Vermeylen, August - Kritiek der Vlaamse Beweging (1895)

Uit Anarchief
Ga naar: navigatie, zoeken


August Vermeylen

Kritiek der Vlaamse Beweging (1895)

Geschreven: 1895 Bron: Brochure: C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1905


Een woordje vooraf

Dit stuk, dat ik tien jaar geleden geschreven heb, was een uitdrukking van mijn eigen behoefte aan meer zelfstandigheid in ruimere horizon en van mijn lust om ook in anderen die behoefte te doen groeien. De lezer gelieve het aldus op te vatten.

Mocht het nog bijdragen tot de ontvoogding der geesten, nu het een jongere generatie als propagandaschrift weer gebruiken wil! Ik wens alleen te bekennen dat mijn mening omtrent één punt gewijzigd is: ik geloof niet meer dat de Staat-als-gezag in afzienbare tijd ineenstorten zal; en ik zou het betreuren als iemand door mijn opstel tot de overtuiging kwam, dat wij ons – bv. waar het de vervlaamsing van het onderwijs geldt – van álle werking op parlementair gebied moesten onthouden.

Wie het gevoel begrijpt, waar heel deze ‘Kritiek’ uiting aan geeft, zal zich vooral aan haar positieve stelling houden; dat de Vlaamse Beweging maar een deel is van een zedelijke en economische wereldbeweging – naar vrijer en schoner menselijkheid – en dat zij, in de keus van haar strijdmiddelen, dát bewustzijn nooit mag laten verduisteren.

Juni 1905,

A.V.


Kritiek der Vlaamse Beweging (1895)

Zoals elk ding tracht naar zijn volmaking, zoals thans alles in de maatschappij naar bewust zelfstandig leven dringt – vrijheid is een negatief woord voor zelfstandigheid – zo is ook de Vlaamse Beweging het streven naar zelfstandigheid van een ‘ras’ – ik bedoel: van individuen, in zover zij zich door taal en zeden verenigd voelen – opdat dat ras zijn geweten weer zou bemachtigen, zich zo bewust mogelijk ontwikkelen volgens eigen aard, en ál zijn mogelijkheden tot werkelijkheid maken. Dat streven stuwt in dezelfde richting als het streven van heel deze tijd, die zijn geweten, zijn levenseenheid weer veroveren wil; het is slechts een deel van dat streven. Ziedaar het stellige wezen der Vlaamse Beweging zoals ik die opvat.

Zelfs wie dát niet zag heeft toch kunnen opmerken dat die Beweging, in de vorm die zij bij ons kreeg, geen alleenstaand verschijnsel is. Zij wordt aangetroffen, in de tweede helft van deze eeuw, overal waar het recht tot zelfstandig leven van een groep mensen, die in taal en manier van zijn hun samenhang voelen, onderdrukt werd om de grote Staten samen te stellen – heel Europa door. Dit alleen kan bewijzen dat zij aan iets noodzakelijks gehoorzaamt en geen ‘kunstmatig geleid stroompje’ mag genoemd worden. Hier vooral komt het duidelijk uit, hoe natuurlijk haar de gang der geschiedenis voortbracht. De Spaanse vlammenvlaag, en de uitwijking vóór Alva van al wat een verstandelijke kracht was, had ons volk uitgeput; de kwezelarij kwam het nog verlammen. Nu was de leus: “Die het land heeft, mij ook.” Dit land werd soms beheerst als een verre kolonie; het onderging gebukt de wil van de toevallige vorst; het had zich aan het lijden gewend. Wanneer bij uitzondering nog een meer of min lankmoedig pamflet verscheen, dan was het zelfs niet in de taal van het volk opgesteld. Vlaanderen, na twee eeuwen, bezat geen ziel meer, geen geweten. Het liet zich meeslepen in de omwenteling van het jaar dertig, de onnozelste welke ooit buitenlandse invloeden opstookten. Wij zagen ons met gebonden handen overgeleverd; het Frans werd de enige officiële taal; velen, heden nog, zien dat als natuurlijk, want de meerderheid acht altijd natuurlijk wat sinds lang bestaat. Een geheel volk werd in een vreemde taal bestuurd; men veroordeelde mensen zonder dat zij van beschuldiging en vonnis één woord verstonden; zelfs in de lagere scholen moest Frans de voertaal worden en het resultaat was een algemene onwetendheid onder de arbeiders, de boeren, de kleinburgers; wie middelbaar en hoger onderwijs genoot, verleerde het Vlaams, zonder tot een grondige kennis van het Frans te geraken; de hoogste krachten van ons ras – denkt maar aan de besten van de zogenaamde Belgische schrijvers – blijven zonder omgang met het rijke leven rondom hen. Wij kúnnen niet natuurlijk opbloeien. De schandelijkste verkrachting van wat ons eigen is, wat onze geestelijke eenheid uitmaakt, wordt wettelijk genoemd; en men beweert nog dat bij ons de enige voorwaarde van beschaving een steeds meer uitgebreid gebruik der Franse taal is. Gelooft men dan toch dat het volk zijn taal kan verloochenen en vergeten? Zij zit hem in het lijf, zij kan er zo makkelijk niet uit; men merkt het wel in Frans-Vlaanderen. Indien de hedendaagse gedachtestromingen Vlaanderen niet bevruchten komen, dan heeft het gebruik van het Frans als voertaal het meest daaraan schuld. Begint men dan nog niet te beseffen dat de grondslag van alle beschaving de ontwikkeling is van het gehele volk volgens de noodwendigheid van zijn eigen wezen, volgens zijn eigen aard, waarvan de taal het complete beeld is?

Alle positieve werking, die ons in meer natuurlijke toestanden wil laten ademen, is billijk. Wat tot nu gedaan werd acht ik weinig in vergelijking met wat nog te doen blijft; maar veel is toch gedaan. Ik beklaag degenen die met de Vlaamse Beweging slechts spotten kunnen. Van die Beweging is, mijns inziens, het grootst en het stelligst: de karakters die haar in het leven riepen, en die door hun literair werk het bewustzijn van hun volk opschudden, het geweten zelf van dat volk waren. Een echt karakter doet meer voor een zaak dan een stipt bepalen der begrippen, zoals een echt en goed literair werk zekerder invloed heeft dan een hogeschool. En echte karakters hebben we gehad, opgestaan uit alle streken van Vlaanderen, mannen met sterke en ernstige wil, die zich door niets lieten afschrikken en tot het einde toe durfden gaan, door alles dóór. Oprechte mensen zijn dat altijd geweest, ronde en taaie Vlaamse gemoederen, rotsvast, met een gloed en een diep gevoel, rechtschapen genoeg om nooit de zin der dadelijke waarheid te verliezen. En, op het ogenblik dat ik vele opvattingen van het tegenwoordig flamingantisme wil te keer gaan, moet ik mijn hoge eerbied uitdrukken voor zoveel kerels van flaminganten, die, hoe eng hun inzichten me soms ook mogen schijnen, voor hun gezindheid alles op het spel zouden zetten, en zich laten kapotmaken als het moest. Met hen voelt ieder zich in innig verband, in wie de geest van deze wordende wereldtijd woelt. Al het duurzame wat uit de Vlaamse Beweging kwam, en onze letterkunde zelf, is men zo’n karakters schuldig. Als ik de vijftig eerste jaren van onze herleving doorblik, dan kan ik niet de Vlaamse letteren van de Vlaamse Beweging scheiden. Misschien is onze goede en beminde Conscience de degelijkste arbeider van onze zaak. Ik weet dat wie niet Vlaming is moeilijk zal vatten waarom wij bv. Gezelle, Hugo Verriest, Albrecht Rodenbach en anderen, bewonderen en lief hebben: zij zijn de geest van ons land; hun gesproken en geschreven woord, dat rechtstreeks op hun omgeving werkt, is gedragen door een trouw en waar gevoel, het heeft de reuk van onze aarde. Het is iets van dat streven naar zelfstandigheid van het Vlaams volkseigen.


Dát is het echtste van de Vlaamse Beweging. Dát is het waarop wij steunen willen – nu scherper bewustzijn begint te leven, nu wij ons van dag tot dag meer één gevoelen, nu het land zich ‘omwerpt’, zoals Van Langendonck zei. Hoop bezitten we genoeg, want wij weten hoe zuiver ons volk nog is, trots al wat het geleden heeft; wij weten zeer bepaald welke diepe bronnen van ongebruikte kracht zullen opwellen; wij kennen zijn stevige wil, de innerlijke gloed van zijn rustig gebaar, zijn fris, zinnelijk waar gevoel, vrij van alle calvinisme, zijn zin voor de werkelijkheid van het leven, met al zijn kleurig stoffelijke en al zijn verborgenheden. Vlaanderen, dat, aan de samenloop der machtigste beschavingen, zich begint te ontwikkelen in deze tijd van vreugdig vermoeden zwanger, kan zich een heerlijke volrijke toekomst uit de schoot prangen, indien het zichzelf geheel kan hergrijpen, zijn eigen ziel weer bemachtigen.


Dat is nu mijn Vlaamse Beweging. Waarom, trots mijn eerbied voor hen die ons streven mogelijk maakten, laat ik me nochtans niet geheel meeslepen door het flamingantisme zoals het thans bestaat? Zijn de opvattingen van de meeste tegenwoordige flaminganten juist wat betreft de grond der Vlaamse Beweging, haar einddoel en de middelen die zij gebruiken moet om dat doel te bereiken? De grond der Vlaamse Beweging is de wil naar zelfstandigheid van een ‘ras’, dat zijn solidariteit voelt. Ik meen eigenlijk niet een groep mensen van eenzelfde afkomst, maar wel: mensen die verbonden zijn door de taal en overeenstemmende zeden.

Dát is iets werkelijks, terwijl het woord ras, zoals het doorgaans gebruikt wordt in Vlaamse redevoeringen, slechts een afgetrokken denkbeeld onderstelt: enige miljoenen individuen leven samen, bij de meerderheid onderscheidt men hoedanigheden die elk min of meer gemeen heeft met zijn ‘taalbroeders’, die hoedanigheden worden algemeen gemaakt en door afzondering vormt men in zijn geest een begrip. Zo komt men er toe, op een ideaal rechtsgebied, in het ras iets meer te zien dan de som der individuen. Het wordt iets dat op zichzelf bestaat. Nu, ik wens geen abstracte entiteiten boven mij. De gezondste werking van onze tijd breekt de heerschappij der abstractie over de rechtstreeks gevoelde dadelijkheid en neemt bezit van het leven, van deze onze aarde. Wij liggen nog te veel onder de macht van woorden. De Mens, die van de Franse Omwenteling en van de rationalisten, gaat me niet aan. Wie de Mensheid bemint, bemint maar het stelsel, ik geloof dat van Deyssel dat ergens gezegd heeft. De meeste tegenwoordige hervormers beschouwen de mens als een enig type, als één zedelijk en verstandelijk grondbeeld waarop zij hun stelsels toepassen en tegenover hen verdedigt het gezag de Maatschappij ... Het getal is gering van hen die slechts steunen op wat zij zien en voelen, de mensen rondom zich nemen zoals zij zijn – deze, en die mensen, en die anderen – en hun, als enige wijsheid, het ‘ken u zelf’ toeroepen. Ik zal niet vroeger in vreugde genieten dan als ik mij van alle geloof in abstracties bevrijd.

Een abstractie is het woord ras al te dikwijls bij de flaminganten; ze bekreunen zich weinig om zijn echte inhoud. Er wordt gesproken van de volstrekte en onveranderlijke ‘rechten van het ras’. Wat is daar zo eeuwig? Geen ras bestaat er dat geheel zuiver is – heden minder dan ooit, nu de verste betrekkingen onder de volkeren aller-snelst vermenigvuldigd worden. Men bemerkt soms in het meest afgelegen dorp verrassende verscheidenheid van mens tot mens. In de oudste maatschappelijke groepen waarvan de antropologie gewaagt zijn reeds verscheiden types met elkaar vermengd. Ik zal niet nagaan wat bij ons overgebleven is van de vroegste inwoners en tot welke volkeren zij behoorden, in hoever Kelten, Franken, Saksen, Friezen nog te erkennen zijn, hoeveel Spaans, Frans, Duits, Joods bloed in het onze vloeit, enz. Eén feit volstaat: de Vlamingen unnen tot twee zeer van elkaar afwijkende typen herleid worden: een kort-, en een langschedelig. Heden heeft ons ‘geslacht’ zich, na eeuwen, onder de invloed van woonplaats en samenleven, tot een algemene overeenkomst van zeden ontwikkeld, en, trots de dialecten, tot eenheid van taal, wat overeenkomst onderstelt in voel- en denkwijzen; zijn letterkunde, en de vanzelf machtig geworden Vlaamse Beweging, bewijzen zijn solidariteit. Maar dit laat ons niet toe van een streng afgebakend en eenvormig iets te spreken, en er aan te geloven als aan de levendige verwezenlijking van een volstrekt begrip. De bonte, gedurig afwisselende menigvuldigheid der mensen, die zich volgens hun oneindig talrijke belangen op oneindig talrijke wijzen onder elkaar scharen, die elk iets eigens zijn, die elk duizenden eigen betrekkingen aanknopen met de wereld, men kan die niet gaan afperken tot lijnbegrensde rassen.

Die rassen zijn gemeenschappen in gestadige wording en beweging, die niet op zich zelf bestaan. Ik mag me dus afvragen of de liefde voor het ras doorgaans iets meer is dan een theoretische liefde.

Dat men zijn dorp boven al de andere acht, is veel natuurlijker en echter. Van de personen rond mij heb ik lief wat op mij gelijkt of mij vollediger maakt; ga ik daarbuiten, dan verval ik in de ‘beginselen’ – en ik blijf er gaarne van verschoond. De ‘heilige’ rechten van ‘onze stam’ zijn de rechten van een vast omtrokken vorm die wij in onze geest schiepen. De rechten van het ‘ras’ zijn niets anders dan de som der rechten van de afzonderlijke wezens die dat ras uitmaken. Wie het anders opvat rijdt stokpaardje op woorden. De oorsprong der Vlaamse Beweging is ten andere geheel individueel: elkeen bezit, zonder dat men hem eerst zulks toekent, het recht zijn eigen taal te spreken waar en wanneer het hem belieft; wanneer welk gezag ook hem dat komt verbieden, dan reageert hij vanzelf tegen dat gezag, zonder noodzakelijk aan de ‘eer’ van zijn ‘stam’ te denken. Die min of meer oproerige terugwerking van individuen is de aanvang der Beweging. En ik ben gelukkig vast te stellen dat die opstand van zichzelf-bezittende individuen tegen een gezag op verre na geen uitzondering geworden is. Daar is ze, die kracht die naar zelfstandigheid wil! En die zit ons volk in het lijf, al moet ik hier ingaan tegen een stelselmatige liefde voor het ‘ras’, die onder de flaminganten nogal verspreid is. Aan die stelselmatige – ‘schematische’ – liefde zou ik zoveel gewicht niet hechten, indien zij geen ander gevaar opleverde dan misbruik van opsnijderij en gorgelen met gemeenplaatsen. Maar zij slaat noodwendig over tot rassenhaat. Het is een kenteken van de stelselmatige liefde, dat zij zich doorgaans slechts negatief kan uiten in de werkelijkheid, en het is een kenteken van een slechts negatief streven dat het doorgaans verdoemenswaard is. Terloops merken men op dat de Staten hun best doen om het wantrouwen van volk tot volk te ontwikkelen – onder de vorm van ‘vaderlandsliefde’ – daar zij legers nodig hebben om de machtigen en hun geld te verdedigen; groothandel en nijverheid zijn eigenlijk zeer internationaal, maar vrezen dat de arbeiders der verschillende landen hun gemeenschappelijke belangen zouden inzien en elkaar heel natuurlijk ondersteunen. Zo werkt alles samen om van de rassenhaat het kunstmatigste te maken wat men maar denken kan. Uiterst kunstmatig is hij onder ons volk, ik heb het dikwijls ondervonden. En de meeste Vlaamsgezinde leiders zelf hebben niet, in de grond, die afschuw van Frankrijk en die genegenheid voor Duitsland, die schering en inslag is van hun vele redevoeringen. Op enkele uitzonderingen na, leven zij met eenieder op goede voet, hebben zelfs meer betrekkingen in het zuiden dan in het oosten, en praten liever met een Parijzenaar dan met een Pruis. Maar zodra zij zich als vertegenwoordigers van de ‘Stam’ voelen, duiken de ‘beginselen’ op en dan schuimt men de rassenhaat langs de kolommen van alle flaminganten bladen af. Ik beken volgaarne dat hij minder verachtelijk is dan die ‘vaderlandsliefde’, die men gebruikt om door oorlogen de belangen van de handel voor te staan; ik beken nog dat hij soms moeilijk ontweken wordt als men de Vlamingen gevoel van zelfstandigheid wil inboezemen, en onvermijdelijk was in het romantische tijdperk van de Beweging. De vraag is, of we nog lang die weg opmoeten. Of we elkaar nog lang helden van vroegere eeuwen naar het hoofd gaan werpen; of de achtbare Coremans nog lang in de Kamer zal uitroepen dat onze geschiedenis veel schoner is dan die der Walen, en de achtbare Hoyois hem arglistig antwoord dat de inwoners van Doornik vóór Godfried van Bouillon in Jeruzalem getreden zijn. Of we nog lang, zo kleingeestig mogelijk, andere volken zullen gering achten om te bewijzen dat wij altijd groter geweest zijn. De wat gedwongen afkeer voor Frankrijk veroorzaakt hier een gedurige beknibbeling, beschimping, belastering van al wat uit Parijs komt. Bijvoorbeeld is het een tamelijk onschuldige dwaasheid, als onderwijzers gestadig onze literatuur met de Franse vergelijken om de onze hoger te stellen – hier is onze Vlaamse Racine, ziedaar onze Vlaamse Béranger, enz. – maar het maakt ten langen leste zenuwachtig. Wat de a priori vriendschap voor Duitsland betreft, wie een weinig daarginds geleefd heeft moet die tamelijk ‘gewild’ achten. Wélk Duitsland? Het Duitsland dat grotendeels deze eeuw gemaakt heeft door zijn letterkunde en muziek, zijn wetenschap en wijsbegeerte? Of dat van na de oorlog? Zeker, er steken daar nog diepe krachten, en wij kunnen er ook veel uit halen – maar wil men ons waarlijk de parvenugeest van het hedendaags Pruisendom doen bewonderen, die koppeling van al het verfoeilijkste wat het woord militarisme in zich sluit, met het joodse ‘Strebertum’, materialistisch, zelfzuchtig, hard – die geest die zich in de provincie verbreidt met de invloed van het Amerikaans riekende Berlijn, die geest die aldaar kunst en literatuur haast doodt en de wetenschap zelve begint te verpesten?

Verwerpen we stelselmatige aftakeling en ophemeling. Wij zijn sterk genoeg om alle werking van buiten te laten werken, en ons al het echte tot vlees en bloed te maken. Vreest ge dat we te zwak zijn, vat dan de zaak positief aan, maak het volk groot en kernachtig en vrij genoeg, zonder het daarom af te zonderen van het schone rijke leven dat van het zuiden komt. Verstandelijk hebben we oneindig veel te danken aan Frankrijk en wij willen er in geestelijk contact mee zijn, zowel als met Engeland of welk ander volk ook. Laten we ons huis openstellen naar álle zijden, dat is nog het beste middel om onszelf te blijven. Door haat in te boezemen tegen een groot volk zullen we het onze niet groter maken.

Tegen de Franse invloed wordt vooral de spreekwoordelijke onzedelijkheid van het ‘wufte zuiden’ ingeroepen. ‘De Taalstrijd hier en elders’, bijvoegsel van de ‘Dicht- en Kunsthalle’, leerde ons voor kort dat men in de meisjeskostscholen vijandschap inboezemt ‘voor de taal, die nochtans nooit bezoedeld is geweest door Zola en andere pornografen.’ Men denken niet dat die omschrijving een teratologische uitzondering is, ik kan er van die aard bij de vleet aanhalen. Uit een Vlaamsgezinde voordracht door Dr. Schaepman te Utrecht gehouden – voordracht waarin hij Da Costa hoger stelde dan Victor Hugo, en Bilderdijk dan Goethe – knip ik het volgende: ‘Er loopt een kloof tussen hogeren en lageren. Dat ligt in het verzaken van de Vlaamse taal door hen die menen dat het tot de goede toon behoort alleen hun dienstknechten in het Vlaams aan te spreken en de eigen stand in de taal van mad. Dubarry.’ De taal van mad. Dubarry! Men weet waarlijk niet waar het mens het uithaalt!

Brave lui, het Vlaamse volk bezit genoeg zinnelijkheid, in de beste zin van het woord – en dat is niet zijn geringste eigenschap! – om van uw zedenlessen verschoond te blijven. Zeker, o journalisten, uw schaamte is uiterst eerbiedwaardig. Maar gij moet toch bekennen dat die goede Venus vulgivagans van Lutecia het monopolie der ‘onzedelijkheid’ niet handhaaft, en dat de ‘onzedelijke’ literatuur en vele andere ‘onzedelijke’ dingen ons evenwel uit Holland, Engeland en Duitsland toegevoerd worden. Gij moet bekennen dat hetgeen u het meest verontwaardigt niet van dag tot dag zou toenemen, als het niet ontwikkeld werd door onze gehele beschaving; het is wel doorgaans een voortbrengsel van onze economische toestanden, dat er noodzakelijk aan verbonden is, overal, doch onder min of meer huichelarij verborgen wordt; onze ‘Germaanse broeders’ ontlopen het zomin als wij, en Berlijn, Wenen, Londen, kunnen het ‘moderne Babylon’ niets benijden. Breekt al het onnatuurlijke van onze economische toestanden, breekt de vormen van de tegenwoordige maatschappij. Wat schimpen op de Franse taal zal niet helpen.

Een minder flauw voorwendsel tot rassenhaat is de vrees van een inpalmen door de ‘erfvijand’. Ik laat onbesproken of dat inpalmen wel dreigend is of niet, maar wil hier wel het eerste geval veronderstellen. Slechts de werkelijke uitslagen van een inpalmen gaan mij aan: ik beschouw de zaak niet onder het licht der ‘beginselen’, daar ik in mij geen ziertje voel trillen van wat men nu ‘vaderlandsliefde’ noemt. Ik weet dat men mij de mond zal stoppen met Kerels-Klauwaerts-Leeuw-van-Vlaanderen-Artevelde, en zie reeds een horizont van goedendagen oprijzen – de flamingant moet altijd een goedendag in de hoek van zijn kleerkast bewaren, voor de grote landdagredevoeringen – maar de gevechten van onze voorouders verschillen zeer van de tegenwoordige, en de maatschappij is een heel ander iets geworden. Nu, dat we samenleven met Fransen of met Walen, dat komt tamelijk overeen uit; dat we voor al wat ons bedwingt belastingen betalen aan het Frans of aan het ‘Belgisch’ bewind, om het even, zolang we er betalen; en dat mijn meester in Parijs of in Brussel zit, wat baat me dat? hij is altijd mijn meester, – mijn vijand. Ik wil mijn kracht niet verspillen om een verandering van meester te beletten: ik heb wat beters te doen!... Ik blijf op het gebied van het werkelijke. Misschien drukt het staatsjuk zo zwaar niet op ons volk – ik meen het ‘Belgische’ ... – als in het machtig gecentraliseerde Frankrijk, – of a fortiori in Duitsland. Maar ik acht het een ijdel tijdverdrijf onder ons te overwegen wat ons aangenamer kan zijn, vliegende jicht of kramppodagra. Het enige wat misschien erg bedreigd wordt door inpalmen is iets wat we nog niet geheel bezitten: het ‘In Vlaanderen Vlaams’, en dat is gewichtig. Maar als dat waarlijk te vrezen is, zal ons dan uw kleingeestige haat redden? Is het dan niet ellendig te moeten rekenen op gistingsmiddelen als de Waterloo-betoging? Wat een bron van misverstanden! Zullen wij beter bestand zijn tegen de Franse regering wanneer gij verachting zult ingeboezemd hebben voor al het schone en sterke wat het Franse volk ooit voortbracht? Nog eens: werk positief. Maakt de Vlamingen tot bezitters van zichzelf en hun wereld, in geest en lichaam vrij; ondersteunt alle krachten die hier opkomen, laat er geen verloren gaan; bouwt op; richt werk op dat door zijn eigen macht eerbied afdwingt; verspreidt onze letterkunde; spant aan positieve daad het deel van uw wil dat thans verbruikt wordt aan nutteloos afbreken. Dan zal de Vlaming zijn reden van bestaan begrijpen, en wanneer hij dan niet meer de ‘Belgische’ instellingen, niet meer zijn meester, maar zichzelf, zijn eigen ik zal moeten verdedigen, dan zult ge hem niet behoeven op te schudden door woordengetrommel. Het abstracte geloof in het ‘Ras’ belet toch niet te bemerken dat er andere solidariteit bestaat dan die van de ‘Stam’. Door materiële en verstandelijke belangen voelen wij ons in samenhang met de landen die ons omringen. Wij zoeken aanrakingspunten in den vreemde, ruilen geestelijke producten met hen; niemand is er die nog spreekt van ‘vaderlandse’ wetenschap; de gedachte is internationaal; van maand tot maand – dat ze doeltreffend zijn of niet is hier bijzaak – neemt het aantal der internationale congressen toe. Elk mens heeft zijn eigen wereld van nabije en verre betrekkingen; en de solidariteit van elke leefbare groepering in of buiten het ras heeft evenveel recht van bestaan als die van het ras zelf. Ik kan me meer thuis voelen met een Chinees denker dan met vele Vlamingen of zelfs menig bloedverwant. Dat heeft niets van de ‘broederlijkheid’ – begripsliefde – van de Franse omwenteling; ik ben solidair met al wat mij gevormd heeft en met de hele kring die mijn werking vult. En kom me niet preken dat ik eerst en vooral Vlaming moet zijn. Ik ben eerst en vooral ik, een mens, – en het minst veranderlijke wat ik in mij erken, vind ik terug bij alle mensen die tot mij komen, in welke streek zij ook geboren zijn. Als iemand verdrinkt en ge kunt hem redden, dan zult ge in het water springen zonder u af te vragen of hij een Fransman of een Pruis is.


Wat de grondslag der Vlaamse Beweging uitmaakt wordt niet alleen verkeerd opgevat, maar bovendien niet redelijk doorgedreven. De maatschappelijke vorm van het ras is de natie. De flaminganten verdedigen dus het beginsel der eentalige nationaliteit, maar velen zijn tevens ... vaderlandsgezind: res inter se repugnantes! Men bemint het oord waar men geboren is, waar men lang leefde, welke taal en landschappen de gedaante van onze gedachten bepaald hebben; men bemint de lieden die men daar kende, en al wie met hen veel gemeenschap tonen in karakter en manier van zijn; men erkent dat die lieden van gelijksoortig ‘habitus’ veel gelijksoortige belangen hebben, en vindt dus onrechtvaardig dat zij zich door vreemdelingen, welke die belangen zo gepast niet behartigen, in een vreemde taal de wet laten stellen. Zo ontstaat het beginsel der nationaliteit. Maar het ‘patriottisme’ is het tegendeel: de verkleefdheid aan een stuk grond dat één meester bezit en door staatslieden op een kaart streng afgegrensd werd. Het is volgens die vaderlandsliefde – kunstmatig door de regeringen opgeblazen – dat een Elzasser Frankrijk moest liefhebben vóór ’70 en Duitsland na de oorlog; dat Nizza en Savoye driemaal van patriottisme veranderden sinds één eeuw en de Ionische eilanden viermaal; dat een Pool van nu zijn leven moet wagen hetzij voor Pruisen, of voor Rusland, of voor Oostenrijk, – en dat wij aan ... België verknocht zijn!

Tussen vaderlandsliefde en nationaal gevoel blijven de leiders der Vlaamse Beweging hangen. Al wat zij vergen voert tot het vervangen van het tegenwoordige Koninkrijk door een Statenverbond, daaraan zal wel niemand twijfelen, – en zij kunnen niet anders, willen zij hun beginselen volgen. Een Poolse omwenteling zouden wij zeker toejuichen, en voor enige jaren verschenen alhier grote kaarten waarop men Frans-Vlaanderen aan ons land teruggeschonken zag. Maar waarom vorderen zij dan niet rechtuit de scheuring van België, waarom staat dat nergens in hun programma te lezen? Integendeel: telkens hun naar het hoofd geslingerd wordt dat zij de splitsing verlangen, tekenen zij protest aan met verontwaardiging, en er verschijnen stichtende aanplakbrieven met een driekleurig lijstje omrand.

Die tegenstrijdige houding verwijt ik niet aan de meerderheid der flaminganten. In de grond zijn zij volstrekt niet Belgisch gezind, al vrezen ze dikwijls met hun vrijuit gesproken mening vóór de dag te komen. Vlaanderen, dát voelen ze, dát willen ze; België laat hen koud: wij konden het heuglijk feit beleven dat de ‘Brabançonne’ uitgefloten werd. Maar op dat netelig gebied heeft men weinig moed te verwachten van de meeste leiders der Beweging, en van al wie nauw of losser met de Staat verbonden zijn. Die zijn voorzichtig, willen niet ‘overdrijven’ ...

Met die lieden twist ik niet, ik spreek tot het overgrote aantal van de Vlaamsgezinden, die voor de gevolgtrekkingen van hun mening niet zullen terugdeinzen en die aannemen dat een ‘natie’ zichzelf bepaalt en recht heeft tot zelfstandig leven. Die kunnen dan niet aannemen dat het lot van hele bevolkingen van oorlogen afhangt, van het toeval van een veldslag, van besluiten uitgeschreven door een handvol diplomaten; zij weten het: zolang er een uiterlijk gezag is, dat op legers steunt – en men kan er zich geen ander denken – is het ‘recht’ der natie bedreigd. Zij moeten óf hun beginsel van nationaliteit verwerpen, óf het bestaan van de hedendaagse grote mogendheden.

Maar wát is – niet als begrip, maar werkelijk – de ‘natie’, maatschappelijke vorm van het ‘ras’, van een ‘gemeenschap in gestadige wording en beweging’? Kan het een volstrekt en eenduidig iets zijn? Hier ook moet de zaak van haar abstractie ontdaan worden. Het spreekt vanzelf dat een maatschappelijke groepering als de natie tot geen ander doel is samengesteld dan het makkelijker en genotrijker leven der individuen en geenszins ter verwezenlijking van een woord-met-een-hoofdletter. Zij heeft geen bestaan buiten de personen die haar uitmaken en altijd vrij blijven die groepering te ontbinden om andere verbindingen aan te knopen, zich op andere wijzen samen te scharen. De rechten der ‘natie’ zijn de rechten der afzonderlijke individuen.

Dit jaar stelde de heer Coremans in de Kamer voor, het Staatsblad niet alleen in de twee talen te laten verschijnen, maar bovendien in het Duits; hij wees op de twintigduizend Duitsers die in de provincie Luxemburg gezeten zijn, en beweerde dat hun taalrecht geëerbiedigd moest worden, al waren zij nog minder in aantal. Ik laat voorlopig terzijde of het ideaal recht op een dergelijk ding een der gewichtigste voorwaarden van het menselijk geluk is: wat er ook van zij, de redenering van Coremans stemde overeen met de beginselen van het flamingantisme. Maar als men zulk een eerbied toont voor het persoonlijk recht van een groep, voor de ‘eigenheid’ der bestanddelen van een bredere groepering: waarom gaat men dan niet tot het einde toe? Elke wet wordt toegepast op miljoenen mensen, wier belangen zeer verschillend zijn; onder die mensen zijn er zeker duizenden wier recht gekrenkt wordt, – en, zoals Coremans zegt, al waren er nog minder: de wet is onrechtvaardig. Om zeer nauw te passen op alle gevallen, veranderend van dag tot dag, zou elke bepaling door zo vreselijk veel wijzigingen moeten getemperd worden, dat zij niet meer zou bestaan. En dit veronderstelt dan nog bij de wetgevers een gestadige juistheid van inzichten en een alomvattende kennis, waarop zij allerminst aanspraak mogen maken. Een elk die niet volkomen van oordeel beroofd is kent zijn eigen behoeften beter dan zijn buur, en ik wil een schoenmaker niet leren hoe men laarzen lapt. Een staatsman – nijveraar of advocaat, die zelfs niet altijd in zijn eigen vak bedreven is – kan onmogelijk al de belangen kennen van het duizendvoudige volk, en aan iedere wet worden zekere personen, groepen, standen opgeofferd. Komt de uiterlijke wet – die de uitdrukking is van het recht der vuist en slechts door de macht der vuist gehandhaafd wordt – niet aan alle zelfstandigheid knagen? De Vlaamse Beweging wil de zelfstandige ‘natie’; maar evenals het ‘ras’ is die natie geen homogene en onvermengde samenhang. Niet alleen is de groei van het ‘ras’ gebonden aan de groei der hele samenleving daarbuiten, maar in de natie zelve onderscheidt men, in oneindige bonte menigvuldigheid, eigen groepen-van-betrekkingen, die onderling of met andere organismen buiten de natie vaster of losser ineengestrengeld zijn. Als het ‘ras’ recht heeft op zelfstandigheid, – waarom dan ook niet elk van die groepen? Waarom zouden zij zich onderwerpen aan de wetten van andere groepen, wanneer zij er geen behoefte aan gevoelen? Als de banden van dwang, die miljoenen wezens onder één wet samen scharen, losgewrongen worden, en de hedendaagse staten verbrokkeld in ‘nationaliteiten’, die elk hun aanspraak op zelfbestuur tegenover de andere recht houden, die zich elk ontwikkelen volgens hun innerlijke wet, volgens de noodzakelijkheid van hun eigen aard, waarom mogen niet alle andere groeperingen dan het ‘ras’, aanspraak maken op zelfbestuur? En het individu, dat een volledig en eigen organisme is, die zijn wereld bezit en tot deze of die groepering als van macht tot macht kan spreken, – waarom zou hij óók geen recht hebben op vrij zelfstandig leven?

Mijn kernachtige kerels van Vlaanderen, die de zelfstandigheid van uw ‘ras’ begeert te overwinnen – uw zelfstandigheid – die het echtste en stelligste van onze tijd in u voelt woelen, hebt de moed alleen in uzelf te geloven en niet terug te schrikken voor uw eigen wil, voor de gevolgen van een eerlijke en volkomen toepassing van wat de grond zelf der Vlaamse Beweging uitmaakt. Gij zult nog alle gezag breken.


De Vlaamse Beweging wil het Vlaamse volk in staat stellen, zich volkomen te ontwikkelen en al zijn mogelijkheden te verwezenlijken. Eén der gewichtigste vereisten is zeker de ontwikkeling door zijn eigen taal, beeld van zijn eigen aard. Vandaar het groot gewicht van de taalvraag. Doch het gebruik van het Vlaams is een middel en geen doel; de oplossing der taalvraag is niet het einde van de Vlaamse Beweging. Om alles uit te voeren wat aan verborgen kracht in hem zit, heeft de Vlaming nog heel wat anders nodig. Om nu slechts op het materiële gebied te blijven: wat kan hij, zolang hij zich, om anderen rijk te maken, twaalf uur per dag moet uitsloven aan mechanisch werk in een verpeste lucht, zolang hij armoede lijdt, met al wat dat woord aan ziekte en zedelijk verval in zich sluit? Wie durft er van natuurlijke groei en volledige ontwikkeling praten, als duizenden vrouwen zich op straat moeten verkopen, of om een korst brood met haar bloedloos kroost in een fabriek verleppen? Als de stompzinnigen niet ‘een beetje meer mens’ moesten worden, zoals het volk zegt, dan zou de kruistocht om het ‘In Vlaanderen Vlaams’ van weinig belang zijn. Of wie acht de taak volbracht, wanneer eindelijk de Vlamingen in het Vlaams beheerst, bestolen en eventueel zo wat afgepoft worden? De Vlaamse Beweging mag niet slechts een taalbeweging zijn, maar een maatschappelijk streven in de breedste zin van het woord.

Zeker beweert niemand het tegendeel. De ‘Vlaamse Volkspartij’ heeft eisen, waarvan ik nu de krachtdadigheid niet te bespreken heb, uit alle democratische programma’s in het hare samengeflanst: overnemen van alle spoorwegen door de Staat, stijgende belasting op het inkomen, evenredige vertegenwoordiging, maximum van werkuren en minimum van dagloon, enz. De mening der meesten drukte ook De Taalstrijd hier en elders uit, toen daar geschreven werd: ‘Het doel der Vlaamse Beweging omvat met de zedelijke verheffing van ons volk ook – en wel met name voor de meest werkzame flaminganten – zijn materiële welvaart, die slechts voortvloeien kan uit het eerste.’ Duidelijk genoeg; ofschoon men evenwel beweren kon dat de zedelijke verheffing van het volk slechts voortvloeit uit zijn materiële welvaart. Maar het tijdschrift gaat aldus voort: ‘In de strijd voor het leven zal het Vlaamse volk, niettegenstaande al zijn taaiheid, immer het onderspit delven indien het niet ontwikkeld wordt bij middel van zijn taal, volgens zijn eigen aard.’ En wat hierop volgt toont voldoende dat de taalvraag als het allereerste verheffingsmiddel aanzien wordt, als de enige bron van alle verbeteringen. Doch, wat is hier die ‘strijd om het leven’? De mededinging onder de verschillende landen? Maar heden heeft de wereldstrijd tussen bezitters en niet-bezitters honderdmaal meer gewicht; de Gentse wever moet zich kunnen verdedigen tegen de naamloze vennootschap die hem uitbuit, veeleer dan tegen de werklieden van Silezië. En dan, hoe kan het officieel gebruik van het Vlaams in de scholen en vóór de rechtbanken, bij die wever het uitgangspunt van een ‘zedelijke verheffing’ zijn – en dus van een ‘materiële welvaart’! – als hij van alle onderwijs moet verstoken blijven? En dit geldt voor de meerderheid der Vlamingen. Het ‘In Vlaanderen Vlaams’ kan dus de leus niet zijn van ons gehele streven.

De ‘Taalstrijd’ – de titel alleen bewijst de beperking waar ik tegen inga – weet en herhaalt met elkeen dat het doel der Vlaamse Beweging de algehele opbeuring van ons volk is, – zeggen we: de verwezenlijking van ál wat dat volk zijn kán – doch hij tracht te rechtvaardigen wat hij overal om zich heen bemerkt heeft: dat werkelijk, bijna heel de strijd opgaat in taalstrijd en dat men uiteindelijk een middel als een doel beschouwt.

Ik dring er op aan, dat mijn kritiek en wat ook aan onaangename beweringen nog volgen mag, niet gericht is tegen de Vlaamsgezinden in het algemeen, maar wel tegen die minderheid die op politiek gebied actief optreedt, die men bij elke gelegenheid ziet en hoort, die de ‘partij’ uitmaakt en voor oningewijden de Vlaamse Beweging vertegenwoordigt. Nu, bij die aanvoerders treft men doorgaans de kortzichtige verwarring aan tussen middel en doel, hoe oprecht ook en edel soms de aandrang is die hen voortstuwt. Het is al verdrietig genoeg dat zij gewoonlijk het veroveren der ‘Vlaamse rechten’ voor het allerhoogst droombeeld van het eind van deze eeuw houden; maar van de Beweging zelf zien zij slechts een deel. Tot die gedurige inkrimping van de gezichtseinder brengt de partijgeest het zijne toe. Wanneer gij bv. lid wordt van de ‘Vlaamse Volkspartij’ – die oké is waar niet heel sterk schijnt – moet gij ‘eerst en vooral flamingant’ zijn. Niet het minst voor de katholieken is dit verwonderlijk: zij bezitten een wijsgerige leer die het gehele leven omvat en bekroont; het flamingants programma moet daarin passen – en niet omgekeerd! – ofwel moeten zij het verwerpen. Zodra zij echter in de partij komen wordt het voordeel van de godsdienst op het tweede plan geschoven: zij zullen eerst en vooral ... als flaminganten handelen. Maar dát ideaal schijnt nog te wijd: in de belangen van het Vlaamse volk ziet men maar weinig buiten de belangen van zijn taal. Langzamerhand komt men er toe uitsluitend de taalvraag te beschouwen, alle zaken langs één kant aan te vatten.

Ik heb misschien ongelijk, van de mensen te verlangen dat zij steeds het einddoel vóór ogen houden. Ik weet het genoeg, zij willen op hun gemak leven, met ideaaltjes die zij haast kunnen betasten; zij bevinden zich het gelukkigst in een nauw afgebakend kringetje dat zij een kosmos wanen. En hoe minder zij van de ronde horizont zien – de waanzinnige horizont – hoe zaliger zij zijn. Dat geen winden van hoger blazen, er is niets hogers dan hun circusje van bezigheidjes, spreekt van iets hogers niet of ge knakt hun geluk, want ... zij leven van hun kleinheid. Dát zal hen het meest ergeren, dat ik het speelgoed in hun handen breek, om hen naar verder te doen kijken. Ik zeg dit zonder bitterheid, want het is niet te vermijden; alleen vind ik het bedroevend dat soms brede geesten zich laten meesleuren door de politiek van partijen, waarin toch alle activiteit door lagere willen bepaald wordt. Voor die mensen is het misschien goed, dat eens iemand spreekt zoals ik het hier doe.

Ik kies enige voorbeelden uit, op gebied van bestuur, onderwijs, rechts- en krijgswezen:

Men bespreekt het overnemen van de Congo-staat: het Nationaal Vlaams Verbond vergt dat ‘alle wetten, besluiten, verordeningen en berichten aangaande de kolonie’ in het Frans en in het Vlaams zouden opgesteld worden, ‘en aldus tegelijk afgekondigd, zowel in België als in Afrika’. Zo ja, mag de Congo overgenomen worden; zo neen, dan verzoekt het Nationaal Vlaams Verbond onder geen voorwendsel die overneming goed te keuren. Ik bespreek niet of het verlangde rechtvaardig is of niet. Maar in deze gewichtige zaak heeft men dus niets willen weten van de honderden redenen die voor of tegen een overneming in te roepen waren, men heeft niet onderzocht of daarachter soms geen geldelijke knoeiboel stak, men heeft zich niet eens afgevraagd of alle koloniale politiek, trots een leugenachtig uithangbord, geen aanstotelijke schanddaad van onze ‘beschaving’ is. Om niets heeft men zich bekreund: belooft men dat Congolese verordeningen ook in het Vlaams zullen opgesteld worden, dan is de overneming wenselijk. Er is maar een enkel standpunt: de taalvraag.

Dat men er spoedig toe kwam, van geen ander standpunt meer uit te gaan in zaken van onderwijs is nog makkelijker te begrijpen. Maar, als het Vlaams eens de voertaal geworden is, zal men dan lofzangen afwisselen ter ere van het hedendaags schoolvossendom, dat, aan zedelijke invloed onmachtig, alle hoekige zelfstandigheid afrondt en verlamt, dat ons van kindsbeen af het hoofd met holle woorden volstopt, onze geest alle vooringenomen denkwijzen opdringt, en ons tot op de hogeschool toe het geweten gebonden houdt door zijn nauwsluitend stelsel van leugen? Het beste deel der wilskracht van onze jeugd moesten wij verspillen om daartegen in opstand te komen en ons zelf te handhaven. Maar gewoonlijk vraagt de flamingant alleen naar de taal waarin de leugen onderwezen wordt; hij ziet de leugen niet meer, hij vergeet dat de grondige en algehele hervorming van het onderwijs nodig is om van Vlaanderen te maken wat het zijn kan.

Dat vóór een Vlaamse rechtbank Vlaams moet gesproken worden neem ik zonder verdere bewijsvoering aan; het is een ongehoord feit dat een mens kan aangeklaagd en veroordeeld worden in een taal die hij niet verstaat en het pleit weinig voor het billijkheidsgevoel van onze vierscharen als zij dat niet erkennen. Maar als men de kritiek der instelling aandurft, waarom gaat men niet tot het einde toe? Waarom neemt men zo makkelijk die ongerijmdheid aan: elkeen moet de wet kennen? Kennen we dan iets van dat ingewikkeld weefsel van onrechtvaardigheid, door heren in zwarte en rode rokken bepoteld, uitgerokken, ingekrompen, omgedraaid volgens hun talent of spitsvondigheid? Zij hebben zelf jaren en jaren lang gestudeerd om in die wetten wat klaar te zien en nog kunnen zij het doorgaans niet eens worden omtrent het vonnis, dat dikwijls oudere heren wat later breken, vaststellend dat de eersten zich vergist hebben. Hoe kunnen we wijs worden uit het zonderlinge Bargoens dat zij spreken? Vertaalt de juridische taal in het Vlaams, het baat een eenvoudig mens maar weinig: elk woord zal hem een vreemd werktuig schijnen waarmee men hem de keel dicht nijpt, en hij zal alleen vermoeden dat al die ijzeren wetten, die men vóór hem laat knersen, gemaakt zijn om de voordelen van enigen te beveiligen. De ‘taalstrijder’ bekommert zich gewoonlijk daarom niet meer, of het recht misschien geen warboel van leugens is, waardoor ons al het onnatuurlijke der maatschappij opgedwongen wordt; of dat onnatuurlijke zelf niet noodwendig de overgrote meerderheid der misdaden voortbrengt – of een mens een ander mens wel mag veroordelen en straffen? Als hij het in het Vlaams doet, dan hoef ik daarover niet verder na te denken, antwoordt de flamingant die eerst en vooral flamingant is. En werpt het gezag hem die verbetering toe, de enige die hem wenselijk scheen, dan blijft hij zoet zitten en acht zich voldaan, en is bereid de vervlaamste instelling met de uiterste moed te verdedigen. De leugen staat er maar vaster door.

Wat betreft de herinrichting van het leger – daar neemt de eerbied sneller af – is men zo monomaan niet gebleven. De Vlaamse Volkspartij vergt bv. een merkelijke vermindering der jaarlijkse begroting van oorlog, en drukt enige andere uiterst platonische wensen uit. Maar eigenlijk komt toch alleen de taalvraag ernstig ter sprake, waar van de ‘rechten des Vlamings’ gewaagd wordt. Een Frans commando verstaat de Vlaamse soldaat niet; maar begrijpt hij dan ooit wát hem bevolen wordt! Hij mag geen wil meer hebben, hij is een machine, die niet begrijpen moet, en ook nooit begrijpt. Men vindt het een zeer onnatuurlijke toestand, dat de beste krachten van het land door het kazerneleven verrot worden – de statistiek is leerrijk! – als schrootbrakers en houwitsers ze niet vernietigen om de belangen van enige grote nijveraars; men acht het een schande dat van jaar tot jaar meer miljoenen – terwijl in de bibliotheken geld ontbreekt – vergooid worden aan de voorbereiding van oorlogen waarvan niemand de reden vat; men weet dat het militarisme het verval van de zedelijke geest is. Zal doorgaans de flamingant het militarisme zelf aanvallen? Hij verlangt eerst dat de commando’s in het Vlaams gegeven worden. Verkrijgt hij het, dadelijk wordt het leger een heilig iets. Zo verdedigt men alle staatsinstellingen, die de ontwikkeling van het volk belemmeren, als in die instellingen het Vlaamse taalrecht maar geëerbiedigd wordt. Wie ‘Vlaming boven al’ is bespreekt uiteindelijk niet meer of een instelling goed of slecht is: zij moet vervlaamst worden, verder gaat hij niet.

Hij zal wellicht beweren dat hij wél verder gaat, maar dat voorlopig alle mensen van goede wil zich moeten samen scharen ter onmiddellijke oplossing van de taalvraag, buiten alle andere vragen om, die op de achtergrond geschoven worden.

Maar men blijft zo lang verenigd tot het verkrijgen van enige voorlopige verbeteringetjes, dat men aan duurzamer hernieuwingen uiteindelijk niet meer denkt – dat het doel zelf teloor schemert: Vlaanderen in staat stellen álles te worden wat het zijn kán. Wie een gedeeltelijke hervorming van het leger wil, die acht eigenlijk het militarisme toch goed. Elke gedeeltelijke hervorming maakt een in-de-grond-slechte instelling jonger en hechter. Lauwe zielen, die steeds het instorten van de hemel vrezen, mogen weer al het verdoemde, dat de natuurlijke opgroei bedrukt van de mensen, pleisteren en oplappen: ik wil niet verbeteren wat in onze weg staat; het moet vallen.

Wij willen eerst zelfstandigheid, wij willen eerst het geweten wekken. Maar het stelsel van: ‘vóór al Vlaming zijn’ en die kortzichtigheid die dan nog, werkelijk, ons trachten beperken komt tot een taalbeweging, belet ten langen leste het beginsel van de maatschappelijke vormen, de grond zelf der zaken te bespreken. Zo wordt het geweten vernauwd, verduisterd, nu dat de geesten toch naar de breedste bewustheid willen dringen. Gij, een der partijen waarin het gevoel der rechtvaardigheid het diepst leeft en het oprechtst, gij ziet niet meer op welke tegenstrijdige leugens onze beschaving steunt, gij ziet niet meer dat zij voor alle standen lichamelijk en verstandelijk verval betekent, dat al haar organen werktuigen van de dood zijn. Die werktuigen verbetert hij. Al wat op onze borst drukt, al wat het vrije vreugdevolle harmonische leven, dat wij willen, komt te neer wringen, dat verdedigt gij, als uw manie maar voldaan wordt. Een volledige, tot de bodem doordringende kritiek, went men af. – Ik durf zelfs niet hopen, dat nog iemand dat artikel als geheel, in zijn innerlijke samenhang, zal onder handen nemen. – Men bedwelmt de zwakken door slechts één zijde der vraagstukken te laten blikkeren, alle aandacht wordt daarop samengetrokken, het veld der discussie wordt steeds verengd. Men is eerst en vooral ‘taalstrijder’; en langzamerhand komt men er toe, het toetsen der stelregels weg te laten, niets meer in zijn geheel aan te vatten, de kern zelf der dingen niet meer te beschouwen.

De Vlaamse Beweging wil eerst het zelfstandig geweten, zij wil eerst zelfbewuste mensen, die zich vrij ontwikkelen tot de verwezenlijking van hun eigen wereld. Gij omnevelt het geweten: onze wegen zijn dezelfde niet.


Misvatten van het doel, misvatten der middelen. In deze tijd van algemeen stemrecht verwijdert zich de Vlaamse Beweging hoe langsom meer van haar vroeger wezen. Zij schijnt slechts op het gezag te rekenen, spant zich in tot het verkrijgen van wetten. Maar is zij als politieke beweging te rechtvaardigen?

Ik acht het overbodig nog eens het parlementarisme af te takelen, dat door niemand meer ernstig voorgestaan wordt en zichzelf thans in de ‘duizeling des doods’ afbreekt. Zeker beseft eenieder nog niet heel klaar, dat hij zich macht tot zelfbestuur moet verwerven, dat de belangen van een groep door de belanghebbenden moeten besproken worden en dat de innerlijke wetten van een wijdere gemeenschap de relaties onder de mensen bepalen, en werkelijk leven, zonder de bekrachtiging van de gendarme. Maar, zonder heel bewust de afvaardiging zelf aan te vallen, bemerkt men toch over het algemeen dat steeds de minst achtenswaardige goochelaars afgevaardigd worden; en al lijdt men nog, dat zij – eigenlijk vijf of zes partijaanvoerders die volgens hun welsprekendheid of doortraptheid de hoop der ‘crapauds du marais’ meesleuren – het over de meest verschillende vragen tot beslissingen brengen die van kindsbeen af al onze daden omsluiten, men begint toch te vermoeden, dat geen uitbreiding of hernieuwing van het stelsel helpen kan, al zetelden de heiligste wijzen in de Kamer, – daar het stelsel slecht is in de grond.

Nochtans meent de flamingant het parlement te moeten gebruiken, zolang het nog bestaat. Ik beweer zeker niet dat hij propaganda van mens tot mens, in de dagelijkse omgang, geheel verzuimt; maar van de wetgevende machten vooral verwacht hij de verwezenlijking van zijn wensen, daaraan besteedt hij het beste deel van zijn kracht; hij stelt talloze verzoekschriften op, en kiesstrijd is maar al te dikwijls de achtergrond van wat hij zegt en schrijft ter verspreiding van zijn meningen.

In verhouding tot de ontzaglijke wil die in werking gebracht wordt, schijnt de uitslag maar uiterst mager. Wanneer wij iets verkrijgen is het wel door het zonderlingste toeval, en wij hebben nu genoeg ervaring opgedaan om te weten hoe weinig ons dan nog wordt toegeworpen. Een flamingantistische wet raakt er alleen door als zij ten voordele van deze of die partij strekt, en daar hebben we dat in pacht nemen van onze Beweging door de politiek, waartegen Rodenbach reeds opkwam in het prospectus van zijn ‘Pennoen’. Een onafhankelijke ‘Vlaamse Volkspartij’, zoals in Brussel en de omstreken gesticht werd, verandert daar niets aan: zij hoopt zelfs niet één vertegenwoordiger naar de Kamer te sturen, het getal der stemmen die zij verzamelt is ellendig, want in ons land is geen streven zedelijk sterker en staatkundig onmachtiger dan het onze; ten hoogste kunnen haar kandidaten die der andere klieken wat flamingantistische vorderingen ... in hun programma doen opnemen; maar is dat geheel haar doel, dan bekent zij dat in ons parlement de Vlaamse Beweging steeds ondergeschikt moet blijven aan de belangen van een politieke partij, en dat we op een zuiver Vlaamsgezinde wet een kruis mogen maken. Ten andere, slechts politieke wetsontwerpen worden aangeboden; als zij maar de schijn hebben maatschappelijke toestanden ernstig te willen veranderen, worden zij onherroepelijk verworpen, of zo misvormd en overladen van wijzigingen dat ze er geheel onschadelijk uitzien. De betrekkelijk beste wetten – en die waren dan nog, zegt Buckle, slechts een gedeeltelijke verbetering of de afschaffing van vroegere jammerlijke bepalingen, – heeft men alleen gestemd onder de druk van het gewoel buiten het parlement, als het volk zijn geroep tegen de vensters sloeg en de ‘afgevaardigden’ op hun zetels bleek werden. Anders nemen zij op sociaal gebied hun toevlucht tot hulpmiddeltjes, die hoogstens voor een tijd de pijn der open wonden verzachten. Maar wij zullen zolang geschreeuwd hebben om enige halve maatregelen, dat wij het doel bereikt zullen achten zodra wij die uit de gesloten handen van onze meesters halen. Als zij enige taalrechten loslaten – altijd en uitsluitend die taalrechten! – dan zullen zij ons wel inplanten dat ze ons ditmaal bedorven hebben, dat ze ons ‘intransigeants et farouches’ achten als we meer eisen, dat we nu zoet moeten zijn. En men zal de Vlaamse Beweging zolang door de modder van de politiek gesleurd hebben, dat we het zullen geloven. Heel veel zullen zij ons niet vergund hebben, uit vrees van – de scheuring. Wij hebben op die weg niets anders te verwachten, dan al wat het natuurlijk uitbloeien van onze kracht hindert nog onwrikbaarder in de grond geworteld te zien. Van de zelfstandigheid die wij willen zullen we meer dan ooit verwijderd zijn.

Men zal dit niet onmiddellijk aannemen. Toch begrijpen reeds enige flaminganten – zekere christelijke volksgezinden bv. – dat het einddoel van de Vlaamse Beweging door de wet niet bereikt kan worden, en dat de zekerste en meest rechtstreekse daad nog de innerlijke opschudding der gemoederen is: maar het parlementarisme schijnt hun het geschiktste middel van agitatie dat zij gebruiken kunnen.

De eerste uiting van dat mooie voornemen kan alleen het stichten van een partij zijn. Vrije samenwerking van individuen, door geen vast en streng bepaald credo gebonden, acht men bij ons onnatuurlijk; in België, zei Baudelaire, ‘on pense en bande’. Wie het ‘programma’ niet volgt wordt voor ‘bastaardvlaming’ gescholden. Het heil van het Vlaamse volk smelt weldra samen met het heil der coterie, en vele lezers van dit artikel zullen zich niet eerst afvragen: wat is hier juist of niet? – maar wel: hoe gaan we de partij verdedigen? – Als men zich eindelijk losgemaakt heeft van klerikalen en liberalen en socialisten, waarom zich dan nog eens laten inlijven in een regimentje, met zijn vaantje en zijn korporaaltjes! De partijgeest, die als een ingespannen paard noch rechts noch links mag kijken, vat alles van de kleine kant aan, glijdt spoedig in een opportunisme dat van uitwegen leeft, en geeft de slimmen meer macht dan de sterken en de eerlijken. Dan kan het breedst maatschappelijk trachten tot persoonlijk getwist verlaagd worden – en de taalbroeders verscheuren elkaar op nooit geziene wijze. Zo verliest de Vlaamse Beweging van dag tot dag aan zedelijke waarde.

Dat heet men het geweten wakker roepen, alsof heel de kiespropaganda geen verstomping van het geweten, geen omkoping was, de zegepraal der lafste komedianten schaamteloosheid. In kroeg en kabberdoes wordt dan het geweten door jenever wakker geroepen; men is wel gedwongen, dezelfde wapens als zijn vijanden te gebruiken! Wij konden reeds ondervinden hoe gevaarlijk zekere ‘middelen van agitatie’ zijn: in de kiesstrijd van verleden jaar, te Brussel, doken heel onverwachts de inkomende rechten onder de beloften der flamingantse kandidaten op – iets waarvan er in het programma der partij nooit sprake geweest was; dat was een streek; daar trad de Vlaamse Beweging in haar tijdperk van doortraptheid.

De edelste karakters die ik ken hebben aan zelfbewustzijn verloren, en aan zuivere invloed, zodra zij als ‘vertegenwoordigers’ van het volk optraden. Men bederft spoedig in de lucht der Kamers, en een eerlijk hart, wiens oprechtheid onaantastbaar is, wordt er meestal geklopt door de juridische geslepenheid van de partijlui. Wie het parlementarisme wil verzwakken blijft er buiten. Als iemand, die in een parlement ‘door deuren en vensters’ wil spreken, zich sterk genoeg waant om aldaar alle listen af te weren, alle politiek van zich af te schudden en over het land woorden te slaan die daden zijn, dan is hij sterk genoeg om altijd gehoord te worden, van waar ook die woorden klinken. Hij zal dan het beste voorbeeld geven door eens voorgoed te breken met de Staat en zich als reine wil, als geheel zelfstandig man vóór zijn volk op te richten. In een parlement mag hijzelf de vragen niet stellen, zoals hij het verlangt, en op haar eigen gebied; aldaar kan hij die ook niet in de grond en als geheel bespreken. Alle geredekavel is er een nauw ingeperkte doolhof. Dat is me nu een mooi middeltje om ons volk door bewustzijn op te beuren! In de Kamer staat een toeschouwer gedurig onder de indruk dat de sprekers elkaar niet verstaan, dat elk van een ander standpunt uitgaat. Poog het maar, er geheel het Vlaanderen dat aan het worden is opeens te doen leven in uw woord! Eerst moet ge wel een wetsontwerp als voorwendsel gebruiken, waarrond dan kwinkslagen en woordspelingen tornooien, als men elkaar met geen modder begooit, of een hele dierentuin uw stem niet overschreeuwt; eindelijk lost zich alles op in kleingeestig gekibbel over ingewikkelde wijzigingen, uitleggingen, bijvoegsels, die het wetsontwerp haast onkennelijk maken. Wat wordt uit al dat geharrewar de rechtstreekse en zuiver effect van uw geest op uw volk? Zal het, dat volk, de eenvoudige denkbeelden, die het bezielen moeten, wel altijd zien blinken onder al die sintels, al dat metaalschuim dat er aan kleeft? En als de menigte uw woord opvangt: in alle geval wordt haar wil op het verkrijgen van wetten gericht, wetten – altijd wetten! Verder zal men eindelijk niet meer kijken. Zeker is het al verstandiger door het volk op de wet te werken, dan omgekeerd; de individuen zulk een gevoel van eigenwaarde inprenten, dat ze het gezag bedwingen, komt beter overeen met het echte streven der Vlaamse Beweging, dan op het gezag te rekenen om in de gemoederen meer zelfstandigheid te doen ontkiemen. ‘Agitatie’ stoken ís heel goed. Maar als de meeste Vlamingen eens zó klaar zien, dat ze door krachtdadige, vanzelf ontstane betogingen de Kamers naar hun wil beteugelen, dan zijn zij sterk genoeg om niets te gaan vragen aan hun vijanden. Wanneer ik mij als zelfstandig wezen voel, dan bezit ik wat ik wil, en hoef het niet meer af te smeken van mensen, die op niet het minste recht hebben.

En hoe onzeker is het dan nog, wat een parlement ons toestaat! Want een ander parlement kan het intrekken en dan is alles te herbeginnen. Waarom willen wij niet rechtstreeks een werkelijkheid: als de Vlaming eens bewust weet wat hij is, zich naar eigen aard zijn eigen vrije wereld wil bouwen en zelf terugwerkt op hetgeen zijn recht krenkt, dan staat men voor iets dat niet meer weg te cijferen is, dan kan de wet niets meer op zijn zelfstandigheid. Maar zolang de meerderheid van ons volk nog zonder hoger geweten leeft is de wet nutteloos of schadelijk. Ofwel past zij juist op de toestanden, komt ze na een innerlijke voorbereiding der geesten, is ze slechts de erkenning van wat reeds bestaat en dan is ze overtollig. Of zij wil een toestand in het leven roepen, en in dat geval blijft ze gewoonlijk onmachtig; hoogstens kan ze invloed uitoefenen op het een of ander gering gebied, al is haar werking dan nog een zeer voorbijgaande. In al onze bladen, op al onze landdagen, verneemt men een onafgebroken reeks van klachten: de Vlaamse wetten worden bijna niet nagekomen. Onze inspanning om enige schrale bepalingen los te krijgen is niets in vergelijking bij de kracht die we gedurig verspillen om die wat eerlijker te doen toepassen; wij vermoeien ons zeer nutteloos door achter schimmen te lopen. De wet op het onderwijs, van ’83, wordt thans minder in acht genomen dan vóór enige jaren, wat onvermijdelijk is, zolang slechts een gering aantal burgers begrijpt waarom zij rechtvaardig is; wie niet begrijpt kan niet bedwongen worden, gij zult hem niet meer bewustzijn inplanten door hem een vrijheid op te dringen die hij niet wil. Maar dat bewustzijn, als gij het door minder kunstmatige middelen zult opgepord hebben, als elke Vlaamse vader zal eisen dat zijn kind in het Vlaams opgebracht word, als elk Vlaamse leraar dat natuurlijk zal achten, als de leerlingen zelf hun taal zullen doen eerbiedigen en de Franse scholen verlaten; dan zal men vóór een werkelijkheid staan, en niet vóór een ‘princiep’. Zolang de meeste Vlamingen niet in opstand komen, uit eigen beweging, tegen alle ontvlaamste staatsinstellingen, blijft een wet, die zij niet begrijpen, die zij niet vroegen, die voor hen dus nog geen behoefte was, noodzakelijk onmachtig; later is zij onnodig. Men heeft alleen recht op wat men zichzelf tot bezit te maken weet.

De geesten omwoelen in alle standen van ons volk, buiten alle politiek om, het geweten wakker schudden, leren hoe elkeen zelf moet terugwerken op al wat zijn groei belemmert, en nemen wat hem nodig is, – de mensen overtuigen, en ze dan als zelfstandige wezens laten handelen: dat is de enige propaganda die een zedelijke waarde bezit, en in directe verhouding staat tot het doel van de Vlaamse Beweging. Zolang iemand niet vrij zijn wil of kan, tracht men vergeefs hem vrijheid op te dringen. Maar men kan in hem het gevoel der vrijheid opwekken en kweken, opdat hij zich zelf vrij maakt. Waarom wachten wij dat het gezag een woord laat vallen van omhoog? Zal misschien dat woord de doden levend maken? Voor kort ging de ‘Oud-Hoogstudentenbond van West-Vlaanderen’ (de Oud-Hoogstudentenbond) aan de bisschop van Brugge vragen dat in de katholieke kostscholen en seminaries ‘de studenten van Vlaanderen zouden mogen Vlaams spreken op zondagen en feestdagen, en op hun wandelingen in het platteland...’ (sic). De bisschop antwoordde ‘dat er aan die wens ... moeilijk kan toegegeven worden.’ Hij heeft gelijk: als men onnozel genoeg is om deemoedig iets te gaan afbedelen dat geen mens u ontnemen mag, dan kan men niet genoeg vernederd en getart worden, de vuist in de nek voelen. Indien de echte Vlaamse Beweging in die geesten stak, maar de echte, hoort ge, dan zouden zij weldra met elkaar overeenkomen om Vlaams te spreken overal en wanneer het hun belieft en niet alleen op zon- en feestdagen! En wat zou de bisschop doen vóór de ongehoorzaamheid van allen? Dat heet ik ‘praktisch’. Als men ons onrecht doet ligt de schuld aan ons, en aan ons alleen. Spijkert dat in het hoofd der jeugd, dat is moreler dan uw eerbied voor de macht.

Vlaanderen wil worden; en als we het beweren voelen wij ons – een minderheid – gedreven door een machtigere drang, die werkelijk is. Maar weinigen kennen welbewust hun wil en handelen. Is het dan niet ellendig dat die weinigen, waar zij als flamingant optreden, zo niet al hun kracht, wat overdreven is, maar toch het beste deel van hun kracht verkwisten aan nutteloze werking? Zij rekenen op de wet, op de staatsinstellingen om hun volk te hernieuwen, en bij de ‘radicaal’ Vlaamsgezinde partijlieden slaat dat tot de verdrietigste stelselmatigheid over. Het ‘beginsel’ der vervlaamsing van alle instellingen – goede of slechte, om het even – moet vooral geëerbiedigd worden, en men bekreunt er zich weinig om, of zulks nu en dan luttel of geen gevolgen heeft. Wij glimlachen, wanneer in de Kamer een afgevaardigde het wenselijk acht, ‘dat de hofhouding voortaan geheel samengesteld weze uit tweetaligen,’ maar eigenlijk is geen diepere en duurzamere invloed op ons volk te verwachten van de ontelbare verzoekschriften door een Nationaal Vlaams Verbond opgesteld. Het wordt velen tot een levensideaal, heel de officiële papierwinkel, die niemand leest en ons reeds miljoenen kost, in het Vlaams te doen vertalen – alsof men niets beters te doen had! Bracht Coremans het volgende niet uit, in de discussie der begroting van rechtswezen (zitting van 22 jan. 1895): ‘Ik verzoek de achtbare Minister van Rechtswezen ... voortaan geen andere tenzij tweetalige wetsontwerpen aan de Kamer voor te leggen. Voor degenen van onze collega’s, die het Nederlands niet machtig zijn, kan dat meer of minder onaangenaam wezen; maar laten wij het zeggen zoals het is: worden door de Kamer niet veel ontwerpen gestemd zonder dat men de tijd gehad of het nodig geoordeeld heeft ze te lezen? Zo hebben we daar die lijvige begrotingen, overgrote bundels; hoeveel onder ons – laten wij maar openhartig spreken – lezen ze van het begin tot het einde? Toch nemen wij deel aan de stemming! – En zou de stemming over een Nederlandse tekst, welke niet door allen zou begrepen worden, toch zo iets buitensporigs wezen, als daarmee voldaan wordt aan de allereerste behoefte: een volk wetten geven die het lezen en begrijpen kan.’

Laten we de kortzichtigen in de poelen der politiek ploeteren, schreeuwend om hervormingetjes, maatregeltjes, verordeningetjes: zij zullen onderzinken met alles waaraan zij zich vastklampen. Wie weet of weldra alle sporen van hun onvruchtbare wil niet verdwenen zijn? Want iets vreselijks en geduchts is er nu, dat stil en onvermijdelijk voort werkt: de vormen van onze maatschappij brokkelen af, gedurig af, en men leeft met onrust over zich, want men voelt dat de tegenwoordige Staat vallen zál, al kwam zelfs geen revolutie zijn val verhaasten. Stort het huis morgen in, wat worden uw wetten? Vervlaamst maar wat ineen gaat breken! Alle jonge en strevende krachten wringen zich los van de dwang, ontkennen de wet in zover het hun mogelijk is, keren de rug naar uw parlementen en heel uw bureaucratie, naar al die vergeefse gebaren en die woorden die naar de dood ruiken. De leegte van de dood hangt reeds over al de gebouwen waarin gij met vlijtige handen Vlaamse opschriften beitelt. Verwijdert u van wat sterven gaat. Al wat thans door de Staat gesticht wordt blijft dor en nutteloos, al wat nog op het gezag steunt verliest aan echt innerlijk leven. Kijken we verder dan het onmiddellijke, het toevallige, het voorlopige; onze daad zal het zuiverst, het direct-doelmatigst zijn, als we werken op hetgeen zich voortdurend ontwikkelen zal, de geest zelf die onze Beweging bezielt – het diepe gemoed der mensen, dat steeds onder de gisting der eeuwen broeit, steeds naar meer zelfstandigheid en uitbreiding van zijn eigendom wil. Zelfstandigheid is kracht om zijn zedelijke wereld te scheppen, en elk van deze woorden is vol betekenis. Naar zelfstandigheid gloeit heel onze tijd op. De economische omwenteling is slechts een deel van wat er thans gebeurt; wij staan vóór een nieuwe samenvatting van het leven. Een gedachte groeit, die als het christendom heel de mens zal omsluiten; de armen van een kruis van kennis gaan zich uitstrekken, uit de nacht slaan ons reeds vlammen tegen het gezicht. En terwijl heel een jeugd wacht, het hoofd vol duistere glories en de handen bevend van voorgevoel – wroeten de hervormingspartijen in hun politiekje voort, elkaar bestrijdend, want van het wordende ziet elke partij slechts één zijde en houdt die voor het geheel. Maar zij die begrijpen wat de synthese wezen kan en waarom de Vlaamse Beweging het oprechtst en edelst streven dat in België opkwam, gedragen is door de wil zelf die de grote herschepping voorbereidt, die zullen alle gedeeltelijke oplossingen verwerpen en recht naar de enige vraag dringen, inziende dat hier slechts één droom te verwezenlijken is.

1895