofdstromen bleven achter: enerzijds de marxisten, anderzijds de anarchisten die trouw bleven aan de ‘directe actie’ in tegenstelling tot de parlementaire oppositie.

Dat alles tegen de achtergrond van de grote doelstelling die in dé Wobblie-slogan bij uitstek ‘ONE BIG UNION’ zo duidelijk doorklinkt: de arbeidersklasse mag zich niet laten verdelen als ze de strijd om een betere wereld wil winnen. Na de scheuring werd de I.W.W. steeds marginaler en verwerd ze tot wat ze nog steeds is: zo goed als niets, ondanks verwoede pogingen om de organisatie nieuw leven in te blazen.

In Europa speelde zich ongeveer hetzelfde af, met als resultaat dat alleen de ‘sociaal-democraten’ relatief ongeschonden of zelfs versterkt uit de oorlog kwamen. Dat meteen na de oorlog wereldwijde petities werden gehouden voor de oprichting van de Volkerenbond die de wereldwijde ontwapening moest voorbereiden en organiseren (met miljoenen handtekeningen) is daarbij extra ironisch. Wat heden ten dage bekend staat als ‘NGO’s’ is in deze periode ontstaan, grotendeels als antwoord op de katholieke drukkingsgroepen rond allerhande thema’s.

Wat restte van de sociaal-democratische (en communistische) beweging en vakbonden was nadien niet meer in staat (of niet meer gemotiveerd) tegen het spook van het fascisme. Nationaal-Socialisten en Mussolini werd geen strobreed in de weg gelegd. Wat nog enige invloed had op de arbeidersklasse vond dat het fascisme via de stembus manier moest worden bestreden en gebruikte die opstelling om helemaal niet te mobiliseren. Extreemrechts werd zo de enige maatschappelijke oppositie en verwierf ook onder de arbeidersklasse grote steun.

Confederación Nacional del Trabajo.

De grootste weerstand kreeg extreemrechts in Spanje, met name van de anarcho-syndicalistische vakbond ‘Confederatión Nacional del Trabajo’ (C.N.T.). De organisatie is van een enorm belang geweest voor de geschiedenis van het anarchisme en, als grootste revolutionaire organisatie die zich tegen het fascisme heeft verzet, ook voor de hedendaagse geschiedenis in het algemeen. Dit omdat ze op zekere manier teruggreep naar zowat alle voorbeelden uit haar geschiedenis en die samenbracht in een goed draaiend geheel. We citeren verderop in de thesis (IV. 2. Relevante teksten over archetypische organisatiemodellen) heel uitgebreid uit het boek van Marshall, die over de organisatie zelf een onnavolgbare samenvatting heeft geschreven. Zowel positieve als negatieve aspecten komen erin aan bod, net als de gebeurtenissen buiten de organisatie en de ontwikkeling die ze heeft doorgemaakt, daarbij beginnend van nog voor haar ontstaan als organisatie. Verder vertoont ze veel gelijkenissen met de andere anarchistische bonden uit die tijd (I.W.W., syndicalisten in Rusland,…), wat deze beschrijving extra relevant maakt als we op zoek zijn naar lessen voor vandaag inzake organisatievormen.

Het resultaat ervan was, na de Spaanse Revolutie of Spaanse Burgeroorlog, de dictatuur van Franco. In Duitsland en Italië is de fascistische dictatuur langs parlementaire weg tot stand gekomen, waarbij sociaal-democraten en christen-democraten in feite (al dan niet passief) hebben gecollaboreerd. De coöperatieve van Mondragon, intussen de grootste ter wereld, ontstond in de naweeën van de Burgeroorlog en werd na enige moeilijkheden toegestaan door Franco.


Broederstrijd (revisited).

Samen met de dictatuur in Rusland die steeds openlijker werd leidde dit tot een opmerkelijke tekst uit 1939, nog voor de Tweede Wereldoorlog. Otto Rühle schreef zijn ‘The struggle against fascism begins with te struggle against Bolshevism’ (De strijd tegen fascisme begint met de strijd tegen het bolsjewisme), dat de steeds wijder wordende kloof tussen de ‘Marxistische’ bolsjewieken en de anarchisten aantoont: “Of partij’communisten’ dat nu leuk vinden of niet blijft het een feit dat de staatsorde en haar heerschappij in Rusland niet te onderscheiden zijn van die in Italië en Duitsland. In essentie zijn ze gelijk. Men kan spreken van een rode, zwarte of bruine ‘sovietstaat’ of van een rood, zwart of bruin fascisme. Hoewel er bepaalde ideologische verschillen zijn tussen deze landen is ideologie nooit van primair belang. Ideologieën zijn tenandere veranderbaar en zulke veranderingen reflecteren niet noodzakelijk het karakter en de functies van het staatapparaat. Verder is het voortbestaan van privaatbezit in Duitsland en Italië slechts een onderscheid van secundair belang. De afschaffing van privaatbezit garandeert geen socialisme.” (Rühle, 1939 : 7)

De sociaal-democraten of reformistische socialisten waren zelfs toen al zo ver weggegroeid van de revolutionaire stroming dat er zelfs geen discussie meer over werd gevoerd: ze werden als lafhartige collaborateurs beschouwd, net als de vakbonden.

In het Westen leken de anarchistische beweging en de revolutionaire stroming in het algemeen op deze manier dood en begraven, ten onder gegaan aan repressie, propaganda, interne twisten en hun organisatoren falen in het algemeen. Nadat het anarchisme wereldwijd één van de invloedrijkste revolutionaire stroming was geworden zo rond de eeuwwisseling, werd ze overal op min of meer dezelfde manier verslagen: Uruguay, Brazilië, Argentinië; in mindere mate Peru, Chili, Bolivia, Venezuela en Nicaragua; op een heel andere manier maar van groot belang in Mexico (en zeker de eerste Revolutie) en Cuba maar ook in China, Japan, Korea, en pas na de tweede wereldoorlog in India.


DEKOLONISATIE.

Intussen ging de ‘dekolonisatie’ wereldwijd verder, waarbij het resultaat onveranderd de vorming van nieuwe staten was. Die werden vanaf nu politiek (nationaal) door een binnenlandse elite geregeerd en economisch en internationaal politiek door het buitenland gecontroleerd. Ten eerste bleven de ex-koloniserende landen zich met de binnenlandse politiek bemoeien, waarbij de moord op Patrice Lumumba maar één van de ontelbare voorbeelden was. Dit kon des te beter doordat ze de bevolking zo veel mogelijk hadden verdeeld (meestal op ‘etnische’ basis). Ten tweede hadden diezelfde ‘moederlanden’ een sterke greep op de economie via ‘bedrijven’ als de ‘Generale Maatschappij’ die de in het Westen benodigde grondstoffen monopoliseerden. Ten derde via de Bretton-Woodsinstellingen die vanaf het begin strenge voorwaarden oplegden aan arme landen. De economische situatie werd heel slecht, waardoor de ‘schuldenlast’ als groot probleem opdook.

Diverse landen probeerden zich op min of meer socialistische basis te organiseren (‘marxistisch’ of sociaal-democratisch). Cuba, Tanzania,… zijn maar een paar voorbeelden van zulke experimenten die tegen de achtergrond van de ‘Koude Oorlog’ moeten worden gezien. In die Koude Oorlog durfden de grootmachten het niet aan om elkaar rechtstreeks aan te vallen. Ze vochten hun meningsverschillen uit in onder meer Vietnam, Afghanistan, Ethiopië, Cuba, Italië, Griekenland,... Denk daarbij ook aan het GLADIO-netwerk, de Bende van Nijvel,…

Pas later hervond de anarchistische beweging (die nooit helemaal verdween) haar élan. In Afrika onder meer in de Nigeriaanse ‘Awareness League’ die ook nu nog bestaat, ondanks de harde repressie daar en de recuperatie vanwege ‘Westerse’ marxistische groepen als Militant Links. Die recuperatie was en is onvermijdelijk door de situatie waar radicaal links in zat en zit in Europa en de V.S. Er kwam en komt geen steun, nog organisatorisch of logistiek, geen solidariteitscampagnes of zelfs elementaire dialoog vanuit de ‘Westers’ anarchistische beweging, die in de jaren zestig als uit het niets weer boven water komt, levend als nooit tevoren. In de V.S. werd de vredesbeweging op anarchistische organisatorische principes gestoeld (wat niet wil zeggen dat die beweging anarchistisch was). Groepen als ‘Food Not Bombs’ en de daarmee verbonden ‘Homes Not Jails’ zijn toen uit die beweging ontstaan.


DE JAREN ’60.

Food Not Bombs ontstond grotendeels als ‘cateringdienst’ van die beweging: mobiele actiekeukens met een brede inplanting die over de hele V.S. verspreid werden opgezet ter ondersteuning van de beweging. Homes Not Jails zorgde voor behuizing in gekraakte panden. Na het uitdoven van de vredeskaars legden beide organisaties zich toe op de zelforganisatie van armen: elke dag gaarkeukens en mensen helpen bij het kraken van huizen. De repressie was en is nog steeds verbijsterend: gezien het feit dat de keukens gratis voedsel uitdelen kunnen ze worden vervolgd wegens ‘concurrentievervalsing. Verschillende mensen zijn hiervoor opgesloten. Bovendien bestaat in de V.S. de ‘three strikes you’re out’: wie drie maal voor hetzelfde wordt veroordeeld krijgt levenslang zonder kans op vervroegde vrijlating. Ten minste één persoon van Food Not Bombs is onder die regel tot levenslang veroordeeld. Verder wordt materiaal in beslag genomen, worden mensen met ‘pepperspray’ bewerkt of anders gemolesteerd.

Maar ook in Europa kreeg de beweging weer vorm. De ‘Situationisten’ (met onder meer Raoul Vaneigem en Guy Debord als bekendste spreekbuizen) namen vanaf 1966 het heft in handen in hun stormloop op de ‘spectakelmaatschappij’, die in ‘mei ’68 uitmondde in de algemene stakingsgolf en straatgevechten die iedereen wel kent. Hun oproep om een alliantie te vormen tussen arbeiders en studenten, ‘beide slachtoffers van het spektakel van de consumptiemaatschappij’ die de economische boom kenmerkte. Te vaak wordt vergeten dat De Gaulle toen het Franse leger heeft ingezet en nieuwe verkiezingen uitschreef om de opstand te bedwingen. Doch ook hier weer werkte de beweging mee in haar eigen nederlaag: het verraad van de reformistische Confédération Général du Travail; het falen van de arbeiders om de bezette fabrieken in zelfbeheer te nemen en… de vakantie voor de studenten waren dodelijk voor de beweging.

Maar Mei ’68 (dat niks te maken heeft met ‘Leuven Vlaams’, al is de huidige Partij Van De Arbeid toen ontstaan vanuit het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond, toen en nog steeds een vergaarbak voor allerlei autoritaire stromingen maar sindsdien steeds exclusiever als vormingsinstelling voor Vlaams Blokkaders dienstdoend samen met het Nationalistisch Studenten Verbond, V.M.O., ODAL,…) was geen unicum in Europa.

De rol van de feministische beweging, die stelselmatig geen plaats krijgt in dergelijke overzichten, is onmogelijk te overschatten in deze vernieuwde dynamiek. Toch heeft ze slechts zelden de boventoon gevoerd in ‘de’ beweging. Het is voornamelijk om die reden dat ze, in een schijnbare paradox gezien haar belang, ook hier slechts sporadisch is aangehaald. De feministische golf heeft samen met de ‘burgerrechtenbewegingen’ een enorme stempel gedrukt op het naoorlogse verzet.

De ‘vredesbeweging’ ging zich onder meer terug verdiepen in Gandhi en Tolstoy. Ze ontwikkelde op basis daarop ook de ‘sociale defensie’. Die strategie kiest resoluut voor geweldloosheid, maar verbergt daarnaast vele meningsverschillen en doelstellingen. Bij de ‘Interessante teksten’ is één interpretatie vrij uitgebreid opgenomen.

In België nam de vredesbeweging eveneens het voortouw in de na-oorlogse dynamiek. De ‘rakettenbetogingen’ zijn voor menig ‘geitewollensok’ nog steeds het hoogtepunt van puberteitsrebellie: ze vergeten vaak dat de echte confrontatie in Florennes aangegaan werd. Daar werd een vredeskamp opgericht nabij het militair kamp waar de V.S.-raketten effectief lagen. Directe actie als betreden van de terreinen lokte harde repressie uit: minstens één iemand werd in een gekkenhuis opgesloten, andere mensen werden zonder echte aanklacht maandenlang vastgezet, een provocateur zorgde ervoor dat de beweging in diskrediet werd gebracht en verschillende mensen werden gearresteerd,… In dat opzicht was de ‘Florennade’ mogelijk een leerschool voor heel wat hernieuwde revolutionaire activiteit. De beweging viel echter uit elkaar.


DE JAREN ‘70.

Omtrent diezelfde tijd was extreemrechts aan een opmars bezig. Vooral de punks gingen de strijd (ook fysiek) aan, nog voor het establishment of klein-links er zich ging mee bemoeien. Op de omgegooide strategie van extreemrechts (het deftige, cleane Vlaams Blok en extreemrechtse denktanks) hebben die punks nooit een antwoord gevonden, waarna het verzet ertegen stilaan uitdoofde. De recuperatie van klein-links heeft er ook geen goed aan gedaan: mantelorganisaties werden opgezet (Blokbuster als wervingskanaal van Militant Links, één van de talloze trotskistische groepen in België), de éénheidsstrategie waarin de anarchistische beweging is meegestapt heeft haar ook alle initiatief ontnomen (haar sterkste kanten vonden hierbinnen geen plaats, de doelstellingen werden met de dag meer reactionair,…).

Eén van de effecten van het overnemen van de klein-linkse retoriek en strategie was ook het opstarten van thematische (actie)groepen, dat nog steeds diep ingebakken zit in de anarchistische beweging. Zowel toen als nu was de anarchistische beweging de enige die hier geen garen bij spon, door haar weigering zo’n platforms of open groepen te sturen of te recupereren, door te weigeren ze als reserve-eenheden te zien, door systematisch af te haken omwille van de reformistische eisen en strategie (terwijl het initiatief vaak van diezelfde anarchisten kwam),…

In ’74 beleefde Portugal haar ‘Spaanse Burgeroorlog’. Landen als Duitsland en Italië zag de opkomst van vooral de ‘autonomen’, die zich ver probeerden te houden van de oude discussies tussen ‘marxisten’ en anarchisten. Ze richtten zich in de twee landen ietwat anders in: waar Italië in grote lijnen de traditie van de strijdsyndicaten terug in het leven wilde roepen, richtte de Duitse beweging zich vooral op het zelf in handen nemen van zo groot mogelijke delen van het leven zonder dit te laten verworden tot het ‘vegen van het eigen straatje’ maar er duidelijk een offensieve tactiek van maakten.

Ze kraakten huizen en richtten er ‘sociale centra’ in met vorming en basisvoorzieningen voor en met de armen. Ook Griekenland moest in toenemende mate met ‘autonomen’ rekening houden: het kolonelsregime (gesteund door de V.S.) wankelde na de bezetting van de Polytechnische school, voornamelijk door anarchisten of autonomen. (De bezetting wordt elk jaar overgedaan en wordt nog steeds met veel machtsvertoon van straat geveegd). In deze landen (Griekenland, Duitsland en Italië) loopt de viering van de zogenaamde ‘Dag van de Arbeid’ (eigenlijk de herdenking van de moord op een aantal anarchisten bij een arbeidsconflict in de V.S.) vaak uit op rellen, enerzijds tussen extreemrechts en extreemlinks (en dan vooral autonomen en anarchisten), anderzijds tussen extreemlinks (en dan vooral autonomen en anarchisten) en de politie die extreemlinkse betogingen stelselmatig saboteert. Ook de oude vetes tussen ‘communisten’ en anarchisten flakkeren geregeld weer op.

De repressie is in die landen heel zwaar: in Duitsland is het anarchistisch tijdschrift ‘Radikal’ al jaren verboden; de ‘wet op de criminele organisaties’ (net als in België officieel bedoeld tegen de ‘georganiseerde misdaad’, in menig hoofd gelijk aan ‘maffia’) maakt ‘lidmaatschap’ (bijvoorbeeld het bezit van een pamflet) genoeg is om veroordeeld te worden, zelfs als men van de ‘misdaad’ zelf niet eens afweet. Deze wet wordt intussen overgenomen via de Europese Unie door alle landen. De wet werd in Nederland ten tijde van de ‘EUrotOP’ gebruikt om ongeveer 800 mensen collectief te arresteren en nadien drie dagen vast te houden onder mensonwaardige omstandigheden (waarvoor alle arrestanten intussen een kleine schadevergoeding kunnen krijgen). Tijdens rellen rond (tegen) de toetreding van Denemarken tot de Europese Unie werden twee mensen door de politie doodgeschoten; het kostte twee referenda en een gigantische golf van propaganda om een nipte meerderheid ‘pro-E.U.’ af te dwingen.

Ook Nederland kende een kraakgolf, die ontstond uit de Provo’s en de Kabouters. De repressie en de ontruimingen gaf steeds meer aanleiding tot de fysieke verdediging van de panden. De ‘Kroningsrellen’ bij de inauguratie van Koningin Beatrix en vele andere momenten zetten Nederland op zijn kop.


DE JAREN ’80-’90.

Onder druk van de repressie ondervinden anarchisten in alle landen de grootste moeilijkheden om zich te organiseren en terug hun rol in de geschiedenis op te nemen. Toch duiken opnieuw, en steeds vaker, al dan niet georganiseerde groepen en mensen op rond bepaalde thema’s en gebeurtenissen. In Engeland werd die beweging vooral voortgestuwd door de protesten tegen de aanleg van nieuwe wegen en de subcultuur van ‘travellers’ die errond ontstaan is. De beweging wordt voor een overgroot deel gevormd door ‘drop-outs’ of ‘afhakers’: mensen die uit ‘het systeem’ stappen voor zover dat mogelijk is en van daaruit op alle mogelijke manieren dat systeem bekampen (vaak letterlijk: de plaatsen die voor de aanleg van nieuwe wegen is bedoeld wordt gekraakt en bewoond in boomhutten, woonwagens en ondergrondse tunnels). De ‘Poll Tax’-rellen (de Poll Tax is een ‘kiesbelasting’: wie wil stemmen moet daar een taks voor betalen) vormen daarbij één van de vele hoogtepunten in het verzet.

In Engeland wordt wetgevend gereageerd door ‘repetitieve muziek’ te verbieden (eigen aan de subcultuur is de ‘rave’ als feest of de ‘reclaim the streets’ als actie met techno en andere elektronische dansmuziek). Niemand haalt het daarbij in zijn hoofd de nieuwe van Madonna uit de rekken te halen. Op ‘tresspassing’, het betreden van privaat domein, zijn zware straffen gezet nadat actievoerders collectieve grond of collectieve wandelpaden van vroeger terugeisten door ze te gebruiken. De hetze tegen ‘jachtsaboteurs’ (die jacht onmogelijk proberen te maken door bijvoorbeeld voortdurend lawaai te maken of voor de geweerlopen te blijven staan) wordt van tijd tot tijd aangezwengeld.

De anarchisten van ‘London Greenpeace’ (waarvan de bekende ‘Greenpeace’ ooit is afgescheurd) werden voor het gerecht gesleept door Mc Donald’s omdat ze een pamflet hadden uitgedeeld. Nog tijdens de aanloop naar het proces breidde de actiegroep onverklaarbaar uit. Nadien bleek dat zes van de negen ‘activisten’ op bepaald ogenblik eigenlijk infiltranten waren van staatsveiligheid of private bedrijven; één van hen begon zelfs een relatie met één van de twee beklaagden. Het proces zelf is het langst durende geweest in de Engelse geschiedenis. En dat alles is nog het topje van de ijsberg inzake ‘het verdedigen van de democratie’.

Deze moeilijkheden en het feit dat de beweging nog steeds geen nieuwe vorm heeft gevonden om haar bestaan te verzekeren, leidt ertoe dat de beweging weinig concrete resultaten boekt, nooit behalve negatief in de media komt en chronisch richtingloos pogingen doet zichzelf uit te drukken.

Steeds meer duikt ze op in het kielzog van allerlei economische en supranationale topconferenties wereldwijd. De mobilisatie hierrond lukt over de grote lijn behoorlijk. Pijnpunt blijft wel dat niemand weet hoe dat kan worden ingepast in een bredere strategie; dat op die manier uiteindelijk niemand weet wat hij of zij daar eigenlijk komt doen behalve luchtledig ‘protesteren’ of hoogstens tot rellen uitgelokt of verplicht worden met de politiediensten. In de V.S. is het recentelijk voor het eerst gelukt zo’n top min of meer onder druk te zetten of praktisch te bemoeilijken. Maar wat als de top effectief verhinderd zou worden?

Deze vraag stelt zich des te dwingender omdat ‘de beweging’ tegen ‘globalisering’ een amalgaam van belangen en overtuigingen is dat onmogelijk tot een oplossing kan komen voor de wereldproblemen. Het is een amalgaam van marxisten (gaande van Stalinisten tot allerlei nuances van trotskisten), anarchisten van diverse strekkingen en subculturen, vredesactivisten, milieubewegingen, vakbonden, politieke partijen, extreemrechts, nieuwrechts, allerlei religieuze organisaties, niet-gouvernementele organisaties allerhande (gaande van Greenpeace over Oxfam,,…),… en ‘gewone mensen’.

Alles bij elkaar noemen sommigen deze tijd ‘postmodern’. De term wordt ook gebruikt om het verzet te duiden en te beschrijven maar verhult mijns inziens teveel om bruikbaar te zijn. Liever vat ik het resultaat van deze geschiedenis samen met een omschrijving van George Katsiaficas: “Het veratomiseerde individu en het bedwingen van de autonomie”. (Katsiaficas, 1997: 269) In zijn boek beschrijft Katsiaficas de geschiedenis en de theorie van de autonomen en hun autonomie in Italië en Duitsland. Hun organisatievorm kan de (uitgekristaliseerder) blauwdruk worden genoemd voor de organisatie(s) van de hedendaagse radicale 'scene' .

“De intussen legendarische jaren ’60 zijn niet gestorven; ze hebben nooit bestaan, tenminste niet binnen de tijdsafbakening van een decennium. Al bij al was het in 1955 dat Rosa Parks weigerde haar zitje af te staan achteraan de bus en in 1977 dat de Italiaanse tegencultuur frontaal op de ordediensten botste. Deze voorbeelden kunnen als atypisch gezien worden. Vaker niet dan wel worden de burgerrechtenbeweging en Autonomie (de Italiaanse autonome beweging in de jaren ’70) beschreven als deel van Nieuw Links, hoe omvattend dat ook wordt gedefinieerd. Ze werden niet ingeperkt door de jaren ’60 en worden gewoonlijk geacht onafhankelijk van de andere bewegingen te hebben bestaan die op Nieuw Links zijn blijven bouwen: feminisme en ecologie, net als anti-interventie, vrede en homobevrijdingsbewegingen. Volgens mij waren ze, ondanks de gebruikelijke definitie van deze volksopstanden als ‘single-issue’ of nationale bewegingen en gezien hun retoriek en acties die vaak systematisch en universeel waren, onderdeel van de historische wereldwijde sociale beweging van 1968. (…) Op die manier zijn bewegingen voor regionale of nationale autonomie, als ze gelinkt zijn aan politieke partijen, geen autonome bewegingen in de betekenis waarin ik de term gebruik. (…) In Het Italië van de jaren ’70 namen duizenden fabrieksarbeiders deel aan ‘Autonomia’, en werd de betekenis van autonomie, uit hun ervaringen gedistilleerd, soms exclusief in arbeiderstermen gedefinieerd. Volgens Johannes Agnoli had het concept van autonomie in Noord-Italië twee dimensies: de klassenstrijd maakte zichzelf autonoom van de circulatie van het kapitaal; en de klassenstrijd werd niet geleid door traditionele Linkse organisaties (Communisten en hun vakbonden). Hoewel wijd gepropageerd was deze arbeidersdefinitie slechts één van haar vele vormen, zelfs in het kader van de beweging in Italië. (…) was de autonome vrouwenbeweging (…) vitaal voor de vorming van daarop volgende formaties door de vernieuwende interne procedures van de feministes, samen met hun vermogen om onafhankelijk van mannen te handelen naar hun eigen autonoom vastgestelde behoeften en verlangens. Deze autonome feministische bewegingen waren een voorbeeld van een ‘politiek in de eerste persoon’ in tegenstelling tot de traditionele begrippen van de revolutionairen die de natie of de arbeiderklasse moesten leiden. Binnen deze bewegingen namen individuen bovendien geen orders aan van hogere echelons, maar handelden ze vrijwillig en naar eigen inzicht (…) Veel feministische groepen opereerden volgens een zelfgestuurde consensus, onafhankelijk van centrale leiders beslissingen nemend en die naar hun eigen zelfdiscipline te implementeren. Dit organisatiemodel blijft van vitaal belang voor de definitie van autonome bewegingen. Een laatste betekenis van autonomie dook op in de loop van de langdurige campagnes tegen kernenergie in Duitsland rond het midden van de jaren ’70. Actiegroepen begonnen naar zichzelf te refereren als ‘autonoom’ om het onderscheid duidelijk te maken met partijgeoriënteerde Marxistisch-Leninistische groepen binnen de antinucleaire beweging die de waarde van spontane vormen van militant verzet ontkenden. Toen radicale clusters ook verschenen in de vredesbeweging en de tegencultuur en onder krakers groeiden ze samen in een veelzijdige formatie die uiteindelijk bekend werd als de autonomen. Door op een creatieve manier direct-democratische besluitvormingsprocessen en militant volksverzet te combineren vertegenwoordigen de Autonomen wat ik ‘bewuste spontaniteit’ noem. De Autonomen onderschrijven het geloof niet dat er één waarheid is of één ware vorm van autonomie. Er zijn anderzijds een aantal principes die coherentie bieden: ze zien hun ideeën als een alternatief voor zowel autoritair socialisme (op soviet-leest geschoeide samenlevingen) als ‘pseudo-democratisch kapitalisme’. In tegenstelling tot Communisten geloven ze niet in de nood aan één ware revolutionaire partij of revolutionaire sector in de samenleving. Ze geloven in diversiteit en altijd voortgaande differentiatie. Hoewel ze nergens zijn neergeschreven komt dit principe naar voor in de acties van duizenden mensen in hun alledaags leven. Ze geloven in zelfbeheer en de nood voor individuen en groepen om de verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen daden. Hoewel deze ideeën tegengesproken worden door de handelingen van een aantal mensen, worden ze werkelijk in de voortdurende patronen van bewegingsactiviteit. De Autonomen proberen zowel regeringen als het alledaagse leven te veranderen en het kapitalisme en het patriarchaat omver te werpen. (…) (Katsiaficas, 1997: 1 – 8)

(…) Veel collectieven communiceren met elkaar via magazines, kranten en brochures die verdeeld worden in meer dan vijftig steden door een netwerk van informeel samenhangende informatiewinkels. De meeste ‘info-shops’ hebben archieven die lokale strijden behandelen en zijn op verschillende dagen van de week voorbehouden aan vrouwen of homo’s. Collectieven die één thema behandelen houden vaak vergaderingen in deze winkels, wat verbindingen creëert tussen groepen die elkaar anders niet zouden ontmoeten. Veel winkels hebben kopieerapparaten, wat de aankoop van dure boeken of tijdschriften overbodig maakt voor wie slechts een paar bladzijden nodig heeft. Informatie wordt niet behandeld als een product dat verkocht en gekocht wordt of passief opgenomen door toeschouwers die binnenkijken. Integendeel worden de honderden pamfletten, discussiebladen, artikels en kranten gecreëerd door de gebruikers van die winkels, die zich op die manier minder consumenten in een winkel maken dan wel eerder een deel van een netwerk binnen een beweging. In die context verbinden de ‘info-shops’ de ideeën en acties op een organische manier. Een aantal andere vormen van alternatieve media dienen eveneens om de diverse en ontkoppelde basis van de beweging te integreren. (…) In veel steden bestaan gekraakte en legale bewegingscentra om de netwerken van de beweging van plaats te voorzien om uit te breiden. Eén van de grootste daarvan is ‘Mehringhof’ in Berlijn. Een enorm gebouw en tuin voorzien kantoorruimte voor actiegroepen, ontmoetingsruimtes, een vrouwencentrum, een concertzaal, een boekwinkel/café, onregelmatige fuiven en een bar. De Hafenstrasse heeft een volkskeuken en een bar met fuiven om de paar weken, en een groep Turkse activisten heeft er een café. (…) Zoals de vrouwencentra in de jaren ’70 zijn deze ontmoetingsplaatsen een alternatieve organisatievorm die meer flexibiliteit en gedecentraliseerd ‘netwerken’ mogelijk maken dan de traditioneel gecentraliseerde organisaties en tegelijk het overleven van de beweging mee mogelijk maken in tijden van staatsrepressie. De horizontale –zelfs cirkelvormige- collectieve structuur van de Autonomen maakt discussies en acties mogelijk waarvan de bronnen talrijk en divers zijn en waarvan de goedkeuring afhangt van de instemming van anderen en niet van directieven van hogerhand. De structuur van autonome bewegingen maakt individuele beslissingen en politieke ontwikkeling mogelijk. Met initiatief dat van vele kanten komt zijn collectieven in staat onmiddellijk en resoluut te handelen zonder te moeten wachten op een centraal comité dat over de zaken moet delibereren en de plannen moet goedkeuren. Binnen de activistenkern kunnen kristallisatiepunten gevonden worden (…): collectieven, actiegroepen, coalities, kraakpanden, activistencommunes en, als diens sektarische tendensen onder controle zijn, zelfs hiërarchisch georganiseerde groepen met ideologische onderbouw. Samen met de ongebonden individuen vormen ze de basis van waaruit de acties en programmatorische aanzet worden gegeven. Ze vertrouwen op het volgende ‘niveau’, de ‘scene’, voor hun alledaagse politiek-culturele onderhoud. Alternatieve instituten zonder expliciet politieke inhoud zijn deel van de ‘scene’, zoels café’s, muziekclubs, verzamelplaatsen op straat en parken. Actieve sympathisanten omvatten mensen die op mobilisaties reageren en onregelmatig naar vergaderingen komen. Passieve sympathisanten verwijst naar financiële donateurs, lezers van de alternatieve pers, professoren die de ideeën en acties in hun seminaries en klassen bespreken, arbeiders die ideeën aandragen bij collega’s, enzovoort. Het ‘vloeiende’ karakter van deze bewegingen betekent dat mensen vaak tussen de ‘niveaus’ bewegen of zelfs op verschillende tegelijk deelnemen op verschillende punten.” (Katsiaficas, 1997: 199 – 201)


CONCLUSIE

Algemeen concluderend kan worden gesteld dat ‘de beweging’ (het wordt steeds moeilijker een term te bedenken die de lading dekt) bovenop de oude problemen ook nog de ‘atomisering’ als hindernis voor de voeten geworpen heeft gekregen. Tegelijk dwingt ook de ‘mondialisering’ de protestbewegingen er steeds meer toe de krachten te bundelen, niet alleen inhoudelijk maar steeds meer ook geografisch, technologisch (internet,…), tactisch en moet ze enorme communicatiestructuren opbouwen: beslissingen, planningen, informatie,… moeten eigenlijk op een wereldwijde schaal kunnen. En dat alles op een moment dat de ‘grote ideologieën’ sinds de val van de Berlijnse Muur officieel zijn afgeschaft. Het kapitaal roept haar overwinning van de daken en laat diepe economische, sociale, ecologische en psychologische putten na, die steeds meer gevuld worden met racisme, seksisme, vervreemding en al die voorwaarden voor het fascisme die Fromm ons beschrijft. De opmars van extreemrechts en nationalisme in het algemeen hoeft niemand te verbazen of te choqueren: het is het logische gevolg van de perpetuum mobile of de ‘self-fulfilling prophecy’ die (staats)kapitalisme en in het algemeen macht kan worden genoemd: wie wind zaait zal storm oogsten... Want ook die geschiedenis herhaalt zich, inclusief de financiering door het grootkapitaal en de selectieve politieke tolerantie.


II. B. SWOT-analyse BEWEGING NU:

KANSEN, BEDREIGINGEN; BROODNODIGE DISCUSSIES EN AANDACHTSPUNTEN.


Uit het voorgaande kunnen een aantal kansen en bedreigingen worden geformuleerd. Die kansen en bedreigingen zijn zowel intern als extern en lopen hierboven grotendeels door elkaar. Idealiter moeten ze strikt worden gescheiden, maar dat lijkt hier een quasi onmogelijke opdracht door het volume aan gegevens waarmee we rekening mee moeten houden. We zullen hoe dan ook toch een zekere ordening aanbrengen.

Ten eerste zijn er de ‘DRIJFVEREN / MOTIEVEN / DOELSTELLINGEN’ waarop mensen en organisaties kunnen baseren om zich te oriënteren.

Ten tweede ‘DE VIJAND ('ADRESGROEP') / VERHOUDING MET / STRATEGIE’.

Ten derde ‘ORGANISATIE (intern) / NETWERK (extern)’.

Ten vierde zijn er een aantal zaken die we onder ‘CONCREET’ samenvatten; het zijn maatschappelijke trends of discussies waartegenover elke groep die naar haar wereldbeeld en netwerk zoekt zich zou moeten (kunnen) positioneren.

In het voorgaande deel zijn een aantal conclusies geformuleerd, stuk voor stuk binnen hun eigen historische context. De vraag is dus of er algemeen geldende conclusies uit te trekken zijn en of we er concreet organisatorisch lessen uit kunnen trekken.

Onvermijdelijk stuiten we op een aantal fundamentele discussies. Om lessen te kunnen trekken moeten we tegenover een aantal zaken stelling innemen. Natuurlijk viel er nog meer te zeggen over de geschiedenis waartegenover we onze positie willen bepalen. We hebben naar beste vermogen een overzicht gegeven dat zo veel mogelijk nuttige elementen bevat om dat te doen, zonder de verwachting dat dit een lijst in extensu is; dat er met andere woorden niet meer lessen of andere lessen kunnen worden getrokken.

In dit stuk heb ik geprobeerd een lijstje te maken van die relevante dingen, aangevuld door een aantal kleinere zaken die niet zo expliciet aan de orde zijn gekomen. De meeste zaken zijn gewoon geciteerd, zonder context en zonder de auteur ervan te vermelden: we beschouwen ze nu als universeel relevante aspecten aan het organiseren van ‘verzet’.


DRIJFVEREN / MOTIEVEN / DOELSTELLINGEN.
1. De drijfveren voor (gericht) verzet zijn te weinig bekend

We hebben hierboven opgemerkt dat in het algemeen, zowel bij brede lagen van de bevolking als bij ‘gepolitiseerde’ mensen, anarchisten en activisten, de kennis van deze ‘bronnen’ beneden alle peil is. Het collectieve en individuele geheugen is compleet uitgehold en leeggemaakt. De atomisering van de samenleving heeft daar ongetwijfeld mee te maken. We kunnen zeggen dat het niet kennen van deze bronnen, of er zelfs negatief over doen en er niet van willen leren simpelweg een probleem is waar een oplossing moet voor gevonden worden.

In dit verband moet erop gewezen worden dat het er vaak op lijkt dat ‘de grote verhalen’ inderdaad hebben afgedaan. Anderzijds is dit mijns inziens altijd één van de centrale problemen geweest van ‘tegen’bewegingen: het kunnen vertalen van de analyse, de oplossingen naar mensen die er in eerste instantie niets in herkennen uit hun eigen leven. Pas als de boodschap realistisch en motiverend is, kunnen mensen zich aangesproken gaan voelen.

Naast die nood naar buiten toe bestaat er natuurlijk ook de nood aan vorming naar binnen toe, enerzijds naar nieuwe mensen en anderzijds ook voor de ouwe rotten die zowel ervaring moeten doorgeven als tegelijkertijd zelf niet vastroesten.

Hiervoor moeten vormen worden gevonden.


2. Geschiedenis.

We hebben er al op gewezen hoe weinig mensen nog van de geschiedenis kennen. Dit valt extra hard op als het erop aankomt de geschiedenis van de ‘eigen’ sociale klasse en haar strijd in te schatten. Niemand heeft nog het gevoel product en producent te zijn van geschiedenis: de spektakelmaatschappij draait op volle toeren en laat niemand onberoerd. Liever gaat men in individualistische mystiek en mythologie naar die verloren zin zoeken.

Op die manier beschouwd zou het kunnen dat Fukuyama met zijn ‘einde van de geschiedenis’ toch steeds meer gelijk krijgt.


3. Utopie versus blauwdruk (dogmatisme, academische discussies, intellectuele voorhoede).

Er is al opgemerkt dat utopie en blauwdruk dynamiserende en mobiliserende krachten kunnen zijn, net als alle religieuze en andere levensbeschouwingen. Utopieën kunnen ook een manier zijn om het onzegbare toch zo goed mogelijk uit te drukken: tegelijk kunnen concrete praktijk, mensvisie en allerlei waarden en normen in één verhaal worden gevat zonder in academische definities te vervallen. Anderzijds is er het risico teveel a-priori’s te verwerken, waardoor het geheel complex, monolithisch en dromerig kan overkomen.

Op het gevaar dat anarchisten in ‘blauwdrukken’ zien is al gewezen. De toekomst en de strategie ernaartoe worden onherroepelijk vastgelegd en worden universeel toepasbaar geacht. De analyse van de wereld krijgt een zweem van ‘wetenschappelijkheid’ waar niet kan aan getwijfeld worden.

De discussie over de (on)wetenschappelijkheid is een discussie die in het licht van de ‘broederstrijd’ moet worden gezien tussen ‘Marxisten’ en anarchisten. Traditioneel wordt alle socialisme voor Marx als onwetenschappelijk bestempeld (gezien het feit dat Marx van het socialisme een wetenschap maakte). Het is tot vandaag een veelgebruikte dooddoener in de discussies tussen de beide stromingen.

Hoewel anarchisten het anarchisme niet als wetenschappelijk beschouwen en zoals gezegd waarschuwen voor blauwdrukken en determinisme, zou het fout zijn dan maar te veronderstellen dat wetenschap anarchisten niet interesseert. Zij willen hun wereldbeeld net zo goed liever baseren op feiten dan op verzinsels. Het werk van Reclus of Kropotkin en zovele anderen is in hun wetenschappelijk veld onmiskenbaar. Postschaarste anarchisten steunen hun theorie zelfs op het al bij al twijfelachtige vooruitgangsprincipe van de wetenschap en technologie (evenwel zonder van hun anarchisme zelf een wetenschap te willen maken).

Een andere ‘motor’ van de mens is de religie. De houding van anarchisten hierover is verdeeld. Enerzijds is er geen discussie over religieuze instituten en de machtsverhoudingen erbinnen en errond. Anderzijds nemen een aantal anarchisten radicaal stelling in tegen religie an sich, met het argument dat religie inherent de erkenning inhoudt van een hogere macht, en dat deze psychische ingesteldheid mensen onvrij maakt. Daartegenover inspireren een aantal anarchisten zich voor hun politieke overtuiging op hun religiositeit: Tolstoy is er het bekendste voorbeeld van, maar ook Bart de Ligt is vanuit zijn religiositeit tot het anarchisme gekomen. Tolstoy zei over anarchisten dat het enige waarin ze fout waren, hun overtuiging was dat de betere wereld met geweld tot stand kon komen. De discussie wordt des te relevanter op dit ogenblik, waar de ‘new age’-beweging ook in vrij grote delen van de anarchistische beweging ingang vindt, met daarbij samenhangend het individualistisch uitgangspunt en de a-politieke extreem-rechtse groepen en meningen (‘Nieuw Rechts’).


4. De (anarchistische) theorie is ‘niet praktisch’, ‘naïef’, ‘onwetenschappelijk’, ‘utopisch’

Het kan worden opgeworpen dat de anarchistische theorie niet praktisch is en naïef. Hier gaat grotendeels op wat hierboven net is gesteld. Toch moet het worden opgemerkt dat ‘de’ anarchistische theorie niet bestaat. Het anarchisme is, was en zal een amalgaam van ideeën, prioriteiten en gevoelens zijn. Op zich is het dus open deuren instampen ‘de’ anarchistische theorie ‘onpraktisch te noemen. Aan de andere kant is het inderdaad waar dat het niet bestaan van een concreet plan, discussie over zo’n plan of tenminste de elementen ervan een gebrek is van die beweging: het maakt het verschrikkelijk moeilijk met de buitenwereld te communiceren. Het maakt de beweging hoogdrempelig: ieder moet actief voor zichzelf aan de slag om uit te zoeken wat de beste weg te gaan is, en dat in een omgeving waar voor gesprekken of vorming weinig aandacht en ruimte is: de dagelijkse praktijk gaat zo vaak voor.

Dat maakt de anarchistische beweging soms gevoelig voor recuperatie; er zit weinig lijn in.

Anderzijds is het eveneens een feit dat een heel aantal mensen wel op zoek zijn gegaan naar praktische, bruikbare theorie. Naast een aantal van de klassiekers (Kropotkin,…) die ik verder niet uitdiep geef ik hierna een aantal concrete teksten over praktische organisatievormen en wat er allemaal bij komt kijken.


5. Doelstellingen.

5. 1. Wat is gemeenschappelijk aan ‘de’ beweging; coherentie & consequentie. Zoals gezegd heeft ‘de’ beweging als dusdanig geen doelstellingen die aan de SMART-regel voldoen. De discussie die ook onder anarchisten wordt gevoerd (zoals gezegd helaas soms op typisch klein-linkse manier) voert de verschillende strekkingen bij momenten nog verder uiteen in clubs die enkel hun eigen strategie en doelstellingen weten te waarderen.

Ik pleit er daarentegen voor op zoek te gaan naar wat die beweging bindt. Eenheid in diversiteit moet het motto zijn: enkel als de beweging verschillende niveaus kan overzien en verschillende vormen kan aannemen met wisselende prioriteiten en tactieken zal zij leefbaar worden. Alleen zo kan vrijheid en diversiteit een krachtige, coherente en consequente eenheid vormen.


Tegelijk moeten er fora worden geïnstalleerd waar deze fundamentele discussies kunnen worden gevoerd met respect voor elkaar. Zonder ook van dat respect een dogma te maken: wat niet in de anarchistische beweging thuishoort moet er kunnen uit geweerd worden.

5. 2. Doelstellingen / theorie telkens opnieuw definiëren en vertalen naar eigen individuele en collectieve situatie

Deze vrijheid is in essentie een typisch kenmerk van de beweging waar Tegenstroom deel van uitmaakt, zonder dat dit ontaardt in populisme of partijpolitiek. Het is geen zaak van zeggen wat de mensen willen horen of van heen en weer te fladderen tussen thema’s die andere groepen op de maatschappelijke agenda hebben geplaatst. Het is geen kwestie van zieltjes winnen of andere groepen zieltjes afhandig te maken.

Het is wel zaak de fundamenten die het anarchisme aanreikt steeds opnieuw te vertalen in een geïndividualiseerd maatschappelijk project. Het moet antwoord bieden op heel concrete noden van heel concrete mensen die zich nooit zullen herhalen. De algemene principes moeten door ieder naar zichzelf en de eigen leefwereld worden vertaald om ze zin te geven.

5. 3. ‘Patronen van samenwerking en wederzijdse hulp van deze ‘anarchieke’ samenlevingen combineren met moderne zin voor individualiteit en persoonlijke autonomie’

Zo vat Marshall op bepaald ogenblik het streven van het anarchisme samen. Ikzelf ben geneigd de twee elementen ‘vrijheid (tot)’ en ‘solidariteit’ hand in hand naar voor te schuiven en te stellen dat ze, in plaats van elkaar uit te sluiten, zonder elkaar niet kunnen bestaan. Het is inderdaad in algemene termen het streven van het anarchisme om de individualiteit samen met de collectiviteit te ontwikkelen. Het centrum van een anarchistische samenleving is het individu. Evengoed is het collectief evenzeer een relatieve noodzaak als een deugddoend iets.

5. 4. Enerzijds waren acties erop gericht zich af te scheiden van de wereld en een eigen samenleving op te bouwen, anderzijds waren ze gericht tegen de bestaande orde en probeerden ze zo veel en zo breed mogelijk te mobiliseren.

Deze twee tendensen lijken door de hele geschiedenis van het anarchisme te lopen. De neiging een eigen samenleving op te bouwen heeft met een aantal zaken te maken. Enerzijds is er het vrij typische anarchistische ongeduld dat veroorzaakt wordt door de sterke morele en culturele nadruk van het anarchisme en de mensen die er zich toe aangetrokken voelen. Het is niet voor niks dat de ‘lange weg door de instituties’ zo resoluut wordt afgewezen. Anderzijds is er het cynisme en het ongeloof in de mogelijkheid de maatschappij te maken; de ontmoediging door de vele barrières en de zware ballast die de anarchist op zijn schouders laadt; het ontbreken van een plan op lange termijn; de psychologische druk van iemand die aan de ‘gewone’ wereld moet ontwennen en daarbij alle rollenpatronen in vraag moet stellen; altijd waakzaam zijnd en de repressie aan den lijve ondervindend. Ten laatste is het ook een actiemiddel: als voorbeeld voor de buitenwereld en het terugnemen van de levensvreugde.


6. Conservatieve invulling van democratie (doelstellingen uitwerken)

Doorheen de geschiedenis van ‘het’ verzet is de visie op democratie mee ontwikkeld. Onnoembaar veel variaties zijn bedacht rond deze kwestie, gaande van meervoudig mannelijk stemrecht over consensusbesluitvorming tot demarchie (beslissingen laten nemen door bij toeval aangeduide vertegenwoordigers). Vooral Bookchin heeft zich met zijn ‘libertair municipalisme’ zijn aandacht gericht op de beslissingsmethodes (de politiek) van het anarchisme: hij pleit ervoor de politieke ruimte terug te eisen door openlijk parallelle structuren op te richten waar mensen beslissen over de zaken die hen aanbelangen.

Het is van fundamenteel belang ook op dit vlak alternatieven te ontwikkelen. Organisaties moeten niet enkel hun eigen beslissingsmethodes opstellen, maar ook rekening houden met de maatschappelijke implicaties van die modellen en vooral welke maatschappelijke beslissingsstructuren ze willen promoten. Heel concreet bestaat de neiging bij veel ‘NGO’s’ de overheden te ‘bewerken’ en te belobbyen, waarbij ze er al te weinig bij stilstaan dat ze daarmee die overheden ook legitimeren. Toch is deze kwestie zo fundamenteel dat het me quasi onmogelijk lijkt maatschappelijke doelstellingen en een aangepaste strategie te ontwikkelen als eraan voorbij wordt gegaan. Het maakt bovendien de samenwerking met groepen die in deze zaak wel keuzes maken onnodig moeilijk: het leidt tot onderhuidse spanningen die niet bespreekbaar blijven.


7. Vakbondseisen (reformisme) versus politieke eisen (radicalisme)

Deze formulering verwijst naar de discussie hierboven: te zeldzaam zijn de organisaties en bewegingen die duidelijk weten wat hun doelstellingen zijn en hoe ze die denken te bereiken. Het anarchisme wijst elk reformisme resoluut af. Overbodige en zelfs schadelijke organisatievormen kunnen niet veranderd worden door erin te stappen. En zelfs als dat kon staat het leger nog om de hoek te wachten. Dat is het verhaal dat enerzijds in België door de Socialistische Partij wordt geschreven; het tweede deel bewijzen de gebeurtenissen in bijvoorbeeld Nicaragua.

Ook deze tweespalt loopt dus al sinds het begin door ‘de’ verzetsbeweging. Anarchistische vakbonden hebben meestal geprobeerd concreet het leven van hun leden te verbeteren. Hoofddoel bleef echter de fundamentele ommekeer, de sociale revolutie. De reformistische vakbondseisen in het ‘Westen’, het zogenaamde biefstuksocialisme, kon bijvoorbeeld enkel tot stand komen op de rug van de kolonies en wordt er nog steeds door in stand gehouden. Het leidt onvermijdelijk tot een ‘eigen volk eerst’-strategie: wie geen lid is van de vakbond kan niet vertegenwoordigd worden in onderhandelingen over loon, milieu,… Enkel door principieel vrijheid te respecteren en solidariteit te organiseren kan een beweging haar doelen in praktijk nastreven.


8. ‘Autoritair communisme’ versus ‘libertair communisme’ versus ‘kapitalisme’

Het conflict tussen het autoritair communisme en het libertair communisme of anarchisme is kort behandeld. Het verdient een aparte behandeling de gebeurtenissen die daartoe geleid hebben uitgebreid te behandelen. Deze thesis is daar niet de goede plaats voor. Ik beperk er me toe te stellen dat de kloof in veel gevallen simpelweg onoverbrugbaar is, ook al lijkt dat voor buitenstaanders onbegrijpelijk en sektarisch. De verschillen in doelstellingen en strategieën, de concrete gebeurtenissen uit recent en minder recent verleden hebben ervoor gezorgd dat de twee stromingen uit de Eerste Internationale nog steeds lijnrecht tegenover elkaar staan. Mensen die wel ‘links’ actief willen worden vinden het vaak moeilijk al van bij het begin de fundamentele keuzes te maken die nodig zijn om bij de één of andere club te horen. Wie dat niet wil wordt door alle groepen gewantrouwd.

Hoewel sommige anarchisten zichzelf anarcho-kapitalistisch noemen blijft er een grote consensus over de onverenigbaarheid van anarchisme en kapitalisme. Deze hele tekst maakt naar mijn mening duidelijk waarom.

Anarchisten zien wel een conflict tussen autoritair communisme en kapitalisme, of liever tussen de landen die zich op één van de twee systemen baseren voor hun sociale organisatie. Het verschil tussen de twee systemen lijkt anarchisten echter meer een nuanceverschil over de grootte van de rol van de staat en hoe bedrijfsleiders ‘gekozen’ worden. Dat de staat een grote rol speelt geldt voor beide systemen. De industrialisatie en de bijhorende disciplinering blijven gelijk,… Het conflict is eerder artificieel en misleidend.


9. Weerstand + streven naar alternatieven

Ze wilden zowel de belangen van de leden verdedigen (en hun situatie verbeteren) op korte termijn als op lange termijn de revolutionaire transformatie van de samenleving tot stand brengen Het is een schijnbare evidentie dat een organisatie haar doelstellingen op zowel korte als lange termijn moet formuleren. Dit geldt ook voor het soort organisatie waar Tegenstroom een voorbeeld van is.

Toch blijkt dit in de praktijk een extra moeilijkheid te betekenen voor die laatste. Het blijkt hen zwaar te vallen te verhouding te bepalen tussen de ‘grote doelstellingen’ en het dagelijks overleven. Aandacht voor de (materiële) levensomstandigheden leidt heel snel tot het reformisme dat ze afwijzen: het motiveert diegenen die al actief zijn en biedt bovendien de kans nieuwe mensen te werven en ook (via pers of anders) in het algemeen van zich te doen spreken. Anderzijds zijn ook kleine overwinningen (‘resultaten’) belangrijk voor de interne dynamiek en blijkt het verdedigen van die onmiddellijke levensomstandigheden soms een bittere noodzaak.

Organisaties kunnen ertoe neigen een concreet thema als ‘speerpunt’ te gebruiken voor ‘het grote verhaal’, maar blijken keer op keer nooit aan dat grote verhaal toe te komen. Het voorbeeld van London Greenpeace is hierbij sprekend: na de rechtzaak die Mc Donold’s tegen twee leden had ingespannen –die op de voet werd gevolgd door de internationale pers en ook in Engeland voor grote beroering zorgde- startte de groep een campagne tegen The Body Shop. Die laatste campagne is nooit van de grond gekomen. Het debat dat werd gevoerd was zo veel fundamenteler dan bij de eerste, dat de media het niet wilden brengen. De groep lijkt op dit ogenblik op sterven na dood. Zo zijn er talloze voorbeelden te geven. De vraag kan en moet dus gesteld worden hoeveel zin het heeft deze strategie te handhaven. Eerder zoek ik in de richting van een steeds combineren van zowel algemene (‘radicale’) als concrete (‘reformistische’) eisen. Hierbij moet worden aangenomen dat radicale eisen nooit ingewilligd zullen worden: een radicale verandering zal van onderuit komen. De radicale eisen zullen met andere woorden enkel door directe actie kunnen worden gerealiseerd. Bij het afdwingen van concrete eisen moet worden opgelet dat ‘geëerd wordt wie ere toekomt’. Het moet duidelijk zijn wie de maatregelen heeft afgedwongen of tenminste de dynamiek heeft gecreëerd.

Voorbeeld hiervan kunnen de verbrandingsovens zijn in België. De eerste ‘VLAKAF-kampen’, die de ovens op de politieke agenda hebben geplaatst en de buurtbewoners hebben geholpen zich te organiseren, werden vooral gedragen door anarchisten. Op dit ogenblik spint het Vlaams Blok zijn garen in de buurtcomités rond de ovens en is iedereen die VLAKAF-kampen vergeten. Ook hiervan zijn de voorbeelden legio. Enerzijds moet ervoor worden gezorgd dat inspanningen lang genoeg kunnen worden volgehouden. Anderzijds mag ook de ‘grote boodschap’ niet worden vergeten: die moet worden aangekaart om ervoor te zorgen dat de dynamiek niet naar extreemrechts of klein-links afglijdt. Ideaal is een situatie te creëren waarbinnen mensen kunnen worden begeleid naar een zelfstandige dynamiek waarbinnen mensen de gevaren en problemen kunnen kaderen en aanpakken.


DE VIJAND / VERHOUDING MET / STRATEGIE
1. Verdeel en heers.

Verdeel (Orwell aan de ene kant; Huxley aan de andere) en heers behoeft weinig commentaar. Het is nog steeds de basis van elke heerschappij. Het is daarom van belang ondanks alles af te wegen in hoeverre ‘wij’ kunnen toestaan op inhoudelijke basis verdeeld te geraken (zelfs tussen ‘Marxisten’ en anarchisten). Het is belangrijk te bepalen wie die ‘wij’ is en anderzijds naar modellen te zoeken die het sociaal weefsel in het algemeen te herstellen. Het is eveneens van belang deze en andere mogelijke strategieën van de tegenstanders te kennen en er in de eigen strategie rekening mee te houden. De top van de Wereld Handels Organisatie is er nog meer eens een voorbeeld van hoe protestbewegingen worden uitgespeeld: terwijl de enen traangas te verwerken kregen bij vreedzame blokkades zaten andere NGO’s gewoon mee aan tafel. Iedereen moet goed gaan nadenken wie bondgenoten (kunnen) zijn en wie niet.


2. ‘Boerenvertegenwoordigers gearresteerd en terechtgesteld’ versus ‘tot onderhan-delingen is het niet gekomen’.

Ook uit dit stukje tekst blijkt dat de reactie van de tegenstander divers kan zijn en dat het niet genoeg is gelijk te hebben of met veel mensen te zijn. De mogelijkheden van de vijand zijn enorm, zowel qua straf en repressie als qua beloning. Een combinatie van de twee is bij brede bewegingen het meest waarschijnlijk: deels toegeven aan de meest gematigden, die daarna de eenheid van de beweging van binnenuit gaan opzeggen of verzwakken. De ‘radicalen’ kunnen op dat ogenblik hard worden aangepakt. Ook hierover moeten organisaties nadenken, of ze zichzelf nu als ‘gematigd’ zien of als ‘radicaal’. Alleen als deze zaken duidelijk en eerlijk kunnen worden besproken kan er van echte samenwerking sprake zijn.


3. Reformisme versus radicalisme.

De vraag is of reformisme en radicalisme als dusdanig tegenover elkaar moeten worden gesteld. Veeleer lijkt het ad ultimo een kwestie van doelstellingen, meer dan van de sfeer van strategie waar de twee termen toch naar verwijzen. Er wordt wel vaker geopperd ‘dat we toch allemaal voor hetzelfde werken’. Maar is dat wel zo? Het lijkt mij echter niet onmogelijk en zelfs raadzaam verschillende strategieën naar eenzelfde doel te gebruiken. De positieve aspecten van sommige vormen van ‘reformisme’ kunnen niet worden ontkend. De ‘Volksbank’ van Kropotkin was een nuttig en boeiend project, zonder er nu van te gaan verwachten dat het project genoeg is om de wereld te veranderen.


4. Kapitalisme wegconcurreren / Consensuele strategie.

Ik geloof niet dat het kapitalisme kan weggeconcurreerd worden. En waarmee vervang je het trouwens als het wel op deze manier zou lukken? Het kan wel deels worden uitgehold en er kunnen wederzijdse bevruchtingen zijn tussen de ‘strijd’ en de economische projecten die worden opgestart. Een deeltje autonomie wordt werkelijk. Het kan een permanent experiment zijn om de theorie aan te toetsen en bij te schaven.

Het niet op alle terreinen tezelfdertijd aangaan van het conflict kan de nodige ruimte creëren voor financiële steun, propaganda,… Daarom is er op zich niks tegen een consensuele strategie voor een deel van de projecten van een beweging. Er moet wel voor gewaakt worden dat de eenheid van de beweging niet verloren gaat, dat ze niet verdeeld raakt onder de druk van de tegenstand. De keuze kan ook niet absoluut zijn of op zich een dogma worden: om tal van redenen kunnen ook deze projecten plots in de vuurlijn komen te liggen. Op dat moment kunnen zij daar niet voor terugdeinzen: zij moeten hun doelstellingen trouw blijven en de strategie kunnen bijsturen of het zelfs radicaal over een andere boeg gooien.


5. Verhouding met gevestigde orde.

Alle organisaties en bewegingen die zich met de maatschappij bezig houden moeten dus nagaan hoe ze zich verhouden tegenover de gevestigde orde, op basis van hun doelstellingen.


3. ORGANISATIE (intern) / NETWERK (extern)
3.1. Weerstand + streven naar alternatieven combineren

Ze wilden zowel de belangen van de leden verdedigen (en hun situatie verbeteren) op korte termijn als op lange termijn de revolutionaire transformatie van de samenleving tot stand brengen. Natuurlijk heeft deze doelstelling gevolgen voor de organisatie, haar structuur en haar netwerk. We hebben er al op gewezen dat de kracht van het anarchisme haar diversiteit kan zijn, als die diversiteit maar tot meer eenheid leidt. Het lijkt me gunstig op verschillende niveaus actief te zijn en om op die manier als organisatie zo veel mogelijk aspecten van de realiteit te blijven aanvoelen en overzien. Om ook aan de buitenwereld te tonen dat enorm veel aspecten samen horen.

Organisatorisch wordt het wel moeilijker: de doelstellingen worden misschien te zwaar of te onduidelijk, misschien ontstaan er breuken tussen verschillende tendensen, het wordt moeilijker een duidelijke visie te formuleren (zowel intern als extern), het wordt gemakkelijker een excuus te vinden toch maar voor de ‘weg van de minste weerstand’ te kiezen die men voor de organisatie of beweging met veel plezier zal uitstippelen.


======3. 2. Verzet latent en taai, traag maar vasthoudend====== en explodeerde als omstandigheden daartoe leidden.

       Verzet sporadisch, weinig planmatig en op behoud gericht: behoud van 

traditie, productiemiddelen, rechten

      Niet aan het initiatief; relatieve gebondenheid van deze vormen van 

expliciet verzet aan materiële (economische) omstandigheden Deze drie opmerkingen horen eigenlijk grotendeels samen. Het zijn een aantal algemene kenmerken van ‘het’ verzet doorheen de geschiedenis. Belangrijk is vooral de vaststelling dat strijd wel gemaakt wordt en dat het conflict pas ontstaat als er (minstens) twee tegenstanders van belang zijn, maar dat vooral de concrete levenssituatie dat conflict meer aanzwengelt dan de ‘motoren’ hierboven (utopie, religie,…). Enerzijds is het dus van belang de strijd te creëren, anderzijds lijkt het net zo belangrijk een plan te maken voor het moment dat het conflict in een stroomversnelling komt.

Dat eerste kan vooral van belang zijn om zo veel mogelijk druk te ontwikkelen in concrete, dringende evoluties of thema’s (feminisme, milieu, extreemrechts,…). Het zou absurd zijn om op de grote ommezwaai te wachten om deze thema’s aan te snijden en op die manier de kans laten voorbijgaan zo veel mogelijk ruimte te creëren voor de toekomst en het ontwikkelen van een beweging. Verschillende thema’s moeten worden aangepakt om te proberen te redden wat er te redden valt. Bovendien kunnen concrete campagnes ook een wervende functie hebben: het kunnen kapstokken zijn voor het grote verhaal; mensen kunnen getraind worden in vergaderen, strategie, weerstand ontwikkelen,… ; concrete resultaten zijn van belang voor de motivatie van activisten en de ‘gewone’ mensen; de tegenstander kan verzwakt worden door hem in diskrediet te brengen;…

Dit is het gedeelte dat het vaakst effectief in praktijk is gebracht. Het gevaar met die concrete kapstokcampagnes is het verloren lopen in een thema en het grote geheel uit het oog verliezen. Dit verdeelt de beweging nodeloos, zowel door de theoretische en ethische focus die mensen dreigen te krijgen als doordat het moeilijk is voor individuen om de hele beweging te kunnen overzien. Het verdeelt de beweging ook op organisatorisch vlak.

Te vaak moeten mensen die met verschillende thema’s bezig zijn zoveel vergaderingen aflopen dat ze geen tijd meer hebben voor de praktijk (zeker bovenop de ‘normale’ bezigheden als school of werk). Samen een vuist maken blijkt op deze manier heel moeilijk, temeer omdat de verschillende groepen geen gemeenschappelijke overleg- of beslissingsorganen hebben.

Op lokaal vlak lijkt dat nog min of meer haalbaar, maar het wordt heel moeilijk op grotere schaal te gaan werken. Het fragmentair karakter aan de propaganda die op deze manier wordt gevoerd maakt elke campagne rond een willekeurig thema op zich ook minder overtuigend. Het is van levensbelang steeds weer de gemeenschappelijke belangen van zo veel mogelijk mensen naar voor te schuiven om zo steun te verwerven van zo veel mogelijk mensen, die zich anders misschien niet direct betrokken partij voelen.

De diverse thema’s en campagnes worden des te gemakkelijker tegen elkaar uitgespeeld: arbeiders versus vluchtelingen, vrouwen versus mannen, milieu versus werk (inkomen), werklozen tegen werkenden, fietsers tegen autobestuurders,…

Het tweede onderdeel, het ontwerp van een plan blijkt steeds opnieuw veel moeilijker. Enerzijds omdat er theoretisch weinig met elkaar wordt gewerkt en dat iedereen steeds opnieuw van nul moet (en vaak wil) beginnen, wat eigen is aan het anarchisme als een theorie die door iedereen moet vertaald worden naar het eigen leven. Anderzijds heeft de organisatiestructuur (of het gebrek eraan) ook een remmend effect hierop. Nu is hierboven al gewezen op het gevaar van blauwdrukken.

Toch lijkt het me van belang minstens over zo’n plan te kunnen discussiëren en er te leren over nadenken en te leren over zo’n ingrijpende dingen beslissingen te nemen zonder aan het democratisch gehalte van de beweging. Desgevallend moeten er mensen te vinden zijn met ervaring in strategisch denken en vergadertechnieken, kortom met de nodige bagage om de stroomversnelling te ondersteunen (en niet er een voorhoederol in te gaan spelen).

Die basis moet ook dienen om de pogingen tot destabilisatie en recuperatie door infiltranten en klein-links te counteren. Alle voorbeelden uit de geschiedenis hebben aangetoond dat een beweging die hiertegen niet weerbaar wordt gemaakt, simpelweg ten dode is opgeschreven (waarbij anarchisten de eerste slachtoffers zijn.


======3. 3. Collectieve beslissingen zijn moeilijk====== (binnen de organisatie, mondiaal,…) en vergen aangepaste structuren om de basisdemocratie te waarborgen. Er moet gezocht worden naar beslissingsmodellen die de ‘gewone’ machtsstructuren kunnen vervangen. Hierbij mag niet vergeten worden dat mensen zich moeten ‘deprogrammeren’ voor ze in een niet-hiërarchisch systeem functioneren: de opvoeding in de ‘gewone’ wereld vormt een karakter dat daaraan aangepast is. Diezelfde aanpassing moeten mensen doen aan een niet-hiërarchisch systeem. Hierbij moeten ze ondersteund worden (zonder ze te sturen of te dwingen, want dan vervalt alles terug in de ‘gewone’ gewoontes en wordt het doel gemist).

De interne beslissingsmodellen zijn één ding. Alternatieven formuleren voor de grotere politieke beslissingsstructuren is nog een heel ander. De modellen hiervoor moeten in de richting gaan van basisdemocratie, niet uitgeholde subsidiariteit, directe democratie,…

Algemeen geldt de regel dat mensen enkel beslissen over wat ze aanbelangt, maar dat iedereen die de beslissing aanbelangt als gelijkwaardige partner in het proces moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf dat dit moet evolueren naar kleinschaligheid als basis voor het systeem en dat er van daaruit modellen moeten worden ontwikkeld voor beslissingen op grotere schaal. Hoe kunnen beslissingen op democratische manier worden genomen in bijvoorbeeld de regio Leuven met een bevolking van zo’n 80.000 mensen die heel heterogeen is samengesteld (studenten, hogere middenklasse in Leuven centrum, middenstand, steuntrekkers, arbeiders, huisvrouwen,…). Het is des te meer van belang in dit amalgaam op zoek te gaan naar wie bondgenoten kunnen zijn en wie niet.

Dit aspect, het gebrek aan realistisch alternatief, doet de beweging terecht steeds weer aan geloofwaardigheid inboeten. Zich verstoppen achter het gevaar van blauwdrukken kan hier geen optie zijn.


3. 4. Broedertwist / anarchisten worden aan de rechterkant opgevreeën. De zogenaamde broedertwist is al verschillende malen aan bod gekomen. Het vergt een boek op zich om de discussie hierrond volledig in kaart te brengen. In het netwerk van de anarchistische beweging stellen zich echter nog meer moeilijke discussies en grote gevaren. We hebben al gewezen op de dubieuze houding van een hele resem NGO’s, die anarchisten steeds weer proberen af te schilderen als professionele geweldplegers en terroristen. Dat terwijl ze vaak zelf aan tafel gaan zitten met wie de problemen in de eerste plaats hebben veroorzaakt: staat en kapitaal.

Daarnaast is er ook een relatief nieuwe trend waarneembaar: ‘nieuwrechts’ probeert haar karretje aan de anarchistische beweging te hangen, neemt haar thema’s en methoden op het eerste zicht over, maar dient andere belangen. De boodschap wordt vervormd en verdraaid, meestal door ze te depolitiseren en in de richting te draaien die zonder meer xenofoob, patriarchaal en autoritair is. Het is Malthus binnenhalen in de ecologische beweging: Malthus was ervan overtuigd dat overbevolking een probleem was dat veroorzaakt werd door de armen (niet eens door hun armoede, maar door ‘dat soort’ mensen zelf). Het probleem kon worden opgelost door die armen gewoon te laten uitsterven.

Het probleem hangt samen met een depolitisering die sowieso al gaande was binnen de brede beweging (en de anarchistische beweging zelf) en het zich verliezen in deelaspecten van de realiteit. Deze twee toestanden maken het gemakkelijker om gevoelig te zijn voor ‘nieuw rechtse’ (zo nieuw is het niet, maar allà). Het probleem bestaat al langer: zo stelden neonazi’s in Duitsland en de V.S. jaren geleden al hun ‘derde weg’ voor aan delen van de anarchistische beweging: samen de oude orde breken om daarna de onderlinge strijd ongestoord te kunnen uitvechten.

Tijdens de campagnes tegen de ‘globalisering’ is dit probleem eveneens aan de oppervlakte gekomen: het anarchistische pleidooi voor lokale economie gaat plots over in extreemrechtse handen die ervoor pleiten dat dergelijke lokale economieën in eerst plaats voor zichzelf moeten zorgen en dat ieder toch best in zijn eigen thuisland kan blijven om de ecosystemen niet onder druk te zetten. Daarnaast verdwijnt de kritiek op het kapitalisme als dusdanig in een haatcampagne tegen ‘vreemd’ kapitaal en verlies van nationale zeggenschap aan ‘door Joodse bankiers georganiseerde supranationale instellingen’. Eigen kapitalisme eerst, om zo te zeggen.

Dit nieuwrechts neemt zoals gezegd de retoriek, de thema’s, de methodes en zelfs de subcultuur van de anarchistische beweging over om zichzelf groot te maken. De voorbeelden zijn legio: extreemrechtse punkbands, de Vrijbuiter (geleid door ex-leden van V.M.O., Voorpost en andere extreemrechtse stoottroepen en denktanks) kraakt een schoolgebouw in Doel,… En de beweging heeft hier voorlopig nog geen antwoord op gevonden behalve de campagnes dan maar te laten vallen om zich niet te verbranden.

Vaak is de steun van de anarchistische beweging bij dit soort campagnes nog nodig om te blijven draaien. De anarchistische beweging is al bij al nog steeds de grootse motor van maatschappelijke beweging. Toch verliest ze steeds meer het initiatief en de gepaste antwoorden op maatschappelijke evoluties.


3. 5. Organisaties:

  • organiseren van belangenverschillen
  • van spontaan klassenbewustzijn naar geuniformiseerde vorm
  • mengeling van desperaat verzet, teruggrijpen naar geïdealiseerd verleden en sporen van toekomstgericht denken coherente of georganiseerde beweging versus losse verzameling affiniteitsgroepen

Ook de organisatievormen zijn al vaker aan bod gekomen. De drie teksten in het volgende deel van deze thesis behandelen mogelijke modellen hiervoor. Toch is het van belang deze vaststellingen al eens te aanschouwen. Dat de belangenverschillen steeds groter worden is hoe dan ook een feit. De atomisering van de maatschappij lijkt (mee) veroorzaakt te worden door het feit dat alle maatschappelijke breuklijnen steeds verder uiteen groeien: het conflict tussen ‘noord’ en ‘zuid’, tussen rijke en arm in ‘noord’ en ‘zuid’, tussen man en vrouw, jong en oud, verschillende subculturen in verschillende werksituaties (onder meer doordat die werksituaties steeds meer psychologische identificatie eisen van het individu aan de job, de functie, de collega’s en het bedrijf als entiteit),…

Het ‘spontaan klassenbewustzijn’ van mensen wordt hierdoor bemoeilijkt en brokkelt systematisch af. Ook het ‘belonen’ met aandelen en het hiërarchisch organisatiemodel van bedrijven hebben datzelfde effect: plots gaan arbeiders met elkaar in concurrentie, gaan ze elkaar permanent beoordelen en op (arbeids)waarde schatten, waarbij ze steeds meer uit het oog verliezen dat ze eigenlijk dezelfde belangen hebben. Het werken in ‘basisdemocratische units’ bij Volvo is hier een goed voorbeeld van. Nadat het klassenbewustzijn onder druk van de industrie is één gemaakt is het terug afgebroken onder het kapitalistisch systeem. Iedereen zit thuis voor de T.V. en spiegelt zich aan de melodrama’s met een middenklassencultuur die hem of haar niet eigen is.

De organisatiemodellen moeten met dit gegeven rekening houden. Enerzijds moet deze trend gecounterd worden. Anderzijds kan dit niet gebeuren door van de klassenstrijd weer een massastrijd te willen maken (wat natuurlijk niet wil zeggen dat niet zo veel mogelijk mensen moeten worden betrokken in de activiteiten van de beweging). We moeten niet de fout maken terug de massa te gaan creëren.


3. 6. Fysieke strijd winnen maar bij gebrek aan perspectief en een alternatief loopt de beweging te pletter. Plotselinge terugval in apathie en wanhoop; zij waren ‘niet gewend zich te laten gelden’, hun vroegere traditie en initiatief had het afgelegd tegen de algemene triomf van de nieuwe orde. Creatie van de (arbeids)massa en de daarmee samenhangende disciplinering. Van boerenvraagstuk naar industriële beschaving; het primaat van de handel had natuurlijk ook gevolgen voor het protest dat zich voornamelijk op economisch vlak uit. We moeten ons inderdaad realiseren dat de jongste stap in de evolutie (de fragmentatie van de samenleving en het breken van het klassenbewustzijn) een even grote betekenis heeft voor onze strijd als de overgang van agrarische samenleving naar industriële beschaving ooit heeft gehad. We hebben gewezen op het feit dat de anarchistische beweging vooral sterk heeft gestaan bij die overgang van landbouw naar industrie. Na de wereldoorlogen heeft de beweging zich nooit meer helemaal hersteld. Een echt antwoord op de industrialisering heeft ze nooit gevonden: ze beperkte zich er in grote mate toe te proberen die in eigen beheer te nemen.

Nadat deze pogingen zijn mislukt staat de beweging in zeker opzicht misschien wel twee stappen achter. De vraag is of ze die achterstand kan dichtlopen. Alleen zo kan ze terug het initiatief nemen en moet ze zich niet langer beperken op ‘tegenstromen’ en reageren maar kan ze haar eigen agenda afdwingen.

Ten tweede wordt het steeds moeilijker mensen voor te bereiden op de samenleving die anarchisten willen. Om maar één voorbeeld te geven: wat moet er in godsnaam gebeuren met alle kantoorklerken en overheidsambtenaren, van wie op zijn minst kan worden gezegd dat ze in de anarchistische visie zinloos werk doen, gezien het feit dat ze niks nuttigs produceren. Deze voorbereiding op de strijd en het alternatief is een heel oud probleem, dat in het verleden eigenlijk enkel binnen grote organisaties min of meer is aangepakt. De meest andere pogingen zijn aan het probleem ten onder gegaan. Ook hiervoor moeten dus oplossingen worden bedacht en moeten er modellen uitgewerkt worden voor training en vorming.


3. 7. Wanbeheer en frauduleus handelen: ontberen van de beschermfunctie van recht onder ‘collega’s’ Veel organisaties met een anarchistische inslag hebben geen juridische vorm, geld wordt op een privé-rekening bijgehouden, er zijn geen arbeidscontracten die mensen aan de groepen binden, wat het voortbestaan hoe dan ook onzekerder maakt. Daarenboven hebben zowat alle medewerkersters andere verplichtingen en andere vrijwillige activiteiten die ze heel belangrijk vinden. De kwaliteit van het persoonlijk leven is een groot aandachtspunt voor iedereen in deze wereld van activisten met hoge morele normen en waarden.

Het ontbreken van juridische waarborgen tussen medewerkersters onderling en tussen de organisatie als entiteit en de medewerkersters houdt risico’s in, die op een andere manier moeten worden ondervangen. Dit wordt des te relevanter omdat de ‘vrijplaatsen’ die door de beweging worden gecreëerd bijna noodgedwongen mensen van allerlei slag aantrekken die in het systeem geen plaats vinden en de vrijheid binnen die beweging opzoeken. Die mensen worden wel vaker vrijbuiters die geen verantwoordelijkheid (kunnen?) opnemen naar die beweging toe. De gewoonte om te consumeren eerder dan te produceren die steeds dieper ingebakken wordt verhevigt deze trend nog.

Eén schiftingsmethode is de werkdruk hoog te maken, een andere manier is de sociale boycot om deze mensen –of tenminste hun ‘negatieve’ invloed- in te perken of te neutraliseren. Dit alles is verre van democratisch te noemen. Er moeten procedures en beveiligingen worden ontwikkeld zonder in de val te trappen de sociale controle groter dan strikt noodzakelijk te maken. Er zou meer aandacht moeten gaan naar het begeleiden van mensen en samen activiteiten te ontwikkelen waarin ook deze mensen een functie kunnen hebben. Net zo goed moet er aandacht worden besteed aan het feit dat mensen begeleid moeten worden bij het zich ‘deprogrammeren’. Er moet duidelijkheid worden verschaft aan wat van mensen wordt verwacht, waar nu vaak de subcultuur voor de ‘natuurlijke selectie’ zorgt.


3. 8. ‘Organisatorische haalbaarheid (efficiëntie, effectiviteit,…) van niet-hiërarchische groepen. De organisatorische haalbaarheid is een belangrijk punt. In theorie is een anarchistische of niet-hiërarchische organisatie minstens even efficiënt en effectief als een hiërarchisch model. Zowel het éne model als het andere heeft natuurlijk voor- en nadelen en vergt van medewerkersters bepaalde vaardigheden. Het feit dat Volvo van een schijnbaar niet-hiërarchisch model gebruik maakt om haar werking te verbeteren is daar een voorbeeld van, net zoals de geschiedenis van Mondragon (een collectief in Spaans Baskenland met verschillende tienduizenden vennoten/arbeiders),… Feit blijft dat, hoewel de theorie en bepaalde voorbeelden uit de praktijk uitwijzen dat het kan, vele groepen en organisaties geen lang leven is beschoren: de collectieven en actiegroepen duiken op en verdwijnen terug en moeten telkens opnieuw van nul beginnen. Het lijkt mij dat de genoemde problemen eerder door de andere factoren moeten verklaard worden die hier besproken worden, wat niet wil zeggen dat ernaar mijn gevoel genoeg aandacht wordt besteed aan de organisatorische aspecten van ‘verzet’.


3. 9. Omgaan met ‘afwijking’ binnen de beweging. Eén van de typische dingen aan het anarchisme is het afwijzen van macht. Dit betekent dat er alternatieven moeten worden gezocht voor het omgaan met ‘afwijking’. Enerzijds moet de definitie van relevante ‘afwijking’ moeten aangepast: wat niemand echt kwaad doet kan niet als afwijking worden beschouwd. Voor ‘afwijking’ mét negatieve gevolgen moeten oplossingen worden gezocht die willekeur onmogelijk maken en tegelijkertijd mensen eerder helpt een functie te vinden waarin ze wel goed functioneren. Anderzijds moet worden gewaarschuwd voor sociale controle en moet dus in de richting worden gezocht van ondersteuning in een zoektocht naar positieve vrijheid, eerder dan repressie.

Deze andere kijk op criminologie en recht zou ons te ver leiden, maar is één van de hoekstenen van het anarchisme.


3. 10. Grote nadruk op cultuur en levensstijl en probeerde het alledaagse leven dan de traditionele banden van Kerk en Staat te bevrijden. We hebben al gewezen op het belang dat subcultuur (bijvoorbeeld punk tegenover hippie,…) sinds de tweede wereldoorlog heeft gekregen binnen de anarchistische beweging. Anderzijds is het zo dat het persoonlijk leven nooit buiten de politiek heeft gestaan voor de meeste anarchisten. Het praktiseren van de politieke overtuiging in zo veel mogelijk aspecten van het dagelijks leven is heel belangrijk geweest en verwordt soms tot het enig relevant geachte aspect (bijvoorbeeld vegetarisme,…). Anderzijds is het natuurlijk ook zo dat de anarchistische beweging een impact moet hebben op de cultuur en de maatschappelijke normen en waarden. Dit is nodig om een brede beweging op te bouwen en om concrete resultaten te boeken.


3. 11. Organisatievormen zijn niet aangepast aan ‘gewone’ mensen. De organisatievormen die ontwikkeld worden moeten democratisch werken als het over beslissingsstructuren gaat. Even belangrijk om het democratisch gehalte te verhogen is anderzijds de toegankelijkheid voor mensen. Er van uitgaand dat heel veel mensen direct betrokken partij zijn bij de thema’s waar de anarchistische beweging een rol wil spelen en dat alle betrokken mensen bij beslissingen hierover moeten ingeschakeld worden, moet er ook ruimte voor die mensen geschapen worden.

In die zin kan de vraag gesteld worden of de huidige structuur of het ontbreken ervan aan die vereisten voldoet. Vaak wordt er veel vergaderd, wat nodig is door de consensusbesluitvorming. Bovendien loopt het heel vaak mank met verslagen en andere communicatie: wie niet ook sociaal tot de kern van de beweging hoort, wordt vaak nauwelijks op de hoogte gehouden. Het feit dat verslagen op papier gevaarlijk kunnen zijn is wel een probleem, maar geen voldoende reden om de situatie dan maar zo te laten: het geheel wordt zo rommelig en heeft een zo broze dynamiek die zoveel energie kost voor elk individu dat de beweging om die reden alleen al niet kan groeien.


3. 12. ‘Nationale’ opstanden / nationalisme versus internationalisme. De anarchistische beweging moet verduidelijken hoe ze zich verhoudt tot het begrip ‘natie’ en aan de hand daarvan stelling innemen tegenover nationale of nationalistische ‘bevrijdings’bewegingen. Op basis van de anarchistische uitgangspunten en traditie ben ik ervan overtuigd dat dit één van de meest fundamentele discussies is van de nabije toekomst.

Het is volgens mij van levensbelang het anarchistische confederalisme en de daarmee samenhangende decentralisatie fundamenteel te onderscheiden van een nationalistisch discours. Het gebrek aan duidelijkheid hieromtrent maakt de beweging enorm gevoelig voor recuperatie van extreemrechtse zijde, die zich vandaag de dag al geregeld van anarchistische denkers voorziet om haar stellingen kracht bij te zetten. De discussie over ‘lokale economie’ biedt dezelfde opening.

De socialistische stroming heeft zich steeds internationalistisch opgesteld. Uitgangspunt was en is de wereldwijde solidariteit op weg naar een wereldwijde sociale revolutie. Toch is in realiteit vaak strikt nationaal georganiseerd in die strijd, wat steeds een nefast effect heeft gehad op de mogelijkheden van internationale solidariteit.

Sommigen maken een onderscheid tussen ‘volksnationalisme’ en ‘staatsnationalisme’, een onderscheid dat meer lijkt te verhullen dan duidelijk te maken. Het ‘volksnationalisme’ zou dan eerder gemotiveerd zijn door het willen gebruiken van de ‘eigen’ taal en de zeggenschap over ‘eigen’ mogelijkheden en grondstoffen. Vaak kan echter niet worden gedefinieerd wat een ‘volk’ dan wel zou zijn en hoe het duidelijk van een ‘ander volk’ kan worden onderscheiden. ‘Staatsnationalisme’ zou in deze redenering het van bovenaf creëren zijn van een nationaal gevoel dat nationale solidariteit tussen klassen probeert te stimuleren boven klassenbewustzijn.

Ikzelf verwerp dit onderscheid. Een natie veronderstelt steeds een staat. Een staat veronderstelt een nationaal gevoel dat zich tegen de andere staten richt of kan gericht worden. Die staten worden begrensd door denkbeeldige lijnen die ‘burgers’ niet zomaar mogen oversteken, waar tol wordt geheven,… Die staten zijn vanuit anarchistisch perspectief te vergelijken met gerechtelijke arrondissementen of politiedistricten: ze hebben het onvermijdelijke effect het wereldwijde mensenvolk te verdelen in beheersbare entiteiten.

Nationalisme moet dus ten allen tijde worden afgewezen. Dit zonder de ogen te sluiten voor bestaande problemen als zogenaamd ‘cultuurimperialisme’: het verdringen van andere talen en gebruiken,… Deze problemen moeten een anarchistische oplossing krijgen: anders zijn ook na de ‘sociale revolutie’ deze problemen niet verholpen. Ik pleit hierbij eerst en vooral voor vrije migratie. Gezien het feit dat niemand zich de aarde of een stuk grond kan toe-eigenen kan er geen spraken van zijn dat iemand de toegang op die basis wordt ontzegd. Mensen ‘moeten’ dus ontvangen en opgevangen worden met respect voor hun eigenheid (‘cultureel’ of door andere factoren bepaald).

Anderzijds moet dit respect wederzijds zijn. Nieuwe mensen zijn op die manier eerder een verrijking dan een probleem. Taal- en andere gebruiken moeten wederzijds worden geëvalueerd en de bruikbare of leuke elementen overgenomen. Anderzijds kan ook worden nagedacht of ‘ESPERANTO’ een valabele optie is, een gemeenschappelijke taal om wereldwijde communicatie mogelijk te maken. Naast dat Esperanto kunnen alle mogelijke dialecten en variaties blijven bestaan.

De vraag stelt zich natuurlijk of er dan wel op ‘nationale’ basis kan worden georganiseerd. Het antwoord is volmondig ‘ja’: dit blijkt zelfs een strikte noodzaak. Er kan ‘nationaal’ worden georganiseerd zoals kan worden georganiseerd op elk niveau waarop solidariteit en gemeenschappelijke strategie en actie gewenst of nodig zijn. Het ‘nationale’ niveau is echter niet het belangrijkste: de trappen onder en boven zijn de fundamenten van een wereldwijde sociale revolutie: het individuele en lokale enerzijds en het globale anderzijds. Internationale, of liever globale, solidariteit moet dringend vorm krijgen en is steeds een moeilijk praktisch te realiseren element van de anarchistische beweging geweest. Ze ontbeert hiervoor de structuren en is (terecht) bang voor paternalisme en autoriteit, obstakels die moeten overwonnen worden als die solidariteit ooit vorm wil krijgen.


3. 13. Vertrouwen en initiatief versus consensus. Een wel vaker gevoerde discussie is die over de verhouding tussen persoonlijk initiatief en democratisch proces. De relatie tussen deze twee is vergelijkbaar met de relatie tussen vrijheid en solidariteit waarover we kunnen zeggen dat ze elkaar nodig hebben eerder dan elkaar onmogelijk maken.

Hoe beter het collectief proces verloopt, hoe duidelijker de genomen beslissingen en standpunten zijn, hoe helderder iedereen op de hoogte is van mogelijkheden, gevaren en doelstellingen,… hoe meer ruimte er is voor een groeiend vertrouwen. Dat vertrouwen en de mogelijkheid om de zaken in te schatten maakt het mogelijk dat steeds meer initiatieven kunnen worden genomen.

In een proces dat moeizaam verloopt of nog geen duidelijke richting en vorm heeft gekregen kan persoonlijk ‘initiatief’ snel hevige reacties uitlokken van mensen wiens vertrouwen wordt geschaad: leden van een groep moeten ook tot op zekere hoogte solidair zijn met elkaar. Het initiatief van iemand mag de groep of het groepsproces niet zomaar op het spel zetten. Anderzijds moet er op gelet worden dat de ‘consensus’ de vrijheid van een individu niet hindert. Tenslotte bestaan groepen op basis van ‘vrijwillige associatie’ en moeten mensen hierin zich in de eerste plaats zichzelf kunnen weten en als dusdanig gerespecteerd worden.


II. C. TOEKOMST: EEN PLAN(NING).


Ten eerste wil ik het algemeen kader schetsen, een samenhang aanbrengen en enkele algemene zaken uiteenzetten die een antwoord moeten bieden op de problemen die hierboven zijn aangekaart. Centraal hierin staat het gebrek aan samenhang binnen de anarchistische beweging zelf en het onvermogen om als beweging een begin te maken aan een collectieve dynamiek en de daarvoor noodzakelijke mentale ingesteldheid en organisatorische vorm(en) waarbinnen minstens collectieve prioriteiten kunnen worden gesteld en elementaire samenwerking mogelijk wordt.

Ten tweede diep ik deze organisatievorm(en) verder uit aan de hand van een aantal teksten die daarvoor relevant zijn. Hierboven (III. 2. Netwerk) zijn een aantal organisatievormen aan de oppervlakte gekomen, elk met hun positieve en negatieve aspecten. Bedoeling hier is deze in hun samenhang voor te stellen en elk daarin een eigen plaats te geven. De teksten over deze archetypische organisatievormen geven een duidelijk beeld van hun relevantie en gaan soms heel concreet in op diverse teksten. Er moet wel gewaarschuwd worden dat over elk ervan veel meer te zeggen valt dan binnen deze thesis mogelijk is. Het blijft dus zaak ze te vertalen naar de eigen realiteit van de lezers.

In het belang van de organisatie is hier geen strategische planning voorgesteld. Dit is trouwens ook niet mogelijk vanuit mijn positie. Een derde reden hiervoor is dat de thesis zo veel nieuwe fundamentele discussies aanbrengt, waarvan de collectieve uitkomst onzeker is, dat het onzinnig zou zijn nu elk element al in een tijdsplanning op te nemen. Naar anarchistische traditie is dit werk een fluitje van een cent eens de neuzen in dezelfde richting wijzen.


KADER VOOR EEN TOEKOMST.

Probleemstelling.

Vooral de zoektocht naar effectieve organisatievormen is het primaire probleem van de hedendaagse anarchistische beweging. Het gebrek hieraan (‘the tyranny of structurelessness’) is er de oorzaak van dat er als beweging geen collectieve beslissingen kunnen worden genomen, dat er geen concrete doelstellingen geformuleerd worden, dat er geen gezamenlijke strategie kan worden uitgewerkt (of minstens een aantal prioriteiten vastgelegd), dat mensen die andere bezigheden hebben geen plaats vinden in de beweging, dat groepen en mensen steeds opnieuw van nul moeten beginnen en daarbij niet begeleid worden, dat er een intern en extern gebrek is aan heldere communicatie, dat het onmogelijk blijkt bondgenootschappen te evalueren en over lange termijn aan te gaan,…

In mijn conclusies wil ik me dan ook vooral met het probleem van de organisatievormen bezig houden (om de geladen term ‘structuren’ niet te gebruiken). Andere aspecten zijn in de rest van de tekst behandeld: ik heb geprobeerd zo veel mogelijk interessante aspecten aan te halen in de stukken over Tijdsgeest, Netwerk, Conclusies en de Interessante teksten.


Inleiding: ‘de zeef van Bookchin’. Ik houd eraan het schema van Bookchin hier nogmaals te belichten. Hierboven ben ik niet diep op het schema ingegaan (III. Tijdsgeest; Interlude). Ik geef het hier nog even mee:

1.STAAT (parlementaire democratie,…) 4. POLITIEK (directe democratie,…) 2.(LOON-)ARBEID & CONSUMPTIE 5. SOCIAAL EN ECONOMISCH KAPITAAL (netwerk van wederzijdse hulp, vrijwilligerswerk,…)

3.PERSOONLIJKE LEVENSSFEER (klassiek) 6. PSYCHOLOGISCH KAPITAAL (experimenteel)


In het schema staat het bovenste blok (1. en 4.) voor de publieke levenssfeer: het algemeen belang, de menselijke waardigheid,… De twee onderste blokken (2., 3., 5., 6.) voor de private levenssfeer: het overleven, eigenbelang, particularisme en sociabiliteit,… Het onderste blok staat voor het zoeken naar een veilige thuishaven, geluk,… Ruwweg komt het erop neer dat de linkse helft staat voor de ‘gewone’ wereld. De rechterhelft staat voor het (anarchistisch?) veroveren van de ruimte, het zelf invullen van de realiteit.

Voorbeelden van ‘psychologisch kapitaal’ kunnen zijn: cultuur, kunst en vrijetijdsbesteding alternatieve woon- en leefvormen, bevrijdingsstrijd van de vrouw, seksuele bevrijding, bevrijding van homoseksualiteit, antiautoritaire opvoeding, zelfbevrijding en –verwezenlijking, sport en gezondheid,…

Voorbeelden van ‘sociaal en economisch kapitaal’ ziet Bookchin in coöperatieven, LET’s (Local Exchange and Trade Systems) voedselteams, vrije scholen, culturele initiatieven, vakbonden,…

Het ‘politieke’ luik ziet Bookchin in de organisatieprincipes van anarchistische groepen, de groene partijen in hun beginfase, actiegroepen,...

De meeste concrete groepen en initiatieven dragen meerdere aspecten in zich. Waardevol aan het schema is vooral de mogelijkheid om de verschillende (mogelijke) ‘fronten’ van elkaar te onderscheiden. Bookchin doet dit om zich toe te spitsen op één ervan, het politieke luik, waarvoor hij zijn ‘Libertair Municipalisme’ ontwikkelt. De andere velden schuift hij weg als ‘achterhaald’ om zich uitsluitend op dat éne veld te concentreren. Hij wil, kort gezegd, parallelle besluitvormende organen creëren die daarbij anarchistische methodes gebruiken en een confronterende strategie hanteren.


Toepassen van ‘de zeef’. Ik gebruik het schema van Bookchin ‘oneigenlijk’. Waar hij voor één van zijn velden kiest, probeer ik, uitgaand van de elementen die nu al in de anarchistische beweging aanwezig zijn, eerst en vooral voor elk apart de meest aangepaste organisatievorm te kiezen. Anderzijds probeer ik ook een vorm te bedenken die al deze verschillende doelstellingen, organisatievormen, mensen,… samen kan brengen en ook samen kan houden

Ik pas het schema van Bookchin dus aan, aan de realiteit zoals ik die zie. Die wijzigingen zijn vooral tweeërlei. Ten eerste wil ik het ‘politieke’ luik beperken tot het opstarten van parallelle politieke structuren. De actiegroepen wil ik er uit halen omdat die volgens mij zowel qua doelstellingen en benodigde organisatievormen als qua strategie een aparte behandeling verdienen. Ook het feit dat de actiegroepen al een bestaand model zijn, in tegenstelling tot ‘Libertair Municipalisme’ dat nog niet eens in zijn kinderschoenen staat, rechtvaardigt dit opsplitsen.

Ten tweede wil ik het veld ‘Sociaal Kapitaal’ ontdoen van de ‘vrije scholen, culturele initiatieven,…’ die volgens mij beter thuishoren in het veld van het ‘psychologisch kapitaal’, waar de invalshoek in eerste plaats het alledaagse, persoonlijke leven is. Het ‘Sociaal Kapitaal’ kan op die manier heel specifiek op het economische worden gericht. Niet omdat economie geen alledaagse persoonlijke aspecten heeft, verre van of omdat omgekeerd het alledaagse persoonlijke geen economische aspecten zou hebben. Al deze velden zijn natuurlijk intens met elkaar verweven en elke opdeling doet de realiteit in zekere zin geweld aan. Toch lijkt het me noodzakelijk de realiteit op te delen als we er effectief mee om willen gaan, strategieën ontwikkelen,…


Het kader: een voorstel.

1. Vier facetten.

Rekening houdend met dit alles stel ik het volgende model voor, waarin ook Tegenstroom een functie krijgt. Er zijn dus, zoals uit de ‘toepassing van de zeef’ vier facetten waarrond moet worden georganiseerd:


POLITIEK: Er moeten regionale anarchistische groepen worden opgestart, die zich vanaf een bepaald aantal leden kunnen afsplitsen en desgewenst en kleinere regio kunnen bestrijken. Deze groepen zijn onafhankelijk tegenover elkaar maar wel geconfedereerd. We grijpen hiervoor terug naar het ‘Libertair Municipalisme’ van Murray Bookchin. Hoofdzaak is een parallelle beslissingsstructuur op te bouwen die de politiek enerzijds kan ‘naar beneden’ halen door sommige zaken gewoon te beslissen en uit te voeren of anderzijds door die beslissingen af te dwingen van de hogere ‘echelons’. De doelstellingen en de strategie moet duidelijk zijn voor iedereen als vermeden wil worden dat er breuken ontstaan of dat mensen zich bekocht voelen.

Discussie met buurten en wijken wordt dus de eerste opdracht (en weten wat de beweging er zelf mee wil aanvangen is daarvoor een absolute noodzaak). Het zal van situatie tot situatie afhangen hoe dit concreet tot stand komt.

Vanuit deze groepen kunnen (behalve de parallelle politieke structuur) drie velden bestreken worden: a) vorming, actie en informatie b) economie via LETS-groepen en inspraak in de bedrijven die er gevestigd zijn c) sociaal weefsel herstellen door allerlei activiteiten en de organisatie van wederzijdse hulp


INDIVIDUEEL / PSYCHOLOGISCH KAPITAAL: Op individueel vlak moet vooral aandacht geschonken worden aan het ‘deprogrammeren’, de vorming van elkaar (in persoonlijke zaken maar ook qua theorie en actiemethodes). Ook praktische solidariteit moet worden waargemaakt via affiniteitsgroepen (niet-geofficialiseerde vriendschapsbanden).

Anderzijds kunnen allerlei min of meer geformaliseerde projecten worden opgestart, gaande van vrije scholen over alternatieve woon- en leefvormen, seksuele bevrijding, antiautoritaire opvoeding,… Het is mij hierbij niet helemaal duidelijk waarom Bookchin de ‘bevrijdingsstrijd van de vrouw’ en ‘bevrijding van homoseksualiteit’ bij het ‘individuele’ luik indeelt: ik zou ze eerder opnemen bij het aspect ‘strijdthema’s’ omdat het toch duidelijk in de eerste plaats groepen zijn die zich van discriminatie en onderdrukking moeten bevrijden. Individuen worden met andere woorden gediscrimineerd op basis van specifieke groepskenmerken, zoals ook met racisme,… gebeurt.


ECONOMISCH: Een vakbond naar het voorbeeld van de Industrial Workers of the World (I.W.W.) of de Confederacion National de Trabajo (C.N.T./F.A.I.). Belangrijk is een strijdorganisatie te hebben die desgevallend de economie (productie, distributie en eventueel de consumptie) kan organiseren. Daar heeft ze de kennis voor via haar leden en de communicatiestructuur via haar organisatie.

Anderzijds moeten alternatieve economische projecten worden gestart om ervaring op te doen in het ‘zelfbeheer’, als voorbeeld en bij wijze van voortdurende experimenten die de kennis verder ontwikkelen. Eventueel kunnen deze bedrijven dienst doen als leerschool of samen ‘scholen in zelfbeheer’ oprichten (naar het voorbeeld van Mondragon in Spanje). Daarnaast kunnen LETs worden opgestart (zie politiek), kunnen consumptiecoöperatieven worden uitgebouwd, gemeenschappelijk materiaal worden aangekocht en beheerd, voedselteams, volkskeukens,...

De combinatie van deze twee benen van één strategie is naar het voorbeeld van de C.N.T. voor de Spaanse Revolutie.


ACTIETHEMA’s: Naast dit alles moet ook aandacht geschonken worden op de diverse thema’s waarrond door een actiebeweging kan worden gewerkt. Dit gebied is binnen de beweging het best uitgewerkt. Het zou onzinnig zijn dit aspect niet verder uit te bouwen. De sterkste punten van de beweging moeten worden behouden. We hebben hieromtrent echter al opgemerkt dat de veelheid aan thema’s en de losstaande actiegroepen errond de eenheid van de beweging niet ondersteunen maar eerder aanleiding geven tot de fragmentatie ervan.

Concrete thema’s moeten door collectieven worden opgevolgd. Die collectieven kunnen informatie verzamelen en eventueel actiecampagnes starten, waarbij ze binnen de andere structuren kunnen mobiliseren en organiseren. De collectieven moeten geconfedereerd zijn per thema en liefst ook ‘interthematisch’ onderling inhoudelijk, technisch en praktisch met elkaar overleggen. Hierbij kan met vertegenwoordigers gewerkt worden van de regionale groepen. Op zijn minst moeten ook hier communicatiestructuren worden opgezet.

Voorbeelden zijn tweeërlei: a) gezamenlijke infrastructuur, trainingen/vormingen, tijdschrift/promotie,… b) klassieke thema’s als milieu, vluchtelingen, repressie, feminisme, informatie

Naarmate de evolutie van de organisaties (bijvoorbeeld grootte) en de wereld (kansen en bedreigingen) eromheen moet vlot kunnen gewisseld worden inzake beslissings- en communicatiestructuren. Elke groep moet daarenboven permanent proberen diverse strategieën en niveaus te combineren (zie tekst zelfactiviteit).


SAMENHANG. De onderlinge samenhang kan enerzijds informeel zijn via de affiniteitsgroepen en op de (al dan niet noodzakelijke) activiteiten van de diverse groepen: (benefiet)fuiven en optredens, debatten, volkskeukens,…

Anderzijds kunnen op verschillende niveaus vertegenwoordigers worden afgevaardigd of overlegvergaderingen worden georganiseerd. Dit kan interthematisch en geografisch (lokaal, regionaal, nationaal, globaal).

Het onderling contact moet voorzien in vorming en informatie-uitwisseling, praktische organisatie en collectieve planning, theoretische discussie, onderlinge solidariteit en ondersteuning.

Een ander soort samenhang kan worden georganiseerd in alarm- en mobilisatielijnen: via telefoon of internet, contacten tussen organisaties en tussen mensen kunnen mensen worden op de hoogte gebracht van al dan niet dringende zaken.


VEILIGHEID. Veiligheid is hierbij even belangrijk als bij de onderdelen afzonderlijk, maar een stuk moeilijker. Veiligheid en voorzieningen errond hebben trouwens een aantal diverse aspecten: er is de ‘inhoudelijke’ veiligheid (doelstellingen, reformisme,…); er is het gevaar dat het intern proces wordt verstoord door mensen ter goeder trouw zowel als door mensen die als ‘provocateur’ of als ‘informant’ de organisatie schade proberen toe te brengen. Die laatste kunnen van allerlei overheden of privé-ondernemingen komen maar evengoed van ‘politieke concurrenten’. Dit alles kan zowel binnen de groepen zelf gebeuren of via samenwerkingsverbanden, platforms,… Er moeten manieren gevonden worden hiermee om te gaan zonder een sektarische paranoia te creëren.


SOLIDARITEIT. Een belangrijke reden om zich te organiseren is ongetwijfeld de nood aan solidariteit en samenwerking. Die nood laat zich in alle aspecten en op alle ‘niveaus’ (thema, lokaal, regionaal, nationaal en globaal) gevoelen.

Solidariteit neemt ook allerlei verschillende vormen aan, maar is steeds aan die aspecten en niveaus verbonden. Solidariteit moet er niet alleen zijn binnen de afzonderlijke groepen. Solidariteit moet er ook zijn tussen de groepen onderling. Solidariteit betekent naast het samen omgaan met repressie en tegenslagen ook een positief omgaan met de wereld en anderen steunen aan de slag te gaan, zowel individueel als collectief.

Vele vormen van solidariteit moeten bewust worden georganiseerd en kunnen niet van toeval en goede wil of relaties afhangen. Dit wordt zeer duidelijk in de ‘internationale’ solidariteit. Die kan de vorm aannemen van lokale solidariteitsacties, het mobiliseren van mensen ter plaatse te gaan helpen, infrastructuur en logistieke steun te voorzien, financieel helpen, training en vorming aan te bieden,…

Elke groep of organisatie moet nadenken hoe ze die solidariteit het best kan integreren. Het lijkt me hierbij zinvol solidariteitskassen aan te leggen en dus van fondsenwerving een belangrijk deel van de werking te maken. Bovendien biedt dit de gelegenheid naar buiten te komen als groep en met de thema’s waarvoor fondsen worden geworven. Het lijkt me zinvol een deel van die fondsen in specifieke steunorganisaties onder te brengen, die ze dan verder kan beheren.


Vergaderstructuur; anarchistisch beslissen. Algemeen kunnen we 5 gradaties van ‘regering’ onderscheiden: 1. Onbeperkte vrijheid 2. Directe democratie a. consensus b. meerderheidsbeslissing 3. Democratie via afgevaardigden 4. Vertegenwoordigende (parlementaire) democratie 5. Openlijke minderheidsdictatuur De huidige samenleving schippert tussen 4. en 5. (dus tussen openlijke minderheidsdictatuur en verborgen minderheidsdictatuur gecamoufleerd door een symbolische democratie. Een bevrijde samenleving zou 4. en 5. elimineren en de behoefte aan 2. en 3. zo veel mogelijk vermijden. (Ken Knabb in ‘The Joy of Revolution) Hetzelfde geldt voor het regeren van groepen. Zie hiervoor Deel III (anarchistisch kookboek).

Concreet stel ik als agenda van elke vergadering voor dat er drie onderdelen worden opgenomen: 1. Praktische zaken van de groep zelf 2. Praktisch beweging algemeen 3. Inhoudelijk: rollenspel, vorming (bijvoorbeeld allerlei situaties bedenken die relevant zijn voor de groep of de beweging: wat als, hoe, wie, wat, wanneer,…) of algemene zaken van de groep zelf of de beweging als geheel.

De vergaderdruk moet laag zijn, zowel qua aantal als qua procesverloop (goede voorbereiding, zinvolle agenda, goede begeleiding,…). Zo blijven die vergaderingen motiverend en blijft er zo veel mogelijk tijd voor sociale activiteiten (onderling en buiten de beweging) en het praktische werk. Aandachtspunt hierbij is de verhouding tussen consensus en initiatief / vertrouwen, waar een goed evenwicht moet worden gevonden (goede afspraken maken goede vrienden).

Het maakt het mensen ook mogelijk andere activiteiten zoals loonarbeid met activiteiten in en voor de anarchistische beweging te combineren. Hieromtrent moet ook gezocht worden naar manieren waarop mensen ook die ‘activiteiten buiten de beweging’ kunnen inschakelen in hun engagement in de beweging (tijdschriften verdelen op het werk of de voetbalclub; affiches voor betogingen uithangen; de vakbonden of hun militanten aanspreken; steun verwerven voor standpunten van de beweging; vaardigheden aanleren aan de beweging; financieel steunen;…).

Strategie. Ik wil hier ook nog wijzen op de verschillende onderdelen die de strategie van elke groep, de beweging én elk individu als geheel moet omvatten:

“Er zijn minstens drie manieren om met een situatie om te gaan. Je kunt neutraliseren, activeren of vernietigen. Neutraliseren is ruimte creëren. Activeren is steun verwerven. Vernietigen is winnen. Wat meer is: het is essentieel te leren hoe de drie tegelijk te gebruiken. (…) Het antwoord (de strijdmethode) moet drie elementen bevatten: 1. een manier om te overleven 2. een manier om barsten in het vijandige kamp uit te buiten 3. een ondergrondse strategie” (uit ‘Zelfactiviteit, antimassamethodes voor het organiseren van collectieven’ s.a., s.d.: 10) De diverse ‘facetten’ zullen elk een eigen strategie met eigen prioriteiten en tactieken nodig hebben. Belangrijk hierbij is de doelen helder te formuleren en trouw te blijven. Belangrijk is ook een onderling vertrouwen te blijven voeden en de verschillende strategieën te blijven beschouwen als ‘variaties op een thema’, waarbinnen elk zijn eigenheid kan behouden, maar waarbij tegelijkertijd ook alles bespreekbaar blijft.

Netwerk. In dit stukje tekst wordt ook het ‘activeren’ als ‘verwerven van steun’ aangehaald. We denken hierbij in de eerste plaats aan het verwerven van steun bij ‘de bevolking’ of het specifieke doelpubliek van de groepen en de hele beweging (vrouwen, arbeiders,… waarbij wordt opgelet voor het ‘mengen van klassen’ gezien het feit dat een slechte klassenmix het voor de ‘lagere’ klassen moeilijk kan maken te participeren). Anderzijds is er ook het netwerkaspect: welke maatschappelijke organisaties kunnen waardevol zijn in welk soort alliantie en welke andere moeten zo veel mogelijk worden gemeden?

Hierboven zijn hieromtrent een aantal stellingen geformuleerd, maar deze thesis is te beperkt om er uitgebreid op in te gaan. Belangrijk is wel er op te wijzen dat allianties een bewuste keuze moeten zijn (gebaseerd op de vrijwillige associatie) en dat ze minstens compatibel moeten zijn met de doelstellingen maar idealiter het einddoel zo dicht mogelijk moeten brengen.

Doelstellingen. Het uitwerken van strategieën veronderstelt natuurlijk in de eerste plaats het opstellen van doelstellingen. Dit geldt voor elke groep en voor de beweging als geheel. De doelstellingen moeten op lange, middellange en korte termijn worden geformuleerd. In de huidige situatie is dit formuleren de eerste prioriteit, hoewel er ook fora moeten worden gecreëerd om dat mogelijk te maken. Ik denk daarbij aan discussiefora als beweging (internationaal, lokaal) die de weg moeten bereiden voor beslissingen hieromtrent. Tijdschriften kan hiervoor gebruikt worden.

Er moeten strategische, tactische en operationele doelen worden geformuleerd. Alleen aan de hand daarvan kunnen een aantal van bovenstaande modellen werken.


BIBLIOGRAFIE.

Niet alle in deze bibliografie opgenomen werken zijn letterlijk geciteerd. Het is tegelijk de bedoeling de lijst als (selectieve) lijst met interessante lectuur te beschouwen.

Achterhuis, H., De uitgestelde revolutie, Baarn : In den Toren, 1973.

Alles, H., Welzijnsimperialisme. : Nieuwe orde in Somalië, Amsterdam : Ravijn, 1993.

Anderson, A., Hungary '56, Londen : Phoenix Press, s.a..

Baechler, J., Vormen van revolutie, Utrecht : Het Spectrum, 1972.

Bird, S. ; Georgakas, D. ; Shaffer,D., Solidarity Forever, Londen : Lawrence & Wishart,1987.

Bookchin, M., Remaking Society. : Pathways to a Green Future, Boston : South End Press, 1990.

Borkenau, F., The Spanish Cockpit, Londen : Pluto Press, 1986.

Butler, C.T.; Rothstein,A., On conflict & concensus. : A handbook on formal concensus decisionmaking, 2ø dr., Portland : Food not Bombs Publishing, 1991.

Condit, S., Proudhonist Materialism and revolutionary doctrine, Orkney : Cienfuegos Press, 1982.

Corporate Europe Observatory, Europe Inc. : Dangerous liaisons between EU institutions and industry, Amsterdam : Raddraaier, 1997.

Dekeyser, M., 1984 : Krijgen Orwell en Huxley gelijk?, Tielt : Lannoo, 1984.

Dereymaker, K. ; Mathijssen, C., Agogisch handelen bij hedendaagse actiegroepen. : Onderzoek bij Tegenstroom, Gaia, Amnesty International en Greenpeace, Leuven : s.n., 1999. (Eindverhandeling in de Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Katholieke Universiteit Leuven.)

de Vries, J., Educatie en guerilla. : Een discussieboek over de mythe van vernieuwing, Amersfoort : De Horstink, 1980.

Dillard, D., Het ekonomisch stelsel van Keynes, Antwerpen : De Branding, s.a..

Dolgoff, S., Third world rationalism and the state, s.l. : s.n., s.a..

Doom, R., Vrijheid en gelijkheid. : De geschiedenis van de emancipatorische gedachte in Europa, Gent : s.n., s.a.. (Cursus 2e kan. Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent)

Edwards, D., Free to be human. : Intellectual self-defence in an age of illusions, Devon : Green Books, 1995.

Ehrlich, H.J., Reinventing anarchy, again, Ebingburgh : AK Press, 1996.

Fromm, E., De Angst voor de vrijheid, 11e dr., Utrecht : Erven J. Bijleveld, 1952.

Fromm, E., De Gezonde Samenleving, Utrecht : Erven J. Bijleveld, s.a..

Fromm, E., De Zelfstandige Mens, Utrecht : Erven J. Bijleveld, s.a..

Fuentes, C., De Spaanse erfenis : vijf eeuwen Spaanse invloeden in Latijns-Amerika, Houten : De Haan / Unieboek, 1992.

Goldman, E., The place of the individual in society, Columbus : E.G. Smith Press, s.a..

Guillen, A., Anarchist economics : an alternative for a world in crisis, Manchester : La Presa,s.a..

Hoogendijk, W., Economie ondersteboven, Utrecht : Jan van Arkel, 1993.

Illich, I.D., Aalmoezen en folteringen. : Oproep tot institutionele revolutie, Tielt : Lannoo, 1971.

Katsiaficas, G., The subversion of politics. : European autonomous social movements and the decolonisation of everyday life, New Jersey : Humanities Press, 1997.

Kottak, C.P., Cultural antropology, 6ødr., s.l. : Mc GrawHill Inc., 1994.

Kronstadt Kollektief, Hongeropstanden, Boskoop : Macula, 1987.

Kropotkin, P., Small communal experiments & why they fail, Petersham : Jura Media, 1997.

Kropotkin, P., Tekstboek, Utrecht : Meulenhoff Editie, 1972.

Kropotkin, P., The conquest of bread, Londen : Elephant Editions, 1990.

Kurz, R., Bij het scheiden van de markt : over de ineenstorting van democratie en markteconomie, Amsterdam : Ravijn, 1996.

Lehning, A., Lenin en de revolutie : Marxisme en Anarchisme in de russische revolutie, Amsterdam : Rode Emma, 1994.

Lehning, A., Prometheus en het recht van opstand, Baarn : Ambo bv.,1987.

Mailler, P., Portugal : The impossible revolution?, Londen : Solidarity, 1977.

Marshall, P., Demanding the impossible. : A history of anarchism, 2ø gewijzigde druk, Londen : Fontana Press, 1993.

Martin, B., Social Defence : Social Change, Londen : Freedom Press, 1993.

Mumford, L., The future of technics and civilization, Londen : Freedom Press, 1986.

Naert, F. , De uitgeperste democratie. : Lobby's in actie, Leuven : Davidsfonds, 1992.

Packard, V., De Naakte Samenleving, Amsterdam : H.J. Paris N.V., s.a..

Polman, M.; Van der Pouw Kraan, P., Van Bolwerken tot Netwerken. : Datacommunicatie door maatschappelijke organisaties, Amsterdam : Ravijn,1995.

Purchase, G., Anarchism and environmental Survival, Arizona : See Sharp Press, 1994.

Richards, V. (ed.), Errico Malatesta. : His life and ideas, 4e dr., Londen : Freedom Press, 1993.

Rocker, R., Nationalism and culture, Minnesota : The Croixside Press, 1978.

Ruhle, O., The revolution is not a party affair, Sheffield : Pirate Press, s.a..

Ruhle, O., The struggle against Fascism begins with the struggle against Bolsjevism, 2e dr., Londen: Elephant Editions, 1990.

Scharf, A.W.; Fassel, D., The Addictive Organisation, SanFrancisco : Harper & Row, 1990.

Self-activity : Anti-Mass Methods of organisation for collectives, s.l. : s.n., s.a..

Sharp, G., Macht en strijd. : Theorie en praktijk van geweldloze actie, Utrecht : Het Spectrum,1982.

Stad, K. (ed.), Geld of je leven. : Over de vrije markt en andere sprookjes, Amsterdam : Ravijn, 1997.

Steelink, N., Reis in Droomland, Sittard : Baalprodukties, 1998.

Störig, H.J., Geschiedenis van de filosofie, 22e gewijzigde dr., Utrecht : Het Spectrum, 1994, deel 1.

Störig, H.J., Geschiedenis van de filosofie, 22e gewijzigde dr., Utrecht : Het Spectrum, 1994, deel 2.

Taylor, M., Community, Anarchy and liberty, 5e dr., Cambridge : Cambridge University Press, 1995.

Tegenstroom, Maigalomanie, Amsterdam : Corporate Europe Observatory, s.a..

Tegenstroom, tekst themastand, Leuven: Tegenstroom, s.d.

Tifft, L. ; Sullivan, D., The struggle to be human. : Crime, criminology and anarchism, Orkney : Cienfuegos Press, 1980.

Tolstoy, Government is violence. : Essays on anarchism and pacifism, Londen : Phoenix Press, 1990.

Van de Meerssche, P., Van Jalta tot Malta. : Politieke geschiedenis van Europa, Antwerpen : Standaard, 1990.

Van Den Berghe , F., De informatierevolutie? : Alternatieve media en maatschappelijke processen, Leuven : s.n., 1997. ( Eindverhandeling gegradueerde in de sociale readaptatiewetenschappen, HIRL Leuven.)

Van den Oudenrijn, F., Autonomie : Hoofdlijnen van het politiek - theoretisch project van Toni Negri, s.l. : Papieren Tijger, 1992.

Van Dijk, G.; van Bellum, O. (eds.), Agricultural co-operatives in the European Union. : Trends and issues on the eve of the 21st century, Assen : Van Gorum, 1997.

Vaneigem, R., The revolution of everyday life, 2e herziene dr., Londen : Left Bank Books,1994.

van Haeringen, C.B., Kramers' Nederlands woordenboek, 19ø herziene en vermeerderde dr., Den Haag : Van Goor Zonen, 1978.

Vanschoenbeek, G., Novecento in Gent. : De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen, Antwerpen : Hadewijch, 1995.

Verbeek, H., Economie als wereldoorlog, Kampen : Kok Agora, 1990.

Verstraelen, J.., De grauwe revolutie : Inleiding tot de geschiedenis van de arbeidersbeweging., 2ø herziene druk, Brussel : D.A.P., 1965.

Verstraete, L., Het verdrag van Maestricht. : De betekenis van de Europese Unie voor ieder van ons, Antwerpen : Standaard, 1993.

Vidakovic, Z., Het tweede decennium van arbeiderszelfbestuur. : Het verslag van een historische ervaring, Amsterdam : Van Gennep, 1972.

Ward, C. (ed.), Influences : voices of creative dissent, Devon : Green Books, 1991..

Whyte, W. ; Whyte, K., Making Mondragon, 2e herziene druk, New York : IRL Press, 1988.

Wygodski, W., De ontwikkeling van het ekonomies denken van Marx, Nijmegen : SUN, 1974.


III. ANARCHISTISCH KOOKBOEK


1. ANARCHISME

«Geregeerd worden, dat is in het oog gehouden worden, geïnspecteerd, bespionneerd, bestuurd, gereglementeerd, gedecreteerd, in een ruimte opgesloten worden, geïndoctrineerd, vermoord, gecontroleerd, geschat, geëvalueerd, gecensureerd, gecommandeerd worden door wezens die daartoe de bevoegdheid nach de kennis of het vermogen bezitten. Geregeerd worden, dat is bij elke handeling, bij elke transactie, bij elke beweging worden opgemerkt, geregistreerd, geteld, geprijsd, gezegeld, opgemeten, aangeslagen, tot bijdrage verplicht, gepatenteerd, vergunning verleend, gemachtigd, aanbevolen, flink aangepakt, gehinderd, hervormd, opgevoed, verbeterd. Het is onder het voorwendsel van het openbaar nu en in naam van het algemeen belang worden gebrandschat, afgericht, afgeperst, uitgebuit, toegeëigend, uitgeknepen, bestolen en vervolgens bij de geringste weerstand, bij de eerste klacht worden gestraft, beboet, door het slijk gehaald, gesard, achter zijn vodden gezeten, de mantel uitgeveegd, afgerost, ontwapend, gekneveld, gevangen gezet, gefusilleerd, gemitrailleerd, berecht, veroordeeld, gedeporteerd, geofferd, verkocht, verraden en tot overmaat van ramp uitgespeeld, gejonast, beledigd en onteerd. Ziedaar uw regering. Ziedaar haar recht. Ziedaar haar moraal!» (P.J. Proudhon)

“Als ik een antwoord zou moeten geven op de vraag ‘Wat is slavernij?’ en antwoordde met één enkel woord –Moord-, dan zou iedereen mijn redenering onmiddellijk begrijpen. Ik zou geen ingewikkeld discours meer nodig hebben om aan te tonen dat de macht om iemand van zijn geest, wil en persoonlijkheid te ontdoen een macht is over leven en dood. En dat het verslaven van iemand gelijk staat met moord. Waarom kan ik dan die andere vraag ‘Wat is eigendom?’ niet in dezelfde geest beantwoorden –Diefstal- zonder ervan te worden verzekerd dat ik niet zou worden gehoord, zelfs als die tweede redenering gewoon dezelfde is als de eerste!” (P.J. Proudhon)

« [Anarchisme is] de naam die gegeven wordt een een principe of een theorie van het leven en zich gedragen waarbij de samenleving wordt uitgewerkt zonder regering. Harmonie wordt in zo een samenleving bereikt –niet door onderwerping aan de wet of gehoorzaamheid aan welke autoriteit dan ook- maar door vrije overeenkomsten die gesloten worden door de diverse groepen die territoriaal en per beroepsactiviteit worden opgericht om de productie en de consumptie te organiseren en om de oneindige behoeften en betrachtingen te bevredigen van een beschaafd wezen. In een samenleving die volgens die richtlijnen is georganiseerd zouden de vrijwillige organisaties, die nu al alle velden van de menselijke activiteit beginnen bedekken, nog uitbreiding nemen zodat ze de plaats van de staat in al zijn functies kunnen vervangen. Ze zouden een verweven netwerk vertegenwoordigen van een oneindig aantal groepen en federaties van alle afmetingen en intensiteit; lokaal, regionaal, nationaal en internationaal; tijdelijk en permanenter; voor alle doeleinden (productie, consumptie, uitwisseling, communicatie, sanitaire regelingen, opvoeding en onderwijs, wederzijdse bescherming, verdediging van het territorium,… Aan de andere kant zouden ze de in aantal steeds toenemende noden bevredigen op sociaal, wetenschappelijk, artistiek of literair vlak. » (P. Kropotkin)

“[De Franse Revolutie], die haar verheven werk met de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens’ is begonnen, zou dit werk pas voltooid hebben wanneer zij –niet alleen in uw land maar over het hele aardoppervlak- de op gerechtigheid gebaseerde maatschappij had opgebouwd, een maatschappij, die ieder van haar leden, mannen en vrouwen, bij hun geboorte de gelijkheid vanaf het begin zal moeten garanderen, voor zover die gelijkheid van de sociale organisatie afhankelijk is, het natuurlijk verschil tussen individuen buiten beschouwing gelaten; een maatschappij die economisch en sociaal gezien aan iedereen een even grote reële mogelijkheid zal bieden om –al naar gelang ieders persoonlijke werkkracht en vermogens –de hoogste toppen van het menszijn te bereiken, eerst door opvoeding en onderricht, vervolgens door ieders eigen werk, vrijelijk in groepsverband of niet- zowel arbeid met de spieren als met de zenuwen, hand- en hoofdarbeid, die de inige wettige bron van alle persoonlijke niet erfelijke eigendom wordt en uiteindelijk beschouwd zal worden als de voornaamste basis van alle politieke en maatschappelijke rechten. (…) Wij zijn socialisten.” (M. Bakoenin)

“Revolutie is het creëren van nieuwe, levende instituten, nieuwe groepen en nieuwe sociale verhoudingen. Het is ook het vernietigen van privileges en monopolies, de geest van een nieuwe rechtvaardigheid en broederschap, van die vrijheid die het hele leven van de samenleving zou moeten bepalen, het morele gehalte en de materiële omstandigheden van de massas, hen ertoe brengend hun eigen toekomst in de ogen te kijken door intelligente directe actie. Revolutie is de organisatie van alle publieke diensten door diegenen die ze realiseren, in hun eigen belang zowel als in het belang van het publiek. Revolutie is de vernietiging van alle dwang; autonomie voor groepen, communes en regios. Revolutie is de vrije federatie die in het leven wordt geroepen door het verlangen naar menselijke broederschap, door individuele en collectieve belangen en door de eisen van productie en defensie. Revolutie is de oprichting van ontelbare vrije groepen die gewordteld zijn in evenzovele ideeën, verlangens en smaken die kunnen worden aangetroffen in mensen. Revolutie is de vorming en verspreiding van duizenden gemeenschaps-, regionale en nationale vertegenwoordigende lichamen die, terwijl ze geen wetgevende macht bezitten, dienen om de wensen van mensen te verwoorden en te coördineren, over lange afstanden en korte en gebruik makend van rapporten, advies en voorbeelden. Revolutie is de vrijheid die getemperd wordt in de vuurproef van de actie: het overleeft zolang de onafhankelijkheid overleeft. Dat wil zeggen tot op het moment dat anderen de macht grijpen dank zij de vermoeidheid van de massas en de onvermijdelijke teleurstelling die onmogelijk hoge verwachtingen met zich mee brengen, de meer dan waarschijnlijke fouten en tekortkomingen van mensen. Tot zij zo in staat zijn een macht uit te bouwen, gesteund door een leger van dienstplichtigen of huurlingen, de wet opleggen en de beweging op haar weg stoppen. Op dat punt begint de reactie.” (E. Malatesta)


A. HEDENDAAGS ANARCHISME


Hedendaagse anarchisten bouwen verder op hun voorgangers. Veel fundamentele tegenspraken zijn dus niet te verwachten. Wel een verder doordenken, een consequenter doorgronden, een hertalen naar onze wereld vandaag. Dat anarchistische theorie niet ouwbollig moet zijn maken volgende twee voorbeeldjes duidelijk. Ik belicht (slechts heel kort) twee sociaal-anarchistische voorstellen van mensen die het met mekaar hier en daar oneens zullen zijn, maar die elkaar volgens mij aanvullen. Belangrijk te vermelden is dat ik duidelijk kies voor sociaal-anarchistische teksten. Egocentrisme is een pest in de wereld en een plaag in de beweging. Ook de ‘geweld’-discussie verdient hier een woordje. Over terrorisme kan ik kort zijn: terreur en vrijheid sluiten elkaar uit. Altijd. Overal. Ander ‘geweld’ is zo veel mogelijk te mijden. Het al dan niet aanwezig zijn van geweld hoeft de inhoud van volgende teksten eigenlijk niet te veranderen, hoewel het zeker door Brian Martin zal worden geweerd. Belangrijk is te beseffen dat geweld op zich geen sociale verandering ten goede teweeg kan brengen. Lees hierover zeker Tostoy en Tom Wetzel’s ‘You can’t blow up a social relationship’ (een MUST).


1. Sociale defensie, sociale verandering

Vooral de aandacht voor het praktische van sociale verandering maakt deze tekst interessant. Ook de openheid en de lage drempel lijken mij een mooie les voor de anarchistische beweging.

Anderzijds is het ook zo dat er inhoudelijk nog een stevige discussie moet worden gevoerd rond de haalbaarheid van een ‘geweldloze’ strategie. Veel anarchisten geloven hier niet in (uit gemakzucht –kleine groepjes maken harde actie nodig en elke poging de brede lagen van de bevolking overbodig of zelfs gevaarlijk-, uit romantiek of met de ‘krachten van de reactie’ als argument). Anderzijds zijn het anarchisten die als grondleggers worden genoemd van de theorie.

Wat er ook van zij lijkt me het concept ‘sociale defensie’ in een perspectief van sociale verandering het fundament van een anarchistisch project: de ‘revolutie’ die anarchisten voor zich zien is ten allen tijde een ‘sociale revolutie’ (dit in tegenstelling tot de ‘politieke revoluti’e, die beter gedefinieerd kan worden als ‘staatsgreep’, dit op zijn beurt in tegenstelling tot ‘militaire staatsgreep’). Het gaat er immers om het sociaal weefsel in die mate te herstellen dat het weerbaar wordt tegen ‘agressie’. De discussie over het al dan niet gebruiken van geweld is in die zin irrelevant: we kunnen het erover eens zijn dat minder geweld altijd beter is (zoals Ghandhi al zei: ‘Als ik moet kiezen dus geweld of geen geweld kies ik geen geweld; als ik moet kiezen tussen geweld of inefficiëntie, kies ik geweld). De organisatiedoelstellingen en –methodes die de basis van de beweging uitmaken blijven identiek.


“Sociale defensie is de geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging. Het is gebaseerd op wijdverbreid protest, overtuiging, niet-medewerking en interventie die zich tegenover militaire agressie of politieke repressie stelt. Het gebruikt methodes als boycots, actieve ongehoorzaamheid, stakingen, demonstraties en het opzetten van alternatieve instituten.

Het definiëren van iets is een politieke handeling en het loont de moeite naar deze definitie van sociale defensie te kijken als geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging’. Deze definitie stelt dat de weerstand een weerstand is die van de gemeenschap komt en niet van de natie, die meestal het kader is voor militaire verdediging en voor veel ideeën en geschriften over sociale defensie. In mijn optiek zou de nadruk moeten liggen op de gemeenschappen die zichzelf en elkaar verdedigen. Soms zullen die gemeenschappen naties zijn, maar vaak ook niet.

Sommige activisten verkiezen de sociale defensie te definiëren als geweldloze weerstand van gemeenschappen tegen agressie of onderdrukking’, daarbij insluitend verdediging tegen militaire agressie, tegen het door regeringen onderdrukken van lokale gemeenschappen en tegen geweld van mannen op vrouwen. Sociale verdediging zou in deze visie moeten worden gezien als geweldloze verdediging van de vitale elementen van de samenleving –inclusief mensenrechten, lokale autonomie en participatie- tegen alle onderdrukkende krachten.

Ik herken me in de gevoelens die achter deze bredere oriëntatie schuilgaan. Ik denk echter tegelijkertijd dat het beter is sociale verdediging te definiëren als een alternatief voor militaire defensie en pas daarna de linken te leggen met andere strijden tegen onderdrukking. (…)

Jaren terug werd sociale verdediging soms ‘passief verzet’ genoemd. Die term geeft de misleidende indruk dat geweldloosheid passief zou zijn. De kern van sociale verdediging is echter geweldloze actie en dat betekent stakingen, verbroedering en het opzetten van alternatieve instituten. Er kunnen ook offensieve maatregelen worden genomen, zoals communicatie om de internationale en nationale steun voor de agressie te ondermijnen. Sociale verdediging betekent niet dat je er gewoon bij gaat zitten en accepteert wat de agressor oplegt.

Sociale verdediging en de belangrijkste alternatieve termen ervoor houden het woord ‘verdediging’ in. Ironisch genoeg geeft dit een te nauw beeld van waar het allemaal over zou kunnen gaan. Het probleem zit in het eufemisme ‘militaire verdediging’. Militaire machten zijn voor oorlog ontworpen. Overheidsdepartementen voor oorlog veranderden hun naam in departementen voor verdediging om de associatie met moord en vernietiging te vermijden. ‘Verdediging’ of ‘defensie’ klinkt veel vriendelijker dan ‘oorlog’, ‘de militairen’ of zelfs ‘het leger’.

Geweldloosheid heeft het omgekeerd probleem: het klinkt veel mensen zwak in de oren. Sociale verdediging klinkt puur defensief. Dat is de reden waarom het soms nuttig is om over sociaal offensief te spreken.

Problemen met militaire verdediging: (…) Verminderde democratie: Militaire machten zijn gebaseerd op hiërarchie en gehoorzaamheid. Ze trainen mensen om op bevel te doden. Dat is onverenigbaar met gelijkwaardigheid, dingen in vraag stellen, wederzijds respect en dialoog die helpen bij het bevorderen van een democratische samenleving. De invloed van militaire systemen verhindert of verijdelt vaak een grotere participatie in de rest van de samenleving. (…)

Methodes die bij sociale defensie gebruikt worden: Gene Sharp, bekend onderzoeker van geweldloze actie identificeerde 198 verschillende types van geweldloze actie en heeft van elk voorbeelden gegeven. Sharp onderscheidt de methodes van geweldloze actie in drie categorieën: symbolische actie, niet-medewerking en interventie & alternatieve instituten. Symbolische acties: Formele aankondigingen (speeches, brieven, petities); slogans, pamfletten, spandoeken; betogingen, protestmarsen, wakes, piketten; het dragen van symbolen van verzet (zoals de paperclips die Noren droegen tijdens de Nazi-bezetting) bijeenkomsten, ‘teach-ins’.

Niet-samenwerking: Sociale boycots, blijf-thuis; boycots door consumenten, producenten, handelaars; embargo’s; stakingen, banvloek, stiptheidsacties, ziekteverzuim; weigering belastingen of schulden te betalen, terugtrekken van bankrekeningen; het boycotten van overheidsinstellingen; ongehoorzaamheid, uitvluchten en vertragingen; voorgewende onbekwaamheid (‘misverstanden’, ‘vergissingen’).

Interventie & alternatieve instituten: Vasten (hongerstaking, dorststaking); sit-ins, niet-gewelddadige obstructie en bezetting; vernietigen van informatie en archieven; uitbouwen van parallelle organisaties voor politiek, media, trasport, sociale zekerheid, gezondheidszorg en vorming. (…)

Hoe het idee van sociale defensie ontwikkelde: Het idee van geweldloos verzet tegen agressie kan teruggevoerd worden tot een aantal schrijvers waaronder Henry David Thoreau, Leo Tolstoy, Elihu Burritt (een Christen pacifist), William James en Bertrand Russell. De campagnes die door Gandhi geleid werden in Zuid-Afrika en India waren belangrijk voor de ontwikkeling van het idee van een geweldloos alternatief voor oorlog. Gandhi zelf begon de verdediging door geweldloos verzet rond 1930 te promoten. Een aantal schrijvers werden door Gandhi geïnspireerd en ontwikkelden zijn ideeën. In de jaren ’30 waren onder de voorstanders van een geweldloos vervangingsmiddel voor oorlog onder meer Richard Gregg, Bart de Ligt, Kennth Boulding, Jessie Wallace Hughan en Krishnalal Shridharani. (…)

Revolutionaire sociale defensie: Een revolutie kan worden gedefinieerd als een snelle grondige transformatie van sociale sleutelstructuren in een samenleving, zoals de staat en klassenstructuren, en dat verbonden aan een massale revolte van onderop. Een militaire staatsgreep is geen revolutie omdat de kanalen waarlangs de politieke en economische macht worden uitgeoefend onveranderd blijven. Aan de andere kant veranderden de onder meer Franse, Russische, Chinese en Iraanse revoluties zowel het hele kader van de economische relaties als het politieke leiderschap.

De frase ‘revolutionaire sociale defensie’ heeft twee aspecten. Ze refereert naar het gebruik van sociale defensie in een potentieel revolutionaire situatie, bijvoorbeeld om een belangrijke verandering in de sociale relaties te verdedigen. Ze refereert ook naar de intrinsiek revolutionaire trekken die sociale defensie zelf heeft: een vervanging van het militair complex door populaire geweldloze actie betekent dat de staat niet langer kan bouwen op een monopolie op het gebruik van ‘legitiem’ geweld. Vandaar wordt het overleven van de staat en van de sociale instituten die door haar beschermd worden als privaat bezit en bureaucratisch privilege bedreigd. De introductie van sociale defensie is niet onmogelijk zonder een uitdaging aan en de vervanging van de belangrijkste instituten die op dit ogenblik uiteindelijk worden beschermd door geweld, maar dat laatste is zeker een optie. (…)


Enkele implicaties:

1. De sleutel tot sociale defensie zou best wel eens haar banden kunnen zijn met die sociale bewegingen die het potentieel hebben de revolutionaire verandering in de sociale structuren te promoten. Belangrijkst zijn de bewegingen die een uitdaging of alternatief vormen voor militaire en overheidsmacht, in het bijzonder de bewegingen voor verschillende vormen van participerende democratie en arbeiderscontrole. Die categorie omvat anarchistische groepen, de sarvodaya-beweging en delen van de feministische-, vrede- en milieubewegingen, en de groene beweging in het algemeen. Geen van deze groepen lijkt heden ten dage het potentieel te hebben die verandering op korte termijn tot stand te kunnen brengen, maar schijn kan bedriegen. De gebeurtenissen in Oost-Europa in 1989 suggereren de mogelijkheden. (…) Misschien is de eerste stap simpelweg de basis te leggen voor de snelle uitbreiding van geweldloze actie; als een gepaste gelegenheid zich voordoet kan het sociale leerproces extreem snel gaan. Dit kan ondersteund worden als zelfs een klein aantal toegewijde individuen informatieschema’s hebben voorbereid, de organisatorische methodes en beslissingsmodellen hebben uitgetest en communicatiekanalen hebben georganiseerd.

2. In sommige omstandigheden kan het overleven van sociale defensie afhangen van de bekwaamheid en bereidheid in sociaal offensief te gaan en het overeenkomstig gebruik van geweldloze technieken in te zetten tegen de potentieel agresserende regimes. Dit veronderstelt een ietwat andere oriëntatie dan het gebruikelijke concept van sociale defensie die erop gericht is iemands eigen samenleving voor te bereiden op de verdediging tegen aanvallen van buitenaf. (…) Sociaal offensief is qua vorm niet zo verschillend van veel activiteiten die dagelijkse routine zijn. Telefoonberichten, radio-uitzendingen, bezoekers, diplomatieke relaties en commerciële transacties zijn allen normale manieren voor interactie tussen landen en tussen groepen en individuen binnen die landen. Sociaal offensief geeft er gewoon een andere inhoud aan. Net als alle andere interactie is sociaal offensief niet immuun voor misbruik, wat het duidelijkst te zien is in de vorm van cultureel imperialisme. Niettemin is het gebaseerd op actie waarbij geweldloze methoden worden gebruikt, wat toch heel anders is dan bij een militair offensief.

3. De introductie van sociaal offensief kan gepaard gaan met het extensief direct ontwapenen door populaire actie. Dit betekent het onklaar maken van alles gaande van geweren en tanks tot intercontinentale ballistische raketten. Het veronderstelt niet veel kennis om kogels uit een geweer te halen of computers onklaar te maken maar in sommige gevallen zijn kennis en voorzichtigheid geboden voor directe ontwapening.

4. Het promoten van sociale defensie mag niet het voorrecht zijn van één bepaalde groep of stroming. Hoewel ik hier een scenario heb voorgesteld voor de revolutionaire toepassing van sociale defensie is dat niet de enige of onvermijdelijk de meest plausibele manier waarop sociale defensie zal worden geïmplementeerd. (…)


Wetenschap en technologie voor niet-gewelddadige strijd: (…) Sociale defensie van de andere kant, is een alternatief voor oorlog dat een belangrijke rol heeft weggelegd voor wetenschappers en technici. Het is nuttig een aantal verschillende velden te beschouwen. Industrie: Vaak is het één van de belangrijkste doelstellingen van de agressor de controle over de industrie over te nemen. Daarom is het voor managers en/of arbeiders belangrijk de productie te kunnen stilleggen. Dat was zeker het doel van veel verzetslui tegen de Nazi’s in bezet Europa van 1939 tot 1945. Maar wat als de agressors de arbeiders martelen of hun gezinnen hen dwingen de productie gaande te houden? Eén oplossing is de productiesystemen zo te ontwerpen dat ze vitale onderdelen bevatten die bij defect moeilijk te vervangen zijn. Vervangingsonderdelen kunnen op een veilige plaats, zoals een ander land, bewaard kunnen worden. Marteling zou zinloos worden. In sommige industrieën kan het een betere strategie zijn de productie te decentraliseren zodat het voor een agressor moeilijk wordt de controle zomaar over te nemen. Het kan nuttig zijn voor kleinschalige bedrijven te kiezen waarbij het mogelijk is ze snel te ontmantelen maar ook ze snel terug bruikbaar te maken.

Aan de andere kant kan een agressor er in sommige gevallen voor kiezen de industriële faciliteiten te vernietigen om op die manier de bevolking te onderwerpen. In dergelijke gevallen zou het belangrijk zijn systemen te ontwikkelen die resistent zijn tegen sabotage van buitenstaanders. (…)

Voedsel, energie, onderdak, transport: Tegen een meedogenloze agressor wordt simpelweg overleven heel belangrijk. Basisvoorzieningen moeten worden onderhouden. Gezien het feit dat sommige agressors geprobeerd hebben een bevolking te onderwerpen door haar uit te hongeren, is het belangrijk hierop voorbereid te zijn.

Grootschalige monoculturen zijn kwetsbaar. Een weerbaarder voedselsysteem zou vele lokale tuinen en voedseldragende bomen omsluiten. Relevante research hierover kan gebeuren op vlak van zaadvariëteiten die een gebrek aan pesticiden en bemesting kunnen verdragen, voedzame diëten van wilde inboorlingen [sic] en methoden voor lange termijnbewaring van voedsel. Veel fundamenteel werk hierover is door de beweging rond permacultuur gedaan.

Gecentraliseerde energievoorraden zoals krachtcentrales zijn zeer kwetsbaar. Kleinschalige hernieuwbare energiesystemen zijn veel weerbaarder. Samen met de voortzetting van lopende studies van deze systemen moet hier gezocht worden naar systemen die kunnen worden onderhouden bij een vijandige actie. Gemakkelijk repareerbare systemen zijn te verkiezen. Gelijkaardige overwegingen gaan op voor onderdak en transport.

Gezondheid: Sociale defensie is gebaseerd op geweldloze actie door de verdedigers, maar er kan nog steeds geweld gebruikt worden door de agressors. In de intifada zijn bijvoorbeeld veel ongewapende Palestijnen ernstig verwond of gedood door Israëlische troepen. (Veel voorstanders van sociale defensie zijn van mening dat niet-gewelddadigheid van de ene kant de waarschijnlijkheid of de ernst van het geweld aan de andere kant verkleinen.)

In een dergelijke situatie wordt het belangrijk dat er geneesmiddelen en medische technieken zijn die gemakkelijk kunnen worden gebruikt door niet-specialisten. Er moeten strategieën zijn om de gezondheid te onderhouden in een context van bezetting, voedseltekort, avondklok, pesterijen en andere gebeurlijkheden. Net zoals fysieke gezondheid is psychologisch welzijn van levensbelang.

Het is eveneens nuttig te kunnen vaststellen of er marteling is begaan en dat op een gezaghebbende manier te kunnen aantonen aan een groot publiek. Het geweld van de tegenstander aantonen is een heel krachtige techniek.

Communicatie: Er is een resem belangrijke velden waarbinnen computers en communicatie ontwikkelingswaard zijn voor sociale defensie: niet stoorbare uitzendsystemen, goedkope en handige kortegolfradio’s, miniatuur videorecorders, gecodeerde of verborgen boodschappen via computers, telefoon en radio; manieren om informatie in computers te vernietigen of te verbergen. Sommige relevante systemen bestaan maar zijn niet bij het ruime publiek bekend of gemakkelijk verkrijgbaar.

De psychologie van de agressors en weerstanders heeft ook aandacht nodig. Studies naar de psychologie van gehoorzaamheid en verzet moeten gericht worden op inzichten die eenvoudig leerbaar zijn en door mensen kunnen worden gebruikt. (…) Telecommunicatie voor niet-gewelddadige strijd. (…)

Aanbevelingen: Zelfs met de hedendaagse stand van zaken op vlak van technologie en het bewustzijn van mensen kan telecommunicatie een belangrijk onderdeel zijn van niet-gewelddadige weerstand tegen agressie en repressie. Maar er zijn ook manieren om de effectiviteit hiertoe van telecommunicatie te verhogen. We sommen hier vijf categorieën op:

  • Bewust worden van mogelijkheden nu:

Op dit ogenblik zijn mensen vrij goed in staat de bestaande telecommunicatie te gebruiken om zich te verzetten tegen een repressief regime. Mensen moeten bewust gemaakt worden van hun eigen capaciteiten.

Als de massamedia van televisie, mainstream radio en grote kranten overgenomen worden zijn er nog steeds een resem mogelijkheden voor onafhankelijke communicatie. Het telefoonsysteem ligt het meest voor de hand. Mensen moeten er zich van bewust worden dat slechts een klein deel van de telefoons op een effectieve manier kunnen worden in de gaten gehouden. Diegenen die het meest risico lopen in de gaten te worden gehouden moeten zich bewust worden van de mogelijkheid andere telefoons te gebruiken.

Diegenen die toegang hebben tot computernetwerken moeten bewust gemaakt worden van het potentieel voor communicatie. Dat omsluit mensen die voor banken, universiteiten en grote bedrijven werken. Gelijklopend kunnen radioamateurs bewust worden gemaakt van het cruciale belang dat hun technologie heeft. Technici in vitale gebieden als televisie-uitzendingen of computernetwerken moeten zich bewust zijn van de manier waarop ze kunnen helpen de communicatie te onderhouden tussen diegenen die zich tegen de repressie verzetten.

  • Bestaande technologie leren gebruiken.

(…) *Voorbereiding op het gebruik in crisismomenten. (…) *Technologie ontwerpen. (…) *De samenleving organiseren. (…)

Naar een resistent politiek systeem: (…) Eerder dan gewoon te proberen sociale defensie in de bestaande politieke systemen te integreren is er een parallelle inspanning nodig om alternatieve politieke structuren te verkennen die kunnen dienen om sociale defensie sterker te maken en die ook op zichzelf wenselijk zijn. Hiërarchische systemen zijn inherent kwetsbaat voor overname door interne of externe agressors. Niet-hiërarchische systemen zijn beter. Kleinere eenheden, gefedereerde systemen met vertegenwoordiging, consensus en ‘demarchie’ [waarbij door toeval aangeduide mensen beslissingen nemen voor het collectief, nvdr] hebben elk hun voor- en nadelen. Elk is het waard verder te worden verkend.

Een niet-hiërarchisch systeem is geen voorwaarde voor sociale defensie. Als dat zo was zou sociale defensie inderdaad een verre droom zijn. Anderzijds is het evenmin zo dat sociale defensie een voorwaarde is voor een niet-hiërarchisch systeem. Het is veeleer zo dat het zinvol is tegelijk in de richting van de twee alternatieven te werken.

Campagnes voor niet-hiërarchische politieke alternatieven kunnen een niet-gewelddadige defensiepolitiek voeren, en campagnes voor sociale defensie kunnen methodes voor participerend beslissingsmethoden gebruiken. Tot dusver zijn alle pogingen op deze beide vlakken klein genoeg om nog met consensus in kleine groep te werken. De uitdaging is de alternatieven te ontwikkelen om in staat te zijn om te gaan met massale participatie. Als sociale defensie ooit een massabeweging en een praktische realiteit wordt moet het een beslissingsmethode insluiten die daarmee compatibel is: een participerende methode. Anders wordt ze naar alle waarschijnlijkheid ondermijnd door dezelfde krachten die ze wilde overwinnen.

Naar een weerbaar economisch systeem: (…) Egalitaire economie: Laat ons beginnen met de algemene kenmerken van een economisch systeem dat effectief ons streven naar sociale defensie zou ondersteunen. Het is waardevol hier na te denken over radicale veranderingen in het huidige systeem. Maar het doel is niet een Utopia te ontwerpen dat een voorwaarde wordt voor sociale defensie. Het is eerder zo dat het specifiëren van de onderdelen van zo’n radicaal veranderde economie ons een manier van denken biedt over de richtingen waarin onze initiatieven nu kunnen gaan. Hier zijn een aantal van die onderdelen:


  • Lokale voorziening van goederen en diensten. Dat maakt het moeilijker voor welke groep dan ook centrale controle uit te oefenen via de economie.
  • Lage afhankelijkheid van hooggespecialiseerde arbeid. Dat maakt het moeilijker voor welke groep dan ook centrale controle uit te oefenen via dwang of recuperatie van een kleine groep geschoolde arbeiders.
  • Samenwerking. Mensen zouden kennis, vaardigheden, arbeid en goederen delen om het economisch welzijn te maximaliseren. Met een coöperatieve economie wordt het veel moeilijker voor welke groep dan ook om te ‘verdelen en heersen’.
  • Collectieve voorzieningen. Dit betekent dat goederen en diensten geleverd worden aan groepen zodat iedereen er kan van genieten, eerder dan dat er geleverd wordt aan individuen volgens hun mogelijkheid te betalen. Publieke bibliotheken, wegen en publieke parken zijn voorbeelden van collectieve voorzieningen. Dit systeem zou grotendeels kunnen worden uitgebreid naar gebieden als telecommunicatie, uitrusting voor bouwwerken en landbouw, en zelfs voedsel. Collectieve voorzieningen verminderen de kansen om verdeeld en overheerst te worden, er van uitgaand dat de controle over de voorzieningen lokaal ligt en gedecentraliseerd is.
  • Benaderen van gelijkwaardig. Het distributieprincipe zou moeten zijn ‘voor elk volgens de mogelijkheid, voor elk volgens de nood’. Bekwaamheid, privilege of macht zouden geen basis mogen zijn om grotere materiële welvaart op te eisen. De motivatie om aan het economisch systeem deel te nemen zou de voldoening en de solidariteit moeten zijn en niet overleven en status. In zo’n egalitaire economie is de kans veel groter dat mensen samenwerken tegen bedreigingen.

Om deze lijst van onderwerpen af te sluiten die zo tegengesteld zijn al de conventionele kapitalistische economie is het nodig op te merken dat de aanwezigheid van een staat in dit alternatief systeem een groot risico inhoudt. (…)

Coöperatieve overeenkomsten. (…)

Gandhiaanse economie: Er is uitgebreide literatuur verschenen over Gandhiaanse economie. Het model is opgebouwd rond een lokale zelfvoorziening op het niveau van een dorp. De volgende uitgangspunten worden aangenomen: *zelfvoorziening van de gemeenschap en wederzijdse samenwerking; *broodarbeid (vrijwillige fysieke arbeid in dienst van anderen) *geen bezit (geen eigendom van dingen die niet persoonlijk nodig zijn)

  • ’boedelbeheerderschap’ (goederen en diensten worden voor het welzijn van allen

aangewend) *geen uitbuiting (terugschroeven van privileges) *gelijkwaardigheid.

Demarchie: (…)” (Martin, 1993)



2. Libertair Municipalisme.

Bookchin, van wie deze tekst is, is ook de bedenker van de ‘zeef’ die we hier hanteren om de geschiedenis te lezen in het licht van de managementperspectieven van Tegenstroom. Bookchin zelf stelt het Libertair Municipalisme voor als enige werkbare strategie, een stelling waarin ik hem niet volg.

De tekst beroept zich op de oude traditie van de Commune van Parijs (1871), dat één van de archetypische organisatievormen biedt van de tegenstroom die we hier belichten. Dat die organisatievorm vertaald is naar een hedendaagse strategie maakt haar zo boeiend. Ook het feit dat ze zo concreet ingaat op een aantal aspecten van zowel doel als strategie maakt haar waardevol genoeg om hier te worden opgenomen.

“(…) Libertair Municipalisme. Elke samenleving bevat sporen van het verleden –van vroegere, vaak meer libertaire instituten die ingekapseld zijn in de hedendaagse. De Amerikaanse Republiek heeft bijvoorbeeld nog elementen van een democratie als de dorpsvergadering, (…) Italiaanse steden hebben nog steeds levendige buurten die een basis kunnen vormen voor nieuwe samenlevingsrelaties. Franse steden hebben kentrekken op mensenmaat behouden die georganiseerd kunnen worden in nieuwe politieke entiteiten. (…)

Laat mij benadrukken dat deze aanpak veronderstelt dat we over een beweging spreken, niet over geïsoleerde gevallen waar de mensen in een gemeenschap de controle van hun gemeente brengen en die herstructureren op basis van gemeenschapsvergaderingen. Het veronderstelt dat een beweging bestaat die de ene na de andere gemeenschap verandert en een systeem van confederale relaties tussen gemeentes tot stand brengt; een beweging die een onafhankelijke regionale kracht wordt. Hoe ver we kunnen gaan in deze libertair municipalistische aanpak is onmogelijk te beoordelen zonder in detail de beleefde tradities van een regio te kennen, de burgerschapsreserves, en de problemen waar ze voor staat. (…) geen enkele geuite eis is met grotere weerstand beantwoord door de staatsmacht. De natiestaat weet, veel beter dan haar opponenten in radicale bewegingen, hoe destabiliserend eisen voor lokale controle kan zijn van haar gezagsclaims.

Het idee van libertair municipalisme heeft een achtergrond die teruggaat tot de Amerikaanse en Franse revoluties en tot de Commune van Parijs, waarin confederalisme een levensvatbaar voorstel bleek aan grote groepen mensen. Dramatisch als de veranderingen zijn sinds die tijd is er geen fundamentele reden om eraan te twijfelen dat libertair municipalisme niet kan worden opgewekt, wanneer kraakbewegingen, wijkorganisaties en gemeenschapswelzijn-groepen zijn opgestaan en gevallen, enkel om terug op te staa als bewijs van een chronische impuls die de natiestaat nooit heeft kunnen uitdrijven.


Decentralisatie en technologie. Sociale ecologie heeft een unieke en in feite dringende dimensie toegevoegd aan de nood aan een libertair municipalistische beweging en de kwesties waarmee ze geconfronteerd wordt. De nood om de gemeenschappen te ‘herschalen’ en aan te passen aan de natuurlijke draagkracht van de regio’s waarbinnen ze bestaan en een nieuw evenwicht te bewerkstelligen tussen stad en platteland –alle traditionele eisen van de grote utopische en anarchistsiche denkers van de voorbije eeuw- is vandaag een ecologische imperatief geworden. (…) Ecologie heeft in essentie de scherpe alternatieven naar voor geschoven: ofwel richten we ons op de op het eerste zicht utopische oplossingen die gebaseerd zijn op decentralisatie, een nieuw evenwicht met de natuur en de harmonisering van sociale relaties ofwel staan we tegenover de werkelijke subversie van de materiële en natuurlijke basis voor menselijk leven op deze planeet.

(…) We hebben nood aan kleinere steden, niet alleen om de gekoesterde ideeën van vrijheid waar te maken, maar ook om de meest elementaire noden te voldoen om in één of andere vorm van harmonie te leven met de natuur. Gigantische steden of, om precies te zijn zich uitspreidende urbane gordels, creëren niet enkel culturele homogeniteit, individuele anonimiteit en gecentraliseerde macht; ze wegen onmogelijk zwaar op lokale watervoorraden, de lucht die we inademen en al de natuurlijke kenmerken van de gebieden die ze bezetten. Files, lawaai en de stress die geproduceerd worden door het moderne stadsleven worden, psychisch en fysiek, steeds ondraaglijker. Steden, die historisch gezien dienden om mensen van verschillende achtergronden samen te brengen en gemeenschapssolidariteit te zorgen, atomiseert die op dit ogenblik. De stad is de plaats waar men zich als het ware verbergt om geen menselijke nabijheid te moeten zoeken. Angst neemt de plaats van sociaal leven; ruwheid vreet aan de solidariteit; het schaaphoeden van mensen in overbevolkte verblijfplaatsen, transportmiddelen, kantoren en winkelcentra ondergraven hun zin voor individualiteit en kweekt onverschilligheid voor de algemene menselijke toestand.

(…) De beweging van ‘hier naar daar’ zal geen plotse explosie zijn van verandering zonder een lange periode van intellectuele en ethische voorbereiding. De wereld moet zo volledig mogelijk geëduceerd worden als we willen dat mensen hun leven veranderen en die levens niet zomaar voor hen veranderd willen zien door zelfverklaarde elites die uiteindelijk oligarchieën zullen worden die zichzelf in stand houden. Gevoeligheid, ethiek, manieren om de realiteit te zien en individualiteit moeten veranderd worden door educatie, door een politiek van overwogen discours, experimenteren en de verwachting aan herhaalde mislukkingen waaruit we moeten leren als de mensheid een zelfbewustzijn wil bereiken dat nodig is om uiteindelijk in zelfbeheer ingeschakeld te worden.

Radicale bewegingen kunnen het zich niet langer permitteren om zich onoverdacht in een actie om de actie te storten. We hebben nooit meer nood gehad aan theoretisch inzicht en onderzoek dan vandaag, op een moment dat politieke ongeletterdheid verbijsterende proporties heeft aangenomen en actie een fetish als doel op zich is geworden. We hebben ook deerlijke nood aan organisatie –niet de nihilistische chaos van genotzuchtige egotrippers door wie structuur van welke aard ook wordt afgedaan als ‘elitair’ en ‘centralistisch’. Geduld, het harde werk van verantwoordelijke toewijding in het dag aan dag opbouwen van een beweging zijn te verkiezen boven de opvoeringen van prima donna’s die altijd willen ‘sterven’ op de barricades van een ververwijderde ‘revolutie’ maar die zich te goed voelen om zich in te schakelen in de alledaagsheid van de taak ideeën te verspreiden en een organisatie te onderhouden.

De beweging ‘hier naar daar’ is een veeleisend proces, niet een dramatisch gebaar. Het zal altijd gekenmerkt worden door onzekerheden, mislukkingen, afdwalingen en ruzies voor het een zin voor richting ontwikkelt. Evenmin is er zekerheid dat de fundamentele sociale verandering zal slagen tijdens het eigen leven. Revolutionairen vandaag moeten hun inspiratie halen bij de idealisten van gisteren als de grote Russische en Franse revolutionairen van de voorbije eeuwen die er weinig hoop op hadden dat ze getuige zouden zijn van de grote opstanden die daaropvolgende generaties hebben meegemaakt maar waaraan ze bijgedragen hebben met hun levens als voorbeeld, toewijding en overtuigingen. (…) Een nieuwe politiek moet gecreëerd worden die vermijdt toe te geven aan de verleidingen van het parlementarisme en de onmiddellijke toekenning van een ‘forum’ in de media, die meer zelf-uitvergrotend werkt dan educatief is. Kracht moet consequent worden overgeheveld naar de samenleving (wijken en gemeenten) in de vorm van gemeenschapscentra, coöperatieven, bezette centra en uiteindelijk volksvergaderingen.

Succes kan niet worden gemeten aan de hand van onmiddellijke en voortdurende steun die een beweging als deze krijgt. Slechts een relatief klein aantal mensen zullen initieel werken met zulk een beweging en slechts een relatief klein aantal zullen waarschijnlijk deelnemen aan wijkvergaderingen en gemeentelijke confederaties –tenzij als erg belangrijke zaken opduiken die brede publieke aandacht krijgen. Oude ideeën en methoden die routine geworden zijn in het alledaagse leven sterven erg traag; nieuwe zullen waarschijnlijk heel langzaam groeien. Initiatieven van de bevolking kunnen plots met hartstocht en dynamiek ontstaan als een gemeenschap geconfronteerd wordt met bijvoorbeeld het plaatsen van een nucleaire installatie of het ontdekken van een giftig stort in haar nabijheid. Een ecologisch georiënteerde municipalistische beweging moet zich niet voorhouden dat zulke massale activiteiten noodzakelijk blijvend zijn. Ze kunnen even snel wegdeemsteren als ze zijn ontstaan. Men kan enkel hopen dat ze een traditie tot stand brengen die kan worden ingeroepen in de toekomst en dat de volksopvoeding die ze bereiken niet verloren gaan in de samenleving in het algemeen.

Tezelfdertijd moeten werkelijk toegewijde leden van een dergelijke beweging naar voor komen met een beeld van wat de samenleving zou moeten zijn op lange termijn. Ze moeten erg ver gaan in hun doelstellingen zodat anderen meer en meer ver genoeg gaan in hun activiteiten. Een dergelijke groep mensen moet tegelijkertijd historische en onmiddellijk bruikbare oplossingen naar voor schuiven. De hedendaagse samenleving maakt de regels van het spel, die zelfs de meest goedbedoelende rebellen volgen. Als dat allerbelangrijkste feit niet wordt erkend zullen moreel debiliserende compromissen worden gesloten die in feite de regel zullen worden en zo zullen leiden tot een ethiek van het ‘minste kwaad’ die zich uiteindelijk aan het grootste kwaad zal overgeven. Geen enkele radicale beweging kan haar uiteindelijke beeld van een ecologische samenleving uit het oog verliezen zonder beetje bij beetje al de onderdelen kwijt te spelen die haar identiteit bepalen.

Dit beeld moet duidelijk worden vooropgesteld opdat het nooit gecompromitteerd kan worden. De vaagheid van socialistische en Marxistische doelen heeft onherstelbare schade toegebracht door het degraderen van die doelen aan de eisen van een ‘pragmatische’ politiek en manipulaieve compromissen –uiteindelijk de overgave van de bestaansgronden zelf van een beweging. Een beweging moet haar idealen een visueel karakter geven zodat het de verbeelding van een nieuwe politiek kan binnendringen, en haar idealen niet enkel naar buiten brengen in programmatorische stellingnames. Zulke pogingen zijn met aanzienlijk succes ondernomen door opgedoekte groepen als ‘People’s Architecture’ (‘Volksarchitectuur’), dat de moeite nam hele wijken te herplannen in Berkeley, California, en visueel aan te tonen hoe die beter leefbaar konden worden, gemeenschappelijk en esthetisch aantrekkelijk.


Een ecologische samenleving. (…) In plaats van de nationalisering en de collectivisering van land, fabrieken, ateliers en distributiecentra zou een ecologische samenleving haar economie municipaliseren en samenwerken met andere gemeentes om hun rijkdommen in een regionaal confederaal systeem te integreren.

(…) Werk zou geroteerd worden tussen stad en platteland, net als de dagdagelijkse taken. Het ideaal van Fourier, van een werkdag met veel variatie zou geëerd kunnen worden door het opdelen van de werkdag in tuinieren, het vervaardigen van objecten, lezen, voordrachten en een belangrijk deel voor het vervaardigen van installaties. Land zou ecologisch gebruikt worden op zo’n manier dat bossen groeien op plaatsen die meest geschikt zijn voor bosflora en gemengde voedselplanten zouden groeien in gebieden die meest geschikt zijn voor voedingsgewassen. Boomgaarden en hagen zouden onderhouden worden om een grote variëteit aan levensvormen van niches te voorzien en op die manier de nood aan pesticiden weg te werken door een systeem van biologische evenwichten. Nog andere gebieden, misschien meer dan vandaag de dag, kunnen braak liggen voor wild. Het fysieke gebruik van het lichaam zou gekoesterd worden als deel van een gediversifieerd arbeidsproces en grotere atletische conditie. Zonne- en windenergie zouden extensief gebruikt worden en afval zou worden verzameld, gecomposteerd en gerecycleerd. Productie zou kwaliteit boven kwantiteit stellen: huizen, meubilair, gebruiksvoorwerpen en kleren zouden gemaakt worden om jaren en in sommige gevallen generaties dienstig te zijn. (…)

Er is geen vervangmiddel voor de rol van het bewustzijn en de steun van de geschiedenis om de overgang mogelijk te maken. Geen deus ex machina kan worden opgeroepen om de sprong van ‘hier naar daar’ te maken, noch zouden we dat mogen wensen. Wat mensen niet voor zichzelf kunnen scheppen zullen ze nooit beheersen. (…)” (Bookchin; 1990: 184-196)



B. ANARCHISTISCH UITGANGSPUNT.

Samengevat zijn er een aantal factoren die de wereld ‘gemaakt’ hebben tot wat hij nu is: ze hebben er althans een bepalende invloed op gehad. Zonder volledig proberen te zijn: -kerk / religie / filosofie: maatschappelijke invloed rechtstreeks en psychologisch; -staatvorming, nationalistische concurrentie en repressie van de ‘binnenlandse vijand’; -opkomst en primaat van het kapitaal ten ‘nadele’ van de erfelijke adel en feodaliteit; -technologie, creatie van de (arbeiders)massa; arbeidsethos; uitbouw van transport; -uitbouw van de massacommunicatie, P.R. en propaganda; censuur; -intensief gebruik van steeds meer hulpbronnen (menselijk, natuurlijk, dierlijk); territoriale uitbreiding in kolonisatie (politiek, militair en economisch/financieel): enorme primaire accumulatie. Al die dingen hebben hun invloed gehad op de psychologische / individuele, sociale / economische en de politieke gesteldheid.

a. Anarchistische basiswaarden. Het moet gezegd worden dat voor anarchisten de doelen gelijk moeten zijn met de middelen. Anarchisten geloven (in tegenstelling van sommige politieke ‘concurrenten’) niet dat tegenovergestelde doelen en middelen tot een bevredigend resultaat of proces kunnen leiden. Wie bijvoorbeeld anderen wil emanciperen kan ze daar niet toe dwingen. Het intussen eeuwenoud adagium ‘De arbeidersklasse moet zichzelf bevrijden’ wordt zeker hooggehouden. Het belang van pijlers als directe actie, solidariteit, zelfbeheer, basisdemocratie, antiautoritair, vrijheid,… is groot. Het zijn de steunpilaren, de rode draad door, voor en van de werking van anarchistische groepen. Het zijn in de eerste plaats richtlijnen, bakens waaraan de rest kan worden getoetst. Het zijn de lijnen waarbinnen de hele werking is opgebouwd en blijft functioneren. En vooral die concretisering is van belang in de externe en interne communicatie. In de dagelijkse werking is het integreren van de pijlers in een individuele en collectieve attitude en ingesteldheid belangrijker dan het volgen van regeltjes en voorschriften.

a. VRIJHEID. Er zijn twee vormen van vrijheid: ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid tot’. De eerste is eigenlijk geen echte vrijheid, maar een negatieve definitie ‘De wereld is vrij van hongersnood’. Maar heeft iedereen dan ook de mogelijkheid om zo autonoom mogelijk te bepalen wat hij of zij zal eten, hoe het bereid wordt, hoe het geproduceerd wordt,…? Want dat laatste is de ‘vrijheid tot’, een positieve vrijheid die vraagt naar de graad van autonomie, de mogelijkheid om te beslissen en beslissingen uit te voeren. Fromm stelt dat het ontbreken van dit laatste leidt tot een pathologische ingesteldheid (psychologisch en maatschappelijk) die noodzakelijkerwijs tot fascisme leiden. We bedoelen hier geen filosofische invulling van vrijheid. We bedoelen het heel concreet en zonder veel woordspelletjes. We zijn er ons van bewust dat absolute ‘vrijheid tot’ niet bestaat. Er zijn altijd grenzen aan vrijheid, zowel praktische grenzen als de grenzen die andere mensen betekenen. Welke waarde heeft vrijheid om iemand anders te kwetsen?

b. DIRECTE ACTIE. Essentieel is dat het doel en het middel door de betrokkene(n) zelf wordt bepaald en bereikt. Hierbij moet het middel direct naar het doel leiden. Het mag geen omwegen maken naar bijvoorbeeld de pers of de overheid. ‘Burgerlijke’ ongehoorzaamheid is er in haar talloze vormen een goed voorbeeld van: een onrechtvaardige wet wordt aangeklaagd door die simpelweg te negeren door precies te blijven doen wat men zelf rechtvaardig vindt. Een onderscheid moet gemaakt worden tussen directe actie en symbolische actie, dat altijd als signaal bedoeld is aan de mensen of organisaties met zeggenschap, wiens autoriteit men dus erkent. Niet dat die symbolische actie geen optie is. Alleen wordt er van uitgegaan dat dit de zaken niet ten gronde zal veranderen. De keuze qua actiemethode en -strategie is natuurlijk ook een kwestie van praktische haalbaarheid, prioriteiten,…

c. SOLIDARITEIT. Solidariteit is hulp of steun tussen zich gelijkwaardig voelende mensen, die zich meestal in elkanders situatie herkennen. Solidariteit sluit paternalisme uit. Het betekent evenmin de ‘steun’ van de machteloze aan de machtige. Het betekent integendeel dat solidaire mensen elkaar uit vrije wil en op eigen initiatief steunen omwille van gelijklopende doelstellingen en belangen: ik ben jij en jij bent ik; wie jou raakt, raakt mij. Anders gezegd moet de relatie die tot stand komt wederzijds zijn, gebaseerd op dialoog, vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor de samenleving wereldwijd. Omwille van die verantwoordelijkheid is er naast verscheidenheid ook een gemeenschappelijke basis. Eerste voorwaarden zijn dat doel, belang en bijdrage wederzijds zijn. Dit vereist verder een verbreding van de betrokken partners in het samenwerkingsverband. Een laatste element is de wederzijdse geloofwaardigheid van de partners. De eerste voorwaarde: het doel is wederzijds; de relatie heeft niet de bedoeling dat er enkel van één zijde naar de andere hulp wordt geboden. Beide partners willen iets veranderen aan hun situatie, willen iets leren door deze relatie aan te gaan. Ten tweede: de belangen zijn wederzijds, maar vaak niet identiek. Belangen situeren zich op materieel vlak of eerder op vlak van humanitaire waarden of politieke idealen, of op beide gebieden. Een volgende voorwaarde is dat de relatie bijdraagt aan de situatie van beide partners: er is winst aan beide zijden, beide leren iets, krijgen nieuwe ideeën,…

d. ZELFBEHEER. Iedereen moet de volledige zeggenschap hebben (nemen: vrijheid kan niet gegeven worden, slechts genomen) over zijn/haar activiteiten, ook en zeker binnen collectieven en tussen die collectieven onderling; in de andere richting kunnen deze collectieven in zelfbeheer (of autonome collectieven) ook anderen, ‘buitenstaanders’ niet die zeggenschap ontnemen. Het streven naar zelfbeheer wijst in twee grote richtingen. Enerzijds wijst het op zo groot mogelijke autonomie van elke entiteit (individu, groep, organisatie,…) en dus van zo groot mogelijke decentralisatie, waarbij slechts naar een samenwerkingsverband wordt gekeken als dat relevant is (uit gemak, plezier of noodzaak). Uit de rest van de ‘pijlers’ wordt duidelijk een confederatieve structuur naar voor geschoven, waarin de aparte eenheden hun autonomie niet verliezen tegenover het geheel. Anderzijds brengt het ook de verantwoordelijkheid voor het ‘zelf’ onder de aandacht: het is in eerste plaats de verantwoordelijkheid van de entiteit voor zichzelf. Hiervoor moeten die entiteiten voor eigen middelen, strategieën,… zorgen om dat mogelijk te maken. Natuurlijk kan deze pijler in dit opzicht niet worden losgekoppeld van wat gezegd is over solidariteit. Gezien vrijheid genomen moet worden (in tegenstelling tot gegeven) is het evident dat de entiteit zelf moet bepalen wat in de solidaire transactie wordt geboden en gevraagd. Dat soort transacties vergt ook zelfdiscipline, gezien gesanctioneerde solidariteit (of het erin falen) helemaal geen solidariteit is. Dit alles gaat ook op in economische zaken.

e. BASISDEMOCRATIE. Binnen Tegenstroom worden beslissingen bij (echte) consensus genomen. Breed maatschappelijk betekent het ongeveer hetzelfde: de basis beslist omdat er geen top is. Die basis moet daar ten allen tijde de middelen voor ter beschikking hebben (met andere woorden: zelf zorgen dat ze die inderdaad ter beschikking heeft). Consensusbesluitvorming is niet het enige mogelijke basisdemocratisch model. Er kan in andere situaties gekozen worden voor vertegenwoordiging (met terugroepbaarheid van die vertegenwoordigers) of zelfs stemmen; er kan met of zonder veto gewerkt worden (waarbij soms een aantal veto’s nodig zijn -in verhouding tot de rest van de groep- om een voorstel effectief tegen te houden); er kan afgesproken worden de meerderheidsbeslissing te respecteren en gezamenlijk uit te voeren;… Op dezelfde manier kan er gevarieerd worden in de manier waarop zo’n vergadering wordt begeleid (men spreekt niet van leiden). Er zijn verschillende functies die al dan niet kunnen worden ingevuld (gaande van gespreksfacilitator, notulist, tijdbewaker, een groep die de vergadering voorbereidt). Ook de rituelen in die vergadering kunnen naar eigen inzicht worden ingevuld: er kunnen een aantal codes worden afgesproken voor een vraag om het woord te nemen, een ‘technische opmerking’ over verduidelijking van wat iemand zegt of over het vergaderverloop –bijvoorbeeld een vraag om een pauze,… De grond van de zaak is de poging om steeds zo veel mogelijk (eigenlijk ALLE) partners in het proces samen te laten werken naar een oplossing die voor al die partners een ‘win’-situatie oplevert (zie ook solidariteit). En wie kan iemand beter vertegenwoordigen dan die persoon zelf? Afhangend van de situatie kan van dit ideaal afgeweken worden (terwijl de autonomie van elke entiteit behouden blijft).

f. ANTIAUTORITAIR. Een antiautoritaire instelling vind men eveneens zowel binnen de werking als in het maatschappelijk project terug. Niemand kan door een ander bevrijd worden. Autoriteit (in de zin van macht , niet zozeer in de zin van kennis, ervaring,…) wordt niet als oplossing, maar als probleem gezien. Deze pijler geeft vaakst aanleiding tot discussies met mensen buiten de anarchistische beweging, maar ook ment mensen erbinnen. Toch is dit de conclusie bij uitstek die de anarchistische beweging anarchistisch maakt. Anarchisten menen dat repressie tegen afwijkend gedrag geen oplossing is: afwijkend gedrag wijst op maatschappelijke structuren die spaak lopen (op uitzonderingen na). Anarchisten stellen kort gezegd dat: 1. het afwijkend gedrag niet verholpen is 2. de oorzaken ervan door repressie uit het zicht dreigen te verdwijnen, waardoor het beter is het gedrag zichtbaar te houden zolang de fundamentele problemen niet zijn opgelost. Natuurlijk is het moeilijk zich een wereld zonder sanctionering voor te stellen. Ook de anarchistische beweging vandaag is er niet vrij van, al is er van openlijke autoriteit relatief weinig sprake. Door dit soort autoriteit niet formeel te maken kan er in veel gevallen gemakkelijker tegen worden gereageerd of wordt de autoriteit gewoon genegeerd. Dit alles heeft voor- en nadelen.


b. Missietekst: strategische doelstellingen / missie. "We moeten de wereld veranderen en verbeteren. Ieder moet haar of zijn steentje bijdragen tot de sociale opbouw van de wereldsamenleving zonder iets van leiders of het kapitaal te verwachten. Daarbij zijn zes basispijlers van belang: vrijheid, directe actie, solidariteit, zelfbeheer, basisdemocratie, anti-autoriteit. Het enige alternatief voor chaos en barbarisme is een anarchistische samenleving waarin vrijheid en solidariteit elkaar dragen. Ze wil dat zowel lokaal, regionaal en wereldwijd doen op alle mogelijke manieren, maar voornamelijk via haar infocentra, haar volkskeuken en de activiteiten, infrastructuur, kennis en knowhow van de organisaties en hun medewerkersters, haar acties, haar tijdschriften,…. De zin van dat alles moet voortdurend worden verduidelijkt, verdiept en ter discussie gesteld worden, zowel naar buiten als naar binnen. Anarchistische groepen willen zo efficiënt en effectief mogelijk werken en daarbij zelf de vijf pijlers in levende praktijk brengen, die haar bestaansvorm en -reden zijn. Hierbij mag nooit vergeten worden dat verzet een drang naar vreugde en vriendschap verraadt. Anarchie is Orde." (lange versie)

en:

"De anarchistische beweging (haar medewerkersters en organisaties) wil op een efficiënte, heldere en eerlijke manier informatie en discussie (educatie), ont-moeting (netwerkontwikkeling) en actie (activering) naar organisaties, individuen en leveranciers brengen via haar infocentra, haar volkskeuken en de activiteiten, infrastructuur, kennis, ondersteuning en knowhow van de organisaties en hun medewerkersters, haar acties, haar tijdschriften,… in ruil voor financiële, materiële en morele steun, feedback en zelfactiviteit om zo bij te dragen tot een fundamentele sociale omwenteling die gebaseerd is op 'vrijheid, zelfbeheer, directe actie, solidariteit, basisdemocratie en antiautoritair leven'. Anarchie is Orde.

Of:

“We try to grow into individual and social ‘defence’ and ‘attack’ against injustice (sexism, racism, war, exploitation, unfreedom, ...) and the systems of power over others in general. Social defence is the response of solidary individuals and communities to undesired events in the outside world as disaster, military coup, financial market crashes, war, AIDS,... Attack means taking the initiative: we want another world and we are the ones to make it. (Why don’t we set a date to it?) We will make it acting on principles as freedom/autonomy/anti-authoritarianism, solidarity, direct action. In a world like ours, it’s important to know which side you’re trying to be on, without needing a promised utopia, a Kingdom Come. Anarchism is an ongoing process, never a standstill.”


Er zijn overduidelijk tientallen anieren om ongeveer hetzelfde te zeggen. Het is van groot belang steeds opnieuw een ‘missietekst’ te schrijven en er zo duidelijk mogelijk jou missie onder woorden te brengen. Hierboven drie pogingen van mijnentwege als voorbeeld.


C. WERKVELDEN VAN DE ANARCHISTISCHE BEWEGING. Ik houd eraan hier een schema van Bookchin te belichten (ik heb het gepikt van een lezing van Roger Jacobs over Bookchin en Libertair Municpalisme). Ik gebruik het schema ‘oneigenlijk’. Waar hij voor één van zijn velden kiest, probeer ik, uitgaand van de elementen die nu al in de anarchistische beweging aanwezig zijn, eerst en vooral de (on)mogelijkheden van organisatievormen in kaart te brengen. Anderzijds probeer ik ook manieren te bedenken die al deze verschillende doelstellingen, organisatievormen, mensen,… samen kan brengen en ook samen kan houden. Ik ga er hierbij van uit dat elke specifieke situatie een specifiek antwoord nodig heeft.


1.STAAT (parlementaire democratie,…) 4. POLITIEK (directe democratie,…) 2.(LOON-)ARBEID & CONSUMPTIE 5. SOCIAAL EN ECONOMISCH KAPITAAL (netwerk van wederzijdse hulp, vrijwilligerswerk,…)

3.PERSOONLIJKE LEVENSSFEER (klassiek) 6. PSYCHOLOGISCH KAPITAAL (experimenteel)


In het schema staat het bovenste blok (1. en 4.) voor de publieke levenssfeer: het algemeen belang, de menselijke waardigheid,… De twee onderste blokken (2., 3., 5., 6.) voor de private levenssfeer: het overleven, eigenbelang, particularisme en sociabiliteit,… Het onderste blok staat voor het zoeken naar een veilige thuishaven, geluk,… Ruwweg komt het erop neer dat de linkse helft staat voor de ‘gewone’ wereld. De rechterhelft staat voor het (anarchistisch?) veroveren van de ruimte, het zelf invullen van de realiteit.

Voorbeelden van ‘psychologisch kapitaal’ kunnen zijn: cultuur, kunst en vrijetijdsbesteding alternatieve woon- en leefvormen, bevrijdingsstrijd van de vrouw, seksuele bevrijding, bevrijding van homoseksualiteit, antiautoritaire opvoeding, zelfbevrijding en –verwezenlijking, sport en gezondheid,…

Voorbeelden van ‘sociaal en economisch kapitaal’ ziet Bookchin in coöperatieven, LET’s (Local Exchange and Trade Systems) voedselteams, vrije scholen, culturele initiatieven, vakbonden,…

Het ‘politieke’ luik ziet Bookchin in de organisatieprincipes van anarchistische groepen, de groene partijen in hun beginfase, actiegroepen,...

De meeste concrete groepen en initiatieven dragen meerdere aspecten in zich. Waardevol aan het schema is vooral de mogelijkheid om de verschillende (mogelijke) ‘fronten’ van elkaar te onderscheiden.


Het is van fundamenteel belang voor de anarchistische beweging alle velden tegelijk te bestrijken en daarvoor zo veel mogelijk diverse methoden aan te wenden: als we niet samenwerken en plaats vinden voor allerlei voorkeuren en prioriteiten zal de anarchistische beweging blijven wat ze is: niets. Concreet kan dat willen zeggen: 1. Een ontmoetingsplaats creëren, waar over strategie, middelen, activiteiten,… kan worden gepraat en waar informatie kan worden verzameld en bruikbaar gemaakt worden. Tegelijk wordt daar in eerste instantie een beetje gemeenschappelijke infrastructuur verzameld (computers, internetaansluiting, archief,…). Hier is een rol weggelegd voor krakers, infoshops en tijdschriften. 2. In die (en andere) plaatsen worden ook acties uitgewerkt en voorbereid: we leren vergaderen, plannen en actievoeren; we leren omgaan met pers (of net niet) en moeten ons wel met onze eigen gemeenschap gaan bezighouden in plaats van erop te spugen en ons blind te staren op de wereldgeschiedenis. 3.We zoeken contact met gelijkgestemden om grotere projecten aan te vatten en ervaring en informatie uit te wisselen rond de diverse thema’s waar we mee bezig zijn. 4.We organiseren een plaatselijk overleg met enerzijds de groepen die we erbij willen (om elkaar op de hoogte te houden en om elkaar te helpen) en anderzijds zo veel mogelijk individuen. Die groep moet, als er steeds meer mensen bijkomen, splitsen naargelang de plaats waar mensen wonen om zo in de wijken zelf te gaan organiseren. Natuurlijk blijft het stedelijk overleg bestaan, net zoals de contacten met ‘daarbuiten’. 5.We organiseren ons in de plaatsen waar we werken; de werkplaatsenbond wordt één van de themagroepen die er al waren, met zowel overleg per thema als geografisch (zij moeten ook overleggen met omwonenden). Die vakbond moet in geval van een wegvallen van het oude systeem (door beurscrash of door revolutie) de productie en distributie overnemen en geen nieuwe bazen tolereren. Daarnaast kunnen in de tussentijd ook collectieven en coöperatieven worden opgestart om ervaring op te doen met het niet-hiërarchisch organiseren van productie en distributie.

Algemeen moeten geld, drukpersen,… worden verzameld. Kennis en knowhow moeten worden gedeeld en training en solidariteit moet worden waargemaakt (onder meer ter gelegenheid van ‘tegentoppen’).

Maar ook moeten we elkaar helpen om de invloed af te werpen die het kapitalisme op onszelf heeft gehad en blijft hebben. We moeten van onze onzekerheid en de daaruit voortkomende opgeblazen ego’s af. Meer dan wat ook is deze persoonlijkheidsvorming het resultaat en het heetste strijdpunt van het diffuus fascisme: de manier waarop we vergaderen, organiseren, schrijven, praten, pamfletten schrijven,… Er zit een (diffuus) fascistisch zwijn in elk van ons, het moet gedood worden.


D. DOELSTELLINGEN.

1.Strategisch. Naarmate de evolutie van de organisaties (bijvoorbeeld hun grootte) en de wereld (kansen en bedreigingen) eromheen moet vlot kunnen gewisseld worden tussen verschillende organisatievormen, beslissings- en communicatiestructuren... Elke groep moet daarenboven permanent proberen diverse strategieën en niveaus te combineren. Elk individu blijft autonoom. Niemand kan ergens toe worden verplicht. Niemand kan anderen verhinderen iets te doen. Dit zijn de uitgangspunten qua besluitvorming. Een zo groot mogelijke ECHTE consensus is dus noodzakelijk om beslissingen zinvol te maken. Er zijn verschillende soorten doelstellingen. Ten eerste –de meest algemene- is de missietekst. Zie hierboven voor een aantal voorbeelden. Je probeert in zo weinig mogelijk woorden samen te vatten waar het je eigenlijk over gaat. “In functie van de uiteindelijke doelstellingen die men wil realiseren moet een strategie worden uitgewerkt die gericht is op voorlopige tussendoelen of subdoelen. De strategie kan gebaseerd worden op de analyse van het maatschappelijk netwerk en het tijdskader waarin de organisatie functioneert. Uit deze analyse kunnen de beleidsprioriteiten (of tactische doelstellingen) worden geselecteerd. De prioriteiten moeten als basis dienen voor een concreet beleid. Dat beleid moet vertaald worden in operationele doelstellingen.”

Verder kan men ook spreken van statutaire doelstellingen (de manier waarop de doelstellingen in de statuten zijn verwoord), identiteitsdoelen (herkenbaarheid naar andere organisaties, (potentiële) klanten, (potentiële) medewerkersters), enz.

Tegelijk moeten die doelstellingen zo veel mogelijk voldoen aan de SMART-regel. Ze moeten Specifiek zijn (welk effect wil men bereiken bij welke mensen), Meetbaar (kwantitatief of kwalitatief in ‘observeerbare termen’ ), Aantrekkelijk (voor medewerkersters en gebruikersters), Realiseerbaar (mogelijkheden van organisatie, medewerkersters en bezoekersters; welke middelen zijn nodig en kunnen die bekomen worden?), en er moet een Termijn voorzien zijn (planningsboom, voortgangscontrole).


Het opstellen van doelstellingen blijkt telkens weer een heel moeilijke klus. Dit geldt des de te meer voor anarchistische organisaties. Eerst moeten alle medewerkersters zelf eigen doelstellingen formuleren: wat wil ik met mijn leven doen en welke plaats krijgt de groep (het collectief, de organisatie) daarin? Ten tweede moeten de eigen plannen voor de organisatie worden uitgewerkt. Ten derde moeten die plannen getoetst worden aan het kader van de organisatie: wat is vanuit het standpunt van de organisatie dringend, belangrijk,… Ten vierde moeten die gegevens van alle medewerkersters in een collectief proces worden verwerkt en samengebundeld tot iets gemeenschappelijks en werkbaar.

Doelstellingen veranderen daarenboven net zo snel als de omgeving waarbinnen ze worden geformuleerd, zowel op niveau van het individu, het collectief als de organisatie. Dit vergt een permanent herformuleren ervan.


a. Doelstellingen. Het uitwerken van strategieën veronderstelt natuurlijk in de eerste plaats het opstellen van doelstellingen. Dit geldt voor elk individu, voor elke groep en voor de beweging als geheel. De doelstellingen moeten op lange, middellange en korte termijn (of: strategisch, tactisch en operationeel) worden geformuleerd. In de huidige situatie is dit formuleren van doelstellingen de eerste prioriteit. Om dat mogelijk te maken moeten er lokaal, nationaal, internationaal en thematisch platforms worden gecreëerd. Die moeten ook dienen om vorming en solidariteit mogelijk te maken.

b. Strategie. Ik wil hier wijzen op de verschillende onderdelen die de strategie van elk individu elke groep, de beweging als geheel volgens mij moet omvatten: “Er zijn minstens drie manieren om met een situatie om te gaan. Je kunt neutraliseren, activeren of vernietigen. Neutraliseren is ruimte creëren. Activeren is steun verwerven. Vernietigen is winnen. Wat meer is: het is essentieel te leren hoe de drie tegelijk te gebruiken. (…)

Het antwoord (de strijdmethode) moet drie elementen bevatten:

  • een manier om te overleven
  • een manier om barsten in het vijandige kamp uit te buiten
  • een ondergrondse strategie.”

De diverse ‘facetten’ zullen elk een eigen strategie met eigen prioriteiten en tactieken nodig hebben. Belangrijk hierbij is de doelen helder te formuleren en trouw te blijven. Belangrijk is ook een onderling vertrouwen te blijven voeden en de verschillende strategieën te blijven beschouwen als ‘variaties op een thema’, waarbinnen elk zijn eigenheid kan behouden, maar waarbij tegelijkertijd ook alles bespreekbaar blijft. Een ander aspect van strategie is dat ervoor moet worden gezorgd dat de anarchistische beweging zelf de vruchten van haar werk kan plukken. Te vaak gaan anderen (NGO’s, klein-links,…) lopen met de resultaten van ons werk. We moeten het initiatief dan ook in eigen handen houden.

c. Vijand. De vijand is met een algemene term samen te vatten: machtsverhoudingen (in allerlei vormen en situaties. There is a cop in everyone of us… he must be killed).

d. Netwerk. Ook het ‘activeren’ en ‘verwerven van steun’ is van belang. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan het verwerven van steun bij ‘de bevolking’ of het specifieke doelpubliek van de diverse projecten/organisaties en de hele beweging . Anderzijds is er ook het netwerkaspect: welke maatschappelijke organisaties kunnen waardevol zijn in welk soort alliantie en welke andere moeten zo veel mogelijk worden gemeden? Hierboven heb ik hierover een aantal stellingen geformuleerd. Belangrijk is er op te wijzen dat allianties een bewuste keuze moeten zijn (gebaseerd op de vrijwillige associatie) en dat ze minstens compatibel moeten zijn met de doelstellingen maar idealiter het einddoel zo dicht mogelijk moeten brengen.

e. Informatie, discussie en ontmoeting (extern en intern). Hiervoor moet vooral infrastructuur worden waargemaakt: de ‘mogelijkheid tot’ en de ‘uitnodiging tot’.

f. Veiligheid. Veiligheid en voorzieningen rond die veiligheid hebben een aantal diverse aspecten:

  • er is de ‘inhoudelijke’ veiligheid (doelstellingen, reformisme,…);
  • er is het gevaar dat het intern proces wordt verstoord door mensen ter goeder trouw (om tal van politieke en persoonlijke redenen) zowel als door mensen die de organisatie als ‘provocateur’ of als ‘informant’ schade proberen toe te brengen.

Die laatste kunnen van allerlei overheden of privé-ondernemingen komen maar evengoed van ‘politieke concurrenten’. Veiligheid moet zowel binnen de groepen zelf waargemaakt worden als binnen samenwerkingsverbanden, platforms,… Er moeten manieren gevonden worden hiermee om te gaan zonder een sektarische paranoia te creëren. Kort gezegd moet telkens rekening worden gehouden met:

  • juridische veiligheid (inschatting van en voorbereiding op mogelijke gevolgen),
  • proceskwaliteit en resultaatkwaliteit (in ‘kapitalistische’ termen: efficiëntie en effectiviteit).

Een groot deel van het antwoord ligt mijns inziens in training (juridisch en qua managementaspecten als vergadertechnieken, financieel doorzicht,…). Daarnaast geloof ik ook in duidelijke procedures en afspraken: wat verloopt op welke manier, wie is waarvoor verantwoordelijk, wie speelt welke rol en heeft welke functie, wat gebeurt er bij conflict,…?

g. Solidariteit. Een belangrijke reden om zich te organiseren is ongetwijfeld de nood aan solidariteit en samenwerking. Die nood laat zich in alle aspecten en op alle ‘niveaus’ (thema, lokaal, regionaal, nationaal en globaal) gevoelen. Solidariteit neemt ook allerlei verschillende vormen aan, maar is steeds aan die aspecten en niveaus verbonden. Solidariteit moet er niet alleen zijn binnen de afzonderlijke groepen. Solidariteit moet er ook zijn tussen de groepen onderling. Solidariteit betekent naast het samen omgaan met repressie en tegenslagen ook een positief omgaan met de wereld en anderen steunen aan de slag te gaan, zowel individueel als collectief. Vele vormen van solidariteit moeten bewust worden georganiseerd en kunnen niet van toeval en goede wil of relaties afhangen. Dit wordt zeer duidelijk in de ‘internationale’ solidariteit. Die kan de vorm aannemen van lokale solidariteitsacties, het mobiliseren van mensen ter plaatse te gaan helpen, infrastructuur en logistieke steun te voorzien, financieel helpen, training en vorming aan te bieden,… Elke groep of organisatie moet nadenken hoe ze die solidariteit het best kan integreren. Het lijkt me hierbij zinvol solidariteitskassen aan te leggen en dus van fondsenwerving een onderdeel van de werking te maken. Bovendien biedt dit de gelegenheid naar buiten te komen als groep en met de thema’s waarvoor fondsen worden geworven. Het lijkt me zinvol een deel van die fondsen in specifieke steunorganisaties onder te brengen, die ze dan verder kan beheren.


2. Vier facetten.

a. INDIVIDUEEL / PSYCHOLOGISCH KAPITAAL : Op individueel vlak moet vooral aandacht geschonken worden aan het ‘deprogrammeren’, de vorming, ontwikkeling en weerbaarheid van zichzelf en elkaar (in persoonlijke zaken maar ook qua theorie en actiemethodes). Ook praktische solidariteit moet worden waargemaakt via affiniteitsgroepen (niet-geofficialiseerde vriendschapsbanden). Via de andere ‘facetten’ moet ook werk worden gemaakt van allerhande vorming, die het autonoom functioneren binnen en buiten de beweging mogelijk maakt. Het leven als revolutionair anarchist heeft vele consequenties op de psychologie, het sociaal leven, het leven in de werksituatie,… Anderzijds kunnen allerlei min of meer geformaliseerde projecten worden opgestart, gaande van vrije scholen over alternatieve woon- en leefvormen, seksuele bevrijding, antiautoritaire opvoeding,…

b. ACTIETHEMA’s: Naast dit alles moet ook aandacht geschonken worden op de diverse thema’s waarrond door een actiebeweging kan worden gewerkt. Dit aspect is binnen de beweging het best uitgewerkt, zelfs in die mate dat ‘activisme’ bv. in de traditionele media blijkbaar de omschrijving is van een nieuwe ideologie. Het zou simpelweg onzinnig zijn dit aspect niet verder uit te bouwen. De sterkste punten van de beweging moeten worden behouden. De anarchistische beweging heeft op heel veel plaatsen een quasi-monopolie op de kennis, knowhow en ervaring inzake actievoeren. Dit aspect van de anarchistische beweging (het feit dat ze dingen doet, en die ook goed doet) maakt haar één van de weinige bedreigingen voor de bestaande orde, temeer omdat ze niet onderhandelt en dus niet bestuurbaar blijkt. We hebben echter al opgemerkt dat de veelheid aan thema’s en de losstaande actiegroepen errond de eenheid van de beweging niet ondersteunen maar eerder aanleiding geven tot de fragmentatie ervan. Concrete thema’s moeten door collectieven worden opgevolgd. Die collectieven kunnen informatie verzamelen en eventueel actiecampagnes starten, waarbij ze binnen de andere structuren kunnen mobiliseren en organiseren. De collectieven moeten geografisch geconfedereerd zijn per thema en liefst ook ‘interthematisch’ inhoudelijk, technisch en praktisch met elkaar overleggen. Hierbij kan met vertegenwoordigers gewerkt worden van de regionale groepen. Op zijn minst moeten ook hier communicatiestructuren worden opgezet. Voorbeelden zijn tweeërlei:

  • gezamenlijke infrastructuur, trainingen/vormingen, tijdschrift/promotie,…
  • klassieke thema’s als milieu, vluchtelingen, repressie, feminisme, informatie

c. POLITIEK: Er moeten regionale anarchistische groepen worden opgestart, die zich vanaf een bepaald aantal leden kunnen afsplitsen en desgewenst en kleinere regio kunnen bestrijken. Deze groepen zijn onafhankelijk tegenover elkaar maar wel geconfedereerd. We grijpen hiervoor terug naar het ‘Libertair Municipalisme’ van Murray Bookchin. Hoofdzaak is een parallelle beslissingsstructuur op te bouwen die de politiek enerzijds kan ‘naar beneden’ halen door sommige zaken gewoon te beslissen en uit te voeren of anderzijds door die beslissingen af te dwingen van de hogere ‘echelons’. De doelstellingen en de strategie moet duidelijk zijn voor iedereen als vermeden wil worden dat er breuken ontstaan of dat mensen zich bekocht voelen. Concreet stel ik voor dat dit groeit uit de overlegstructuren tussen de actiegroepen en infrastructuurgroepen, waar het de bedoeling is dat zo veel mogelijk mensen aanwezig zijn (elke groep of organisatie kan iemand afvaardigen voor de communicatie tussen die groepen; daarnaast wordt er ruimte gemaakt voor beslissingen als anarchistische individuen die willen samenwerken). Handig is hierbij één of meer thema’s of activiteiten als kapstok te gebruiken: een intergouvernementele top (samenwerking nodig buiten de stadsgrenzen), 1 mei, een lange termijncampagne rond wonen en alles wat ermee samenhangt (eigendom, productie en consumptie, speeltuinen,…) waarover voorstellen moeten worden geformuleerd en daarna resultaten afgedwongen. Bij dit alles kunnen de themagroepen benodigde informatie en kennis leveren (onverwerkt of in de vorm van min of meer uitgewerkte voorstellen; de rol van een infocentrum, waar de actualiteit wordt bijgehouden kan hier veel werk overbodig maken). Discussie met buurten en wijken wordt dus een belangrijke opdracht opdracht (en weten wat de beweging er zelf mee wil aanvangen is daarvoor een absolute noodzaak). Het zal van situatie tot situatie afhangen hoe dit concreet tot stand komt: via buurtvergaderingen, via enquêtes, cafébezoeken,… Vanuit deze groepen kunnen (behalve de parallelle politieke structuur, die de eerste prioriteit is) drie velden bestreken worden:

  • vorming, actie en informatie / discussie
  • economie via LETS-groepen en inspraak in de bedrijven die er gevestigd zijn
  • sociaal weefsel herstellen door allerlei activiteiten en de organisatie van

wederzijdse hulp

d. ECONOMISCH: Ik pleit hier voor het op termijn uitbouwen van twee poten van een economische werking. Belangrijk zijn drie dingen:

  • in staat zijn de klassenstrijd aan te gaan, minimumeisen en bekendmaking
  • de wereld overnemen ingeval van een instorten van de oude orde (beurscrash, revolutie,…)
  • werken aan alternatieve economische vormen, ervaring opdoen en de haalbaarheid ervan aantonen

Ten eerste pleit ik voor een vakbond naar het voorbeeld van de Industrial Workers of the World (I.W.W.) of de Confederacion National de Trabajo (C.N.T./F.A.I.). Belangrijk is een strijdorganisatie te hebben die desgevallend de economie (productie, distributie en eventueel de consumptie) kan organiseren. Daar heeft ze de kennis voor via haar leden en de communicatiestructuur via haar organisatie. Ik twijfel er sterk aan of het mogelijk is dit te doen via de bestaande vakbonden. Misschien kan er wel ervaring worden opgedaan en kunnen er contacten worden gelegd binnen deze structuren. Anderzijds moeten alternatieve economische projecten worden gestart om ervaring op te doen in het ‘zelfbeheer’, als voorbeeld en bij wijze van voortdurende experimenten die de kennis verder ontwikkelen. Eventueel kunnen deze bedrijven dienst doen als leerschool of samen ‘scholen in zelfbeheer’ oprichten (naar het voorbeeld van Mondragon in Spanje). Daarnaast kunnen LETs worden opgestart (zie politiek), kunnen consumptiecoöperatieven worden uitgebouwd, gemeenschappelijk materiaal worden aangekocht en beheerd, voedselteams, volkskeukens,...


e. SAMENHANG. De onderlinge samenhang kan enerzijds informeel zijn via de affiniteitsgroepen en op de (al dan niet noodzakelijke) activiteiten van de diverse groepen: (benefiet)fuiven en optredens, debatten, volkskeukens,… Anderzijds kunnen op verschillende niveaus vertegenwoordigers worden afgevaardigd of overlegvergaderingen worden georganiseerd. Dit kan interthematisch en geografisch (lokaal, regionaal, nationaal, globaal). Het onderling contact moet voorzien in vorming en informatie-uitwisseling, praktische organisatie en collectieve planning, theoretische discussie, onderlinge solidariteit en ondersteuning. Een ander soort samenhang kan worden georganiseerd in alarm- en mobilisatielijnen: via telefoon of internet, contacten tussen organisaties en tussen mensen kunnen mensen worden op de hoogte gebracht van al dan niet dringende zaken. Een ander belangrijk element kan een gedeelde of gemeenschappelijke infrastructuur zijn: De Nar en regionale en internationale tijdschriften; info- en actiecentra; distro’s; uitgeverijen / drukkerijen; allerlei vrijplaatsen (kraakpanden,…); al dan niet mobiele volks- en actiekeukens;… Hierbij moet worden gezegd dat verschillende aspecten hierboven ook door een project kunnen worden verzorgd. Het is belangrijk dat elk afzonderlijk project zich inschakelt in deze samenhang. Er is maar één weg naar de toekomst: alle wegen tegelijk bewandelen.


3. Tactische doelstellingen. We gaan hier op zoek naar beleidsprioriteiten. Die zullen binnen elke context anders liggen: zelfs elke stad heeft een eigen context en eigen krachtsverhoudingen, een andere basis om op verder te bouwen,… In het algemeen lijkt het me prioritair om aan infrastructuur te werken, gecombineerd met (comunicerende!) actiecampagnes en –groepen. Hierbij zijn vooral ook vorming, discussie en het psychologisch aspect aan revolutionaire strijd van belang. Hierna kan werk worden gemaakt van de andere facetten.


4. Operationele doelstellingen. Over de operationele doestellingen valt hier in het algemeen nog minder te zeggen. Wel kan gewezen worden op het noodzakelijk streven naar efficiëntie en effectiviteit. Ook de samenhang met de rest van de beweging mag niet verloren gaan. Daarom kan elke vergadering verschillende componenten bevatten (i.e. dat elke groep aan deze dingen de nodige aandacht besteedt):

  • praktische zaken van de groep zelf
  • praktisch beweging algemeen
  • inhoudelijk: rollenspel, vorming (bijvoorbeeld allerlei situaties bedenken die relevant zijn voor de groep of de beweging: wat als, hoe, wie, wat, wanneer,…) of algemene zaken van de groep zelf of de beweging als geheel.

De vergaderdruk moet laag zijn, zowel qua aantal als qua procesverloop (goede voorbereiding, zinvolle agenda, goede begeleiding,…). Zo blijven die vergaderingen motiverend en blijft er zo veel mogelijk tijd voor sociale activiteiten (onderling en buiten de beweging) en het praktische werk. Aandachtspunt hierbij is de verhouding tussen consensus en initiatief / vertrouwen, waar een goed evenwicht moet worden gevonden (goede afspraken maken goede vrienden). Het maakt het mensen ook mogelijk andere activiteiten zoals loonarbeid met activiteiten in en voor de anarchistische beweging te combineren. Hieromtrent moet ook gezocht worden naar manieren waarop mensen ook die ‘activiteiten buiten de beweging’ kunnen inschakelen in hun engagement in de beweging (tijdschriften verdelen op het werk of de voetbalclub; affiches voor betogingen uithangen; de vakbonden of hun militanten aanspreken; steun verwerven voor standpunten van de beweging; vaardigheden aanleren aan de beweging; financieel steunen;…).


2. ANARCHISTISCH BESLISSEN.

Algemeen kunnen we 5 gradaties van ‘regering’ onderscheiden: 6. Onbeperkte vrijheid 7. Directe democratie a. consensus b. meerderheidsbeslissing 8. Democratie via afgevaardigden 9. Vertegenwoordigende (parlementaire) democratie 10. Openlijke minderheidsdictatuur De huidige samenleving schippert tussen 4. en 5. (dus tussen openlijke minderheidsdictatuur en verborgen minderheidsdictatuur gecamoufleerd door een symbolische democratie. Een bevrijde samenleving zou 4. en 5. elimineren en de behoefte aan 2. en 3. zo veel mogelijk vermijden. (Ken Knabb in ‘The Joy of Revolution)

Wij zullen het hier hebben over consensusbesluitvorming. Onbeperkte vrijheid lust geen handleiding en meerderheidsbeslissing anderzijds is meer dan bekend genoeg. De rest is een noodzakelijke aanvulling hierop. Het zijn een aantal nuttige begrippen en concepten voor het beheren van een organisatie: strategie, tijdsbalk, SWOT-analyse,... allemaal dingen die je zelf kan gebruiken om de realiteit rond je te analyseren: kapstokken om dingen aan te hangen en overzichtelijk te maken. Oefen dit voor jezelf in rollenspelen (alleen of met anderen): kies een situatie en gebruik deze ‘tools’ om één of meer scenario’s te bedenken: wie zou wat doen? Waarom? Hoe kan ik iets of iemand best beïnvloeden,... Alleen door de technieken te oefenen zul je ze in praktijk kunnen toepassen.

1. STRATEGIE. Uitgangspunt: visie is middel is doel! Anders gezegd moeten de middelen waarmee men een bepaald doel wil bereiken in overeenstemming zijn met de visie die je hebt op mens en samenleving en de doelen die je nastreeft. Het doel heiligt nooit de middelen.

Strategie: samenhangend, doordacht en gepland geheel van activiteiten en acties, gereicht op de realisatie van de doeleingen van een beweging of campagne binnen een bepaalde termijn. Lange termijn strategie is ongeveer 3 tot 5 jaar. Middelange termijn strategie is ongeveer 1 tot 2 jaar. Tactiek is korte termijn strategie of methode van aanpak. Tijdsbalk is planningsschema voor de duur van een strategietermijn. Doeleind is eind-doel. Hoofddoel is een belangrijk en concreet geformuleerd deel nav het doeleind (is sub-doeleind). Campagnedoel, programmadoel of strategische doelen zijn hoofddoelen. Actiedoel is een werkdoel (afgeleid van een hoofddoel) dat concreet geformuleerd is en op korte termijn realiseerbaar is. Objectdoel is een fabriek, een vuilnisbelt, een kerncentrale,… Scharnierpunt is een organisatie waarop een (beperkt) machtsevenwicht rust en dus een scharnierpunt van verandering is. Beïnvloedingsmogelijkheden zijn pers, scholen, medici, ouders, kenissen, bekende persoonlijkheden,… Bronnen zijn eigen deelnemers, leden van geestverwante organisaties of zeer naliggende organisaties,… Om een doel te realiseren moet je beschikken over tijd, geld en mensen. Die zijn nodig in de juiste hoeveelheden en verhoudingen: veel tijd maar geen geld en weinig mensen legt beperkingen op wat je kan bereiken.

MIDDELLANGE EN LANGE TERMIJN STRATEGIE: Wat is je visie op het onderwerp van de campagne? Formuleer zo concreet mogelijk. Formuleer het verband tussen die visie en het onderwerp / thema van de beweging of van deze campagne. Wat zijn de doeleinden van de beweging of wat zijn de doeleinden van de campagne? Wat zijn de concrete hoofddoelen die je bereikt moet hebben teneinde de doeleinden van de beweging of campagne te kunnen realiseren? Wat zijn je meest belangrijke actie- of campagnedoelen en hoe heb je gepland ze te gaan gebruiken? Zet ze in een rangorde van escalatie en gewicht. Onderscheid eventueel directe en indirecte doelen. Welke scharnierpunten en beïnvloedingsmogelijkheden wil je inzetten in relatie tot welk actie- of camagnedoel uit de rangorde hierboven? Welke bronnen heb je om deze scharnierpuntorganisaties te doen omslaan en de beïnvloedingsmogelijkheden hard te maken. Formuleer concrete actiedoelen met en voor je bronnen. Zet die in een volgorde van gewicht. Maak een tijdsbalk waarop je kan zien wat je doeleinden, hoofddoelen, campagne- en actiedoelen, je scharnierpunten en bronnen zijn. Zet je strategie en je tactiek dus om in een concrete planning.

FLOW-CHART: De doelstelling is welomschreven. Na krachtveldanalyse (organigram van organisaties en groepen die positieve en negatieve invloed op je eigen groep, project of campagne hebben –financieel,…- waarbij ook hun relatieve kracht duidelijk wordt gemaakt) is beslist op welke kracht eerst ingewerkt wordt. Krachtveldanalyse valt uiteen in ‘tijdsgeest’ en ‘netwerkanalyse’. De factoren waarop de organisatie geen echte invloed heeft is de tijdsgeest: oplomst van extreemrechts,… De netwerkanalyse wordt gevisualiseerd door cirkels rond het middelpunt (de organisatie): in de binnenste cirkel diegenen met meest invloed, naar buiten toe afnemend in invloed. De cirkels worden in vlakken verdeeld naar een aantal aspecten (afhankelijk van de organisatie): leveranciers (van informatie,…), medestanders, tegenstanders (‘adresgroep’), medewerkersters, financiële ondersteuning,… Welke actie doen we? Een flow-chart helpt om: -op korte termijn, op overzichtelijke manier en met minder kans om in oeverloze discussies terecht te komen -acties op te sommen (brainstorm), de consequenties van elke actie na te gaan en de actie(s) te kiezen. (werk op flappen!)

Voorbeeld: DOEL ACTIE CONSEQUENTIES Gelijke sportfaciliteiten voor vrouwen Bezetting van de gymzaal -waarschijnlijk verlies sympathie en steun indien eerste stap (--)-maakt duidelijk dat het ernst is (+)-arrestaties zijn niet uitgesloten (-) Petitie op school -verandert waarschijnlijk niets (-)-werkt bewustmakend (+)-schept mogelijkheden tot gesprek (+) Publiceren van relevante bladzijden uit de grondwet -er is geen geld (-)-vergt meer tijd (-)-ingewikkeld ‘ambtenarees’ vergt toelichting (-)-geeft legale basis aan actie (++) Stel dat voor de petitie op school als eerste actie gekozen wordt, dan kan tijdens de week dat de petitie rondgaat een tweede flow-chart gemaakt worden voor de volgende actie. De manier van werken is dezelfde. ACTIE ACTIE CONSEQUENTIES Petitie op school Infofolder over probleem en suggesties voor oplossingen - (-)- (+)- (++)- (-) Uitnodiging van olympische kampioenes - (++)- (-)- (-) Mannelijke atleten betrekken - (-) Bezetting gymzaal - (++)- (--)- (-)- (+)- (-)

TIJDSBALK: Alles wat op welk moment te doen valt –of gedaan moet zijn- voor een bepaalde actie wordt op één lijn gezet (eventueel splitst die zich in bv. fondsenwerving, dossier- en perswerking, actievoorbereiding / training actievoerders, juridische werking,…). Zie ook de onderlinge verbanden: een juridische werking weet pas waar ze aan toe is als het concept van de gebruikte actietechnieken min of meer vastligt,… Geeft een duidelijke & overzichtelijke tijdsaanduiding weer. Is practisch hanteerbaar.


2. SWOT-ANALYSE: Strategische oriëntatie:onderzoek hoe breed het veld is van de mogelijkheden en opties. Er worden nog geen belsissingen genomen, maar probeer je zicht te krijgen op wat er op de vergadertafel ligt. Je hoeft nog niet volledig te zijn, maar wel in grote lijnen weten welke discussies moeten gevoerd worden om tot welk resultaat te komen.


Inventarisatie van de beschikbare informatie, zowel intern als extern.


A. EXTERN B. INTERN Bedenk zo veel mogelijk Kansen en Bedreigingen. Bedenk zo veel mogelijk Sterkten en Zwakten Weeg die Kansen (+2, +1) en Bedreigingen (-1, -2) en houd er max. 6 van over. (eventueel in kleine groepjes) Weeg die Sterkten (+2, +1) en Zwakten (-1, -2) en houd er max. 6 van over. (eventueel in kleine groepjes) (Breng de resultaten van die eventuele kleine groepjes samen en beperk de lijstjes tot elk max. 8) Zet die tegenover elkaar:

EXTERN … Kans (+2) … Kans (+1) … Bederiging (-1) Bederiging (-2) … INTERN Sterkte (+2) Sterkte (+1) … … Zwakte (-2) Zwakte (-1) … …

Kies 3 probleemvelden:interne (–2) die in verband staat met een externe (–2) is een dringende prioriteit! Bv te weinig medewerkersters (intern) gecombineerd met weinig mogelijke medewerkersters (extern) is een groot probleem. Te weinig medewerkersters (intern) tegenover veel mogelijke medewerkersters (extern) is een probleem van een heel andere grote-orde.Vergeet ook niet je sterke punten bij te houden. Vaak zijn het dingen waarmee je kunt uitpakken en waarop je verder kunt bouwen.

Werk die probleem velden uit:Dit kan eventueel in kleinere groepjes gebeuren. Je kunt dit hele proces herhalen voor die sub-problemen tot alle problemen duidelijk geïdentificeerd zijn en een oplossing kunnen krijgen.


Breng oplossingen samen en probeer zo concreet mogelijke planningen op te maken (wie, wanneer, hoe, met welk geld,…)

Volg het proces hierna regelmatig open stuur bij waar nodig.


3. VERGADERSTRUCTUUR. Er zijn oneindig veel varianten mogelijk. Belangrijk is vooral het bewust omgaan met het groepsproces en de resultaten ervan.

Waarom consensus:

  • basisdemocratisch; iedereen beslist mee
  • allen zijn verantwoordelijk voor het besluit –betere uitvoering
  • besluiten vanuit het belang van het geheel: win / win-situatie
  • besluiten vanuit vertrouwen in elkaar
  • info / kennis / deskunidgheid / vaardigheden worden gedeeld
  • ieders mening / stem is waardevol en moet gehoord worden
  • consensus doorbreekt de dictatuur van de meerderheid
  • consensus stimuleert betrokkenheid en creativiteit
  • een nieuwe samenleving middels nieuwe werkvormen


a. Taken in het proces. -Alle groepsleden zijn verantwoordelijk voor de taken van de gespreksbegeleidster: elkaar helpen, ondersteunen, niet afdwalen, op de sfeer letten; samen zoeken naar de volgende stap, de anderen echt horen, bereid zijn zelf ideeën los te laten en nieuwe te overwegen, voortbouwen op wat een ander inbrengt, veranderen van mening en creatief meedenken,… De individuele behoeftes en gedachten moeten afgewogen worden aan wat goed is voor de hele groep en het doel van de vergadering. We moeten proberen te begrijpen en begrijpelijk te zijn. Dat is iets anders dan de standpunten van ieder herhalen of een discussie van tegenstellingen voeren. Richtlijnen: +Probeer niet ten koste van alles de anderen van jouw standpunt te overtuigen. Vertel wel logisch en duidelijk wat jij vindt. Luister goed naar de anderen en denk na over hun reacties (“Ik weet dat je meent te begrijpen wat je denkt dat ik zei, maar ik ben er niet zeker van of je je bewust bent dat wat je hoorde niet is wat ik bedoelde”). +Verander niet zomaar van mening om conflicten te vermijden en sneller een oplossing te bereiken. Steun alleen die oplossing waarmee je het in voldoende mate eens bent. +Vermijd concfict-verminderende technieken als ‘meerderheid van stemmen’, ‘loten’,… +Probeer er achter te komen welke meningsverschillen er zijn. Let daarbij vooral om der verschillende uitgangspunten. +Iedereen is even verantwoordelijk voor het bereiken van een oplossing. Probeer iedereen in de discusie te betrekken. +Beschouw de verschillende meningen eerder als een voordeel dan als een nadeel bij het zoeken naar consensus. Deze geven een uitgebreide informatie, waardoor de kans groter is dat het best mogelijke besluit door de groep genomen wordt. +Voorkom dat de discussie beschouwd wordt als een wedstrijd. Het is niet de bedoeling dat iemand wint en dat een ander verliest. Zoek in plaats daarvan naar het meest aanvaardbare alternatief voor alle groepsleden. +Consensus is het resultaat van de combinatie informatie, logisch denken en gevoel. Daarom met tijdens de discussies goed gelet worden op de sfeer in de groep.

-De gespreksbegeiderster heeft een aantal taken maar de verantwoordelijkheid voor het verloop en het resultaat van de vergadering ligt altijd bij de groep. Er zijn een aantal punten waarop de gespreksbegeleiderster let. Sommige daarvan kunnen overgedragen worden aan anderen (bv het bijhouden van de tijd, het opnieuw formuleren of samenvatten wat er gezegd is,…): +formuleren waarover gepraat wordt en vragen of iedereen het daarmee eens is +zorgen dat iedereen aan het woord komt +zorgen dat iedereen kan volgen +helpen bij het helder maken van wat mensen bedoelen door vragen te stellen of door het gezegde kernachtig te herhalen en te vragen of die samenvatting klopt +de zwijgzamen naar hun mening vragen +het gesprek niet laten afdwalen +zorgen dat de discussies voortgang hebben +helder samenvatten +de sfeer prettig maken of houden door spelletjes, pauze, raam openzetten,… +zichzelf zichtbaar en verstaanbaar maken voor iedereen De begeleiderster mag zelf niet belanghebbend zijn in het gesprek. Als zijn of haar betrokkenheid te groot is of als hij / zij moe wordt is het goed iemand anders te vragen over te nemen. -De tijdsbewakerster zorgt dat de afgesproken termijnen per onderdeel worden gerespecteerd. De vergadering beslist. -De notuliste zorgt voor verslagen, eventueel ook tijdens de vergaderingen (het ‘helder samenvatten’ van de gespreksbegeleiderster overnemen); mogelijks schrijft iemand zaken kernachtig op ‘flappen’: grote stukken papier of een bord waarnaar kan worden teruggegrepen, zoiets als een realtime verslag dat voortdurend door iedereen kan worden geraadpleegd en eventueel aangepast. -Eventueel –afhankelijk van de concrete situatie- kunnen koeriers ingeschakeld worden: zij onderhouden het contact tussen verschillende groepen en voorzien de groep van informatie over het verloop. Zij nemen geen beslissingen. Bij een ‘visbokaal’ (zie verder) nemen woordvoerder ongeveer dezelfde functie op. -Eventueel vertaling,…


b. ‘Gewone consensus’.

-Model uit de reader ‘training voor trainers’. Bereid de vergadering voor (agendapunten, standpunten, informatie verzamelen,…) Kiezen gespreksbegeleiderster; Agenda (reden van agendering; doen van agedering: besluit of verkenning,…); Oriëntatiefase (achtergrond van het onderwerp; reden; mate van dringendheid); Informatiefase (alle informatie expliciet in de groep brengen; geen manipulatie / monopolie) Meningsvormende fase (rondje meningen; brainstorm (tijdslimiet!) voordelen/nadelen en oplossingen; haalbaarheid van ideeën; beste ideeën op flap (idee-voordeel-nadeel-oplossing-voordeel-nadeel); discussie met oog voor inhoud en emotie -eventueel onderbroken door een spel-) àleidt tot een voorstel dat EENDUIDIG GEFORMULEERD is Besluitvormende fase :zijn we hier voor? Wie heeft bezwaren? Rondje! Vat overeenkomst en verschillen kort samen. Echt afchecken van iedereen! Ja, voor; nee, geen bezwaar = consensus. Ja ik heb bezwaar: welke bezwaren? Als er een verschil van mening is, bestaat het gevaar reëel dat degenen die het niet eens zijn met het voorstel zich in een afwijzende sfeer terugtrekken of hun bezwaren steeds herhalen. Vraag degenen die het oneens zijn of dat het hele voorstel betreft of dat ze het met een onderdeel ervan wel eens zijn. Als ze het met het hele voorstel oneens zijn kan hen gevraagd worden om zelf andere voorstellen te formuleren. Het kan nuttig zijn het gesprek opnieuw te voeren maar dan gericht op verandering, verbeteren, wijzigen en aanvullen van het voorstel. Het kan nodig zijn om op dit moment eerst een pauze in te lassen, een spelletje te doen of een ogenblik van stilte en denktijd te hebben. Het besluit kan ook uitgesteld worden. Doe dat nooit zomaar: maak een afspraak over wat er in de tussentijd moet gebeuren bv een groepje dat twee voorstellen omwerkt tot één voorstel. Als de groep toch een besluit wil nemen kan aan degene die het ermee oneens zijn, gevraagd worden om het besluit niet te blokkeren. Wie het niet eens is met een beslissing kan niet verplicht worden die uit te voeren. Als dit allemaal niet lukt kan degene die het oneens zijn besluiten de groep te verlaten. Laat die persoon niet vallen. Bij echte problemen zijn er vaak andere dingen aan de hand. Heb daar eerst aandacht voor: mensen hebben het gevoel niet serieus genomen te worden, mensen zijn zelf bang voor een situatie,… Bovendien is het niet onmogelijk dat één persoon scherper ziet wat goed is voor de groep. Proces herhalen of uitstellen en eventueel overgaan naar nieuw agendapunt.


-Model uit ‘Conflict and consensus’ door C.T. Butler (mede-oprichter van Food Not Bombs). INTRODUCTIE: Verduidelijking proces Presentatie van het voorstel of onderwerp Vragen om de presentatie te verduidelijken BREDE OPEN DISCUSSIE Groepsdiscussie Verschillende technieken: -Identificatie (spreek elkaar bij naam aan, maak dat mogelijk door spelletjes, naamkaartjes, systematisch je naam zeggen voor je iets zegt,…) -Discussies met de hele groep om tot een groepsidee te komen (ongestructureerd of wel gestructureerd) -Discussies in kleine groepjes, die hun resultaten nadien samenbrengen via woordvoerders / verslaggevers -Rondjes: ga één voor één iedereen af; ‘Ik ben het eens met wat gezegd is’, is niet genoeg: waarméé ben je het wel en niet eens? Dit is ook geen discussiemoment: luister goed naar elkaar en probeer duidelijk te weten wat iedereen (jijzelf incluis) wil. Verduidelijkende vragen kunnen wel. -Visbokaal: Deelnemers met een verschillende mening gaan in de middencirkel zitten om te discussieëren terwijl de anderen een buitenste cirkel vormen en luisteren. Op het eind van een vooropgestelde tijd komt de hele groep terug bijeen en evalueert dan de visbokaal-discussie. Leuke variant: zet eerst de mannen in het midden en herhaal daarna dezelfde discussie met de vrouwen in het midden.

afchecken: ‘Is er een consensus?’ VASTSTELLING VAN BEZWAREN Maak een lijst van alle bezwaren Bespreek de bezwaren die met de groep of het proces te maken hebben BEZWAREN OPLOSSEN Los de bezwaren op die met de groep of het proces te maken hebben èafchecken: ‘Is er een consensus?’ Herformuleer de overgebleven bezwaren Vragen om de bezwaren te verduidelijken Discussie (één bezwaar tegelijk) èafchecken: ‘Is er een consensus?’ MOGELIJKE NOODOPLOSSINGEN Een stap opzij zetten. Doorverwijzing naar een kleinere groep. ‘BLOK’: er kan geen consensus worden bereikt –eventueel naar volgende vergadering verschuiven- en doorgaan met volgende agendapunt.


  • Er zijn verschillende begeleidingstechnieken waarmee de vergaderstructuren kunnen worden aangevuld:

-het gelijk verdelen van de participatie -een lijst bijhouden van wie het woord gevraagd heeft (chronologisch) -als veel mensen tegelijk willen spreken laat je ze de hand opsteken en laat ze zelf oplopende getallen noemen (1, 2, 3, 4,…) en laat ze in die volgorde aan bod komen. -de begeleiderster staat in voor het tempo van de vergadering -als de vergadering stokt of als een aantal mensen domineren kan iedereen de vergadertechniek in vraag stellen en een alternatief voorstellen -als het te snel gaat of de spanning oploopt kan een moment van stilte helpen -een pauze nemen -iedereen kan de vraag stellen ‘Is er een consensus?’ -een samenvatting maken van het voorstel, datgene waarover iedereen het eens is en dat wat nog ter discussie ligt -het voorstel herformuleren -expliciet uit je rol stappen als je inhoudelijke inbreng wilt -een niet-bindend ‘referendum’ door handopsteking: ENKEL om na te gaan hoe diep de meningsverschillen zijn en een beeld te krijgen op de verdeeldheid -censuur: als iemand voor zijn beurt spreekt, iemand onderbreekt, zichzelf blijft herhalen,… kan die persoon gesencureerd worden voor de duur van het agendapunt of voor langere tijd; in extreme gevallen of als blijkt dat de fundamentele doelstellingen te ver uit elkaar liggen kan iemand uitgewezen worden. Zowel censuur als uitwijzing kunnen pas na het vragen naar het waarom en een poging het probleem op te lossen.


c. ‘Snelle consensus’. (bv. tijdens acties) 1. Kiezen voor een duidelijke vorm van snel besluiten nemen kan betekenen dat op moeilijke momenten gehandeld wordt vanuit het vertrouwen van de groep. Het voorkomt dat mensen met veel overwicht –die niet het vertrouwen van iedereen hebben- bepalen wat er gebeurt. Het is erop gericht dat de actie vanuit de eenheid van de groep gevoerd wordt.

Formuleer voorstel (gebaseerd op de scenario’s die je vooraf hebt uitgewerkt); laat iedereen tegelijk antwoorden door een aantal vingers op te steken (probeer je communicatie te verbergen voor politie,…): 1 (vinger opsteken) ik ben het met het voorstel eens en heb geen bezwaar 2 (vingers opsteken) ik heb bezwaar maar ik doe mee 3 ( “ “ ) ik heb bezwaar en doe niet mee, maar doe zelf gerust 4 ( “ “ ) ik heb bezwaar en wil niet dat jullie verder gaan (afhankelijk van afspraken vooraf en de omstandigheden kan deze optie weggelaten worden)  eventueel kan een nieuw voorstel worden geformuleerd  een grotere groep wordt onderverdeeld in kleinere groepjes die op dezelfde manier tot een collectief antwoord moeten komen.

2. In sommige situaties is het beter om met snelle beslissers te werken: aan de hand van vooraf uitgewerkte scenario’s beslissen één of meer mensen. Vooraf moet duidelijk zijn op welke soorten situaties die snelle beslissers in aktie komen. Als die situaties zich niet voordoen blijft de groep collectief beslissen. Als snelle beslissers besluiten hebben moeten nemen is het belangrijk om na de aktie te bespreken hoe het voor de groep, voor de snelle beslissers zelf en voor de actie is geweest. Als we met snelle beslissers werken houdt dat in dat de groep: vertrouwen in de snelle beslissers heeft; bereid is de besluiten uit te voeren; kritische blijft ten opzichte van de besluiten; de eigen mening alleen kenbaar te maken als anderen of de actie in gevaar zouden komen; zich niet afhankelijk maakt maar de eigen verantwoordelijkheid blijft dragen. De snelle beslisser neemt grote verantwordelijheid op zich. Als hij of zij tijdens een actie een besluit moet nemen wordt het verloop van de actie sterk door hem of haar bepaald. Het is een taak die gemakkelijk te verwarren is met leiderschap.


d. Affiniteitspsgroepen Vriendshapsgroepen (of kerngroepen, basisgroepen, steungroepen, affinity-groups) zijn kleine groepen van tien tot vijftien personen die elkaar kennen en ondersteunen. Deze groepen komen regelmatig bij elkaar, bereiden samen hun aandeel in de actie voor en verdelen de verschillende taken binnen de groep. Daardoor weten zij tijdens de actie waar ze aan toe zijn en kunnen ze samenwerken. De groep komt ook na een actie bij elkaar om na te praten en te kijken wat tijdens de actie goed en fout ging. Een actie betekent altijd spannende situaties en onverwachte gebeurtenissen. Het is van groot belang dat de actievoerders zich in de eigen groep veilig voelen. De structuur van vriendschapsgroepen maakt deze veiligheid mogelijk en is de basis voor collectieve vertanwoordelijkheid voor de actie. Er zijn drie aspecten die in een vriendschapsgroep aan bod moeten komen: bouwen aan vertrouwen door zelf vertrouwen te geven, door eigen ervaringen te vertellen, door te vragen naar de ervaringen van de ander, door rond te kijken en te vragen hoe mensen zich voelen, door te vragen op welke manier je elkaar in de actie kunt ondersteunen, door aandachtig te luisteren en te innen wat de ander bedoelt te zeggen Dit op elkaar letten is de taak van iedereen. Soms wordt deze taak maar door enkelen vervuld, soms alleen door vrouwen, die meer gewend zijn persoonlijke aandacht te besteden aan hun omgeving. Zowel voor, tijdens als na de actie kun je elkaar opvangen: voor: overleg over ‘Wat heb je bij je?’, ‘Welke taak heb je?’, ‘Hoe voel je je?’, ‘Wat heb je nodig?’,… tijdens: delen van eten en drinken, goed wisselen van plaats, vragen wie er wat nodig heeft, samen spelletjes doen en liedjes zingen,… na: geef elkaar de kans om spontaan te vertellen, alles door elkaar, ga daar niet meteen over in discussie. Ieders ervaring is belangrijk. Bevestig elkaar daarin. Vertel ook aan elkaar wat je van de ander gezien hebt, vraag ernaar. Zeg het als je trots was op de ander, als je steun hebt gevoeld,… uiten van emoties Het uiten van emoties is van belang. Opgekropte emoties blokkeren je. We zijn allemaal bang om onze emoties te tonen. Velen hebben het gevoel dat ze het niet meer kunnen. Als we een actie coen is er altijd spanning. Spanning geeft emoties. We zijn bang, woedend, teleurgesteld, radeloos, geïnspireerd, verbaasd, geërgerd,… Als we die emoties niet uiten slaan we dicht. Als de emotie zich richt op de tegenstander is het vanzelfspreken dat je gehoord wordt in je eigen groep, dat je gevoel gedeeld wordt en dat je het zo te boven kunt komen en verder kunt. Als het zich richt op iemand uit de eigen groep is dat veel moeilijker. Als je tijdens een actie door iemand anders in de steek gelaten hebt gevoeld of als je je ergert aan het gedrag van een ander groepslid kan dat je lam leggen en isoleren. Probeer eventueel dat gevoel direct te verwoorden en af te spreken het er na de actie over te hebben. omgaan met kritiek Kritiek krijgen is moeilijk. Rechtstreekse kritiek hebben is ook moeilijk. Heel vaak beginnen we er niet aan: het risico niet begrepen te worden is te groot. We vertellen dan aan één of meer anderen hoe vervelend die ene persoon is. Het wordt roddelen en er ontstaat een sfeer van wantrouwen. Het is de verantwoordelijkheid van de hele groep dat zo’n gesprek tot een goed einde kan komen. De andere groepsleden hebben de taak ervoor te zorgen dat geen van de partijen in de kou komt te staan. Beide partijen moeten de ruimte krijgen om te zeggen wat ze willen zeggen: beide moeten ze zich gesteund weten en opgenomen in het geheel van de groep. Denk bij het geven en in ontvangst nemen van kritiek aan de volgende punten: -spreek voor jezelf: ‘Ik vind het moeilijk als jij …, want …’ -zeg concreet waarop je kritiek teruggaat: ‘Toen jij … dan deed je …’ -als je kritiek krijgt, hoor dan hoe dat voor die ander is, en zeg dat: ‘ik hoor dat je het gevoel kreeg dat … Dat vind ik rot want…’ Als je kritiek krijgt, ga dan niet meteen in de verdediging (dat is een bijna automatische reactie van ons allemaal) maar probeer eerst alles van de ander te horen en te erkennen; later kun je jouw kant vertellen -vraag aan he eind of alles uit de weg geruimd is of dat er nog iets moet gebeuren voor je samen verder kan gaan -vraag de andere groepsleden te vertellen hoe dit gesprek voor hen was


4. EVALUATIE: Er zijn minstens tien manieren waarop evaluatie vergaderingen helpt verbeteren: -het verbetert de analyse van wat er gebeurd is, waarom het gebeurd is en wat eraan kan verbeterd worden -het onderzoekt hoe bepaalde houdingen en uitspraken diverse problemen kunnen veroorzaken en moedigt speciale aandacht aan voor het verhinderen van het herhalen ervan -het maakt een beter doorzicht mogelijk van groepsdynamiek en moedigt een methode aan waarmee de groep kan leren of van elkaar kan leren -het laat het vrij uitdrukken van emoties toe -het maakt onbewust gedrag of houdingen duidelijk die het proces storen -het moedigt het uitwisselen van observaties aan -het gaat het nut en effectiviteit na van technieken en procedures -het erkent goed werk en maakt het mogelijk elkaar expliciet te waarderen -het denkt na over de doelen van de bijeenkomst en onderzoekt of die doelen gehaald zijn -het onderzoekt verschillende rollen, stelt voor hoe ze beter kunnen worden ingevuld en creëert er nieuwe naar behoefte -voorziet een algemeen gevoel van vervollediging en afsluiten van de bijeenkomst.

Probeer verschillende aspecten te scheiden. Om te beginnen is het goed het verschil altijd duidelijk te maken tussen OBSERVATIE en INTERPRETATIE. Begin met wat je denkt te hebben gezien en gehoord, vraag of dat klopt. Pas dan geef je je eigen interpretatie en vraag je opnieuw of die klopt. Proces: Rondje individueel: hoe voelde ik me, hoe gedroeg ik me en waarom? Hoe ervaarde ik de andere deelnemers? Zijn alle benodigde rollen naar behoren ingevuld? Zijn de procedures gevolgd? Was er genoeg aandacht voor non-verbale communicatie, was het eten lekker…? Product: Beantwoordt het resultaat aan de doelstellingen? Is er een echte, vrije consensus: was er druk? Zijn er fundamentele discussies over het hoofd gezien? Staat iederen echt achter de beslissingen?


5. ALGEMEEN: -Consensus is gebaseerd op: vertrouwen respect eenheid van doelstellingen geweldloosheid zelfbekrachtiging samenwerking conflicthantering en –oplossing toegewijdheid aan de groep actieve deelname gelijke toegang tot macht geduld. -Bedreigingen van consensus: gebrek aan training externe hiërarchische structuren sociale vooroordelen -Zorg dat er altijd evenwicht is in de bijeenkomsten tussen zakelijk en persoonlijk bezig zijn. -Vorm regelmatig kleine groepen waarin wat dieper op de persoonlijke mening van iedereen ingegaan kan worden. -Luister goed naar wat mensen zeggen. Dat betekent niet alleen dat je iemand laat uipraten (wat vaak al heel moeilijk is) maar het betekent ook dat je opde ander ingaat… dat je vragen stelt en waardoor het samen denken op gang kan komen. -Doe regelmatig een rondje. In een rondje zegt iedereen in de groep iets van zichzelf. Dat kan wel of niet op de actie gericht zijn. Belangrijk is dat ieder heel kort even gehoord en gezien is. -Doe tussendoor een spelletje of zing een lied. Als je niet alleen maar praat maar ook lichamelijk in beweging bent, elkaar aankijkt en aanraakt, kan er veel meer onderling op gang komen. -Wees je bewust van de sfeer in de groep en breng het ter sprake als het de voortgang hindert. Misschien moet alleen het raam open of broeit er een ruzie.

Het doel van organiseren is meer dan het samen prettig hebben. Het is een werken aan, voorbereiden van een samenleving waarin mensen met elkaar in een open ontmoeting werken aan verandering. Die begint altijd bij onszelf, vandaag!

Wees niet te snel ontmoedigd als de consensusprocedure niet meteen soepel loopt. Het kan alleen maar werken als we ermee willen leren werken. Op termijn zal blijken dat het ons naar inhoud van de besluiten en naar de samenhang in de groep sterker maakt.


3. ANARCHISTISCHE ACTIE.


Geweldloze ‘sociale defensie’: De enige oplossing die anarchisten zien voor de maatschappelijke en individuele problemen is een sociale revolutie. Hedendaags komt de enige vernieuwing in het denken rond die sociale strijd eigenlijk uit de hoek van principieel geweldloze hoek. Los van de principiële discussie rond geweld ben moet het duidelijk zijn dat de actietechnieken die uit deze hoek ontwikkeld zijn (tenminste bewust bestudeerd en gebruikte hebben) grotendeels dezelfde zijn als diegene die ook door anarchisten moeten worden gebruikt. Een andere nuance is de neiging van bv. Gene Sharp om staat en kapitaal als waardevolle partners te beschouwen. Het denkkader van Sharp is niet anarchistisch; de methodes dus ook niet. De rest van ‘zijn’ denken wordt er niet minder waardevol om. ‘Als ik moet kiezen tussen geweld en geweldloosheid, kies ik geweldloosheid; als ik moet kiezen tussen geweld en lafheid / ineffectiviteit, dan kies ik geweld’ (Gandhi).

Brian Martin in ‘Social defense, social change’ “Sociale defensie is de geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging. Het is gebaseerd op wijdverbreid protest, overtuiging, niet-medewerking en interventie die zich tegenover militaire agressie of politieke repressie stelt. Het gebruikt methodes als boycots, actieve ongehoorzaamheid, stakingen, demonstraties en het opzetten van alternatieve instituten. Het definiëren van iets is een politieke handeling en het loont de moeite naar deze definitie van sociale defensie te kijken als geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging’. Deze definitie stelt dat de weerstand een weerstand is die van de gemeenschap komt en niet van de natie, die meestal het kader is voor militaire verdediging en voor veel ideeën en geschriften over sociale defensie. In mijn optiek zou de nadruk moeten liggen op de gemeenschappen die zichzelf en elkaar verdedigen. Soms zullen die gemeenschappen naties zijn, maar vaak ook niet. Sommige activisten verkiezen de sociale defensie te definiëren als geweldloze weerstand van gemeenschappen tegen agressie of onderdrukking’, daarbij insluitend verdediging tegen militaire agressie, tegen het door regeringen onderdrukken van lokale gemeenschappen en tegen geweld van mannen op vrouwen. Sociale verdediging zou in deze visie moeten worden gezien als geweldloze verdediging van de vitale elementen van de samenleving –inclusief mensenrechten, lokale autonomie en participatie- tegen alle onderdrukkende krachten.

Ik herken me in de gevoelens die achter deze bredere oriëntatie schuilgaan. Ik denk echter tegelijkertijd dat het beter is sociale verdediging te definiëren als een alternatief voor militaire defensie en pas daarna de linken te leggen met andere strijden tegen onderdrukking. (…) Jaren terug werd sociale verdediging soms ‘passief verzet’ genoemd. Die term geeft de misleidende indruk dat geweldloosheid passief zou zijn. De kern van sociale verdediging is echter geweldloze actie en dat betekent stakingen, verbroedering en het opzetten van alternatieve instituten. Er kunnen ook offensieve maatregelen worden genomen, zoals communicatie om de internationale en nationale steun voor de agressie te ondermijnen. Sociale verdediging betekent niet dat je er gewoon bij gaat zitten en accepteert wat de agressor oplegt. Sociale verdediging en de belangrijkste alternatieve termen ervoor houden het woord ‘verdediging’ in. Ironisch genoeg geeft dit een te nauw beeld van waar het allemaal over zou kunnen gaan. Het probleem zit in het eufemisme ‘militaire verdediging’. Militaire machten zijn voor oorlog ontworpen. Overheidsdepartementen voor oorlog veranderden hun naam in departementen voor verdediging om de associatie met moord en vernietiging te vermijden. ‘Verdediging’ of ‘defensie’ klinkt veel vriendelijker dan ‘oorlog’, ‘de militairen’ of zelfs ‘het leger’. Geweldloosheid heeft het omgekeerd probleem: het klinkt veel mensen zwak in de oren. Sociale verdediging klinkt puur defensief. Dat is de reden waarom het soms nuttig is om over sociaal offensief te spreken.”

Methodes die gebruikt worden bij sociale defensie: Gene Sharp, bekend onderzoeker van geweldloze actie identificeerde 197 verschillende types van geweldloze actie en heeft van elk voorbeelden gegeven. Sharp onderscheidt de methodes van geweldloze actie in drie categorieën: symbolische actie, niet-medewerking en interventie & alternatieve instituten. Symbolische acties: Formele aankondigingen (speeches, brieven, petities); slogans, pamfletten, spandoeken; betogingen, protestmarsen, wakes, piketten; het dragen van symbolen van verzet (zoals de paperclips die Noren droegen tijdens de Nazi-bezetting); bijeenkomsten, ‘teach-ins’. Niet-samenwerking: Sociale boycots, blijf-thuis; boycots door consumenten, producenten, handelaars; embargo’s; stakingen, banvloek, stiptheidsacties, ziekteverzuim; weigering belastingen of schulden te betalen, terugtrekken van bankrekeningen; het boycotten van overheidsinstellingen; ongehoorzaamheid, uitvluchten en vertragingen; voorgewende onbekwaamheid (‘misverstanden’, ‘vergissingen’). Interventie & alternatieve instituten: Vasten (hongerstaking, dorststaking); sit-ins, niet-gewelddadige obstructie en bezetting; vernietigen van informatie en archieven; uitbouwen van parallelle organisaties voor politiek, media, trasport, sociale zekerheid, gezondheidszorg en vorming. (…)

197 actiemethodes (uit ‘The politics of non-violent action’ door Gene Sharp). I. Protest en overreding: Formele verklaring afleggen: 1. Openbare redevoeringen houden; 2. Brief-/kaarten verzenden; 3. Verklaringen van organisaties en instellingen publiek maken; 4. Ondertekende verklaringen afleggen; 5. Iintentieverklaringen afleggen; 6. Groeps- en massapetities overhandigen Communiceren met een breder publiek via: 7. Leuzen, karikaturen en symbolen; 8. Spandoeken, aanplakbiljetten en herkenningstekens; 9. Folders, pamfletten en boeken; 10. Kranten en tijdschriften; 11. Recorders, radio en televisie; 12. Geschreven teksten in de lucht, op muren en op de grond Groepen vertegenwoordigen: 13. Afgevaardigden sturen; 14. Schertsbeloningen; 15. Lobbyen; 16. Posten; 17. Verkiezingen imiteren Symbolisch handelen: 18. Vlaggen en symbolische kleuren tonen; 19. Symbolen dragen; 20. Gebeds- en godsdienstoefeningen houden; 21. Symbolische voorwerpen aanbieden; 22. Zich ontkleden als protest; 23. Eigen bezeittingen vernietigen; 24. Symbolisch licht ontsteken; 25. Portretten tonen; 26. Beschilderen als protest; 27. Namen en tekens vervangen; 28. Symbolische geluiden maken; 29. Symbolische landhervormingen doorvoeren; 30. Afkeurende gebaren maken Personen onder druk zetten: 31. Ambtsdragers volgen 32. Officiële peronen tarten; 33. Verbroedering nastreven; 34. Waken bij gebouwen en terreinen Drama en muziek: 35. Humoristische parodieën en grappen maken; 36. Toneesltukken opvoeren, muziekuitvoeringen geven; 37. Zingen Optochten / processies houden: 38. Marsen; 39. Parades; 40. Religieuze processies; 41. Pelgrimstoschten; 42. Autocolonnes opstellen Doden herdenken: 43. Politieke rouw betrachten; 44. Schijnbegrafenissen houden; 45. Demonstratieve begrafenissen houden; 46. Een bepaald graf huldigen Openbare bijeenkomsten houden: 47. Publieke bijeenkomsten; 48. Protestbijeenkomsten; 49. Gecamoufleerde protest-bijeenkomsten; 50. Teach-in Zich terugtrekken / afstand doen van iets: 51. Weglopen (bv. uit een vergadering); 52. Stilte betrachten; 53. Weigeren / afstand doen van onderscheidingen; 54. Iemand de rug toekeren

II A. Sociale Non-coöperatie Personen uit de gemeenschap sluiten: 55. Sociale boycot; 56. selectieve sociale boycot; 57. Sexuele gemeenschap weigeren; 58. Excommunicatie; 59. Verbanning Niet meewerken aan bepaalde gebruiken, gebeurtenissen en instellingen: 60. Sociale- en sportactiviteiten opschorten; 61. Maatschappelijke instellingen boycotten; 62. Studentenlessen boycotten; 63. Sociale ongehoorzaamheid; 64. Zich terugtrekken uit sociale instellingen Zich teugtrekken uit sociale systemen: 65. Thuisblijven; 66. Totale persoonlijke non-coöperatie; 67. ‘vlucht’ van werknemers; 68. ‘vlucht’ naar een vrijplaats; 69. Collectieve verdwijning; 70. Emigratie als protest II B. Economische Non-coöperatie: Acties door consumenten: 71. Consumentenboycot; 72. Soberheidsactie; 73. Weigeren om huur te betalen; 74. Weigeren om te huren; 75. Nationale consumentenboycot; 76. Internationale consumentenboycot Acties door arbeiders en producenten: 77. Boycot door werknemers; 78. Boycot door werkgevers Acties door tussenpersonen: 79. Boycot door leveranciers Acties door ondernemers: 80. Boycot door handelaren; 81. Weigeren eigendom te verhuren of te verkopen; 82. Productie stoppen; 83. Weigeren technische hulp te verlenen; 84. Algemene winkeliersstaking Acties door bezitters / beheerders van financiële hulpbronnen: 85. Bankrekening intrekken; 86. Weigeren om belasting of contributies te betalen; 87. Weigeren om schulden of rente te betalen; 88. Fondsen en kredieten intrekken; 89. Weigeren belasting te betalen; 90. Weigeren het officiële betaalmiddel te gebruiken Acties door regeringen: 91. Binnenlands embargo; 92. Handelaren op de zwarte lijst zetten; 93. Internationaal verkoopembargo; 94. Internationaal inkoopembargo; 95. Internationaal handelsembargo II C. Economische non-coöperatie: de staking. Symbolische stakingen: 96. Proteststaking; 97. Werkonderbreking Staking door groepen: 98. Verplichte arbeid weigeren; 99 – 103. Staking door boeren, landarbeiders, ambachtslieden; gevangenen; beoefenaars van vrije beroepen Gewone stakingen in de industrie: 104. Personeelsstaking; 105. Industriestaking; 106. Solidariteitsstaking Beperkte staking: 107. Estafettestaking; 108. Staking om concurrentiekracht van eigen bedrijf te verzwakken; 109. Langzaam-aan-actie; 110. Stiptheidsactie; 111. Ziekmelden; 112. Ontslag nemen; 113. Beperkte staking; 114. Selectieve staking Multi-industriële staking: 115. Gedwongen algeme staking; 116. Algemene staking Combinatie van staking en economische uitsliuiting: 117. ‘Hartal’ (tijdelijke economische stillegging); 118. Economische stillegging van langere duur II D. Politieke Non-coöperatie: Gezag afwijzen / afkeuren: 119. Weigeren verklaringen van trouw af te leggen of die intrekken; 120. Politieke steun weigeren; 121. Mensen tot weerstand oproepen Weigeren met de regering mee te werken: 122. Wetgevende lichamen boycotten; 123. Verkiezingen boycotten; 124. Overheids-werkzaamheden en banen bij de overheid boycotten; 125. Ministeries en andere instellingen van de overheid boycotten; 126. Scholen boycotten; 127. Door het rijk gesteunde organisaties boycotten; 128. Weigeren medewerking te verlenen aan het handhaven van de wet; 129. Tekens en plaatsaanduidingen verwijderen; 130. Weigeren om aangewezen functionarissen te accepteren; 131. Weigeren om bestaande instellingen op te heffen Burgerlijke ongehoorzaamheid: 132. Langzaam en aarzelend toegeven; 133. Ongehoorzaam zijn zodra controle ontbreekt; 134. Algehele ongehoorzaamheid door de bevolking; 135. Verborgen ongehoorzaamheid; 136. Weigeren uiteen te gaan; 137. Zitactie; 138. Dienstplicht en deportatie weigeren; 139. Onderdruiken, vluchten, valse identiteit opgeven; 140. Ongehoorzaam zijn aan immorele wetten Acties door overheidspersoneel: 141. Weigeren bepaalde instructies op te volgen; 142. Bepaalde communicatielijnen en informatiebronnen blokkeren; 143. Bepaalde zaken vast laten lopen; 144. Administratieve tegenwerking plegen; 145. Tegenwerking door rechterlijke macht; 146. Inefficiënt werken bij handhaving van de orde; 147. Muiterij Binnenlandse acties door regeringen: 148. Kwasi legitiem vertragen en ontwijken; 149. Non-coöperatie door vertegenwoordigendeoverheidslichamen Internationale acties door regeringen: 150. Wijzigingen aanbrengen in diplomatieke of andere vertegenwoordigingen; 151. Diplomatieke gebreurtenissen uitstellen of afgelasten; 152. Diplomatieke erkenning onthouden; 153. Diplomatieke betrekkingen verbreken; 154. Terugtrekking uit internationale organisaties; 155. Lidmaatschap van internationale organisaties weigeren; 156. Uitstoten uit internationale organisaties

III. Geweldloos ingrijpen (interventie) Psychologische interventie: 157. zich blootstellen aan onaangenaamheden of gevaren; 158. Vasten; 159. Omgekeerde rechszaak (beklaagden worden aangklager); 160. Persoonlijke psychologische confrontatie Fysieke interventie: 161 - 172. Zit-actie, Sta-actie, rijactie, waadactie, in- en uitloopactie, gebedsactie, geweldloze overval, geweldloze luchtaanval, geweldloze invasie, geweldloze fysieke tussenkomst, geweldoze obstructie, geweldloze bezetting Sociale interventie: 173. Nieuwe sociale patronen ontwikkelen; 174. Sociale voorzieningen belasten; 175. Oponthoudacties voeren; 176. Interruptieacties voeren; 177. Guerilletheater houden; 178. Alternatieve sociale instellingen ontwikkelen; 179. Alternatieve communicatiesystemen ontwikkelen Economische interventie: 180. Omgekeerde staking; 181. Bedrijfsbezetting; 182. Geweldloos land overnemen; 183. Blokkades verbreken; 184. Munten vervalsen; 185. Door massale aankoop verhinderen dat anderen bepaalde goederen kunnen kopen; 186. Waardepapieren of geld in beslag nemen; 187. Dumpen; 188. Selectieve clandizie kiezen; 189. Alternatieve markten houden; 190. Alternatieve transportsystemen gebruiken; 191. Alternatieve economische instellingen ontwikkelen Politieke interventie: 192. Administratieve systemen belasten; 193. Identiteit van geheime agenten onthullen; 194. Gevangenneming uitlokken; 195. Ongehoorzaam zijun aan gewone wetten; 196. Doorwerken zonder collaboratie; 197. Parallelregering vormen.


ACTIETIPS. (door Pépé herwerkte versie van een stuk uit OPROER, gentse kraakkrant).

Recente ervaring heeft nog maar eens aangetoond dat informatiedoorstroming over actievoeren niet altijd even vlot loopt. Anti-NSV-betoging in Gent, die gemonopoliseerd werd door klein links ; de optocht tegen extreem-rechts in Brugge die onder invloed van datzelfde klein links evengoed verwerd tot een reclamespotje en een makke stadswandeling onder begeleiding van provocerende flikken. Er wordt vaak niet genoeg nagedacht over actie en actievoeren. Vragen als waarom welke actie en wie heeft er baat bij zorgen wel vaker voor een ongemakkelijke stilte. Vragen wie de bondgenoten en de vijanden zijn tonen wel vaker een onzeker gevoel aan. Zo werkt Wildgroei tot op zekere hoogte samen (rond Doel) met mensen die minstens onder invloed staan van extreem-rechts (De Vrijbuiter). Zo wordt elke poging tot kritiek op de methodes en doelstellingen van klein links al snel afgedaan als sectarisme en achterhoedegevechten. Het is NIET de bedoeling dit soort discussies hier zelfs maar aan te gaan of er stelling in in te nemen. Het zijn wel tekenen dat er te weinig wordt nagedacht over waarom we welke dingen doen. Vandaar deze poging om een aantal algemeenheden kort op papier te zetten en mee te geven aan (nieuwere) activisten. De tekst is niet als bijbel bedoeld. Denk en doe zelf. Anarchisten werken van oudsher met het concept ‘directe actie’ : ze geloven niet dat het ‘gebruik’ van tussenpersonen mensen vooruithelpt. Vertrouwen in zo’n mensen bevestigt die mensen in hun machtspositie. Vrijheid neem je. Vrijheid kun je niet krijgen. Bij directe actie grijpen mensen zelf zonder omwegen in in het leven. Zie je iemand die dreigt in een hondedrol te lopen, dan waarschuw je die persoon en ruimt de drol op. Je belt niet eerst de politie en de burgemeester op. Logisch toch ? Hetzelfde geldt als je vindt dat de straat wordt gemonopoliseerd door de auto : je neemt de straat terug. Op de werkvloer kan het werkritme vertraagd worden door sabotage : collectief traag werken,… Heb je geen woning, dan ga je kraken,… Enzoverder. Neem zelf je leven in handen… en neem je verantwoordelijkheid daarvoor op. Dat alles brengt nogal wat mogelijke gevolgen met zich mee. Er zijn ook een aantal dingen die ongeacht de actie(vorm) terugkeren.

ALGEMEEN. Ten eerste zijn er een aantal algemene aandachtspunten.

  • gebruik nooit geest’verruimers’ als alcohol,cannabis,… het is van groot belang op elk moment alert te zijn.
  • zorg voor jezelf (VRIJHEID)
  • zorg voor anderen (SOLIDARITEIT)
  • wees je altijd bewust van je eigen grenzen en die van anderen ; van macho-gedrag en sociale druk is nog nooit iemand wijs geworden
  • houd in de gaten wat je wilt bereiken en hoe je dat van plan bent
  • wat je doet moet zinvol zijn, zodat je niet gefrustreerd raakt of stommiteiten uithaalt

VOORAF. Voor de actie of demonstratie begint is er al heel wat werk verzet : het zoeken van mensen, de flyers of affiches, de eisen, doelstellingen, materialen, geld,… Te vaak wordt er van uitgegaan dat dit alles vanzelf gebeurt. Er is echter geen centraal comité dat vanuit de hemel komt nedergedaald om de troepen te leiden. Het werk moeten we allemaal doen. Om te beginnen moet iedereen VOOR de bijeenkomst de eigen doelstellingen, grenzen,... duidelijk voor ogen hebben, net als de doelstellingen van de beweging als geheel.

  • Bepaal de doelstellingen en doelwitten van de actie/demonstratie (directe actie, persactie, omstaanders, de bazen van het bedrijf, de regering, de consument,…)
  • Bepaal de methodes die je wil gebruiken (blokkade, staking, ludieke verkleedpartij, pamfletten uitdelen,…). Een discussie die hier regelmatig terugkeert gaat over ‘geweld’ : wanneer is wat geweld en waarom is het wanneer (niet) geoorloofd ?
  • Wat wil je zelf doen en kan je zelf doen ?
  • Wat willen anderen doen en kunnen anderen doen ?

ðStel met zo veel mogelijk mensen een actieplan op. Dit vergt vaak een hoop voorbereiding. Let hierbij op dat niets uitlekt naar mensen die je niet betrokken wil zien (politie, de doelwitten zelf, mensen en groeperingen die niet te vretrouwen zijn doordat van ze geweten is dat ze hun mond niet houden of met de politie gaan ‘overleggen’). De voorbereiding houdt onder meer in : mogelijkheden, benodigdheden, gevaren, mogelijke juridische gevolgen, effectiviteit, continuïteit, financiën,…) Voor een massademonstratie ligt het iets anders. Naast het algemene plannen vorm je kleine groepjes van 4 à 6 mensen, waarmee je je goed voelt. Herhaal al het voorgaande voor je kleine groepje. Oefen snelle consensus en alle codes die je wil gebruiken en alle taken en rollen die mensen moeten opnemen. Blijf met je kleine groepje samen ; spreek een roepcode af om elkaar terug te vinden in eventuele chaos en een uur en plaats om elkaar terug te vinden als je elkaar toch zou kwijtraken.

  • Denk al aan een steungroep tijdens en (soms lang) nadien. Die kan arrestaties, geweld van de politie en processen opvolgen. Bereid je voor op mogelijke arrestaties, fouilleringen, ondervragingen, geweld,… door bv. ‘Ikke en de Flikke’ uit het hoofd te leren en uit te delen aan de anderen.

TIJDENS. Het moment van de waarheid is aangebroken. Je bent goed voorbereid. Toch lopen er soms nog dingen fout. Je kunt niet alles voorzien. Mensen komen afspraken niet na. Mensen vallen ziek. Zorg ervoor dat je zo veel mogelijk dingen nog kunt opvangen : centraliseer geen informatie bij een klein kliekje, zorg ervoor dat iedereen de scenario’s zo goed kent dat plotse veranderingen geen chaos veroorzaken, communiceer met iedereen waarbij dat nodig is (en zwijg tegen wie niets moet weten)…

  • Let op afspraken en doelstellingen : laat geen voorhoede met de betoging gaan lopen, wees vastberaden in wat je beslist hebt en reageer flexibel op mogelijke problemen zonder van je uitgangspunt af te wijken. Zorg ervoor dat provocateurs geen kans krijgen.
  • Pas op voor pers, politie, fascisten, infiltranten, provocateurs,… Wijs mensen erop dat er foto’s gemaakt worden,…
  • Lijk zo veel mogelijk op elkaar om de herkenbaarheid van mensen en jezelf te verkleinen.
  • Inhaken en een ‘autonoom blok’ vormen verhoogt je veiligheid en je slagkracht ; je voorkomt ook paniek als de tegenpartij (flikken en anderen) ‘chargeert’ of aanvalt.
  • Zorg voor EHBO als dat nodig is
  • Probeer afspraken met zo veel mogelijk mensen te maken (zonder je veiligheid in gedrag te brengen ; zet infiltranten buiten je ‘blok’)

NADIEN. De actie is afgelopen. Je denkt dat dit het einde was. Toch niet. Je doelstellingen zijn nog niet bereikt. De wereld is nog steeds geen paradijs.

  • Zorg voor de opvolging van de arrestaties : wie en waarom ; eventueel ga je met zo veel mogelijk mensen naar de plaats waar de arrestanten vastzitten en probeer je ze vrij te krijgen. Nadien hebben deze mensen misschien een verhaal te vertellen, het was niet zo prettig binnen. Steun ze, probeer te weten te komen wat de flikken vroegen, of ze geslaan of geïntimideerd hebben. Dien eventueel klacht in. Zorg ervoor dat deze mensen weten wie bij een eventueel proces achteraf de zaken mee helpt opvolgen. Stel ze gerust.
  • Blijf samen ; let op voor laffe aanvallen achteraf en persoonlijke afrekeningen. Soms worden mensen door flikken of fascisten uitgepikt.
  • Organiseer eventueel benefieten voor proceskosten,…
  • De strijd is nog niet gestreden. Geef elkaar data door van andere betogingen en vergaderingen, ga op café en wissel ervaringen uit. Leer elkaar kennen.
  • Onderhoud contacten. Laat elkaar weten wat je organiseert.
  • Spreek af wanneer en hoe je de strijd voortzet. Wat het systeem niet kapotmaakt, maakt hem sterker. Geef niet op.

PERSOONLIJK.

  • Meenemen : alles wat NODIG is

-identiteitsbewijs (verplicht in België) -kleingeld (telefoon, eten, drinken,…) -medicijnen die je nodig hebt en EHBO -practische kledij en schoenen -GSM (indien nodig) -…

  • Niet meenemen : alles wat NIET NODIG is

-adressen, agenda, liefdesbrieven, … -contactlenzen, bril, schmink, crèmes (pepperspray kruipt er onder) -(illegale) drugs -(illegale) wapens -honden -opvallende vermomming -GSM indien niet nodig -…

ROLLENSPEL


Ieder van ons moet zich zo goed mogelijk voorbereiden op wat komen kan. Gebruik daarvoor de technieken en ideeën hiervoor. Niet omdat die volledig of zaligmakend zouden zijn, maar omdat ze een aantal kapstokken aanbieden.

Maar technieken moet je leren. Je moet ze begrijpen om ze te kunnen willen aanpassen. En dit leren kun je alleen of in groep.

Beeld je een zo concreet mogelijke situatie in (of die nu iets met revolutie te maken heeft of niet). Voorbeeld 1: Een grote autofabriek sluit. Toevellig werk jij daar aan de band. Wat doe je (niet)? Hoe kan je met dat gebeuren vooruit in je algemene anarchistische strijd? Wie zijn je bondgenoten en vijanden? Staken of verder produceren in zelfbeheer?... Voorbeeld 2: Neem een stratenplan van een willekeurige stad. Een brede waaier mensen komt strijdbaar op straat. Er staat duidelijk iets groots te gebeuren. Misschien wel de Commune van jouw stad. Som de verschillende spelers op het veld op (politie, leger, fascisten, marxisten,...) en probeer in te schatten hoe de dingen anders lopen. Denk diverse scenario’s uit! Zo kan de vijand je moeilijker verrassen.


Probeer te beginnen bij het begin: de doelstellingen (te beginnen met een missietekst,...).

Als je met meerderen speelt kun je de beslissingstechnieken erin betrekken. Laat bij elke spelronde de fundtie van spelbegeleiderster doorschuiven: beschrijving van de beginsituatie scenariovragen beantwoorden, ... is een goeie oefening voor het begeleiden van groepen.