Meijer, G.L. - Voorspel wereldbrand (1986)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


pdf: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Meijer,_G.L._-_Voorspel_wereldbrand_(1986)-fax.pdf
markdown: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Meijer,_G.L._-_Voorspel_wereldbrand_(1986)-markdown.tgz
epub: http://anarchief.org/wiki/Bestand:Meijer,_G.L._-_Voorspel_wereldbrand_(1986).epub

Ooggetuigeverslag van de maanden voorafgaand aan het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog en de chaotische periode die daarop volgde.


Onderstaande tekst automatisch aangemaakt:

Gerard Lutke Meijer
Voorspel Wereldbrand (1986)
Een ooggetuigeverslag van de Spaanse Burgeroorlog

TL;DR.

Voor journalist Gerard Lutke Meijer was zijn pen het wapen waarmee hij deelnam aan de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), een schokkende ervaring die zijn leven blijvend zou beïnvloeden.
Al in de vroege jaren dertig voorvoelde hij de naderende burgeroorlog; gebiologeerd had hij geregistreerd wat zich in het verre Spanje afspeelde: de honger, het rumoer van het groeiende verzet tegen het rechtse bewind, de ondertoon van dreigende reactie.
Zijn poging om zijn toenmalige hoofdredacteur van De Telegraaf te overtuigen van het belang om hem als correspondent naar Spanje uit te zenden, liep uit op een ontslag.
De gedreven Lutke Meijer besloot daarop met vrouw en kinderen zelf naar Spanje te vertrekken en als free-lance journalist verslag te doen van wat hij voelde en meemaakte.
Voorspel Wereldbrand is het ooggetuigeverslag van de maanden voorafgaand aan het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog en de chaotische periode die daarop volgde. Lutke Meijer legde hierin zijn persoonlijke, uiterst beeldend beschreven indrukken vast. Hij maakte daarbij talrijke foto’s die zijn boek de atmosfeer en de actualiteit van een reportage geven.

Inleiding

Sedert de Romeinen Spanje veroverden, is de grond op het Iberisch schiereiland steeds opnieuw in verkeerde handen gekomen, althans niet in het bezit van degenen, die haar bewerkten. In de zes eeuwen onder Moorse heerschappij kwam de landbouw, dankzij een ingewikkeld irrigatie-systeem, weliswaar tot bloei, maar toen de monarchie en de kerk aan het eind van de veertiende eeuw de macht overnamen, brak voor de landarbeiders een periode aan van hongersnood, onderdrukking en armoede. De boeren hebben zich nadien echter nooit passief bij het feodale systeem neergelegd. Met de regelmaat van generaties zijn zij in opstand gekomen en telkens reageerde de overheid met een overmaat van geweld. Toch werd in Spanje al op verdeling van de grond aangedrongen vóór elders in Europa de sociale beweging op gang kwam. In 1835 werden de gilden definitief afgeschaft en, iets minder definitief, de zogenaamde heerlijkheden en majoraten. Een jaar later, na de onteigening van de kerkelijke bezittingen, zei de politicus Estrada: ‘Geef de landarbeiders hun deel in het bezit van de grond!’ In de praktijk is daar maar weinig van terecht gekomen, want de geestelijkheid zag kans om binnen een paar jaar de meeste goederen terug te krijgen.
Veel arme Spanjaarden emigreerden naar Zuid-Amerika, maar in de crisisjaren van deze eeuw keerden er toch weer duizenden berooid terug uit Amerika, Frans Marokko en Frankrijk.
Spanje werd verdeeld door een bittere klassestrijd, waarbij de kerk, de monarchie en de landadel een provocerende en onderdrukkende rol speelden. Koning Alfons XIII maakte in 1923 plaats voor een militaire dictatuur onder leiding van Primo de Rivera. Negen jaar later werd echter, na gemeenteraadverkiezingen in april 1932, de republiek uitgeroepen. Maar de verdeeldheid binnen de linkse partijen bracht in 1934 opnieuw rechts aan de macht. In Madrid, Barcelona en in Asturië brak al in oktober 1934 een opstand uit tegen dit rechtse bewind, dat alle hervormingen van de republiek had teruggedraaid. Voor het hele land werd de oorlogstoestand afgekondigd. De bloedig onderdrukte mijnwerkersopstand in Asturië, in december van dat jaar, heeft minstens drieduizend doden gekost.

Bestand:Fotos/alcazar.jpg
Linkse milicianos belegeren het Alcazar van Toledo.

Spanje voerde de doodstraf weer in. Het parlement was buiten werking gesteld en in de gevangenissen zaten 30.000 politieke gevangenen opgesloten. Het land telde minstens 700.000 werklozen toen een volksfront van republikeinen, socialisten, communisten en andere linkse groeperingen bij de verkiezingen van februari 1936 een meerderheid in het parlement, de Cortes, behaalde. Maar links blééf verdeeld en de extreem rechtse falangisten kregen meer aanhang. Boven de deur van het Duitse consulaat in Madrid wapperde al geruime tijd de hakenkruisvlag, die op de socialistische feestdag, 1 mei, door extra politiebewaking werd beschermd.
De staatsgreep van de rechtse generaals, die al sedert 1935 was voorbereid, begon op 18 juli 1936 in Spaans Marokko, Navarra en andere delen van het land. De Spaanse burgeroorlog is in feite begonnen op 19 juli 1936 toen de bevolking massaal in actie kwam.
In Barcelona en Madrid was de opstand van de rechtse militairen in drie dagen door de volksmilitie bedwongen. In Noord-Spanje kregen de nationalistische officieren de macht wel in handen, mede dankzij de hulp van het Vreemdelingenlegioen. Baskenland en het mijngebied van Asturië konden nog republikeins blijven. In Catalonië vormden het Volksfront en de anarcho-syndicalisten op 21 juli een centraal comité, dat de strijd tegen de rebellerende militairen tot 21 september heeft geleid.
De militairen, die zich met vrouwen en kinderen in het fort Alcazar in Toledo hadden teruggetrokken, zijn meer dan twee maanden door de volkmilities bestookt. Moorse troepen en het Vreemdelingenlegioen hadden het fort tenslotte op 26 september ontzet. De helft van de anti-republikeinse militairen bleek gedood, maar hun aanvoerder Moscardo leefde en heeft de bevolking van Catalonië tot in de Tweede Wereldoorlog weten te onderdrukken. Dezelfde Moorse troepen en eenheden van het Vreemdelingenlegioen die Toledo hebben ingenomen, hebben ook Sevilla bestormd en er, gewapend met handgranaten en messen, een waar bloedbad aangericht. De strijd om Madrid begon op 22 oktober 1936. In Badajoz in Zuid-Spanje hebben militairen duizenden burgers doodgeschoten en ook op het eiland Mallorca zijn vele duizenden terechtgesteld.
Italië is al vroeg bij de burgeroorlog betrokken. Op 15 juli 1936 stonden Italiaanse vliegers op bevel van Mussolini gereed om Franco te helpen. Duitsland, Italië en vele buitenlandse ondernemingen hadden in november 1936 door hun militaire of financiële steun al zo’n invloed op de oorlogshandelingen, dat het karakter van de ideologische strijd al lang was overvleugeld.
De non-interventiepolitiek, die Frankrijk op 1 augustus 1936 had voorgesteld, heeft in wezen gefaald. Het tweede deel van de Spaanse burgeroorlog begon in die novemberdagen van 1936. In de militaire strijd, die tot de overgave van Barcelona op 26 januari 1939 duurde, heeft het machteloze Spaanse volk geen directe invloed meer gehad.

Als redacteur buitenland bij het dagblad De Telegraaf volgde Gerard Lutke Meijer, die vloeiend Spaans sprak, de ontwikkelingen in Spanje op de voet. Hij had in 1935 al in het Haagsch Maandblad een artikel geschreven over de landhervormingen in Spanje. Hij was gebiologeerd door de problemen in dat land en voorvoelde een naderend onheil. Zijn poging om zijn toenmalige hoofdredacteur van De Telegraaf te overtuigen van het belang om hem als correspondent naar Spanje uit te zenden, liep uit op een ontslag. De 32-jarige Lutke Meijer nam daarop het besluit in het voorjaar van 1936, met zijn vrouw en twee kinderen, een jongen van vijf en een meisje van drie jaar, naar Spanje te vertrekken met de bedoeling daar sociale reisreportages te maken. Drie maanden later werd het gezin meegesleurd in een burgeroorlog, die dramatischer was dan het zogenaamde neutrale Europa wilde erkennen.
De jonge, antimilitaristische journalist moest van de ene dag op de andere leren omgaan met een situatie die hij zo verfoeide: oorlog. Zijn onbevangenheid en niet-politiserende kijk op de ontwikkelingen hebben hem de mogelijkheid gegeven juist die zaken te noteren, die reliëf geven aan het menselijk handelen in oorlogsomstandigheden. Verbaasd en vaak niet begrijpend moet hij destijds hebben rondgelopen in deze gruwelijke burgeroorlog, met de niet geringe verantwoordelijkheid van echtgenoot en vader, steeds begeleid door het dreigend geluid van de mitrailleurs.
Het was al niet meer zo rustig in Europa. Duitsland had Hitler leren kennen en in Italië roerde zich de Duce. Nederland bleef, als zovaak daarvoor, neutraal en Spanje was ver weg. Het lag in die tijd niet voor de hand om met een gezin naar een gebied als Spanje te vertrekken. De pure nieuwsgierigheid van journalisten, de sterke neiging om alles te willen observeren, moet voor Lutke Meijer een sterke drijfveer zijn geweest om de veilige woning in Amsterdam achter zich te sluiten. Snel genoeg zou blijken dat de ontwikkelingen in Spanje hem zouden inhalen.
Vijftig jaar later heeft Gerard Lutke Meijer aan de hand van zijn artikelen en van dagboekaantekeningen verslag gedaan van het leven tijdens de Spaanse burgeroorlog. Het is aan die nauwgezette observatie van schijnbaar onbelangrijke zaken te danken, dat wij nu een beeld krijgen van de burgeroorlog, zoals zoveel burgers die hebben moeten ondervinden. Zonder glorie, zonder heldenmoed, maar met de problemen van alle dag.

‘Er komt geen oorlog in Spanje…’

In het voorjaar van 1935 kwam ik in het bezit van een boekwerk dat van grote invloed is geweest op mijn verdere leven en dat van mijn huisgezin. Het heette ‘Los Latifundios en España’, De grote landgoederen van Spanje, en het was geschreven door Pascual Carrión, landbouwingenieur bij de Junta Central de Reforma Agraria. Het verscheen in 1932 met een voorwoord van Fernando de los Ríos, minister van Justitie in het eerste republikeinse kabinet na de val van de monarchie. De los Ríos was ook de mede-ondertekenaar van het Manifest van Azaña, dat een einde maakte aan het monarchistische regime in Spanje. Ik schreef een artikel over de agrarische hervorming in Spanje, dat in juni 1935 werd gepubliceerd in het toenmalige Haagsch Maandblad. Een paar alinea’s uit dit artikel maken duidelijk van hoeveel belang de enorme landgoederen voor Spanje waren.

Bestand:Fotos/grondherv1.jpg
Eeuwenlang hebben Spaanse boeren de onrechtvaardigheid van armoede moeten verdragen. De eerste links-republikeinse regering wilde daaraan een einde maken door indringende grondhervormingen.
‘Tussen 1931 en 1934 heeft het Instituto de Reforma Agraria, het instituut van landbouwhervorming, aan 10.755 kolonisten met hun gezinnen een nieuw bestaan verschaft; 9.069 van hen op onteigende landgoederen en 2.146 op terreinen, die tijdelijk in gebruik zijn genomen. Daarmee is een begin gemaakt met de geweldige taak: de verlaten districten in het vruchtbare zuiden van Spanje opnieuw te bevolken. Er zal echter nog heel wat water door Ebro en Quadalquivir stromen alvorens dit veelomvattende probleem tot een oplossing is gekomen. Het gaat er niet alleen om dat ongeveer 27.000 grondbezitters in La Mancha, Extremadura en Andalusië meer dan zesmiljoen ha. grond bezitten en dat juist in deze streken de landhonger van de vele werklozen buitengewoon groot is. Het gaat er vooral om, dat ze de grond uiterst ondoelmatig gebruiken. Zij denken niet aan de bevolking, die in wanhopig armoedige toestand verkeert. Zij scheppen geen werkgelegenheid, door de opbrengst van hun grond weer in de bodem te steken, maar gebruiken haar uitsluitend voor hun eigen behoeften. In december 1934 telde men in de land- en bosbouw 215.000 geheel-werklozen en circa 170.000 gedeeltelijk-werklozen…

Er zijn twee grote geschiedkundige feiten, die het ontstaan van de landgoederen verklaren: de verdeling van de grond na de verovering van Zuid-Spanje op de Moorse bewoners en de zogenaamde desamortisatie in de vorige eeuw. In 1610 hadden 500.000 Morisco’s het land moeten verlaten en hun akkers en tuinen werden samengesmolten tot grote domeinen. Het land werd verdeeld onder de militaire orde, onder de adel, die het leger leidde en onder de geestelijkheid. In plaats van de intensieve culturen van de Moren kwam er veeteelt, met het gevolg dat de streek werd ontvolkt en er armoede kwam heersen in de eens zo rijke landerijen…
De arme Spaanse boer moest zich in de schulden steken, als hij zijn land wilde bewerken en zodra hij geoogst had, alles schielijk van de hand doen om zijn schuldeisers te kunnen betalen. Daar kwam de corruptie nog bij, de befaamde’caciques’ van Spanje. Het is dan ook geen wonder dat het in deze arme landbouwstreken al eeuwenlang gebroeid heeft. In de vorige eeuw hebben ontevreden boeren herhaaldelijk invallen gepleegd op grote landgoederen, waarbij vee en voorraden werden geroofd. Dat gebeurde in 1840 in de provincie Malaga, in juni 1857 in Sevilla, in 1861, in 1868 en ook in ‘73, ’82 en ’83 en in 1892 en deze opstandige bewegingen herhaalden zich in deze eeuw. In 1903, in 1905, in 1918 en ’19 kwam het tot grote stakingen en revoltes. In 1813 werd in de Cortes, het parlement van Cádiz, een wet aangenomen, waarin ter delging van de overheidsschulden de verkoop werd voorgeschreven van de helft van de onbebouwde gemeenschapsgronden. De rest zou worden verdeeld onder degenen die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog het vaderland hadden verdedigd en onder dorpsbewoners zonder grond. Maar de wet werd met grote vertraging uitgevoerd en tenslotte waren het weer de bezitters van de grote domeinen, die stukken voormalige gemeentegrond in handen kregen…
Het warme zuiden van Spanje is niet meer op krachten gekomen. Elk jaar liggen er uitgestrekte stukken grond braak. In totaal laat men meer dan driemiljoen ha. bruikbare grond renteloos liggen, een oppervlak dat bijna even groot is als Nederland. In het land der grote landgoederen wordt anno 1935 per dag 1.25 tot 1.50 peseta betaald plus de kost: drie pond brood, water, wat olie en uien en ’s avonds een bord schrale soep. Dat is gelijk aan ƒ0,30 per dag. Vrouwen scheept men af met een bagatel van 0.75 tot 1.25 peseta per dag…
Men pakt de grondhervorming nu op vier manieren aan. Van 99 grootgrondbezitters, die in augustus 1932 tegen het republikeinse regime waren opgestaan, is het bezit onteigend zonder schadeloosstelling. Hierdoor kreeg het Instituto de Reforma Agraria 578.000 ha. grond tot zijn beschikking. Tijdelijke inbeslagneming vond, met toestemming van de eigenaren, plaats in 31 domeinen, elders werden pachtafspraken gemaakt ten behoeve van vijftienhonderd landbouwersgezinnen. Voor het jaar 1935 beschikt het instituut over 120 miljoen peseta’s, maar de kolonisatie komt niet goed op gang, omdat men de grootgrondbezitters niet wenst te ontstemmen. Men heeft voor 1935 voorzien in de vestiging van tienduizend kolonisten, maar het moet worden betwijfeld of dit aantal wel geheel kan worden geplaatst…’

Bestand:Fotos/grondherv2.jpg
Eeuwenlang hebben Spaanse boeren de onrechtvaardigheid van armoede moeten verdragen. De eerste links-republikeinse regering wilde daaraan een einde maken door indringende grondhervormingen.

Dat was in het kort de kern van de Spaanse problematiek. Zonder de vale kleuren van de honger, zonder het rumoer van het groeiende verzet en de ondertoon van de dreigende reactie. Al vele jaren had ik, gebiologeerd door hetgeen er zich in het verre Spanje afspeelde, alle gegevens nauwkeurig geregistreerd. Van dag tot dag. Klaar om te gebruiken als dat nodig was voor de berichtgeving over Spanje voor het dagblad De Telegraaf, waar ik redacteur buitenland was. Als ik ze nu opsla, een halve eeuw later, dan begrijp ik niet dat ik mijn hoofdredacteur niet heb kunnen overtuigen van het onheil dat Spanje te wachten stond. ‘Geef me zes weken verlof voor een reportagereis door Spanje, zei ik. ’Nu kan het nog. Ik móet er heen om de situatie op te nemen. Straks loopt de zaak zeker uit de hand. Ik diende als jong en onstuimig journalist mijn reisplan in. Maar helaas, het naar mijn idee toch gematigde artikel over de Spaanse landhervorming in het Haagsch Maandblad, had mijn positie geen goed gedaan. Had zelfs mijn bestaan ondermijnd. Het was volop crisis in Nederland; motieven voor ontslag waren in die tijd gemakkelijk te vinden. Bij de krant volgde een botte afwijzing onder het motto: er komt geen oorlog in Spanje en als er wat losbreekt, is dat totaal onbelangrijk voor Nederland.
Om kort te zijn, ik stond op 15 maart 1936 op straat. Zonder baan en zonder vooruitzichten. Mijn moed evenredig aan de zes maanden salaris die ik had meegekregen: een stuk of wat briefjes van honderd en één van duizend. Het eerste in zijn soort, dat ik ooit gezien had, laat staan in eigendom gehad. Meer moed toonde mijn vrouw. ’Hoe durven ze’, riep ze boos, ‘je plan zat goed in elkaar. Laten we naar Spanje gaan om het te bewijzen!’
En zo is het gegaan. Twee weken later hadden we onze mooie woning opgebroken, de meubels opgeslagen in een pakhuis. We kochten zomerkleren voor onze kinderen, de vijfjarige Koos en de drie jaar oude Tineke. Een tweedehands Leica sloeg een gat in ons reservegeld. De portable schrijfmachine ging met de rest van ons hebben en houwen in twee grote rieten wasmanden. Zo gingen we aan boord van een vrachtboot op weg naar Gibraltar, met bestemming Alcalá de Guadaira bij Sevilla, waar onze vriend, de Hollandse kunstschilder Christiaan Huidekooper woonde.

Verkiezingswinst voor Volksfront

Vrijwel elke Nederlander kent op z’n minst de buitenrand van Spanje, de Costa Brava of de Costa del Sol met hun luxueuze hoog oprijzende hotels vlak aan het strand. Het land waar wij vijftig jaar geleden neerstreken, kende het massatoerisme nog niet. Toen was Sevilla nog een slaperig provinciestadje en het bakkersdorp Alcalá de Guadaira nog helemaal een oase van rust, behalve op de uren dat de ezeltjes met hun korven brood voor Sevilla de trein in werden geladen. Langs de Guadaira stonden nog prachtige Moorse watermolens, die zich romantisch spiegelden in het riviertje. Op de landerijen in de omgeving sjokten ezeltjes in een urenlange blinde rondgang rond de put waardoor het water voor de bevloeïing van de groentetuinen omhoog werd gebracht.
De Semana Santa, de heilige week, begon dat jaar op 10 april. Maar enkele dagen voor dat feest in Sevilla was de rust al verstoord doordat in Alcalá een herverkiezing plaats vond. De eerste links-republikeinse regering van 1931 had in november 1933 plaatsgemaakt voor een duidelijk conservatiever bewind, in hoofdzaak omdat de anarchisten zich uit principiële gronden van stemming hadden onthouden. De monarchisten hadden daarentegen een geweldige campagne op touw gezet en vooral sterke druk uitgeoefend op het platteland. Het kabinet Lerroux-Gil Robles steunde als gevolg daarvan op een rechtse meerderheid en haastte zich de progressieve maatregelen van zijn voorganger af te zwakken en ongedaan te maken. De bevolking nam dat niet en met name in Asturië leidde dat tot een opstand. De nieuwe verkiezingen van februari 1936 brachten een duidelijke overwinning van een verenigd Volksfront, waaraan de anarchisten wel hadden meegedaan dit keer. Ze waren ervan overtuigd, dat de vooruitgang anders nogmaals op de lange baan zou worden geschoven. Een herstemming in Alcalá bracht een klinkende overwinning voor het Volksfront.

Bestand:Fotos/dans.jpg
Een hossende menigte vierde in april 1936 de overwinning van het Volksfront in Sevilla.

Er werd de hele dag gefeest, met hossende en joelende mensen en daverende kermismuziek. Er waren kraampjes met etenswaren, kooplieden met zakjes versgebrande pinda’s. Men verdrong zich om de calienta-bakkers, die op het trottoir zoete deegspiralen bakten in de hete olie.

Bestand:Fotos/kraampjes.jpg
Men verdrong zich om verkopers van slakken, pinda’s en calientes, de zoete deegspiralen die midden op straat werden gebakken.

Het lawaai was doorgedrongen tot de grotbewoners even buiten het dorp. Zij leefden in de buurt van een oud, vervallen kasteel boven op een rots. Alleen de vier torens stonden er nog, als symbolen van de sterke wil die van hieruit eens de omgeving heeft beheerst. Op het binnenpleintje graasden in het gras dat welig was opgeschoten tussen het puin een stel burros, jammerlijk balkende ezeltjes. En een troep geiten, die ‘s avonds door de stad werd gedreven om voor de deur van de klant te worden gemolken.
Het slingerpaadje, dat naar boven voerde, liep door verwaarloosde sinaasappeltuinen en langs hellingen vol klaprozen en geurige tijm. En dan bij het omslaan van een hoek, onder een vervaarlijke rotswand door, stond je plotseling in het rijk van de grotbewoners. Vanuit de donkere schaduw van de bewoonde rotsen, stroomden ze naar je toe, kinderen met viezige korsten op het gladgeschoren hoofdje, kleintjes met naakte beri-beri buikjes, een enkel hemdje over het bruine lijf. De bedelende kinderhandjes strekten zich naar je uit:’Una limo’na señorito, una limo’na. Una chica!

Bestand:Fotos/grotbewoners1.jpg
De ochtend na het overwinningsfeest trok een stoet van 25 grotbewoners naar het dorp Alcalá de Guadaira om een leegstaand huis te kraken. In een republiek hebben toch ook de armsten der armen recht op een woning?

Op de achtergrond de vrouwen, met geoefend oog taxerend wat voor gift je de kleintjes zou geven. Je kijkt naar binnen en beleefd wordt een lap voor je opzij getrokken: ‘Entrese, señor!’ In een donkere spelonk met oneffen bodem en zwartberookte zoldering zie je een paar stoelen, een ruwe tafel, een paar ledikanten, wat vodden en kleurige platen. In dertig of veertig spelonken woonden hier de armsten der armen, werkloze dagloners en kinderen uit vaderloze gezinnen die zich voor een paar cent verhuurden als landarbeider. Hier woonde wat nergens anders plaats kon vinden. In een grote grot huisden drie gezinnen die er anders over dachten. Een van de mannen had in Alcalá een leegstaand huis gezien, heel wat geriefelijker dan dit vochtige gewelf, waar na de stortregens van de laatste tijd het water naar binnen lekte door fijne, onzichtbare scheurtjes in het plafond. Voorzichtig had hij links en rechts geïnformeerd: de eigenaar lag op sterven en ook de vrouw was ernstig ziek. Directe erfgenamen waren niet voorhanden. De vorige huurders waren weken geleden naar een andere plaats vertrokken. De grotbewoners waren het eens: geen betere gelegenheid om dat huis te bezetten, dan na het overwinningsfeest van het Volksfront.
Vámonos – laten we gaan. Wat kan ons gebeuren?’ De kinderen werden bij elkaar getrommeld, de was die te drogen hing aan de stekelige schijven van de geel bloeiende cactussen werd bijeen gehaald. Op de zwaar beladen ezelsrug werd nog een stoel vastgesjord en toen ging het schommelend en wankelend langs het slingerpad omlaag naar Alcalá. Er was een revolutie geweest, er was een republiek gekomen en nu had het Volksfront de overhand bij de verkiezingen.

Bestand:Fotos/grotbewoners2.jpg
De ochtend na het overwinningsfeest trok een stoet van 25 grotbewoners naar het dorp Alcalá de Guadaira om een leegstaand huis te kraken. In een republiek hebben toch ook de armsten der armen recht op een woning?

En zo daalde een zonderlinge karavaan omlaag naar het dorp: drie ezeltjes, links en rechts beladen met een allegaartje aan huisraad, met stoelen en tafels en een ijzeren houtskooltest, met gedeukte potten en ketels en voddige stro-matrassen. Beroering in het dorp: de vrouwen lieten hun waaier en houtskoolvuurtje in de steek en leunden over de onderdeur om de verhuisboel na te kijken. Voor een dichte deur in de stille wijk bleef de karavaan staan. Een ogenblik verrassing over de onverwachte weerstand, toen werd de deur door drie krachtige mannenschouders opengeramd. Wie doet ons wat: de republiek heeft gezegevierd en ‘plus ultra’ staat in haar wapen! Drie kamers had het huis en nog een keuken. De vijfentwintig grotbewoners, zeven volwassenen en achttien kinderen, zochten zich een plaats. Ieder gezin koos een kamer en net toen de mannen hun eerste sigaret hadden gerookt, stapte de guardia civil naar binnen, de karabijn aan de gele riem over de schouder, het zwarte, driekantige ketelhoedje op het hoofd. Ze luisterden half onwillig naar de politieke argumenten van grotbewoners. Artikel zoveel van die en die wet spreekt over de mogelijkheid van een vreedzame bezetting indien er sprake is van een maatschappelijk belang. ‘En het belang van de maatschappij, dat is ons belang. Want wij, de armen, de arbeiders, wij leveren meer dan de helft van de stemmen, die op het Volksfront zijn uitgebracht!’ De politiemannen waarschuwden de burgemeester, maar die wilde zijn populariteit niet in de waagschaal stellen en koos de burocratische weg. Nog diezelfde dag stuurde hij een brief naar de gouverneur in Sevilla, de hoogste man in het district. Laat die het varkentje maar wassen. Zo sliepen de grotbewoners een nacht in hun nieuwe huis en nog een nacht. En toen kwam de ontnuchtering. De gouverneur zei: ze moeten er uit, desnoods met geweld. De burgemeester prees zijn eigen gezond verstand, de guardia’s waren opgelucht: eindelijk op bekend terrein. En ten overvloede was de nieuwe bewoner in aantocht. Vijfentwintig armzalige, ongelukkige mensen stonden op straat en zagen hun geluksster ondergaan: de dingen zijn toch niet veranderd, arme mensen hebben geen rechten, ook niet in een republiek. De mannen stonden met gebalde vuisten, schreeuwden en vloekten en weken slechts voor geweld. Voor de deur van het huis stapelde zich het huisraad op als bedrogen hoop. Een uur later trok de stoet weer naar boven, het bergpad op. De grot daarboven slokte alles weer op en het oude leven hernam zijn loop. Over twee weken was het zomer en zolang was het daar nog wel uit te houden. Reeds vijftien geslachten waren in deze spelonken geboren en doodgegaan. Misschien was het nog te vroeg voor veranderingen.

Bestand:Fotos/grotbewoners3.jpg
De ochtend na het overwinningsfeest trok een stoet van 25 grotbewoners naar het dorp Alcalá de Guadaira om een leegstaand huis te kraken. In een republiek hebben toch ook de armsten der armen recht op een woning?

Politieke verdeeldheid bedreigt jonge democatie

Op zondag 16 februari brachten bijna tien miljoen Spanjaarden hun stem uit. Vier dagen later bleek dat niet minder dan 34,3% had gekozen voor het Volksfront: een anti-fascistische coalitie tussen de democratische partijen, de socialisten en de communisten, die de enthoustaste menigten tijdens de verkiezingstijd ‘brood, vrede en vrijheid’ had beloofd. Het Nationale Front van monarchisten, Carlisten, grootgrondbezitters en onafhankelijken leed samen met de Ceda, de katholieke partij, met 32,2% een onverwachte nederlaag. Onmiddellijk na de verkiezingsuitslag brak er een tijd aan van rellen, moordaanslagen en provocaties. De fascistische falangisten probeerden wapens te kopen, de monarchisten zochten steun voor een staatsgreep en chefstaf generaal Franco drong aan op het uitroepen van de staat van alarm, waarbij het hele land in feite onder militaire dictatuur zou komen. In paniek legden premier Valladeres en zijn ministers hun portefeuilles neer. Het parlement, de Cortes, was naar huis gestuurd en terwijl de socialisten een algemene staking organiseerden, stroomden duizenden mensen naar het ministerie van Binnenlandse zaken, massaal ‘Amnistía, amnistía’ roepend. Eind februari werden 30.000 politieke gevangenen vrijgelaten en in de verwarring zagen bovendien veel gewone misdadigers kans te ontsnappen. De 56-jarige schrijver en oud-minister uit het eerste republikeinse kabinet, Azaña, kreeg met andere linkse leiders amnestie. Azaña vormde een nieuwe regering van links-republikeinen. De generaals Franco en zijn geestverwant Goded werden veiligheidshalve ‘verbannen’ naar ongevaarlijke commandoposten op respectievelijk de Canarische Eilanden en de Balearen. Niemand hield er rekening mee dat zij ook daar konden meewerken aan een anti-republikeins complot van monarchisten en militairen. In stilte werd een staatsgreep voorbereid die op 17 april had moeten plaatsvinden, maar door allerlei oorzaken werd uitgesteld tot juli 1936.

We hadden alles op alles gezet om voor de tiende april in Sevilla te zijn: de dag van de befaamde rondgang van de Semana Santa, een eerste attractie voor de toen nog zo schaarse toeristen. In Sevilla hoopte ik ook een fotograaf te vinden die mij kon inwijden in alle geheimen van mijn Leica, de mooie camera die me drie weken salaris had gekost. Ik vond er een, die in zijn etalage foto’s had van de processies van vorige jaren, close-ups van de heiligenfiguren, die op de canastos, de manden van de verschillende broederschappen, werden meegedragen. De fotograaf spreidde ze voor me uit met gerechtvaardigde trots. ‘Die wil ik van u kopen’, zei ik en toen op het juiste psychologische moment: ‘à propos, kunt u me even op gang helpen. Ik heb dit toestel nog maar net en ik weet niet waar dat knopje voor dient. Ik moet foto’s maken voor mijn krant.’
‘Goed toestel’, zei de fotograaf waarderend. Hij nam het in de hand en draaide aan alles tegelijk. Vermoedelijk had hij nog nooit een Leica gezien. Op een bepaald moment zei er iets ‘krak’ en was mijn geliefde camera onbruikbaar. ‘Neem me niet kwalijk’, zei de man, ‘u zult het moeten opsturen naar Madrid. Daar is een Leica-importeur. Ik zal het adres even opschrijven. Maar het kost u wel een paar weken.’
In een flits begreep ik dat de man mij wilde uitschakelen als potentieel concurrent. ‘Als dat uw antwoord is, dan neem ik deze foto’s mee als schadevergoeding. En met een zwaai veegde ik alle voor mij uitgestalde foto’s bijeen en liet ze verdwijnen in mijn tas. In minder dan geen tijd zaten we gezamenlijk op een politiebureau. De Castiliaanse taal is heel wat anders dan het Andalusisch dat ik sprak en de hartstochtelijke woorden van de fotograaf gingen daardoor grotendeels voor mij verloren. Dat gold niet voor de verontwaardigde blikken van de dienstdoende politieman en evenmin voor de vraag die hij aan zijn landgenoot stelde: ’Bravemente, qué es su pleito? Wat is nu eigenlijk uw aanklacht?’ Op dat moment kwam ik tussenbeide: ’Zíjn klacht? Ik ben de klager. Ik kom hier als publicist om foto’s te maken van de Semana Santa. Dat zal Nederlandse toeristen trekken voor uw stad. Hij maakt moedwillig en uit concurrentienijd mijn fototoestel onbruikbaar. Dat is een handicap van minstens drie weken. Ik eis schadevergoeding in de vorm van deze foto’s zonder copyright!

Bestand:Fotos/pelgrimstocht1.jpg
Op Hemelvaartdag vertrok rijk en arm voor een pelgrimstocht naar de bergen, maar er was een hemelsbreed verschil tussen de rijke caballieros, die vooruit reden met hun dames achterop het paard, en de gewone jongens en meisjes, die in vrachtauto’s volgden.

‘Dat verandert de zaak’, zei de politieman en toen de fotograaf gegeneerd begon te hakkelen, sprak hij zijn Salomonsoordeel uit: er volgde geen aanklacht en ik stapte even later met een aantal van de buitgemaakte foto’s het politiebureau uit. Een paar weken later keerde de gerepareerde Leica terug uit de Spaanse hoofdstad, gelukkig vergezeld van de gebruiksaanwijzing waarom ik gevraagd had.
In Alcalá huurden we een eigen woning. We maakten kennissen, zochten contact met de Hollandse consul, baron Van Aerssen Beijeren, en maakten excursies tot ver in het achterland. Toen begon op Palmzondag, Domingo de Ramos, de paasweek van Sevilla met het zegenen van de palmtakken in de kathedraal. Wij voegden ons in de stoet van kerkgangers, de stemmig geklede dames die in het haar de hoge kam met kanten sluier, de mantilla, droegen. De heren waren in de minderheid. Bij de poorten van het kerkgebouw stonden bedelaars, die zich verdienstelijk maakten door de zwarte voorhang op te houden, die als teken van rouw de toegang afsloot. Van elke kerkganger verwachtten zij een aalmoes, ‘una limosna’. Bovendien hadden zij het voorzien op de sigarepeuken en de halfopgerookte sigaretten, die de heren wegwierpen omdat in de kathedraal nu eenmaal niet werd gerookt. De bedelaars aan beide zijden van de kerkdeur hadden een collegiale afspraak: de eerste peuk was voor de eerlijke vinder links en de volgende voor zijn collega rechts. Met een hoffelijke buiging overhandigden zij elkaar hun rechtmatig aandeel.

Bestand:Fotos/pelgrimstocht2.jpg
Op Hemelvaartdag vertrok rijk en arm voor een pelgrimstocht naar de bergen, maar er was een hemelsbreed verschil tussen de rijke caballieros, die vooruit reden met hun dames achterop het paard, en de gewone jongens en meisjes, die in vrachtauto’s volgden.

Zwarte doeken ook in de kathedraal zelf, die het daglicht niet eerder zouden mogen toelaten dan op Goede Vrijdag, de grote dag van de gewijde rondgang door de stad. In het schemerduister wierpen de kaarsen een onzeker licht op de bundels palmtakken bij het hoogaltaar. De bladslippen van de vier meter lange takken waren tot grillige figuren dooreengevlochten. Een groep koorknapen liep met rinkelende bellen en dampende wierooklampen voorop, gevolgd door een hoog opgehouden kruis, dat nog door een zwarte doek aan het oog werd onttrokken.
De processie maakte een rondgang tussen de hoge pilaren, langs de schilderstukken van grote meesters als Goya en Murillo, langs de heilige eucharistie en begaf zich vervolgens naar buiten, naar een fel door de zon verlichte binnenplaats. De priesters en kapelaans met hun rode en blauwe kalotjes knipperden een ogenblik met hun ogen in het verblindende licht. Van de oude Giralda, de Moorse toren, daverde daarop het geweld der klokken neer. De processie stopte bij de Poort van de Hagedis, waarboven een olifantstand en een opgezette krokodil hingen. De deur, die de poort van het Hemelse Jeruzalem voorstelt, wordt pas geopend na drie slagen met het kruis, als symbool van het geloof en na ettelijke liederen van de wachtende processie, die worden beantwoord door de kerkdienaren in de kathedraal. Binnen zegende de kardinaal de palmtakken, die aan iedere gegadigde werden uitgereikt. Volgens de gelovigen hebben de palmtakken de kracht om onheil af te wenden en ze worden nog altijd door de balkonspijlen van de huizen gevlochten en aan de gevels gespijkerd.
We zagen die versiering op de Avenida de la Libertad, waar we ons op de dag van de rondgang met onze kinderen hadden opgesteld. Het had overigens maar een haar gescheeld of het religieuze schouwspel was niet doorgegaan. Het was namelijk al een paar dagen ongebruikelijk slecht weer geweest. Het had zelfs gehageld. Brokken ijs ter grootte van een duiveëi hadden de kijkers verjaagd. Tribunes en zesdubbele rijen stoelen waren halsoverkop verlaten. Maar tenslotte scheen toch een brandende zon boven de stad en waterverkopers baanden zich met moeite een weg door de aangroeiende menigte. Telkens als een dorstige ziel in de handen klapte, verscheen de waterverkoper met zijn kruik met twee koperen of glazen mondstukken op de rug en twee glazen aan een gordel op zijn buik. Bij het inschenken boog hij zich voorover zodat de kruik horizontaal kwam te liggen en behendig ving hij de waterstraal op. Met de hygiëne nam hij het niet zo nauw. Als hij telkens het glas zou moeten schoonvegen met het lapje in zijn gordel, dan zou een andere waterdrager hem bij de volgende klant voor zijn. En daarom: ‘Hay agua! Agua fresca!’, allemaal uit hetzelfde glas.
Niet minder dan negen religieuze broederschappen, confradías, zouden met hun processiewagens uittrekken. Het zijn eigenlijk grote houten bakken, beschilderd en met kostbare kleden bedekt, zodat de dragers niet te zien zijn. Plotseling kwam er deining in de wachtende menigte: de eerste confradía was in aantocht. Vier agenten te paard maakten vrij baan, gevolgd door twintig geniesoldaten, met pluimen op de witte hoofddeksels en witte en rode tressen over de helderblauwe uniformen. Daar waren de ‘nazarenos’ in hun boetekleed, blootsvoets of op sandalen, allen in wijde pelgrimsrok en met een puntkap over het hoofd. Onherkenbaar voor de wereld door hun benauwende kap, trokken ze zwijgend voorbij als figuren uit een griezelige middeleeuwse wereld of als leden van de Amerikaanse Ku Klux Klan. Langzaam, heel langzaam, telkens even rustend op de meterslange waskaarsen die zij droegen.
Daarop volgde de eerste processiewagen, waarop met beelden van hout of geperst papier, de laatste lijdensweg van Jezus was uitgebeeld. Telkens als de dragers schuifelend en wiegelend de canasto een eindje hadden verplaatst, moesten zij uitblazen en met een korte tik gaven ze aan wanneer de stoet weer verder kon gaan. Dan grepen de nazarenos hun waskaarsen stevig vast en schuifelden verder, gevolgd door de processiewagen. Hierachter sloten zich de mannen met ladders en kaarsensnuiters op lange stok aan. Zij waren belast met de veiligheid, en werden gevolgd door nog een aantal Ku Klux Klanners met zwaaiende wierooklampen.

Bestand:Fotos/nazaranos.jpg
Negen broederschappen trokken tijdens de Semana Santa van 1936 door de straten van Sevilla en de ‘nazaranos’, die de praalwagens droegen, passeerden zwijgend en anoniem als macabere leden van de Ku Klux Klan.

Daarachter volgde al snel een andere wagen met de beeltenis van Maria, gezeten onder een troonhemel van fluweel en goudbrokaat. Aan haar voeten stonden vier rijen dikke waskaarsen en links en rechts bij de spijlen van de troonhemel boeketten van witte rozen en anjers. De verering voor Maria was groot in het Sevilla van 1936 en overal waar haar wagen passeerde, zwegen de stemmen van de waterverkopers en klonk een applaus op uit de menigte. En toen een bijzonder moment: van een balkonnetje maakte zich spontaan een klagend lied los, een saeta, een oeroud gezongen gebed, een geïmproviseerde biecht van een gelovige. De trillende kopstem was niet meer dan een ijle klacht, een dunne draad muziek, verwaaiend in de wind.
Laat in die nacht is nòg een processie door de straten van Sevilla getrokken: die van de broederschap van La Virgen de la Esperanza. De stoet trok op naar de gevangenis van Sevilla om troost te bieden aan de gevangenen, onder wie zich talloze mensen bevonden die in opstand waren gekomen na de laatste rechtse revolte.
Voor de muren van de gevangenis hief de stoet een lied aan en achter de muren was een antwoord te horen. Er volgden opstandige kreten over en weer en vrouwen barstten in tranen uit, tot de processie zich weer in beweging zette en langzaam in de verte verdween.
Nauwelijks was de Semana Santa voorbij of er brak in de stad een uitbundige feestvreugde los. De vastenperiode was afgelopen en de moeizaam ingehouden levenskracht kwam ineens tot uitbarsting. Een der parken was veranderd in een geweldige feestmarkt, waar veehandelaren zaken deden en de anderen kermis vierden. Die feria was een stad op zichzelf, met een brede hoofdstraat met lange rijen lampions en aan beide zijden danstenten vol muziek en tien tot vijftien carrousels met tegen elkaar opbiedend lawaai. Waar je ook keek, dansten Sevillaanse vrouwen in feestjurken met hoepels en stroken, hardgele, rode en blauwe kammen in het zwarte haar. Overal klonk het geluid van castagnetten en tamboerijnen. De jonge schoolmeisjes oefenden ondertussen in heel Sevilla voor de week van de romeria’s, de pelgrimstocht naar de bergen, ter ere van de Maagd van de Dauw. Het was of de jeugd door een besmettelijke danswoede was aangegrepen. Zowel in het oude Santa Cruz als in de arme volkswijk Triana dansten meisjes van negen tot vijftien jaar, het mondje rood geverfd, de wenkbrauwen een stomme lijn, het gezichtje strak als van een pop, dansten in een kring van andere kinderen. Op Hemelvaartsdag vertrok de processie. Voorop een religieuze praalwagen, die werd gevolgd door zes hoge, tweewielige karren, volgepropt met beddegoed, kleren, potten en pannen en alles wat verder nodig was voor een zevendaagse picknick. Als sluitstuk volgde een huishoudelijke wagen met stoelen, banken en ledikanten voor de oudere dames, die het natuurleven ontgroeid waren. De caballieros reden vooruit op prachtige paarden, met hun dames schrijlings achterop. Even leek het of arm en rijk elkaar in de algemene feestvreugde hadden gevonden. Maar dat was maar schijn. De ruiters keken hooghartig neer op de arme bewoners van de Calle Castilla die in 1936 nog een straat was met open winkels zonder etalage. En de bewoners van de kazernewoningen, die al maandenlang in huurstaking waren, keken honend naar de rijkdom. In datzelfde Triana zouden we een paar dagen later een andere processie meemaken, die ons met de neus op de gespannen politieke toestand drukte.

Spaanse burgers eisen nieuwe rechten

Tussen februari en juli 1936 was in feite al éen ‘kleine burgeroorlog’ uitgebroken in het verdeelde Spanje. De economie stagneerde en het dagelijkse leven werd steeds moeilijker. De Spaanse bevolking was in die crisisjaren met één procent per jaar toegenomen en bovendien keerden meer dan honderdduizend volwassen Spanjaarden, die naar Zuid-Amerika en Cuba waren geëmigreerd, gedesillusioneerd terug naar hun land. Rond 1936 was emigratie naar welk land dan ook vrijwel uitgesloten. De waarde van de peseta was na de verkiezingen emstig gekelderd en veel buitenlands kapitaal werd teruggetrokken. Talloze fabrieken sloten hun deuren en het aantal geregistreerde werklozen liep in 1936 op tot meer dan 800.000. In het binnenland bleven de prijzen nog tamelijk stabiel. Voeding en kleding waren bijvoorbeeld redelijk goedkoop, maar daar stonden hoge huurprijzen tegenover. Veel werklozen zochten onderdak of voeding bij een of andere para-militaire organisatie en het kwam regelmatig voor dat gewapende benden zonder veel politieke binding verhaal haalden bij mensen met een vaste baan. De meeste Spanjaarden droomden dat voorjaar van een ‘nieuw Spanje’ hoe dat er dan ook uit zou mogen zien. De anarchistische krant Solidaridad Obrera schreef op 16 april: ‘De staat moet verdwijnen’ en in het fascistische bulletin No Importa stond een paar maanden later: ‘Een vreedzame oplossing is niet meer mogelijk’. In een interview deed Azaña, die op 10 mei tot president werd gekozen, de geruchten over een mogelijke opstand nog af met een luchthartig: ‘Café-praatjes’. ‘Toen de journalist vervolgens zei dat hij ook in het parlement over opstand had gehoord, antwoordde Azaña: ’Ja, dat is het grootste café dat we kennen.’

Toen kort na onze aankomst in Alcalá de Guadaira, de plaats waar we ons voorlopig wilden vestigen omdat onze vriend Christiaan Huidekooper er woonde, de bakker voor de derde keer bij ons langs kwam, hadden wij ernstige klachten over zijn brood. Het was het vaste wittebrood, waaraan het stadje de bijnaam ‘bakkersburcht’ ontleende. In dat jaar 1936 stonden langs het idyllische riviertje de Guadaira nog eeuwenoude Moorse watertorens, die zorgden voor het meel. Honderden bakkers in Alcalá voorzagen de stad Sevilla dagelijks van brood: vijftigduizend kilo per dag. De bakkers gebruikten voor hun aanvoer een primitief treintje, waarin ze samen met hun ezeltjes op en neer reisden, de korven met geurige verse broden tijdelijk in een aparte wagon opgestapeld.

Bestand:Fotos/treintje.jpg
Honderden bakkers uit Alcalá reden dagelijks met hun ezels in een primitief treintje naar Sevilla om er huis aan huis meer dan 50.000 broden af te leveren.

Zo’n bakker-op-een-ezeltje kwam ook aan onze deur. Het moet een komisch gezicht zijn geweest, mijn vrouw en ik in de deuropening. Ik formuleerde onze medische klachten in een vermoedelijk daarop nog niet berekend Spaans, mijn vrouw deed hetzelfde in veel welsprekender gebarentaal – met een benauwd gezicht en de handen op haar buik. De bakker die in de stromende regen achterop zijn ezel zat met een paraplu boven zijn hoofd, begreep het. ‘A, ya ya, comprendo. Maar waarom neemt u geen bruinbrood? Veel gezonder en muy vegetariano’ Mijn vrouw leefde op bij dat woord. Er was dus een bruinbroodbakker in Alcalá. Zo kwamen we in contact met Antonio Herrera, de idealistische gezondheidsbakker met zijn pan integral, zijn volkorenbrood. Wij vonden hem in zijn bakkerijtje, lezend in het Spaanse gezondheidsblad Helios en hij was even verrukt om buitenlandse medestanders op bezoek te krijgen, als wij om zijn lekkere knapperige bruinbrood te kunnen eten. Het leek er veel op dat àl de voedings-‘reform’ in dit deel van Spanje zich in hem concentreerde en hij was er een ijverig pleitbezorger voor.
Antonio werd onze gids en raadsman. Wij maakten, met de kinderen op de rug van het ezeltje, heerlijke tochten langs de Guadaira tot bij het landgoed Gandul, dat in overleg met de eigenaar zou worden verdeeld onder boeren zonder grond. Hoe somber zouden onze dagen in Alcalá zijn geweest, als wij het zonder hem hadden moeten stellen. Wat zouden wij zijn gezondsheidsbrood hebben gemist. Er mankeerde in die tijd nog veel aan de voeding van de Spaanse bevolking. Het blad Helios schreef toen al: ‘De Spaanse keuken is een keuken die het ontstaan van een slechte spijs-vertering in de hand werkt, met een buitengewoon misbruik van witbrood, van bouillon, van gebakken zware kost, waaronder in de eerste plaats de garbanzos, de Spaanse erwt die ooit door de Carthageners is ingevoerd en nu volksvoedsel nummer een is.’
Het blad wees op het vaak ontbreken van groenten en gaf een weinig aanlokkelijk beeld van de gezondheidstoestand: ‘Andalusiërs zijn aan de ene kant mager en ondervoed, onderhevig aan allerlei besmettelijke ziekten als tbc, aan de andere kant oververzadigd, volgepropt met eiwithoudende dingen en lijdend aan kanker, maagzweren en nierstenen. Dat beeld werd later bevestigd door de Duchess of Atholl in haar boek ’Searchlight on Spain’ (1938) en door de Nederlandse historicus dr. J. Brouwer in ‘Het mysterie van Spanje’, een boek dat in 1946 verscheen.

Bakker Antonio Herrera bakte nadien speciale bruine bolletjes voor onze kinderen, Koos en Tineke. Daar stond hun naam ingebakken, op z’n Spaans: Kó en Tineka. Hij was het ook die ons een woning bezorgde in Sevilla, in de volkswijk Triana. Antonio had daar een vriend, die woning-opzichter was en zo kregen wij aan de Calle Castilla, in de meest opstandige wijk van Sevilla, een woning in een huurkazerne met een portier. De woningopzichter had bij de bevolking de bijnaam El Catilino gekregen, naar een opstandige figuur uit het oude Rome van 50 jaar voor Christus. Zelf woonde hij met zijn oude rimpelige moeder in een benedenwoning, die was ingericht als kippenhok. De joviale El Catilino en Antonio hebben onze nieuwe woning ingericht met ons karige meubilair uit Alcalá. Het was met het ezelstreintje en per ezelsrug overgebracht en stond er al toen we in de woning kwamen. Twee kamers en een keuken met stromend water. ‘Dat is geen drinkwater’ waarschuwde El Catilino. ‘Het moet worden gekookt. Drinkwater haalt u ’s morgens voor zes uur beneden uit de kraan. Daar is ook een kraan met water om de vloeren te schrobben. Maar dit is vergif.’

Bestand:Fotos/triana.jpg
In een huurkazerne in Triana, de meest opstandige volksbuurt van Sevilla aan de andere kant van de Guadaira-rivier, kregen we ons eerste huis.

Toen mijn vrouw iets zei over de kale, trieste muren, kalkten El Catilino en Antonio de huiskamer rose, de slaapkamer lichtblauw en het keukentje zachtgeel. ‘Wat mooi’, zei mijn vrouw, ‘maar wat doe ik met de kleren. Er is geen kast, niet eens een kapstok’.
‘Dat is geen probleem’. En El Catilino toverde een hamer en een spijker tevoorschijn van een formaat, dat ik nog nooit gezien had. ‘Zo, nog een tik’, zei hij, maar bij die tik kwam er een schreeuw van de andere kant van de muur. ‘Wat doen jullie toch, de brokken kalk vliegen me hier om de oren!’
‘Er moet een kapstok komen. Uw buurvrouw wil hier kleren ophangen’. ‘Ah, dat is een goed idee. Geef nog een tik op die spijker, dan hang ik mijn kleren op aan deze kant.’ En daarmee waren wij door de buren geaccepteerd.
Diezelfde El Catilino –zijn eigenlijke naam luidde Don Alfonso Pérez del Rio y Ramirez– schoof enkele weken later schichtig om zich heen kijkend, bij ons binnen. ‘Ssst.’ Hij hield een vinger op de lippen en keek voor hij de deur achter zich sloot links en rechts de gang in, om er zeker van te zijn dat geen van de buren hem had gezien. El Catilino zei: ‘Duizend maal verontschuldiging voor de wijze, waarop ik bij u binnenval. Maar u bent mijn vrienden en het is voor ons allemaal beter zo. Ik kom namelijk om de huur…’
Toen werd het ons duidelijk. Overal in Sevilla zag je opschriften op de wit-gepleisterde muren: ‘Kameraden, betaal geen huishuur vóór ze deze met 50% hebben verlaagd’ Of dreigender: ‘Boycot deze zaak, kameraden, want de eigenaar heeft zijn licht betaald’.
Sinds een paar maanden heerste er een huurstaking, die was begonnen met het licht. De bewoners van Triana waren arm en de werkeloosheid was groot. Wie bezuinigde op het stroomgebruik, moest altijd nog de meter-huur betalen. En waarvoor die meter? Die was toch alleen voor het piezier van de elektriciteitsmaatschappij? Een bewonerscommissie ging met de maatschappij praten maar toen dat niet hielp, kondigde men een lichtstaking af. Niet een staking van het stroomgebruik, claro que no!, wel licht gebruiken, maar niet betalen, tot de maatschappij de meterhuur voor eigen rekening nam.

Bestand:Fotos/kwitantieloper.jpg
Een kwitantieloper komt vergeefs aan de deur…

De staking maakte zoveel opgang, dat men het middel ook ging toepassen om een huurverlaging te bereiken. Heel Triana deed er aan mee en ook in andere volkswijken werd al wekenlang geen cent aan huur en licht betaald. Het stadsbestuur was onzeker. Na de verkiezingen was de gouverneur van Sevilla afgetreden en er was nog geen nieuwe bewindsman aangewezen. De kwitantielopers werden zelfs door kleine winkeliers afgescheept met de woorden: ‘No hay dinero’, we hebben geen geld. In die voorjaarsmaanden van 1936 heerste er in Triana een gespannen sfeer. Een kleinigheid was voldoende om een rel te veroorzaken. Tegenover ons woonde een rijke señora in een woning met binnentuin en smeedijzeren hek. Zij gaf haar kindermeisje van tien of elf jaar een klap toen ze iets verkeerd deed en het meisje kwam huilend bij haar moeder. In een ommezien wist de hele buurt wat er gebeurd was. In Spanje mag je nu eenmaal niet aan een kind komen, zeker niet in het openbaar. In een ommezien stond het voor de mooie poort zwart van de schreeuwende mensen. Een grote lantaarn bij het hek moest het ontgelden en een toevallig passerende aardappelkoopman deed goede zaken. Weldra was er van de getraliede vensters van het patriciërshuis geen ruitje meer heel. De politie herstelde de orde en nam de boze señora die het kind had geslagen, mee naar het bureau. Een man klom in een lantaarnpaal om een toespraak te houden en toen de menigte gehoord had dat het volk van Triana ook ditmaal weer als één man tegen het onrecht was opgestaan, ging men voldaan naar huis. Welbeschouwd mocht die señora nog blij zijn dat ze er zo genadig was afgekomen. Ze had ook ‘levend begraven’ kunnen worden. Dat gebeurde kort daarna met een kwitantieloper, die vier jaar lang huur had geïnd bij arme families, die gratis mochten wonen. De man had de opbrengst in zijn eigen zak gestoken, maar zijn bedrog kwam uit toen die families gingen meedoen aan de huurstaking. Zij plaatsten hun handtekening onder het verzoek om 50% korting. Hun huisbaas reageerde verbaasd: ‘Die mensen hebben al sedert 1932 geen cent meer betaald!’ De hele buurt kwam in opschudding en de kwitantieloper vluchtte naar een naburig dorp om zo de woede van de buurtbewoners te ontlopen. Toen werd besloten om de man een schijnbegrafenis te geven, een symbolische doodverklaring. Rond het middaguur vertrok een merkwaardige stoet van het huis van de wisselloper. Vier stevige mannen torsten een lijkkist. Links en rechts stapten namaak-pastoors in witte gewaden, wijwater sprenkelend uit een pispot. Voorop liep een ‘geestelijke’ met een bezem bij wijze van kaars, liturgieën zingend uit een roodgekaft boek. Achter de stoet volgden de buurtbewoners, allen in de rouw – de mannen met ernstige gezichten, de vrouwen jammerend en klagend, alsof zij een dierbaar kind ten grave droegen. Telkens sloten zich nieuwe buurtbewoners bij de stoet aan, zodat deze ‘begrafenis’ uitgroeide tot de grootste demonstratie die Triana in jaren had gezien. Langs de kant stonden honderden joelende mensen en de tram kon een kwartier lang niet rijden toen de namaakpriesters en de kist met zijn honende opschriften passeerden. De kwitantieloper was zijn leven niet meer zeker en verhuisde naar een neef op het platteland.

Bestand:Fotos/huurstaking.jpg
Er heerste een gespannen sfeer in Triana, waar de bewoners al wekenlang in huurstaking waren. Spanje telde dat voorjaar 800.000 werklozen en de bevolking eiste een huurverlaging van 50%.

Generaals willen regering ten val brengen

Veel arme boeren die hun stem hadden uitgebracht op het Volksfront in de hoop op een beter bestaan, waren teleurgesteld over de trage verdeling van grond en werkgelegenheid tijdens de Tweede Republiek. Vroeg in de ochtend van de 25ste maart bestormden 60.000 landarbeiders drieduizend landgoederen in de provincie Estramadure en eisten werk en onderdak. Hun actie ontregelde de economie van die provincie weliswaar in hevige mate, maar had tot gevolg dat het tempo van onteigening en kolonisatie door het instituut van landhervorming werd opgevoerd. Vóór het begin van de zomer had het instituut 190.000 tuinders en boeren aan werk geholpen. Maar de FNTT, de socialistische landbouw federatie, bleef haar leden regelmatig oproepen tot prikacties, waarbij het werk werd neergelegd om hoger loon of kortere arbeidstijd te eisen. In de steden reden groepen gemotoriseerde falangisten provocerend en schtetend door de arbeiderswijken, in navolging van de Italiaanse fascisten. Hoewel er toen hooguit 25.000 mensen lid van de falangistische beweging waren, zorgden hun activiteiten voor grote onrust in het hele land. Ook de Carlisten waren gewapend. In 1935 hadden tweehonderd Carlisten al een militatre training gekregen op een vliegveld bij Rome. De Carlistische generaal Sanjurjo reisde in februart 1936 naar Duitsland, zogenaamd om aamwezig te zijn bij de Olympische winterspelen, maar in werkelijkheid om er wapens te kopen voor een militaire staatsgreep. Dat voorjaar werd door de generaals een minitieus plan uitgewerkt voor een staatsgreep ‘ter ere van Spanje’. Lange tijd bestond onzekerheid of ze met z’n allen op zouden trekken vanuit de provincie of meteen de hoofdstad Madrid zouden bezetten om daarna de rest van het land in te nemen. De generaals rekenden in elk geval op de hulp van Francisco Franco en zijn vrienden Mola en Goded. De staatsgreep op 17 april ging niet door, omdat op dat moment de Carlisten en de falangisten nog niet klaar waren. De regering kreeg lucht van het complot en zette verschillende generaals op een zijspoor. Op 21 mei besloten de socialisten in Madrid dat tijdens de grote sociale omwenteling de overheid de vorm zou krijgen van een proletarische dictatuur. De gewone burgers hadden bij het begin van die warme zomer geen idee wat hen boven het hoofd hing.

Plotseling was het zomer. De verzengende hitte maakte zich meester van Sevilla. Bruine spiernaakte jongens doken in het mokkakleurige water van de Guadalquivir. De vlees- en vismarkt bij de brug over de rivier begon kwalijk te stinken en zwermen vliegen gonsden over de halve varkens, die tussen de stalletjes werden uitgebeend. Een algemene loomheid bekroop de Sevillanen. Tegen het middaguur werden de rolluiken van de open winkeltjes neergelaten en pas na vier uur zou men weer strohoeden en ezelzakken, sigaretten, postzegels, houtskool en ovenwaaiertjes kunnen kopen. In een paar nauwe straatjes hadden de caféhouders van gevel tot gevel zeilen gespannen waaronder wat elegante heertjes zaten uit te blazen, belegerd door de schoenpoetsers, de Marokkaanse kooplui met zijden dassen en zigeunerinnen met loten van de staatsloterij. Maar de heertjes weerden ze af met hetzelfde achteloze handgebaar waarmee ze de vliegen verjoegen. In de schaduw van de kathedraal lag een bedelaar te slapen, het armstompje, dat zijn broodwinning vormde, stak onwezenlijk omhoog. Aan de zware kettingen tussen de marmeren pilaren rond de kerk had een zigeunerin haar was te drogen gehangen en zelf zat ze te dommelen naast haar lege wasmand. Alles sliep.

Bestand:Fotos/stamcafe.jpg
In de nauwe straten van Sevilla hadden caféhouders zeilen gespannen van gevel tot gevel om de brandende zon tegen te houden. Hier was ook het stamcafé van de directeur van het Alcázar.

Maar wij buitenlanders gunden ons geen tijd voor een siësta. Mijn fototoestel was gerepareerd en ik wilde aan het werk. Ik had een heel programma opgesteld, maar niet op de siësta gerekend. Naam en telefoonnummer van de directeur van het wereldberoemde Alcázar van Sevilla, Don Joaquin Romero y Morube, had ik gauw genoeg in het telefoonboek gevonden. Een afspraak voor de volgende dag was snel gemaakt. Maar hij kwam niet opdagen. Opnieuw aan de telefoon: ‘O qué lástima! Wat jammer, ik heb er niet meer aan gedacht’ Een nieuwe afspraak had hetzelfde resultaat en een volgende idem dito.
‘Wat verwacht u ook’, zei de portier bezwerend, ‘het is toch zomer. Waarom zoekt u hem niet op in het restaurant tegenover de kathedraal, daar drinkt hij ’s morgens zijn koffie en ’s avonds zijn glaasje wijn. Al zijn vrienden komen daar: Ik besloot hem de volgende dag in zijn stamcafé op te zoeken en nam de tram naar huis. Toen ik eindelijk thuis was had ik een razende dorst. Ik dronk eerst de theepot leeg en zocht toen in de keuken een restje gekookt water. Het lauwe vocht smaakte walgelijk. Er dreef een vliesje bovenop en op de bodem schommelde een wit bezinksel, bestaande uit kalkkristallen, die prikkelden in de keel. Wij noemden dat: ’Hardgekookte bacteriën.’
Nee, wij zijn niet de eersten geweest, die klaagden over Sevilla’s slechte drinkwater. Toen de Romeinen zich tientallen eeuwen geleden in het land vestigden en het Sevilla van die dagen herdoopten van Hispalis in Julia Romula, waren zij ook niet tevreden over het water dat in poreuze stenen kruiken koel werd gehouden. Zij groeven in de nabijheid van Alcalá de Guadaira diepe putten, met het gevolg dat er een waterstroom te voorschijn kwam met zulk een kracht, dat er zes watermolens mee in beweging konden worden gebracht. Het geweldige aquaduct dat zij bouwden, deed in 1936 nog altijd dienst. Nog 400 bogen waren intact. Mooi waren ze niet, maar wel imposant door hun soliditeit. Hier en daar lekten ze en door de eeuwen heen heeft men er aan gerepareerd en gefatsoeneerd. Maar het was nu inmiddels wel duidelijk dat de aarden buizen van de Romeinen hier en daar door grondverzakkingen waren gescheurd. Het aquaduct met zijn bijzondere metselwerk was niet het enige overblijfsel uit de Romeinse tijd. Bij de Guadalquivir ligt nog een reusachtig amfitheater met de naam Italica. Het hoorde bij de oudste Romeinse kolonie in Spanje. Twee eeuwen voor onze jaartelling schonk Publius Cornelius Scipio, de Romeinse veldheer die Carthagena bedwong, aan zijn afgedankte invalide soldaten een stuk grond waar ze zich konden vestigen. Dat werd de eerste Romeinse stad in Spanje, die vier eeuwen later te gronde ging door aardbevingen en vijandelijke invallen. Nu, twintig eeuwen later, zorgde een Engelse onderneming voor de watervoorziening van de halve stad. De directeur van dit bedrijf vertelde dat rond 1925 hier ieder jaar 50 van elke 100.000 inwoners stierven aan de gevolgen van besmet drinkwater. Dat aantal was in 1936 teruggebracht tot 5 op de 100.000 inwoners. Er zouden nog minder sterfgevallen zijn als de mensen geen rivierwater dronken. Maar de verleiding was groot. Je had in Sevilla drie soorten water. Het gefilterde rivierwater dat voor allerlei industriële doeleinden werd gebruikt, voor straatreiniging en de bevloeiing van de parken bijvoorbeeld. Verder het water van Carmona dat van Alcalá de Guadaira naar Sevilla werd geleid via het oude aquaduct en tenslotte het echte drinkwater van de Engelse maatschappij; ook afkomstig uit Alcalá. Het rivierwater was het meest onbetrouwbaar maar het was nu eenmaal altijd voorhanden, terwijl het goede drinkwater door de pompstations werd gerantsoeneerd. Op gezette tijden werd de druk weggenomen en dan kwam er alleen een rochelend geluid uit de kraan. Het was daarom zaak in je keukentje een voorraad op te slaan en daarvoor dienden die stenen kruiken, waarmee ook waterverkopers rondsjouwden. In elke keuken vond je ze, naast de blaasbalg en het strooien waaiertje voor het houtskoolfornuis, het houten apparaat dat werd gebruikt als stofblik en de stok met repen textiel, waarmee de Sevillaanse het stof van haar meubels sloeg. Er stonden altijd twee kruiken naast elkaar, een voor het officiële drinkwater en een als reserve voor het gefilterde rivierwater. Zelfs bij het klaarmaken van je struikje Romeinse sla moest je de grootste zorgvuldigheid in acht nemen. Eerst wassen onder de straal van de waterkraan en dan… ontsmetten met een oplossing van zout of permangaan in gekookt drinkwater. Hoezeer we ook geprobeerd hebben ons aan de voorzorgsmaatregelen te houden, uiteindelijk hebben we niet kunnen voorkomen dat we alle vier in moeilijkheden geraakten. Ik zelf was na een verblijf van twee maanden in Sevilla vijftien pond afgevallen.

Bestand:Fotos/kruiken1.jpg
Jaarlijks stierven minstens vijftien Sevillanen omdat ze besmet rivierwater hadden gedronken. Een oud aquaduct uit de Romeinse tijd deed nog steeds dienst en het echte drinkwater werd gerantsoeneerd door een Engelse maatschappij. ’s Morgens voor zes uur moest dat op straat worden opgevangen in kruiken.

Na vele mislukte pogingen om de directeur van het Alcázar te ontmoeten via een reguliere afspraak, konden we hem inderdaad eindelijk overrompelen in zijn stamcafé. Het beroemde Alcázar van Sevilla is een verrukkelijk voorbeeld van de Moorse architectuur. Een burcht met dikke muren waarachter het paleis verscholen ligt, een verstilde droomwereld in steen. Over de Giralda, de enige toren die overbleef van de mohammedaanse moskee binnen het Alcázar vertelde Don Jóaquin Romero y Morube, de directeur van het complex, het volgende verhaal. De laatste Moorse koning had zich met zijn soldaten in de toren teruggetrokken, toen in 1250 de heilige Ferdinand Sevilla veroverde. De Moorse koning wilde zich overgeven als de christenen de Moren zouden sparen. Maar men eiste een onvoorwaardelijke overgave, waarop de Moorse koning zijn paard blinddoekte, het dier de sporen gaf en over de balustrade naar beneden sprong. ‘Dat lijkt op onze Jan van Schaffelaar’, riep ik verrast. ‘Wij hebben in onze historie net zo’n figuur. Ik heb er zelfs een plaatje van op de filmstrook die ik uit Nederland heb meegebracht, over de drooglegging van de Zuiderzee, de landbouw in de drooggelegde polders’.
Don Jóaquin, die ook secretaris was van de voordrachtsvereniging Ateneo, vond dat ‘muy interesante’ en vroeg of wij een lezing wilden houden over ons land. En zo kwam het dat wij op vrijdag 26 juni 1936 samen een lezing met lichtbeelden gaven over ‘Nederland, land onder de zeespiegel’.

Bestand:Fotos/kruiken2.jpg
Jaarlijks stierven minstens vijftien Sevillanen omdat ze besmet rivierwater hadden gedronken. Een oud aquaduct uit de Romeinse tijd deed nog steeds dienst en het echte drinkwater werd gerantsoeneerd door een Engelse maatschappij. ’s Morgens voor zes uur moest dat op straat worden opgevangen in kruiken.

Praktisch geworden door de ervaring van vorige reizen, had ik voor ons vertrek naar Spanje projectiemateriaal aangevraagd bij de Vereniging Nederland in den Vreemde. Ingeraamde dia’s waren in die tijd niet in gebruik en projectie-apparatuur was toen nog ingesteld op rolletjes celluloid, met plaatjes in zwart-wit. Het kostte ons een paar dagen om alles voor te bereiden, maar met de hulp van de Hollandse consul in Sevilla, baron Van Aerssen Beijeren werd het toch een lezing in aanvaardbaar Spaans. We hadden de consul al eens met zijn allen opgezocht in zijn woning. Hij ontving ons ook nu weer vriendelijk en had veel belangstelling voor de kinderen. Hij trok meteen een la open om speelgoed te zoeken, maar vond alleen maar een paar potloden en wat losse bladen papier. ‘Jammer’, zei hij, ‘maar ik heb verder niets voor hen. Mijn vrouw is naar familie en heeft alles meegenomen. Ik zit hier alleen en mijn huis is leeg. Maar mijn grootste rijkdom heeft ze me toch gelaten en dat is mijn deurenverzameling. Ik ben gek op deuren. Ik zal jullie mijn verzameling laten zien’.
We maakten een rondgang door het grote, in Moorse trant gebouwde huis: een patio en daaromheen zestien ruime vertrekken met deuren en vensters naar de binnenplaats met in het midden daarvan een verwaarloosd fonteintje. De consuls laatste aanwinst was een oude kloosterdeur met prachtig snijwerk en koperbeslag. ‘Ik was meteen verzot op die deur in dat oude klooster en ik vroeg de abt of ik hem kon kopen. Ik geef toe, dat was niet de juiste aanpak. De abt antwoordde dan ook: “Maar heer consul, hoe zou ik u terwille kunnen zijn. De deur is niet van mij, maar van het klooster. Het is het collectieve eigendom van alle kloosterlingen, die van nu en die nog zullen volgen. Wie ben ik, dat ik zo maar een stuk collectief bezit zou kunnen verkwanselen?”’
De consul had zich door dat antwoord terecht op zijn nummer gezet gevoeld en vroeg hoffelijk om een rondleiding door het klooster. Tenslotte nodigde de abt hem uit om een glas wijn met hem te drinken. ‘Ik had ondertussen berekend wat die deur me waard zou zijn; aldus de consul, ’en toen we die fles wijn tot op de bodem hadden geleegd, dankte ik de abt voor zijn grote gastvrijheid. Mag ik u, zo vroeg ik, uit erkentelijkheid een geschenk aanbieden ter verrijking van het collectieve bezit van uw kloosterlingen? De abt zette grote ogen op toen hij het bankbiljet zag dat ik uit mijn portefeuille haalde. Ach, ik was toen nog rijk genoeg. Hij reageerde zoals ik had verwacht. “Ik kan niet anders, dan dit grote bedrag tot steun van ons klooster in dank aanvaarden. Maar ik wil even edelmoedig zijn. Wilt u uit naam van al mijn medekloosterlingen een tegengeschenk aanvaarden? Zij zullen niet begrijpen, dat ik u niet twéé deuren schenk, maar dit is de mooiste die ik u kan geven.”’

Bij ons bezoek aan zijn huis, had de consul gevraagd, waarom we eerst naar het zuiden waren gekomen. ‘Waarom bent u niet in het noorden begonnen, bijvoorbeeld in Barcelona?’
Mijn antwoord verraste hem: ’Ik wil met vrouw en kinderen weer even snel kunnen vertrekken als ik gekomen ben. Als er wat gebeurt, wil ik in Barcelona zijn, dicht bij de Franse grens. De consul begreep het, maar hij vond dat het te gevaarlijk was om in de volkswijk Triana te blijven wonen. Hij beloofde dat hij ons zou waarschuwen als het tijd werd om te vertrekken. En dat heeft hij gedaan, in de week voor het uitbreken van de militaire opstand.
Op de dag dat mijn vrouw jarig was, op 25 juni, nodigde hij ons uit voor een echte Sevillaanse avond met Spaanse muziek en flamenco dansers in een elegant restaurant. Mijn vrouw viste onder uit haar koffer een avondjurk van glanzend rose zijde en buurvrouw Mónica, die op de kinderen zou passen, klapte bewonderend in haar handen toen ze ons zag. Maar bij de brug over de Guadalquivir zat onze vriend en huismeester El Catilino met zijn vrienden achter een glaasje wijn op een caféterras. Hij voelde zich bedrogen en wendde nors het hoofd af: kennelijk behoorden we toch tot een andere wereld.
Drie dagen later hielden wij onze lezing. Mijn vrouw bediende de projector. Ze was de enige vrouw in de zaal. Ik hield een inleiding over het gezamenlijke verleden van Spanje en Nederland en vergeleek de beide landen met twee harde stenen, die tegen elkaar schuurden, volksaard tegen volksaard. In de strijd tegen het water bouwden wij Nederlanders een eigen huis, in de strijd tegen Spanje een eigen historie. Daarna verscheen met sober commentaar een lange reeks foto’s op het doek over hijskranen en grijpers, de lichters met basaltblokken en leem en de gestaag groeiende afsluitdijk. We kregen veel bijval en een fotograaf maakte een foto voor de plaatselijke krant waarop we naast de voorzitter van Ateneo en de Hollandse consul te zien waren. We kwamen daarmee op de voorpagina van het zaterdagnummer, maar het was in het Spanje van die tijd kennelijk nog niet vanzelfsprekend om in het onderschrift ook de naam van een vrouw, mijn vrouw, apart te noemen.

Bestand:Fotos/lezing.jpg
Mijn vrouw Jant bediende de projector toen we eind juni in Sevilla een lezing gaven over de inpoldering in Nederland. Die lezing leverde ons een foto op in de krant en, wat belangrijker was: een groot aantal uitnodigingen om naar de irrigatiewerken van de nieuwe Spaanse landbouwcommunes te komen kijken.

Na de lezing kregen we diverse uitnodigingen van ingenieurs van het Instituto de Reforma Agraria om een bezoek te brengen aan een jonge kolonie. In de laatste week van juni 1936 nam de landbouwkundige Hernández ons in zijn auto mee naar de Marismas, een uitgestrekt deltagebied van 1.500 vierkante kilometer. Al eeuwenlang werd dit gebied bij eb en vloed overstroomd. Het was een prestige-object van de dictator Primo de Rivera, die geprobeerd heeft er een vruchtbare polder van te maken met afwateringskanalen, ringvaarten, afsluitdijken en kunstmatige bevloeiing. Er zijn reusachtige kapitalen ingestoken. Vijf jaar heeft men er aan gewerkt, maar de grond bleef zout en economische resultaten zijn uitgebleven.
We stoven door een troosteloze vlakte met rietvelden en kale schorren. Slechts hier en daar zagen we een troep schapen of een gier die zich te goed deed aan het kadaver van een geit. Midden in de moerassen lag een proefveld en vlak er bij een pompstation, dat de waterstand regelde. We vroegen ons af waarom men ooit was begonnen met deze hopeloos moeilijke inpoldering, waar de ontzilting zo krankzinnig lang zou duren en waar de kleigrond bedekt werd door een zoutkorst die schitterde in de zon.
Tenslotte bereikten we een stuwdam en niet ver daarvandaan stonden de woningen van het werkvolk: armelijke hutten, bamboestaken en wat stukken roestig blik, een gat waar rook uitkwam en een deuropening met een jutezak er voor. Ingenieur Hernández vroeg naar de opzichter, maar die woonde er niet meer. Hij had een woordenwisseling gehad met zijn mensen, een onbelangrijke kwestie. Maar sedertdien voelde hij zich niet veilig meer bij de stuwdam. Hij woonde nu in Sevilla, beurde er rustig zijn salaris en wachtte af.

Mijn vrouw benutte onze gezamenlijke tochten om gegevens te verzamelen over de ontwikkelingskansen van Spaanse kinderen en de rechten van de vrouw, en op de terugweg van Sevilla stopten we daarom bij een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen. Een filantroop had de oprichting ervan mogelijk gemaakt door een aanzienlijke schenking. Op de riante benedenverdieping woonden de directeur en zijn naaste medewerkers, zeven in totaal. Bij de kleine venstertjes van de bovenverdieping bevonden zich de zalen voor de jongens. Er waren er ongeveer zeventig, meest afkomstig uit gegoede kringen. Nee, dat was niet de bedoeling geweest van de filantroop, maar de directie liet alleen díe jongens toe, wier ouders behoorlijk konden betalen. De goedgeefse filantroop was toch al lang dood.
In de woning van landbouwkundig ingenieur Hernández, wachtte zijn echtgenote met een omstandig verhaal over babyverzorging, over peters en meters, die het kind in toom houden, onder het motto ‘U gaf het mij als heiden in handen – ik breng het u terug als een christenkind.’ En het antwoord van de moeder: ‘Heb dank, peetmoeder voor deze menslievende daad. Gezondheid wens ik u, opdat u dit liefdewerk nog vaak kunt doen.’ Mevrouw Hernández vertelde ook over het werk van de min en haar beloning. Welgestelde dames, die zeker willen zijn van een overvloedige voeding voor hun zuigeling, zochten voor dit doel in het bergachtige achterland een jonge moeder. Ze kon haar taak beginnen als een medische keuring positief resultaat gaf. Dit systeem was in het Andalusië van 1936 nog heel algemeen.
Een paar dagen later zou een andere landbouwkundige ons naar een jonge kolonie brengen, waarvan de adellijke eigenaar was onteigend, na de monarchistische revolte in 1932. Op 8 september 1932 had minister president Azaña in de Cortes meegedeeld dat de onteigening 127 hertogen, 125 markiezen, 90 graven, een jonker en twee hereboeren zou treffen, die bij de revolte betrokken waren geweest. Veel van de gecompromitteerde grootgrondbezitters hadden het land verlaten om zich aan strafvervolging te onttrekken. Er was dus land genoeg, maar de beschikbare geldmiddelen waren schaars. Jaarlijks was maar vijftig miljoen peseta beschikbaar, net voldoende om 5.000 boerengezinnen aan grond te helpen.

Bestand:Fotos/landonteigening.jpg
Nadat in het voorjaar van 1936 meer dan 60.000 werkloze boeren in de provincie Estramadura drieduizend landgoederen hadden bestormd, werd het tempo van de landonteigening opgevoerd.

Het instituut van agrarische hervorming was op 15 september 1932 begonnen met de taak om zoveel mogelijk plattelandswerklozen aan een nieuw bestaan te helpen. Het bekende Engelse blad The Economist schreef over het werk van het instituut: ‘Men doet een waarlijk moedige poging om het landelijk proletariaat te verlossen van de miserabele omstandigheden waarin het leeft. Telkens worden nieuwe honderden en zelfs duizenden hongerende landarbeiders aan werk geholpen. Volgens een nieuwe wet werden alleen slecht bewerkte of al te grote landgoederen van sociale betekenis geacht voor onteigening. Onteigend mèt schadevergoeding, en dat betekende jaarlijks 4% van de getaxeerde waarde. Landgoederen die goed waren bewerkt werden uitdrukkelijk uitgezonderd. Met mijn zoon kwam ik tegen schafttijd op een jonge’comunidad’. De boeren zaten in de schaduw van een moerbeiboom en dronken water en wijn, ze aten wat brood en een handvol olijven. De ingenieur betaalde een voorschot aan de opzichter, per dag en per persoon zes peseta’s. De ingenieur vroeg: ‘Heb je genoeg mensen voor een nieuwe put? Heb je gereedschap nodig of groentezaad, of jong vee? Zijn er geen weglopers? Geen verzuim? Je weet het, na de oogst moet één negende van de voorschotten worden verrekend. Ook het volgend jaar wordt het land nog collectief bewerkt en daarna kan iedereen bepalen wat hij wil: blijvend samenwerken of zelfstandig op een eigen stuk grond.’ De vraag naar de persoonlijke prestaties van de boeren had een reden: jaren van armoe en ontberingen hadden hen murw gemaakt. De meesten hadden onverschillig genoegen genomen met een leven op de rand van het bestaan, anderen koesterden een doffe wrok, een onderdrukte opstandigheid, die af en toe tot uitbarsting kwam.

Bestand:Fotos/irrigatiegoot.jpg
Een nieuw aangelegde irrigatiegoot bij een collectieve kolonie wordt geïnspecteerd door een ingenieur van het instituut voor landbouwhervorming en het vijfjarige Hollandse jongetje Koos.

Ons verblijf in Sevilla liep ten einde. Er waren verontrustende verschijnselen. De kranten verschenen met grote witte vlakken. Post uit ons land kwam niet door en al onze contactpersonen uitten zich in pessimistische termen. We hoorden over een toenemend aantal politieke moorden, onder andere op de directeur van de Sevillaanse gevangenis. Veel gevangenen waren in vrijheid gesteld. We begonnen zelf ook schaduwen te zien. In een autobus zaten eens een paar dronken kerels, die met hun enorme behaarde vuisten wurgende gebaren maakten naar de andere passagiers. Wij hadden het gevoel dat ze het vooral gemikt hadden op ons gezin met de blonde kinderen. Daar kwam bij dat we op zekere dag, tijdens een bespreking over de mogelijkheid van een lezing voor de Arbeidersvakbond, plotseling omringd werden door politiemannen. Onder bedreiging van revolvers werden we door de guardia civil gedwongen ons aan fouillering te onderwerpen. Op 16 juli zouden wij nog een lezing geven over ‘Nederland vanuit de lucht’ voor het personeel van Sevilla’s niet-militaire vliegveld. Antonio, onze vriend uit Alcalá, hielp me om er goed Spaans van te maken. Ik vertelde hem, dat we van plan waren om naar Barcelona te gaan en hij kwam met een verrassende mededeling: hij wilde mee. ‘Weet je nog’, zei hij, ‘dat ik je een keer kwam halen voor een tocht langs de rivier en dat je toen zei: “Graag Antonio, maar dan even wachten, over drie kwartier is mijn vrouw klaar met de was.” Ik zei toen dat ze die ook wel klaar kreeg als wij weg waren, maar toen zei jij: ’Je begrijpt me niet, ik wil dat ze mee gaat. Mijn vrouw is mijn béste kameraad, die moet overal mee. Bij ons in het noorden zijn man en vrouw vrienden." En nu wil ik’, zei Antonio tenslotte, ‘mee naar het noorden. Er komt in Barcelona een internationaal sportfeest. Daar wil ik een vrouw zoeken voor een huwelijk, zoals jij dat hebt, een huwelijk tussen kameraden. Hier lukt dat niet’.
‘We zullen het fijn vinden als je mee gaat’, zei ik geroerd, ‘ik hoop dat je succes hebt’.
Toen wij de dag daarop bij het vliegveld aankwamen voor onze lezing, werden we niet toegelaten. Een politieman weerde alles wat naar binnen wou. Onze lezing ging niet door. Eerst later hebben we begrepen dat de afgesproken datum door een wonderlijke coïncidentie samenviel met geheime landingen van wapens, hoge militairen en vliegtuigen uit Marokko, Italië of Duitsland. Het waren de voorbereidingen van de opstandige militairen onder leiding van Franco. De Hollandse consul zei: ‘Het is zover, het wordt hier nu gevaarlijk. Ik raad u aan Sevilla te verlaten. Zo gauw u kunt’.

Bij het station van Sevilla heerste verontruste agitatie. De treinenloop was in de war. ‘Uw trein gaat morgen. Uw koffers? Ja, die moeten vandaag nog. Nee, ze kunnen niet met dezelfde trein’.
‘Mag ik’, vroeg Antonio over onze schouders heen, ‘ook een kaartje naar Barcelona?’
‘Wat wilt u daar doen?’ vroeg de man achter het loket wantrouwend.
‘Deelnemen aan het internationale sportfeest’.
‘Uw trein gaat overmorgen’, was het antwoord.
‘Wàt, kan ik morgen niet met de trein. Dan kan ik deze Nederlanders nog helpen misschien’.
‘Uitgesloten. Uw trein gaat overmorgen.’
Es igual’, zei Antonio. ‘Dan zien we elkaar wel weer in Barcelona. Ik vraag jullie adres wel aan de consul.’
De twee grote wasmanden, die ons als reiskoffers dienden, waren spoedig gepakt. Bovenop onze kleren, onze paperassen en aantekeningen en huishoudelijke benodigdheden: twee lakens en een paar dunne dekens. De lakens en dekentjes van de kinderen gingen mee als handbagage, ze moesten in de trein kunnen slapen. Maar hoe zouden we onderdak kunnen vinden voor de nacht? Buurvrouw Mónica zei: ‘Mogen wij u een slaapplaats aanbieden. Ik heb het zo gewaardeerd, dat u naast ons heeft gewoond alsof u een van ons was. Wees één nacht onze gast.’
Die nacht sliepen wij, tussen schone lakens, in het bed van Mónica en haar man. ‘Mijn huis is uw huis’ Wij installeerden ons en het echtpaar trok zich terug. Ze wilden niet zeggen hoe zij de nacht zouden doorbrengen. We zagen hen eerst de volgende morgen terug. Een taart die wij kochten om Mónica te bedanken werd pertinent geweigerd. Gasten zijn gasten. ‘Wij waren blij dat u onze gast wilde zijn.’
Nog een afscheid: de consul van Nederland, die mistroostig zei: ‘Ik wou dat ik met jullie mee kon gaan. En Antonio, die ons op het station uitwuifde. ’Tot ziens in Barcelona.’
Een wens, die niet in vervulling zou gaan. Hij zou een der eerste slachtoffers van de militaire opstand worden. De trein die hem de volgende dag naar Barcelona zou brengen, werd beschoten en Antonio is daarbij om het leven gekomen. Dat hoorden we een week later toen we opnieuw naar het station van Barcelona gingen om naar onze verdwenen bagage te vragen. We keerden verslagen naar ons pension terug. Twee gedachten, schokkend en niets aan de verbeelding overlatend, namen bezit van ons. ‘Wat verschrikkelijk. Arme Antonio, zo idealistisch, zo integer, zo’n goede vriend…’ En: ‘Als wij die trein ook hadden genomen!’ We huiverden ondanks de hitte van de dag en konden onze gevoelens niet verder uitspreken.
Maanden later hebben we begrepen dat we ook zijn ontkomen aan een massale moordpartij in Triana. Op 20 juli, drie dagen na ons vertrek uit Sevilla, is een klein contingent van het Vreemdelingenlegioen met een Fokker uit Marokko overgevlogen naar Sevilla. In de arbeiderswijk Triana heeft de bevolking zich praktisch zonder wapens tot het einde verzet. De huursoldaten hebben tenslotte alle mannen van Triana op straat gedood met messteken en daarna is de hele wijk met een kanon in puin geschoten.

Straatgevechten in Barcelona - Burgers weren zich tegen opstandige militairen

Francisco Franco, zoon van een losbandige marine-officier en een vrome moeder, was 40 jaar toen hij in 1932 tot staf-chef van het leger werd benoemd. Twee jaar later zou hij na een bloedige onderdrukking van de mijnwerkersstaking in Asturië, samen met collega generaal Goded worden gezien als redder van het vaderland. Meer dan tweeduizend mensen werden gedood en drieduizend gewond en na november 1934 werden naar schatting 30.000 politieke gevangenen opgesloten en gemarteld. Een jaar later zagen verschillende Franco-gezinde ministers zich gedwongen ontslag te nemen na een schandaal met een Nederlandse avonturier, Daniël Strauss. Deze had hen overgehaald om een nieuw soort roulettespel, Straperlo genaamd, te financieren. De positie van Franco bleef echter onaangetast, ook al moest hij in maart 1936 verhuizen naar de Canarische Eilanden. Op 11 juli werd Franco daar opgehaald door een Engels vliegtuig, de Snelle Draak, gehuurd door de correspondent van het monarchistische blad ABC, Luis Bolin, dat hem naar Marokko vloog. Om kwart voor vijf in de ochtend van 18 juli 1936 las Franco via alle radiostations van de Canarische Eilanden en Spaans Marokko een manifest voor over de opstand. In Madrid eisten de linkse ministers dat het volk bewapend zou worden, maar de minister van Oorlog liet afkondigen dat iedereen die wapens aan de arbeiders uitdeelde, zou worden gefusilleerd. Die ochtend stroomden de cafés vol opgewonden mensen en in alle grote steden werd gedemonstreerd met spandoeken waarop stond ‘Wapens voor het volk’. Misschien had bewapening van de burgers de opstand van de militairen kunnen tegenhouden. Nu zagen de falangisten en anti-republikeinse Guardia Civil kans om in de ochtenduren de kazernes over te nemen. De socialistische, anarchistische en communistische milities probeerden zich zo goed mogelijk te verdedigen en overal werden barricades van straatstenen, hout, meubilair en zandzakken opgeworpen. De marine blokkeerde de Straat van Gibraltar, zodat Franco geen militairen uit Marokko kon verschepen. Hij kon ze echter wel overvliegen. Veel lagere officieren bleven echter de republiek trouw en schaarden zich aan de zijde van het volk. Een delegatie van taxichaffeurs in Madrid stelde drieduizend taxi’s beschikbaar. Een loyale officier van het wapenarsenaal deelde vijfduizend geweren uit. Maar het zou een etmaal duren voor een nieuwe regering telefonisch aan de provinciale overheden opdracht gaf om alle beschikbare wapens uit te delen. En toen was het al te laat. De burgeroorlog was begonnen.

We vertrokken de zeventiende juli 1936 omstreeks een uur of twee in de middag van Sevilla naar Barcelona, voor een reis van vele honderden kilometers. Het werd een eindeloze tocht met langdurig oponthoud op allerlei onbeduidende stationnetjes, waar van treinpersoneel werd gewisseld. We hadden het gevoel dat de trein zich behoedzaam een weg zocht door een donkere, onheilspellende nacht en dat er ergens een brein was, die route en snelheid bepaalde op grond van geheime berichten en instructies. We hadden er geen flauw vermoeden van dat dit de laatste trein zou zijn voor een periode van minstens vijfendertig maanden.
Onze bagage, die we een dag eerder hadden verzonden, moet onderweg zijn gestrand tijdens een even behoedzame reis tussen de fronten van het rijzende geweld. Eerst vele jaren later kregen wij, al lang terug in Amsterdam, de twee rieten manden met kleding en documentatie door bemiddeling van de Nederlandse autoriteiten weer in handen. Toen onze trein zich in beweging zette, haalden we opgelucht adem, elk in een hoek bij het raam, de kinderen naast ons. ‘Goddank dat we deze hel verlaten’ Hoe konden we weten, dat de dag daarop de hel zou losbarsten over heel Spanje? We maakten de rekening op. Wat hadden we bereikt in Zuid-Spanje? Couleur locale genoeg. Ik had tientallen artikelen geschreven voor bladen en tijdschriften zonder antwoord te ontvangen. We hadden geen zekerheid dat er ook maar íets van die twintig verhalen was geplaatst. Mijn vrouw zei troostend: ‘Je hebt toch hard gewerkt. Je hebt geschreven over de armoede, de grotbewoners, over irrigatiewerken, de haven van Sevilla, het Alcázar, het drinkwater en de landbouwproblemen. Je hebt honderden foto’s gemaakt en je kwam tijd te kort. Het waren vier goed bestede maanden’.
Ik was nog niet overtuigd. ‘Goed besteed, maar is dat resultaat het waard om ons daarvoor in de nesten te steken? Heb ik door mijn koppigheid jullie niet blootgesteld aan te grote gevaren? We zijn nog niet aan het einde van de rit, we zitten er nog midden in’.
‘We wisten allebei, dat we risico’s namen’, zei mijn vrouw. Onze grootste zorg is die voor de kinderen. Als we in Holland waren gebleven, hadden we geen kans gehad om iets te presteren. Dan had je nu gestempeld zoals duizenden anderen’.

De treinraampjes moesten bij de tropische hitte van Andalusië open blijven en alles in de trein was grijs van het stof. Bij elke halte sprongen de mensen op het perron om naar het laatste nieuws te vragen. Ze kwamen opgewonden terug en voerden heftige disputen met elkaar. De stemmen werden luider en luider en alleen onze zoon bleef onverstoorbaar ‘lezen’ in zijn tekstloze Spaanse stripblad TBO. Dochter Tineke vroeg waarom de mensen zo hard schreeuwden. Waren ze boos op elkaar? Maar toen begon er een medereiziger te zingen, een Andalusische saeta met kopstem, een liefdesklacht met aan het eind een zuchtend ‘muerto’ of ‘amor’. De passagiers zwegen even en klapten daarna vol enthousiasme in hun handen en ook Tineke riep ‘Olé, olé! Een bejaarde vrouw zei vertederd:’Qué guapa, esta niña rubia!’ en ze grabbelde onderuit haar rieten mand vol etenswaren een sinaasappel voor het kind.
De zanger kreeg dorst en greep onder de zitbank naar de kruik met drinkwater. Om beurten bedienden zij zich, de mond wijd open, het straaltje water recht in het keelgat. En tegen etenstijd haalde men de voorraad-manden tevoorschijn met kip en vis en een fles landwijn. En wij aten vruchten en een stukje chocola om op het brood te doen, volgens Spaans gebruik. Het werd snel donker nu. De passagiers zakten onderuit, met de hoofden op elkaars schouders, ineengedoken in een coupéhoek, anderen voorovergebogen, de kin steunend op de handen. Onze zoon nestelde zich gehoorzaam op zijn dekentje en sliep met de knieën opgetrokken. Het duurde drie kwartier voor onze dochter zich gewonnen gaf, ze was van kwikzilver en veerde telkens weer overeind. Voor mijn vrouw en mij werd het moeilijker. We staarden allebei in de onheilspellende duisternis. De uitwerking van de sterkende gedachtenwisseling bij ons vertrek was weggeëbd. We waren elk weer alleen met onze zorgen.
In de miljoenenstad Barcelona schrokken we wakker. We deden een ver

Bestand:Fotos/schietschool.jpg
Tegenover ons pension in Barcelona werd het ijzeren rolluik van een schietschool opengebroken en de buitgemaakte wapens werden verdeeld over de mannen en een stuk of wat vrouwen.
Bestand:Fotos/touwschoenen.jpg
Uit allerlei sloppen en stegen kwamen gewapende mannen tevoorschijn, die op hun touwschoenen in de richting van de Ramblas renden.

geefse poging onze bagage te vinden en zochten daarna naar onderdak. Alles was bezet wegens het internationale sportfestijn. Tenslotte vonden we een kamer in een familiepensionnetje. De pensionhoudster, een 60-jarige Française, verwees ons naar de eerste verdieping aan de straatkant en met wat moeite kregen we zelfs nog een pan macaroni als avondmaal en warm water om de treinaanslag van de kinderen af te kunnen boenen. Het was koud, de temperatuur scheelde wel vijftien graden met Sevilla. Maar we zaten in elk geval in Barcelona, in het rustige deel van Spanje.

Bestand:Fotos/barricades.jpg
Op de Ramblas waren barricades opgetrokken van keien, meubilair, zandzakken en voddenbalen. De trams stonden stil en in woeste vaart reden groepen miliciano’s in vrachtauto’s door de binnenstad.

De volgende morgen werd ik bij het krieken van de dag gewekt door een stomp in mijn rug. ‘Hoor je dat? Ze schieten!’ Ik zat meteen rechtop. De schoten volgden elkaar snel op en klonken van alle kanten. Nog in pyjama waagden we ons op het balkon, maar een waarschuwingsschot schramde langs de muur. De stukken kalk vlogen ons om de oren. Iemand in het smalle straatje brulde: ‘Atras! Achteruit!’ Wij doken de kamer in, maar hadden nog net gezien, dat er mannen heen en weer holden, alleen een hemd over de blote borst, een rood lintje in het haar gebonden. Zij beukten op deuren en ramen van kameraden die nog niet wakker waren geworden van het lawaai. In de onmiddellijke nabijheid werd opnieuw geschoten. Met luid gekraak werd een rolluik van een winkel opengebroken. Nadat we de kinderen zoveel mogelijk hadden gekalmeerd, keken we door een kier naar wat er gebeurde. Tegenover ons bevond zich een schutters-school en met een geweldig lawaai werd het ijzeren rolluik voor de ingang weggetrokken. De wacht werd opzij geduwd en een groep mannen drong naar binnen. Even later stonden ze weer op straat, ieder met vier of vijf geweren en patronengordels. De wapens werden verdeeld onder hun kameraden en onder een stuk of wat vrouwen. De kruitdamp drong door de kieren van het raam naar binnen. We zagen uit allerlei sloppen en stegen gewapende mannen te voorschijn komen die op hun touwschoenen in de richting van de nabijgelegen Ramblas renden.

Bestand:Fotos/gebaldevuist.jpg
De burgers, die zich een paar dagen na het uitbreken van de militaire opstand op straat waagden, begroetten elkaar met gebalde vuist: eensgezind tégen het fascisme.

In het pension was inmiddels paniek uitgebroken. De dikke Française die het pension beheerde, liep huilend en vloekend rond, de handen boven het hoofd. Ze sloot de luiken en schoof grendels voor alle deuren. Ze schold op het personeel en jammerde tegen haar gasten, want de vorige dag was er geen eten in huis gehaald. Niemand durfde nu de straat op en de provisie-kasten klepperden telkens opnieuw open en dicht. Ook de gasten waren onrustig. Ze liepen hun ontbijt mis en vochten om de laatste stukken oud brood en de koffie, die dagenlang in een zwartberookte kan op het fornuis getrokken had. Sommigen protesteerden: ‘Revolutie of niet, wij willen eten. We hebben toch niet voor niets betaald?’ De Française kreeg een huilbui en wankelde amechtig van stoel naar stoel. Maar tegen de middag kalmeerden de gemoederen. De pensionhoudster had een besluit genomen. Eigenhandig draaide zij op haar binnenplaatsje een koppel kippen de nek om. Zij offerde de toekomstige eieren op om haar plichten te kunnen doen tegenover haar gasten.
Ook in het straatje waren de gewapende mannen aan het fourageren. Een paar vrouwen in gezelschap van een man met getrokken revolver liepen voorbij met zware manden vol bier, brood, kaas en flessen wijn, bestemd voor de mannen achter de barricaden. Een wagen met miliciano’s, herkenbaar aan hun rode halsdoek, reed het straatje in, met twee wielen over het trottoir. Ze brachten kennelijk goed nieuws, want er ging een gejuich op. De mensen klapten in hun handen of schudden de gebalde vuist. Voor ons pension stopte een tweede wagen. Mannen sprongen er af en braken de luiken open van een sigarenzaak, een estanco. Later toen we weer op straat konden gaan, hing er een plakkaat voor het raam met de woorden: ‘Alle voorraden in beslag genomen door het comité tot verdediging van de rechten der bevolking’. Zo ging het niet alleen met sigarenwinkels, maar ook met levensmiddelenwinkels en zelfs met sommige sportzaken, waar geweren en revolvers werden verkocht. We waagden ons die eerste dag niet verder dan tot aan de hoek van de straat, vanwaar we de Ramblas konden zien en de kazerne, waarom zo hevig werd gevochten. In de winkelpuien van blauwe steen zaten gaten, waar de kogels waren ingeslagen. Midden op de Ramblas stond een gepantserde vrachtauto, waarachter zich een paar arbeiders verdekt hadden opgesteld. Langzaam schoof de auto vooruit, de mannen er achter. Een gevaarlijke manoeuvre, want er werd met een machinegeweer geschoten vanaf de vijftig meter hoge pilaar, waarop het standbeeld stond van Columbus. Dat wapen bestreek een groot deel van de Ramblas. Het stierengevecht dat die zondag in Barcelona zou worden gehouden, ging uiteraard niet door. Er was een algemene staking. De trams stonden hier en daar, verlaten, midden op straat. De conducteurs en trambestuurders namen deel aan de strijd tegen de opstandige militairen. Er reden taxi’s maar niet voor het publiek; er reden ook particuliere auto’s, maar niet met hun eigenaar erin. Alles was in beslag genomen door de regeringsgetrouwen, de leden van de verschillende vakbonden en linkse partijen. Ze reden er in woeste vaart mee over de Ramblas en door de smalste straatjes, op gevaar af bekneld te raken. Nog was de strijd tegen de opstandige soldaten niet ten einde. Nog altijd maakten de paco’s, de sluipschutters, Barcelona onveilig.

Bestand:Fotos/voedselinslaan.jpg
Ook in ons straatje werden barricades opgeworpen. Toen de eerste paniek enigszins was weggezakt, gingen veel vrouwen de straat op om voedsel in te slaan.

Amper twaalf uur na onze aankomst in Barcelona was de strijd losgebroken die ik al in Amsterdam had verwacht en voorspeld. Hoe is het mogelijk, dacht ik, dat een pacifist van het zuiverste water het oorlogsgeweld heeft gezocht? Wat was het? Geldingsdrang? Het zoeken van mijn gelijk? De dreigende werkeloosheid? Mijn beroepsijver? Het feit dat ik door voorstudie goed was toegerust? Ik had er een woord voor: het lot. Het lot heeft ons midden in de strijd geworpen.
Twee dagen na het uitbreken van de militaire opstand, waagde ik me met mijn fotocamera op straat. De arbeiders, die enkele dagen later het regeringsleger zouden vormen, hadden met de blote vuist een wapendepot veroverd. Via het dak waren zij er binnengedrongen. De buitgemaakte wapens gaven hun de kracht zich als miliciano’s te manifesteren. De opstandige militairen waren teruggedreven in Montjuich, het ongenaakbare fort dat Barcelona beheerste. De regering had hun opstand eigenlijk al gebroken, maar nog altijd schoten opstandelingen van daken en balkonnetjes, nog steeds werd er gevochten om wapendepots in kerken en kloosters. Regeringsgetrouwen reden in woeste vaart door de straten; nog altijd beschoten zij elk venster, waarachter zich een vijandelijke paco verschanste. Hier en daar lag een paardelijk, de stramme poten in de lucht, de ogen gebroken, het geronnen bloed van de schotwond omzwermd door gonzende vliegen. Lantaarnpalen waren omgetrokken, verlaten auto’s stonden met stukgeschoten voorruit of uitgebrand op de pleinen. Een enkele neutrale burger met witte doek om de arm –net als ik– of zwaaiend met een zakdoek, zocht naar een bakker of groenteboer die nog open durfde zijn. Het ijzeren rolluik van andere winkels was opengescheurd, de etalages leeggehaald. Soms holden huisvaders, op zoek naar voedsel voor hun gezin, in paniek terug als in de buurt werd geschoten of als het kanon op de Ramblas een donderende knal liet horen. Wat een prachtige foto’s heb ik toen gemaakt, stuk voor stuk een wereldprijs waard. Barricades met wapperende rode vlaggen er boven op… matrassen en ligstoelen er achter. Brandende kerken en kloosters van waaruit werd geschoten. Stapels meubels waar de vlammen uit omhoogschoten, midden op straat. Vrouwen in overall met patroongordels om de heupen en het geweer aan de schouder. Roodgedaste mannen in auto’s, de revolvers dreigend gericht op de schaarse voorbijgangers.
Maar de foto van die miliciano’s zou de laatste worden. De auto stopte, de mannen sprongen er uit en stormden schreeuwend op mij af: ‘Wat doe je? Wat moet je met dat ding?’
Nu rustig zijn. Hersens op volle toeren. ‘Ik fotografeer. Ik werk voor een krant’.
‘Plaatjes maken, terwijl wij ons leven wagen? Niks ervan’.
‘Jullie kameraden hebben geen bezwaar gemaakt…’
Wat! Die vent heeft er al meer gemaakt. Barricades en gewapende regeringsgetrouwen gefotografeerd, wie weet ook doden. En dat alleen om de sensatielust van krantelezers te stillen? Dat nooit! De stemmen drongen nijdiger en nijdiger van alle kanten op me in. De mannen zelf ook. Een twijfelde aan de waarheid van wat ik zei.
‘Laat zien dat ding – is het geen wapen?’
‘Natuurlijk niet!’ Ik schroefde de lens los en liet de camera zien. De sluiter beschermde de foto’s die ik gemaakt had. ‘Goed toestel’, zei er een begerig. Ai, een nieuw geweer. Maar nog had de achterdocht het woord.
‘Laat van binnen zien!’
‘Kan niet, dan bederven de plaatjes.’
Een woedend gehuil klonk op. Ze drongen op me toe en zetten de geweerlopen op mijn borst: ‘Hier die foto’s!’
Bueno!’ Ik haalde met bloedend hart het filmpje uit de Leica en offerde het op. Voor mijn ogen werd het filmpje vernield; als een in elkaar gefrommeld propje rolde het over het trottoir tot het verdween onder een Catalaanse touwschoen. De man, die naar het scheen verstand had van camera’s eiste: ‘Geef hier dat toestel. Niemand mag foto’s maken in deze tijd.’
‘Ik kan het niet missen,’ zei ik, ‘het is mijn hele kapitaal.’
‘Geef op dat apparaat!’
‘Ik werk voor de kost, net als jullie. En dit is mijn gereedschap.’
Ik stond met de rug tegen de muur. Tien of vijftien mannen drongen op me aan. Drie geweerlopen waren op me gericht, twee ervan porden me in de ribben. ‘Geef op!’ ‘Nee, ik moet ook leven.’
Wat moest ik beginnen zonder Leica, juist nu. Ik kon er niet van scheiden, zo aan het begin van mijn nieuwe taak, mijn werk als oorlogscorrespondent. Een zenuwtrekking in één van die vingers kon een eind maken aan mijn leven. En wie zou dan verantwoording eisen van mijn moordenaar? Niemand. Hij zou weer op zijn auto springen en doorrijden, jagend op paco’s. Maar aan de andere kant, het waren geen moordenaars zonder meer.
‘Kom,’ zei ik, ‘doe die dingen wat opzij. Breng me naar het sindicato, naar jullie vakbond. Als het moet geef ik daar de camera in bewaring.’
Twee handen grepen naar het toestel. Een ruk en het riempje knapte, beide kanten tegelijk. Maar ik griste het uit hun handen: ‘Hier niet! Breng me naar het syndicaat.’
En gelukkig werd dat opgevangen door een paar bezadigder mannen. Een van hen schoof de mannen opzij: ‘Luister naar hem, wat hij vraagt is toch redelijk? Wat is het voor kerel?’
‘Ik ben Hollandse journalist.’
‘Nou kijk eens, wat voor domheid jullie zouden begaan. Doe die geweren weg.’
De geweerlopen zakten omlaag. Het gevaar was voorbij.
‘Kom, ik breng u naar het sindicato, Heeft u het toestel? Wacht hier is het riempje. Wij zullen u tonen, dat wij geen moordenaars zijn.’
Even later stond ik in het vakbondskantoor. Ik kreeg een stoel en een kop koffie en iemand vroeg me of ik honger had. Rechts van me op een kale tafel lag een stapel brood en daarnaast een groot aantal rose kreeften. Vrouwen in overall deelden eten en drinken uit aan de miliciano’s, die slechts gekleed in broek en hemd kwamen uitblazen van de strijd achter de barricaden. Met het geweer aan de voet slurpten ze hun café solo. Sommigen goten, de wijnkruik op armlengte afstand, het vocht regelrecht in hun keelgat.
Ik vroeg een bewijs dat ik mijn werk mocht doen als fotograferend krantenman. Men praatte wat, men overlegde wat, men liep heen en weer van de een naar de ander en tenslotte kwam men vertellen: ‘Neem dat toestel maar weer mee, fotografeer maar zoveel u wilt. Maar op eigen verantwoording. Voor zo’n bewijsje hebben we nog geen systeem. U bent de eerste die er om vraagt. Misschien de volgende week.’
Dat was dan de vuurdoop. De moeilijkheden, ontberingen en gevaren waren nadien lichter te overwinnen, omdat ik bij die eerste botsing overeind gebleven was. Ik kreeg een paar dagen later mijn bewijs, mijn eerste perskaart. Bij ons plotselinge vertrek uit Nederland, had ik aan alles gedacht, behalve aan een bewijsstuk voor mijn journalistieke functie. Het enige papiertje, dat ik kon overleggen, was de ontslagbrief van De Telegraaf van 16 maart 1936.
Het is in de daarop volgende maanden een tactvol laveren geworden om, tussen censuur en politieke gevoeligheden door, dat te bewaren wat ik zag als de taak van een journalist: de scherpe realistische kijk op de dingen. De wil om onpartijdig verslag te doen, op gevaar af door de censuur in het land van de strijd –of door de partijdigheid in Nederland zelf– tot zwijgen te worden veroordeeld.

Opstand in Barcelona door volksmilitie neergeslagen

Om vier uur in de ochtend van de 19e juli verlieten de soldaten in Barcelona de kazerne op weg naar de Plaza de Catluña. Ze waren vroeg gewekt en vol drank gegoten voor ze het bevel kregen een ‘anarchistische opstand’ te onderdrukken. Sommige onderdelen kregen opdracht een parade te vormen ter ere van de Volksolympiade, het grote sportfeest dat links had georganiseerd als tegenhanger van de officiële Olympische Spelen in Berlijn. Maar de Volksolympiade zou dat weekeinde niet doorgaan en duizenden deelnemers die al in Barcelona waren probeerden weg te komen. De soldaten onder aanvoering van opstandige officieren ontmoetten zoveel weerstand van miliciano’s, dat zij nauwelijks tn staat waren om hun artilleriestukken op te zetten. Generaal Goded vloog per helikopter van Mallorca, dat hij zonder slag of stoot had veroverd, naar Barcelona waar hij tegen de avond werd overmeesterd. Een woedende menigte wilde hem lynchen. Later ging het gerucht dat hij door de communiste Caridad Mercader, de moeder van de toekomstige moordenaar van Trotski, was gered. De gevangen generaal legde een verklaring af via de radio en werd opgesloten in het gevangenisschip Uruguay. De anarchisten en de politiemannen die de republiek trouw bleven, vochten de dag zij aan zij en met grote moed tegen de opstandige militairen.

Door de spanning bij mijn eerste oorlogsavontuur, was ik vergeten dat ik nog een filmpje had. Het was de vorige avond bij het slapen gaan uit mijn zakken gerold. De volgende dag waagde ik me niet op straat. Ik schreef mijn eerste drie artikelen over de burgeroorlog. Een verhaal voor de krant die mij had ontslagen, een voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant en een voor de Nieuwe Gazet in Antwerpen. In de brief aan De Telegraaf sloot ik het filmpje in. Ik verzocht in iedere brief dringend om contact met mij op te nemen. Het werd al gauw duidelijk dat ik de volle omvang van de burgeroorlog nog niet had beseft. Het postkantoor was gesloten. Het personeel stond op de barricade. Ik hoopte dat het Nederlandse consulaat over een officiële of officieuze verbindingslijn zou beschikken. De brieven moesten weg. Men moest in Nederland weten dat ik met vrouw en kinderen in Spanje zat en door mijn werk gevaar liep.
Er bleek inderdaad een officiële verbinding met Nederland te zijn via een Nederlands schip dat in de haven lag. De consul was niet gelukkig met mijn aanwezigheid. Ik was een onverwachte complicatie, een pottekijker, een ‘luis in de pels’.
De drie brieven hebben niet allemaal hun bestemming bereikt. Er moet in de naaste omgeving van het consulaat iemand zijn geweest, die al contact had met de NRC en de brief heeft onderschept. Bij mijn terugkeer in Nederland bleek dat mijn verzoek om reactie nooit was overgekomen. Ondertussen was er op het consulaat wel iemand werkzaam, die bereid was mijn guldens te wisselen tegen peseta’s – tegen een althans voor hém gunstige koers. De man wist dat de banken van Barcelona die week gesloten waren.

Bestand:Fotos/laboratorium.jpg
Barcelona was eind juli 1936 een geweldig laboratorium waar men werkte aan een nieuw economisch bestel: het democratisch communisme.

Een week later, op 27 juli 1936, kon men in De Telegraaf lezen: ’Barcelona is thans rustig. Van alle balkons, uit alle vensters wapperen witte doeken ten teken van loyaliteit aan de regering van het frente popular. Nog maar af en toe klinkt een schot uit een of ander dakvenster. Het was nauwelijks de moeite meer en de mannen van de arbeidersmilicia liepen al zorgeloos door de straten, het geweer achteloos over de schouder geworpen, keuvelend met het meisje aan hun zij. Toch was die rust maar schijn. De aandachtige kijker zag niet alleen de koortsachtige actie op de revolutionaire bureaus van mannen met rode banden om de arm, gewapend met revolvers of geweren, maar ook de puinhopen, resultaat van de oorlog. Dat er winkels geplunderd waren om de arbeidersmilitie van sigaretten en levensmiddelen te voorzien, dat er auto’s in beslag genomen waren en vaatjes benzine bijeengehaald, dat gebouwen waren gerequireerd om als revolutionaire bureaus te worden gebruikt, dat betekende in feite niets. Op het verbroken rolluik heeft het arbeiderscomité een stukje papier geplakt met de verontschuldiging: “het comité ter verdediging van de republiek heeft zich genoodzaakt gezien de voorraden in beslag te nemen.” Misschien zullen ook de auto’s nog een keer terugkeren naar de rechtmatige eigenaren en dan worden die witte en rode, soms met mensenbloed geschreven letters CNT, POUM of FAI er wel weer afgewist.

Bestand:Fotos/heksenketel.jpg
Hoe vind je in die heksenketel een geconfisqueerde auto terug?

Gapende littekens in het aangezicht van Barcelona vormden de geplunderde en uitgebrande kerken en kloosters. De kathedraal is gelukkig tot staatseigendom verklaard. Men heeft er een paar wachtposten voor gezet. Maar men heeft de deuren van de Santa Maria del Mar laten springen en het kostelijke interieur vernield. De laatste resten lagen nog te smeulen en niemand kon meer zeggen of de rokende massa voor zijn voeten een priesterkleed was geweest, dan wel de purperen mantel van het merkwaardige Christusbeeld met zijn echte mensenhaar dat zich in deze kerk bevond. Eenzelfde lot moet de Santa Maria del Pino zijn wedervaren. De schilderijen van Tramulles (18e eeuw) zijn weg, een prooi der vlammen geworden. De San Pablo del Campo, Barcelona’‘s oudste kerk –nog daterend uit de tijd der Romeinen– is verloren; alleen de muren stonden er nog. De Santa Ana met haar kostbare veertiende-eeuwse houtfiguren en overdadig gedecoreerde altaren, was een leeg rokend hol geworden. Wat er met het schilderij van Trecento gebeurd is, laat zich gemakkelijk raden. Al werd er dan niet meer geschoten en al zwegen de kanonnen op de Ramblas en de Plaza de Cataluña, normaal was het leven in de Catalaanse hoofdstad niet. De auto’s en vrachtwagens reden nog immer met gewapende arbeiders rond. De inzittenden achter de beschermende matrassen hielden nog steeds de dakvensters in het oog en eisten met herhaald getoeter van elke verdachte groep op de weg, dat ze de vuist omhoog staken voor het brengen van de groet van het frente popular. Over de Ramblas is een doek gespannen met de woorden “Mobilisatie voor Saragossa” en op verschillende punten in de stad was er voor vrijwilligers gelegenheid zich voor de veldtocht tegen deze, zich nog in de handen van de opstandige militairen bevindende stad aan te melden. Er was die dag ook een aantal vliegtuigen opgestegen voor een eerste aanval.’

Bestand:Fotos/beeldenstorm.jpg
Een diepgewortelde haat tegen de geestelijkheid ontlaadde zich na het begin van de burgeroorlog door een echte beeldenstorm. Kerken en kloosters werden geplunderd en in brand gestoken en hier en daar werden zelfs doodskisten opengebroken.

Zeventig bommen zouden zij op de militaire kazernes hebben laten vallen. Men maakte zich gereed om zo nodig deze aanval de volgende dag te herhalen. Ook zou de eerste kolonne vrachtauto’s met vrijwilligers naar Saragossa vertrekken. Een tweede zou weldra volgen. De burgeroorlog was in volle gang. Natuurlijk was de socialistische Volksolympiade afgelast. De Franse oceaanstomer had de Franse deelnemers aan boord genomen. Barcelona had wel wat anders te doen dan aan festiviteiten te denken. Ook een Engels schip was de haven binnengevaren en de commandant had een bezoek gebracht aan president Companys. Desgewenst konden de Britse onderdanen Spanje aan boord van dit oorlogsschip verlaten. Ook voor de Nederlanders had zich een gunstige gelegenheid voorgedaan om te vluchten: een Nederlandse vrachtboot was de haven binnengelopen. Ettelijke landgenoten zouden van de gelegenheid gebruik maken om een kalmer omgeving op te zoeken.
Andere vervoermiddelen waren er niet. Het treinverkeer lag stil, de autobussen waren door de arbeiders in beslag genomen en de trams zouden in geen weken rijden, omdat men overal de elektrische bovenleiding omlaag gehaald had. Vreemdelingen liepen geen direct gevaar. Men behandelde hen, ondanks de algemene nervositeit uiterst voorkomend. Per radio deed de overheid een beroep op de bevolking de buitenlanders te ontzien, want –zo luidde de motivering– ‘Er zijn in het buitenland heel wat Spanjaarden, die nadelige gevolgen van molestaties zouden kunnen ondervinden.’

Chaos in Spanje door burgeroorlog

De burgeroorlog die gedurende de eerste zes maanden meer dan 50.000 slachtoffers zou tellen in heel Spanje, bracht een complete chaos. In alle steden en dorpen richtte men comités op met vertegenwoordigers van het Volksfront, die het sociale leven vorm moesten geven. In eerste instantie werden de rechtse partijen verboden en kranten, hotels, fabrieken en woonhuizen van rechtse eigenaars in beslag genomen. Het ministerie van Financiën controleerde de banken en er werd een lijst bijgehouden van de schulden. Het opmemen van geld was maar tot een bepaalde hoogte mogelijk. De huren werden met de helft verlaagd. Restaurants veranderden in volksgaarkeukens, waar men tegen inlevering van een bon een maaltijd van rijst, aardappelen en vlees kon krijgen. Brood werd schaarser omdat de opstandige militairen de meelgebieden in handen hadden. De voedselbonnen deden later ook dienst als salaris. Voor de middenstand betekende het verdwijnen van geld als betaalmiddel, dat zij alleen snel verkoopbare produkten in voorraad namen. Het bonnensysteem had nog meer nadelen: veel winkeliers zagen geen kans om alle bonnen verzilverd te krijgen die zij als betaalmiddel hadden geaccepteerd. In het democratisch communisme van die dagen telde ook de uiterlijke verschijning. Wie een stropdas droeg of een hoed liep in Barcelona kans aangehouden te worden als ‘kapitalist’.

Er brak een periode van grote onzekerheid aan. Onze bagage, twee grote reismanden met alle kleding, bleek niet te zijn aangekomen. De kinderen kleumden in hun dunne zomerkleding. We hadden wel geld op zak, maar voor geld was in die dagen lang niet alles te koop. Bovendien had ik het gevoel vier maanden ‘blind’ te hebben gewerkt. Op de verhalen die ik naar Nederland stuurde, kwamen geen of loze toezeggingen. Ook de consul steunde ons niet en had maar één aanbod: ‘De boot ligt klaar. Het kan nu nog. Het hele gezin naar Nederland terug op kosten van de regering.’
Gelukkig kwamen juist op dat moment twee telegrammen, een uit Antwerpen en een uit Amsterdam. ‘Stuur meer artikelen’, luidde het ene, ‘Wilt ge ons op de hoogte houden’ was de tekst van het andere. We sloegen het aanbod van de consul af en vonden met enige moeite onderdak bij een Nederlandse dame even buiten het centrum van Barcelona. De rest van de dag gebruikten we voor een poging om nieuwe kinderkleding te kopen. Helaas, de meeste winkels waren nog niet open. Toch vonden we er een na lang zoeken. Drie gewapende mannen zaten voor de winkel in gemakkelijke stoelen, de geweren achteloos over de knie. We wilden naar binnen stappen, maar werden tegengehouden. ‘Wat komt u hier doen?’
‘We willen kleren kopen voor onze kinderen.’
‘Heeft u geld, of een bonnetje?’
‘Nee, nee, we hebben geld.’
‘Het spijt me’, zei een van de mannen, ’dan zal het niet gaan. De voorraden zijn in beslag genomen. Als u géén geld had, zou het bureau u wel hel

Bestand:Fotos/gaarkeukens.jpg
In openbare gaarkeukens, tngericht in voormalige hotels en restaurants, kreeg iedereen te eten, mits hij een ‘vale’ had.

pen. Maar als u geld heeft, is de kans groot, dat u niets kunt krijgen.’
Barcelona was bezig met het invoeren van een nieuw economisch regime. De Catalanen waren er trots op. Ze noemden het ‘democratisch communisme’. In de praktijk haperde er nogal wat aan het stelsel. Het kostte te veel tijd. We hebben ijverig een reeks kantoren afgesjouwd. Gevraagd, gepleit en gesmeekt om een vale, een bonnetje, waarop we wat kleren konden krijgen. Het was een praktische les in de nieuwe economie. Barcelona was een geweldig laboratorium, waar men bezig was uit oud en nieuw een ander bestel te distilleren. Een verbeterde uitgave van het Russische communisme. ‘Dat was maar een eerste experiment’, zeiden de Catalanen, ‘wij bouwen nu voort op hun ervaring’.
Voor een groot distributiegebouw vormden gewapende milicianos op de wagens een stevige escorte voor honderden broden, zinken melkbussen en eierkisten, die werden aangevoerd. Op de wagens prijkten de letters FAI (Federación Anarguida Ibérica), CNT (Confederación Nacional del Trabajo) of UGT (Unión General del Trabajo). Dat waren de emblemen waarmee elk vervoersmiddel hier versierd was, behalve de diplomatieke auto’s die werden gebruikt voor het repatriëren van honderden en nog eens honderden buitenlanders.
Een stroom van bezoekers klom langs de brede trappen omhoog. Wachtposten boven verwezen groothandelaren links, detaillisten rechts. Elk onderdeel van de levensmiddelenvoorziening had zijn eigen afdeling. Op elke deur stond in rode letters met welke commissie men te doen had. De spontane vorderingen van de eerste dagen van de burgeroorlog kwamen niet meer voor. Het was ook niet meer nodig om een levensmiddelenzaak te plunderen, verzekerde men ons. Geen mens behoefde in Barcelona nog honger te lijden.
In openbare gaarkeukens, ingericht in de voormalige hotels en restaurants, kreeg iedereen te eten, mits hij een vale had. Die etensbon werd verstrekt door organisaties en vakbonden. Plundering zou volgens een officiële bekendmaking worden bestraft als poging tot verstoring van de openbare orde. Ook prijsopdrijving zou streng worden bestraft.
Wat de gaarkeukens betreft, daarvoor werden de kosten voorlopig betaald uit een ‘buitengewoon oorlogskrediet’. Als dat zou zijn uitgeput, aldus onze zegsman, dan zou men het bijeen brengen door de vermogens te belasten. Ter voorkoming van kapitaalvlucht waren alle vermogens geregistreerd. Het was een principiële zaak. Het ‘comité de abastos’, dat de grondstoffen beheerde, was wel degelijk een aanval op de groothandelaren, voor zover deze zich niet wensten te schikken naar de belangen van de bevolking.
Tegen de tijd dat men ons eindelijk een textielbon had verstrekt, was het te laat om nog iets te kopen en hongerig keerden we terug naar ons pension. De tram, de omnibus en de metro liepen weer. Net als vroeger moest je weer voor je ritje betalen, want, zo zei men, de tram is voor iemand zonder werk toch maar een luxe.

Hoe vindt men in oorlogstijd een geconfisqueerde auto terug? Zelf heb ik nooit een Fordje numero zoveel gehad, maar samen met een autobezitter die op zoek was naar zijn wagen, heb ik een speurtocht door de gistende miljoenenstad Barcelona meegemaakt. Het begon bij een revolutionair bureau inzake requisities. Daar informeerden we in welke wijk een auto met dat en dat nummer circuleerde. Men stond er de autobezitter vriendelijk te woord, zocht papieren en boeken na en toen het nummer niet te vinden was, plaatste men een oproep in de kranten: ‘Gelieve de Ford met dat en dat nummer terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, want die heeft hem nodig voor zijn bedrijf.’ Na een paar dagen zocht autobezitter het bureau weer op… en men stelde gezamenlijk vast, dat de auto in verkeerde handen was geraakt, dat wil zeggen van oneerlijke lieden, die in de algemene verwarring hadden gemeend de auto niet alleen te mogen requireren, maar ook te onteigenen. De autobezitter bezocht daarna het bureau van het nationale vakverbond, dat een groot gebouw in beslag had genomen in de Calle Layetana, gemakkelijk te herkennen aan de grote lap vlaggedoek aan de gevel, rood en zwart. En daarna de kantoren van de Partit Obrer d’Unifidació Marxista en de Partit Socialista Unificat de Catalunya, elk met een eigen vlag.
Met sombere voorgevoelens ging hij daarna naar het kerkhof, het autokerkhof wel te verstaan, ondergebracht in de arena, de Plaza de Toros de la Arena, waar alle waardeloze blik en oud ijzer werd heengebracht. Arbeiders in overall met rode band waren daar ijverig bezig de wrakken op te lappen ten behoeve van de volksmilitie, die nog altijd in de straten patrouilleerde. En ja, men herinnerde zich, dat er zo’n Fordje bij was geweest, niet eens zo erg beschadigd. Iemand had een wagen, die beantwoordde aan de gegeven beschrijving opgehaald. Die man werd opgebeld, maar hij ontkende en tenslotte begrepen we, dat we zelf voor detectives moesten spelen als we de wagen ooit wilden weerzien.
In een voormalig restaurant aan de Plaza d’España was een gaarkeuken ingericht voor zesduizend man. We besloten daar vóór onze speurtocht eerst te gaan eten. De wachtposten aan de deur fouilleerden ons en wilden papieren en vrijgeleides zien voor ze ons toelieten. Uit de vensters zag je neer op de barricaden aan de voet van het monument, waar zondag 19 juli de eerste doden waren gevallen.
Twee maal per dag kon ieder die honger had hier eten krijgen in de gaarkeuken, waar een ploeg van ongeveer zestig vrouwen, jongens en meisjes de hele dag in de weer was met aardappelen schillen‚ brood snijden en groenten schoonmaken. Dat gebeurde niet alleen hier aan het plein van España, maar ook in de vijftig andere volkskantines, die over de hele stad waren verspreid, voor een deel in voormalige luxueuze restaurants. Wij mochten aanschikken bij de eerste groep miliciano’s, die zo vanachter de barricaden vandaan kwam en gretig een maal van rijst en stokvis naar binnen slokte. De stalen helm nog op het hoofd en het geweer onder handbereik.

Die middag doorkruisten we in een laatste poging de stadswijk waar de geconfisqueerde auto was gesignaleerd. Aan de balkons hingen nog overal witte lapjes, als teken van regeringsgetrouwheid, nu aangevuld met allerlei buitenlandse vlaggen, uitgestoken uit angst voor plundering of brandstichting. Gisteren nog hadden vier of vijf vliegtuigen boven Barcelona gecirkeld om pamfletten uit te werpen, waarin ieder die zich aan zinloze gewelddadigheden schuldig maakte met de kogel werd bedreigd.
De bewoners van Barcelona haalden hun schouders op over de angst van de buitenlanders. Het was wel zo, zeiden ze, dat de stad sinds mensenheugenis niet zo onrustig was geweest, maar de overheid begon ook weer een woordje mee te spreken. Overal zag je de ‘Mozos de Escuadra’, de lijfwacht van de Generaliteit, in hun blauwe roodgegalonneerde pakken op wacht staan voor hotelingangen. Je zag ze ook getweeën surveillerend door de straten van de binnenstad, gemoedelijk op een stoel bij de ingang van de kathedraal of streng fouillerend en controlerend bij het postkantoor. En verder patrouilleerden ook mannen van de Guardia Civil en van de Guardia de Asalto, de staatspolitie, weer hoog te paard over de Via Diagonal.
Als u er zelf niet in slaagt uw wagen terug te vinden, zo hoorden we van alle kanten, dan zullen deze ordebewakers er tenslotte wel in slagen. Aan het eind van de dag vonden wij het Fordje terug met een paar kogelgaten, een versplinterde voorruit en een deuk in de motorkap. De miliciano die hem teruggaf aan de eigenaar, zei wijsgerig: ‘Alleen al in Barcelona, meneer, hebben vierhonderd arbeiders hun republikeins élan met de dood betaald. Wat komt er dat beetje schade voor uw auto dan op aan?’

Op een zomerse middag kort daarna wandelden we voor het eerst tamelijk ontspannen over de Ramblas. De gewone man had de brede boulevard veroverd. Men liep er in hemdsmouwen en werkbroek, de vrouwen met schort en zonder hoed. Op de stoelen, die men vroeger kon huren voor een paar centimos, zaten thans vrolijke volksvrouwen en miliciano’s en niemand behoefde meer te betalen. Wat hen allen verenigde in een feestelijke verbroedering was het rode lintje op de borst of om de arm. Het rode strikje om de staart van het straathondje, het rood-zwarte roosje om de loop van het geweer en het sierlijke lintje om de fopspeen van de baby’s op moeders schoot. Er stonden op de Ramblas twee pantserwagens, omringd door belangstellende kijkers. Een man gaf ijverig uitleg. Vlak na de militaire opstand hadden arbeiders uit de metaalindustrie deze pantserwagens gebouwd, ‘in vrije samenwerking’ nu de directeuren waren gevlucht. ‘Kijk’, zei de man, ‘hier heeft men de weerstand gemeten: vanaf zoveel meter afstand gaat er geen kogel door. Van meer nabij wordt de buitenste pantserplaat doorboord, maar de kogel blijft steken in de kapokvoering tussen de dubbele wanden, zodat de inzittenden volkomen veilig zijn. En nou is deze pantserwagen nog tamelijk primitief: we hebben sedertdien al heel wat beter afgewerkte wagens afgeleverd. Met draaibare geschuts-torens en alles wat verder bij een fatsoenlijke pantserauto past…’
Aan de voet van het geweldige standbeeld van Columbus, waarin men met een lift naar boven kan gaan, stonden allerlei straathandelaren met scheermesjes, sokken, speelgoed en dassen. Zij hoefden geen sta-geld meer te betalen zoals voordien. Ook de man met de poppenkast, die men de laatste jaren weinig meer zag, had zijn oude spullen voor de dag gehaald. Deze ‘célebre Trevino’, zich noemend ‘El Rey de la Risa’, de koning van de lach, had een dankbaar publiek. Hij was duidelijk een fel tegenstander van de militairen en de geestelijkheid. Zijn Polichinel dreef de spot met kapitalisten en nonnen en vocht, tot hij tenslotte door een soldaat werd neergeslagen. Zijn Katrijn, niet onze katijf van de Dam, maar een echte Spaanse vrouw, was diep bedroefd en het publiek met haar. Daarna kwam een pastoor ten tonele die vijf peseta’s begrafenisgeld van haar verlangde, maar onder gejuich van het publiek joeg zij de pastoor op de vlucht met behulp van een braadpan en een eenorige pot. Wij streken na deze voorstelling dorstig neer op het terras van een klein restaurant met de naam Los Caracoles, de wijngaardslakken.
‘We zijn vandaag voor het eerst weer open, companiero, vertelde de kelner. ’U ziet het op het bord bij de ingang: heden is het restaurant weer opengesteld in samenwerking met alle arbeiders van het bedrijf.’ Ik vroeg wat er aan de hand was. ‘De eigenaar was gevlucht. Zijn boeken klopten niet en hij had te weinig belasting betaald. Nu hebben wij met zijn zestigen de zaak in handen genomen.’
Het was een eenvoudig restaurant, dat sinds vele jaren bij lekkerbekken uit Spanje en uit het buitenland bekend was door zijn uitgelezen spijzen, gebraden kip, alle mogelijke rivier- en zeevissen, mosselen en strandgapers, tot gemarineerde slakken en geroosterde sprinkhanen toe. En alles zonder extra kosten rijkelijk overgoten met wijnen uit Jerez of Rioja. Je kon ook alleen een ‘chato con tapa’ nemen, een glas wijn toegedekt met een schoteltje slakken, gepeperd, gezouten of gemarineerd met olijfjes, worst of vis, voor de uiterst lage prijs van vijftien centimos.

Bestand:Fotos/ordechaos1.jpg
De nieuwe economische orde bracht in het begin vooral chaos: geld werd onbruikbaar, eigendommen werden geconfisqueerd, maar het nieuwe politieke elan leek niet meer te breken.

Aan ons was al dat lekkers niet besteed, maar ik had des te meer belangstelling voor de economische kant van dit coöperatieve horecabedrijf. Gevleid door mijn vragen zette de kelner zich aan ons tafeltje neer en vertelde hoe na de vlucht van de baas de personeelsleden uit hun midden een commissie van zes personen, waaronder hij, hadden benoemd. Die commissie deed de normale zaken af, beheerde de kas, betaalde lonen uit en verdeelde het werk. Zodra er echter een besluit moest worden genomen, bijvoorbeeld over verbouwing, uitbreiding of verandering van regime, moesten alle compañeros worden geraadpleegd. Hun lot hing immers nauw samen met dat van het bedrijf.
‘Het loon, compañero? Dat is gelijk gebleven aan vroeger: 100 peseta’s per week. Maar aan het eind van het jaar krijgt ieder zijn aandeel in de winst. Dus u begrijpt, dan men nu zuiniger is met glazen en servies.’ Maar als iemand toch te veel breekt, of niet voor zijn werk deugt? ‘Dan kan hij er niet zomaar door de commissie van zes uit worden gegooid. Wanneer iedereen het er mee eens is, moet er bij het Sindicato een voorstel tot ontslag worden ingediend. Familieleden kunnen niet worden voorgetrokken, want de vakbond heeft een lijst van werkloze kelners, die voorrang hebben.’

Bestand:Fotos/ordechaos2.jpg
De nieuwe economische orde bracht in het begin vooral chaos: geld werd onbruikbaar, eigendommen werden geconfisqueerd, maar het nieuwe politieke elan leek niet meer te breken.

En is er geen kans, dat de kameraad die de kas beheert er op een dag mee vandoor gaat?
‘Welnee, meneer! Het is de commissie van zes, dat wil zeggen van vertrouwensmannen, die de kas beheert. Hoe zou dat verkeerd kunnen gaan?’
Op dat moment werd verderop in de handen geklapt. Dat was toentertijd de manier waarop men een kelner riep. Onze ‘mozo’ haastte zich weg. Toen wij tenslotte onze consumpties wilden betalen, deed zich een moeilijkheid voor. We hadden geen kleingeld en betaalden met een briefje van 50 peseta’s. ‘Had dat nu maar eerder gezegd’, zei onze kelner. ‘We kunnen niet wisselen. U wist toch, dat er geen zilvergeld is?’
Maar ik heb niet anders, zei ik.
‘Betaalt u dan maar, als u hier de volgende keer langs komt. We hebben geen enkele zilveren duro meer, alleen koper. Daar hangt het briefje van de vakbond, dat men niet van ons kan verlangen dat we papiergeld verzilveren.’
En toen begon voor ons een moeilijke tocht over de Ramblas. We sjouwden van kiosk naar kiosk, van café naar café, maar niemand had kleingeld. De officiële bureaus zeiden, dat kwaadwilligen de zilveren munten vasthielden, omdat zij het papiergeld niet vertrouwden. Misschien wilden ze op die manier de normale gang van zaken ook wel in de war sturen. Toen we hem later het geld kwamen brengen, knikte onze kelner waarderend.

Bestand:Fotos/ordechaos3.jpg
De nieuwe economische orde bracht in het begin vooral chaos: geld werd onbruikbaar, eigendommen werden geconfisqueerd, maar het nieuwe politieke elan leek niet meer te breken.

Aanvoerder Durutti bezielende kracht van volksmilitie

Een dromer met een gewelddadige opdracht, een held die men niet kan verslaan, een knappe man die lacht als een kind en kan wenen om de menselijke tragedie. Zo werd de opperbevelhebber van de Catalaanse volksmilitie, Buenaventure Durruti, omschreven door tijdgenoten. De anarchist zou in vier landen ter dood zijn veroordeeld. Hij vluchtte naar Zuid-Amerika en keerde terug naar Europa om in Parijs een anarchistische boekwinkel te openen. In 1934 dook hij weer op in Saragossa waar hij tn december met zijn revolutionaire comité dagenlang vocht met politie en leger en tot nationale held werd uitgeroepen. In de nacht van 20 juli 1936 slaagde hij erin met zijn anarchisten de kazerne San Andrès, het wapenarsenaal van Barcelona te overmeesteren. Van de ene op de andere dag kon hij het wapenbezit van zijn miliciano’s uitbreiden van tweehonderd tot 30.000 geweren. Twee belangrijke toegangswegen tot Madrid waren kort na het uitbreken van de burgeroorlog in handen van de opstandige generaals en op 24 juli trokken twee colonnes van het 20.000-koppige volksleger van Barcelona in de richting van het front. Durruti voerde de eerste anarchistische groep aan: miliciano’s met een bloem op het geweer. Hij zou opperbevelhebber worden van het hele Catalaanse volksleger.

In enkele dagen tijds hadden de Catalaanse arbeiders de militaire opstand gebroken. Daarna trokken zij met autobussen en vrachtwagens naar de plaatsen op het platteland, waar de militairen zich nog staande hadden kunnen houden. Het was improvisatiewerk. De regeringsgetrouwe miliciano’s lagen met tienduizenden als een rode gordel om de steden Huesca, Saragossa en Teruel en in de dorre vlakten van Aragon. Ze veroverden dorp na dorp. Langzaam drongen zij op en overal waar ze kwamen, sloten zich gewapende boeren bij hen aan. Voor Saragossa, dat beroemd was omdat het nog nooit voor een vijandelijke aanval was gezwicht, lag de colonne Durruti, opgebouwd volgens anarchistische beginselen. Er ging een charismatische kracht uit van deze Buenaventure Durruti. Zijn aanhangers vereerden hem en zijn soldaten gingen voor hem door het vuur. Overal waar hij kwam, hield hij toespraken tot de bevolking, die hem, de eenvoudige metaalbewerker uit Barcelona, als een bevrijder aanbad. Zijn programma was eenvoudig: onteigening van het grootgrondbezit, de bodem gemeente-eigendom, de gemeenteraad een administratief lichaam, dat iedere burger een stuk grond toewijst dat hij mag bewerken. Volgens Durruti moest het kind worden gesocialiseerd, dat wil zeggen, ieder kind moest het onderwijs krijgen, dat zijn gaven ten dienste van de samenleving volledig tot ontwikkeling zou kunnen brengen. Kerken en kloosters moesten worden ingericht als schoollokalen. Lijnrecht daartegenover stond de eis van de opstandige militairen, dat het eigendomsrecht onaangetast zou blijven en dat niet mocht worden getornd aan de begrippen godsdienst, vaderland, kerk en gezin. Het gezin moest opnieuw de hoeksteen worden van de samenleving en de macht van de vakbonden moest volgens de opstandige militairen worden gebroken.
‘Dat is fascisme’, zei Durruti, ‘en met fascisten discussiëren wij niet. Die zullen wij vernietigen.’
In Catalonië stonden de beide legers als onverzoenlijke vijanden tegenover elkaar. Er was geen pardon. Er was geen keus. Een van beide beginselen moest volledig worden gebroken.
De regeringsgetrouwe miliciano’s werden in de veroverde dorpen bij de boeren ingekwartierd. Ze sliepen er in het stro, schilden zelf hun aardappelen, kookten hun potje, deden in een verloren ogenblik hun was. Maar zodra alarm werd geblazen sjorden zij de patroongordel om en namen zij het geweer op de schouder. De wachtposten bij de ingang van zo’n dorp, vaak bijgestaan door een compañera, een gewapende vrouw of meisje, controleerden wat het dorp binnenkwam en verliet. De tactiek die de miliciano’s in Barcelona zo’n succes heeft verschaft, was de overrompeling, het vermetel binnendringen van stellingen waar men hen het minst verwachtte. Het voornaamste wapen was een fanatiek geloof in de overwinning. Zo is Osera veroverd, op 30 km afstand van Saragossa. Op diezelfde dag fotografeerde ik daar en lukte het me Durruti, de opperbevelhebber van de Catalaanse volksmilitie te interviewen.
Zijn hoofdkwartier was een eenvoudig wit huisje aan de weg van Bujaraloz naar Saragossa. Links en rechts van de weg lagen meer of minder gecamoufleerde schuilplaatsen, tenten, veldkeukens, vrachtwagens en auto’s, gereed voor een snelle rit naar een bedreigde plaats aan het front. Daarbinnen een kamer waar men zonder kloppen binnenging, een paar telefoontoestellen, vier schrijfmachines, vier secretaressen –allen in overall– en achter een tafel vol paperassen: Durruti. Het gelooide gezicht van een man van nog geen veertig jaar. Een forse neus, een wijkende kin, volle lippen onder geprononceerde neusvleugels, zelfverzekerde bruine ogen achter brilleglazen. Twee grote vereelte handen die voortdurend bezig waren. Hij voerde een heftig gesprek met een man die voor hem stond. ‘Fusilleren of niet fusilleren? Wat weet ik ervan? Fusilleer als je denkt dat dàt nodig is. Maar denk eraan, je kunt nooit beweren, dat je dat doet op bevel van Durruti. Ik kan van hieruit niet beoordelen, of die fascisten niet door hun familieleden kunnen worden bekeerd. Ik kan van hieruit niet beoordelen of je hun neven en zwagers niet van onze vervreemdt, wanneer je hem terechtstelt. Ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. Ik kan toch niet beslissen over het lot van elke fascist, die in onze handen valt?’
Gebukt onder zijn verantwoordelijkheid, het gelaat strak en ernstig, verliet de ander het vertrek. Durruti, die zelf twee broers had die lid waren van de falangistische beweging, bleef nadenkend achter. Toen keek hij op: ‘Waarmee kan ik u helpen?’

Bestand:Fotos/ingekwartierd1.jpg
Durruti’s mannen waren ingekwartierd bij boeren in de veroverde dorpen. Ze sliepen in het stro, maakten hun eigen eten klaar en deden in een verloren ogenblik de was in een oude varkenstrog.

Ik vertelde hem, dat ik als journalist de Nederlanders wilde uitleggen wat het verschil was tussen het volksleger en dat van de opstandige militairen. ‘Dat is kort gezegd’, antwoordde Durruti. ‘De militairen waren een voortdurende bedreiging voor ons volk en de volksmilities zijn de enige garantie, dat het volk zijn vrijheden kan behouden. De geschiedenis van Spanje leert, dat het leger steeds weer naar de macht heeft gegrepen, betoogde Durruti. ’Steeds weer heeft het zijn wapens gekeerd tegen de bevolking, die het bekostigde. De soldaten waren daarbij een willoos werktuig, zoals ze het ook zijn geweest tijdens de bloedige dagen, die achter ons liggen. Bijna alle officieren zijn echter in opstand gekomen tegen de wettig gekozen regering. Zij hebben gezondigd tegen de militaire discipline, die zij wel van hun soldaten eisen. Hoe kun je dan van die soldaten verlangen, dat zij zich ooit weer aan die discipline onderwerpen. De massa-dienstweigering van een paar weken geleden heeft daar voorgoed een eind aan gemaakt.’ ‘Maar als die oude discipline niet meer bestaat’, vroeg ik, ‘hoe is dan de structuur van het volksleger?’
‘U weet misschien, dat ons leger uit centuria’s bestaat. Dat zijn groepen van honderd vrijwilligers, die uit hun midden een groepsleider kiezen. Ook de andere leiders worden gekozen. Ook ík zit hier slechts, doordat de gedelegeerden van de militie mij voor die post hebben uitgekozen. Heftig voegde Durruti er aan toe: ’Met het oude systeem hebben wij volkomen gebroken. Toch hebben wij hier een ijzeren discipline. Plundering en aanslagen zijn tot dusver niet voorgekomen. Die tucht berust niet op het beginsel van autoriteit, maar vloeit voort uit ons doel. Daaraan heeft elk militie-lid zich vrijwillig ondergeschikt gemaakt. We zijn onafhankelijk. Ik verwacht van geen enkele regering waar ook ter wereld enige steun.’ Durruti vertelde dat aan de verschillende fronten in Aragon ook totaal uiteenlopende colonnes stonden, elk voortgekomen uit een andere politieke partij. De samenwerking kwam volgens anarchistische beginselen tot stand, overleg op voet van gelijkheid. Bij Huesca lag bijvoorbeeld een groep militairen onder leiding van een kolonel die de regering trouw was gebleven. Durruti zei: ‘Ook hem dwing ik tot aanvaarden van onze principiële kameraadschap en het afleggen van zijn oude autoriteit. Ik bespreek de strategische problemen met hem in tegenwoordigheid van zijn vroegere ondergeschikten en geef ook de soldaten kans om hun mening te geven. De kolonel moet zijn mening dan tegenover hen verdedigen, waarbij natuurlijk zijn militaire scholing vaak de doorslag geeft. U ziet, dat wij hier geen van allen strepen of sterren dragen. Dat is ook een probleem met de guardia civil, voor zover die bij ons is ingelijfd. Die guardia’s zijn eigenlijk niet anders dan de kozakken van Spanje. Even blind gehoorzamend en met dezelfde strenge militaire beginselen. Dat moet er allemaal uit! Ze lopen niet langer in hun groene pakje maar dragen een overall, net als de anderen. We doen ons best om hun gevoel voor kameraadschap bij te brengen…’

Bestand:Fotos/ingekwartierd2.jpg
Durruti’s mannen waren ingekwartierd bij boeren in de veroverde dorpen. Ze sliepen in het stro, maakten hun eigen eten klaar en deden in een verloren ogenblik de was in een oude varkenstrog.

Een boers uitziende man stond bij de deur te wachten tot we uitgepraat waren. Toen zei hij: ‘Ik ben mijn geweer kwijt, Durruti. Het is gestolen. Ik weet wel, dat ik er als militieman beter op had moeten passen, maar ik zou nu graag een ander hebben.’ Durruti keek bedenkelijk. ‘Op dit moment is elk geweer er één, kameraad. En is het bij jou wel in goede handen?’
‘Ik ben maar een eenvoudige boer, Durruti, maar ik stel me helemaal in dienst van het volk. In ons dorp hebben we jouw principes toegepast. We hebben koren gestuurd naar Barcelona en een vrachtauto vol kaas. Ze hebben er ons gereedschap, kunstmest en kleren voor teruggezonden. Ik sta aan jouw kant en je kunt op me rekenen als je me nodig hebt.’
Durruti drukte de man de hand en beloofde dat hij de volgende dag een ander geweer zou krijgen.

Op het Bureau voor de Voorzieningen in Barcelona had ik die week een decreet gelezen over de economie van het land. Het had de volgende inhoud:

’Het comité van oorlog van de colonne Durruti geeft met het oog op de wensen en de behoeften van de bevolking van Bujaraloz de volgende instructies:
  1. dat gezien het feit, dat de oogst als iets heiligs moet worden beschouwd voor de belangen van het werkende volk en de anti-fascistische zaak, de oogstwerkzaamheden zonder enig tijdverlies moeten worden uitgevoerd,
  1. dat alle eigendommen in de vorm van produkten, vee of middelen van transport, die burgers van fascistische gezindheid bezitten, via de controle van het comité van voorzieningen moeten overgaan in handen van het volk,
  1. dat na afkondiging van dit decreet het particuliere grondeigendom van de grootgrondbezitters wordt afgeschaft en overgaat in het bezit van het volk, in de vorm en de betekenis, die het dorpscomité eraan geeft,
  1. dat alle landbouwgereedschappen, tractors, dorsmachines e.d. van fascistische eigenaars tot dorpseigendom worden verklaard, onder controle van vertegenwoordigers der dorpsbevolking.
  1. Daar de gewapende strijd der anti-fascistische milities een waarborg is voor de belangen en het leven van het werkende volk, moeten de bewoners van Bujaraloz daaraan enthousiaste en onvoorwaardelijke steun verlenen, zowel materieel als moreel.

Afgekondigd te Bujaraloz, 11 augustus 1936,
Durruti.’

De opperbevelhebber van de Catalaanse volksmilitie knikte toen ik hem aan dat decreet herinnerde. ‘Zodra wij een plaats hebben veroverd, verbranden wij de papieren van het kadaster. We roepen de bewoners bij elkaar en verklaren de eerste beginselen van het anarchisme: werken naar vermogen en consumptie naar behoefte. Afschaffing van het particuliere eigendom ten behoeve van het volk, distributie van grond en levensmiddelen door de gemeenteraad, gekozen door de bevolking. Niet langer een wetgevend lichaam, maar in de toekomst nog alleen van administratieve betekenis.’ Durruti nam met een kameraadschappelijke handdruk afscheid van me, alsof ik een van zijn miliciano’s was en toen ik het vertrek met de constant rinkelende telefoons verliet, stonden al weer drie andere Spanjaarden te wachten op een onderhoud met de bevelhebber.

Generaal Buenaventure Durruti was een dapper man. Al tijdens zijn leven deden talloze legendes over hem de ronde. Volgens een van die verhalen zou hij tijdens de dictatuur van Primo de Rivera geprobeerd hebben om de koning van Spanje, Alfonso, gevangen te nemen tijdens een bezoek aan Frankrijk. Het zou maar weinig hebben gescheeld of Alfonso was die nacht door de aarde opgeslokt. De jeugd noemde zijn naam alsof het een sprookjesheld was, soldaten maakten liedjes over hem en het zag er naar uit, dat Durruti in het nieuwe Spanje nog een grote rol zou spelen. Maar Durruti werd op 19 november 1936 dodelijk gewond tijdens het gevecht om de hoofdstad. Op 13 november was hij met zijn colonne van 4.000 anarchistische vrijwilligers opgetrokken naar Madrid en op 15 november opende hij de aanval op de militairen bij de universiteitsgebouwen. Durruti stierf op 20 november in hotel Ritz dat door de miliciano’s was ingericht als ziekenhuis en meer dan 200.000 mensen bewezen hem de laatste eer in zijn geboortestad Barcelona. Toen Franco Barcelona in 1939 in handen kreeg, liet hij de naam van Durruti van zijn grafsteen op de begraafplaats van Montjuich verwijderen.

Democatiseringsproces begint met schoolhervormingen

Een van de eerste maatregelen die de dichter Buenventure Gassol nam, toen hij in 1936 minister van Onderwijs werd in de Catalaanse regering, was het bestrijden van het analfabetisme door de oprichting van een eenheidsschool, een soort basisschool die alle kinderen gelijke kansen moest geven. De kloosterscholen werden gesloten en verbouwd, evenals een groot aantal leegstaande fabrieken, om het grote tekort aan scholen op te vangen. De Italiaanse pedagoge Maria Montessori heeft al in 1913 gezorgd dat in Catalonië neutraal bijzondere en openbare kleuterscholen werden geopend naast het katholieke onderwijs. In 1915 gaf zij in Barcelona een eerste Montessori-cursus en in dezelfde stad werd een school met haar naam geopend. De opeenvolgende regimes in Spanje eisten dat Maria Montessori zich solidair zou verklaren, maar toen zij bleef weigeren zich aan te passen, werd haar school in 1924 door dictator Primo de Rivera gesloten. Tijdens de nieuwe republikeinse regering in 1932 volgde een herwaardering voor haar onderwijsmethodes en een jaar later gaf zij in Barcelona een internationale trainingscursus voor het Montessori-onderwijs. Bij het uitbreken van de burgeroorlog vluchtte zij aan boord van een Brits oorlogsschip naar Oxford en vandaar naar Nederland, waar zij zich heeft ingezet voor een nieuwe Montessorischool in Laren. De pedagoge is nooit meer teruggekeerd in Italië, dat zij onder druk van Mussolini had verlaten.

De fanatieke houding van de anarchisten riep uiteraard tegenkrachten op. De Catalaanse regering onder leiding van president Companys had een andere samenstelling gekregen. Op 6 augustus kwam er een kabinet zonder socialisten, dat nog slechts steunde op een klein gedeelte van het volks-front. Maar de wapens waren in handen van de anarchisten, die in principe geen regering erkenden.
Companys zei: ‘Ik heb als president het volk niet bewapend. Het volk heeft zichzelf de kracht van wapens weten te verschaffen, ondanks het feit dat het niets meer had dan de blote vuist om mee te strijden. Ik was opgelucht, want het was de enige manier om de democratische regering van Catalonië te redden.’ Volgens de president had de anarchistische CNT daarna de taak overgenomen van het opstandige leger. ‘De CNT bewaart de orde en beschermt de maatschappij. Wij vertrouwen dat wij de komende gebeurtenissen in de hand zullen kunnen houden. Wij zullen de individuele democratische vrijheden verdedigen, maar we zijn vast besloten ons niet te verzetten tegen economische en sociale vooruitgang.’
Companys erkende dat zijn kabinet bestond uit burgerlijke links-republikeinen, maar er waren, zei hij, geen contacten met enig financieel belang. ‘De regering wordt gevormd door een middenstandsklasse, die door het kapitalisme met vernietiging werd bedreigd op de dag dat dit zich met het fascisme verenigde. Wij hadden de plicht de feiten te aanvaarden en de hervorming te leiden langs de rustigste wegen die er bestaan.’
In Barcelona hadden de anarchisten de steun van 80% van de bevolking. Alle andere partijen moesten daar dus terdege rekening mee houden. Het resultaat was tenslotte een wankel evenwicht, alleen in stand gehouden door de oorlogstoestand, die alle krachten bundelde tegen de machtige tegenstander.

Bestand:Fotos/montessori.jpg
De Italiaanse pedagoge Maria Montessori was de eerste die in Spanje gepleit heeft voor neutraal onderwijs. In haar woonhuis in Barcelona was in de zomer van 1936 nog een Montessorischool gevestigd.

De wettelijke regering van Spanje manifesteerde zich overigens al in de laatste dagen van juli 1936. Nadat de miliciano’s de militaire opstand hadden gebroken, nam de overheid de leiding weer krachtig in handen. Op aanplakzuilen en blinde muren verschenen plakkaten met de volgende poëtische tekst:
’Terwijl geestdriftige mannen aan het front strijden tegen een Spanje dat zwart en onwetend is, willen wij onze sociale vooruitgang verstevigen aan het front van de opvoeding, zodat onze zonen een cultuur krijgen, die een rechtvaardiger toekomst waarborgt. Kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, polytechnische scholen, landbouw- en ambachtsscholen. Daar zullen onze kinderen zich voorbereiden op een beroep, dat in overeenstemming is met hun aanleg.
Wij zullen een nieuwe eenheidsschool stichten, die alles omvat, vanaf de bewaarschool tot de universiteit. Een school die is geïnspireerd door de natuur, door de arbeid en door de liefde voor de samenleving. De eerste etappe van ons plan is de nieuwe eenheidsschool. Per 1 oktober 1936 moet ieder kind in Catalonië naar school kunnen gaan. En om dat mogelijk te maken zullen zij gebruik maken van de in beslag genomen gebouwen van religieuze orden en van fascistische elementen.
Deze woorden zijn neergeschreven door de Catalaanse minister van Onderwijs en Cultuur, de dichter Venture Gassol. Hij was ook al minister van Onderwijs geweest in de eerste republikeinse regering van 1931 in de deelstaat Catalonië. Hij gaf in de eerste dagen van de burgeroorlog opdracht de vele kloosters die niet in vlammen waren opgegaan in beslag te nemen: ‘Incaptado por la Generalidad’, geconfisqueerd door de regering. Ook musea, particuliere woningen, zelfs een schip en een theater zijn op die manier door de Catalaanse regering in beslag genomen en aldus beschermd. Het schip zou dienst doen als gevangenis.
Ik vroeg een gesprek aan met de minister van Cultuur en Onderwijs en terwijl ik in zijn wachtkamer zat, hoorde ik het laatste nieuws. Met de hand geschreven boeken uit de 14e, 15e eeuw, zojuist in beslag genomen in het huis van een markies, gingen hier van hand tot hand. Een van de aanwezigen vertelde dat men in een kerk verborgen staatspapieren had gevonden ter waarde van ruim 22 miljoen peseta’s. In een particuliere woning had men een collectie gouden en zilveren munten ontdekt, met een totaal gewicht van 120 kilo. De boeken en munten zouden in een museum belanden en met het geld zou de strijd tegen de opstandelingen worden gefinancierd.

Bestand:Fotos/neutraalonderwijs.jpg
Vóór 1936 kende Spanje geen enkele vorm van neutraal onderwijs.

De minister bleek een kleine, beweeglijke man te zijn met tintelende donkere ogen. Hij zei: ‘Natuurlijk zijn wij volkomen binnen de perken van de wet gebleven bij confiscaties van gebouwen. Ons optreden tegen de kloosterscholen is gerechtvaardigd, omdat artikel 46 van de grondwet religieus onderwijs verbiedt. Bovendien heeft de regering in Madrid alle burgemeesters in Spanje opdracht gegeven om gebouwen voor religieus onderwijs in beslag te nemen, met alles wat er in wordt aangetroffen.’
En met enthousiasme vervolgde minister Gassol: ‘Wij gaan het onderwijs zoveel mogelijk centraliseren om gelijke kansen te scheppen voor elke begaafde Catalaan. De weg tot het hoger onderwijs moet ook openstaan voor een arbeiderskind. We hebben een commissie gevormd die tot taak heeft om openbare scholen in te richten in de geconfisqueerde gebouwen. De “escuela nueva” moet een eenheidsschool worden.’
De overheid zal voortaan het ‘Teatre del Liceu’, een van de mooiste theaters ter wereld, gaan exploiteren om zo de culturele opvoeding van het Spaanse volk te bevorderen, kondigde de minister aan. Verder wilde het kabinet voorlopig niet gaan. Maar de overige theaters en bioscopen in Barcelona zouden wel streng worden gecontroleerd. ‘Dus ongeveer dezelfde verhouding als tussen fabrikant en commissie van voorzieningen,’ vroeg ik.
‘Precies. Het is duidelijk, dat bij de coördinatie van alle vermakelijkheids-ondernemingen ook de radio niet mag worden vergeten. De beide zenders van Barcelona, die tot dusver in particuliere handen waren, zijn eigendom van de regering geworden en zullen in naam van de overheid worden geëxploiteerd.’
Minister Gassol noemde ook de musea en kerkgebouwen. ‘We hebben een aantal kerken gered en verschillende kunstcollecties, schilderijen, beelden en oude waardevolle manuscripten, die uit verlaten particuliere woningen te voorschijn kwamen, zijn overgedragen aan de centrale museumcommissie, die de leiding krijgt van alle musea in Barcelona.’
‘En wat gebeurt er met de restaurants, die nu gebruikt worden als gaarkeukens?’
‘Ik weet niet hoe lang deze oorlogstoestand nog duurt. Maar als alles weer rustig is, worden het waarschijnlijk weer restaurants, net als voorheen. In sommige gebouwen komen recreatiezalen voor de arbeiders en verschillende in beslag genomen landgoederen zullen worden herschapen in sport- en recreatie-oorden.’

Bij het uitwerken van dit interview drongen zich vele vragen bij me op. Reeds vóór de 19e juli was er een tekort geweest aan scholen. Ongeveer 50.000 kinderen waren geheel van onderwijs verstoken gebleven. Bij het uitbreken van deze burgeroorlog waren tientallen kloosterscholen verbrand en leeggehaald. Barcelona werd dan wel uitgenodigd voor de 1e september alle kinderen te laten inschrijven, maar zou men in staat zijn om honderdduizenden jongens en meisjes op te vangen?
Alle 25.000 bouwvakkers in Barcelona waren opgeroepen voor dit doel. Een groep van twintig architecten werkte onder hoogspanning aan verbouwingsplannen voor driehonderd in beslag genomen kloosterscholen. Er werd overal gebouwd in Barcelona. De Catalanen zijn geboren bouwers. In dit oude Gotenland streeft alles omhoog, elke villabezitter wil een torentje, elke huizenbouwer wil nog een meter hoger dan zijn buurman. Maar als je in augustus 1936 vroeg naar de aannemer, keek men naar je alsof je een figuur uit de vorige eeuw was. Er waren geen aannemers meer. Die waren gevlucht of failliet gegaan. Er waren alleen nog arbeiders, verenigd in het sindicato, de vakbond van bouwvakkers of architecten, dat de lonen regelde, de arbeidsduur bepaalde en nieuwe bouwvakkers aanstelde. Alle opdrachten uit de tijd voor het uitbreken van de burgeroorlog werden nog volledig uitgevoerd: niet minder dan 1.500 gebouwen en woningcomplexen. Dat gebeurde voor rekening van de opdrachtgevers, maar ze werden goedkoper opgeleverd, dan wanneer er nog een bouwondernemer had tussengezeten. Voorzover de opdrachtgevers naar het buitenland waren gevlucht, stelde de regering hen toch aansprakelijk voor de bouwkosten. Om die kosten te dekken kon men desnoods overgaan tot het in beslagnemen van contanten, de verkoop van effecten en tot het leggen van een hypotheek.
Het arbeiderscomité dat beslag had gelegd op de kantoren van de aannemer, had ook het beheer over het beschikbare kapitaal overgenomen. Er kon geen peseta van de bankrekeningen worden opgenomen, zonder toestemming van het comité. Het geld was in de eerste plaats bestemd voor de uitbetaling van de lonen. Als er materiaal nodig was, werd het gehaald bij de leverancier: ‘Schrijf maar op, kameraad!’ Als de rekening werd gepresenteerd, betaalde men met een wissel op twee of drie maanden. Tegen die tijd zou men de zaken wel beter kunnen overzien.
De idealistische Catalaan droomde van een nieuw Spanje, geen communisme, geen socialisme, maar het tijdperk van de vrije arbeider, die bereid is hard te werken als het gaat om meer dan het particuliere belang alleen. Dat idealisme heeft de Catalanen een eind gebracht. Ze hebben het bijna tweeëneenhalf jaar volgehouden, tegen de overmacht der beroepsmilitairen in.

Op een expositie ontmoette ik een gestrande Duitser, uitgeweken voor de vooruitgeworpen schaduwen van de holocaust. Het was een schilder die zich had aangesloten bij de ideeënstrijd en nu revolutionaire leuzen op een trein schilderde. Via hem vonden wij een tijdelijk onderdak in een vluchtelingen-pensionnetje in de binnenstad. Behalve onze kunstenaar woonden hiereen joodse dokter, een marktkoopman, gespecialiseerd in knopen en band, een mislukte fotograaf, de dromerige zoon van een rabbijn en een Italiaanse vrouw, op zoek naar haar gevluchte man en verder een Spaanse dienstbode. Ze vingen ons viertal vriendelijk op, alsof wij er onmiddellijk bij hoorden. Vooral tijdens de avonduren, gezellig bijeen in de conversatiekamer bij een spelletje kaart, leek het of de middeleeuwse disputen herleefden. De Jiddische grappen werden soms vertaald in verstaanbaar Duits. Er waren twistgesprekken over nieuwe vluchtwegen naar de toekomst en de sfeer werd steeds explosiever en warmer. En wij, overweldigd door de herrie, zaten er stilletjes bij of debatteerden met de dokter over het wel en wee van onze kinderen. De fotograaf ontfermde zich over mijn filmrolletjes om ze te ontwikkelen en af te drukken. De verjaardag van mijn zoon is door het hele gezelschap uitbundig gevierd. Het leven is immers triest, als je er niets van maakt. Bij het ontbijt lagen kleine geschenkjes om zijn bord. De koopman schonk een doosje kralen voor onze dochter omdat zij ook een beetje jarig was, en zelfs een nieuwe strik voor haar vlechten. Het feest ging de hele dag door, ook toen de kinderen al lang naar bed waren. Er waren versgebakken koekjes en de zoon van de rabbijn trok een fles zelfgemaakte cognac open. De schilder haalde een viool te voorschijn en iedereen zong en praatte. Vandaag geen problemen. Er werden reisavonturen verteld en de fles ging van hand tot hand. Mijn vrouw bedankte, maar ik dronk gehoorzaam mijn glas leeg, hoewel houtspiritus een onbekend fenomeen voor me was. Nog nooit heb ik me zo beroerd gevoeld, niet vóór en niet nadien. Mijn handen trilden en mijn lichaam schokte. Grinnikend stelde de dokter me gerust: dat gaat wel over. Toen ik een half uur later weer normaal kon ademhalen, hoorde ik dat het gezelschap inmiddels tot het inzicht was gekomen, dat onze zesjarige zoon Koos naar school moest. Er was zelfs al besloten naar welke school: de Montessorischool aan de Calle de Las Escuelas Publicas in de villawijk Sarria. Een eenheidsschool naar de geest van de Catalaanse onderwijsplannen, ante diem door Maria Montessori zelf gesticht tijdens haar verblijf in Barcelona. Een voordeel was dat er meer buitenlandse kinderen van dezelfde leeftijd zouden zijn en dat het een school was met veel vrijheid voor de leerlingen.
Bijna elke villa in Sarria was voorzien van een plakkaat, dat vertelde wat er met het gebouw gebeurd was na de 19e juli. Zo stond er op de muren van de Montessorischool het opschrift: ‘Verzoek aan alle wapendragers om dit gebouw te ontzien; het is het instituut van Maria Montessori’. Verder geen uitleg. Kennelijk was haar modelschool zo bekend dat geen miliciano hier iets zou willen vernielen. Het schooltje was weer geopend en men vertelde ons, dat Maria Montessori zelf op toernee was in Nederland, maar weldra zou terugkeren. Voor een van de villa’s in de buurt stond een verhuiswagen. Het pand werd ingericht voor een nieuwe bewoner: de Russische consul van Barcelona, kameraad Owsojenko. Het feit dat deze zijn intrek nam in de voormalige woning van een gevluchte fascist leek een symbolische betekenis te hebben. Ik wilde hem proberen te spreken en bracht mijn zoon daarom naar het huis van een kennis, waar ook de rest van ons gezin op bezoek was. De tragiek van de meeste nog bewoonde villa’s in deze royale wijken ontging hem uiteraard. Onze kennis was een typerend voorbeeld: hij woonde nog alleen in het huis, zijn vrouw en kind waren naar Duitsland gevlucht. Maar omdat zij joods was, was zij daarna uitgeweken naar Tsjechoslovakije. De echtgenoot betwijfelde of zij elkaar ooit zouden weerzien.

Bestand:Fotos/gelijkekansen1.jpg
Gelijke kansen waren er in het Spanje van de jaren dertig nog allerminst. Honderdduizenden kinderen waren van onderwijs verstoken gebleven, een situatie waaraan het nieuwe bewind met spoed een einde wilde maken.

Ik was de eerste bezoeker van het Russische consulaat. De meubels stonden nog wanordelijk door elkaar. De kroonluchter hing al en bij de haard lag een ijsberehuid, terwijl de rest van de vloer was bedekt met kostbare tapijten. Onder deze omstandigheden was van een interview geen sprake. Consul Owsojenko beperkte zich tot de bekende uitspraak dat hij zich kameraad voelde met het Spaanse volk in de strijd om het lot van de wereld. De Russen waren met de strijd begonnen, zei hij en de Spanjaarden zetten hem thans voort. Zij stonden dus niet alleen in de oorlog tegen de duistere krachten van reactie en fascisme, waarin Spanje nu de voorhoede vormde. Het waren goedklinkende volzinnen: ‘Wij hebben ons er hier in Barcelona van overtuigd, dat een heldhaftig volk als het Spaanse, nimmer kan worden onderworpen en nooit zal worden gebroken. De sympathie van het Russische volk staat volledig aan hun kant.’
Op mijn vraag naar de spanning tussen socialisten en anarchisten antwoordde hij: ‘Ik heb de eenheid van het Spaanse volk leren waarderen. Alle lagen van de bevolking zetten zich ervoor in de republiek te redden. Ook de samenwerking tussen arbeider en boer is onverbrekelijk en niet te vernietigen. De hechte eenheid van hoofd- en handarbeiders is een waarborg dat de republikeinse zaak zal overwinnen. De strijd is fel en onbarmhartig, maar het Russische volk staat aan de kant van de Spaanse arbeiders. Stalin heeft Spanje steun beloofd en zal die belofte gestand doen. De arbeiders hier streven naar idealen, die wij in de Sovjet-Unie in grote trekken reeds hebben verwezenlijkt.’

Bestand:Fotos/gelijkekansen2.jpg
Gelijke kansen waren er in het Spanje van de jaren dertig nog allerminst. Honderdduizenden kinderen waren van onderwijs verstoken gebleven, een situatie waaraan het nieuwe bewind met spoed een einde wilde maken.

Toen ik mij na dit wat voorspelbare interview weer bij vrouw en kinderen voegde, was er groot nieuws. Wij hadden voor een lage huur de woning van onze kennis kunnen overnemen, die zelf als huisbewaarder naar een groter pand zou verhuizen. Het was een compleet ingericht huis, waar we zo in konden trekken, compleet met badkamer, centrale verwarming, een speelkamer voor de kinderen, een tuintje met een citroenboom vol bijna rijpe vruchten en een voorportaal, omlijst door een paarse bougainvillea. Een paar dagen later zat ik op onze azotea te werken toen de twee kinderen uit school kwamen en mij vroegen om iets voor ze vast te maken. Twee stokken kruislings over elkaar, een grote en een kleine en dan stevig vastbinden, zodat ze niet verschuiven kunnen. ‘Pappa, je moet er nog een punt aan maken.’
Nu pas drong het tot me door waar ik mee bezig was geweest. Met de wapenindustrie. ‘Leren jullie dat op die nieuwe school?’ ‘Nee, in het park. Alle kinderen hebben zo’n ding.’ Spanje, Spanje wat heb je mijn kinderen aangedaan? Ze verdedigen lijf en speelgoed met een fel gebruik van hun Spaanse woordenschat: ‘No, no niño, nooo, ándate!’ Nee, hoepel op. En waar woorden te kort schoten hadden ze inmiddels geleerd hun kleine knuisten en stenen te gebruiken, of stokken als dit zwaard.
Verontrust hebben wij dat aangezien. Vergeefs probeerden we hen tegen te houden, maar tenslotte kregen we begrip en zelfs respect voor onze kleine vechtersbazen. Op straat liepen de kinderen met rood-zwarte miliciano-mutsjes en houten sabels, in de speelgoedwinkels werden kartonnen en tinnen soldaatjes verkocht. Hoe konden onze kinderen onberoerd blijven, bij deze alom aanwezige krijgshaftigheid. We vertelden ze over de vluchtelingen, over de kinderen uit Irún, die geen huis meer hadden, omdat er een bom op was gevallen. Die geen vader meer hadden, omdat die door een kogel was geraakt. Ik nam ze mee in de metro, in de trams en in de autobussen en bracht hen naar een huis vol jonge vluchtelingen. Magere, verwaarloosde kinderen met lange witte schorten voor. Ze mochten even in de slaapzalen kijken waar de weesjes ’s nachts niet door hun moeder werden toegestopt. Ik bracht mijn kinderen ook naar een ziekenhuis met herstellende gewonden, die zich moeizaam op krukken voortbewogen. Hebben die een ongeluk gehad? Nee, mijn kind, die zijn aan het front door een kogel geraakt. Het front? Dat is daar waar gevochten wordt. Dan mag jij nooit naar het front, pappa. Ik zal altijd erg oppassen Tineke. Wat zei die man toen hij gewond werd? Niets, hij heeft zijn tanden op elkaar gebeten. En is hij toen hard weggelopen? Nee, dat kon hij niet. Hij moest wachten tot zijn vrienden hem wegdroegen. Of tot de mannen van het Rode Kruis hem kwamen halen. En die Rode Kruis-mannen zijn die erg boos geworden? Nee, die hebben heel gauw geholpen om de gewonde man weer beter te maken.

Kinderen van drie en zes jaar kun je niet de hele waarheid vertellen. Maar als de oorlog zich aan hen opdringt, ook door de kinderspelletjes op straat, dan kun je het niet blijven verbergen: de pijn, de ellende, de ruwheid en het geweld. In deze tijd, een halve eeuw later, zien zij het dagelijks op de televisie. Maar ook nu nog geldt: laten we onze kinderen leren denken èn voelen. Hoe moeten zij zich anders staande houden in de wereld die komen gaat?

Rebellengeneraals tot doodstraf veroordeeld

In de haven van Barcelona lag begin augustus het Nederlandse schip ‘Venus’ op Hollandse vluchtelingen te wachten. Zo lagen er ook twee Duitse schepen, twee Franse oorlogsbodems en een Engelse kruiser met de admiraalsvlag in top: een rood kruis op witte ondergrond met vier rode stippen. De admiraal van de Britse Middellandse-zeevloot vereerde Barcelona met zijn aanwezigheid. Buiten de haven lagen nog drie Italiaanse oorlogsschepen. A die buitenlandse schepen wachtten op mogelijke incidenten, waamna zij landgenoten aan boord konden nemen of in actie konden komen wanneer buitenlandse belangen werden bedreigd.
Een klein incident heeft zich begin augustus inderdaad voorgedaan. De anarchisten en de communisten aan de wal ergerden zich aan de hakenkruisvlaggen op de Duitse schepen en maakten zich klaar om die neer te halen. Bij het zien van hun dreigende houding kozen de kapiteins voor de veilige weg. Ze streken de uitdagende vlaggen zelf. Maar een paar dagen later wapperden de vlaggen met het hakenkruis er weer. De Catalaanse regering reageerde daarop met het plaatsen van bereden politie langs de haven.

In de haven lag ook een Spaans schip met de naam ‘Uruguay’. Op 11 augustus is aan boord van dat schip een dramatische zitting van de krijgsraad gehouden, waar de rebellen-generaals Goded en Burriel tot de doodstraf zijn veroordeeld. Dat gebeurde in de eetzaal eerste klas van de boot, die door de regering Companys tot gevangenis was omgebouwd.
De hoge officieren, waaruit de krijgsraad bestond, stonden ‘s morgens kwart voor zeven nog in groepjes bijeen een sigaret te roken. Achter in de zaal, waar een geroezemoes van stemmen klonk, had men de vlaggen van Spanje en Catalonië kruislings over elkaar gedrapeerd. De Catalaanse vlag, geel met vier rode strepen, bovenaan. Ze vormden een soort troonhemel voor de tafel, waaraan de leden van de krijgsraad zitting namen. Een paar meter daar vandaan de tafel van de rechter en tussen beiden in, de stoelen voor de beschuldigden, de generaals Goded en Burriel, onder bewaking van zwartgehelmde guardia’s. Verder in de eetzaal aparte tafeltjes voor de stenografen, de journalisten en links en rechts van de hoofdtafel, de plaatsen van de verdediging en het auditorium.
De journalisten die toegang kregen tot de rechtszitting, moesten zich keer op keer legimiteren. Dat begon al aan de wal, waar we door politiemannen werden gefouilleerd en waar onze namen werden nagegaan. Aan boord van de Uruguay waren het leden van de guardia civil met hun omgekeerde pannetjes op het hoofd, die de papieren controleerden en onze kleren aftastten naar wapens.
Behalve de twaalf officieren van de krijgsraad, waren in het zaaltje nog 34 personen aanwezig, onder wie één vrouw aan het tafeltje van de stenografen. Een sergeant van de guardia civil kondigde met luide stem aan, dat het openbaar verhoor zou beginnen. De twee generaals kwamen binnen; schijnbaar onbewogen alsof het voor hen niet om dood of leven ging. Goded hooghartig met de handen in de zakken, zonder ook maar iemand een blik waardig te keuren. Burriel, in eenvoudig grijs kostuum, de aanwezigen groetend met een hoofdknik.
Na het voorlezen van de akte van beschuldiging verklaarde Goded op de desbetreffende vraag, dat de opstandige beweging in Barcelona niet was uitgebroken onder zijn leiding: ’Een fascistisch karakter had de opstand niet,’ zei hij. ‘Zelfs republikeinse officieren hebben er aan meegedaan.’ Het zou alleen de bedoeling zijn geweest om Spanje te redden van de anarchie, waarin het volgens Goded dreigde te verzinken. Grootmoedig dekte Goded daarop verschillende vrienden, die naar zijn zeggen niet bij de opstand betrokken waren. Generaal Burriel had een soortgelijke verklaring schriftelijk afgelegd, die nu voor de krijgsraad werd voorgelezen. Andere officieren werden voorgeleid, andere verklaringen gehoord, onder andere van generaal Llano. Hij zei dat het officierskorps niet eensgezind was geweest, maar dat generaal Goded de commandanten die het niet men hem eens waren, had opgesloten om ongehinderd zijn plannen te kunnen uitvoeren. Hij zou zelfs hebben gedreigd generaal Llano neer te schieten, toen deze niet bereid leek het commando zonder meer aan hem over te dragen.
De auditeur militair vroeg de verdachte Goded of hij de plaats van generaal Llano in de militaire staf had ingenomen. ‘Natuurlijk, luidde het antwoord. En of hij na de strijd, als hoofd van de opstand, per radio had opgewekt om de wapens neer te leggen? Goded antwoordde: ’Jazeker!’
Aan de verdachte Burriel werd gevraagd: ‘Heeft de kolonel in uw bijzijn instructies gegeven voor het oprukken der troepen en met revolutionaire bedoelingen?’ Burriel antwoordde op deze cruciale vraag: ‘Ja, ik meende dat de republiek moest worden gered!’ Hij bleef het antwoord schuldig toen de auditeur hem toebeet: ‘Geloofde u werkelijk de republiek te redden, door een aanval te ondernemen op haar wettige strijdkrachten?’

Nadat alle getuigen waren gehoord, vatte de auditeur militair de gebeurtenissen samen: ‘De 18e juli 1936, brak er in Marokko een militaire opstand uit, die vooraf was overeengekomen met alle militaire krachten in het Spaanse gebied. Des morgens 19 juli riep generaal Llano, de bevelhebber te Barcelona, alle generaals bijeen om te bespreken welke maatregelen genomen moesten worden. Maar ondanks deze voorzorgen werd door de meerderheid der militaire eenheden tot een openlijke opstand tegen het wettig gezag besloten. Men is tot deze opstand gekomen, met de ondubbelzinnige bedoeling om deze regering omver te werpen.’

‘Dit,’ zei de auditeur met verheffing van stem, ‘dient men goed in het oog te houden.’
‘Na het uitbreken van de opstand kwamen de bevolking, de douane-ambtenaren, de guardia civil en de militaire vliegers tegen de opstandige militairen in verzet. Deze konden het ondanks hun numerieke overmacht niet winnen van het volk en het wettig gezag. Tegen de middag was een van de leiders overtuigd, dat de opstand zou mislukken. Hij probeerde nog ongedaan te maken wat hij had ondernomen, maar de gebeurteniseen waren al te ver gevorderd om nog af te kunnen remmen. Daar er geen andere generaal was, werd generaal Burriel aanvankelijk de leider van de opstand. Hij liet de soldaten optreden tegen een “extremistische opstand” waarvan niemand iets wist. De soldaten wisten zelfs niet of het om een linkse of rechtse revolte zou moeten gaan. En wat generaal Goded betreft, ook deze was ontegenzeggelijk leider der militaire opstandelingen geweest. Beiden hebben zij grote schade aangericht, zowel aan de staat, als aan het leger, de discipline en de bevolking. Een schade, waarvan de omvang volgens de aanklager verre de verbeelding overtrof.’
Toen de auditeur na deze woorden overeind rees, volgden de aanwezigen zijn voorbeeld. Staande en in doodse stilte hoorde men zijn eis: ‘In naam van de republiek vraag ik de doodstraf voor de beschuldigden, de generaals Goded en Burriel. Bovendien wil ik er op wijzen, dat in dit geval aan deze straf degradatie dient vooraf te gaan.’

De advocaat Aymat, lid van de generale staf, trad op als verdediger van de twee generaals. Volgens hem was de opstandige beweging in Spanje algemeen en niet gericht tegen de republiek, getuige de kreten: Leve Spanje en Leve de Republiek, waarmee de soldaten de kazernes hadden verlaten. De militairen geloofden volgens de verdediger, dat een andere regering misschien zou weten te voorkomen, dat de mensen op straat door een of andere bende werden vermoord. ‘En wat de verdachte Goded betreft, die heeft vanuit het hoofdkwartier onmogelijk enig bevel kunnen geven, aangezien de telefoonverbindingen verbroken waren.’ De advocaat zei dat Goded niet meer was geweest dan een vlag voor de opstandige militairen. Zodra Goded inzag dat hij werd bedrogen, had hij zich overgegeven. Ook Burriel zou zich niet hebben opgeworpen als leider van de militaire opstand. Advocaat Antonio Aymat verklaarde, dat niemand van Burriel enige opdracht had ontvangen.
De openbare behandeling had precies drie uur geduurd, toen de krijgsraad zich in geheime zitting terugtrok en meer dan twee uur later terugkeerde met de uitspraak. De generaals Goded en Burriel werden overeenkomstig de eis veroordeeld tot de doodstraf. Op 12 augustus 1936 stierven de twee mannen voor het vuurpeleton in het fort Montjuich.

Landgoederen en bedrijven worden gecollectiviseerd

In Barcelona, waar het aantal anarchisten was uitgegroeid tot 350.000, had het comité van antt-fascistische milities dat op 21 juli werd gevormd, de macht in handen. Het regelde niet alleen de bevoorrading en produktie van voedingsmiddelen, maar het had ook een leger gevormd ter verdediging van Barcelona. Dit leger was met Durruti aan het hoofd op weg om Saragossa te bevrijden. Zoveel mogelijk landgoederen werden onteigend, bedrijven kwamen onder leiding van een collectief van werknemers. Het enthoustasme was groot, ook al moest men de dagelijkse praktijk van het compleet ‘runnen’ van een bedrijf nog met vallen en opstaan leren. Leden van het comité van metrowerkers verklaarden bijvoorbeeld vol goede moed: ‘We storten ons in een groot avontuur.’ Heel vaak wisten de comités sociaal-economische problemen met verbluffende vindingrijkheid op te lossen. In het ene bedrijf werden de al te ingewikkelde salarisschalen vervangen door een eenheidsloon, in een ander collectief was men in staat om wekelijks drie liter wijn per persoon gratis beschikbaar te stellen. Het aantal vluchtelingen dat z’n toevlucht zocht in een buitenlandse ambassade groeide intussen zo snel dat veel ambassades bijgebouwen moesten huren om de mensen onder te brengen. Het openbaar vervoer in Barcelona met de zestig tramlijnen functioneerde weer even goed als voorheen en de comités van spoorwegarbeiders en wegenbouwers zorgden dat ook het vervoer buiten de Catalaanse hoofdstad probleemloos liep.

In hetzelfde gebouw van de Capitanía, waar generaal Goded onder het vuur der kanonnen het besluit had genomen om zich over te geven, had zich een paar dagen na Godeds terechtstelling het ‘Comité Central’ van de anti-fascistische milities gevestigd. Daar kreeg Jaime Miravittles, de algemeen secretaris van het volksleger, dan ook zijn kantoren. Hij was er in de laatste week van augustus met zijn staf ingetrokken. Voordien zat hij in de zeevaartschool aan de haven. Ik had een gesprek met hem toen hij nog niet helemaal op orde was. In de zuilen van de voorgevel van de Capitanía zaten nog de littekens die de kogels er in hadden geslagen. Het ijzeren schildwachthuisje was weer bemand en in de poort zat een man, die naar mijn papieren vroeg. Overal was een grote drukte. Mensen spraken in tien verschillende talen, er werd gehamerd, gezaagd en geboord en langs de empire-plafonds werden telefoonkabels geleid. En als rustig centrum van al deze beweging zat daar Miravittles, rechterhand van president Companys, het hoofd van de Catalaanse regering. Beiden waren een paar jaar eerder eens de politicus Macía in ballingschap gevolgd.
Jaime Miravittles zat in een slordig geel overhemd zonder mouwen een rapport te dicteren aan zijn secretaresse. Intussen voerde hij diverse telefoongesprekken, gaf instructies en scheen aan honderd dingen tegelijk te kunnen denken. Een nog jonge man met sombere ogen, achterover gekamd haar, vierkante kin en bleek gezicht. Secretaris van het comité dat belast was met de opperste leiding van Cataloniës nieuwe militaire gezag. ’Het comité is in de eerste dagen van de militaire opstand ontstaan, toen

Bestand:Fotos/pantserwagens.jpg
De metaalbewerkers van Barcelona hadden zeven nieuwe pantserwagens afgeleverd die met opschriften als ‘Naar Saragossa of naar de hel’ op weg waren naar het rode front in Aragon.
Bestand:Fotos/colonne.jpg
De arbeidersorganisaties vormden elk een colonne van 10.000 militair geoefende krachten.

het verzet van de militairen was gebroken, zei hij. ‘Officieel hadden we toen ook geen guardia civil meer en geen veiligheidspolitie. Samen met de bevolking hebben die mensen deelgenomen aan de straatgevechten. Ook zij hebben achter de barricaden gestaan. Het heeft een week geduurd voor de overheid erin slaagde om hen weer in groepsverband bijeen te brengen.’ Miravittles legde uit hoe Barcelona zich had voorbereid op een dreigende aanval van opstandige militairen vanuit Saragossa. ‘Onder voorzitterschap van president Luís Companys hebben we een vergadering belegd met vertegenwoordigers van de strijdende arbeiders. Er waren vijf vertegenwoordigers van de Catalaanse regering, vijf man van de anarchistische kant en vijf namens de socialisten en communisten en tenslotte nog vijf woordvoeders van de burgerlijke partijen. Dat werd het Centraal Comité, dat binnen een week tienduizend man op de been zou brengen voor het front van Saragossa. Het comité slaagde er in om dit volksleger behoorlijk uit te rusten. Zij liggen nu op strategische punten bij Saragossa en Huesca.’
De verschillende arbeidersorganisaties hadden de taak elk een colonne van tienduizend militair geoefende krachten te vormen. Eind augustus 1936 kon het volksleger beschikken over niet minder dan 60.000 man. Goed bewapend en vol strijdlust, zoals Miravittles vol trots vaststelde.
‘Het zijn zonder twijfel vooral de anarchisten en syndicalisten geweest, die de meeste strijders tegen de opstandige militairen hebben geleverd,’ zei Miravittles. ‘Maar we hebben gestreefd naar een zo breed mogelijke basis voor ons beleid. We zouden de burgerlijk-democratische elementen immers van onze zaak afstoten als de rechtsorde alleen door de linkse groeperingen zou worden verdedigd.’
Miravittles vertelde hoe de arbeiders van de Hispano Suiza-autofabrieken in zeven dagen tijd een nieuw type pantserwagen hadden ontworpen en afgeleverd, dat beschikte over een draaibare geschutstoren. ‘Men produceert in Catalonië nu ook mortieren, mitrailleurs, vliegtuigbommen en geweerpatronen. Onze nieuwe oorlogsindustrie is verrassend snel van de grond gekomen…’

Terugblikkend op die tijd, kan worden gezegd, dat die oorlogsindustrie het jarenlang heeft volgehouden en het republikeinse volksleger enkele keren tot opvallende initiatieven in staat heeft gesteld. Ook de zorg voor zieken en gewonden werd goed geregeld. Daarbij was de leiding in handen van de arts Don Jaime Aguade, een voormalige burgemeester van Barcelona. Zijn velddienst kreeg de beschikking over een groot aantal rode-kruisauto’s en drie rode-kruistreinen. In Barcelona werden voormalige kloosters ingericht tot hospitalen.

Volksleger voert uitputtingsstrijd

De oorlog in Spanje begon pas echt toen op 22 en 25 juli twee belangrijke toegangswegen naar Madrid door de militairen werden veroverd: de Alto de Leon en de spoorwegtunnel bij de Col de Somosierra. Het volksleger trok op langs de 3.500 km lange frontlijn en zou zich daar anderhalf jaar staande houden. Er is in die tijd hevig gevochten om dorpen en steden. Het werd een uitputtingsstrijd met veel zwakke plekken in de frontlijn die het overlopers gemakkelijk maakten zich bij de andere kant aan de sluiten. Eind juli hadden de republikeinen ruim 500.000 km2 in handen, tegen de rebellen nog geen 300.000 km2. De opstandige militairen beheersten bovendien Spaans-Marokko, de Canarische Eilanden en de Balearen en zij voelden zich in de rug gesteund door het rechtse bewind van Portugal. In het voordeel van de republikeinen was het feit dat zij een open verbinding hadden met Frankrijk, zowel per trein als over de weg, en met de Middellandse Zeekust. Er ontstond een merkwaardig evenwicht waaruit beide partijen zich alleen met de hulp van buitenlandse mogendheden konden losmaken. En die hulp werd in ruime mate verleend.

Bestand:Fotos/pina1.jpg
Pina, een gehucht aan de Ebro-riwier, was vier dagen eerder veroverd op de fascisten. Hier zouden de miliciano’s anderhalf zaar gelegerd blijven met uitzicht op de stad Saragossa, waarvan de lichtjes ‘s nachts schitterden ’als de patrijspoorten van een grote pakketboot’ zoals George Orwell later zou schrijven.

Een paar dagen na de dramatische rechtszitting aan boord van de ‘Uruguay’ kreeg ik toestemming voor een bezoek aan het rode front in Aragon. Companero Miravittles, de algemeen secretaris van het comité central van de anti-fascistische milities, zorgde voor de nodige papieren en voor een perswagen: een snelle Renault, vroeger eigendom van een kapitein van het rebellerende leger. Zijn wagen droeg nu het opschrift ‘Servei generalitat – Premsa (pers)’ en reed met een klein groepje journalisten op topsnelheid weg uit Barcelona. In die dagen reden er alleen nog maar officiële wagens en rode-kruisauto’s rond, zodat snel rijden goed mogelijk was.
Twee miliciano’s hadden opdracht ons zoveel mogelijk van het front te laten zien.

Bestand:Fotos/pina2.jpg
Pina, een gehucht aan de Ebro-riwier, was vier dagen eerder veroverd op de fascisten. Hier zouden de miliciano’s anderhalf zaar gelegerd blijven met uitzicht op de stad Saragossa, waarvan de lichtjes ‘s nachts schitterden ’als de patrijspoorten van een grote pakketboot’ zoals George Orwell later zou schrijven.

Ze haalden bonnetjes voor benzine, kregen nog een stempel op een tabaksbon en toen konden ze vertrekken. Sedert kort moest er weer betaald worden voor de benzine, want er werd teveel verspild voor plezier-tochtjes in de stad. Wij betaalden de kosten, een jonggetrouwd journalistenpaar uit Parijs, meer uit op een sensationele huwelijksreis dan op kopij, en ‘ce type de bourgeois hollandais’, dat was ik. Wij reden van barricade naar barricade, de lange weg langs de Montserrat tot in het hart van Aragon. Een lieflijk landschap vol druiven en amandelen eerst, dan langs omhoogslingerende asfaltwegen de imposante bergen van Bruch. Aan de andere kant gingen we weer omlaag, met gierende remmen in iedere bocht. Met een hoofdknik maakte onze chauffeur ons attent op de slachtoffers van deze bochten. Hier was een auto met militieleden omlaag gestort, daar één gekanteld en ginds eentje uitgebrand na een botsing.

Bestand:Fotos/pina3.jpg
Pina, een gehucht aan de Ebro-riwier, was vier dagen eerder veroverd op de fascisten. Hier zouden de miliciano’s anderhalf zaar gelegerd blijven met uitzicht op de stad Saragossa, waarvan de lichtjes ‘s nachts schitterden ’als de patrijspoorten van een grote pakketboot’ zoals George Orwell later zou schrijven.

Overal stonden wegversperringen waar we onze papieren moesten tonen. Wegwerkers waren bezig met reparaties van het wegdek. De boeren haalden net de oogst binnen, de wagens beladen met koren en getrokken door drie paarden achter elkaar. Alles ademde een vreemde vreedzame bedrijvigheid in Peñalba en in Bujaraloz, waar de republikeinse troepen een vliegveld hadden. Dat we steeds dichter bij het front kwamen, bleek uit wat we onderweg tegenkwamen: een controlepost, waarvan niet alleen drie miliciano’s maar ook een gewapende vrouw deel uitmaakten, een rode-kruisdepot, tanks en pantserwagens met de fantasienamen King-Kong en Tanco Fantasmo en opschriften zoals: ‘Naar Saragossa of naar de hel!’ De metaalbewerkers van Barcelona hadden zojuist weer zeven wagens afgeleverd voor het front van Saragossa.
De leden van het militieleger liepen rond in de wonderlijkste kleding, velen in overall, anderen met bloot bovenlijf en een oude broek. Een paar honderd meter van de weg stonden veldkeukens en een paar stukken geschut. Het echte front bereikten we echter pas in de avonduren, langs een weg die onder vuur lag.
Rechts en links ontploften in het veld de granaten. Even aarzelde de chauffeur. ‘Toen gaf hij plankgas en we reden met hoge snelheid door de gevaarlijke zone. Zo belandden we in Pina – een stoffig onaanzienlijk plaatsje met wat grauwe huizen, een leeggehaalde kerk, een wijd marktplein met autobussen en een pantserwagen. Een gemeentehuis met het opschrift ’Comité de Abastos’, een bevoorradingspost. Daar vroegen de miliciano’s: ’Waar moeten we slapen vannacht?’
‘Bedden voor vijf personen?’ De compañero van het comité keek ons met opgetrokken wenkbrauwen aan. Er lagen in het dorp al twee centuria’s ingekwartierd, maar met alle plezier: hij schreef voor ons een bonnetje uit voor vijf bedden.
‘En waar moeten we die zoeken?’
Dat kwam er niet op aan. Je klopte maar ergens aan en als ze opendeden vroeg je of ze een bed voor je hadden. En eten? Dat was er genoeg. Toen Pina vier dagen voordien veroverd werd, nam het comité de abastos de voorraden over van de geliquideerde fascisten. De buit lag opgeslagen in het café naast het gemeentehuis: stapels brood, een meter hoog, bakken met uien en komkommers, een hele berg sardientjes in blik, busjes gecondenseerde melk, repen chocolade en aardappelen, genoeg om de complete bevolking een week lang te voeden. Stokvis, vlees of eieren waren er ook volop. Hier is een bonnetje, goed voor een avondmaal voor vijf man. Zo aten we mee uit de grote pot, betaald uit Barcelona’s speciale oorlogskrediet.
Het toeval voerde ons in de armen van een Franse vrijwilliger, die wij een week eerder in Barcelona hadden ontmoet. En hij verschafte ons onderdak. Die avond sliepen wij in het kwartier van een ploeg internationale vrijwilligers: Fransen, Portugezen, Italianen, Duitsers en Belgen. Na de maaltijd maakten we een gezamenlijke tocht langs het nabijgelegen front. In volkomen duisternis, de sigaretten gedoofd. De wachtposten aan de Ebro hadden nieuwe. ‘Ze hebben daar aan de overzij evenveel machinegeweren als wij. Luister, je kunt het geratel horen van het geblindeerde treintje, dat hun de voorraden brengt, die vervloekte fascisten aan de overkant.’
Een donkere gestalte dook even verder voor ons op: ‘Quién va?’ en een geweerloop richtte zich op de voorste man. Een wachtpost. We kenden het wachtwoord: ‘Tinta, hombre!’, maar pas na een gefluisterde verklaring over de aanwezigheid van de pers mochten we passeren. Bij terugkeer in ons nachtverblijf voelde ik me vreemd genoeg in de stemming voor een partij schaak met een Italiaanse vrijwilliger, waarbij ik natuurlijk verloor – ik verlies altijd. Daarna kropen we in het stro. Twintig man in een schuur en beneden ons de varkensstal.

Bestand:Fotos/slagebro1.jpg
Bij de slag om de Ebro slaagde de volksmilitie erin vier dorpen in één dag te veroveren.

De volgende ochtend verkeerde Pina in oorlogsstemming. Er dreigde een tegenaanval van over de Ebro en Durruti had bevel gegeven tot een luchtaanval. Er ronkte een vliegtuig laag over het dorp in de richting van Quinto. De dorpsbewoners stonden in de rij voor het gemeentehuis om een bonnetje te halen, daarna in queue voor het café om voor dat bonnetje levensmiddelen te ruilen. Met angstige gezichten stonden ze bij elkaar. Aan de overkant van de Ebro ratelde een machinegeweer. Militieleden holden heen en weer, er werd geschreeuwd en links en rechts gewezen tot men zich de gemaakte afspraken herinnerde en besloot: deze kant. De opwinding ebde weg, maar de strijdlust groeide. Tussen de maisvelden, die stoofden in de zonnehitte, werd beraadslaagd. Men bleek geen handgranaten bij zich te hebben en een miliciano werd teruggestuurd naar Pina. Hij vergiste zich in de weg en verloor tien wellicht kostbare minuten. Inmiddels was een andere miliciano in een boom geklommen om uit te kijken over de Ebro. De drie mitrailleurs bij de rivier kwamen in actie en werden beantwoord met een ratelend salvo.
Nuchter probeerde ik de kansen te taxeren. Als de soldaten aan de overkant net zoveel Spanjaard waren als deze, dan was deze burgeroorlog een guerilla van los samenhangende troepen. Een oorlogsspel op leven en dood met een klein beetje centrale leiding en veel persoonlijke moed.
Plotseling kwam er verandering in de verwarde situatie. Uit Pina kwam de boodschap, dat de vijand teruggedeinsd was voor het onverwachte mitrailleurvuur en uit Osera, dwars door de velden heen, kwam een groep jongens waarschuwen, dat de fascistische bezetters van Osera zich hadden moeten terugtrekken, dankzij het bombardement van de republikeinen. De internationale brigade streed nu in de buurt van het dorp tegen de militairen en de dorpsbewoners waren gevlucht en op weg naar Pina. We zagen de eerste gezinnen aankomen, de gezichten nog strak van de angst. De 25 man van de internationale brigade had het volgens de laatste berichten moeilijk met het vijandelijke mitrailleurvuur, maar hield zich staande.

Bestand:Fotos/slagebro2.jpg
Bij de slag om de Ebro slaagde de volksmilitie erin vier dorpen in één dag te veroveren.

Er kwam onverwacht versterking. Twee nieuwe pantserwagens en een autobus vol miliciano’s en bovenop de bus een merkwaardige figuur in wijde mantel, die men eerbiedig aansprak met ‘Negus’. Het was een van de vele stierenvechters, die zich bij de republikeinse troepen hadden aangesloten. Hij had naam gemaakt door zijn onverschrokken aanvallen, juist op plaatsen waar men daarop het minst bedacht was. De Negus deelde pakketjes handgranaten uit. Andere miliciano’s laadden kistjes handgranaten uit en sleepten met kruiken water.
De vijand hield ons kennelijk in het vizier en opende het vuur. Een machinegeweer veroorzaakte achter ons een hele rij stofwolken en we slaagden er net op tijd in ons plat op de grond te werpen terwijl de kogels van een tweede salvo voorbijsuisden. Langzaam drongen de pantserwagens die net ter versterking waren gekomen, door tot in Osera waar zij de machinegeweren tot zwijgen brachten. Van de bergen vlakbij klonk nog een enkel schot van een paco, een franc-tireur. Toen werd het rustig. Osera was veroverd. Het dorp was verlaten, maar uit een van de woningen kwam een angstige vrouw tevoorschijn, die zich met haar zieke kind had verstopt. De republikeinse soldaten drongen moe en dorstig de lege huizen binnen, op zoek naar water. Zij hadden die dag vier dorpen veroverd: Farlete, Almolde, Modegrillo en Osera. Twee doden en een groot aantal gewonden werden door vrachtauto’s naar het veldhospitaal gebracht.

Bestand:Fotos/slagebro3.jpg
Bij de slag om de Ebro slaagde de volksmilitie erin vier dorpen in één dag te veroveren.

Internationale vrijwilligers sluiten zich aan bij strijd tegen fascisten

Uit de hele wereld stroomden vrijwilligers naar de bedreigde republiek. Het waren liberalen, anti-fascisten, communisten en socialisten. Zelfs pacifisten, die de dreiging van het fascisme wilden keren, sloten zich aan bij de strijd van het Spaanse volk. In totaal hebben waarschijnlijk 35.000 mannen en vrouwen aan de kant van het volksleger meegevochten in de Internationale Brigades. Bijna even belangrijk als de strijdkracht van die brigades is de medische hulp geweest. De Engelsen hebben vijf ziekenhuizen aan het front ingericht, de Amerikaanse medische hulp beschikte over zes hospitalen. Veel pacifisten hebben voor kortere of langere tijd aan het front gewerkt als verpleger of Rode Kruis-soldaat. De Engelse schrijfster Virginia Woolf, die haar neef naar Spanje zag vertrekken, zei: ‘Het moet de jonge generatie in het bloed zitten, een koorts die we niet echt kunnen verklaren.’ Maar ook ouderen waren door die koorts gegrepen, zoals de 60-jarige Britse hertogin Catherine van Atholl, die namens de conservatieven in het parlement zitting had. Zij reisde naar Spanje, kende de politieke sttuatie goed en had er veel vrienden. Maar het feit dat zij zich opwierp als advocaat van de Spaanse Republiek heeft haar politieke carrière gebroken. Tussen 1936 en 1938 sloten zich naar schatting zeshonderd Nederlandse vrijwilligers aan bij de strijd in Spanje en van deze groep zijn er zeker 50 gedood. Een groot aantal Spanje-strijders zou na terugkeer in ons land het Nederlands staatsburgerschap verliezen en de laatste statenloze kreeg pas in 1978 zijn nationaliteit terug. De jonge Fanny Schoonheit, behoorde tot de Nederlandse vrijwilligers van het eerste uur.

Bestand:Fotos/spanjestrijders1.jpg
Naar schatting 40 000 mannen en vrouwen uit landen buiten Spanje hebben voor de Spaanse republiek gevochten, waarvan circa 35.000 in de internationale brigades. Daarnaast hebben zeker tienduizend artsen, verpleegsters en technici uit het buitenland hulp geboden. Van alle Spanje-strijders is waarschijnlijk een vijfde deel gedood.

Terug in Barcelona. En ik bemoeide me weer met mijn vrouw en kinderen. Tegen mijn vrouw zei ik: ‘De theaters zijn weer open, zullen we morgenavond uitgaan?’ En tegen mijn zoon: ‘Kom Koos, trek je bergschoenen aan, we gaan vandaag naar Fanny!’
‘Fanny, wie is dat?’
Ik vertelde hem over Fanny Schoonheit‚ het Rotterdamse meisje, dat zich net als Durruti een bijna legendarische naam had verworven. Zij had zich spontaan aangemeld om de Catalanen te helpen in hun strijd tegen de fascisten. Helpen vechten, wel te verstaan. Ik had bij de internationale brigade in Aragon gehoord dat ze net was opgenomen in het hospitaal op de Montjuich. Die berg met zijn enorme vesting op de top had een sombere historie en in Barcelona liepen veel mensen rond, die van plan waren om de vesting eens met houwelen te lijf te gaan, opdat de stad nooit meer vanaf de berg beschoten zou kunnen worden. Nu waren in het oude kasteel alleen een aantal ziekenhuizen ondergebracht.

Bestand:Fotos/spanjestrijders2.jpg
Naar schatting 40 000 mannen en vrouwen uit landen buiten Spanje hebben voor de Spaanse republiek gevochten, waarvan circa 35.000 in de internationale brigades. Daarnaast hebben zeker tienduizend artsen, verpleegsters en technici uit het buitenland hulp geboden. Van alle Spanje-strijders is waarschijnlijk een vijfde deel gedood.

Het hospitaal waarin Fanny Schoonheit lag, was niet eenvoudig te vinden en we vroegen een miliciano of hij ook wist, waar we de Hollandse miliciana konden vinden. De vrouw, die aan het front van Aragon had gevochten. Het gezicht van de man begon te stralen: ‘Ah, u bedoelt onze Fanny. Ik zal jullie erheen brengen.’ En onderweg vertelde hij hoe Fanny eens in haar eentje een groep fascisten had ontwapend, hoe ze een andere keer drie gewone miliciano’s op haar schouders uit de vuurlinie had gedragen. Ze had aan het front ook nog eens een groep soldaten voor schut gezet, door met een paar handgrepen een machinegeweer te herstellen, dat zij onklaar hadden gemaakt.
Fanny was voor de Catalanen het symbool geworden van vrouwelijke onverschrokkenheid en haar roem straalde een beetje op mijn zoon en mij af, want ‘die Hollandse vrouwen vechten als duivels.’

Bestand:Fotos/spanjestrijders3.jpg
Naar schatting 40 000 mannen en vrouwen uit landen buiten Spanje hebben voor de Spaanse republiek gevochten, waarvan circa 35.000 in de internationale brigades. Daarnaast hebben zeker tienduizend artsen, verpleegsters en technici uit het buitenland hulp geboden. Van alle Spanje-strijders is waarschijnlijk een vijfde deel gedood.

Ook in het ziekenhuis ontmoetten we een en al voorkomendheid. Bezoek voor Fanny. Men lachte, knikte vriendelijk en opende deuren voor ons. En toen, in kamer 93, stonden we plotseling aan haar bed. Een echt Hollandse eerste ontmoeting: koel, gereserveerd, beleefd.
Of ze gewond was? Nee, alleen maar wat koorts. Last van haar nieren. Dat had ze al voor de 19e juli gehad. Ze voelde er overigens weinig voor om mee te werken aan een verhaal over haar belevenissen in een burgerlijk blad als De Telegraaf. Mijn zoon had ondertussen haar kamer geïnspecteerd. Een paar platen aan de kale muren, een kastje in de hoek met wat bloemen in een vaasje en enkele Spaanse tijdschriften met foto’s en artikelen over onze landgenote. Ik zei: ‘Ik in mijn eentje kan de krant niet veranderen, Fanny. Als je geen zin hebt in een interview, dan gaan we maar weer.’
‘Nou ja, zo meen ik het niet. Ik hou niet erg van die persoonlijke ophemelarij. Ik vind dat een van de uitwassen van de journalistiek. Er volgde een gesprek over de journalistiek, waarmee ook Fanny zich had beziggehouden en tenslotte begon ze toch over de militie te praten. ’Ik woon al een paar jaar in Barcelona om muziek te studeren. Ik heb altijd veel van schieten gehouden en daarmee ook prijzen gewonnen. Mijn eerste geweer hier, heb ik gestolen. Bij de bestorming van de Capitanía. We maakten een tocht over de daken en drongen het gebouw binnen via het dak. Misschien hebben ze me wel gezien. Ik had een nogal opvallend geel bloesje aan, zodat ik een gemakkelijk doelwit moet zijn geweest. Maar niemand heeft op me geschoten. Goded en zijn mannen waren kennelijk zo verbouwereerd, dat ze te laat reageerden.’ Koos had intussen ergens een vliegenmepper opgeduikeld en probeerde uit te vinden hoe dat ding werkte. Fanny moedigde hem aan: ‘Je moet er een flinke mep mee geven. Je moet ze in één klap doodmaken. Een flinke mep, dan zijn ze er geweest. Mijn zoon gehoorzaamde en probeerde de vliegen in het ziekenkamertje stuk voor stuk met een klap uit te schakelen.
Fanny vertelde hoe ze twee dagen had meegedaan aan de jacht op paco’s, sluipschutters. Ze had op hen geschoten vanaf de daken en vanaf de begane grond. ’Toen de opstand hier was onderdrukt, ben ik meegegaan naar Saragossa. We reden in een gepantserde trein met tweeduizend militieleden en een paar rode-kruiswagons en nog twee wagons met dynamiet. Ze hebben niet op ons gewacht. Voor we bij Saragossa waren, vlogen er een paar bruggen in de lucht en toen konden we niet verder. Wij stapten uit en juist op dat moment vlogen er drie vijandelijke vliegtuigen over ons heen. Ze hadden het niet gemunt op ons, maar op de wagons met munitie aan de staart van de trein. Ze hebben hun doel niet geraakt, maar hun bommen hebben wel een paar slachtoffers gemaakt. Onder andere een buurman van me. Hij had me nog net een sigaret laten opsteken en toen kwam er een scherf van een bom. Die maaide de helft van zijn hoofd weg. Ja, dat was het begin van het front.’

Bestand:Fotos/medischehulp.jpg
Verpleegsters van de internationale medische hulp-brigades verzorgden gewonde en vermoeide miliciano’s.

‘Er is toen een heel stel vrijwilligers meteen maar teruggekeerd, maar ik ben gebleven. Ik heb trouwens altijd erg geboft. Daar in Grañen, waar ik werd ingedeeld bij een groep met zes machinegeweren, in totaal vijftig man sterk, kregen we elke morgen bij ons ontbijt vijf bommen. Verder gebeurde er niets. Een week later zaten we in Tardiente toen we dankzij een strategische stommiteit van de militairen… Toe Koos, wrijf ze niet fijn. Je moet die vliegen zo min mogelijk laten lijden. Meteen doodmaken!’ Fanny zette aldus haar lessen aan mijn zoon, de vliegenmepper voort.
Stommiteiten?
‘Ja, regelrechte domheden. Op een goede dag deden de militairen een uitval. We wisten van niks en het had er misschien lelijk voor ons uitgezien, als er niet een boer met een paard en wagen over het land naar ons toe was gehobbeld. Ik zie hem nog de zweep hanteren: “Ze komen d’r aan, ze komen d’r aan!” Even later zagen we ze. Hadden ze nota bene een blauw uniform aan, zodat je ze in het koren kilometers ver kon zien. Wij eventjes knallen en de eerste rij was verdwenen. Tenslotte zijn ze gevlucht en niet in verspreide orde, maar netjes in de rij, makkelijke prooi voor onze mitrailleurs. De laatste tijd vechten ze beter, naar men zegt omdat ze onder leiding staan van Duitse en Italiaanse officieren.’
‘Ik ben er zelf een keer bijna aangegaan. Ik heb het alleen aan mijn metalen veldfles te danken, dat ik ongedeerd bleef. Een kogel heeft er een klein rond gaatje in gemaakt, waardoor het water naar buiten stroomde. Beter mijn veldfles, dan mijn buik, vind je niet?’
Bij het afscheid streek Fanny de jongen over het blonde haar: ‘Dag, allebei. Dag Koos, wat ben je toch een echt Hollands jongetje. Kom je nog eens bij me langs?’
Maar het zou de laatste maal zijn dat we Fanny Schoonheid spraken. Ze keerde terug naar het front in Aragon.
Na de zomer van 1936 heeft niemand meer iets van de Rotterdamse miliciana gehoord.

Een paar dagen later bezochten mijn vrouw en ik de avondvoorstelling van een klein theater, in de naaste omgeving van de Ramblas. Natuurlijk maakten we van de gelegenheid gebruik om na de voorstelling met het collectief dat het theater beheerde te praten. Net als bij andere bedrijven hadden alle personeelsleden de handen ineen geslagen: auteurs, artiesten, zangers, cassières, toneelkrachten, de garderobejuffrouw, de kwatta-jongens en de schoonmakers. Ze hadden de eigenaar geen haar op het hoofd gekrenkt en hem zelfs edelmoedig een huurbedrag toegezegd. Het centrale economische comité van de theaters in Barcelona, waarin alle medewerkers waren vertegenwoordigd, bepaalde welke stukken door welke theaters zouden worden gespeeld. Het zorgde er ook voor, dat de opbrengst eerlijk werd verdeeld. Eerst 10% van de recette voor de auteurs, dan de huur voor de eigenaar, daarna het loon van de medewerkers en als bijdrage voor de vakvereniging van theaterpersoneel, ook een bepaald bedrag in de reservekas.
Niemand kon meer verdienen dan honderd peseta’s per dag en het minimumloon bedroeg 25 peseta. Er was zelfs een potje waaruit bij ziekte en werkloosheid een bedrag kon worden uitgekeerd en er werd iets gestort in het fonds voor de beroepsopleiding van kunstenaars. Voor buitenlandse auteurs bleef het honorarium gelijk aan wat het voor de 19e juli was.
Deze opzet wèrkte. Terwijl er anders in augustus en september maar drie theaters open waren, waren er nu dertien in bedrijf, nog afgezien van het Griekse openlucht-theater op de Montjuich en twee van de drie arena’s voor het stierengevecht.
Wat het repertoire betreft, dat was voor een deel gelijk gebleven. Maar er doken nu ook meer links-politiek geöriënteerde stukken op. Dostojevski, naast Toller en Tolstoj. Wij hebben die avond een nogal sensationeel stuk gezien met de titel: ‘De geheimen van het klooster’, waarin een hevige aanval werd gedaan op de overheersende rol die de kerk tot dusver in Spanje had gespeeld. Het sloot goed aan bij de Catalaanse geaardheid, bij de haat die de bevolking voelde voor de economische en politieke invloed van de geestelijkheid en de eerbied die het had voor de ‘Cristiano de corazón’, de oprecht gelovige. Een priester zoals Garcia Morales –die de republiek trouw was gebleven– had in het rode Spanje van 1936 de mogelijkheid om in de kazerne en voor de radio vrijelijk het woord te voeren. Dat de kerk in Spanje zich met andere dingen dan het geloof heeft beziggehouden is bekend. Er waren na de militaire opstand bij religieuze instellingen voor miljoenen peseta’s contant geld en industriële papieren in beslag genomen en nog dagelijks werden sensationele onthullingen gedaan over onbenutte gelden, die eigenlijk bedoeld waren voor de kerkelijke armenzorg.
Het publiek juichte en joelde tijdens de opvoering van ‘De geheimen van het klooster’ en toen het doek viel, was er een staande ovatie, waarbij de spelers, een kardinaal, een stuk of wat monniken en een paar nonnetjes, in een rij op het toneel de vuist omhoog hieven voor de anti-fascistische groet.
Geïnspireerd door het toneelstuk dat we zojuist hadden gezien probeerde ik die week ook iets meer te weten te komen over het lot van de protestanten in Catalonië en een Zwitserse dominee, die een groot deel van zijn leven in Spanje had doorgebracht, was bereid me grondig te informeren. Spanje is de laatste duizend jaar geen verdraagzaam land geweest. Eerst zijn de Moren, toen de joden met geweld verdreven. De inquisitie is in Spanje geboren en heeft duizenden het leven gekost. Hoe stond men tegenover de protestanten? Zij vormden maar een onbeduidende minderheid. Ze waren ongeveer duizend man sterk en duizend man op een bevolking van 25 miljoen vallen nauwelijks op. Men kan zich voorstellen, dat er menig Spanjaard was die van het bestaan van protestanten in zijn land geen besef had. Er waren echter in Spanje veel buitenlandse protestanten, vooral in de grote steden. Het waren Nederlanders, Duitsers, Engelsen, Zwitsers en Scandinaviërs. Er bestonden in het hele land misschien zestig dominees en voorgangers, voor het merendeel voormalige onderwijzers of katholieke priesters. De jongeren onder hen hadden in het buitenland gestudeerd en stonden onder invloed van Karl Barth. Barcelona had een Duitse, een Engelse en een Zwitserse kerkgemeente. Nederlanders hadden zich meestentijds aangesloten bij de Zwitserse protestanten en volgden kerkdiensten, die werden gehouden in een Spaanse kerk. Deze protestantse kerken had men gespaard, zelfs toen de Catalanen nog woedend waren over het verraad der rechtse priesters, omdat deze vanuit kerken en kloosters met scherp op hun tegenstanders hadden geschoten. Drie of vier maal heeft men de San Pablo bezocht om deze protestantse kerk in brand te steken, maar de gelovigen zijn er telkens in geslaagd om vernielingen, met kracht van argumenten, te voorkomen. Een methodistenkerk was minder gelukkig geweest. Daar hadden de kerkbestormers alle banken uitgebroken, buiten opgestapeld en in brand gestoken. Ook het orgel van dit niet-katholieke bedehuis ging daarbij in vlammen op. Later bleek er een misverstand in het spel te zijn: men had in een hoek van het gebouw een oud portret van koning Alfonso aangetroffen en vond het toen beter dit monarchistische nest meteen uit te branden. De methodisten bleken nota bene van het bestaan van dat portret niet eens op de hoogte te zijn. In het algemeen kan worden gezegd, dat de Spaanse protestanten met de linkse stromingen sympathiseerden. ‘De Catalanen hebben zich alleen tegen de katholieke priesters gekeerd, die zich openlijk aan de kant der opstandige militairen schaarden,’ vertelde de dominee. Godsdienstoefeningen waren in de protestantse kerken weliswaar verboden, maar in huiselijke kring werden ze oogluikend toegestaan. Anti-kerkelijke excessen in de eerste dagen der revolte richtten zich niet tegen het geloof, maar tegen de geloofs-dienaren, voor zover deze actieve aanhangers waren van de anti-republikeinse politiek.
Ik kocht na dit interview als curiosum een Spaanstalig bijbeltje van mijn zegsman, de Zwitserse dominee, om mee te nemen naar Nederland. Wie had kunnen denken dat datzelfde bijbeltje een paar maanden later bijna als ‘religieuze propaganda’ in beslag genomen zou worden…

Spanje op weg naar nieuwe economische orde

Het nieuwe bestaan met gecollectiviseerde bedrijven en een vrijwel geldloze maatschappij leek in Spanje aanvankelijk goed te functioneren. Maar in de loop van de herfst van 1936 probeerden velen het leven weer te normaliseren volgens het patroon van de geleide economie. De problemen ontstonden o.m. door een tekort aan grondstoffen en krediet en een dalende produktie. Voor de broodtwinkels stonden rijen van vierhonderd mensen die vaak door de staatspolitie moesten worden weggestuurd, wanneer de voorraden waren uitverkocht. Geleidelijk aan waren er op de muren steeds meer pamfletten en vlugschriften te vinden met teksten als ‘Minder praten. Minder comités. Meer brood’. Het aantal vluchtelingen uit Castilië en Aragon nam dagelijks toe. Tegen de winter zou de bevolking ook genoeg krijgen van de controlerende comités, die het leven van Barcelona in toenemende mate waren gaan terroriseren.

In de nazomer ontvluchtten wij net als veel andere bewoners van Barcelona de hete stad en trokken naar de Catalaanse badplaats Sitges, het ‘gouden strand van Catalonië’. Het lot dreef ons recht in de armen van Jack Bilbo, die naar onze papieren vroeg. De ex-bandiet Jack Bilbo was in 1931 nog lid van de knokploeg van Al Capone in de onderwereld van New York. In 1936 was hij lid van de anti-fascistische militie van Sitges.
‘Het noodlot, meneer,’ zei deze gemoedelijke gunman berustend, ‘ik ben er altijd bij als er in de wereld wat gebeurt. Vijf jaar geleden heb ik me teruggetrokken uit die wereld en ik ben hier met mijn vrouw een bar begonnen. Ik dacht dat ik verder rustig zou kunnen werken voor de toekomst van mijn gezin. Maar natuurlijk begint het ook hier te spoken. Het is het noodlot, dat me achtervolgt, altijd weer het noodlot.’
En met een zorgelijke trek op zijn ronde, vaderlijke gezicht liet hij foto’s zien van vrouw en kinderen, die hij bij het uitbreken van de militaire opstand veiligheidshalve naar Frankrijk had gestuurd. Een braaf huisvader, met goedhartige ogen, een buikje en last van zijn maag. Toen in Barcelona de eerste schoten vielen, had Jack Bilbo professioneel het geweer geschouderd om mee te doen.
Er was in Sitges trouwens weinig gebeurd. Er was geen schot gevallen. Men had snel de 180 buitenlandse badgasten geëvacueerd. Sommigen, onder wie een Nederlandse arts, werden per auto naar Barcelona gebracht, hoewel er in Sitges een tekort aan benzine was. Anderen waren vertrokken met een speciaal voor hen uitgevaren Britse oorlogsbodem.

Bestand:Fotos/graffito.jpg
Treinwagons werden in de beide stations van Barcelona bewerkt door ploegen van 25 graffito-kunstenaars tegelijk.

‘Ik ben hier nu de enige buitenlander,’ zei Bilbo. ‘Mijn bar heb ik op slot gedaan en ik heb meegeholpen bij de onmwenteling, die hier in Sitges heel hoffelijk is verlopen. En met goed resultaat: er is nu geen enkele werkloze meer in deze plaats. Zonder dat er ook maar één bewoner geweld is aangedaan, heeft iedereen een behoorlijk onderdak gekregen.’
Jack Bilbo bracht ons op ons verzoek naar het comité van de anti-fascistische milities. Hij zag er ondanks zijn rood-zwarte FAI-mutsje en het geweldige Japanse zwaard, dat hij hanteerde alsof het een wandelstok was, heel weinig martiaal uit. Hij droeg geen overall en het mutsje op zijn ronde kop had een ondeugend kwastje, dat de gewezen misdadiger alle verschrikkelijkheid ontnam. Bilbo bracht ons naar een voormalig klooster, dat nu dienst deed als bureau van de militie. In een kale witgekalkte ruimte zaten een stuk of tien mannen op de rand van de schrijftafels te praten, druk gebarend met handen en voeten. Aan de muur een wapenrek met een paar mausers, en op de tafels een lamsbout, telefoontoestellen en een radio, die naarmate men harder tegen elkaar schreeuwde, ook steeds iets luider werd gezet. In een rustig zijkamertje hoorden we hoe Sitges had gereageerd.
‘Lege huizen zijn voor een badplaats een bron van inkomsten, dat is duidelijk. Wij hebben de huizen in beslag genomen en we zorgen dat de eigenaren werk krijgen en geen gebrek hebben. Voor zover zij geld hadden opgenomen op hun tweede huis, zijn zij voorlopig vrijgesteld van het betalen van rente en aflossing. Aan die hypotheken zelf wordt niet gerommeld. Dat is een probleem dat later moet worden opgelost. Het buitenlandse bezit hebben wij natuurlijk met rust gelaten.’
En wat doen jullie nu met de lege woningen?
‘O, die worden verhuurd aan zomergasten, net als voorheen. Maar de opbrengst komt niet in handen van de particuliere eigenaren, maar in die van de gemeenschap. Wij maken propaganda voor de badplaats en zorgen er voor dat de hele bevolking van Sitges voldoende heeft om te leven. De particuliere eigenaren behoeven zich nergens zorgen over te maken, zolang zij zich niet tegen de nieuwe orde verzetten.’
De nieuwe orde van Sitges beschikte niet alleen over wijnen, graan, cement en groente, maar ook over een belangrijk artikel als schoenen. Sitges had twee grote schoenenfabrieken, die beide waren onteigend. Een produceerde nu onder leiding van een arbeiderscomité schoenen voor de volksmilitie, de andere fabriek leverde schoenen voor Barcelona en de rest van Spanje. In de kleinere niet genaaste bedrijven, waar met behoud van het eigendomsrecht de eigenaar en werknemers in coöperatievorm werkten, werden de laatste tijd steeds meer mensen tewerkgesteld. De invloed van de arbeiderscontrole-commissie zou daardoor wel eens kunnen neerkomen op een langzame onteigening.
In Sitges was een vrachtauto gestrand met huiden ter waarde van vele duizenden peseta’s. Met die huiden was het centrale comité naar een leerlooierij in de buurt gegaan en daar zijn de huiden ingeruild voor gelooid leer tegen de oude prijzen. ‘Dat geeft een idee hoe we denken te komen tot een geldloze maatschappij,’ zei de man van het centrale comité.

Een ervaring die ik wilde hebben opgedaan, was een film zien in een gecollectiviseerde bioscoop. We besloten met zijn allen naar een middag-voorstelling te gaan en kregen een heel behoorlijk programma met films van vóór de burgeroorlog te zien. Een uitgebreid orkest met voortreffelijke muziek omlijstte de voorstelling. Het personeel was uiterst hulpvaardig. Nu er geen fooien meer gegeven hoefden te worden en gebruik van garderobe en toiletten gratis was, zoals in alle theaters en bioscopen die sedert begin oktober waren gecollectiviseerd, liepen de zaken goed. Na afloop dronken we een kopje koffie in een gecollectiviseerd café. We hadden in feite voortdurend contact met gecollectiviseerde bedrijven en winkels. We reden in gecollectiviseerde trams, taxi’s en metrotreinen. De tarieven waren hier en daar verlaagd en de verbindingen verbeterd. We zwommen in een gecollectiviseerd zwembad met alle mogelijke moderne voorzieningen, van douches tot rekken voor Zweedse gymnastiek. Helaas was het water de laatste weken te vuil om ervan te genieten.
Een paar dagen later reisde ik af naar Madrid. Het zou een tocht worden van vele uren in een trein met het opschrift VNT, UGT, Frente Popular. Controleurs in burger keken de kaartjes na. Alles marcheerde. Alleen waren de waskommen in de toiletten zo vuil dat je je naam erin kon schrijven. Maar dat gebeurde in Holland ook.
Het leven in een gecollectiviseerde wereld had zijn voor en tegen. De kleermakerijen hadden het drukker gekregen want er was meer geld onder de bevolking, dankzij de 15% loonsverhoging en de verlaging van de huren met 50%. De kleermakers hadden besloten de huisarbeid af te schaffen. Ze hadden ergens een gemeenschappelijke werkplaats gevonden en half gecollectiviseerd zetten zij hun werk voort, onder betere hygiënische omstandigheden. De honderden kapperszaken in de stad bleken tot één geheel te zijn samengesmolten en daardoor waren verschillende wijk-kappers overbodig geworden. Met de bakkers was iets dergelijks gebeurd en er werd gesproken over collectivisering van alle fotografische en optische winkels en bedrijven. Dat leek op een nieuwe koers en daarom zocht ik Juãn P. Fabregas op, tot voor kort nog lid van de Consejo de Economia de Cataluna, maar bij de kabinetswisseling belast met de portefeuille van Economische Zaken. Wat is er eigenlijk met de anarcho-syndicalistische revolutie in Catalonië aan de hand?
Minister Fabregas zei: ‘In geen geval willen wij hier een vorm van staats-socialisme of staatskapitalisme. We willen van Spanje geen tweede Rusland maken en ook geen tweede Italië. De nieuwe orde waar we naar streven, heeft haar eigen vorm: de produktie geregeld op basis van vakverenigingen. De distributie coöperatief, waarbij het particulier bezit geëerbiedigd zal worden en het eigen initiatief wordt erkend. Als het tenminste samenvalt met het algemeen belang.’ Een medewerker van de minister mengde zich in het gesprek en legde uit hoe men zich de coöperatieve distributie voorstelde. Men moest zoveel mogelijk gebruik maken van reeds bestaande coöperaties. De centrale comités in de dorpen moesten de behoeften en voorraden bepalen en zouden een onderlinge ruil van goederen tussen de verschillende gemeenten moeten opbouwen. Via een centraal bureau in Barcelona kon ook ruilhandel met het buitenland worden opgezet.
Je kon die organisatievorm vergelijken met wat er bij de kappers gebeurde. Elke coiffeur is thans zetbaas in zijn eigen bedrijf met de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zijn inkomen niet geringer zal worden dan dat van zijn vroegere bedienden. ‘We verwachten,’ zei minister Fabregas, ‘dat winkeliers en middenstanders zich zo, zonder moeite, een nieuw bestaan kunnen bouwen in onze nieuwe maatschappij.’

Bestand:Fotos/muurkranten1.jpg
Kunstenaars die voorheen hadden gewerkt voor uitgevers van obscure boeken, waren na de vlucht van hun opdrachtgevers gaan samenwerken in een collectief. Zij waren verantwoordelijk voor een nieuwe cultuurvorm: affiches en muurkranten die op meeslepende wijze de strijd tegen fascisme en kapitalisme illustreerden.

Ook de in Barcelona gevestigde zijdefabriek ‘La Seda’, een dochterbedrijf van Enka waar viscosezijde uit papier werd gemaakt, ontkwam niet aan de collectivisering. Volgens een Nederlander, die al zeven jaar op een consulaat in Catalonië werkte, waren er moeilijkheden bij dit bedrijf. ‘Ik vind, dat het in het belang van Nederland en Spanje is, als Nederlanders die hier werk hebben, hun functie zo goed mogelijk blijven vervullen.’ Die opmerking hield in, dat de verantwoordelijke man bij La Seda daar kennelijk anders over had gedacht. Hij had de wijk genomen, net als de directie van de Italiaanse Olivetti-fabriek. Een paar weken voor hun vlucht hadden de directeur en zijn rechterhand, een Nederlandse ingenieur, nog een groep vrienden rondgeleid, onder wie de kapitein van de ‘Vulcanus’, een Nederlandse kustvaarder. Daarbij was een onbetekenend incident voorgevallen, dat mij bij een bezoek aan de fabriek in geuren en kleuren werd verteld door de arbeiders-controlecommissie. De commissie bestond, volgens de toen geldende regels, uit zes mannen en twee vrouwen, gelijkelijk verdeeld over de socialistische en de anarchistische vakvereniging, de UGT en de CNT. De directeur had deze commissie niet op de hoogte gesteld van zijn bezoek, maar zijn gasten door een achteringang, via een ingenieurswoning in het fabrieksgebouw naar binnen gebracht. De commissie nam dat niet en vroeg de bezoekers om inzage van hun papieren. Er vielen een paar onaangename woorden, maar de papieren kwamen te voorschijn en toen bleek dat niet alles in orde was. Er ontbraken wat visa’s. De gasten konden overigens ongemoeid vertrekken, maar de directeur voelde zich door de arbeiders beledigd. Hij had al een paar maal gedreigd, dat hij zijn functie zou neerleggen en dat zou in deze dagen van grondstoffennood en deviezenschaarste een gevoelige klap betekenen.
De maandag daarop verscheen hij niet op zijn kantoor, evenmin als de laatste Nederlandse technicus, die nog op de Seda werkte. Directe aanleiding was trouwens niet het incident met de rondleiding, maar de moord op de personeelschef een week eerder. Die moordaanslag was een particuliere wraakneming geweest van een lang voordien ontslagen arbeider en had niets met de directeur te maken. Maar er zijn sterke zenuwen nodig om in dergelijke omstandigheden staande te blijven. De directeur van La Seda kon het niet en vertrok naar het buitenland, zonder de vereiste vergunning en zonder zijn financiële verplichtingen te hebben geregeld. Net als bij Olivetti en de waterbouwkundige onderneming ‘Riegos’, die de elektrische installatie van Barcelona had gebouwd, zat La Seda plotseling zonder technische leiding.

Bestand:Fotos/muurkranten2.jpg
Kunstenaars die voorheen hadden gewerkt voor uitgevers van obscure boeken, waren na de vlucht van hun opdrachtgevers gaan samenwerken in een collectief. Zij waren verantwoordelijk voor een nieuwe cultuurvorm: affiches en muurkranten die op meeslepende wijze de strijd tegen fascisme en kapitalisme illustreerden.

Een fabriek is meer dan een mogelijkheid voor de eigenaren om geld te verdienen. Het is ook een middel van bestaan voor een grote groep arbeiders. Bij La Seda ging het om elfhonderd mensen. Het vertrek van de directeur bewees, aldus de twee werknemers die mij rondleidden, dat het lot van de elfhonderd arbeiders hem koud liet. Aan de eigendomsrechten van de fabriek zou niet worden getornd. Het was een Nederlands bedrijf en dat zou het blijven.
Maar wat betekende het zelfbestuur voor de lonen en de arbeidstijd?
‘Er verandert niets. Lees maar wat de plaatselijke federatie van vakverenigingen heeft voorgeschreven.’
Bij de ingang van de fabriek hing een plakkaat met de volgende inhoud: Alle arbeiders, inclusief de hoofdarbeiders en de vrouwen, moesten zich beschouwen als dienstplichtigen. Zolang de burgeroorlog duurde mocht niet worden aangedrongen op invoering van nieuwe arbeidsvoorwaarden. Indien de arbeid direct of indirect te maken had met de strijd tegen de opstandige militairen, kon men zelfs niet verlangen, dat het bestaande loon en de arbeidsduur gelijk zouden blijven. Overuren, voorzover gemaakt ten behoeve van de troepen aan het front, zouden niet worden betaald.

Bestand:Fotos/muurkranten3.jpg
Kunstenaars die voorheen hadden gewerkt voor uitgevers van obscure boeken, waren na de vlucht van hun opdrachtgevers gaan samenwerken in een collectief. Zij waren verantwoordelijk voor een nieuwe cultuurvorm: affiches en muurkranten die op meeslepende wijze de strijd tegen fascisme en kapitalisme illustreerden.

Iedere arbeider was volgens deze voorschriften verplicht de arbeid te verrichten, die in het kader van het nieuwe tijdperk noodzakelijk was. Zolang de strijd aan het front niet was beslecht, moest worden gewerkt en geproduceerd. De controlecommissie van de Seda was overigens van plan om de overuren later te verrekenen bij de toekenning van vakantiedagen en dergelijke.
Het personeel had dit alles zonder protest aanvaard. Ze bleken zelfs bereid tot een vrijwillig offer voor de soldaten aan het front. Er was een collecte gehouden, die duizend peseta’s had opgeleverd. Bovendien droegen de arbeiders wekelijks een deel van hun salaris af om duizend dikke leren jassen naar het front te kunnen zenden. In Barcelona mocht men overdag dan nog kunnen zonnebaden, aan het front in Aragon was het al behoorlijk koud.
Onderwijl had het bedrijf moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen. Er was nog maar voor drie weken voorraad. Ook de afzet wilde niet vlotten, omdat grote stukken van Spanje in handen waren van de rebellen. De magazijnen raakten vol. De inkomsten werden minder en er was niet veel bedrijfskapitaal, zodat de regering binnenkort zou moeten bijspringen. Daarbij kwam de kans, dat men eerdaags zou moeten overgaan tot mobilisatie van een deel van de arbeiders, juist uit afdelingen, waar zij niet vervangen konden worden. Over al die problemen waarmee de arbeiders van La Seda zich geconfronteerd zagen, schreef ik een artikel, dat ik zo spoedig mogelijk naar Nederland verstuurde. Van wat juist dít verhaal allemaal teweeg zou brengen had ik toen nog niet het minste vermoeden.

In de dagen voor de burgeroorlog had een kleine uitgeverij in Barcelona zich toegelegd op de produktie van pornografische literatuur. Een grote groep tekenaars die aan de uitgeverij verbonden was geweest, bleef werkeloos achter toen de eigenaren van de lucratieve onderneming naar het buitenland vluchtten. De illustratoren grepen hun kans en bezetten het bedrijf, om het als collectieve uitgeverij voort te zetten.
Ongeveer honderd andere tekenaars, ontwerpers en illustratoren in de Catalaanse hoofdstad verkeerden in dezelfde omstandigheden en volgden het voorbeeld van de vroegere porno-tekenaars. Zij zochten een groot gebouw dat geschikt was om als gemeenschappelijk atelier dienst te doen en namen dat in gebruik. En zo had het volksverzet van Barcelona in minder dan geen tijd een propagandadienst gekregen, waar geschoolde en talentvolle ontwerpers pakkende posters maakten met felle teksten tegen de fascistische opstand.

Bestand:Fotos/muurkranten4.jpg
Kunstenaars die voorheen hadden gewerkt voor uitgevers van obscure boeken, waren na de vlucht van hun opdrachtgevers gaan samenwerken in een collectief. Zij waren verantwoordelijk voor een nieuwe cultuurvorm: affiches en muurkranten die op meeslepende wijze de strijd tegen fascisme en kapitalisme illustreerden.

Elk open vlak in de stad trok de aandacht van de graffito-kunstenaars. In de eerste plaats de buitenkant van de treinen. De wagons werden in de beide stations van Barcelona bewerkt door ploegen van 25 tekenaars tegelijk. Ze maakten bemoedigende teksten: ‘Un esfuerzo más y venceremos!’ – Nog één poging en de zege is aan ons! Of wel ‘Nú de eenheidsschool – betere toekomst voor uw kind’. De oorlogskunst van opschriften en revolutionaire posters ontwikkelde zich tot een gewaardeerde factor in de strijd.
Aan de Paseo de Gracia in Barcelona hadden de tekenaars en ontwerpers een lokaal met een permanente expositie. Daar hingen de vele aanplakbiljetten en cartoons, die zij hadden gemaakt. Er was werk van grote klasse bij, heel aangrijpend en inspelend op de verantwoordelijkheid en de sociale gevoelens van de kijkers. Er waren drie hoofdmotieven. De strijd aan het front, de strijd om meer kennis, ter vernieuwing van de Spaanse cultuur en de strijd om een nieuwe economische ordening.
Er werd ingespeeld op algemene sentimenten: de haat tegen de onderdrukkers, verlangen naar vrijheid, het protest tegen de Duitse en Italiaanse inmenging. Ook verontwaardiging over het non-interventiebedrog, naast eerbied voor de gevallenen en liefde voor het kind werden uitgebeeld. Natuurlijk met de bekende stereotypen: de dikke kapitalist met een sigaar in zijn mond, de vadsige priester met het wapen in de hand en bij de tekst ‘Gij zult niet doden’ een tekening van een soldatenschoen, die het hakenkruis vertrapt, de verbroken ketens om de proletarische vuist. Maar ook veel vondsten, bijvoorbeeld de hand van een arbeider, die de grauwsluier afscheurt van het felrode Iberische schiereiland. De inktvis van het fascisme, die zijn groene tentakels om heel Spanje heenslaat, de boer met een sikkel in de hand met het bijschrift: ‘Laat geen handbreed grond verloren gaan.’

Bestand:Fotos/oorlogskunst.jpg
De oorlogskunst van revolutionaire posters ontwikkelde zich tot een gewaardeerde factor in de strijd.

Een bekende anarchist, Juan Peiró, schreef die herfst van ‘36 een kritisch boek over de gevolgen van de republiek. Zijn boek ’Gevaren in de achterhoede’ verscheen bij uitgeverij Imprenta Minerva te Mataró en het bracht een schok teweeg bij het publiek en bij de Catalaanse regering. Voor die regering was het boek aanleiding om een strakker binnenlands beleid uit te stippelen. In november werden ook anarchisten opgenomen in de regering en Peiró werd minister van Industrie.
Peiró was verontrust over de wandaden, de moorden en berovingen die volgens hem gepleegd werden door een oncontroleerbaar gedeelte van anarchisten, communisten, links-republikeinen en socialisten. In de stadjes en dorpen was ogenschijnlijk de rust weergekeerd, maar in werkelijkheid woedde hier volgens hem een stille terreur, die erger was dan de open strijd aan het front. Wat had, zo vroeg Peiró zich af, een materiële revolutie voor betekenis, als daarbij morele waarden verloren gingen? Iedere aanval op gewetensvrijheid, zo betoogde hij, doet de haat groeien tegen de vrijheden van een volk, dat zich deze vrijheden niet waardig toont.
‘Dat men burger of kapitalist is, is geen reden tot vervolging of uitroeiing door revolutionairen. En evenmin kan men kapelaans en andere geestelijken vervolgen, alleen omdat zij zijn wat ze zijn. Nog minder kan men mensen als honden vermoorden, lafhartig en misdadig, alleen omdat zij een rechtse mening aanhangen, ofwel indertijd voor rechts hebben gestemd.’ Peiró schopte hevig om zich heen en schreef: ‘De lust om te vervolgen en te vermoorden is echter groter dan alle morele en menselijke overwegingen en de moderne vampiers, de onverantwoordelijken, laten het bloed vloeien, alleen om het te zien vloeien, alsof hun enige doel is de revolutie en de revolutionairen te besmeuren.’
En wie waren het, die deze lafhartigheden hadden begaan? Welke groepen hadden gehandeld ‘als ware schurken en moordenaars’? ‘Alle anti-fascistische groepen,’ zo verzekerde Peiró, ‘vanaf de Estat Catalá tot de POUM, via de links-republikeinen en de PSUG, hebben een contingent schurken en moordenaars opgeleverd, tenminste gelijk aan het percentage misdadigers bij CNT en FAI.’
Veel Catalanen maakten Peiró uit voor een fascist. Hij beweerde zelf, dat men degenen die de beestachtigheden hadden begaan geen revolutionairen kon noemen. ‘Er is hier lange tijd geen andere wet geweest, dan de wet van de sterkste. Niemand is in staat een volk in de eerste dagen van een revolte in te tomen. Maar als de organen van de revolutionaire rechtspraak normaal werken, heeft niemand meer het recht iemand uit zijn huis te sleuren om hem een zogenaamde wandeling te laten maken, want dergelijke wandelingen zijn een bittere hoon. Het zijn moordaanslagen die niets met revolutionaire rechtspraak te maken hebben.’
Volgens Peiró was er in de omgeving van Barcelona en vooral in de buurt van Lérica verschrikkelijk veel bloed vergoten en dat was zo onrechtvaardig en systematisch gebeurd, dat anti-fascistische comités uit bepaalde dorpen zich naar andere dorpen hebben moeten begeven, om daar de plaatselijke comités te fusilleren. Er was, volgens de schrijver, wel veel gedaan aan de bestrijding van misdaad, maar niet genoeg. ‘Wil deze revolutie moreelopbouwend werken, dan is het nodig dat een campagne wordt begonnen tegen hetgeen de revolutie onteert.’
Juan Peiró wilde kennelijk met zijn boek de revolutie redden. Het gaf president Companys en zijn nieuw benoemde ministersploeg aanleiding om hun greep op de gebeurtenissen te versterken. Bestrijding der excessen stond nu, naast het winnen van de burgeroorlog, als prioriteit op hun programma.
Peiró zou in 1942 door de Fransen worden uitgeleverd aan de Gestapo die hem executeerde.

Hitler en Mussolini steunen Franco

De omvang van de Duitse hulp aan Franco en de zijnen wordt geschat op 225 miljoen dollar, die van de Italianen op 410 miljoen dollar. Bovendien kregen de nationalisten steun van diverse oliemaatschappijen, waaronder de Texas Oil Company. Het heeft tot 1967 geduurd voor Spanje zijn schulden aan Italië had terugbetaald. De republikeinen hebben bijna de hele goudvoorraad ter waarde van 740 miljoen dollar gebruikt voor wapenaankopen in het buitenland, met name in de Sovjet-Unie. De totale uitgaven van de republikeinen tijdens de burgeroorlog worden geschat op ongeveer 900 miljoen dollar. Maar geld zegt minder dan goederen en menselijke aarwezigheid. In 1939 huldigde Hitler in Berlijn 14.000 veteranen voor hun moedige strijd in het Condor Legioen in Spanje. Duitsland zond 200 pantserwagens, 600 vliegtuigen en het nieuwste luchtafweergeschut naar Spanje. Italië stuurde 660 vliegtuigen, 150 pantserwagens en onder meer 10.000 mitrailleurs, 1.672 ton aan bommen en bijna achtduizend motorvliegtuigen. Circa 50.000 Italiaanse militairen hebben aan de zijde van de rebellen tegen de republiek gevochten. De republikeinen hebben duizend vliegtuigen gekocht in de Sovjet-Unie en nog driehonderd in andere landen, met name Frankrijk en 28 Koolhoven FK 51 in Nederland. Er zijn 900 Russische pantserwagens ingezet, 8.000 vrachtwagens, 15.000 mitrailleurs en onder meer een miljard kogels.

De volgende dag was de stad volkomen onverwacht vol tromgeroffel en trompetgeschal. Vijfduizend miliciano’s, zojuist teruggekeerd van Mallorca, trokken door de straten. Velen met opgerolde velddekens op de schouder, rode halsdoeken en dito vaandels, de hoofden bedekt door breedgerande sombrero’s of stoffige helmen. Ze keerden terug naar de kazernes, nadat zij Mallorca zonder slag of stoot hadden ontruimd. Toen de laatste 300 man zich inscheepten, werden de verlaten stellingen gebombardeerd door drie Italiaanse Caproni-vliegtuigen.
Midden in de drukte voelde ik een hand op mijn schouder. Iemand zei: ‘Wees zo goed mee te gaan. Stap in, er is geen tijd te verliezen.’ Ik draaide me ontsteld om, bevreesd voor nieuwe moeilijkheden. Maar mijn ontvoerder was een bekende, die me meenam naar de kazerne Carlos Marx, waar jonge officieren werden opgeleid. De miliciano’s hadden het op Mallorca moeten opnemen tegen de ecrasietbommen van de fascisten, niet groter dan een kleine handgranaat, die binnen een straal van acht meter iedereen konden doden. Er waren zeker vierhonderd doden gevallen. Nee, het was op Mallorca niet zo gegaan als bij de bestorming van de kazerne in Barcelona, toen de miliciano’s ongewapend waren opgerukt, alleen met de arm voor de ogen om niet de lopen van de machinegeweren te zien. Op Mallorca hadden ze geen vijand gezien, daar waren ze bestookt door vliegtuigen en ze hadden niet veel meer kunnen doen dan zich met doodsverachting ingraven.
In de kazerne bracht men ons naar een leslokaal. Een boekenkast, een

Bestand:Fotos/mallorca.jpg
In de Carlos Marx-kazerne werd fel gediscussieerd over Mallorca: ‘Het was een tactische fout om het eiland te verlaten.’
Bestand:Fotos/duitsebommen.jpg
‘Maar wat konden wij doen tegen de Duitse bommen en de Italiaanse vliegtuigen?’

schoolbord, een globe en een lessenaar en in de banken 29 jonge miliciano’s, die zouden worden opgeleid tot officier. Als één man rezen zij op en brachten de anti-fascistische groet: ‘Salúd!’
De docent vroeg: ‘Jullie weten dat we Mallorca om strategische redenen hebben verlaten. Kan iemand zeggen welke reden dat was?’
Een miliciano zei aarzelend: ‘Misschien heeft het eiland niet zoveel strategische waarde. Misschien was het beter alle krachten te concentreren op het front bij Huesca, Saragossa en Teruel. Mallorca is een tactische fout geweest. Ik denk dat onze veldtocht beter achterwege had kunnen blijven. ’De krachten waren veel te ongelijk verdeeld, meende een andere miliciano. ’We zijn er veel te slecht bewapend heengegaan. En bovendien, hoe konden wij het opnemen tegen de Italiaanse vliegtuigen en de Duitse bommen?’ Een derde noemde het woord internationale interventie. ‘Jullie hebben alle drie gelijk,’ knikte de instructeur. ‘Er dreigde in die dagen een militaire interventie van Italiaanse zijde. En om te voorkomen dat de Italianen het eiland zouden bezetten, hebben wij onze troepen erheen gestuurd. Nu Italië het non-interventiepact heeft getekend, vervalt de noodzaak om de Italianen vóór te zijn. Jullie inzet aan het front in Spanje kan daarentegen van doorslaggevende betekenis zijn. Praat daar met elkaar over, maar doe dat gedisciplineerd en kameraadschappelijk. Daarop testte de instructeur het politieke inzicht van de toekomstige officieren. Wat is het heersende stelsel in Spanje en wat in Frankrijk? Juist, burgerlijk kapitalistisch. En het verschil? Precies, dat het hier half feodaal is…
Plotseling laaide er een fel meningsverschil op. De ene miliciano zag in de Catalaanse pachter, die met drie of vier knechten werkte een kapitalist, de ander meende dat hij een proletariër was, zoals de arbeiders in de stad. De jonge officieren overschreeuwden elkaar, stonden rechtop in de banken en slingerden allerlei begrippen uit de Russische revolutie heen en weer. ’Het is een koelak!’ ‘Nee, niet waar, een moezjik!’
De leraar bulderde: ‘Discipline’ en toen het rustiger werd zei hij: ‘Dat probleem is nu niet aan de orde, dat lossen we in de toekomst op. Momenteel werken we mee aan de bevrijding van Franco’s fascisme. We werken mee aan de vernietiging van de gemeenschappelijke vijand.’

De juiste samenhang van de ontwikkelingen rond Mallorca werd pas later duidelijk. De leider van de monarchistische organisatie ‘Renovación Española’, Don Antonio Goicoechea, had op 31 maart 1934 al een verdrag gesloten met Mussolini en diens rechterhand, maarschalk Balbo, waarin de Italianen militaire steun beloofden bij een toekomstige monarchistische opstand in Spanje. Volgens dit document, waarvan het bestaan vier jaar later werd geopenbaard door het Britse parlementslid, de Duchess of Atholl, zouden de Italianen bij een opstand in eerste instantie 20.000 geweren, 20.000 granaten, tweehonderd machinegeweren en anderhalf miljoen peseta’s leveren.
Maar de samenwerking tussen de Spaanse en Italiaanse fascisten gaat nog verder terug. In 1926 zouden de Spaanse dictator Primo de Rivera en Mussolini al een overeenkomst hebben gesloten, waarin werd bepaald dat Italië in geval van oorlog de Balearen zou mogen gebruiken als operatie-basis. De eerste republikeinse regering in Spanje heeft die overeenkomst later nietig verklaard, maar de koningsgezinde militairen hebben de banden in 1934 weer nauwer aangehaald.
De Nederlandse historicus dr. J. Brouwer geeft in zijn boek ‘Het mysterie van Spanje’ een motivering: Mussolini wilde invloed op de Balearen om zo de zeeverbinding tussen Frankrijk en Algiers, dat toen nog een Franse kolonie was, te bedreigen. De Spaanse republikeinen zijn op de hoogte geweest van deze fascistische plannen en hebben tot tweemaal toe geprobeerd de Italianen voor te zijn. Beide invasiepogingen mislukten, omdat de opstandige militairen heel snel hulp kregen van Italiaanse vliegtuigen. De Catalaanse miliciano’s waren daartegen niet opgewassen en op 6 september trokken de invasietroepen zich definitief terug. De Italianen trokken Palma de Mallorca zegevierend binnen. Een Britse officier-buiten-dienst vertelde mij, dat de Italianen zich gedroegen alsof het hele eiland hun eigendom was. Ibiza volgde een paar maanden later. Alleen Menorca bleef in handen van de republikeinen. De soldaten die uit Mallorca terugkeerden zijn, zoals later bleek, niet ingezet aan het front in Aragon, maar hebben geholpen bij de verdediging van Madrid.
Er ontstond in Barcelona, ondanks het fanatieke geloof in de overwinning, toch een gevoel van verontrusting toen bleek dat de non-interventie, waartoe in september 1936 alle Westeuropese staten en ook de Sovjet-Unie hadden besloten, voor Spanje een negatief effect sorteerde. De grenspost Irún viel in handen van de monarchisten, maar ook zonder dat werd de wapeninvoer voor de wettige Spaanse regering afgesneden door het niet-inmengingsverdrag. Duitsland en Italië hielden zich niet aan het verdrag en ook Portugal steunde de rebellen met grote wapenleveranties.
Een Engelse krant berichtte, dat Mussolini gedreigd had dat hij in Barcelona honderd man zou ontschepen ter bescherming van het Italiaanse consulaat. Mussolini zou volgens de krant langs zijn neus weg hebben geïnformeerd, hoe men in Barcelona op de aanwezigheid van Italiaanse soldaten zou reageren. Het antwoord zou hebben geluid, dat men in Italië niet verbaasd moest zijn, als er twee uur later van die honderd man niet één meer zou leven.
Het heeft me wat moeite gekost, maar ik ben erin geslaagd tot de Italiaanse consul in Barcelona door te dringen, om hem naar de juistheid van het bericht te vragen.
’Honderd man ontschepen? Welnee, meneer. We hebben geen speciale

Bestand:Fotos/slagofstoot.jpg
Vijfduizend miliciano’s keerden met muzikale begeleiding in Barcelona terug van Mallorca, dat zij zonder slag of stoot hadden ontruimd.
Bestand:Fotos/dertienhonderd.jpg
De Italiaanse admiraat Goiran ontkende dat hij honderd militairen aan land had gebracht. ‘Wij hebben de afgelopen week dertienhonderd mensen geëvacueerd, waaronder negenhonderd Spaanse nonnen.’

bescherming voorgesteld en die hebben we ook niet nodig, zei de consul. ‘Wij hebben van de Spaanse president Companys twintig man ter beschikking gekregen, waarvan er tien belast zijn met de bescherming van het consulaat. U moet ze hebben gezien, toen u hier aankwam. Aan een tafeltje bij de ingang had ik inderdaad een stuk of wat mannen gezien van de ’guardia de asalto’, verdiept in een spelletje domino. In de hal, bovenop een stapel matrassen lag nog een guardia, die ’s nachts op wacht had gestaan.
De Italiaanse consul had niets dan lof voor de voorkomendheid van de politie en de autoriteiten. De Catalaanse minister van Bestuur was zo vriendelijk geweest om openlijk te erkennen dat de consul ook steeds correct had gehandeld. ’Met die miliciano’s is het natuurlijk lastiger, zei de consul, ’met hen valt niets te beginnen.’
‘Volgens een Engelse krant heeft u om bescherming gevraagd, omdat de Italianen hier hun leven niet zeker zouden zijn.’
‘Sedert het begin van de burgeroorlog zijn hier inderdaad zes Italianen omgekomen. Misschien nog wel meer. Vier van hen waren arbeiders, een was ingenieur en de zesde een winkelier. Ze waren lid van de plaatselijke “fascio”, maar ze hebben niet deelgenomen aan de gewapende strijd. Ze waren fascist en dat was natuurlijk de reden waarom ze werden gedood. Volgens de consul woonden begin 1936 een paar duizend Italianen in Barcelona en vierduizend in de rest van Catalonië. Voornamelijk arbeiders en kleine zakenlieden. De meesten zijn gevlucht. Nu zijn er misschien nog duizend in deze stad, die niet willen vluchten, ofwel omdat ze hier al twintig jaar wonen en van het land houden, ofwel omdat ze met Spaanse vrouwen zijn getrouwd.’
Over de Italiaanse belangen zei de consul, dat er verschillende bedrijven waren met een Spaanse naam, maar met Italiaans kapitaal. De Pirello-fabriek had een Italiaanse directeur en de hele technische staf was Italiaans en er zat voor zeventig miljoen peseta’s aan Italiaans kapitaal in het bedrijf. Het was, net als de Fiat-fabriek, de Olivetti-schrijfmachinefabriek en de Viscosa, door de Spaanse arbeiders in beslag genomen. Het Italiaanse kapitaal in Catalonië zou ongeveer 300 tot 400 miljoen peseta’s belopen, maar het zou niet zonder meer worden onteigend, net zomin als dat met ander buitenlands kapitaal zou gebeuren.
‘Wij hebben overigens heel wat personen in de gelegenheid gesteld het land te verlaten,’ zei de consul. ‘Kort geleden zijn bijvoorbeeld met toestemming van de Spaanse overheid ongeveer duizend Spaanse nonnen vertrokken. Ze zullen vermoedelijk hun intrek nemen in kloosters in Italië.’
De consul gaf me een introductie mee voor het Italiaanse oorlogsschip ‘Bartolomeo Colleoni’, dat in de haven van Barcelona lag en diezelfde dag werd ik ontvangen door admiraal Goiran.

De ‘Bartolomeo Colleoni’ was een gestroomlijnd schip, met voor die tijd moderne meetapparatuur aan boord. De commandobrug was een toren van staalplaat, zo dik als een hand. Het geschut kon in vijf seconden worden geladen, afgeschoten en opnieuw geladen. Alle geschutsstukken konden tegelijk op een bepaald doel worden gericht. Op de deur van de officierskabines stonden de woorden ‘veloce e veemente’, snel en heftig. Men sprak van een snelheid van 75 km per uur. Het oorlogsschip had bovendien twee katapult-vliegtuigen aan boord, die met gedemonteerde vleugels op het dek stonden. Het waren verkenners, die ook in staat waren om ecrasietbommen uit te werpen. Het schip had ook kleine mijnen aan boord. Het was geen wonder dat de bewoners van Barcelona de aanwezigheid van dit oorlogsschip en de schepen van andere nationaliteiten die in de haven voor anker lagen, zagen als een directe bedreiging.
Ook admiraal Goiran, die mij in zijn hut ontving, ontkende ten stelligste dat er een plan was geweest om honderd militairen op te stellen bij het Italiaanse consulaat. ‘Nee, dat zou een affront zijn geweest, een rechtstreekse aanval. Maar ik begrijp wel hoe dat gerucht is ontstaan. In de eerste plaats is er weer een Italiaan gedood en in de tweede plaats is er het vertrek van die duizend nonnetjes. De Italiaanse regering had voor alle zekerheid nog een oorlogsschip gestuurd. Ik moet het leven van de Italianen hier beschermen en ik kan mijn taak alleen wel af. Nu ben ik ook weer alleen met de Bartolomeo Colleoni en zeshonderd man bemanning. De andere buitenlandse oorlogsschepen en de Bartolomeo moeten alleen zorgen voor het leven van de buitenlanders, zonder onderscheid van nationaliteit.’
De afgelopen week was een groep van 1.268 personen geëvacueerd, waaronder 46 Italianen, 60 Duitsers en 976 Spanjaarden, inclusief de 904 religieuzen. Verder bevonden zich Cubanen, Hongaren, Denen en Joegoslaven aan boord die zonder betaling zijn vervoerd.
De Italiaanse admiraal Goiran had zich in de Eerste Wereldoorlog al onderscheiden door een Oostenrijkse kruiser de grond in te boren. Hij was een van de vijfhonderd Italiaanse militairen die de hoogste onderscheiding, een gouden medaille, hadden gekregen. ‘Het was niet zo heldhaftig, zei hij twintig jaar later. Op een donkere avond in de straat van Fasana aan de Adriatische kust, had hij in een klein bootje met benzine-motor èn elektrische aandrijving een drijvende ketting die de zeestraat afsloot, verzwaard met loden gewichten. Zo had hij het Oostenrijkse oorlogsschip de ’Mars’ geruisloos en ongezien kunnen naderen en het met twee torpedo’s tot zinken gebracht.

Terug op de wal ontmoette ik een bemanningslid van ‘De Venus’ een Hollands schip, dat in de haven lag om in geval van nood Nederlanders te evacueren. Die landgenoot vertelde hoe hij een week eerder de lange stoet vrouwen had gezien die op de kade wachtte om ergens aan boord te kunnen gaan. Dat waren de honderden nonnen, onopvallend gekleed en voorzien van koffers en valiezen. Ze zouden nauwelijks de aandacht hebben getrokken, als het er niet zoveel geweest waren. Ze waren opgejaagd uit de rust van hun kloosters, toen deze door miliciano’s in beslag waren genomen om als scholen te dienen voor de Catalaanse jeugd. Het had veertien uur geduurd, voor alle paspoorten waren gecontroleerd. Ze gingen, nagewuifd door de Italiaanse consul, aan boord van de ‘Cecilia’ richting Italië. Het was hetzelfde schip, dat nog maar een paar maanden voordien jonge Italiaanse soldaten naar Ethiopië had overgebracht.

Censuur en volksrechtspraak handhaven burgerlijke orde

Begin september haalde ik bij het hoofdkwartier van de Unión General de Trabajadores, de UGT, een bewijs dat me toegang moest geven tot de vele gecollectiviseerde en gesocialiseerde fabrieken en bedrijven. ‘Een bewijs van toegang voor compañero extranjero, buitenlander, doel inlichtingen.’ Met dat bonnetje stapte ik de vestibule van hotel Colón binnen en terwijl ik wachtte op een woordvoerder, gebeurde er iets merkwaardigs. Plotseling holde er iemand naar binnen. Hij schreeuwde een paar Catalaanse woorden en grote ontsteltenis maakte zich van de aanwezigen meester. Men riep: ‘De vrouwen allemaal de zaal uit’ De deuren werden gesloten, machinegeweren opgesteld en matrassen opgehoopt om dienst te doen als kogelvanger. In enkele minuten werd het gebouw in staat van verdediging gebracht.
Wat was er gebeurd? ‘No sé… men zegt dat er een luchtaanval op Barcelona op komst is. Tien vliegtuigen zouden al onderweg zijn.’ Iemand anders beweerde dat de guardia civil in opstand was gekomen en op weg was naar hotel Colón. Een nieuw bericht bracht ontspanning. Het was een bulo geweest, een gerucht. Een ongegrond of sterk overdreven verhaal, dat rondgestrooid werd om paniek te veroorzaken. Het was een woord dat afkomstig was uit de taal der stierenvechters. Naderhand bleek, dat er een onbeduidende vechtpartij was geweest in de kazerne van de guardia civil, waar men ontevreden was over de kwaliteit van het eten. Nog later verscheen in de krant het bericht dat voortaan ook de guardia civil uit Barcelona deel mocht nemen aan de strijd aan het front. Denkend aan het gesprek

Bestand:Fotos/hotelcolon1.jpg

Bestand:Fotos/hotelcolon2.jpg
Het beroemde hotel Colon in Barcelona was gevorderd door de socialistische partij van Catalonië, de PSUC. De partijleden kregen er bonnen voor brood, vlees en textiel. Geld had in feite geen functie meer.

dat ik met anarchistenleider Durruti had, begreep ik wat dit betekende. De onrust bij de guardia civil was waarschijnlijk veroorzaakt uit angst dat de guardia haar groepsverband en haar typerende uniform zou verliezen en dus feitelijk zou ophouden guardia civil te zijn.
Er zijn veel van die bulo’s geweest en enkele waren erg hardnekkig. Een van de geruchten was, dat de Moren op Mallorca waren geland en zich klaarmaakten voor een aanval op Barcelona. Een ander gerucht wilde dat de Moren Cartagena hadden ingenomen en nog opvallender: de Catalanen zouden bij de verovering van Saragossa slaapgas gebruiken, waardoor zij de kans kregen om alle strategische punten te bezetten en alle slapende militairen te ontwapenen.
Volgens een vierde bulo wilden de anarchisten de regeringsgebouwen bezetten en een greep doen naar de macht. Dat gerucht was klinkklare onzin, want in de eerste plaats lieten zij de regering nuttig werk doen en in de tweede plaats wilden de anarchisten niets van regeringsgezag weten. En in de derde plaats hàdden zij het bewind al in handen.

Om een eind te maken aan de geruchtenstroom via de post, stelde de overheid een censuurdienst in, die eerst met een paar man werkte, met het gevolg dat de post hopeloos stagneerde. Daarop besloot men zestig man censors aan het werk te zetten, die zich allemaal bezig hielden met het openen van de zich opstapelende brieven. De achterstand liep enorm op. Ik hoorde op een gegeven ogenblik dat er tachtig mensen betrokken waren bij het verwerken van de correspondentie. Vermoedelijk kende geen van deze censors Nederlands. Sedert de instelling van de censuur hebben wij maar drie brieven uit Holland ontvangen. Wat de uitgaande post betrof, ging het wat gemakkelijker. Men was een en al hoffelijkheid. Als ik een brief wilde posten, riepen ze een Duitse *compañera, die ooit eens in Nederland was geweest. Zij keek de brief door en knikte dat het goed was. Dan kwam er een Franse kameraad, die ook lid was van de officiële Catalaanse nieuwsdienst, die haar stempel drukte op de nog geopende enveloppe. Ik kreeg de enveloppe weer terug en mocht het couvert in hun aanwezigheid zelf dichtplakken.

Bestand:Fotos/ereplatform1.jpg
Companys, de Catalaanse president, Casanovas, de premiey, Gassols, de minister van Onderwijs – zij hadden het op hun ereplatform druk met het brengen van de vrijheidsgroet.

De buitenlandse journalisten woonden begin september opnieuw een rechtszitting bij aan boord van de ‘Uruguay’ in de haven van Barcelona. Dezelfde boot, waar op 12 augustus de generaals Goded en Burriel waren berecht. Het schip had twee jaar voordien ook in deze haven gelegen, maar toen wachtten Companys en zijn ministers hier nog op hun vonnis, evenals Azaña, die sedert 10 mei 1936 president was van de Spaanse republiek. In september had men tweehonderd militaire gevangenen en burgerlijke opstandelingen in het gevangenisschip opgesloten. Langzaam was de rechtsorde in Spanje weer hersteld. Er waren volksrechtbanken gevormd, die moesten oordelen over de opstandelingen. Het lag voor de hand dat men de militairen en fascisten niet liet berechten door de vroegere rechters, die tot hetzelfde milieu behoorden als de opstandelingen. De beginselen van de volksrechtspraak kwamen op het volgende neer: de berechting was volkomen openbaar, zowel het vooronderzoek als de aanklacht, het verhoor en de verdediging. Het hele proces mocht niet langer duren dan 24 uur en mocht niet worden uitgesteld, om te voorkomen dat er valse getuigenissen werden voorbereid. Hoger beroep was niet mogelijk zolang er sprake was van fascistische aanslagen, verspreiding van geruchten, sabotage, spionage, plundering en moord.
De zitting begon om drie uur. Juryleden, advocaten en journalisten waren in hetzelfde bootje overgevaren naar de ‘Uruguay’, het water nog maar een handbreed onder de rand. Aan boord bleek dat een van de verdachten met een zenuwinzinking naar het ziekenhuis moest worden gebracht. De drie rechters, die door het ministerie van Justitie waren benoemd, wensten geen uitstel en zo begon het proces met veertien juryleden, afgevaardigd door de partijen van het volksfront. De verdachten hadden het recht zelf hun verdediger aan te wijzen, maar daarvan hadden zij geen gebruik gemaakt.
Ze verschenen in burger, een kolonel, twee majoors en twee kapiteins, keurig in het pak, in tegenstelling tot de rechtbank. Rechters en juryleden hadden in verband met de grote hitte hun jasje uitgetrokken en luisterden in bretels en hemdsmouwen naar de ontwijkende antwoorden. Geen der verdachten erkende zijn aansprakelijkheid. De aanklager achtte hen schuldig en hield een vernietigend requisitoir, terwijl het zweet hem tappelings langs de rug liep. Hij knoopte zijn hemd open en schoof de bretels van zijn werkbroek opzij om zich met de klaargelegde handdoeken droog te betten.
De man die in het ziekenhuis was behandeld keerde terug. Hij was nog altijd onrustig. Volgens een medisch rapport dat over hem was uitgebracht, was hij niet veel meer dan een menselijk wrak, ondermijnd door een geslachtsziekte. In de korte pauzes tussen de verhoren mochten de verdachten hun plaats verlaten en ze mengden zich nonchalant onder het publiek, rokend en pratend, tot een guardia civil hen op de schouder tikte en terugbracht naar hun plaats, waar eten en drinken was klaargezet.
Het proces duurde uren en tegen middernacht kregen ook de rechters en de juryleden honger, maar daar was niet op gerekend. Er moest een bootje naar de haven worden gestuurd om eten in te slaan. Twintig broden, een geweldige hoeveelheid ham en worst en ettelijke flessen bier en wijn. Een der juryleden nam het brood tussen de knieën en sneed er met zijn mes geweldige hompen af, die hij ronddeelde onder rechters, journalisten en mede-juryleden. Toen deed een papier met plakken worst de ronde, gevolgd door glazen bier en wijn. De verdachten waren teruggebracht naar hun cel en in de rechtszaal werd in een huiselijke stemming gesoupeerd, voordat de verdedigers aan het woord kwamen. Tegen vier uur in de ochtend sprak de jury het ‘schuldig’ uit en toen volgde het onverbiddelijke vonnis, uitgesproken door Samblancat, een bekend jurist, die tijdens de dictatuur was uitgeweken naar Brussel. Drie van de verdachten werden ter dood veroordeeld, de vierde tot levenslange gevangenisstraf, terwijl de vijfde, de zenuwpatiënt, in een krankzinnigengesticht zou worden opgesloten, tot zijn geestelijk vermogens weer normaal waren, om dan opnieuw te worden berecht.
Al eeuwenlang is de elfde september voor Barcelona een belangrijke herdenkingsdag. Dan defileert men langs het standbeeld van Rafael de Casanova, de Catalaanse vrijheidsheld, die in het jaar 1714 op de bres stond voor de autonomie van Catalonië. Het Catalaanse volk had zich in de Spaanse Successie-oorlog aan de zijde geschaard van de kroonpretendent uit het Oostenrijkse huis en streed daardoor aan dezelfde kant als de Nederlanders, de Engelsen, de Oostenrijkers en de Portugezen.
Het ging er de Catalanen niet in de eerste plaats om de Oostenrijker aan de macht te brengen, maar zij wilden hun gewestelijke privileges, hun vrijheden en hun kans op autonomie beschermen tegen de centralistische bedoelingen van Philips van Anjou. We zullen jullie autonomie garanderen, zo hadden Engeland en Oostenrijk de Catalanen beloofd, maar toen de strijdende partijen plotseling tot overeenstemming kwamen, lieten de geallieerden Catalonië in de steek. De Vrede van Utrecht werd getekend en de Catalanen stonden voor de keuze zich aan Philips V uit het Huis der Bourbons te onderwerpen, òf de ongelijke strijd tegen de Spaanse monarch op eigen houtje voort te zetten. Zij kozen het laatste, want het verlangen naar zelfstandigheid zat de Catalanen van toen al evenzeer in het bloed als in onze tijd. Op de elfde september 1714 greep de bevolking van Barcelona, zonder aanzien van rang of stand, als één man naar de wapens. De stad werd bestormd door een welgeoefend leger van 20.000 Spaanse soldaten. Door zeven bressen in de stadsmuren stroomden de mannen van Philips V naar binnen, maar zij moesten straat voor straat en huis voor huis veroveren, alvorens zij zich overwinnaar konden noemen. Barcelona had zich reeds dagen van te voren op de strijd voorbereid. Iedere inwoner had zijn arbeid in de steek gelaten en zich van de nodige wapens voorzien. Zij aan zij streden, aldus een plaatselijke historicus, notarissen en notarisklerken, professoren en hun studenten, boekbinders en glazenmakers, kleermakers en timmerlieden, schilders en schoenlappers. En vooraan in de rijen steeds Rafael de Casanova, de voorzitter van de Raad van Honderd, Barcelona’s autonome gemeenteraad.

Bestand:Fotos/ereplatform2.jpg
Companys, de Catalaanse president, Casanovas, de premiey, Gassols, de minister van Onderwijs – zij hadden het op hun ereplatform druk met het brengen van de vrijheidsgroet.

Geschiedenis en overlevering hebben om zijn hoofd een aureool geweven. Hij zou deze elfde september zijn gevallen en zou, dodelijk gewond, een stuk geel vlaggedoek om zich heen hebben geslagen, waarop hij met bebloede vingers vier bloedrode strepen trok. Zo, aldus de overlevering, is de Catalaanse vlag ontstaan, waarvoor de bewoners van Catalonië ook thans nog bereid zijn hun bloed te geven. Want na de nederlaag –de stad verloor zesduizend strijders– heeft Philips V Barcelona diep vernederd. De autonome rechten van Catalonië werden met voeten getreden. De Raad van Honderd hield op te bestaan. De eigen taal, waarop de Catalanen zo trots zijn, werd verboden en vervolgd. Het mes, waarmee thuis het brood werd gesneden, moest aan de ketting worden gelegd, omdat men het los in handen der Catalanen te gevaarlijk achtte. Een jaar voordien schreef Graaf de Montemar, als raadgever van de koning, over de twee aangeboren eigenschappen van het Catalaanse volk, namelijk dat het onverzettelijk vasthoudt aan zijn idealen en dat het verzot is op zijn vrijheid en zijn gewestelijke rechten: ‘De voorrechten (met uitzicht op een republiek) van hun halve vrijheid, welke zij nog wel niet helemaal hebben verkregen, maar die hun zonder twijfel toch beloofd is. Bovendien,’ zo had hij er waarschuwend aan toegevoegd, ‘is Catalonië een krachtige provincie, dank zij haar natuur en de krijgslustige geest van haar zonen, die zijn opgegroeid in doorlopende oorlog.’ Maar de koning sloeg de waarschuwing van Graaf de Montemar in de wind en trok, toen hij als koning van Spanje was erkend, ten strijde. Een Catalaanse volksdichter schreef een bitter vers:
‘Inglesos han fallat, Portuguesos han firmat, Holandesos firmaran, I a la fi ens penjaran’
De Engelsen zijn in gebreke gebleven, de Portugezen hebben getekend (het Verdrag van Utrecht), de Hollanders zullen tekenen, en ons gaat men tenslotte hangen…
Hij kreeg letterlijk gelijk: in 1714 werden de overwonnen Barcelonezen niet behandeld als werkelijke tegenstanders, maar berecht als opstandelingen, dat wil zeggen: ze werden zonder meer opgehangen. De stoet, die op de 11de september 1936 langs De Casanova’s standbeeld trok, had daarvoor niet minder dan vier uur nodig. Het defilé werd niet een huldiging van een volksheld, maar een grootse demonstratie van eensgezindheid voor de gemeenschappelijke zaak. Companys, de Catalaanse president, Casanovas, de premier, Gassols, de minister van Onderwijs – zij hadden het op hun ereplatform druk met het brengen van de vrijheidsgroet, telkens wanneer een groep miliciano’s in bruine of blauwe overall langsmarcheerde en hun vaandelgroet bracht. Het waren niet alleen soldaten, het was een bonte processie van links-republikeinse, communistische, socialistische en anarchistische organisaties, die aan het podium van de Generalitat voorbijtrok. De anarchisten, op dat moment niet meer vertegenwoordigd in de Generalitat, groetten de regeringsleden en het standbeeld van De Casanova misschien wat nonchalant, maar zij groetten om geen wanklank te brengen in het algemeen concert. Er waren verder afgevaardigden van alle mogelijke dorpen en stadjes in de omtrek, van scholen en instituten, van de korpsen der stedelijke ordebewaarders en van de brandweer. Er trokken groepen jongens en meisjes voorbij van de stedelijke weeshuizen –een groep meisjes zong de internationale en het Catalaanse volkslied, dat met hevig applaus werd begroet– en verder bewoners van de bejaardenhuizen. Oud en jong bracht met de vuist omhoog een enthousiaste groet. Er reed met veel vertoon een auto langs het standbeeld met de bekende frontfiguur Pancho Villa, zo losgerukt uit een romantische operette. Een reusachtige strohoed, een baard van twee weken, veel zwart en rood aan zijn kleren, een revolver op de heup en een kolossale pijp in de mond. Hij hing half uit de auto om het standbeeld van De Casanova een eresaluut te brengen en grijnsde tegen de regeringsleden op het podium, de pijp nog tussen de tanden. IJlings schoot een afgezant naar hem toe om hem uit te nodigen voor een onderhoud met de president. En onmiddellijk was het afgelopen met de vertoning. De pijp verdween uit zijn mond, de geweldige strohoed van zijn hoofd en met het nodige respect naderde hij Companys en drukte de hand van deze hoogste vertegenwoordiger van Catalonië.
Een dikke miliciano uitte spontaan zijn onmetelijke enthousiasme door vlak voor het podium de trompet te steken – de benen wijduit, de dikke buik naar voren en de wangen purperrood van inspanning. Er kwam uit het instrument niet veel meer dan een jammerklacht, maar die hield hij zolang aan, dat hij tenslotte wankelde en zou zijn gevallen als zijn vrienden hem niet ijlings te hulp waren gesneld. Telkens kondigde een rochelende luidspreker boven onze hoofden de komst aan van een nieuwe belangrijke groep of deputatie. Nieuw in de stoet waren de vluchtelingen uit Irún en Mallorca en de rode-kruisauto’s met gewonden van het front, de arbeiders-controle-commissies uit de in beslag genomen fabrieken (w.o. die van de General Motors en van de Hispano Suiza, die zich op de wapenfabricage hadden geworpen). In tegenstelling tot andere jaren waren er ditmaal geen bloemen en kransen: Companys had gevraagd, het daarvoor bestemde geld af te dragen als steun voor de soldaten aan het front. Dat had minstens 100.000 peseta’s opgeleverd.
Maar er waren toch bloemen. Op de trappen van de metro zat een oud vrouwtje, een bedelares. Toen ik probeerde haar te fotograferen, legde iemand een hand op mijn schouder; een miliciano vroeg me hoffelijk: ‘Nee, ditmaal geen foto, als ik mag vragen…’ ‘Maar ik heb toestemming. Kijk, ik ben van de pers.’
‘Kan wel zijn, maar ditmaal geen foto van háár…’ ‘Bueno!’ Een half jaar Spanje leert berusten. Ik liet een muntstukje vallen in haar schort. Maar toen we na afloop van de feestelijke Casanova-herdenking weer in de metro afdaalden, zat ze er nog. Ik trok mijn portemonnee, maar de trotse Catalaanse weerde af: ‘No señor, houd het maar. Wat ik vandaag heb gekregen zijn bloemen geworden voor Casanova. Ik zelf heb wel genoeg…’

Internationaal non-interventieverdrag blijkt farce

Op 7 augustus 1936 bleek dat het Franse voorstel voor een niet-inmengingsverdrag inzake de Spaanse burgeroorlog zou worden gesteund door Engeland, België, Nederland, Polen, Tsjechoslovakije en de Sovjet- Unie. Maar het zou tot 8 maart 1937 duren voor het verdrag eindelijk werd ondertekend door de Europese staten. Er kwam een internationale commissie, die waarnemers aan de grenzen van Spanje zou stationeren en vanaf 20 april 1937 zou de Nederlandse vice-admiraal Van Dulm als voorzitter van die commissie de gemaakte afspraken controleren. Er is weinig goeds uit voortgekomen. Er ontstond een ketting van zogenaamde handelskantoren in Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen, Kopenhagen, Praag, Zürich en Warschau waar wapens werden verkocht aan de meest biedende partij in het Spaanse conflict.

Bestand:Fotos/cartoons1.jpg
Het non-interventiepakt als onderwerp van Spaanse politieke cartoons.

Toen de Catalaanse president Companys op 11 september 1936 bij de herdenking van Rafael de Casanova de duizenden demonstranten zag voorbijtrekken, moet hij de wrange gedachte hebben gehad dat de geschiedenis voor Catalonië een herhaling van 1714 in petto had. Begin augustus 1936 had Frankrijk een non-interventie-akkoord voorgesteld, in de hoop dat Hitler en Mussolini zich dan zouden onthouden van verdere interventie. Maar Duitsland en Italië werkten duidelijk volgens een onderling overeengekomen tijdschema, waarin Spanje een vaste plaats had. Italië had zijn veldtocht in Abessinië juist beëindigd; de Italiaanse troepen keerden als overwinnaars in het vaderland terug. Duitsland had zich rugdekking verschaft door een overeenkomst met Von Schuschnigg, de Oostenrijkse kanselier, nadat Dollfuss om het leven was gebracht. Mussolini was er op uit van de Middellandse Zee een Italiaanse zee te maken. Duitsland interesseerde zich voor Spanje, omdat de bodemschatten van met name Noord-Spanje van belang zouden zijn bij de komende militaire krachts-inspanning die zou uitmonden in de Tweede Wereldoorlog. De metaalreserves in de Spaanse bodem zijn omvangrijk, vlak voor de burgeroorlog werd gesproken over 16.077 mijnen, waarbij 7.182 ijzerertsgroeven. Daarvan werden er overigens maar 400 geëxploiteerd. Er waren 1.120 loodmijnen, ruim 1.900 steenkoolmijnen, 57 zilvermijnen (waarvan 50 niet in bedrijf); verder werd er goud, zwavel, kwikzilver, magnesium, mangaan, antimonium en tin gewonnen. Het merendeel werd geëxporteerd als erts en in het buitenland gesmolten en verwerkt.

Bestand:Fotos/cartoons2.jpg
Het non-interventiepakt als onderwerp van Spaanse politieke cartoons.

In ‘Het mysterie van Spanje’ van dr. J. Brouwer, die in de oorlog 1940-1945 als verzetsman werd gefusilleerd, constateert de schrijver dat Duitsland behalve in metalen, ook geïnteresseerd was in vliegvelden en militaire steunpunten en marinebases achter de Pyreneeën. Noord-Spanje zou dan ook met Duitse hulp veroverd worden. In 1937 zou een Duits vliegerkorps Guernica bombarderen, de eerste luchtaanval in de geschiedenis op een open stad.
Guernica werd op 24 april 1937, des middags kwart voor vijf gebombardeerd door drie vliegtuigen, kennelijk Junkers, direct daarop gevolgd door zes driemotorige vliegtuigen, die een tapijt van bommen uitstrooiden. De bevolking vluchtte in paniek, maar werd ook buiten de stad onder vuur genomen. Er kwamen bij deze wandaad naar schatting 1.500 bewoners om, dat is ongeveer een vijfde der Guernicanen. Bewogen door het lot van de ongelukkige stad maakte de Spaanse schilder Picasso het wereldberoemde schilderij ‘Guernica’, een expressionistische compositie vol dramatische gebroken figuren als vlammend protest tegen de wreedheden van het fascisme.
Tegen het licht van deze latere gebeurtenissen was het Franse non-interventieplan, dat op 1 augustus 1936 werd gelanceerd niet meer dan een navrante farce. Het plan vond instemming, zowel bij Hitler als bij Mussolini, respectievelijk op 6 en 8 augustus. Maar de officiële aanvaarding van het akkoord stelde Duitsland uit tot 24 augustus en Italië tot 28 augustus. De tussentijd hebben zij gebruikt voor het overvliegen van militairen uit Marokko en de levering van vliegtuigen en oorlogsmateriaal. Op 9 september 1936 kwam de Non-Interventie Commissie voor het eerst bijeen in Londen. Op dat moment, aldus dr. Brouwer, had heel Europa zich aangesloten bij een gedragslijn, die de legaal gevormde en algemeen erkende Spaanse regering beroofde –althans in Europa– van haar recht om wapens te kopen. Dit heeft –toen al– het lot van democratisch Spanje bezegeld: het Non-Interventie Akkoord werd een pact tot wurging van de Spaanse Republiek.
Dr. Brouwer geeft in zijn boek ook een verklaring voor de houding van de democratische regeringen van Europa. Dat was oud zeer. Al eeuwenlang lag Spanjes rijkdom in de dode hand van Kerk en Grootgrondbezit. Deze belegden hun geld in het buitenland. Dictators hadden concessies verkwanseld aan buitenlandse ondernemingen in plaats van het eigen land tot ontwikkeling te brengen. Zo had Engeland belangrijke concessies in de mijnbouw, de scheepsbouw, de metaalfabrieken van Biskaje en in de wapenindustrie. Veel geld hadden de Engelsen belegd in Rio Tinto, de pyrietmijnen van Huelva. Er waren meer dan veertig grote Engelse ondernemingen bij het Spaanse industriële leven betrokken, o.a. Vickers Armstrong. Ook Frankrijk en België hadden enorme belangen in Spanje en Spaans-Marokko, vooral in de mijnbouw en de spoorwegen. De spoorlijn Tanger-Fez was eigendom van de Banque de Rothschild en de Banque de Paris et des Pays Bas. Daarbij waren vijftig grote Frans-Belgische beleggingsmaatschappijen betrokken. Het economische leven van Spanje was in 1936 volledig uitgehold ten behoeve van niet-Spaanse beleggers. Spanje was een wingewest voor het Europese kapitaal. Het Non-Interventie Akkoord berustte niet op de appeasement-politiek van Chamberlain, maar op een poging om de belangen van het Europese kapitaal te sparen. Men begreep dat een overwinning van de Spaanse volksfrontregering zou leiden tot hogere looneisen en dus minder winst, en tot minder mogelijkheden om in Spanje concessies te verkrijgen.

Bestand:Fotos/cartoons3.jpg
Het non-interventiepakt als onderwerp van Spaanse politieke cartoons.

Brouwer formuleert het zo: ‘De democratische landen namen een afwachtende houding aan. Engeland volgde een contra-revolutionaire politiek en verkoos een neutraliteit, welke kennelijk een overwinning van de opstandelingen verwachtte en wenste. Frankrijk was genoodzaakt zich in zijn buitenlandse politiek naar Engeland te richten…’ ‘In deze buitenlandse politiek trachtte Rusland binnen de democratische grenzen te blijven… Toen de Spaanse strijd zich tot een oorlog uitbreidde, heeft Rusland er naar gestreefd, Engeland en Frankrijk te winnen tegen Duitsland en Italië. Daartoe eiste Rusland als politieke concessie voor zijn hulp aan de Spaanse regering de stopzetting van de sociaal-revolutionaire actie en de terugkeer tot een democratisch-kapitalistisch bewind… De Spaanse communistische partij volgde de Russische richtlijnen en ten gevolge van de geconditioneerde Russische hulp werd zij regeringspartij.’
Door het uitblijven van Westeuropese hulp tegen de overmacht der opstandelingen nam het lot van de regeringstroepen een duidelijk ongunstige wending: de val van San Sebastian bijvoorbeeld was een gevolg van tekort aan munitie. En dat terwijl door het non-interventie akkoord in Bordeaux tien vrachtauto’s met reeds betaalde wapens werden opgehouden…
Twee maal tekende de Spaanse regering protest aan tegen de schendingen van de Non-Interventie: een eerste lijst van inbreuken op deze overeenkomst is gedateerd 15 september, de tweede 5 oktober. Uit deze laatste kan ik wat citeren. Zij omvat een tiental Italiaanse, Duitse en Portugese leveranties aan de Spaanse rebellen. Ook een Nederlandse inbreuk op de niet-inmengingsregeling wordt daarbij genoemd: op 15 augustus 1936 verkocht een vertegenwoordiger van de KLA (de KLM?) in Den Haag twee Fokker-vliegtuigen aan de rebellen, lettertekens AF SPH en AGR. De piloot weigerde om ze naar Burgos te vliegen. Ze zouden daarom naar Londen zijn gevlogen en vandaar naar het noorden van Spanje.

Toledo in militaire handen

Generaal Franco stond niet op de hoogste lijst om leider van Spanje te worden, maar het toeval heeft hem geholpen. Twee andere kandidaten kwamen om het leven bij een moordaanslag en een vliegtuigongeluk en Franco kon niet meer over het hoofd worden gezien. Hij was intelligent en moedig en had zich sinds tien jaar naast militaire zaken ook met politieke wetenschappen beziggehouden. Twee maanden na het uitbreken van de mede door hem ontketende burgeroorlog werd hij door rechts Spanje, inclusief de opstandige militairen, gezien als enige leider. De dag na de val van Toledo heeft men Franco benoemd tot regeringsleider van de Spaanse staat en op 1 oktober 1936 vestigde Franco zich in Burgos met een voorlopige regering, die hij de junta technica noemde. Hij zou het land als dictator tot het eind van zijn leven in zijn greep houden.

Eind september werd na een belegering van negen weken het Alcázar van Toledo ontzet. Deze oude Moorse burcht heeft altijd zijn militaire functie bewaard. Het Alcázar is talloze malen belegerd, door brand verwoest en weer opgebouwd. Bij het uitbreken van de burgeroorlog trokken de opstandige militairen, die moesten uitwijken voor de felle tegenaanval van de miliciano’s, zich terug in de burcht. Er waren 1.700 militairen en burgers, onder wie 700 vrouwen en kinderen, met als hoofdaanvoerder een harde militair met de naam Moscardó.
De linkse kranten van Madrid en Catalonië schreven zeer kritisch over het feit dat Moscardó niet bereid was de vrouwen en kinderen te laten gaan. Rojo, een regeringsgetrouwe kapitein, probeerde vergeefs hem daartoe te bewegen, de republikeinse priester Camarasa probeerde het ook en tenslotte deed de ambassadeur van Chili, als vertegenwoordiger van het corps diplomatique een beroep op Moscardó om de ‘gijzelaars’ vrij te laten. Evenmin met succes.
De aanwezigheid van vrouwen en kinderen had uiteraard een remmende invloed op de actie van de regeringsgezinde troepen, zodat de belegering meer dan twee maanden duurde. Tot, halverwege september, de miliciano’s mijnen onder het gebouw legden. Bij de ontploffing veranderde de burcht in een puinhoop, waar nog enkele dikke muren bovenuit staken. Moscardó verloor de helft van zijn soldaten, maar gaf zich niet gewonnen.
Het Alcázar staat boven op een rots, waarin gangen en kelderruimten zijn uitgehouwen. Aan de voet van de rots, die aan drie zijden wordt omspoeld

Bestand:Fotos/toledo1.jpg
Zeventienhonderd opstandige militairen en burgers hadden zich bij het uitbreken van de burgeroorlog verschanst in het Alcázar van Toledo. Kolonel Moscardo weigerde vrouwen en kinderen vrij te laten en het fort werd maandenlang belegerd tot eind september de grote aanval door het volksleger werd ingezet.
Bestand:Fotos/toledo2.jpg
Zeventienhonderd opstandige militairen en burgers hadden zich bij het uitbreken van de burgeroorlog verschanst in het Alcázar van Toledo. Kolonel Moscardo weigerde vrouwen en kinderen vrij te laten en het fort werd maandenlang belegerd tot eind september de grote aanval door het volksleger werd ingezet.
Bestand:Fotos/toledo3.jpg
Zeventienhonderd opstandige militairen en burgers hadden zich bij het uitbreken van de burgeroorlog verschanst in het Alcázar van Toledo. Kolonel Moscardo weigerde vrouwen en kinderen vrij te laten en het fort werd maandenlang belegerd tot eind september de grote aanval door het volksleger werd ingezet.

door het water van de Taag, was een uitgang en de belegeraars hadden de opstandelingen toegestaan die te gebruiken voor het halen van water en voor andere humanitaire verrichtingen. In de kelderruimten leefden sinds de mijnontploffing die honderden mensen onder een dak van puin. Toledo wordt wel een levend museum genoemd, de stad van El Greco, de keizerlijke stad, eens het cultureel centrum van Westgoten, Moren, Joden en bekeerde Arabieren. Een stad van nauwe kronkelende straatjes, blinde muren en toen ik er de dag voor de slag om het Alcázar aankwam, een stad vol puin en kille dreiging. Ik vond voor twee nachten onderdak in hotel ‘Lino’, een simpele kamer met een redelijk bed, een lampetkan en een zware deur die met een enorme roestige sleutel werd afgesloten.
De volgende dag vroeg ik de waard: ‘Wat is er vandaag voor nieuws?’ Gapend antwoordde hij: ‘Ach, weer zo’n dag’ Maar hij vergiste zich.
Misschien was –afgezien van de grote ontploffing– het bestaan zeventig dagen gelijk gebleven, met overdag geweervuur van de barricaden naar het Alcázar en ‘s nachts van de barricaden naar het Gobierno civil. Naar die plek daalden bij het vallen van de duisternis de belegerden af om de miliciano’s te bestoken. Maar vandaag zat er wat anders in de lucht. Asturiaanse dinamitero’s, de springstofdeskundigen uit de mijnstreek, zouden volgens de geruchten worden ingezet voor een grootscheepse aanval op de burcht. Huisraad en meubels lagen versplinterd op straat. In al die straatjes hadden miliciano’s barricaden opgeworpen van zakken zand. Af en toe sloeg er een kogel in en liep het droge zand er uit. Bovenop de platte daken had men mitrailleurs opgesteld. Verschanst achter een borstwering fotografeerde ik een beschieting met granaten en de scherven vlogen zwirrelend over mijn hoofd.
De avond tevoren had ik al iets over de grote aanval opgevangen tijdens een krijgsraadzitting in het theater De Rojas, waar een jonge deserteur werd berecht, voor wie de strijd te machtig was geworden. Miliciano’s vormden de jury en officieren waren rechters. De soldaten hadden in de donkere zaal plaatsgenomen en de anderen op het verlichte toneel. Dat licht kwam door een scheur in het plafond en gleed Rembrandtiek over de baardige koppen, de rode halsdoeken en de gebroken coulissen. Langs het griezelig neerhangende touw en een ladder.
De grote aanval op het Alcázar begon klokslag elf uur met een hevig bombardement, dat stofwolken opjoeg uit het puin van het binnenplein. Ik zat op een verlaten azotea nabij het plein van Zocodover en overal om mij heen lagen papieren met wie weet wat voor dierbare herinneringen van de gevluchte bewoners. Naast mij hadden zich drie miliciano’s verschanst en ik fotografeerde door een vierde opening in de muur. Bij elke ontploffing voer de wind ons door de haren. Telkens rees uit de puinhoop een nieuwe stofwolk op, twee uur lang. Rond één uur cirkelden een paar vliegtuigen boven het Alcázar. ’Regeringsvliegtuigen,’ zeiden de miliciano’s geruststel

Bestand:Fotos/handbommen1.jpg
Dinamitero’s uit de mijnstreek Asturia renden met een dynamietgordel om het middel langs de stukgeschoten trappen omhoog en gooiden hun handbommen in het fort. Rond één uur cirkelden een paar vliegtuigen boven het Alcázar…
Bestand:Fotos/handbommen2.jpg
Dinamitero’s uit de mijnstreek Asturia renden met een dynamietgordel om het middel langs de stukgeschoten trappen omhoog en gooiden hun handbommen in het fort. Rond één uur cirkelden een paar vliegtuigen boven het Alcázar…
Bestand:Fotos/handbommen3.jpg
Dinamitero’s uit de mijnstreek Asturia renden met een dynamietgordel om het middel langs de stukgeschoten trappen omhoog en gooiden hun handbommen in het fort. Rond één uur cirkelden een paar vliegtuigen boven het Alcázar…

lend. Even later werd de ruïne bestormd.
Vierhonderd mannen drongen binnen in de stukgeschoten gebouwen, over brokken metselwerk, rokende balken en verwrongen ijzerwerk. Zij zochten zich een weg door het straatje met de stukgeschoten herberg, waar ooit Cervantes zijn novelle ‘De doorluchtige vatenspoelster’ schreef. Door de Posada de la Sangre, door het puin van een bakkerij en dan stond je in de tuinen van het Alcázar. Maar de ontvangst was er alles behalve koel en korte tijd later kwamen honderden miliciano’s weer naar buiten, opgejaagd, in paniek, enkelen gewond, anderen vloekend van machteloze woede. Een van de soldaten had het op zijn zenuwen gekregen. Hij zwaaide wild met zijn wapens, schokte met zijn armen en benen en brulde onsamenhangende woorden. Drie kameraden brachten hem weg. Anderen kwamen brakend naar buiten of stikten bijna van ademnood. Op het plein van Zocodover brandde de hel los. Twee regeringspantserwagens beschoten het front met hun machinegeweren. Op de hoeken van de Cuesta de Carlos schoten de miliciano’s in zo’n hoog tempo, dat hun zweetdruppels met een sissend geluid op de geweerlopen vielen. De belegerden wierpen slingerbommen, handbommen aan een stuk touw, tot op het pleintje van Zocodover. Vlak achter ons explodeerde met een donderend geluid zo’n projectiel uit het Alcázar. De onzekerheid duurde een kwartier, toen riep een der officieren: ‘Genoeg gekletst, laten we teruggaan!’ En men keerde terug naar het Alcázar, ditmaal met andere wapens: schop en houweel en lege zandzakken en een groep dinamitero’s als steun in de rug. Weer dook men de ruïne in. Ik volgde op wat mij een veilige afstand leek. In de tuinen van de burcht werden de zandzakken gevuld, vlak bij de stukgeschoten ingang. Hier werd een barricade opgeworpen. Tussen de struiken glinsterden niet ontplofte granaten.
De mannen van de explosievengroep renden met onbegrijpelijke moed de trappen op en slingerden hun handbommen naar binnen. Een hels lawaai van ontploffingen volgde. Beneden stonden officieren bijeen en overlegden hoe zij een leiding moesten aanleggen voor een schijnwerper, die bij nacht de uitvalspoort van de belegerde militairen zou moeten belichten. Een verpleegster verbond een gewonde man en toen zag ik, als verschrikkelijk mene tekel, een brancard voorbijkomen, gedragen door twee mannen. De dode op de brancard was dagen onbereikbaar geweest, en nu teruggevonden onder het puin, het gezicht donkerblauw verkleurd. Het was een Franse journalist, een kogel door de keel, een verdwaalde kogel. Naast me dook een andere collega op: ‘Ach, ik herken hem. Altijd vooraan… Hij waagde te veel. Kom, ga mee – ik heb er schoon genoeg van.’ En toen ik aarzelde, voegde hij er grimmig aan toe: ‘Heb je zonet die drie vliegtuigen gezien? Die waren niet van de regering. Het waren Italiaanse bommenwerpers. Ik wil hier weg. Als je niets van waarde hebt op je hotel-kamer, kun je beter meteen met me terug rijden naar Madrid!’

Madrid weigert steun aan Barcelona

Begin oktober 1936 protesteerde de Sovjet-Unie bij de Non-Interventiecommissie in Londen tegen de hulp, die Duitsland en Italië, alsmede Portugal, aan de opstandige militairen verleenden. De Russen dreigden zich aan het non-interventieakkoord te zullen onttrekken, wanneer deze hulp niet zou worden stopgezet. De Spaanse president Azaña legde van zijn kant de volgende verklaring af. ‘Het gaat hier om heel wat meer dan een inwendige twist, die alleen de Spanjaarden aangaat. Behalve de vrijheid en de onafhankelijkheid van het Spaanse volk, wordt er in deze zogenaamde burgeroorlog gevochten om het evenwicht der machten in de Middellandse Zee, om de beheersing van de Straat van Gibraltar, om het gebruik van onze vlootbases in de Atlantische Oceaan en om de toegang tot de grondstoffen, waaraan de Spaanse bodem zo rijk is: om koper, kali, kwik en lood. Dat is de buit, die de mogendheden elkander betwisten gedurende dit eerste bedrijf van een nieuwe grote oorlog, die niet officieel verklaard wordt, maar die in Spanje met een wrede proefneming wordt ondernomen.’

Na Toledo leek nu ook de val van Oviedo nabij. Die was op bovengenoemde datum in feite al bezegeld. De nationalisten stonden aan drie kanten op nog geen zestig kilometer van Madrid. En juist nu de stad zo hevig bedreigd werd, rakelde de Catalaanse regering de oude tegenstelling op, die ondanks de stortvloed van gebeurtenissen was blijven smeulen als een veenbrand onder een dunne laag ongerepte heide. Onder de druk der omstandigheden probeerde Barcelona het oude programma van regionale en lokale vrijheden te realiseren om daarmee voorgoed een einde te maken aan de centralistische geest, die de regeringen in Madrid –en niet alleen de rechtse– tot dusver eigen was geweest. Dat was voor een deel ook een kwestie van lijfsbehoud voor Barcelona. De sociale wetten, die na de 19e juli in snel tempo waren afgekondigd, probeerde men koste wat kost door te voeren. Elementair bestanddeel van de hervormingen was de wet die voorschreef dat het voorhanden kapitaal –afgezien van de directe oorlogsbehoeften– moest worden gebruikt voor het doorbetalen der lonen, ook wanneer daar geen werkelijke prestatie tegenover stond. Daarmee hing de verordening samen dat ondernemingen die vroeger om politieke redenen arbeiders hadden ontslagen, deze weer in dienst moesten nemen tegen het loon dat ze voorheen hadden betaald. Al met al had dat soort wetten echter gemaakt, dat de rekening niet meer klopte. Zo probeerde men een oude scheur te dichten door een nieuwe open te trekken. Men moest zelfs officieel toegeven dat het onmogelijk zou zijn om voort te gaan met het uitbetalen van het loon aan familieleden van frontstrijders.

Bestand:Fotos/groteoorlog1.jpg
De politieke cartoons lieten geen twijfel meer over ‘het eerste bedrijf van een nieuwe grote oorlog.’

Deze en andere aan de collectivisatie verbonden financiële moeilijkheden meende Barcelona te kunnen overwinnen met een toeslag van 800 miljoen peseta’s van de centrale regering. Daarbij kwam dan nog een krediet van 30 miljoen voor het aanschaffen van oorlogsmateriaal en tenslotte nog een bedrag van 150 miljoen voor de aankoop van de nodige grondstoffen.
Als onderpand bood men de 1.000 miljoen peseta’s aan, die de spaarbanken bij de Bank van Spanje hadden belegd in effecten. Maar een commissie, die ter bespreking van dit verzoek de hoofdstad bezocht, keerde onverrichter zake terug. Madrid weigerde Barcelona steun te geven, kennelijk omdat men te weinig zag in de collectivisatie-procedure, die men in Barcelona volgde. Als men was overgegaan tot socialisaties, dan was er misschien met Madrid te praten geweest, omdat men die in de hoofdstad ook kende. Maar arbeiders, die heer en meester zouden worden in eigen bedrijf, nee, dat beviel de regering in Madrid niet, zoveel te meer niet, omdat men met die collectivisaties tegelijk de gezagsdecentralisatie, ofwel de autonomie van Barcelona zou moeten slikken en waar bleef dan het overwicht van Madrid? Dezelfde stugge onwilligheid toonde de regering-Azaña ten aanzien van Barcelona’s tweede vraag: had het geen zin om, gezien de bedreiging van Madrid, de goudreserve van de Spaanse regering naar Barcelona over te brengen? Mocht men er niet voor voelen de complete goudvoorraad te evacueren, dan zou wellicht toch een aandeel van 400 miljoen goudpeseta’s die Barcelona meende nodig te hebben bespreekbaar zijn?

Bestand:Fotos/groteoorlog2.jpg
De politieke cartoons lieten geen twijfel meer over ‘het eerste bedrijf van een nieuwe grote oorlog.’

Zo waren de verhoudingen, toen eind september 1936 in Madrid een nationale vergadering werd gehouden van de ‘Confederación Nacional de Trabajo’, de CNT. De anarcho-syndicalistische vakvereniging drong aan op de onmiddellijke ontbinding van de Madrileense Volksfront-regering en op de vorming van een soort nationale regering met de naam ‘Consejo Nacional de Defensa’. Die zou dan de samenstelling moeten krijgen van een soort corporatief verbond met vijf vertegenwoordigers van de socialisten, vijf van de anarchisten en vijf van de republikeinen, als vertegenwoordigers van de middenstand en de winkeliers. De taak van de Consejo zou in de eerste plaats zijn: het voeren van de strijd op leven en dood tegen het fascisme. Hij zou de militaire dienstplicht moeten invoeren en moeten besluiten tot de vorming van een centraal militair commando. Daarnaast zou de Consejo de rest van het CNT-programma moeten doorvoeren: plaatselijke en gewestelijke autonomie, socialisatie van de banken, de afschaffing van speculatie, winst en woeker, onteigening van fascistische ondernemingen en verkaveling van grote landgoederen. Het Catalaanse plan werd door vrijwel ale partijen toegejuicht, alleen de kleinere partijen waren tegen, omdat ze vreesden geen stem in het kapittel te zullen krijgen. Maar de Madrileense regering liet de termijn van tien dagen voor de beantwoording van het voorstel verlopen, zonder zich voor Barcelona te buigen.
Achteraf gezien moeten het Russische protest tegen de duidelijke interventie der as-mogendheden en het dreigement zich uit het non-interventie-akkoord terug te trekken, voor Madrid de doorslaggevende reden zijn geweest het centralistische standpunt te verharden. De centrale regering zat tussen twee vuren: aan de ene kant het steeds nader komende fascistische gevaar en aan de andere kant de vrees haar enige kans op buitenlandse steun bij een versterking van de Catalaanse invloed te zullen verliezen. Zoals bekend heeft tenslotte de centralistische gedachte het bij de Madrileense regering gewonnen. Er kwam een krachtige legerleiding onder generaal Miaja, die het klaarspeelde de opmars der fascistische troepen nog lange tijd tegen te houden. Aan eigen kant nam daarbij de invloed der Spaanse communisten toe. Hun aantal groeide en daarmee hun betekenis. Invloedrijke anarchistische figuren werden gewelddadig uitgeschakeld en geleidelijk verloor Catalonië zijn revolutionaire elan, totdat het zich eind februari 1939, moe en uitgeput, praktisch zonder verzet gewonnen moest geven.

Franco-troepen omsingelen Madrid

De ernst van de situatie drong pas in Madrid tot me door, toen het ontstellende bericht kwam dat Franco-troepen het Alcázar van Toledo hadden ontzet. Ik vroeg me af wat er gebeurd was met die jonge miliciano die ik er had ontmoet, zoon van een grootgrondbezitter, die de kant van de wettige regering had gekozen. Uit protest tegen de onderdrukking van de plattelandsbevolking.
Maar de verovering van Toledo had nog meer gevolgen dan de dood van ontelbare miliciano’s en dinamitero’s. Het was het begin van de omsingeling van de Spaanse hoofdstad Madrid.
Ik zat in een van de Madrileense eethuisjes, omringd door een zwijgzaam en bedrukt publiek. Ik bestudeerde de kaart en bestelde toen gewoon een portie gebakken aardappelen en groente. Maar de kelner stoof op: ‘Aardappelen, aardappelen. We hebben hier oorlog en u vraagt om aardappelen.’ Hij sloeg zijn servet onder de arm en holde naar het volgende tafeltje. Wat later kwam hij terug en verklaarde de plotselinge schaarste.
De toestand in Madrid was er, na de verovering van Toledo en omgeving, niet gemakkelijker op geworden; Madrid had meteen na het begin van de burgeroorlog al te kampen gehad met moeilijkheden. De handel was ontwricht, en de tussenpersonen waren verdwenen. De 900.000 inwoners van de Spaanse hoofdstad hadden dagelijks veel nodig en de voorraden waren klein. Het gemeentebestuur had onmiddellijk distributielokalen ingericht in verlaten winkeltjes. Winkeliers betrokken de levensmiddelen van snel uit de grond gestampte coöperaties. Aanvankelijk was brood nog in overvloed voorhanden en ook wijn, zodat het traditionele maaltje van de Madrilenen, brood en wijn, voorlopig verzekerd was. De tuinders van Valencia zorgden regelmatig voor meloenen en groente.
De burgers dronken thuis geen suiker in de koffie, maar de cafés presenteerden de café solo nog mèt een cellofaan zakje, gevuld met basterdsuiker. Vlees, brood, Spaanse erwten en rijst waren niet in prijs gestegen. Groente was echter schaars en duur, voor vis uit het Middellandse-zeegebied moest men drie keer zoveel betalen als voorheen. Het was steeds weer Valencia, dat bij de levensmiddelen-voorziening van Madrid op de voorgrond trad en de beide spoorlijnen naar Valencia en de straatweg naar die stad, waren dan ook van levensbelang.
Maar de omsingeling van Madrid betekende dat de verbindingswegen onder het bereik van de vijandelijke bommenwerpers kwamen, die ernstige schade aanrichtten. ’Twee maanden na het uitbreken van de opstand had Valencia echter 7.000 vrachtauto’s in bedrijf om voedsel naar de verschillende fronten te sturen. De boeren en tuinders hadden op eigen initiatief de voorziening van Madrid geregeld. Ieder dorp in de provincie Valencia zette zich in voor een bepaald gebied. Iedere boer zond vrijwillig zijn aardappelen, rijst, meloenen en groenten naar de stad. Maar Valencia moest ook voor Barcelona zorgen en toen de tuinbouw rond Toledo uitviel, werkte dat uiteraard door op de aanvoer in beide steden. Aardappelen, eieren, fruit en groente werden schaars en dat terwijl het bevolkingsaantal groeide door de komst van duizenden miliciano’s en duizenden vluchtelingen uit de steden en dorpen in de omgeving.

Ik was opnieuw naar Madrid gegaan omdat ik verwachtte, dat daar belangrijke besluiten zouden worden genomen. Besluiten die beslissend zouden kunnen zijn voor het lot van het Spaanse volk. Door de straten trokken jonge mannen, die de dag daarop naar het front in de bergen of in de provincie Toledo zouden vertrekken. Jonge meisjes, kinderen en moeders, stonden aan de kant. Soldaten en toeschouwers zongen een nieuw oorlogslied, af en toe afgewisseld door de internationale. Eén van de colonnes had een wonderlijke figuur als aanvoerder: een schriel mannetje van een jaar of zestig, gewapend met een wandelstok van een heel merkwaardig model – van onderen eindigend in een massieve klomp hout. Een soort ‘goedendag’, zoals onze voorouders in de elfde en twaalfde eeuw op hun wandelingen plachten mee te nemen. Het mannetje zwaaide en manoeuvreerde op martiale manier met zijn knots. Later, toen ik mijn kopij ging posten, zag ik hem opnieuw. Ik klampte hem aan: Ja, ik herken u – Ik zag u vanmorgen al met een groep miliciano’s. U had zo’’n merkwaardig wapen…
Hij toonde het trots. ’t Was een zwaar stuk slaghout, zij het ongeschikt voor de strijd aan het front. Nee, hij ging niet mee. Te oud, maar hij had

Bestand:Fotos/voedselmadrid1.jpg
De boeren en tuinders hadden op eigen initiatief de voedselvoorziening van Madrid geregeld.
Bestand:Fotos/voedselmadrid2.jpg
De boeren en tuinders hadden op eigen initiatief de voedselvoorziening van Madrid geregeld.
Bestand:Fotos/voedselmadrid3.jpg
De boeren en tuinders hadden op eigen initiatief de voedselvoorziening van Madrid geregeld.

ze opgeleid. Hij was wat je noemt een centurión – hoofdman van een groep van honderd man. En ik was een buitenlandse journalist, die belangstelling had voor de strijd der Madrilenen. Met een machtiging van het ministerie van Oorlog om alle fronten te bezoeken… wel, compañero extranjero, su servidor, en als u slaapplaats nodig mocht hebben, mi casa modesta será su castillo – mijn huis staat tot uw beschikking.
Ik antwoordde met dezelfde Spaanse zwier: overtuigd in dat huis te zullen worden ontvangen als een koning, maar had helaas reeds een nachtverblijf besproken.
Of ik dan een vino con tapa met hem wilde drinken, een glaasje wijn met een schoteltje zoute slakjes er bij?
Een zeer verleidelijk aanbod, maar helaas, deze brieven moesten naar de post en hoe eerder hoe beter.
‘Wat? Urgente brieven? Hombre! Had dat dan gezegd! Ik ben hoofdman van een centuria. Er is niet veel wat ik niet voor je kan doen. Wacht!’
En de man –behalve centurión, ook kleermaker van beroep– wenkte met de goedendag een auto met de letter CNT en een rood-met-zwarte vlag. Pas de derde wagen had tijd om ons naar het postkantoor te brengen. ‘Dit zijn brieven van het front!’ zei onze begeleider tegen de man achter het loket. ‘Stuur ze maar gauw door en zonder zegel. Ik neem de verantwoordelijkheid op me.’
De man van het postkantoor zwaaide al met zijn stempel, toen ik protesteerde. Om die paar peseta’s wilde ik niet het risico lopen dat er vertraging zou ontstaan. En zo gingen de brieven uiteindelijk tòch terdege gezegeld op weg.
‘En nu de wijn,’ zei onze centurión.
Seguro,’ antwoordde ik, ‘maar ik kan me nauwelijks vertonen. Ik heb een baard van drie dagen.’
‘Ga mee – ik weet een goeie kapper voor je.’
We stapten op de tram en toen de conducteur kwam om kaartjes te knippen, hield mijn metgezel een toespraak: ‘Dit is een buitenlandse kameraad, die de krantelezers in zijn land op de hoogte houdt van onze heldhaftige strijd. Hij is onze gast. Hij rijdt gratis in onze stad…’ Hij toonde zijn hoofdmans-insigne en de conducteur betaalde gewillig mijn centen terug. Nog erger zou het worden in de kapperszaak, maar vóór we naar binnen stapten, hield hij me even staande. ‘Goede vriend, zei hij, ’ik ga je nu verlaten. Ik heb mijn vrouw beloofd op tijd thuis te zijn. Maar ik zal graag in mijn eentje op je gezondheid drinken…’
‘Zo gaat het mij ook,’ zei ik, ‘maar laat mij dat glaasje betalen. En ik stopte hem een duro in handen.
’Goeie regeling,’ knikte hij voldaan. En toen stapten we de kapperszaak binnen. Het werd een voortreffelijke toespraak: ‘Kameraden, dit is een buitenlandse journalist, die zijn leven waagt om eerlijk en naar waarheid over onze strijd te berichten. Hij moet geschoren worden. Kameraden, deze man moet grátis worden geschoren. Ik ben hoofdman van een centuria, ziehier mijn tekenen. Ik ben van mening, dat jullie het vaderland dient door deze man netjes te scheren, want het is mede het buitenland, dat moet zorgen, dat wij niet het onderspit delven. Doe met de man wat je wilt. Ik wil verder geen pressie op jullie uitoefenen. Salúd!’ ‘Toen ik even later, gratis gladgeschoren, weer naar buiten stapte, was de duisternis gevallen. Het was nog druk op straat. Overal stonden autobussen met jonge soldaten gereed om naar het front te vertrekken. De jonge meisjes en de familieleden stonden hen na te wuiven in het onzekere licht van de blauw-gemaakte lantaarns. De parken, die anders ’s avonds baadden in een overvloed van licht, leken nu geheimzinnige grotten, waarin men onder het discrete schijnsel van blauw verduisterde lampen hier en daar de schimmen zag van de paartjes tijdens een laatste romantische wandeling vóór het vertrek. Niet alle gaslantaarns waren uit Madrid verdwenen. Er waren straten, waar de gasdruk was gehalveerd en waar de lantaarns, vermoedelijk daardoor, een vreemde lugubere fluittoon lieten horen als voorteken van naderend onheil.
Toen ik mijn hotel teruggevonden had, zat daar een commissie op me te wachten, om te controleren of zich geen fascistische elementen in de hotel-kamers nestelden. Al mijn papieren werden zorgvuldig nagegaan. Toen alles in orde bleek, zocht ik mijn kamer op.
Ik genoot weldra van een goede nachtrust in een proper bed, maar tegen de morgen rinkelde de telefoon op een ongebruikelijk uur en werd er op mijn deur gebonsd: ’Word wakker – er is een bomaanval van de fascisten!’ En inderdaad: ik hoorde de sirene van de Dirección General gillen als teken, dat er vijandige vliegtuigen onderweg waren. Vanuit Pinto of Navalcarnero hadden uitkijkposten meegedeeld, dat twee of drie Italiaanse vlieguigen waren gesignaleerd. Overal deed zich hetzelfde beeld voor: huilende kinderen, jammerende oudjes, het gestamp van jachtige voeten op de trappen… een angst die toen nog nieuw was voor Europa. Het voorspel van hetgeen wij in Westeuropa zouden meemaken, enkele jaren later. In een donkere kelder, in een duister trapgat herkende men bij het licht van een zaklantaarn zijn huisgenoten, men klaagde er zijn nood, vloekte over de schande van een bombardement op de open stad Madrid en schamperde op het geringe resultaat, dat er tot dat moment mee was bereikt. Ongeveer half zes gilden de sirenes andermaal ten teken dat het gevaar voorbij was. Men was blij dat de ‘komkommer-koopman’ –zo noemde men hier de bombardementsvliegtuigen– weer was verdwenen en benutte het vroege uur om een plaats vooraan in de rij te bemachtigen bij de kolenhandelaar of de melkboer.

Honger in de steden – Bewoners veranderen parken in volkstuinen

Het akkoord tussen Madrid en Barcelona bleef langer uit dan ik verwacht had. Maar ook in letterlijke zin raakte ik uitgeteld: ik verstuikte mijn voet toen ik uit de tram sprong. Wat nu? Proberen vol te houden door van hot naar her door een voor mij onbekende, vreemde stad als Madrid te hinken? Ik zag het niet zitten. Ik verlangde naar de beschermende handpalm van mijn gezin. Drie dagen van kosten, inspanning en pijn in een blauw-verduisterde stad, vol nachtelijk luchtalarm: het werd me teveel. Ik gaf het op. En toen ik thuiskwam in Barcelona, strompelend en met een van pijn vertrokken gezicht, vroeg mijn zoon bezorgd: ‘Maar pappie, ben je nu toch naar het front geweest?’ En mijn eega zei voldaan: ‘Blijf nu maar eens bij ons. Een weekje rust zal je goed doen.’
Er was genoeg te doen. De kranten van de verloren dagen doorlezen, het personenregister, de documentatie bijwerken, mensen te woord staan die aan de deur kwamen, wat huishoudelijke reparaties. Die mensen aan de deur, dat bleken steeds weer lui die nog geld kregen van onze kennis, de vorige bewoner van onze villa. Elke keer stelden ze ons voor een puzzel: solidair zijn met de schuldeisers, of solidair zijn met de man, die ons zijn woning en zijn huisraad zo royaal ter beschikking had gesteld?
Op één van deze gedwongen rustdagen kwam er een man aan de deur met de mededeling: ‘Ik kom het geld halen…’
‘Het geld… welk geld bedoelt u?’
‘Ik ben de sereno… als steeds uw dienaar.’
‘De sereno,’ registreerde ik blank, ‘hoe zo mijn dienaar?’
‘Ach, u is buitenlander. U weet dat zo niet. Ik ben de sereno, die ’s nachts over uw veiligheid waakt. Die altijd voor u beschikbaar is. Als uw vrouw bevallen moet, haal ik een vroedvrouw, als er brand is de brandweer, als u een been breekt de dokter, als u plotseling weg moet een taxi.’ En hij vertelde wat ik moest doen om hem te roepen: ‘Elke straat heeft zijn eigen sereno. Barcelona heeft er duizenden. Heeft u me nodig loop dan naar buiten en fluit tussen uw tanden door. Of sla met een stok tegen de lantaarnpaal voor uw deur. Ik kom meteen. Als ik bezig ben voor een van uw buren, geef ik een seintje – ik sla met mijn stok op een rioolputje of op de grond. Dat betekent: ’Effetjes wachten, ik kom d’r an.’
Ja, nu wist ik het weer. De sereno is de nachtwacht van Spanje, de meest vertrouwde figuur van het hele land. Hij heeft de sleutel van alle gebouwen in zijn wijk. Aan zijn gordel droeg deze sereno ook onze huissleutel: des avonds om elf uur controleerde hij of we wel behoorlijk hadden afgesloten. Elke stad en elk dorp heeft zijn sereno’s. Er is een tijd geweest, dat niemand in Spanje een huissleutel had om af te sluiten, althans niet op het platteland. Dat was de taak van de sereno, die gewapend met stok en lantaarn door de straten ging. Kwam je laat thuis van een feestje, dan klapte je voor je huis in je handen en de sereno verscheen. Hij opende je deur en verschafte je een brandende kaars. Tot in deze moderne tijd klonk des nachts zijn zangerige roep ‘Ave purísima, het is twee uur en de lucht is helder’ – de tijd en het weer. Kort geleden was hij nog in het nieuws. Een stedelijke verordening bepaalde, met het oog op de onveiligheid na de 19e juli, dat de sereno’s hun sleutels moesten inleveren, zodat ze niet gedwongen konden worden hand-en-spandienst te verlenen bij een overval. Sedertdien volstonden zij bij hun nachtelijke rondgang ermee, hun aanwezigheid mee te delen door enkele slagen tegen een paal of een schutting. Ik tastte in mijn zak en haalde er een duro uit: ‘Alsjeblief, aan zo’n goede beveiliging betaal ik graag mee.’
Hij draaide weifelend de munt van vijf peseta’s in zijn vingers rond en zei toen: ‘Ja, als u een Spanjaard was, zou ik dat graag incasseren. Maar u bent buitenlander en weet het dus niet. Wel, ons tarief is veel lager. U krijgt drie peseta’s terug.’ Hetgeen de vertrouwensbasis wezenlijk versterkte.
Overigens kreeg dat vertrouwen weer een schok, toen twee dagen later opnieuw iemand aan de deur stond en zijn hand ophield. Geld voor de veiligheidsdienst. En er is net iemand om onze bijdrage geweest! ‘Dat,’ zei deze bezoeker, ‘zal de sereno zijn geweest. Ik ben geen sereno, maar een vigilante. Het verschil? De sereno komt ’s nachts en ik bescherm u overdag. Ik sta volledig tot uw dienst. Als u me nodig heeft, loopt u naar buiten en met uw stok…’
‘Jaja, dat verhaal ken ik: een paar slagen en u komt, of wel in mijn handen klappen of fluiten tussen mijn tanden door…’
‘Precies, zei de vigilante. ’En als ik juist voor een van uw buren wat doe, klop ik met mijn stok een paar maal op de grond. Dat betekent: Wilt u eventjes wachten…’
Toen ik hem zijn twee peseta’s betaalde, kwam mijn vrouw, praktisch als altijd, met een vraag: ‘De kraan lekt. Kunt u dat repareren? En de afvoer van de badkamer is ook niet helemaal in orde.’
‘Ik kom vanmiddag na mijn ronde,’ zei de vigilante, ‘ik maak het weer piekfijn voor elkaar.’
Zo regelden zich anno 1936, in Barcelona, de huishoudelijke problemen op basis van wederkerig vertrouwen.

Door mijn verstuikte voet gedwongen thuis te zitten, had ik nu eindelijk eens de gelegenheid om me met mijn vrouw over ons huishoudboekje te buigen. We woonden ongeveer een maand in ‘onze’ goedkope villa. Ook de nadelen moesten we maar eens op een rijtje zetten. De vorige bewoner had zich, bij het uitbreken van de revolte plotseling verstoken gezien van alle inkomsten en was in een andere villa getrokken met achterlating van zijn schulden. Wij hadden ons dat niet gerealiseerd, maar zo doet men dat: nog net even tijd om een andere huurder te vinden, de waardevolle dingen gauw bijeengepakt, dan een laatste weemoedige blik naar de grote stukken die je niet meenemen kunt, maar waaraan toch zoveel herinneringen vastzitten. En dan klapt men de deur achter zich dicht in de hoop, dat de nieuwe huurder de spullen goed verzorgt. Maar na verloop van enkele weken bemerkt de nieuwe huurder de schaduwzijden: er is een lekkende kraan, een verstopte schoorsteen, een haperende trekspoeling, een afvoerbuis die niet doorloopt. En dan komt het: de waterleiding zal worden afgesneden als de achterstallige rekening niet wordt betaald, het gas al net zo. Drie maanden gas, drie maanden elektriciteit – honderden peseta’s, voor je er rustig kon wonen.
Zo zaten we dan te puzzelen. Zoveel voor huur, zoveel voor licht, zoveel voor gas, zoveel voor eten en zoveel voor kleren – precies als vroeger. Hoe stond het met dat eten? In plaats van de verdwenen aardappelen aten we al enige tijd topinamboers of bataten, die onder de zuidelijke hemel uitdijen tot knollen, zo groot als een kinderhoofdje, voedzaam en best lekker. Voor die topinamboers of aardperen betaalde je dezelfde prijs als vroeger voor de aardappelen.
De vraag hoe wij in de toekomst aan voldoende voedsel konden blijven komen liet me niet los, vooral niet omdat ik merkte dat er iets wonderlijks gebeurde met het openbare groen van Barcelona. Overal zag men Barcelonezen die zich meester maakten van een stukje parkgrond, er paaltjes uitzetten en begonnen te spitten, alsof het ging om de goudvelden van de Klondyke. ’t Was oorlog en de posters van de revolutionaire kunstenaars riepen ertoe op: Elke handbreed grond moest worden bebouwd, want wie

Bestand:Fotos/rijenbrood1.jpg
In de grote steden stonden rijen van drie- of vierhonderd mensen bij de bakkerijen te wachten op brood.
Bestand:Fotos/rijenbrood2.jpg
In de grote steden stonden rijen van drie- of vierhonderd mensen bij de bakkerijen te wachten op brood.
Bestand:Fotos/mindercomites.jpg
Steeds vaker verschenen muurkranten met de kreet: ‘Minder comités, meer brood.’

weet hoe hard die kool en die aardappelen nog nodig zouden zijn voor het winnen van de strijd. Het vakverbond van de bouwvakkers had eind september een seintje gegeven, dat er iets kon worden gedaan met de verwaarloosde lappen bouwterrein, waar al jaren lang niets groeide dan onkruid. Met het fanatisme dat de hele burgeroorlog tekende, stond nog geen 24 uur later een groep van honderd mannen en vrouwen gebogen over de schop of zwaaiend met de hak op een terrein tussen San Gervasio en Sans, dicht bij het exotische Turopark. Jonge mannen met open hemd en ruige borst hanteerden de hak, ouwe kromgetrokken mannen sleepten bamboeriet en palmveren voor het maken van een omheining en de vrouwen zorgden voor binddraad en proviand. En nu –midden november– kende men deze stadshoek nauwelijks terug: de wildernis van voorheen was herschapen in een groep volkstuintjes, zoals elke Westeuropese stad die heeft, met houten zomerhuisjes en geulen voor de bevloeiing van de hier en daar reeds uitgeplante jonge kool.
Op de straatweg bij Sans kwamen ondertussen nog elke dag de ‘echte tuinders’ met hun karrevrachten kool en snijbiet, met hun paarse broccoli en met de laatste pluk boontjes van de koude grond. Tien, twintig wagens verse groenten op een rij. De voerman droeg ze af aan de delegado uit de stad: zoveel sluitkool, zoveel andijvie, zoveel stukken snijbiet en zoveel broccoli. In ruil daarvoor kreeg hij een bewijsje, dat recht gaf op een stedelijke prestatie. De tuinders werkten meestal in ploegen van een man of tien. De eigenaar van hun grond was in veel gevallen verdwenen. Als het een grote piet was, zou hij wel de wijk hebben genomen. Was het een eenvoudige man, die altijd met zijn knechten had samengewerkt, dan hoorde hij er ook nu nog bij en had hij als vakman thans de leiding. Was hij hoofd van een familiebedrijf, bueno, dan kon hij zelfstandig blijven boeren met zijn eigen volk. Het sindicato zou hem van kunstmest, zaaizaad en gereedschap blijven voorzien.
Najaar 1933 had men in het district Barcelona ongeveer 5.000 hectare grond gecollectiviseerd. De mensen, die daar voordien in loondienst hadden gewerkt, waren er nog werkzaam, maar nu op hun eigen bedrijf, in totaal waren dat ongeveer 2.500 man. Haast alle grond van het district was bevloeid en vruchtbaar. De hele winter door kon er worden geoogst en in november rijpten er al weer de aardappelen voor begin januari. Dat zich in 1936 een inzinking zou voordoen als gevolg van de bewogen juli-dagen, was natuurlijk niet te vermijden. Desondanks haalde men er ook in dat jaar nog wekelijks duizenden kilo’s sluitkool, broccoli, aardperen, andijvie, snijbiet, radijs en sla af, alles voor Barcelona. Statistieken ontbreken, maar een feit is, dat de rekening in ‘36 niet meer klopte.
’Wat ons betreft,’ zei een tuinder ietwat aarzelend, ‘had de revolutie nauwelijks op een slechter moment kunnen beginnen. Oorzaak van zijn onvrede was de aan de tuinders gestelde eis, dat hun prijzen niet mochten worden verhoogd. Inmiddels hadden ze al genoegen genomen met een dagloon van acht peseta in plaats van tien voor het geval de opbrengst tekort schoot voor het volledige dagloon. Maar hoe zou men de tekorten bij moeten spijkeren? Het antwoord was heel eenvoudig: door een beroep te doen op de voormalige eigenaren. Met als argument, dat die in de zomer wat hadden kunnen overhouden om er ’s winters hun volk van te laten werken en daar zit dan wel enige redelijkheid in: waarom dan dit jaar alléén profiteren van de zomerwinst?
’Maar laat het eerst maar eens zomer worden,’ aldus mijn zegslieden, ‘dan hebben we weer tomaten en aardappelen, dan komen de uitjes, de sjalotten en de prei. Och meneer, dan is het uit met de misère. Dan worden we rijk. Misschien beuren we dan wel vijftien peseta’s per dag.’
Het vakverbond van landarbeiders bereidde zich organisatorisch al voor op die tijd van overvloed. Ik bezocht in Sans een collectieve kweektuin, waar men met tien man personeel niet anders deed dan jong plantgoed kweken. Op welonderhouden veldjes stonden hier duizenden jonge koolplanten, zetuien en jonge snijbietplantjes. Elke tuinderij die plantgoed wenste, kon daarvoor een bon halen bij de tuinders-vakvereniging. Op die manier, zo stelde men zich voor, kunnen wij vanuit dit centrale kweekbed in 1937 de hele omtrek van plantgoed voorzien. Dit kweekveld, aldus de anarchistische droom, zou met de jaren uitdijen tot een selectietuin. Zo zouden de tuinen van Sans en van Llobregat en van al die andere vruchtbare dorpen in de omgeving van Barcelona allengs uitgroeien tot een der rijkste tuinbouwcentra van heel Europa…

Geen verbetering voor de allerarmsten

Van Barcelona’s groentetuinen naar het vuilnisdorp is maar een kleine sprong. Op de weg van Barcelona naar Prat de Llobregat, waar de groentekarren af en aan reden, reden tegelijkertijd ook de wagens van de huisvuildienst. Die werden halverwege Prat de Llobregat op de stortplaats geleegd en in nauwe samenwerking tussen mens en varken gesorteerd. De mensen waren uit op lompen, beenderen, het papier en de scherven glas. Een ploeg varkens zocht de eetbare resten. Nu is dat het vertrouwde beeld van hongerlijdend Zuid-Amerika, tóen deed het zich al voor in Catalonië. Een groep onooglijke huisjes, witgekalkt, sommige amper twee meter hoog. Maar hier en daar een rokende schoorsteen. Er stonden walmende vuurpotten temidden van gore hopen rottend vuil. Dat was mijn eerste indruk van het vuilnisdorp. De verwachting werd nog hoger gespannen bij het zien van een bord op een krot bij de ingang met de woorden ‘Clínica veterinaria contra la peste de cerdo’ – Veeartsenijkundige kliniek tegen de varkenspest.

Bestand:Fotos/modelfokkerij1.jpg
De collectieve vuilnisdienst van Barcelona, waar vrouwen, mannen, kinderen en varkens zij aan zij werkten, had moeten uitgroeien tot een dorp met keurige huizen voor de werknemers en een modelfokkerij van varkens.

Een hoge groengeschilderde vuilniskar zwenkte krakend één der vier straatjes in waaruit het dorp bestond, gevolgd door een stel honden, een paar straatjongens en een zigeunerin. Op de wagen een roodzwarte plaquette met de letters ‘FAI-CNT’, de paraaf van de Catalaanse revolutie. Wat was hier sedert de 19e juli veranderd? Ik sloot mij, varkenspest ten spijt, aan bij de stoet achter de anarchistische vuilnis. Ik baggerde door de modderpoelen tussen morsig witgepleisterde muurtjes, de van kistenhout samengeflanste schuttingen, de schuurwanden van roestige flarden blik.
Een hek zwaaide open en we stonden met zijn allen midden in het vuil. Een stem schreeuwde: ‘Achteruit!’ De vuilniswagen kiepte. En meteen stroomden van alle kanten de varkens toe, mager en vuil. En de kinderen, vies, maar toch gezond en goed gevoed. En de mannen en vrouwen, de eersten ruig en ongeschoren, de vrouwen bleek en onverzorgd. Drie, vier manden werden uitgezet, rechts en links, de een voor oude lappen, de ander voor papier, de derde voor het kapotte schoeisel en alle andere leerwaren, de vierde voor botten en scherven glas. Zo grabbelden en wroetten hier mensen en dieren rug aan rug in het vuil, dat Barcelona had weggegooid. Zo nu en dan klonk een vloek of een ongeduldige uitroep en dan sloeg een al te inhalig varken knorrend op de vlucht. Af en toe strekte zich een gebogen rug en bracht een kind iets naar binnen: een toevallig in de asbak verzeild geraakt lepeltje, een kommetje met een barst, dat nog best te gebruiken was, een lapje, dat net paste bij de kleur van Pepo’s broekje. En om dat heterogeen geheel van manden, varkens, honden, huisvuil en ijverig speurende mensen zoemde een zwerm vliegen, treiterig en besmet. Een andere plek, een zelfde beeld: hopen vuil, varkens en zwoegende mensen. Langs de kant wagens vol roestige sardineblikjes, vol gapende waardeloze schoenen, vol lompen netjes gesorteerd, gereed om te worden verkocht. De kinderen trokken aan mijn jasje om te worden gekiekt, de vliegen staken en de varkens schuurden de schurftige kop langs een wand van lege margarinekistjes. De zigeunerin had een pop gevonden, een weggeworpen pop-zonder-kop, en zocht nu tussen de rommel naar het verloren kopje, omdat haar kind geen hoofdloos popje kan zien zonder te huilen.
‘Wat wilt u van ons weten, meneer?’
Over de schouder van een man keken wij naar binnen in een der lage huisjes. Voor de deur hing een lap en tussen de slaapkamer en het woonvertrek een stuk zakkengoed. We zagen een ruwhouten tafel, wat etensresten, een paar stoelen en verder een legertje vliegen. Wat voor veranderingen heeft de revolutie hier gebracht?
‘Vroeger,’ vertelde de man, ‘was dit vuilnisdorp en nog een asdorp verderop, het eigendom van één meneer. Francisco Carbonel was zijn naam. Hij is naar het buitenland uitgeweken, gevlucht: naar België of Luxemburg. Alle huisjes hier hoorden hem toe en ook de karren en de varkens. Hij betaalde zijn huurders elke maand een bepaald bedrag terug voor de verzorging van zijn vee.’ Nou ja, verzorging… die aten zich wel zat aan het stedelijk vuil. De dieren vegeteerden en vermenigvuldigden zich naar eigen inzicht. Ze werden wel behoorlijk op tijd gekeeld. Sacrificio, heet dat in eufemistisch Catalonië, een woord dat herinnert aan offerandes in een ver verleden. De mensen leefden van de opbrengst van het gesorteerde vuil. Het papier ging naar de fabriek, die er karton van maakte, metaal en glas werden opnieuw gesmolten, de botten verwerkt tot beendermeel. Nu had de vakbond alles in handen, de huizen en de varkens. Alle in- en verkoop ging via die organisaties.
Of dat een verbetering was? ‘Wat zal ik u zeggen meneer, de toestand is zo beroerd. Onze produkten gingen vroeger naar die streken, waar thans de fascisten de baas zijn. We krijgen niet veel meer voor ons goed. En daarbij: het sindicato schuift ons herhaaldelijk werklozen toe en die werken dan eens in deze en dan weer in een andere ploeg. Ziet u, zodoende wordt voor ons de soep wat dun.’ Plannen voor de toekomst? ‘Geweldige plannen, maar ojalá, god geve dat er wat van komt. Spanje is zo verscheurd. Het wordt door deze oorlog zo arm, niet alleen aan geld, maar ook aan mensen. ’t Kon het rijkste land van Europa zijn. Maar wie moet straks al het werk verrichten?’

Bestand:Fotos/modelfokkerij2.jpg
De collectieve vuilnisdienst van Barcelona, waar vrouwen, mannen, kinderen en varkens zij aan zij werkten, had moeten uitgroeien tot een dorp met keurige huizen voor de werknemers en een modelfokkerij van varkens.

Het was al met al onvoorstelbaar: de miljoenenstad Barcelona had in 1936 voor de verwerking van het huisvuil nog een systeem van particuliere contractanten, die de huisvuildienst in concessie hadden. Die hadden de plicht elke dag het vuil weg te halen bij de 229.000 woningen van de stad. Als tegenprestatie droeg de gemeente veertien peseta’s bij per dag en per kar, dat wil zeggen voor de 200 gebruikte karren circa 16.000 peseta’s per week.
Tijdens de burgeroorlog had deze huisvuildienst ongeveer 800 man personeel. De verkoop van humus, lompen, beenderen, varkens en metaalafval leverde, volgens inlichtingen van de vakvereniging, wekelijks 64.000 peseta’s op, hetgeen neerkwam op een weekloon van 80 peseta’s voor zowel ophaler als sorteerder. De vakvereniging was thans eigenares van de vijfduizend varkens en liet haar 800 leden gelijkelijk delen in de opbrengst van het gesorteerde vuil. Maar ééns zou men samenwerking zoeken met de landbouworganisaties in de omtrek en van Barcelona’’s huisvuildienst een selectiebedrijf voor varkensfokkers maken, dat de jonge biggen levert, behoorlijk tegen de varkenspest ingeënt. Het hele asdorp, zo verzekerde men ons, gaat na de oorlog tegen de grond om plaats te maken voor een nette woonwijk, met schappelijke huisjes en bloementuintjes, behoorlijk van de sorteerplaats gescheiden.
Ik stond weer op straat. Voor me uit liep de zigeunervrouw van de stortplaats. Een wijde flodderrok om haar blote benen en in een doek, achteloos om de schouder geslagen, een bruine baby, die, toen zijn moeder zocht naar de poppekop, op de grond had liggen wachten, temidden van vuil, varkens en vliegen…

Bestand:Fotos/modelfokkerij3.jpg
De collectieve vuilnisdienst van Barcelona, waar vrouwen, mannen, kinderen en varkens zij aan zij werkten, had moeten uitgroeien tot een dorp met keurige huizen voor de werknemers en een modelfokkerij van varkens.

Journalist in oorlogstijd niet meer dan een pion

Nederland heeft zich pijnlijk neutraal opgesteld in de tijd dat Spanje werd verscheurd door een burgeroorlog die een half miljoen slachtoffers heeft gekost. De meeste politici in ons land voelden zich niet bij de gebeurtenissen betrokken. Spanje lag te ver van hun bed en slechts weinig mensen begrepen dat de donkere wolken die zich boven Zuid-Europa samenpakten de voorboden waren van een nog meer leed brengende wereldoorlog. Ook de Nederlandse kranten hebben weinig kritisch gepubliceerd over de Spaanse burgeroorlog en de kopij van buitenlandse correspondenten werd naar eigen goeddunken veranderd en aangepast. Zoals steeds is de journalist die in oorlogsomstandigheden verslag probeert uit te brengen niet meer dan een pion. Dat was in 1936 het geval, maar dat geldt ook nu nog zoals de geschiedenis heeft geleerd.

Hoe zou ik, vijftig jaren later, bij ‘t neerschrijven van deze herinneringen, nog onbewogen kunnen blijven? Ik kan dat niet. Maar we waren toen jong en ondernemend. De toekomst lag voor ons open en bloeide in de beschutting van onze handen. Toen ik thuis kwam na mijn reportage over het vuilnisdorp, zei mijn vrouw: ’Wat een modderschoenen. Trek ze uit. Ik spoel ze af onder de kraan. Morgen moet je er netjes uitzien. Feestelijk: want dan is je dochter jarig. We zouden er een groot feest van maken, guirlandes, een feestelijke strik in haar vlechten, extra lekker eten, wat snoep om te tracteren op het schooltje en dan een dag de bergen in – naar de Tibidabo met zijn allen. Ik kon het weer aan. Mijn voet deed geen pijn meer. We versierden onze kamer met kleurige slingers van papier, zetten onze Sevilliaanse sierpoppen –een flamenco-danseres en een slanke hidalgo– te weerszijden van het pak, waarin ons cadeautje zat: een strokenjurkje om in te dansen en de onontbeerlijke castagnetten. Ze was er een hele tijd stil van. Terug in Holland werden de poppen haar liefste bezit, de castagnetten en de op de groei gemaakte jurk haar grootste vermaak.
En de tocht naar de Tibidabo, de zondag daarop, werd voor ons alle vier een bijna zorgeloze dag in de vrije natuur. Vanuit de villawijk Sarriá, waar wij woonden, was het gemakkelijk te bereiken met het treintje naar de Montserrat, met zijn wereldberoemde klooster op 1.200 meter hoogte. Het Catalaanse kustgebergte omsluit de stad; de terrassen zijn er begroeid met parasolbomen, de mooie schermvormige pijnbomen, die de lekkere zoete pingels leveren, de harsige zaden die in Spanje nog altijd gebruikt worden in zoete slagroomgebakjes.
De villa’s kruipen tot hoog op de Tibidabo. Maar plotseling ontvouwde zich voor ons een wijds panorama, dat de naam Tibidabo volledig rechtvaardigt. De stad Barcelona lag aan onze voeten, aan de horizon een randje grijsblauwe zee en de haven, helemaal rechts de Montjuich.
’Kijk, Koos,’ wees ik mijn zoon, ‘daar ben je met me geweest om die zieke Fanny Schoonheid te bezoeken, weet je nog? En daar is dat vieze strandje, waar we een dag in de zon hebben gelegen. En zie je die lange rechte straten en al die huizen? Kijk, wij wonen daar…’
Maar de kinderen waren er al vandoor; als gemzen klauterden zij van het ene terras naar het andere, langs een slingerend voetpad, trapjes van drie, vier stenen naar een ander terras. De prikkelend frisse geur van het pijnbos in onze neusgaten. We vonden stokken en stenen om naar de rijpe dennekegels in de platte kruinen te slingeren. Ik ben altijd een ‘bomen-schudder’ geweest en m’n kinderen hadden dat ook. Het is heerlijk ontspannend om dan tenslotte op een zonnig plekje de meegebrachte picknick uit te spreiden en de lekkere zoete pijnzaden uit de kegels te peuteren. Tibidabo: ik zal u geven. Dat is natuurlijk een bijbelse naam. De duivel, die de zojuist gedoopte Jezus in verzoeking bracht op een hoge berg: ‘Zie, dit zijn al de koninkrijken der aarde. Ik heb er zeggenschap over, maar ik zal ze u geven als gij mij eer bewijst…’
Maar er was nog een andere Spaanse parabel, die ik aan mijn kinderen kon vertellen, omdat hij van toepassing was op de Tibidabo en bovendien op de oorlog, die in Spanje woedde.
‘Een sprookje, jongens. Toen Spanje werd geschapen, zei God tegen de Spanjaarden die er kwamen wonen: Ik zal je geven wat jullie hebben willen. Drie wensen mag je doen.
En de Spanjaarden puzzelden en puzzelden: wat moeten we voor wensen doen?
Tenslotte zeiden ze: Wij willen dat Spanje het mooiste land ter wereld wordt. Ik zal het je geven, zei de Maker van de wereld, dat is dus een.
We willen dat er de mooiste mensen, de mooiste kinderen, de mooiste vrouwen ter wereld wonen.
Akkoord, zei de grote Maker, dat is dus twee.
En dan willen we, dat er de lekkerste vruchten, het lekkerste eten en de heerlijkste wijnen komen.
Natuurlijk – dat is dus drie. Ik zal het jullie geven. Maar toen de Spanjaarden dat eenmaal hadden, bedachten ze zich. Ze kwamen terug bij de Maker van de Wereld en zeiden: We zouden zo graag ook een goede regering hebben…
Ho, zei de Schepper van de wereld, nu vraag je te veel. Ik heb de drie wensen vervuld. Daarmee basta.
En nu hebben ze al tijden een mooi land met een heel afwisselend klimaat, met de mooiste jongens en meisjes ter wereld en met lekker eten en drinken, maar geen goeie regering. En je hebt het zelf gezien, wat daar een narigheid van komt.
’Dat is dan hun eigen schuld,’ zei onze zesjarige zoon verontwaardigd, ‘dan hadden ze maar beter moeten kiezen!’
‘Ho ho, je vergeet wat. Het zijn maar verhalen, allebei. De duivel bestaat niet en de Spanjaarden hebben nooit echt kunnen kiezen. Die verhalen vertellen iets over de naam van onze berg. Kijk nog eens naar beneden. De hele stad kun je zien, een mooie stad. Maar je ziet niet dat de mensen het er arm hebben, niet de soldaten, niet het ziekenhuis met de zieke Fanny er in.’

We keerden die avond als een gelukkig stel mensen naar huis, uitgewaaid, gekoesterd door de zon. De guirlandes hingen er nog, Tinekes poppen, haar castagnetten en haar nieuwe dansjurk uitgespreid rond haar bedje en ze sliep met een gelukkige glimlach. Maar de volgende ochtend stond al heel vroeg de vigilante aan de deur. Ik herkende hem: Ah, onze vigilante, de man die waakt over onze veiligheid…
De man knikte voldaan bij deze hartelijke verwelkoming: ‘Maar vandaag moet ik iets ernstigs vertellen. U was gisteren niet thuis. En in die tijd, zei hij strak, ’zijn de Catalanen aan uw deur geweest…’
‘De Catalanen?’ vroeg ik niet begrijpend, ‘wel als ze me nodig hebben, komen ze wel terug.’
‘Misschien. Ik dacht, dat ik u toch even moest waarschuwen. Maar ik liet me mijn feestelijke stemming niet afnemen, ook niet toen mijn vrouw bij de kruidenier een soortgelijke boodschap kreeg. Hij trok een ernstig gezicht en fluisterde geheimzinnig: ’De Catalanen zijn er geweest… om uw man.’ ‘De Catalanen. Het zijn hier toch allemaal Catalanen? U toch ook?’ ‘Ja ja, maar gewapende Catalanen. Ik ben niet gewapend…’
‘Wat kan dat zijn?’ vroeg ze me verontrust.
Ik trok mijn schouders op: ‘Ik weet niet – niks bijzonders, voor zover ik weet.’
Toen we ‘s avonds met de tram naar huis reden, kregen we in de tram de derde waarschuwing. En de verklaring.
’U kent mij niet en ik ken u niet,’ zo sprak iemand ons aan – in het Duits.
‘Maar u moet de Nederlandse journalist Lutke Meijer zijn, met vrouw en kinderen…’
‘Klopt, maar hoe kunt u dat weten?’
‘Ik ken geen Nederlands, maar wel een daaraan verwant dialect. Ik concludeerde, dat u dus de man moest zijn, waarvan ik zoveel brieven had gelezen…’
‘Gelezen?’
‘Ja, ik ben namelijk lid van de censuurdienst. Ik lees uw brieven met spanning. U vertelt soms dingen, waar wij niets van weten. We zijn u goed gezind en vertrouwen u. Maar nu moet ik u toch waarschuwen. U werkt voor De Telegraaf en heeft dezer dagen geschreven over de Seda, de Nederlandse zijdefabriek. De arbeiderscommissie van het bedrijf voelt zich beledigd…’
‘Dat kan niet… ik heb hun verhaal stenografisch genoteerd. En zonder dubbele bodem…’
De Duitser zuchtte: ‘Ik weet het – ik weet het. Ik heb het verhaal gelezen. Maar nu zeggen de Catalanen: “Dan deugt die krant niet”. Kort en goed: ze vragen u niet meer voor die krant te schrijven.’

Blind! Blind heb ik in Spanje gewerkt. Nooit heeft mij ook maar één van de vele geplaatste artikelen bereikt. Nooit heb ik ook maar één reactie gehad. Zo was in die jaren het lot van een freelancer in oorlogstijd. Hij was een machteloze pion in de strijd om het nieuws. Eén onvoorzichtige verandering in zijn kopij kon zijn leven in gevaar brengen, zoals míj nu was overkomen. Niet langer blind, kon ik niet verder voortgaan. En zeker niet in de tweede fase van de Spaanse burgeroorlog.
‘Je bent niet mislukt,’ troostte mijn vrouw mij die avond, ‘je hebt meer gedaan, dan wie ook.’
‘Niemand kan verwachten, dat ik doorzet; mijn werk hier is afgelopen.’
‘Ze hebben je gemeen behandeld,’ meende ze, ‘het was vals om in je werk te knoeien.’
‘De directeur van de Seda was naar Nederland gevlucht. Hij zal door de redactie zijn benaderd voor een eigen, partijdige visie. Niet ons lot is belangrijk, maar het belang van de ondernemer.’
‘Maar dat is onmenselijk…’
‘Maar vanuit hun standpunt verantwoord. Laten we nuchter zijn. Heb ik voldoende afzet om door te werken? Néé. Zonder dat blad heeft het geen zin. Dit is dus het einde. We weten allebei wat ons in Nederland wacht…’

We pakten onze spullen, wikkelden onze verplichtingen af en vertrokken. Nog altijd waren de zes maanden salaris niet opgesoupeerd, hoewel wij nog nooit een cent voor onze vele Spaanse artikelen hadden kunnen incasseren. Onze trein reed door een herfstachtig landschap. Bij het naderen van de grens zouden we het plaatsje Rosas passeren, omsloten door bergen, felgekleurde wonden in de rotswanden, matte tinten, blauwer en flauwer verderop. En dan heel in de verte de toppen der Pyreneeën, met sneeuw bedekt. De kinderen zaten elk voor een raampje op de uitkijk.
‘Nog een argument voor ons vertrek,’ vertelde ik mijn vrouw. ‘Nee, het is geen vlucht, maar het weloverwogen einde van ons werk. Kijk, dit is Rosas, het vissersdorp op de grens. Begin van deze maand werd het gebombardeerd door een fascistisch oorlogsschip. Ik heb er een reportage van gemaakt. Het was een poging om de verbinding met Frankrijk af te snijden en om Franco-troepen aan land te zetten. Bij het eerste sein van de burgeroorlog zond Barcelona tienduizend miliciano’s in autobussen naar Rosas. Met als resultaat dat de landingsboot de steven wendde. Maar je begrijpt wat de bedoeling was: men wilde hier bruggen en spoorwegtunnels vernielen om aanvoer uit Frankrijk onmogelijk te maken. Die poging zal beslist worden herhaald. Het is dus goed dat we vertrokken zijn, want ook Barcelona loopt gevaar…’

Aan de grens controleerden twee Spaanse douaniers onze reisbagage, een jonge en een oude. De jonge ontdekte in mijn koffertje de Spaanse bijbel. Hij schrok en keek me wantrouwig aan: ‘Is dat wel in de haak,’ vroeg hij zijn collega, ‘ze hebben religieuze propaganda in hun bezit…’
Maar de oudere douanier trok zijn schouders op: ‘Dat moet toch kunnen? Ieder mens heeft recht op zijn eigen overtuiging.’
Daarop passeerden wij de grens. Op weg naar huis. De najaarsheuvels van het westen tegemoet.

–EINDE–